← België

Decreet betreffende de ondersteuning, de ontwikkeling van beroepscompetenties en de evaluatie van het onderwijzend personeel

Kort samengevat

Dit decreet regelt de ondersteuning, de ontwikkeling van beroepscompetenties en de evaluatie van onderwijspersoneel, door nieuwe mechanismen en procedures in te voeren binnen het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs. Het richt zich op professionele ontwikkeling en professionalisering van het personeel.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

📄 Wettekst
20 JULI 2023. - Decreet betreffende de ondersteuning, de ontwikkeling van beroepscompetenties en de evaluatie van het onderwijzend personeel Het Parlement van de Franse Gemeenschap heeft aangenomen en wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt: TITEL 1. - BEPALINGEN TOT INVOEGING VAN HET MECHANISME VOOR ONDERSTEUNING EN ONTWIKKELING VAN BEROEPSCOMPETENTIES IN HET WETBOEK VOOR HET BASIS- EN SECUNDAIR ONDERWIJS Artikel 1.In boek 6 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs wordt de naam van titel I gewijzigd: "Titel I - Voortgezette beroepsopleiding en mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties". Art. 2.Aan artikel 6.1.1-1 van het voornoemde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° Het huidige artikel 6.1.1-1 wordt paragraaf 1; 2° Een als volgt opgestelde paragraaf 2 wordt ingevoegd: " § 2.In afwijking van paragraaf 1 is hoofdstuk 9, afdeling 3 van toepassing op leden van het onderwijsteam in scholen, op personeelsleden in internaten en opvangtehuizen, op personeelsleden in technische centra, op personeelsleden in recreatie- en openluchtcentra en op leden van het multidisciplinaire team in territoriale polen, met uitzondering van selectie- en bevorderingsambten. In afwijking van paragraaf 1 is hoofdstuk 9, afdeling 4 van toepassing op selectie- en bevorderingsambten buiten de directies, met uitzondering van: 1° houders van deze ambten die zijn aangeworven voor een periode van minder dan één jaar;2° coördinatoren van territoriale polen die zijn aangesteld op tijdelijke basis. In afwijking van paragraaf 1 zijn delen 1, 2 en 5 van hoofdstuk 9 van toepassing op de in de leden 1 en 2 bedoelde personeelsleden. " Art. 3.In artikel 6.1.6-7 van het voornoemde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° Lid 1 van paragraaf 5 wordt vervangen door wat volgt: "Het personeelslid beslist of het zijn portfolio al dan niet als ondersteuning gebruikt tijdens uitwisselingen met de directeur of diens afgevaardigde in het kader van het gesprek over professionele ontwikkeling of als onderdeel van een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties of een individueel begeleidingsplan, evenals tijdens de begeleiding van beginnende leerkrachten.De directeur of diens afgevaardigde moet de keuze van het personeelslid accepteren om zijn portfolio al dan niet te gebruiken tijdens deze uitwisseling." ; 2° In paragraaf 5 wordt lid 2 als volgt vervangen: "De directeur beslist of hij zijn portfolio al dan niet gebruikt als ondersteuning tijdens zijn gesprek met de inrichtende macht.De inrichtende macht moet de keuze van de directeur accepteren om zijn portfolio al dan niet te gebruiken tijdens deze uitwisseling. "; 3° In paragraaf 6, lid 1, 2° wordt het woord "directeur" vervangen door de woorden "directeur of diens afgevaardigde";4° In paragraaf 6, lid 1, 2° worden de woorden "hetzij na een functioneringsgesprek tussen" vervangen door de woorden "hetzij na een gesprek over professionele ontwikkeling, een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties of een individueel begeleidingsplan tussen";5° In paragraaf 6, lid 2, 2° worden de woorden "functioneringsgesprek tussen" vervangen door de woorden "gesprek over professionele ontwikkeling, een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties of een individueel begeleidingsplan tussen". Art. 4.In titel 1 van boek 6 van het voornoemde Wetboek wordt een hoofdstuk 9 ingevoegd met als opschrift "Mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties", dat als volgt luidt: "Hoofdstuk 9. - Mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties Afdeling 1. - specifieke bepalingen Artikel 6.1.9-1. Het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties maakt deel uit van een proces van professionele ontwikkeling en toenemende professionalisering. Artikel 6.1.9-2. De regering stelt de modellen vast voor de in delen 3 en 4 bedoelde ontwikkelingsplannen voor beroepscompetenties. Afdeling 2. - vorming in het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties en afgevaardigden van de directie Artikel 6.1.9-3. § 1. Voor directeurs wordt een vorming in mechanismen voor ondersteuning, ontwikkeling van beroepscompetenties en evaluatie georganiseerd in het kader van de initiële vorming voor directeurs bedoeld in hoofdstuk II van het decreet van 2 februari 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 02/02/2007 pub. 15/05/2007 numac 2007201245 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet tot vaststelling van het statuut van de directeurs sluiten tot vaststelling van het statuut van de directeurs en directrices in het onderwijs. Deze vorming wordt op een complementaire manier georganiseerd tussen het netoverschrijdende vormingsniveau en het netvormingsniveau bedoeld in artikel 6.1.3-3, en bestaat uit modules die op egalitaire wijze zijn verdeeld over deze twee vormingsniveaus. Het Institut de la Formation Professionnelle Continue aan de ene kant en de inrichtende macht voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap of elke Federatie van inrichtende machten aan de andere kant, zorgen ervoor dat de complementariteit van de modules wordt gerespecteerd tussen het netoverschrijdende niveau en het netniveau om de algemene samenhang van het vormingssysteem te garanderen. § 2. De directeur volgt de in paragraaf 1 bedoelde vorming. Artikel 6.1.9-4. § 1. In het secundair onderwijs moet de in dit hoofdstuk bedoelde afgevaardigde van de directeur worden aangesteld uit de volgende personeelsleden, op voorwaarde dat hij de in artikel 6.1.9-5 bedoelde vorming heeft gevolgd: 1° houders van het selectieambt adjunct-directeur;2° in voorkomend geval ervaren leerkrachten, zoals bedoeld in artikel 22 van het decreet van 14 maart 2019Relevante gevonden documenten type decreet prom. 14/03/2019 pub. 27/03/2019 numac 2019011352 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende diverse bepalingen betreffende de werkorganisatie van de onderwijspersoneelsleden en tot toekenning van meer organisatieflexibiliteit aan de Inrichtende machten sluiten houdende diverse bepalingen betreffende de werkorganisatie van de onderwijspersoneelsleden en tot toekenning van meer organisatieflexibiliteit aan de inrichtende machten. § 2. Voor selectie- of bevorderingsambten mag de directeur niet delegeren, met uitzondering van delegatie aan de werkplaatsleider in geval van ondersteuning en ontwikkeling van de beroepscompetenties van een werkmeester. § 3. De afgevaardigde moet een gesprek over professionele ontwikkeling hebben dat leidt tot een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties tijdens het schooljaar waarin de opdracht als afgevaardigde voor het eerst aan hem wordt toevertrouwd. § 4. De in paragraaf 1 bedoelde afgevaardigde treedt op als begeleider van het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties. Op vraag van de directie voert hij gesprekken over professionele ontwikkeling. Hij ondersteunt, helpt en begeleidt het personeelslid in zijn denkproces en bij het opstellen en uitwerken van zijn ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties. Hij heeft geen beslissingsbevoegdheid. Artikel 6.1.9-5. Voor de afgevaardigden bedoeld in artikel 6.1.9-4 wordt een vorming in het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties georganiseerd in het kader van de voortgezette beroepsopleiding. Deze vorming wordt op een complementaire manier georganiseerd tussen het netoverschrijdende vormingsniveau en het netvormingsniveau bedoeld in artikel 6.1.3-3, en bestaat uit modules die op egalitaire wijze zijn verdeeld over deze twee vormingsniveaus. Het Institut de la Formation Professionnelle Continue en de inrichtende macht voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap of elke Federatie van inrichtende machten zorgen ervoor dat de complementariteit van de modules wordt gerespecteerd tussen het netoverschrijdende niveau en het netniveau om de algemene samenhang van het vormingssysteem te garanderen. Afdeling 3. - verloop van het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties voor de wervingsambten Artikel 6.1.9-6. § 1. Het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties bestaat met name uit gesprekken over professionele ontwikkeling die worden gevoerd door de directeur of diens afgevaardigde en, in voorkomend geval, uit een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties en een afrondingsgesprek. § 2. Gesprekken over professionele ontwikkeling worden georganiseerd op initiatief van de directeur, maar kunnen ook worden aangevraagd door het personeelslid. Er moeten minimaal vijf werkdagen verstrijken tussen de oproeping voor het gesprek over professionele ontwikkeling en de datum van het gesprek. Van het gesprek over professionele ontwikkeling wordt een rapport opgesteld. Onverminderd artikel 73bis van het decreet van 24 juli 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 24/07/1997 pub. 23/09/1997 numac 1997029337 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren sluiten dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, moet er voor zover mogelijk één keer per jaar en ten minste één keer om de drie jaar een gesprek over professionele ontwikkeling plaatsvinden. Het gesprek over professionele ontwikkeling vindt plaats buiten de periodes waarin er voor de klas wordt gestaan. Vanaf het begin van het schooljaar 2024-2025 hebben leerkrachten die nog geen vijf jaar lesgeven in het onderwijs van de Franse Gemeenschap, één gesprek over professionele ontwikkeling per schooljaar. In het kader van het gesprek over professionele ontwikkeling wordt rekening gehouden met de algemene context waarin het personeelslid zal werken, en met de middelen die het ter beschikking worden gesteld. Artikel 6.1.9-7. - § 1. Na een gesprek over professionele ontwikkeling kan op verzoek van het personeelslid of de directeur een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties worden opgesteld. Om een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties te kunnen opstellen, moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan: 1° Het personeelslid moet minstens één gesprek over professionele ontwikkeling hebben gehad met de directeur of diens afgevaardigde;2° Het personeelslid mag tijdens hetzelfde schooljaar niet al een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties hebben gehad binnen de inrichtende macht, overeenkomstig paragraaf 3; 3° De directeur moet de vorming krijgen die wordt bedoeld in artikel 6.1.9-3. De opstelling van een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties is verplicht voor personeelsleden die hun eerste jaar lesgeven in het onderwijs dat wordt georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, voor zover de initiële aanstellingsperiode binnen de inrichtende macht minstens negen maanden bedraagt, en ze voor meer dan een halve opdracht binnen de inrichtende macht zijn aangesteld. § 2. Het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties wordt opgesteld door de directeur of diens afgevaardigde in overleg met het personeelslid. Het wordt geformaliseerd in een document dat wordt medeondertekend door het personeelslid en de directeur, zoals bedoeld in artikel 6.1.9-2, en bevat wederzijdse verbintenissen van beide partijen, zoals individuele, specifieke en realistische doelstellingen die zijn afgestemd op het personeelslid, en de middelen die het ter beschikking worden gesteld om ze te bereiken. Er kunnen maximaal vier doelstellingen worden vastgesteld. Aan de in het vorige lid bedoelde plicht tot medeondertekening wordt geacht te zijn voldaan indien de directeur het bewijs levert dat het verzoek om ondertekening ter kennisneming naar het personeelslid is verzonden. Als het personeelslid weigert te ondertekenen, wordt de procedure voor het uitvoeren van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties rechtsgeldig voortgezet. § 3. De periodiciteit van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties wordt zo aangepast dat het gegeven advies kan worden uitgevoerd, of de aanbevolen vormingen kunnen worden gevolgd. Daarom mag er niet meer dan één ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties worden opgesteld per personeelslid per schooljaar binnen de inrichtende macht. Tijdens eenzelfde schooljaar kan er echter ook een individueel begeleidingsplan worden opgesteld voor een personeelslid waarvoor een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties is opgesteld, na een eerste "negatieve" evaluatie. § 4. Het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties kan tijdens het schooljaar worden aangepast op initiatief van de directeur of op verzoek van het personeelslid. Deze aanpassingen worden medeondertekend door de directeur en het personeelslid. Als het personeelslid weigert te ondertekenen, wordt de procedure voor het uitvoeren van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties rechtsgeldig voortgezet. § 5. Het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties geeft aanleiding tot een afrondingsgesprek. Dit gesprek vindt ten vroegste zes maanden en ten laatste twee jaar na de opstelling van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties plaats. Het afrondingsgesprek wordt gevoerd door de directeur. Van het afrondingsgesprek wordt een rapport opgesteld. § 6. Voor de berekening van de voornoemde periodes van zes maanden en twee jaar wordt alleen rekening gehouden met de tijdens de uitoefening van het ambt daadwerkelijk verleende diensten, met inbegrip van: 1° de jaarlijkse vakantie, met uitzondering van de zomervakantie;2° het verlof dat is voorzien in artikelen 5, 5bis, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen. Afdeling 4. - verloop van het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties voor de selectie- en wervingsambten buiten de directies Artikel 6.1.9-8. - § 1. Het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties bestaat met name uit gesprekken over professionele ontwikkeling met de directeur of diens afgevaardigde en, in voorkomend geval, uit een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties en een afrondingsgesprek. § 2. Gesprekken over professionele ontwikkeling worden georganiseerd op initiatief van de directeur, maar kunnen ook worden aangevraagd door het personeelslid. Er moeten minimaal vijf werkdagen verstrijken tussen de oproeping voor het gesprek over professionele ontwikkeling en de datum van het gesprek. Van het gesprek over professionele ontwikkeling moet een rapport worden opgesteld. Een gesprek over professionele ontwikkeling moet voor zover mogelijk één keer per jaar plaatsvinden, en minstens één keer om de drie jaar. Het gesprek over professionele ontwikkeling is gebaseerd op: 1° de uitvoering van de opdrachtbrief;2° het in de praktijk brengen van de beroepscompetenties die in de sollicitatieoproep werden genoemd;3° de uitvoering van de doelstellingenovereenkomst. In het kader van het gesprek over professionele ontwikkeling wordt rekening gehouden met de algemene context waarin het personeelslid zal werken, en met de middelen die het ter beschikking worden gesteld. Artikel 6.1.9-9. § 1. Na een gesprek over professionele ontwikkeling kan een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties worden opgesteld. Om een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties te kunnen opstellen, moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan: 1° Het personeelslid moet minstens één gesprek over professionele ontwikkeling hebben gehad met de directeur of diens afgevaardigde;2° Het personeelslid mag tijdens hetzelfde schooljaar niet al een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties hebben gehad binnen de inrichtende macht, overeenkomstig paragraaf 3; 3° De directeur moet de vorming krijgen die wordt bedoeld in artikel 6.1.9-3. § 2. Het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties wordt opgesteld door de directeur of diens afgevaardigde wanneer het een werkmeester betreft, in overleg met het personeelslid. Het wordt geformaliseerd in een document dat wordt medeondertekend door het personeelslid en de directeur, zoals bedoeld in artikel 6.1.9-2, en bevat wederzijdse verbintenissen van beide partijen, zoals individuele, specifieke en realistische doelstellingen die zijn afgestemd op het personeelslid, en de middelen die het ter beschikking worden gesteld om ze te bereiken. Er kunnen maximaal vier doelstellingen worden vastgesteld. Aan de in het vorige lid bedoelde plicht tot medeondertekening wordt geacht te zijn voldaan indien de directeur het bewijs levert dat het verzoek om ondertekening ter kennisneming naar het personeelslid is verzonden. Als het personeelslid weigert te ondertekenen, wordt de procedure voor het uitvoeren van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties rechtsgeldig voortgezet. § 3. De periodiciteit van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties wordt zo aangepast dat het gegeven advies kan worden uitgevoerd, of de aanbevolen vormingen kunnen worden gevolgd. Daarom mag er niet meer dan één ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties worden opgesteld per personeelslid per schooljaar binnen de inrichtende macht. Tijdens eenzelfde schooljaar kan er echter ook een individueel begeleidingsplan worden opgesteld voor een personeelslid waarvoor een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties is opgesteld, na een eerste negatieve evaluatie. § 4. Het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties kan worden aangepast op initiatief van de directeur of op verzoek van het personeelslid. Deze aanpassingen worden medeondertekend door de directeur en het personeelslid. Als het personeelslid weigert te ondertekenen, wordt de procedure voor het uitvoeren van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties rechtsgeldig voortgezet. § 5. Het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties geeft aanleiding tot een afrondingsgesprek. Dit gesprek vindt ten vroegste zes maanden en ten laatste twee jaar na de opstelling van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties plaats. Het afrondingsgesprek wordt gevoerd door de directeur. Van het afrondingsgesprek wordt een rapport opgesteld. § 6. Voor de berekening van de voornoemde periodes van zes maanden en twee jaar wordt alleen rekening gehouden met de tijdens de uitoefening van het ambt daadwerkelijk verleende diensten, met inbegrip van: 1° de jaarlijkse vakantie, met uitzondering van de zomervakantie;2° het verlof dat is voorzien in artikelen 5, 5bis, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen. Afdeling 5. - deontologische regels Artikel 6.1.9-10. In het kader van de in de delen 3 en 4 bedoelde gesprekken en uitwisselingen moeten het personeelslid en de directeur of diens afgevaardigde de volgende verplichtingen nakomen: 1° discretie;2° wederzijds respect. Bovendien moet de directeur of diens afgevaardigde: 1° Zijn instructies/advies/uitwisselingen met het personeelslid op een gepaste en constructieve manier motiveren;2° Het personeelslid helpen bij het bereiken van zijn doelstellingen;3° De plichten tot onpartijdigheid en objectiviteit nakomen." TITEL 2. - BEPALINGEN TOT INVOEGING VAN HET EVALUATIEMECHANISME IN DE VERSCHILLENDE STATUTEN HOOFDSTUK 1: - bepalingen tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen Art. 5.Er wordt een als volgt opgesteld punt 12° toegevoegd aan artikel 18 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen: "12° in het betrokken ambt tijdens de laatste twee schooljaren geen twee negatieve evaluatierapporten of twee negatieve rapporten over de wijze van dienen hebben gekregen, zoals bedoeld in artikel 27. " Art. 6.In artikel 20, § 4 van hetzelfde koninklijk besluit worden leden 1 tot 4 opgeheven. Art. 7.Aan artikel 25, § 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° In lid 2 van hetzelfde koninklijk besluit worden de woorden "over de wijze van dienen" ingevoegd tussen het woord "rapport" en het woord "negatief".2° Een als volgt opgesteld lid 4 wordt toegevoegd: "Personeelsleden ten aanzien van wie een negatief evaluatierapport is opgesteld, worden opnieuw aangesteld in de functie die ze in het voorafgaande schooljaar vervulden, indien deze functie op de eerste dag van het volgende schooljaar nog bestaat en niet het voorwerp is geweest van een reaffectatie, een terugroeping in actieve dienst, een wijziging van affectatie, een uitbreiding van benoeming, een aanstelling van een prioritaire tijdelijke of een aanstelling van een beter gerangschikt personeelslid." Art. 8.Artikel 27 van hetzelfde koninklijk besluit wordt vervangen door het volgende artikel: "Artikel 27 - Alle tijdelijken, prioritaire tijdelijken of beschermde tijdelijken worden geacht hun taak naar behoren te hebben uitgevoerd zolang de inrichtende macht geen negatief evaluatierapport of geen negatief rapport over de wijze van dienen over hen heeft opgesteld. Per schooljaar mag over een personeelslid slechts één evaluatierapport of één rapport over de wijze van dienen worden opgesteld. Als er geen rapport is, wordt elk personeelslid geacht een positieve evaluatie te hebben gekregen. " Art. 9.Een als volgt opgesteld artikel 27bis is ingevoegd in hetzelfde koninklijk besluit: "Artikel 27bis - § 1. In voorkomend geval wordt het rapport over de wijze van dienen uiterlijk na afloop van elke activiteitsperiode opgesteld volgens het door de regering vastgestelde model. Het moet ter ondertekening worden voorgelegd aan de betrokken tijdelijke, prioritaire tijdelijke of beschermde tijdelijke en worden toegevoegd aan diens persoonlijke dossier. De evaluatie van het rapport over de wijze van dienen moet op straffe van nietigheid worden gemotiveerd aan de hand van ten minste één positief of negatief feit dat wordt genoteerd op het moment dat het zich voordoet. Dit feit moet uitvoerig worden beschreven, worden gedateerd en ondertekend door de directeur en ter ondertekening voor ontvangst worden voorgelegd aan het personeelslid. De procedure wordt rechtsgeldig voortgezet als het personeelslid weigert het rapport te ondertekenen. § 2. Het personeelslid heeft het recht om binnen de tien werkdagen na de kennisgeving van het genoemde rapport beroep in te stellen bij de Kamer van beroep, zoals bedoeld in hoofdstuk IX, Afdeling 2 van dit besluit. Het personeelslid dat gebruik maakt van zijn recht op beroep, stelt de inrichtende macht hiervan onmiddellijk in kennis. Dit beroep werkt opschortend. " Art. 10.Aan artikel 31, punt 8° van hetzelfde koninklijk besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden "over de wijze van dienen" worden ingevoegd tussen de woorden "van een rapport" en het woord "negatief";2° de woorden "of van een negatief evaluatierapport van de inrichtende macht" worden ingevoegd na de woorden "van het schoolhoofd.". Art. 11.Aan artikel 31ter, punt 8° van hetzelfde koninklijk besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden "over de wijze van dienen" worden ingevoegd tussen de woorden "van een rapport" en het woord "negatief";2° de woorden "of van een negatief evaluatierapport van de inrichtende macht" worden ingevoegd na de woorden "van het schoolhoofd.". Art. 12.Aan artikel 46bis, punt 7° van hetzelfde koninklijk besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden "over de wijze van dienen" worden ingevoegd tussen de woorden "van een rapport" en het woord "negatief";2° de woorden "of van een negatief evaluatierapport van de inrichtende macht" worden ingevoegd na de woorden "van een schoolhoofd." Art. 13.In artikel 83 van hetzelfde koninklijk besluit wordt punt 5° opgeheven. Art. 14.In artikel 91 van hetzelfde koninklijk besluit worden de woorden "hun beoordelingen" vervangen door de woorden "hun beoordelingen of hun evaluatierapporten". Art. 15.Artikelen 91sexies tot 91novies van hetzelfde koninklijk besluit worden opgeheven. Art. 16.Na artikel 121 van hetzelfde koninklijk besluit wordt een als volgt opgesteld Hoofdstuk VIIIbis ingevoegd: "Hoofdstuk VIIIbis - Over de evaluatie van personeelsleden. Artikel 121/1.Dit hoofdstuk is van toepassing op de personeelsleden die onder dit statuut vallen, met uitzondering van de directeurs en de personeelsleden van de Inspectie. Afdeling 1. - Over het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties. Artikel 121/2.Elke eerste evaluatie moet worden voorafgegaan door een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties en een afrondingsgesprek zoals bepaald in afdeling 3 van hoofdstuk 9 van titel I van boek 6 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs en in afdeling 3 van hoofdstuk 1bis van het decreet van 30 juni 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom. 30/06/1998 pub. 01/09/1998 numac 1998029350 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet met betrekking tot de bijscholing van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en het opvoedend hulppersoneel in het onderwijs voor sociale promotie type decreet prom. 30/06/1998 pub. 22/08/1998 numac 1998029332 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet dat erop gericht is alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te geven, inzonderheid door de invoering van maatregelen voor positieve discriminatie sluiten betreffende de vorming tijdens de loopbaan en het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van de beroepscompetenties van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel in het onderwijs voor sociale promotie. Artikel 121/3.Ten vroegste zes maanden nadat het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties aan het personeelslid werd meegedeeld, en voor zover het afrondingsgesprek heeft plaatsgevonden dat wordt bedoeld in artikelen 6.1.9-7, § 5 en 6.1.9-9, § 5 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs en artikelen 8.7, § 5 en 8.9, § 5 van het decreet van 30 juni 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom. 30/06/1998 pub. 01/09/1998 numac 1998029350 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet met betrekking tot de bijscholing van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en het opvoedend hulppersoneel in het onderwijs voor sociale promotie type decreet prom. 30/06/1998 pub. 22/08/1998 numac 1998029332 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet dat erop gericht is alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te geven, inzonderheid door de invoering van maatregelen voor positieve discriminatie sluiten betreffende de vorming tijdens de loopbaan en het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van de beroepscompetenties van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel en van de deskundigen in het onderwijs voor sociale promotie, stelt de directeur in geval van manifeste onwil ten aanzien van het genoemde plan of van manifest en herhaald onvermogen om de doelstellingen te bereiken die in het kader van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties samen met het personeelslid werden bepaald, een gemotiveerd rapport op ten behoeve van de inrichtende macht zodat die laatste het personeelslid kan evalueren. Afdeling 2. - Over het evaluatiemechanisme. Artikel 121/4.§ 1. Op basis van het in artikel 121/3 bedoelde rapport van de directeur kan de inrichtende macht het betrokken personeelslid beoordelen. Een evaluatiegesprek kan maar één keer per schooljaar plaatsvinden. § 2. Het personeelslid moet worden gehoord door de inrichtende macht, voordat de evaluatie als positief of negatief wordt bestempeld. Het personeelslid moet voor dit verhoor ten minste vijf werkdagen vóór de vastgestelde datum ervan worden opgeroepen. Tijdens dit verhoor kan het personeelslid zich laten bijstaan door een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van een instelling voor onderwijs dat wordt georganiseerd door de Franse Gemeenschap, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een afgevaardigde van een erkende vakbondsorganisatie. § 3. Na afloop van het evaluatiegesprek stelt de inrichtende macht een evaluatierapport op. Dit resulteert in een "positieve" of "negatieve" evaluatie. Of de evaluatie positief of negatief is, wordt gemotiveerd op basis van de elementen: 1° in het rapport van de directeur;2° in het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties;3° van het evaluatiegesprek. Het personeelslid wordt in kennis gesteld van het rapport en het wordt die laatste ter ondertekening voorgelegd. De procedure wordt voortgezet als het personeelslid weigert het rapport te ondertekenen. Als er geen evaluatierapport is, wordt het personeelslid geacht een positieve evaluatie te hebben gekregen. Artikel 121/5.§ 1. In geval van een "negatieve" evaluatie wordt een gesprek gepland tussen de inrichtende macht en/of de directeur aan wie de inrichtende macht delegatie verleent en het personeelslid, om een individueel begeleidingsplan op te stellen. Het plan is gebaseerd op de elementen die tijdens de evaluatie naar voren zijn gekomen, en bepaalt de doelstellingen die het personeelslid moet bereiken om volgende keer een positieve evaluatie te krijgen. Er kunnen maximaal vier doelstellingen worden vastgesteld. § 2. Na afloop van het individuele begeleidingsplan vindt een afrondingsgesprek plaats. Om het personeelslid in staat te stellen iets te doen aan het vastgestelde onvermogen, vindt het afrondingsgesprek ten vroegste na zes maanden in het betrokken ambt en ten laatste twee jaar na de kennisgeving van het individuele begeleidingsplan plaats. Van het afrondingsgesprek wordt een rapport opgesteld. Artikel 121/6.§ 1. Na een negatieve evaluatie moet de volgende evaluatie plaatsvinden binnen maximaal twee jaar na de mededeling van het individuele begeleidingsplan dat werd opgesteld naar aanleiding van de vorige evaluatie. Als dat niet gebeurt, wordt de evaluatie geacht positief te zijn. In afwijking van het vorige lid kan de tweede evaluatie binnen een langere periode plaatsvinden als het individuele begeleidingsplan wordt verlengd zoals bedoeld in § 3. Zoniet wordt het personeelslid geacht een positieve evaluatie te hebben gekregen. § 2. Het personeelslid moet worden gehoord door de inrichtende macht, voordat de evaluatie als positief of negatief wordt bestempeld. Een evaluatiegesprek kan maar één keer per schooljaar plaatsvinden. Het personeelslid moet voor dit verhoor ten minste vijf werkdagen vóór de vastgestelde datum ervan worden opgeroepen. Tijdens dit verhoor kan het personeelslid zich laten bijstaan door een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van een instelling voor onderwijs dat wordt georganiseerd door de Franse Gemeenschap, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een afgevaardigde van een erkende vakbondsorganisatie. § 3. Na afloop van het evaluatiegesprek stelt de inrichtende macht een evaluatierapport op. Dit resulteert in een "positieve" of "negatieve" evaluatie of, in geval van onderlinge overeenstemming tussen het personeelslid en de inrichtende macht, in een verlenging van het individuele begeleidingsplan. Het individuele begeleidingsplan wordt verlengd voor minimaal drie maanden en maximaal één jaar. Of de evaluatie positief of negatief is, wordt gemotiveerd op basis van het individuele begeleidingsplan bedoeld in artikel 121/15. Het personeelslid wordt in kennis gesteld van het evaluatierapport en het wordt die laatste ter ondertekening voorgelegd. De procedure wordt voortgezet als het personeelslid weigert het rapport te ondertekenen. Artikel 121/7.§ 1. Ingeval de tweede evaluatie in de verlenging van het individuele begeleidingsplan resulteert, wordt een gesprek gepland tussen de inrichtende macht en/of diens afgevaardigde aan wie de inrichtende macht delegatie verleent en het personeelslid, om een tweede individueel begeleidingsplan op te stellen dat een aanpassing is van het eerste individuele begeleidingsplan. Het plan is gebaseerd op de elementen die tijdens de evaluatie naar voren zijn gekomen, en bepaalt de niet-bereikte doelstellingen die het personeelslid moet bereiken om volgende keer een positieve evaluatie te krijgen. Het bevat de niet-bereikte doelstellingen van het vorige individuele begeleidingsplan die het personeelslid moet bereiken om volgende keer een positieve evaluatie te krijgen. Er kunnen maximaal vier doelstellingen worden vastgesteld. § 2. Na afloop van het tweede individuele begeleidingsplan vindt een afrondingsgesprek plaats. Om het personeelslid in staat te stellen iets te doen aan het vastgestelde onvermogen, vindt het afrondingsgesprek plaats ten vroegste na drie maanden in het betrokken ambt en ten laatste één jaar na de kennisgeving van het individuele begeleidingsplan dat werd aangepast naar aanleiding van de verlenging van het genoemde individuele begeleidingsplan. Van het afrondingsgesprek wordt een rapport opgesteld. Artikel 121/8.§ 1. Na het afrondingsgesprek van het tweede individuele begeleidingsplan en uiterlijk één jaar na de kennisgeving van het begeleidingsplan kan de inrichtende macht een derde evaluatie uitvoeren als het individuele begeleidingsplan werd verlengd. Zoniet wordt het personeelslid geacht een positieve evaluatie te hebben gekregen. § 2. Het personeelslid moet worden gehoord door de inrichtende macht, voordat de evaluatie als positief of negatief wordt bestempeld. Een evaluatie kan maar één keer per schooljaar plaatsvinden. Het personeelslid moet voor dit verhoor ten minste vijf werkdagen vóór de vastgestelde datum ervan worden opgeroepen. Tijdens dit verhoor kan het personeelslid zich laten bijstaan door een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van een instelling voor onderwijs dat wordt georganiseerd door de Franse Gemeenschap, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een afgevaardigde van een erkende vakbondsorganisatie. § 3. Na afloop van het evaluatiegesprek stelt de inrichtende macht een evaluatierapport op. Dit resulteert in een "positieve" of "negatieve" evaluatie. Of de evaluatie positief of negatief is, wordt gemotiveerd op basis van het individuele begeleidingsplan bedoeld in artikel 121/7. Het personeelslid wordt in kennis gesteld van het rapport en het wordt die laatste ter ondertekening voorgelegd. De procedure wordt voortgezet als het personeelslid weigert het rapport te ondertekenen. Artikel 121/9.Om een evaluatie te kunnen uitvoeren, moet aan een van de volgende voorwaarden worden voldaan: a. Ofwel wordt een lid van de inrichtende macht hiertoe opgeleid via de vorming bedoeld in artikel 132 van het decreet van 20 juli 2023 betreffende de ondersteuning, de ontwikkeling van de beroepscompetenties en de evaluatie van het onderwijzend personeel;b. Ofwel is een lid van de inrichtende macht een deskundige op het gebied van pedagogie of human resources;c. Ofwel laat de inrichtende macht zich bijstaan door een deskundige op het gebied van pedagogie of human resources. Artikel 121/10.In het kader van de voornoemde gesprekken en evaluaties moeten het personeelslid en zijn beoordelaar de volgende verplichtingen nakomen: 1° discretie;2° wederzijds respect. Bovendien moet de beoordelaar: 1° zijn instructies/advies/uitwisselingen met het personeelslid en zijn positieve of negatieve evaluatie op een gepaste en constructieve manier motiveren;2° het personeelslid helpen bij het bereiken van zijn doelstellingen;3° de plichten tot onpartijdigheid en objectiviteit nakomen. Artikel 121/11.Voor de berekening van de in artikelen 121/3, 121/5 en 121/7 bedoelde periodes wordt alleen rekening gehouden met de daadwerkelijk verleende diensten, met inbegrip van: 1° de jaarlijkse vakantie, met uitzondering van de zomervakantie;2° het verlof dat is voorzien in artikelen 5, 5bis, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen. Artikel 121/12.Kennisgevingen van documenten, beslissingen of oproepingen gebeuren per aangetekende brief met ontvangstbevestiging of persoonlijk met ontvangstbevestiging. Artikel 121/13.Als het personeelslid een "negatieve" evaluatie krijgt, kan het binnen de tien werkdagen na de kennisgeving van het evaluatierapport per aangetekende brief beroep instellen bij de Kamer van beroep, zoals bedoeld in artikelen 121/16 tot 121/24. Het stuurt hiervan onmiddellijk een kopie naar de inrichtende macht. Dit beroep werkt opschortend. Artikel 121/14.§ 1. Een inrichtende macht die een procedure overweegt die zou kunnen leiden tot een "negatieve" evaluatie van een vakbondsafgevaardigde in het kader van de procedure die is voorzien in artikelen 121/1 tot 121/12, moet de vakbondsafvaardiging, indien deze uit meerdere afgevaardigden bestaat, alsook de vakbondsorganisatie die de afgevaardigde heeft aangesteld, hiervan op voorhand op de hoogte brengen, op straffe van nietigheid. Deze kennisgeving gebeurt per aangetekende brief die van kracht wordt op de 3e werkdag na de datum van verzending. § 2. De betrokken vakbondsorganisatie beschikt over een periode van 10 dagen om de inrichtende macht per aangetekende brief mee te delen dat ze van mening is dat de voorgenomen maatregel is ingegeven door redenen eigen aan de uitoefening van het syndicaal mandaat, en om een vergadering te vragen van het Centraal overlegcomité bedoeld in artikel 31/1 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019Relevante gevonden documenten type decreet prom. 02/06/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998029331 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap sluiten1 tot oprichting van de overheidsinstelling belast met het ambt van inrichtende macht voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap. De periode van 10 dagen gaat in op de dag waarop de aangetekende brief van de inrichtende macht van kracht wordt. De periode van 10 dagen wordt echter opgeschort van 15 juli tot 15 augustus. § 3. Als de betrokken vakbondsorganisatie niet binnen de toegestane termijn reageert, betekent dit dat ze van mening is dat de beoogde maatregel niet is ingegeven door redenen eigen aan de uitoefening van het syndicaal mandaat. § 4. Na het verstrijken van de periode van 10 dagen kan de inrichtende macht de procedure voor het toekennen van een "negatieve" evaluatie voortzetten. Artikel 121/15.De regering legt de modellen vast van de rapporten van de directies voor de inrichtende macht, van de evaluatierapporten en van de individuele begeleidingsplannen. Artikel 121/16.Na overleg met de inrichtende macht en de erkende vakbondsorganisaties richt de regering Kamers van beroep voor evaluaties op, hierna de Kamers van beroep genoemd, die bevoegd zijn voor één of meer onderwijsgraden. De Kamers van beroep zijn alleen bevoegd om beroepen te behandelen waarin de in dit hoofdstuk bedoelde evaluatieprocedure voorziet. Ze zijn ook bevoegd om beroepen te behandelen waarin de evaluatieprocedure voor directeurs voorziet, zoals bedoeld door het decreet van 2 februari 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 02/02/2007 pub. 15/05/2007 numac 2007201245 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet tot vaststelling van het statuut van de directeurs sluiten tot vaststelling van het statuut van de directeurs en directrices in het onderwijs. Elke Kamer van beroep stelt haar eigen huishoudelijk reglement op, onder voorbehoud van goedkeuring door de regering. Artikel 121/17.De Kamers van beroep bestaan uit: 1° drie vertegenwoordigers van de inrichtende macht en drie vertegenwoordigers van de erkende vakbondsorganisaties.Elk van deze vakbondsorganisaties beschikt over ten minste één vertegenwoordiger; 2° een voorzitter en twee plaatsvervangende voorzitters die zijn aangesteld door de regering onder de magistraten, actief of met pensioen, of onder de algemene ambtenaren, actief of met pensioen, van het ministerie van de Franse Gemeenschap;3° een secretaris en een plaatsvervangend secretaris, aangesteld door de regering De regering stelt de leden aan bedoeld in 1° van het vorige lid op voordracht van de inrichtende macht en de erkende vakbondsorganisaties.Ze benoemt, onder dezelfde voorwaarden, twee plaatsvervangende leden voor elk gewoon lid. Indien geen plaatsvervangende leden worden voorgesteld, is de Kamer van beroep rechtsgeldig samengesteld. De leden van een Kamer van beroep worden aangesteld voor een mandaat van vier jaar. Hun mandaat kan worden verlengd. De vervanger van een lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt. De secretarissen en plaatsvervangende secretarissen van een Kamer van beroep staan in voor het secretariaat van die Kamer. Ze hebben geen stemrecht. Artikel 121/18.Zodra een beroep is ingesteld, stuurt de voorzitter de lijst van gewone en plaatsvervangende leden naar de eiser en de inrichtende macht. Binnen de tien dagen na ontvangst van deze lijst kan het personeelslid of de inrichtende macht verzoeken om maximaal drie leden te wraken. Ze mogen echter niet tegelijkertijd een gewoon lid en zijn twee plaatsvervangers wraken. Een lid kan vragen om te worden ontslagen als het van mening is dat het een moreel belang heeft bij de zaak, of als het van mening is dat er aan zijn onpartijdigheid kan worden getwijfeld. De voorzitter beslist welk gevolg aan dit verzoek moet worden gegeven. Hij kan een lid op dezelfde gronden ook ontslaan. Voorzitters, plaatsvervangende voorzitters, gewone leden en plaatsvervangende leden mogen niet zetelen in een zaak die hun echtgenoot of echtgenote of een bloed- of aanverwant tot in de vierde graad betreft. Artikel 121/19.De Kamer van beroep mag niet over een beroep beraadslagen indien de eiser niet de mogelijkheid heeft gehad om zich te verdedigen, en indien het dossier niet de elementen bevat op grond waarvan deze kamer met kennis van zaken een advies kan verstrekken, met name het rapport van de directeur en/of het (de) evaluatierapport(en). Artikel 121/20.De partijen worden binnen de twintig dagen na ontvangst van het beroep door de voorzitter opgeroepen per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, of persoonlijk met ontvangstbevestiging. Het personeelslid en de inrichtende macht kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van instellingen voor onderwijs dat wordt georganiseerd door de Franse Gemeenschap, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een erkende vakbondsorganisatie. Bij afwezigheid van een van de volgens de regels uitgenodigde partijen, of de verdediger ervan, doet de Kamer van beroep op rechtsgeldige wijze uitspraak tijdens haar tweede zitting. De twee zittingen mogen niet minder dan vijf dagen uit elkaar liggen. Wanneer de positieve of negatieve evaluatie volledig of gedeeltelijk verband houdt met een doelstelling die betrekking heeft op de pedagogische bekwaamheid van de eiser, kan de Kamer van beroep een beroep doen op de Algemene Inspectiedienst in zijn hoedanigheid van deskundige voor technische aspecten die verband houden met de disciplinaire en/of didactische dimensies. De voorzitter van de Kamer nodigt dan een vertegenwoordiger van de Algemene Inspectiedienst uit, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van een of meer leden, hetzij op verzoek van de eiser. Artikel 121/21.De in deze afdeling bedoelde periodes worden opgeschort tussen 15 juli en 15 augustus. Artikel 121/22.De Kamer van beroep kan alleen een advies verstrekken bij aanwezigheid van ten minste twee leden die de inrichtende macht vertegenwoordigen, en twee leden die de erkende vakbondsorganisaties vertegenwoordigen. Het aantal leden dat de inrichtende macht vertegenwoordigt en het aantal leden dat de personeelsleden vertegenwoordigt, moet gelijk zijn om deel te nemen aan de stemming. In voorkomend geval wordt de pariteit hersteld door een of meer leden uit te sluiten na een loting door de voorzitter. Als het in het vorige lid bedoelde quorum niet wordt bereikt, roept de voorzitter binnen de vijftien dagen een nieuwe vergadering bijeen. Tijdens deze vergadering kan een beslissing worden genomen, ongeacht het aantal aanwezige leden. Voor het advies wordt een geheime stemming gehouden. In geval van unanimiteit of een gewone meerderheid van stemmen plus één is het advies van de Kamer van beroep bindend. Alleen bij gelijkheid van stemmen beslist de voorzitter. In dit geval is het advies van de Kamer van beroep niet bindend. De Kamer van beroep bezorgt haar advies aan de inrichtende macht binnen de 45 dagen na de datum van ontvangst van het beroep. In haar advies geeft de Kamer van beroep op basis van de haar voorgelegde elementen aan of de positieve of negatieve evaluatie van het personeelslid al dan niet verantwoord is. In het advies van de Kamer van beroep wordt geen alternatief voorgesteld voor de beslissing van de inrichtende macht. Artikel 121/23.Het advies van de Kamer wordt binnen de vijf werkdagen na de vergadering waarin het werd gegeven, per aangetekende brief met ontvangstbevestiging aan de partijen betekend. Het advies wordt gemotiveerd. De inrichtende macht neemt haar beslissing binnen de 30 dagen na ontvangst van het in het vorige lid bedoelde advies en stelt de Kamer van beroep en het personeelslid in kennis van haar beslissing. In voorkomend geval geeft de inrichtende macht de redenen aan waarom het advies van de Kamer van beroep niet is gevolgd. Als het advies van de Kamer van beroep bindend is, wijzigt de inrichtende macht de positieve of negatieve evaluatie binnen de 30 dagen na ontvangst van het in de vorige paragraaf bedoelde advies en stelt ze de Kamer van beroep en het personeelslid in kennis van haar beslissing. Artikel 121/24.De werkingskosten van de Kamer van beroep zijn ten laste van de Franse Gemeenschap. De regering bepaalt de reis- en verblijfskostenvergoedingen voor de leden van de Kamers van beroep en de vergoedingen waarop de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitters recht hebben. " Art. 17.Aan artikel 168 van hetzelfde koninklijk besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° In lid 1 wordt een als volgt opgesteld punt 10° ingevoegd: "10° indien ze in het betrokken ambt het voorwerp zijn geweest van twee opeenvolgende "negatieve" evaluatierapporten over twee verschillende schooljaren, die definitief zijn geworden na uitputting van de procedures vóór de Kamer van beroep, zoals bedoeld in artikel 121/13;". 2° In lid 2 wordt het woord "10° " ingevoegd tussen de woorden "7° " en "verliest"." Art. 18.In lid 1 van artikel 169 van hetzelfde koninklijk besluit wordt een als volgt opgesteld punt 5° ingevoegd: "5° een tweede "negatieve" evaluatie zoals bedoeld in artikel 28septies van het decreet van 4 januari 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 04/01/1999 pub. 25/02/1999 numac 1999029087 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten sluiten betreffende de selectie- en bevorderingsambten, en in artikel 42 van het decreet van 2 februari 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 02/02/2007 pub. 15/05/2007 numac 2007201245 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet tot vaststelling van het statuut van de directeurs sluiten tot vaststelling van het statuut van de directeurs en directrices in het onderwijs. " HOOFDSTUK 2. - bepaling tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 juli 1969 tot vaststelling van de regels voor de rangschikking van de kandidaten voor een tijdelijke aanstelling in het rijksonderwijs Art. 19.In artikel 4bis van het koninklijk besluit van 22 juli 1969 tot vaststelling van de regels voor de rangschikking van de kandidaten voor een tijdelijke aanstelling in het rijksonderwijs, worden leden 2 tot 8 opgeheven. HOOFDSTUK 3. - bepalingen tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke, protestantse, Israëlitische, orthodoxe en islamitische godsdienst der onderwijsinstellingen van de Franse Gemeenschap Art. 20.Er wordt een als volgt opgesteld punt 11° toegevoegd aan artikel 4 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke, protestantse, Israëlitische, orthodoxe en islamitische godsdienst van de onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap: "11°. in het betrokken ambt tijdens de laatste twee schooljaren geen twee negatieve rapporten over de wijze van dienen of twee negatieve evaluatierapporten hebben gekregen, zoals bedoeld in artikel 7. " Art. 21.In artikel 5 van hetzelfde koninklijk besluit worden leden 1 tot 4 van § 4 opgeheven. Art. 22.In artikel 6, § 4 van hetzelfde koninklijk besluit wordt een als volgt opgesteld derde lid toegevoegd: "De in artikel 5 quater bedoelde tijdelijke, die een negatief evaluatierapport heeft gekregen, wordt opnieuw aangesteld in de instelling waar hij het vorige schooljaar was aangesteld, onder voorbehoud van de toepassing van voorrang bij de aanstelling van een beter gerangschikte kandidaat. " Art. 23.Artikel 7 van hetzelfde koninklijk besluit wordt vervangen door het volgende artikel: "Artikel 7 - Een tijdelijke leermeester godsdienst of leraar godsdienst wordt geacht zijn taak naar behoren te hebben uitgevoerd zolang de inrichtende macht geen negatief rapport over de wijze van dienen of een negatief evaluatierapport over hem heeft opgesteld. De evaluatie van het rapport over de wijze van dienen kan de volgende zijn: "positief" of "negatief". De evaluatie in het evaluatierapport kan de volgende zijn: "positief" of "negatief". Als er geen rapport is, wordt elk personeelslid geacht een positieve evaluatie te hebben gekregen. Per schooljaar mag een personeelslid slechts één evaluatierapport of één rapport over de wijze van dienen krijgen." Art. 24.Een als volgt opgesteld artikel 7bis is ingevoegd in hetzelfde koninklijk besluit: "Artikel 7bis - § 1. In voorkomend geval wordt het rapport over de wijze van dienen uiterlijk na afloop van elke activiteitsperiode opgesteld volgens het door de regering vastgestelde model. Het moet ter ondertekening worden voorgelegd aan het personeelslid op wie het betrekking heeft. De evaluatie van het rapport over de wijze van dienen moet op straffe van nietigheid worden gemotiveerd aan de hand van ten minste één positief of negatief feit dat wordt genoteerd op het moment dat het zich voordoet. Dit feit moet uitvoerig worden beschreven, worden gedateerd en ondertekend door de directeur en het personeelslid, en ter ondertekening voor ontvangst aan dat laatste worden voorgelegd. De procedure wordt voortgezet als het personeelslid weigert het rapport te ondertekenen. § 2. Het personeelslid heeft het recht om binnen de tien werkdagen na de kennisgeving van het genoemde rapport beroep in te stellen bij de Kamer van beroep, zoals bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk VIII van dit besluit. Het personeelslid dat gebruik maakt van zijn recht op beroep, stelt de inrichtende macht hiervan onmiddellijk in kennis. Dit beroep werkt opschortend. " Art. 25.In artikel 12 van hetzelfde koninklijk besluit wordt punt 8° vervangen door het volgende punt 8° : "8° In het toe te kennen ambt tijdens de laatste twee schooljaren en vóór de datum van de sollicitatieoproep geen negatief rapport over de wijze van dienen of een negatief evaluatierapport hebben gekregen." Art. 26.In artikel 16, § 2 van hetzelfde koninklijk besluit worden de woorden "of van de bevoegde inspectie" en de woorden "De motivering mag alleen betrekking hebben op aangelegenheden die specifiek op hen betrekking hebben" opgeheven. Art. 27.In artikel 17 wordt lid 1 van hetzelfde koninklijk besluit vervangen door een als volgt opgesteld lid 1: "Na afloop van de stage stelt de directeur een gedetailleerd rapport op over de wijze van dienen van de stage lopende leermeester of leraar godsdienst die onder zijn toezicht staat. Dit rapport heeft betrekking op de vormingsactiviteiten, de houding, het voorkomen en het verantwoordelijkheidsgevoel. Het neemt de inhoud van een eventueel individueel inspectierapport over pedagogische bekwaamheid over." Art. 28.In artikel 18, § 1, lid 1 van hetzelfde koninklijk besluit worden de woorden ", ofwel op gemotiveerde voordracht van de bevoegde inspecteur" opgeheven. Art. 29.Artikel 21 van hetzelfde koninklijk besluit wordt vervangen door een als volgt opgesteld artikel 21: "Het rapport van de directeur over de wijze van dienen van een stage lopende leermeester of leraar godsdienst wordt opgesteld volgens het door de regering vastgestelde model." Art. 30.Na artikel 26 van hetzelfde koninklijk besluit wordt een als volgt opgesteld Hoofdstuk VIbis ingevoegd: "Hoofdstuk VIbis. - Over de evaluatie van leermeesters en leraars godsdienst. Artikel 26/1.Hoofdstuk VIIIbis met betrekking tot de evaluatie van personeelsleden van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, is van toepassing op leermeester en leraars godsdienst. " Art. 31.Artikelen 29bis en 30 van hetzelfde koninklijk besluit worden opgeheven. Art. 32.Aan artikel 48 van hetzelfde koninklijk besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° Een als volgt opgesteld punt 9° wordt ingevoegd: "9° als ze binnen hetzelfde ambt twee opeenvolgende "negatieve" evaluatierapporten hebben gekregen, die definitief zijn geworden na uitputting van de procedures vóór de Kamer van beroep over twee verschillende schooljaren, zoals bedoeld in artikel 7 van dit besluit."; 2° Een als volgt opgesteld lid 2 wordt ingevoegd: "Elk personeelslid dat ambtshalve en zonder opzeggingstermijn wordt ontslagen overeenkomstig lid 1, 3°, 4°, 5°, 6 en 9°, verliest voor alle ambten het voordeel van de ingediende kandidaturen, alsook het aantal gewerkte dagen voor het ambt dat het uitoefende vóór zijn ontslag." Art. 33.Aan artikel 49 van hetzelfde koninklijk besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° er wordt een als volgt opgesteld punt 2bis° toegevoegd: "2bis: de bewaring van twee negatieve evaluatierapporten over twee verschillende schooljaren";2° een als volgt opgesteld lid 2 wordt ingevoegd: "Elk personeelslid dat ambtshalve en zonder opzeggingstermijn wordt ontslagen overeenkomstig lid 1, 2°, 2bis of 4°, verliest voor alle ambten het voordeel van de ingediende kandidaturen, alsook het aantal gewerkte dagen voor het ambt dat het uitoefende vóór zijn ontslag." Art. 34.In artikel 49 bis van hetzelfde koninklijk besluit wordt het woord "2bis° " ingevoegd tussen de woorden "2° " en "of° ". HOOFDSTUK 4. - bepalingen tot wijziging van het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs Art. 35.In artikel 34quater, § 3 van het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs wordt het 6e en laatste lid aangevuld met een als volgt opgesteld punt 6° : "6° het personeelslid krijgt over twee verschillende schooljaren twee opeenvolgende "negatieve" evaluaties van de inrichtende macht waarbinnen deze affectatie plaatsvindt, die definitief zijn geworden na uitputting van de procedures vóór de Kamer van beroep, zoals bedoeld in artikel 47ter/5 voor het betrokken ambt binnen een inrichtende macht van het gesubsidieerd vrij onderwijs van dezelfde aard. " Art. 36.In artikel 42, § 3 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen ingevoegd: 1° In lid 1, na de woorden "ter ondertekening aan de betrokkene.", wordt de volgende zin als volgt ingevoegd: "Als het Centraal Paritair Comité er niet in slaagt om binnen de vier maanden tot een overeenkomst te komen, zal de regering uitspraak doen in de plaats van het Comité. "; 2° er wordt als volgt een lid 13 ingevoegd: "De toekenning van een eerste definitieve "negatieve" evaluatie in het kader van de evaluatie bedoeld in afdeling 4 van dit hoofdstuk, staat gelijk aan een "negatief" rapport bij de evaluatie voorafgaand aan de definitieve aanwerving, zoals bedoeld in deze paragraaf.Per schooljaar mag het personeelslid niet zowel een evaluatierapport, zoals bedoeld in afdeling 4 van dit hoofdstuk, als een evaluatierapport voorafgaand aan de definitieve aanwerving, zoals bedoeld in de vorige paragraaf, krijgen." Art. 37.Na afdeling 3 van hoofdstuk III van hetzelfde decreet wordt een nieuwe afdeling 4 ingevoegd, met het volgende opschrift: "Afdeling 4. - Over het evaluatiemechanisme" Art. 38.De volgende bepalingen worden ingevoegd in het in artikel 37 ingevoegde afdeling 4 van hetzelfde decreet: "Artikel 47ter.- § 1. Een evaluatie kan maar één keer per schooljaar plaatsvinden. § 2. Elke eerste evaluatie moet worden voorafgegaan door een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties en een afrondingsgesprek zoals bedoeld in afdeling 3 van Hoofdstuk 9 van titel I van boek 6 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, in afdeling 3 van hoofdstuk Ibis van het decreet van 30 juni 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom. 30/06/1998 pub. 01/09/1998 numac 1998029350 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet met betrekking tot de bijscholing van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en het opvoedend hulppersoneel in het onderwijs voor sociale promotie type decreet prom. 30/06/1998 pub. 22/08/1998 numac 1998029332 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet dat erop gericht is …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.