← België

Decreet betreffende de statuten van de leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst

Kort samengevat

Dit decreet regelt de status van leermeesters en leraars godsdienst in het gesubsidieerd officieel onderwijs, inclusief hun aanstelling, plichten en onverenigbaarheden. Het bepaalt de voorwaarden waaronder zij hun ambt uitoefenen en de procedures die daarbij komen kijken.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

📄 Wettekst
10 MAART 2006. - Decreet betreffende de statuten van de leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst (1) Het Parlement van de Franse Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL I. - Statuut dat van toepassing is op de gesubsidieerde leermeesters godsdienst en leraars godsdienst van het gesubsidieerd officieel onderwijs HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Artikel 1.Deze titel is van toepassing : 1° Op de gesubsidieerde leermeesters godsdienst en leraars godsdienst van de inrichtingen van het gesubsidieerd officieel onderwijs die hun ambt in het lager, gespecialiseerd, secundair onderwijs en kunstonderwijs met volledig leerplan uitoefenen, met uitsluiting van die personeelsleden die geen wedde-subsidie ten laste van de Franse Gemeenschap genieten, behalve voor wat in de artikelen 24, § 2 en 31, § 2 vermeld is;2° Op de inrichtende machten van die onderwijsinrichtingen. Voor de toepassing van dit decreet : 1° wordt onder « vacante betrekking » verstaan : de betrekking die door de inrichtende macht wordt gecreëerd, die niet wordt toegekend aan een in vast verband benoemde leermeester godsdienst of leraar godsdienst in de zin van dit decreet, die in aanmerking kan komen voor de subsidieregeling van de Franse Gemeenschap en waarvoor een wedde-subsidie werd toegekend;2° worden de begrippen « hoofdambt » en « bijambt » bepaald door te verwijzen naar het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs;3° wordt onder « vereiste bekwaamheidsbewijzen » verstaan : de vereiste bekwaamheidsbewijzen vermeld als bijlage bij het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke, protestantse, israëlitische, orthodoxe en islamitische godsdienst van de onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap;4° wordt onder « hoofd van de eredienst » verstaan : de autoriteit die bevoegd is voor de betrokken eredienst, of haar afgevaardigde;5° wordt onder « paritaire commissies » verstaan : de paritaire commissies bedoeld in artikel 85 van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs;6° worden de termijnen berekend als volgt : a) de dag van de akte die er het begin van vaststelt, wordt niet meegerekend;b) de vervaldag wordt in de termijn meegerekend.Wanneer die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, met inbegrip van de feestdagen van of in de Franse Gemeenschap, dan wordt de vervaldag verschoven naar de eerstvolgende werkdag; 7° wordt onder « vertegenwoordigings- en coördinatieorganen van de inrichtende machten » verstaan : de organen onder deze die bedoeld zijn in artikel 5bis, § 1, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving waartoe inrichtende machten van het gesubsidieerd officieel onderwijs toetreden;8° wordt onder « godsdienst » verstaan : één van de erediensten bedoeld in artikel 8 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving; 9° wordt onder « ambten van leermeester godsdienst of leraar godsdienst » verstaan : de ambten van leermeester godsdienst of leraar godsdienst bedoeld in artikel 6, B, a), 2., Bbis, a), 3., C, a), 3., en D, a), 3., van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, van het maatschappelijk personeel der inrichtingen voor voorschools, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunstonderwijs en hoger onderwijs buiten de universiteit van de Franse Gemeenschap en de ambten der personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen. Art. 2.Het gebruik in dit decreet van de mannelijke namen voor de verschillende titels en ambten is tweeslachtig met het oog op de leesbaarheid van de tekst, onverminderd de bepalingen van het decreet van 21 juni 1993 betreffende de vervrouwelijking van de namen van beroep, ambt, graad of titel. Art. 3.Onverminderd artikel 21, worden de leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst tijdelijk aangesteld op de voordracht van het hoofd van de eredienst, door de inrichtende macht in vast verband benoemd en door haar geaffecteerd in een onderwijsinrichting. Art. 4.Elke bepaling die in een aanstellingsakte of in een arbeidsreglement vermeld staat, die strijdig is met de dwingende wettelijke bepalingen, met dit decreet of met de aanvullende regels die vastgesteld werden door de bevoegde paritaire commissies en bindend gemaakt werden, kan niet worden tegengeworpen. HOOFDSTUK II. - Plichten en onverenigbaarheden Afdeling I. - Plichten Art. 5.De leermeesters godsdienst en leraars godsdienst moeten in alles steeds de belangen van de onderwijsinrichting en van het officieel onderwijs behartigen. Art. 6.De leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst komen persoonlijk en nauwgezet de verplichtingen na, die hun zijn opgelegd door de wetten, decreten, besluiten en verordeningen, door de aanvullende regels van de paritaire commissies en door de aanstellingsakte. Ze komen de in de aanstellingsakte schriftelijk vastgelegde verplichtingen na die voortvloeien uit het specifieke karakter van het opvoedingsproject van de inrichtende macht waarbij ze hun ambt uitoefenen. Ze voeren stipt de dienstorders uit en vervullen hun taak met vlijt en nauwgezetheid. Art. 7.De leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst moeten zich met de meest volstrekte correctheid gedragen, zowel in hun dienstbetrekkingen als in hun omgang met de ouders van de leerlingen en het publiek, het personeel van de scholen en de leerlingen. Ze moeten elkander bijstaan in de mate waarin het belang van de inrichting zulks vereist. Ze moeten alles wat afbreuk kan doen aan de eer of de waardigheid van hun ambt vermijden. Ze vermijden elk ongewenst gedrag. Art. 8.De leermeesters godsdienst en leraars godsdienst mogen de leerlingen niet blootstellen aan politieke, godsdienstige of filosofische propaganda, of aan commerciële reclame. Art. 9.De leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst moeten, binnen de perken gesteld door de reglementering, door de aanvullende regels van de bevoegde paritaire commissie en door hun aanstellingsakte, de diensten verstrekken die noodzakelijk zijn voor de goede werking van de inrichtingen waarin ze hun ambt uitoefenen. Zij mogen zonder voorafgaande toelating van de inrichtende macht of haar vertegenwoordiger de uitoefening van hun ambt niet onderbreken. Art. 10.Het is de leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst verboden feiten bekend te maken, die zij zouden kennen ter oorzake van hun ambt en die van nature geheim zijn. Art. 11.Het is de leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst verboden rechtstreeks of door een tussenpersoon, zelfs buiten hun ambt doch omwille ervan, giften, geschenken, beloningen of enig ander voorbeeld te vragen, te eisen of aan te nemen. Art. 12.De leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst mogen zich niet inlaten met enige werkzaamheid die in strijd is met de Grondwet en de wetten van het Belgische volk, die de vernietiging van 's Lands onafhankelijkheid op het oog heeft of die de landsverdediging of de uitvoering van de verbintenissen van België strekkend tot het verzekeren van zijn veiligheid in gevaar brengt. Zij mogen niet toetreden tot, noch hun medehulp verschaffen aan een beweging, groepering, organisatie of vereniging met een soortgelijke werkzaamheid. Afdeling II. - Onverenigbaarheden Art. 13.Met de hoedanigheid van leermeester godsdienst of leraar godsdienst van een inrichting van het gesubsidieerd officieel onderwijs is onverenigbaar, elke activiteit die het vervullen van de ambtsplichten zou kunnen belemmeren of die in strijd is met de waardigheid van zijn ambt. Met de hoedanigheid van leermeester godsdienst of leraar godsdienst van een inrichting van het gesubsidieerd officieel onderwijs is eveneens onverenigbaar, elke activiteit die het vervullen van de plichten die voortvloeien uit het specifieke karakter van het opvoedingsproject van de inrichtende macht waaronder hij ressorteert, zou kunnen belemmeren. De in het tweede lid bedoelde onverenigbaarheden worden vermeld in elke aanstellings- of benoemingsakte. Art. 14.De inrichtende macht stelt de in artikel 13 bedoelde onverenigbaarheden vast. Ze brengt er bij aangetekend schrijven het betrokken personeelslid daar op de hoogte van binnen een termijn van twintig dagen vanaf de dag waarop ze de onverenigbaarheid vaststelt. De inrichtende macht die een onverenigbaarheid vaststelt, brengt daar eveneens het hoofd van de eredienst op de hoogte van. Art. 15.Bij betwisting betreffende het bestaan van één van de in artikel 13 vermelde onverenigbaarheden, kan de inrichtende macht of het personeelslid het advies van de plaatselijke paritaire commissie aanvragen binnen een termijn van acht dagen na de kennisgeving bedoeld in artikel 14, eerste lid. De paritaire commissie brengt haar advies uit binnen de twintig dagen. Na ontvangst van het advies van de plaatselijke paritaire commissie, beschikken de inrichtende macht en het personeelslid over een termijn van acht dagen om een beroep in te dienen voor de Raad van beroep bedoeld in artikel 49, die uitspraak doet door middel van een advies binnen een termijn van vijfenveertig dagen. Wanneer geen aanvraag om advies bij de plaatselijke paritaire commissie werd ingediend binnen de in het eerste lid bedoelde termijn, kan het personeelslid, binnen een termijn van achtentwintig dagen vanaf de kennisgeving bedoeld in artikel 14, eerste lid, een beroep indienen vóór de Raad van beroep bedoeld in artikel 49, die uitspraak doet door middel van een advies binnen een termijn van vijfenveertig dagen. Het personeelslid dat zijn verhaalrecht gebruikt, zendt er onmiddellijk een afschrift van aan zijn inrichtende macht en aan het hoofd van de eredienst over. In elk geval moet de eindbeslissing van de inrichtende macht in overeenstemming zijn met het advies dat door de Raad van beroep wordt uitgebracht. De eindbeslissing wordt door de inrichtende macht genomen binnen de maand volgend op de ontvangst van het advies. Er wordt een afschrift van aan het hoofd van de eredienst overgezonden. HOOFDSTUK III. - Werving Afdeling I. - Algemene bepalingen Art. 16.De ambten van leermeester godsdienst en leraar godsdienst kunnen worden uitgeoefend door de personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn of vast benoemd zijn. Art. 17.Bij zijn eerste aanstelling, legt de leermeester godsdienst of de leraar godsdienst de eed af in handen van de inrichtende macht of van haar afgevaardigde. De in het eerste lid bedoelde eed wordt afgelegd in de termen bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type decreet prom. 20/07/1831 pub. 07/02/2013 numac 2013000079 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Decreet op de drukpers type decreet prom. 20/07/1831 pub. 26/07/2012 numac 2012000423 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Decreet « betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie ». - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten. Akte wordt daarvan gegeven aan het personeelslid. Art. 18.§ 1. Voor de berekening van de dienstanciënniteit bedoeld in dit hoofdstuk, worden alle diensten in aanmerking genomen die door de Franse Gemeenschap gepresteerd en gesubsidieerd werden op het einde van het lopende schooljaar en die door tijdelijk aangestelde personeelsleden of vastbenoemde personeelsleden werden gepresteerd in de door de inrichtende macht georganiseerde onderwijsinrichtingen, in de ambten van leermeester godsdienst of leraar godsdienst, als hoofdambt, en voor zover het personeelslid houder is van het bekwaamheidsbewijs dat voor dat ambt vereist is. Het aantal dagen verworven als tijdelijk personeelslid in een ambt met volledige dienstprestaties wordt berekend door alle dagen mee te tellen vanaf het begin tot het einde van de ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van, als deze in die periode vallen, het ontspanningsverlof, de winter- en lentevakantie, de moederschapsrust, het verlof voor opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij, respectievelijk bepaald in de artikelen 5 en 5bis van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen. Het aantal dagen verworven als vast benoemd personeelslid in een ambt met volledige dienstprestaties wordt berekend door alle dagen mee te tellen vanaf het begin tot het einde van de ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van het ontspanningsverlof, de winter- en lentevakantie, de moederschapsrust, het verlof voor opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij, respectievelijk bepaald in de artikelen 5 en 5bis van het voormelde koninklijk besluit van 15 januari 1974, zoals in vorig lid vermeld. De diensten gepresteerd in een ambt met onvolledige dienstprestaties dat ten minste de helft van het aantal uren telt dat vereist is voor het ambt met volledige dienstprestaties, worden in aanmerking genomen net zoals de diensten die in een ambt met volledige prestaties werden gepresteerd. Het aantal dagen verworven in een ambt met onvolledige dienstprestaties dat niet de helft van het aantal dagen telt dat vereist is voor het ambt met volledige dienstprestaties, wordt met de helft verminderd. Het aantal dagen verworven in één of meer ambten met volledige of onvolledige dienstprestaties, die gelijktijdig werden gepresteerd, mag nooit hoger zijn dan het aantal dagen verworven in een ambt met volledige prestaties dat gedurende dezelfde periode wordt uitgeoefend. De duur van de diensten die door het personeelslid gepresteerd zijn, mag nooit hoger zijn dan 300 dagen per schooljaar, die een anciënniteitsjaar uitmaken. § 2. Voor de berekening van de ambtsanciënniteit bedoeld in dit hoofdstuk, worden alle diensten in aanmerking genomen die door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd worden en die door tijdelijk aangestelde personeelsleden of door vastbenoemde personeelsleden werden gepresteerd in de door de inrichtende macht georganiseerde onderwijsinrichtingen, in de ambten van leermeester godsdienst of leraar godsdienst, als hoofdambt, en voor zover het personeelslid houder is van het bekwaamheidsbewijs dat voor dat ambt vereist is. Voor de berekening van de anciënniteit bedoeld in deze paragraaf, zijn de bepalingen van de leden 2 tot 5 en 7 van paragraaf 1 op hen toepasselijk. Afdeling II. - Tijdelijke aanstelling en tijdelijke personeelsleden Art. 19.Voor de toepassing van deze afdeling, dient te worden verstaan onder « inrichtende macht » : 1° In het onderwijs dat door de steden en gemeenten wordt georganiseerd, het college van burgemeester en schepenen,;2° In het onderwijs dat door de provincies wordt georganiseerd, de bestendige deputatie van de provincieraad;3° In de inrichtingen georganiseerd door de Franse Gemeenschapscommissie, het College van die instelling;4° In de onderwijsinrichtingen die onder de intercommunale verenigingen ressorteren, de raad van bestuur van die instellingen. Elke aanstelling door het college van burgemeester en schepenen wordt de gemeenteraad binnen een termijn van drie maanden ter bekrachtiging voorgelegd. Art. 20.§ 1. Niemand kan door een inrichtende macht tijdelijk worden aangesteld als hij, op het ogenblik van zijn aanstelling, niet voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° Belg zijn of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, behalve door de Regering toe te kennen vrijstelling;2° van onberispelijk gedrag zijn;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;4° houder zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs in verband met het toe te kennen ambt;5° voldoen aan de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de taalregeling;6° voldaan hebben aan de dienstplichtwetten;7° geen schorsing bij tuchtmaatregel, tuchtschorsing, terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel of op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel ondergaan die werd opgelegd door de inrichtende macht waaronder hij ressorteert of door een andere inrichtende macht. § 2. Bij tekort aan personeelsleden en in afwijking van § 1, 4°, kan de inrichtende macht, op de voordracht van het hoofd van de eredienst, een persoon tijdelijk aanstellen die geen houder is van het vereiste bekwaamheidsbewijs. § 3. De inrichtende macht kan een leermeester godsdienst of leraar godsdienst pas tijdelijk aanstellen nadat aan de in hoofdstuk IX bedoelde bepalingen werd voldaan. Art. 21.De leermeesters godsdienst en leraars godsdienst worden door de inrichtende macht tijdelijk aangesteld. Behalve als zij prioritair zijn in de zin van artikel 23, § 1 en § 3, worden de leermeesters godsdienst en leraars godsdienst tijdelijk aangesteld op de voordracht van het hoofd van de eredienst. Een afschrift van de akte van tijdelijke aanstelling wordt overgezonden aan het hoofd van de eredienst. Art. 22.Elke aanstelling wordt schriftelijk bepaald en vermeldt ten minste : 1° de identiteit van de inrichtende macht;2° de identiteit van het personeelslid;3° het uit te oefenen ambt alsook de kenmerken en het volume van de opdracht;4° de inrichting of de inrichtingen waarin het wordt geaffecteerd;5° als de betrekking al dan niet vacant is, en, in dit laatste geval, de naam van de titularis van de betrekking en, in voorkomend geval, van zijn tijdelijke vervanger;6° in voorkomend geval, de aanvullende verplichtingen bedoeld in artikel 6 en de onverenigbaarheden bedoeld in artikel 13;7° de datum van indiensttreding;8° de datum waarop de aanstelling eindigt.Die datum stemt uiterlijk met het einde van het lopende schooljaar overeen. Op het ogenblik van de aanstelling reikt de inrichtende macht de leermeester godsdienst of de leraar godsdienst een schriftelijke akte uit die de in het eerste lid bepaalde vermeldingen opneemt. Bij gebrek aan een geschrift, wordt het tijdelijk personeelslid geacht aangesteld te zijn in het ambt, de opdracht en de betrekking dat/die het werkelijk bekleedt. Op het einde van elke activiteitsperiode, reikt de inrichtende macht het tijdelijk personeelslid een attest uit waarin de gepresteerde diensten, voor elk uitgeoefend ambt, samen met de begin- en einddatums, alsook de aard van het ambt en het percentage van de ambtsbekleding, worden vermeld. Zij reikt eveneens het personeelslid alle sociale documenten uit. Art. 23.§ 1. Voor elke aanstelling als tijdelijke leermeester godsdienst of leraar godsdienst, in een ambt waarvoor het personeelslid het vereiste bekwaamheidsbewijs bezit, is prioritair in een inrichtende macht en wordt in de rangschikking binnen die inrichtende macht opgenomen, het personeelslid dat het bewijs kan leveren van 360 dagen die werkelijk werden gepresteerd in één van de ambten van leermeester godsdienst of leraar godsdienst, in hoofdambt bij die inrichtende macht, verdeeld over ten minste twee schooljaren, en verworven gedurende de laatste vijf schooljaren. De aanstellingen geschieden met inachtneming van de rangschikking. Die rangschikking wordt bepaald op grond van het aantal dagen dienstanciënniteit berekend overeenkomstig artikel 18, § 1. Bij gelijke dienstanciënniteit, wordt de voorrang verleend aan het personeelslid met de grootste ambtsanciënniteit, berekend overeenkomstig artikel 18, § 2. Bij gelijke ambtsanciënniteit, wordt de voorrang verleend aan het oudste personeelslid. Bij gelijke leeftijd, wordt de voorrang verleend aan het personeelslid waarvan het jaar van uitreiking van het vereiste bekwaamheidsbewijs voor het ambt waarnaar wordt gesolliciteerd het oudste is. § 2. Na uitputting van de lijst van de prioritaire kandidaten bedoeld in § 1, stelt het hoofd van de eredienst, bij wijze van voorrang, de tijdelijke aanstelling voor, als leermeester godsdienst of leraar godsdienst in een ambt waarvoor het personeelslid het vereiste bekwaamheidsbewijs bezit, van het personeelslid dat het bewijs kan leveren van 360 dagen die werkelijk werden gepresteerd in één van de ambten van leermeester godsdienst of leraar godsdienst, in hoofdambt in het gesubsidieerd officieel onderwijs, verdeeld over ten minste twee schooljaren, en verworven gedurende de laatste vijf schooljaren : 1° In het lager, gewoon en gespecialiseerd onderwijs, binnen de inrichtende machten van elk van de zones zoals bepaald in artikel 1, 8°, van het decreet van 14 maart 1995 tot bevordering van het welslagen in de basisscholen;2° In het secundair en kunstonderwijs, binnen de inrichtende machten van elk van de zones zoals bepaald in artikel 8 van het decreet van 12 mei 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/05/2004 pub. 23/06/2004 numac 2004029221 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de vaststelling van de schaarste en bepaalde Commissies in het buitengewoon of door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs type decreet prom. 12/05/2004 pub. 10/06/2004 numac 2004029174 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet tot wijziging van het decreet van 27 maart 2002 betreffende de leermeesters en leraars godsdienst sluiten betreffende de vaststelling van de schaarste en bepaalde Commissies in het buitengewoon of door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs. De aanstellingen geschieden met inachtneming van de rangschikking. Die wordt bepaald door het hoofd van de eredienst op grond van het aantal dagen dienstanciënniteit berekend overeenkomstig artikel 18, § 1. Bij gelijke dienstanciënniteit wordt de voorrang verleend aan het personeelslid met de grootste ambtsanciënniteit berekend overeenkomstig artikel 18, § 2. Bij gelijke ambtsanciënniteit, wordt de voorrang verleend aan het oudste personeelslid. Bij gelijke leeftijd, wordt de voorrang verleend aan het personeelslid waarvan het jaar van uitreiking van het vereiste bekwaamheidsbewijs voor het ambt waarnaar wordt gesolliciteerd het oudste is. § 3. Na uitputting van de lijst van de prioritaire kandidaten bedoeld in § 1 en § 2, en volgens door de paritaire commissie nader te bepalen regels, is de inrichtende macht ertoe gehouden de leermeesters godsdienst of de leraars godsdienst geworven in een niet gesubsidieerde betrekking van hetzelfde ambt, elke gesubsidieerde betrekking van hetzelfde ambt aan te bieden, voor zover zij houder zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs en zij in de uitoefening van een niet gesubsidieerde betrekking een anciënniteit hebben verworven die kan worden vergeleken met die van de prioritaire personeelsleden bedoeld in § 1. § 4. Nadat de mogelijke beroepsprocedures zijn uitgeput, komen de diensten waaraan een einde wordt gemaakt door een ontslag niet in aanmerking voor de berekening van de in § 1 en § 2 bedoelde 360 dienstdagen, bij de inrichtende macht die aan dat ambt een einde heeft gemaakt, behalve als die de ontslagen leermeester godsdienst of leraar godsdienst opnieuw aanstelt. § 5. De voorrang bedoeld in het eerste lid van de paragrafen 1, 2 en 3, geldt voor alle betrekkingen die vacant zijn alsook voor betrekkingen die niet vacant zijn en waarvan de titularis of het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt, moet worden vervangen voor een ononderbroken periode van ten minste vijftien weken. § 6. De kandidaten bedoeld in § 1, eerste lid en in § 3, eerste lid, die wensen gebruik te maken van hun voorrangrecht, moeten, op straffe van verval voor het betrokken schooljaar, hun kandidatuur bij aangetekend schrijven indienen, vóór 31 mei, bij de inrichtende macht waarbij zij een voorrang hebben verworven. Dat schrijven vermeldt het ambt waarop de kandidatuur betrekking heeft. Iedere kandidaat wordt op de hoogte gebracht van zijn volgnummer in de rangschikking. § 7. De kandidaten bedoeld in § 2, eerste lid, die wensen gebruik te maken van hun voorrangrecht, moeten, op straffe van verval voor het betrokken schooljaar, hun kandidatuur bij aangetekend schrijven indienen, vóór 31 mei, bij het hoofd van de eredienst. Dat schrijven vermeldt het ambt waarop de kandidatuur betrekking heeft, alsook de zone(s) waarvoor de kandidaat wenst zijn voorrang te doen gelden. Samen met dat schrijven worden de afschriften van de attesten bedoeld in artikel 22, derde lid, toegestuurd. Iedere kandidaat wordt op de hoogte gebracht van zijn volgnummer in de rangschikking. § 8. De akte waarbij de kandidaat zijn voorrang doet gelden, is geldig voor het volgende schooljaar. De kandidaat die de betrekking niet aanvaardt die hem wordt aangeboden overeenkomstig de voorrangregels, verliest zijn voorrang voor een betrekking in hetzelfde ambt gedurende het lopende schooljaar, binnen de inrichtende macht voor de voorrang bedoeld in § 1 en binnen de zone voor de voorrang bedoeld in § 2, behalve als hij redenen kan laten gelden die door de lokale paritaire commissie worden aanvaard. § 9. De anciënniteit bedoeld in deze bepaling wordt berekend op de laatste dag van het schooljaar. § 10. Bij ontslag verliest een tijdelijk aangestelde leermeester godsdienst of leraar godsdienst de voorrang die verworven is bij de betrokken inrichtende macht. Hij wint die echter terug indien hij door die inrichtende macht opnieuw wordt aangesteld. § 11. Op gewone aanvraag van de kandidaten en tegen terugbetaling van de verzendingskosten, bezorgt de bevoegde administratie van het Ministerie van de Franse Gemeenschap de lijst van de gesubsidieerde officiële scholen of inrichtingen met vermelding van de inrichtende macht die deze organiseert, voor elke zone en elk onderwijsniveau en elke onderwijsvorm. In dezelfde voorwaarden, bezorgt zij ook de lijst van de gesubsidieerde officiële scholen of inrichtingen gelegen op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, met vermelding van de inrichtende macht die ze organiseert. Art. 24.§ 1. Niemand kan door een inrichtende macht tijdelijk worden aangesteld overeenkomstig de voorrang bedoeld in artikel 23, als hij niet voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° Belg zijn of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, behalve door de Regering toe te kennen vrijstelling;2° van onberispelijk gedrag zijn;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;4° voldaan hebben aan de dienstplichtwetten;5° houder zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs in verband met het toe te kennen ambt;6° voldoen aan de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de taalregeling;7° geen schorsing bij tuchtmaatregel, tuchtschorsing, terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel of op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel ondergaan die werd opgelegd door de inrichtende macht waaronder hij ressorteert of door een andere inrichtende macht.8° gedurende de laatste twee schooljaren, geen ongunstig rapport van de inrichtende macht of haar afgevaardigde of van de bevoegde inspectie hebben gekregen;9° gerangschikt worden als prioritair personeelslid volgens de nadere regels bepaald in artikel 23. De kandidaat voor een tijdelijke aanstelling krachtens de voorrang bedoeld in artikel 23 die in het betrokken ambt, gedurende de laatste twee schooljaren, geen ongunstig rapport van de inrichtende macht of haar afgevaardigde of van de bevoegde inspectie heeft gekregen, wordt geacht te voldoen aan de voorwaarde vermeld in het eerste lid, 8° . Het rapport wordt voor visum aan de betrokkene voorgelegd. De procedure wordt voortgezet wanneer het personeelslid weigert het rapport te viseren. Indien het personeelslid oordeelt dat de inhoud van het rapport niet gegrond is, dan deelt het dit mee naar aanleiding van dit visum; binnen de tien werkdagen volgend op de ontvangst van dat rapport, heeft het personeelslid het recht een beroep vóór de Raad van beroep bedoeld in artikel 49 in te dienen. Het personeelslid dat gebruik maakt van zijn recht van beroep zendt onmiddellijk een afschrift van zijn verzoek aan zijn inrichtende macht en aan het hoofd van de eredienst. De Raad van beroep geeft zijn advies aan de inrichtende macht binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum van ontvangst van het beroep. De inrichtende macht neemt haar beslissing binnen een termijn van één maand vanaf de ontvangst van het advies van de Raad van beroep. Een afschrift van de beslissing wordt gericht aan het hoofd van de eredienst. Wanneer het advies van de Raad van beroep betrekking heeft op een ongunstig rapport van de bevoegde inspectie, dan is het bindend voor de inrichtende macht. § 2. Paragraaf 1 is eveneens van toepassing op de leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst die een moederschapsrust, een arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een arbeidsongeval of een ziekteverlof genieten. Het aantal dagen bedoeld in artikel 19 van het decreet van 5 juli 2000Relevante gevonden documenten type decreet prom. 05/07/2000 pub. 18/08/2000 numac 2000029268 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende de regeling inzake verlof en disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit van sommige personeelsleden uit het onderwijs sluiten houdende de regeling inzake verlof en disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit van sommige personeelsleden uit het onderwijs wordt het personeelslid toegekend vanaf de eerste indiensttreding die volgt op zijn aanstelling en wordt berekend vanaf de dag van die werkelijke indiensttreding. De afwezigheden wegens ziekte van een personeelslid dat overeenkomstig het eerste lid aangesteld is, zijn in overeenstemming met het aantal dagen die het kan genieten bij toepassing van artikel 20 van hetzelfde decreet. Art. 25.§ 1. Op het einde van een dienstactiviteitsperiode van ten minste zes maanden van een tijdelijke leermeester godsdienst of leraar godsdienst, maakt de inrichtende macht of haar afgevaardigde een met redenen omkleed rapport op over de wijze waarop het personeelslid zijn taak heeft vervuld. Dat rapport heeft uitsluitend betrekking op de opvoedingsactie, het gedrag en het verzorgd voorkomen, het correcte taalgebruik en de verantwoordelijkheidszin. Het betreft niet de beroeps- en pedagogische bekwaamheid; die wordt uitsluitend door de inspecteurs voor de betrokken godsdienst beoordeeld. Het rapport wordt voor visum voorgelegd aan het tijdelijk personeelslid waarop het betrekking heeft. Indien het personeelslid oordeelt dat de inhoud van het rapport niet gegrond is, meldt het dit naar aanleiding van het visum. § 2. Het rapport van de inrichtende macht of haar afgevaardigde over de wijze waarop een tijdelijke leermeester godsdienst of een tijdelijke leraar godsdienst zijn taak heeft vervuld, alsook het rapport van de inspecteur godsdienst over de beroeps- en pedagogische bekwaamheid van dat personeelslid worden opgemaakt volgens het model dat door de Regering wordt vastgesteld. Art. 26.§ 1. Mits een opzeggingstermijn van veertien dagen, ingaande op de dag van de kennisgeving ervan, kan een niet-prioritaire tijdelijke leermeester godsdienst of leraar godsdienst worden ontslagen door de inrichtende macht waaronder hij ressorteert, ofwel op initiatief van deze na raadpleging van het hoofd van de eredienst ofwel op de voordracht van het hoofd van de eredienst. Dat ontslag wordt met redenen omkleed, op straffe van nietigheid. Voordat het personeelslid in kennis wordt gesteld dat het wordt ontslagen, moet het uitgenodigd worden om gehoord te worden door de inrichtende macht of het hoofd van de eredienst, naar gelang van het geval. De uitnodiging tot de hoorzitting alsook de redenen waarom de inrichtende macht of het hoofd van de eredienst het personeelslid wil ontslaan, moeten hem ten minste vijf werkdagen vóór de hoorzitting worden meegedeeld, ofwel bij een ter post aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, ofwel door de overhandiging van een schrijven met ontvangstbewijs. Naar aanleiding van de hoorzitting kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, een vertegenwoordiger gekozen onder de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs, in actieve dienst of in ruste, of door een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het behoorlijk uitgenodigde personeelslid zich niet bij de hoorzitting aanmeldt of er niet wordt vertegenwoordigd. Als het personeelslid of zijn vertegenwoordiger echter overmacht kan laten gelden waarbij zijn afwezigheid bij de hoorzitting kan worden gerechtvaardigd, dan wordt het uitgenodigd voor een nieuwe hoorzitting die hem overeenkomstig het tweede lid wordt meegedeeld. In dat geval, en zelfs indien noch het personeelslid noch zijn vertegenwoordiger zich bij de hoorzitting hebben aangemeld, wordt de procedure geldig voortgezet. Wanneer het ontslag door het hoofd van de eredienst wordt voorgesteld, dan zendt het zijn voorstel aan de inrichtende macht over die het tijdelijk personeelslid een opzeggingsbrief meedeelt, voor zover de voorafgaande bepalingen in acht zijn genomen. Het tijdelijk personeelslid dat de opzeggingsbrief heeft gekregen, kan, binnen de tien dagen na de kennisgeving ervan, een beroep indienen tegen de beslissing tot ontslag bij de in artikel 49 bedoelde Raad van beroep. Het personeelslid dat gebruik maakt van zijn recht van beroep, deelt onmiddellijk een afschrift ervan mee aan zijn inrichtende macht en aan het hoofd van de eredienst. De Raad van beroep brengt de inrichtende macht een advies uit binnen een maximumtermijn van vijfenveertig dagen vanaf de datum van ontvangst van het beroep. De beslissing wordt door de inrichtende macht genomen binnen de dertig dagen na de ontvangst van het advies van de Raad van beroep. Wanneer het ontslag werd meegedeeld op de voordracht van het hoofd van de eredienst, dan is het advies van de Raad van beroep bindend voor de inrichtende macht. Het beroep heeft geen schorsende kracht. Het tijdelijk personeelslid wordt door de Raad van beroep gehoord. Het kan zich laten bijstaan door een advocaat, een vertegenwoordiger gekozen onder de personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs, in dienstactiviteit of in ruste, of door een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie. § 2. Als de tijdelijke leermeester godsdienst of de leraar godsdienst prioritair is in de zin van artikel 23, § 1, dan wordt dezelfde procedure als deze die in § 1 bepaald is, toegepast. In die hypothese is het advies van de Raad van beroep in ieder geval bindend voor de inrichtende macht. Art. 27.De inrichtende macht kan elke tijdelijke leermeester godsdienst of leraar godsdienst, zonder opzeggingstermijn, wegens zware fout, ontslaan. Onder zware fout wordt verstaan, elke tekortkoming die elke beroepsmedewerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt tussen het personeelslid en de inrichtende macht waaronder het ressorteert. Zodra de inrichtende macht in kennis werd gesteld van feiten die een zware fout kunnen uitmaken, roept ze, bij een ter post aangetekend schrijven, het personeelslid voor een hoorzitting op, die ten vroegste vijf werkdagen en uiterlijk tien werkdagen na de verzending van de oproepingsbrief moet plaatsvinden. Indien de inrichtende macht na de hoorzitting van mening is dat er voldoende elementen zijn die een zware fout bewijzen, kan ze, binnen de drie dagen die volgen op de hoorzitting, het ontslag uitvoeren. Het ontslag wordt gestaafd door het bewijs dat de verweten feiten wel hebben plaatsgevonden. Daarvan wordt het personeelslid kennis gegeven ofwel bij deurwaardersexploot ofwel bij een ter post aangetekend schrijven, dat de derde werkdag volgend op de datum van de verzending ervan uitwerking heeft. Bij de hoorzitting kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, een verdediger gekozen onder de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs, in dienstactiviteit of in ruste, of door een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie. Art. 28.Van de beslissing tot ontslag wordt door de inrichtende macht het personeelslid kennis gegeven. Die kennisgeving wordt uitgevoerd door de overhandiging van een geschrift, of door de verzending van een ter post aangetekend schrijven, of bij een deurwaardersexploot. De handtekening van de persoon aan wie het geschrift werd overhandigd, bewijst enkel dat hij ontvangst van dat geschrift meldt. Als de kennisgeving gebeurt door de verzending van een ter post aangetekend schrijven, heeft ze uitwerking op de derde werkdag volgend op die waarop ze werd verzonden. Het geschrift vermeldt de datum van het begin van de opzeggingstermijn, dat niet vroeger kan zijn dan de datum van de overhandiging van het geschrift, en de duur ervan. Als de kennisgeving niet heeft plaatsgevonden, dan wordt de beslissing tot ontslag geacht nooit te hebben bestaan. Er wordt een afschrift van de beslissing aan het hoofd van de eredienst overgezonden. Art. 29.Een tijdelijk aangestelde leermeester godsdienst of leraar godsdienst kan zijn ontslag indienen. Indien dat ontslag niet door de inrichtende macht wordt aanvaard, dan wordt het gegeven mits een opzeggingstermijn van acht dagen. Het tijdelijk personeelslid geeft de inrichtende macht kennis van zijn beslissing tot ontslag. Die kennisgeving geschiedt door de overhandiging van een geschrift, of door de verzending van een ter post aangetekend schrijven, of bij een deurwaardersexploot. De handtekening van de persoon aan wie het geschrift werd overhandigd, bewijst enkel dat hij ontvangst van dat geschrift meldt. Als de kennisgeving gebeurt door de verzending van een ter post aangetekend schrijven, heeft ze uitwerking op de derde werkdag volgend op die waarop ze werd verzonden. Het geschrift vermeldt de datum van het begin van de opzeggingstermijn, dat niet vroeger kan zijn dan de datum van de overhandiging van het geschrift, en de duur ervan. Als het gaat om een aanvaard ontslag, vermeldt het geschrift de datum waarop het uitwerking heeft. Als de kennisgeving niet heeft plaatsgevonden, dan wordt de beslissing tot ontslag geacht nooit te hebben bestaan. Er wordt een afschrift van de beslissing aan het hoofd van de eredienst overgezonden. Afdeling III. - Benoeming in vast verband en vastbenoemde personeelsleden Art. 30.De inrichtende macht voert een benoeming in vast verband uit in een vacante betrekking van een leermeester godsdienst of leraar godsdienst, behalve : 1° als zij, krachtens de bepalingen bedoeld in hoofdstuk IX, die betrekking moet toekennen aan een leermeester godsdienst of een leraar godsdienst die ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking of die een gedeeltelijk opdrachtverlies heeft geleden;2° als zij de betrekking bij wijze van mutatie of van verandering van affectatie reeds heeft toegekend overeenkomstig de bepalingen bedoeld in artikel 35. Art. 31.§ 1. Niemand kan in vast verband worden benoemd, indien hij niet voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° Belg zijn of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, behalve door de Regering toe te kennen vrijstelling;2° van onberispelijk gedrag zijn;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;4° voldaan hebben aan de dienstplichtwetten;5° houder zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs in verband met het toe te kennen ambt;6° voldoen aan de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de taalregeling;7° zijn kandidatuur hebben ingediend in de vorm en binnen de termijn vastgesteld bij de oproep tot de kandidaten.De vorm en de termijn worden door de plaatselijke paritaire commissie vooraf bepaald; 8° gerangschikt worden als prioritair personeelslid volgens de nadere regels vastgesteld in artikel 23, § 1;9° 600 dagen dienstanciënniteit tellen, waarvan 240 dagen in het betrokken ambt, met uitzondering van de personeelsleden bedoeld in artikel 34, tweede lid.De 600 dagen anciënniteit die verworven werden ten dienste van de inrichtende macht moeten over ten minste drie schooljaren worden verdeeld; 10° geen schorsing bij tuchtmaatregel, tuchtschorsing, terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel of op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel ondergaan die werd opgelegd door de inrichtende macht waaronder hij ressorteert of door een andere inrichtende macht;11° op het einde van de in 9° bedoelde periode, een gunstig rapport van de inrichtende macht of haar afgevaardigde en van de bevoegde inspectie hebben gekregen. In afwijking van het eerste lid, 9°, moet het personeelslid bedoeld in artikel 34, derde lid, een anciënniteit van 180 dagen in het betrokken ambt tellen. De voorwaarden vermeld in het eerste lid, 1° tot 6° en 10° moeten op het ogenblik van de benoeming in vast verband worden vervuld. De kandidaat voor een benoeming in vast verband wordt geacht te voldoen aan de voorwaarde vermeld in het eerste lid, 11°, zolang geen ongunstig rapport over hem door de inrichtende macht of haar afgevaardigde of door de bevoegde inspectie wordt opgesteld. Het rapport wordt voor visum voorgelegd aan de betrokkene. De procedure wordt voortgezet wanneer het personeelslid weigert het rapport te viseren. Indien het personeelslid van mening is dat de inhoud van dat rapport niet gegrond is, vermeldt het dit naar aanleiding van het visum, en, binnen de tien werkdagen volgend op de ontvangst van dat rapport, heeft het het recht een beroep in te dienen vóór de Raad van beroep bedoeld in artikel 49. Het personeelslid dat gebruik maakt van zijn recht van beroep zendt er onmiddellijk een afschrift van aan zijn inrichtende macht en aan het hoofd van de eredienst. De Raad van beroep brengt de inrichtende macht zijn advies uit binnen een termijn van twee maanden volgend op de datum van ontvangst van het beroep. De inrichtende macht neemt haar beslissing binnen een termijn van één maand vanaf de dag van de ontvangst van het advies van de Raad van beroep. Er wordt een afschrift van de beslissing aan het hoofd van de eredienst meegedeeld. Wanneer het advies van de Raad van beroep een ongunstig rapport van de bevoegde inspectie betreft, dan is het bindend voor de inrichtende macht. De leermeester godsdienst of de leraar godsdienst die in vast verband benoemd is in een betrekking, moet die in hoofdambt bekleden. § 2. Paragraaf 1 is eveneens van toepassing op de leermeesters en leraars godsdienst die een moederschapsrust, een ziekteverlof of een arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een arbeidsongeval genieten. Art. 32.Elk jaar, in de loop van de maand mei, richt de inrichtende macht een oproep tot de kandidaten voor en benoeming in vast verband. In vast verband toe te kennen zijn, de betrekkingen die op 15 april voorafgaand aan de oproep tot de kandidaten vacant zijn, voor zover die betrekkingen op de volgende 1 oktober vacant blijven. Het advies dat de rangschikking van de tijdelijke personeelsleden, het toe te kennen ambt, het volume van de prestaties van de aangeboden betrekkingen, de voorwaarden vereist van de kandidaten alsook de vorm waarin en de termijn waarbinnen de kandidaturen moeten worden ingediend, vermeldt, wordt meegedeeld aan alle tijdelijke personeelsleden van de inrichtende macht die voorkomen in de rangschikking van de prioritaire personeelsleden in de zin van artikel 23, § 1. De op 15 april vacante betrekkingen worden in elk ambt opgeteld voor het geheel van de inrichtingen van eenzelfde inrichtende macht gelegen op het grondgebied van dezelfde gemeente. In vast verband worden toegekend, deze die op volgende 1 oktober in elk van de ambten vacant blijven in het geheel van de inrichtingen van eenzelfde inrichtende macht gelegen op het grondgebied van dezelfde gemeente, in verhouding tot het maximumaantal betrekkingen waarvoor een oproep tot de kandidaten voor de benoeming in de vorige maand is gericht. De vaste benoemingen hebben uiterlijk op 1 april uitwerking, enkel in de in het tweede lid bedoelde betrekkingen die nog vacant waren op 1 oktober van het lopende schooljaar. Er wordt een afschrift van de benoemingsakte gericht aan het hoofd van de eredienst. De verplichting tot benoeming is slechts aan de inrichtende macht opgelegd als het personeelslid zijn kandidatuur heeft ingediend en de bij dit decreet bepaalde voorwaarden vervult. De leermeester godsdienst of de leraar godsdienst die gereaffecteerd wordt of tijdelijk in actieve dienst teruggeroepen wordt in een andere inrichtende macht dan deze die hem ter beschikking heeft gesteld wegens ontstentenis van betrekking of hem een gedeeltelijk opdrachtverlies heeft erkend, en wiens reaffectatie of tijdelijke terugroeping in actieve dienst voor het derde opeenvolgende jaar wordt verlengd, kan zich kandidaat stellen voor de benoeming in vast verband in de betrekking die hem werd toegekend in die andere inrichtende macht in dezelfde voorwaarden als het prioritair tijdelijk personeelslid binnen die inrichtende macht. De volgorde waarin de inrichtende macht de benoemingen in vast verband uitvoert, wordt bepaald op grond van de dienstanciënniteit van de kandidaten, berekend overeenkomstig artikel 18, § 1. Bij gelijke dienstanciënniteit, wordt de voorrang verleend aan het personeelslid met de grootste ambtsanciënniteit, berekend overeenkomstig artikel 18, § 2. Bij gelijke ambtsanciënniteit, wordt de voorrang verleend aan het oudste personeelslid. Bij gelijke leeftijd, wordt de voorrang verleend aan het personeelslid waarvan het jaar waarin het vereiste bekwaamheidsbewijs wordt uitgereikt voor het ambt waarnaar wordt gesolliciteerd, het oudste is. De inrichtende macht deelt jaarlijks de lijst van de betrokken leermeesters godsdienst en leraars godsdienst mee volgens de door de plaatselijke paritaire commissie nader te bepalen regels. Art. 33.De benoeming in vast verband, de mutatie en de verandering van affectatie zijn niet toegelaten in een betrekking van een inrichting, een afdeling, een vestiging, een graad, een cyclus of een andere onderafdeling, die, met toepassing van de rationalisatieregels, een geleidelijke sluiting ondergaat, of in een betrekking die enkel kan worden gesubsidieerd voor een beperkte periode krachtens een beslissing van de Regering. Art. 34.De persoon die zich kandidaat stelt voor de benoeming in vast verband in verschillende betrekkingen, dient een afzonderlijke kandidatuur voor elke betrekking in. De in vast verband benoemde leermeester godsdienst of leraar godsdienst die een definitieve affectatie aanvraagt binnen dezelfde inrichtende macht in een vacante betrekking van hetzelfde ambt, moet antwoorden op de oproep tot de definitieve benoeming in dat ambt. Het vorige lid is eveneens van toepassing op de in vast verband benoemde leermeester godsdienst of leraar godsdienst die een definitieve affectatie aanvraagt binnen dezelfde inrichtende macht in een vacante betrekking van een ander ambt van leermeester godsdienst of leraar godsdienst waarvoor hij het vereiste bekwaamheidsbewijs bezit. Art. 35.§ 1. De inrichtende macht die een vacante betrekking toe te kennen heeft, kan de mutatie van een leermeester godsdienst of leraar godsdienst van een andere inrichtende macht aanvaarden, indien geen lid van zijn personeel prioritair is. Het betrokken personeelslid moet dit aanvragen en de instemming van zijn inrichtende macht bekomen. Niemand kan worden gemuteerd in een betrekking van een ambt van leermeester godsdienst of leraar godsdienst als hij niet in vast verband wordt benoemd in een ambt waartoe de vacante betrekking behoort. De inrichtende macht moet het personeelslid in vast verband benoemen op het ogenblik van de mutatie, wat er de datum ook van is. Er wordt een afschrift van de benoemingsakte aan het hoofd van de eredienst gericht. Het gemuteerde personeelslid moet zijn ontslag geven in de inrichtende macht die het verlaat voor de opdracht die het daar uitoefent en waarvoor het de mutatie heeft aangevraagd. De overgang van een inrichtende macht naar een andere moet zonder onderbreking worden uitgevoerd. De nadere regels voor de mutatie zijn, voor het overige, bepaald door de plaatselijke paritaire commissie die opgericht is binnen de inrichtende macht die het personeelslid ontvangt. § 2. De inrichtende macht kan eveneens een verandering van affectatie toekennen aan één van zijn personeelsleden. Ze brengt daar het hoofd van de eredienst op de hoogte van. Die verandering van affectatie kan alleen plaatsvinden als het personeelslid in vast verband wordt benoemd binnen de inrichtende macht in het ambt waartoe de vacante betrekking behoort. De overgang van de ene inrichting naar de andere moet zonder onderbreking plaatsvinden. De nadere regels voor de verandering van affectatie, worden, voor het overige, door de plaatselijke paritaire commissie bepaald. Afdeling IV. Overneming van een onderwijsinrichting van een andere inrichtende macht Art. 36.§ 1. Bij overneming door een inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs van een inrichting of een deel van een inrichting van het officieel onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap of door een andere overheid, zijn de volgende bepalingen van toepassing : 1° de leermeesters godsdienst en leraars godsdienst die in vast verband benoemd zijn op het ogenblik van de overneming verwerven van ambtswege de hoedanigheid van vast benoemd personeelslid in de overeenstemmende ambten binnen de overnemende inrichtende macht;2° de diensten die vóór de overneming door de in 1° bedoelde personeelsleden werkelijk werden gepresteerd, worden gelijkgesteld met werkelijke diensten gepresteerd als personeelslid van de overnemende inrichtende macht. De overnemingsovereenkomst die tussen de betrokken inrichtende machten te sluiten is, kan regels bepalen die de hierboven vermelde bepalingen aanvullen, en, in voorkomend geval, overnemingsvoorwaarden bepalen voor de tijdelijk aangestelde personeelsleden, inzonderheid de voorwaarden waaronder die personeelsleden een voorrang voor de benoeming kunnen laten gelden. De overeenkomst kan eveneens de voorwaarden bepalen waaronder de tijdelijk aangestelde personeelsleden die, op het ogenblik van de overneming, op grond van de statutaire bepalingen die op die datum op hen van toepassing waren, aanspraak hadden kunnen maken op een benoeming in vast verband, kunnen in vast verband worden benoemd in de vacante betrekking die op het ogenblik van de overneming bekleed was en die daarna vacant blijft. Die aanvullende regels worden voorbereid binnen de plaatselijke paritaire commissie die onder de overnemende inrichtende macht ressorteert. § 2. De voorwaarden voor de overneming door een inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs van een inrichting of een deel van een inrichting van het gesubsidieerd vrij onderwijs worden bepaald in een overeenkomst die te sluiten is tussen de betrokken inrichtende machten. De voornoemde regels worden voorbereid binnen de plaatselijke paritaire commissie van de overnemende inrichtende macht. § 3. Er wordt een afschrift van de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde overeenkomst aan het hoofd van de eredienst gericht. HOOFDSTUK IV. _ Tuchtregeling Afdeling I. - Tuchtsancties Art. 37.Aan de in vast verband benoemde leermeesters godsdienst en leraars godsdienst die hun plicht niet nakomen, kunnen de volgende tuchtsancties worden opgelegd : 1° de terechtwijzing;2° de blaam;3° de afhouding op de wedde;4° de schorsing bij tuchtmaatregel;5° de terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel;6° het ontslag van ambtswege;7° de afzetting. Art. 38.§ 1. De tuchtsancties worden uitgesproken door de inrichtende macht van de inrichting waarin het personeelslid in vast verband benoemd is of door de inrichtende macht van de inrichting waarin het personeelslid, dat door een andere inrichtende macht in vast verband werd benoemd, zijn ambt geheel of gedeeltelijk uitoefent met toepassing van de bepalingen bedoeld in hoofdstuk IX, na raadpleging van het hoofd van de eredienst. De vordering kan eveneens gezamenlijk worden ingesteld door de inrichtende macht van de inrichting waarin het personeelslid in vast verband benoemd is en door de inrichtende macht(en) van de inrichting(en) waarin het personeelslid zijn ambt geheel of gedeeltelijk uitoefent met toepassing van de bepalingen bedoeld in hoofdstuk IX. Met het oog op het gezamenlijk uitoefenen van de tuchtprocedure zoals bepaald in het vorige lid, brengt de inrichtende macht van de inrichting waarin het personeelslid zijn ambt geheel of gedeeltelijk uitoefent met toepassing van de bepalingen bedoeld in hoofdstuk IX de inrichtende macht van de inrichting waarin het personeelslid in vast verband benoemd is schriftelijk op de hoogte van zijn voornemen een tuchtprocedure in te stellen ten aanzien van het betrokken personeelslid. De tuchtsanctie heeft slechts uitwerking ten aanzien van de inrichtende macht(en) die de sanctie heeft(hebben) uitgesproken. § 2. Behoudens de bij dit artikel nader bepaalde regels, is de inrichtende macht bedoeld in paragraaf 1 de overheid die de benoemingsbevoegdheid uitoefent. In de inrichtingen van het door de steden en gemeenten georganiseerde onderwijs, heeft het college van burgemeester en schepenen de bevoegdheid om de volgende sancties uit te spreken : de terechtwijzing, de blaam, de afhouding op de wedde en de schorsing bij tuchtmaatregel voor een periode die niet hoger dan één maand mag zijn. In de inrichtingen van het door de provincies georganiseerde onderwijs, heeft de bestendige deputatie de bevoegdheid om dezelfde sancties uit te spreken als deze die in het vorige lid bedoeld zijn. § 3. Van de beslissing om een tuchtsanctie op te leggen wordt kennisgegeven aan het personeelslid, dat, binnen een termijn van twintig dagen vanaf de kennisgeving, een beroep kan indienen bij de Raad van beroep bedoeld in artikel 49. Het personeelslid dat van zijn recht van beroep gebruik maakt, zendt er onmiddellijk een afschrift van aan zijn inrichtende macht en aan het hoofd van de eredienst. Het beroep schorst de procedure. Behoudens in de gevallen van strafvervolging, geeft de Raad van beroep een met redenen omkleed advies binnen de negentig dagen die volgen op de ontvangst van het beroep dat door het personeelslid wordt ingediend. § 4. De definitieve beslissing wordt genomen door de overheid die bevoegd is om de sanctie uit te spreken binnen de maand die volgt op de ontvangst van het advies van de Raad van beroep. Ze geeft het met redenen omkleed advies van de Raad van beroep weer. Van haar beslissing geeft de overheid kennis aan de Raad van beroep en aan de verzoeker. Er wordt een afschrift van de beslissing aan het hoofd van de eredienst gericht. § 5. Indien het personeelslid geen beroep heeft ingediend vóór de Raad van beroep binnen de in paragraaf 3 bepaalde termijn, heeft de tuchtsanctie meegedeeld aan het personeelslid bij toepassing van dezelfde paragraaf 3 uitwerking op de derde werkdag volgend op de vervaldag van voornoemde termijn. De kennisgeving bedoeld in paragraaf 3, eerste lid, vermeldt de datum waarop de tuchtsanctie uitwerking heeft bij toepassing van het eerste lid van deze paragraaf. Art. 39.De afhouding op de wedde wordt toegepast gedurende minstens één maand en hoogstens drie maanden. Ze mag niet hoger zijn dan één vijfde van het bruto bedrag van de laatste activiteitswedde- of wachtweddesubsidie. Art. 40.De schorsing bij tuchtmaatregel wordt voor ten hoogste een jaar uitgesproken. Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd en geniet de helft van het bruto bedrag van zijn laatste activiteitswedde- of wachtweddesubsidie. Art. 41.De duur van de terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel mag niet korter dan één jaar en hoger dan vijf jaar zijn. Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd en geniet gedurende de eerste twee jaren een wachtweddesubsidie die gelijk is aan de helft van de activiteitsweddesubsidie. De wachtweddesubsidie, die nooit hoger dan dit bedrag mag zijn, wordt vervolgens vastgesteld tegen het tarief van het pensioen dat de betrokkene zou krijgen indien hij vervroegd in ruste was gesteld. Nadat het personeelslid de helft van zijn straf heeft ondergaan, mag het vragen om opnieuw in het onderwijs te worden geïntegreerd. Art. 42.De afhouding op de activiteitsweddesubsidie of op de wachtweddesubsidie mag niet als gevolg hebben dat de activiteitsweddesubsidie of de wachtweddesubsidie van het personeelslid herleid wordt tot een bedrag dat lager is dan het bedrag van de werkloosheidsuitkeringen waarop het personeelslid aanspraak zou kunnen maken als het de socialezekerheidsregeling voor de werknemers zou genieten. Art. 43.Geen sanctie kan worden uitgesproken zonder dat het personeelslid vooraf werd gehoord of ten minste behoorlijk opgeroepen. De betrokkene kan gebruik maken van de rechten die hem worden toegekend door het syndicaal statuut. Bij de hoorzitting kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, een verdediger gekozen onder de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs, in dienstactiviteit of in ruste, of door de afgevaardigde van een erkende vakorganisatie. Art. 44.Geen sanctie mag uitwerking hebben vóór de periode die voorafgaat aan de uitspraak ervan. Art. 45.De strafvordering betreffende de feiten waarvoor een tuchtvordering wordt ingesteld, schorst de tuchtvordering en de uitspraak van een tuchtsanctie, behalve in de gevallen die op heterdaad worden ontdekt of indien de vastgestelde feiten, verbonden aan de beroepsactiviteit, door het personeelslid worden erkend. Wat het resultaat van de strafvordering ook is, de administratieve overheid blijft bevoegd om te oordelen over de toepassing van de tuchtsancties. De overheid is echter, bij die beoordeling, gebonden door de feiten die definitief deugdelijk erkend zijn bij de strafbeslissing. Art. 46.Behalve bij preventieve schorsing, heeft de tuchtvordering ten aanzien van een personeelslid de verwijdering van de betrokkene uit zijn ambt pas tot gevolg na de kennisgeving van de definitieve tuchtbeslissing bedoeld in artikel 38, § 4, of de derde werkdag bedoeld in paragraaf 5 van hetzelfde artikel. Art. 47.Elke tuchtsanctie wordt in het dossier van het personeelslid opgenomen. Afdeling II. - Doorhaling van de tuchtsanctie Art. 48.De tuchtsanctie wordt van ambtswege doorgehaald op het einde van een termijn van : 1° Een jaar voor de terechtwijzing en de blaam;2° Drie jaar voor de afhouding op de wedde;3° Vijf jaar voor de schorsing bij tuchtmaatregel;4° Zeven jaar voor de terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel. De termijn bedoeld in het eerste lid begint te lopen, naar gelang van het geval, bij de uitspraak van de tuchtsanctie of bij het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 38, § 3. Onverminderd de uitvoering van de tuchtsanctie, heeft de doorhaling tot gevolg dat de sanctie geen uitwerking meer kan hebben. De tuchtsanctie wordt doorgehaald in het dossier van het personeelslid. HOOFDSTUK V. - Raad van beroep Art. 49.Bij het Ministerie van de Franse Gemeenschap wordt een Raad van beroep ingesteld voor de leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst van de inrichtingen van het gesubsidieerd officieel onderwijs. De Raad van beroep stelt zijn huishoudelijk reglement op, dat hij de Regering ter goedkeuring voorlegt. Art. 50.§ 1. De Raad van beroep is samengesteld uit : 1° een gelijk aantal vertegenwoordigers van de inrichtende machten en vertegenwoordigers van de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs;2° een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter gekozen onder de magistraten, in dienstactiviteit of in ruste, of onder de ambtenaren-generaal van de Algemene Directie Personeel van het gesubsidieerd …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.