Wet tot vaststelling van het statuut van de militairen van het actief kader van de Krijgsmacht
Kort samengevat
Deze wet regelt het statuut van militairen die actief zijn binnen de Krijgsmacht, door algemene bepalingen en specifieke regels voor werving vast te stellen.
Wat het regelt
- Het statuut van militairen van het actief kader van de Krijgsmacht.
- De verschillende soorten werving voor militairen.
- Definities van termen die in de wet gebruikt worden, zoals "militair", "Defensie" en diverse loopbaantrajecten.
Wie het aanbelangt
- Militairen van het actief kader van de Krijgsmacht.
- Personen die zich inschrijven voor een wervingssessie bij de Krijgsmacht (sollicitanten).
Kernpunten
- De wet is niet van toepassing op leden van de koninklijke familie, tenzij anders bepaald.
- Er zijn drie soorten werving: werving vóór diploma, werving op diploma en laterale werving.
- "Werving vóór diploma" omvat militairen die een opleiding volgen om een diploma te behalen (bijvoorbeeld voor officier van niveau A of B, militaire expert, militaire deskundige of onderofficier).
- "Werving op diploma" betreft militairen die al in het bezit zijn van een vereist diploma (bijvoorbeeld een master voor officier van niveau A of militaire expert, of een bachelor voor officier van niveau B).
Wettekst
Wet tot vaststelling van het statuut van de militairen van het actief kader van de Krijgsmacht (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers heb
Art. 43
.Het ambt wordt uitgeoefend krachtens dienstorders uitgaande van : 1° de Koning of de overheid die Hij aanwijst, voor de officieren en de militaire experts;2° de minister of de overheid die hij aanwijst, voor de onderofficieren en de militaire deskundigen;3° de overheid die de minister aanwijst, voor de vrijwilligers. Art. 44.De militair kan ter beschikking gesteld worden van elke openbare dienst die afhangt van de federale overheid, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de gemeenten, de agglomeraties, de federaties en de verenigingen van gemeenten, de politiezones, de autonome overheidsbedrijven bedoeld in de wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/07/1938 pub. 24/10/2001 numac 2001000545 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende het gebruik der talen bij het leger Duitse vertaling sluiten1 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, alsook van de instellingen die van zo'n openbare dienst afhangen, of de instellingen die van Defensie afhangen. De militair kan wegens een officiële opdracht bij een volkenrechtelijke instelling of in de privé-sector gedetacheerd worden. Onderafdeling 2. - De tijdelijke ambtsontheffing Art. 45.De tijdelijke ambtsontheffing heeft alleen plaats in de volgende gevallen : 1° op aanvraag van de militair :
- a)wegens persoonlijke aangelegenheden;
- b)wegens loopbaanonderbreking;
- c)om gezinsredenen;2° door de overheid opgelegd :
- a)om gezondheidsredenen;
- b)bij tuchtmaatregel;
- c)door schorsing bij ordemaatregel. De militair in tijdelijke ambtsontheffing blijft onderworpen aan de militaire strafwetgeving en aan de krijgstucht. Art. 46.In geval van mobilisatie of in periode van oorlog of van crisis, bedoeld in artikel 186, kunnen de militairen geen tijdelijke ambtsontheffing op aanvraag bekomen. Hetzelfde geldt voor de militairen die zich in periode van vrede in de deelstand « operationele inzet » bevinden of die effectief deel uitmaken van een detachement dat zich voorbereidt met het oog op deze inzet. De op aanvraag bekomen tijdelijke ambtsontheffingen eindigen automatisch, zonder periode van opzegging, in periode van oorlog of in geval van mobilisatie. In periode van crisis of in periode van vrede kunnen, in uitzonderlijke gevallen en voor zover de personeelsbehoefte op geen enkele andere manier ingevuld kan worden, de op verzoek toegekende tijdelijke ambtsontheffingen geschorst worden door de overheid die ze heeft toegekend, in geval van operationele inzet of van preadvies met het oog op deze inzet. Art. 47.De militairen die hierom verzoeken kunnen door de minister tijdelijk wegens persoonlijke aangelegenheden uit hun ambt ontheven worden. Elke tijdelijke ambtsontheffing of elke verlenging wordt aangevraagd voor een duur van drie, zes, negen of twaalf maanden. Behoudens uitzonderlijke redenen waarover de minister oordeelt, en zonder dat deze de duur van zesendertig maand overschrijdt, mag de duur van alle tijdelijke ambtsontheffingen wegens persoonlijke aangelegenheden tijdens de loopbaan van de militair een totaal van twaalf maanden niet overschrijden. Art. 48.§ 1. De militairen die het aanvragen kunnen van de minister een onderbreking van hun loopbaan bekomen. § 2. Elke loopbaanonderbreking of elke verlenging wordt aangevraagd voor een duur van drie, zes, negen of twaalf maanden. Behoudens uitzonderlijke redenen waarover de minister oordeelt, mag de duur van alle loopbaanonderbrekingen tijdens de loopbaan van de militair een totaal van zesendertig maanden niet overschrijden. § 3. Onverminderd de toepassing van artikel 176, mag de militair enkel een bijkomende activiteit als loontrekkende uitoefenen voor zover deze reeds gedurende ten minste drie maanden vóór het begin van de loopbaanonderbreking werd uitgeoefend. Hij mag eveneens een zelfstandige activiteit uitoefenen. Voor wat de officieren en de militaire experts betreft, kan geen enkele van de activiteiten bedoeld in het eerste lid uitgeoefend worden in de sector van de productie of van de handel in wapens, munitie en oorlogsmateriaal, bedoeld in artikel 296, § 1, b), van het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als bijkomende activiteit als loontrekkende beschouwd, de activiteit in loondienst waarvan het aantal werkuren per week gemiddeld niet 38 uren overschrijdt. Wordt als zelfstandige activiteit beschouwd, de activiteit die de betrokken persoon, op grond van de van kracht zijnde reglementering, ertoe verplicht zich in te schrijven bij het Rijksinstituut voor de sociale Verzekeringen der zelfstandigen Indien de militair zonder toestemming een beroepsactiviteit aanvangt of wanneer een bijkomende activiteit in loondienst een hoofdactiviteit wordt, dan wordt vanaf dat ogenblik de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking omgezet in een tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden. Art. 49.De minister kan, voor zover het belang van de dienst dit niet in de weg staat, een tijdelijke ambtsontheffing om gezinsredenen toestaan aan de militair die erom vraagt, opdat deze de kans krijgt om zich aan zijn kinderen te wijden. Deze tijdelijke ambtsontheffing wordt toegestaan voor een periode van ten hoogste twee jaar; zij eindigt hoe dan ook wanneer het kind de leeftijd van drie jaar bereikt. De maximumduur van deze tijdelijke ambtsontheffing tijdens de volledige militaire loopbaan wordt op vier jaar gebracht en eindigt uiterlijk wanneer het kind de leeftijd van zes jaar bereikt, indien het kind mindervalide is en voldoet aan de voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op de kinderbijslag met toepassing van artikel 47 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders. Op aanvraag van de militair en mits de naleving van een opzeggingstermijn van één maand kan een einde gemaakt worden aan de tijdelijke ambtsontheffing om gezinsredenen alvorens deze ten einde loopt. Wanneer de vader en de moeder van het kind militair zijn, kan de in dit artikel bedoelde tijdelijke ambtsontheffing verdeeld worden over de ouders. Art. 50.De Koning kan voor de officieren en de militaire experts, of de minister voor de andere personeelscategorieën, de militair die, volgens de beslissing van de militaire commissie voor geschiktheid en reform of van de militaire commissie van beroep voor geschiktheid en reform, nog niet in staat is de dienst te hervatten, tijdelijk om gezondheidsredenen van zijn ambt ontheffen. Onderafdeling 3. - De schorsing bij ordemaatregel Art. 51.§ 1. Wanneer de minister oordeelt dat de aanwezigheid van een militair in de Krijgsmacht nadelig is voor de tucht of voor de goede naam van de Krijgsmacht, kan hij, ambtshalve of op voorstel van de hiërarchische meerderen van de militair, deze laatste bij ordemaatregel schorsen. De schorsing bij ordemaatregel is een voorlopige maatregel die geenszins van tuchtrechtelijke aard is. § 2. De betrokken militair wordt vooraf gehoord over de feiten die hem ten laste worden gelegd en mag zich laten bijstaan door een persoon naar eigen keuze. Hij wordt opgeroepen bij kennisgeving tegen ontvangstbewijs of met een bij de post aangetekende brief, en wordt geacht gehoord te zijn geweest zelfs indien hij daar geen ontvangst van bevestigt, zodra de bedoelde oproeping hem een tweede maal werd voorgelegd na een redelijke termijn. Wanneer het horen van de militair voor de schorsing bij ordemaatregel onmogelijk is of wanneer een toestand van hoogdringendheid dit rechtvaardigt, kan de minister evenwel een militair bij gemotiveerde beslissing schorsen zonder hem gehoord te hebben. Deze laatste wordt onverwijld na de uitspraak van de schorsing gehoord. Wanneer de hoogdringendheid wordt ingeroepen, vervalt deze schorsing na vijftien werkdagen, tenzij zij door de minister binnen die termijn wordt bekrachtigd op grond van het dossier, met inbegrip van het horen van de betrokken militair. § 3. De duur van de schorsing bij ordemaatregel mag de drie maanden niet overschrijden. Indien noodzakelijk, mits het naleven van de bepalingen van § 2, kan de schorsing, per periodes van minimum drie maanden verlengd worden tot een maximumduur van twee jaar. Voor de officieren en de militaire experts wordt deze verlenging door de Koning beslist. Wanneer een opsporingsonderzoek of een strafvervolging werd ingesteld wegens de feiten die de schorsing motiveren, moet deze evenwel uiterlijk zes maanden na het einde van de rechtsvordering een einde nemen. § 4. Wanneer een bij ordemaatregel geschorste militair van zijn vrijheid wordt beroofd, wordt deze schorsing evenwel van rechtswege geschorst tot de datum van invrijheidstelling van de betrokken militair, zonder nieuwe betekening aan deze laatste. Anderzijds, wanneer de schorsing bij ordemaatregel wordt betekend aan een militair in voorlopige hechtenis, wordt de uitwerking van de schorsing van rechtswege geschorst tot de invrijheidstelling van betrokken militair, zonder nieuwe betekening aan deze laatste. Onderafdeling 4. - Het ontslag op aanvraag Art. 52.§ 1. De militair kan op elk ogenblik zijn ontslag aanbieden. Dit ontslag heeft pas uitwerking wanneer de Koning voor de officieren en de militaire experts, de minister voor de onderofficieren en de militaire deskundigen en de overheid die de minister aanwijst voor de vrijwilligers, het heeft aanvaard. § 2. De overheid bedoeld in § 1 kan het ontslag weigeren indien ze oordeelt dat het strijdig is met het dienstbelang. § 3. Het ontslag is steeds strijdig met het dienstbelang in de volgende gevallen : 1° wanneer de betrokken militair minder dan drie jaar in werkelijke dienst is gebleven tijdens de periode volgend op de vorming op basis waarvan de rendementsperiode bedoeld in artikel 179 berekend wordt;2° in periode van crisis;3° in geval van mobilisatie;4° in periode van oorlog;5° indien de betrokken militair zijn aanvraag indient wanneer hij zich in periode van vrede in de deelstand « in operationele inzet » bevindt of effectief deel uitmaakt van een detachement dat zich voorbereidt met het oog op deze inzet. § 4. Behoudens in de door de Koning of de overheid die Hij aanwijst, uitdrukkelijk gemotiveerde uitzonderingsgevallen, is het ontslag bedoeld in § 2, niet strijdig met het dienstbelang wanneer de betrokken militair in werkelijke dienst is gebleven gedurende de volledige rendementsperiode bedoeld in artikel 179. Zowel in het uitdrukkelijk gemotiveerde uitzonderingsgeval bedoeld in het eerste lid, als in het geval van een aanvraag tot ontslag dat uitwerking heeft na de periode bedoeld in § 3, 1°, maar voor de afloop van de rendementsperiode bedoeld in artikel 179, verkrijgt de betrokken militair, in zoverre hij zijn ontslagaanvraag niet formeel heeft ingetrokken, zijn ontslag ten laatste drie jaar na de beslissing tot weigering van de voornoemde ontslagaanvraag. Art. 53.De militair die de hoedanigheid van militair heeft verloren om één van de redenen opgesomd in artikel 22, eerste lid, mag niet opnieuw in het actief kader opgenomen worden. Evenwel, voor zover hij de leeftijd van opruststelling niet bereikt heeft, kan de militair die sinds ten hoogste één jaar de hoedanigheid van militair heeft verloren om één van de redenen opgesomd in artikel 22, eerste lid, 3°, 4° of 6°, van de Koning voor wat de officieren en de militaire experts betreft, van de minister voor wat de militaire deskundigen en de onderofficieren betreft en van de overheid die de minister aanwijst voor de vrijwilligers, de toestemming bekomen om opnieuw in het actief kader opgenomen te worden. Hij ondergaat in dit geval een verlies van anciënniteit gelijk aan de tijd die sinds zijn ontslag verlopen is. Onderafdeling 5. - De statutaire maatregelen Art. 54.De volgende statutaire maatregelen kunnen worden uitgesproken ten opzichte van de militair : 1° de inhouding op de wedde;2° de tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaatregel;3° de definitieve ambtsontheffing. Art. 55.Indien een militair zich aan ernstige, met de staat van militair overeenstemmend met zijn personeelscategorie niet overeen te brengen feiten schuldig heeft gemaakt, kan de directeur-generaal human resources een inhouding op de wedde van betrokken militair toepassen. Deze inhouding wordt toegepast gedurende ten hoogste één maand en bedraagt ten minste twee percent en ten hoogste tien percent van de bruto maandwedde, verschuldigd voor de maand waarin de statutaire maatregel betekend wordt aan de betrokken militair. De toepassing van deze statutaire maatregel mag voor de betrokken militair geen andere geldelijke gevolgen hebben dan die welke in het eerste lid zijn bepaald. De Koning bepaalt de nadere regels volgens dewelke deze maatregel wordt uitgesproken. Art. 56.Indien een militair zich aan ernstige, met de staat van militair overeenstemmend met zijn personeelscategorie niet overeen te brengen feiten schuldig heeft gemaakt, kan de minister deze militair bij tuchtmaatregel van zijn ambt ontheffen voor een periode van maximum drie maanden. Indien de tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaatregel van een officier of een militaire expert langer duurt dan één maand, wordt de beslissing tot ambtsontheffing door de Koning uitgesproken. Art. 57.Indien een militair zich aan ernstige, met de staat van militair overeenstemmend met zijn personeelscategorie niet overeen te brengen feiten schuldig heeft gemaakt, kan hij definitief uit zijn ambt worden ontheven. De maatregel wordt door de minister uitgesproken, na raadpleging van een onderzoeksraad. Voor de officieren en de militaire experts wordt deze maatregel evenwel door de Koning uitgesproken op het gemotiveerd verslag van de minister na raadpleging van een onderzoeksraad. De onderzoeksraad gaat na of de feiten vaststaan en brengt advies uit over de ernst ervan. De Koning bepaalt de samenstelling van de onderzoeksraad en regelt de procedure. Art. 58.De militair wordt definitief uit zijn ambt ontheven zonder de tussenkomst van een onderzoeksraad indien hij zonder uitstel veroordeeld wordt tot de, zelfs tijdelijke, onvoorwaardelijke ontzetting uit één van de rechten bedoeld in artikel 31, 1° en 6°, van het Strafwetboek. De maatregel wordt door de minister uitgesproken. Voor de officieren en de militaire experts wordt deze maatregel evenwel door de Koning uitgesproken. Art. 59.De militair die zich bevindt in de deelstanden « in normale dienst » of « in vorming » bedoeld in artikel 191 en die onwettig afwezig is sinds meer dan eenentwintig opeenvolgende dagen, kan definitief uit zijn ambt worden ontheven volgens de door de Koning bepaalde procedure. De eerste werkdag na de datum van het begin van de onwettige afwezigheid wordt de militair bedoeld in het eerste lid, verwittigd, met een bij de post aangetekende brief, van de mogelijkheid definitief uit zijn ambt te worden ontheven overeenkomstig het eerste lid. Hij wordt geacht verwittigd te zijn geweest, zelfs indien hij daar geen ontvangst van bevestigt, zodra de bedoelde verwittiging hem een tweede maal werd voorgelegd ten laatste de vijftiende dag na de datum van het begin van de onwettige afwezigheid. De militair van wie de onwettige afwezigheid gerechtvaardigd wordt door een geval van overmacht, wordt heropgenomen in werkelijke dienst door de door de Koning aangewezen overheid. Art. 60.Wanneer een militair gescheiden is van het leger, hetzij tengevolge van oorlogsomstandigheden, hetzij door uitzonderlijke omstandigheden, die niet aan hem te wijten zijn, wordt iedere bepaling betreffende de definitieve ambtsontheffing te zijnen opzichte geschorst gedurende zijn afwezigheid. Afdeling 6. - De anciënniteit in de graad Art. 61.De anciënniteit in de graad wordt bepaald door de datum van benoeming in deze graad. Voor de militairen in initiële vorming, wordt de anciënniteit in de graad in voorkomend geval echter door de aanstellingsdatum bepaald. Dit geldt ook voor de militairen die in de hogere graad worden aangesteld overeenkomstig artikel 75 of in het kader van het sollicitatieproces. Art. 62.Bij gelijke anciënniteit in de graad, wordt de anciënniteit bepaald : 1° in functie van de anciënniteit in de vorige graad;2° bij gelijke anciënniteit in de vorige graad, in functie van de anciënniteit in de lagere graden;3° bij gelijke anciënniteit in de lagere graden, in functie van het vormingsniveau bedoeld in artikel 3, 9°;4° bij gelijk vormingsniveau, in functie van de anciënniteit in dit vormingsniveau;5° bij gelijke anciënniteit in een vormingsniveau, in functie van de dienstanciënniteit;6° bij gelijke dienstanciënniteit, in functie van de leeftijd van de militair. Art. 63.Voor de anciënniteit in het vormingsniveau worden de in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop de militair prestaties verricht in een graad van het beschouwde niveau en dat hij tenminste houder is van een diploma of getuigschrift dat toegang geeft tot het beoogde niveau. Het slagen in de vorming in het kader van de sociale promotie is gelijkwaardig met het feit drager te zijn van het diploma of getuigschrift dat toegang geeft tot het beschouwde niveau. Art. 64.Van de anciënniteit in de graad, van de anciënniteit in een vormingsniveau en van de dienstanciënniteit wordt in mindering gebracht : 1° voor de hele duur, elke andere periode van non-activiteit dan de periode van tijdelijke ambtsontheffing om gezondheidsredenen en de periode van onwettige afwezigheid gerechtvaardigd door een geval van overmacht;2° voor de helft, de periode van tijdelijke ambtsontheffing om gezondheidsredenen, indien deze tijdelijke ambtsontheffing veroorzaakt is door een niet met de dienst verband houdend feit;3° de tijd verlopen tussen het ontslag en de heropneming voorzien in artikel 53, tweede lid. Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, worden niet beschouwd als niet met de dienst verband houdende feiten de sportactiviteiten die de Koning vastlegt, uitgevoerd volgens de voorwaarden die Hij bepaalt. De anciënniteit in de graad waarmee de militair bekleed is, wordt volgens de door de Koning bepaalde regels gewijzigd naargelang van de toepassing die, wat hem betreft, aan het eerste lid wordt gegeven. Afdeling 7. - De bevordering in de graad Art. 65.§ 1. De militair kan niet in de hogere graad benoemd of aangesteld worden terwijl hij hetzij op non-activiteit, hetzij bij ordemaatregel geschorst, hetzij van het leger gescheiden is. § 2. Met terugwerkende kracht kan worden benoemd of aangesteld : 1° de militair die weer in werkelijke dienst genomen wordt na een tijdelijke ambtsontheffing om gezondheidsredenen;2° de militair die weer in werkelijke dienst genomen wordt nadat hij bij ordemaatregel geschorst werd;3° de militair die zich weer bij het leger vervoegt nadat hij ervan gescheiden werd;4° de militair die weer in werkelijke dienst genomen wordt nadat hij tijdelijk op pensioen gesteld werd wegens fysieke ongeschiktheid;5° de militair wiens kandidatuur niet tijdig onderzocht werd om gezondheidsredenen of om redenen te wijten aan de administratie;6° de militair die weer in werkelijke dienst genomen wordt na de rechtvaardiging van zijn onwettige afwezigheid door een geval van overmacht. In de eerste vier gevallen wordt er rekening gehouden met de eventueel ondergane verliezen van anciënniteit. Afdeling 8. - De beoordeling van de militairen Onderafdeling I. - De beoordeling van de competenties Art. 66.§ 1. De militair wordt jaarlijks beoordeeld inzake de uitoefening van de taken verbonden aan de post die hij bezet. Deze beoordeling wordt de « postbeoordeling » genoemd. De postbeoordeling verloopt volgens de door de Koning bepaalde evaluatiecyclus en nadere regels. Zij is gebaseerd op : 1° de postbeschrijving van de post die door de beoordeelde militair op het ogenblik van zijn postbeoordeling wordt bezet;2° de mate van het bereiken van de objectieven die aan de beoordeelde militair tijdens de vorige postbeoordeling werden gesteld;3° de gedrags- en professionele competenties van de beoordeelde militair. De beoordeelde competenties bedoeld in het tweede lid, 3°, kunnen verschillen naargelang de personeelscategorie of -ondercategorie, de vakrichting, het expertisedomein of de competentiepool van de betrokken militair en de door hem bezette post. § 2. De postbeoordeling wordt uitgevoerd door de directe functionele chef van betrokkene die voldoet aan de vereisten vastgesteld door de Koning. De hoedanigheid van functionele chef blijkt uit de hiërarchische en administratieve afhankelijkheden van de Krijgsmacht. In voorkomend geval wijst de directeur-generaal human resources de overheid aan die de postbeoordeling van betrokken militair opstelt. § 3. De uitoefening van een nevenfunctie geeft aanleiding tot een bijkomende postbeoordeling, volgens de bepalingen bedoeld in § 2. Deze bijkomende postbeoordeling wordt niet in aanmerking genomen voor de bepaling van de operationele categorie van betrokken militair. § 4. Twee postbeoordelingen met een vermelding « onvoldoende » in een periode van drie jaar hebben het ambtshalve verlies van de hoedanigheid van militair tot gevolg behalve indien deze postbeoordelingen tijdens of op het einde van de stageperiode worden uitgebracht. Art. 67.Het potentieel van de officieren, de militaire experts, de militaire deskundigen en de onderofficieren maakt het voorwerp uit van een inschatting, « potentieelinschatting » genoemd. Deze inschatting vindt plaats in de domeinen : 1° probleemoplossend- conceptueel;2° van het leadership;3° van de motivatie;4° van de interpersoonlijke relaties. Voor de officieren vindt deze inschatting ten minste plaats tijdens de initiële vorming bedoeld in artikel 88, ter gelegenheid van de statutaire voortgezette vorming bedoeld in artikel 111, § 1, eerste lid, 2°, en tijdens de voortgezette militaire loopbaan. Voor de militaire experts en de militaire deskundigen vindt deze inschatting ten minste plaats ter gelegenheid van de voortgezette vorming bedoeld in de artikelen 140, §§ 2 en 3. Voor de onderofficieren vindt deze inschatting ten minste plaats ter gelegenheid van de voortgezette vorming bedoeld in artikel 140, § 4. Bovendien kan de directeur-generaal human resources een bijkomende potentieelinschatting voorzien voor de militairen die, in het kader van het sollicitatieproces, zich kandidaat stellen voor een specifieke post. De Koning bepaalt de nadere regels van de potentieelinschatting. De Koning kan een dienst van Defensie of een organisatie extern aan Defensie belasten met de organisatie en de uitvoering van de potentieelinschatting. Onderafdeling 2. - De beoordeling van de fysieke geschiktheid en van de medische geschiktheid Art. 68.§ 1. De militair wordt beoordeeld inzake zijn fysieke geschiktheid en zijn medische geschiktheid. Deze beoordeling gebeurt op basis van fysieke geschiktheidscriteria en van medische geschiktheidscriteria. § 2. De militair moet voldoen aan de fysieke geschiktheidscriteria om ingezet te kunnen worden in de functie en, in voorkomend geval, de nevenfuncties die hij uitoefent. De fysieke geschiktheidscriteria worden door de Koning, naargelang het geval, per leeftijdscategorie, groep van vakrichtingen, vakrichting, groep van expertisedomeinen, expertisedomein, groep van competentiepools, competentiepool, functie of nevenfunctie bepaald. In voorkomend geval kan de Koning bijkomende fysieke geschiktheidscriteria bepalen voor het uitoefenen van bepaalde activiteiten. Om te bewijzen dat hij voldoet aan de fysieke geschiktheidscriteria moet de betrokken militair slagen in de fysieke proeven die de Koning bepaalt. De resultaten van deze proeven worden bekrachtigd door de eenheidscommandant van betrokken militair. De beoordeling van de fysieke geschiktheid gebeurt : 1° volgens een periodiciteit die de Koning bepaalt;2° ten laatste zes maanden na het bezetten van een nieuwe functie;3° ten vroegste drie maanden en ten laatste zes maanden na een beoordeling waarbij betrokken militair fysiek niet geschikt bevonden werd. § 3. De militair moet voldoen aan de medische geschiktheidscriteria overeenstemmende met het vereiste medische profiel. De medische geschiktheidscriteria worden bepaald door de Koning, naargelang het geval, per leeftijdscategorie, groep van vakrichtingen, vakrichting, groep van expertisedomeinen, expertisedomein, groep van competentiepools, competentiepool, functie of nevenfunctie. In voorkomend geval kan de Koning, voor het uitoefenen van bepaalde activiteiten, bijkomende medische geschiktheidscriteria bepalen. Bovendien bepaalt de Koning : 1° de overheden, die een advies moeten geven over de medische geschiktheid van de militair;2° de overheden die bevoegd zijn om te beslissen over de medische geschiktheid van de militair;3° de procedure die leidt tot de beoordeling van de medische geschiktheid van de militair. De beoordeling van de medische geschiktheid gebeurt : 1° volgens een periodiciteit bepaald door de Koning per groep van vakrichtingen, vakrichting, groep van expertisedomeinen, expertisedomein, groep van competentiepools, competentiepool, functie, nevenfunctie of activiteit;2° op aanvraag van :
- a)de korpscommandant van betrokken militair;
- b)betrokken militair;
- c)de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer die belast is met de arbeidsgeneeskunde ten voordele van de eenheid van de betrokken militair;
- d)de geneesheer die belast is met de medische steun van de eenheid waartoe de betrokken militair behoort;
- e)de door de Koning aangewezen overheden;3° op het ogenblik dat de militair zijn eenheid vervoegt na een afwezigheid om gezondheidredenen van minstens vier opeenvolgende weken;4° ten laatste zes maanden na het ogenblik waarop vastgesteld werd dat betrokken militair niet meer voldeed aan zijn medische profiel. Over een periode van dertig opeenvolgende maanden mag de duur van de afwezigheid om gezondheidsredenen niet meer dan vierentwintig maanden bedragen. De militaire commissie voor geschiktheid en reform of de militaire commissie van beroep voor geschiktheid en reform kan deze duur evenwel per gedeelte van maximum twaalf maanden verlengen, tot een maximumduur van zestig maanden, in de volgende gevallen : 1° voor de militair die aan een aandoening lijdt waarvoor er voldoende aanwijzingen zijn voor een mogelijke genezing;2° voor de militair die aan een ernstige en langdurige aandoening lijdt. Onder ernstige en langdurige aandoeningen worden enkel de chronische, somatische of fysieke aandoeningen van lange duur begrepen. Onderafdeling 3. - De operationele categorieën Art. 69.Na afloop van de periode van opleiding behoren de militairen tot een van de volgende operationele categorieën : 1° « operationele categorie A » : voor de militair :
- a)die voldoet aan de fysieke geschiktheidscriteria en medische geschiktheidscriteria om te worden ingezet in de functie en in voorkomend geval de nevenfunctie die hij uitoefent;
- b)en die minstens een vermelding « voldoende » heeft bekomen ter gelegenheid van zijn laatste postbeoordeling;2° « operationele categorie B » : voor de militair :
- a)die sinds minder dan zes maanden niet voldoet aan de fysieke geschiktheidscriteria en aan de medische geschiktheidscriteria om te worden ingezet in de functie en desgevallend de nevenfunctie die hij uitoefent;
- b)of die sinds vier opeenvolgende weken afwezig is om gezondheidsredenen;3° « operationele categorie C » : voor de militair :
- a)die gedurende een periode van één jaar, zes opeenvolgende maanden heeft behoord tot de operationele categorie B;
- b)of die een vermelding « onvoldoende » heeft bekomen ter gelegenheid van zijn laatste postbeoordeling, behalve indien deze postbeoordeling tijdens of op het einde van de stageperiode wordt uitgebracht. De militair gaat over naar de « operationele categorie D » : 1° indien hij gedurende een periode van zesendertig opeenvolgende maanden, vierentwintig maanden heeft behoord tot de operationele categorie B of C;2° of indien hij de periode van afwezigheid om gezondheidsredenen bedoeld in artikel 68, § 3, zesde lid, overschrijdt. De militair voor wie een procedure opgestart is om te verschijnen voor de militaire commissie voor geschiktheid en reform of de militaire commissie van beroep voor geschiktheid en reform kan evenwel niet naar de « operationele categorie D » overgaan vóór het afsluiten van deze procedure. Een nieuwe periode van maximum zesendertig maanden zoals bedoeld in het tweede lid, 1°, start bij de aanvang van de voortgezette militaire loopbaan. Periodes van eventuele ongeschiktheid verband houdende met moederschaps- en ouderschapsbescherming worden niet in rekening genomen voor het bereiken van de voornoemde maximumtermijnen. Na een afwezigheid om gezondheidsredenen kan de militair, voor zover de dienst het toelaat, van de door de Koning aangewezen overheid de toestemming krijgen om in een deeltijds arbeidsregime te werken. De periodes gedurende dewelke de militair die een dergelijke toestemming heeft gekregen, afwezig is, moeten verrekend worden in de in het tweede lid, 2°, bedoelde periode. De toestemming om in een deeltijds arbeidsregime te werken, mag niet worden verleend voor meer dan zes maanden gedurende de periode dat de militair aan dezelfde ziekte lijdt. Art. 70.De militair die tot de operationele categorie C behoort wegens het niet voldoen aan de fysieke geschiktheidscriteria en aan de medische geschiktheidscriteria noodzakelijk voor het bezetten van een bepaalde functie, kan, volgens de door de Koning te bepalen nadere regels, op aanvraag of van ambtswege naar een andere functie in zijn vakrichting of expertisedomein of competentiepool overgeplaatst worden waarvan hij wel aan de fysieke geschiktheidscriteria en aan de medische geschiktheidscriteria beantwoordt. De militair die tot de operationele categorie C behoort wegens het niet voldoen aan de fysieke geschiktheidscriteria en aan de medische geschiktheidscriteria eigen aan, naargelang het geval, zijn groep van vakrichtingen, zijn vakrichting, zijn expertisedomein of zijn competentiepool, kan, volgens de door de Koning te bepalen nadere regels, op aanvraag of van ambtswege naar, naargelang het geval, een andere groep van vakrichtingen, een andere vakrichting, een ander expertisedomein of een andere competentiepool, overgeplaatst worden waarvan hij wel aan de fysieke geschiktheidscriteria en aan de medische geschiktheidscriteria beantwoordt. Deze overplaatsing moet beantwoorden aan een behoefte van Defensie. Art. 71.De militair die tijdens zijn initiële militaire loopbaan, overgaat naar de operationele categorie D, verliest van ambtswege de hoedanigheid van militair. Evenwel wordt de mogelijkheid geboden aan de militair die, tijdens zijn initiële militaire loopbaan, overgaat naar de operationele categorie D ten gevolge van kwetsuren opgelopen of ziekten opgedaan of verergerd in dienst en door de dienst : 1° van ambtswege de interne overgang te maken;2° vrijwillig de externe overgang te maken. Art. 72.Onverminderd de bepalingen van artikel 66, § 4, zal de militair die tijdens zijn voortgezette militaire loopbaan overgaat naar de operationele categorie D : 1° wanneer hij meer dan vijf jaar van de datum van zijn opruststelling verwijderd is, volgens de door de Koning nader te bepalen regels :
- a)of van ambtswege de interne overgang maken;
- b)of vrijwillig de externe overgang maken;2° wanneer hij vijf jaar of minder van de datum van zijn opruststelling verwijderd is, de hoedanigheid van militair behouden. Onderafdeling 4. - Het personeelsbeheer Art. 73.De beoordelingen bedoeld in de artikelen 66 en 68 en, in voorkomend geval, in artikel 67, worden aangewend door elke meerdere met het oog op het personeelsbeheer. Deze beoordelingen moeten aangewend worden met het oog op : 1° een bevordering;de aanwending is evenwel facultatief, wanneer het een bevordering naar anciënniteit betreft; 2° een loopbaanwissel zoals bedoeld in artikel 117 of een sociale promotie zoals bedoeld in artikel 114;3° het oriëntatieproces zoals bedoeld in artikel 120. Deze beoordelingen kunnen aangewend worden voor : 1° een dienstaanwijzing;2° het nemen van statutaire maatregelen bedoeld in de artikelen 54 tot 59. Afdeling 9. - Bijzondere bepalingen Art. 74.De militaire commandant van het Paleis der Natie wordt buiten kader geplaatst. Tijdens zijn bijzondere dienst kan hij tot de verschillende graden aangesteld worden, tot en met de graad van luitenant-generaal. Deze aanstellingen worden toegekend, parallel met de bevordering van de officieren met dezelfde anciënniteit van onderluitenant, op voorstel van de voorzitters van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en van de Senaat en voor zover in deze wet bepaalde minimumanciënniteit voor bevordering in een bepaalde graad en de bepalingen van de wet van 30 juli 1938Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/07/1938 pub. 24/10/2001 numac 2001000545 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende het gebruik der talen bij het leger Duitse vertaling sluiten betreffende het gebruik der talen bij het leger worden gerespecteerd. Art. 75.§ 1. In uitzonderingsgevallen kan een militair tot wederopzeggens aangesteld worden om de post van de hogere graad uit te oefenen in zijn vakrichting of expertisedomein of in een competentiepool die hij bezit of voor het vervullen van functies in internationale instellingen of intergeallieerde militaire formaties. In uitzonderingsgevallen kan de Koning bij wege van aanstelling de graad van brigade-generaal of flottielje-admiraal verlenen voor de uitoefening van functies in Belgische vertegenwoordigingen in het buitenland, in internationale instellingen, in intergeallieerde militaire formaties, en voor de uitoefening van nationale functies met een internationaal karakter die Hij bepaalt. De graad van brigade-generaal of flottielje-admiraal staat hiërarchisch onmiddellijk onder de graad van generaal-majoor of divisieadmiraal. Voor de aanstelling bedoeld in het eerste lid van officieren en militaire experts, en in het tweede lid van brigade-generaal of flottielje-admiraal, wordt het besluit van aanstelling en het verslag aan de Koning in het Belgisch Staatsblad bekend gemaakt. Deze militair oefent de functies uit van de graad waarin hij is aangesteld en draagt er de kentekens van. De aanstelling voor de uitoefening van een post van de hogere graad vervalt op de datum waarop de minister beslist dat de opdracht ten einde is. Nochtans, komt, voor de toepassing van deze wet, alleen de graad waarin de militair benoemd is in aanmerking. De militair die in een graad aangesteld was, behoudt evenwel deze graad eershalve wanneer hij op pensioen gesteld wordt bij het verstrijken van de periode waarin hij de functies uitgeoefend heeft die zijn aanstelling noodzakelijk maakten. § 2. Een luitenant-generaal kan aangesteld worden in de graad van generaal voor de uitoefening van de volgende ambten : 1° hoofd van het Militair Huis van de Koning;2° chef defensie. Deze graad kan eveneens bij wege van aanstelling verleend worden voor de uitoefening van functies in internationale instellingen of in intergeallieerde militaire formaties. Art. 76.De Koning wijst bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de luitenant-generaal aan die het ambt van chef defensie uitoefent. De duur van dit mandaat is vier jaar. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het mandaat verlengen met periodes van één jaar. Art. 77.In zijn hoedanigheid van opperbevelhebber van de Krijgsmacht, is de Koning bekleed met de graad van generaal. Afdeling 10. - Bijzondere bepalingen voor de militaire experts en de militaire deskundigen Art. 78.§ 1. De militaire experts en de militaire deskundigen kunnen verplicht worden om, in militair of burgermilieu, en, in voorkomend geval, in het buitenland, bijkomende trainingsactiviteiten uit te oefenen vastgesteld door de autoriteit van hun expertisedomein. De bijkomende trainingsactiviteiten hebben tot doel : 1° bij deze militaire experten of militaire deskundigen de competenties op peil te houden en te ontwikkelen vereist voor het uitoefenen van hun ambt of betrekking;2° het bereiken van bepaalde kwaliteitsnormen. De deelnemingsvoorwaarden aan deze activiteiten, de aard en de vorm van de uit te oefenen prestaties worden bepaald door de autoriteit van het expertisedomein tot hetwelke de betrokken militaire expert of militaire deskundige behoort, volgens de regels bepaald door de Koning. De autoriteit van het expertisedomein oefent de controle op de bijkomende trainingsactiviteiten uit zodanig dat deze : 1° het behoud van de competenties verzekeren;2° de behoeften van de organisatie op het vlak van de beschikbaarheid van de militaire expert en van de militaire deskundige dekken. De autoriteit van het expertisedomein evalueert, volgens de regels en de criteria bepaald door de Koning, de competenties verworven in het kader van de bijkomende trainingsactiviteiten. De militaire expert of de militaire deskundige van wie de verworven competenties onvoldoende zijn, kan verplicht worden een nieuwe bijkomende trainingsactiviteit van dezelfde aard uit te oefenen. § 2. De praktische uitvoeringsmodaliteiten van de bijkomende trainingsactiviteiten worden door de autoriteit van het betrokken expertisedomein bepaald. Deze modaliteiten worden bepaald op schriftelijk voorstel van, naargelang het geval, het orgaan van bestuur en vertegenwoordiging van de instelling of vennootschap, of de betrokken militaire expert of militaire deskundige. De militaire expert of militaire deskundige die de bijkomende trainingsactiviteiten uitoefent, ontvangt een exemplaar van het document dat hij ter instemming moet ondertekenen. Deze modaliteiten worden opgesteld op basis van een type-model goedgekeurd door de minister, dat minstens bevat : 1° de duur van de activiteit;2° het uurrooster, de verlofregeling en het arbeidsregime;3° de regels betreffende de tenlasteneming van de onkosten van de vorming;4° de aard van de prestaties;5° de concrete uitvoeringsmodaliteiten van de evaluatie van de verworven competenties;6° de regels betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid van de instelling, van Defensie en van de betrokken militaire expert of militaire deskundige. Bovendien kunnen deze modaliteiten de regels bevatten betreffende de tenlasteneming, werkgeversbijdragen inbegrepen, van de wedde, de toelagen, de vergoedingen, de premies, de voordelen van alle aard, de sociale voordelen en de kinderbijslagen van deze militaire expert of militaire deskundige. HOOFDSTUK II. - De initiële militaire loopbaan Afdeling 1. -
Art. 79
.De initiële militaire loopbaan van de militair vangt aan met de initiële vorming. Deze initiële militaire loopbaan loopt af na maximum twaalf jaar, te rekenen vanaf de benoemingsdatum in de graden van respectievelijk luitenant, expert, deskundige, eerste sergeant en eerste soldaat, of loopt tot een maximumleeftijd. Voor de militairen die deelnemen aan de sociale promotie, bedoeld in artikel 114, wordt voor voornoemde benoemingsdatum de benoemingsdatum in de nieuwe personeelscategorie genomen. De maximumleeftijd bedoeld in het tweede lid wordt bepaald op zesenveertig jaar voor de officieren, onderofficieren en vrijwilligers die tot hun personeelscategorie behoren tengevolge van één of meerdere sociale promoties en op veertig jaar voor de anderen. Er is geen maximumleeftijd voor de militairen die een vlakke loopbaan doorlopen. Art. 80.Op het ogenblik dat de initiële vorming aanvangt, wordt de aspirant van rechtswege in de graad van soldaat aangesteld of, in de door de Koning bepaalde gevallen, behoudt hij de graad waarin hij was benoemd of aangesteld. Art. 81.Volgens de personeelscategorie waarvoor hij gevormd wordt en de soort werving, kan de aspirant volgens de hierna vermelde rangorde aangesteld worden in één of meerdere van de volgende graden, volgens de door de Koning bepaalde regels : 1° de aspirant-officier :
- a)korporaal;
- b)sergeant;
- c)adjudant;2° de aspirant-militaire expert : expert derde klasse;3° de aspirant-militaire deskundige : deskundige derde klasse;4° de aspirant-onderofficier :
- a)eerste soldaat;
- b)korporaal. Art. 82.§ 1. De aspirant-officier die aangeworven werd volgens de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 1, 1°, a), wordt : 1° aangesteld in de graad of graden van :
- a)onderluitenant op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij drie jaar de hoedanigheid van aspirant-officier verworven heeft;
- b)luitenant, indien de normale duur van zijn initiële vorming langer dan zes jaar is, op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij zes jaar de hoedanigheid van aspirant-officier verworven heeft;2° benoemd in de graad van luitenant op :
- a)de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij zes jaar de hoedanigheid van aspirant-officier verworven heeft, indien de normale duur van zijn initiële vorming korter dan zes jaar is;
- b)het einde van zijn initiële vorming met terugwerkende kracht tot de dag waarin hij in de graad van luitenant werd aangesteld, indien de normale duur van zijn initiële vorming langer dan zes jaar is. Zodra hij de hoedanigheid van aspirant-officier van niveau A verwerft, wordt de aspirant die aangeworven werd volgens de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 1, 1°, b), aangesteld in de graad waarmee de aspiranten van de promotie waaraan hij wordt aangehecht, zijn bekleed. De promotie waaraan de in het tweede lid bedoelde aspirant aangehecht wordt, is die van de in het eerste lid bedoelde aspiranten die een vorming hebben aangevangen die tot hetzelfde diploma leidt als dat van deze aspirant, tijdens hetzelfde academiejaar als dat waarin hij de hogere studies heeft aangevangen tijdens dewelke hij aangeworven werd, rekening houdend met de vertragingen opgelopen tijdens deze studies, vóór zijn werving. Indien de in het tweede lid bedoelde aspirant niet in de graad van onderluitenant aangesteld kan worden door toepassing van artikel 3 van de wet van 30 juli 1938Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/07/1938 pub. 24/10/2001 numac 2001000545 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende het gebruik der talen bij het leger Duitse vertaling sluiten betreffende het gebruik der talen bij het leger, wordt hij aangesteld in de graad van adjudant. Voor de latere aanstellingen en voor de benoeming in de graad van luitenant, volgt de in het tweede lid bedoelde aspirant het lot van de aspiranten van de promotie waaraan hij aangehecht wordt. § 2. De aspirant-officier die aangeworven werd volgens de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 2, 1°, wordt : 1° aangesteld in de graad of graden van :
- a)onderluitenant op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij één jaar de hoedanigheid van aspirant-officier verworven heeft;
- b)luitenant, indien de normale duur van zijn initiële vorming langer dan twee jaar is, op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij twee jaar de hoedanigheid van aspirant-officier verworven heeft;2° benoemd in de graad van luitenant op :
- a)de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij twee jaar de hoedanigheid van aspirant-officier verworven heeft met terugwerkende kracht tot op de dag waarin hij in de graad van onderluitenant werd aangesteld, indien de normale duur van zijn initiële vorming korter dan twee jaar is;
- b)het einde van zijn initiële vorming met terugwerkende kracht tot de dag waarin hij in de graad van onderluitenant werd aangesteld, indien de normale duur van zijn initiële vorming langer dan twee jaar is. § 3. De aspirant-officier die aangeworven werd volgens de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 2, 2°, wordt : 1° aangesteld in de graad van onderluitenant op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij één jaar de hoedanigheid van aspirant-officier verworven heeft;2° in de graad van onderluitenant benoemd :
- a)op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij twee jaar de hoedanigheid van aspirant-officier verworven heeft met terugwerkende kracht tot op de dag waarin hij in de graad van onderluitenant werd aangesteld, indien de normale duur van zijn initiële vorming korter dan twee jaar is;
- b)op het einde van zijn initiële vorming met terugwerkende kracht tot de dag waarin hij in de graad van onderluitenant werd aangesteld, indien de normale duur van zijn initiële vorming langer dan twee jaar is;3° benoemd in de graad van luitenant wanneer hij drie jaar anciënniteit in de graad van onderluitenant heeft. § 4. De aspirant-officier die aangeworven werd volgens de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 1, 2°, wordt : 1° aangesteld in de graad van onderluitenant op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij drie jaar de hoedanigheid van aspirant-officier verworven heeft;2° benoemd in de graad van onderluitenant op :
- a)de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij vier jaar de hoedanigheid van aspirant-officier verworven heeft met terugwerkende kracht tot op de dag waarin hij in de graad van onderluitenant werd aangesteld, indien de normale duur van zijn initiële vorming korter dan vier jaar is;
- b)het einde van zijn initiële vorming met terugwerkende kracht tot de dag waarin hij in de graad van onderluitenant werd aangesteld, indien de normale duur van zijn initiële vorming langer dan vier jaar is;3° benoemd in de graad van luitenant wanneer hij vier jaar anciënniteit in de graad van onderluitenant heeft. § 5. De aspirant-militaire expert die aangeworven werd volgens de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 1, 1°, wordt : 1° aangesteld in de graad of graden van :
- a)expert tweede klasse op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij drie jaar de hoedanigheid van aspirant-militaire expert verworven heeft;
- b)expert, indien de normale duur van zijn initiële vorming langer dan zes jaar is, op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij zes jaar de hoedanigheid van aspirant-militaire expert verworven heeft;2° benoemd in de graad van expert op :
- a)de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij zes jaar de hoedanigheid van aspirant-militaire expert verworven heeft, indien de normale duur van zijn initiële vorming korter dan zes jaar is;
- b)het einde van zijn initiële vorming met terugwerkende kracht tot op de dag waarin hij in de graad van expert werd aangesteld, indien de normale duur van zijn initiële vorming langer dan zes jaar is. Zodra hij de hoedanigheid van aspirant-militaire expert verwerft, wordt de aspirant die aangeworven werd volgens de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 1, 1°, b), aangesteld in de graad waarmee de aspiranten van de promotie waaraan hij wordt aangehecht, zijn bekleed. De promotie waaraan de in het tweede lid bedoelde aspirant aangehecht wordt, is die van de in het eerste lid bedoelde aspiranten die een vorming hebben aangevangen die tot hetzelfde diploma leidt als dat van deze aspirant, tijdens hetzelfde academiejaar als dat waarin hij de hogere studies heeft aangevangen tijdens dewelke hij aangeworven werd, rekening houdend met de vertragingen opgelopen tijdens deze studies, vóór zijn werving. Indien de in het tweede lid bedoelde aspirant niet in de graad van expert tweede klasse aangesteld kan worden door toepassing van artikel 3 van de wet van 30 juli 1938Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/07/1938 pub. 24/10/2001 numac 2001000545 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende het gebruik der talen bij het leger Duitse vertaling sluiten betreffende het gebruik der talen bij het leger, wordt hij aangesteld in de graad van expert derde klasse. Voor de latere aanstellingen en voor de benoeming in de graad van expert, volgt de in het tweede lid bedoelde aspirant het lot van de aspiranten van de promotie waaraan hij aangehecht wordt. § 6. De aspirant-militaire deskundige die aangeworven werd volgens de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 1, 3°, a), wordt : 1° aangesteld in de graad of graden van :
- a)deskundige tweede klasse op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij drie jaar de hoedanigheid van aspirant-militaire deskundige verworven heeft;
- b)deskundige, indien de normale duur van zijn initiële vorming langer dan vier jaar is, op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij vier jaar de hoedanigheid van aspirant-militaire deskundige verworven heeft;2° benoemd in de graad van deskundige op :
- a)de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij vier jaar de hoedanigheid van aspirant-militaire deskundige verworven heeft, indien de normale duur van zijn initiële vorming korter dan vier jaar is;
- b)het einde van zijn initiële vorming met terugwerkende kracht tot de dag waarin hij in de graad van deskundige werd aangesteld, indien de normale duur van zijn initiële vorming langer dan vier jaar is; Zodra hij de hoedanigheid van aspirant-militaire deskundige verwerft, wordt de aspirant die aangeworven werd volgens de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 1, 3°, b), aangesteld in de graad waarmee de aspiranten van de promotie waaraan hij wordt aangehecht, zijn bekleed. De promotie waaraan de in het tweede lid bedoelde aspirant aangehecht wordt, is die van de in het eerste lid bedoelde aspiranten die een vorming hebben aangevangen die tot hetzelfde diploma leidt als dat van deze aspirant, tijdens hetzelfde academiejaar als dat waarin hij de hogere studies heeft aangevangen tijdens dewelke hij aangeworven werd, rekening houdend met de vertragingen opgelopen tijdens deze studies, vóór zijn werving. Voor de latere aanstellingen en voor de benoeming in de graad van deskundige, volgt de in het tweede lid bedoelde aspirant het lot van de aspiranten van de promotie waaraan hij aangehecht wordt. § 7. De aspirant-militaire expert die aangeworven werd volgens de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 2, 1°, wordt : 1° aangesteld in de graad of graden van :
- a)expert tweede klasse op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij zes maanden de hoedanigheid van aspirant-militaire expert verworven heeft;
- b)expert, indien de normale duur van zijn initiële vorming langer dan één jaar is, op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij één jaar de hoedanigheid van aspirant-militaire expert verworven heeft;2° benoemd in de graad van expert :
- a)op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij één jaar de hoedanigheid van aspirant-militaire expert verworven heeft, indien de normale duur van zijn initiële vorming korter dan één jaar is;
- b)op het einde van zijn initiële vorming met terugwerkende kracht tot op de dag waarin hij in de graad van expert werd aangesteld, indien de normale duur van zijn initiële vorming langer dan één jaar is. Een bepaalde anciënniteit in de graad van expert wordt in functie van zijn relevante ervaring of bijkomende diploma's aan betrokken militair toegekend op het ogenblik van zijn benoeming in de graad van expert. De nadere regels van toekenning van deze anciënniteit, waarbij minstens het advies van de autoriteit van het expertisedomein wordt ingewonnen, worden door de Koning bepaald zonder dat deze anciënniteit de vijf jaar mag overschrijden. § 8. De aspirant-militaire deskundige die aangeworven werd volgens de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 2, 3°, wordt : 1° aangesteld in de graad of graden van :
- a)deskundige tweede klasse op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij zes maanden de hoedanigheid van aspirant-militaire deskundige verworven heeft;
- b)deskundige, indien de normale duur van zijn initiële vorming langer dan één jaar is, op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij één jaar de hoedanigheid van aspirant-militaire deskundige verworven heeft;2° benoemd in de graad van deskundige op :
- a)de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij één jaar de hoedanigheid van aspirant-militaire deskundige verworven heeft indien de normale duur van zijn initiële vorming korter dan één jaar is;
- b)het einde van zijn initiële vorming met terugwerkende kracht tot de dag waarin hij in de graad van deskundige werd aangesteld, indien de normale duur van zijn initiële vorming langer dan één jaar is. Een bepaalde anciënniteit in de graad van deskundige wordt in functie van zijn relevante ervaring of bijkomende diploma's aan betrokken militair toegekend op het ogenblik van zijn benoeming in de graad van deskundige. De nadere regels van toekenning van deze anciënniteit worden door de Koning bepaald zonder dat deze anciënniteit de vijf jaar mag overschrijden. § 9. De aspirant-onderofficier die aangeworven werd volgens de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 1, 4°, wordt : 1° aangesteld in de graad of graden van :
- a)sergeant op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij twee jaar de hoedanigheid van aspirant-onderofficier verworven heeft;
- b)eerste sergeant, indien de normale duur van zijn initiële vorming langer dan vier jaar is, op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij vier jaar de hoedanigheid van aspirant-onderofficier verworven heeft;2° benoemd in de graad van eerste sergeant op :
- a)de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij vier jaar de hoedanigheid van aspirant-onderofficier verworven heeft, indien de normale duur van zijn initiële vorming korter dan vier jaar is;
- b)het einde van zijn initiële vorming met terugwerkende kracht tot de dag waarin hij in de graad van eerste sergeant werd aangesteld indien de normale duur van zijn initiële vorming langer dan vier jaar is. § 10. De aspirant-onderofficier die aangeworven werd volgens de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 2, 4°, wordt : 1° aangesteld in de graad of graden van :
- a)sergeant op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij één jaar de hoedanigheid van aspirant-onderofficier verworven heeft;
- b)eerste sergeant, indien de normale duur van zijn initiële vorming langer dan twee jaar is, op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij twee jaar de hoedanigheid van aspirant-onderofficier verworven heeft;2° benoemd in de graad van eerste sergeant op :
- a)de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij twee jaar de hoedanigheid van aspirant-onderofficier verworven heeft, indien de normale duur van zijn initiële vorming korter dan twee jaar is;
- b)het einde van zijn initiële vorming met terugwerkende kracht tot de dag waarin hij in de graad van eerste sergeant werd aangesteld, indien de normale duur van zijn initiële vorming langer dan twee jaar is. § 11. De aspirant-vrijwilliger die aangeworven werd volgens de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 2, 5°, wordt : 1° in de graad van eerste soldaat aangesteld op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij één jaar de hoedanigheid van aspirant-vrijwilliger verworven heeft, indien de normale duur van zijn initiële vorming langer dan één jaar is;2° benoemd in de graad van eerste soldaat op :
- a)de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij één jaar de hoedanigheid van aspirant-vrijwilliger verworven heeft, indien de normale duur van zijn initiële vorming korter dan één jaar is;
- b)het einde van zijn initiële vorming met terugwerkende kracht tot de dag waarin hij in de graad van eerste soldaat werd aangesteld, indien de normale duur van zijn initiële vorming langer dan één jaar is. § 12. De aspirant-militaire expert die aangeworven werd volgens de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 3, wordt : 1° aangesteld in de graad of graden van :
- a)expert op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij zes maanden de hoedanigheid van aspirant-militaire expert verworven heeft;
- b)hoofdexpert, indien de normale duur van zijn initiële vorming langer dan één jaar is, op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij één jaar de hoedanigheid van aspirant-militaire expert verworven heeft;2° benoemd in de graad van hoofdexpert :
- a)op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij één jaar de hoedanigheid van aspirant-militaire expert verworven heeft, indien de normale duur van zijn initiële vorming korter dan één jaar is;
- b)op het einde van zijn initiële vorming met terugwerkende kracht tot de dag waarin hij in de graad van hoofdexpert werd aangesteld, indien de normale duur van zijn initiële vorming langer dan één jaar is. § 13. De aspirant-militaire deskundige die aangeworven werd volgens de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 3, wordt : 1° aangesteld in de graad of graden van :
- a)deskundige op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij zes maanden de hoedanigheid van aspirant-militaire deskundige verworven heeft;
- b)hoofddeskundige, indien de normale duur van zijn initiële vorming langer dan één jaar is, op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij één jaar de hoedanigheid van aspirant-militaire deskundige verworven heeft;2° benoemd in de graad van hoofddeskundige :
- a)op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij één jaar de hoedanigheid van aspirant-militaire deskundige verworven heeft, indien de normale duur van zijn initiële vorming korter dan één jaar is;
- b)op het einde van zijn initiële vorming met terugwerkende kracht tot de dag waarin hij in de graad van hoofddeskundige werd aangesteld, indien de normale duur van zijn initiële vorming langer dan één jaar is. Art. 83.De benoemingen of aanstellingen bedoeld in de artikelen 81 en 82 kunnen evenwel op een later tijdstip plaatsvinden volgens de bepalingen van artikel 109. Art. 84.§ 1. De graden van kapitein, eerste sergeant-chef en korporaal worden naar anciënniteit verleend respectievelijk door de Koning aan de officieren, de minister aan de onderofficieren en de chef defensie aan de vrijwilligers, na vijf jaar anciënniteit in de vorige graad. De luitenant, eerste sergeant of eerste soldaat van wie de wijze van dienen onbevredigend geacht wordt, kan nochtans bij de bevordering voorbijgegaan worden. De wijze van dienen van de betrokken militairen wordt beoordeeld door hun hiërarchische meerderen volgens de door de Koning vastgelegde regels en in de vorm die Hij voorschrijft. Die adviezen worden ter kennis gebracht van de betrokkene. Er mag geen ongunstig advies worden uitgebracht zonder dat betrokken militair zijn verweer heeft kunnen laten gelden. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met : 1° de postbeoordelingen bedoeld in artikel 66;2° in voorkomend geval, de potentieelinschattingen bedoeld in artikel 67;3° de beoordeling betreffende de geschiktheden bedoeld in artikel 68. § 2. De kandidatuur van de luitenant, de eerste sergeant of eerste soldaat die bij de bevordering is voorbijgegaan, wordt een tweede maal onderzocht één jaar na de datum van het eerste onderzoek of, mits akkoord van de betrokken militair, in de loop van het jaar van werkelijke dienst volgend op de datum van het eerste onderzoek en een derde en laatste maal twee jaar na de datum van het eerste onderzoek of, mits akkoord van de betrokken militair, in de loop van het tweede jaar van werkelijke dienst volgend op de datum van het eerste onderzoek ervan. De militair die na dit laatste onderzoek niet is bevorderd, komt niet langer voor bevordering in aanmerking. Art. 85.De totale periode van tijdelijke ambtsontheffing, met uitzondering van deze om gezondheidsredenen, en zonder rekening te houden met de tijdens de initiële vorming verkregen uitstellen wegens persoonlijke aangelegenheden, mag tijdens de initiële militaire loopbaan de duur van twee jaar niet overschrijden. In geval van overschrijding verliest de militair van ambtswege de hoedanigheid van militair. Art. 86.Elke periode in de stand « in non-activiteit » bedoeld in artikel 189 en de periode bedoeld in artikel 53, tweede lid, is opschortend voor de berekening van de duur van de initiële militaire loopbaan en voor de anciënniteit van betrokken militair. De maximumleeftijd bedoeld in artikel 79 mag evenwel maximaal overschreden worden met de duur van deze opschortingen. Art. 87.De Koning kan jaarlijks, volgens de behoefte van Defensie, plaatsen openstellen voor een vrijwillige interne of externe overgang. Afdeling 2. - De initiële vorming Onderafdeling 1. -
Art. 88
.De initiële vorming bestaat, naargelang het geval, uit twee of drie opeenvolgende vormingsperiodes : 1° een periode van schoolvorming, een periode van opleiding en een stageperiode voor de aspirant die aangeworven werd volgens de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 1, 1°, 3° of 4°;2° een periode van opleiding en een stageperiode voor de andere aspirant dan deze bedoeld in 1°. Een vormingsperiode kan in vormingsgedeelten onderverdeeld worden. De aspirant kan een vormingsperiode slechts aanvangen indien hij voor de vorige vormingsperiode geslaagd is. Evenwel : 1° neemt de aspirant die, tengevolge van een mislukking voor een bepaalde vormingsperiode, de beslissing van de deliberatiecommissie bedoeld in artikel 101 of van de beroepsinstantie bedoeld in artikel 178, § 1, tweede lid, afwacht, voorlopig deel aan de volgende vormingsperiode;2° kan de periode van schoolvorming onderbroken worden door vormingsgedeelten van de periode van opleiding. Tijdens de periodes van schoolvorming en van opleiding, indien dit wegens de organisatie van de verschillende vormingsgedeelten noodzakelijk is, kan de aspirant in een afwachtingsperiode geplaatst worden alvorens het volgende vormingsgedeelte aan te vatten. Tijdens de afwachtingsperiode oefent de aspirant een functie uit waarvoor hij een vorming heeft gekregen. Art. 89.De aspirant kan ertoe verplicht worden het geheel of een gedeelte van zijn initiële vorming te ontvangen in een buitenlandse of multinationale militaire instelling, of in een burgerlijke instelling in België of in het buitenland. De Koning wijst de overheid aan die zich uitspreekt over de gelijkwaardigheid van deze vormingen en die bepaalt hoe deze aspiranten beoordeeld worden. Er wordt voor dit vormingsgedeelte rekening gehouden met het regime van die instelling wat betreft het verlenen van een vrijstelling of een uitstel, de beoordeling van de academische geschiktheid en van de professionele leergeschiktheid, de organisatie en de werking van de deliberatiecommissie en wat betreft de door deze commissie te nemen maatregelen. De beoordeling van de karakteriële, de fysieke en de medische geschiktheid kan tot bepaalde vormingsgedeelten beperkt worden. Art. 90.De stageperiode wordt doorgebracht in de eenheid van eerste affectatie van de militair en duurt minimum drie maanden. Tijdens deze periode oefent de aspirant een functie uit waarvoor hij een vorming heeft gekregen. Art. 91.Naargelang van de behoeften van de Krijgsmacht bepaalt de Koning per personeelscategorie, per soort werving, en, naargelang het geval, per beoogd diploma, per groep van vakrichtingen, vakrichting of expertisedomein, of per basisfunctie : 1° de structuur van de initiële vorming;2° de normale duur van de vormingsperiodes;3° de aard van de cursussen en van de tests. Art. 92.Onder de voorwaarden en volgens de procedure die de Koning bepaalt, kan de aspirant door de door de Koning aangewezen overheid vrijgesteld worden van vormingsgedeelten, indien hij voordien met goed gevolg deze vormingsgedeelten of gelijkwaardige vormingsgedeelten heeft gevolgd. Art. 93.De aspiranten worden gerangschikt, in voorkomend geval : 1° voor de oriëntering naar een vakrichting, een expertisedomein of een functie;2° voor de aanwijzing van een eenheid;3° voor de vastlegging van de betrekkelijke anciënniteit in de graad, op het einde van de initiële vorming. De rangschikking van de aspiranten wordt opgesteld op grond van de uitslagen van de beoordelingen bedoeld in artikel 96, met uitzondering van de beoordeling van de medische geschiktheid, die behaald werden tijdens de reeds gevolgde vormingsgedeelten op het moment van de rangschikking. Voor de aspiranten van de werving op diploma of van de laterale werving, worden de uitslagen van de selectieproeven evenwel eveneens in aanmerking genomen voor de rangschikking bedoeld in het eerste lid, 1°. De Koning bepaalt, in functie van de vakrichting, het expertisedomein of de functie, die de aspirant beoogt : 1° de momenten waarop de rangschikkingen bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, opgesteld worden;2° de waardecoëfficiënten van de uitslagen;3° de uitvoeringsregels in geval van vrijstelling van vormingsgedeelten, van verlenging van de vorming of als een test opnieuw afgelegd moet worden. Art. 94.§
- Het stelsel van omstandigheidsverloven van de militairen is van toepassing op de aspiranten. Tijdens de periodes van schoolvorming en van opleiding geniet de aspirant de verloven ingeschreven op het vormingsprogramma. Tijdens de stage- of afwachtingsperiode, onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 95, volgt de aspirant het verlof- en vergunningsstelsel van de personeelscategorie waarvoor hij gevormd wordt en van het organisme waar hij tewerkgesteld is. §
- Tijdens de periodes van schoolvorming en van opleiding kunnen bijkomende maatregelen van pedagogische bijstand worden opgelegd buiten de normale studie-uren ingeschreven op het vormingsprogramma als de uitslagen van de aspirant dit vereisen. Art. 95.Zijn niet van toepassing op de aspirant de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake : 1° de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek;2° de interne en externe overgang;3° het politiek verlof. Zijn niet van toepassing op de aspirant, onder voorbehoud van de toekenning van een uitstel wegens persoonlijke aangelegenheden, de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake : 1° de ouderschapsbescherming;2° het verlof voor verzorging van een zwaar zieke verwant;3° het palliatief verlof;4° de tijdelijke ambtsontheffingen op aanvraag van de militair. Onderafdeling
- - De beoordeling Art. 96.§
- Op het einde van en, in voorkomend geval, tijdens de periode van schoolvorming wordt de aspirant beoordeeld betreffende : 1° zijn academische geschiktheid;2° zijn karakteriële geschiktheid;3° de fysieke geschiktheid en de medische geschiktheid bedoeld in artikel
- Op het einde van elk academiejaar worden een globale beoordeling van de academische geschiktheid en een globale beoordeling van de karakteriële geschiktheid opgemaakt voor het geheel van het academiejaar. §
- Op het einde en, in voorkomend geval, tijdens de periode van opleiding wordt de aspirant beoordeeld betreffende : 1° zijn professionele leergeschiktheid;2° zijn karakteriële geschiktheid;3° de fysieke geschiktheid en de medische geschiktheid bedoeld in artikel
- Op het einde van de periode worden een globale beoordeling van de professionele leergeschiktheid en een globale beoordeling van de karakteriële geschiktheid opgemaakt voor het geheel van de periode. §
- Op het einde en, in voorkomend geval, tijdens de stageperiode wordt de aspirant beoordeeld betreffende : 1° de uitoefening van de taken verbonden aan de post die hij bezet, door middel van de postbeoordeling bedoeld in artikel 66, §1, tweede lid, 1° en 3°;2° de fysieke geschiktheid en de medische geschiktheid bedoeld in artikel
- §
- Tijdens het eerste vormingsjaar kunnen de fysieke proeven bedoeld in artikel 68 ten vroegste de eerste dag van de zesde maand volgend op de maand van de inlijving afgelegd worden. De aspirant beschikt over twee pogingen om te slagen in de fysieke proeven. Tussen elke poging moet een termijn van minimum acht weken zijn. §
- De Koning bepaalt : 1° de beoordelingsoverheden;2° de nadere regels voor de beoordeling;3° in voorkomend geval, in functie van de specifieke vorming van de aspirant, bijkomende beoordelingsmomenten;4° de voorwaarden die moeten worden vervuld om te slagen. §
- Indien de beoordelingsmomenten samenvallen, wordt één enkele beoordeling gemaakt. Art. 97.De beoordeling van de academische geschiktheid en van de professionele leergeschiktheid berust op de uitslagen behaald op tests. Art. 98.De beoordeling van de karakteriële geschiktheid is de beoordeling van de houding van de aspirant als militair volgens bepaalde criteria op basis van gedragsindicatoren. De lijst van de criteria en de lijst van de overeenkomstige gedragsindicatoren worden bepaald door de Koning. De weging en het al dan niet uitsluitend karakter van de criteria, de waardeschaal van de gedragsindicatoren en de minimumcijfers om te slagen, worden door de Koning bepaald in functie van de personeelscategorie waarvoor de aspirant wordt gevormd en, in voorkomend geval, van zijn groep van vakrichtingen, zijn vakrichting, zijn expertisedomein of zijn specifieke vorming, en van het moment van de beoordeling. Art. 99.Om in zijn initiële vorming te slagen, moet de aspirant die aangeworven werd volgens de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 1, 1°, 3° of 4° : 1° op de beoordelingsmomenten bedoeld in artikel 96, voldoen aan de fysieke geschiktheidscriteria en aan de medische geschiktheidscriteria bedoeld in artikel 68;2° tijdens elk academiejaar, ten minste de minimumcijfers om te slagen behalen bij de beoordelingen van de academische geschiktheid en karakteriële geschiktheid en, in voorkomend geval, van de professionele leergeschiktheid op de beoordelingsmomenten bedoeld in artikel 96;3° tijdens een periode van opleiding volgend op de periode van schoolvorming ten minste de minimumcijfers om te slagen behalen bij de beoordelingen van de karakteriële geschiktheid en van de professionele leergeschiktheid op de beoordelingsmomenten bedoeld in artikel 96, §§ 2 en 5;4° tijdens de stageperiode, voldoen aan de postbeoordelingen bedoeld in artikel 66 op de beoordelingsmomenten bedoeld in artikel 96, §§ 3 en
- Art. 100.Om in zijn initiële vorming te slagen, moet de andere aspirant dan deze bedoeld in artikel 99 : 1° op de beoordelingsmomenten bedoeld in artikel 96, voldoen aan de fysieke geschiktheidscriteria en aan de medische geschiktheidscriteria bedoeld in artikel 68;2° tijdens de periode van opleiding, ten minste de minimumcijfers om te slagen behalen bij de beoordelingen van de karakteriële geschiktheid en van de professionele leergeschiktheid op de beoordelingsmomenten bedoeld in artikel 96, §§ 2 en 5.3° tijdens de stageperiode, voldoen aan de postbeoordelingen bedoeld in artikel 66 op de beoordelingsmomenten bedoeld in artikel 96, §§ 3 en
- Art. 101.Een deliberatiecommissie, waarvan de samenstelling en de werking door de Koning bepaald worden, doet uitspraak over de aspirant die : 1° aan de criteria om te slagen niet heeft voldaan voor : a) een beoordeling van de academische geschiktheid bedoeld in artikel 99;b) een beoordeling van de professionele leergeschiktheid bedoeld in de artikelen 99 en 100;c) een beoordeling van de karakteriële geschiktheid bedoeld in de artikelen 99 en 100;d) een beoordeling van de fysieke geschiktheid bedoeld in de artikelen 99 en 100;e) een beoordeling van de medische geschiktheid bedoeld in de artikelen 99 en 100;2° de vermelding « onvoldoende » gekregen heeft voor een statutaire postbeoordeling. Deze commissie beslist of de aspirant al dan niet geslaagd is. Indien de aspirant niet geslaagd bevonden wordt, beslist de commissie, naargelang het geval en volgens de nadere regels en voorwaarden bepaald door de Koning, onder voorbehoud van de termijnen bedoeld in artikel 104, dat de aspirant : 1° één of meerdere tests, of één of meerdere fysieke proeven opnieuw mag afleggen;2° een verlenging van zijn specifieke vorming krijgt;3° definitief mislukt is. De commissie geeft een advies met betrekking tot de mogelijke heroriëntering of reclassering van een definitief mislukte aspirant aan de door de Koning aangewezen overheid om te beslissen. Onderafdeling
- - Bijzondere maatregelen Art. 102.De aspirant kan van de door de Koning aangewezen overheid een uitstel verkrijgen onder de voorwaarden en volgens de procedure die de Koning bepaalt, voor zover hierdoor de maximumduur van de verlenging van de vorming bedoeld in artikel 103 niet wordt overschreden, indien hij in de onmogelijkheid verkeert of verkeerde om zich voor te bereiden op of deel te nemen aan bepaalde tests, of om bepaalde vormingsgedeelten te volgen of te volbrengen tengevolge van : 1° een voorlopige hechtenis;2° een tijdelijke ambtsontheffing bedoeld in artikel 45, eerste lid, 2°;3° gezondheidsredenen;4° een zwangerschap;5° als ernstig en uitzonderlijk beschouwde omstandigheden;6° persoonlijke aangelegenheden. Een uitstel wegens persoonlijke aangelegenheden wordt beschouwd als een tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden. Art. 103.De initiële vorming kan maximum verlengd worden met : 1° twee jaar tijdens de periode van schoolvorming van de aspirant-officier en van de aspirant-militaire expert;2° één jaar tijdens de periode van schoolvorming van de aspirant-onderofficier en van de aspirant-militaire deskundige;3° één jaar tijdens de periode van opleiding en de stageperiode samen. De onderbreking van de periode van schoolvorming door vormingsgedeelten van de periode van opleiding leidt niet tot een vergroting van de in het eerste lid, 1° en 2° bedoelde verlengingen. Voor de aspirant die de vorming van piloot volgt, wordt de verlenging van de vorming te wijten aan slechte weersomstandigheden niet in aanmerking genomen voor de berekening van de maximum verlengingen bedoeld in het eerste lid. In afwijking van de bepalingen van het eerste lid kan, ten gevolge van een afwezigheid om gezondheidsredenen of wegens omstandigheden door de minister als ernstig of uitzonderlijk beoordeeld, een bijkomende verlenging van de vorming van maximum één jaar toegekend worden volgens de door de Koning bepaalde regels. Art. 104.Tijdens de periode van schoolvorming bedraagt een door de deliberatiecommissie besliste verlenging maximum één jaar, voor zover hierdoor de maximumduur van de verlenging van de vorming bedoeld in artikel 103 niet wordt overschreden. Tijdens de periode die de periode van opleiding en de stageperiode omvat, bedraagt een door de deliberatiecommissie besliste verlenging maximum één jaar, voor zover hierdoor de maximumduur van de verlenging van de vorming bedoeld in artikel 103 niet wordt overschreden. Art. 105.§
- De heroriëntering is mogelijk volgens de door de Koning bepaalde nadere regels en criteria in functie van de behoeften van de Krijgsmacht, en op voorwaarde dat de aspirant aan de fysieke geschiktheidscriteria en aan de medische geschiktheidscriteria van de beoogde vakrichting voldoet, naar : 1° een door de aspirant gevraagde specifieke vorming, mits goedkeuring van de door de Koning aangewezen overheid;2° een van ambtswege door de door de Koning aangewezen overheid besliste specifieke