Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Reglement houdende het administratief statuut en bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Brussels Agentschap voor de Ondersteuning van het Bedr

In het kort

Dit reglement beschrijft de administratieve status en de bezoldigingsregeling voor ambtenaren van het Brussels Agentschap voor de Ondersteuning van het Bedrijfsleven. Het legt de rechten en plichten van deze ambtenaren vast en regelt de organisatie van het Agentschap.

Wat het reguleert

  • De rechten en plichten van de ambtenaren van het Agentschap.
  • De indeling van ambtenaren in graden, niveaus en rangen.
  • De procedure voor het opstellen en goedkeuren van het personeelsplan.
  • De vaststelling van het organogram van het Agentschap.

Wie het betreft

  • Alle ambtenaren in vast dienstverband bij het Brussels Agentschap voor de Ondersteuning van het Bedrijfsleven.
  • Het Directiecomité, de Raad van Bestuur en de functioneel bevoegde minister van het Agentschap.

Kernpunten

  • Ambtenaren moeten hun functies loyaal, zorgvuldig, terughoudend en integer uitoefenen, en wetten en reglementen naleven.
  • Ambtenaren hebben recht op waardige en hoffelijke behandeling en moeten zelf ook waardig en hoffelijk zijn.
  • Het is ambtenaren verboden giften, beloningen of voordelen te vragen, eisen of aannemen, behalve symbolische geschenken van kleine waarde tussen collega's.
  • Het personeelsplan, dat het aantal personeelsleden per activiteitsdomein, niveau, rang en graad vastlegt, wordt minstens één keer per begrotingsjaar voorbereid door het Directiecomité en goedgekeurd door de Raad van Bestuur.
Wettekst
Wettekst
Obsah (8)Artikel 1Art. 42Art. 68Art. 69Art. 92Art. 96Art. 111Art. 124

Reglement houdende het administratief statuut en bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Brussels Agentschap voor de Ondersteuning van het Bedrijfsleven Het Agentschap, Gelet op de ordonnantie

Artikel 1.§ 1.

Dit statuut is van toepassing op de ambtenaren van het Brussels Agentschap voor de Ondersteuning van het Bedrijfsleven, hierna het Agentschap genoemd. Art. 2.§

  1. Voor de toepassing van dit statuut dient te worden verstaan onder : 1° de ordonnantie : de ordonnantie van 18 mei 2017 houdende de oprichting van het Brussels Agentschap voor de Ondersteuning van het Bedrijfsleven;2° De Regering : de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;3° de functioneel bevoegde minister : de minister of staatssecretaris waarvan het Agentschap afhangt;4° Administratieve eenheid : onderdeel van het organogram van de betrokken instelling;5° Verantwoordelijke van een administratieve eenheid (VAE) : personeelslid dat, ongeacht zijn graad of positie, de activiteiten van de administratieve eenheid beheert, zoals bepaald in het organogram;6° de functionele chef : personeelslid dat de leiding of de dagelijkse controle heeft over het functioneren van een team ingevolge zijn functiebeschrijving;7° Vakorganisaties : de representatieve vakorganisaties die zetelen in het bevoegde Sectorcomité, in uitvoering van artikel 8, § 1, van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de personeelsvakbonden.8° HRM : de dienst binnen de instelling belast met het personeelsbeheer;9° De HRM-verantwoordelijke : het personeelslid dat bevoegd is voor het personeelsbeheer;10° getuigschriften van competenties verworven buiten diploma : getuigschriften die werden afgeleverd door de gemeenschappen of de instellingen erkend door deze laatste.11° wettelijk tweetalige : personeelslid dat bewijst de tweede taal die niet onder zijn taalrol valt te kennen, op de bij artikel 43, § 3, derde lid, voorgeschreven wijze van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurzaken, gecoördineerd op 18 juli 1966; §
  2. Wanneer dit statuut voorziet in het versturen van een brief of een aangetekend schrijven met of zonder ontvangstbewijs, dan wordt het versturen via een elektronische procedure, die op een aantoonbare wijze en aangepast aan de omstandigheden, de authenticiteit en de integriteit van de inhoud van de communicatie waarborgt, beschouwd als equivalent. Het gebruik van de elektronische identiteitskaart of de elektronische vreemdelingenkaart kan verplicht worden opgelegd. §
  3. Wanneer dit statuut voorziet in een termijn, wordt deze berekend in kalenderdagen tenzij anders voorzien. Wanneer de termijn afloopt op een zaterdag, zondag of feestdag zoals bedoeld in artikel 186, § 1, wordt de dag van verstrijken uitgesteld tot de eerstvolgende werkdag. Wanneer deze dag tussen 25 december en 1 januari valt, wordt hij uitgesteld tot de eerste werkdag na 1 januari. §
  4. Het gebruik in dit statuut van mannelijke woorden is gemeenslachtig met het oog op het waarborgen van de leesbaarheid van de tekst. TITEL II. - De organisatie van het agentschap HOOFDSTUK I. - De ambtenaren Art. 3.Ambtenaar is elkeen die in vast dienstverband is in het Agentschap. De ambtenaar valt onder de bepalingen van dit statuut. Aan de statutaire toestand van de ambtenaar kan alleen een einde worden gemaakt in de gevallen voorzien door de statutaire bepalingen die op hem toepasselijk zijn. Art. 4.De ambtenaren van het Agentschap worden benoemd in graden. HOOFDSTUK II. - Rechten en plichten Art. 5.De ambtenaar oefent zijn functies op loyale, zorgvuldige, terughoudende en integere wijze uit. Hij dient daartoe : 1° de van kracht zijnde wetten en reglementeringen, alsmede de richtlijnen waaronder de gedragsregels inzake deontologie, van de overheid waartoe hij behoort, na te leven;2° nauwgezet en correct zijn adviezen te formuleren en zijn verslagen op te stellen;3° de beslissingen zorgvuldig en plichtsbewust uit te voeren. Art. 6.De ambtenaar heeft het recht om met waardigheid en hoffelijkheid te worden behandeld, zowel door zijn hiërarchische meerderen, door zijn collega's, als door zijn ondergeschikten. Hij dient zijn collega's, zijn hiërarchische meerderen en zijn ondergeschikten met waardigheid en hoffelijkheid te behandelen. Hij vermijdt elk woord, elke houding, elk voorkomen dat deze waardigheid en deze hoffelijkheid in het gedrang zou kunnen brengen of de goede werking van de dienst zou kunnen schaden. Art. 7.§
  5. Onverminderd artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering stelt de ambtenaar zijn hiërarchische meerdere of, indien nodig, een hiërarchische meerdere van hogere rand of graad op de hoogte van elke onwettigheid of onregelmatigheid waarvan hij kennis heeft. §
  6. De ambtenaar kan, buiten de gevallen van valse aangifte die een dienst of persoon schade willen toebrengen, niet onderworpen worden aan een tuchtstraf of een andere vorm van openlijke of verdoken sanctie, om de enkele reden dat hij onregelmatigheden aangeeft of bekend maakt. Art. 8.De ambtenaar behandelt de gebruikers van zijn diensten met welwillendheid. In de manier waarop hij de vragen van de gebruikers beantwoordt of waarop hij de dossiers behandelt, eerbiedigt hij op een strikte manier de beginselen van gelijkheid in behandeling en van naleving van de wetten, de reglementen en de richtlijnen. Onverminderd de in het raam van de wetten of overeenkomsten betreffende de sociale betrekkingen in de overheidssector georganiseerde activiteiten en naar voren gebrachte standpunten, respecteert de ambtenaar in zijn omgang met de gebruikers en zijn collega's strikt het neutraliteitsbeginsel door zich te onthouden van om het even welke mondelinge of visuele uiting die een vermoeden toelaat van om het even welke politieke, levensbeschouwelijke of religieuze voorkeur of overtuiging. Zelfs buiten de uitoefening van zijn ambt vermijdt de ambtenaar elk gedrag dat in strijd is met de waardigheid van zijn ambt. Hij vermijdt evenzeer elke situatie waarbij hij, zelfs door een tussenpersoon, in verband zou kunnen gebracht worden met bezigheden die in strijd zijn met de waardigheid van zijn ambt. Art. 9.De ambtenaar mag, noch rechtstreeks, noch door een tussenpersoon, zelfs buiten zijn ambtsuitoefening, maar op basis ervan, giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen. Dit slaat niet op symbolische geschenken van kleine waarde uitgewisseld tussen ambtenaren in de normale uitoefening van hun ambt. Art. 10.De ambtenaar plaatst zich niet en laat zich niet plaatsen in een toestand van belangenconflicten, dit wil zeggen in een toestand waarin hij door zichzelf of door een tussenpersoon een persoonlijk voordeel heeft dat van die aard is om de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn ambt te beïnvloeden of de gewettigde verdenking te doen ontstaan van zulke invloed. Wanneer een ambtenaar van oordeel is dat hij een belangenconflict heeft of vreest te hebben, brengt hij zijn hiërarchische meerdere hierover onmiddellijk op de hoogte. Deze verleent hem hiervan schriftelijk akte. In geval van een erkend belangenconflict, neemt de hiërarchische meerdere de passende maatregelen om daar een einde aan te stellen. De ambtenaar kan schriftelijk om het advies van de voorzitter van het Directiecomité of van diens afgevaardigde vragen, betreffende de toestand waarin hij zich bevindt, om te weten of deze de oorzaak is van een belangenconflict. Art. 11.De ambtenaar heeft het recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan hij kennis heeft uit hoofde van zijn ambt. Het is hem enkel verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op de nationale veiligheid, de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten, het medisch geheim, de rechten en vrijheden van de burger, en in het bijzonder het recht op eerbied voor het privéleven. Dit verbod geldt bovendien voor feiten die betrekking hebben op de voorbereiding van alle beslissingen zolang er nog geen eindbeslissing is genomen, evenals voor feiten die, wanneer zij bekend worden gemaakt, het Agentschap kunnen schaden. De bepalingen van de voorgaande leden gelden eveneens voor de ambtenaar die zijn ambt heeft neergelegd. Art. 12.De ambtenaar heeft recht op informatie betreffende alle aspecten die nuttig zijn voor de uitvoering van zijn taken. De ambtenaar houdt zich permanent op de hoogte van de ontwikkeling betreffende technieken, regelingen en onderzoekingen in de materies waarmee hij beroepshalve belast is. De ambtenaar neemt op actieve wijze deel aan de kennisdeling binnen de overheidsdienst. Art. 13.De ambtenaar heeft recht op de opleiding die nuttig is voor zijn functioneren in de organisatie. De overheid voorziet in die opleiding en waarborgt tevens de toegang tot de voortgezette opleiding onder meer met het oog op de uitbouw van de beroepsloopbaan. Periodes van afwezigheid, gerechtvaardigd door deelname aan voortgezette beroepsopleidingen, worden in ieder opzicht gelijkgesteld met periodes van dienstactiviteit. Art. 14.Elke ambtenaar heeft het recht zijn persoonlijk dossier te raadplegen en hiervan een kopie te krijgen. De ambtenaar kan verzoeken doen aan zijn hiërarchische lijn, die behandeld worden met naleving van het vertrouwelijkheidsbeginsel. HOOFDSTUK III. - De graden Art. 15.De graad is de titel op grond waarvan de ambtenaar met een rang bekleed is en waardoor hij gemachtigd is een betrekking uit te oefenen die met deze graad overeenstemt. De graden worden gerangschikt per niveau en per rang. Het niveau van een graad bepaalt de plaats van die graad in de hiërarchie overeenkomstig de kwalificatie van de vorming en de geschiktheid waarvan blijk moet worden gegeven opdat die graad kan worden toegekend. De rang bepaalt de betrekkelijke waarde van een graad in zijn niveau. Art. 16.Elke rang wordt aangeduid met een letter gevolgd door een cijfer. De letter verwijst naar het niveau, het cijfer naar de rang binnen het niveau. Het hoogste cijfer stemt overeen met de hoogste rang. De rangen worden als volgt verdeeld onder de niveaus : 1° in niveau A, vijf rangen, nl.A1, A2, A3, A4 + en A
  7. De ambtenaren overgedragen van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel in de hoedanigheid van directeur-diensthoofd mandaathouder A4 behouden uitdovend het voordeel van hun mandaat tot de eerstkomende verstrijking ervan. Ze worden bezoldigd in weddeschaal A
  8. Ze worden voor het overige gelijkgesteld aan rang A
  9. 2° in niveau B, twee rangen, nl.B1 en B
  10. 3° in niveau C, twee rangen, nl.C1 en C
  11. 4° in niveau D, twee rangen, nl.D1 en D
  12. Het niveau A is het hoogste niveau. Art. 17.De volgende graden worden gecreëerd : in rang A5 : directeur-generaal; in rang A4+ : adjunct-directeur-generaal; in rang A3 : ingenieur-directeur of directeur; in rang A2 : raadgever-deskundige, eerste ingenieur of eerste attaché in rang A1 : ingenieur, geneesheer of attaché; in rang B2 : eerste assistent; in rang B1 : assistent; in rang C2 : eerste adjunct; in rang C1 : adjunct in rang D2 : eerste klerk in rang D1 : klerk HOOFDSTUK IV. - Het personeelsplan en het organogram Art. 18.Het Directiecomité bereidt het personeelsplan voor. Het personeelsplan is een plan waarin per activiteitsdomein, per niveau, per rang en per graad het aantal personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, vastgelegd wordt dat noodzakelijk geacht wordt om de opdrachten, toegewezen aan het Agentschap uit te oefenen. Het personeelsplan is het voorwerp van een overleg. In afwijking van het eerste lid wordt het eerste voorstel voor het personeelsplan uitgewerkt door de Raad van Bestuur. Art. 19.§
  13. Het Directiecomité bereidt minstens één personeelsplan per begrotingsjaar voor en legt het voor ten laatste op 28 februari van het jaar waarin het plan wordt uitgevoerd. Het personeelsplan moet verenigbaar zijn met de beschikbare budgettaire middelen voor het betrokken begrotingsjaar. De raad van bestuur keurt het personeelsplan goed mits de regeringscommissarissen een gunstig advies gegeven hebben met betrekking tot de conformiteit van het plan met de wettelijke en reglementaire bepalingen alsook met de bepalingen van de beheersovereenkomst. Bij ontstentenis van dit advies binnen de maand volgend op de overbrenging naar de regeringscommissarissen, wordt dit advies geacht gunstig te zijn. Bij gebrek aan een gunstig advies van een of van de regeringscommissarissen, kan de functioneel bevoegde minister het personeelsplan goedkeuren mits de minister bevoegd voor Begroting hiermee instemt. Indien die laatste zich niet akkoord verklaart, legt de functioneel bevoegde minister het plan ter goedkeuring voor aan de Regering. §
  14. Bij gebrek van een vastlegging van het personeelsplan, blijft het laatste bepaalde plan van toepassing. §
  15. De vaststelling van het personeelsplan houdt de toestemming in van de bezetting van de betrekkingen die door aanwerving, promotie, mobiliteit of indienstneming worden voorzien. §
  16. Het personeelsplan, en alle wijzigingen ervan, worden meegedeeld aan alle personeelsleden en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Art. 20.Het Directiecomité stelt het organogram vast. Het organogram geeft de functionele, organisatorische en hiërarchische verbanden binnen het Agentschap weer. In afwijking van het eerste lid wordt het eerste organogram uitgewerkt door de Raad van Bestuur. Het organogram, evenals elke wijziging ervan, wordt aan alle personeelsleden meegedeeld. HOOFDSTUK V. - De leidende ambtenaren Art. 21.De leidende ambtenaren zijn de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal. Ze worden aangeduid per mandaat in overeenstemming met de bepalingen van artikelen 416 tot
  17. Art. 22.De leidende ambtenaren kunnen, binnen de perken van de bepalingen van de ordonnantie en de statuten van de instelling, bepaalde van hun bevoegdheden delegeren aan een of meer leden van het Directiecomité van het Agentschap. HOOFDSTUK VI. - Het Directiecomité Art. 23.Het Directiecomité bestaat uit de leidende ambtenaren en de personeelsleden aangewezen door de Raad van Bestuur. De leden van het Directiecomité oefenen hun functies voltijds uit. Het Directiecomité wordt voorgezeten door de directeur-generaal of, bij afwezigheid of verhindering, door de adjunct-directeur-generaal. Indien beiden afwezig of verhinderd zijn, wordt het Directiecomité voorgezeten door het lid aangewezen door de directeur-generaal. Art. 24.Het Directiecomité stelt zijn huishoudelijk reglement op. Art. 25.Het Directiecomité is belast met de opdrachten die dit statuut eraan toevertrouwt en de andere opdrachten die er uitdrukkelijk aan gedelegeerd worden door de Raad van Bestuur, in overeenstemming met de bepalingen van de ordonnantie en de statuten van de instelling. Art. 26.Bij het Directiecomité kan elke aangelegenheid die betrekking heeft op de organisatie van het Agentschap aanhangig gemaakt worden voor advies door één van zijn leden. HOOFDSTUK VII. - De gewestelijke kamer van beroep Art. 27.De gewestelijke kamer van beroep bedoeld in het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de Brusselse gewestelijke overheidsdiensten is bevoegd voor het Agentschap. TITEL III. - De werving, de stage en de benoeming HOOFDSTUK I. - De werving en de selectie Afdeling
  18. - De benoemings-, toelaatbaarheids- en wervingsvoorwaarden Art. 28.Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hiernavolgende voorwaarden : 1° Voldoen aan de opgelegde toelatingsvoorwaarden van de in te vullen betrekking;2° Slagen voor de voorziene vergelijkende proeven;3° met goed gevolg de stage volbrengen; Art. 29.Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hiernavolgende algemene toelaatbaarheidsvereisten. 1° Belg zijn wanneer de uit te oefenen betrekkingen een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan het openbaar gezag inhouden of functies omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de Staat of andere openbare instanties;2° gedrag vertonen in overeenstemming met de eisen van de beoogde betrekking;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten.4° houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat overeenkomt met het niveau van de te verlenen graad, houder zijn van getuigschrift afgeleverd door de Gemeenschappen of de instellingen erkend door deze laatste en die toegang verlenen tot de functie waarvoor de selectie georganiseerd wordt, of slagen voor de instapkaartmodule, overeenkomstig de tabel in bijlage bij onderhavig besluit. Art. 30.Voor een bepaalde selectie kunnen volgende bijzondere toelaatbaarheidsvoorwaarden voorzien worden : 1° het bezitten van een specifiek diploma dat in het bijzonder toegang verleent tot de functie waarvoor de selectie georganiseerd wordt;2° relevante werkervaring wanneer de aard van de te verlenen betrekking zodanige eisen wettigt;3° het toelaten van studenten die in het laatste jaar zitten van de studies voor het behalen van het vereiste diploma of getuigschrift, wanneer de organisator van de selectie vermoedt dat het aantal deelnemers niet groot genoeg zal zijn om voldoende kandidaten of geslaagden te kunnen weerhouden.Studenten worden ertoe gehouden om, vóór hun aanwerving of indienstneming, het bewijs te leveren dat ze het vereiste diploma hebben behaald. 4° behalve de in artikel 29, 4° vermelde diploma's en getuigschriften, de volgende diploma's en getuigschriften aanvaarden voor de selectie in een bepaalde graad wanneer de vereisten van de uit te oefenen ambten dit toelaten : a) diploma's en getuigschriften van het onderwijs voor sociale promotie en van het kunstonderwijs voor socioculturele promotie;b) diploma's en getuigschriften van het technisch onderwijs, kunstonderwijs of beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan;5° voor de selectie van bepaalde functies van niveaus D, het bezit van bepaalde diploma's, vormingsattesten of bevoegheidstitels als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van de uit te oefenen functies;6° voor de selectie in bepaalde graden van de niveaus A, B en C de vormingsdiploma's of vormingsgetuigschriften of competentie titels eisen als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van de uit te oefenen functies en voor zover de houders van die diploma's en getuigschriften eveneens houder zijn van één van de studiebewijzen vermeld in artikel 29, 4°.7° medische geschiktheid voor de uit te oefenen functie, indien de aard van de functie dit vereist;8° andere voorwaarden vereist door de aard van de functie. Afdeling
  19. - Organisatie van de selecties en samenstelling van de selectiecommissies Art. 31.Op voorstel van het HRM kiest de directeur generaal één of meerdere van de volgende mogelijkheden : - Interne mutatie zoals bepaald in artikel 111; - Binnengewestelijke mobiliteit; - Externe mobiliteit; - Overgang tot een hoger niveau zoals bepaald in de artikelen 92 en volgende; - Aanwerving; - Bevordering. Art. 32.Brussel Openbaar Ambt organiseert vergelijkende selecties voor alle graden, behalve voor de graden die bij mandaat verleend moeten worden. Art. 33.§
  20. De vergelijkende selectie wordt minstens door middel van publicatie in het Belgisch Staatsblad aankondigd. Het bericht vermeldt minstens de laatste dag waarop kan worden gesolliciteerd en of er eventueel een wervingsreserve wordt aangelegd van de geslaagden. Desgevallend wordt de geldigheidsduur van en het aantal geslaagden dat opgenomen wordt in de wervingsreserve vermeld. §
  21. Wanneer een vergelijkende selectie wordt georganiseerd, wordt de datum bepaald waarop de kandidaten moeten voldoen aan de diplomavoorwaarden of de voorwaarden met betrekking tot studiegetuigschriften, en in voorkomend geval, de datum waarop de kandidaten een minimumleeftijd bereikt moeten hebben of over specifieke professionele vaardigheden moeten beschikken. §
  22. De kandidaten die toegelaten worden om deel te nemen aan de selectieproeven voorzien door het selectieprogramma, worden opgeroepen. §
  23. Het HRM controleert de algemene en specifieke toelaatbaarheidsvoorwaarden voor de betrekking waarnaar de kandidaten meedingen. Vanaf het moment dat vastgesteld wordt dat een kandidaat niet voldoet of niet kan voldoen aan één van de algemene voorwaarden of aan de bijzondere toelatingsvoorwaarden gesteld voor de betrekking waarvoor de kandidaat solliciteert, dan wordt de kandidaat uitgesloten van de vergelijkende selectie en worden de beslissing en de redenen hiertoe hem meegedeeld. HOOFDSTUK II. - Vergelijkende selecties Afdeling
  24. - De selectieproeven, de samenstelling en de raadpleging van de wervingsreserve en van de wervingsreserve van de andere overheden. Art. 34.§
  25. Een vergelijkende selectie is een selectie die leidt tot een rangschikking van de geslaagden op basis van een functiebeschrijving. Het Agentschap is gebonden door de rangschikking van de geslaagden. §
  26. Een vergelijkende selectie kan meerdere opeenvolgende modules van proeven omvatten waarbij de kandidaat enkel tot de volgende module wordt toegelaten op voorwaarde dat hij geslaagd is voor de vorige module. In dit geval wordt de rangschikking enkel vastgelegd op basis van de resultaten van alle modules. §
  27. Een bijkomende vergelijkende proef kan worden georganiseerd, indien de aard van een te betrekken functie dit vereist en op basis van een andere functiebeschrijving dan degene voorzien in §
  28. Deze proef leidt, voor deze functie, tot een aparte rangschikking van de geslaagden. De deelname aan de bijkomende vergelijkende proef is niet verplicht. Een maximum aantal deelnemers wordt voor deze proef bepaald, rekening houdend met de rangschikking. De geslaagden voor deze proef, evenals de kandidaten die niet geslaagd zijn, behouden de rangschikking bedoeld in §
  29. §
  30. De vergelijkende selecties worden georganiseerd voor de benoeming in de rangen A1 tot A3 en in de niveaus B, C en D. Art. 35.§
  31. Voor de vergelijkende selecties, georganiseerd op basis van artikel 34, wordt een reserve van geslaagde kandidaten aangelegd. § 2.- Het aantal geslaagden dat in deze reserve wordt opgenomen, wordt bepaald op basis van het aantal verwachte betrekkingen, §
  32. De geldigheidsduur van een wervingsreserve wordt bepaald op maximum twee jaar. De Raad van Bestuur kan de termijn van de aangelegde reserves verlengen, telkens met een periode van maximum een jaar. Art. 36.De geslaagden van een wervingsreserve kunnen worden uitgenodigd om deel te nemen aan een bijkomende vergelijkende selectie zoals geviseerd door artikel 34, § 3, met het oog op het invullen van een andere betrekking dan degene waarvoor de kandidaten werden gerangschikt. Art. 37.De Raad van Bestuur kan, voor een aanwerving bij het Agentschap waarvoor geen wervingsreserve is samengesteld, een beroep doen op de wervingsreserves van een andere overheid, op voorwaarde dat deze overheid daarvoor toestemming verleend heeft. Art. 38.De Raad van Bestuur kan een andere instelling toestaan de wervingsreserves van geslaagden van het Agentschap te gebruiken. Afdeling
  33. - Regels voor de toelating van de geslaagden Art. 39.§
  34. Elke geslaagde krijgt bericht van zijn resultaat en zijn rangschikking. §
  35. De geslaagden die een betrekking aanvaarden, verbinden er zich toe in dienst te treden. Zij die na deze aanvaarding weigeren in dienst te treden, worden ambtshalve uit de reserve geschrapt, behalve in een met redenen omkleed geval van overmacht. Als de geslaagde de betrekking aanvaard heeft, vergewist het HRM zich ervan dat hij aan alle vereiste voorwaarden voldoet. Art. 40.Na het afsluiten van het proces-verbaal van de selectie, worden de batig gerangschikte geslaagden die aan de gestelde eisen voldoen, in de volgorde van hun rangschikking, tot de stage toegelaten in de functie waarvoor zij hebben meegedongen. Zij worden voor een vacante betrekking van die graad aangewezen. Afdeling
  36. - Oproep tot indiensttreding van de geslaagden Art. 41.Het HRM roept de geselecteerde kandidaat op tot indiensttreding. Het stelt een maximumtermijn vast voor zijn indiensttreding. Indien de geslaagde de betrekking niet kan invullen binnen een termijn van drie maanden, roept het HRM de volgende gerangschikte op. Wanneer de geslaagde nog gebonden is door een arbeidsovereenkomst houdt het HRM rekening met de eventuele opzegtermijn waartoe hij is gehouden. HOOFDSTUK III. - De stage Afdeling
  37. -

Art. 42.De stagiair is geen ambtenaar in de zin van dit besluit.

De volgende in dit besluit opgenomen bepalingen zijn op de stagiair van toepassing : 1° de rechten, plichten, onverenigbaarheden en cumulatie van activiteiten;2° de tuchtregeling;3° de administratieve standen;4° het geldelijk statuut;5° het ambtshalve verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en de definitieve ambtsneerlegging;6° de gemiddelde maximale arbeidsduur; De stagiair geniet : 1° het jaarlijks vakantieverlof;2° de feestdagen;3° het omstandigheidsverlof;4° het verlof wegens ziekte;5° het bevallingsverlof;6° de disponibiliteit wegens ziekte;7° verloven om in geval van ernstige ziekte of ongeval een persoon bij te staan die met hem onder hetzelfde dak woont;8° het verlof om een politiek mandaat uit te oefenen;9° verlof voor loopbaanonderbreking voor palliatieve verzorging en verlof voor loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof;10° verlof om deel uit te maken van de jury van het Hof van Assisen. Voor de toepassing van dit artikel wordt de stagiair geacht de graad te bezitten waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Art. 43.Perioden van afwezigheid gedurende de stage hebben een verlenging van de stage tot gevolg zodra ze, buiten de verloven bedoeld in artikel 42, derde lid, 1° tot 3° en 7°, vijftien dagen gewettigde afwezigheid overschrijden, verspreid over een of meerdere malen, zelfs als de stagiair in dienstactiviteit is. Tijdens de schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair. Hij behoudt zijn hoedanigheid van stagiair eveneens tot de datum waarop een definitieve beslissing omtrent zijn benoeming of ontslag wordt genomen. Art. 44.De geslaagde die in dienst wordt geroepen, wordt tot de stage toegelaten door de directeur-generaal die hem aanstelt in de betrekking waarvoor hij in dienst werd geroepen. Art. 45.De directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal kan de aanwijzing wijzigen : 1° in het belang van de dienst;2° op vraag van de stagiair. Afdeling 2. - De inhoud van de stage Art. 46.§ 1er. De stage is bedoeld om de stagiair optimaal te integreren in zijn dienst en het Agentschap. Daartoe duidt de directeur-generaal, in overleg met de functionele chef van de stagiair, het personeelslid aan dat, als hiërarchische meerdere, bevoegd is voor de stagebegeleiding, hierna de `stagebegeleider' genoemd, en dit volgens de taalrol van de stagiair. § 2. Het HRM waakt eveneens over het goede verloop van de stage. Hiertoe kan zij deelnemen aan alle stagegesprekken. Afdeling 3. - Het verloop van de stage Art. 47.Aan het begin van de stage heeft de stagebegeleider een eerste gesprek met de stagiair waarbij de volgende punten verduidelijkt worden : - De verwachte resultaten en houdingen bij de verwezenlijking van de taken die overeenkomen met de functiebeschrijving van de stagiair; - De opleidingsactiviteiten die de stagiair moet volgen; - De andere middelen ter ontwikkeling van de vaardigheden zodat de inzetbaarheid van de stagiair vergroot wordt. Art. 48.Met het oog op de voorbereiding van dit eerste stagegesprek, pleegt de stagebegeleider vooraf overleg met de functionele chef van de stagiair en met het HRM. Art. 49.De stagebegeleider maakt de verslagen bedoeld in de artikelen 54, 55, en 57. De stagebegeleider kan, in overleg met het HRM en de functionele chef beslissen dat bijkomende vormingsactiviteiten vereist zijn. De HRM-verantwoordelijke legt het model van het stageverslag vast. Art. 50.De stage duurt één jaar voor de stagiairs van de niveaus A en B. Ze duurt 6 maanden voor de stagiairs van de niveaus C en D. Art. 51.Het Directiecomité kan een vormingstraject per functietype vastleggen. Art. 52.Na het eerste gesprek, voorzien in artikel 47, organiseert de stagebegeleider tweemaandelijks voor de stages van zes maanden en driemaandelijks voor de stages van een jaar, een stagegesprek over het verloop van de stage. Wanneer hij het nodig acht, kunnen bijkomende gesprekken georganiseerd worden. Met het oog op de voorbereiding van de stagegesprekken pleegt de stagebegeleider vooraf overleg met de functionele chef van de stagiair en met het HRM. Art. 53.Het gesprek gaat over : 1° de vormingsactiviteiten en de resultaten ervan voor de ontwikkeling van de vaardigheden van de stagiair;2° de wijze waarop de stagiair zich in de dienst integreert;3° de uitvoering van zijn werkopdrachten. Het gesprek heeft tot doel de vooruitgang te evalueren die de stagiair maakt en de nog te verbeteren punten aan te stippen. Het beoogt eveneens de beoordeling mogelijk te maken van zowel de gunstige als de ongunstige feiten. Ingeval ongunstige feiten worden vastgesteld, geeft de stagebegeleider een verwittiging aan de stagiair. Art. 54.De conclusies van elk gesprek worden opgetekend in het stageverslag. Het verslag wordt betekend aan de stagiair die er desgevallend zijn opmerkingen kan aan toevoegen. Vervolgens wordt het overgemaakt aan het HRM. Afdeling 4. - Het einde van de stage Art. 55.De stage wordt afgesloten met een laatste stagegesprek. De stagebegeleider stelt het eindverslag van de stage op, in overleg met het HRM en de functionele chef. Hij voegt er een van de voorstellen bedoeld in artikel 58 aan toe. Hij deelt het eindverslag aan de stagiair mee, die over vijftien dagen beschikt om er zijn opmerkingen aan toe te voegen. Art. 56.De eindevaluatie houdt rekening met alle feiten, zowel gunstig als ongunstig, die in de loop van de stage werden vastgesteld, evenals met de tussentijdse evaluaties. Art. 57.De stagebegeleider overhandigt het eindverslag aan de directeur-generaal. Art. 58.Indien het eindverslag over het geheel van de stage gunstig is, stelt de directeur-generaal de benoeming voor aan de Raad van Bestuur. Indien het eindverslag ongunstig is, doet de directeur-generaal het volgende :

  1. a)ofwel verlengt hij de stage eenmalig met een periode die maximaal een derde van de duur van de stage bedraagt.Deze verlenging is niet hernieuwbaar.
  2. b)ofwel stelt hij aan de Raad van Bestuur het ontslag wegens ongeschiktheid voor een functie bij het Agentschap voor. Afdeling 5. - Vroegtijdige beëindiging van de stage Art. 59.Als de stagiair in de loop van de stage een ernstige fout begaat waardoor elke professionele samenwerking tussen de overheid en de stagiair onmiddellijk en definitief onmogelijk wordt, roept de stagebegeleider, binnen de vijf werkdagen nadat hij kennis genomen heeft van de handeling die een ernstige tekortkoming uitmaakt, de stagiair op om gehoord te worden en zijn verweermiddelen te vernemen. De oproepingsbrief vermeldt de feiten die het personeelslid ten laste worden gelegd, de normen waartegen deze feiten indruisen, het feit dat er overwogen wordt zijn stage vroegtijdig te beëindigen, het recht om zich door een verdediger naar keuze te laten bijstaan, met uitzondering van de personen die zich moeten uitspreken over de feiten die hem ten laste worden gelegd, en het recht om bijkomende onderzoeksmaatregelen te vragen. Er wordt een proces-verbaal opgesteld en in aanwezigheid der partijen ondertekend. Na de hoorzitting stelt de stagebegeleider een verslag op. Dat verslag kan de voortzetting of de vroegtijdige beëindiging van de stage voorstellen. De definitieve beslissing wordt genomen door de Raad van Bestuur. Die laatste moet een uitspraak doen tijdens zijn eerstvolgende vergadering en moet zijn beslissing per aangetekend schrijven betekenen binnen de tien werkdagen die erop volgen. Afdeling 6. - De beroepsprocedure Art. 60.In de gevallen bedoeld in de artikelen 58, tweede lid,
  3. b)en 59, beschikt de stagiair over een termijn van vijftien dagen vanaf de betekening van de beslissing van de Raad van Bestuur om per aangetekend schrijven een beroep in te dienen bij de gewestelijke kamer van beroep. Het beroep is schorsend, behalve wanneer het beroep is ingesteld tegen een beslissing genomen op grond van artikel 59. Deze termijn wordt berekend volgens dezelfde regels als deze bedoeld in artikel 290, § 2. De stagiair ontvangt een ontvangstbewijs van het beroep. Art. 61.De voorzitter van de kamer roept de stagiair op. Deze laatste kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze Art. 62.De stagebegeleider brengt verslag uit over het verloop van de stage. Hij wordt gehoord. Art. 63.In de hypothese die in artikel 58, tweede lid,
  4. b)beoogd wordt, doet de kamer het volgende : 1° ofwel beslissen tot de benoeming;2° ofwel het ontslag wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij het Agentschap bevestigen. In de hypothese die in artikel 59 beoogd wordt, beslist de kamer van beroep tot : 1° hetzij de voortzetting van de stage.Wanneer er besloten wordt tot de voortzetting van de stage, wordt er een nieuwe stagebegeleider aangeduid in overeenstemming met artikel 46, § 1, tweede lid, vanaf de ontvangst van de beslissing; 2° hetzij tot de vroegtijdige beëindiging ervan. De kamer spreekt zich uit binnen de twee maanden na de verzending van het ontvangstbewijs van het beroep. De beslissing wordt betekend aan de verzoeker en aan de directeur-generaal. Art. 64.De kamer van beroep betekent haar beslissing per aangetekend schrijven aan de betrokkene en aan de Raad van Bestuur van het Agentschap binnen de tien werkdagen na het nemen van de beslissing. Bij een ernstige fout wordt de stagiair zonder opzegtermijn of opzegvergoeding ontslagen. Het ontslag wordt definitief wanneer de kamer van beroep het ingestelde beroep door de ontslagen stagiair in overeenstemming met artikel 59 verwerpt. HOOFDSTUK IV. - De vaste benoeming Art. 65.De geschikt verklaarde stagiair wordt door de Raad van Bestuur vast benoemd als ambtenaar in de graad waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Art. 66.De hoedanigheid van ambtenaar wordt bekrachtigd door de eed die wordt afgelegd in de termen die bepaald zijn door artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten4. De ambtenaren van niveau A leggen de eed af voor de functioneel bevoegde minister. De ambtenaren van de andere niveaus leggen de eed af voor de directeur-generaal. Art. 67.De directeur-generaal wijst de pas benoemde ambtenaar een betrekking van zijn graad toe. TITEL IV. - De loopbaan HOOFDSTUK I. -

Art. 68

.Voor een vacant geworden betrekking van rang 2 of 3 bepaalt de directeur-generaal op voorstel van het HRM de selectieprocedure. Er wordt prioritair een beroep gedaan op de promotie door verhoging in graad of op de mutatie van de ambtenaren van het Agentschap. Bij gebreke daaraan kan er op volgende procedés een beroep worden gedaan : - Bevordering door verhoging in graad zonder zich te beperken tot de ambtenaren van het Agentschap; - Binnengewestelijke mobiliteit; - Externe mobiliteit; - Aanwerving. Binnen het kader van de twee voorgaande leden beslist de directeur-generaal van het Agentschap over de bevorderingswijze(n). HOOFDSTUK II. - De hiërarchische loopbaan Afdeling 1. - Bevordering door verhoging in graad. Onderafdeling 1. -

Art. 69

.De in artikelen 78 en 87 bedoelde bevorderingscommissies vergelijken de titels en verdiensten van de kandidaten op basis van het functieprofiel, het cv en de motivatiebrief. Voor alle bevorderingsbetrekkingen omvat/omvatten de proef/proeven altijd op zijn minst een gesprek met de in de artikelen 78 en 87 bedoelde commissies. De kandidaten worden vooraf op de hoogte gebracht van de organisatie van de vergelijkende proef/proeven. Art. 70.§

  1. Een vacante betrekking in een graad van de rang A3, A2, B2, C2 en D2, wordt per dienstnota ter kennis gebracht van de ambtenaren van het Agentschap die de benoemingsvoorwaarden zouden kunnen vervullen. De geïnteresseerden brengen voor ontvangst hun visum aan op de dienstnota. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk van de dienst afwezig is, om welke reden ook, wordt de dienstnota per aangetekend schrijven met ontvangstbewijs naar zijn woonplaats gezonden. §
  2. Wanneer de promotie toegankelijk wordt gemaakt voor kandidaten die niet onder het Agentschap vallen, wordt de openstaande betrekking gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. § 3 De openstaande betrekking bevat : - Het programma van de vergelijkende proef/proeven, zoals bepaald in artikel 69; - De termijn waarbinnen en ter attentie van wie de kandidatuur ingediend dient te worden; - De elementen die het sollicitatiedossier dienen te bevatten; - De coördinaten van de dienst waar een functiebeschrijving van de openstaande betrekking en een standaard cv zoals bedoeld in artikel 71, § 2, bekomen kunnen worden. Art. 71.§
  3. Worden enkel in aanmerking genomen, de kandidaturen die per aangetekend schrijven gericht zijn aan de voorzitter van het Directiecomité, binnen een termijn van twintig dagen. Deze termijn gaat in ofwel de dag waarop de ambtenaar de dienstnota valideerde, ofwel de dag waarop het aangetekend schrijven met de dienstnota door de post werd aangeboden op de woonplaats van de ambtenaar, ofwel de dag volgend op de publicatie in het Belgisch Staatsblad voor de kandidaten die niet tot de instelling behoren. De hier bedoelde termijnen worden geregeld door dezelfde regels als diegene voorzien in artikel 290, §
  4. §
  5. Kandidaturen die een bevordering beogen moeten voorzien zijn van een motivatiebrief, alsook van een uiteenzetting van de titels en verdiensten die de kandidaat laat gelden. De kandidaat maakt gebruik van het standaard cv opgesteld door het HRM. Kandidaturen die niet voldoen aan de instructies betreffende het gebruik van het standaard cv zijn onontvankelijk. Art. 72.Het HRM controleert de geldigheid van de kandidaturen. De ontvankelijkheidsvoorwaarden vervat in de artikelen 74 tot 77 en 84 tot 86 moeten vervuld zijn voor afloop van de termijn die vereist is om de kandidatuur in te dienen. De kandidaten die niet voldoen aan de voorwaarden worden uitgesloten van de procedure tot bevordering bij gemotiveerde beslissing door de verantwoordelijke van het HRM. Elke uitsluiting van de bevorderingsprocedure wordt aan de betrokken kandidaten bekendgemaakt door een door de HRM-verantwoordelijke gemotiveerde beslissing per ter post aangetekende brief. Art. 73.De bevorderingen in de hiërarchische loopbaan worden verleend door de Raad van bestuur. Onderafdeling
  6. - De bevordering tot een graad van rang A3 of A2 Art. 74.De betrekkingen van directeur van rang A3 staan open voor de ambtenaren titularissen van de graden van attaché van rang A1, van eerste attaché van rang A2 en van raadgever-deskundige van rang A2 die ten minste zes jaar niveauanciënniteit hebben. De betrekkingen van ingenieur-directeur van rang A3 staan open voor ambtenaren titularissen van de graden van ingenieur van rang A1 en van eerste ingenieur van rang A2 die ten minste zes jaar niveauanciënniteit hebben. Art. 75.De betrekkingen van raadgever-deskundige van rang A2 staan open voor attachés van rang A1 die minstens zes jaar graadanciënniteit hebben, en voor eerste attachés van rang A2 die drie jaar graadanciënniteit hebben. De betrekkingen van eerste attaché van rang A2 staan open voor ambtenaren titularissen van de graad van attaché van rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. De betrekkingen van eerste ingenieur van rang A2 staan open voor ingenieurs van rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. Art. 76.De ambtenaar die zich kandidaat stelt voor een betrekking van rang A2 of A3 moet een evaluatie met vermelding "gunstig" hebben en moet zich in een administratieve positie bevinden waarin hij zijn bevorderingstitels kan laten gelden en mag niet onderworpen zijn aan een definitieve tuchtstraf. Een ambtenaar die een tuchtstraf heeft gekregen kan niet worden bevorderd alvorens zijn straf is geschrapt in overeenstemming met artikel
  7. Art. 77.§
  8. Wanneer de betrekking wordt toegekend overeenkomstig artikel 68, derde lid, streepjes 1 en 2, wordt van de ambtenaren van een andere instelling vereist te voldoen aan bevorderingsvoorwaarden die equivalent zijn met diegene bedoeld in de artikelen 74 tot
  9. §
  10. Wanneer externe kandidaten kunnen deelnemen aan een selectie wordt van hen een nuttige ervaring voor de functie geëist van zes jaar voor rang A3 en van drie jaar voor rang A
  11. Voor de betrekking van raadgever-deskundige van rang A2 wordt een nuttige ervaring van zes jaar voor de functie geëist. Art. 78.§
  12. Voor elke bevordering stelt het Directiecomité een bevorderingscommissie samen. Die commissie bestaat uit maximaal vier leden, waarbij de aanwezigheid van het lid bedoeld in 4° van paragraaf 2 vereist is. §
  13. Voor de betrekkingen van rang A3 of A2 bestaat de commissie uit : 1° de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal;2° een personeelslid van minstens rang A2;3° de HRM-verantwoordelijke of diens afgevaardigde van minstens rang A1;4° een lid van buiten het Agentschap dat beschikt over expertise die verband houdt met de competenties en materies in verband met de in competitie gestelde betrekking. §
  14. Wanneer een betrekking vacant wordt verklaard voor kandidaten van twee taalrollen, dient één lid van de bevorderingscommissie de kennis van de tweede taal bewezen te hebben conform artikel 43, § 3, derde lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli
  15. §
  16. Ten hoogste twee derden van de leden van de commissie behoren tot hetzelfde geslacht. Geen lid van de commissie mag zetelen wanneer hij zich in een situatie bevindt die ertoe kan leiden dat zijn onpartijdigheid in het gedrang komt. Art. 79.§
  17. De commissie is bevoegd om de geschiktheden van de kandidaten om de bevorderingsgraad uit te oefenen, te evalueren op basis van het competentieprofiel van de in te vullen betrekking. §
  18. Zij neemt in overweging : 1° de beschrijving van de functie en de vereiste kwalificatie van de kandidaat;2° de titels en verdiensten die de kandidaat doet gelden ten aanzien van de vacante betrekking;3° de mate waarin de kandidaat geschikt is, rekening houdend met de resultaten van de proeven en de gesprekken. §
  19. De commissie organiseert een gesprek met elke kandidaat. Art. 80.§
  20. Voor elke bevordering geeft de bevorderingscommissie een gemotiveerd advies rekening houdend met de criteria en elementen bepaald in artikel
  21. §
  22. De kandidaten worden ingeschreven hetzij in de groep A " geschikt ", hetzij in de groep B " niet geschikt ". In de groep A worden de kandidaten gerangschikt rekening houdend met de criteria vermeld in artikel 79, §
  23. §
  24. Deze rangschikking wordt voorgelegd aan het Directiecomité. Art. 81.Het Directiecomité werkt het voorstel tot rangschikking van de kandidaten van groep A uit. Indien het voorstel niet overeenkomt met de rangschikking opgesteld door de bevorderingscommissie, dient het Directiecomité zijn beslissing omstandig te motiveren. Art. 82.§
  25. Het voorstel van klassement wordt voorgelegd aan de Raad van Bestuur. §
  26. De Raad van Bestuur volgt het voorstel van klassement dat eenparig wordt uitgebracht. Indien het voorstel van klassement niet eenparig wordt uitgebracht en de Raad van Bestuur een andere kandidaat benoemt dan de persoon aan het hoofd van het voorstel van klassement, dan moet hij zijn beslissing omstandig motiveren. §
  27. Bij gelijkwaardige kandidaturen wordt achtereenvolgens de voorkeur gegeven aan : 1° de kandidaat die behoort tot het geslacht dat het minst vertegenwoordigd is in deze bevorderingsrang binnen de instelling;2° de kandidaat die over de hoogste graadanciënniteit beschikt. §
  28. Er wordt afgeweken van de voorgaande paragraaf wanneer, door de toepassing van de wetten op het taalgebruik in bestuurzaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, het onmogelijk is om over te gaan tot de benoeming van deze kandidaat. Art. 83.De beslissing van de Raad van Bestuur wordt per dienstnota ter kennis gebracht van de kandidaten die solliciteerden voor de desbetreffende betrekking. De betrokkenen ondertekenen de dientsnota voor kennisname. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk niet op de dienst is, om welke reden ook, wordt de dienstnota bij aangetekend schrijven naar zijn woonplaats verzonden. Onderafdeling
  29. - De bevordering tot een graad van rang B2, C2 en D2 Art. 84.De betrekkingen van rang B2, C2, en D2 staan open voor ambtenaren van respectievelijk rang B1, C1 en D1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. Art. 85.Om bevorderd te worden, moet de kandidaat over een evaluatie "gunstig" beschikken en zich in een administratieve positie bevinden waar hij zijn bevorderingstitels kan laten gelden. Hij mag niet onderworpen zijn aan een definitieve tuchtstraf. Een ambtenaar die een tuchtstraf heeft opgelopen kan niet worden bevorderd alvorens zijn straf is geschrapt, in overeenstemming met artikel
  30. Art. 86.§
  31. Wanneer de betrekking wordt toegekend overeenkomstig artikel 68, derde lid, streepjes 1 tot 3, wordt van de ambtenaren van een andere instelling vereist te voldoen aan bevorderingsvoorwaarden gelijkwaardig aan deze neergelegd in de artikelen 84 en
  32. § 2 Wanneer de betrekking wordt toegekend overeenkomstig de regels inzake aanwerving wordt van de kandidaten een nuttige ervaring van drie jaar geëist. Art. 87.Voor elke bevordering stelt het Directiecomité een bevorderingscommissie samen. Die bestaat uit maximaal vier leden, waarbij de aanwezigheid van het lid bedoeld in 3° van het tweede lid vereist is voor de bevorderingen tot de rang B
  33. Deze commissie is samengesteld uit : 1° de HRM-verantwoordelijke of diens afgevaardigde van minstens rang A1;2° een of twee personeelsleden die behoren tot het Agentschap en die beschikken over een kwalificatie en professionele ervaring die geschikt zijn voor het profiel van de in te vullen betrekking;3° een lid van buiten het Agentschap dat beschikt over expertise die verband houdt met de competenties en materies in verband met de in competitie gestelde betrekking. De leden die worden aangeduid voor elk van de commissies hebben een rang die minimaal gelijk is aan de rang van de betrekking die ingevuld moet worden. Ten hoogste twee derden van de leden behoren tot het hetzelfde geslacht. Wanneer een bevorderingsbetrekking vacant wordt verklaard voor kandidaten van de twee taalrollen, dient één lid van de bevorderingscommissie de kennis van de tweede taal bewezen te hebben conform artikel 43, § 3, derde lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli
  34. Art. 88.§
  35. De commissie is bevoegd om de geschiktheden van de kandidaten om de bevorderingsgraad uit te oefenen, te evalueren op basis van het competentieprofiel van de in te vullen betrekking. §
  36. Zij neemt in overweging : 1° de beschrijving van de functie en de vereiste kwalificatie van de kandidaat;2° de titels en verdiensten die de kandidaat doet gelden om een bevordering in de vacante betrekking te verkrijgen;3° de adequaatheid van het profiel van de kandidaat rekening houdend met de resultaten van de proeven en de gesprekken. §
  37. De commissie organiseert een gesprek met elke kandidaat. Art. 89.Voor elke bevordering geeft de bevorderingscommissie een gemotiveerd advies rekening houdend met de criteria en elementen zoals bepaald in artikel
  38. Art. 90.§
  39. De kandidaten worden ingeschreven hetzij in de groep A " geschikt " hetzij in de groep B " niet geschikt ". In de groep A worden de kandidaten gerangschikt rekening houdend met de criteria zoals bepaald in artikel 88, §
  40. §
  41. Het Directiecomité werkt het voorstel tot definitieve rangschikking van de kandidaten van groep A uit. Indien het voorstel niet overeenkomt met de rangschikking opgesteld door de bevorderingscommissie, dient het Directiecomité zijn beslissing omstandig te motiveren. Art. 91.§ 1 De Raad van Bestuur volgt het definitieve voorstel van klassement dat eenparig wordt uitgebracht. Indien het definitieve voorstel van klassement niet eenparig wordt uitgebracht en de Raad van Bestuur een andere kandidaat benoemt dan de persoon aan het hoofd van het voorstel van klassement, dan moet hij zijn beslissing omstandig motiveren. §
  42. Bij gelijkwaardige kandidaturen wordt achtereenvolgens de voorkeur gegeven aan : 1° de kandidaat die behoort tot het geslacht dat het minst vertegenwoordigd is in deze bevorderingsrang binnen de instelling;2° de kandidaat die over de hoogste graadanciënniteit beschikt. §
  43. Er wordt afgeweken van de voorgaande paragraaf wanneer, door de toepassing van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, het onmogelijk is om over te gaan tot de benoeming van deze kandidaat. §
  44. De beslissing van de Raad van Bestuur wordt per dienstnota ter kennis gebracht van de kandidaten die solliciteerden voor de desbetreffende betrekking. De betrokkenen ondertekenen de dienstnota voor kennisname. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk niet op de dienst is, om welke reden ook, wordt de dienstnota bij aangetekend schrijven naar zijn woonplaats verzonden. Afdeling
  45. - De bevordering door overgang naar een hoger niveau Onderafdeling
  46. -

Art. 92.§ 1.

De procedure voor overgang naar een hoger niveau wordt georganiseerd door het HRM. §

  1. Om van een bevordering door overgang naar een hoger niveau te kunnen genieten, moet de ambtenaar zich in een administratieve positie bevinden waarin hij zijn bevorderingstitels kan laten gelden en moet hij beschikken over een evaluatie met vermelding "gunstig" en niet onder een definitieve tuchtstraf vallen. Een ambtenaar die een tuchtstraf kreeg opgelegd kan niet worden bevorderd alvorens zijn straf is geschrapt, in overeenstemming met artikel
  2. Art. 93.De ambtenaar moet batig gerangschikt zijn in het klassement van de vergelijkende selectie en een betrekking die overeenstemt met het profiel van de selectie waarvoor de ambtenaar geslaagd is moet worden voorzien. Onderafdeling
  3. - Examen voor de overgang naar niveau A Art. 94.§
  4. De ambtenaar kan bevorderd worden van niveau B of C tot niveau A. De proeven voor de overgang naar niveau A worden in drie reeksen opgedeeld. §
  5. De eerste reeks wordt georganiseerd door het HRM. De proeven in deze reeks zijn bedoeld om de bekwaamheden van de ambtenaar om functies uit te oefenen op het niveau A na te gaan. Ze leiden tot het afleveren van een getuigschrift voor het slagen of een vaststelling van niet-slagen. Het getuigschrift voor het slagen is onbeperkt geldig in de tijd. Het HRM kan een vrijstelling geven voor reeds geslaagde proeven voor andere instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. §
  6. Een ambtenaar die niet geslaagd is voor een proef wordt gedurende 6 maanden vanaf de dag van zijn proef uitgesloten van de mogelijkheid tot herkansing. §
  7. De tweede reeks bestaat uit vier proeven die de verworven kennis evalueren. Elk van deze proeven bestaat uit het met succes volgen van cursussen terug te vinden in de opleidingscatalogus die hiertoe werd opgesteld door Brussel Openbaar Ambt. De tweede reeks proeven is enkel toegankelijk voor de geslaagden van de eerste reeks proeven. Voor elke nieuwe proef uit deze reeks is het getuigschrift van slagen onbeperkt geldig in de tijd. De proeven van deze reeks worden beschouwd als beantwoordend aan de in artikel 273 bedoelde definitie van vorming. §
  8. De derde reeks bestaat uit een modelinge proef georganiseerd door de instelling. Ze is enkel toegankelijk voor de geslaagden van twee eerste reeksen proeven. Ze bestaat uit een test met het oog op de evaluatie van de specifieke vaardigheden op basis van het functieprofiel. De derde reeks eindigt met de rangschikking van de kandidaten die geschikt worden bevonden voor het uitoefenen van de functie. Onderafdeling
  9. - De overgang naar niveau B en C Art. 95.§
  10. De ambtenaar kan bevorderd worden van niveau D tot niveau C of van niveau C tot niveau B. §
  11. De selectie omvat twee proeven. De eerste proef is anoniem en bestaat uit een test, computergestuurd of schriftelijk, met de bedoeling de algemene vaardigheden van de kandidaten te evalueren. Deze proef is eliminerend. De tweede proef is mondeling. Ze heeft als doelstelling de evaluatie van de motivatie voor de in te vullen functie en van de specifieke vaardigheden op basis van het functieprofiel. Na afloop van deze proef worden de kandidaten gerangschikt op basis van hun resultaten en aangeworven volgens deze rangschikking. De kandidaten worden ten minste veertien dagen op voorhand geïnformeerd over de organisatie van deze proeven. HOOFDSTUK III. - De functionele loopbaan Afdeling
  12. -

Art. 96

.De functionele loopbaan houdt in dat een ambtenaar, zonder van graad te veranderen, kan genieten van een weddeschaal die een of twee weddeschalen hoger ligt dan de weddeschaal die aan zijn graad verbonden is, zolang hij voldoet aan de vereisten inzake anciënniteit, evaluatie en vorming waarin het statuut voorziet. Art. 97.De directeur-generaal of de ambtenaar die hij daartoe aanwijst kent aan de ambtenaar een hogere weddeschaal toe zodra laatstgenoemde aan de voorwaarden inzake anciënniteit, evaluatie en opleiding voldoet. De Raad van Bestuur wordt ervan op de hoogte gebracht op zijn eerstvolgende vergadering. Afdeling

  1. - De gewone functionele loopbaan Art. 98.Aan de graden attaché, assistent, adjunct en klerk zijn de weddeschalen 101, 102 en 103 verbonden. Aan de graad van ingenieur zijn de weddeschalen 111, 112 en 113 verbonden. Aan de graad van eerste attaché zijn de weddeschalen 200, 210 en 220 verbonden. Aan de graad van eerste ingenieur is de weddeschaal 220 verbonden. Aan de graad van raadgever-deskundige zijn de weddeschalen 220 en 230 verbonden. Aan de graad van directeur zijn de weddeschalen 300 en 310 verbonden. Aan de graad van ingenieur-directeur en geneesheer-directeur is de weddeschaal 310 verbonden. De weddeschaal 101 of 111, naargelang van de graad, wordt toegekend vanaf de aanwerving of de overgang naar een hoger niveau. De weddeschaal 220 wordt toegekend aan de eerste ingenieur vanaf de aanwerving of de bevordering door verhoging in graad. De weddeschaal 220 wordt toegekend aan de raadgever deskundige vanaf de aanwerving of de bevordering door verhoging in graad. De weddeschaal 300 of 310, naargelang van de graad, wordt toegekend vanaf de aanwerving of de bevordering door verhoging in graad. De weddeschaal 102, 112, 210, 230 of 310, naargelang van de graad, wordt toegekend aan de ambtenaar die : 1° zes jaar anciënniteit telt, zoals berekend overeenkomstig artikel 406, in de schaal 101, 111, 200, 220 of 300 in de hoedanigheid van statutair ambtenaar;2° over een evaluatie "gunstig" beschikt;3° de in artikel 273 bedoelde vorming heeft gevolgd, binnen de periode zoals bedoeld in 1°. Art. 99.De weddeschaal 103, 113 of 220, naargelang van de graad, wordt toegekend aan de ambtenaar die : 1° negen jaar anciënniteit telt, zoals berekend overeenkomstig artikel 406, in de schaal 102, 112 of 210;2° over een evaluatie "gunstig" beschikt;3° de in artikel 273 bedoelde vorming heeft gevolgd, binnen de periode zoals bedoeld in 1°. HOOFDSTUK IV. - De uitoefening van een hoger ambt Art. 100.Onder hoger ambt wordt verstaan elk ambt dat overeenstemt met een in het personeelsplan voorkomende betrekking van een graad van hogere rang in het niveau waartoe de ambtenaar behoort. Art. 101.Een ambtenaar kan worden aangesteld in een hoger ambt voor een betrekking die tijdelijk onbezet is. Art. 102.Om in een hoger ambt aangesteld te worden moet de ambtenaar voldoen aan de benoemingsvoorwaarden voor de tijdelijk onbezette betrekking. Hij moet de evaluatie "gunstig" ontvangen hebben. Een ambtenaar die een tuchtstraf kreeg opgelegd mag niet worden aangesteld alvorens zijn straf is geschrapt overeenkomstig artikel
  2. Art. 103.In een tijdelijk onbezette betrekking kan een ambtenaar alleen worden aangesteld indien de titularis ten minste een maand afwezig is. De aanstelling kan gebeuren vanaf de dag van de kennisname van de afwezigheid van meer dan een maand of de eerste dag die volgt op het verstrijken van die termijn van een maand. Art. 104.De aanwijzing voor de uitoefening van een hoger ambt gebeurt voor een duur van maximaal een jaar. De Raad van Bestuur kan de uitoefening van een hoger ambt door de aangestelde ambtenaar verlengen voor een duur van maximaal een jaar. Deze verlenging kan slechts tweemaal plaatsvinden. Art. 105.§
  3. De oproep tot kandidaatstelling voor een hoger ambt wordt ter kennis gebracht van de ambtenaren van het Agentschap door een dienstnota. §
  4. De geïnteresseerde ambtenaren dienen hun kandidatuur in, vergezeld van een motivatiebrief tegen ontvangstbevestiging bij de voorzitter van het Directiecomité, binnen de twintig dagen na het versturen van de dienstnota. Art. 106.Er wordt een gemotiveerd voorstel tot rangschikking van de kandidaten gedaan aan de Raad van Bestuur door het Directiecomité, samen met het HRM en de functionele chef van het ambt dat tijdelijk moet worden ingevuld. Zij stelt de kandidaat die het meest geschikt is om het ambt uit te oefenen voor, rekening houdend met de motivatie van de kandidaten en hun profiel. Art. 107.De Raad van Bestuur beslist over de toewijzing van het hoger ambt. Indien hij afwijkt van het voorstel, dan moet de beslissing gemotiveerd worden. Art. 108.De akte tot aanstelling vermeldt : 1° een omschrijving van het ambt dat tijdelijk niet wordt ingevuld, de naam en de graad van de actuele functie en de reden waarom deze functie niet wordt ingevuld;2° een verantwoording van de noodzaak om een hoger ambt toe te kennen;3° een verantwoording van de keuze van de voorgestelde ambtenaar. Art. 109.Een ambtenaar die met een hoger ambt is belast, beschikt over alle aan dat ambt verbonden prerogatieven. Art. 110.De uitoefening van een hoger ambt verleent geen recht op een benoeming in de graad van dat ambt. TITEL V. - De interne mutatie HOOFDSTUK I. -

Art. 111

.De interne mutatie is de overgang van een ambtenaar naar een andere vacante betrekking van zijn graad in dezelfde dienst of in een andere dienst van het Agentschap. Art. 112.De ambtenaar behoudt hoe dan ook zijn graad en de daaraan verbonden weddeschaal. Hij behoudt tevens de voordelen die hij in zijn functionele loopbaan heeft verkregen, met inachtneming van de bepalingen inzake vorming en evaluatie. Art. 113.De interne mutatie vindt plaats hetzij door vrijwillige mutatie, hetzij door ambtshalve mutatie, hetzij door herplaatsing. Art. 114.§

  1. Om zich kandidaat te stellen moet de ambtenaar zijn functies uitoefenen in zijn betrekking sinds ten minste twee jaar. §
  2. In het geval van pesterijen, een gewelddaad of discriminatie waarvan de ambtenaar het slachtoffer is, kan de in de § 1 bepaalde limiet niet als verzet aangevoerd worden. De pesterijen moeten erkend zijn door een rechterlijke beslissing of een verslag van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het koninklijk besluit van 27 maart 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten1 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk. De gewelddaad moet erkend zijn door een rechterlijke beslissing, door een tuchtrechtelijke beslissing, door een bewijs van arbeidsongeval of een verslag van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het koninklijk besluit van 27 maart 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten1 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk. De discriminatie moet erkend zijn door een rechtelijke beslissing of door een tuchtrechtelijke beslissing. §
  3. De in de tweede paragraaf bedoelde aanvragen worden naargelang de prioriteit behandeld. HOOFDSTUK II. - De vrijwillige mutatie Art. 115.De ambtenaar dient zijn verzoek voor interne mutatie in : hetzij door te antwoorden op een mutatieaanbod dat door het HRM minstens per dienstnota wordt meegedeeld; hetzij door zijn kandidatuur in te dienen bij het HRM zonder dat er een mutatieaanbod bestaat; hetzij door te antwoorden op een oproep tot kandidaatstelling in het kader van een selectie die openstaat voor externe kandidaten. De onder 1° van dit artikel vermelde dienstnota vermeldt het volgende : 1° de functiebeschrijving;2° de termijn binnen dewelke de ambtenaar zijn belangstelling voor de betrekking moet kenbaar maken. Zij wordt ter kennis gebracht aan alle ambtenaren. Art. 116.De ambtenaar die zijn kandidatuur voor een vacante betrekking indient via de interne mutatie, is slechts aan de proeven onderworpen zoals voorzien in artikel 34, §
  4. Art. 117.§ 1 Het HRM registreert de gegevens van de verzoeken die zijn ingediend op basis van artikel 115, 2°, in de databank. De ambtenaar ontvangt een bericht van ontvangst van zijn verzoek. § 2 De ambtenaar wordt verzocht zich voor de selectie in te schrijven als een betrekking die aan zijn of haar vraag beantwoordt, vacant wordt. § 3 Het verzoek van interne mutatie verliest zijn geldigheid een jaar nadat de ambtenaar de ontvangstbevestiging heeft ontvangen. Art. 118.De geselectioneerde ambtenaar begint zijn nieuwe functie uit te oefenen na verloop van een termijn die in wederzijds akkoord tussen zijn vroegere en nieuwe functionele chef wordt bepaald. Die termijn mag niet meer dan drie maanden bedragen. Die termijn kan tot een maximum van zes maanden opgevoerd worden door het Directiecomité omwille van dringende redenen die het belang van de dienst aantasten. Deze laatste motiveert haar beslissing. HOOFDSTUK III. - De ambtshalve mutatie Art. 119.§
  5. Het Directiecomité kan over een ambtshalve mutatie beslissen als de procedure van de vrijwillige mutatie geen resultaat opleverde of als er bijzondere eisen inzake kennis of ervaring zijn vereist om een betrekking te bekleden. Het raadpleegt voorafgaandelijk de betrokken directeurs en motiveert zijn beslissing aan de hand van de functiebeschrijving en het gewenste profiel om de betrekking te kunnen invullen. De ambtenaar wordt gehoord door het Directiecomité of de afgevaardigde ervan. §
  6. Tot ambtshalve mutatie kan eveneens worden beslist indien zij gerechtvaardigd is door dienstbehoeften of -noodwendigheden. Art. 120.Het Directiecomité kan ook beslissen over een ambtshalve mutatie ingeval op een gemotiveerde wijze vastgesteld wordt dat de ambtenaar niet meer over de vereiste kwalificaties zou beschikken om zijn betrekking te bekleden. De ambtenaar wordt gehoord door het Directiecomité of de afgevaardigde ervan. HOOFDSTUK IV. - De herplaatsing Art. 121.De herplaatsing vindt plaats : 1° indien de opheffing of de wijziging van een opdracht van het Agentschap de afschaffing van één of meer betrekkingen met zich meebrengt;2° indien een ambtenaar medisch ongeschikt wordt bevonden voor de uitoefening van zijn ambt, maar opnieuw kan worden geplaatst in een betrekking die verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand.3° indien een ambtenaar in disponibiliteit wordt gesteld wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst;4° wanneer de ambtenaar niet meer is toegewezen aan een betrekking; Art. 122.De herplaatsing van een ambtenaar gebeurt in een betrekking behorend tot dezelfde of tot een andere dienst. Het Directiecomité raadpleegt de functionele chefs op wie de herplaatsing een impact kan hebben. De ambtenaar wordt gehoord door het Directiecomité of de afgevaardigde ervan. Art. 123.De herplaatsing wordt beslist door het Directiecomité. Een herplaatste ambtenaar behoudt zijn rechten inzake wedde en zijn aanspraken op bevordering. De herplaatsingsperiode wordt aangerekend voor de administratieve en de geldelijke anciënniteit. TITEL VI. - De evaluatie HOOFDSTUK I. -

Art. 124

.De evaluatie heeft tot doel het werk van de ambtenaar in de functie die hij vervult doorlopend te beoordelen op grond van de functiebeschrijving en de doelstellingen bepaald tijdens het functiegesprek. Art. 125.§ 1. De evaluator van de ambtenaar is zijn hiërarchische meerdere. Hij wordt minstens aangeduid door de verantwoordelijke van de administratieve eenheid van de ambtenaar. Indien hij niet tot dezelfde taalrol als de ambtenaar behoort, dient de hiërarchische meerdere, om evaluator te zijn, geslaagd te zijn voor het taalexamen over de functionele kennis van de andere taal voor de evaluatie, bedoeld in artikel 43ter, § 7, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken gecoördineerd op 18 juli 1966 of voor een ander examen dat hem vrijstelt van bovenvermeld examen. § 2. Indien de hiërarchische meerdere niet aan deze voorwaarde voldoet, wijst de directeur-generaal het personeelsid aan dat met de evaluatie wordt belast, met inachtneming van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken. In dit geval raadpleegt de evaluator de hiërarchische meerdere. Van deze raadpleging wordt een verslag opgesteld dat gevoegd wordt bij het evaluatiedossier. § 3. De hiërarchische meerdere die de ambtenaar op geen enkel moment van de evaluatieperiode onder zijn gezag had, raadpleegt de vorige hiërarchische meerderen van de ambtenaar vóór het evaluatiegesprek. De hiërarchische meerdere, als hij niet de functionele chef van de ambtenaar is, raadpleegt die functionele chef vóór het functie- en evaluatiegesprek. Hij bezorgt hem een kopie van de functie- en evaluatiegesprekken. Van deze raadpleging wordt een schriftelijk verslag opgesteld dat gevoegd wordt bij het evaluatiedossier. § 4. Een personeelslid mag geen evaluatie uitvoeren zonder eerst een passende opleiding te hebben gevolgd. Art. 126.De evaluatie gebeurt op basis van een evaluatiedossier. Dit dossier bevat : 1° de functiebeschrijving;2° het verslag van het functiegesprek dat onder meer de individuele doelstellingen bevat;3° de documenten betreffende de vaststellingen en de gunstige of ongunstige beoordelingen bedoeld in artikel 132;4° de tussentijdse verslagen bedoeld in artikel 133;5° het evaluatieverslag evenals alle voorgaande evaluatieverslagen;6° in voorkomend geval, de verslagen bedoeld in artikel 125;7° het zelfevaluatieverslag indien de ambtenaar dit wenst;8° de eventuele beslissing van de kamer van beroep;9° elk document dat de ambtenaar wenst dat toegevoegd wordt aan zijn dossier. De modellen voor de documenten bedoeld in de punten 1° tot 7° worden opgesteld door het HRM. Het evaluatiedossier staat ter beschikking van de ambtenaar, van zijn hiërarchische meerdere, desgevallend van zijn evaluator, van het personeelslid dat de geregelde leiding of toezicht heeft over de werking van de evaluator en van het HRM. Het door de ambtenaar opgestelde zelfevaluatieverslag heeft enkel informatieve waarde in het kader van de voorbereiding van het evaluatiegesprek. Het evaluatiedossier maakt deel uit van het persoonlijke dossier van de ambtenaar. HOOFDSTUK II. - Het verloop van de evaluatie Afdeling 1. - Voorwerp van de evaluatie Art. 127.Op vraag van de ambtenaar kan een vakbondsafgevaardigde als waarnemer deelnemen aan de gesprekken georganiseerd in het kader van de evaluatieprocedure voorzien in onderhavige titel. Art. 128.De evaluatie is verplicht voor elke ambtenaar die effectief in dienst is. De evaluatieperiode van de ambtenaar is de periode tussen het functiegesprek en het evaluatiegesprek. Die periode bedraagt twee jaar. De ambtenaar die tijdens de evaluatieperiode zijn prestaties niet effectief heeft uitgevoerd, wordt geëvalueerd op het ogenblik dat hij zes maanden effectieve prestatie totaliseert. Art. 129.Het Directiecomité bepaalt de praktische modaliteiten voor de organisatie van de evaluaties. Art. 130.Aan het begin van elke evaluatieperiode en bij elke benoeming of dienstaanwijzing van de ambtenaar heeft de evaluator een functiegesprek met hem, waarbij de te bereiken doelstellingen waarop de ambtenaar zal worden geëvalueerd op basis van de functiebeschrijving, worden omschreven. Deze betreffen : - De prestatie die beoordeeld wordt rekening houdend met de kwalitatieve resultaten of kwantitatieve en kwalitatieve resultaten van de prestaties van de geëvalueerde gedurende de evaluatieperiode, rekening houdend met zijn functiebeschrijving en de doelstellingen die voorafgaandelijk werden bepaald; - De vaardigheden die beoordeeld worden rekening houdend met het competentieprofiel bepaald in de functiebeschrijving; - De werkattitude. Art. 131.Binnen vijftien dagen na het gesprek stelt de evaluator een verslag op van het functiegesprek. Dit verslag wordt geviseerd door de ambtenaar. Als de ambtenaar het verslag van het functiegesprek niet tekent voor ontvangst, wordt het verslag hem aangetekend toegestuurd. De evaluator stuurt dit verslag naar het HRM binnen dertig dagen na het functiegesprek. Afdeling 2. - Tijdens de evaluatieperiode Art. 132.In de loop van elke evaluatieperiode kan de evaluator gunstige of ongunstige vaststellingen op basis van de doelstellingen en de evaluatiecriteria bedoeld in artikel 130, aan het evaluatiedossier toevoegen. Deze vaststellingen worden binnen de vijftien dagen ter kennis van de ambtenaar gebracht, die er zijn eventuele opmerkingen kan aan toevoegen binnen de vijftien dagen na kennisname. Wanneer de ambtenaar zijn eventuele opmerkingen niet heeft kunnen maken op een ongunstige vaststelling, dan wordt de vaststelling niet in overweging genomen en verwijderd uit het evaluatiedossier. De ambtenaar kan een document met een gunstige beoordeling betreffende de uitvoering van zijn werk aan zijn evaluatiedossier toevoegen. Art. 133.Gedurende elke evaluatieperiode, kunnen één of meerdere tussentijdse gesprekken plaatsvinden binnen de vijftien dagen na het verzoek van de ambtenaar of de evaluator. Een tussentijdse evaluatie vindt plaats telkens wanneer de evaluator dit nodig acht of wanneer de geëvalueerde erom vraagt voor zover de laatste evaluatie minimaal drie maanden geleden plaatsvond. In een tussentijds gesprek kunnen onder meer aan bod komen : 1° problemen in verband met het functioneren van de geëvalueerde en de oplossingen voor deze problemen;2° problemen die het bereiken van de afgesproken doelstellingen bemoeilijken en de oplossingen voor deze problemen;deze kunnen zowel betrekking hebben op de organisatie en de werking van de dienst, de begeleiding door de verantwoordelijke van de administratieve eenheid als op externe factoren; 3° de ontwikkeling van de ambtenaar binnen de huidige functie;4° de evaluatie van de ambtenaar met het oog op zijn interne mutatie. Ter gelegenheid van dit gesprek kunnen de individuele doelstellingen van de ambtenaar bijgestuurd worden. De evaluator voegt een verslag van dit gesprek toe aan het evaluatiedossier. Dit verslag wordt ter kennis gebracht van de ambtenaar, die er eventuele opmerkingen mag aan toevoegen binnen de vijftien dagen na kennisname. Wanneer de ambtenaar het voorwerp is van interne mutatie, vindt een tussentijds gesprek plaats voor zijn mutatie. Afdeling 3. - De evaluatie Art. 134.Op het einde van elke evaluatieperiode heeft de evaluator een evaluatiegesprek met de ambtenaar. Art. 135.Bij het verlenen van een vermelding, houdt de evaluator rekening met de onvoorziene of onafhankelijke omstandigheden die de gehele of gedeeltelijke realisatie van de doelstellingen bedoeld in artikel 130 onmogelijk hebben gemaakt. Art. 136.Binnen de vijftien dagen die volgen op het evaluatiegesprek, stelt de evaluator een evaluatieverslag op en verleent de vermelding "gunstig", "onder voorbehoud" of "onvoldoende" vergezeld van een motivatie. Het wordt geviseerd voor ontvangst door de geëvalueerde ambtenaar die er zijn opmerkingen kan aan toevoegen. De evaluator bezorgt het verslag vervolgens onmiddellijk aan het HRM. Indien de ambtenaar het evaluatieverslag niet viseert voor ontvangst, dan wordt het hem toegestuurd per aangetekend schrijven. Art. 137.Bij toekenning van een vermelding "onvoldoende" of "onder voorbehoud" vindt ten minste om de drie maanden een tussentijds opvolgingsgesprek plaats. Een nieuwe evaluatie vindt plaats na zes maanden. Art. 138.Op het einde van het evaluatiegesprek heeft een nieuw functiegesprek plaats over de volgende evaluatieperiode conform artikel 130, hetzij op hetzelfde ogenblik, hetzij binnen de vijftien dagen. Afdeling 4. - De eindvermeldingen Art. 139.Na het evaluatiegesprek kent de evaluator de ambtenaar één van de volgende vermeldingen toe :

  1. a)"gunstig"
  2. b)"onder voorbehoud"
  3. c)"onvoldoende" De evaluator moet de vermelding verplicht motiveren aan de hand van feiten en objectieve elementen. Art. 140.De ambtenaar die zijn prestaties niet effectief gedurende ten minste zes maanden heeft geleverd en die afwezig is, met verlof is, of zijn functie niet vervult, behoudt zijn laatste evaluatie. In dit geval vindt de evaluatie plaats in overeenstemming met artikel 128, derde lid. Buiten de gevallen bedoeld in het eerste lid ontvangt de ambtenaar die niet werd geëvalueerd terwijl geen overmacht kan worden ingeroepen, een gunstige evaluatie. Na afloop van de stage ontvangt de benoemde ambtenaar ambtshalve een gunstige evaluatie. HOOFDSTUK III. - De beroepsprocedure Art. 141.De ambtenaar die niet akkoord gaat met de hem toegekende vermelding "onvoldoende" of "onder voorbehoud" beschikt over een termijn van twintig dagen om een schorsend beroep in te dienen per aangetekend schrijven bij de gewestelijke kamer van beroep. Art. 142.Deze termijn wordt berekend volgens dezelfde bepalingen als die bedoeld in artikel 290, § 2. Er wordt aan de ambtenaar een ontvangstbewijs van het beroep gegeven. Art. 143.De gewestelijke kamer van beroep moet zich uitspreken binnen de 60 dagen na ontvangst van het beroep, behalve bij overmacht, en beschikt over beslissingsbevoegdheid. De gewestelijke kamer van beroep hoort de evaluator die de betwiste vermelding heeft toegekend, eventueel bijgestaan door een lid van het HRM. De afwezigheid van de evaluator is geen reden van uitstel. De ambtenaar wordt gehoord en kan zich laten bijstaan door een persoon naar keuze. Indien de ambtenaar, ofschoon behoorlijk opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt, bevestigt de gewestekijke kamer van beroep de vermelding en doet het dossier toekomen aan de directeur-generaal en aan de adjunct-directeur-generaal. Art. 144.De gewestelijke kamer van beroep bevestigt de aan de ambtenaar toegekende vermelding of ze kent een andere vermelding uit artikel 139 toe. De vermelding mag niet worden verzwaard. De gewestelijke kamer van beroep deelt haar beslissing binnen de vijftien dagen aan de verzoeker mee per aangetekend schrijven. Tegelijkertijd betekent ze het volledige dossier samen met de beslissing aan de directeur-generaal. De directeur-generaal betekent deze beslissing aan de evaluator. HOOFDSTUK IV. - De gevolgen van de vermelding " onder voorbehoud " of " onvoldoende " Art. 145.De periode gedurende dewelke de ambtenaar de vermelding "onder voorbehoud" of "onvoldoende" krijgt, wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van de graadanciënniteit vereist voor het bekomen van een hogere weddeschaal met toepassing van de functionele loopbaan. Art. 146.De ambtenaar die een evaluatie heeft met de vermelding "onvoldoende" of "onder voorbehoud" kan niet worden aangesteld als evaluator. Art. 147.§ 1. De ambtenaar die twee opeenvolgende evaluaties met de vermelding "onvoldoende" ontvangt, wordt definitief beroepsongeschikt verklaard door de Raad van Bestuur. § 2. In geval van bevestiging van de verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid, of indien de ambtenaar tegen de verklaring van beroepsongeschiktheid niet in beroep is gegaan, wordt de ambtenaar door de Raad van Bestuur ontslagen. Aan de wegens beroepsongeschiktheid ontslagen ambtenaar wordt een vergoeding wegens ontslag toegekend. Deze vergoeding is gelijk aan twaalf maal de laatste maandbezoldiging van de ambtenaar indien hij ten minste twintig jaar dienst heeft, aan acht maal of zes maal deze bezoldiging naargelang de ambtenaar tien jaar dienst of minder dan tien jaar dienst heeft. Voor de toepassing van dit artikel moet onder "bezoldiging" worden verstaan elke wedde, elk loon of elke vergoeding geldend als wedde of loon, rekening houdend met de verhogingen of verminderingen die te wijten zijn aan de schommelingen van de index der kleinhandelsprijzen. De in aanmerking te nemen bezoldiging is die welke verschuldigd is voor volledige prestaties, eventueel met inbegrip van de haard- of standplaatstoelage, en rekening houdend met de verhogingen of verminderingen die te wijten zijn aan de schommelingen van de index der kleinhandelsprijzen. TITEL VII. - De administratieve standen, de afwezigheden en de verloven HOOFDSTUK I. - De administratieve standen Afdeling 1. - De dienstactiviteit Art. 148.De dienstactiviteit is de gewone administratieve stand van de ambtenaar. Tenzij anders bepaald, heeft de ambtenaar in dienstactiviteit recht op wedde en op verhoging in zijn weddeschaal. Hij kan zijn aanspraken op bevordering, op toekenning van een mandaat of op een hogere weddeschaal in zijn functionele loopbaan doen gelden. Afdeling 2. - De non-activiteit Art. 149.De ambtenaar kan, krachtens de bepalingen van dit besluit, van rechtswege of bij beslissing van de Raad van Bestuur in non-activiteit worden geplaatst. Tenzij anders bepaald, heeft de ambtenaar in deze stand geen recht op wedde en op verhoging in zijn weddeschaal. Hij verliest zijn aanspraken op : 1° bevordering of toekenning van een mandaat;2° een hogere weddeschaal in zijn functionele loopbaan. Art. 150.Niemand kan in non-activiteit gesteld of gehouden worden wanneer hij aan de voorwaarden voldoet om te worden gepensioneerd. Afdeling 3. - De disponibiliteit Onderafdeling 1. - De disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst Art. 151.De ambtenaar kan, zonder opzegging, in disponibiliteit worden gesteld wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst wanneer hij een bepaald ambt niet kan uitoefenen en hij niet onmiddellijk in een beter geschikte betrekking wederom tewerkgesteld kan worden. Op voorstel van het Directiecomité neemt de Raad van Bestuur een beslissing omtrent de indisponibiliteitstelling. De betrokkene wordt vooraf door het Directiecomité gehoord en kan worden bijgestaan door een persoon naar zijn keuze. Art. 152.De ambtenaar in disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst heeft geen recht op wedde of op verhoging in zijn weddeschaal. Hij verliest zijn aanspraken op : 1° bevordering of toekenning van een mandaat;2° een hogere weddeschaal in zijn functionele loopbaan. Hij geniet het eerste jaar een wachtgeld gelijk aan zijn laatste activiteitswedde. Vanaf het tweede jaar is dit wachtgeld gelijk aan 1/60e van de laatste activiteitswedde per dienstjaar dat hij telt op de datum waarop hij in disponibiliteit werd gesteld. Onderafdeling 2. - De disponibiliteit wegens ziekte Art. 153.§ 1. Onverminderd artikel 231 is de ambtenaar die wegens ziekte afwezig is na het maximaal aantal verlofdagen hem toegekend bij artikel 227, van rechtswege in disponibiliteit wegens ziekte. Hij behoudt zijn recht op bevordering en op verhoging in zijn weddeschaal. Artikel 232 is van toepassing op de ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte. § 2. De ambtenaar die in disponibiliteit wegens ziekte is, ontvangt een wachtgeld dat gelijk is aan 60 % van zijn laatste activiteitswedde. Het bedrag van dit wachtgeld mag echter in geen geval lager liggen dan : 1° de vergoedingen die de betrokkene in dezelfde toestand zou ontvangen indien de socialezekerheidsregeling op hem toepasselijk was geweest sinds het begin van zijn afwezigheid;2° het pensioen dat hij zou verkregen hebben indien hij, op de datum van zijn indisponibiliteitstelling, tot de vervroegde oppensioenstelling wegens lichamelijke ongeschiktheid was toegelaten. Het wachtgeld wordt vastgesteld op basis van de laatste activiteitswedde. In geval van cumulatie van betrekkingen wordt het wachtgeld slechts toegekend op grond van het hoofdambt. § 3. De ambtenaar heeft recht op een maandelijks wachtgeld dat gelijk is aan het bedrag van zijn laatste activiteitswedde indien de kwaal waaraan hij lijdt door het Bestuur van de medische expertise van de Staat als een ernstige en langdurige ziekte wordt erkend. Dit recht heeft slechts uitwerking nadat de ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte werd gesteld voor een ononderbroken periode van ten minste drie maanden. Dit recht heeft een herziening van de toestand van de ambtenaar tot gevolg met geldelijke uitwerking op de dag waarop zijn disponibiliteit wegens ziekte een aanvang heeft genomen. § 4. De disponibiliteit wegens ziekte maakt geen einde aan de stelsels van loopbaanonderbreking bedoeld in de artikelen 160 tot 165, noch aan de stelsels van halftijdse vervroegde uittreding vanaf 50 of 55 jaar en de vierdagenweek zoals bedoeld in artikelen 166 tot 173, noch aan verminderde prestaties om persoonlijke redenen bedoeld in de artikelen 174 tot 176. Voor de toepassing van § 2 van dit artikel, is de laatste activiteitswedde deze welke voor de verminderde prestaties verschuldigd was. Art. 154.§ 1. De ambtenaar die in disponibiliteit werd gesteld wegens een ernstige ziekte van lange duur, wordt ieder jaar medisch onderzocht door de medische controledienst bedoeld in artikel 234 in de loop van de maand overeenstemmend met die waarin hij in disponibiliteit werd gesteld. § 2. De ambtenaar die in disponibiliteit werd gesteld wegens ziekte, wordt minstens ieder jaar medisch onderzocht door de medische controledienst bedoeld in artikel 234. § 3. Verschijnt de ambtenaar niet voor de medische controledienst bedoeld in artikel 234 op het tijdstip bepaald in het eerste lid, dan wordt de uitkering van zijn wachtgeld vanaf dat tijdstip geschorst tot hij verschijnt. Onderafdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen Art. 155.In geval van disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst, kan de Raad van Bestuur de betrekking waarvan de in disponibiliteit gestelde ambtenaar titularis was, onmiddellijk vacant verklaren. In geval van disponibiliteit wegens ziekte kan de Raad van Bestuur slechts na verloop van zes maanden beslissen tot de vacantverklaring. Art. 156.Het Directiecomité kan de in disponibiliteit gestelde ambtenaar in actieve dienst terugroepen indien hij de vereiste beroepsgeschiktheid en lichamelijke geschiktheid bezit. De ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte, wiens betrekking niet vacant werd verklaard, neemt zijn betrekking opnieuw op wanneer hij zijn dienst hervat. De ambtenaar die in disponibiliteit is en wiens betrekking vacant verklaard werd, wordt herplaatst in overeenstemming met artikel 121, 4°. De ambtenaar is in elk geval gehouden binnen de termijn bepaald door het Directiecomité de betrekking te bekleden die hem werd toegewezen. De ambtenaar die dit zonder geldige reden weigert, wordt na tien werkdagen afwezigheid ambtshalve ontslagen. Art. 157.Niemand kan in disponibiliteit gesteld of gehouden worden wanneer hij voldoet aan de voorwaarden om gepensioneerd te worden. HOOFDSTUK II. - De afwezigheden Art. 158.De ambtenaar mag niet afwezig zijn zonder verlof of dienstvrijstelling te hebben gekregen. Onder dienstvrijstelling wordt verstaan de toestemming gegeven aan een ambtenaar om gedurende de diensturen afwezig te zijn voor een bepaalde duur met het behoud van al zijn rechten. Met uitzondering van de in dit besluit bepaalde gevallen worden de verloven en dienstvrijstellingen door de directeur-generaal of de door hem aangewezen ambtenaar toegekend. Art. 159.§ 1. Onverminderd de eventuele toepassing van een tuchtstraf, bevindt de ambtenaar die zonder toestemming afwezig is of de duur van zijn verlof zonder geldige reden overschrijdt, zich van rechtswege in non-activiteit. § 2. De deelname van een ambtenaar aan een overlegde werkstaking wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Hij heeft echter geen recht op zijn wedde. § 3. Indien de ambtenaar zonder geldige reden meer dan tien opeenvolgende werkdagen afwezig is, wordt hij ambtshalve ontslagen. HOOFDSTUK III. - De verloven in het kader van de loopbaanonderbreking, de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar Afdeling 1. - Het verlof voor loopbaanonderbreking Art. 160.§ 1. De ambtenaar krijgt verlof om zijn loopbaan te onderbreken volgens de herstel wet van 22 januari 1985Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/01/1985 pub. 12/08/2013 numac 2013000511 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Herstelwet houdende sociale bepalingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten onder het stelsel van het Koninklijk Besluit van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten2 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen alsmede van alle bepalingen die deze regeling mochten wijzigen of vervangen. § 2. De ambtenaar kan verlof voor loopbaanonderbreking krijgen volgens de voorwaarden en modaliteiten van het Koninklijk Besluit bedoeld in de eerste alinea : 1° volledig;2° gedeeltelijk, naar rata van een vijfde of de helft van de duur van de dienstprestaties die normaal behoren te worden verricht;3° met het oog op hulpverlening aan of verzorging van een gezins- of familielid tot de tweede graad dat aan een ernstige kwaal lijdt;4° met het oog op palliatieve verzorging;5° in het kader van het ouderschapsverlof bij de geboorte of de adoptie van een kind. Art. 161.§ 1. Iedere ambtenaar heeft recht op de verloven voor loopbaanonderbreking voor palliatieve verzorging en in het kader van het ouderschapsverlof bedoeld in artikel 160, § 2, 4° en 5°. § 2. De ambtenaren van rang 1 hebben recht op de verloven voor volledige loopbaanonderbreking, voor gedeeltelijke loopbaanonderbreking en voor loopbaanonderbreking in het kader van de medische bijstand bedoeld in artikel 160, § 2, 1° tot 3°. De houders van een bevorderingsgraad kunnen deze verloven genieten, middels de toelating van de directeur-generaal. De mandaathouders worden ervan uitgesloten. Art. 162.§ 1. Bij gedeeltelijke loopbaanonderbreking worden de dienstprestaties ofwel dagelijks ofwel volgens een andere indeling van de werkweek, ofwel volgens een andere indeling van de vijftien dagen verricht. In afwijking van het eerste lid kan de directeur-generaal beslissen voor sommige door hem bepaalde functies een indeling van de dienstprestaties per maand op te leggen. § 2. De ambtenaar kan zijn ambtsverrichtingen hervatten vooraleer de periode van loopbaanonderbreking verstreken is met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden die per aangetekend schrijven aan de directeur-generaal ter kennis wordt gebracht, tenzij laatstgenoemde een kortere termijn aanvaardt. Art. 163.§ 1. Een ambtenaar die de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt en die verlof verkrijgt tot loopbaanonderbreking overeenkomstig artikel 8 van het Koninklijk Besluit van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten2 bedoeld in artikel 160, § 1, is ertoe gehouden zijn loopbaan gedeeltelijk te onderbreken tot aan zijn pensionering. Hij kan voor een andere regeling opteren, op voorwaarde dat de duur van de verrichte dienstprestaties wordt beperkt. § 2. Een ambtenaar die de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt en die verlof verkrijgt tot loopbaanonderbreking overeenkomstig artikel 8bis van het Koninklijk Besluit van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten2 bedoeld in artikel 160, § 1, is ertoe gehouden zijn loopbaan gedeeltelijk te onderbreken tot aan zijn pensionering. Hij kan voor een andere regeling opteren, op voorwaarde dat de duur van de verrichte dienstprestaties wordt beperkt. Art. 164.De ambtenaar kan tijdens zijn verlof geen aanspraak maken op zijn wedde. Dit verlof wordt voor het overige gelijkgesteld aan een periode van dienstactiviteit. Art. 165.Het verlof voor loopbaanonderbreking wordt in verlof voor persoonlijke redenen omgezet wanneer de ambtenaar een beroepsactiviteit uitoefent, uitgezonderd in de gevallen bedoeld in artikel 24, tweede lid, van voormeld Koninklijk Besluit van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten2 of indien de ambtenaar een bijkomende beroepsactiviteit uitoefent als bezoldigd werknemer. Afdeling 2. - Verlof in het kader van de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar Onderafdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen Art. 166.§ 1. Op grond van de artikelen 4 tot en met 8 van de wet van 19 juli 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/07/2012 pub. 06/08/2012 numac 2012002046 bron federale overheidsdienst personeel en organisatie Wet betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector type wet prom. 19/07/2012 pub. 04/03/2013 numac 2013000122 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector. - Duitse vertaling type wet prom. 19/07/2012 pub. 22/08/2012 numac 2012000466 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende verscheidene wijzigingen van het Kieswetboek, van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, van de wet van 3 juli 1971 tot indeling van de leden van de Wetgevende Kamers in taalgroepen en houdende diverse bepalingen betreffende de cultuurraden voor de Nederlandse cultuurgemeenschap en voor de Franse cultuurgemeenschap en van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europese Parlement type wet prom. 19/07/2012 pub. 22/08/2012 numac 2012204202 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister en federale overheidsdienst budget en beheerscontrole Wet houdende wijziging van de wet van 10 augustus 2001 tot oprichting van een Fonds ter financiering van de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel en tot wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, en van de organieke wet van 27 december 1990 tot oprichting van begrotingsfondsen type wet prom. 19/07/2012 pub. 22/08/2012 numac 2012204206 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Bijzondere wet houdende wijziging van de wet van 9 augustus 1988 tot wijziging van de gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen en van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wat de benoeming van de burgemeesters van de randgemeenten betreft

(1)sluiten betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector alsook op grond van alle bepalingen die voornoemde artikelen wijzigen of vervangen, kan de ambtenaar een regime van een vierdagenweek met premie en halftijds werken genieten vanaf 50 of 55 jaar. §
  1. De ambtenaren van rang 1 hebben recht op de stelsels van de vierdagenweek met en zonder premie of het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar. De houders van een andere rang dan rang 1 kunnen deze stelsels genieten, met toestemming van de directeur-generaal. De mandaathouders worden van deze stelsels uitgesloten. §
  2. Dit verlof is niet bezoldigd en wordt voor het overige gelijkgesteld met dienstactiviteit. Art. 167.De ambtenaar kan het verlof genieten overeenkomstig volgende modaliteiten : 1° de ambtenaar die dit verlof wil genieten dient een aanvraag in bij zijn functionele chef;2° de aanvraag geschiedt minstens drie maanden vóór de aanvang van de periode van het verlof.Deze termijn kan in gemeenschappelijk overleg worden ingekort. De aanvraag bevat een voorstel van werkschema waarin bepaald wordt hoe de arbeidsprestaties worden geregeld; 3° de periode van het verlof neemt een aanvang op de eerste dag van de maand. Onderafdeling
  3. - Het stelsel van de vrijwillige vierdaagse werkweek met premie Art. 168.§
  4. De ambtenaar die voltijds werkt, geniet de vierdagenweek met premie zoals voorzien in de artikelen 4 tot en met 6 van de wet van 19 juli 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/07/2012 pub. 06/08/2012 numac 2012002046 bron federale overheidsdienst personeel en organisatie Wet betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector type wet prom. 19/07/2012 pub. 04/03/2013 numac 2013000122 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector. - Duitse vertaling type wet prom. 19/07/2012 pub. 22/08/2012 numac 2012000466 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende verscheidene wijzigingen van het Kieswetboek, van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, van de wet van 3 juli 1971 tot indeling van de leden van de Wetgevende Kamers in taalgroepen en houdende diverse bepalingen betreffende de cultuurraden voor de Nederlandse cultuurgemeenschap en voor de Franse cultuurgemeenschap en van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europese Parlement type wet prom. 19/07/2012 pub. 22/08/2012 numac 2012204202 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister en federale overheidsdienst budget en beheerscontrole Wet houdende wijziging van de wet van 10 augustus 2001 tot oprichting van een Fonds ter financiering van de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel en tot wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, en van de organieke wet van 27 december 1990 tot oprichting van begrotingsfondsen type wet prom. 19/07/2012 pub. 22/08/2012 numac 2012204206 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Bijzondere wet houdende wijziging van de wet van 9 augustus 1988 tot wijziging van de gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen en van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wat de benoeming van de burgemeesters van de randgemeenten betreft
(1)sluiten gedurende een periode van minimaal drie maanden en maximaal vierentwintig maanden. Voor elke verlenging, is een verzoek van de ambtenaar vereist. Dit verzoek moet worden ingediend minimaal één maand voor het vervallen van de lopende periode. §
  1. De directeur-generaal of zijn afgevaardigde kent het verlof toe en bepalen de arbeidsagenda. Hij kan het begin van het verlof uitstellen met maximaal drie maanden voor noodwendigheden van de dienst. In functie van de noodwendigheden van de dienst of op verzoek van de ambtenaar, kan de werkkalender worden aangepast door de directeur-generaal of zijn afgevaardigde. Hij brengt de ambtenaar minimaal twee maanden op voorhand op de hoogte van de beslissing. Een tijdelijke aanpassing van de werkkalender is mogelijk mits wederzijds akkoord. §
  2. Gedurende de periode waarin de ambtenaar geen prestaties dient te leveren binnen het kader van de vierdagenweek met premie, mag hij geen andere professionele activiteiten uitoefenen. Onder professionele activiteit dient te worden begrepen elke activiteit waarvan het resultaat een professionele inkomst is zoals bedoeld in artikel 23 van het Wetboek Inkomstenbelastingen van
  3. De politieke mandaten bedoeld in artikel 252 en volgende worden niet beschouwd als een professionele activiteit. Art. 169.Gedurende de periode van de vierdagenweek met premie, kan het de ambtenaar niet toegelaten worden verminderde prestaties uit te voeren voor welke reden dan ook. Hij kan ook geen beroep doen op een regime van deeltijdse loopbaanonderbreking. Het verlof voor de vierdagenweek met premie wordt ambtshalve geschorst indien de ambtenaar één van de volgende verloven geniet : 1° moederschapsverlof en het verlof voor arbeidsvrijstelling in toepassing van de artikelen 42 en 43 van de arbeids wet van 16 maart 1971Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten en van artikel 18 van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector;2° ouderschapsverlof;3° adoptieverlof en verlof voor onthaal;4° verlof voor loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen of om bijstand te verlenen of zorgen te verlenen aan een gezinslid of familie;5° verminderde prestaties ingevolge medische redenen in toepassing van artikel
  4. Wanneer een ambtenaar een schorsing verkrijgt door toepassing van lid 2, dan worden deze periodes niet meegeteld voor een periode van maximaal 60 maanden bedoeld in artikel 4 § 2 van de wet van 19 juli 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/07/2012 pub. 06/08/2012 numac 2012002046 bron federale overheidsdienst personeel en organisatie Wet betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector type wet prom. 19/07/2012 pub. 04/03/2013 numac 2013000122 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector. - Duitse vertaling type wet prom. 19/07/2012 pub. 22/08/2012 numac 2012000466 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende verscheidene wijzigingen van het Kieswetboek, van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, van de wet van 3 juli 1971 tot indeling van de leden van de Wetgevende Kamers in taalgroepen en houdende diverse bepalingen betreffende de cultuurraden voor de Nederlandse cultuurgemeenschap en voor de Franse cultuurgemeenschap en van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europese Parlement type wet prom. 19/07/2012 pub. 22/08/2012 numac 2012204202 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister en federale overheidsdienst budget en beheerscontrole Wet houdende wijziging van de wet van 10 augustus 2001 tot oprichting van een Fonds ter financiering van de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel en tot wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, en van de organieke wet van 27 december 1990 tot oprichting van begrotingsfondsen type wet prom. 19/07/2012 pub. 22/08/2012 numac 2012204206 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Bijzondere wet houdende wijziging van de wet van 9 augustus 1988 tot wijziging van de gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen en van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wat de benoeming van de burgemeesters van de randgemeenten betreft
(1)sluiten betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector, alsook niet voor de lopende periode van de vierdagenweek. Art. 170.De ambtenaar kan een einde maken aan de regeling van de vierdagenweek met premie mits inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden die per aangetekend schrijven aan de directeur-generaal of aan zijn afgevaardigde ter kennis wordt gebracht, tenzij deze een kortere termijn aanvaardt. Onderafdeling
  1. - Het stelsel van de vrijwillige vierdaagse werkweek zonder premie Art. 171.§
  2. Onverminderd het recht op de vierdagenweek met premie, toegekend in uitvoering van de artikelen 4 tot 6 van de wet van 19 juli 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/07/2012 pub. 06/08/2012 numac 2012002046 bron federale overheidsdienst personeel en organisatie Wet betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector type wet prom. 19/07/2012 pub. 04/03/2013 numac 2013000122 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector. - Duitse vertaling type wet prom. 19/07/2012 pub. 22/08/2012 numac 2012000466 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende verscheidene wijzigingen van het Kieswetboek, van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, van de wet van 3 juli 1971 tot indeling van de leden van de Wetgevende Kamers in taalgroepen en houdende diverse bepalingen betreffende de cultuurraden voor de Nederlandse cultuurgemeenschap en voor de Franse cultuurgemeenschap en van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europese Parlement type wet prom. 19/07/2012 pub. 22/08/2012 numac 2012204202 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister en federale overheidsdienst budget en beheerscontrole Wet houdende wijziging van de wet van 10 augustus 2001 tot oprichting van een Fonds ter financiering van de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel en tot wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, en van de organieke wet van 27 december 1990 tot oprichting van begrotingsfondsen type wet prom. 19/07/2012 pub. 22/08/2012 numac 2012204206 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Bijzondere wet houdende wijziging van de wet van 9 augustus 1988 tot wijziging van de gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen en van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wat de benoeming van de burgemeesters van de randgemeenten betreft
(1)sluiten betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector, heeft de ambtenaar die voltijds tewerkgesteld is, het recht om vier vijfde te verrichten van de prestaties die normaal worden opgelegd, zonder bijkomende premie. De prestaties worden verricht over vier werkdagen per week. §
  1. De ambtenaar die gebruik maakt van het recht bedoeld in § 1, ontvangt tachtig procent van zijn wedde. De periode van afwezigheid wordt als verlof beschouwd en met dienstactiviteit gelijkgesteld. §
  2. De ambtenaar die gebruik wenst te maken van het recht op de vierdagenweek zonder premie bedoeld in § 1, dient daartoe een aanvraag in, minstens drie maanden vóór aanvang van die periode. De machtiging voor de arbeidsregeling bedoeld in § 1 wordt door de directeur-generaal of zijn afgevaardigde toegekend voor een periode van ten minste drie en ten hoogste vierentwintig maanden. Voor elke verlenging wordt een aanvraag van het betrokken personeelslid vereist. Zij moet ten minste een maand vóór het verstrijken van de lopende periode worden ingediend. De bevordering door verhoging in graad of door overgang naar een hoger niveau maakt ambtshalve een einde aan de machtiging tot de arbeidsregeling bedoeld in §
  3. §
  4. De artikelen 168, § 3, en 169 zijn van toepassing op de arbeidsregeling bedoeld in §
  5. §
  6. De ambtenaar kan een einde maken aan de in § 1 bedoelde arbeidsregeling met een opzegging van drie maanden, die per aangetekend schrijven aan de directeur-generaal of zijn afgevaardigde ter kennis wordt gebracht, tenzij laatstgenoemde een kortere termijn aanvaardt. Onderafdeling
  7. - Halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar Art. 172.§
  8. Halftijdse prestaties zoals bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de wet van 19 juli 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/07/2012 pub. 06/08/2012 numac 2012002046 bron federale overheidsdienst personeel en organisatie Wet betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector type wet prom. 19/07/2012 pub. 04/03/2013 numac 2013000122 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector. - Duitse vertaling type wet prom. 19/07/2012 pub. 22/08/2012 numac 2012000466 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende verscheidene wijzigingen van het Kieswetboek, van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, van de wet van 3 juli 1971 tot indeling van de leden van de Wetgevende Kamers in taalgroepen en houdende diverse bepalingen betreffende de cultuurraden voor de Nederlandse cultuurgemeenschap en voor de Franse cultuurgemeenschap en van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europese Parlement type wet prom. 19/07/2012 pub. 22/08/2012 numac 2012204202 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister en federale overheidsdienst budget en beheerscontrole Wet houdende wijziging van de wet van 10 augustus 2001 tot oprichting van een Fonds ter financiering van de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel en tot wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, en van de organieke wet van 27 december 1990 tot oprichting van begrotingsfondsen type wet prom. 19/07/2012 pub. 22/08/2012 numac 2012204206 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Bijzondere wet houdende wijziging van de wet van 9 augustus 1988 tot wijziging van de gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen en van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wat de benoeming van de burgemeesters van de randgemeenten betreft
(1)sluiten worden geleverd volgens de volgende voorwaarden : - ofwel dagelijks; - ofwel volgens een andere verdeling over de week of over vijftien dagen. Ter afwijking van het voorgaande lid, kan de directeur-generaal beslissen tot een verdeling over de maand voor bepaalde specifieke functies die hij vastlegt. §
  1. De directeur-generaal of zijn afgevaardigde verleent het verlof en bepaalt de werkkalender. Hij kan het begin van het verlof met maximaal drie maanden uitstellen voor de noodwendigheden van de dienst. In functie van de noodwendigheden van de dienst of op verzoek van de ambtenaar, kan de werkkalender worden aangepast door de directeur-generaal of zijn afgevaardigde. Deze laatsten informeren de ambtenaar over deze aanpassing 60 dagen van tevoren. Een tijdelijke aanpassing van de werkkalender is mogelijk mits wederzijds akkoord. §
  2. Tijdens de periode waarin de ambtenaar geen prestaties levert tijdens het regime van halftijds werken, mag hij geen andere professionele activiteit uitoefenen. Onder professionele activiteit dient te worden begrepen elke activiteit waarvan het resultaat een professionele inkomst is zoals bedoeld in artikel 23 van het Wetboek Inkomstenbelastingen van
  3. De politieke mandaten bedoeld in artikel 252 en volgende worden niet beschouwd als een professionele activiteit. Art. 173.Gedurende de periode van halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar, kan het de ambtenaar niet toegestaan worden verminderde prestaties uit te voeren voor welke reden dan ook. Hij kan ook geen beroep doen op een regime van deeltijdse loopbaanonderbreking. HOOFDSTUK IV. - Verminderde prestaties om persoonlijke redenen Art. 174.§
  4. De ambtenaren van rang 1 hebben recht op verminderde prestaties om persoonlijke redenen. De houders van een andere rang dan rang 1 kunnen deze verloven genieten, met toestemming van de directeur-generaal. De mandaathouders worden van deze verloven uitgesloten. §
  5. De ambtenaar moet de helft, zes tienden, zeven tienden, acht tienden of negen tienden van de prestaties volbrengen die hem normaal worden opgelegd. Deze prestaties worden ofwel elke dag verricht, ofwel volgens een andere vaste verdeling over de week, ofwel volgens een andere verdeling bepaald binnen een periode van twee weken, ofwel over een vaste verdeling bepaald binnen een maand. De verminderde prestaties moeten steeds een aanvang nemen bij het begin van de maand. §
  6. De machtiging om verminderde prestaties te leveren wordt toegekend voor een periode van ten minste drie en ten hoogste vierentwintig maanden. Verlengingen van minstens drie maanden en maximaal vierentwintig maanden kunnen worden toegekend. Voor elke verlenging is een aanvraag van de betrokken ambtenaar vereist. Zij moet ten minste een maand vóór het verstrijken van het lopende verlof worden ingediend. §
  7. Het werkschema wordt op dezelfde wijze geregeld als bepaald in artikel 168, §
  8. §
  9. De ambtenaar kan zijn ambt volledig hervatten voordat de toegestane periode verstrijkt mits inachtneming van een opzegperiode van drie maanden tenzij de directeur-generaal een kortere periode aanvaardt. Art. 175.§
  10. Tijdens de afwezigheidperiode is de ambtenaar die gebruik maakt van de regeling van verminderde prestaties om persoonlijke redenen op non-activiteit. Hij kan niettemin zijn aanspraken op bevordering doen gelden naar rato van de verrichte dienstprestaties. De bevordering tot een hogere graad maakt een einde aan de machtiging tot het uitoefenen van zijn ambt met verminderde prestaties. §
  11. De ambtenaar geniet de wedde die verschuldigd is voor de verminderde prestaties. De wedde van de ambtenaar die de leeftijd van vijftig jaar heeft bereikt en de ambtenaar die ten minste twee kinderen die niet de volle leeftijd van vijftien jaar bereikt hebben ten laste heeft, wordt vermeerderd met een vijfde van de wedde dat verschuldigd zou zijn voor de prestaties die niet worden verstrekt. Art. 176.De machtiging om verminderde prestaties te verrichten wordt opgeschort zodra de ambtenaar één van de volgende verloven verkrijgt : 1° bevallingsverlof, vaderschapsverlof, ouderschapsverlof of opvangverlof;2° verlof om dwingende redenen van familiaal belang;3° verlof om een stage of een proefperiode te vervullen;4° verlof om kandidaat te zijn voor de verkiezingen;5° verlof om in vredestijd prestaties te verrichten bij het korps Civiele Bescherming;6° verlof om een ambt uit te oefenen bij een ministerieel kabinet;7° verlof voor opdracht;8° verlof voor werkzaamheden bij een erkende politieke fractie in een federale wetgevende vergadering of een wetgevende vergadering van een Gemeenschap of een Gewest of bij de voorzitter van één van die groepen;9° het verlof bedoeld in artikel 77, § 1, van het Koninklijk Besluit van 28 september 1984 houdende de uitvoering van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. HOOFDSTUK V. - De verloven van korte duur Afdeling
  12. - De jaarlijkse vakantie Art. 177.De ambtenaar heeft jaarlijks recht op 35 werkdagen vakantie. Hij geniet een bijkomende jaarlijkse vakantie van : 1° één werkdag na vijf jaar dienstanciënniteit;2° twee werkdagen na tien jaar dienstanciënniteit. Art. 178.De vakantiedagen worden genomen naar keuze van de ambtenaar doch met inachtneming van de behoeften van de dienst. Ze worden toegekend door de functionele chef. De ambtenaar heeft recht op een onafgebroken periode van ten minste tien werkdagen vakantie. Art. 179.De ambtenaar heeft het recht om binnen het aantal van 35 werkdagen, vier werkdagen verlof te nemen zonder dat het dienstbelang daar tegenover kan worden gesteld om in geval van ziekte of ongeval een persoon bij te staan die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont. De persoon die onder hetzelfde dak woont dient bovendien te zijn : de echtgenoot, de persoon met wie hij samenleeft, een bloedverwant hetzij van de ambtenaar, hetzij van de echtgenoot of van de persoon met wie de ambtenaar samenleeft, een persoon opgenomen met het oog op adoptie of pleegvoogdij. De ambtenaar moet een medisch attest voorleggen ter staving van de noodzakelijkheid van zijn aanwezigheid bij de zieke persoon of de persoon die slachtoffer is van een ongeval Art. 180.Indien de ambtenaar de vier werkdagen bedoeld in artikel 179, eerste lid, heeft opgebruikt of indien hij de in artikel 177 voorziene werkdagen integraal heeft opgebruikt, heeft hij recht op twee bijkomende werkdagen, om dezelfde redenen en onder dezelfde voorwaarden als in artikel
  13. Art. 181.De niet-bestede vakantiedagen worden ambtshalve naar het volgende jaar overgedragen. De overdracht is geldig tot het einde van de paasvakantie. Als de ambtenaar het geheel of een deel van zijn vakantiedagen niet kon opnemen wegens een afwezigheid door ziekte, als gevolg van een werkongeval, een ongeval op weg naar het werk of een beroepsziekte, mag de overdracht de termijn overschrijden. Bij terugkomst van de ambtenaar worden de jaarlijkse vakantiedagen naar keuze van de ambtenaar opgenomen, maar er moet evenwel rekening gehouden worden met de behoeften van de dienst. Art. 182.In het Agentschap geldt een standaardwerktijdregeling met onderscheid tussen stamtijden, glijtijden en bereikbaarheid van de dienst waarvan de modaliteiten worden vastgesteld door de Raad van Bestuur. In afwijking van deze werktijdregeling kan de directeur-generaal voor specifieke organisatorische eenheden of werkzaamheden een bijzondere werktijdregeling bepalen. De maximale gemiddelde werktijd mag de 38 uren per week niet overschrijden. Art. 183.Elke periode van dienstactiviteit geeft recht op jaarlijkse vakantie. Deze laatste wordt in evenredige mate verminderd : 1° wanneer de ambtenaar in de loop van het jaar in dienst treedt of zijn ambt definitief neerlegt;2° wanneer hij tijdens het jaar verlof verkrijgt : - om een stage of een proefperiode te vervullen bij een andere overheidsdienst, zoals bepaald in artikel 216; - om kandidaat te zijn voor de parlements-, gewest-, provincie-, gemeente-, of Europese raadsverkiezingen bedoeld in artikel 243; - om dwingende redenen van familiaal belang bedoeld in artikel 189; - wegens halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar bedoeld in artikel 166; - met toepassing van de vierdagenweek bedoeld in artikel 168 en 171; - voor onderbreking van de beroepsloopbaan bedoeld in 160; - om een opdracht uit te voeren zoals bepaald in artikel 218; - voor ouderschapsverlof behalve loopbaanonderbreking bedoeld in de artikelen 191 en
  14. De afwezigheden waarbij de ambtenaar in non-activiteit of disponibiliteit is geplaatst, geven eveneens aanleiding tot een evenredige vermindering van de vakantie. Het aldus berekende aantal dagen wordt afgerond naar de hogere halve of hele dag. Art. 184.De in deze afdeling bepaalde vakantiedagen worden opgeschort bij ziekte voor zover de geneeskundige controle mogelijk is. Art. 185.De jaarlijkse vakantie wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Afdeling
  15. - De feestdagen Art. 186.§
  16. De ambtenaar heeft verlof op de wettelijke feestdagen, op 2 en 15 november en op 26 december. §
  17. De in § 1 vermelde verlofdagen die samenvallen met een zaterdag of een zondag, worden gecompenseerd door een verlof van 27 december tot en met 31 december. §
  18. De ambtenaar die krachtens de arbeidsregeling die op hem van toepassing is, of ten gevolge van de behoeften van de dienst verplicht is te werken op één van de dagen bedoeld in § 1 of gedurende de periode bedoeld in § 2, verkrijgt vervangende verlofdagen die genomen kunnen worden onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof. Bij definitieve ambtsneerlegging of oppensioenstelling voor de periode bedoeld in § 2, heeft de ambtenaar recht op een aantal verlofdagen gelijk aan het aantal feestdagen dat samenviel met een niet-werkdag in de periode dat hij nog wel in dienst was. Deze kunnen genomen worden onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof. §
  19. De verloven bedoeld in dit artikel worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Afdeling
  20. - Het verlof om familiale redenen Onderafdeling
  21. - Het omstandigheidsverlof Art. 187.De ambtenaar krijgt verlof, binnen de hierna gestelde perken, naar aanleiding van de volgende gebeurtenissen : 1° het huwelijk of de inschrijving in het bevolkingsregister van het samenlevingscontract van de ambtenaar : 4 werkdagen, op te nemen in de maand van de gebeurtenis;2° de bevalling van de echtgenote of van de samenwonende partner van de ambtenaar, op het ogenblik van de gebeurtenis : 14 werkdagen, op te nemen binnen de drie maanden vanaf de gebeurtenis;3° de geboorte van een kleinkind : 1 werkdag, op te nemen in de week van de gebeurtenis;4° het overlijden van de echtgenoot of van de samenwonende partner van de ambtenaar : 4 werkdagen, op te nemen binnen de twee maanden vanaf de gebeurtenis;5° het overlijden van een bloedverwant in de eerste graad hetzij van de ambtenaar, hetzij van de echtgenoot of van de samenwonende partner van de ambtenaar : 4 werkdagen, op te nemen binnen de twee maanden vanaf de gebeurtenis;6° het huwelijk of de inschrijving in het bevolkingsregister van het samenlevingscontract van een kind van de ambtenaar of van de samenwonende partner van de amb

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.