Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren van de diplomagerichte beroepsopleidingen van het secun

Kort samengevat

Dit besluit regelt de inhoud en organisatie van geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren voor diplomagerichte beroepsopleidingen in het secundair volwassenenonderwijs. Het stelt vast welke modules aangeboden moeten worden en welke basiscompetenties cursisten moeten behalen.

Wat het regelt

  • De specifieke geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren.
  • De basiscompetenties die cursisten moeten bereiken of nastreven binnen deze modules.
  • De certificering van elke afzonderlijke module met een deelcertificaat.
  • De evaluatie van de geletterdheidsmodules uiterlijk drie jaar na inwerkingtreding.

Wie het aanbelangt

  • De Vlaamse Regering en de Vlaamse minister van Onderwijs.
  • Centra die diplomagerichte beroepsopleidingen aanbieden in het secundair volwassenenonderwijs.

Kernpunten

  • Elke geletterdheidsmodule wordt afgesloten met een deelcertificaat.
  • De modules bevinden zich op het niveau van het secundair volwassenenonderwijs.
  • Centra moeten de basiscompetenties met hun cursisten bereiken (resultaatsverplichting), tenzij anders aangegeven met een *.
  • De geletterdheidsmodules omvatten onder andere "Hoe leer ik?" (20 lestijden), "Optimaliseren van het leren" (20 lestijden) en "Zich voorbereiden op solliciteren" (12 lestijden).
Wettekst
Wettekst

18 MAART

  1. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren van de diplomagerichte beroepsopleidingen van het secundair volwassenenonderwijs De Vlaamse Regering, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen, artikel 20; Gelet op het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/06/2007 pub. 31/08/2007 numac 2007036482 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het volwassenenonderwijs sluiten betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 24, § 1, gewijzigd bij de decreten van 30 april 2009 en 1 juli 2011 en artikel 25bis, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/05/2009 pub. 28/08/2009 numac 2009035790 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de kwaliteit van onderwijs type decreet prom. 08/05/2009 pub. 28/08/2009 numac 2009035809 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het onderwijs XIX sluiten en vervangen bij het decreet van 21 december 2012; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 19/07/2007 pub. 28/08/2007 numac 2007036450 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de studiebekrachtiging in het volwassenenonderwijs sluiten betreffende de studiebekrachtiging in het volwassenenonderwijs; Gelet op de voordracht van de stuurgroep, gedaan op 8 september 2014; Gelet op het advies van de Vlaamse Onderwijsraad, gegeven op 18 november 2014; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 8 december 2015; Gelet op protocol nr. 22 van 29 januari 2016 houdende de conclusies van de onderhandelingen die werden gevoerd in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X, van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van het overkoepelend onderhandelingscomité, vermeld in het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs; Gelet op advies 58.935/1 van de Raad van State, gegeven op 9 maart 2016, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs; Na beraadslaging, Besluit : Artikel 1.Ter uitvoering van artikel 24, § 1, van het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/06/2007 pub. 31/08/2007 numac 2007036482 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het volwassenenonderwijs sluiten betreffende het volwassenenonderwijs worden voor de opleidingsprofielen van de diplomagerichte beroepsopleidingen van het secundair volwassenenonderwijs, vastgelegd in bijlage IX bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 19/07/2007 pub. 28/08/2007 numac 2007036450 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de studiebekrachtiging in het volwassenenonderwijs sluiten betreffende de studiebekrachtiging in het volwassenenonderwijs, geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren vastgelegd in bijlage 1 die bij dit besluit is gevoegd. Art. 2.De geletterdheidsmodules, vermeld in artikel 1, worden uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit geëvalueerd. De resultaten van die evaluatie worden besproken met de pedagogische begeleidingsdiensten die een subsidie ontvangen op basis van artikel 28 van het decreet van 8 mei 2009Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/05/2009 pub. 28/08/2009 numac 2009035790 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de kwaliteit van onderwijs type decreet prom. 08/05/2009 pub. 28/08/2009 numac 2009035809 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het onderwijs XIX sluiten betreffende de kwaliteit van onderwijs en het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 43 van het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/06/2007 pub. 31/08/2007 numac 2007036482 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het volwassenenonderwijs sluiten betreffende het volwassenenonderwijs. Art. 3.Ter uitvoering van artikel 25bis van hetzelfde decreet worden de basiscompetenties voor het organiseren van de geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren in de vorm van een open module vastgelegd in bijlage 2 die bij dit besluit is gevoegd. Art. 4.Dit besluit treedt in werking op 1 februari
  2. Art. 5.De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 18 maart
  3. De minister-president van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Onderwijs, H. CREVITS Bijlage 1 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016 betreffende de geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren van de diplomagerichte beroepsopleidingen van het secundair volwassenenonderwijs GELETTERDHEIDSMODULES NEDERLANDS EN LEREN LEREN BIJ DE DIPLOMAGERICHTE OPLEIDINGEN VAN HET SECUNDAIR VOLWASSENENONDERWIJS Inhoud 1 Geletterdheidsmodules in het secundair volwassenenonderwijs 1.
  4. Certificering 1.
  5. Niveau 1.3 Modules 1.4 Leertraject
  6. Basiscompetenties 2.
  7. Tekstkenmerken Lezen 2.
  8. Tekstkenmerken Luisteren 2.
  9. Mondelinge interactie 2.
  10. Schrijven 2.
  11. Spreken
  12. Geletterdheidsmodules 3.
  13. Module Hoe leer ik? (LM SV G901) 3.1.
  14. Situering van de module 3.1.
  15. Instapvereisten voor de module 3.1.
  16. Studieduur 3.1.
  17. Basiscompetenties 3.
  18. Module Optimaliseren van het leren (LM SV G902) 3.2.
  19. Situering van de module 3.2.
  20. Instapvereisten voor de module 3.2.
  21. Studieduur 3.2.
  22. Basiscompetenties 3.
  23. Module Coöperatief leren (LM SV G903) 3.3.
  24. Situering van de module 3.3.
  25. Instapvereisten voor de module 3.3.
  26. Studieduur 3.3.
  27. Basiscompetenties 3.
  28. Module Bewust kiezen (LM SV G904) 3.4.
  29. Situering van de module 3.4.
  30. Instapvereisten voor de module 3.4.
  31. Studieduur 3.4.
  32. Basiscompetenties 3.
  33. Module Oplossingsgericht handelen (LM SV G905) 3.5.
  34. Situering van de module 3.5.
  35. Instapvereisten voor de module 3.5.
  36. Studieduur 3.5.
  37. Basiscompetenties 3.
  38. Module Schriftelijke Informatie verwerven en verwerken (LM SV G906) 3.6.
  39. Situering van de module 3.6.
  40. Instapvereisten voor de module 3.6.
  41. Studieduur 3.6.
  42. Basiscompetenties 3.
  43. Module Mondelinge informatie verwerven en verwerken (LM SV G921) 3.7.
  44. Situering van de module 3.7.
  45. Instapvereisten voor de module 3.7.
  46. Studieduur 3.7.
  47. Basiscompetenties 3.
  48. Module Schriftelijke informatie verwerven en beoordelen (LM SV G924) 3.8.
  49. Situering van de module 3.8.
  50. Instapvereisten voor de module 3.8.
  51. Studieduur 3.8.
  52. Basiscompetenties 3.
  53. Module Mondelinge informatie verwerven en beoordelen (LM SV G925) 3.9.
  54. Situering van de module 3.9.
  55. Instapvereisten voor de module 3.9.
  56. Studieduur 3.9.
  57. Basiscompetenties 3.
  58. Module Schriftelijke informatie verwerken en beoordelen (LM SV G907) 3.10.
  59. Situering van de module 3.10.
  60. Instapvereisten voor de module 3.10.
  61. Studieduur 3.10.
  62. Basiscompetenties 3.
  63. Module Mondelinge informatie verwerken en beoordelen (LM SV G922) 3.11.
  64. Situering van de module 3.11.
  65. Instapvereisten voor de module 3.11.
  66. Studieduur 3.11.
  67. Basiscompetenties 3.
  68. Module Schriftelijke informatie kritisch beoordelen (LM SV G908) 3.12.
  69. Situering van de module 3.12.
  70. Instapvereisten voor de module 3.12.
  71. Studieduur 3.12.
  72. Basiscompetenties 3.
  73. Module Mondelinge informatie kritisch beoordelen (LM SV G923) 3.13.
  74. Situering van de module 3.13.
  75. Instapvereisten voor de module 3.13.
  76. Studieduur 3.13.
  77. Basiscompetenties 3.
  78. Module Actief les volgen (LM SV G909) 3.14.
  79. Situering van de module 3.14.
  80. Instapvereisten voor de module 3.14.
  81. Studieduur 3.14.
  82. Basiscompetenties 3.
  83. Module Participeren aan de les (LM SV G910) 3.15.
  84. Situering van de module 3.15.
  85. Instapvereisten voor de module 3.15.
  86. Studieduur 3.15.
  87. Basiscompetenties 3.
  88. Module Opdrachten aanpakken (LM SV G911) 3.16.
  89. Situering van de module 3.16.
  90. Instapvereisten voor de module 3.16.
  91. Studieduur 3.16.
  92. Basiscompetenties 3.
  93. Module Opdrachten planmatig uitvoeren (LM SV G912) 3.17.
  94. Situering van de module 3.17.
  95. Instapvereisten voor de module 3.17.
  96. Studieduur 3.17.
  97. Basiscompetenties 3.
  98. Module Verslagen maken (LM SV G913) 3.18.
  99. Situering van de module 3.18.
  100. Instapvereisten voor de module 3.18.
  101. Studieduur 3.18.
  102. Basiscompetenties 3.
  103. Module Rapporten maken (LM SV G914) 3.19.
  104. Situering van de module 3.19.
  105. Instapvereisten voor de module 3.19.
  106. Studieduur 3.19.
  107. Basiscompetenties 3.
  108. Module Spreken voor een groep (LM SV G915) 3.20.
  109. Situering van de module 3.20.
  110. Instapvereisten voor de module 3.20.
  111. Studieduur 3.20.
  112. Basiscompetenties 3.
  113. Module Presenteren voor een groep (LM SV G916) 3.21.
  114. Situering van de module 3.21.
  115. Instapvereisten voor de module 3.21.
  116. Studieduur 3.21.
  117. Basiscompetenties 3.
  118. Module Zich voorbereiden op leren op de werkvloer (LM SV G917) 3.22.
  119. Situering van de module 3.22.
  120. Instapvereisten voor de module 3.22.
  121. Studieduur 3.22.
  122. Basiscompetenties 3.
  123. Module Samenwerken met collega's (LM SV G918) 3.23.
  124. Situering van de module 3.23.
  125. Instapvereisten voor de module 3.23.
  126. Studieduur 3.23.
  127. Basiscompetenties 3.
  128. Module Zich voorbereiden op de evaluatie (LM SV G919) 3.24.
  129. Situering van de module 3.24.
  130. Instapvereisten voor de module 3.24.
  131. Studieduur 3.24.
  132. Basiscompetenties 3.
  133. Module Zich voorbereiden op solliciteren (LM SV G920) 3.25.
  134. Situering van de module 3.25.
  135. Instapvereisten voor de module 3.25.
  136. Studieduur 3.25.
  137. Basiscompetenties
  138. Geletterdheidsmodules in het secundair volwassenenonderwijs 1.
  139. Certificering Elke module wordt bekrachtigd met een deelcertificaat. 1.
  140. Niveau De geletterdheidsmodules situeren zich op het niveau secundair volwassenenonderwijs. 1.3 Modules Naam Code Lestijden GELETTERDHEIDSMODULES Hoe leer ik? LM SV G901 20 Optimaliseren van het leren LM SV G902 20 Coöperatief leren LM SV G903 20 Bewust kiezen LM SV G904 10 Oplossingsgericht handelen LM SV G905 10 Schriftelijke informatie verwerven en verwerken LM SV G906 10 Mondelinge informatie verwerven en verwerken LM SV G921 10 Schriftelijke informatie verwerven en beoordelen LM SV G924 20 Mondelinge informatie verwerven en beoordelen LM SV G925 20 Schriftelijke informatie verwerken en beoordelen LM SV G907 10 Mondelinge informatie verwerken en beoordelen LM SV G922 10 Schriftelijke informatie kritisch beoordelen LM SV G908 20 Mondelinge informatie kritisch beoordelen LM SV G923 20 Actief les volgen LM SV G909 12 Participeren aan de les LM SV G910 16 Opdrachten aanpakken LM SV G911 10 Opdrachten planmatig uitvoeren LM SV G912 10 Verslagen maken LM SV G913 20 Rapporten maken LM SV G914 20 Spreken voor een groep LM SV G915 20 Presenteren voor een groep LM SV G916 20 Zich voorbereiden op leren op de werkvloer LM SV G917 20 Samenwerken met collega's LM SV G918 20 Zich voorbereiden op de evaluatie LM SV G919 8 Zich voorbereiden op solliciteren LM SV G920 12 1.4 Leertraject Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
  141. Basiscompetenties De basiscompetenties van de geletterdheidsmodules worden geselecteerd uit de Matrix Nederlands en leren leren (Hier link plaatsen: AKOV). Een centrum moet de basiscompetenties met zijn cursisten bereiken (resultaatsverplichting). Basiscompetenties met een * moet het centrum met zijn cursisten nastreven (inspanningsverplichting). De basiscompetenties Nederlands zijn in de geletterdheidsmodules steeds gekoppeld aan tekstkenmerken. De tekstkenmerken moeten als deel van de basiscompetenties gelezen worden. De dragers zijn zowel digitaal als niet-digitaal zijn. De codes van de basiscompetenties (zie verder onder punt 3: Geletterdheidsmodules) verwijzen naar de codes uit de matrix. 2.
  142. Tekstkenmerken Lezen TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU C Onderwerp Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature of het toelatingsexamen. Ze kunnen zowel vertrouwd als geheel nieuw zijn voor de leerder. Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering. Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt. Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden. Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën). Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. Taalgebruikssituatie Ruis Ruis is mogelijk. Aard van de bronteksten of opdrachtsomschrijvingen De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken. Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken. Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder. Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er zijn geen beperkingen qua lengte van de teksten. De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er zijn geen beperkingen qua lengte van de teksten. De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. Structuur en samenhang De teksten hebben een heldere en expliciete structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. Moeilijke verbanden en denkstappen worden duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn. Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor. Complex samengestelde zinnen komen voor. Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Woordenschat Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. Concreet en abstract taalgebruik komt voor. In toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik. Uiterlijke tekstkenmerken De vormgeving is aangepast aan de conventies van het teksttype. 2.
  143. Tekstkenmerken Luisteren TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU C Onderwerp Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature of het toelatingsexamen. Ze kunnen zowel vertrouwd als geheel nieuw zijn voor de leerder. Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering. Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatiefbeperkt. Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden. Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën). Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. Taalgebruikssituatie Mate van ruis Ruis is mogelijk. Aard van de brontekst De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken. Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken. Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder. Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid Teksten langer dan 15 -20 minuten kunnen, mits enige interactie mogelijk is. Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. Teksten van 30 minuten komen voor, ook als er geen interactie mogelijk is. De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. Teksten van 30 minuten komen voor, ook als er geen interactie mogelijk is. De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. Structuur en samenhang De teksten hebben een heldere en expliciete structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. Moeilijke verbanden en denkstappen worden duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn. Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor. Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Woordenschat Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. Concreet en abstract taalgebruik komt voor. In toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik. Verstaanbaarheid Tempo en vlotheid Er wordt in een normaal tempo gesproken. Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoog tempo is af en toe mogelijk. Het spreektempo ligt regelmatig hoog. Uitspraak en accent De uitspraak is voldoende duidelijk. Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg. Articulatie en intonatie Duidelijke articulatie en intonatie 2.
  144. Mondelinge interactie TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU C Onderwerp Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is voldoende bekend met het onderwerp. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is in zekere mate vertrouwd met het onderwerp en voegt nieuwe informatie toe. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De onderwerpen kunnen vrij nieuw zijn. Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering. Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt. Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden. Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën). Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. Taalgebruikssituatie Mate van ruis Ruis is mogelijk. Aard van de brontekst De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken. Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken. Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder. Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist . Er worden niet te veel gegevens in één keer aangeboden. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist . De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist . De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. Structuur en samenhang De teksten vertonen een zekere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken. De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn relatief eenvoudig en worden meestal duidelijk aangegeven. De teksten vertonen een heldere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms vrij complex, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten vertonen een heldere samenhang. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn. Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Aarzelingen en fouten in de zinsbouw komen voor. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor. Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen. Meervoudig samengestelde en complexe zinnen komen voor. Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen, maar worden verbeterd. Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Woordenschat De deelnemer beschikt over voldoende woorden om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt. Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. De deelnemer beschikt over een ruime woordenschat om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. De deelnemer beschikt over een ruime woordschat om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik. Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik. Verstaanbaarheid Tempo en vlotheid Er wordt in een normaal tempo gesproken, maar bij de deelnemer kunnen spreekpauzes voorkomen. Er wordt rustig gesproken. Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoger tempo komt voor. Er wordt overwegend vlot en vloeiend gesproken. Het spreektempo ligt regelmatig hoog. Er wordt vlot en vloeiend gesproken. Uitspraak en accent De uitspraak is voldoende duidelijk. Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg. Articulatie en intonatie Duidelijke articulatie en intonatie 2.
  145. Schrijven TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU C Onderwerp Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is voldoende bekend met het onderwerp. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is in zekere mate vertrouwd met het onderwerp en voegt nieuwe informatie toe. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De onderwerpen kunnen vrij nieuw zijn. Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering. Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt. Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden. Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën). Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. Taalgebruikssituatie Ruis Ruis is mogelijk. Aard van de bronteksten of opdrachtsomschrijvingen De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken. Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken. Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder. Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. De informatiedichtheid in de tekst kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. Structuur en samenhang De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype. De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven. Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Meervoudig samengestelde zinnen komen voor. Complex samengestelde zinnen komen voor. Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Woordenschat De schrijver beschikt over voldoende woorden om zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt. Voornamelijk concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. De schrijver beschikt over een ruime woordenschat om zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. De schrijver beschikt over een ruime woordschat om zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik. Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik. Uiterlijke tekstkenmerken De vormgeving is aangepast aan de conventies van het teksttype. 2.
  146. Spreken TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU C Onderwerp Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is voldoende bekend met het onderwerp. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is in zekere mate vertrouwd met het onderwerp en voegt nieuwe informatie toe. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De onderwerpen kunnen vrij nieuw zijn. Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering. Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt. Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden. Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën). Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. Taalgebruikssituatie Mate van ruis Ruis is mogelijk. Aard van de brontekst De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken. Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken. Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder. Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er worden niet te veel gegevens in één keer aangeboden. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. Structuur en samenhang De teksten vertonen een zekere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken. De tekststructuur komt overeen met de conventies van het teksttype. De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn relatief eenvoudig en worden meestal duidelijk aangegeven. De teksten vertonen een heldere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken. De teksten hebben een heldere structuur in overeenstemming met de conventies van het teksttype. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms vrij complex, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten vertonen een heldere samenhang. De teksten hebben een heldere structuur in overeenstemming met de conventies van het teksttype . De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. Verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn. Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Aarzelingen en fouten in de zinsbouw komen voor. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor. Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen. Meervoudig samengestelde en complexe zinnen komen voor. Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen, maar worden verbeterd. Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Woordenschat De spreker beschikt over voldoende woorden om zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt. Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. De spreker beschikt over een ruime woordenschat om zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. De spreker beschikt over een ruime woordschat om zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik. Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik. Verstaanbaarheid Tempo en vlotheid Er wordt in een normaal tempo gesproken, maar spreekpauzes komen voor. Er wordt rustig gesproken. Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoger tempo komt voor. Er wordt overwegend vlot en vloeiend gesproken. Het spreektempo ligt regelmatig hoog. Er wordt vlot en vloeiend gesproken. Uitspraak en accent De uitspraak is voldoende duidelijk. Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg. Articulatie en intonatie Duidelijke articulatie en intonatie
  147. Geletterdheidsmodules 3.
  148. Module Hoe leer ik? (LM SV G901) 3.1.
  149. Situering van de module Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd. De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn. Deze module is vooral gericht op startende cursisten bij wie op basis van de intake vastgesteld wordt dat zij over onvoldoende leervaardigheden beschikken. In deze module verwerven de cursisten inzicht in het eigen leerproces en de eigen leerstijl. Dit inzicht is nodig om de cursisten in staat te stellen het eigen leerproces bij te sturen. 3.1.
  150. Instapvereisten voor de module Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/06/2007 pub. 31/08/2007 numac 2007036482 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het volwassenenonderwijs sluiten betreffende het volwassenenonderwijs. 3.1.
  151. Studieduur 20 Lt 3.1.
  152. Basiscompetenties 3.1.4.
  153. Leren leren Module Hoe leer ik? Code De cursist motiveert zichzelf bij het eigen leerproces BC LM 360 gaat met druk om in het eigen leerproces BC LM 361 is bereid over het eigen leerproces te reflecteren BC LM 362 is bereid het eigen aandeel in welslagen of falen in het eigen leerproces te erkennen BC LM 363 is bereid hulp te vragen bij het eigen leerproces BC LM 364 wil met feedback omgaan BC LM 367 beschouwt feedback als een leerkans BC LM 368 heeft inzicht in de omgeving en de impact ervan op het eigen leerproces BC LM 369 vraagt hulp bij het eigen leerproces BC LM 385 zet hulp in voor het bijstellen van het eigen leerproces BC LM 386 bekrachtigt de uitvoering van de leertaak of stelt ze bij BC LM 387 reflecteert op de eigen leermotieven bij het eigen leerproces BC LM 389 reflecteert op de eigen leerstijl tijdens het leerproces BC LM 390 reflecteert op de eigen zwaktes en sterktes bij het eigen leerproces BC LM 391 reflecteert op welke leerstrategieën passend zijn bij het eigen leerproces BC LM 392 ontwikkelt inzicht in de eigen leermotieven BC LM 397* ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl BC LM 398* ontwikkelt inzicht in affectieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 399* ontwikkelt inzicht in cognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 400* ontwikkelt inzicht in psychomotorische componenten van het eigen leervermogen BC LM 401* ontwikkelt inzicht in metacognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 402* ontwikkelt inzicht in sterktes en zwaktes van het eigen leervermogen BC LM 403* ontwikkelt inzicht in de impact van de eigen persoonlijkheid op het eigen leervermogen BC LM 404* 3.1.4.
  154. Nederlands Module Hoe leer ik? Code Lezen Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten BC LM 001 onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten BC LM 010 zoekt informatie in studieteksten BC LM 018 zoekt informatie in grafische voorstellingen BC LM 027 ordent informatie uit studieteksten BC LM 030 vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 038 Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o duidt relevante informatie aan o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066 Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in o herkent interpunctie en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067 3.
  155. Module Optimaliseren van het leren (LM SV G902) 3.2.
  156. Situering van de module Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd. De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn. Een competentiegerichte visie op leren en onderwijzen houdt onder meer in dat de cursisten in toenemende mate de verantwoordelijkheid voor het eigen leerproces moeten opnemen. In deze module verwerven de cursisten de noodzakelijke inzichten en vaardigheden om hun leerproces te optimaliseren, waarbij veel aandacht wordt besteed aan de mogelijkheden tot transfer. 3.2.
  157. Instapvereisten voor de module Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/06/2007 pub. 31/08/2007 numac 2007036482 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het volwassenenonderwijs sluiten betreffende het volwassenenonderwijs. 3.2.
  158. Studieduur 20 Lt 3.2.
  159. Basiscompetenties 3.2.4.
  160. Leren leren Module Optimaliseren van het leren Code De cursist heeft inzicht in verschillende soorten leerdoelen BC LM 370 heeft inzicht in verschillende soorten leertaken en -activiteiten BC LM 371 heeft inzicht in verschillende soorten leerstrategieën BC LM 372 heeft inzicht in verschillende soorten leerhulpmiddelen BC LM 373 heeft inzicht in verschillende evaluatievormen en de gevolgen ervan voor het eigen leerproces BC LM 374 bereidt de uitvoering van de leertaak voor BC LM 376 volgt de uitvoering van de leertaak op BC LM 377 evalueert de uitvoering van de leertaak BC LM 378 evalueert het bereikte leerresultaat BC LM 379 evalueert het doorgemaakte leerproces BC LM 381 ziet in dat leerstrategieën transfereerbaar zijn BC LM 382 zet eerder verworven leerstrategieën in een nieuwe context in BC LM 384 reflecteert op welke leerstrategieën passend zijn bij het eigen leerproces BC LM 392 reflecteert op het bereikte leerresultaat BC LM 393 reflecteert op het doorgemaakte leerproces BC LM 394 reflecteert op de gehanteerde regulerende competenties BC LM 395 reflecteert op de impact van de eigen persoonlijkheid op het leerproces BC LM 396 ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen optimaal kan worden ingezet BC LM 405* ontwikkelt inzicht in de wijze waarop de beperkingen van het eigen leervermogen kunnen worden gecompenseerd BC LM 406* ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen nog kan worden ontwikkeld BC LM 407* ontwikkelt inzicht in welke leerstrategieën hij nog kan ontwikkelen BC LM 408* ontwikkelt inzicht in het transversale karakter van leerstrategieën BC LM 409* 3.2.4.
  161. Nederlands Module Optimaliseren van het leren Code Lezen Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten BC LM 001 onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten BC LM 010 zoekt informatie in studieteksten BC LM 018 zoekt informatie in grafische voorstellingen BC LM 027 ordent informatie uit studieteksten BC LM 030 vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 038 Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o duidt relevante informatie aan o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066 Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in o herkent interpunctie en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067 3.
  162. Module Coöperatief leren (LM SV G903) 3.3.
  163. Situering van de module Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd. De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn. In een competentiegerichte leeromgeving wordt veelvuldig gebruik gemaakt van het leren van en met elkaar. Dit veronderstelt dat de cursisten over voldoende samenwerkingsvaardigheden beschikken om middels coöperatief leren tot de gewenste leerresultaat te komen. Deze module richt zich op cursisten bij wie die in de loop van de opleiding blijkt dat ze moeilijk kunnen samenwerken met anderen omdat zij onvoldoende instaat zijn en/of bereid zijn rekening te houden met anderen of hun gedrag op de ander af te stemmen. 3.3.
  164. Instapvereisten voor de module Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/06/2007 pub. 31/08/2007 numac 2007036482 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het volwassenenonderwijs sluiten betreffende het volwassenenonderwijs. 3.3.
  165. Studieduur 20 Lt 3.3.
  166. Basiscompetenties 3.3.4.
  167. Leren leren Module Coöperatief leren Code De cursist erkent de nood aan en de meerwaarde van samenwerken BC LM 310 is bereid met iedereen samen te werken BC LM 311 motiveert zichzelf tot samenwerken BC LM 312 motiveert anderen tot samenwerken BC LM 313 behoudt zijn eigenheid bij het werken in groep BC LM 314 aanvaardt groepsbeslissingen met betrekking tot de samenwerking BC LM 316 is bereid het eigen kennen en kunnen in te brengen BC LM 317 is bereid de eigen behoeften en verwachtingen in te brengen BC LM 318 is bereid om de eigen situatie in te brengen BC LM 319 staat open voor het kunnen en kennen van de andere BC LM 320 is bereid met het eigen kunnen en kennen en dat van de andere rekening te houden BC LM 321 staat open voor de mening van de andere BC LM 324 is bereid met de eigen mening en die van de andere rekening te houden BC LM 325 wil iets aan anderen overlaten BC LM 328 apprecieert ieders inbreng BC LM 329 aanvaardt wel of niet dat een bijdrage van een groepslid niet aan de verwachtingen voldoet BC LM 330 erkent de eigen invloed op de andere BC LM 331 erkent de invloed van de andere op zichzelf en op de andere groepsleden BC LM 332 schat het kunnen en kennen van de andere in BC LM 335 ziet in wat nodig is voor het welslagen van de samenwerking BC LM 337 stelt in afspraak met de andere regels voor de samenwerking BC LM 342 verduidelijkt een standpunt voor de andere BC LM 349 levert een herkenbare bijdrage aan het groepsresultaat BC LM 352 zet de eigen communicatie adequaat in, zowel non-verbaal als verbaal BC LM 353 brengt de eigen meningen, behoeften, frustraties en verwachtingen over BC LM 354 brengt verslag uit over het samenwerkingsproces BC LM 358 presenteert het resultaat van de samenwerking BC LM 359 is bereid over het eigen leerproces te reflecteren BC LM 362 ontwikkelt inzicht in de sterktes en zwaktes van het eigen leervermogen BC LM 403* ontwikkelt inzicht in de impact van de eigen persoonlijkheid op het eigen leervermogen. BC LM 404* 3.3.4.
  168. Nederlands Module Coöperatief leren Code Luisteren Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in instructies BC LM 072 onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in instructies BC LM 077 ordent informatie uit instructies BC LM 087 vergelijkt informatie uit instructies met eigen kennis en met andere informatie BC LM 092 beoordeelt informatie uit instructies op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 097 Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o noteert relevante informatie in kernwoorden o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel BC LM 101 Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 102 Mondelinge interactie Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist neemt verschillende rollen op zich in een discussie BC LM 103 volgt de gedachtegang in een discussie BC LM 104 onderscheidt hoofd- en bijzaken in een discussie BC LM 105 stelt vragen en beantwoordt ze in een discussie BC LM 106 levert een bijdrage en reageert op die van de communicatiepartner in een discussie BC LM 107 drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner in een discussie BC LM 108 verdedigt een eigen mening en streeft consensus na in een discussie BC LM 109 beoordeelt informatie in een discussie op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop BC LM 110 trekt een conclusie in een discussie en formuleert ze BC LM 111 Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o noteert relevante informatie in kernwoorden o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel BC LM 152 Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat BC LM 153 3.
  169. Module Bewust kiezen (LM SV G904) 3.4.
  170. Situering van de module Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd. De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn. Reeds bij de start van een opleiding moeten cursisten verschillende keuzes maken. Om te voorkomen dat cursisten vroegtijdig afhaken of faalervaringen opdoen, is het belangrijk dat ze de voor hen juiste keuze maken. In deze module verwerven startende cursisten de inzichten en vaardigheden die nodig zijn om op een overwogen wijze een keuze te maken. 3.4.
  171. Instapvereisten voor de module Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/06/2007 pub. 31/08/2007 numac 2007036482 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het volwassenenonderwijs sluiten betreffende het volwassenenonderwijs. 3.4.
  172. Studieduur 10 Lt 3.4.
  173. Basiscompetenties 3.4.4.
  174. Leren leren Module Bewust kiezen Code De cursist erkent dat een keuze maken nodig is BC LM 220 is bereid een keuze te maken BC LM 221 durft een keuze te maken BC LM 222 houdt tijdens het keuzeproces rekening met de eigen persoonlijkheid BC LM 223 is bereid tijdens het keuzeproces rekening te houden met omgevingsfactoren BC LM 224 erkent dat het maken van een keuze consequenties heeft BC LM 225 herkent de verschillende stappen in een keuzeproces BC LM 229 analyseert elke stap in een keuzeproces BC LM 230 herkent de verschillende keuzemogelijkheden BC LM 231 expliciteert keuzemogelijkheden BC LM 232 weegt keuzes af BC LM 234 maakt een keuze BC LM 235 ziet de consequenties van een gemaakte keuze in BC LM 236 weegt de consequenties van een gemaakte keuze af BC LM 237 visualiseert keuzemogelijkheden BC LM 239 erkent een probleem BC LM 286 aanvaardt een persoonlijke betrokkenheid bij een probleem BC LM 287 aanvaardt dat een probleem aangepakt kan worden BC LM 288 is bereid een oplossing voor een probleem te zoeken BC LM 289 durft bij het oplossen van een probleem hulp inroepen BC LM 290 wil fouten in de aanpak van een probleem herstellen BC LM 291 herkent een probleem BC LM 293 herkent beïnvloedende factoren van een probleem BC LM 294 ordent beïnvloedende factoren van een probleem BC LM 295 inventariseert gegeven oplossingsmogelijkheden BC LM 297 bedenkt oplossingsmogelijkheden BC LM 298 visualiseert een probleem en de aanpak ervan BC LM 303 voert een oplossingsplan uit BC LM 304 reflecteert op de gehanteerde regulerende competenties BC LM 395 ontwikkelt inzicht in affectieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 399* 3.4.4.
  175. Nederlands Module Bewust kiezen Code Lezen Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten BC LM 001 achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 005 onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten BC LM 010 onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 013 zoekt informatie in studieteksten BC LM 018 zoekt informatie in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 023 ordent informatie uit studieteksten BC LM 030 ordent informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 033 vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 038 vergelijkt informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal met eigen kennis en met andere informatie BC LM 043 Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o duidt relevante informatie aan o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066 Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in o herkent interpunctie en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067 3.
  176. Module Oplossingsgericht handelen (LM SV G905) 3.5.
  177. Situering van de module Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd. De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn. Deze module richt zich op cursisten van wie de keuzebekwaamheid moet worden geoptimaliseerd in functie van het verder verloop van de opleiding, maar ook in functie van het leven na de opleiding. In deze module worden de aanwezige inzichten en vaardigheden verder uitgediept en uitgebreid. Daarbij gaat veel aandacht naar het ontwikkelen van vaardigheden om oplossingsgericht om te gaan met verkeerde keuzes en de daaraan gekoppelde gevolgen. 3.5.
  178. Instapvereisten voor de module Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/06/2007 pub. 31/08/2007 numac 2007036482 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het volwassenenonderwijs sluiten betreffende het volwassenenonderwijs. 3.5.
  179. Studieduur 10 Lt 3.5.
  180. Basiscompetenties 3.5.4.
  181. Leren leren Module Oplossingsgericht handelen Code De cursist aanvaardt de consequenties van een gemaakte keuze BC LM 226 neemt tegenover een gemaakte keuze een positieve houding aan BC LM 227 heeft inzicht in keuzestrategieën BC LM 233 maakt een keuze BC LM 235 bevestigt een gemaakte keuze of stelt ze bij BC LM 238 visualiseert het keuzeproces BC LM 240 zet bij het doorlopen van het keuzeproces gepaste keuzestrategieën in BC LM 241 volgt tijdens het doorlopen ervan het keuzeproces op BC LM 242 stelt tijdens het doorlopen ervan het keuzeproces bij BC LM 243 verantwoordt een gemaakte keuze BC LM 244 analyseert een probleem BC LM 296 ontwerpt een oplossingsplan BC LM 299 benadert oplossingsmogelijkheden vanuit verschillende invalshoeken BC LM 300 maakt uit verschillende oplossingsmogelijkheden een keuze BC LM 301 beoordeelt de aanpak en het resultaat van de probleemoplossing BC LM 302 visualiseert een probleem en de aanpak ervan BC LM 303 voert een oplossingsplan uit BC LM 304 volgt een oplossingsplan op BC LM 305 stelt een oplossingsplan bij BC LM 306 past een oplossingsmethode toe BC LM 307 volgt een oplossingsmethode op BC LM 308 stelt een oplossingsmethode bij BC LM 309 ontwikkelt inzicht in metacognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 402* ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen optimaal kan worden ingezet BC LM 405* 3.5.4.
  182. Nederlands Module Oplossingsgericht handelen Code Lezen Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten BC LM 001 onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten BC LM 010 zoekt informatie in studieteksten BC LM 018 zoekt informatie in grafische voorstellingen BC LM 027 ordent informatie uit studieteksten BC LM 030 vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 038 trekt een conclusie uit studieteksten BC LM 061 trekt een conclusie uit grafische voorstellingen BC LM 065 Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o duidt relevante informatie aan o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066 Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in o herkent interpunctie en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067 3.
  183. Module Schriftelijke Informatie verwerven en verwerken (LM SV G906) 3.6.
  184. Situering van de module Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd. De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn. Deze module richt zich op cursisten die problemen ervaren met het zoeken en verwerken van schriftelijke informatie. Het beheersen van deze vaardigheden is een voorwaarde om tot leren te komen en voorbereid te zijn om een leven lang te leren. Deze module focust daarom op het efficiënt en effectief zoeken, verwerken en organiseren van schriftelijke informatie. 3.6.
  185. Instapvereisten voor de module Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/06/2007 pub. 31/08/2007 numac 2007036482 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het volwassenenonderwijs sluiten betreffende het volwassenenonderwijs. 3.6.
  186. Studieduur 10 Lt 3.6.
  187. Basiscompetenties 3.6.4.
  188. Leren leren Module Schriftelijke informatie verwerven en verwerken Code De cursist is bereid tijdens het verwerven van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren BC LM 248 herkent zoekmethodes i.f.v. het vergaren van informatie BC LM 250 kiest een zoekmethode i.f.v. het vergaren van informatie BC LM 251 raadpleegt diverse bronnen bij het inwinnen van informatie BC LM 252 stelt gerichte vragen bij het inwinnen van informatie BC LM 255 durft informatie selecteren BC LM 259 gaat discreet om met informatie BC LM 261 wil met informatie correct omgaan BC LM 262 houdt tijdens het verwerken van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes BC LM 263 is bereid tijdens het verwerken van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren BC LM 264 oriënteert zich in informatie BC LM 265 begrijpt informatie BC LM 266 onderscheidt feiten en meningen BC LM 271 registreert informatie BC LM 280 structureert informatie BC LM 281 ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl BC LM 398* ontwikkelt inzicht in cognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 400* 3.6.4.
  189. Nederlands Module Schriftelijke informatie verwerven en verwerken Code Lezen Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 005 achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in instructies BC LM 007 onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 013 onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in instructies BC LM 015 zoekt informatie in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 023 zoekt informatie in instructies BC LM 026 ordent informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 033 ordent informatie uit instructies BC LM 035 vergelijkt informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal met eigen kennis en met andere informatie BC LM 043 vergelijkt informatie uit instructies met eigen kennis en met andere informatie BC LM 046 Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o duidt relevante informatie aan o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066 Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in o herkent interpunctie en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067 3.
  190. Module Mondelinge informatie verwerven en verwerken (LM SV G921) 3.7.
  191. Situering van de module Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd. De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn. Deze module richt zich op cursisten die problemen ervaren met het zoeken en verwerken van mondelinge informatie. Het beheersen van deze vaardigheden is een voorwaarde om tot leren te komen en voorbereid te zijn om een leven lang te leren. Deze module focust daarom op het efficiënt en effectief zoeken, verwerken en organiseren van mondelinge informatie. 3.7.
  192. Instapvereisten voor de module Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/06/2007 pub. 31/08/2007 numac 2007036482 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het volwassenenonderwijs sluiten betreffende het volwassenenonderwijs. 3.7.
  193. Studieduur 10 Lt 3.7.
  194. Basiscompetenties 3.7.4.
  195. Leren leren Module Mondelinge informatie verwerven en verwerken Code De cursist is bereid tijdens het verwerven van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren BC LM 248 herkent zoekmethodes i.f.v. het vergaren van informatie BC LM 250 kiest een zoekmethode i.f.v. het vergaren van informatie BC LM 251 raadpleegt diverse bronnen bij het inwinnen van informatie BC LM 252 stelt gerichte vragen bij het inwinnen van informatie BC LM 255 durft informatie selecteren BC LM 259 gaat discreet om met informatie BC LM 261 wil met informatie correct omgaan BC LM 262 houdt tijdens het verwerken van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes BC LM 263 is bereid tijdens het verwerken van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren BC LM 264 oriënteert zich in informatie BC LM 265 begrijpt informatie BC LM 266 onderscheidt feiten en meningen BC LM 271 registreert informatie BC LM 280 structureert informatie BC LM 281 ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl BC LM 398* ontwikkelt inzicht in cognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 400* 3.7.4.
  196. Nederlands Module Mondelinge informatie verwerven en verwerken Code Luisteren Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 071 achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in instructies BC LM 072 onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 076 onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in instructies BC LM 077 zoekt informatie in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 081 zoekt informatie in instructies BC LM 082 ordent informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 086 ordent informatie uit instructies BC LM 087 vergelijkt informatie uit instructies met eigen kennis en met andere informatie BC LM 092 Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o noteert relevante informatie in kernwoorden o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel BC LM 101 Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 102 3.
  197. Module Schriftelijke informatie verwerven en beoordelen (LM SV G924) 3.8.
  198. Situering van de module Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd. De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn. Cursisten die in staat zijn om schriftelijke informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid te beoordelen, zijn niet altijd in staat om een kritische kijk en een eigen mening ten aanzien van deze informatie te ontwikkelen. In functie van het maken van bijv. een paper of portfolio hebben ze deze vaardigheden wel nodig. Deze module focust daarom op het kritisch beoordelen van schriftelijke informatie. 3.8.
  199. Instapvereisten voor de module Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/06/2007 pub. 31/08/2007 numac 2007036482 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het volwassenenonderwijs sluiten betreffende het volwassenenonderwijs. 3.8.
  200. Studieduur 20 Lt 3.8.
  201. Basiscompetenties 3.8.4.
  202. Leren leren Module Schriftelijke informatie verwerven en beoordelen Code De cursist toetst informatie aan het eigen referentiekader BC LM 273 exploreert de relatie tussen eigen opvattingen en opvattingen van anderen BC LM 274 legt verbanden tussen oude en nieuwe informatie BC LM 278 verduidelijkt de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie BC LM 284 ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl BC LM 398* ontwikkelt inzicht in de sterktes en zwaktes van het eigen leervermogen BC LM 403* 3.8.4.
  203. Nederlands Module Schriftelijke informatie verwerven en beoordelen Code Lezen Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten BC LM 001 onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten BC LM 010 zoekt informatie in studieteksten BC LM 018 zoekt informatie in grafische voorstellingen BC LM 027 ordent informatie uit studieteksten BC LM 030 vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 038 vergelijkt informatie uit grafische voorstellingen met eigen kennis en met andere informatie BC LM 047 beoordeelt informatie uit studieteksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 050 beoordeelt informatie uit grafische voorstellingen op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 059 trekt een conclusie uit studieteksten BC LM 061 trekt een conclusie uit grafische voorstellingen BC LM 065 Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o duidt relevante informatie aan o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066 Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in o herkent interpunctie en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067 Schrijven Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist verwerkt informatie uit meerdere bronnen aan de hand van opgegeven criteria in een gestructureerd verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uit BC LM 168 verwerkt informatie uit meerdere bronnen op basis van eigen criteria in een gestructureerd verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uit BC LM 169 schrijft een mondelinge presentatie uit BC LM 178 Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken o stelt een schrijfplan op o maakt gebruik van een model o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan o gebruikt een passende lay-out o kijkt de eigen tekst na o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert o houdt rekening met de conventies van geschreven taal o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel BC LM 197 Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee o gebruikt registers passend en consistent o houdt rekening met conventies van teksttypes o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit o drukt feit en mening adequaat uit o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit o gebruikt zinsstructuren passend o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat stelt een bibliografie op BC LM 198 3.
  204. Module Mondelinge informatie verwerven en beoordelen (LM SV G925) 3.9.
  205. Situering van de module Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd. De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn. Cursisten die in staat zijn om mondelinge informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid te beoordelen, zijn niet altijd in staat om een kritische kijk en een eigen mening ten aanzien van deze informatie te ontwikkelen. In functie van het maken van bijv. een presentatie hebben ze deze vaardigheden wel nodig. Deze module focust daarom op het kritisch beoordelen van mondelinge informatie. 3.9.
  206. Instapvereisten voor de module Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/06/2007 pub. 31/08/2007 numac 2007036482 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het volwassenenonderwijs sluiten betreffende het volwassenenonderwijs. 3.9.
  207. Studieduur 20 Lt 3.9.
  208. Basiscompetenties 3.9.4.
  209. Leren leren Module Mondelinge informatie verwerven en beoordelen Code De cursist toetst informatie aan het eigen referentiekader BC LM 273 exploreert de relatie tussen eigen opvattingen en opvattingen van anderen BC LM 274 legt verbanden tussen oude en nieuwe informatie BC LM 278 verduidelijkt de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie BC LM 284 ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl BC LM 398* ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen optimaal kan worden ingezet BC LM 405* 3.9.4.
  210. Nederlands Module Mondelinge informatie verwerven en beoordelen Code Luisteren Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 068 onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 073 zoekt informatie in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 078 ordent informatie uit mondeling aangeboden studieteksten BC LM 083 vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 088 beoordeelt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 093 trekt een conclusie uit mondeling aangeboden studieteksten BC LM 098 Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o noteert relevante informatie in kernwoorden o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel BC LM 101 Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 102 Spreken Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist stelt informatie uit meerdere bronnen gestructureerd voor BC LM 203 stelt informatie uit meerdere bronnen met een beoordeling voor BC LM 204 Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken o stelt een spreekplan op o maakt gebruik van non-verbaal gedrag o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel o stelt het resultaat bij BC LM 218 Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee o gebruikt registers passend en consistent o houdt rekening met conventies van teksttypes o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit o drukt feit en mening adequaat uit o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit o gebruikt zinsstructuren passend o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat BC LM 219 3.
  211. Module Schriftelijke informatie verwerken en beoordelen (LM SV G907) 3.10.
  212. Situering van de module Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd. De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn. Cursisten die in staat zijn om doelgericht schriftelijke informatie te zoeken en te verwerken, kunnen de waarde van deze informatie niet altijd ook op de juiste manier inschatten. Dit is nochtans heel belangrijk. In deze module ligt daarom het accent op beoordelen van schriftelijke informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid. 3.10.
  213. Instapvereisten voor de module Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/06/2007 pub. 31/08/2007 numac 2007036482 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het volwassenenonderwijs sluiten betreffende het volwassenenonderwijs. 3.10.
  214. Studieduur 10 Lt 3.10.
  215. Basiscompetenties 3.10.4.
  216. Leren leren Module Schriftelijke informatie verwerken en beoordelen Code De cursist beoordeelt informatiebronnen op bruikbaarheid en betrouwbaarheid BC LM 253 gebruikt een zoekmethode adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie BC LM 257 hanteert bronnen adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie BC LM 258 schat informatie naar waarde BC LM 260 houdt tijdens het verwerken van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes BC LM 263 is bereid tijdens het verwerken van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren BC LM 264 geeft informatie met eigen woorden weer BC LM 268 begrijpt de onderliggende betekenis van een standpunt BC LM 272 beoordeelt informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid BC LM 275 maakt uit informatie een keuze BC LM 276 roept in een nieuwe situatie verworven informatie op BC LM 277 gaat correct om met verworven informatie BC LM 279 neemt een standpunt in over de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie BC LM 283 gebruikt verworven informatie i.f.v. het realiseren van het gestelde doel BC LM 285 ontwikkelt inzicht in affectieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 399* ontwikkelt inzicht in de wijze waarop de beperkingen van het eigen leervermogen kunnen worden gecompenseerd BC LM 406* 3.10.4.
  217. Nederlands Module Schriftelijke informatie verwerken en beoordelen Code Lezen Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten BC LM 001 onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten BC LM 010 zoekt informatie in studieteksten BC LM 018 zoekt informatie in grafische voorstellingen BC LM 027 ordent informatie uit studieteksten BC LM 030 vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 038 vergelijkt informatie uit grafische voorstellingen met eigen kennis en met andere informatie BC LM 047 beoordeelt informatie uit studieteksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 050 beoordeelt informatie uit grafische voorstellingen op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 059 trekt een conclusie uit studieteksten BC LM 061 trekt een conclusie uit grafische voorstellingen BC LM 065 Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o duidt relevante informatie aan o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066 Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in o herkent interpunctie en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067 3.
  218. Module Mondelinge informatie verwerken en beoordelen (LM SV G922) 3.11.
  219. Situering van de module Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd. De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn. Cursisten die in staat zijn om doelgericht mondelinge informatie te zoeken en te verwerken, kunnen de waarde van deze informatie niet altijd ook op de juiste manier inschatten. Dit is nochtans heel belangrijk. In deze module ligt daarom het accent op beoordelen van mondelinge informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid. 3.11.
  220. Instapvereisten voor de module Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/06/2007 pub. 31/08/2007 numac 2007036482 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het volwassenenonderwijs sluiten betreffende het volwassenenonderwijs. 3.11.
  221. Studieduur 10 Lt 3.11.
  222. Basiscompetenties 3.11.4.
  223. Leren leren Module Mondelinge informatie verwerken en beoordelen Code De cursist beoordeelt informatiebronnen op bruikbaarheid en betrouwbaarheid BC LM 253 gebruikt een zoekmethode adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie BC LM 257 hanteert bronnen adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie BC LM 258 schat informatie naar waarde BC LM 260 houdt tijdens het verwerken van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes BC LM 263 is bereid tijdens het verwerken van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren BC LM 264 geeft informatie met eigen woorden weer BC LM 268 begrijpt de onderliggende betekenis van een standpunt BC LM 272 beoordeelt informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid BC LM 275 maakt uit informatie een keuze BC LM 276 roept in een nieuwe situatie verworven informatie op BC LM 277 gaat correct om met verworven informatie BC LM 279 neemt een standpunt in over de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie BC LM 283 gebruikt verworven informatie i.f.v. het realiseren van het gestelde doel BC LM 285 reflecteert op het bereikte leerresultaat BC LM 393 reflecteert op het doorgemaakte leerproces BC LM 394 3.11.4.
  224. Nederlands Module Mondelinge informatie verwerken en beoordelen Code Luisteren Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 068 onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 073 zoekt informatie in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 078 ordent informatie uit mondeling aangeboden studieteksten BC LM 083 vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 088 beoordeelt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 093 trekt een conclusie uit mondeling aangeboden studieteksten BC LM 098 Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o noteert relevante informatie in kernwoorden o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel BC LM 101 Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 102 3.
  225. Module Schriftelijke informatie kritisch beoordelen (LM SV G908) 3.12.
  226. Situering van de module Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd. De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn. Cursisten die in staat zijn om schriftelijke informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid te beoordelen, zijn niet altijd in staat om een kritische kijk en een eigen mening ten aanzien van deze informatie te ontwikkelen. In functie van het maken van een eindwerk of wanneer cursisten willen doorstromen naar hoger onderwijs hebben ze deze vaardigheden wel nodig. Deze module focust daarom op het kritisch beoordelen van schriftelijke informatie. 3.12.
  227. Instapvereisten voor de module Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/06/2007 pub. 31/08/2007 numac 2007036482 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het volwassenenonderwijs sluiten betreffende het volwassenenonderwijs. 3.12.
  228. Studieduur 20 Lt 3.12.
  229. Basiscompetenties 3.12.4.
  230. Leren leren Module Schriftelijke informatie kritisch beoordelen Code De cursist toetst informatie aan het eigen referentiekader BC LM 273 exploreert de relatie tussen eigen opvattingen en opvattingen van anderen BC LM 274 legt verbanden tussen oude en nieuwe informatie BC LM 278 verduidelijkt de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie BC LM 284 ontwikkelt inzicht in metacognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 402* ontwikkelt inzicht in het transversale karakter van leerstrategieën BC LM 409* 3.12.4.
  231. Nederlands Module Schriftelijke informatie kritisch beoordelen Code Lezen Tekstkenmerken niveau C, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in journalistieke teksten BC LM 002 achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in populairwetenschappelijke teksten BC LM 003 onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in journalistieke teksten BC LM 011 onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in populairwetenschappelijke teksten BC LM 012 zoekt informatie in journalistieke teksten BC LM 019 zoekt informatie in populairwetenschappelijke teksten BC LM 020 ordent informatie uit journalistieke teksten BC LM 031 ordent informatie uit populairwetenschappelijke teksten BC LM 032 vergelijkt informatie uit journalistieke teksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 039 vergelijkt informatie uit populairwetenschappelijke teksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 040 beoordeelt informatie uit journalistieke teksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 051 beoordeelt informatie uit populairwetenschappelijke teksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 052 trekt een conclusie uit journalistieke teksten BC LM 062 trekt een conclusie uit populairwetenschappelijke teksten BC LM 063 Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o duidt relevante informatie aan o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066 Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in o herkent interpunctie en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067 Schrijven Tekstkenmerken niveau C, zie punt 2 De cursist verwerkt informatie uit

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.