Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Decreet betreffende de statuten van de leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst

Kort samengevat

Dit decreet regelt de status van leermeesters en leraars godsdienst in het gesubsidieerd officieel onderwijs, inclusief hun aanstelling, plichten en onverenigbaarheden. Het bepaalt de voorwaarden waaronder zij hun ambt uitoefenen en de procedures die daarbij komen kijken.

Wat het reguleert

  • De status van gesubsidieerde leermeesters en leraars godsdienst in het officieel onderwijs.
  • De plichten en gedragsregels die zij moeten naleven.
  • Activiteiten die onverenigbaar zijn met hun functie.
  • De aanstellingsprocedure en de eedaflegging.

Wie het betreft

  • Gesubsidieerde leermeesters godsdienst en leraars godsdienst in het lager, gespecialiseerd, secundair en kunstonderwijs.
  • De inrichtende machten van deze onderwijsinstellingen.

Kernpunten

  • Leermeesters en leraars godsdienst worden tijdelijk aangesteld op voordracht van het hoofd van de eredienst en door de inrichtende macht benoemd.
  • Zij moeten de belangen van de onderwijsinstelling behartigen en wetten, decreten en dienstorders nauwgezet naleven.
  • Het is hen verboden leerlingen bloot te stellen aan politieke, godsdienstige of filosofische propaganda, of aan commerciële reclame.
  • Elke activiteit die hun ambtsplichten belemmert of strijdig is met de waardigheid van hun ambt, is onverenigbaar met hun functie.
Wettekst
Wettekst
Obsah (5)Artikel 1Art. 16Art. 55Art. 66Art. 79

10 MAART 2006. - Decreet betreffende de statuten van de leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst (1) Het Parlement van de Franse Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen het

Artikel 1

.Deze titel is van toepassing : 1° Op de gesubsidieerde leermeesters godsdienst en leraars godsdienst van de inrichtingen van het gesubsidieerd officieel onderwijs die hun ambt in het lager, gespecialiseerd, secundair onderwijs en kunstonderwijs met volledig leerplan uitoefenen, met uitsluiting van die personeelsleden die geen wedde-subsidie ten laste van de Franse Gemeenschap genieten, behalve voor wat in de artikelen 24, § 2 en 31, § 2 vermeld is;2° Op de inrichtende machten van die onderwijsinrichtingen. Voor de toepassing van dit decreet : 1° wordt onder « vacante betrekking » verstaan : de betrekking die door de inrichtende macht wordt gecreëerd, die niet wordt toegekend aan een in vast verband benoemde leermeester godsdienst of leraar godsdienst in de zin van dit decreet, die in aanmerking kan komen voor de subsidieregeling van de Franse Gemeenschap en waarvoor een wedde-subsidie werd toegekend;2° worden de begrippen « hoofdambt » en « bijambt » bepaald door te verwijzen naar het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs;3° wordt onder « vereiste bekwaamheidsbewijzen » verstaan : de vereiste bekwaamheidsbewijzen vermeld als bijlage bij het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke, protestantse, israëlitische, orthodoxe en islamitische godsdienst van de onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap;4° wordt onder « hoofd van de eredienst » verstaan : de autoriteit die bevoegd is voor de betrokken eredienst, of haar afgevaardigde;5° wordt onder « paritaire commissies » verstaan : de paritaire commissies bedoeld in artikel 85 van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs;6° worden de termijnen berekend als volgt :

  1. a)de dag van de akte die er het begin van vaststelt, wordt niet meegerekend;
  2. b)de vervaldag wordt in de termijn meegerekend.Wanneer die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, met inbegrip van de feestdagen van of in de Franse Gemeenschap, dan wordt de vervaldag verschoven naar de eerstvolgende werkdag; 7° wordt onder « vertegenwoordigings- en coördinatieorganen van de inrichtende machten » verstaan : de organen onder deze die bedoeld zijn in artikel 5bis, § 1, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving waartoe inrichtende machten van het gesubsidieerd officieel onderwijs toetreden;8° wordt onder « godsdienst » verstaan : één van de erediensten bedoeld in artikel 8 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving; 9° wordt onder « ambten van leermeester godsdienst of leraar godsdienst » verstaan : de ambten van leermeester godsdienst of leraar godsdienst bedoeld in artikel 6, B, a), 2., Bbis, a), 3., C, a), 3., en D, a), 3., van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, van het maatschappelijk personeel der inrichtingen voor voorschools, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunstonderwijs en hoger onderwijs buiten de universiteit van de Franse Gemeenschap en de ambten der personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen. Art. 2.Het gebruik in dit decreet van de mannelijke namen voor de verschillende titels en ambten is tweeslachtig met het oog op de leesbaarheid van de tekst, onverminderd de bepalingen van het decreet van 21 juni 1993 betreffende de vervrouwelijking van de namen van beroep, ambt, graad of titel. Art. 3.Onverminderd artikel 21, worden de leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst tijdelijk aangesteld op de voordracht van het hoofd van de eredienst, door de inrichtende macht in vast verband benoemd en door haar geaffecteerd in een onderwijsinrichting. Art. 4.Elke bepaling die in een aanstellingsakte of in een arbeidsreglement vermeld staat, die strijdig is met de dwingende wettelijke bepalingen, met dit decreet of met de aanvullende regels die vastgesteld werden door de bevoegde paritaire commissies en bindend gemaakt werden, kan niet worden tegengeworpen. HOOFDSTUK II. - Plichten en onverenigbaarheden Afdeling I. - Plichten Art. 5.De leermeesters godsdienst en leraars godsdienst moeten in alles steeds de belangen van de onderwijsinrichting en van het officieel onderwijs behartigen. Art. 6.De leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst komen persoonlijk en nauwgezet de verplichtingen na, die hun zijn opgelegd door de wetten, decreten, besluiten en verordeningen, door de aanvullende regels van de paritaire commissies en door de aanstellingsakte. Ze komen de in de aanstellingsakte schriftelijk vastgelegde verplichtingen na die voortvloeien uit het specifieke karakter van het opvoedingsproject van de inrichtende macht waarbij ze hun ambt uitoefenen. Ze voeren stipt de dienstorders uit en vervullen hun taak met vlijt en nauwgezetheid. Art. 7.De leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst moeten zich met de meest volstrekte correctheid gedragen, zowel in hun dienstbetrekkingen als in hun omgang met de ouders van de leerlingen en het publiek, het personeel van de scholen en de leerlingen. Ze moeten elkander bijstaan in de mate waarin het belang van de inrichting zulks vereist. Ze moeten alles wat afbreuk kan doen aan de eer of de waardigheid van hun ambt vermijden. Ze vermijden elk ongewenst gedrag. Art. 8.De leermeesters godsdienst en leraars godsdienst mogen de leerlingen niet blootstellen aan politieke, godsdienstige of filosofische propaganda, of aan commerciële reclame. Art. 9.De leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst moeten, binnen de perken gesteld door de reglementering, door de aanvullende regels van de bevoegde paritaire commissie en door hun aanstellingsakte, de diensten verstrekken die noodzakelijk zijn voor de goede werking van de inrichtingen waarin ze hun ambt uitoefenen. Zij mogen zonder voorafgaande toelating van de inrichtende macht of haar vertegenwoordiger de uitoefening van hun ambt niet onderbreken. Art. 10.Het is de leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst verboden feiten bekend te maken, die zij zouden kennen ter oorzake van hun ambt en die van nature geheim zijn. Art. 11.Het is de leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst verboden rechtstreeks of door een tussenpersoon, zelfs buiten hun ambt doch omwille ervan, giften, geschenken, beloningen of enig ander voorbeeld te vragen, te eisen of aan te nemen. Art. 12.De leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst mogen zich niet inlaten met enige werkzaamheid die in strijd is met de Grondwet en de wetten van het Belgische volk, die de vernietiging van 's Lands onafhankelijkheid op het oog heeft of die de landsverdediging of de uitvoering van de verbintenissen van België strekkend tot het verzekeren van zijn veiligheid in gevaar brengt. Zij mogen niet toetreden tot, noch hun medehulp verschaffen aan een beweging, groepering, organisatie of vereniging met een soortgelijke werkzaamheid. Afdeling II. - Onverenigbaarheden Art. 13.Met de hoedanigheid van leermeester godsdienst of leraar godsdienst van een inrichting van het gesubsidieerd officieel onderwijs is onverenigbaar, elke activiteit die het vervullen van de ambtsplichten zou kunnen belemmeren of die in strijd is met de waardigheid van zijn ambt. Met de hoedanigheid van leermeester godsdienst of leraar godsdienst van een inrichting van het gesubsidieerd officieel onderwijs is eveneens onverenigbaar, elke activiteit die het vervullen van de plichten die voortvloeien uit het specifieke karakter van het opvoedingsproject van de inrichtende macht waaronder hij ressorteert, zou kunnen belemmeren. De in het tweede lid bedoelde onverenigbaarheden worden vermeld in elke aanstellings- of benoemingsakte. Art. 14.De inrichtende macht stelt de in artikel 13 bedoelde onverenigbaarheden vast. Ze brengt er bij aangetekend schrijven het betrokken personeelslid daar op de hoogte van binnen een termijn van twintig dagen vanaf de dag waarop ze de onverenigbaarheid vaststelt. De inrichtende macht die een onverenigbaarheid vaststelt, brengt daar eveneens het hoofd van de eredienst op de hoogte van. Art. 15.Bij betwisting betreffende het bestaan van één van de in artikel 13 vermelde onverenigbaarheden, kan de inrichtende macht of het personeelslid het advies van de plaatselijke paritaire commissie aanvragen binnen een termijn van acht dagen na de kennisgeving bedoeld in artikel 14, eerste lid. De paritaire commissie brengt haar advies uit binnen de twintig dagen. Na ontvangst van het advies van de plaatselijke paritaire commissie, beschikken de inrichtende macht en het personeelslid over een termijn van acht dagen om een beroep in te dienen voor de Raad van beroep bedoeld in artikel 49, die uitspraak doet door middel van een advies binnen een termijn van vijfenveertig dagen. Wanneer geen aanvraag om advies bij de plaatselijke paritaire commissie werd ingediend binnen de in het eerste lid bedoelde termijn, kan het personeelslid, binnen een termijn van achtentwintig dagen vanaf de kennisgeving bedoeld in artikel 14, eerste lid, een beroep indienen vóór de Raad van beroep bedoeld in artikel 49, die uitspraak doet door middel van een advies binnen een termijn van vijfenveertig dagen. Het personeelslid dat zijn verhaalrecht gebruikt, zendt er onmiddellijk een afschrift van aan zijn inrichtende macht en aan het hoofd van de eredienst over. In elk geval moet de eindbeslissing van de inrichtende macht in overeenstemming zijn met het advies dat door de Raad van beroep wordt uitgebracht. De eindbeslissing wordt door de inrichtende macht genomen binnen de maand volgend op de ontvangst van het advies. Er wordt een afschrift van aan het hoofd van de eredienst overgezonden. HOOFDSTUK III. - Werving Afdeling I. -

Art. 16

.De ambten van leermeester godsdienst en leraar godsdienst kunnen worden uitgeoefend door de personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn of vast benoemd zijn. Art. 17.Bij zijn eerste aanstelling, legt de leermeester godsdienst of de leraar godsdienst de eed af in handen van de inrichtende macht of van haar afgevaardigde. De in het eerste lid bedoelde eed wordt afgelegd in de termen bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type decreet prom. 20/07/1831 pub. 07/02/2013 numac 2013000079 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Decreet op de drukpers type decreet prom. 20/07/1831 pub. 26/07/2012 numac 2012000423 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Decreet « betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie ». - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten. Akte wordt daarvan gegeven aan het personeelslid. Art. 18.§ 1. Voor de berekening van de dienstanciënniteit bedoeld in dit hoofdstuk, worden alle diensten in aanmerking genomen die door de Franse Gemeenschap gepresteerd en gesubsidieerd werden op het einde van het lopende schooljaar en die door tijdelijk aangestelde personeelsleden of vastbenoemde personeelsleden werden gepresteerd in de door de inrichtende macht georganiseerde onderwijsinrichtingen, in de ambten van leermeester godsdienst of leraar godsdienst, als hoofdambt, en voor zover het personeelslid houder is van het bekwaamheidsbewijs dat voor dat ambt vereist is. Het aantal dagen verworven als tijdelijk personeelslid in een ambt met volledige dienstprestaties wordt berekend door alle dagen mee te tellen vanaf het begin tot het einde van de ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van, als deze in die periode vallen, het ontspanningsverlof, de winter- en lentevakantie, de moederschapsrust, het verlof voor opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij, respectievelijk bepaald in de artikelen 5 en 5bis van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen. Het aantal dagen verworven als vast benoemd personeelslid in een ambt met volledige dienstprestaties wordt berekend door alle dagen mee te tellen vanaf het begin tot het einde van de ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van het ontspanningsverlof, de winter- en lentevakantie, de moederschapsrust, het verlof voor opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij, respectievelijk bepaald in de artikelen 5 en 5bis van het voormelde koninklijk besluit van 15 januari 1974, zoals in vorig lid vermeld. De diensten gepresteerd in een ambt met onvolledige dienstprestaties dat ten minste de helft van het aantal uren telt dat vereist is voor het ambt met volledige dienstprestaties, worden in aanmerking genomen net zoals de diensten die in een ambt met volledige prestaties werden gepresteerd. Het aantal dagen verworven in een ambt met onvolledige dienstprestaties dat niet de helft van het aantal dagen telt dat vereist is voor het ambt met volledige dienstprestaties, wordt met de helft verminderd. Het aantal dagen verworven in één of meer ambten met volledige of onvolledige dienstprestaties, die gelijktijdig werden gepresteerd, mag nooit hoger zijn dan het aantal dagen verworven in een ambt met volledige prestaties dat gedurende dezelfde periode wordt uitgeoefend. De duur van de diensten die door het personeelslid gepresteerd zijn, mag nooit hoger zijn dan 300 dagen per schooljaar, die een anciënniteitsjaar uitmaken. § 2. Voor de berekening van de ambtsanciënniteit bedoeld in dit hoofdstuk, worden alle diensten in aanmerking genomen die door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd worden en die door tijdelijk aangestelde personeelsleden of door vastbenoemde personeelsleden werden gepresteerd in de door de inrichtende macht georganiseerde onderwijsinrichtingen, in de ambten van leermeester godsdienst of leraar godsdienst, als hoofdambt, en voor zover het personeelslid houder is van het bekwaamheidsbewijs dat voor dat ambt vereist is. Voor de berekening van de anciënniteit bedoeld in deze paragraaf, zijn de bepalingen van de leden 2 tot 5 en 7 van paragraaf 1 op hen toepasselijk. Afdeling II. - Tijdelijke aanstelling en tijdelijke personeelsleden Art. 19.Voor de toepassing van deze afdeling, dient te worden verstaan onder « inrichtende macht » : 1° In het onderwijs dat door de steden en gemeenten wordt georganiseerd, het college van burgemeester en schepenen,;2° In het onderwijs dat door de provincies wordt georganiseerd, de bestendige deputatie van de provincieraad;3° In de inrichtingen georganiseerd door de Franse Gemeenschapscommissie, het College van die instelling;4° In de onderwijsinrichtingen die onder de intercommunale verenigingen ressorteren, de raad van bestuur van die instellingen. Elke aanstelling door het college van burgemeester en schepenen wordt de gemeenteraad binnen een termijn van drie maanden ter bekrachtiging voorgelegd. Art. 20.§ 1. Niemand kan door een inrichtende macht tijdelijk worden aangesteld als hij, op het ogenblik van zijn aanstelling, niet voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° Belg zijn of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, behalve door de Regering toe te kennen vrijstelling;2° van onberispelijk gedrag zijn;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;4° houder zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs in verband met het toe te kennen ambt;5° voldoen aan de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de taalregeling;6° voldaan hebben aan de dienstplichtwetten;7° geen schorsing bij tuchtmaatregel, tuchtschorsing, terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel of op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel ondergaan die werd opgelegd door de inrichtende macht waaronder hij ressorteert of door een andere inrichtende macht. § 2. Bij tekort aan personeelsleden en in afwijking van § 1, 4°, kan de inrichtende macht, op de voordracht van het hoofd van de eredienst, een persoon tijdelijk aanstellen die geen houder is van het vereiste bekwaamheidsbewijs. § 3. De inrichtende macht kan een leermeester godsdienst of leraar godsdienst pas tijdelijk aanstellen nadat aan de in hoofdstuk IX bedoelde bepalingen werd voldaan. Art. 21.De leermeesters godsdienst en leraars godsdienst worden door de inrichtende macht tijdelijk aangesteld. Behalve als zij prioritair zijn in de zin van artikel 23, § 1 en § 3, worden de leermeesters godsdienst en leraars godsdienst tijdelijk aangesteld op de voordracht van het hoofd van de eredienst. Een afschrift van de akte van tijdelijke aanstelling wordt overgezonden aan het hoofd van de eredienst. Art. 22.Elke aanstelling wordt schriftelijk bepaald en vermeldt ten minste : 1° de identiteit van de inrichtende macht;2° de identiteit van het personeelslid;3° het uit te oefenen ambt alsook de kenmerken en het volume van de opdracht;4° de inrichting of de inrichtingen waarin het wordt geaffecteerd;5° als de betrekking al dan niet vacant is, en, in dit laatste geval, de naam van de titularis van de betrekking en, in voorkomend geval, van zijn tijdelijke vervanger;6° in voorkomend geval, de aanvullende verplichtingen bedoeld in artikel 6 en de onverenigbaarheden bedoeld in artikel 13;7° de datum van indiensttreding;8° de datum waarop de aanstelling eindigt.Die datum stemt uiterlijk met het einde van het lopende schooljaar overeen. Op het ogenblik van de aanstelling reikt de inrichtende macht de leermeester godsdienst of de leraar godsdienst een schriftelijke akte uit die de in het eerste lid bepaalde vermeldingen opneemt. Bij gebrek aan een geschrift, wordt het tijdelijk personeelslid geacht aangesteld te zijn in het ambt, de opdracht en de betrekking dat/die het werkelijk bekleedt. Op het einde van elke activiteitsperiode, reikt de inrichtende macht het tijdelijk personeelslid een attest uit waarin de gepresteerde diensten, voor elk uitgeoefend ambt, samen met de begin- en einddatums, alsook de aard van het ambt en het percentage van de ambtsbekleding, worden vermeld. Zij reikt eveneens het personeelslid alle sociale documenten uit. Art. 23.§ 1. Voor elke aanstelling als tijdelijke leermeester godsdienst of leraar godsdienst, in een ambt waarvoor het personeelslid het vereiste bekwaamheidsbewijs bezit, is prioritair in een inrichtende macht en wordt in de rangschikking binnen die inrichtende macht opgenomen, het personeelslid dat het bewijs kan leveren van 360 dagen die werkelijk werden gepresteerd in één van de ambten van leermeester godsdienst of leraar godsdienst, in hoofdambt bij die inrichtende macht, verdeeld over ten minste twee schooljaren, en verworven gedurende de laatste vijf schooljaren. De aanstellingen geschieden met inachtneming van de rangschikking. Die rangschikking wordt bepaald op grond van het aantal dagen dienstanciënniteit berekend overeenkomstig artikel 18, § 1. Bij gelijke dienstanciënniteit, wordt de voorrang verleend aan het personeelslid met de grootste ambtsanciënniteit, berekend overeenkomstig artikel 18, § 2. Bij gelijke ambtsanciënniteit, wordt de voorrang verleend aan het oudste personeelslid. Bij gelijke leeftijd, wordt de voorrang verleend aan het personeelslid waarvan het jaar van uitreiking van het vereiste bekwaamheidsbewijs voor het ambt waarnaar wordt gesolliciteerd het oudste is. § 2. Na uitputting van de lijst van de prioritaire kandidaten bedoeld in § 1, stelt het hoofd van de eredienst, bij wijze van voorrang, de tijdelijke aanstelling voor, als leermeester godsdienst of leraar godsdienst in een ambt waarvoor het personeelslid het vereiste bekwaamheidsbewijs bezit, van het personeelslid dat het bewijs kan leveren van 360 dagen die werkelijk werden gepresteerd in één van de ambten van leermeester godsdienst of leraar godsdienst, in hoofdambt in het gesubsidieerd officieel onderwijs, verdeeld over ten minste twee schooljaren, en verworven gedurende de laatste vijf schooljaren : 1° In het lager, gewoon en gespecialiseerd onderwijs, binnen de inrichtende machten van elk van de zones zoals bepaald in artikel 1, 8°, van het decreet van 14 maart 1995 tot bevordering van het welslagen in de basisscholen;2° In het secundair en kunstonderwijs, binnen de inrichtende machten van elk van de zones zoals bepaald in artikel 8 van het decreet van 12 mei 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/05/2004 pub. 23/06/2004 numac 2004029221 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de vaststelling van de schaarste en bepaalde Commissies in het buitengewoon of door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs type decreet prom. 12/05/2004 pub. 10/06/2004 numac 2004029174 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet tot wijziging van het decreet van 27 maart 2002 betreffende de leermeesters en leraars godsdienst sluiten betreffende de vaststelling van de schaarste en bepaalde Commissies in het buitengewoon of door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs. De aanstellingen geschieden met inachtneming van de rangschikking. Die wordt bepaald door het hoofd van de eredienst op grond van het aantal dagen dienstanciënniteit berekend overeenkomstig artikel 18, § 1. Bij gelijke dienstanciënniteit wordt de voorrang verleend aan het personeelslid met de grootste ambtsanciënniteit berekend overeenkomstig artikel 18, § 2. Bij gelijke ambtsanciënniteit, wordt de voorrang verleend aan het oudste personeelslid. Bij gelijke leeftijd, wordt de voorrang verleend aan het personeelslid waarvan het jaar van uitreiking van het vereiste bekwaamheidsbewijs voor het ambt waarnaar wordt gesolliciteerd het oudste is. § 3. Na uitputting van de lijst van de prioritaire kandidaten bedoeld in § 1 en § 2, en volgens door de paritaire commissie nader te bepalen regels, is de inrichtende macht ertoe gehouden de leermeesters godsdienst of de leraars godsdienst geworven in een niet gesubsidieerde betrekking van hetzelfde ambt, elke gesubsidieerde betrekking van hetzelfde ambt aan te bieden, voor zover zij houder zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs en zij in de uitoefening van een niet gesubsidieerde betrekking een anciënniteit hebben verworven die kan worden vergeleken met die van de prioritaire personeelsleden bedoeld in § 1. § 4. Nadat de mogelijke beroepsprocedures zijn uitgeput, komen de diensten waaraan een einde wordt gemaakt door een ontslag niet in aanmerking voor de berekening van de in § 1 en § 2 bedoelde 360 dienstdagen, bij de inrichtende macht die aan dat ambt een einde heeft gemaakt, behalve als die de ontslagen leermeester godsdienst of leraar godsdienst opnieuw aanstelt. § 5. De voorrang bedoeld in het eerste lid van de paragrafen 1, 2 en 3, geldt voor alle betrekkingen die vacant zijn alsook voor betrekkingen die niet vacant zijn en waarvan de titularis of het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt, moet worden vervangen voor een ononderbroken periode van ten minste vijftien weken. § 6. De kandidaten bedoeld in § 1, eerste lid en in § 3, eerste lid, die wensen gebruik te maken van hun voorrangrecht, moeten, op straffe van verval voor het betrokken schooljaar, hun kandidatuur bij aangetekend schrijven indienen, vóór 31 mei, bij de inrichtende macht waarbij zij een voorrang hebben verworven. Dat schrijven vermeldt het ambt waarop de kandidatuur betrekking heeft. Iedere kandidaat wordt op de hoogte gebracht van zijn volgnummer in de rangschikking. § 7. De kandidaten bedoeld in § 2, eerste lid, die wensen gebruik te maken van hun voorrangrecht, moeten, op straffe van verval voor het betrokken schooljaar, hun kandidatuur bij aangetekend schrijven indienen, vóór 31 mei, bij het hoofd van de eredienst. Dat schrijven vermeldt het ambt waarop de kandidatuur betrekking heeft, alsook de zone(

  1. s)waarvoor de kandidaat wenst zijn voorrang te doen gelden. Samen met dat schrijven worden de afschriften van de attesten bedoeld in artikel 22, derde lid, toegestuurd. Iedere kandidaat wordt op de hoogte gebracht van zijn volgnummer in de rangschikking. § 8. De akte waarbij de kandidaat zijn voorrang doet gelden, is geldig voor het volgende schooljaar. De kandidaat die de betrekking niet aanvaardt die hem wordt aangeboden overeenkomstig de voorrangregels, verliest zijn voorrang voor een betrekking in hetzelfde ambt gedurende het lopende schooljaar, binnen de inrichtende macht voor de voorrang bedoeld in § 1 en binnen de zone voor de voorrang bedoeld in § 2, behalve als hij redenen kan laten gelden die door de lokale paritaire commissie worden aanvaard. § 9. De anciënniteit bedoeld in deze bepaling wordt berekend op de laatste dag van het schooljaar. § 10. Bij ontslag verliest een tijdelijk aangestelde leermeester godsdienst of leraar godsdienst de voorrang die verworven is bij de betrokken inrichtende macht. Hij wint die echter terug indien hij door die inrichtende macht opnieuw wordt aangesteld. § 11. Op gewone aanvraag van de kandidaten en tegen terugbetaling van de verzendingskosten, bezorgt de bevoegde administratie van het Ministerie van de Franse Gemeenschap de lijst van de gesubsidieerde officiële scholen of inrichtingen met vermelding van de inrichtende macht die deze organiseert, voor elke zone en elk onderwijsniveau en elke onderwijsvorm. In dezelfde voorwaarden, bezorgt zij ook de lijst van de gesubsidieerde officiële scholen of inrichtingen gelegen op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, met vermelding van de inrichtende macht die ze organiseert. Art. 24.§ 1. Niemand kan door een inrichtende macht tijdelijk worden aangesteld overeenkomstig de voorrang bedoeld in artikel 23, als hij niet voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° Belg zijn of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, behalve door de Regering toe te kennen vrijstelling;2° van onberispelijk gedrag zijn;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;4° voldaan hebben aan de dienstplichtwetten;5° houder zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs in verband met het toe te kennen ambt;6° voldoen aan de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de taalregeling;7° geen schorsing bij tuchtmaatregel, tuchtschorsing, terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel of op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel ondergaan die werd opgelegd door de inrichtende macht waaronder hij ressorteert of door een andere inrichtende macht.8° gedurende de laatste twee schooljaren, geen ongunstig rapport van de inrichtende macht of haar afgevaardigde of van de bevoegde inspectie hebben gekregen;9° gerangschikt worden als prioritair personeelslid volgens de nadere regels bepaald in artikel 23. De kandidaat voor een tijdelijke aanstelling krachtens de voorrang bedoeld in artikel 23 die in het betrokken ambt, gedurende de laatste twee schooljaren, geen ongunstig rapport van de inrichtende macht of haar afgevaardigde of van de bevoegde inspectie heeft gekregen, wordt geacht te voldoen aan de voorwaarde vermeld in het eerste lid, 8° . Het rapport wordt voor visum aan de betrokkene voorgelegd. De procedure wordt voortgezet wanneer het personeelslid weigert het rapport te viseren. Indien het personeelslid oordeelt dat de inhoud van het rapport niet gegrond is, dan deelt het dit mee naar aanleiding van dit visum; binnen de tien werkdagen volgend op de ontvangst van dat rapport, heeft het personeelslid het recht een beroep vóór de Raad van beroep bedoeld in artikel 49 in te dienen. Het personeelslid dat gebruik maakt van zijn recht van beroep zendt onmiddellijk een afschrift van zijn verzoek aan zijn inrichtende macht en aan het hoofd van de eredienst. De Raad van beroep geeft zijn advies aan de inrichtende macht binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum van ontvangst van het beroep. De inrichtende macht neemt haar beslissing binnen een termijn van één maand vanaf de ontvangst van het advies van de Raad van beroep. Een afschrift van de beslissing wordt gericht aan het hoofd van de eredienst. Wanneer het advies van de Raad van beroep betrekking heeft op een ongunstig rapport van de bevoegde inspectie, dan is het bindend voor de inrichtende macht. § 2. Paragraaf 1 is eveneens van toepassing op de leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst die een moederschapsrust, een arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een arbeidsongeval of een ziekteverlof genieten. Het aantal dagen bedoeld in artikel 19 van het decreet van 5 juli 2000Relevante gevonden documenten type decreet prom. 05/07/2000 pub. 18/08/2000 numac 2000029268 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende de regeling inzake verlof en disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit van sommige personeelsleden uit het onderwijs sluiten houdende de regeling inzake verlof en disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit van sommige personeelsleden uit het onderwijs wordt het personeelslid toegekend vanaf de eerste indiensttreding die volgt op zijn aanstelling en wordt berekend vanaf de dag van die werkelijke indiensttreding. De afwezigheden wegens ziekte van een personeelslid dat overeenkomstig het eerste lid aangesteld is, zijn in overeenstemming met het aantal dagen die het kan genieten bij toepassing van artikel 20 van hetzelfde decreet. Art. 25.§ 1. Op het einde van een dienstactiviteitsperiode van ten minste zes maanden van een tijdelijke leermeester godsdienst of leraar godsdienst, maakt de inrichtende macht of haar afgevaardigde een met redenen omkleed rapport op over de wijze waarop het personeelslid zijn taak heeft vervuld. Dat rapport heeft uitsluitend betrekking op de opvoedingsactie, het gedrag en het verzorgd voorkomen, het correcte taalgebruik en de verantwoordelijkheidszin. Het betreft niet de beroeps- en pedagogische bekwaamheid; die wordt uitsluitend door de inspecteurs voor de betrokken godsdienst beoordeeld. Het rapport wordt voor visum voorgelegd aan het tijdelijk personeelslid waarop het betrekking heeft. Indien het personeelslid oordeelt dat de inhoud van het rapport niet gegrond is, meldt het dit naar aanleiding van het visum. § 2. Het rapport van de inrichtende macht of haar afgevaardigde over de wijze waarop een tijdelijke leermeester godsdienst of een tijdelijke leraar godsdienst zijn taak heeft vervuld, alsook het rapport van de inspecteur godsdienst over de beroeps- en pedagogische bekwaamheid van dat personeelslid worden opgemaakt volgens het model dat door de Regering wordt vastgesteld. Art. 26.§ 1. Mits een opzeggingstermijn van veertien dagen, ingaande op de dag van de kennisgeving ervan, kan een niet-prioritaire tijdelijke leermeester godsdienst of leraar godsdienst worden ontslagen door de inrichtende macht waaronder hij ressorteert, ofwel op initiatief van deze na raadpleging van het hoofd van de eredienst ofwel op de voordracht van het hoofd van de eredienst. Dat ontslag wordt met redenen omkleed, op straffe van nietigheid. Voordat het personeelslid in kennis wordt gesteld dat het wordt ontslagen, moet het uitgenodigd worden om gehoord te worden door de inrichtende macht of het hoofd van de eredienst, naar gelang van het geval. De uitnodiging tot de hoorzitting alsook de redenen waarom de inrichtende macht of het hoofd van de eredienst het personeelslid wil ontslaan, moeten hem ten minste vijf werkdagen vóór de hoorzitting worden meegedeeld, ofwel bij een ter post aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, ofwel door de overhandiging van een schrijven met ontvangstbewijs. Naar aanleiding van de hoorzitting kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, een vertegenwoordiger gekozen onder de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs, in actieve dienst of in ruste, of door een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het behoorlijk uitgenodigde personeelslid zich niet bij de hoorzitting aanmeldt of er niet wordt vertegenwoordigd. Als het personeelslid of zijn vertegenwoordiger echter overmacht kan laten gelden waarbij zijn afwezigheid bij de hoorzitting kan worden gerechtvaardigd, dan wordt het uitgenodigd voor een nieuwe hoorzitting die hem overeenkomstig het tweede lid wordt meegedeeld. In dat geval, en zelfs indien noch het personeelslid noch zijn vertegenwoordiger zich bij de hoorzitting hebben aangemeld, wordt de procedure geldig voortgezet. Wanneer het ontslag door het hoofd van de eredienst wordt voorgesteld, dan zendt het zijn voorstel aan de inrichtende macht over die het tijdelijk personeelslid een opzeggingsbrief meedeelt, voor zover de voorafgaande bepalingen in acht zijn genomen. Het tijdelijk personeelslid dat de opzeggingsbrief heeft gekregen, kan, binnen de tien dagen na de kennisgeving ervan, een beroep indienen tegen de beslissing tot ontslag bij de in artikel 49 bedoelde Raad van beroep. Het personeelslid dat gebruik maakt van zijn recht van beroep, deelt onmiddellijk een afschrift ervan mee aan zijn inrichtende macht en aan het hoofd van de eredienst. De Raad van beroep brengt de inrichtende macht een advies uit binnen een maximumtermijn van vijfenveertig dagen vanaf de datum van ontvangst van het beroep. De beslissing wordt door de inrichtende macht genomen binnen de dertig dagen na de ontvangst van het advies van de Raad van beroep. Wanneer het ontslag werd meegedeeld op de voordracht van het hoofd van de eredienst, dan is het advies van de Raad van beroep bindend voor de inrichtende macht. Het beroep heeft geen schorsende kracht. Het tijdelijk personeelslid wordt door de Raad van beroep gehoord. Het kan zich laten bijstaan door een advocaat, een vertegenwoordiger gekozen onder de personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs, in dienstactiviteit of in ruste, of door een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie. § 2. Als de tijdelijke leermeester godsdienst of de leraar godsdienst prioritair is in de zin van artikel 23, § 1, dan wordt dezelfde procedure als deze die in § 1 bepaald is, toegepast. In die hypothese is het advies van de Raad van beroep in ieder geval bindend voor de inrichtende macht. Art. 27.De inrichtende macht kan elke tijdelijke leermeester godsdienst of leraar godsdienst, zonder opzeggingstermijn, wegens zware fout, ontslaan. Onder zware fout wordt verstaan, elke tekortkoming die elke beroepsmedewerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt tussen het personeelslid en de inrichtende macht waaronder het ressorteert. Zodra de inrichtende macht in kennis werd gesteld van feiten die een zware fout kunnen uitmaken, roept ze, bij een ter post aangetekend schrijven, het personeelslid voor een hoorzitting op, die ten vroegste vijf werkdagen en uiterlijk tien werkdagen na de verzending van de oproepingsbrief moet plaatsvinden. Indien de inrichtende macht na de hoorzitting van mening is dat er voldoende elementen zijn die een zware fout bewijzen, kan ze, binnen de drie dagen die volgen op de hoorzitting, het ontslag uitvoeren. Het ontslag wordt gestaafd door het bewijs dat de verweten feiten wel hebben plaatsgevonden. Daarvan wordt het personeelslid kennis gegeven ofwel bij deurwaardersexploot ofwel bij een ter post aangetekend schrijven, dat de derde werkdag volgend op de datum van de verzending ervan uitwerking heeft. Bij de hoorzitting kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, een verdediger gekozen onder de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs, in dienstactiviteit of in ruste, of door een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie. Art. 28.Van de beslissing tot ontslag wordt door de inrichtende macht het personeelslid kennis gegeven. Die kennisgeving wordt uitgevoerd door de overhandiging van een geschrift, of door de verzending van een ter post aangetekend schrijven, of bij een deurwaardersexploot. De handtekening van de persoon aan wie het geschrift werd overhandigd, bewijst enkel dat hij ontvangst van dat geschrift meldt. Als de kennisgeving gebeurt door de verzending van een ter post aangetekend schrijven, heeft ze uitwerking op de derde werkdag volgend op die waarop ze werd verzonden. Het geschrift vermeldt de datum van het begin van de opzeggingstermijn, dat niet vroeger kan zijn dan de datum van de overhandiging van het geschrift, en de duur ervan. Als de kennisgeving niet heeft plaatsgevonden, dan wordt de beslissing tot ontslag geacht nooit te hebben bestaan. Er wordt een afschrift van de beslissing aan het hoofd van de eredienst overgezonden. Art. 29.Een tijdelijk aangestelde leermeester godsdienst of leraar godsdienst kan zijn ontslag indienen. Indien dat ontslag niet door de inrichtende macht wordt aanvaard, dan wordt het gegeven mits een opzeggingstermijn van acht dagen. Het tijdelijk personeelslid geeft de inrichtende macht kennis van zijn beslissing tot ontslag. Die kennisgeving geschiedt door de overhandiging van een geschrift, of door de verzending van een ter post aangetekend schrijven, of bij een deurwaardersexploot. De handtekening van de persoon aan wie het geschrift werd overhandigd, bewijst enkel dat hij ontvangst van dat geschrift meldt. Als de kennisgeving gebeurt door de verzending van een ter post aangetekend schrijven, heeft ze uitwerking op de derde werkdag volgend op die waarop ze werd verzonden. Het geschrift vermeldt de datum van het begin van de opzeggingstermijn, dat niet vroeger kan zijn dan de datum van de overhandiging van het geschrift, en de duur ervan. Als het gaat om een aanvaard ontslag, vermeldt het geschrift de datum waarop het uitwerking heeft. Als de kennisgeving niet heeft plaatsgevonden, dan wordt de beslissing tot ontslag geacht nooit te hebben bestaan. Er wordt een afschrift van de beslissing aan het hoofd van de eredienst overgezonden. Afdeling III. - Benoeming in vast verband en vastbenoemde personeelsleden Art. 30.De inrichtende macht voert een benoeming in vast verband uit in een vacante betrekking van een leermeester godsdienst of leraar godsdienst, behalve : 1° als zij, krachtens de bepalingen bedoeld in hoofdstuk IX, die betrekking moet toekennen aan een leermeester godsdienst of een leraar godsdienst die ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking of die een gedeeltelijk opdrachtverlies heeft geleden;2° als zij de betrekking bij wijze van mutatie of van verandering van affectatie reeds heeft toegekend overeenkomstig de bepalingen bedoeld in artikel 35. Art. 31.§ 1. Niemand kan in vast verband worden benoemd, indien hij niet voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° Belg zijn of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, behalve door de Regering toe te kennen vrijstelling;2° van onberispelijk gedrag zijn;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;4° voldaan hebben aan de dienstplichtwetten;5° houder zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs in verband met het toe te kennen ambt;6° voldoen aan de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de taalregeling;7° zijn kandidatuur hebben ingediend in de vorm en binnen de termijn vastgesteld bij de oproep tot de kandidaten.De vorm en de termijn worden door de plaatselijke paritaire commissie vooraf bepaald; 8° gerangschikt worden als prioritair personeelslid volgens de nadere regels vastgesteld in artikel 23, § 1;9° 600 dagen dienstanciënniteit tellen, waarvan 240 dagen in het betrokken ambt, met uitzondering van de personeelsleden bedoeld in artikel 34, tweede lid.De 600 dagen anciënniteit die verworven werden ten dienste van de inrichtende macht moeten over ten minste drie schooljaren worden verdeeld; 10° geen schorsing bij tuchtmaatregel, tuchtschorsing, terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel of op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel ondergaan die werd opgelegd door de inrichtende macht waaronder hij ressorteert of door een andere inrichtende macht;11° op het einde van de in 9° bedoelde periode, een gunstig rapport van de inrichtende macht of haar afgevaardigde en van de bevoegde inspectie hebben gekregen. In afwijking van het eerste lid, 9°, moet het personeelslid bedoeld in artikel 34, derde lid, een anciënniteit van 180 dagen in het betrokken ambt tellen. De voorwaarden vermeld in het eerste lid, 1° tot 6° en 10° moeten op het ogenblik van de benoeming in vast verband worden vervuld. De kandidaat voor een benoeming in vast verband wordt geacht te voldoen aan de voorwaarde vermeld in het eerste lid, 11°, zolang geen ongunstig rapport over hem door de inrichtende macht of haar afgevaardigde of door de bevoegde inspectie wordt opgesteld. Het rapport wordt voor visum voorgelegd aan de betrokkene. De procedure wordt voortgezet wanneer het personeelslid weigert het rapport te viseren. Indien het personeelslid van mening is dat de inhoud van dat rapport niet gegrond is, vermeldt het dit naar aanleiding van het visum, en, binnen de tien werkdagen volgend op de ontvangst van dat rapport, heeft het het recht een beroep in te dienen vóór de Raad van beroep bedoeld in artikel 49. Het personeelslid dat gebruik maakt van zijn recht van beroep zendt er onmiddellijk een afschrift van aan zijn inrichtende macht en aan het hoofd van de eredienst. De Raad van beroep brengt de inrichtende macht zijn advies uit binnen een termijn van twee maanden volgend op de datum van ontvangst van het beroep. De inrichtende macht neemt haar beslissing binnen een termijn van één maand vanaf de dag van de ontvangst van het advies van de Raad van beroep. Er wordt een afschrift van de beslissing aan het hoofd van de eredienst meegedeeld. Wanneer het advies van de Raad van beroep een ongunstig rapport van de bevoegde inspectie betreft, dan is het bindend voor de inrichtende macht. De leermeester godsdienst of de leraar godsdienst die in vast verband benoemd is in een betrekking, moet die in hoofdambt bekleden. § 2. Paragraaf 1 is eveneens van toepassing op de leermeesters en leraars godsdienst die een moederschapsrust, een ziekteverlof of een arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een arbeidsongeval genieten. Art. 32.Elk jaar, in de loop van de maand mei, richt de inrichtende macht een oproep tot de kandidaten voor en benoeming in vast verband. In vast verband toe te kennen zijn, de betrekkingen die op 15 april voorafgaand aan de oproep tot de kandidaten vacant zijn, voor zover die betrekkingen op de volgende 1 oktober vacant blijven. Het advies dat de rangschikking van de tijdelijke personeelsleden, het toe te kennen ambt, het volume van de prestaties van de aangeboden betrekkingen, de voorwaarden vereist van de kandidaten alsook de vorm waarin en de termijn waarbinnen de kandidaturen moeten worden ingediend, vermeldt, wordt meegedeeld aan alle tijdelijke personeelsleden van de inrichtende macht die voorkomen in de rangschikking van de prioritaire personeelsleden in de zin van artikel 23, § 1. De op 15 april vacante betrekkingen worden in elk ambt opgeteld voor het geheel van de inrichtingen van eenzelfde inrichtende macht gelegen op het grondgebied van dezelfde gemeente. In vast verband worden toegekend, deze die op volgende 1 oktober in elk van de ambten vacant blijven in het geheel van de inrichtingen van eenzelfde inrichtende macht gelegen op het grondgebied van dezelfde gemeente, in verhouding tot het maximumaantal betrekkingen waarvoor een oproep tot de kandidaten voor de benoeming in de vorige maand is gericht. De vaste benoemingen hebben uiterlijk op 1 april uitwerking, enkel in de in het tweede lid bedoelde betrekkingen die nog vacant waren op 1 oktober van het lopende schooljaar. Er wordt een afschrift van de benoemingsakte gericht aan het hoofd van de eredienst. De verplichting tot benoeming is slechts aan de inrichtende macht opgelegd als het personeelslid zijn kandidatuur heeft ingediend en de bij dit decreet bepaalde voorwaarden vervult. De leermeester godsdienst of de leraar godsdienst die gereaffecteerd wordt of tijdelijk in actieve dienst teruggeroepen wordt in een andere inrichtende macht dan deze die hem ter beschikking heeft gesteld wegens ontstentenis van betrekking of hem een gedeeltelijk opdrachtverlies heeft erkend, en wiens reaffectatie of tijdelijke terugroeping in actieve dienst voor het derde opeenvolgende jaar wordt verlengd, kan zich kandidaat stellen voor de benoeming in vast verband in de betrekking die hem werd toegekend in die andere inrichtende macht in dezelfde voorwaarden als het prioritair tijdelijk personeelslid binnen die inrichtende macht. De volgorde waarin de inrichtende macht de benoemingen in vast verband uitvoert, wordt bepaald op grond van de dienstanciënniteit van de kandidaten, berekend overeenkomstig artikel 18, § 1. Bij gelijke dienstanciënniteit, wordt de voorrang verleend aan het personeelslid met de grootste ambtsanciënniteit, berekend overeenkomstig artikel 18, § 2. Bij gelijke ambtsanciënniteit, wordt de voorrang verleend aan het oudste personeelslid. Bij gelijke leeftijd, wordt de voorrang verleend aan het personeelslid waarvan het jaar waarin het vereiste bekwaamheidsbewijs wordt uitgereikt voor het ambt waarnaar wordt gesolliciteerd, het oudste is. De inrichtende macht deelt jaarlijks de lijst van de betrokken leermeesters godsdienst en leraars godsdienst mee volgens de door de plaatselijke paritaire commissie nader te bepalen regels. Art. 33.De benoeming in vast verband, de mutatie en de verandering van affectatie zijn niet toegelaten in een betrekking van een inrichting, een afdeling, een vestiging, een graad, een cyclus of een andere onderafdeling, die, met toepassing van de rationalisatieregels, een geleidelijke sluiting ondergaat, of in een betrekking die enkel kan worden gesubsidieerd voor een beperkte periode krachtens een beslissing van de Regering. Art. 34.De persoon die zich kandidaat stelt voor de benoeming in vast verband in verschillende betrekkingen, dient een afzonderlijke kandidatuur voor elke betrekking in. De in vast verband benoemde leermeester godsdienst of leraar godsdienst die een definitieve affectatie aanvraagt binnen dezelfde inrichtende macht in een vacante betrekking van hetzelfde ambt, moet antwoorden op de oproep tot de definitieve benoeming in dat ambt. Het vorige lid is eveneens van toepassing op de in vast verband benoemde leermeester godsdienst of leraar godsdienst die een definitieve affectatie aanvraagt binnen dezelfde inrichtende macht in een vacante betrekking van een ander ambt van leermeester godsdienst of leraar godsdienst waarvoor hij het vereiste bekwaamheidsbewijs bezit. Art. 35.§ 1. De inrichtende macht die een vacante betrekking toe te kennen heeft, kan de mutatie van een leermeester godsdienst of leraar godsdienst van een andere inrichtende macht aanvaarden, indien geen lid van zijn personeel prioritair is. Het betrokken personeelslid moet dit aanvragen en de instemming van zijn inrichtende macht bekomen. Niemand kan worden gemuteerd in een betrekking van een ambt van leermeester godsdienst of leraar godsdienst als hij niet in vast verband wordt benoemd in een ambt waartoe de vacante betrekking behoort. De inrichtende macht moet het personeelslid in vast verband benoemen op het ogenblik van de mutatie, wat er de datum ook van is. Er wordt een afschrift van de benoemingsakte aan het hoofd van de eredienst gericht. Het gemuteerde personeelslid moet zijn ontslag geven in de inrichtende macht die het verlaat voor de opdracht die het daar uitoefent en waarvoor het de mutatie heeft aangevraagd. De overgang van een inrichtende macht naar een andere moet zonder onderbreking worden uitgevoerd. De nadere regels voor de mutatie zijn, voor het overige, bepaald door de plaatselijke paritaire commissie die opgericht is binnen de inrichtende macht die het personeelslid ontvangt. § 2. De inrichtende macht kan eveneens een verandering van affectatie toekennen aan één van zijn personeelsleden. Ze brengt daar het hoofd van de eredienst op de hoogte van. Die verandering van affectatie kan alleen plaatsvinden als het personeelslid in vast verband wordt benoemd binnen de inrichtende macht in het ambt waartoe de vacante betrekking behoort. De overgang van de ene inrichting naar de andere moet zonder onderbreking plaatsvinden. De nadere regels voor de verandering van affectatie, worden, voor het overige, door de plaatselijke paritaire commissie bepaald. Afdeling IV. Overneming van een onderwijsinrichting van een andere inrichtende macht Art. 36.§ 1. Bij overneming door een inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs van een inrichting of een deel van een inrichting van het officieel onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap of door een andere overheid, zijn de volgende bepalingen van toepassing : 1° de leermeesters godsdienst en leraars godsdienst die in vast verband benoemd zijn op het ogenblik van de overneming verwerven van ambtswege de hoedanigheid van vast benoemd personeelslid in de overeenstemmende ambten binnen de overnemende inrichtende macht;2° de diensten die vóór de overneming door de in 1° bedoelde personeelsleden werkelijk werden gepresteerd, worden gelijkgesteld met werkelijke diensten gepresteerd als personeelslid van de overnemende inrichtende macht. De overnemingsovereenkomst die tussen de betrokken inrichtende machten te sluiten is, kan regels bepalen die de hierboven vermelde bepalingen aanvullen, en, in voorkomend geval, overnemingsvoorwaarden bepalen voor de tijdelijk aangestelde personeelsleden, inzonderheid de voorwaarden waaronder die personeelsleden een voorrang voor de benoeming kunnen laten gelden. De overeenkomst kan eveneens de voorwaarden bepalen waaronder de tijdelijk aangestelde personeelsleden die, op het ogenblik van de overneming, op grond van de statutaire bepalingen die op die datum op hen van toepassing waren, aanspraak hadden kunnen maken op een benoeming in vast verband, kunnen in vast verband worden benoemd in de vacante betrekking die op het ogenblik van de overneming bekleed was en die daarna vacant blijft. Die aanvullende regels worden voorbereid binnen de plaatselijke paritaire commissie die onder de overnemende inrichtende macht ressorteert. § 2. De voorwaarden voor de overneming door een inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs van een inrichting of een deel van een inrichting van het gesubsidieerd vrij onderwijs worden bepaald in een overeenkomst die te sluiten is tussen de betrokken inrichtende machten. De voornoemde regels worden voorbereid binnen de plaatselijke paritaire commissie van de overnemende inrichtende macht. § 3. Er wordt een afschrift van de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde overeenkomst aan het hoofd van de eredienst gericht. HOOFDSTUK IV. _ Tuchtregeling Afdeling I. - Tuchtsancties Art. 37.Aan de in vast verband benoemde leermeesters godsdienst en leraars godsdienst die hun plicht niet nakomen, kunnen de volgende tuchtsancties worden opgelegd : 1° de terechtwijzing;2° de blaam;3° de afhouding op de wedde;4° de schorsing bij tuchtmaatregel;5° de terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel;6° het ontslag van ambtswege;7° de afzetting. Art. 38.§ 1. De tuchtsancties worden uitgesproken door de inrichtende macht van de inrichting waarin het personeelslid in vast verband benoemd is of door de inrichtende macht van de inrichting waarin het personeelslid, dat door een andere inrichtende macht in vast verband werd benoemd, zijn ambt geheel of gedeeltelijk uitoefent met toepassing van de bepalingen bedoeld in hoofdstuk IX, na raadpleging van het hoofd van de eredienst. De vordering kan eveneens gezamenlijk worden ingesteld door de inrichtende macht van de inrichting waarin het personeelslid in vast verband benoemd is en door de inrichtende macht(
  2. en)van de inrichting(
  3. en)waarin het personeelslid zijn ambt geheel of gedeeltelijk uitoefent met toepassing van de bepalingen bedoeld in hoofdstuk IX. Met het oog op het gezamenlijk uitoefenen van de tuchtprocedure zoals bepaald in het vorige lid, brengt de inrichtende macht van de inrichting waarin het personeelslid zijn ambt geheel of gedeeltelijk uitoefent met toepassing van de bepalingen bedoeld in hoofdstuk IX de inrichtende macht van de inrichting waarin het personeelslid in vast verband benoemd is schriftelijk op de hoogte van zijn voornemen een tuchtprocedure in te stellen ten aanzien van het betrokken personeelslid. De tuchtsanctie heeft slechts uitwerking ten aanzien van de inrichtende macht(
  4. en)die de sanctie heeft(hebben) uitgesproken. § 2. Behoudens de bij dit artikel nader bepaalde regels, is de inrichtende macht bedoeld in paragraaf 1 de overheid die de benoemingsbevoegdheid uitoefent. In de inrichtingen van het door de steden en gemeenten georganiseerde onderwijs, heeft het college van burgemeester en schepenen de bevoegdheid om de volgende sancties uit te spreken : de terechtwijzing, de blaam, de afhouding op de wedde en de schorsing bij tuchtmaatregel voor een periode die niet hoger dan één maand mag zijn. In de inrichtingen van het door de provincies georganiseerde onderwijs, heeft de bestendige deputatie de bevoegdheid om dezelfde sancties uit te spreken als deze die in het vorige lid bedoeld zijn. § 3. Van de beslissing om een tuchtsanctie op te leggen wordt kennisgegeven aan het personeelslid, dat, binnen een termijn van twintig dagen vanaf de kennisgeving, een beroep kan indienen bij de Raad van beroep bedoeld in artikel 49. Het personeelslid dat van zijn recht van beroep gebruik maakt, zendt er onmiddellijk een afschrift van aan zijn inrichtende macht en aan het hoofd van de eredienst. Het beroep schorst de procedure. Behoudens in de gevallen van strafvervolging, geeft de Raad van beroep een met redenen omkleed advies binnen de negentig dagen die volgen op de ontvangst van het beroep dat door het personeelslid wordt ingediend. § 4. De definitieve beslissing wordt genomen door de overheid die bevoegd is om de sanctie uit te spreken binnen de maand die volgt op de ontvangst van het advies van de Raad van beroep. Ze geeft het met redenen omkleed advies van de Raad van beroep weer. Van haar beslissing geeft de overheid kennis aan de Raad van beroep en aan de verzoeker. Er wordt een afschrift van de beslissing aan het hoofd van de eredienst gericht. § 5. Indien het personeelslid geen beroep heeft ingediend vóór de Raad van beroep binnen de in paragraaf 3 bepaalde termijn, heeft de tuchtsanctie meegedeeld aan het personeelslid bij toepassing van dezelfde paragraaf 3 uitwerking op de derde werkdag volgend op de vervaldag van voornoemde termijn. De kennisgeving bedoeld in paragraaf 3, eerste lid, vermeldt de datum waarop de tuchtsanctie uitwerking heeft bij toepassing van het eerste lid van deze paragraaf. Art. 39.De afhouding op de wedde wordt toegepast gedurende minstens één maand en hoogstens drie maanden. Ze mag niet hoger zijn dan één vijfde van het bruto bedrag van de laatste activiteitswedde- of wachtweddesubsidie. Art. 40.De schorsing bij tuchtmaatregel wordt voor ten hoogste een jaar uitgesproken. Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd en geniet de helft van het bruto bedrag van zijn laatste activiteitswedde- of wachtweddesubsidie. Art. 41.De duur van de terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel mag niet korter dan één jaar en hoger dan vijf jaar zijn. Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd en geniet gedurende de eerste twee jaren een wachtweddesubsidie die gelijk is aan de helft van de activiteitsweddesubsidie. De wachtweddesubsidie, die nooit hoger dan dit bedrag mag zijn, wordt vervolgens vastgesteld tegen het tarief van het pensioen dat de betrokkene zou krijgen indien hij vervroegd in ruste was gesteld. Nadat het personeelslid de helft van zijn straf heeft ondergaan, mag het vragen om opnieuw in het onderwijs te worden geïntegreerd. Art. 42.De afhouding op de activiteitsweddesubsidie of op de wachtweddesubsidie mag niet als gevolg hebben dat de activiteitsweddesubsidie of de wachtweddesubsidie van het personeelslid herleid wordt tot een bedrag dat lager is dan het bedrag van de werkloosheidsuitkeringen waarop het personeelslid aanspraak zou kunnen maken als het de socialezekerheidsregeling voor de werknemers zou genieten. Art. 43.Geen sanctie kan worden uitgesproken zonder dat het personeelslid vooraf werd gehoord of ten minste behoorlijk opgeroepen. De betrokkene kan gebruik maken van de rechten die hem worden toegekend door het syndicaal statuut. Bij de hoorzitting kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, een verdediger gekozen onder de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs, in dienstactiviteit of in ruste, of door de afgevaardigde van een erkende vakorganisatie. Art. 44.Geen sanctie mag uitwerking hebben vóór de periode die voorafgaat aan de uitspraak ervan. Art. 45.De strafvordering betreffende de feiten waarvoor een tuchtvordering wordt ingesteld, schorst de tuchtvordering en de uitspraak van een tuchtsanctie, behalve in de gevallen die op heterdaad worden ontdekt of indien de vastgestelde feiten, verbonden aan de beroepsactiviteit, door het personeelslid worden erkend. Wat het resultaat van de strafvordering ook is, de administratieve overheid blijft bevoegd om te oordelen over de toepassing van de tuchtsancties. De overheid is echter, bij die beoordeling, gebonden door de feiten die definitief deugdelijk erkend zijn bij de strafbeslissing. Art. 46.Behalve bij preventieve schorsing, heeft de tuchtvordering ten aanzien van een personeelslid de verwijdering van de betrokkene uit zijn ambt pas tot gevolg na de kennisgeving van de definitieve tuchtbeslissing bedoeld in artikel 38, § 4, of de derde werkdag bedoeld in paragraaf 5 van hetzelfde artikel. Art. 47.Elke tuchtsanctie wordt in het dossier van het personeelslid opgenomen. Afdeling II. - Doorhaling van de tuchtsanctie Art. 48.De tuchtsanctie wordt van ambtswege doorgehaald op het einde van een termijn van : 1° Een jaar voor de terechtwijzing en de blaam;2° Drie jaar voor de afhouding op de wedde;3° Vijf jaar voor de schorsing bij tuchtmaatregel;4° Zeven jaar voor de terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel. De termijn bedoeld in het eerste lid begint te lopen, naar gelang van het geval, bij de uitspraak van de tuchtsanctie of bij het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 38, § 3. Onverminderd de uitvoering van de tuchtsanctie, heeft de doorhaling tot gevolg dat de sanctie geen uitwerking meer kan hebben. De tuchtsanctie wordt doorgehaald in het dossier van het personeelslid. HOOFDSTUK V. - Raad van beroep Art. 49.Bij het Ministerie van de Franse Gemeenschap wordt een Raad van beroep ingesteld voor de leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst van de inrichtingen van het gesubsidieerd officieel onderwijs. De Raad van beroep stelt zijn huishoudelijk reglement op, dat hij de Regering ter goedkeuring voorlegt. Art. 50.§ 1. De Raad van beroep is samengesteld uit : 1° een gelijk aantal vertegenwoordigers van de inrichtende machten en vertegenwoordigers van de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs;2° een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter gekozen onder de magistraten, in dienstactiviteit of in ruste, of onder de ambtenaren-generaal van de Algemene Directie Personeel van het gesubsidieerd onderwijs;3° een secretaris en een adjunct-secretaris. De Regering stelt het aantal leden van de Raad van beroep alsook de duur van hun mandaat vast; de Raad van beroep bestaat uit ten minste vier werkende leden die de inrichtende machten vertegenwoordigen en uit vier werkende leden die de personeelsleden vertegenwoordigen. De werkende leden worden door de Regering aangesteld op de voordracht van het (
  5. de)vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan(anen) van de inrichtende machten van de inrichtingen van het gesubsidieerd officieel onderwijs dat (die) erkend is (zijn) door de Regering en de representatieve vakorganisaties. Als er geen akkoord wordt bereikt binnen deze, dan voert de Regering rechtsreeks de aanstellingen uit. Elk van de representatieve vakorganisaties beschikt over ten minste één vertegenwoordiger. Voor elk werkend lid, stelt de Regering, volgens dezelfde nadere regels, twee plaatsvervangende leden aan. Bij vervanging van een lid, voleindigt de vervanger het mandaat van het lid in de plaats waarvan het wordt aangesteld. De secretaris en adjunct-secretaris, aangesteld door de Regering onder de ambtenaren van de diensten van de Regering, nemen het secretariaat van de Raad van beroep waar. Ze zijn niet stemgerechtigd. § 2. In afwijking van § 1, 1°, wanneer een advies dient te worden uitgebracht over het ontslag, mits opzeggingstermijn, voorgesteld door het hoofd van de eredienst, of over een ongunstig rapport van de bevoegde inspectie, is de Raad van beroep samengesteld uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van het hoofd van de betrokken eredienst en vertegenwoordigers van de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs. De Regering stelt de vertegenwoordigers van het hoofd van de betrokken eredienst aan op de voordracht van deze. Art. 51.Zodra een zaak ingediend is, deelt de voorzitter het personeelslid en de inrichtende macht de lijst van de werkende en plaatsvervangende leden mee. Binnen de tien dagen volgend op de ontvangst van die lijst, kunnen het personeelslid en de inrichtende macht hoogstens drie leden wraken. Ze mogen echter niet gelijktijdig een werkend lid en zijn twee plaatsvervangende leden wraken. De voorzitter, plaatsvervangend voorzitter, werkende leden en plaatsvervangende leden mogen geen zitting hebben in een zaak betreffende hun echtgenoot of een bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad. Ieder lid dat weet dat het de oorzaak van een wraking kan zijn, is ertoe gehouden zich te onthouden. Een lid kan eveneens verzoeken om te worden ontheven, als het oordeelt dat het een moreel belang heeft bij de zaak of als het denkt dat zijn onpartijdigheid in twijfel kan worden gebracht. De voorzitter beslist over het gevolg dat moet worden gegeven aan die aanvraag. Hij kan eveneens een lid ontheffen om dezelfde redenen. Art. 52.De partijen worden door de voorzitter opgeroepen binnen de twintig dagen die volgen op de ontvangst van het beroep en worden door de Raad van beroep gehoord. De leermeester godsdienst of leraar godsdienst kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een vertegenwoordiger gekozen onder de personeelsleden, in dienstactiviteit of in ruste, van het gesubsidieerd officieel onderwijs, of door een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie. De inrichtende macht kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een vertegenwoordiger van een representatieve organisatie van de inrichtende machten, door een advocaat, door een verdediger gekozen onder de vertegenwoordigers van de inrichtende machten van het gesubsidieerd officieel onderwijs of door een afgevaardigde van een vereniging die de belangen van die inrichtende machten behartigt. Bij afwezigheid van één van de regelmatig opgeroepen partijen of van haar vertegenwoordiger, beslist de Raad van beroep geldig bij zijn tweede vergadering. De twee vergaderingen mogen niet binnen een tijdsspanne van minder dan vijf dagen plaatsvinden. Alvorens te beraadslagen, kan de Raad van beroep een bijkomend onderzoek bevelen en getuigen horen. De Raad van beroep mag niet vergaderen tussen 15 juli en 15 augustus, behalve in dringende gevallen die unaniem erkend worden door alle aanwezige leden, met inbegrip van de voorzitter. Art. 53.De Raad van beroep kan alleen beslissen als de voorzitter en ten minste twee leden die de personeelsleden vertegenwoordigen en twee leden die, naar gelang van het geval, de inrichtende machten of het hoofd van de betrokken eredienst vertegenwoordigen, aanwezig zijn. De leden die de personeelsleden vertegenwoordigen en de leden die, naar gelang van het geval, de inrichtende machten of het hoofd van de betrokken eredienst vertegenwoordigen, moeten in gelijk aantal aanwezig zijn om te kunnen deelnemen aan de stemming. In voorkomend geval wordt de gelijkheid hersteld door het verwijderen van één of meer leden na loting. Is het in het eerste lid bedoelde quorum niet bereikt, roept de voorzitter een nieuwe vergadering binnen de veertien dagen bijeen. Bij die vergadering zal een beslissing kunnen worden genomen ongeacht het aantal aanwezige leden. Het advies wordt bij gewone meerderheid van stemmen uitgebracht. De stemming is geheim. Bij staking van stemmen, beslist de voorzitter. Van het met redenen omkleed advies van de Raad van beroep wordt bij een ter post aangetekend schrijven aan de partijen kennisgegeven binnen de vijf dagen volgend op de vergadering waarbij het werd uitgebracht. Art. 54.De werkingskosten van de Raad van beroep zijn ten laste van de Franse Gemeenschap. De Regering bepaalt de vergoedingen waarop de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitters recht hebben. Als de voorzitter of de plaatsvervangende voorzitter een ambtenaar-generaal is, dan is geen vergoeding verschuldigd. HOOFDSTUK VI. - Preventieve schorsing : administratieve maatregel Afdeling I. -

Art. 55

.Voor de toepassing van dit hoofdstuk dient onder inrichtende macht te worden verstaan : 1° in het door de steden en gemeenten georganiseerde onderwijs, het college van burgemeester en schepenen;2° in het door de provincies georganiseerde onderwijs, de provincieraad of de bestendige deputatie;3° in het door de Franse Gemeenschapscommissie georganiseerde onderwijs, het College van die instelling;4° in de onderwijsinrichtingen die onder de intercommunale verenigingen ressorteren, de raad van bestuur van die instellingen. Art. 56.De bij dit hoofdstuk geregelde preventieve schorsing is een louter administratieve maatregel, die niet het karakter van een sanctie heeft. Ze wordt door de inrichtende macht uitgesproken en wordt met redenen omkleed. Ze heeft als gevolg dat de leermeester godsdienst of de leraar godsdienst uit zijn ambt wordt verwijderd. Gedurende de periode van de preventieve schorsing, verblijft het personeelslid in de administratieve stand dienstactiviteit. Afdeling II. - Preventieve schorsing van de in vast verband benoemde leermeesters godsdienst en leraars godsdienst Art. 57.§

  1. Wanneer dit in het belang van de dienst of van het onderwijs vereist is, kan een preventieveschorsingsvordering worden ingesteld ten aanzien van een in vast verband benoemde leermeester godsdienst of leraar godsdienst : 1° als tegen hem strafvervolgingen worden ingesteld;2° zodra een tuchtvordering tegen hem door de inrichtende macht wordt ingesteld;3° zodra de inrichtende macht hem bij een ter post aangetekend schrijven de vaststelling van een onverenigbaarheid meedeelt. §
  2. Vóór elke preventieveschorsingsmaatregel, moet het personeelslid uitgenodigd zijn om door de inrichtende macht te worden gehoord. De oproeping tot de hoorzitting alsook de redenen voor de rechtvaardiging van de preventieve schorsing worden het personeelslid ten minste drie werkdagen vóór de hoorzitting meegedeeld ofwel bij een ter post aangetekend schrijven met ontvangstbewijs dat drie werkdagen na de datum van de verzending ervan uitwerking heeft, ofwel door de overhandiging van een schrijven met ontvangstbewijs dat uitwerking heeft op de datum dat in dat ontvangstbewijs vermeld staat. Bij de hoorzitting kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een vertegenwoordiger gekozen onder de personeelsleden van het personeel van het gesubsidieerd officieel onderwijs, in dienstactiviteit of in ruste, of door een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie. Binnen de drie werkdagen volgend op de dag bepaald voor de hoorzitting, deelt de inrichtende macht het personeelslid zijn beslissing bij een ter post aangetekend schrijven mee, zelfs indien noch het personeelslid noch zijn vertegenwoordiger zich bij de hoorzitting hebben aangemeld, zonder overmacht te kunnen aantonen ter rechtvaardiging van hun afwezigheid bij de hoorzitting. Indien het personeelslid of zijn vertegenwoordiger kan bewijzen dat er overmacht is ter rechtvaardiging van hun afwezigheid bij de hoorzitting, roept de inrichtende macht het personeelslid voor een nieuwe hoorzitting op door middel van een kennisgeving zoals bepaald in het tweede lid. In dat geval, zelfs indien noch het personeelslid noch zijn vertegenwoordiger zich voor de hoorzitting hebben aangemeld, deelt de inrichtende macht het personeelslid zijn beslissing mee bij een ter post aangetekend schrijven binnen de drie werkdagen die volgen op de dag bepaald voor de hoorzitting. Indien de beslissing leidt tot de preventieve schorsing van het personeelslid, dan heeft ze uitwerking op de derde werkdag volgend op de datum van de verzending ervan. Er wordt een afschrift van de beslissing gericht aan het hoofd van de eredienst. §
  3. In afwijking van het eerste lid van § 2, kan het personeelslid onmiddellijk uit zijn ambt worden verwijderd als het een zware fout heeft begaan die op heterdaad werd ontdekt of als de bezwaren die tegen hem bestaan zo ernstig zijn dat het wenselijk is, in het belang van het onderwijs, dat het personeelslid niet meer aanwezig zou zijn binnen de inrichting. Binnen de tien werkdagen die volgen op de dag waarop de maatregel voor onmiddellijke verwijdering is genomen, moet de inrichtende macht de vordering voor preventieve schorsing instellen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel. Zo niet, dan neemt de maatregel voor onmiddellijke verwijdering een einde op het einde van de voormelde termijn en zal het personeelslid voor dezelfde zware fout of dezelfde bezwaren uit de inrichting alleen worden verwijderd mits de inachtneming van de vordering voor preventieve schorsing zoals inzonderheid in § 2 van dit artikel bepaald. Het onmiddellijk uit zijn ambt verwijderde personeelslid behoudt de administratieve stand dienstactiviteit. §
  4. In het kader van de vaststelling van een onverenigbaarheid of van een tuchtvordering, kan de duur van de preventieve schorsing niet langer zijn dan één jaar, en, in het kader van een tuchtvordering, neemt die in elk geval een einde : 1° vijfenveertig kalenderdagen na de datum bepaald voor de hoorzitting bedoeld in artikel 43 indien de inrichtende macht, binnen die termijn, van de beslissing bedoeld in artikel 38, § 3, geen kennis heeft gegeven aan het personeelslid;2° de derde werkdag volgend op de kennisgeving aan het personeelslid van de beslissing bedoeld in artikel 38, § 3, indien die beslissing de terechtwijzing, de blaam of de afhouding op de wedde is;3° de dag waarop de beslissing houdende de tuchtsanctie uitwerking heeft. In het kader van strafvervolgingen is de duur van de preventieve schorsing niet tot één jaar beperkt. Wanneer een tuchtvordering ingesteld is of voortgezet wordt na een rechterlijke beslissing tot definitieve strafveroordeling, begint de termijn van één jaar bedoeld in het eerste lid pas te lopen na de uitspraak van die definitieve veroordeling. §
  5. In het kader van een tuchtvordering, moet de preventieve schorsing schriftelijk worden bevestigd binnen de drie maanden na de datum van het begin van de uitwerking ervan. Van die bevestiging wordt kennisgegeven aan betrokkene bij een ter post aangetekend schrijven. Wordt die preventieve schorsing niet binnen de vereiste termijn bevestigd, dan kan het betrokken personeelslid opnieuw zijn ambt uitoefenen na de inrichtende macht daarvan op de hoogte te hebben gebracht bij aangetekend schrijven ten minste tien werkdagen vóór de werkelijke werkhervatting. Na ontvangst van die kennisgeving, kan de inrichtende macht de preventieve schorsing bevestigen volgens de procedure beschreven in het tweede lid. Art. 58.Iedere in vast verband benoemde leermeester godsdienst of leraar godsdienst die preventief wordt geschorst, behoudt zijn recht op wedde. In afwijking van het eerste lid, wordt op de helft van zijn activiteitswedde vastgesteld, de wedde van ieder preventief geschorst vast benoemd personeelslid : 1° dat verdacht of beklaagd wordt in het kader van strafvervolgingen;2° tegen wie een niet definitieve strafveroordeling is uitgesproken waartegen hij gebruik kan maken van zijn gewone verhaalrechten;3° tegen wie een tuchtvordering is ingesteld of wordt voortgezet als gevolg van een definitieve strafveroordeling;4° tegen wie een tuchtvordering is ingesteld wegens een zware fout waarvoor er ofwel ontdekking op heterdaad bestaat ofwel bewijselementen voorhanden zijn, en waarvan de beoordeling tot de bevoegdheid van de inrichtende macht behoort;5° tegen wie een beslissing tot tuchtsanctie bepaald in artikel 37, 4°, 5°, 6° en 7° is genomen en tegen wie het personeelslid een beroep heeft ingesteld, overeenkomstig artikel 38, §
  6. Die weddevermindering kan niet tot gevolg hebben dat de wedde herleid wordt tot een bedrag dat lager is dan het bedrag van de werkloosheidsuitkeringen waarop het personeelslid recht zou hebben indien het de socialezekerheidsregeling voor werknemers zou genieten. Voor de toepassing van het tweede lid, 1° en 2°, heeft die weddevermindering uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop het personeelslid wordt verdacht of beklaagd of tegen wie een niet definitieve veroordeling is uitgesproken. Voor de toepassing van het tweede lid, 3°, wordt die weddevermindering, die reeds krachtens het tweede lid, 1° en 2°, verricht is, behouden na de definitieve veroordeling, indien de inrichtende macht het personeelslid zijn voornemen meedeelt de tuchtvordering voort te zetten of in te stellen. Voor de toepassing van het tweede lid, 4°, heeft de weddevermindering uitwerking met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de kennisgeving aan het personeelslid van de toepassing van dat tweede lid, 4°. Voor de toepassing van het tweede lid, 5°, heeft die weddevermindering uitwerking met ingang van de dag waarop het personeelslid zijn beroep heeft ingediend. Art. 59.Op het einde van de tuchtvordering of van de strafvordering, wordt de maatregel betreffende de weddevermindering ingetrokken, behalve indien : 1° de inrichtende macht op het einde van de tuchtvordering, het personeelslid één van de strafsancties bedoeld in artikel 37, 4°, 5°, 6°en 7° oplegt;2° artikel 111, 2°, b), of 5° wordt toegepast;3° tegen het personeelslid een definitieve strafveroordeling, al dan niet gevolgd door een tuchtvordering, wordt uitgesproken. Wanneer de maatregel tot weddevermindering wordt ingetrokken met toepassing van het eerste lid, krijgt het personeelslid het aanvankelijk afgehouden aanvullend deel van zijn weddesubsidie, vermeerderd met de verwijlintresten, berekend volgens het wettelijk percentage, en verschuldigd sedert de dag waarop de vermindering werd uitgevoerd. Het personeelslid behoudt de bedragen die het gedurende de periode van zijn preventieve schorsing heeft ontvangen. Indien de wedde van het personeelslid met toepassing van artikel 58, tweede lid, 4° of 5°, werd verminderd, en indien de sanctie schorsing bij tuchtmaatregel wordt uitgesproken voor een periode die korter is dan de duur van de maatregel tot vermindering van de wedde, dan wordt deze ingetrokken voor de periode na de duur van de schorsing bij tuchtmaatregel, en in dat geval ontvangt het personeelslid het aanvullend deel van zijn weddesubsidie dat gedurende die periode ten onrechte was ingehouden, vermeerderd met de verwijlintresten berekend volgens het wettelijke percentage en verschuldigd sedert de dag waarop de vermeerdering werd verricht. Het voorafgaande lid is niet van toepassing in het kader van een tuchtvordering ingesteld of voortgezet na een definitieve strafveroordeling. Art. 60.De preventieve schorsing wordt door de inrichtende macht ter kennis gebracht van de Regering, met het oog op de onmiddellijke uitvoering ervan. Afdeling III. - Preventieve schorsing van de tijdelijk aangestelde leermeesters godsdienst en leraars godsdienst Art. 61.§
  7. Wanneer dit in het belang van de dienst of van het onderwijs vereist is, kan een preventieveschorsingsvordering worden ingesteld ten aanzien van een tijdelijk of als prioritair tijdelijk aangestelde leermeester godsdienst of leraar godsdienst : 1° als tegen hem strafvervolgingen worden ingesteld;2° zodra de inrichtende macht hem bij een ter post aangetekend schrijven de vaststelling van een onverenigbaarheid meedeelt. §
  8. Vóór elke preventieveschorsingsmaatregel, moet het personeelslid uitgenodigd zijn om door de inrichtende macht te worden gehoord. De oproeping tot de hoorzitting alsook de redenen voor de rechtvaardiging van de preventieve schorsing worden het personeelslid ten minste drie werkdagen vóór de hoorzitting meegedeeld ofwel bij een ter post aangetekend schrijven met ontvangstbewijs dat drie werkdagen na de datum van de verzending ervan uitwerking heeft, ofwel door de overhandiging van een schrijven met ontvangstbewijs dat uitwerking heeft op de datum dat in dat ontvangstbewijs vermeld staat. Bij de hoorzitting kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een vertegenwoordiger gekozen onder de personeelsleden van het personeel van het gesubsidieerd officieel onderwijs, in dienstactiviteit of in ruste, of door een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie. Binnen de drie werkdagen volgend op de dag bepaald voor de hoorzitting, deelt de inrichtende macht het personeelslid haar beslissing bij een ter post aangetekend schrijven mee, zelfs indien noch het personeelslid noch zijn vertegenwoordiger zich bij de hoorzitting hebben aangemeld, zonder overmacht te kunnen aantonen ter rechtvaardiging van hun afwezigheid bij de hoorzitting. Indien het personeelslid of zijn vertegenwoordiger kan bewijzen dat er overmacht is ter rechtvaardiging van hun afwezigheid bij de hoorzitting, roept de inrichtende macht het personeelslid voor een nieuwe hoorzitting op door middel van een kennisgeving zoals bepaald in het tweede lid. In dat geval, zelfs indien noch het personeelslid noch zijn vertegenwoordiger zich voor de hoorzitting hebben aangemeld, deelt de inrichtende macht het personeelslid zijn beslissing mee bij een ter post aangetekend schrijven binnen de drie werkdagen die volgen op de dag bepaald voor de hoorzitting. Indien de beslissing leidt tot de preventieve schorsing van het personeelslid, dan heeft ze uitwerking op de derde werkdag volgend op de datum van de verzending ervan. Er wordt een afschrift van de beslissing gericht aan het hoofd van de eredienst. §
  9. In afwijking van het eerste lid van § 2, kan het personeelslid onmiddellijk uit zijn ambt worden verwijderd als het een zware fout heeft begaan die op heterdaad werd ontdekt of als de bezwaren die tegen hem bestaan zo ernstig zijn dat het wenselijk is, in het belang van het onderwijs, dat het personeelslid niet meer aanwezig zou zijn binnen de inrichting. Binnen de tien werkdagen die volgen op de dag waarop de maatregel voor onmiddellijke verwijdering is genomen, moet de inrichtende macht de vordering voor preventieve schorsing instellen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel. Zo niet, dan neemt de maatregel voor onmiddellijke verwijdering een einde op het einde van de voormelde termijn en zal het personeelslid voor dezelfde zware fout of dezelfde bezwaren uit de inrichting alleen worden verwijderd mits de inachtneming van de vordering voor preventieve schorsing zoals inzonderheid in § 2 van dit artikel bepaald. Het onmiddellijk uit zijn ambt verwijderde personeelslid behoudt de administratieve stand dienstactiviteit. §
  10. Onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 65, kan de duur van de preventieve schorsing niet langer zijn dan zes maanden in het kader van de vaststelling van een onverenigbaarheid. In het kader van strafvervolgingen is de duur van de preventieve schorsing niet tot zes maanden beperkt. Art. 62.Iedere tijdelijk aangestelde leermeester godsdienst of leraar godsdienst die preventief wordt geschorst, behoudt zijn recht op wedde. In afwijking van het eerste lid, wordt op de helft van zijn activiteitswedde vastgesteld, de wedde van ieder preventief geschorst tijdelijk aangesteld personeelslid : 1° dat verdacht of beklaagd wordt in het kader van strafvervolgingen;2° tegen wie een niet definitieve strafveroordeling is uitgesproken waartegen hij gebruik kan maken van zijn gewone verhaalrechten. Die weddevermindering kan niet tot gevolg hebben dat de wedde herleid wordt tot een bedrag dat lager is dan het bedrag van de werkloosheidsuitkeringen waarop het personeelslid recht zou hebben indien het de socialezekerheidsregeling voor werknemers zou genieten. Die weddevermindering heeft uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop het personeelslid werd verdacht of beklaagd of de niet definitieve veroordeling werd uitgesproken. Art. 63.Op het einde van de tuchtvordering of van de strafvordering, wordt de maatregel betreffende de weddevermindering ingetrokken, behalve indien : 1° artikel 110, 2°, b), of 5° wordt toegepast;2° tegen het personeelslid een definitieve strafveroordeling, al dan niet gevolgd door een tuchtvordering, wordt uitgesproken. Wanneer de maatregel tot weddevermindering wordt ingetrokken met toepassing van het eerste lid, krijgt het personeelslid het aanvankelijk afgehouden aanvullend deel van zijn weddesubsidie, vermeerderd met de verwijlintresten, berekend volgens het wettelijk percentage, en verschuldigd sedert de dag waarop de vermindering werd uitgevoerd. Het personeelslid behoudt de bedragen die het gedurende de periode van zijn preventieve schorsing heeft ontvangen. Art. 64.De preventieve schorsing wordt door de inrichtende macht ter kennis gebracht van de Regering, met het oog op de onmiddellijke uitvoering ervan. Art. 65.De vordering voor preventieve schorsing alsook de maatregelen die door de inrichtende macht ten aanzien van het tijdelijk personeelslid genomen zijn met toepassing van de bepalingen van deze afdeling eindigen van rechtswege op de datum waarop de aanstelling eindigt en, uiterlijk, op 30 juni van het lopende schooljaar. Indien het personeelslid bedoeld bij deze afdeling de hoedanigheid van in vast verband benoemd personeelslid verwerft, zijn de bepalingen van afdeling 2 van dit hoofdstuk op hem van toepassing. HOOFDSTUK VII. - Leermeesters godsdienst en leraars godsdienst die het slachtoffer van gewelddaden zijn Afdeling I. -

Art. 66.§ 1.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk dient te worden verstaan onder : 1° « Gewelddaad », elke aanranding van de lichamelijke en/of psychische integriteit begaan met een boosaardige bedoeling, elke agressie van raciale, godsdienstige of seksistische aard tegen een leermeester godsdienst of een leraar godsdienst alsook elke beschadiging van de goederen van deze ofwel door een leerling, ofwel door een derde op aansporing van of met de medeplichtigheid van deze, ofwel door een lid van het gezin van de leerling of elke persoon die in hetzelfde huis woont, in het kader van de dienst van het personeelslid of in rechtstreeks verband hiermee, ofwel door elke persoon die niet behoort tot het personeel van de inrichting, voor zover het slachtoffer aantoont dat de gewelddaad in rechtsreeks verband met de dienst staat;2° « Personeelslid dat het slachtoffer is (geweest) van een gewelddaad », de in vast verband benoemde, prioritair tijdelijke of tijdelijk aangestelde leermeester godsdienst of leraar godsdienst die erkend wordt als slachtoffer van een arbeidsongeval voortvloeiend uit de daad bepaald in punt 1° door de dienst van de Regering bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 24/01/1969 pub. 11/01/2002 numac 2001001040 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk. - Duitse vertaling type koninklijk besluit prom. 24/01/1969 pub. 01/06/2023 numac 2023042376 bron federale overheidsdienst personeel en organisatie Koninklijk besluit betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk. De in § 2 bedoelde voorrang wordt aan het personeelslid dat het slachtoffer is geweest van een gewelddaad alleen toegekend voor zover het een klacht heeft ingediend bij de gerechtelijke overheid. Wanneer de gewelddaad is gepleegd buiten de inrichting, dan wordt de aanvraag om voorrang alleen in aanmerking genomen voor zover de pleger van de gewelddaad kan worden geïdentificeerd. § 2. Het personeelslid dat het slachtoffer is (geweest) van een gewelddaad geniet een voorrang bepaald overeenkomstig afdeling 2 als het niet prioritair tijdelijk is, overeenkomstig afdeling 3 als het prioritair tijdelijk is, en overeenkomstig afdeling 4 als het in vast verband benoemd is. Indien het personeelslid niet tijdelijk ongeschikt werd verklaard door de administratieve gezondheidsdienst, en, behoudens bij behoorlijk met redenen omklede overmacht, dient het zijn aanvraag om voorrang in bij een ter post aangetekend schrijven met ontvangstbewijs binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de dag waarop de feiten zich hebben voorgedaan, bij de Algemene Directie Leerplichtonderwijs. Binnen dezelfde termijn zendt het eveneens bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs een afschrift van die aanvraag aan zijn inrichtende macht over. Het personeelslid zendt een afschrift van zijn aanvraag aan het hoofd van de eredienst over. Ingeval het personeelslid tijdelijk ongeschikt werd verklaard door de administratieve gezondheidsdienst, dient het zijn aanvraag om voorrang in bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs binnen een termijn van één maand vanaf de dag waarop het zijn ambt weer uitoefent, bij de Algemene Directie Leerplichtondewijs. Binnen dezelfde termijn, zendt het eveneens bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs een afschrift van die aanvraag aan zijn inrichtende macht over. Het personeelslid zendt een afschrift van zijn aanvraag aan het hoofd van de eredienst over. De Algemene Directie Leerplichtonderwijs kijkt na of de voorwaarden voor de toepassing van dit decreet vervuld zijn, en wint elke aanvullende informatie in die zij als nuttig acht. Bij de aanvraag worden gevoegd, een afschrift van de klacht bedoeld in § 1 alsook een afschrift van de erkenning van het arbeidsongeval door de dienst van de Regering bedoeld in artikel 6 van het voormelde koninklijk besluit van 24 januari 1969Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 24/01/1969 pub. 11/01/2002 numac 2001001040 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk. - Duitse vertaling type koninklijk besluit prom. 24/01/1969 pub. 01/06/2023 numac 2023042376 bron federale overheidsdienst personeel en organisatie Koninklijk besluit betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten. § 3. Binnen de acht werkdagen die volgen op de ontvangst van de aanvraag bedoeld in § 2, brengt de Algemene Directie Leerplichtonderwijs de Regering een advies uit. Er wordt een afschrift van dat advies meegedeeld aan de inrichtende macht alsook aan het betrokken personeelslid. De beslissing tot toekenning van het genot van de regeling bepaald in dit hoofdstuk, wordt door de Regering genomen binnen de acht werkdagen. Er wordt daarvan onmiddellijk kennisgegeven aan de inrichtende macht alsook aan het betrokken personeelslid. Er wordt een afschrift van de beslissing aan het hoofd van de eredienst gericht. Afdeling II. - Recht op een nieuwe aanstelling van de niet prioritaire tijdelijke leermeesters godsdienst en leraars godsdienst Art. 67.§ 1. Het niet prioritair tijdelijk aangesteld personeelslid dat het slachtoffer is van een gewelddaad kan, met inachtneming van de voorwaarden bedoeld in afdeling I, een nieuwe aanstelling aanvragen in een andere inrichting die onder dezelfde inrichtende macht ressorteert. De aanvraag om nieuwe aanstelling wordt alleen in aanmerking genomen als de oorspronkelijke aanstelling niet eindigt vóór het verstrijken van een termijn van één maand te rekenen vanaf de dag waarop de aanvraag werd ingediend. De duur van de nieuwe aanstelling bedoeld in dit artikel kan niet korter zijn dan de duur die nog moet lopen in het kader van de oorspronkelijke aanstelling, behoudens toestemming van het betrokken personeelslid. Er kan echter een aanstelling waarvan de duur korter is dan deze die nog moet lopen in het kader van zijn oorspronkelijke aanstelling worden opgelegd aan het slachtoffer van een gewelddaad, op voorwaarde dat die betrekking beschikbaar is voor een periode van ten minste vijftien weken en het personeelslid dat een dergelijke aanstelling geniet geen recht verliest voor de periode die het verschil uitmaakt tussen die aanstelling en de duur van de oorspronkelijke aanstelling. § 2. De inrichtende macht stelt het personeelslid bedoeld in § 1 aan :

  1. a)in elke betrekking van hetzelfde ambt die niet bezet wordt door een ander personeelslid met inachtneming van de statutaire bepalingen; of
  2. b)in elke betrekking van hetzelfde ambt die wordt bezet door een personeelslid dat aanvaardt om te wisselen met het personeelslid dat het slachtoffer is geweest van een gewelddaad. Punt
  3. b)van het eerste lid geldt alleen voor de aanstellingen die vóór 15 mei van het lopende jaar worden uitgevoerd. § 4. Indien het personeelslid niet kon worden aangesteld in een andere betrekking van hetzelfde ambt overeenkomstig de §§ 2 en 3, en het aangesteld wordt door een andere inrichtende macht in een betrekking van hetzelfde ambt, worden de diensten gepresteerd in die nieuwe inrichtende macht eveneens in aanmerking genomen bij de berekening van de ambtsanciënniteit bij de oorspronkelijke inrichtende macht, in verhouding tot het aantal dagen die nog te presteren waren in het kader van de oorspronkelijke aanstelling. § 5. Gedurende de periode van het bezoldigd verlof dat het personeelslid geniet dat bedoeld is bij dit artikel en dat in arbeidsongeschiktheid verkeert als gevolg van de gewelddaad, wordt dat personeelslid geacht werkelijke diensten te presteren. Die periode wordt meegerekend in de dienstanciënniteit maar in verhouding tot de duur van de oorspronkelijke aanstelling. § 6. In het schooljaar dat volgt op het jaar waarin het personeelslid de voorwaarden vervulde om de in dit artikel bedoelde voorrang te genieten, kan het niet prioritair tijdelijk personeelslid dat het slachtoffer is geweest van een gewelddaad niet opnieuw aangesteld worden in de inrichting waarin het het slachtoffer is geweest van de gewelddaad, behalve als het daarom verzoekt en op voorwaarde dat de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk bedoeld in het koninklijk besluit van 27 maart 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 27/03/1998 pub. 31/03/1998 numac 1998012230 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk type koninklijk besluit prom. 27/03/1998 pub. 31/03/1998 numac 1998012229 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het Werk type koninklijk besluit prom. 27/03/1998 pub. 24/06/1998 numac 1998022264 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit betreffende de hiërarchische indeling van sommige graden waarvan de personeelsleden van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers titularis kunnen zijn sluiten betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk heeft erkend dat het niet in staat is zijn ambt(
  4. en)opnieuw uit te oefenen in de inrichting waarin het het slachtoffer is geweest van een gewelddaad. Afdeling III. - Recht op een nieuwe aanstelling van de prioritair tijdelijk aangestelde leermeesters godsdienst en leraars godsdienst Art. 68.§ 1. Het prioritair tijdelijk aangestelde personeelslid dat het slachtoffer is geweest van een gewelddaad kan, met inachtneming van de voorwaarden bedoeld in afdeling I, een nieuwe aanstelling aanvragen in een andere inrichting die onder dezelfde inrichtende macht ressorteert. De aanvraag om nieuwe aanstelling wordt alleen in aanmerking genomen als de oorspronkelijke aanstelling niet eindigt vóór het verstrijken van een termijn van één maand te rekenen vanaf de dag waarop de aanvraag werd ingediend. De duur van de nieuwe aanstelling bedoeld in dit artikel kan niet korter zijn dan de duur die nog moet lopen in het kader van de oorspronkelijke aanstelling, behoudens toestemming van het betrokken personeelslid. Er kan echter een aanstelling waarvan de duur korter is dan deze die nog moet lopen in het kader van zijn oorspronkelijke aanstelling worden opgelegd aan het slachtoffer van een gewelddaad, op voorwaarde dat die betrekking beschikbaar is voor een periode van ten minste vijftien weken en het personeelslid dat een dergelijke aanstelling geniet geen recht verliest voor de periode die het verschil uitmaakt tussen die aanstelling en de duur van de oorspronkelijke aanstelling. § 2. De inrichtende macht selt het personeelslid bedoeld in § 1 aan :
  5. a)in elke betrekking van hetzelfde ambt die niet wordt bezet door een ander personeelslid met inachtneming van de statutaire bepalingen; of
  6. b)in elke betrekking van hetzelfde ambt die wordt bezet door een personeelslid dat aanvaardt om te wisselen met het personeelslid dat het slachtoffer is geweest van een gewelddaad. Punt
  7. b)van het eerste lid geldt alleen voor de aanstellingen die vóór 15 mei van het lopende schooljaar worden uitgevoerd. § 3. Als de inrichtende macht het prioritair tijdelijk personeelslid bedoeld in deze afdeling geen nieuwe aanstelling heeft kunnen aanbieden overeenkomstig § 2, stelt de inrichtende macht hem aan in elke betrekking van hetzelfde ambt die reeds bezet wordt door :
  8. a)een niet prioritair tijdelijk personeelslid aan wie zij een omwisseling oplegt;
  9. b)bij ontstentenis daarvan, een prioritair tijdelijk personeelslid, in de omgekeerde volgorde van de rangschikking, aan wie zij een omwisseling oplegt. Het vorige lid geldt alleen voor de aanstellingen die vóór 15 mei van het lopende schooljaar worden uitgevoerd. § 4. Indien het personeelslid niet kon worden aangesteld in een andere betrekking van hetzelfde ambt overeenkomstig de §§ 2 en 3, en indien het door een andere inrichtende macht wordt aangesteld in een betrekking van hetzelfde ambt, worden de diensten gepresteerd in die nieuwe inrichtende macht eveneens in aanmerking genomen voor de berekening van de ambtsanciënniteit bij de oorspronkelijke inrichtende macht, in verhouding tot het aantal dagen die nog te presteren waren in het kader van de oorspronkelijk aanstelling. § 5. Gedurende de periode van bezoldigd verlof dat het bij dit artikel bedoelde personeelslid geniet dat in arbeidsongeschiktheid wordt gesteld als gevolg van de gewelddaad, wordt dat personeelslid geacht werkelijke diensten te presteren. Dat meerekenen in de dienstanciënniteit wordt echter beperkt tot de duur van de oorspronkelijke aanstelling. § 6. In het schooljaar dat volgt op het jaar waarin het prioritair tijdelijk personeelslid dat het slachtoffer is geweest van een gewelddaad aan de voorwaarden voldeed om de voorrang bedoeld bij dit artikel te kunnen genieten, kan het niet opnieuw worden aangesteld in de inrichting waarin het het slachtoffer is geweest van een gewelddaad, behalve als het dit aanvraagt en op voorwaarde dat de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk bedoeld in het voormelde koninklijk besluit van 27 maart 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 27/03/1998 pub. 31/03/1998 numac 1998012230 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk type koninklijk besluit prom. 27/03/1998 pub. 31/03/1998 numac 1998012229 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het Werk type koninklijk besluit prom. 27/03/1998 pub. 24/06/1998 numac 1998022264 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit betreffende de hiërarchische indeling van sommige graden waarvan de personeelsleden van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers titularis kunnen zijn sluiten heeft erkend dat het ongeschikt is om zijn ambt(
  10. en)verder uit te oefenen in de inrichting waarin het het slachtoffer is geweest van een gewelddaad. Afdeling IV. - Recht op verandering van affectatie, mutatie en tijdelijke aanstelling in een andere inrichtende macht van de in vast verband benoemde leermeesters godsdienst en leraars godsdienst Art. 69.§ 1. Het in vast verband benoemde personeelslid dat het slachtoffer is van een gewelddaad kan, met inachtneming van de voorwaarden bedoeld in afdeling I, een verandering van affectatie aanvragen in een andere inrichting die onder dezelfde inrichtende macht ressorteert. § 2. De inrichtende macht kent de verandering van affectatie toe aan het in § 1 bedoelde personeelslid :
  11. a)in elke betrekking van hetzelfde ambt die niet wordt bezet door een ander personeelslid; of
  12. b)in elke betrekking van hetzelfde ambt die wordt bezet door een personeelslid dat aanvaardt om te wisselen met het personeelslid dat het slachtoffer is van een gewelddaad. Punt
  13. b)van het eerste lid geldt alleen voor de veranderingen van affectatie die vóór 15 mei van het lopende schooljaar worden uitgevoerd. § 3. Als de inrichtende macht het in vast verband benoemde personeelslid bedoeld in deze afdeling geen verandering van affectatie heeft kunnen aanbieden overeenkomstig § 2, kent zij hem die verandering van affectatie toe in elke betrekking van hetzelfde ambt die reeds wordt bezet door :
  14. a)een niet prioritair tijdelijk personeelslid, in de omgekeerde volgorde van de rangschikking, aan wie zij een omwisseling oplegt.
  15. b)bij ontstentenis daarvan, een prioritair tijdelijk personeelslid, in de omgekeerde volgorde van de rangschikking, aan wie zij een omwisseling oplegt. Het vorige lid geldt alleen voor de veranderingen van affectatie die vóór 15 mei van het lopende schooljaar worden uitgevoerd. § 4. Het personeelslid dat het slachtoffer is van een gewelddaad kan een andere (andere) inrichtende macht(
  16. en)vragen om te worden gemuteerd in een definitief vacant geworden betrekking van hetzelfde ambt met toepassing van artikel 35, § 1. Het personeelslid dat het slachtoffer is van een gewelddaad kan een andere (andere) inrichtende macht(
  17. en)vragen om te worden aangesteld in een betrekking van hetzelfde ambt. Wordt het door die inrichtende macht aangesteld, dan geniet het in dat geval een verlof om tijdelijk een ander ambt uit te oefenen in het onderwijs overeenkomstig artikel 14, § 1, 3° en 4°, van het voormelde koninklijk besluit van 15 januari 1974. De verlenging van die tijdelijke affectatie geschiedt op dezelfde wijze totdat het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om in vast verband te worden benoemd. Indien het personeelslid zich niet kandidaat stelt voor een benoeming in vast verband, dan wordt de inrichtende macht vrijgesteld van de verplichting tot verlenging. § 5. In het schooljaar dat volgt op het schooljaar waarin het personeelslid het slachtoffer is geweest van een gewelddaad, kent de inrichtende macht hem een verandering van affectatie toe bij voorrang op elke andere verandering van affectatie, elke aanstelling en elke benoeming in vast verband van een ander personeelslid, in elke vacante betrekking van hetzelfde ambt, op voorwaarde dat de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk bedoeld in het voormelde koninklijk besluit van 27 maart 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 27/03/1998 pub. 31/03/1998 numac 1998012230 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk type koninklijk besluit prom. 27/03/1998 pub. 31/03/1998 numac 1998012229 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het Werk type koninklijk besluit prom. 27/03/1998 pub. 24/06/1998 numac 1998022264 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit betreffende de hiërarchische indeling van sommige graden waarvan de personeelsleden van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers titularis kunnen zijn sluiten heeft erkend dat het ongeschikt is om zijn ambt(
  18. en)verder uit te oefenen in de inrichting waarin het het slachtoffer is geweest van een gewelddaad. HOOFDSTUK VIII - Administratieve standen Afdeling I. - Algemene bepaling Art. 70.De leermeester godsdienst of de leraar godsdienst bevindt zich in één van de volgende administratieve standen : 1° dienstactiviteit;2° non-activiteit;3° terbeschikkingstelling. Afdeling II. - Dienstactiviteit Art. 71.De leermeester godsdienst of de leraar godsdienst wordt steeds geacht in dienstactiviteit te zijn, behoudens uitdrukkelijke bepaling waarbij hij zich in een andere administratieve stand bevindt. Art. 72.De leermeester godsdienst of de leraar godsdienst in dienstactiviteit heeft recht op een weddesubsidie en op een bevordering tot een hogere wedde onder dezelfde voorwaarden als deze bepaald in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs. Hij kan een verlof krijgen van de inrichtende macht onder dezelfde voorwaarden als deze bepaald in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs. Elk verlof waarvoor een beslissing van de Regering vereist is om aanspraak te kunnen maken op de wedde in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, wordt door de inrichtende macht aan dezelfde overheid ter goedkeuring voorgelegd. Het personeelslid dat een verlof krijgt, deelt het mee aan het hoofd van de eredienst. Afdeling III - Non-activiteit Art. 73.De leermeester godsdienst of de leraar godsdienst bevindt zich in de stand non-activiteit onder dezelfde voorwaarden als deze bepaald in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs. Afdeling IV - Terbeschikkingstelling Art. 74.§ 1. Behoudens de terbeschikkingstelling bij ontstentenis van betrekking vermeld in hoofdstuk IX en de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs vermeld in de artikelen 76 tot 78 wordt de leermeester godsdienst of de leraar godsdienst door zijn inrichtende macht ter beschikking gesteld onder dezelfde voorwaarden als deze bepaald in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs. Het personeelslid dat ter beschikking wordt gesteld, deelt het mee aan het hoofd van de eredienst. § 2. Elke terbeschikkingstelling waarvoor een beslissing van de Regering vereist is om aanspraak te kunnen maken op een wachtwedde in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, wordt door de inrichtende macht aan dezelfde overheid ter goedkeuring voorgelegd. Art. 75.Niemand kan ter beschikking worden gesteld of gehouden na het einde van de maand waarin hij 60 jaar wordt, wanneer hij dertig jaren diensten telt die in aanmerking komen voor de opening van het recht op een pensioen". Art. 76.De vast benoemde leermeester godsdienst of de vast benoemde leraar godsdienst kan door zijn inrichtende macht ter beschikking worden gesteld wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs naar aanleiding van een voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs, ingediend volgens door de Regering nader te bepalen regels. De duur van de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs, mag, in één of meer lestijden, niet langer duren dan zes maanden voor de hele loopbaan van het personeelslid. Er kan evenwel worden afgeweken van de beperking bedoeld in het vorige lid zodat de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs, geformuleerd tijdens het schooljaar ten aanzien van een personeelslid, tot het einde van het lopende schooljaar verlengd wordt. Het verzoek tot afwijking kan door de inrichtende macht ter goedkeuring van de Regering worden voorgelegd. Tijdens de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs krijgt het personeelslid een wachtweddesubsidie die gelijk is aan zijn laatste weddesubsidie in dienstactiviteit. Een inrichtende macht kan een personeelslid niet ter beschikking stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs als de feiten waarvoor zij deze maatregel overweegt, aanleiding kunnen geven tot een tuchtstraf of een procedure waarbij een onverenigbaarheid wordt vastgesteld of als het personeelslid, voor deze feiten, gerechtelijk wordt vervolgd. Art. 77.Voorafgaand aan ieder voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs, moest het personeelslid uitgenodigd zijn zich te laten horen door de inrichtende macht. De oproeping tot de hoorzitting alsook de redenen waarom de inrichtende macht overweegt het personeelslid ter beschikking te stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs, moeten hem meegedeeld worden minstens vijf werkdagen vóór de hoorzitting, hetzij bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, hetzij door persoonlijke overhandiging met ontvangstbewijs. Tijdens de hoorzitting mag het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen onder de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs, in dienstactiviteit of in ruste, of door een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het personeelslid, dat volgens de regels is opgeroepen, niet verschijnt op de hoorzitting of er niet vertegenwoordigd is. Indien het personeelslid of zijn vertegenwoordiger evenwel redenen van overmacht kunnen inroepen dewelke hun afwezigheid op de hoorzitting verantwoorden, wordt het personeelslid opgeroepen voor een nieuwe hoorzitting die wordt meegedeeld overeenkomstig de vorige leden. In dit geval, en zelfs wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet verschenen zijn op de hoorzitting, wordt de procedure geldig voortgezet. Art. 78.§ 1. De inrichtende macht brengt het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs ter kennis van het personeelslid dat, binnen de tien dagen na de mededeling, een beroep kan instellen bij de Raad van beroep bedoeld in artikel 49. Het personeelslid dat gebruik maakt van zijn verhaalrecht, stuurt hiervan onmiddellijk een afschrift naar zijn inrichtende macht en naar het hoofd van de eredienst. De Raad van beroep spreekt zich uit binnen een termijn van hoogstens één maand vanaf de ontvangst van het beroep. De Raad van beroep stuurt zijn met redenen omkleed advies aan de Algemene Directie Leerplichtonderwijs. De Algemene Directie Leerplichtonderwijs brengt de Regering een advies hierover uit binnen een termijn van hoogstens twee weken na de ontvangst van het advies van de Raad van beroep. Hierbij beschikt ze over bijkomende informatie die zij nuttig acht. Een afschrift van het advies bedoeld in het vorige lid wordt ter kennis gebracht van de inrichtende macht en van het betrokken personeelslid. De Regering hecht goedkeuring of afkeuring aan het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs binnen een termijn van hoogstens twee weken. Deze beslissing wordt meegedeeld uiterlijk op de vervaldag om de beslissing te geven en heeft uitwerking met ingang van de derde werkdag volgend op de mededeling aan het betrokken personeelslid. Bij afkeuring kan de inrichtende macht het personeelslid niet ter beschikking stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs. Bij goedkeuring kan de inrichtende macht het personeelslid ter beschikking stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs. § 2. Als het personeelslid geen beroep heeft ingesteld bij de Raad van beroep binnen de in § 1 voorgeschreven termijn, wordt het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs na afloop van de termijn aan de Algemene Directie Leerplichtonderwijs gestuurd. Het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs waartegen een beroep werd niet ingesteld, kan door de inrichtende macht op eigen risico uitgevoerd worden. De Algemene Directie Leerplichtonderwijs brengt een advies uit binnen een termijn van hoogstens twee weken na de ontvangst van het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs. Hierbij beschikt ze over bijkomende informatie die zij nuttig acht. Een afschrift van het advies bedoeld in het vorige lid wordt aan de inrichtende macht en aan het betrokken personeelslid verstuurd. De Regering hecht goedkeuring of afkeuring aan het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs binnen een termijn van hoogstens twee weken. Deze beslissing wordt meegedeeld uiterlijk op de vervaldag om de beslissing te geven en heeft uitwerking met ingang van de derde werkdag volgend op de mededeling aan het betrokken personeelslid. Bij afkeuring kan de inrichtende macht het personeelslid niet ter beschikking stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs. Bij goedkeuring kan de inrichtende macht het personeelslid ter beschikking stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs. § 3. De inrichtende macht die een leermeester godsdienst of een leraar godsdienst ter beschikking stelt wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs, deel het mee aan het hoofd van de eredienst. HOOFDSTUK IX - Terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, gedeeltelijk opdrachtverlies, reaffectatie en voorlopige terugroeping in actieve dienst Afdeling I. -

Art. 79

.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder : 1° Terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking : maatregel ten gevolge van de volledige afschaffing van een betrekking met volledige of onvolledige prestaties;2° Gedeeltelijk opdrachtverlies : maatregel ten gevolge van een vermindering van het aantal lestijden binnen de opdracht uitgeoefend door een vast benoemde leermeester godsdienst of een vast benoemde leraar godsdienst;3° Maatregelen voorafgaand aan de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking of aan gedeeltelijk opdrachtverlies : de maatregelen getroffen door de inrichtende macht zoals bepaald in artikel 83 en die ertoe strekken te vermijden dat een vast benoemde leermeester godsdienst of een vast benoemde leraar godsdienst ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking of gedeeltelijk opdrachtverlies;4° Reaffectatie : terugroeping in actieve dienst van een leermeester godsdienst of een leraar godsdienst die ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking of gedeeltelijk opdrachtverlies in een vacante of niet-vacante betrekking van het ambt waarin hij vast benoemd is. De reaffectatie gebeurt intern wanneer zij tot doel heeft een personeelslid in zijn eigen inrichtende macht terug in dienst te roepen. Zij gebeurt extern wanneer zij tot doel heeft het personeelslid in een andere inrichtende macht dan deze die hem wegens ontstentenis van betrekking of wegens gedeeltelijk opdrachtverlies ter beschikking heeft gesteld, terug in actieve dienst te roepen. Deze kan plaatsvinden tussen inrichtende machten of via de reaffectatiecommissie. Binnen de inrichtende macht van herkomst is zij definitief wanneer het de bedoeling is om voor het personeelslid een vacante betrekking te vinden in het ambt waarvoor het een vaste benoeming geniet. In een andere inrichtende macht is een reaffectatie steeds tijdelijk zolang er geen nieuwe vaste benoeming is; 5° Voorlopige terugroeping in actieve dienst : het terug in dienst roepen van een personeelslid dat ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking of gedeeltelijk opdrachtverlies in een betrekking van een ambt van leermeester godsdienst of van leraar godsdienst ander dan hetgene waarvoor hij vast benoemd is en voor de uitoefening van het ambt waarvoor hij over het vereiste bekwaamheidsbewijs beschikt;6° Vacante betrekking toegankelijk voor de reaffectatie en voor de voorlopige terugroeping in actieve dienst in dezelfde inrichtende macht : iedere betrekking die niet wordt bekleed door een personeelslid dat vast benoemd is;7° Vacante betrekking toegankelijk voor de reaffectatie en voor de voorlopige terugroeping in actieve dienst in een andere inrichtende macht : iedere betrekking die niet wordt bekleed door een personeelslid dat vast benoemd is of door een prioritair tijdelijk personeelslid dat zijn betrekking vrijwaart overeenkomstig artikel

  1. Art. 80.De dienst- en ambtsanciënniteiten bedoeld in dit hoofdstuk worden berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel
  2. Afdeling II. - Bekendmaking van de terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking, gedeeltelijke opdrachtverliezen en de vacante betrekkingen Art. 81.§
  3. Iedere inrichtende macht is ertoe gehouden, voor de officiële goedkeuring, de bevoegde dienst van het Ministerie van de Franse Gemeenschap iedere beslissing mee te delen, die zij met redenen omkleedt, waarbij zij een personeelslid ter beschikking stelt wegens ontstentenis van betrekking of hem op gedeeltelijk opdrachtverlies plaatst, voor elk ambt van leermeester godsdienst of van leraar godsdienst. De mededeling moet per aangetekende brief worden verstuurd naar de bevoegde dienst binnen de dertig dagen na de datum waarop het baanverlies of de vermindering van de opdracht zich voordoen. Deze mededeling moet, ter informatie, voor gezien getekend worden door het belangstellend personeelslid dat hieraan desgevallend opmerkingen aan toevoegt of voorbehoud maakt. Betreft ze een personeelslid dat ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking dan gaat ze vergezeld van een verzoek van het personeelslid om een wachtweddesubsidie. §
  4. De Regering keurt de terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking en de gedeeltelijke opdrachtverliezen goed die geschieden volgens de regels bepaald in dit hoofdstuk. Geen enkele beslissing wordt goedgekeurd als zij door de inrichtende macht wordt meegedeeld na de in § 1 gestelde termijn. De Regering kan evenwel, in uitzonderlijke omstandigheden en op behoorlijk met redenen omkleed verzoek, van deze termijn afwijken. De terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking en de gedeeltelijke opdrachtverliezen voor prestaties bovenop een ambt met volledige prestaties worden niet goedgekeurd. §
  5. Het personeelslid wordt ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking of op gedeeltelijk opdrachtverlies geplaatst op de dag waarop het baanverlies of de vermindering van opdracht gebeuren of op de dag dat hij zijn ambten terug zou hebben hervat indien hij definitief niet vervangen werd in zijn betrekking krachtens de geldende regelgeving inzake de terbeschikkingstelling en het verlof. §
  6. Kunnen worden goedgekeurd, de terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking en de gedeeltelijke opdrachtverliezen tengevolge van een afname van de schoolbevolking van de onderwijsinrichtingen of tengevolge van een beslissing van de inrichtende macht omtrent de organisatie van het onderwijs, met inbegrip van de afschaffing van een inrichting, voor zover deze afschaffing verantwoord is door de toepassing van een rationalisatiemaatregel of toegestaan door de Regering. Art. 82.Iedere inrichtende macht is ertoe gehouden de Reaffectatiecommissie bedoeld in artikel 92, volgens door de Regering nader te bepalen regels, in kennis te stellen van : 1° de lijst, per ambt, van de leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst die ter beschikking worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking of die op gedeeltelijk opdrachtverlies worden geplaatst;2° de lijst, per ambt, van de betrekkingen die bekleed worden door de tijdelijke leermeesters godsdienst en door de tijdelijke leraars godsdienst die niet onttrokken worden aan de reaffectatie in de zin van artikel
  7. Afdeling III. - Maatregelen voorafgaand aan de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking of aan het gedeeltelijk opdrachtverlies Art. 83.Een inrichtende macht stelt een personeelslid slechts ter beschikking wegens ontstentenis van betrekking of plaatst hem slechts op gedeeltelijk opdrachtverlies na, desgevallend, onder het voltallig personeel van de onderwijsinrichtingen die zij inricht op het grondgebied van dezelfde gemeente, en in de aangeduide volgorde : 1° de prestaties van de personeelsleden te hebben verminderd die hetzelfde ambt uitoefenen tot het aantal lestijden vereist voor een ambt met volledige prestaties;2° een einde te hebben gemaakt aan de prestaties van de personeelsleden die hetzelfde ambt als bijambt uitoefenen;3° een einde te hebben gemaakt aan de prestaties van de personeelsleden die hetzelfde ambt uitoefenen en de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt;4° een einde te hebben gemaakt aan de prestaties van de personeelsleden die hetzelfde ambt uitoefenen in de hoedanigheid van niet-prioritaire tijdelijke personeelsleden;5° een einde te hebben gemaakt aan de prestaties van de personeelsleden die ter beschikking worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking of op gedeeltelijk opdrachtverlies worden geplaatst door een andere inrichtende macht en die zij voorlopig terug in actieve dienst heeft geroepen;6° een einde te hebben gemaakt aan de prestaties van de personeelsleden die zij ter beschikking heeft gesteld wegens ontstentenis van betrekking of die zij op gedeeltelijk opdrachtverlies heeft geplaatst en die zij tijdelijk terug in actieve dienst heeft geroepen;7° een einde te hebben gemaakt aa

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.