← België

Reglement houdende het administratief statuut en bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Brussels Agentschap voor de Ondersteuning van het Bedr

In het kort

Dit reglement beschrijft de administratieve status en de bezoldigingsregeling voor ambtenaren van het Brussels Agentschap voor de Ondersteuning van het Bedrijfsleven. Het legt de rechten en plichten van deze ambtenaren vast en regelt de organisatie van het Agentschap.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

📄 Wettekst
21 DECEMBER 2017. - Reglement houdende het administratief statuut en bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Brussels Agentschap voor de Ondersteuning van het Bedrijfsleven Het Agentschap, Gelet op de ordonnantie van 18 mei 2017 houdende de oprichting van het Brussels Agentschap voor de Ondersteuning van het Bedrijfsleven, artikel 19; Gelet op de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op de instellingen van openbaar nut, artikel 11; Gelet op het protocol 2017/24 van Sectorcomité XV van 14 december 2017; De Raad van Bestuur, Na beraadslaging, Besluit : BOEK I. - ADMINISTRATIEF STATUUT TITEL I. - Algemene bepalingen Artikel 1.§ 1. Dit statuut is van toepassing op de ambtenaren van het Brussels Agentschap voor de Ondersteuning van het Bedrijfsleven, hierna het Agentschap genoemd. Art. 2.§ 1. Voor de toepassing van dit statuut dient te worden verstaan onder : 1° de ordonnantie : de ordonnantie van 18 mei 2017 houdende de oprichting van het Brussels Agentschap voor de Ondersteuning van het Bedrijfsleven;2° De Regering : de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;3° de functioneel bevoegde minister : de minister of staatssecretaris waarvan het Agentschap afhangt;4° Administratieve eenheid : onderdeel van het organogram van de betrokken instelling;5° Verantwoordelijke van een administratieve eenheid (VAE) : personeelslid dat, ongeacht zijn graad of positie, de activiteiten van de administratieve eenheid beheert, zoals bepaald in het organogram;6° de functionele chef : personeelslid dat de leiding of de dagelijkse controle heeft over het functioneren van een team ingevolge zijn functiebeschrijving;7° Vakorganisaties : de representatieve vakorganisaties die zetelen in het bevoegde Sectorcomité, in uitvoering van artikel 8, § 1, van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de personeelsvakbonden.8° HRM : de dienst binnen de instelling belast met het personeelsbeheer;9° De HRM-verantwoordelijke : het personeelslid dat bevoegd is voor het personeelsbeheer;10° getuigschriften van competenties verworven buiten diploma : getuigschriften die werden afgeleverd door de gemeenschappen of de instellingen erkend door deze laatste.11° wettelijk tweetalige : personeelslid dat bewijst de tweede taal die niet onder zijn taalrol valt te kennen, op de bij artikel 43, § 3, derde lid, voorgeschreven wijze van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurzaken, gecoördineerd op 18 juli 1966; § 2. Wanneer dit statuut voorziet in het versturen van een brief of een aangetekend schrijven met of zonder ontvangstbewijs, dan wordt het versturen via een elektronische procedure, die op een aantoonbare wijze en aangepast aan de omstandigheden, de authenticiteit en de integriteit van de inhoud van de communicatie waarborgt, beschouwd als equivalent. Het gebruik van de elektronische identiteitskaart of de elektronische vreemdelingenkaart kan verplicht worden opgelegd. § 3. Wanneer dit statuut voorziet in een termijn, wordt deze berekend in kalenderdagen tenzij anders voorzien. Wanneer de termijn afloopt op een zaterdag, zondag of feestdag zoals bedoeld in artikel 186, § 1, wordt de dag van verstrijken uitgesteld tot de eerstvolgende werkdag. Wanneer deze dag tussen 25 december en 1 januari valt, wordt hij uitgesteld tot de eerste werkdag na 1 januari. § 4. Het gebruik in dit statuut van mannelijke woorden is gemeenslachtig met het oog op het waarborgen van de leesbaarheid van de tekst. TITEL II. - De organisatie van het agentschap HOOFDSTUK I. - De ambtenaren Art. 3.Ambtenaar is elkeen die in vast dienstverband is in het Agentschap. De ambtenaar valt onder de bepalingen van dit statuut. Aan de statutaire toestand van de ambtenaar kan alleen een einde worden gemaakt in de gevallen voorzien door de statutaire bepalingen die op hem toepasselijk zijn. Art. 4.De ambtenaren van het Agentschap worden benoemd in graden. HOOFDSTUK II. - Rechten en plichten Art. 5.De ambtenaar oefent zijn functies op loyale, zorgvuldige, terughoudende en integere wijze uit. Hij dient daartoe : 1° de van kracht zijnde wetten en reglementeringen, alsmede de richtlijnen waaronder de gedragsregels inzake deontologie, van de overheid waartoe hij behoort, na te leven;2° nauwgezet en correct zijn adviezen te formuleren en zijn verslagen op te stellen;3° de beslissingen zorgvuldig en plichtsbewust uit te voeren. Art. 6.De ambtenaar heeft het recht om met waardigheid en hoffelijkheid te worden behandeld, zowel door zijn hiërarchische meerderen, door zijn collega's, als door zijn ondergeschikten. Hij dient zijn collega's, zijn hiërarchische meerderen en zijn ondergeschikten met waardigheid en hoffelijkheid te behandelen. Hij vermijdt elk woord, elke houding, elk voorkomen dat deze waardigheid en deze hoffelijkheid in het gedrang zou kunnen brengen of de goede werking van de dienst zou kunnen schaden. Art. 7.§ 1. Onverminderd artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering stelt de ambtenaar zijn hiërarchische meerdere of, indien nodig, een hiërarchische meerdere van hogere rand of graad op de hoogte van elke onwettigheid of onregelmatigheid waarvan hij kennis heeft. § 2. De ambtenaar kan, buiten de gevallen van valse aangifte die een dienst of persoon schade willen toebrengen, niet onderworpen worden aan een tuchtstraf of een andere vorm van openlijke of verdoken sanctie, om de enkele reden dat hij onregelmatigheden aangeeft of bekend maakt. Art. 8.De ambtenaar behandelt de gebruikers van zijn diensten met welwillendheid. In de manier waarop hij de vragen van de gebruikers beantwoordt of waarop hij de dossiers behandelt, eerbiedigt hij op een strikte manier de beginselen van gelijkheid in behandeling en van naleving van de wetten, de reglementen en de richtlijnen. Onverminderd de in het raam van de wetten of overeenkomsten betreffende de sociale betrekkingen in de overheidssector georganiseerde activiteiten en naar voren gebrachte standpunten, respecteert de ambtenaar in zijn omgang met de gebruikers en zijn collega's strikt het neutraliteitsbeginsel door zich te onthouden van om het even welke mondelinge of visuele uiting die een vermoeden toelaat van om het even welke politieke, levensbeschouwelijke of religieuze voorkeur of overtuiging. Zelfs buiten de uitoefening van zijn ambt vermijdt de ambtenaar elk gedrag dat in strijd is met de waardigheid van zijn ambt. Hij vermijdt evenzeer elke situatie waarbij hij, zelfs door een tussenpersoon, in verband zou kunnen gebracht worden met bezigheden die in strijd zijn met de waardigheid van zijn ambt. Art. 9.De ambtenaar mag, noch rechtstreeks, noch door een tussenpersoon, zelfs buiten zijn ambtsuitoefening, maar op basis ervan, giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen. Dit slaat niet op symbolische geschenken van kleine waarde uitgewisseld tussen ambtenaren in de normale uitoefening van hun ambt. Art. 10.De ambtenaar plaatst zich niet en laat zich niet plaatsen in een toestand van belangenconflicten, dit wil zeggen in een toestand waarin hij door zichzelf of door een tussenpersoon een persoonlijk voordeel heeft dat van die aard is om de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn ambt te beïnvloeden of de gewettigde verdenking te doen ontstaan van zulke invloed. Wanneer een ambtenaar van oordeel is dat hij een belangenconflict heeft of vreest te hebben, brengt hij zijn hiërarchische meerdere hierover onmiddellijk op de hoogte. Deze verleent hem hiervan schriftelijk akte. In geval van een erkend belangenconflict, neemt de hiërarchische meerdere de passende maatregelen om daar een einde aan te stellen. De ambtenaar kan schriftelijk om het advies van de voorzitter van het Directiecomité of van diens afgevaardigde vragen, betreffende de toestand waarin hij zich bevindt, om te weten of deze de oorzaak is van een belangenconflict. Art. 11.De ambtenaar heeft het recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan hij kennis heeft uit hoofde van zijn ambt. Het is hem enkel verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op de nationale veiligheid, de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten, het medisch geheim, de rechten en vrijheden van de burger, en in het bijzonder het recht op eerbied voor het privéleven. Dit verbod geldt bovendien voor feiten die betrekking hebben op de voorbereiding van alle beslissingen zolang er nog geen eindbeslissing is genomen, evenals voor feiten die, wanneer zij bekend worden gemaakt, het Agentschap kunnen schaden. De bepalingen van de voorgaande leden gelden eveneens voor de ambtenaar die zijn ambt heeft neergelegd. Art. 12.De ambtenaar heeft recht op informatie betreffende alle aspecten die nuttig zijn voor de uitvoering van zijn taken. De ambtenaar houdt zich permanent op de hoogte van de ontwikkeling betreffende technieken, regelingen en onderzoekingen in de materies waarmee hij beroepshalve belast is. De ambtenaar neemt op actieve wijze deel aan de kennisdeling binnen de overheidsdienst. Art. 13.De ambtenaar heeft recht op de opleiding die nuttig is voor zijn functioneren in de organisatie. De overheid voorziet in die opleiding en waarborgt tevens de toegang tot de voortgezette opleiding onder meer met het oog op de uitbouw van de beroepsloopbaan. Periodes van afwezigheid, gerechtvaardigd door deelname aan voortgezette beroepsopleidingen, worden in ieder opzicht gelijkgesteld met periodes van dienstactiviteit. Art. 14.Elke ambtenaar heeft het recht zijn persoonlijk dossier te raadplegen en hiervan een kopie te krijgen. De ambtenaar kan verzoeken doen aan zijn hiërarchische lijn, die behandeld worden met naleving van het vertrouwelijkheidsbeginsel. HOOFDSTUK III. - De graden Art. 15.De graad is de titel op grond waarvan de ambtenaar met een rang bekleed is en waardoor hij gemachtigd is een betrekking uit te oefenen die met deze graad overeenstemt. De graden worden gerangschikt per niveau en per rang. Het niveau van een graad bepaalt de plaats van die graad in de hiërarchie overeenkomstig de kwalificatie van de vorming en de geschiktheid waarvan blijk moet worden gegeven opdat die graad kan worden toegekend. De rang bepaalt de betrekkelijke waarde van een graad in zijn niveau. Art. 16.Elke rang wordt aangeduid met een letter gevolgd door een cijfer. De letter verwijst naar het niveau, het cijfer naar de rang binnen het niveau. Het hoogste cijfer stemt overeen met de hoogste rang. De rangen worden als volgt verdeeld onder de niveaus : 1° in niveau A, vijf rangen, nl.A1, A2, A3, A4 + en A5. De ambtenaren overgedragen van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel in de hoedanigheid van directeur-diensthoofd mandaathouder A4 behouden uitdovend het voordeel van hun mandaat tot de eerstkomende verstrijking ervan. Ze worden bezoldigd in weddeschaal A400. Ze worden voor het overige gelijkgesteld aan rang A3. 2° in niveau B, twee rangen, nl.B1 en B2. 3° in niveau C, twee rangen, nl.C1 en C2. 4° in niveau D, twee rangen, nl.D1 en D2. Het niveau A is het hoogste niveau. Art. 17.De volgende graden worden gecreëerd : in rang A5 : directeur-generaal; in rang A4+ : adjunct-directeur-generaal; in rang A3 : ingenieur-directeur of directeur; in rang A2 : raadgever-deskundige, eerste ingenieur of eerste attaché in rang A1 : ingenieur, geneesheer of attaché; in rang B2 : eerste assistent; in rang B1 : assistent; in rang C2 : eerste adjunct; in rang C1 : adjunct in rang D2 : eerste klerk in rang D1 : klerk HOOFDSTUK IV. - Het personeelsplan en het organogram Art. 18.Het Directiecomité bereidt het personeelsplan voor. Het personeelsplan is een plan waarin per activiteitsdomein, per niveau, per rang en per graad het aantal personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, vastgelegd wordt dat noodzakelijk geacht wordt om de opdrachten, toegewezen aan het Agentschap uit te oefenen. Het personeelsplan is het voorwerp van een overleg. In afwijking van het eerste lid wordt het eerste voorstel voor het personeelsplan uitgewerkt door de Raad van Bestuur. Art. 19.§ 1. Het Directiecomité bereidt minstens één personeelsplan per begrotingsjaar voor en legt het voor ten laatste op 28 februari van het jaar waarin het plan wordt uitgevoerd. Het personeelsplan moet verenigbaar zijn met de beschikbare budgettaire middelen voor het betrokken begrotingsjaar. De raad van bestuur keurt het personeelsplan goed mits de regeringscommissarissen een gunstig advies gegeven hebben met betrekking tot de conformiteit van het plan met de wettelijke en reglementaire bepalingen alsook met de bepalingen van de beheersovereenkomst. Bij ontstentenis van dit advies binnen de maand volgend op de overbrenging naar de regeringscommissarissen, wordt dit advies geacht gunstig te zijn. Bij gebrek aan een gunstig advies van een of van de regeringscommissarissen, kan de functioneel bevoegde minister het personeelsplan goedkeuren mits de minister bevoegd voor Begroting hiermee instemt. Indien die laatste zich niet akkoord verklaart, legt de functioneel bevoegde minister het plan ter goedkeuring voor aan de Regering. § 2. Bij gebrek van een vastlegging van het personeelsplan, blijft het laatste bepaalde plan van toepassing. § 3. De vaststelling van het personeelsplan houdt de toestemming in van de bezetting van de betrekkingen die door aanwerving, promotie, mobiliteit of indienstneming worden voorzien. § 4. Het personeelsplan, en alle wijzigingen ervan, worden meegedeeld aan alle personeelsleden en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Art. 20.Het Directiecomité stelt het organogram vast. Het organogram geeft de functionele, organisatorische en hiërarchische verbanden binnen het Agentschap weer. In afwijking van het eerste lid wordt het eerste organogram uitgewerkt door de Raad van Bestuur. Het organogram, evenals elke wijziging ervan, wordt aan alle personeelsleden meegedeeld. HOOFDSTUK V. - De leidende ambtenaren Art. 21.De leidende ambtenaren zijn de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal. Ze worden aangeduid per mandaat in overeenstemming met de bepalingen van artikelen 416 tot 457. Art. 22.De leidende ambtenaren kunnen, binnen de perken van de bepalingen van de ordonnantie en de statuten van de instelling, bepaalde van hun bevoegdheden delegeren aan een of meer leden van het Directiecomité van het Agentschap. HOOFDSTUK VI. - Het Directiecomité Art. 23.Het Directiecomité bestaat uit de leidende ambtenaren en de personeelsleden aangewezen door de Raad van Bestuur. De leden van het Directiecomité oefenen hun functies voltijds uit. Het Directiecomité wordt voorgezeten door de directeur-generaal of, bij afwezigheid of verhindering, door de adjunct-directeur-generaal. Indien beiden afwezig of verhinderd zijn, wordt het Directiecomité voorgezeten door het lid aangewezen door de directeur-generaal. Art. 24.Het Directiecomité stelt zijn huishoudelijk reglement op. Art. 25.Het Directiecomité is belast met de opdrachten die dit statuut eraan toevertrouwt en de andere opdrachten die er uitdrukkelijk aan gedelegeerd worden door de Raad van Bestuur, in overeenstemming met de bepalingen van de ordonnantie en de statuten van de instelling. Art. 26.Bij het Directiecomité kan elke aangelegenheid die betrekking heeft op de organisatie van het Agentschap aanhangig gemaakt worden voor advies door één van zijn leden. HOOFDSTUK VII. - De gewestelijke kamer van beroep Art. 27.De gewestelijke kamer van beroep bedoeld in het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de Brusselse gewestelijke overheidsdiensten is bevoegd voor het Agentschap. TITEL III. - De werving, de stage en de benoeming HOOFDSTUK I. - De werving en de selectie Afdeling 1. - De benoemings-, toelaatbaarheids- en wervingsvoorwaarden Art. 28.Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hiernavolgende voorwaarden : 1° Voldoen aan de opgelegde toelatingsvoorwaarden van de in te vullen betrekking;2° Slagen voor de voorziene vergelijkende proeven;3° met goed gevolg de stage volbrengen; Art. 29.Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hiernavolgende algemene toelaatbaarheidsvereisten. 1° Belg zijn wanneer de uit te oefenen betrekkingen een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan het openbaar gezag inhouden of functies omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de Staat of andere openbare instanties;2° gedrag vertonen in overeenstemming met de eisen van de beoogde betrekking;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten.4° houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat overeenkomt met het niveau van de te verlenen graad, houder zijn van getuigschrift afgeleverd door de Gemeenschappen of de instellingen erkend door deze laatste en die toegang verlenen tot de functie waarvoor de selectie georganiseerd wordt, of slagen voor de instapkaartmodule, overeenkomstig de tabel in bijlage bij onderhavig besluit. Art. 30.Voor een bepaalde selectie kunnen volgende bijzondere toelaatbaarheidsvoorwaarden voorzien worden : 1° het bezitten van een specifiek diploma dat in het bijzonder toegang verleent tot de functie waarvoor de selectie georganiseerd wordt;2° relevante werkervaring wanneer de aard van de te verlenen betrekking zodanige eisen wettigt;3° het toelaten van studenten die in het laatste jaar zitten van de studies voor het behalen van het vereiste diploma of getuigschrift, wanneer de organisator van de selectie vermoedt dat het aantal deelnemers niet groot genoeg zal zijn om voldoende kandidaten of geslaagden te kunnen weerhouden.Studenten worden ertoe gehouden om, vóór hun aanwerving of indienstneming, het bewijs te leveren dat ze het vereiste diploma hebben behaald. 4° behalve de in artikel 29, 4° vermelde diploma's en getuigschriften, de volgende diploma's en getuigschriften aanvaarden voor de selectie in een bepaalde graad wanneer de vereisten van de uit te oefenen ambten dit toelaten : a) diploma's en getuigschriften van het onderwijs voor sociale promotie en van het kunstonderwijs voor socioculturele promotie;b) diploma's en getuigschriften van het technisch onderwijs, kunstonderwijs of beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan;5° voor de selectie van bepaalde functies van niveaus D, het bezit van bepaalde diploma's, vormingsattesten of bevoegheidstitels als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van de uit te oefenen functies;6° voor de selectie in bepaalde graden van de niveaus A, B en C de vormingsdiploma's of vormingsgetuigschriften of competentie titels eisen als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van de uit te oefenen functies en voor zover de houders van die diploma's en getuigschriften eveneens houder zijn van één van de studiebewijzen vermeld in artikel 29, 4°.7° medische geschiktheid voor de uit te oefenen functie, indien de aard van de functie dit vereist;8° andere voorwaarden vereist door de aard van de functie. Afdeling 2. - Organisatie van de selecties en samenstelling van de selectiecommissies Art. 31.Op voorstel van het HRM kiest de directeur generaal één of meerdere van de volgende mogelijkheden : - Interne mutatie zoals bepaald in artikel 111; - Binnengewestelijke mobiliteit; - Externe mobiliteit; - Overgang tot een hoger niveau zoals bepaald in de artikelen 92 en volgende; - Aanwerving; - Bevordering. Art. 32.Brussel Openbaar Ambt organiseert vergelijkende selecties voor alle graden, behalve voor de graden die bij mandaat verleend moeten worden. Art. 33.§ 1. De vergelijkende selectie wordt minstens door middel van publicatie in het Belgisch Staatsblad aankondigd. Het bericht vermeldt minstens de laatste dag waarop kan worden gesolliciteerd en of er eventueel een wervingsreserve wordt aangelegd van de geslaagden. Desgevallend wordt de geldigheidsduur van en het aantal geslaagden dat opgenomen wordt in de wervingsreserve vermeld. § 2. Wanneer een vergelijkende selectie wordt georganiseerd, wordt de datum bepaald waarop de kandidaten moeten voldoen aan de diplomavoorwaarden of de voorwaarden met betrekking tot studiegetuigschriften, en in voorkomend geval, de datum waarop de kandidaten een minimumleeftijd bereikt moeten hebben of over specifieke professionele vaardigheden moeten beschikken. § 3. De kandidaten die toegelaten worden om deel te nemen aan de selectieproeven voorzien door het selectieprogramma, worden opgeroepen. § 4. Het HRM controleert de algemene en specifieke toelaatbaarheidsvoorwaarden voor de betrekking waarnaar de kandidaten meedingen. Vanaf het moment dat vastgesteld wordt dat een kandidaat niet voldoet of niet kan voldoen aan één van de algemene voorwaarden of aan de bijzondere toelatingsvoorwaarden gesteld voor de betrekking waarvoor de kandidaat solliciteert, dan wordt de kandidaat uitgesloten van de vergelijkende selectie en worden de beslissing en de redenen hiertoe hem meegedeeld. HOOFDSTUK II. - Vergelijkende selecties Afdeling 1. - De selectieproeven, de samenstelling en de raadpleging van de wervingsreserve en van de wervingsreserve van de andere overheden. Art. 34.§ 1. Een vergelijkende selectie is een selectie die leidt tot een rangschikking van de geslaagden op basis van een functiebeschrijving. Het Agentschap is gebonden door de rangschikking van de geslaagden. § 2. Een vergelijkende selectie kan meerdere opeenvolgende modules van proeven omvatten waarbij de kandidaat enkel tot de volgende module wordt toegelaten op voorwaarde dat hij geslaagd is voor de vorige module. In dit geval wordt de rangschikking enkel vastgelegd op basis van de resultaten van alle modules. § 3. Een bijkomende vergelijkende proef kan worden georganiseerd, indien de aard van een te betrekken functie dit vereist en op basis van een andere functiebeschrijving dan degene voorzien in § 1. Deze proef leidt, voor deze functie, tot een aparte rangschikking van de geslaagden. De deelname aan de bijkomende vergelijkende proef is niet verplicht. Een maximum aantal deelnemers wordt voor deze proef bepaald, rekening houdend met de rangschikking. De geslaagden voor deze proef, evenals de kandidaten die niet geslaagd zijn, behouden de rangschikking bedoeld in § 2. § 4. De vergelijkende selecties worden georganiseerd voor de benoeming in de rangen A1 tot A3 en in de niveaus B, C en D. Art. 35.§ 1. Voor de vergelijkende selecties, georganiseerd op basis van artikel 34, wordt een reserve van geslaagde kandidaten aangelegd. § 2.- Het aantal geslaagden dat in deze reserve wordt opgenomen, wordt bepaald op basis van het aantal verwachte betrekkingen, § 3. De geldigheidsduur van een wervingsreserve wordt bepaald op maximum twee jaar. De Raad van Bestuur kan de termijn van de aangelegde reserves verlengen, telkens met een periode van maximum een jaar. Art. 36.De geslaagden van een wervingsreserve kunnen worden uitgenodigd om deel te nemen aan een bijkomende vergelijkende selectie zoals geviseerd door artikel 34, § 3, met het oog op het invullen van een andere betrekking dan degene waarvoor de kandidaten werden gerangschikt. Art. 37.De Raad van Bestuur kan, voor een aanwerving bij het Agentschap waarvoor geen wervingsreserve is samengesteld, een beroep doen op de wervingsreserves van een andere overheid, op voorwaarde dat deze overheid daarvoor toestemming verleend heeft. Art. 38.De Raad van Bestuur kan een andere instelling toestaan de wervingsreserves van geslaagden van het Agentschap te gebruiken. Afdeling 2. - Regels voor de toelating van de geslaagden Art. 39.§ 1. Elke geslaagde krijgt bericht van zijn resultaat en zijn rangschikking. § 2. De geslaagden die een betrekking aanvaarden, verbinden er zich toe in dienst te treden. Zij die na deze aanvaarding weigeren in dienst te treden, worden ambtshalve uit de reserve geschrapt, behalve in een met redenen omkleed geval van overmacht. Als de geslaagde de betrekking aanvaard heeft, vergewist het HRM zich ervan dat hij aan alle vereiste voorwaarden voldoet. Art. 40.Na het afsluiten van het proces-verbaal van de selectie, worden de batig gerangschikte geslaagden die aan de gestelde eisen voldoen, in de volgorde van hun rangschikking, tot de stage toegelaten in de functie waarvoor zij hebben meegedongen. Zij worden voor een vacante betrekking van die graad aangewezen. Afdeling 3. - Oproep tot indiensttreding van de geslaagden Art. 41.Het HRM roept de geselecteerde kandidaat op tot indiensttreding. Het stelt een maximumtermijn vast voor zijn indiensttreding. Indien de geslaagde de betrekking niet kan invullen binnen een termijn van drie maanden, roept het HRM de volgende gerangschikte op. Wanneer de geslaagde nog gebonden is door een arbeidsovereenkomst houdt het HRM rekening met de eventuele opzegtermijn waartoe hij is gehouden. HOOFDSTUK III. - De stage Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 42.De stagiair is geen ambtenaar in de zin van dit besluit. De volgende in dit besluit opgenomen bepalingen zijn op de stagiair van toepassing : 1° de rechten, plichten, onverenigbaarheden en cumulatie van activiteiten;2° de tuchtregeling;3° de administratieve standen;4° het geldelijk statuut;5° het ambtshalve verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en de definitieve ambtsneerlegging;6° de gemiddelde maximale arbeidsduur; De stagiair geniet : 1° het jaarlijks vakantieverlof;2° de feestdagen;3° het omstandigheidsverlof;4° het verlof wegens ziekte;5° het bevallingsverlof;6° de disponibiliteit wegens ziekte;7° verloven om in geval van ernstige ziekte of ongeval een persoon bij te staan die met hem onder hetzelfde dak woont;8° het verlof om een politiek mandaat uit te oefenen;9° verlof voor loopbaanonderbreking voor palliatieve verzorging en verlof voor loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof;10° verlof om deel uit te maken van de jury van het Hof van Assisen. Voor de toepassing van dit artikel wordt de stagiair geacht de graad te bezitten waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Art. 43.Perioden van afwezigheid gedurende de stage hebben een verlenging van de stage tot gevolg zodra ze, buiten de verloven bedoeld in artikel 42, derde lid, 1° tot 3° en 7°, vijftien dagen gewettigde afwezigheid overschrijden, verspreid over een of meerdere malen, zelfs als de stagiair in dienstactiviteit is. Tijdens de schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair. Hij behoudt zijn hoedanigheid van stagiair eveneens tot de datum waarop een definitieve beslissing omtrent zijn benoeming of ontslag wordt genomen. Art. 44.De geslaagde die in dienst wordt geroepen, wordt tot de stage toegelaten door de directeur-generaal die hem aanstelt in de betrekking waarvoor hij in dienst werd geroepen. Art. 45.De directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal kan de aanwijzing wijzigen : 1° in het belang van de dienst;2° op vraag van de stagiair. Afdeling 2. - De inhoud van de stage Art. 46.§ 1er. De stage is bedoeld om de stagiair optimaal te integreren in zijn dienst en het Agentschap. Daartoe duidt de directeur-generaal, in overleg met de functionele chef van de stagiair, het personeelslid aan dat, als hiërarchische meerdere, bevoegd is voor de stagebegeleiding, hierna de `stagebegeleider' genoemd, en dit volgens de taalrol van de stagiair. § 2. Het HRM waakt eveneens over het goede verloop van de stage. Hiertoe kan zij deelnemen aan alle stagegesprekken. Afdeling 3. - Het verloop van de stage Art. 47.Aan het begin van de stage heeft de stagebegeleider een eerste gesprek met de stagiair waarbij de volgende punten verduidelijkt worden : - De verwachte resultaten en houdingen bij de verwezenlijking van de taken die overeenkomen met de functiebeschrijving van de stagiair; - De opleidingsactiviteiten die de stagiair moet volgen; - De andere middelen ter ontwikkeling van de vaardigheden zodat de inzetbaarheid van de stagiair vergroot wordt. Art. 48.Met het oog op de voorbereiding van dit eerste stagegesprek, pleegt de stagebegeleider vooraf overleg met de functionele chef van de stagiair en met het HRM. Art. 49.De stagebegeleider maakt de verslagen bedoeld in de artikelen 54, 55, en 57. De stagebegeleider kan, in overleg met het HRM en de functionele chef beslissen dat bijkomende vormingsactiviteiten vereist zijn. De HRM-verantwoordelijke legt het model van het stageverslag vast. Art. 50.De stage duurt één jaar voor de stagiairs van de niveaus A en B. Ze duurt 6 maanden voor de stagiairs van de niveaus C en D. Art. 51.Het Directiecomité kan een vormingstraject per functietype vastleggen. Art. 52.Na het eerste gesprek, voorzien in artikel 47, organiseert de stagebegeleider tweemaandelijks voor de stages van zes maanden en driemaandelijks voor de stages van een jaar, een stagegesprek over het verloop van de stage. Wanneer hij het nodig acht, kunnen bijkomende gesprekken georganiseerd worden. Met het oog op de voorbereiding van de stagegesprekken pleegt de stagebegeleider vooraf overleg met de functionele chef van de stagiair en met het HRM. Art. 53.Het gesprek gaat over : 1° de vormingsactiviteiten en de resultaten ervan voor de ontwikkeling van de vaardigheden van de stagiair;2° de wijze waarop de stagiair zich in de dienst integreert;3° de uitvoering van zijn werkopdrachten. Het gesprek heeft tot doel de vooruitgang te evalueren die de stagiair maakt en de nog te verbeteren punten aan te stippen. Het beoogt eveneens de beoordeling mogelijk te maken van zowel de gunstige als de ongunstige feiten. Ingeval ongunstige feiten worden vastgesteld, geeft de stagebegeleider een verwittiging aan de stagiair. Art. 54.De conclusies van elk gesprek worden opgetekend in het stageverslag. Het verslag wordt betekend aan de stagiair die er desgevallend zijn opmerkingen kan aan toevoegen. Vervolgens wordt het overgemaakt aan het HRM. Afdeling 4. - Het einde van de stage Art. 55.De stage wordt afgesloten met een laatste stagegesprek. De stagebegeleider stelt het eindverslag van de stage op, in overleg met het HRM en de functionele chef. Hij voegt er een van de voorstellen bedoeld in artikel 58 aan toe. Hij deelt het eindverslag aan de stagiair mee, die over vijftien dagen beschikt om er zijn opmerkingen aan toe te voegen. Art. 56.De eindevaluatie houdt rekening met alle feiten, zowel gunstig als ongunstig, die in de loop van de stage werden vastgesteld, evenals met de tussentijdse evaluaties. Art. 57.De stagebegeleider overhandigt het eindverslag aan de directeur-generaal. Art. 58.Indien het eindverslag over het geheel van de stage gunstig is, stelt de directeur-generaal de benoeming voor aan de Raad van Bestuur. Indien het eindverslag ongunstig is, doet de directeur-generaal het volgende : a) ofwel verlengt hij de stage eenmalig met een periode die maximaal een derde van de duur van de stage bedraagt.Deze verlenging is niet hernieuwbaar. b) ofwel stelt hij aan de Raad van Bestuur het ontslag wegens ongeschiktheid voor een functie bij het Agentschap voor. Afdeling 5. - Vroegtijdige beëindiging van de stage Art. 59.Als de stagiair in de loop van de stage een ernstige fout begaat waardoor elke professionele samenwerking tussen de overheid en de stagiair onmiddellijk en definitief onmogelijk wordt, roept de stagebegeleider, binnen de vijf werkdagen nadat hij kennis genomen heeft van de handeling die een ernstige tekortkoming uitmaakt, de stagiair op om gehoord te worden en zijn verweermiddelen te vernemen. De oproepingsbrief vermeldt de feiten die het personeelslid ten laste worden gelegd, de normen waartegen deze feiten indruisen, het feit dat er overwogen wordt zijn stage vroegtijdig te beëindigen, het recht om zich door een verdediger naar keuze te laten bijstaan, met uitzondering van de personen die zich moeten uitspreken over de feiten die hem ten laste worden gelegd, en het recht om bijkomende onderzoeksmaatregelen te vragen. Er wordt een proces-verbaal opgesteld en in aanwezigheid der partijen ondertekend. Na de hoorzitting stelt de stagebegeleider een verslag op. Dat verslag kan de voortzetting of de vroegtijdige beëindiging van de stage voorstellen. De definitieve beslissing wordt genomen door de Raad van Bestuur. Die laatste moet een uitspraak doen tijdens zijn eerstvolgende vergadering en moet zijn beslissing per aangetekend schrijven betekenen binnen de tien werkdagen die erop volgen. Afdeling 6. - De beroepsprocedure Art. 60.In de gevallen bedoeld in de artikelen 58, tweede lid, b) en 59, beschikt de stagiair over een termijn van vijftien dagen vanaf de betekening van de beslissing van de Raad van Bestuur om per aangetekend schrijven een beroep in te dienen bij de gewestelijke kamer van beroep. Het beroep is schorsend, behalve wanneer het beroep is ingesteld tegen een beslissing genomen op grond van artikel 59. Deze termijn wordt berekend volgens dezelfde regels als deze bedoeld in artikel 290, § 2. De stagiair ontvangt een ontvangstbewijs van het beroep. Art. 61.De voorzitter van de kamer roept de stagiair op. Deze laatste kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze Art. 62.De stagebegeleider brengt verslag uit over het verloop van de stage. Hij wordt gehoord. Art. 63.In de hypothese die in artikel 58, tweede lid, b) beoogd wordt, doet de kamer het volgende : 1° ofwel beslissen tot de benoeming;2° ofwel het ontslag wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij het Agentschap bevestigen. In de hypothese die in artikel 59 beoogd wordt, beslist de kamer van beroep tot : 1° hetzij de voortzetting van de stage.Wanneer er besloten wordt tot de voortzetting van de stage, wordt er een nieuwe stagebegeleider aangeduid in overeenstemming met artikel 46, § 1, tweede lid, vanaf de ontvangst van de beslissing; 2° hetzij tot de vroegtijdige beëindiging ervan. De kamer spreekt zich uit binnen de twee maanden na de verzending van het ontvangstbewijs van het beroep. De beslissing wordt betekend aan de verzoeker en aan de directeur-generaal. Art. 64.De kamer van beroep betekent haar beslissing per aangetekend schrijven aan de betrokkene en aan de Raad van Bestuur van het Agentschap binnen de tien werkdagen na het nemen van de beslissing. Bij een ernstige fout wordt de stagiair zonder opzegtermijn of opzegvergoeding ontslagen. Het ontslag wordt definitief wanneer de kamer van beroep het ingestelde beroep door de ontslagen stagiair in overeenstemming met artikel 59 verwerpt. HOOFDSTUK IV. - De vaste benoeming Art. 65.De geschikt verklaarde stagiair wordt door de Raad van Bestuur vast benoemd als ambtenaar in de graad waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Art. 66.De hoedanigheid van ambtenaar wordt bekrachtigd door de eed die wordt afgelegd in de termen die bepaald zijn door artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten4. De ambtenaren van niveau A leggen de eed af voor de functioneel bevoegde minister. De ambtenaren van de andere niveaus leggen de eed af voor de directeur-generaal. Art. 67.De directeur-generaal wijst de pas benoemde ambtenaar een betrekking van zijn graad toe. TITEL IV. - De loopbaan HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. 68.Voor een vacant geworden betrekking van rang 2 of 3 bepaalt de directeur-generaal op voorstel van het HRM de selectieprocedure. Er wordt prioritair een beroep gedaan op de promotie door verhoging in graad of op de mutatie van de ambtenaren van het Agentschap. Bij gebreke daaraan kan er op volgende procedés een beroep worden gedaan : - Bevordering door verhoging in graad zonder zich te beperken tot de ambtenaren van het Agentschap; - Binnengewestelijke mobiliteit; - Externe mobiliteit; - Aanwerving. Binnen het kader van de twee voorgaande leden beslist de directeur-generaal van het Agentschap over de bevorderingswijze(n). HOOFDSTUK II. - De hiërarchische loopbaan Afdeling 1. - Bevordering door verhoging in graad. Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 69.De in artikelen 78 en 87 bedoelde bevorderingscommissies vergelijken de titels en verdiensten van de kandidaten op basis van het functieprofiel, het cv en de motivatiebrief. Voor alle bevorderingsbetrekkingen omvat/omvatten de proef/proeven altijd op zijn minst een gesprek met de in de artikelen 78 en 87 bedoelde commissies. De kandidaten worden vooraf op de hoogte gebracht van de organisatie van de vergelijkende proef/proeven. Art. 70.§ 1. Een vacante betrekking in een graad van de rang A3, A2, B2, C2 en D2, wordt per dienstnota ter kennis gebracht van de ambtenaren van het Agentschap die de benoemingsvoorwaarden zouden kunnen vervullen. De geïnteresseerden brengen voor ontvangst hun visum aan op de dienstnota. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk van de dienst afwezig is, om welke reden ook, wordt de dienstnota per aangetekend schrijven met ontvangstbewijs naar zijn woonplaats gezonden. § 2. Wanneer de promotie toegankelijk wordt gemaakt voor kandidaten die niet onder het Agentschap vallen, wordt de openstaande betrekking gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. § 3 De openstaande betrekking bevat : - Het programma van de vergelijkende proef/proeven, zoals bepaald in artikel 69; - De termijn waarbinnen en ter attentie van wie de kandidatuur ingediend dient te worden; - De elementen die het sollicitatiedossier dienen te bevatten; - De coördinaten van de dienst waar een functiebeschrijving van de openstaande betrekking en een standaard cv zoals bedoeld in artikel 71, § 2, bekomen kunnen worden. Art. 71.§ 1. Worden enkel in aanmerking genomen, de kandidaturen die per aangetekend schrijven gericht zijn aan de voorzitter van het Directiecomité, binnen een termijn van twintig dagen. Deze termijn gaat in ofwel de dag waarop de ambtenaar de dienstnota valideerde, ofwel de dag waarop het aangetekend schrijven met de dienstnota door de post werd aangeboden op de woonplaats van de ambtenaar, ofwel de dag volgend op de publicatie in het Belgisch Staatsblad voor de kandidaten die niet tot de instelling behoren. De hier bedoelde termijnen worden geregeld door dezelfde regels als diegene voorzien in artikel 290, § 2. § 2. Kandidaturen die een bevordering beogen moeten voorzien zijn van een motivatiebrief, alsook van een uiteenzetting van de titels en verdiensten die de kandidaat laat gelden. De kandidaat maakt gebruik van het standaard cv opgesteld door het HRM. Kandidaturen die niet voldoen aan de instructies betreffende het gebruik van het standaard cv zijn onontvankelijk. Art. 72.Het HRM controleert de geldigheid van de kandidaturen. De ontvankelijkheidsvoorwaarden vervat in de artikelen 74 tot 77 en 84 tot 86 moeten vervuld zijn voor afloop van de termijn die vereist is om de kandidatuur in te dienen. De kandidaten die niet voldoen aan de voorwaarden worden uitgesloten van de procedure tot bevordering bij gemotiveerde beslissing door de verantwoordelijke van het HRM. Elke uitsluiting van de bevorderingsprocedure wordt aan de betrokken kandidaten bekendgemaakt door een door de HRM-verantwoordelijke gemotiveerde beslissing per ter post aangetekende brief. Art. 73.De bevorderingen in de hiërarchische loopbaan worden verleend door de Raad van bestuur. Onderafdeling 2. - De bevordering tot een graad van rang A3 of A2 Art. 74.De betrekkingen van directeur van rang A3 staan open voor de ambtenaren titularissen van de graden van attaché van rang A1, van eerste attaché van rang A2 en van raadgever-deskundige van rang A2 die ten minste zes jaar niveauanciënniteit hebben. De betrekkingen van ingenieur-directeur van rang A3 staan open voor ambtenaren titularissen van de graden van ingenieur van rang A1 en van eerste ingenieur van rang A2 die ten minste zes jaar niveauanciënniteit hebben. Art. 75.De betrekkingen van raadgever-deskundige van rang A2 staan open voor attachés van rang A1 die minstens zes jaar graadanciënniteit hebben, en voor eerste attachés van rang A2 die drie jaar graadanciënniteit hebben. De betrekkingen van eerste attaché van rang A2 staan open voor ambtenaren titularissen van de graad van attaché van rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. De betrekkingen van eerste ingenieur van rang A2 staan open voor ingenieurs van rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. Art. 76.De ambtenaar die zich kandidaat stelt voor een betrekking van rang A2 of A3 moet een evaluatie met vermelding "gunstig" hebben en moet zich in een administratieve positie bevinden waarin hij zijn bevorderingstitels kan laten gelden en mag niet onderworpen zijn aan een definitieve tuchtstraf. Een ambtenaar die een tuchtstraf heeft gekregen kan niet worden bevorderd alvorens zijn straf is geschrapt in overeenstemming met artikel 309. Art. 77.§ 1. Wanneer de betrekking wordt toegekend overeenkomstig artikel 68, derde lid, streepjes 1 en 2, wordt van de ambtenaren van een andere instelling vereist te voldoen aan bevorderingsvoorwaarden die equivalent zijn met diegene bedoeld in de artikelen 74 tot 76. § 2. Wanneer externe kandidaten kunnen deelnemen aan een selectie wordt van hen een nuttige ervaring voor de functie geëist van zes jaar voor rang A3 en van drie jaar voor rang A2. Voor de betrekking van raadgever-deskundige van rang A2 wordt een nuttige ervaring van zes jaar voor de functie geëist. Art. 78.§ 1. Voor elke bevordering stelt het Directiecomité een bevorderingscommissie samen. Die commissie bestaat uit maximaal vier leden, waarbij de aanwezigheid van het lid bedoeld in 4° van paragraaf 2 vereist is. § 2. Voor de betrekkingen van rang A3 of A2 bestaat de commissie uit : 1° de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal;2° een personeelslid van minstens rang A2;3° de HRM-verantwoordelijke of diens afgevaardigde van minstens rang A1;4° een lid van buiten het Agentschap dat beschikt over expertise die verband houdt met de competenties en materies in verband met de in competitie gestelde betrekking. § 3. Wanneer een betrekking vacant wordt verklaard voor kandidaten van twee taalrollen, dient één lid van de bevorderingscommissie de kennis van de tweede taal bewezen te hebben conform artikel 43, § 3, derde lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966. § 4. Ten hoogste twee derden van de leden van de commissie behoren tot hetzelfde geslacht. Geen lid van de commissie mag zetelen wanneer hij zich in een situatie bevindt die ertoe kan leiden dat zijn onpartijdigheid in het gedrang komt. Art. 79.§ 1. De commissie is bevoegd om de geschiktheden van de kandidaten om de bevorderingsgraad uit te oefenen, te evalueren op basis van het competentieprofiel van de in te vullen betrekking. § 2. Zij neemt in overweging : 1° de beschrijving van de functie en de vereiste kwalificatie van de kandidaat;2° de titels en verdiensten die de kandidaat doet gelden ten aanzien van de vacante betrekking;3° de mate waarin de kandidaat geschikt is, rekening houdend met de resultaten van de proeven en de gesprekken. § 3. De commissie organiseert een gesprek met elke kandidaat. Art. 80.§ 1. Voor elke bevordering geeft de bevorderingscommissie een gemotiveerd advies rekening houdend met de criteria en elementen bepaald in artikel 79. § 2. De kandidaten worden ingeschreven hetzij in de groep A " geschikt ", hetzij in de groep B " niet geschikt ". In de groep A worden de kandidaten gerangschikt rekening houdend met de criteria vermeld in artikel 79, § 2. § 3. Deze rangschikking wordt voorgelegd aan het Directiecomité. Art. 81.Het Directiecomité werkt het voorstel tot rangschikking van de kandidaten van groep A uit. Indien het voorstel niet overeenkomt met de rangschikking opgesteld door de bevorderingscommissie, dient het Directiecomité zijn beslissing omstandig te motiveren. Art. 82.§ 1. Het voorstel van klassement wordt voorgelegd aan de Raad van Bestuur. § 2. De Raad van Bestuur volgt het voorstel van klassement dat eenparig wordt uitgebracht. Indien het voorstel van klassement niet eenparig wordt uitgebracht en de Raad van Bestuur een andere kandidaat benoemt dan de persoon aan het hoofd van het voorstel van klassement, dan moet hij zijn beslissing omstandig motiveren. § 3. Bij gelijkwaardige kandidaturen wordt achtereenvolgens de voorkeur gegeven aan : 1° de kandidaat die behoort tot het geslacht dat het minst vertegenwoordigd is in deze bevorderingsrang binnen de instelling;2° de kandidaat die over de hoogste graadanciënniteit beschikt. § 4. Er wordt afgeweken van de voorgaande paragraaf wanneer, door de toepassing van de wetten op het taalgebruik in bestuurzaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, het onmogelijk is om over te gaan tot de benoeming van deze kandidaat. Art. 83.De beslissing van de Raad van Bestuur wordt per dienstnota ter kennis gebracht van de kandidaten die solliciteerden voor de desbetreffende betrekking. De betrokkenen ondertekenen de dientsnota voor kennisname. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk niet op de dienst is, om welke reden ook, wordt de dienstnota bij aangetekend schrijven naar zijn woonplaats verzonden. Onderafdeling 3. - De bevordering tot een graad van rang B2, C2 en D2 Art. 84.De betrekkingen van rang B2, C2, en D2 staan open voor ambtenaren van respectievelijk rang B1, C1 en D1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. Art. 85.Om bevorderd te worden, moet de kandidaat over een evaluatie "gunstig" beschikken en zich in een administratieve positie bevinden waar hij zijn bevorderingstitels kan laten gelden. Hij mag niet onderworpen zijn aan een definitieve tuchtstraf. Een ambtenaar die een tuchtstraf heeft opgelopen kan niet worden bevorderd alvorens zijn straf is geschrapt, in overeenstemming met artikel 309. Art. 86.§ 1. Wanneer de betrekking wordt toegekend overeenkomstig artikel 68, derde lid, streepjes 1 tot 3, wordt van de ambtenaren van een andere instelling vereist te voldoen aan bevorderingsvoorwaarden gelijkwaardig aan deze neergelegd in de artikelen 84 en 85. § 2 Wanneer de betrekking wordt toegekend overeenkomstig de regels inzake aanwerving wordt van de kandidaten een nuttige ervaring van drie jaar geëist. Art. 87.Voor elke bevordering stelt het Directiecomité een bevorderingscommissie samen. Die bestaat uit maximaal vier leden, waarbij de aanwezigheid van het lid bedoeld in 3° van het tweede lid vereist is voor de bevorderingen tot de rang B2. Deze commissie is samengesteld uit : 1° de HRM-verantwoordelijke of diens afgevaardigde van minstens rang A1;2° een of twee personeelsleden die behoren tot het Agentschap en die beschikken over een kwalificatie en professionele ervaring die geschikt zijn voor het profiel van de in te vullen betrekking;3° een lid van buiten het Agentschap dat beschikt over expertise die verband houdt met de competenties en materies in verband met de in competitie gestelde betrekking. De leden die worden aangeduid voor elk van de commissies hebben een rang die minimaal gelijk is aan de rang van de betrekking die ingevuld moet worden. Ten hoogste twee derden van de leden behoren tot het hetzelfde geslacht. Wanneer een bevorderingsbetrekking vacant wordt verklaard voor kandidaten van de twee taalrollen, dient één lid van de bevorderingscommissie de kennis van de tweede taal bewezen te hebben conform artikel 43, § 3, derde lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966. Art. 88.§ 1. De commissie is bevoegd om de geschiktheden van de kandidaten om de bevorderingsgraad uit te oefenen, te evalueren op basis van het competentieprofiel van de in te vullen betrekking. § 2. Zij neemt in overweging : 1° de beschrijving van de functie en de vereiste kwalificatie van de kandidaat;2° de titels en verdiensten die de kandidaat doet gelden om een bevordering in de vacante betrekking te verkrijgen;3° de adequaatheid van het profiel van de kandidaat rekening houdend met de resultaten van de proeven en de gesprekken. § 3. De commissie organiseert een gesprek met elke kandidaat. Art. 89.Voor elke bevordering geeft de bevorderingscommissie een gemotiveerd advies rekening houdend met de criteria en elementen zoals bepaald in artikel 88. Art. 90.§ 1. De kandidaten worden ingeschreven hetzij in de groep A " geschikt " hetzij in de groep B " niet geschikt ". In de groep A worden de kandidaten gerangschikt rekening houdend met de criteria zoals bepaald in artikel 88, § 2. § 2. Het Directiecomité werkt het voorstel tot definitieve rangschikking van de kandidaten van groep A uit. Indien het voorstel niet overeenkomt met de rangschikking opgesteld door de bevorderingscommissie, dient het Directiecomité zijn beslissing omstandig te motiveren. Art. 91.§ 1 De Raad van Bestuur volgt het definitieve voorstel van klassement dat eenparig wordt uitgebracht. Indien het definitieve voorstel van klassement niet eenparig wordt uitgebracht en de Raad van Bestuur een andere kandidaat benoemt dan de persoon aan het hoofd van het voorstel van klassement, dan moet hij zijn beslissing omstandig motiveren. § 2. Bij gelijkwaardige kandidaturen wordt achtereenvolgens de voorkeur gegeven aan : 1° de kandidaat die behoort tot het geslacht dat het minst vertegenwoordigd is in deze bevorderingsrang binnen de instelling;2° de kandidaat die over de hoogste graadanciënniteit beschikt. § 3. Er wordt afgeweken van de voorgaande paragraaf wanneer, door de toepassing van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, het onmogelijk is om over te gaan tot de benoeming van deze kandidaat. § 4. De beslissing van de Raad van Bestuur wordt per dienstnota ter kennis gebracht van de kandidaten die solliciteerden voor de desbetreffende betrekking. De betrokkenen ondertekenen de dienstnota voor kennisname. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk niet op de dienst is, om welke reden ook, wordt de dienstnota bij aangetekend schrijven naar zijn woonplaats verzonden. Afdeling 2. - De bevordering door overgang naar een hoger niveau Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 92.§ 1. De procedure voor overgang naar een hoger niveau wordt georganiseerd door het HRM. § 2. Om van een bevordering door overgang naar een hoger niveau te kunnen genieten, moet de ambtenaar zich in een administratieve positie bevinden waarin hij zijn bevorderingstitels kan laten gelden en moet hij beschikken over een evaluatie met vermelding "gunstig" en niet onder een definitieve tuchtstraf vallen. Een ambtenaar die een tuchtstraf kreeg opgelegd kan niet worden bevorderd alvorens zijn straf is geschrapt, in overeenstemming met artikel 309. Art. 93.De ambtenaar moet batig gerangschikt zijn in het klassement van de vergelijkende selectie en een betrekking die overeenstemt met het profiel van de selectie waarvoor de ambtenaar geslaagd is moet worden voorzien. Onderafdeling 2. - Examen voor de overgang naar niveau A Art. 94.§ 1. De ambtenaar kan bevorderd worden van niveau B of C tot niveau A. De proeven voor de overgang naar niveau A worden in drie reeksen opgedeeld. § 2. De eerste reeks wordt georganiseerd door het HRM. De proeven in deze reeks zijn bedoeld om de bekwaamheden van de ambtenaar om functies uit te oefenen op het niveau A na te gaan. Ze leiden tot het afleveren van een getuigschrift voor het slagen of een vaststelling van niet-slagen. Het getuigschrift voor het slagen is onbeperkt geldig in de tijd. Het HRM kan een vrijstelling geven voor reeds geslaagde proeven voor andere instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. § 3. Een ambtenaar die niet geslaagd is voor een proef wordt gedurende 6 maanden vanaf de dag van zijn proef uitgesloten van de mogelijkheid tot herkansing. § 4. De tweede reeks bestaat uit vier proeven die de verworven kennis evalueren. Elk van deze proeven bestaat uit het met succes volgen van cursussen terug te vinden in de opleidingscatalogus die hiertoe werd opgesteld door Brussel Openbaar Ambt. De tweede reeks proeven is enkel toegankelijk voor de geslaagden van de eerste reeks proeven. Voor elke nieuwe proef uit deze reeks is het getuigschrift van slagen onbeperkt geldig in de tijd. De proeven van deze reeks worden beschouwd als beantwoordend aan de in artikel 273 bedoelde definitie van vorming. § 5. De derde reeks bestaat uit een modelinge proef georganiseerd door de instelling. Ze is enkel toegankelijk voor de geslaagden van twee eerste reeksen proeven. Ze bestaat uit een test met het oog op de evaluatie van de specifieke vaardigheden op basis van het functieprofiel. De derde reeks eindigt met de rangschikking van de kandidaten die geschikt worden bevonden voor het uitoefenen van de functie. Onderafdeling 3. - De overgang naar niveau B en C Art. 95.§ 1. De ambtenaar kan bevorderd worden van niveau D tot niveau C of van niveau C tot niveau B. § 2. De selectie omvat twee proeven. De eerste proef is anoniem en bestaat uit een test, computergestuurd of schriftelijk, met de bedoeling de algemene vaardigheden van de kandidaten te evalueren. Deze proef is eliminerend. De tweede proef is mondeling. Ze heeft als doelstelling de evaluatie van de motivatie voor de in te vullen functie en van de specifieke vaardigheden op basis van het functieprofiel. Na afloop van deze proef worden de kandidaten gerangschikt op basis van hun resultaten en aangeworven volgens deze rangschikking. De kandidaten worden ten minste veertien dagen op voorhand geïnformeerd over de organisatie van deze proeven. HOOFDSTUK III. - De functionele loopbaan Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 96.De functionele loopbaan houdt in dat een ambtenaar, zonder van graad te veranderen, kan genieten van een weddeschaal die een of twee weddeschalen hoger ligt dan de weddeschaal die aan zijn graad verbonden is, zolang hij voldoet aan de vereisten inzake anciënniteit, evaluatie en vorming waarin het statuut voorziet. Art. 97.De directeur-generaal of de ambtenaar die hij daartoe aanwijst kent aan de ambtenaar een hogere weddeschaal toe zodra laatstgenoemde aan de voorwaarden inzake anciënniteit, evaluatie en opleiding voldoet. De Raad van Bestuur wordt ervan op de hoogte gebracht op zijn eerstvolgende vergadering. Afdeling 2. - De gewone functionele loopbaan Art. 98.Aan de graden attaché, assistent, adjunct en klerk zijn de weddeschalen 101, 102 en 103 verbonden. Aan de graad van ingenieur zijn de weddeschalen 111, 112 en 113 verbonden. Aan de graad van eerste attaché zijn de weddeschalen 200, 210 en 220 verbonden. Aan de graad van eerste ingenieur is de weddeschaal 220 verbonden. Aan de graad van raadgever-deskundige zijn de weddeschalen 220 en 230 verbonden. Aan de graad van directeur zijn de weddeschalen 300 en 310 verbonden. Aan de graad van ingenieur-directeur en geneesheer-directeur is de weddeschaal 310 verbonden. De weddeschaal 101 of 111, naargelang van de graad, wordt toegekend vanaf de aanwerving of de overgang naar een hoger niveau. De weddeschaal 220 wordt toegekend aan de eerste ingenieur vanaf de aanwerving of de bevordering door verhoging in graad. De weddeschaal 220 wordt toegekend aan de raadgever deskundige vanaf de aanwerving of de bevordering door verhoging in graad. De weddeschaal 300 of 310, naargelang van de graad, wordt toegekend vanaf de aanwerving of de bevordering door verhoging in graad. De weddeschaal 102, 112, 210, 230 of 310, naargelang van de graad, wordt toegekend aan de ambtenaar die : 1° zes jaar anciënniteit telt, zoals berekend overeenkomstig artikel 406, in de schaal 101, 111, 200, 220 of 300 in de hoedanigheid van statutair ambtenaar;2° over een evaluatie "gunstig" beschikt;3° de in artikel 273 bedoelde vorming heeft gevolgd, binnen de periode zoals bedoeld in 1°. Art. 99.De weddeschaal 103, 113 of 220, naargelang van de graad, wordt toegekend aan de ambtenaar die : 1° negen jaar anciënniteit telt, zoals berekend overeenkomstig artikel 406, in de schaal 102, 112 of 210;2° over een evaluatie "gunstig" beschikt;3° de in artikel 273 bedoelde vorming heeft gevolgd, binnen de periode zoals bedoeld in 1°. HOOFDSTUK IV. - De uitoefening van een hoger ambt Art. 100.Onder hoger ambt wordt verstaan elk ambt dat overeenstemt met een in het personeelsplan voorkomende betrekking van een graad van hogere rang in het niveau waartoe de ambtenaar behoort. Art. 101.Een ambtenaar kan worden aangesteld in een hoger ambt voor een betrekking die tijdelijk onbezet is. Art. 102.Om in een hoger ambt aangesteld te worden moet de ambtenaar voldoen aan de benoemingsvoorwaarden voor de tijdelijk onbezette betrekking. Hij moet de evaluatie "gunstig" ontvangen hebben. Een ambtenaar die een tuchtstraf kreeg opgelegd mag niet worden aangesteld alvorens zijn straf is geschrapt overeenkomstig artikel 309. Art. 103.In een tijdelijk onbezette betrekking kan een ambtenaar alleen worden aangesteld indien de titularis ten minste een maand afwezig is. De aanstelling kan gebeuren vanaf de dag van de kennisname van de afwezigheid van meer dan een maand of de eerste dag die volgt op het verstrijken van die termijn van een maand. Art. 104.De aanwijzing voor de uitoefening van een hoger ambt gebeurt voor een duur van maximaal een jaar. De Raad van Bestuur kan de uitoefening van een hoger ambt door de aangestelde ambtenaar verlengen voor een duur van maximaal een jaar. Deze verlenging kan slechts tweemaal plaatsvinden. Art. 105.§ 1. De oproep tot kandidaatstelling voor een hoger ambt wordt ter kennis gebracht van de ambtenaren van het Agentschap door een dienstnota. § 2. De geïnteresseerde ambtenaren dienen hun kandidatuur in, vergezeld van een motivatiebrief tegen ontvangstbevestiging bij de voorzitter van het Directiecomité, binnen de twintig dagen na het versturen van de dienstnota. Art. 106.Er wordt een gemotiveerd voorstel tot rangschikking van de kandidaten gedaan aan de Raad van Bestuur door het Directiecomité, samen met het HRM en de functionele chef van het ambt dat tijdelijk moet worden ingevuld. Zij stelt de kandidaat die het meest geschikt is om het ambt uit te oefenen voor, rekening houdend met de motivatie van de kandidaten en hun profiel. Art. 107.De Raad van Bestuur beslist over de toewijzing van het hoger ambt. Indien hij afwijkt van het voorstel, dan moet de beslissing gemotiveerd worden. Art. 108.De akte tot aanstelling vermeldt : 1° een omschrijving van het ambt dat tijdelijk niet wordt ingevuld, de naam en de graad van de actuele functie en de reden waarom deze functie niet wordt ingevuld;2° een verantwoording van de noodzaak om een hoger ambt toe te kennen;3° een verantwoording van de keuze van de voorgestelde ambtenaar. Art. 109.Een ambtenaar die met een hoger ambt is belast, beschikt over alle aan dat ambt verbonden prerogatieven. Art. 110.De uitoefening van een hoger ambt verleent geen recht op een benoeming in de graad van dat ambt. TITEL V. - De interne mutatie HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. 111.De interne mutatie is de overgang van een ambtenaar naar een andere vacante betrekking van zijn graad in dezelfde dienst of in een andere dienst van het Agentschap. Art. 112.De ambtenaar behoudt hoe dan ook zijn graad en de daaraan verbonden weddeschaal. Hij behoudt tevens de voordelen die hij in zijn functionele loopbaan heeft verkregen, met inachtneming van de bepalingen inzake vorming en evaluatie. Art. 113.De interne mutatie vindt plaats hetzij door vrijwillige mutatie, hetzij door ambtshalve mutatie, hetzij door herplaatsing. Art. 114.§ 1. Om zich kandidaat te stellen moet de ambtenaar zijn functies uitoefenen in zijn betrekking sinds ten minste twee jaar. § 2. In het geval van pesterijen, een gewelddaad of discriminatie waarvan de ambtenaar het slachtoffer is, kan de in de § 1 bepaalde limiet niet als verzet aangevoerd worden. De pesterijen moeten erkend zijn door een rechterlijke beslissing of een verslag van de externe dienst voor preventie en besc …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.