← België

Wet tot vaststelling van het statuut van de militairen van het actief kader van de Krijgsmacht

Kort samengevat

Deze wet regelt het statuut van militairen die actief zijn binnen de Krijgsmacht, door algemene bepalingen en specifieke regels voor werving vast te stellen.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
28 FEBRUARI 2007. - Wet tot vaststelling van het statuut van de militairen van het actief kader van de Krijgsmacht (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL I. - Algemene bepalingen Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. Art. 2.Deze wet bepaalt het statuut van de militairen van het actief kader van de Krijgsmacht. Behoudens andersluidende bepaling, zijn de bepalingen van deze wet niet van toepassing op de leden van de koninklijke familie. Art. 3.Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder : 1° « de militair » : de militair van het actief kader;2° « Defensie » : het ministerie van Landsverdediging;3° « de minister » : de minister van Landsverdediging;4° « de vacature » : een in een bepaald taalstelsel opengestelde plaats bij de Krijgsmacht, waarvoor een persoon kan worden aangeworven als militair, naargelang het geval in een basisfunctie, een vakrichting, een expertisedomein of een groep van vakrichtingen;5° « de inschrijving » : de handeling waarbij een persoon, burger of militair, zich inschrijft voor een wervingssessie;6° « de sollicitant » : de persoon, tussen het ogenblik waarop hij zich inschrijft voor een wervingssessie en het ogenblik waarop hij zijn initiële militaire loopbaan aanvangt, of in voorkomend geval, waarop er een einde wordt gesteld aan het wervingsproces voor deze inschrijving;7° « de werving » : het bepalen van de vacatures en de verrichtingen inzake de inschrijving en de selectie van de sollicitanten;8° « de wervingssessie » : een wel afgebakend geheel van vacatures gekenmerkt door een zelfde personeelscategorie, hoedanigheid, taalstelsel en soort werving;9° « de vormingsniveaus » : de niveaus van competentie van hoog naar laag geklasseerd A, B, C en D, bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel;10° « de werving vóór diploma » : de werving van militairen die aanvaard worden om een vorming te volgen met het oog op het behalen, binnen of buiten Defensie, van een diploma dat overeenstemt met het vormingsniveau vereist voor hun personeelscategorie;11° « de werving op diploma » : de werving van militairen die reeds houder zijn van een diploma dat overeenstemt met het vormingsniveau vereist voor hun personeelscategorie;12° « de laterale werving » : de werving, na het oriëntatiepunt, van bepaalde militairen die een vlakke loopbaan beogen;13° « de aspirant » : de militair in initiële vorming;14° « de bachelor » : de academische graad die de studies afsluit in een opleiding van eerste cyclus, van ten minste 180 studiepunten, of een gelijkwaardig diploma of getuigschrift;15° « de professionele bachelor » : de academische graad die de studies afsluit in een professioneel gerichte opleiding van eerste cyclus, van ten minste 180 studiepunten, of een diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan, verleend in de Vlaamse, Franse of Duitstalige Gemeenschap of een gelijkwaardig diploma of getuigschrift;16° « de master » : de academische graad die de studies afsluit in een opleiding van tweede cyclus, van ten minste 60 studiepunten, of een diploma van het universitair onderwijs of van het hoger onderwijs van het lange type, verleend in de Vlaamse, Franse of Duitstalige Gemeenschap, of een gelijkwaardig diploma of getuigschrift;17° « de bijkomende master » : de academische graad die de studies afsluit in een opleiding van tweede cyclus, van ten minste 60 studiepunten, gedaan na een initiële academische vorming van ten minste 300 studiepunten en afgesloten met de graad van master, of een gelijkwaardig diploma of getuigschrift;18° « het gelijkwaardig diploma of getuigschrift » : het diploma of getuigschrift dat door of krachtens een wet, decreet, Europese richtlijn, bilateraal akkoord of internationale overeenkomst als minstens gelijkwaardig wordt erkend;19° « de initiële vorming » : de volledige vorming die een aspirant moet volgen in functie van zijn hoedanigheid van aspirant;20° « de stageperiode » : de periode van hoofdzakelijk praktische vorming in de eenheid tijdens dewelke de aspirant de taken, die hem als officier, militaire expert, militaire deskundige, onderofficier of vrijwilliger zouden worden toegewezen, onder toezicht uitoefent;21° « de functie » : het geheel van taken en verantwoordelijkheden die een militair dient uit te voeren en op te nemen om de toegewezen opdrachten binnen een juiste plaats in de organisatie uit te voeren; - de functie behoort, naar gelang het geval, tot een expertisedomein, bedoeld in 28°, een vakrichting, bedoeld in 29°, een competentiepool, bedoeld in 30°, en, of, naargelang het geval, tot één vakrichting van toepassing in het federaal openbaar ambt; - de functie is verbonden aan een militaire graad en, of, naargelang het geval, aan een klasse of graad van het federaal openbaar ambt; 22° « de basisfunctie » : de functie die door een militair na het volgen van een initiële vorming kan uitgeoefend worden in een bepaalde vakrichting of expertisedomein, ofwel de functie die door een militair na het volgen van een voortgezette vorming ter inschrijving in een competentiepool kan uitgeoefend worden in een bepaalde competentiepool;23° « de nevenfunctie » : een functie uitgeoefend door een militair bijkomend aan de functie die hij reeds uitoefent;24° « de post » : een aan een organisatiestructuur toegewezen functie of nevenfunctie;25° « de vlakke loopbaan » : de loopbaan van een militair die een of meerdere welbepaalde specifieke functies uitoefent, waarvoor specifieke vaardigheden vereist zijn die enkel bekomen kunnen worden door het behalen van een welbepaald diploma;26° « de militaire expert » : de militair die een vlakke loopbaan doorloopt en in het bezit is van de voor het uitoefenen van zijn functies noodzakelijke master;27° « de militaire deskundige » : de militair die een vlakke loopbaan doorloopt en in het bezit is van de voor het uitoefenen van zijn functies noodzakelijke professionele bachelor;28° « het expertisedomein » : een groepering van functies met hoofdzakelijk gemeenschappelijke professionele competenties in een bepaalde expertise, voorbehouden voor militairen die een vlakke loopbaan doorlopen;29° « de vakrichting » : een groepering van functies met hoofdzakelijk gemeenschappelijke professionele competenties in het militair, operationeel of technisch domein, voorbehouden voor militairen die geen vlakke loopbaan doorlopen;30° « de competentiepool » : een groepering van functies met hoofdzakelijk gemeenschappelijke professionele competenties in het beheersdomein, voorbehouden voor militairen die geen vlakke loopbaan doorlopen;31° « de autoriteit van het expertisedomein » : de militair behorende tot het bedoelde expertisedomein, ten minste bekleed met de graad van hoofdexpert, of de hoofd- of opperofficier, stammende uit het bedoelde expertisedomein, aangewezen door de Koning voor het uitoefenen van de bevoegdheden die hem door deze wet worden toegekend;32° « de officier van niveau A » : de officier die een master bezit of die, na in de hoedanigheid van officier van niveau B gediend te hebben de hoedanigheid van officier van niveau A verwerft;33° « de officier van niveau B » : de officier die een bachelor of een door een instelling van universitair of gelijkwaardig niveau uitgereikte kandidaatsdiploma bezit, maar geen master, of die in de Krijgsmacht een opleiding heeft gekregen met een vergelijkbare duur als deze van een bachelor, of die van de personeelscategorie van de onderofficieren overgegaan is naar die van de officieren;34° « de aspirant-officier » : de aspirant die een loopbaan van officier beoogt, hetzij in de hoedanigheid van officier van niveau A, hetzij in de hoedanigheid van officier van niveau B;35° « de aspirant-militaire expert » : de aspirant die een loopbaan van militaire expert beoogt;36° « de aspirant-militaire deskundige » : de aspirant die een loopbaan van militaire deskundige beoogt;37° « de aspirant-onderofficier » : de aspirant die een loopbaan van onderofficier beoogt;38° « de aspirant-vrijwilliger » : de aspirant die een loopbaan van vrijwilliger beoogt;39° « de specifieke vorming » : de vorming gevolgd door de aspirant, in functie van zijn personeelscategorie, zijn hoedanigheid, zijn soort werving, zijn vakrichting of zijn expertisedomein, in voorkomend geval, het diploma dat hij beoogt en zijn basisfunctie;40° « de test » : een proef, mondeling of schriftelijk, individueel of collectief, die erin bestaat een taak te vervullen, met een bepaalde evaluatietechniek;41° « het examen » : de test van academische aard;42° « de heroriëntering » : de oriëntering van de aspirant naar een andere specifieke vorming in dezelfde personeelscategorie en hetzelfde vormingsniveau, in dezelfde vakrichting of in een andere vakrichting;43° « de reclassering » : de oriëntering van de aspirant naar een nieuwe initiële vorming, in een lager vormingsniveau of in een lagere personeelscategorie;44° « het uitstel » : de maatregel waarbij de aspirant de toestemming bekomt om bepaalde tests later af te leggen, of bepaalde vormingsgedeelten later te volgen;45° « de verlenging van de vorming » : de verlenging van de normale duur van de initiële vorming ten gevolge van een heroriëntering, van een uitstel of van een beslissing van de deliberatiecommissie of van de beroepsinstantie bedoeld in artikel 178, § 1, tweede lid;46° « de rendementsperiode » : elke periode van werkelijke dienst gedurende dewelke een militair gehouden is te dienen tijdens de initiële militaire loopbaan of de voortgezette militaire loopbaan;47° « de gradengroep » : de samenvoeging binnen een personeelsondercategorie van twee of meer graden met het oog op de verdere verdeling van de getalsterkte;48° « de karakteriële geschiktheid » : het vermogen van de aspirant, in functie van de kenmerken van zijn persoonlijkheid, tot aanpassing aan het militair milieu en aan het uitoefenen van de functie waarvoor hij gevormd wordt;49° « de fysieke geschiktheidscriteria » : de fysieke vereisten waaraan een militair moet voldoen om zijn functie te kunnen uitoefenen;50° « de medische geschiktheidscriteria » : de medische vereisten waaraan een militair moet voldoen om zijn functie te kunnen uitoefenen;51° « de operationele categorie » : de codificatie van de geschiktheid van de militair voor de uitoefening van zijn functie, of, in voorkomend geval, zijn nevenfunctie;52° « de interne overgang » : de overplaatsing van een militair naar het statuut van Rijksambtenaar binnen Defensie;53° « de externe overgang » : de overgang van een militair, hetzij naar een openbare dienst met uitzondering van Defensie, maar niet van de uitstellingen die ervan afhangen, hetzij naar de privé-sector, in voorkomend geval, na het volgen van een beroepsomschakelingsprogramma;54° « de professionele heroriëntering » : de aanwerving van een militair door een partnerwerkgever van de privé-sector in het kader van de externe overgang;55° « het oriëntatieproces » : het proces tijdens dewelke beslist wordt of de betrokken militair hetzij de hoedanigheid van militair behoudt, hetzij de interne of externe overgang maakt;56° « het oriëntatiepunt » : het ogenblik dat het oriëntatieproces afsluit;57° « de initiële militaire loopbaan » : de loopbaan van een militair vanaf het ogenblik waarop hij de hoedanigheid van militair verwerft tot aan het oriëntatiepunt;58° « de transferperiode » : de periode tussen het oriëntatiepunt en hetzij het verlies van de hoedanigheid van militair in geval van een interne of externe overgang, hetzij de aanvang van de voortgezette militaire loopbaan;59° « het transferpunt » : het ogenblik dat de transferperiode afsluit;60° « de voortgezette militaire loopbaan » : de loopbaan van een militair vanaf het transferpunt tot het ogenblik waarop hij Defensie verlaat;61° « de werkdag » : de dag die noch een zaterdag, noch een zondag, noch een feestdag is. TITEL II. - De werving Art. 4.De verschillende soorten wervingen zijn : 1° de werving vóór diploma;2° de werving op diploma;3° de laterale werving. Art. 5.§ 1. De werving vóór diploma is de werving van : 1° militairen die een loopbaan van officier van niveau A of van militaire expert beogen en die aanvaard worden : a) in het eerste jaar van de vorming in de Koninklijke Militaire School, in een industriële hogeschool of in de hogere zeevaartschool, of van de vorming van arts, dierenarts, tandarts of apotheker of van de door de Koning bepaalde vormingen in elke andere instelling van universitair niveau of van gelijkwaardig niveau;b) in de loop van een vorming in een industriële hogeschool of in de hogere zeevaartschool, of van de vorming van arts, dierenarts, tandarts of apotheker of van de door de Koning bepaalde vormingen in elke andere instelling van universitair niveau of van gelijkwaardig niveau;2° militairen die een loopbaan van officier van niveau B beogen en die aanvaard worden om een vorming te volgen waarvan de duur vergelijkbaar is met de minimumduur om een bachelor te verwerven;3° militairen die een loopbaan van militaire deskundige beogen en die aanvaard worden : a) in het eerste jaar van een vorming in een instelling van het hoger onderwijs met het oog op het behalen van een professionele bachelor;b) in de loop van een vorming in een instelling van het hoger onderwijs met het oog op het behalen van een professionele bachelor;4° militairen die een loopbaan van onderofficier beogen en die aanvaard worden in de School voor Onderofficieren met het oog op het behalen van het diploma van het secundair onderwijs. § 2. De werving op diploma is de werving van : 1° militairen die een loopbaan van officier van niveau A of van militaire expert beogen en die houder zijn van een master;2° militairen die een loopbaan van officier van niveau B beogen en die houder zijn van een bachelor of van een door een instelling van universitair of gelijkwaardig niveau uitgereikte kandidaatsdiploma;3° militairen die een loopbaan van militaire deskundige beogen en die houder zijn van een professionele bachelor;4° militairen die een loopbaan van onderofficier beogen en die houder zijn van het diploma van secundair onderwijs of van een gelijkwaardig diploma of getuigschrift;5° militairen die een loopbaan van vrijwilliger beogen en die houder zijn van een getuigschrift waaruit blijkt dat zij het basisonderwijs beëindigd hebben of van een gelijkwaardig diploma of getuigschrift. § 3. Met de laterale werving wordt de werving bedoeld van militaire hoofdexperts, zoals bedoeld in artikel 29, § 1, tweede lid, 2°, en van militaire hoofddeskundigen, zoals bedoeld in artikel 30, § 1, tweede lid, 2°. Deze werving dient enkel voor de invulling van welbepaalde vacatures van militaire hoofdexpert of van militaire hoofddeskundige die niet ingevuld kunnen worden door personeelsleden van Defensie. De vacatures worden bekendgemaakt volgens de regels bepaald in artikel 6, § 2. De sollicitanten voor de laterale werving van militaire hoofdexperts moeten, naargelang het geval : 1° houder zijn van een master en een specifieke beroepservaring bezitten;2° houder zijn van een bijkomende master en, in voorkomend geval, een specifieke beroepservaring bezitten; De sollicitanten voor de laterale werving van militaire hoofddeskundigen moeten houder zijn van een professionele bachelor en een specifieke beroepservaring bezitten. De specifieke beroepservaring bedoeld in het derde en vierde lid moet buiten Defensie verworven zijn en door de autoriteit van het betrokken expertisedomein beoordeeld worden als beantwoordend aan de eisen van de vacature. De Koning bepaalt de duur ervan per expertisedomein. Art. 6.§ 1. De minister bepaalt per wervingssessie het aantal vacatures. Daarbij specificeert hij de bijzonderheden van de vacatures die een gevolg hebben op de selectie van de sollicitant. De minister of de overheid die hij hiertoe aanwijst bepaalt, binnen de grenzen van de opengestelde plaatsen, de overdracht van niet bezette plaatsen binnen eenzelfde wervingssessie of tussen twee wervingssessies. De minister of de overheid die hij hiertoe aanwijst bepaalt, per wervingssessie, de prioriteit die zal worden toegepast bij de toewijzing van de vacatures aan de sollicitanten wanneer eenzelfde sollicitant aan de toelatingsvoorwaarden voldoet voor verschillende wervingssessies. § 2. De Koning bepaalt : 1° de regels betreffende de bekendmaking van de wervingssessies en de bijhorende vacatures;2° de nadere regels inzake de inschrijving. Art. 7.De sollicitant moet, op de dag waarop hij de hoedanigheid van militair verwerft, voldaan hebben aan de leerplicht zoals bepaald in de wet van 29 juni 1983Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/05/2000 pub. 29/06/2000 numac 2000007154 bron ministerie van landsverdediging Wet tot instelling van de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek en de regeling van de halftijdse vervroegde uitstap voor sommige militairen en tot wijziging van het statuut van de militairen met het oog op de instelling van de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking sluiten9 betreffende de leerplicht. De sollicitant mag, op 31 december van het jaar waarin hij aangeworven wordt, de maximumleeftijd die de Koning, bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, per personeelscategorie en soort werving bepaalt, niet bereikt hebben, zonder dat die maximumleeftijd lager mag zijn dan tweeëntwintig jaar en hoger mag zijn dan achtentwintig jaar voor diegenen die geen vlakke loopbaan beogen en tweeëndertig jaar voor diegenen die een vlakke loopbaan beogen. Het eerste en tweede lid zijn evenwel niet van toepassing op de sollicitant bedoeld in artikel 5, § 1, 4°, die de leeftijd van zestien jaar bereikt moet hebben op 31 december van het jaar waarin hij aangeworven is en de leeftijd van twintig jaar op deze datum niet bereikt mag hebben. De maximum wervingsleeftijd van tweeëndertig jaar bedoeld in het tweede lid is niet van toepassing op de sollicitant van de laterale werving. Art. 8.De sollicitant moet aan volgende voorwaarden voldoen : 1° geen aspirant zijn in dezelfde personeelscategorie, met uitzondering van de aspirant-officier die aangeworven werd volgens de bepalingen van artikel 5, § 1, 2° of § 2, 2°, die een loopbaan van officier van niveau A of van militaire expert beoogt;2° de hoedanigheid van militair niet verloren hebben wegens oppensioenstelling;3° de hoedanigheid van militair niet verloren hebben wegens definitieve ambtsontheffing van rechtswege of van ambtswege; 4°de hoedanigheid van militair niet verloren hebben wegens het overgaan naar de operationele categorie D, bedoeld in artikel 69, tweede lid, behalve als deze overgang te wijten is geweest aan een medische ongeschiktheid; 5° de hoedanigheid van militair in dezelfde of in een lagere, personeelscategorie, niet verloren hebben, in de zes maanden die voorafgaan aan de dag waarop hij de hoedanigheid van militair opnieuw verwerft;6° voor de sollicitant bedoeld in artikel 4, 1°, niet tweemaal mislukt zijn in een vormingsjaar tijdens een vorming van aspirant van de werving vóór diploma;7° voor de sollicitant kandidaat voor de luchtdienst, niet uit het varend personeel geschrapt geweest zijn, behalve indien deze schrapping plaatsgevonden heeft op zijn aanvraag of wegens medische ongeschiktheid voor de luchtdienst. Art. 9.Om de hoedanigheid van militair te kunnen verwerven, moet de sollicitant : 1° voldoen aan de voorwaarden van artikel 8;2° Belg zijn of onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese economische ruimte of van de Zwitserse Bondsstaat;3° blijk geven van het gedrag dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde personeelscategorie;4° de burgerlijke en politieke rechten genieten;5° voldoen aan de studievoorwaarden;6° voldoen aan de leeftijdsvoorwaarden;7° voldoen aan de selectieproeven;8° geclassificeerd zijn, overeenkomstig de bepalingen van artikel 13. De onderdaan van een andere lidstaat van de Europese economische ruimte dan België of van de Zwitserse Bondsstaat moet voldaan hebben aan de militiewetgeving van kracht in het land waarvan hij de nationaliteit heeft en moet in dat land vrij zijn van alle militaire verplichtingen. Art. 10.§ 1. De selectieproeven bedoeld in artikel 9, eerste lid, 7°, omvatten : 1° psychotechnische proeven;2° proeven van schoolse of beroepskennis;3° proeven tot beoordeling van de fysieke geschiktheid en van de medische geschiktheid, bestaande uit : a) een geneeskundig onderzoek betreffende de medische geschiktheid;b) proeven betreffende de fysieke conditie. Sommige selectieproeven kunnen geheel of gedeeltelijk in het buitenland plaatsvinden. § 2. De sollicitant kan beroep aantekenen tegen een beslissing van medische ongeschiktheid bij de militaire commissie van beroep voor geschiktheid en reform. Op straffe van onontvankelijkheid, moet het beroep gemotiveerd en ingediend worden binnen de vijf werkdagen volgend op de betekening van de beslissing van medische ongeschiktheid. Art. 11.Geeft blijk van het gedrag bedoeld in artikel 9, eerste lid, 3°, de sollicitant : 1° die niet veroordeeld is door een Belgisch gerecht wegens één van de strafbare feiten bedoeld in de hoofdstukken V en VI van titel VII en in de hoofdstukken I en II van titel IX van het Strafwetboek of door een buitenlands gerecht wegens een gelijkaardig strafbaar feit als de beslissing erkend wordt in België;2° die niet is veroordeeld tot een gewone of militaire gevangenisstraf van drie maanden of meer wegens een ander strafbaar feit dan die welke bedoeld worden in 1°, met uitzondering van de strafbare feiten bepaald in de artikelen 419, 419bis, 420 en 420bis van het Strafwetboek en van deze bepaald in de artikelen 29, 29bis en 29ter van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer gecoördineerd op 16 maart 1968;3° die niet is ontzet uit een openbaar ambt of uit een van de rechten zoals bepaald in artikel 31 van het Strafwetboek;4° die niet definitief van zijn ambt als militair is ontheven door ambtshalve pensionering omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige, niet met zijn staat van militair overeen te brengen feiten;5° van wie de dienstneming of de wederdienstneming als militair niet van ambtswege verbroken werd omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige, niet met zijn staat van militair overeen te brengen feiten of omdat zijn gedrag of zijn wijze van dienen slecht bevonden werd;6° die als reservemilitair niet van ambtswege uit zijn graad is ontzet of van wie de graad niet werd ontnomen omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige, niet met zijn staat van militair overeen te brengen feiten of die niet, naargelang van het geval, om dezelfde redenen vervroegd in disponibiliteit of met onbepaald of met definitief verlof werd gesteld wanneer hij vrijwillige encadreringsprestaties verrichtte. Om blijk te geven van een gedrag dat in overeenstemming is met de eisen van de personeelscategorieën van de officieren, de militaire experts, de militaire deskundigen of de onderofficieren moet de sollicitant evenwel voldoen aan de voorwaarden bepaald in het eerste lid, 3° tot 6° en bovendien niet veroordeeld zijn : 1° tot een criminele straf;2° tot een correctionele straf, met uitzondering van deze bepaald in de artikelen 419, 419bis, 420 en 420bis van het Strafwetboek en van deze bepaald in de artikelen 29, 29bis en 29ter van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer gecoördineerd op 16 maart 1968. Art. 12.De Koning bepaalt : 1° de selectieproeven evenals de regels volgens dewelke de selectieproeven georganiseerd worden, naargelang de personeelscategorie, de soort werving, of de vacature;2° de regels volgens dewelke de sollicitant beoordeeld wordt tijdens de selectieproeven, de geldigheidsduur van de resultaten van deze proeven, zonder dat deze de twee jaar mag overschrijden met uitzondering van de proeven betreffende de aandoeningen en de lichaamsgebreken die Hij bepaalt, en de periode die moet verlopen vooraleer deze proeven opnieuw te mogen afleggen;3° de door de sollicitant voor te leggen documenten die bevestigen dat hij aan de nationaliteitsvoorwaarde en aan de studievoorwaarden voldoet en dat hij blijk geeft van het in artikel 9, eerste lid, 3°, bedoelde gedrag;4° voor de onderdaan van een andere lidstaat van de Europese economische ruimte dan België of van de Zwitserse Bondsstaat, de overheid die zich uitspreekt over de gelijkwaardigheid in de wetgeving van het land waarvan ze de nationaliteit hebben, van de in artikel 11 bedoelde beoordelingscriteria van het gedrag. Art. 13.De sollicitanten worden volgens een classificatiemodel toegewezen aan de vacatures waarvoor zij solliciteren. De classificatie houdt rekening met : 1° de mate van geschiktheid van de sollicitanten voor de vacatures;2° de voorkeur van de sollicitanten;3° het belang dat gehecht wordt aan de invulling van de vacatures. De inhoud en de berekeningsregels van het classificatiemodel worden bepaald door de Koning. Art. 14.Een wervingscommissie, waarvan de samenstelling en de werking door de Koning worden bepaald, is bevoegd voor : 1° de deliberatie van de selectie, in functie van de behoeften van de Krijgsmacht en op basis van de resultaten van alle selectieproeven;2° de toepassing van het classificatiemodel op de gedelibereerde sollicitanten;3° de toewijzing van de vacatures aan de sollicitanten;4° de evaluatie van de resultaten van de classificatieprocedure. De wervingscommissie betekent aan de sollicitant de toewijzing of de niet-toewijzing van een vacature. Art. 15.De sollicitant die aan een selectieproef deelneemt, geniet kosteloze medische zorgen. De aandoeningen voor dewelke dit recht geldt, zijn beperkt tot de ongelukken, ongesteldheden of ziekten die voortkomen uit de deelname aan een selectieproef. Deze medische zorgen zijn beperkt tot een spoedonderzoek, ambulant of niet, en mogen niet langer duren dan volstrekt noodzakelijk ten einde de sollicitant toe te laten terug te keren naar zijn verblijfplaats of hem over te brengen naar een door hem gekozen burgerhospitaal in België. De terugbetaling van bijkomende medische zorgen en de toekenning van een schadevergoeding die uit de in het tweede lid bedoelde aandoeningen voortvloeien, zijn onderworpen aan de toepassing van de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Art. 16.De sollicitant die deelneemt aan een selectieproef, geniet voeding en, in voorkomend geval, logement, ten laste van de Staat. Het logement wordt door Defensie ter beschikking gesteld van de sollicitant. Art. 17.De sollicitant kan op elk ogenblik schriftelijk aan zijn kandidatuur voor een vacature verzaken. Art. 18.Het wervingsproces wordt definitief beëindigd ten aanzien van de sollicitant : 1° die schriftelijk aan zijn kandidatuur verzaakt;2° die zich, zonder gegronde reden, niet aanmeldt op de dag of de plaats die bepaald zijn om deel te nemen aan de selectieverrichtingen;3° die niet of niet meer voldoet aan een voorwaarde bepaald in de artikelen 8 en 9;4° die bedrog pleegt of een poging daartoe onderneemt. De Koning wijst de overheid aan die gemachtigd is om het wervingsproces te beëindigen in de gevallen bedoeld in het eerste lid, 3° en 4°.Deze overheid betekent haar beslissing aan de sollicitant. TITEL III. - De militaire loopbaan HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Afdeling 1. - De hoedanigheid van militair Art. 19.De sollicitant wordt opgeroepen met het oog op zijn inlijving. De Koning bepaalt de nadere regels betreffende de oproeping en de inlijving. Art. 20.Op de dag van zijn inlijving stelt de sollicitant een schriftelijke verklaring op betreffende zijn medische toestand. De sollicitant kan evenwel onderworpen worden aan een medisch controleonderzoek, teneinde zijn medische geschiktheid na te gaan. De Koning bepaalt de nadere regels en de procedure betreffende de verklaring en het medisch controleonderzoek. Art. 21.De sollicitant verwerft de hoedanigheid van militair op de dag van zijn inlijving, voor zover hij medisch geschikt beschouwd wordt en nadat hem werd verklaard dat hij onderworpen is aan de militaire wetten. Het verwerven van de hoedanigheid van militair wordt vastgesteld door het opmaken van een document, ondertekend door de sollicitant die een kopie ervan krijgt. De korpscommandant van de eenheid of de dienst die inlijft is de bevoegde overheid om dit document in ontvangst te nemen. De niet-ontvoogde minderjarige sollicitant moet het bewijs leveren, onder de vorm van een getuigschrift, van de toestemming van degene of degenen die te zijner opzichte de ouderlijke macht uitoefenen. De sollicitant die zijn woonplaats in het buitenland heeft, legt een document voor dat als evenwaardig beschouwd wordt met voormeld getuigschrift. De Koning bepaalt : 1° de nadere regels betreffende het verwerven van de hoedanigheid van militair;2° de nadere te volgen regels indien de sollicitant op de dag van zijn inlijving medisch ongeschikt is of nog niet voldoet aan de voorwaarden voor de beoogde personeelscategorie of hoedanigheid in deze categorie, zonder dat hij de hoedanigheid van militair mag verwerven later dan tien werkdagen na deze dag. Art. 22.De hoedanigheid van militair wordt van rechtswege ontnomen door de Koning, wanneer de militair : 1° geen onderdaan meer is van een lidstaat van de Europese economische ruimte of van de Zwitserse Bondsstaat, of, in toepassing van de wet van 15 december 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/05/2000 pub. 29/06/2000 numac 2000007154 bron ministerie van landsverdediging Wet tot instelling van de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek en de regeling van de halftijdse vervroegde uitstap voor sommige militairen en tot wijziging van het statuut van de militairen met het oog op de instelling van de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking sluiten4 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, het voorwerp uitmaakt van een beslissing tot verwijdering van het grondgebied, terugwijzing, of uitzetting;2° definitief op pensioen wordt gesteld;3° de overplaatsing doet zoals bedoeld in de artikelen 141, § 3, en 158, 3°;4° een nieuwe beroepsactiviteit aanvangt, zoals bedoeld in artikel 146, of zijn vormingsfase van het beroepsomschakelingsprogramma beëindigt, in het kader van de externe overgang;5° definitief mislukt is in zijn initiële vorming en niet geheroriënteerd of gereclasseerd wordt;6° zijn ontslag op aanvraag verkrijgt;7° zonder uitstel levenslang of tijdelijk ontzet wordt uit één van de rechten opgesomd in artikel 31, 1° en 6°, van het Strafwetboek overeenkomstig artikel 36, eerste lid, 1°. De hoedanigheid van militair wordt van ambtswege ontnomen door de overheid die de militair heeft benoemd of aangesteld in zijn laatste graad, wanneer deze militair : 1° definitief uit zijn ambt wordt ontheven overeenkomstig artikel 57, eerste lid, of artikel 59, eerste lid;2° twee onvoldoende postbeoordelingen krijgt in een periode van drie jaar;3° de periode van tijdelijke ambtsontheffing van twee jaar tijdens de initiële militaire loopbaan overschrijdt overeenkomstig artikel 85;4° tijdens zijn initiële militaire loopbaan overgaat naar de operationele categorie D overeenkomstig artikel 69, tweede lid. Afdeling 2. - Algemene beschrijving van de loopbaan Art. 23.§ 1. De militaire loopbaan begint met een initiële vorming, die deel uitmaakt van de initiële militaire loopbaan van betrokken militair. Op het einde van deze initiële militaire loopbaan en na het doorlopen van het oriëntatieproces : 1° vangt de militair zijn voortgezette militaire loopbaan aan;2° of gaat hij intern over;3° of gaat hij extern over. § 2. De militair van de laterale werving, bedoeld in artikel 4, 3°, wordt na zijn initiële vorming, zonder oriëntatieproces tot de voortgezette militaire loopbaan toegelaten. Deze militaire experts en militaire deskundigen kunnen dienen voor een duur die bepaald is door de overheid die de Koning bepaalt. Deze duur wordt bepaald op schriftelijk voorstel van de sollicitant en van de autoriteit van het betrokken expertisedomein. Deze duur kan niet minder dan één jaar bedragen. Mits akkoord van de voornoemde partijen, kan deze duur verlengd worden. In periode van mobilisatie of van oorlog worden deze militaire experts en militaire deskundigen in actieve dienst gehouden, onafhankelijk van de duur van voornoemd akkoord. Afdeling 3. - De personeelscategorieën en de graden Art. 24.Telkens als een graad wordt vermeld, wordt ook de gelijkwaardige graad in aanmerking genomen. Art. 25.§ 1. De personeelscategorieën zijn : 1° de « officieren », benoemd of aangesteld in een officiersgraad;2° de « militaire experts », benoemd of aangesteld in een expertgraad;3° de « militaire deskundigen », benoemd of aangesteld in een deskundigengraad;4° de « onderofficieren », benoemd of aangesteld in een onderofficiersgraad;5° de « vrijwilligers », benoemd of aangesteld in een vrijwilligersgraad. De militairen die geen vlakke loopbaan doorlopen, behoren tot één van de personeelscategorieën bedoeld in het eerste lid, 1°, 4° of 5°. De militairen die een vlakke loopbaan doorlopen, behoren tot één van de personeelscategorieën bedoeld in het eerste lid, 2° of 3°. § 2. Dienen in de hoedanigheid van officier van niveau A, de officieren bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, die aangeworven werden op basis van een master of een master behaalden aan de Koninklijke Militaire School en de officieren bedoeld in artikel 119. Dienen in de hoedanigheid van officier van niveau B, de officieren bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, die aangeworven werden op basis van : 1° een bachelor of een door een instelling van universitair of gelijkwaardig niveau uitgereikte kandidaatsdiploma;2° een getuigschrift van hoger secundair onderwijs of van een getuigschrift waaruit blijkt dat het zesde leerjaar van het algemeen, het technisch, het kunst- of het beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan met vrucht werd gevolgd, uitgereikt door een inrichting georganiseerd, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een van de Gemeenschappen, of een gelijkwaardig diploma of getuigschrift, voor het uitoefenen van de door de Koning bepaalde functies waarvoor een opleiding door Defensie georganiseerd wordt met een vergelijkbare duur als de minimumduur om een bachelor te verwerven. Art. 26.De militairen die geen vlakke loopbaan doorlopen of doorlopen hebben, bezitten de competenties die overeenstemmen met één vakrichting en verwerven, in de loop van hun loopbaan, naargelang het geval, één of meerdere competenties die overeenstemmen met één of meerdere competentiepools. De militairen die een vlakke loopbaan doorlopen bezitten één of meerdere competenties die overeenstemmen met één expertisedomein. De militairen die een vlakke loopbaan hebben doorlopen, bezitten de competenties die overeenstemmen met één of meerdere competentiepools. Art. 27.§ 1. De officiersgraden volgen elkaar op volgens de hierna vermelde rangorde : 1° onderluitenant of vaandrig-ter-zee tweede klasse;2° luitenant of vaandrig-ter-zee;3° kapitein of luitenant-ter-zee;4° kapitein-commandant of luitenant-ter-zee eerste klasse;5° majoor of korvetkapitein;6° luitenant-kolonel of fregatkapitein;7° kolonel of kapitein-ter-zee;8° generaal-majoor of divisieadmiraal;9° luitenant-generaal of vice-admiraal;10° generaal of admiraal. De volgende personeelsondercategorieën van officieren worden onderscheiden : 1° de titularissen van de graden bedoeld in het eerste lid, 1° tot 3°, worden lagere officieren genoemd;2° de titularissen van de graden bedoeld in het eerste lid, 4°, zijn lagere officieren die gedurende een bepaalde periode als militair kunnen blijven dienen na hun oriëntatieproces zonder nochtans tot de voortgezette militaire loopbaan toegelaten te worden;3° de titularissen van de graden bedoeld in het eerste lid, 5° tot 7°, worden hoofdofficieren genoemd;4° de titularissen van de graden bedoeld in het eerste lid, 8° tot 10°, worden opperofficieren genoemd. § 2. De benaming van de graad kan aangevuld worden met een van de bijkomende benamingen die de Koning bepaalt. Art. 28.De officieren houden op tot een vakrichting en tot een competentiepool te behoren eens zij in een graad van opperofficier worden benoemd of voor de periode waarin zij in een graad van opperofficier worden aangesteld. Art. 29.§ 1. De graden van de militaire experts volgen elkaar op volgens de hierna vermelde rangorde : 1° expert derde klasse;2° expert tweede klasse;3° expert;4° hoofdexpert. De volgende ondercategorieën van militaire experts worden onderscheiden : 1° de titularissen van de graden bedoeld in het eerste lid, 1° tot 3°, worden lagere militaire experts genoemd;2° de titularissen van de graad bedoeld in het eerste lid, 4°, worden militaire hoofdexperts genoemd. § 2. De Koning bepaalt de benaming van de graden van de militaire experts in de verschillende expertisedomeinen. Art. 30.§ 1. De graden van de militaire deskundigen volgen elkaar op volgens de hierna vermelde rangorde : 1° deskundige derde klasse;2° deskundige tweede klasse;3° deskundige;4° hoofddeskundige. De volgende ondercategorieën van militaire deskundigen worden onderscheiden : 1° de titularissen van de graden bedoeld in het eerste lid, 1° tot 3°, worden lagere militaire deskundigen genoemd;2° de titularissen van de graad bedoeld in het eerste lid, 4°, worden militaire hoofddeskundigen genoemd. § 2. De Koning bepaalt de benaming van de graden van de militaire deskundigen in de verschillende expertisedomeinen. Art. 31.§ 1. De onderofficiersgraden volgen elkaar op volgens de hierna vermelde rangorde : 1° sergeant of tweede meester;2° eerste sergeant of meester;3° eerste sergeant-chef of meester-chef;4° eerste sergeant-majoor of eerste meester;5° adjudant of eerste meester-chef;6° adjudant-chef of oppermeester;7° adjudant-majoor of oppermeester-chef. De volgende ondercategorieën van onderofficieren worden onderscheiden : 1° de titularissen van de graden bedoeld in het eerste lid, 1° tot 3°, worden lagere onderofficieren genoemd;2° de titularissen van de graden bedoeld in het eerste lid, 4° en 5°, worden keuronderofficieren genoemd;3° de titularissen van de graden bedoeld in het eerste lid, 6° en 7°, worden hoofdonderofficieren genoemd. § 2. De benaming van de graad kan aangevuld worden met een van de bijkomende benamingen die de Koning bepaalt. Art. 32.§ 1. De vrijwilligersgraden volgen elkaar op volgens de hierna vermelde rangorde : 1° soldaat of matroos;2° eerste soldaat of eerste matroos;3° korporaal of kwartiermeester;4° eerste korporaal of eerste kwartiermeester;5° korporaal-chef of kwartiermeester-chef;6° eerste korporaal-chef of eerste kwartiermeester-chef;7° korporaal-majoor of opperkwartiermeester. De volgende ondercategorieën van vrijwilligers worden onderscheiden : 1° de titularissen van de graden bedoeld in het eerste lid, 1° tot 3°, worden lagere vrijwilligers genoemd;2° de titularissen van de graden bedoeld in het eerste lid, 4° tot 6°, worden keurvrijwilligers genoemd;3° de titularissen van de graden bedoeld in het eerste lid, 7°, worden hoofdvrijwilligers genoemd. § 2. De benaming van de graad kan aangevuld worden met een van de bijkomende benamingen die de Koning bepaalt. Art. 33.Een militaire hoofdexpert wordt gelijkgesteld met een hoofdofficier, een lagere militaire expert wordt gelijkgesteld met een lager officier en de militaire deskundigen hebben een rang tussen deze van lager officier en deze van hoofdonderofficier. De militair die een vlakke loopbaan doorloopt, kan slechts bevelen geven aan de militairen over wie hij, in het kader van zijn expertisedomein, de functionele of hiërarchische meerdere is. Art. 34.De militair die, in functie van zijn beoogde personeelscategorie, voor het eerst benoemd of aangesteld wordt in de graad van respectievelijk onderluitenant, expert tweede klasse, deskundige tweede klasse, sergeant of eerste soldaat legt de bij het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/07/1938 pub. 24/10/2001 numac 2001000545 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende het gebruik der talen bij het leger Duitse vertaling sluiten9 betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie, voorgeschreven eed af in de handen van zijn korpscommandant. Art. 35.De officieren en de militaire experts worden door de Koning in de graad benoemd of aangesteld. De militaire deskundigen en de onderofficieren worden door de minister in de graad benoemd of aangesteld. De vrijwilligers worden door de chef defensie in de graad benoemd of aangesteld. De Koning kan slechts graden verlenen naar gelang van het overeenkomstige aantal ambten. Art. 36.Onder voorbehoud van de toepassing van de strafbepalingen, hebben van rechtswege de ontneming van de graad voor gevolg : 1° de zonder uitstel uitgesproken levenslange of tijdelijke ontzetting uit één van de rechten opgesomd in artikel 31, 1° en 6°, van het Strafwetboek;2° de definitieve ambtsontheffing;3° het feit, voor een militair die in een graad aangesteld wordt, op de vereiste momenten, niet te voldoen aan de voorwaarden die voor zijn benoeming vervuld moeten blijven. De korporaal, de eerste korporaal, de korporaal-chef, de eerste korporaal-chef of de korporaal-majoor die van zijn graad werd beroofd bij gerechtelijke maatregel, mag slechts terug in de graad van korporaal worden benoemd na wettelijk eerherstel bekomen te hebben. Art. 37.Elke militair kan op elk ogenblik van bevordering afzien. Deze verzaking is onherroepelijk. Afdeling 4. - De vakrichtingen, de expertisedomeinen en de competentiepools Art. 38.De Koning stelt de lijst van de vakrichtingen, de expertisedomeinen en de competentiepools vast. In functie van de behoeften van de Krijgsmacht kan Hij, in het kader van de bevordering van de militairen, per personeelsondercategorie bedoeld in de artikelen 27 en 29 tot 32 of per gradengroep of per graad het aantal bepalen van de in elke vakrichting, expertisedomein, en in voorkomend geval, elke competentiepool te verdelen militairen. De militairen worden ingedeeld in één vakrichting, expertisedomein of competentiepool naargelang de functie die ze uitoefenen. De inschrijving gebeurt op één van de wijzen bepaald in de artikelen 39 tot 42. Art. 39.§ 1. De voorlopige inschrijving in een groep van vakrichtingen, een vakrichting of een expertisedomein heeft plaats op het tijdstip waarop betrokkene een initiële vorming aanvangt of van loopbaan wisselt. De definitieve inschrijving in een vakrichting of een expertisedomein heeft plaats op het einde van de initiële vorming. De Koning bepaalt per personeelscategorie de voorwaarden die een militair moet vervullen om toegelaten te worden in een vakrichting of een expertisedomein waar geen ambt van onderluitenant, luitenant, expert, deskundige, eerste sergeant of eerste soldaat is voorzien. § 2. De inschrijving in een competentiepool heeft plaats wanneer de militair geslaagd is voor het door de Koning vastgelegde gedeelte van de voortgezette vorming, bedoeld in de artikelen 111, § 1, eerste lid, 2°, 112, § 1, eerste lid, en 140, § 2, eerste lid en §§ 4 en 5. Art. 40.Elke militair kan van ambtswege worden overgeplaatst, in geval van opheffing van een vakrichting, een expertisedomein of een competentiepool, voor zover hij voldoet aan de fysieke geschiktheidscriteria en aan de medische geschiktheidscriteria van, naar gelang het geval, zijn nieuwe vakrichting, zijn nieuw expertisedomein of zijn nieuwe competentiepool : 1° van de opgeheven vakrichting naar een andere;2° van het opgeheven expertisedomein naar een ander;3° van het opgeheven expertisedomein naar een competentiepool;4° van de opgeheven competentiepool naar een andere. Deze overplaatsing en in voorkomend geval de eraan verbonden vormingen worden door de door de Koning aangewezen overheid voorgeschreven. Art. 41.Elke militair kan op aanvraag worden overgeplaatst, voor zover hij voldoet aan de fysieke geschiktheidscriteria en aan de medische geschiktheidscriteria van, naar gelang het geval, zijn nieuwe vakrichting, zijn nieuw expertisedomein of zijn nieuwe competentiepool : 1° van een vakrichting naar een andere;2° van een expertisedomein naar een ander, voor zover hij aan de diplomavereisten voldoet;3° van een competentiepool naar een andere;4° van een vakrichting naar een competentiepool. Deze overplaatsing en in voorkomend geval de eraan verbonden vormingen worden door de door de Koning aangewezen overheid voorgeschreven. Art. 42.Wanneer een wijziging in de organisatie van de Krijgsmacht een nieuwe verdeling van de militairen noodzaakt en voor zover de betrokken militairen aan de fysieke geschiktheidscriteria en aan de medische geschiktheidscriteria van de beoogde vakrichtingen, expertisedomeinen of competentiepools voldoen, schrijft de Koning de nodige overplaatsingen voor na overleg met de representatieve vakorganisaties. Afdeling 5. - Het ambt Onderafdeling 1. - Algemeenheden Art. 43.Het ambt wordt uitgeoefend krachtens dienstorders uitgaande van : 1° de Koning of de overheid die Hij aanwijst, voor de officieren en de militaire experts;2° de minister of de overheid die hij aanwijst, voor de onderofficieren en de militaire deskundigen;3° de overheid die de minister aanwijst, voor de vrijwilligers. Art. 44.De militair kan ter beschikking gesteld worden van elke openbare dienst die afhangt van de federale overheid, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de gemeenten, de agglomeraties, de federaties en de verenigingen van gemeenten, de politiezones, de autonome overheidsbedrijven bedoeld in de wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/07/1938 pub. 24/10/2001 numac 2001000545 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende het gebruik der talen bij het leger Duitse vertaling sluiten1 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, alsook van de instellingen die van zo'n openbare dienst afhangen, of de instellingen die van Defensie afhangen. De militair kan wegens een officiële opdracht bij een volkenrechtelijke instelling of in de privé-sector gedetacheerd worden. Onderafdeling 2. - De tijdelijke ambtsontheffing Art. 45.De tijdelijke ambtsontheffing heeft alleen plaats in de volgende gevallen : 1° op aanvraag van de militair : a) wegens persoonlijke aangelegenheden;b) wegens loopbaanonderbreking;c) om gezinsredenen;2° door de overheid opgelegd : a) om gezondheidsredenen;b) bij tuchtmaatregel;c) door schorsing bij ordemaatregel. De militair in tijdelijke ambtsontheffing blijft onderworpen aan de militaire strafwetgeving en aan de krijgstucht. Art. 46.In geval van mobilisatie of in periode van oorlog of van crisis, bedoeld in artikel 186, kunnen de militairen geen tijdelijke ambtsontheffing op aanvraag bekomen. Hetzelfde geldt voor de militairen die zich in periode van vrede in de deelstand « operationele inzet » bevinden of die effectief deel uitmaken van een detachement dat zich voorbereidt met het oog op deze inzet. De op aanvraag bekomen tijdelijke ambtsontheffingen eindigen automatisch, zonder periode van opzegging, in periode van oorlog of in geval van mobilisatie. In periode van crisis of in periode van vrede kunnen, in uitzonderlijke gevallen en voor zover de personeelsbehoefte op geen enkele andere manier ingevuld kan worden, de op verzoek toegekende tijdelijke ambtsontheffingen geschorst worden door de overheid die ze heeft toegekend, in geval van operationele inzet of van preadvies met het oog op deze inzet. Art. 47.De militairen die hierom verzoeken kunnen door de minister tijdelijk wegens persoonlijke aangelegenheden uit hun ambt ontheven worden. Elke tijdelijke ambtsontheffing of elke verlenging wordt aangevraagd voor een duur van drie, zes, negen of twaalf maanden. Behoudens uitzonderlijke redenen waarover de minister oordeelt, en zonder dat deze de duur van zesendertig maand overschrijdt, mag de duur van alle tijdelijke ambtsontheffingen wegens persoonlijke aangelegenheden tijdens de loopbaan van de militair een totaal van twaalf maanden niet overschrijden. Art. 48.§ 1. De militairen die het aanvragen kunnen van de minister een onderbreking van hun loopbaan bekomen. § 2. Elke loopbaanonderbreking of elke verlenging wordt aangevraagd voor een duur van drie, zes, negen of twaalf maanden. Behoudens uitzonderlijke redenen waarover de minister oordeelt, mag de duur van alle loopbaanonderbrekingen tijdens de loopbaan van de militair een totaal van zesendertig maanden niet overschrijden. § 3. Onverminderd de toepassing van artikel 176, mag de militair enkel een bijkomende activiteit als loontrekkende uitoefenen voor zover deze reeds gedurende ten minste drie maanden vóór het begin van de loopbaanonderbreking werd uitgeoefend. Hij mag eveneens een zelfstandige activiteit uitoefenen. Voor wat de officieren en de militaire experts betreft, kan geen enkele van de activiteiten bedoeld in het eerste lid uitgeoefend worden in de sector van de productie of van de handel in wapens, munitie en oorlogsmateriaal, bedoeld in artikel 296, § 1, b), van het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als bijkomende activiteit als loontrekkende beschouwd, de activiteit in loondienst waarvan het aantal werkuren per week gemiddeld niet 38 uren overschrijdt. Wordt als zelfstandige activiteit beschouwd, de activiteit die de betrokken persoon, op grond van de van kracht zijnde reglementering, ertoe verplicht zich in te schrijven bij het Rijksinstituut voor de sociale Verzekeringen der zelfstandigen Indien de militair zonder toestemming een beroepsactiviteit aanvangt of wanneer een bijkomende activiteit in loondienst een hoofdactiviteit wordt, dan wordt vanaf dat ogenblik de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking omgezet in een tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden. Art. 49.De minister kan, voor zover het belang van de dienst dit niet in de weg staat, een tijdelijke ambtsontheffing om gezinsredenen toestaan aan de militair die erom vraagt, opdat deze de kans krijgt om zich aan zijn kinderen te wijden. Deze tijdelijke ambtsontheffing wordt toegestaan voor een periode van ten hoogste twee jaar; zij eindigt hoe dan ook wanneer het kind de leeftijd van drie jaar bereikt. De maximumduur van deze tijdelijke ambtsontheffing tijdens de volledige militaire loopbaan wordt op vier jaar gebracht en eindigt uiterlijk wanneer het kind de leeftijd van zes jaar bereikt, indien het kind mindervalide is en voldoet aan de voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op de kinderbijslag met toepassing van artikel 47 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders. Op aanvraag van de militair en mits de naleving van een opzeggingstermijn van één maand kan een einde gemaakt worden aan de tijdelijke ambtsontheffing om gezinsredenen alvorens deze ten einde loopt. Wanneer de vader en de moeder van het kind militair zijn, kan de in dit artikel bedoelde tijdelijke ambtsontheffing verdeeld worden over de ouders. Art. 50.De Koning kan voor de officieren en de militaire experts, of de minister voor de andere personeelscategorieën, de militair die, volgens de beslissing van de militaire commissie voor geschiktheid en reform of van de militaire commissie van beroep voor geschiktheid en reform, nog niet in staat is de dienst te hervatten, tijdelijk om gezondheidsredenen van zijn ambt ontheffen. Onderafdeling 3. - De schorsing bij ordemaatregel Art. 51.§ 1. Wanneer de minister oordeelt dat de aanwezigheid van een militair in de Krijgsmacht nadelig is voor de tucht of voor de goede naam van de Krijgsmacht, kan hij, ambtshalve of op voorstel van de hiërarchische meerderen van de militair, deze laatste bij ordemaatregel schorsen. De schorsing bij ordemaatregel is een voorlopige maatregel die geenszins van tuchtrechtelijke aard is. § 2. De betrokken militair wordt vooraf gehoord over de feiten die hem ten laste worden gelegd en mag zich laten bijstaan door een persoon naar eigen keuze. Hij wordt opgeroepen bij kennisgeving tegen ontvangstbewijs of met een bij de post aangetekende brief, en wordt geacht gehoord te zijn geweest zelfs indien hij daar geen ontvangst van bevestigt, zodra de bedoelde oproeping hem een tweede maal werd voorgelegd na een redelijke termijn. Wanneer het horen van de militair voor de schorsing bij ordemaatregel onmogelijk is of wanneer een toestand van hoogdringendheid dit rechtvaardigt, kan de minister evenwel een militair bij gemotiveerde beslissing schorsen zonder hem gehoord te hebben. Deze laatste wordt onverwijld na de uitspraak van de schorsing gehoord. Wanneer de hoogdringendheid wordt ingeroepen, vervalt deze schorsing na vijftien werkdagen, tenzij zij door de minister binnen die termijn wordt bekrachtigd op grond van het dossier, met inbegrip van het horen van de betrokken militair. § 3. De duur van de schorsing bij ordemaatregel mag de drie maanden niet overschrijden. Indien noodzakelijk, mits het naleven van de bepalingen van § 2, kan de schorsing, per periodes van minimum drie maanden verlengd worden tot een maximumduur van twee jaar. Voor de officieren en de militaire experts wordt deze verlenging door de Koning beslist. Wanneer een opsporingsonderzoek of een strafvervolging werd ingesteld wegens de feiten die de schorsing motiveren, moet deze evenwel uiterlijk zes maanden na het einde van de rechtsvordering een einde nemen. § 4. Wanneer een bij ordemaatregel geschorste militair van zijn vrijheid wordt beroofd, wordt deze schorsing evenwel van rechtswege geschorst tot de datum van invrijheidstelling van de betrokken militair, zonder nieuwe betekening aan deze laatste. Anderzijds, wanneer de schorsing bij ordemaatregel wordt betekend aan een militair in voorlopige hechtenis, wordt de uitwerking van de schorsing van rechtswege geschorst tot de invrijheidstelling van betrokken militair, zonder nieuwe betekening aan deze laatste. Onderafdeling 4. - Het ontslag op aanvraag Art. 52.§ 1. De militair kan op elk ogenblik zijn ontslag aanbieden. Dit ontslag heeft pas uitwerking wanneer de Koning voor de officieren en de militaire experts, de minister voor de onderofficieren en de militaire deskundigen en de overheid die de minister aanwijst voor de vrijwilligers, het heeft aanvaard. § 2. De overheid bedoeld in § 1 kan het ontslag weigeren indien ze oordeelt dat het strijdig is met het dienstbelang. § 3. Het ontslag is steeds strijdig met het dienstbelang in de volgende gevallen : 1° wanneer de betrokken militair minder dan drie jaar in werkelijke dienst is gebleven tijdens de periode volgend op de vorming op basis waarvan de rendementsperiode bedoeld in artikel 179 berekend wordt;2° in periode van crisis;3° in geval van mobilisatie;4° in periode van oorlog;5° indien de betrokken militair zijn aanvraag indient wanneer hij zich in periode van vrede in de deelstand « in operationele inzet » bevindt of effectief deel uitmaakt van een detachement dat zich voorbereidt met het oog op deze inzet. § 4. Behoudens in de door de Koning of de overheid die Hij aanwijst, uitdrukkelijk gemotiveerde uitzonderingsgevallen, is het ontslag bedoeld in § 2, niet strijdig met het dienstbelang wanneer de betrokken militair in werkelijke dienst is gebleven gedurende de volledige rendementsperiode bedoeld in artikel 179. Zowel in het uitdrukkelijk gemotiveerde uitzonderingsgeval bedoeld in het eerste lid, als in het geval van een aanvraag tot ontslag dat uitwerking heeft na de periode bedoeld in § 3, 1°, maar voor de afloop van de rendementsperiode bedoeld in artikel 179, verkrijgt de betrokken militair, in zoverre hij zijn ontslagaanvraag niet formeel heeft ingetrokken, zijn ontslag ten laatste drie jaar na de beslissing tot weigering van de voornoemde ontslagaanvraag. Art. 53.De militair die de hoedanigheid van militair heeft verloren om één van de redenen opgesomd in artikel 22, eerste lid, mag niet opnieuw in het actief kader opgenomen worden. Evenwel, voor zover hij de leeftijd van opruststelling niet bereikt heeft, kan de militair die sinds ten hoogste één jaar de hoedanigheid van militair heeft verloren om één van de redenen opgesomd in artikel 22, eerste lid, 3°, 4° of 6°, van de Koning voor wat de officieren en de militaire experts betreft, van de minister voor wat de militaire deskundigen en de onderofficieren betreft en van de overheid die de minister aanwijst voor de vrijwilligers, de toestemming bekomen om opnieuw in het actief kader opgenomen te worden. Hij ondergaat in dit geval een verlies van anciënniteit gelijk aan de tijd die sinds zijn ontslag verlopen is. Onderafdeling 5. - De statutaire maatregelen Art. 54.De volgende statutaire maatregelen kunnen worden uitgesproken ten opzichte van de militair : 1° de inhouding op de wedde;2° de tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaatregel;3° de definitieve ambtsontheffing. Art. 55.Indien een militair zich aan ernstige, met de staat van militair overeenstemmend met zijn personeelscategorie niet overeen te brengen feiten schuldig heeft gemaakt, kan de directeur-generaal human resources een inhouding op de wedde van betrokken militair toepassen. Deze inhouding wordt toegepast gedurende ten hoogste één maand en bedraagt ten minste twee percent en ten hoogste tien percent van de bruto maandwedde, verschuldigd voor de maand waarin de statutaire maatregel betekend wordt aan de betrokken militair. De toepassing van deze statutaire maatregel mag voor de betrokken militair geen andere geldelijke gevolgen hebben dan die welke in het eerste lid zijn bepaald. De Koning bepaalt de nadere regels volgens dewelke deze maatregel wordt uitgesproken. Art. 56.Indien een militair zich aan ernstige, met de staat van militair overeenstemmend met zijn personeelscategorie niet overeen te brengen feiten schuldig heeft gemaakt, kan de minister deze militair bij tuchtmaatregel van zijn ambt ontheffen voor een periode van maximum drie maanden. Indien de tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaatregel van een officier of een militaire expert langer duurt dan één maand, wordt de beslissing tot ambtsontheffing door de Koning uitgesproken. Art. 57.Indien een militair zich aan ernstige, met de staat van militair overeenstemmend met zijn personeelscategorie niet overeen te brengen feiten schuldig heeft gemaakt, kan hij definitief uit zijn ambt worden ontheven. De maatregel wordt door de minister uitgesproken, na raadpleging van een onderzoeksraad. Voor de officieren en de militaire experts wordt deze maatregel evenwel door de Koning uitgesproken op het gemotiveerd verslag van de minister na raadpleging van een onderzoeksraad. De onderzoeksraad gaat na of de feiten vaststaan en brengt advies uit over de ernst ervan. De Koning bepaalt de samenstelling van de onderzoeksraad en regelt de procedure. Art. 58.De militair wordt definitief uit zijn ambt ontheven zonder de tussenkomst van een onderzoeksraad indien hij zonder uitstel veroordeeld wordt tot de, zelfs tijdelijke, onvoorwaardelijke ontzetting uit één van de rechten bedoeld in artikel 31, 1° en 6°, van het Strafwetboek. De maatregel wordt door de minister uitgesproken. Voor de officieren en de militaire experts wordt deze maatregel evenwel door de Koning uitgesproken. Art. 59.De militair die zich bevindt in de deelstanden « in normale dienst » of « in vorming » bedoeld in artikel 191 en die onwettig afwezig is sinds meer dan eenentwintig opeenvolgende dagen, kan definitief uit zijn ambt worden ontheven volgens de door de Koning bepaalde procedure. De eerste werkdag na de datum van het begin van de onwettige afwezigheid wordt de militair bedoeld in het eerste lid, verwittigd, met een bij de post aangetekende brief, van de mogelijkheid definitief uit zijn ambt te worden ontheven overeenkomstig het eerste lid. Hij wordt geacht verwittigd te zijn geweest, zelfs ind …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.