← België

Besluit van de Vlaamse regering houdende organisatie van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest en de regeling van de rechtsposi

Kort samengevat

Dit besluit regelt de organisatie van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest en de rechtspositie van haar personeel. Het stelt de regels vast voor zowel ambtenaren als contractuele medewerkers binnen deze instelling.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP 29 OKTOBER 1999. - Besluit van de Vlaamse regering houdende organisatie van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest en de regeling van de rechtspositie van het personeel De Vlaamse regering, Gelet op de richtlijn 92/85/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschap van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie; Gelet op de richtlijn 96/34/EG van de Raad van de Europese Gemeenschap van 3 juni 1996 betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof; Gelet op de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, inzonderheid op artikel 11 § 1, gewijzigd bij de wet van 22 juli 1993; Gelet op het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, inzonderheid op artikel 38, gewijzigd bij decreet van 20 april 1994; Gelet op het advies van de directieraad, gegeven op 8 oktober 1998; Gelet op het akkoord van de minister bevoegd voor pensioenen, gegeven op 18 november 1994, 29 januari 1998 en 24 augustus 1998; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor begroting, gegeven op 12 oktober 1998; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor ambtenarenzaken, gegeven op 12 oktober 1998; Gelet op het protocol nr. 78 van 12 januari 1995 en nr. 87/5 van 14 maart 1996 van het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten; Gelet op het protocol nr 106.280 van 20 oktober 1998, het protocol nr. 126.322 van 26 april 1999 en het protocol nr. 134.340 van 31 mei 1999 van het Sectorcomité XVIII Vlaamse Gemeenschap - Vlaamse Gewest; Gelet op de beraadslaging van de Vlaamse regering, op 20 oktober 1998 betreffende de aanvraag om advies bij de Raad van State binnen een maand; Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 15 juli 1999, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw; Na beraadslaging, Besluit : DEEL I. - TOEPASSINGSGEBIED EN ALGEMENE BEPALINGEN HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied Artikel I 1. Dit besluit is van toepassing op de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest en op het personeel ervan. Het doet geen afbreuk aan andere wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen die op specifieke categorieën van dit personeel van toepassing zijn. HOOFDSTUK 2. - Algemene bepalingen Art. I 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° instelling :de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest;2° afdeling : organisatorische eenheid binnen de instelling;3° de regeling van de rechtspositie : het geheel van bepalingen waardoor de Vlaamse regering : a) de administratieve en geldelijke rechtstoestand van de ambtenaar en de stagiair vaststelt;b) de aanwerving en de toelatingsvoorwaarden evenals de arbeidsvoorwaarden van de contractuele personeelsleden vaststelt;4° personeel : de ambtenaren, de stagiairs en de contractuele personeelsleden van de instelling;5° personeelslid : elk lid van het personeel. Bij verwijzing naar een personeelslid wordt hierna de mannelijke vorm gebruikt; 6° ambtenaar : elk personeelslid dat in vast dienstverband benoemd is;7° stagiair : elk personeelslid dat toegelaten is tot een proeftijd met het oog op een vaste benoeming;8° contractueel personeelslid : elk personeelslid dat in dienst genomen is bij arbeidsovereenkomst overeenkomstig de wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1978 pub. 03/07/2008 numac 2008000527 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten type wet prom. 03/07/1978 pub. 12/03/2009 numac 2009000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten; 9° A.P.-K.B. : het koninklijk besluit van 26 september 1994 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en de Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen; 10° de leidend ambtenaar : de administrateur-generaal;11° de adjunct-leidend ambtenaar : de adjunct-administrateur-generaal;12° afdelingshoofd : elke ambtenaar die belast is met de leiding van een afdeling;13° individueel personeelsbeheer : de toepassing van het beleid en van de bepalingen inzake ambtenarenzaken op het individuele personeelslid;14° de minister : het lid van de Vlaamse regering dat overeenkomstig de bevoegdheidsverdeling binnen deze regering belast is met het beheer van de instelling;15° Vlaams minister bevoegd voor ambtenarenzaken : het lid van de Vlaamse regering dat bevoegd is voor ambtenarenzaken;16° raadgever : een ambtenaar, in actieve dienst of gepensioneerd, een advocaat of een afgevaardigde van een erkende vakorganisatie. Art. I 3. § 1. Alle bij dit besluit toegewezen bevoegdheden worden eveneens uitgeoefend door de ambtenaar die met de waarneming van het ambt van de titularis is belast. Bij tijdelijke afwezigheid of verhindering worden de toegewezen bevoegdheden uitgeoefend door de ambtenaar die de titularis vervangt overeenkomstig Deel II, Titel 4 van dit besluit. § 2. Behoudens andersluidende bepaling kan de leidend ambtenaar de bevoegdheden die hem bij dit besluit worden toegewezen, op algemene wijze delegeren aan de adjunct-leidend ambtenaar en aan de afdelingshoofden. De adjunct-leidend ambtenaar en de afdelingshoofden kunnen op hun beurt de hen gedelegeerde of de hen in dit besluit toegewezen bevoegdheden delegeren aan de onder hun gezag staande ambtenaren van niveau A. § 3. De delegaties vermeld in § 2 dienen bekendgemaakt te worden aan de personeelsleden en worden bij wijze van uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Art. I 4. Aan de personeelsbehoeften van de instelling wordt voldaan door ambtenaren en stagiairs. Uitzonderlijk en enkel om de redenen, opgesomd in artikel XIV 2 kunnen contractuele personeelsleden worden ingezet. Aan het statutair dienstverband van de ambtenaar kan slechts een einde worden gemaakt in de bij dit besluit bepaalde gevallen. Art. I 5. Elke wijziging aan dit besluit wordt onderworpen aan het voorafgaand advies van de directieraad van de instelling. Het advies moet worden gegeven binnen de 30 kalenderdagen. DEEL II. - ORGANISATIE EN WERKING VAN DE INSTELLING TITEL 1. - De Directieraad HOOFDSTUK 1. - Samenstelling Artikel II 1. In de instelling functioneert als bestuursorgaan een directieraad voorgezeten door de leidend ambtenaar en samengesteld uit : 1° de leidend ambtenaar;2° de adjunct-leidend ambtenaar;3° de afdelingshoofden. De werking van de directieraad wordt geregeld in artikel II 3. HOOFDSTUK 2. - Bevoegdheden Art. II 2. Onverminderd zijn bevoegdheden voortvloeiend uit de regeling van de rechtspositie, beraadslaagt de directieraad over : 1° beleidsvoorstellen en problemen inzake beleidsuitvoering;2° bevoegdheidsgeschillen aangaande het bestuur binnen de instelling. De directieraad kan op eigen initiatief of op verzoek van een lid, ten allen tijde, deskundigen uitnodigen met het oog op een technische of inhoudelijke toelichting bij de bespreking van een specifiek probleem. Art. II 3. § 1. De directieraad stelt een huishoudelijk reglement op dat ten minste bepaalt : 1° de frequentie van de vergaderingen;2° het vereiste quorum en de vereiste meerderheid voor de geldigheid van zijn beslissingen;3° de wijze van stemmen. § 2. Het huishoudelijk reglement van de directieraad wordt ter goedkeuring aan de minister voorgelegd en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De voorzitter van de directieraad wijst een ambtenaar van niveau A aan die de functie van secretaris uitoefent. De secretaris is niet stemgerechtigd. Art. II 4. Elke individuele beslissing betreffende personeelsleden wordt genomen bij geheime stemming over het gemotiveerd voorstel van de voorzitter, dat geformuleerd wordt na beraadslaging in de directieraad. TITEL 2. - De raad van beroep Art. II 5. De raad van beroep, opgericht bij het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende oprichting en samenstelling van een raad van beroep voor sommige Vlaamse openbare instellingen, neemt kennis van alle beroepen die krachtens deze rechtspositieregeling a) een ambtenaar of een stagiair kan instellen tegen de uitspraak van een tuchtstraf of van de schorsing in het belang van de dienst.b) een stagiair kan instellen tegen een voorstel tot negatieve evaluatie van de stage en de ambtenaar tegen de evaluatie onvoldoende of tegen een vormgebrek tijdens de evaluatieprocedure.c) een ambtenaar kan instellen tegen de weigering van het verlof voor verminderde prestaties en van het gecontingenteerd verlof. TITEL 3. - De leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar HOOFDSTUK 1. - Omkadering en bevoegdheden van algemene aard Art. II 6. De leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar beschikken over een secretariaat. Art. II 7. § 1 Onverminderd artikel II 6 kan de leidend ambtenaar bovendien één ambtenaar van rang A2 belasten met een staffunctie; deze ambtenaar kan niet tezelfdertijd afdelingshoofd zijn. § 2 Alleen de ambtenaren van rang A2 die over de generieke competenties van staflid beschikken kunnen met een staffunctie worden belast. De lijst van de generieke competenties wordt vastgesteld door de directieraad. Deze competenties kunnen door een test worden beoordeeld. De directieraad bepaalt de voorwaarden waaraan deze test moet voldoen. Art. II 8. § 1. De leidend ambtenaar is verantwoordelijk voor en beslist over de organisatie en het bestuur van de instelling. Hij coördineert de werkzaamheden en is belast met het toezicht op de werking ervan. Hij draagt zorg voor de coördinatie en de integratie van het beleid binnen de instelling en voor de relatie tussen de ambtenaren enerzijds en de minister en andere bevoegde leden van de Vlaamse regering anderzijds. In dit verband : - leidt en coördineert hij het opmaken van de begrotingsvoorstellen en ziet hij toe op de uitvoering ervan; - coördineert hij de beleidsvoorbereiding en stimuleert hij daartoe de samenwerking van de afdelingen met elkaar; - legt hij de behandelde zaken voor aan de bevoegde leden van de Vlaamse regering en voegt er zo nodig zijn opmerkingen aan toe; - zendt hij de dossiers en de instructies van de bevoegde leden van de Vlaamse regering aan de betrokken afdelingen; - adviseert hij de bevoegde leden van de Vlaamse regering over de wijze waarop en de mate waarin uitvoering kan worden gegeven aan beleidsvoorstellen en -beslissingen; - doet hij uit eigen beweging elk nuttig voorstel aan de leden van de Vlaamse regering die bevoegd zijn voor de materies waarbij de instelling betrokken is; - waakt hij over de deontologie van zijn ambtenaren, onder meer in het kader van de openbaarheid van bestuur; - waakt hij erover dat de beslissingen van de Vlaamse regering die de instelling aanbelangen, worden uitgevoerd en neemt hij daartoe de nodige initiatieven, met respect voor de vertrouwelijke aard van de hem toevertrouwde documenten. De leidend ambtenaar zit de directieraad voor en oordeelt over de opportuniteit van de behandeling van de in artikel II 2 bedoelde aangelegenheden. Hij oefent gezag uit over het personeel van de instelling en zorgt voor de tucht, de orde en de organisatie van de afdelingen. Hij neemt de voor de instelling bestemde zendingen in ontvangst, onverminderd de eventuele delegatie en ondertekent de briefwisseling inzake het functioneren van de instelling die de Vlaamse regering of de minister niet bindt. § 2. Alle bevoegdheden en taken van inwendige orde en van dagelijks bestuur, met uitzondering van de hierna opgesomde handelingen, berusten bij de leidend ambtenaar. § 3. Volgende handelingen moeten aan de Vlaamse minister, ter voorafgaandelijke goedkeuring of ondertekening worden voorgelegd : 1° alle briefwisseling met federale ministers of staatssecretarissen en met ministers van gemeenschaps- of gewestregeringen 2° zendingsopdrachten van de leidend ambtenaar van méér dan 3 dagen naar het buitenland. Art. II 9. § 1. De graad van afdelingshoofd wordt uitsluitend bij wege van mandaat begeven. Tijdens de uitoefening van het mandaat van afdelingshoofd, beschikt de ambtenaar over alle prerogatieven verbonden aan de functie van afdelingshoofd. Voor aanwijzing tot afdelingshoofd komen in aanmerking : 1° de ambtenaar van rang A2 en van rang A2L;2° de ambtenaar van rang A1 die de tweede salarisschaal in de functionele loopbaan van deze rang heeft bereikt en ten minste zes jaar graadanciënniteit telt. De ambtenaar van rang A2, die rechtstreeks in deze rang of als expert aangeworven wordt, dient 6 jaar graadanciënniteit te tellen vooraleer hij kan aangewezen worden tot afdelingshoofd. § 2. Het afdelingshoofd dat : 1° een verlof voor opdracht krijgt om een ambt uit te oefenen op het kabinet van een minister, een staatssecretaris, een gewestelijk staatssecretaris, een gouverneur van een Vlaamse provincie of de gouverneur of vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel Hoofdstad of van een Europees Commissaris;2° in een hoger ambt wordt aangesteld;3° op vraag van de Vlaamse regering de functie van projectleider uitoefent;4° langdurig afwezig is wegens ziekte;5° een verlof voor opdracht krijgt om een leidinggevende functie uit te oefenen bij een erkende politieke groep of bij de voorzitter van een erkende politieke groep;6° ter beschikking wordt gesteld van de Koning, een Prins of een Prinses van België; behoudt zijn mandaat van afdelingshoofd en kan in voormelde situaties vervangen worden door een afdelingshoofd ad interim. § 3. Alleen de ambtenaar die zowel over de generieke als over de afdelingsspecifieke competenties voor het leiden van een afdeling beschikt, kan tot afdelingshoofd worden aangewezen. De directieraad stelt de lijst van de generieke competenties vast. De afdelingsspecifieke competenties worden vastgesteld door de leidend ambtenaar en bekrachtigd door de minister. Art. II 9bis. De te begeven betrekkingen, de voorwaarden van aanwijzing in de betrekking van afdelingshoofd en de wijze waarop zij hun interesse kunnen kenbaar maken, worden meegedeeld aan alle in aanmerking komende ambtenaren. De gegadigden voor een te begeven betrekking van afdelingshoofd dienen eveneens een nota in waarin ze hun beleidsvisie formuleren op de invulling van de te begeven betrekking. Art. II 9ter § 1. De vereiste generieke competenties van de kandidaten voor de betrekking van afdelingshoofd worden beoordeeld door de directieraad. Deze houdt bij de beoordeling rekening met : 1° de potentieelinschatting op basis van de intern beschikbare informatie over de loopbaan en de elementen die door de gegadigde werd aangereikt;en 2° de potentieelinschatting op basis van een gedragsgerichte test. De directieraad bepaalt de voorwaarden waaraan de test moet voldoen en doet voor deze test een beroep op een externe instantie. § 2. De ambtenaren van wie de directieraad heeft vastgesteld dat zij aan de generieke competenties voldoen, worden gedurende 7 jaar na de beëindiging ervan tenzij het beëindigd werd door een functioneringsevaluatie onvoldoende vrijgesteld van de test bedoeld in § 1, tweede lid, 2°. De ambtenaren mogen tijdens hun loopbaan maximaal 4 keer deelnemen aan de test. De leidend ambtenaar die een functiewijziging heeft gekregen zonder functioneringsevaluatie « onvoldoende » wordt gedurende 7 jaar vanaf de functiewijziging vrijgesteld van de test bedoeld in § 1, tweede lid, 2°. De test voor de generieke competenties, bedoeld in artikel VI 27, 2° afgelegd door de adjunct-leidend ambtenaar wordt gelijkgesteld met de test bedoeld in § 1, tweede lid, 2°. Het afdelingshoofd wordt gedurende de uitoefening van zijn mandaat en gedurende 7 jaar na de beëindiging ervan tenzij het beëindigd werd door een functioneringsevaluatie onvoldoende vrijgesteld van de test bedoeld in § 1, tweede lid, 2°. Art. II 9quater. De leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar stellen per afdeling vast welke van de in aanmerking genomen gegadigden in aanmerking komen voor de betrekking van afdelingshoofd. Zij houden daarbij inzonderheid rekening met de afdelingsspecifieke competenties en de mondelinge verdediging van de beleidsvisie. Art. II 9quinquies. § 1. De leidend ambtenaar wijst in overleg met de adjunct-leidend ambtenaar uit de overeenkomstig het vorig artikel in aanmerking genomen gegadigden een ambtenaar aan voor de betrekking van afdelingshoofd. § 2. De leidend ambtenaar legt zijn beslissing tot aanwijzing voor aan de minister. De minister neemt de beslissing tot bekrachtiging of niet bekrachtiging binnen een termijn van twee maand na voorlegging van de aanwijzing. Zo niet is de aanwijzing van rechtswege bekrachtigd. Indien de minister beslist om de aanwijzing niet te bekrachtigen, legt de leidend ambtenaar binnen de twee maand een nieuwe aanwijzing voor of start in voorkomend geval opnieuw de procedure tot aanwijzing. Art. II 9sexies. Het afdelingshoofd behoudt gedurende zijn mandaat de functionele loopbaan in de graad waarin hij werd benoemd. De werkelijke diensten van de ambtenaar die als afdelingshoofd is aangesteld, worden in aanmerking genomen voor de vaststelling van de schaalanciënniteit in de functionele loopbaan. De aanwijzing tot afdelingshoofd houdt tevens de dienstaanwijzing in voor de betrokken ambtenaar. Art. II 9septies. De aanwijzing tot afdelingshoofd is een mandaat voor zes jaar, meermaals met dezelfde duur verlengbaar. De verlenging gebeurt stilzwijgend. Het mandaat wordt ambtshalve beëindigd bij een functioneringsevaluatie die met onvoldoende wordt besloten. De leidend ambtenaar kan in overleg met de adjunct-leidend ambtenaar een einde stellen aan het mandaat hetzij om functionele redenen hetzij op vraag van het afdelingshoofd zelf. Hij stelt de minister hiervan in kennis. In dat geval wordt voor de betrokken ambtenaar een gepaste dienstaanwijzing vastgesteld door de bevoegde overheid. Art II 9octies. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn eveneens van toepassing op de aanwijzing van het afdelingshoofd ad interim. Art. II 10. De adjunct-leidend ambtenaar is, binnen zijn bevoegdheden, medeverantwoordelijk voor het bestuur van de instelling. Hij wordt belast met de algemene diensten, waarover hij de bevoegdheden van een afdelingshoofd uitoefent. Hij rapporteert periodiek aan de leidend ambtenaar over het gebruik van de aan hem gedelegeerde bevoegdheden. Art. II 11. Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen II 8 en II 11 en bij ontstentenis van bijzondere bepalingen die vastgesteld zijn met betrekking tot een welbepaalde afdeling, is het afdelingshoofd voor zijn sector de hoogste ambtelijke autoriteit. In dit verband en onverminderd de bevoegdheden hem toegewezen krachtens artikel I 3, § 2 : 1° draagt hij met betrekking tot de aangelegenheden die eigen zijn aan de hem toevertrouwde afdeling de volle verantwoordelijkheid voor de adviezen die zij geven en de voorstellen die zij doen, alsmede voor de beleidsuitvoering;2° neemt hij de leiding, de organisatie en de coördinatie van het geheel van de hem toevertrouwde afdeling op zich, rekening houdend met de voor de instelling vastgestelde regelingen;3° oefent hij zijn gezag uit over het personeel van zijn afdeling en zorgt hij voor de motivatie van de ambtenaren en voor orde en tucht;4° ondertekent hij de briefwisseling inzake de algemene werking van zijn afdeling. Hij is verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur in zijn afdeling en signaleert elk probleem met betrekking tot het personeel, het functioneren, de organisatie of de huisvesting aan de leidend ambtenaar. Hij rapporteert periodiek aan de leidend ambtenaar over het gebruik van de aan hem gedelegeerde bevoegdheden. Hij is als lid van de directieraad en zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden ter zake van de leidend ambtenaar medeverantwoordelijk voor het bestuur van zijn afdeling. HOOFDSTUK 2 Specifieke bevoegdheden van de leidend ambtenaar inzake de algemene werking van de instelling Art. II 12. De leidend ambtenaar is bevoegd om, in het kader van de algemene werking van de instelling, bestekken voor werken, leveringen of diensten of de bescheiden die ze vervangen goed te keuren, de wijze te kiezen waarop de opdrachten worden gegund, opdrachten voor de aanneming van werken, leveringen of diensten te gunnen en in te staan voor de uitvoering ervan. Deze machtiging geldt slechts binnen de perken van de geopende kredieten en van de volgende ramingen of bedragen : 1° maximum 10 miljoen F.in geval van een openbare aanbesteding of een algemene offerteaanvraag; 2° maximum 5 miljoen F.in geval van een beperkte aanbesteding of een beperkte offerteaanvraag; 3° maximum 1,250 miljoen F.in geval van een onderhandse opdracht. Hij staat bovendien in voor de eenvoudige uitvoering van de opdrachten voor de aanneming van werken, leveringen of diensten die in het kader van het functioneren van de instelling werden gegund door de Vlaamse regering of het bevoegde lid ervan. Onder eenvoudige uitvoering dient te worden verstaan het treffen van alle maatregelen en beslissingen met het oog op de verwezenlijking van de opdracht binnen de perken van de aanneming, met uitzondering van de maatregelen en beslissingen die een beoordeling vanwege de gunnende overheid vereisen. Hij is tevens bevoegd om : 1° met betrekking tot de in het eerste lid vermelde opdrachten : a) gemotiveerde afwijkingen toe te staan op de essentiële bepalingen en voorwaarden, overeenkomstig art.8 van het koninklijk besluit van 26 september 1996 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken; b) boeten kwijt te schelden;2° met betrekking tot de in het eerste en het tweede lid vermelde opdrachten : a) prijsherzieningen, voortvloeiend uit de betrokken overeenkomsten, goed te keuren zonder beperking van bedrag;b) verrekeningen, andere dan voormelde herzieningen, goed te keuren in zover hieruit geen bijkomende uitgaven van meer dan 25 % voortvloeien en ze 1,250 miljoen F.niet overschrijden; 3° uitgaven voor het functioneren van de instelling goed te keuren, die buiten de toepassing vallen van de wetgeving op de overheidsopdrachten : onbeperkt voor portkosten, telefoonrekeningen en voor de levering van water, gas en elektriciteit;beperkt tot een bedrag van maximum 1 miljoen F. per beslissing in andere gevallen. Deze bevoegdheid geldt niet voor uitgaven die voortvloeien uit vonnissen of arresten, dadingen of schulderkenningen. De in de vorige leden vermelde bedragen zijn exclusief de belasting over de toegevoegde waarde. Art. II 13. Het gebruik van de in artikel II 14 bedoelde bevoegdheden wordt, behoudens wanneer het gaat om uitgaven die met geldvoorschotten worden betaald, trimestrieel aan de minister meegedeeld, via de directieraad. TITEL 4. - De tijdelijke vervanging Art. II 14. De leidend ambtenaar die tijdelijk afwezig of verhinderd is, wordt ambtshalve vervangen door de adjunct-leidend ambtenaar. Wanneer deze tijdelijk afwezig of verhinderd is, dan wordt de leidend ambtenaar vervangen door een ambtenaar van rang A2A, waarbij de volgende orde van voorrang wordt aangehouden: 1° de ambtenaar met de grootste graadanciënniteit;2° bij gelijke graadanciënniteit : diegene met de grootste niveauanciënniteit;3° bij gelijke niveauanciënniteit : diegene met de grootste dienstanciënniteit;4° bij gelijke dienstanciënniteit : de oudste. Art. II 15. De leidend ambtenaar kan kiezen uit de ambtenaren van de instelling om in een tijdelijke vervanging te voorzien van de afdelingshoofden. TITEL 5. - De opdrachthouders Art. II 16. In de instelling kunnen onder de ambtenaren maximum 2 opdrachthouders aangewezen worden, belast met specifieke opdrachten. Minimum één opdrachthouder wordt aangewezen ten behoeve van de vorming en/of het human resources management en de organisatieontwikkeling. Art. II 17. § 1. De opdrachthouders worden aangewezen door de leidend ambtenaar. De beslissing tot aanwijzing omvat de omschrijving en de duur van de opdracht en de motivering van de aanwijzing. De aanwijzing wordt bekrachtigd door de minister. § 2. Enkel de ambtenaren van rang A1 met ten minste drie jaar niveauanciënniteit kunnen tot opdrachthouder aangewezen worden. Zij worden voor de duur van hun opdracht bezoldigd in de salarisschaal die overeenstemt met de bevorderingsgraad in rang A2 van hun graad. In afwijking op het eerste lid en in uitzonderlijke gevallen kan mits er een uitdrukkelijke motivering gegeven wordt, een ambtenaar van rang A2 tot opdrachthouder worden aangewezen. Art. II 18. § 1. De opdrachthouder die aangewezen wordt ten behoeve van de vorming dient op het tijdstip van de aanwijzing een geschiktheidsbrevet inzake vorming te bezitten dat wordt toegekend overeenkomstig de bepalingen van § 2. De opdrachthouder die aangewezen wordt ten behoeve van het human resources management en de organisatieontwikkeling dient op het tijdstip van zijn aanwijzing houder te zijn van een geschiktheidsbrevet inzake human resources management en organisatieontwikkeling, toegekend overeenkomstig de bepalingen van § 2. § 2. De ambtenaar van rang A1 met 2 jaar en 6 maanden niveauanciënniteit kan zich kandidaat stellen om het geschikheidsbrevet te behalen. De directieraad vraagt de kandidaturen op aan de in aanmerking komende ambtenaren voor deelname aan een selectieproef die leidt tot een opleiding met het oog op het toekennen van het geschiktheidsbrevet inzake vorming of human resources management en organisatieontwikkeling. De ambtenaren die na deze proef geselecteerd zijn volgen verplicht een opleiding. De selectieproef en de opleiding worden georganiseerd door de administratie Personeelsontwikkeling van het ministerie van de Vlaamse gemeenschap. Na de vormingssessie evalueert de leidend ambtenaar van de administratie Personeelsontwikkeling van het ministerie de kandidaten. Op basis van deze evaluatie doet hij een gemotiveerd voorstel aan de directieraad van de instelling. Het voorstel van de leidend ambtenaar van de administratie Personeelsontwikkeling van het ministerie aan de directieraad van de instelling wordt meegedeeld aan de betrokken kandidaten. De kandidaat die zich benadeeld acht kan binnen de 15 kalenderdagen een bezwaarschrift indienen bij de directieraad. De directieraad neemt een gemotiveerde beslissing over de toekenning van het brevet. Het brevet heeft een geldigheidsduur van 8 jaar. Art. II 19. De opdrachthouders worden voor een termijn van twee jaar aangewezen. Deze termijn kan verlengd worden met vier jaar. De aanwijzing gaat in op de eerste van de maand volgend op de bekrachtiging door de minister. Art. II 20. § 1. De opdrachthouder behoudt tijdens de duur van de opdracht zijn dienstaanwijzing, evenals het recht op salarisverhoging of op bevordering tot een hogere graad, op dezelfde wijze als wanneer hij niet met een opdracht was belast. De beslissing tot loopbaanversnelling of -vertraging wordt voor de opdrachthouder genomen door de directieraad. § 2. De aanwijzing tot opdrachthouder vervalt van rechtswege door het verstrijken van de duur van het mandaat, na een ononderbroken afwezigheid van vier maanden of op de dag van de benoeming van de mandaathouder in een graad van rang A2 of hoger. De aanwijzing kan, mits er een motivering gegeven wordt, voortijdig beëindigd worden door de de leidend ambtenaar hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de betrokkene zelf. TITEL 6. - De preventieadviseur-coördinator en de preventieadviseurs van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk Art. II 21. § 1. Voor de instelling is er één interne dienst voor Preventie en Bescherming op het werk, hierna te noemen interne dienst Preventie en Bescherming, die wordt toegevoegd aan de leidend ambtenaar. § 2. De interne dienst Preventie en Bescherming is samengesteld uit één of meer preventieadviseurs. Zijn er in de dienst meerdere voltijdse preventieadviseurs, dan wordt hij geleid door een preventieadviseur-coördinator. § 3. De interne dienst Preventie en Bescherming is onafhankelijk. De preventieadviseur-coördinator of de preventieadviseur rapporteert rechtstreeks aan de leidend ambtenaar. Art. II 22. § 1 De graad van preventieadviseur-coördinator wordt uitsluitend bij wege van voltijds mandaat begeven. Voor aanwijzing tot preventieadviseur-coördinator komen zowel ambtenaren van rang A2 als van rang A1 in aanmerking. Zij dienen in het bezit te zijn van een getuigschrift veiligheid niveau 1 en te beschikken over de noodzakelijke competenties voor het uitoefenen van de functie. De directieraad stelt de lijst met de noodzakelijke competenties vast. § 2. De preventieadviseur-coördinator wordt aangewezen conform een procedure bepaald door de directieraad. In deze procedure wordt ten minste voorzien in een externe en / of intere potentieelinschatting als selectievoorwaarde. § 3 De aanwijzing tot preventieadviseur-coördinator is een mandaat voor zes jaar, meermaals met dezelfde duur verlengbaar. De verlenging gebeurt stilzwijgend. § 4 De preventieadviseur-coördinator behoudt gedurende zijn mandaat de functionele loopbaan in de graad waarin hij werd benoemd. De werkelijke diensten van de ambtenaar die als preventieadviseur-coördinator is aangewezen, worden in aanmerking genomen voor de vaststelling van de schaalanciënniteit in de functionele loopbaan. De aanwijzing tot preventieadviseur-coördinator houdt tevens de dienstaanwijzing in voor de betrokken ambtenaar. § 5 De overheid bevoegd voor de aanwijzing kan, op voorwaarde dat er een motivering gegevens wordt, en na akkoord of op verzoek van het bevoegde overlegcomité, om functionele redenen of op verzoek van de mandaathouder zelf, een einde maken aan het mandaat. Art. II 23. § 1. De functie van preventieadviseur staat open voor ambtenaren van rang A1 en van de niveaus B, C en D. Naargelang het functieprofiel dient de preventieadviseur houder te zijn van een getuigschrift veiligheid niveau 1 of van minimum een getuigschrift veiligheid niveau 2. § 2. De aanstelling in een functie van preventieadviseur gebeurt voltijds of deeltijds voor de duur van zes jaar en is meermaals met dezelfde duur verlengbaar. De verlenging gebeurt stilzwijgend. De overheid bevoegd voor de aanstelling kan, op voorwaarde dat er een motivering gegeven wordt, en na akkoord of op verzoek van het bevoegde overlegcomité, om functionele redenen of op verzoek van de functiehouder zelf, een einde maken aan de aanstelling. § 3. De ambtenaren die worden aangesteld als preventieadviseur, zijn voor de duur van hun opdracht, onderworpen aan het hiërarchisch gezag van de preventieadviseur-coördinator, voor zover er een preventieadviseur-coördinator is. Art. II 24. § 1. De leidend ambtenaar doet met het oog op de aanwijzing van een preventieadviseur-coördinator en de aanstelling van preventieadviseurs een oproep tot de ambtenaren van de instelling. De oproep omvat de toegangsvoorwaarden voor de betrekking, een functiebeschrijving en het gewenste profiel. De directieraad draagt voor elke betrekking ten minste twee kandidaten, die aan de gestelde voorwaarden voldoen, voor aan het bevoegde overlegcomité van de instelling. De leidend ambtenaar wijst op basis van een gemotiveerde beslissing de preventieadviseur-coördinator en de preventieadvisuers aan na voorafgaand akkoord van het bevoegde overlegcomité. Indien er geen akkoord bereikt wordt in het bevoegde overlegcomité over de voorgestelde kandidaten wordt de beslissing genomen door de minister. § 2. Indien de preventieadviseur-coördinator zijn eerste aanwijzing in het mandaat of één van de preventieadviseurs zijn eerste aanwijzing voortijdig beëindigt, wordt hij vervangen. De vervanger wordt gekozen uit de ambtenaren die zich kandidaat hebben gesteld en door de directieraad werden voorgedragen, overeenkomstig de procedure bepaald in § 1. § 3. De beslissing tot het toekennen van een loopbaanversnelling of een loopbaanvertraging wordt voor de preventieadviseur-coördinator en voor de preventieadviseurs genomen door de directieraad. TITEL 7. - De waarneming van een hoger ambt Art. II 25. § 1. Voor de toepassing van deze titel verstaat men onder hoger ambt, elk ambt dat overeenstemt met de in de personeelsformatie voorkomende betrekking van een graad van hogere rang dan waarvan de ambtenaar titularis is. § 2. Een ambtenaar kan worden aangesteld in een hoger ambt voor een betrekking van een graad die tijdelijk of definitief vacant is. Art. II 26. § 1. Ongeacht het feit of een ambtenaar voldoet aan de statutaire vereisten inzake anciënniteit of algemene diplomavereisten om te worden benoemd in de graad die overeenstemt met het hoger ambt, kan de ambtenaar slechts het hoger ambt verkrijgen in de eerstvolgende rang. § 2. De ambtenaar die een tuchtstraf opgelopen heeft mag niet aangesteld worden voor het uitoefenen van een hoger ambt vooraleer zijn straf doorgehaald is. Art. II 27. De uitoefening van het hoger ambt wordt toevertrouwd aan de ambtenaar die het meest geschikt bevonden wordt om in de onmiddellijke dienstbehoeften te voorzien. Art. II 28. § 1. De Vlaamse regering beslist over de tijdelijke aanstelling in een betrekking van leidend ambtenaar en adjunct-leidend ambtenaar, op voorstel van de minister. § 2. De minister beslist over de tijdelijke aanstelling in een betrekking van rang A2, na advies van de leidend ambtenaar. § 3. De leidend ambtenaar beslist over de tijdelijke aanstelling in een betrekking van rang A1 en van niveau B, C en D, na advies van de directieraad. Art. II 29. § 1. In een tijdelijk vacante betrekking kan de ambtenaar voor de duur van de afwezigheid aangesteld worden tot de titularis van de graad opnieuw zijn ambt opneemt. § 2. Een definitief vacante betrekking kan slechts voor ten hoogste één jaar via een tijdelijke aanstelling waargenomen worden op voorwaarde dat de procedure tot definitieve toekenning van die betrekking wordt ingezet. § 3. De duur van de aanstelling wordt bepaald volgens de dienstbehoeften. Indien de inspecteur van financiën ongunstig advies uitbrengt, vraagt de bevoegde overheid het akkoord van de minister. § 4. De akte tot aanstelling vermeldt : 1° een omschrijving van het ambt dat definitief vacant is of dat tijdelijk vacant is, zijn laatste of huidige titularis en de reden van diens vertrek of afwezigheid;2° een verantwoording van de noodzaak om in de vacature een hoger ambt toe te kennen;3° een verantwoording van de keuze van de voorgestelde ambtenaar. Art. II 30. Een ambtenaar die met een hoger ambt is belast, beschikt over alle aan dat ambt verbonden prerogatieven. DEEL III. - RECHTEN EN PLICHTEN Artikel III 1. De ambtenaar heeft het recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan hij kennis heeft uit hoofde van zijn ambt. Indien hij vastgesteld heeft dat het belang van de openbaarmaking niet opweegt tegen de bescherming van een van de volgende belangen is het hem enkel verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op - de veiligheid van het land; - de bescherming van de openbare orde; - de financiële belangen van de overheid; - maatregelen ter voorkoming en bestraffing van strafbare feiten; - het medisch geheim; - het vertrouwelijk karakter van commerciële, intellectuele en industriële gegevens, tenzij de betrokkene met de inzage, de uitleg of de mededeling in afschrift ervan heeft ingestemd; - de rechten en de vrijheden van de burger, en in het bijzonder het recht op eerbied voor het privé-leven, tenzij de betrokkene toestemming heeft verleend om op hem betrekking hebbende gegevens openbaar te maken, - het intern beraad dat voorafgaat aan elke beslissing, indien het bestuursdocumenten betreft waarvan de openbaarmaking aanleiding kan geven tot misvatting omdat het document niet af of onvolledig is; of indien het een advies of een mening betreft die uit vrije wil en vertrouwelijk aan de overheid is meegedeeld; of indien het een beraad betreft dat kennelijk onredelijk is of kennelijk te vaag geformuleerd is. Dit artikel geldt eveneens voor de ambtenaar die zijn ambt heeft neergelegd. Art. III 2. § 1. De ambtenaar heeft recht op informatie en voortgezette vorming zowel wat alle aspecten betreft die nuttig zijn voor de taakvervulling, als om te kunnen voldoen aan de evaluatiecriteria en bevorderingsvereisten. De vorming moet hem worden verstrekt wanneer ze een bevorderingsvoorwaarde is of een onderdeel van de evaluatiecriteria uitmaakt. De ambtenaar heeft recht op vorming voor persoonlijke vervolmaking voor zover dit kadert in de globale organisatorische doelstellingen van zijn dienst. § 2. De ambtenaar dient zich op de hoogte te houden van de evolutie van de technieken, reglementeringen en navorsingen in de materies waarmee hij beroepshalve belast is. § 3. De vorming is een plicht wanneer zij noodzakelijk blijkt voor een betere uitoefening van de functie of het functioneren van een afdeling of wanneer zij een onderdeel uitmaakt van een herstructurering, reorganisatie van een afdeling of een implementatie van nieuwe technieken en infrastructuur. Voor de ambtenaar van niveau A kan deze vorming plaatsvinden buiten en bovenop de normale arbeidsprestaties, eventueel zonder compensatie. De onkosten die inherent zijn aan de deelname aan deze vormingsactiviteiten worden gedragen door de instelling. Art. III 3. Elke ambtenaar heeft het recht zijn persoonlijk dossier te raadplegen. Het persoonlijk dossier van de ambtenaar bevat ten minste de administratieve stukken zoals bepaald in bijlage 1 bij dit besluit. Aanbevelingen waaruit een levensbeschouwelijke, ideologische of politieke overtuiging blijkt mogen niet voorkomen in het administratief dossier. Art. III 4. § 1. De ambtenaar oefent zijn ambt op loyale en integere wijze uit onder het gezag van zijn hiërarchische meerderen die verantwoordelijk zijn voor de gegeven opdrachten. Hij moet inzonderheid : 1° in zijn handelingen en gedragingen in de uitoefening van zijn taken, de van kracht zijnde wetten, decreten en reglementeringen, de richtlijnen van de overheid waarvan hij afhangt alsmede de billijkheids- en doelmatigheidsaspecten in acht nemen;2° zijn raadgevingen, adviezen, opties en verslagen formuleren op basis van een precieze, volledige en praktische voorstelling van de feiten;3° zorgvuldig, plichtsbewust en met inachtneming van de richtlijnen van de overheid waarvan hij afhangt, de beslissingen uitvoeren en de desbetreffende programma's verwezenlijken en zelf de nodige initiatieven aan de dag leggen;4° in de omgang met meerderen, collega's of ondergeschikten en in zijn contacten met het publiek, de persoonlijke waardigheid respecteren. § 2. De ambtenaar verleent zijn medewerking aan beleidsvoorbereidend werk en neemt actief deel aan teamwerk. § 3. De ambtenaar vervult zijn ambt met openheid en zonder enige discriminatie tegenover de gebruikers van zijn dienst. Art. III 5. § 1. Buiten de uitoefening van zijn ambt moet de ambtenaar elke handelwijze vermijden die het vertrouwen van het publiek in zijn dienst kan aantasten. § 2. Zelfs buiten zijn ambt maar in verband ermee, mag de ambtenaar rechtstreeks of bij tussenpersoon, geen giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen. Art. III 6. De hoedanigheid van ambtenaar is onverenigbaar met elke activiteit die de ambtenaar zelf of via een tussenpersoon verricht en die : 1° verhindert dat hij zijn ambtsplichten vervult;2° met de waardigheid van het ambt in strijd is;3° zijn onafhankelijkheid in het gedrang brengt of;4° een strijdigheid van belangen tot gevolg heeft. De cumulatie van activiteiten binnen de beperkingen van het eerste lid wordt geregeld overeenkomstig deel IV van dit besluit. De personeelsleden van de instelling volgen de deontologische code, zoals vastgesteld in bijlage 13 bij dit besluit. De minister kan de deontologische code aanvullen met bepalingen die specifiek zijn voor de instelling. Art. III 7. De bepalingen van dit deel zijn eveneens van toepassing op de stagiairs. DEEL IV. - CUMULATIE VAN BEROEPSACTIVITEITEN TITEL 1. - Definities Artikel IV 1. Voor de toepassing van dit deel wordt verstaan onder : 1° "beroepsactiviteit" : a) elke bezigheid waarvan de opbrengst als een bedrijfsinkomen belastbaar is overeenkomstig het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992;b) elke, zelfs onbezoldigde, opdracht of dienst in particuliere zaken met winstoogmerk. In afwijking van sub littera a) wordt een politiek mandaat of een ambt dat ermee gelijkgesteld kan worden niet beschouwd als een beroepsactiviteit. 2° "beroepsactiviteit inherent aan de uitoefening van het ambt" : a) elke opdracht die ingevolge een wettelijke, decretale of reglementaire bepaling verbonden is aan het ambt dat de ambtenaar uitoefent;b) elke opdracht waarvoor de ambtenaar wordt aangewezen door de overheid waaronder hij ressorteert.3° "diensturen" : de stamtijden, in de diensten waar de variabele werktijd wordt toegepast. In de andere diensten bepaalt de bevoegde overheid wat onder diensturen moet worden verstaan. Voor de toepassing van dit deel worden de uren van afwezigheid waarvoor dienstvrijstelling werd verleend, als diensturen beschouwd. TITEL 2. - Cumulatie van activiteiten buiten de diensturen Art. IV 2. Onverminderd artikel III 6 mag de ambtenaar activiteiten en beroepsactiviteiten buiten de diensturen cumuleren met de beroepsactiviteiten binnen de diensturen. Art. IV 3. § 1. Onverminderd andersluidende reglementaire bepalingen mag de ambtenaar die toestemming kreeg zijn ambt met verminderde prestaties uit te oefenen of volledig afwezig te zijn, beroepsactiviteiten cumuleren inzover hij tijdens zijn afwezigheid : 1° geen salaris verkrijgt van de overheid waaronder hij ressorteert en 2° zich in een administratieve toestand bevindt waarin hij geen recht op bevordering en op bevordering tot een hogere salaris kan doen gelden. § 2. Indien aan de in § 1, 1° of 2° vermelde voorwaarden niet voldaan is, valt de cumulatiemachtiging onder de regeling van cumulatie van beroepsactiviteiten binnen de diensturen. TITEL 3. - Cumulatie van beroepsactiviteiten binnen de diensturen Art. IV 4. De ambtenaar mag geen beroepsactiviteiten cumuleren binnen de diensturen. Art. IV 5. Onverminderd andere meer beperkende bepalingen wordt in afwijking van artikel IV 4 de cumulatie van beroepsactiviteiten binnen de diensturen die inherent zijn aan de uitoefening van het ambt, van rechtswege uitgeoefend. Art. IV 6. § 1. De cumulatie van beroepsactiviteiten binnen de diensturen die niet inherent zijn aan het ambt, kan, in afwijking van artikel IV 4 en onverminderd artikel III 6, toegestaan worden indien deze activiteiten zonder nadeel voor de dienst of voor het publiek uitgeoefend kunnen worden. § 2. De lijst van cumulaties bedoeld in § 1 zal jaarlijks bij omzendbrief bekendgemaakt worden. TITEL 4. - De procedure Art. IV 7. Om de in artikel IV 6 bedoelde toestemming tot cumulatie te verkrijgen dient de ambtenaar aangetekend of tegen ontvangstbewijs een schriftelijke en voorafgaande aanvraag in bij de leidend ambtenaar volgens een modelformulier dat als bijlage 2 bij dit besluit is gevoegd en door zijn personeelsdienst wordt verstrekt. Terzelfdertijd bezorgt de ambtenaar een afschrift van de aanvraag aan het afdelingshoofd. Art. IV 8. De cumulatiemachtiging bedoeld in artikel IV 6 wordt verleend overeenkomstig de volgende procedure : 1° het afdelingshoofd brengt een schriftelijk gemotiveerd advies uit bij de leidend ambtenaar binnen de 15 kalenderdagen na ontvangst van het afschrift van de aanvraag, 2° indien de aanvraag volledig is, neemt de leidend ambtenaar een beslissing tot toestemming of weigering;binnen dertig kalenderdagen na de datum van de aanvraag; 3° de ambtenaar wordt binnen dertig kalenderdagen na de datum van zijn aanvraag in kennis gesteld van de gemotiveerde beslissing van de leidend ambtenaar tot toestemming of tot weigering. De termijn van dertig kalenderdagen, vermeld in het vorige lid, 2° en 3° gaat in op de datum van afgifte ter post van de aangetekende brief of op datum van het ontvangstbewijs, vermeld in artikel IV 7 eerste lid. Art. IV 9. Onverminderd de bepalingen van dit deel dienen de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar een aanvraag tot cumulatie van ambten in bij de minister; deze laatste staat de cumulatie toe of weigert binnen de 15 kalenderdagen ingaande op de datum van afgifte ter post van de aangetekende brief of op de datum van het ontvangstbewijs vermeld in artikel IV 7 eerste lid. Art. IV 10. Indien de nodige inlichtingen in het dossier niet voorhanden zijn, wordt hierom gevraagd door de afdeling Personeel binnen een termijn van 15 kalenderdagen die begint op de datum van de afgifte ter post van de aangetekende brief of op de datum van het ontvangstbewijs vermeld in artikel IV 7 eerste lid. De ambtenaar verstrekt de gevraagde inlichtingen binnen een termijn van 30 kalenderdagen, zo niet wordt de aanvraag als vervallen beschouwd. De termijnen vermeld in het eerste en tweede lid schorten de in de artikelen IV 8 en IV 9 bepaalde termijnen op. Art. IV 11. De toestemming kan worden herroepen. De beslissing tot toestemming, tot weigering en tot herroeping wordt met redenen omkleed. Art. IV 12. De personeelsleden van de instelling volgen de deontologische code inzake cumulaties zoals vastgesteld in bijlage 13 bij dit besluit. De minister kan de deontologische code aanvullen met bepalingen die specifiek zijn voor de instelling. Art. IV 13. De bepalingen van dit deel zijn eveneens van toepassing op de stagiairs. DEEL V. - HET DOELTREFFEND INZETTEN VAN HET PERSONEEL TITEL 1. - Algemene bepalingen Artikel V 1. § 1. Jaarlijks wordt er in de maand januari door de leidend ambtenaar een verslag opgemaakt over de personeelsbezetting in de instelling. Het verslag wordt voorgelegd aan de directieraad en wordt toegestuurd aan de minister. § 2. Op basis van het in § 1 vermelde verslag stelt de directieraad het tekort aan personeel en het overtallig personeel in de instelling vast en/of raamt het overtollig personeel. Het personeel is overtallig wanneer de bezetting het formatiecijfer overtreft. Het personeel is overtollig wanneer er teveel personeel is in relatie tot de behoeften of taken van de instelling. Art. V 2. § 1. Onverminderd de mogelijkheid om de personeelsformatie aan te passen, wordt het personeel binnen de instelling in dienst gehouden. § 2. Het tekort aan personeel in de instelling wordt opgevuld via aanwervingsplannen opgesteld door de directieraad en goedgekeurd door de minister. Art. V 3. Wanneer op verschillende wijzen in een vacante betrekking kan worden voorzien en er geen bepaling is die een bepaalde wijze voorschrijft, kiest de benoemende overheid, nl. de minister voor betrekkingen van rang A2 en de leidend ambtenaar voor de betrekkingen van rang A1 en van de niveaus B, C, D en E op gemotiveerde wijze hoe zij de betrekkingen in de instelling opvult. 1° een vacante betrekking in de begingraad van elk niveau : a) door bevordering van de geslaagden voor de vergelijkende overgangsexamens na oproep gericht tot de geslaagden van de instelling of b) door aanwerving of;c) door overplaatsing.2° een vacante betrekking in een hiërarchisch hogere graad dan de begingraad van elk niveau : a) door een interne oproep bij wijze van bevordering b) door aanwerving of c) door overplaatsing. Art. V 4. Onverminderd de bepalingen van deze titel kan de leidend ambtenaar na advies van de directieraad en mits motivering de dienstaanwijzing wijzigen van personeelsleden van niveau B, C, D en E en van rang A1. TITEL 2. - De herplaatsing HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied Art. V 5. Op herplaatsing kunnen, overeenkomstig de bepalingen van deze titel, aanspraak maken : 1° de ambtenaar die wegens enigerlei oorzaak, zoals een terugzetting in graad, het vernietigen of het intrekken van een bevordering, het vacantverklaren van zijn betrekking tijdens een langdurig verlof, moet worden aangewezen voor een andere dan zijn eigen betrekking;2° de ambtenaar die door de arbeidsgeneeskundige dienst voor de uitoefening van zijn ambt ongeschikt werd bevonden, maar die opnieuw kan geplaatst worden in een andere functie die verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand, ongeacht of hij ziek was of het slachtoffer was van een arbeidsongeval of een beroepsziekte. HOOFDSTUK 2. - Nadere bepalingen inzake herplaatsing Art. V 6. De herplaatsing gebeurt met inachtneming van de bijzondere eisen voor het bekleden van het ambt, de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel van de kandidaat. Art. V 7. De herplaatsing van een ambtenaar gebeurt in een vacante betrekking in zijn graad of in een graad van dezelfde rang of bij gebrek aan vacatures in overtal op die graad. Hoe dan ook behoudt de ambtenaar zijn graad en de daaraan verbonden salarisschaal. Art. V 8. De herplaatsing van de ambtenaar om medische redenen, in een andere functie die verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand zoals bepaald in artikel V 5 - 2°, gebeurt in een graad van zijn rang of in een lagere rang. In afwijking van artikel V 7 heeft deze herplaatsing de benoeming in de nieuwe graad tot gevolg. De ambtenaar wordt ingeschaald in de nieuwe salarisschaal overeenkomstig artikel XIII 19 § 2. TITEL 3. - De overplaatsing Art. V 9. Voor de toepassing van deze titel wordt onder overplaatsing verstaan de overgang van een ambtenaar naar de instelling vanuit een andere instelling die over een gelijkaardig personeelsstatuut beschikt, zonder dat er een verandering van graad of een verhoging in graad mee gepaard gaat en nadat er een algemene oproep tot de kandidaten gedaan werd. Art. V 10. De vacantverklaring van de betrekkingen die bij wijze van overplaatsing opgevuld worden gebeurt door de benoemende overheid en na advies van de directieraad. Art. V 11. § 1. Het bericht dat een betrekking bij wijze van overplaatsing kan begeven worden, omvat inzake de te verlenen betrekking : 1° de graad;2° een functieomschrijving;3° het gewenste profiel. § 2. De kennisgeving van de vacature gebeurt door de publicatie van de oproep in het Belgisch Staatsblad. § 3. Om geldig te zijn moet de kandidaatstelling beantwoorden aan de voorschriften van het vacaturebericht en per aangetekende brief worden verzonden, binnen dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de eerste werkdag na de datum van publicatie van het vacaturebericht in het Belgisch Staatsblad. Voor de kandidaatstelling geldt de datum van de poststempel als indieningsdatum. De kandidaatstelling omvat een uiteenzetting van de aanspraken en wordt ingediend met het modelformulier dat als bijlage 3 bij dit besluit gevoegd is. § 4. De ambtenaar die zich kandidaat stelt voor een overplaatsing zendt een afschrift van zijn kandidaatstelling aan de leidend ambtenaar van de instelling waar hij is tewerkgesteld. Art. V 12. § 1. De ambtenaar kan slechts een overplaatsing verkrijgen indien hij : 1° in dienst getreden is via een vergelijkend wervingsexamen georganiseerd door het Vast Wervingssecretariaat of de instelling;2° titularis is van de graad van de te verlenen betrekking;3° geen "onvoldoende" voor zijn functioneringsevaluatie heeft;4° zich in de administratieve toestand "dienstactiviteit" bevindt;5° voldoet aan de specifieke voorwaarden die overeenkomstig dit besluit voorgeschreven zijn om dat ambt uit te oefenen. § 2. De beslissing tot overplaatsing houdt rekening met : 1° de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel van de kandidaat;2° de functioneringsevaluatie;3° het advies bedoeld in artikel V 13. Art. V 13. De overplaatsing naar een betrekking van rang A2 en lager wordt verleend door de benoemende overheden, na advies van de directieraad van de ontvangende instelling. Art. V 14. De overgeplaatste ambtenaar bekomt na zijn overplaatsing nooit een lagere wedde dan die welke hij op het tijdstip van zijn overplaatsing genoot. Hij behoudt zijn graad-, niveau-, dienst-, schaal- en geldelijke anciënniteit die hij op het tijdstip van zijn overplaatsing genoot. DEEL VI. - DE AANWERVING TITEL 1. - De toelatingsvoorwaarden Artikel VI 1. § 1. Voor de toegang tot een ambt in de instelling gelden de volgende algemene toelatingsvoorwaarden : 1° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° aan de dienstplichtwetten voldoen; 4° de lichamelijke geschiktheid bezitten die vereist is voor het uit te oefenen ambt.; De Sociaal-Medische Rijksdienst controleert de vereiste lichamelijke geschiktheid. Het onderzoek wordt aangevraagd door de Vast Wervingssecretaris indien de aanwervingsprocedure via hem verloopt, of in het andere geval door de leidend ambtenaar. § 2. De ambten waarvoor in de functiebeschrijving en het profiel bepaald wordt dat zij een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan de uitoefening van het openbaar gezag inhouden of die werkzaamheden omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de Vlaamse Gemeenschap worden voorbehouden voor Belgen. TITEL 2. - De aanwerving HOOFDSTUK 1. - De aanwervingsvoorwaarden Art. VI 2. § 1. Als ambtenaar kan enkel worden aangeworven wie aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° in het bezit zijn van een diploma of studiegetuigschrift, dat overeenkomt met het niveau van de te verlenen graad volgens de bij dit besluit gevoegde tabel als bijlage 4 en behalve de uitzonderingen bepaald door de Vast Wervingssecretaris; De diploma's of studiegetuigschriften die toegang verlenen tot een bepaald niveau kunnen in aanmerking worden genomen voor de toelating tot de graden van lagere niveaus voor zover dit uitdrukkelijk in de functiebeschrijving of het examenreglement wordt bepaald; 2° slagen voor het vergelijkend aanwervingsexamen georganiseerd door het Vast Wervingssecretariaat. § 2. De Vast Wervingssecretaris stelt bij het organiseren van een vergelijkend aanwervingsexamen de datum vast waarop de gegadigden moeten voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden en de aanwervingsvoorwaarden, onverminderd de toepassing van artikel VI 3 § 2 wat het bezit van het vereiste diploma betreft. Hij staat in voor de controle van deze vereisten en voorwaarden met uitzondering van de lichamelijke geschiktheid. Art. VI 3. In afwijking van artikel VI 2 - 2° worden ook de laatstejaarsscholieren tot het vergelijkend aanwervingsexamen toegelaten. De aldus toegelaten kandidaten kunnen slechts tot de stage worden toegelaten vanaf de dag waarop zij aan de Vast Wervingssecretaris het vereiste diploma of studiegetuigschrift hebben voorgelegd. Art. VI 4. § 1. In overeenstemming met de aard van het ambt en op basis van de functiebeschrijving en het competentieprofiel kunnen na overleg met de Vast Wervingssecretaris, de volgende bijzondere aanwervingsvoorwaarden opgelegd worden : 1° een minimumleeftijd;2° bijzondere eisen inzake beroepsbekwaamheid en/of lichamelijke geschiktheid;3° het bezit van diploma's of studiegetuigschriften aan te wijzen onder die welke zijn opgesomd in de tabel als bijlage 4 bij dit besluit, of van bijzondere studie- of opleidingsdiploma's of getuigschriften. § 2. De Vast Wervingssecretaris stelt bij het organiseren van een vergelijkend aanwervingsexamen de datum vast waarop de gegadigden moeten voldoen aan de bijzondere aanwervingsvoorwaarden. Hij staat in voor de controle van deze vereisten en voorwaarden met uitzondering van de bijzondere eisen inzake lichamelijke geschiktheid. HOOFDSTUK 2. - De vergelijkende aanwervingsexamens Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. VI 5. De Vast Wervingssecretaris organiseert de vergelijkende aanwervingsexamens op aanvraag van de leidend ambtenaar van de instelling die hiertoe beslist binnen de perken van het door de minister, goedgekeurd aanwervingsplan. De Vast Wervingssecretaris kondigt elk vergelijkend aanwervingsexamen ten minste aan in het Belgisch Staatsblad. Art. VI 6. § 1. De Vast Wervingssecretaris bepaalt de modaliteiten van de vergelijkende aanwervingsexamens in overleg met de leidend ambtenaar. Onder modaliteiten wordt verstaan : 1° de vaststelling van het huishoudelijk reglement betreffende de organisatie van de examens en de bekendmaking ervan;2° de vaststelling van het examenreglement waarin : a) de termijn waarbinnen de inschrijvingen kunnen worden aanvaard, wordt bepaald;b) het examenprogramma en de deelnemingsvoorwaarden worden vermeld en de datum wordt vastgesteld waarop aan deze voorwaarden moet worden voldaan;c) het aantal punten wordt bepaald dat aan het volledig examen, aan ieder examengedeelte en desgevallend aan de onderverdelingen ervan wordt toegekend;d) het minimum aantal punten wordt bepaald dat voor het volledig examen, voor ieder examengedeelte en eventueel voor de onderverdelingen ervan wordt vereist;3° de aanwijzing van de leden van de examencommissies;4° de bepaling van datum en plaats van het examen;5° de vaststelling van de lijst van de kandidaten;6° de oproeping van de kandidaten;7° het opmaken van het proces-verbaal dat de rangschikking van de geslaagden vaststelt;8° de kennisgeving aan de kandidaten van het behaalde resultaat. § 2. De Vast Wervingssecretaris bepaalt de samenstelling van de examencommissies. Art. VI 7. § 1. De vergelijkende aanwervingsexamens worden georganiseerd voor benoeming in de graden van de laagste rang van elk niveau en eventueel in de graden van de andere rangen, opgenomen in bijlage 7 bij dit besluit. § 2. In afwijking van artikel VI 2, § 1 -2° mogen bij aanwerving in rang A2, de ambtenaren van de instelling van de onmiddellijk lagere rang meedingen indien geen specifiek universitair diploma vereist wordt en mits zij voldoen aan de andere gestelde voorwaarden. Afdeling 2. - Het programma Art. VI 8. De leidend ambtenaar stelt de programma's van de vergelijkende aanwervingsexamens vast na overleg met de Vast Wervingssecretaris. De programma's toetsen de vereiste geschiktheid van de kandidaten om de te verlenen functie uit te oefenen. Voor een zelfde graad kunnen het programma van het vergelijkend aanwervingsexamen en dat van het vergelijkend examen voor overgang naar het andere niveau verschillend zijn. Art. VI 9. De vergelijkende aanwervingsexamens bestaan uit drie gedeelten : 1° een gedeelte dat tot doel heeft de basisvaardigheden voor het uitoefenen van de te verlenen graad te evalueren;2° een gedeelte dat tot doel heeft de vaardigheden tot schriftelijke communicatie te evalueren;3° een gedeelte bestaande uit een interview dat tot doel heeft na te gaan of het profiel van de kandidaat overeenstemt met de specifieke vereisten van de functie. Alleen de kandidaten die geslaagd zijn voor de reeds georganiseerde gedeelten kunnen tot het volgende gedeelte worden toegelaten. Wanneer de aard van de functies het wettigt, kan de leidend ambtenaar in overleg met de Vast Wervingssecretaris het vergelijkend aanwervingsexamen beperken tot één of twee gedeelten. Art. VI 10. De Vast Wervingssecretaris bepaalt de duur en de volgorde van de verschillende examengedeelten. Een mondeling examengedeelte wordt afgenomen in aanwezigheid van ten minste twee bijzitters. Art. VI 11. Iedere gegadigde die voor een vergelijkend aanwervingsexamen inschrijft, ontvangt op aanvraag het reglement. Afdeling 3. - Bijzondere bepalingen Art. VI 12. De leidend ambtenaar kan rekening houdend met de aanwervingsvooruitzichten gedurende de geldigheidstermijn van het examen, het maximum aantal kandidaten bepalen dat : - tot een volgend examengedeelte wordt toegelaten; - als geslaagd voor het volledig examen aanvaard kan worden. Deze bepaling wordt opgenomen in het examenreglement. Dit maximum wordt verminderd indien niet voldoende kandidaten het vastgestelde minimum aantal punten hebben behaald. Het wordt verho …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.