← België

Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren van de diplomagerichte beroepsopleidingen van het secun

Kort samengevat

Dit besluit regelt de inhoud en organisatie van geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren voor diplomagerichte beroepsopleidingen in het secundair volwassenenonderwijs. Het stelt vast welke modules aangeboden moeten worden en welke basiscompetenties cursisten moeten behalen.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
18 MAART 2016. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren van de diplomagerichte beroepsopleidingen van het secundair volwassenenonderwijs De Vlaamse Regering, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen, artikel 20; Gelet op het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/06/2007 pub. 31/08/2007 numac 2007036482 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het volwassenenonderwijs sluiten betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 24, § 1, gewijzigd bij de decreten van 30 april 2009 en 1 juli 2011 en artikel 25bis, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/05/2009 pub. 28/08/2009 numac 2009035790 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de kwaliteit van onderwijs type decreet prom. 08/05/2009 pub. 28/08/2009 numac 2009035809 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het onderwijs XIX sluiten en vervangen bij het decreet van 21 december 2012; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 19/07/2007 pub. 28/08/2007 numac 2007036450 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de studiebekrachtiging in het volwassenenonderwijs sluiten betreffende de studiebekrachtiging in het volwassenenonderwijs; Gelet op de voordracht van de stuurgroep, gedaan op 8 september 2014; Gelet op het advies van de Vlaamse Onderwijsraad, gegeven op 18 november 2014; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 8 december 2015; Gelet op protocol nr. 22 van 29 januari 2016 houdende de conclusies van de onderhandelingen die werden gevoerd in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X, van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van het overkoepelend onderhandelingscomité, vermeld in het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs; Gelet op advies 58.935/1 van de Raad van State, gegeven op 9 maart 2016, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs; Na beraadslaging, Besluit : Artikel 1.Ter uitvoering van artikel 24, § 1, van het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/06/2007 pub. 31/08/2007 numac 2007036482 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het volwassenenonderwijs sluiten betreffende het volwassenenonderwijs worden voor de opleidingsprofielen van de diplomagerichte beroepsopleidingen van het secundair volwassenenonderwijs, vastgelegd in bijlage IX bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 19/07/2007 pub. 28/08/2007 numac 2007036450 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de studiebekrachtiging in het volwassenenonderwijs sluiten betreffende de studiebekrachtiging in het volwassenenonderwijs, geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren vastgelegd in bijlage 1 die bij dit besluit is gevoegd. Art. 2.De geletterdheidsmodules, vermeld in artikel 1, worden uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit geëvalueerd. De resultaten van die evaluatie worden besproken met de pedagogische begeleidingsdiensten die een subsidie ontvangen op basis van artikel 28 van het decreet van 8 mei 2009Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/05/2009 pub. 28/08/2009 numac 2009035790 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de kwaliteit van onderwijs type decreet prom. 08/05/2009 pub. 28/08/2009 numac 2009035809 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het onderwijs XIX sluiten betreffende de kwaliteit van onderwijs en het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 43 van het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/06/2007 pub. 31/08/2007 numac 2007036482 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het volwassenenonderwijs sluiten betreffende het volwassenenonderwijs. Art. 3.Ter uitvoering van artikel 25bis van hetzelfde decreet worden de basiscompetenties voor het organiseren van de geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren in de vorm van een open module vastgelegd in bijlage 2 die bij dit besluit is gevoegd. Art. 4.Dit besluit treedt in werking op 1 februari 2016. Art. 5.De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 18 maart 2016. De minister-president van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Onderwijs, H. CREVITS Bijlage 1 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016 betreffende de geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren van de diplomagerichte beroepsopleidingen van het secundair volwassenenonderwijs GELETTERDHEIDSMODULES NEDERLANDS EN LEREN LEREN BIJ DE DIPLOMAGERICHTE OPLEIDINGEN VAN HET SECUNDAIR VOLWASSENENONDERWIJS Inhoud 1 Geletterdheidsmodules in het secundair volwassenenonderwijs 1.1. Certificering 1.2. Niveau 1.3 Modules 1.4 Leertraject 2. Basiscompetenties 2.1. Tekstkenmerken Lezen 2.2. Tekstkenmerken Luisteren 2.3. Mondelinge interactie 2.4. Schrijven 2.5. Spreken 3. Geletterdheidsmodules 3.1. Module Hoe leer ik? (LM SV G901) 3.1.1. Situering van de module 3.1.2. Instapvereisten voor de module 3.1.3. Studieduur 3.1.4. Basiscompetenties 3.2. Module Optimaliseren van het leren (LM SV G902) 3.2.1. Situering van de module 3.2.2. Instapvereisten voor de module 3.2.3. Studieduur 3.2.4. Basiscompetenties 3.3. Module Coöperatief leren (LM SV G903) 3.3.1. Situering van de module 3.3.2. Instapvereisten voor de module 3.3.3. Studieduur 3.3.4. Basiscompetenties 3.4. Module Bewust kiezen (LM SV G904) 3.4.1. Situering van de module 3.4.2. Instapvereisten voor de module 3.4.3. Studieduur 3.4.4. Basiscompetenties 3.5. Module Oplossingsgericht handelen (LM SV G905) 3.5.1. Situering van de module 3.5.2. Instapvereisten voor de module 3.5.3. Studieduur 3.5.4. Basiscompetenties 3.6. Module Schriftelijke Informatie verwerven en verwerken (LM SV G906) 3.6.1. Situering van de module 3.6.2. Instapvereisten voor de module 3.6.3. Studieduur 3.6.4. Basiscompetenties 3.7. Module Mondelinge informatie verwerven en verwerken (LM SV G921) 3.7.1. Situering van de module 3.7.2. Instapvereisten voor de module 3.7.3. Studieduur 3.7.4. Basiscompetenties 3.8. Module Schriftelijke informatie verwerven en beoordelen (LM SV G924) 3.8.1. Situering van de module 3.8.2. Instapvereisten voor de module 3.8.3. Studieduur 3.8.4. Basiscompetenties 3.9. Module Mondelinge informatie verwerven en beoordelen (LM SV G925) 3.9.1. Situering van de module 3.9.2. Instapvereisten voor de module 3.9.3. Studieduur 3.9.4. Basiscompetenties 3.10. Module Schriftelijke informatie verwerken en beoordelen (LM SV G907) 3.10.1. Situering van de module 3.10.2. Instapvereisten voor de module 3.10.3. Studieduur 3.10.4. Basiscompetenties 3.11. Module Mondelinge informatie verwerken en beoordelen (LM SV G922) 3.11.1. Situering van de module 3.11.2. Instapvereisten voor de module 3.11.3. Studieduur 3.11.4. Basiscompetenties 3.12. Module Schriftelijke informatie kritisch beoordelen (LM SV G908) 3.12.1. Situering van de module 3.12.2. Instapvereisten voor de module 3.12.3. Studieduur 3.12.4. Basiscompetenties 3.13. Module Mondelinge informatie kritisch beoordelen (LM SV G923) 3.13.1. Situering van de module 3.13.2. Instapvereisten voor de module 3.13.3. Studieduur 3.13.4. Basiscompetenties 3.14. Module Actief les volgen (LM SV G909) 3.14.1. Situering van de module 3.14.2. Instapvereisten voor de module 3.14.3. Studieduur 3.14.4. Basiscompetenties 3.15. Module Participeren aan de les (LM SV G910) 3.15.1. Situering van de module 3.15.2. Instapvereisten voor de module 3.15.3. Studieduur 3.15.4. Basiscompetenties 3.16. Module Opdrachten aanpakken (LM SV G911) 3.16.1. Situering van de module 3.16.2. Instapvereisten voor de module 3.16.3. Studieduur 3.16.4. Basiscompetenties 3.17. Module Opdrachten planmatig uitvoeren (LM SV G912) 3.17.1. Situering van de module 3.17.2. Instapvereisten voor de module 3.17.3. Studieduur 3.17.4. Basiscompetenties 3.18. Module Verslagen maken (LM SV G913) 3.18.1. Situering van de module 3.18.2. Instapvereisten voor de module 3.18.3. Studieduur 3.18.4. Basiscompetenties 3.19. Module Rapporten maken (LM SV G914) 3.19.1. Situering van de module 3.19.2. Instapvereisten voor de module 3.19.3. Studieduur 3.19.4. Basiscompetenties 3.20. Module Spreken voor een groep (LM SV G915) 3.20.1. Situering van de module 3.20.2. Instapvereisten voor de module 3.20.3. Studieduur 3.20.4. Basiscompetenties 3.21. Module Presenteren voor een groep (LM SV G916) 3.21.1. Situering van de module 3.21.2. Instapvereisten voor de module 3.21.3. Studieduur 3.21.4. Basiscompetenties 3.22. Module Zich voorbereiden op leren op de werkvloer (LM SV G917) 3.22.1. Situering van de module 3.22.2. Instapvereisten voor de module 3.22.3. Studieduur 3.22.4. Basiscompetenties 3.23. Module Samenwerken met collega's (LM SV G918) 3.23.1. Situering van de module 3.23.2. Instapvereisten voor de module 3.23.3. Studieduur 3.23.4. Basiscompetenties 3.24. Module Zich voorbereiden op de evaluatie (LM SV G919) 3.24.1. Situering van de module 3.24.2. Instapvereisten voor de module 3.24.3. Studieduur 3.24.4. Basiscompetenties 3.25. Module Zich voorbereiden op solliciteren (LM SV G920) 3.25.1. Situering van de module 3.25.2. Instapvereisten voor de module 3.25.3. Studieduur 3.25.4. Basiscompetenties 1. Geletterdheidsmodules in het secundair volwassenenonderwijs 1.1. Certificering Elke module wordt bekrachtigd met een deelcertificaat. 1.2. Niveau De geletterdheidsmodules situeren zich op het niveau secundair volwassenenonderwijs. 1.3 Modules Naam Code Lestijden GELETTERDHEIDSMODULES Hoe leer ik? LM SV G901 20 Optimaliseren van het leren LM SV G902 20 Coöperatief leren LM SV G903 20 Bewust kiezen LM SV G904 10 Oplossingsgericht handelen LM SV G905 10 Schriftelijke informatie verwerven en verwerken LM SV G906 10 Mondelinge informatie verwerven en verwerken LM SV G921 10 Schriftelijke informatie verwerven en beoordelen LM SV G924 20 Mondelinge informatie verwerven en beoordelen LM SV G925 20 Schriftelijke informatie verwerken en beoordelen LM SV G907 10 Mondelinge informatie verwerken en beoordelen LM SV G922 10 Schriftelijke informatie kritisch beoordelen LM SV G908 20 Mondelinge informatie kritisch beoordelen LM SV G923 20 Actief les volgen LM SV G909 12 Participeren aan de les LM SV G910 16 Opdrachten aanpakken LM SV G911 10 Opdrachten planmatig uitvoeren LM SV G912 10 Verslagen maken LM SV G913 20 Rapporten maken LM SV G914 20 Spreken voor een groep LM SV G915 20 Presenteren voor een groep LM SV G916 20 Zich voorbereiden op leren op de werkvloer LM SV G917 20 Samenwerken met collega's LM SV G918 20 Zich voorbereiden op de evaluatie LM SV G919 8 Zich voorbereiden op solliciteren LM SV G920 12 1.4 Leertraject Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 2. Basiscompetenties De basiscompetenties van de geletterdheidsmodules worden geselecteerd uit de Matrix Nederlands en leren leren (Hier link plaatsen: AKOV). Een centrum moet de basiscompetenties met zijn cursisten bereiken (resultaatsverplichting). Basiscompetenties met een * moet het centrum met zijn cursisten nastreven (inspanningsverplichting). De basiscompetenties Nederlands zijn in de geletterdheidsmodules steeds gekoppeld aan tekstkenmerken. De tekstkenmerken moeten als deel van de basiscompetenties gelezen worden. De dragers zijn zowel digitaal als niet-digitaal zijn. De codes van de basiscompetenties (zie verder onder punt 3: Geletterdheidsmodules) verwijzen naar de codes uit de matrix. 2.1. Tekstkenmerken Lezen TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU C Onderwerp Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature of het toelatingsexamen. Ze kunnen zowel vertrouwd als geheel nieuw zijn voor de leerder. Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering. Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt. Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden. Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën). Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. Taalgebruikssituatie Ruis Ruis is mogelijk. Aard van de bronteksten of opdrachtsomschrijvingen De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken. Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken. Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder. Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er zijn geen beperkingen qua lengte van de teksten. De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er zijn geen beperkingen qua lengte van de teksten. De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. Structuur en samenhang De teksten hebben een heldere en expliciete structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. Moeilijke verbanden en denkstappen worden duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn. Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor. Complex samengestelde zinnen komen voor. Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Woordenschat Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. Concreet en abstract taalgebruik komt voor. In toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik. Uiterlijke tekstkenmerken De vormgeving is aangepast aan de conventies van het teksttype. 2.2. Tekstkenmerken Luisteren TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU C Onderwerp Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature of het toelatingsexamen. Ze kunnen zowel vertrouwd als geheel nieuw zijn voor de leerder. Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering. Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatiefbeperkt. Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden. Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën). Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. Taalgebruikssituatie Mate van ruis Ruis is mogelijk. Aard van de brontekst De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken. Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken. Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder. Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid Teksten langer dan 15 -20 minuten kunnen, mits enige interactie mogelijk is. Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. Teksten van 30 minuten komen voor, ook als er geen interactie mogelijk is. De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. Teksten van 30 minuten komen voor, ook als er geen interactie mogelijk is. De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. Structuur en samenhang De teksten hebben een heldere en expliciete structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. Moeilijke verbanden en denkstappen worden duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn. Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor. Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Woordenschat Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. Concreet en abstract taalgebruik komt voor. In toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik. Verstaanbaarheid Tempo en vlotheid Er wordt in een normaal tempo gesproken. Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoog tempo is af en toe mogelijk. Het spreektempo ligt regelmatig hoog. Uitspraak en accent De uitspraak is voldoende duidelijk. Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg. Articulatie en intonatie Duidelijke articulatie en intonatie 2.3. Mondelinge interactie TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU C Onderwerp Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is voldoende bekend met het onderwerp. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is in zekere mate vertrouwd met het onderwerp en voegt nieuwe informatie toe. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De onderwerpen kunnen vrij nieuw zijn. Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering. Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt. Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden. Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën). Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. Taalgebruikssituatie Mate van ruis Ruis is mogelijk. Aard van de brontekst De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken. Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken. Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder. Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist . Er worden niet te veel gegevens in één keer aangeboden. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist . De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist . De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. Structuur en samenhang De teksten vertonen een zekere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken. De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn relatief eenvoudig en worden meestal duidelijk aangegeven. De teksten vertonen een heldere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms vrij complex, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten vertonen een heldere samenhang. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn. Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Aarzelingen en fouten in de zinsbouw komen voor. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor. Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen. Meervoudig samengestelde en complexe zinnen komen voor. Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen, maar worden verbeterd. Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Woordenschat De deelnemer beschikt over voldoende woorden om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt. Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. De deelnemer beschikt over een ruime woordenschat om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. De deelnemer beschikt over een ruime woordschat om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik. Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik. Verstaanbaarheid Tempo en vlotheid Er wordt in een normaal tempo gesproken, maar bij de deelnemer kunnen spreekpauzes voorkomen. Er wordt rustig gesproken. Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoger tempo komt voor. Er wordt overwegend vlot en vloeiend gesproken. Het spreektempo ligt regelmatig hoog. Er wordt vlot en vloeiend gesproken. Uitspraak en accent De uitspraak is voldoende duidelijk. Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg. Articulatie en intonatie Duidelijke articulatie en intonatie 2.4. Schrijven TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU C Onderwerp Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is voldoende bekend met het onderwerp. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is in zekere mate vertrouwd met het onderwerp en voegt nieuwe informatie toe. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De onderwerpen kunnen vrij nieuw zijn. Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering. Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt. Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden. Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën). Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. Taalgebruikssituatie Ruis Ruis is mogelijk. Aard van de bronteksten of opdrachtsomschrijvingen De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken. Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken. Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder. Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. De informatiedichtheid in de tekst kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. Structuur en samenhang De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype. De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven. Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Meervoudig samengestelde zinnen komen voor. Complex samengestelde zinnen komen voor. Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Woordenschat De schrijver beschikt over voldoende woorden om zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt. Voornamelijk concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. De schrijver beschikt over een ruime woordenschat om zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. De schrijver beschikt over een ruime woordschat om zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik. Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik. Uiterlijke tekstkenmerken De vormgeving is aangepast aan de conventies van het teksttype. 2.5. Spreken TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU C Onderwerp Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is voldoende bekend met het onderwerp. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is in zekere mate vertrouwd met het onderwerp en voegt nieuwe informatie toe. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De onderwerpen kunnen vrij nieuw zijn. Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering. Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt. Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden. Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën). Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. Taalgebruikssituatie Mate van ruis Ruis is mogelijk. Aard van de brontekst De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken. Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken. Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder. Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er worden niet te veel gegevens in één keer aangeboden. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. Structuur en samenhang De teksten vertonen een zekere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken. De tekststructuur komt overeen met de conventies van het teksttype. De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn relatief eenvoudig en worden meestal duidelijk aangegeven. De teksten vertonen een heldere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken. De teksten hebben een heldere structuur in overeenstemming met de conventies van het teksttype. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms vrij complex, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten vertonen een heldere samenhang. De teksten hebben een heldere structuur in overeenstemming met de conventies van het teksttype . De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. Verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn. Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Aarzelingen en fouten in de zinsbouw komen voor. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor. Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen. Meervoudig samengestelde en complexe zinnen komen voor. Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen, maar worden verbeterd. Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal Woordenschat De spreker beschikt over voldoende woorden om zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt. Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. De spreker beschikt over een ruime woordenschat om zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. De spreker beschikt over een ruime woordschat om zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik. Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik. Verstaanbaarheid Tempo en vlotheid Er wordt in een normaal tempo gesproken, maar spreekpauzes komen voor. Er wordt rustig gesproken. Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoger tempo komt voor. Er wordt overwegend vlot en vloeiend gesproken. Het spreektempo ligt regelmatig hoog. Er wordt vlot en vloeiend gesproken. Uitspraak en accent De uitspraak is voldoende duidelijk. Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg. Articulatie en intonatie Duidelijke articulatie en intonatie 3. Geletterdheidsmodules 3.1. Module Hoe leer ik? (LM SV G901) 3.1.1. Situering van de module Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd. De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn. Deze module is vooral gericht op startende cursisten bij wie op basis van de intake vastgesteld wordt dat zij over onvoldoende leervaardigheden beschikken. In deze module verwerven de cursisten inzicht in het eigen leerproces en de eigen leerstijl. Dit inzicht is nodig om de cursisten in staat te stellen het eigen leerproces bij te sturen. 3.1.2. Instapvereisten voor de module Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/06/2007 pub. 31/08/2007 numac 2007036482 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het volwassenenonderwijs sluiten betreffende het volwassenenonderwijs. 3.1.3. Studieduur 20 Lt 3.1.4. Basiscompetenties 3.1.4.1. Leren leren Module Hoe leer ik? Code De cursist motiveert zichzelf bij het eigen leerproces BC LM 360 gaat met druk om in het eigen leerproces BC LM 361 is bereid over het eigen leerproces te reflecteren BC LM 362 is bereid het eigen aandeel in welslagen of falen in het eigen leerproces te erkennen BC LM 363 is bereid hulp te vragen bij het eigen leerproces BC LM 364 wil met feedback omgaan BC LM 367 beschouwt feedback als een leerkans BC LM 368 heeft inzicht in de omgeving en de impact ervan op het eigen leerproces BC LM 369 vraagt hulp bij het eigen leerproces BC LM 385 zet hulp in voor het bijstellen van het eigen leerproces BC LM 386 bekrachtigt de uitvoering van de leertaak of stelt ze bij BC LM 387 reflecteert op de eigen leermotieven bij het eigen leerproces BC LM 389 reflecteert op de eigen leerstijl tijdens het leerproces BC LM 390 reflecteert op de eigen zwaktes en sterktes bij het eigen leerproces BC LM 391 reflecteert op welke leerstrategieën passend zijn bij het eigen leerproces BC LM 392 ontwikkelt inzicht in de eigen leermotieven BC LM 397* ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl BC LM 398* ontwikkelt inzicht in affectieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 399* ontwikkelt inzicht in cognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 400* ontwikkelt inzicht in psychomotorische componenten van het eigen leervermogen BC LM 401* ontwikkelt inzicht in metacognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 402* ontwikkelt inzicht in sterktes en zwaktes van het eigen leervermogen BC LM 403* ontwikkelt inzicht in de impact van de eigen persoonlijkheid op het eigen leervermogen BC LM 404* 3.1.4.2. Nederlands Module Hoe leer ik? Code Lezen Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten BC LM 001 onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten BC LM 010 zoekt informatie in studieteksten BC LM 018 zoekt informatie in grafische voorstellingen BC LM 027 ordent informatie uit studieteksten BC LM 030 vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 038 Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o duidt relevante informatie aan o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066 Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in o herkent interpunctie en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067 3.2. Module Optimaliseren van het leren (LM SV G902) 3.2.1. Situering van de module Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd. De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn. Een competentiegerichte visie op leren en onderwijzen houdt onder meer in dat de cursisten in toenemende mate de verantwoordelijkheid voor het eigen leerproces moeten opnemen. In deze module verwerven de cursisten de noodzakelijke inzichten en vaardigheden om hun leerproces te optimaliseren, waarbij veel aandacht wordt besteed aan de mogelijkheden tot transfer. 3.2.2. Instapvereisten voor de module Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/06/2007 pub. 31/08/2007 numac 2007036482 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het volwassenenonderwijs sluiten betreffende het volwassenenonderwijs. 3.2.3. Studieduur 20 Lt 3.2.4. Basiscompetenties 3.2.4.1. Leren leren Module Optimaliseren van het leren Code De cursist heeft inzicht in verschillende soorten leerdoelen BC LM 370 heeft inzicht in verschillende soorten leertaken en -activiteiten BC LM 371 heeft inzicht in verschillende soorten leerstrategieën BC LM 372 heeft inzicht in verschillende soorten leerhulpmiddelen BC LM 373 heeft inzicht in verschillende evaluatievormen en de gevolgen ervan voor het eigen leerproces BC LM 374 bereidt de uitvoering van de leertaak voor BC LM 376 volgt de uitvoering van de leertaak op BC LM 377 evalueert de uitvoering van de leertaak BC LM 378 evalueert het bereikte leerresultaat BC LM 379 evalueert het doorgemaakte leerproces BC LM 381 ziet in dat leerstrategieën transfereerbaar zijn BC LM 382 zet eerder verworven leerstrategieën in een nieuwe context in BC LM 384 reflecteert op welke leerstrategieën passend zijn bij het eigen leerproces BC LM 392 reflecteert op het bereikte leerresultaat BC LM 393 reflecteert op het doorgemaakte leerproces BC LM 394 reflecteert op de gehanteerde regulerende competenties BC LM 395 reflecteert op de impact van de eigen persoonlijkheid op het leerproces BC LM 396 ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen optimaal kan worden ingezet BC LM 405* ontwikkelt inzicht in de wijze waarop de beperkingen van het eigen leervermogen kunnen worden gecompenseerd BC LM 406* ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen nog kan worden ontwikkeld BC LM 407* ontwikkelt inzicht in welke leerstrategieën hij nog kan ontwikkelen BC LM 408* ontwikkelt inzicht in het transversale karakter van leerstrategieën BC LM 409* 3.2.4.2. Nederlands Module Optimaliseren van het leren Code Lezen Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten BC LM 001 onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten BC LM 010 zoekt informatie in studieteksten BC LM 018 zoekt informatie in grafische voorstellingen BC LM 027 ordent informatie uit studieteksten BC LM 030 vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 038 Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o duidt relevante informatie aan o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066 Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in o herkent interpunctie en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067 3.3. Module Coöperatief leren (LM SV G903) 3.3.1. Situering van de module Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd. De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn. In een competentiegerichte leeromgeving wordt veelvuldig gebruik gemaakt van het leren van en met elkaar. Dit veronderstelt dat de cursisten over voldoende samenwerkingsvaardigheden beschikken om middels coöperatief leren tot de gewenste leerresultaat te komen. Deze module richt zich op cursisten bij wie die in de loop van de opleiding blijkt dat ze moeilijk kunnen samenwerken met anderen omdat zij onvoldoende instaat zijn en/of bereid zijn rekening te houden met anderen of hun gedrag op de ander af te stemmen. 3.3.2. Instapvereisten voor de module Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/06/2007 pub. 31/08/2007 numac 2007036482 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het volwassenenonderwijs sluiten betreffende het volwassenenonderwijs. 3.3.3. Studieduur 20 Lt 3.3.4. Basiscompetenties 3.3.4.1. Leren leren Module Coöperatief leren Code De cursist erkent de nood aan en de meerwaarde van samenwerken BC LM 310 is bereid met iedereen samen te werken BC LM 311 motiveert zichzelf tot samenwerken BC LM 312 motiveert anderen tot samenwerken BC LM 313 behoudt zijn eigenheid bij het werken in groep BC LM 314 aanvaardt groepsbeslissingen met betrekking tot de samenwerking BC LM 316 is bereid het eigen kennen en kunnen in te brengen BC LM 317 is bereid de eigen behoeften en verwachtingen in te brengen BC LM 318 is bereid om de eigen situatie in te brengen BC LM 319 staat open voor het kunnen en kennen van de andere BC LM 320 is bereid met het eigen kunnen en kennen en dat van de andere rekening te houden BC LM 321 staat open voor de mening van de andere BC LM 324 is bereid met de eigen mening en die van de andere rekening te houden BC LM 325 wil iets aan anderen overlaten BC LM 328 apprecieert ieders inbreng BC LM 329 aanvaardt wel of niet dat een bijdrage van een groepslid niet aan de verwachtingen voldoet BC LM 330 erkent de eigen invloed op de andere BC LM 331 erkent de invloed van de andere op zichzelf en op de andere groepsleden BC LM 332 schat het kunnen en kennen van de andere in BC LM 335 ziet in wat nodig is voor het welslagen van de samenwerking BC LM 337 stelt in afspraak met de andere regels voor de samenwerking BC LM 342 verduidelijkt een standpunt voor de andere BC LM 349 levert een herkenbare bijdrage aan het groepsresultaat BC LM 352 zet de eigen communicatie adequaat in, zowel non-verbaal als verbaal BC LM 353 brengt de eigen meningen, behoeften, frustraties en verwachtingen over BC LM 354 brengt verslag uit over het samenwerkingsproces BC LM 358 presenteert het resultaat van de samenwerking BC LM 359 is bereid over het eigen leerproces te reflecteren BC LM 362 ontwikkelt inzicht in de sterktes en zwaktes van het eigen leervermogen BC LM 403* ontwikkelt inzicht in de impact van de eigen persoonlijkheid op het eigen leervermogen. BC LM 404* 3.3.4.2. Nederlands Module Coöperatief leren Code Luisteren Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in instructies BC LM 072 onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in instructies BC LM 077 ordent informatie uit instructies BC LM 087 vergelijkt informatie uit instructies met eigen kennis en met andere informatie BC LM 092 beoordeelt informatie uit instructies op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 097 Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o noteert relevante informatie in kernwoorden o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel BC LM 101 Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 102 Mondelinge interactie Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist neemt verschillende rollen op zich in een discussie BC LM 103 volgt de gedachtegang in een discussie BC LM 104 onderscheidt hoofd- en bijzaken in een discussie BC LM 105 stelt vragen en beantwoordt ze in een discussie BC LM 106 levert een bijdrage en reageert op die van de communicatiepartner in een discussie BC LM 107 drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner in een discussie BC LM 108 verdedigt een eigen mening en streeft consensus na in een discussie BC LM 109 beoordeelt informatie in een discussie op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop BC LM 110 trekt een conclusie in een discussie en formuleert ze BC LM 111 Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o noteert relevante informatie in kernwoorden o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel BC LM 152 Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.