Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams regleme
In het kort
Dit besluit wijzigt bestaande Vlaamse reglementen over milieuvergunningen en milieuhygiëne. Het doel is om eerdere fouten te corrigeren en Europese milieuregels beter in de Vlaamse wetgeving op te nemen, met een focus op waterbeleid en afvalstoffen.
Wat het reguleert
- De aanpassing van titels I en II van het VLAREM (Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne).
- De verdere of verbeterde omzetting van diverse EG-richtlijnen, waaronder die over waterbeleid, het storten van afvalstoffen en de beheersing van gevaren van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen.
- De correctie van fouten (errata) in eerder goedgekeurde teksten.
- De verplichting voor een analyse en karakterisering van de effecten van menselijke activiteiten op de toestand van oppervlakte- en grondwater.
Wie het betreft
- Bedrijven en instanties die verontreinigende stoffen lozen in het aquatisch milieu.
- Grondwaterwinningen met een debiet van minstens gemiddeld 10 m³/dag, en monitoring voor die vanaf gemiddeld 100 m³/dag.
- Activiteiten die vallen onder de milieuvergunnings- of meldingsplicht voor lozing van verontreinigende en prioritaire stoffen.
Kernpunten
- Lozing van "lijst I"-stoffen vereist een voorafgaande vergunning en directe lozing moet worden verboden.
- Lozing van "lijst II"-stoffen vereist een voorafgaande vergunning.
- Maatregelenprogramma's moeten uiterlijk op 22 december 2009 zijn vastgesteld en alle maatregelen moeten uiterlijk op 22 december 2012 operationeel zijn.
- Voor grondwaterwinningen met een debiet van minstens gemiddeld 10 m³/dag moet een analyse en karakterisering gebeuren, en voor die vanaf gemiddeld 100 m³/dag is monitoring verplicht.
Wettekst
12 MEI 2006. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne ter doorvoering van correcties van errata en verdere omzetting van EG-regelgeving Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING inzake het ontwerp van Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne ter doorvoering van correcties van errata en verdere omzetting van EG-regelgeving Algemene toelichting Het ontwerpbesluit beoogt een aanpassing van de titels I en II van het VLAREM met het oog op : -de verdere of verbeterde omzetting van de EG-regelgeving; - het corrigeren van errata die in vorige wijzigingen zijn geslopen; met errata worden hier niet alleen foutieve overnamen van goedgekeurde teksten in het Belgisch Staatsblad bedoeld, maar ook en vooral (materiële) fouten die zijn geslopen in de door de Vlaamse Regering goedgekeurde teksten. Deze concrete aanpassingen worden verder artikelsgewijze toegelicht. Bepaalde van deze aanpassingen zijn echter vrij substantieel en betreffen ook meerdere artikelen, reden waarom deze ook hierna op algemene wijze worden toegelicht. Het gaat hier inzonderheid om : - de verdere omzetting van de EG-richtlijn 2000/60/EG van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, gewijzigd bij beschikking van het Europees Parlement en de Raad nr. 2455/2001/EG van 20 november 2001; - de verbeterde omzetting van de EG-richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen en de implementatie van de Europese beschikking 2003/33/EG van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II bij de EG-richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen; - de verbeterde omzetting van de EG-richtlijn 96/82/EG van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. * EG-richtlijn 2000/60/EG van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid. De EG-richtlijn 2000/60/EG van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid werd in Vlaams recht omgezet door het decreet van 18 juli 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/07/2003 pub. 19/08/2003 numac 2003035922 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de regering van de Republiek Libanon inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend in Brussel op 6 september 1999 type decreet prom. 18/07/2003 pub. 25/08/2003 numac 2003035921 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende instemming met : 1° de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Regering van de Republiek Jemen inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend in Brussel op 3 februari 2000, 2° de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Staat Koeweit inzake de wederzijdse bescherming en bevordering van investeringen, ondertekend in Brussel op 28 september 2000, 3° de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en het Koninkrijk Saudi-Arabië inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend in Jeddah op 22 april 2001
- e)tot en met
- l)van dit lid 3 hebben een directe relatie met de milieu- of meldingsplicht, waaronder : *
- e)viseert inzonderheid grondwaterwinningen en opstuwing oppervlaktewater; *
- f)viseert inzonderheid kunstmatig aanvullen van grondwater); *
- g)schrijft voor dat de verplichte basismaatregelen voor de lozingen door puntbronnen die verontreiniging kunnen veroorzaken moeten bevatten, ofwel het verbod tot lozing van verontreinigende stoffen, ofwel een voorafgaande toestemming of registratie waarin emissiebeheersingsmaatregelen worden voorgeschreven voor de betrokken verontreinigende stoffen; in Vlaamse reglementaire benadering betekent dit dus expliciet een milieuvergunning- of meldingsplicht voor lozing van « verontreinigende stoffen » (lijst van bijlage VIII); *
- k)schrijft voor dat de verplichte basismaatregelen van het maatregelenprogramma - in overeenstemming met de uit hoofde van artikel 16 door de EU-Commissie te ondernemen actie - ook maatregelen moeten bevatten ter bestrijding van de verontreiniging door lozing van prioritaire stoffen; in Vlaamse reglementaire benadering betekent dit dus expliciet een milieuvergunning- of meldingsplicht voor lozing van « prioritaire stoffen » (lijst van bijlage X); volgens artikel 11, lid 7 van de richtlijn moeten de maatregelenprogramma's uiterlijk op 22 december 2009 zijn vastgesteld en moeten alle maatregelen uiterlijk op 22 december 2012 operationeel zijn; volgens artikel 66 van het decreet van 18 juli 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/07/2003 pub. 19/08/2003 numac 2003035922 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de regering van de Republiek Libanon inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend in Brussel op 6 september 1999 type decreet prom. 18/07/2003 pub. 25/08/2003 numac 2003035921 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende instemming met : 1° de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Regering van de Republiek Jemen inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend in Brussel op 3 februari 2000, 2° de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Staat Koeweit inzake de wederzijdse bescherming en bevordering van investeringen, ondertekend in Brussel op 28 september 2000, 3° de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en het Koninkrijk Saudi-Arabië inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend in Jeddah op 22 april 2001
- a)categorie 3 : inerte afvalstoffen;
- b)categorie 2 : niet gevaarlijke afvalstoffen;
- c)categorie 1 : gevaarlijke afvalstoffen. Artikel 4 van de EG-richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen legt met ingang van 16 juli 2001 een quasi volledig gelijkluidende indeling op. Bij de omzetting van deze EG-richtlijn met het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten0, is de fout gemaakt dat de 3 categorieën van afvalstortplaatsen niet werden omschreven overeenkomstig bedoelde EG-richtlijn. Met name werden bij de wijziging van de VLAREM-indelingsrubriek 2.3.6 weliswaar 3 categorieën behouden, maar werd de EG-categorie « stortplaats voor gevaarlijke afvalstoffen « (die enigszins overeenstemde met de vroegere VLAREM-categorie 1) niet opgenomen. Daarentegen werd de EG-categorie « stortplaats voor ongevaarlijke afvalstoffen « (die tevens stabiele, niet-reactieve gevaarlijke afvalstoffen omvat) opgesplitst in een categorie 1 en een categorie 2. Stortplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen, andere dan stabiele, niet-reactieve gevaarlijke afvalstoffen, zijn bijgevolg sedert 29 september 2001 niet meer ingedeeld en... dus ook niet meer milieuvergunningsplichtig. Bij oppervlakkige benadering zou hier kunnen geponeerd worden dat het storten van gevaarlijke afval valt onder de verwijderingshandeling D1 die is begrepen in de algemene verwijderings-VLAREM-rubriek 2.3.8. Deze redenering blijkt evenwel niet gedeeld te worden door de EG-regelgever zoals blijkt uit de lijst van GPBV-categorieën opgenomen onder bijlage I bij de EG-richtlijn 96/61/EG. Deze lijst omvat immers zowel eenzelfde algemene GPBV-verwijderingsrubriek 5.1 en daarnaast ook nog de specifieke stortplaats-rubriek 5.4. Een tweede fout is geslopen bij de voormelde omzetting met het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten0. Meer bepaald werd ten onrechte de rubriek 2.3.10 geschrapt. Deze rubriek werd ter omzetting van de « GPBV « -EG-richtlijn ingevoegd bij besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 12/01/1999 pub. 11/03/1999 numac 1999035041 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en van het besluit van de Vlaamse regering van 27 maart 1985 houdende reglementering en vergunning voor het gebruik van grondwater en de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones type besluit van de vlaamse regering prom. 12/01/1999 pub. 23/02/1999 numac 1999035200 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering betreffende het kiesreglement voor de verkiezing van de leden van de raad van bestuur van de Hogere Zeevaartschool en hun opvolgers en tot bepaling van de inwerkingtreding van artikel 60, § 1 van het decreet van 9 juni 1998 betreffende de Hogere Zeevaartschool sluiten en betreft een GPBV-installatie. Het ontwerpbesluit beoogt beide fouten te herstellen. De eerste fout wordt hersteld door herinvoering van de 3 categorieën volledig conform de EG-richtlijn (wat eigenlijk enigszins een terugkeer inhoudt naar de situatie zoals die bestond vóór de foutieve omzetting). De tweede fout door het herinvoegen van de vroegere rubriek 2.3.10. Naar de exploitanten van bestaande stortplaatsen toe, vormt deze rechtzetting geen enkel probleem omdat het hier allemaal 1ste klasse-inrichtingen betreft en in het ontwerpbesluit wordt voorzien dat de lopende vergunningen zonder meer geldig blijven (artikel 47, § 2). ** Milieuvoorwaarden waaronder aanvaardingscriteria Met artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten0 werd de hele afdeling 5.2.4 van titel II van het VLAREM vervangen door nieuwe bepalingen. Het aldus vastgestelde nieuwe artikel 5.2.4.0.1, § 1 stelt op zijn beurt nogmaals de drie stortplaatscategorieën vast. Deze indeling stemt niet overeen noch met de EG-richtlijn 1999/31/EG van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen, noch met de met hetzelfde besluit geherformuleerde VLAREM-indelingsrubriek 2.3.6. Verder bepaalt hetzelfde nieuwe artikel 5.2.4.0.1, § 1, laatste lid, dat de stortplaatscategorie moet worden vermeld in de milieuvergunning. Deze bepaling, ingevoegd op die plaats en geformuleerd als milieuvoorwaarde, wekt verkeerdelijk de indruk dat een vergunningverlenende overheid op basis van deze VLAREM II-bepalingen in de milieuvergunning aan de stortplaats een categorie kan toewijzen die verschillend is van deze die door de exploitant werd aangevraagd. Deze bepaling is wellicht bedoeld als omzetting van punt
- a)van artikel 9 van de EG-richtlijn 1999/31/EG dat de minimale inhoud van de milieuvergunning voorschrijft.Dergelijke bepaling hoort evenwel niet thuis in titel II van het VLAREM maar wel in titel I van het VLAREM en meer bepaald in artikel 30, § 1 dat reeds de minimale inhoud van een vergunningsbeslissing vaststelt. De stortplaatscategorie (punt
- a)van artikel 9) vormt weliswaar duidelijk een onderdeel van het voorwerp van de vergunning, maar voor een correcte omzetting van de EG-richtlijn 1999/31/EG dringt zich ook de expliciete opname van punt
- b)van artikel 9 (dus ook de lijst van de afvalstoffen en de totale afvalhoeveelheid) in artikel 30, § 1 van titel I van het VLAREM op. Hoger vermelde bepalingen van artikel 5.2.4.0.1 van titel II van het VLAREM worden met het oog op de correcte omzetting van de EG-richtlijn opgeheven en de punten
- a)en
- b)van artikel 9 van de EG-richtlijn 1999/31/EG worden geïntegreerd in artikel 30, § 1 van titel I van het VLAREM (zie artikel 7 van het ontwerpbesluit). De EG-richtlijn 1999/31/EG stelt in bijlage I bij de richtlijn algemene voorschriften voor alle stortplaatscategorieën vast. Bijlage II bij de richtlijn stelt de criteria en procedures voor de aanvaarding van afvalstoffen vast. Deze bepalingen zijn geïntegreerd in de huidige afdeling 5.2.4 van titel II van het VLAREM dat de sectorale milieuvoorwaarden voor stortplaatsen vaststelt. Artikel 16 van de EG-richtlijn 1999/31/EG voorziet dat de EU-Commisie de wijzigingen van de bijlagen bij de richtlijn kan vaststellen die nodig zijn voor de aanpassing aan de vooruitgang van de wetenschap en techniek. Met toepassing van dit artikel 16 werd de Europese Beschikking 2003/33/EG van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen vastgesteld. Overeenkomstig de beginselen opgenomen onder bijlage II bij de EG-richtlijn 1999/31/EG stelt deze Beschikking nu gedetailleerde criteria en procedures vast voor de aanvaarding van afvalstoffen op stortplaatsen. Ter omzetting van deze Europese Beschikking 2003/33/EG van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen, beoogt het ontwerpbesluit deze criteria en procedures te integreren in de afdeling 5.2.4 van titel II van het VLAREM door het vervangen van de subafdeling 5.2.4.1 (zie artikel 33 van het ontwerpbesluit). ** Hydrogeologische studies tweemaal voorgeschreven Artikel 7,
- d)van de EG-richtlijn 1999/31/EG schrijft voor dat de milieuvergunningsaanvraag voor een stortplaats o.m. een beschrijving van het terrein moet bevatten met inbegrip van de hydrogeologische en geologische kenmerken. Met het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten0 werd de vanuit de EG-richtlijn verplichte hydrogeologische studie evenwel tweemaal voorgeschreven : - eerst bij de indiening van een milieuvergunningsaanvraag volgens artikel 5, § 2, 14° van titel I van het VLAREM, dat werd vervangen door artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten0; - vervolgens na het bekomen van de milieuvergunning maar vóór de inrichting van de stortplaats volgens artikel 5.2.4.3.2 van titel II van het VLAREM, ingevoegd bij hetzelfde besluit van 13 juli 2001. De voor beide studies voorgeschreven inhoud is weliswaar ongeveer identiek. Voor de « tweede « studie, bedoeld in artikel 5.2.4.3.2 van titel II van het VLAREM, wordt echter bijkomend geëist dat de OVAM : - wordt betrokken bij de uitvoering van de studie; - haar goedkeuring moet hechten aan deze studie. Deze dubbele verplichting betreft een onnodige en verwarrende overregulering en wordt als milieuvoorwaarde opgeheven in het licht van de conformering met de EG-richtlijn die voorschrijft dat bedoelde gegevens bij de milieuvergunningsaanvraag moeten zijn gevoegd (zie verder artikel 34). * EG-richtlijn 96/82/EG van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken De problematiek van zware ongevallen was vroeger geregeld door de EG-richtlijn 82/501/EEG van 24 juni 1982 inzake de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten. De omzetting van deze EG-richtlijn in intern recht gebeurde in het VLAREM op basis van artikel 7 van het Milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985. Inzonderheid werd daartoe in titel I van het VLAREM een geëigend hoofdstuk IV met als oorspronkelijke titel « Het veiligheidsrapport » voorzien. Bij besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 12/01/1999 pub. 11/03/1999 numac 1999035041 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en van het besluit van de Vlaamse regering van 27 maart 1985 houdende reglementering en vergunning voor het gebruik van grondwater en de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones type besluit van de vlaamse regering prom. 12/01/1999 pub. 23/02/1999 numac 1999035200 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering betreffende het kiesreglement voor de verkiezing van de leden van de raad van bestuur van de Hogere Zeevaartschool en hun opvolgers en tot bepaling van de inwerkingtreding van artikel 60, § 1 van het decreet van 9 juni 1998 betreffende de Hogere Zeevaartschool sluiten werd de titel van dit hoofdstuk IV vervangen door « Preventie van zware ongevallen ». Conform de EG-richtlijn werden de geviseerde Sevesobedrijven milieuvergunningsplichtig gesteld door indeling onder rubriek 17.2 van de VLAREM-indelingslijst, met onderscheid tussen : - (subrubriek 17.2.1) de « Seveso-lage » drempelbedrijven die preventiemaatregelen moeten treffen, verwijzend naar de hoeveelheden gevaarlijke producten vermeld onder kolom 2 van delen 1 en 2 van bijlage 6 bij titel I van het VLAREM; - (subrubriek 17.2.2) de « Seveso-hoge » drempelbedrijven die een veiligheidsrapport moeten opstellen, verwijzend naar de hoeveelheden gevaarlijke producten vermeld onder kolom 3 van delen 1 en 2 van bijlage 6 bij titel I van het VLAREM. Voormelde EG-richtlijn 82/501/EEG is sedert 3 februari 1999 ingetrokken. In de plaats daarvan geldt sedert 3 februari 1997 de EG-richtlijn 96/82/EG van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. De omzetting van deze EG-richtlijn in intern recht is gebeurd met : - het decreet van 17 juli 2000Relevante gevonden documenten type decreet prom. 17/07/2000 pub. 11/08/2000 numac 2000035796 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken type decreet prom. 17/07/2000 pub. 17/08/2000 numac 2000035826 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende wijziging van artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990 type decreet prom. 17/07/2000 pub. 11/08/2000 numac 2000035814 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot wijziging van het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten en van het decreet van 22 februari 1995 tot regeling van het administratief toezicht op de provincies in het Vlaamse Gewest type decreet prom. 17/07/2000 pub. 12/08/2000 numac 2000035792 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende instemming met het Protocol inzake de beheersing van emissies van stikstofoxiden of van de grensoverschrijdende stromen van deze stikstofverbindingen bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand en de technische bijlage, ondertekend te Sofia op 31 oktober 1988, alsmede de vigerende technische bijlage zoals ingevoerd in toepassing van artikel 11 van het Protocol, en het Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand met betrekking tot een verdere beperking van zwavelemissies en de bijlagen I, II, III, IV en V, ondertekend te Oslo op 14 juni 1994 sluiten (B.S. 11 augustus 2000) houdende goedkeuring van het Samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de federale staat, het Vlaams, het Waals en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken; het samenwerkingsakkoord is pas op 16 juni 2001 in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt en is bijgevolg sedert 26 juni 2001 in werking getreden; - het decreet van 18 december 2002Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/12/2002 pub. 13/02/2003 numac 2003035183 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage sluiten tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage (Belgisch Staatsblad 13 februari 2003); dit decreet is sedert 13 februari 2003 in werking getreden; - het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2000Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 29/09/2000 pub. 22/05/2001 numac 2001035526 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, in het bijzonder de bepalingen op vlak van de veiligheidsrapportage type besluit van de vlaamse regering prom. 29/09/2000 pub. 28/11/2000 numac 2000036148 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 15 september 1998 betreffende de adviserende beroepscommissie inzake gezins- en welzijnsaangelegenheden sluiten (Belgisch Staatsblad 22 mei 2001) waarmee in VLAREM de bepalingen inzake de eigenlijke preventie van zware ongevallen werden opgeheven(deze waren inmiddels ingeschreven in het Samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 (Belgisch Staatsblad 16 juni 2001) en onder hoofdstuk IV van titel I van het VLAREM nog enkel bepalingen aangaande het veiligheidsrapport werden opgenomen. Met bovenvermeld besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2000Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 29/09/2000 pub. 22/05/2001 numac 2001035526 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, in het bijzonder de bepalingen op vlak van de veiligheidsrapportage type besluit van de vlaamse regering prom. 29/09/2000 pub. 28/11/2000 numac 2000036148 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 15 september 1998 betreffende de adviserende beroepscommissie inzake gezins- en welzijnsaangelegenheden sluiten (dat in werking is getreden op 1 juni 2001, dus ruim voor de uitvaardiging van het decreet van 18 december 2002Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/12/2002 pub. 13/02/2003 numac 2003035183 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage sluiten tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage) werd de fout gemaakt dat de kolom 2 uit de delen 1 en 2 van bijlage 6 bij titel I van het VLAREM werd geschrapt met ongewijzigde handhaving van de VLAREM-indelingsrubriek 17.2. Dit heeft tot gevolg : - dat subrubriek 17.2.1, verwijzend naar kolom 2 van delen 1 en 2 van bijlage 6 bij titel I van het VLAREM, nu de « Seveso-hoge » drempelbedrijven viseert i.p.v. de « lage-Seveso » bedrijven; - dat subrubriek 17.2.2, verwijzend naar de niet meer bestaande kolom 3 van delen 1 en 2 van bijlage 6 bij titel I van het VLAREM, nu inhoudloos is i.p.v. de « hoge-Seveso » bedrijven te viseren. M.a.w. sedert het inwerkingtreden van bovenvermeld besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2000Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 29/09/2000 pub. 22/05/2001 numac 2001035526 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, in het bijzonder de bepalingen op vlak van de veiligheidsrapportage type besluit van de vlaamse regering prom. 29/09/2000 pub. 28/11/2000 numac 2000036148 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 15 september 1998 betreffende de adviserende beroepscommissie inzake gezins- en welzijnsaangelegenheden sluiten (1 juni 2001) zijn de « lage-Seveso » bedrijven als dusdanig niet meer ingedeeld en dus ook niet meer milieuvergunningsplichtig. In de praktijk heeft deze fout wellicht niet zoveel gevolgen om reden dat er in principe kan van uitgegaan worden dat dit soort bedrijven nog altijd is ingedeeld op basis van een andere indelingsrubriek voor de opslag van gevaarlijke producten. Een echte garantie is dit evenwel niet gelet op het feit dat voor de Seveso-rubrieken 17.2.1 en 17.2.2 niet enkel de opgeslagen hoeveelheden worden geviseerd maar alle in de inrichting aanwezige producten (bvb. via tankwagens). Afgezien van de logica dat Seveso-bedrijven als dusdanig milieuvergunningsplichtig worden gesteld, moet hier verwezen worden naar de bepalingen van artikel 17 van de EG-richtlijn 96/82/EG die een milieuvergunningsplicht voor alle Seveso-bedrijven (zowel de lage als de hoge drempelbedrijven) impliceert. Met betrekking tot het herstellen van bovenvermelde fout, is het belangrijk op te merken dat met artikel 6 van het decreet van 18 december 2002Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/12/2002 pub. 13/02/2003 numac 2003035183 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage sluiten tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage, artikel 7 van het Milieuvergunningendecreet werd opgeheven, en dit met ingang van 13 februari 2003. Dit artikel 7 vormde de decretale basis voor MER en VR. Met betrekking tot deze opheffing van artikel 7 bepaalt artikel 12 van hetzelfde decreet van 18 december 2002Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/12/2002 pub. 13/02/2003 numac 2003035183 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage sluiten o.m. het volgende : « Art. 12.De bepalingen die voorkomen in de onderstaande besluiten en die werden genomen op grond van artikel 7 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning of vallen onder het toepassingsgebied van artikel 200 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, blijven gelden tot ze worden opgeheven of gewijzigd : 1° het besluit van de Vlaamse Regering van 23 maart 1989 houdende organisatie van de milieueffectrapportage van bepaalde categorieën van hinderlijke inrichtingen, gewijzigd bij besluiten van de Vlaamse Regering van 27 april 1994, 25 januari 1995, 24 mei 1995, 4 februari 1997 en 10 maart 1998; ....... 5° hoofdstuk IV 'preventie van zware ongevallen', van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en de bijlagen bij dit hoofdstuk (5, 6 en 7), voorzover dit nodig is voor de toepassing van de artikelen 7 en 8 van dit decreet;6° besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne.» . Uit een eerste oppervlakkige lezing van voormelde decretale overgangsbepalingen zou kunnen verondersteld worden dat op dit ogenblik geen wijziging of opheffing van het hoofdstuk IV kan worden overwogen. Een wijziging (hoe klein ook) of opheffing lijkt immers inzonderheid tot gevolg te hebben dat de oude nog in voege zijnde procedures voor erkenning van MER- en VR-deskundigen komen te vervallen, terwijl bedoelde erkenningenproblematiek het voorwerp uitmaakt van een aparte en geëigende regelgeving die nog in voorbereiding is. Nader juridisch onderzoek leidt evenwel tot de conclusie : - dat de overgangsbepaling van bedoeld artikel 12 niet zo streng mag geïnterpreteerd worden dat een wijziging van hoofdstuk IV of de bijlagen bij dit hoofdstuk tot gevolg heeft dat deze bepalingen niet meer geldig zijn; - dat de Vlaamse Regering ingevolge bedoeld artikel 12 de bevoegdheid behoudt om hoofdstuk IV en de bijlagen bij dit hoofdstuk op te heffen of te wijzigen; wanneer er thans wordt voor geopteerd om slechts wijzigingen aan te brengen aan bijlage 6 van titel I van het VLAREM, impliceert dit dat deze bijlage, of hoofdstuk IV zelf, niet wordt opgeheven; - dat de gewijzigde bepalingen overeenkomstig artikel 12 blijven gelden; indien wordt gewenst dat genoemde bepalingen worden opgeheven, moet dit uitdrukkelijk worden gedaan, zodat de minste wijziging van die bepalingen niet meteen de opheffing ervan kan impliceren. Om de eerder geciteerde fout weg te werken, wordt bedoelde bijlage 6 dan ook gewoon vervangen door een nieuwe bijlage 6 die is vastgesteld overeenkomstig de bijlage I bij de EG-richtlijn 96/82/EG van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, zoals deze is gewijzigd door de EG-richtlijn 2003/105/EG van 16 december 2003. Er wordt voor deze werkwijze geopteerd, en niet voor het opnemen van een loutere verwijzing naar de desbetreffende bijlage van het Samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de federale staat, het Vlaams, het Waals en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Dit met het oog op het behoud van de betere leesbaarheid van VLAREM, maar ook om bij latere wijzigingen van het Samenwerkingsakkoord, ongewilde wijzigingen op het vlak van milieuvergunningenreglementering te vermijden. Artikelsgewijze toelichting Wijzigingen Titel I van het VLAREM Artikel 1 Met punten 1°, 2° en 3° worden de desbetreffende nieuwe definities van de EG-richtlijn 2000/60/EG van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, gewijzigd bij beschikking van het Europees Parlement en de Raad nr. 2455/2001/EG van 20 november 2001 ingevoegd. Bedoelde begrippen worden in artikel 3, § 2, 18°, 19° en 20° van het decreet van 18 juli 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/07/2003 pub. 19/08/2003 numac 2003035922 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de regering van de Republiek Libanon inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend in Brussel op 6 september 1999 type decreet prom. 18/07/2003 pub. 25/08/2003 numac 2003035921 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende instemming met : 1° de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Regering van de Republiek Jemen inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend in Brussel op 3 februari 2000, 2° de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Staat Koeweit inzake de wederzijdse bescherming en bevordering van investeringen, ondertekend in Brussel op 28 september 2000, 3° de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en het Koninkrijk Saudi-Arabië inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend in Jeddah op 22 april 2001
- b)wordt met name verwezen naar een hydrogeologische studie alhoewel deze niet is vereist. Volgens punt 15°bis,
- a)moet daarentegen wel o.m. de grondwaterhuishouding van het terrein en van de omgeving worden gegeven. Het ligt voor de hand dat het voorstel van werkplan, bedoeld onder punt 15°bis, b), enkel maar kan steunen op dit voorgeschreven document. De punten 2° en 3° kaderen in de verdere omzetting van de EG-richtlijn 2000/60/EG van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid. Voor de uitvoering van deze richtlijn, in het bijzonder artikel 5 en bijlage II ervan (inventaris grondwaterwinningen met een debiet van minimum gemiddeld 10 m3/dag), artikel 7 (drinkwaterwinningen) en artikel 11 (maatregelenprogramma) ervan, is immers een eenduidige identificatie van de watervoerende lagen onmisbaar. De punten 4° en 5° beogen de correctie van materiële fouten die zijn geslopen in het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten8 bij de omzetting van de EG-richtlijn 2003/87/EG van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad. Artikel 3 Dit artikel beoogt de correctie van een erratum geslopen in het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten5 waarmee de EG-richtlijn 98/81/EG van 26 oktober 1998 en de Beschikking 2001/204/EG van 8 maart 2001 tot wijziging van de EG-richtlijn 90/219/EEG van 23 april 1990 inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (GGO'
- s)werd omgezet. Artikelen 4, 5 en 6 Deze artikelen beogen de correctie van materiële fouten die zijn geslopen in het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten8 bij de omzetting van de EG-richtlijn 2003/87/EG van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten. Artikel 7 Dit artikel beoogt de verbeterde omzetting van artikel 9 van de EG-richtlijn 1999/31/EG van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (zie onder de algemene toelichting). Artikel 8 Dit artikel beoogt de opname in artikel 30bis, § 2, van titel I van het VLAREM, van een verwijzing naar de doelstellingen van de EG-richtlijn 2000/60/EG van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid zoals die in ruimere mate zijn vastgesteld door artikel 5 van het decreet van 18 juli 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/07/2003 pub. 19/08/2003 numac 2003035922 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de regering van de Republiek Libanon inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend in Brussel op 6 september 1999 type decreet prom. 18/07/2003 pub. 25/08/2003 numac 2003035921 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende instemming met : 1° de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Regering van de Republiek Jemen inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend in Brussel op 3 februari 2000, 2° de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Staat Koeweit inzake de wederzijdse bescherming en bevordering van investeringen, ondertekend in Brussel op 28 september 2000, 3° de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en het Koninkrijk Saudi-Arabië inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend in Jeddah op 22 april 2001
- m)en 2.3.8. 2) 5.2. Installaties voor de verbranding van stedelijk afval in de zin van Richtlijn 89/369/EEG van de Raad van 8 juni 1989 ter voorkoming van door nieuwe installaties voor de verbranding van stedelijk afval veroorzaakte luchtverontreiniging en Richtlijn 89/429/EEG van de Raad van 21 juni 1989 ter vermindering van door bestaande installaties voor de verbranding van stedelijk afval veroorzaakte luchtverontreiniging, met een capaciteit van meer dan 3 ton per uur Hieronder vallen de VLAREM-rubrieken 2.3.4.1.e ) en
- f)en 2.3.4.2.a ), e), f ), j). De VLAREM-rubriek 2.3.4.2 vermeldt nergens een onderdrempel, terwijl de GPBV-rubriek 5.2 wel een onderdrempel van 3 ton per uur hanteert. 3) 5.3. Installaties voor de verwijdering van ongevaarlijke afvalstoffen in de zin van bijlage II A van Richtlijn 75/442/EEG, rubrieken D8, D9
- i)en
- l)en 2.3.4.2.f ). Met punt 9° wordt de rubriek 2.3.6 « stortplaatsen » geherstructureerd conform de EG-richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen en de Europese beschikking 2003/33/EG van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen. De subrubriek 2.3.6.c),3) heeft betrekking op asbestafval. Hieruit mag evenwel niet afgeleid worden, dat asbestafval niet op andere (sub)categorieën zou mogen worden gestort. Zoals reeds onder punt 2° en 3° werd opgemerkt voorziet de EG-Beschikking dat bouwmateriaal dat asbest bevat en ander geschikt asbestafval zelfs zonder tests mogen worden gestort op stortplaatsen voor ongevaarlijke afvalstoffen in overeenstemming met « stabiele niet-reactieve gevaarlijke afvalstoffen » als bedoeld in artikel 6, c), iii, van de EG-richtlijn 1999/31/EG (zie het nieuwe artikel 5.2.4.1.8, § 5 van titel II van het VLAREM dat met het artikel 36 wordt ingevoegd). Het derde lid van het nieuwe artikel 5.2.4.1.8, § 5 van titel II van het VLAREM bepaalt daarenboven expliciet dat voor stortplaatsen die uitsluitend asbest bevattend bouwmateriaal ontvangen, de eisen inzake inrichting en infrastructuur van de stortplaats, zoals bepaald in subafdeling 5.2.4.3, onder voorwaarden in de milieuvergunning kunnen worden afgezwakt. Rekening houdend met de gegevens zoals hoger toegelicht, worden met de punten 5° tot en met 12° de (deel)rubrieken 2.2.7, 2.3.4.1, 2.3.4.2, 2.3.4.4, 2.3.6, 2.3.8, 2.3.9 en 2.3.10 geformuleerd. ** Punt 29°,
- a)Zoals uit de formulering ervan blijkt, viseert rubriek 31 « motoren » en rubriek 43 « verbrandingsinstallaties ». Gasturbines en stoom- en gasturbine-installaties vallen daarbij onder de rubriek 31. De sectorale milieuvoorwaarden voor stookinstallaties (rubriek 43) zijn aldus vastgesteld door hoofdstuk 5.43 van VLAREM II, terwijl de sectorale milieuvoorwaarden voor motoren en turbines zijn vastgesteld door hoofdstuk 5.31 van VLAREM II. Rekening houdend met het gegeven dat bepaalde turbines onder de EG-richtlijn 2001/80/EG van 23 oktober 2001 « grote stookinstallaties » vallen, bepaalt artikel 5.31.1.1 van VLAREM II dat « Voor gasturbines en stoom- en gasturbine-installaties gelden de overeenkomstige bepalingen van afdeling 5.43.3 ». Volgens de GPBV-richtlijn 96/61/EG van 24 september 1996 betreffen « Stookinstallaties met een hoeveelheid vrijkomende warmte van meer dan 50 MW » GPBV-inrichtingen. Deze GPBV-rubriek werd bij besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 19/01/1999 pub. 31/03/1999 numac 1999035150 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne sluiten omgezet met invoeging van de VLAREM-rubriek 43.3 die luidt als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Volgens de EG-richtlijn 2001/80/EG van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties, omgezet bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten4, zijn bepaalde turbines ook als stookinstallatie te beschouwen. In het licht van de indeling van turbines onder de VLAREM-rubriek 31, vergt een correcte omzetting van de EG-richtlijn 2001/80/EG van 23 oktober 2001 dat deze GPBV-rubriek ook wordt ingeschreven in rubriek 31. Dit wordt gerealiseerd door de toevoeging van subrubriek 3° onder rubriek 31.1. Het begrip « vrijkomende warmte » is in de GPBV-richtlijn 96/61/EG niet nader gedefinieerd. Het gaat hierbij om de totale warmte die vrijkomt bij de verbranding van de gebruikte fossiele brandstof in de installatie (al dan niet omgezet in een andere vorm van energie). ** Punt 40° Met het oog op het reduceren van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS), heeft de EG-richtlijn 1999/13/EG van 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties een vrij strenge regelgeving opgelegd. Met inbegrip van richtsnoeren voor een « oplosmiddelenboekhouding ». De EG-richtlijn werd omgezet door het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten6, waarbij meer bepaald een indelingsrubriek 59 werd ingevoegd conform de categorieën van industriële activiteiten opgenomen in bijlage I van voormelde EG-richtlijn. Aldus werd ook een subrubriek 59.3 « Overspuiten van voertuigen » ingevoegd die 3 onderverdelingen omvat. Punt 1° van deze 3 onderverdelingen luidt als volgt : « 1° het aanbrengen van een coating op voertuigen, of een deel daarvan, als onderdeel van de reparatie, de bescherming of de decoratie van voertuigen buiten de fabriek; ». Het overeenkomstige punt van bijlage I van de EG-richtlijn 1999/13/EG van 11 maart 1999 luidt als volgt : « 1° het aanbrengen van een laklaag op wegvoertuigen, zoals gedefinieerd in Richtlijn 70/156/EEG, of een deel daarvan, als onderdeel van de reparatie, de bescherming of de decoratie van voertuigen buiten de fabriek; ». De EG-richtlijn 2004/42/EG van 21 april 2004 inzake de beperking van emissies van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen in bepaalde verven en vernissen en producten voor het overspuiten van voertuigen en tot wijziging van Richtlijn 1999/13/EG (artikel 13), die op 30 april 2004 in werking is getreden, stelt regels vast met betrekking tot het in de handel brengen van bedoelde verven, vernissen en producten. Binnen het gewestelijke bevoegdheidspakket, wordt echter ook de voormelde subsector 1° van het « Overspuiten van voertuigen » uit de bijlage I van de EG-richtlijn 1999/13/EG geschrapt. Weliswaar aangevend dat de lidstaat maatregelen kan handhaven of invoeren. Deze schrapping betekent evenwel dat deze subactiviteit niet meer valt onder de toepassing van voormelde EG-richtlijn 1999/13/EG. Als alternatief wordt het VOS-gehalte van de voor het overspuiten van voertuigen in de handel gebrachte producten gereguleerd en dit met ingang van 1 januari 2007. In het licht van de voormelde wijziging van de EG-richtlijn 1999/13/EG van 11 maart 1999 wordt met dit artikel van het ontwerpbesluit de overeenkomstige subrubriek 59.3.1° opgeheven. Vermits mag aangenomen worden dat de beoogde reductiedoelstellingen worden bereikt door de overschakeling naar VOS-arme verven, vernissen en producten, is deze opheffing pas met ingang van 1 januari 2007 voorzien. Het betreft hier ongetwijfeld een relevante vereenvoudiging voor de exploitanten van de installaties, geviseerd in subrubriek 59.3.1°, waarvoor inzonderheid het houden van de solventenboekhouding vaak voor problemen zorgde. Artikel 11 Dit artikel beoogt een aanpassing van de bijlage 2 bij titel I van het VLAREM in het licht van de bepalingen van de EG-richtlijn 2000/60/EG van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, gewijzigd bij beschikking van het Europees Parlement en de Raad nr. 2455/2001/EG van 20 november 2001. Inzonderheid worden de lijst van verontreinigende stoffen in afvalwater (bijlage VIII bij de EG-richtlijn) alsook de lijst van prioritaire stoffen in afvalwater (bijlage X bij de EG-richtlijn) geïntegreerd. Artikel 12 en bijlage I Zoals reeds hoger bij artikel 2 werd toegelicht, is voor de uitvoering van de EG-richtlijn 2000/60/EG van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, in het bijzonder de artikelen 5 en 7 ervan, een eenduidige identificatie van de watervoerende lagen onmisbaar. Dit artikel voegt in dat licht een nieuwe bijlage 2bis toe met de lijst van de watervoerende lagen in Vlaanderen. Deze lijst is gesteund op de hydrogeologische codering van de ondergrond van Vlaanderen. Artikel 13 en 14 Deze artikelen beogen de correctie van materiële fouten die zijn geslopen in het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten8 bij de omzetting van de EG-richtlijn 2003/87/EG van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten. Artikel 15 en bijlage II De EG-richtlijn 96/82/EG van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken werd omgezet met het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2000Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 29/09/2000 pub. 22/05/2001 numac 2001035526 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, in het bijzonder de bepalingen op vlak van de veiligheidsrapportage type besluit van de vlaamse regering prom. 29/09/2000 pub. 28/11/2000 numac 2000036148 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 15 september 1998 betreffende de adviserende beroepscommissie inzake gezins- en welzijnsaangelegenheden sluiten (Belgisch Staatsblad 22 mei 2001). Hoger werd onder de algemene toelichting uitvoerig toegelicht dat bij deze omzetting de fout werd gemaakt dat de kolom 2 uit de delen 1 en 2 van bijlage 6 bij titel I van het VLAREM werd geschrapt met ongewijzigde handhaving van de VLAREM-rubriek 17.2. Ook werd toegelicht dat een wijziging van bijlage 6 kan worden overwogen met behoud van de oude nog in voege zijnde procedures voor erkenning van MER- en VR-deskundigen. Met dit artikel wordt de huidige bijlage 6 vervangen door een nieuwe bijlage 6. Deze nieuwe bijlage 6 is tevens geactualiseerd. Met name is deze vastgesteld overeenkomstig de bijlage I bij de EG-richtlijn 96/82/EG van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, zoals die is gewijzigd door de EG-richtlijn 2003/105/EG van 16 december 2003. Artikel 16 Zoals vermeld onder de rubriek 17.3 van de indelingslijst, worden voor de toepassing van deze rubriek als « gevaarlijke producten » beschouwd, de stoffen bedoeld in bijlage 7 bij titel I van het VLAREM. Met dit artikel wordt de bijlage 7 geactualiseerd overeenkomstig de bijlage I bij de EG-richtlijn 96/82/EG van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, zoals die recent is gewijzigd door de EG-richtlijn 2003/105/EG van 16 december 2003. Artikel 17 en 18 Deze artikelen zetten materiële fouten recht die bij de omzetting van de EG-richtlijn 98/81/EG van 26 oktober 1998 en de Beschikking 2001/204/EG van 8 maart 2001 tot wijziging van de EG-richtlijn 90/219/EEG van 23 april 1990 inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (GGO'
- s)in het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten5 was geslopen. Wijzigingen titel II van het VLAREM Artikel 19 Punt 1° en 3° beogen de correctie van een materiële fout die bij de omzetting van de EG-richtlijn 2001/80/EG van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties, in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten4 is geslopen. Voormelde EG-richtlijn 2001/80/EG van 23 oktober 2001 werd, voor wat betreft de aspecten « biomassa » en « biomassa-afval », bij besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten4 omgezet deels onder de afdeling « Afval » en deels onder de afdeling « Stookinstallaties ». De definities stemmen echter niet overeen met deze van voormelde EG-richtlijn. De definities worden nu wel in overeenstemming met de EG-richtlijn gebracht. Punt 2° beoogt de correctie van een materiële fout die bij de omzetting van de EG-richtlijn 98/81/EG van 26 oktober 1998 en de Beschikking 2001/204/EG van 8 maart 2001 tot wijziging van de EG-richtlijn 90/219/EEG van 23 april 1990 inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (GGO'
- s)in het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten5 was geslopen. Punt 4° wijzigt de definities oppervlaktewaterbescherming in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM met het oog op het introduceren in VLAREM van de begrippen en definities van het decreet van 18 juli 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/07/2003 pub. 19/08/2003 numac 2003035922 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de regering van de Republiek Libanon inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend in Brussel op 6 september 1999 type decreet prom. 18/07/2003 pub. 25/08/2003 numac 2003035921 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende instemming met : 1° de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Regering van de Republiek Jemen inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend in Brussel op 3 februari 2000, 2° de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Staat Koeweit inzake de wederzijdse bescherming en bevordering van investeringen, ondertekend in Brussel op 28 september 2000, 3° de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en het Koninkrijk Saudi-Arabië inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend in Jeddah op 22 april 2001
- f)van de bijlage I van deze EG-richtlijn genoemde plannen of programma's. Het betreft hier meer bepaald de plannen of programma's die zijn voorgeschreven door artikel 8, lid 3, van de EG-richtlijn 96/62/EG van 27 september 1996 inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit. Volgens dit artikel 8, lid 3, moet voor de zones waar de niveaus van een of meer verontreinigende stoffen de grenswaarde, verhoogd met de overschrijdingsmarge, overschrijden, een plan of programma worden opgesteld en uitgevoerd dat er toe leidt dat binnen de daarvoor gestelde termijn aan de grenswaarde wordt voldaan. Volgens artikel 2 van de EG-inspraakrichtlijn moet aan het publiek inspraak worden gegeven in de opstelling en wijziging of herziening van deze plannen of programma's. De opstelling van bedoeld plan of programma is conform de EG-richtlijn 96/62/EG van 27 september 1996 inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit reeds geregeld door artikel 2.5.3.7, § 2 van titel II van het VLAREM dat werd ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 maart 1998Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 24/03/1998 pub. 30/04/1998 numac 1998035475 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne type besluit van de vlaamse regering prom. 24/03/1998 pub. 23/04/1998 numac 1998035448 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het Vlaams personeelsstatuut van 24 november 1993, wat de prestatietoelagen betreft type besluit van de vlaamse regering prom. 24/03/1998 pub. 12/05/1998 numac 1998035478 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de criteria, de voorwaarden en de nadere regelen volgens welke subsidies worden verleend met betrekking tot innovatie-opleidingen type besluit van de vlaamse regering prom. 24/03/1998 pub. 13/05/1998 numac 1998035476 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering houdende de regeling van de procedure en de voorwaarden van subsidiëring van flexibiliseringsprojecten op het gebied van het zorgaanbod inzake sociale integratie van personen met een handicap sluiten. Ter omzetting van de inspraakbepalingen van de EG-richtlijn 2003/35/EG van 26 mei 2003 wordt nu artikel 2.5.3.7, § 2 van titel II van het VLAREM aangevuld met een derde lid dat een gepaste inspraakprocedure voorziet. Deze procedure is geïnspireerd op de inspraakregeling voor sectorale uitvoeringsplannen vastgesteld in artikel 35 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen. Artikel 22 Dit artikel beoogt de vervolledigde omzetting van de van de EG-richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen en de implementatie van de Europese beschikking 2003/33/EG van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II bij de EG-richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen. Meer bepaald gaat het hier over het aspect van verplichte rapportering aan de Europese Commissie. Daartoe wordt met dit artikel een hoofdstuk 2.7 en een afdeling 2.7.1 heringevoegd in titel II van het VLAREM. Artikel 23 De EG-richtlijn 76/769/EEG van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten legt beperkingen op aan : - het in de handel brengen van bepaalde gevaarlijke stoffen, zijnde duidelijk een bevoegdheid van de federale overheid; - het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen, zijnde een mede-gewestelijke bevoegdheid. Deze beperkingen zijn opgenomen in de bijlage I bij deze richtlijn, terwijl in een « Aanhangsel » aan deze bijlage de gevaarlijke stoffen (met hun gevareneigenschappen) zijn opgenomen onder dezelfde benaming als in de lijst vastgesteld door de EG-richtlijn 67/548/EEG (lijst opgenomen onder deel II van bijlage 7 bij titel I van het VLAREM). De boven vermelde bijlage met beperkingen omvat op dit ogenblik 47 gevaarlijke stoffen. Niet voor al deze stoffen zijn er evenwel beperkingen inzake gebruik voorgeschreven en niet alle gebruiksbeperkingen betreffen exploitaties geviseerd door VLAREM. Verder zijn de opgelegde gebruiksbeperkingen tot dusver grotendeels rechtstreeks in de sectorale reglementering opgenomen. Vastgesteld moet worden dat het hier echter vaak gaat om gebruiksbeperkingen die betrekking hebben op meerdere milieucompartimenten en ook niet altijd toe te wijzen zijn aan één welbepaalde industriële sector. Ook moet worden vastgesteld dat bedoelde lijst met beperkingen vrij frequent wordt aangepast aan de technische vooruitgang : op dit ogenblik zijn er aldus al 16 technische aanpassingen doorgevoerd. Van deze 16 aanpassingen zijn er 7 die werden doorgevoerd na 1 januari 2003 (EG-richtlijnen 2003/2/EG, 2003/3/EG, 2003/11/EG, 2003/36/EG, 2003/34/EG, 2003/53/EG en 2004/21/EG). Met het oog op een meer gecoördineerde omzetting van deze EG-richtlijn worden de meest recente technische aanpassingen (EG-richtlijnen) nu gecentraliseerd onder een geëigende afdeling onder het hoofdstuk 4 « Algemene voorschriften ». Daartoe voegt dit artikel een nieuwe afdeling 4.1.11 in met de omzetting, voor wat het luik « gebruik » betreft, van de EG-richtlijnen : 1° EG-richtlijn 2001/90/EG van 26 oktober 2001 inzake gebruik van stoffen en preparaten voor houtbehandeling (art.4.1.11.2); 2° EG-richtlijn 2001/91/EG van 29 oktober 2001 inzake gebruik van hexachloorethaan bij de fabricage of bewerking van non-ferrometalen (art.4.1.11.3); 3° EG-richtlijn 2002/62/EG van 9 juli 2002 inzake gebruik van organische tinverbindingen (art.4.1.11.4); 4° EG-richtlijn 2003/2/EG van 6 januari 2003 inzake gebruik van arseenverbindingen (art.4.1.11.5); 5° EG-richtlijn 2003/11/EG van 6 februari 2003 inzake gebruik van difenylether (art.4.1.11.6); 6° EG-richtlijn 2003/53/EG van 18 juni 2003 inzake gebruik van fenol (art.4.1.11.7). Artikel 24 Dit artikel beoogt een aanpassing, ter verduidelijking van het begrip « bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat », van het artikel 4.2.2.1 van titel II van het VLAREM in het licht van de wijziging van bijlage 2C bij titel I van het VLAREM (zie artikel 10, 3°). Artikel 25 Dit artikel beoogt de correctie van een materiële fout die is geslopen in het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten8 bij de omzetting van de EG-richtlijn 2003/87/EG van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad. Artikel 26 tot en met 30 Deze artikelen bewerkstelligen de omzetting van de aspecten asbestafval van de EG-richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen en de implementatie van de Europese beschikking 2003/33/EG van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II bij de EG-richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen. Artikel 31 tot en met 33 Deze artikelen beogen een beter afgestemde regelgeving, vooral vanuit handhavingsoogpunt, ter toepassing van de EG-richtlijn 2000/76/EG van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval, die o.m. geen continue meting van dioxinen en furanen voorschrijft. Artikel 34 Zoals onder de algemene toelichting al nader is uiteengezet, werd bij de omzetting van de EG-richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen bij besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten0 (Belgisch Staatsblad van 19 september 2001) o.m. de fout gemaakt dat de omschrijving van de drie in deze EG-richtlijn bepaalde stortplaatscategorieën niet correct in VLAREM werd overgenomen, noch in de rubriek 2.3.6 van de indelingslijst, noch in artikel 5.2.4.0.1, § 1 van titel II van het VLAREM. Bovendien was de omschrijving onder de rubriek 2.3.6 dan nog eens verschillend van deze onder artikel 5.2.4.0.1, § 1 van titel II van het VLAREM. Met artikel 9, punt 7° wordt rubriek 2.3.6 van de indelingslijst conform gemaakt met de EG-richtlijn 1999/31/EG. Met dit artikel wordt de indeling onder het huidige artikel 5.2.4.0.1, § 1 van titel II van het VLAREM opgeheven en vervangen door een omschrijving van het toepassingsgebied van de afdeling 5.2.4. De indeling van stortplaatsen in categorieën betreffen immers indelingscriteria die sowieso thuishoren in de indelingslijst en in geen geval in titel II van het VLAREM. Artikelen 35 en 36 Deze artikelen beogen de verdere correcte omzetting van de EG-richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen alsook de volledige omzetting van de Europese beschikking 2003/33/EG van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II bij de EG-richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen. Met artikel 35 wordt het artikel 5.2.4.0.3 van titel II van het VLAREM aangevuld met een punt 3 omvattende overgangsbepalingen in het kader van de implementatie van boven vermelde Europese beschikking 2003/33/EG van 19 december 2002. Volgens artikel 7 van deze beschikking moeten de vastgestelde criteria sinds 16 juli 2005 worden toegepast. Het spreekt niettemin voor zichzelf dat vanuit technisch oogpunt het noodzakelijk is enige overgangstermijn in acht te nemen gedurende dewelke de exploitanten van de geviseerde stortplaatsen zich op het terrein kunnen confirmeren met de nieuwe criteria. Een termijn lopende tot 1 december 2006 wordt hiervoor voldoende geacht. Hetzelfde geldt voor het scheppen van duidelijkheid over onder welke nieuwe (sub)categorie van stortplaats, van deze vermeld in rubriek 2.3.6, de bestaande en vergunde stortplaats valt. Alhoewel dit in principe technisch kan worden uitgemaakt op basis van de verleende milieuvergunning(en), wordt - met het oog op het verzekeren van de nodige rechtszekerheid - er voor geopteerd dat de exploitant zelf zijn optiekeuze kenbaar maakt. Aldus legt de nu vastgestelde overgangsregeling op dat de exploitant van een stortplaats er is toe gehouden uiterlijk voor 1 december 2006 bij wijze van mededeling kleine verandering aan de vergunning verlenende overheid kenbaar te maken onder welke subcategorie de bestaande en vergunde stortplaats valt. Met artikel 36 wordt de nieuwe subafdeling 5.2.4.1 « De aanvaarding van afvalstoffen op de stortplaats » vastgesteld. Uiteraard betreft dit in de eerste plaats de letterlijke integratie van de bepalingen van de EG- beschikking 2003/33/EG van 19 december 2002. Voor die gevallen waar de lidstaat gemachtigd blijft zelf aanvaardingscriteria vast te stellen werden evenwel ook enkele van de huidig gangbare voorwaarden gehandhaafd. Het betreft hier inzonderheid de bepalingen van artikel 5.2.4.1.2, verder de criteria voor monolytisch afval geïnspireerd op vroegere VLAREA-voorschriften voor secundaire grondstoffen voor vormgegeven bouwstof en ten slotte de criteria voor stortplaatsen voor anorganische ongevaarlijke afvalstoffen met een laag gehalte aan organische/biologisch afbreekbare stoffen, vastgesteld in artikel 5.2.4.1.8, § 7. Met betrekking tot afvalstoffen bestaande uit asbesthoudende bouwmaterialen waarbij asbestvezels in gebonden vorm aanwezig zijn, bepaalt het nieuwe artikel 5.2.4.1.9, § 6, tweede lid, 1° dat « het in gebonden vorm aanwezig zijn wordt nagegaan aan de hand van de meetmethode voor de vezelvrijstelling van asbesthoudend afvalmaterialen en moet worden geattesteerd door een daartoe erkend milieudeskundige ». Deze bepalingen houden niet in dat voor elk asbesthoudend voorwerp dat gestort wordt een attest van een erkend milieudeskundige is vereist. Artikel 37 Zoals onder de algemene toelichting al nader is uiteengezet, werd bij de omzetting van de EG-richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen bij besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten0 (Belgisch Staatsblad van 19 september 2001) ook de fout gemaakt dat de door artikel 7,
- d)van de EG-richtlijn 1999/31/EG voorgeschreven hydrogeologische studie (toe te voegen bij de milieuvergunningsaanvraag voor een stortplaats) door de aldus gewijzigde VLAREM-reglementering tweemaal wordt geëist en dan nog met verschillende inhoud en verschillende procedure. Met name : - eerst bij de indiening van een milieuvergunningsaanvraag volgens artikel 5, § 2, 14° van titel I van het VLAREM, dat werd vervangen door artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten0; - vervolgens na het bekomen van de milieuvergunning maar vóór de inrichting van de stortplaats volgens artikel 5.2.4.3.2 van titel II van het VLAREM, ingevoegd bij hetzelfde besluit van 13 juli 2001. In het licht van de conformering met de EG-richtlijn die voorschrijft dat bedoelde gegevens bij de milieuvergunningsaanvraag moeten zijn gevoegd, beoogt dit artikel deze dubbele verplichting, die een onnodige en verwarrende overregulering betreft, ongedaan te maken door opheffing van artikel 5.2.4.3.2 van titel II van het VLAREM. Artikel 38 Dit artikel beoogt een wijziging van artikel 5.2.4.3.3, § 1, van titel II van het VLAREM in het licht van de doorgevoerde correctie vermeld onder artikel 39. Artikel 39 en 40 Met artikel 10, 40°, wordt in rubriek 59.3 de subrubriek 1° « het aanbrengen van een coating op voertuigen, of een deel daarvan, als onderdeel van de reparatie, de bescherming of de decoratie van voertuigen buiten de fabriek » opgeheven. Deze opheffing kadert in de overeenkomstige wijziging van de EG-richtlijn 1999/13/EG door de EG-richtlijn 2004/42/EG van 21 april 2004 inzake de beperking van emissies van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen in bepaalde verven en vernissen en producten voor het overspuiten van voertuigen. De beoogde VOS-reductie wordt hier nu meteen aan de bron bewerkstelligd door gebruik van VOS-arme verven en vernissen. Deze activiteit blijft uiteraard wel onverminderd ingedeeld onder de subrubriek 4.3. Met de artikelen 39 en 40 worden de desbetreffende sectorale milieuvoorwaarden van artikel 5.4.3.1.4 en 5.4.3.2.1 met deze nieuwe benadering in overeenstemming gebracht. Daardoor moeten de kleine « carrossierbedrijven » geen oplosmiddelenboekhouding meer bijhouden. Artikel 41 Dit artikel beoogt een aanpassing van de technische eisen die worden gesteld aan de spuittoestellen in het kader van de EG-richtlijn 1999/13/EG van 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties, die werd omgezet door het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten6. Artikel 42 Het huidige hoofdstuk 5.18 stelt de sectorale milieuvoorwaarden vast voor groeven en graverijen. Deze voorwaarden zijn niet relevant voor de nieuw ingevoerde subrubriek 18.3 « winning van mineralen door afbaggering van de zee- of rivierbodem ». Met dit artikel wordt bedoeld hoofdstuk dan ook niet van toepassing op deze activiteit. Aldus zijn op deze nieuw ingedeelde activiteit enkel de algemene voorwaarden van toepassing desgevallend aangevuld door bijzondere voorwaarden in de milieuvergunning. Artikel 43, 44 en 45 Het hoofdstuk 5.31 « Motoren met inwendige verbranding » werd vrij grondig aangepast bij besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten6 en gewijzigd bij erratum van 24 april 2004. Daarbij werden emissiegrenswaarden ingeschreven die strenger zijn dan de normen in de ons omringende landen en het protocol van Göteborg. Vooral voor de toepassing van hernieuwbare energiebronnen zoals biogassen en stortgas in motoren zijn deze emissiegrenswaarden vaak niet haalbaar. Dit leidt tot zowel een meerkost voor de werking van Vlaamse ondernemingen ten opzichte van gelijkaardige ondernemingen uit de omringende landen, als tot een ernstige belemmering voor de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen en warmtekrachtkoppeling met motoren. Daardoor komt ook de realisatie van de doelstellingen inzake hernieuwbare energiebronnen en de realisatie van reductiedoelstellingen op het vlak van broeikasgasemissies en het verbruik van fossiele brandstoffen onder druk. De artikelen beogen daarom een aanpassing van de normering op basis van wat haalbaar is met toepassing van beste beschikbare technieken. De emissies van schadelijke stoffen blijven beperkt en het Vlaamse Gewest blijft hiermee ook nog altijd voldoen aan het protocol van Göteborg. Voor gasmotoren wordt verduidelijkt dat de emissiegrenswaarde van 150 mg/m3 voor organische stoffen geen betrekking heeft op methaanemissies, zoals ook bedoeld werd in de BBT-studie uitgevoerd door de VITO. Voor gasmotoren vergund voor 2005 geldt deze emissiegrenswaarde niet, aangezien deze emissiegrenswaarde slechts haalbaar is door plaatsing van een katalysator. De plaatsing van dergelijke katalysator op bestaande installaties is in de praktijk vaak niet mogelijk. Voor biogasmotoren vergund vanaf 2000 wordt de CO-emissiegrenswaarde van 650 mg/m3 opgetrokken naar 1300 mg/m3. Voor biogasmotoren vergund in de periode 1993-1999 geldt de NOx-emissiegrenswaarde van 2600 x êta/30 in plaats van 1300 x êta/30 mg/m3. Deze wijzigingen zijn aangewezen gezien de oorspronkelijke normen zich baseerden op de best beschikbare techniek voor aardgasmotoren, en daarbij onvoldoende rekening werd gehouden met de specifieke kenmerken van biogasmotoren. Voor dieselmotoren zijn de NOx-emissiegrenswaarden die gelden voor motoren vergund na 2000 niet haalbaar met aanvaardbare kosten. Daarom wordt voorgesteld voor dieselmotoren vergund in de periode 2000-2004 vanaf 2008 een NOx-emissiegrenswaarde te voorzien van 4000 mg/m3 voor een thermisch vermogen kleiner dan 3 megawatt, 2000 mg/m3 tussen 3 en 5 megawatt en 500 mg/m3 boven 5 megawatt. Voor dieselmotoren vergund vanaf 2005 geldt een NOx-emissiegrenswaarde van 1000 mg/m3 voor een thermisch vermogen kleiner dan 5 megawatt, en 500 mg/m3 groter dan 5 megawatt. Artikel 46 De EG-richtlijn 2001/80/EG van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties werd omgezet bij besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten6 (Belgisch Staatsblad 30 juni 2004). Bijlage VIII van deze EG-richtlijn schrijft continue metingen voor van de concentraties zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof van afvalgassen van elke stookinstallatie met een nominaal thermisch vermogen van 100 MW of meer. Volgens dezelfde bijlage zijn in afwijking daarvan continue metingen niet voorgeschreven in de volgende gevallen : - voor stookinstallaties met een levensduur van minder dan 10.000 bedrijfsuren; - voor zwaveldioxide en stof van ketels en gasturbines die met aardgas worden gestookt, - voor zwaveldioxide van gasturbines en ketels die gestookt worden met olie waarvan het zwavelgehalte bekend is, ingeval er geen ontzwavelingsuitrusting is; - voor zwaveldioxide van met biomassa gestookte ketels, wanneer de exploitant kan aantonen dat de SO2-emissies in geen geval hoger zijn dan de voorgeschreven emissiegrenswaarden. In artikel 5.43.3.3, § 2, tweede lid, van titel II van het VLAREM dat geldt voor gasturbines en stoom- en gasturbinesinstallaties zijn de volgende afwijkingen opgenomen : « Die continue metingen zijn niet vereist : 1° voor SO2 van gasturbines en stoom- en gasturbine-installaties die gestookt worden met aardgas;2° voor SO2 van gasturbines en stoom- en gasturbine-installaties die gestookt worden met vloeibare brandstof waarvan het zwavelgehalte bekend is, ingeval er geen ontzwavelingsuitrusting is.». Met dit artikel 46 wordt, conform de EG-richtlijn 2001/80/EG van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties, in boven vermeld artikel 5.43.3.3, § 2 voor gasturbines en stoom- en gasturbine-installaties die gestookt worden met aardgas, bijkomend de parameter stof toegevoegd waarvoor geen continue meting is vereist. Artikel 47 Dit artikel beoogt onder de sectorale milieuvoorwaarden voor slachthuizen en slachterijen (afdeling 5.45.2 van titel II van het VLAREM) artikel 5.45.2.3, § 2bis, aan te passen aan de terminologie van de EG-Verordening (EG) nr. 1774/2002 van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten, zoals gewijzigd bij de EG-Verordeningen (EG) nr. 808/2003 van 12 mei 2003 en (EG) nr. 668/2004 van 10 maart 2004. Het is bekend dat een EG-Verordening rechtsreekse uitvoering heeft en niet in intern recht moet worden omgezet. Artikel 48 en 49 Deze artikelen beogen de correctie van tikfouten geslopen in het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten5 waarmee de EG-richtlijn 98/81/EG van 26 oktober 1998 en de Beschikking 2001/204/EG van 8 maart 2001 tot wijziging van de EG-richtlijn 90/219/EEG van 23 april 1990 inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (GGO'
- s)werd omgezet. Artikel 50 en 51 Deze artikelen beogen de correctie van een verwijzingsfout die is geslopen in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 19/01/1999 pub. 31/03/1999 numac 1999035150 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne sluiten. Artikel 52 Dit artikel beoogt de correctie van een tikfout geslopen in het besluit van de Vlaamse Regering van 31 mei 2002Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten1. Wijzigingen bijlagen titel II van het VLAREM Artikel 53 en bijlage III Dit artikel beoogt de invoeging van een bijlage 5.2.4.1 ter omzetting van de Europese beschikking 2003/33/EG van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II bij de EG-richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen. Artikel 54 Dit artikel beoogt de correctie van tikfouten geslopen in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 19/01/1999 pub. 31/03/1999 numac 1999035150 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne sluiten bij de wijziging van de bijlage 5.3.2 van titel II van het VLAREM aangaande sectorale lozingsnormen. Artikel 55 Dit artikel beoogt de correctie van tikfouten geslopen in het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten5 bij de vervanging van de bijlage 5.51.3 van titel II van het VLAREM inzake de indelingscriteria van GGO's. Artikel 56 Dit artikel beoogt de correctie van tikfouten geslopen in het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten5 bij de vervanging van de bijlage 5.51.4 van titel II van het VLAREM inzake beschermingsmaatregelen voor GGO's. Slotbepalingen Artikel 57 Dit artikel regelt de overgangssituatie van lopende procedures en lopende milieuvergunningen voor inrichtingen die onder de toepassing vallen van de door dit besluit doorgevoerde wijzigingen van de indelingslijst. Artikel 58 Dit artikel voorziet bij wijze van overgangsregeling een afwijkende regeling voor de geviseerde « carrossierbedrijven » op de algemene regel dat strengere vergunningsvoorwaarden prioriteit hebben op nieuwe maar meer soepele VLAREM-milieuvoorwaarden. Deze afwijkende regeling wil een inhoudelijk zinloze dossierstroom vermijden die anders nodig is om elke individuele milieuvergunning in overeenstemming te brengen met de door onderhavig besluit ter zake nieuw vastgestelde milieuvoorwaarden. Artikel 59 Dit artikel regelt de datum van inwerkingtreden van het besluit. Artikel 60 Dit artikel regelt de uitvoering van het besluit. De Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, K. PEETERS