Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Besluit van de Vlaamse regering houdende organisatie van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest en de regeling van de rechtsposi

Kort samengevat

Dit besluit regelt de organisatie van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest en de rechtspositie van haar personeel. Het stelt de regels vast voor zowel ambtenaren als contractuele medewerkers binnen deze instelling.

Wat het regelt

  • De organisatie en werking van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest.
  • De administratieve en geldelijke rechtstoestand van ambtenaren en stagiairs.
  • De aanwerving, toelatingsvoorwaarden en arbeidsvoorwaarden van contractuele personeelsleden.
  • De samenstelling en bevoegdheden van de directieraad en de raad van beroep.

Wie het aanbelangt

  • De Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest.
  • Het personeel van deze instelling, inclusief ambtenaren, stagiairs en contractuele personeelsleden.

Kernpunten

  • Het besluit is van toepassing op de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest en haar personeel.
  • De instelling wordt bestuurd door een directieraad, voorgezeten door de leidend ambtenaar en samengesteld uit de leidend ambtenaar, de adjunct-leidend ambtenaar en de afdelingshoofden.
  • De leidend ambtenaar is verantwoordelijk voor de organisatie en het bestuur van de instelling, coördineert de werkzaamheden en oefent gezag uit over het personeel.
  • Aan de personeelsbehoeften wordt voldaan door ambtenaren en stagiairs; contractuele personeelsleden kunnen uitzonderlijk worden ingezet om specifieke redenen.
Wettekst
Wettekst

MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP 29 OKTOBER 1999. - Besluit van de Vlaamse regering houdende organisatie van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest en de regeling van de rec

sub littera

  1. a)wordt een politiek mandaat of een ambt dat ermee gelijkgesteld kan worden niet beschouwd als een beroepsactiviteit. 2° "beroepsactiviteit inherent aan de uitoefening van het ambt" :
  2. a)elke opdracht die ingevolge een wettelijke, decretale of reglementaire bepaling verbonden is aan het ambt dat de ambtenaar uitoefent;
  3. b)elke opdracht waarvoor de ambtenaar wordt aangewezen door de overheid waaronder hij ressorteert.3° "diensturen" : de stamtijden, in de diensten waar de variabele werktijd wordt toegepast. In de andere diensten bepaalt de bevoegde overheid wat onder diensturen moet worden verstaan. Voor de toepassing van dit deel worden de uren van afwezigheid waarvoor dienstvrijstelling werd verleend, als diensturen beschouwd. TITEL 2. - Cumulatie van activiteiten buiten de diensturen Art. IV 2. Onverminderd artikel III 6 mag de ambtenaar activiteiten en beroepsactiviteiten buiten de diensturen cumuleren met de beroepsactiviteiten binnen de diensturen. Art. IV 3. § 1. Onverminderd andersluidende reglementaire bepalingen mag de ambtenaar die toestemming kreeg zijn ambt met verminderde prestaties uit te oefenen of volledig afwezig te zijn, beroepsactiviteiten cumuleren inzover hij tijdens zijn afwezigheid : 1° geen salaris verkrijgt van de overheid waaronder hij ressorteert en 2° zich in een administratieve toestand bevindt waarin hij geen recht op bevordering en op bevordering tot een hogere salaris kan doen gelden. § 2. Indien aan de in § 1, 1° of 2° vermelde voorwaarden niet voldaan is, valt de cumulatiemachtiging onder de regeling van cumulatie van beroepsactiviteiten binnen de diensturen. TITEL 3. - Cumulatie van beroepsactiviteiten binnen de diensturen Art. IV 4. De ambtenaar mag geen beroepsactiviteiten cumuleren binnen de diensturen. Art. IV 5. Onverminderd andere meer beperkende bepalingen wordt

artikel IV 4 de cumulatie van beroepsactiviteiten binnen de diensturen die inherent zijn aan de uitoefening van het ambt, van rechtswege uitgeoefend. Art. IV

  1. §
  2. De cumulatie van beroepsactiviteiten binnen de diensturen die niet inherent zijn aan het ambt, kan,

artikel IV 4 en onverminderd artikel III 6, toegestaan worden indien deze activiteiten zonder nadeel voor de dienst of voor het publiek uitgeoefend kunnen worden. §

  1. De lijst van cumulaties bedoeld in § 1 zal jaarlijks bij omzendbrief bekendgemaakt worden. TITEL
  2. - De procedure Art. IV
  3. Om de in artikel IV 6 bedoelde toestemming tot cumulatie te verkrijgen dient de ambtenaar aangetekend of tegen ontvangstbewijs een schriftelijke en voorafgaande aanvraag in bij de leidend ambtenaar volgens een modelformulier dat als bijlage 2 bij dit besluit is gevoegd en door zijn personeelsdienst wordt verstrekt. Terzelfdertijd bezorgt de ambtenaar een afschrift van de aanvraag aan het afdelingshoofd. Art. IV
  4. De cumulatiemachtiging bedoeld in artikel IV 6 wordt verleend overeenkomstig de volgende procedure : 1° het afdelingshoofd brengt een schriftelijk gemotiveerd advies uit bij de leidend ambtenaar binnen de 15 kalenderdagen na ontvangst van het afschrift van de aanvraag, 2° indien de aanvraag volledig is, neemt de leidend ambtenaar een beslissing tot toestemming of weigering;binnen dertig kalenderdagen na de datum van de aanvraag; 3° de ambtenaar wordt binnen dertig kalenderdagen na de datum van zijn aanvraag in kennis gesteld van de gemotiveerde beslissing van de leidend ambtenaar tot toestemming of tot weigering. De termijn van dertig kalenderdagen, vermeld in het vorige lid, 2° en 3° gaat in op de datum van afgifte ter post van de aangetekende brief of op datum van het ontvangstbewijs, vermeld in artikel IV 7 eerste lid. Art. IV
  5. Onverminderd de bepalingen van dit deel dienen de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar een aanvraag tot cumulatie van ambten in bij de minister; deze laatste staat de cumulatie toe of weigert binnen de 15 kalenderdagen ingaande op de datum van afgifte ter post van de aangetekende brief of op de datum van het ontvangstbewijs vermeld in artikel IV 7 eerste lid. Art. IV
  6. Indien de nodige inlichtingen in het dossier niet voorhanden zijn, wordt hierom gevraagd door de afdeling Personeel binnen een termijn van 15 kalenderdagen die begint op de datum van de afgifte ter post van de aangetekende brief of op de datum van het ontvangstbewijs vermeld in artikel IV 7 eerste lid. De ambtenaar verstrekt de gevraagde inlichtingen binnen een termijn van 30 kalenderdagen, zo niet wordt de aanvraag als vervallen beschouwd. De termijnen vermeld in het eerste en tweede lid schorten de in de artikelen IV 8 en IV 9 bepaalde termijnen op. Art. IV
  7. De toestemming kan worden herroepen. De beslissing tot toestemming, tot weigering en tot herroeping wordt met redenen omkleed. Art. IV
  8. De personeelsleden van de instelling volgen de deontologische code inzake cumulaties zoals vastgesteld in bijlage 13 bij dit besluit. De minister kan de deontologische code aanvullen met bepalingen die specifiek zijn voor de instelling. Art. IV
  9. De bepalingen van dit deel zijn eveneens van toepassing op de stagiairs. DEEL V. - HET DOELTREFFEND INZETTEN VAN HET PERSONEEL TITEL
  10. - Algemene bepalingen Artikel V
  11. §
  12. Jaarlijks wordt er in de maand januari door de leidend ambtenaar een verslag opgemaakt over de personeelsbezetting in de instelling. Het verslag wordt voorgelegd aan de directieraad en wordt toegestuurd aan de minister. §
  13. Op basis van het in § 1 vermelde verslag stelt de directieraad het tekort aan personeel en het overtallig personeel in de instelling vast en/of raamt het overtollig personeel. Het personeel is overtallig wanneer de bezetting het formatiecijfer overtreft. Het personeel is overtollig wanneer er teveel personeel is in relatie tot de behoeften of taken van de instelling. Art. V
  14. §
  15. Onverminderd de mogelijkheid om de personeelsformatie aan te passen, wordt het personeel binnen de instelling in dienst gehouden. §
  16. Het tekort aan personeel in de instelling wordt opgevuld via aanwervingsplannen opgesteld door de directieraad en goedgekeurd door de minister. Art. V
  17. Wanneer op verschillende wijzen in een vacante betrekking kan worden voorzien en er geen bepaling is die een bepaalde wijze voorschrijft, kiest de benoemende overheid, nl. de minister voor betrekkingen van rang A2 en de leidend ambtenaar voor de betrekkingen van rang A1 en van de niveaus B, C, D en E op gemotiveerde wijze hoe zij de betrekkingen in de instelling opvult. 1° een vacante betrekking in de begingraad van elk niveau : a) door bevordering van de geslaagden voor de vergelijkende overgangsexamens na oproep gericht tot de geslaagden van de instelling of b) door aanwerving of;c) door overplaatsing.2° een vacante betrekking in een hiërarchisch hogere graad dan de begingraad van elk niveau : a) door een interne oproep bij wijze van bevordering b) door aanwerving of c) door overplaatsing. Art. V
  18. Onverminderd de bepalingen van deze titel kan de leidend ambtenaar na advies van de directieraad en mits motivering de dienstaanwijzing wijzigen van personeelsleden van niveau B, C, D en E en van rang A
  19. TITEL
  20. - De herplaatsing HOOFDSTUK
  21. - Toepassingsgebied Art. V
  22. Op herplaatsing kunnen, overeenkomstig de bepalingen van deze titel, aanspraak maken : 1° de ambtenaar die wegens enigerlei oorzaak, zoals een terugzetting in graad, het vernietigen of het intrekken van een bevordering, het vacantverklaren van zijn betrekking tijdens een langdurig verlof, moet worden aangewezen voor een andere dan zijn eigen betrekking;2° de ambtenaar die door de arbeidsgeneeskundige dienst voor de uitoefening van zijn ambt ongeschikt werd bevonden, maar die opnieuw kan geplaatst worden in een andere functie die verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand, ongeacht of hij ziek was of het slachtoffer was van een arbeidsongeval of een beroepsziekte. HOOFDSTUK
  23. - Nadere bepalingen inzake herplaatsing Art. V
  24. De herplaatsing gebeurt met inachtneming van de bijzondere eisen voor het bekleden van het ambt, de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel van de kandidaat. Art. V
  25. De herplaatsing van een ambtenaar gebeurt in een vacante betrekking in zijn graad of in een graad van dezelfde rang of bij gebrek aan vacatures in overtal op die graad. Hoe dan ook behoudt de ambtenaar zijn graad en de daaraan verbonden salarisschaal. Art. V
  26. De herplaatsing van de ambtenaar om medische redenen, in een andere functie die verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand zoals bepaald in artikel V 5 - 2°, gebeurt in een graad van zijn rang of in een lagere rang.

artikel V 7 heeft deze herplaatsing de benoeming in de nieuwe graad tot gevolg. De ambtenaar wordt ingeschaald in de nieuwe salarisschaal overeenkomstig artikel XIII 19 §

  1. TITEL
  2. - De overplaatsing Art. V
  3. Voor de toepassing van deze titel wordt onder overplaatsing verstaan de overgang van een ambtenaar naar de instelling vanuit een andere instelling die over een gelijkaardig personeelsstatuut beschikt, zonder dat er een verandering van graad of een verhoging in graad mee gepaard gaat en nadat er een algemene oproep tot de kandidaten gedaan werd. Art. V
  4. De vacantverklaring van de betrekkingen die bij wijze van overplaatsing opgevuld worden gebeurt door de benoemende overheid en na advies van de directieraad. Art. V
  5. §
  6. Het bericht dat een betrekking bij wijze van overplaatsing kan begeven worden, omvat inzake de te verlenen betrekking : 1° de graad;2° een functieomschrijving;3° het gewenste profiel. §
  7. De kennisgeving van de vacature gebeurt door de publicatie van de oproep in het Belgisch Staatsblad. §
  8. Om geldig te zijn moet de kandidaatstelling beantwoorden aan de voorschriften van het vacaturebericht en per aangetekende brief worden verzonden, binnen dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de eerste werkdag na de datum van publicatie van het vacaturebericht in het Belgisch Staatsblad. Voor de kandidaatstelling geldt de datum van de poststempel als indieningsdatum. De kandidaatstelling omvat een uiteenzetting van de aanspraken en wordt ingediend met het modelformulier dat als bijlage 3 bij dit besluit gevoegd is. §
  9. De ambtenaar die zich kandidaat stelt voor een overplaatsing zendt een afschrift van zijn kandidaatstelling aan de leidend ambtenaar van de instelling waar hij is tewerkgesteld. Art. V
  10. §
  11. De ambtenaar kan slechts een overplaatsing verkrijgen indien hij : 1° in dienst getreden is via een vergelijkend wervingsexamen georganiseerd door het Vast Wervingssecretariaat of de instelling;2° titularis is van de graad van de te verlenen betrekking;3° geen "onvoldoende" voor zijn functioneringsevaluatie heeft;4° zich in de administratieve toestand "dienstactiviteit" bevindt;5° voldoet aan de specifieke voorwaarden die overeenkomstig dit besluit voorgeschreven zijn om dat ambt uit te oefenen. §
  12. De beslissing tot overplaatsing houdt rekening met : 1° de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel van de kandidaat;2° de functioneringsevaluatie;3° het advies bedoeld in artikel V
  13. Art. V
  14. De overplaatsing naar een betrekking van rang A2 en lager wordt verleend door de benoemende overheden, na advies van de directieraad van de ontvangende instelling. Art. V
  15. De overgeplaatste ambtenaar bekomt na zijn overplaatsing nooit een lagere wedde dan die welke hij op het tijdstip van zijn overplaatsing genoot. Hij behoudt zijn graad-, niveau-, dienst-, schaal- en geldelijke anciënniteit die hij op het tijdstip van zijn overplaatsing genoot. DEEL VI. - DE AANWERVING TITEL
  16. - De toelatingsvoorwaarden Artikel VI
  17. §
  18. Voor de toegang tot een ambt in de instelling gelden de volgende algemene toelatingsvoorwaarden : 1° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° aan de dienstplichtwetten voldoen; 4° de lichamelijke geschiktheid bezitten die vereist is voor het uit te oefenen ambt.; De Sociaal-Medische Rijksdienst controleert de vereiste lichamelijke geschiktheid. Het onderzoek wordt aangevraagd door de Vast Wervingssecretaris indien de aanwervingsprocedure via hem verloopt, of in het andere geval door de leidend ambtenaar. §
  19. De ambten waarvoor in de functiebeschrijving en het profiel bepaald wordt dat zij een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan de uitoefening van het openbaar gezag inhouden of die werkzaamheden omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de Vlaamse Gemeenschap worden voorbehouden voor Belgen. TITEL
  20. - De aanwerving HOOFDSTUK
  21. - De aanwervingsvoorwaarden Art. VI
  22. §
  23. Als ambtenaar kan enkel worden aangeworven wie aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° in het bezit zijn van een diploma of studiegetuigschrift, dat overeenkomt met het niveau van de te verlenen graad volgens de bij dit besluit gevoegde tabel als bijlage 4 en behalve de uitzonderingen bepaald door de Vast Wervingssecretaris; De diploma's of studiegetuigschriften die toegang verlenen tot een bepaald niveau kunnen in aanmerking worden genomen voor de toelating tot de graden van lagere niveaus voor zover dit uitdrukkelijk in de functiebeschrijving of het examenreglement wordt bepaald; 2° slagen voor het vergelijkend aanwervingsexamen georganiseerd door het Vast Wervingssecretariaat. §
  24. De Vast Wervingssecretaris stelt bij het organiseren van een vergelijkend aanwervingsexamen de datum vast waarop de gegadigden moeten voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden en de aanwervingsvoorwaarden, onverminderd de toepassing van artikel VI 3 § 2 wat het bezit van het vereiste diploma betreft. Hij staat in voor de controle van deze vereisten en voorwaarden met uitzondering van de lichamelijke geschiktheid. Art. VI 3.

artikel VI 2 - 2° worden ook de laatstejaarsscholieren tot het vergelijkend aanwervingsexamen toegelaten. De aldus toegelaten kandidaten kunnen slechts tot de stage worden toegelaten vanaf de dag waarop zij aan de Vast Wervingssecretaris het vereiste diploma of studiegetuigschrift hebben voorgelegd. Art. VI

  1. §
  2. In overeenstemming met de aard van het ambt en op basis van de functiebeschrijving en het competentieprofiel kunnen na overleg met de Vast Wervingssecretaris, de volgende bijzondere aanwervingsvoorwaarden opgelegd worden : 1° een minimumleeftijd;2° bijzondere eisen inzake beroepsbekwaamheid en/of lichamelijke geschiktheid;3° het bezit van diploma's of studiegetuigschriften aan te wijzen onder die welke zijn opgesomd in de tabel als bijlage 4 bij dit besluit, of van bijzondere studie- of opleidingsdiploma's of getuigschriften. §
  3. De Vast Wervingssecretaris stelt bij het organiseren van een vergelijkend aanwervingsexamen de datum vast waarop de gegadigden moeten voldoen aan de bijzondere aanwervingsvoorwaarden. Hij staat in voor de controle van deze vereisten en voorwaarden met uitzondering van de bijzondere eisen inzake lichamelijke geschiktheid. HOOFDSTUK
  4. - De vergelijkende aanwervingsexamens Afdeling
  5. - Algemene bepalingen Art. VI
  6. De Vast Wervingssecretaris organiseert de vergelijkende aanwervingsexamens op aanvraag van de leidend ambtenaar van de instelling die hiertoe beslist binnen de perken van het door de minister, goedgekeurd aanwervingsplan. De Vast Wervingssecretaris kondigt elk vergelijkend aanwervingsexamen ten minste aan in het Belgisch Staatsblad. Art. VI
  7. §
  8. De Vast Wervingssecretaris bepaalt de modaliteiten van de vergelijkende aanwervingsexamens in overleg met de leidend ambtenaar. Onder modaliteiten wordt verstaan : 1° de vaststelling van het huishoudelijk reglement betreffende de organisatie van de examens en de bekendmaking ervan;2° de vaststelling van het examenreglement waarin : a) de termijn waarbinnen de inschrijvingen kunnen worden aanvaard, wordt bepaald;b) het examenprogramma en de deelnemingsvoorwaarden worden vermeld en de datum wordt vastgesteld waarop aan deze voorwaarden moet worden voldaan;c) het aantal punten wordt bepaald dat aan het volledig examen, aan ieder examengedeelte en desgevallend aan de onderverdelingen ervan wordt toegekend;d) het minimum aantal punten wordt bepaald dat voor het volledig examen, voor ieder examengedeelte en eventueel voor de onderverdelingen ervan wordt vereist;3° de aanwijzing van de leden van de examencommissies;4° de bepaling van datum en plaats van het examen;5° de vaststelling van de lijst van de kandidaten;6° de oproeping van de kandidaten;7° het opmaken van het proces-verbaal dat de rangschikking van de geslaagden vaststelt;8° de kennisgeving aan de kandidaten van het behaalde resultaat. §
  9. De Vast Wervingssecretaris bepaalt de samenstelling van de examencommissies. Art. VI
  10. §
  11. De vergelijkende aanwervingsexamens worden georganiseerd voor benoeming in de graden van de laagste rang van elk niveau en eventueel in de graden van de andere rangen, opgenomen in bijlage 7 bij dit besluit. § 2.

artikel VI 2, § 1 -2° mogen bij aanwerving in rang A2, de ambtenaren van de instelling van de onmiddellijk lagere rang meedingen indien geen specifiek universitair diploma vereist wordt en mits zij voldoen aan de andere gestelde voorwaarden. Afdeling

  1. - Het programma Art. VI
  2. De leidend ambtenaar stelt de programma's van de vergelijkende aanwervingsexamens vast na overleg met de Vast Wervingssecretaris. De programma's toetsen de vereiste geschiktheid van de kandidaten om de te verlenen functie uit te oefenen. Voor een zelfde graad kunnen het programma van het vergelijkend aanwervingsexamen en dat van het vergelijkend examen voor overgang naar het andere niveau verschillend zijn. Art. VI
  3. De vergelijkende aanwervingsexamens bestaan uit drie gedeelten : 1° een gedeelte dat tot doel heeft de basisvaardigheden voor het uitoefenen van de te verlenen graad te evalueren;2° een gedeelte dat tot doel heeft de vaardigheden tot schriftelijke communicatie te evalueren;3° een gedeelte bestaande uit een interview dat tot doel heeft na te gaan of het profiel van de kandidaat overeenstemt met de specifieke vereisten van de functie. Alleen de kandidaten die geslaagd zijn voor de reeds georganiseerde gedeelten kunnen tot het volgende gedeelte worden toegelaten. Wanneer de aard van de functies het wettigt, kan de leidend ambtenaar in overleg met de Vast Wervingssecretaris het vergelijkend aanwervingsexamen beperken tot één of twee gedeelten. Art. VI
  4. De Vast Wervingssecretaris bepaalt de duur en de volgorde van de verschillende examengedeelten. Een mondeling examengedeelte wordt afgenomen in aanwezigheid van ten minste twee bijzitters. Art. VI
  5. Iedere gegadigde die voor een vergelijkend aanwervingsexamen inschrijft, ontvangt op aanvraag het reglement. Afdeling
  6. - Bijzondere bepalingen Art. VI
  7. De leidend ambtenaar kan rekening houdend met de aanwervingsvooruitzichten gedurende de geldigheidstermijn van het examen, het maximum aantal kandidaten bepalen dat : - tot een volgend examengedeelte wordt toegelaten; - als geslaagd voor het volledig examen aanvaard kan worden. Deze bepaling wordt opgenomen in het examenreglement. Dit maximum wordt verminderd indien niet voldoende kandidaten het vastgestelde minimum aantal punten hebben behaald. Het wordt verhoogd indien voor de laatste plaats meerdere kandidaten een gelijk aantal punten hebben behaald. Art. VI
  8. §
  9. Indien de mogelijkheid in het examenreglement is voorzien, kan de leidend ambtenaar na het afsluiten van de inschrijvingen, wanneer hij oordeelt dat het aantal ingeschreven kandidaten dat rechtvaardigt, aan het programma van het vergelijkend aanwervingsexamen een voorselectie toevoegen. §
  10. De examencommissie stelt op basis van de uitslagen van de voorselectie het aantal kandidaten vast dat tot het vergelijkend aanwervingsexamen kan worden toegelaten. §
  11. Voor de rangschikking van de geslaagden voor het vergelijkend aanwervingsexamen wordt geen rekening gehouden met het resultaat van de voorselectie. Art. VI
  12. De Vast Wervingssecretaris stelt in het proces-verbaal van het examen de lijst van de geslaagden vast met vermelding van hun rangschikking. De eindrangschikking van het volledig examen wordt opgemaakt volgens het totaal aantal behaalde punten. De geldigheidsduur van het examen begint te lopen vanaf de datum waarop het proces-verbaal voor het volledig examen wordt afgesloten. De Vast Wervingssecretaris publiceert de uitslag van het vergelijkend aanwervingsexamen in het Belgisch Staatsblad. Art. VI
  13. §
  14. Voor zover zulks in het examenreglement wordt bepaald, kan de leidend amb-tenaar beslissen dat de geslaagde kandidaten worden gerangschikt volgens de door hen behaalde uitslag in het eerst georganiseerde gedeelte van het examen. §
  15. Voor het tweede gedeelte worden de geslaagden voor het eerste gedeelte, in de volgorde van hun rangschikking, opgedeeld in groepen. Het tweede gedeelte wordt dan per groep afgenomen. De geslaagden behouden voor dit gedeelte de rangschikking die zij behaalden voor het eerste gedeelte. Alleen de kandidaten die slagen voor de eerste twee gedeelten worden in de aanwervingsreserve opgenomen. §
  16. Een derde gedeelte wordt georganiseerd wanneer een aanwervingsaanvraag vergezeld is van een functiebeschrijving. De betrekkingen met functiebeschrijving worden uitsluitend toegekend aan de kandidaten die na het derde gedeelte door de examencommissie aanvaard worden en dit in de volgorde van de rangschikking verkregen in het eerste gedeelte. Zij die niet aanvaard worden, blijven in de wervingsreserve bedoeld bij §
  17. §
  18. Na elk examengedeelte wordt een proces-verbaal opgemaakt. De geldigheidsduur van het examen begint te lopen vanaf de datum waarop het proces-verbaal van het eerste gedeelte wordt afgesloten. Art. VI
  19. Indien voor een bepaalde betrekking bijzondere bijkomende vereisten worden gesteld, kunnen de in een bestaande reserve opgenomen kandidaten onderworpen worden aan een bijkomende selectietest. De geslaagden voor deze test worden voor deze betrekking opgenomen in een bijkomende afzonderlijke rangschikking in volgorde van de door hen behaalde punten. Art. VI
  20. Wanneer vergelijkende aanwervingsexamens georganiseerd worden voor graden van een zelfde rang of van verschillende rangen volgens geheel of gedeeltelijk gelijke examenprogramma's kan de Vast Wervingssecretaris een aanwervingsexamen organiseren bestaande uit een gemeenschappelijk gedeelte en uit afzonderlijke gedeelten voor elk van de betrokken graden. Wanneer het programma hetzelfde is voor verschillende graden wordt er slechts één rangschikking opgesteld. Art. VI
  21. Wanneer de Vast Wervingssecretaris in de loop van een examen vaststelt dat een kandidaat niet voldoet of niet zal kunnen voldoen aan één van de voorwaarden om tot een vacante betrekking te worden toegelaten, sluit hij hem uit het examen en deelt hij hem zijn gemotiveerde beslissing mee. Art. VI
  22. Na het afsluiten van het proces-verbaal van het vergelijkend aanwervingsexamen vergewist de Vast Wervingssecretaris zich ervan dat de geslaagden aan de gestelde vereisten voldoen. Zij die voldoen worden door hem toegelaten verklaard. Wanneer hij van oordeel is dat een nader onderzoek moet uitmaken of een kandidaat al dan niet een gedrag heeft dat in overeenstemming is met de eisen van de te verlenen betrekking, wordt de kandidaat hiervan in kennis gesteld en voorlopig uitgesloten. Art. VI
  23. Na het afsluiten van het proces-verbaal van het vergelijkend examen worden de geslaagden die aan de gestelde eisen voldoen, in de orde van hun rangschikking, tot de stage toegelaten in de graad waarnaar zij hebben meegedongen. De geslaagden die voorlopig werden geweerd doch naderhand aan de gestelde eisen voldoen, worden tot de stage toegelaten in de graad waarvoor zij hebben medegedongen. Zij die aan deze eisen niet voldoen, worden uitgesloten. Art. VI
  24. De toelaatbaar verklaarde geslaagde mag zijn voorkeur voor een bepaalde dienstaanwijzing laten kennen. Met zijn voorkeur wordt volgens de volgorde van zijn rangschikking rekening gehouden. Diegene die zijn voorkeur voor één of meer betrekkingen laat kennen, verbindt er zich toe de betrekking die hem wordt toegewezen te aanvaarden. Hij die na deze aanvaarding weigert in dienst te treden, wordt van de lijst bedoeld in artikel VI 14, eerste lid, geschrapt. Diegene die wegens persoonlijke redenen uitstel van keuze vraagt, verliest het voordeel van zijn plaats in de rangschikking. Na het intrekken van zijn uitstel neemt hij zijn oorspronkelijke plaats in de rangschikking opnieuw in. Art. VI
  25. De geslaagden voor een vergelijkend aanwervingsexamen behouden het voordeel van hun uitslag gedurende vier jaar te rekenen van de datum van het proces-verbaal van het vergelijkend examen, tenzij de leidend ambtenaar om dienstredenen een andere termijn bepaalt. Een kortere geldigheidsduur wordt uitdrukkelijk en vooraf vastgesteld in het examenreglement. De verlenging van de wervingsreserve is mogelijk om dienstredenen. De beslissing om een andere termijn te bepalen of om de termijn te verlengen wordt gemotiveerd. Onder geslaagden van twee of meer vergelijkende aanwervingsexamens, wordt voorrang verleend aan de geslaagden van het vergelijkend examen waarvan het proces-verbaal het vroegst is afgesloten. TITEL
  26. - De aanwerving van personen met een handicap Art. VI
  27. Deze titel stelt de bepalingen inzake aanwerving vast die

het statuut van de ambtenaar worden getroffen om de aanwerving van personen met een handicap bij de instelling te bevorderen. Het is van toepassing op personen met een handicap die ingeschreven zijn bij het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap, hierna te noemen het V.F.S.I.P.H. Art. VI

  1. §
  2. De gerechtigde op deze titel moet voldoen aan de aanwervingsvoorwaarden van de ambtenaar. Evenwel worden bij de organisatie van het vergelijkend aanwervingsexamen in overleg met de Vast Wervingssecretaris de hinderpalen verbonden aan de handicap zoveel mogelijk weggewerkt door het aanbieden van aangepaste faciliteiten. § 2.

§ 1

, eerste lid, wordt de ambtenaar die in aanmerking komt voor een betrekking van niveau D of E vrijgesteld van het vergelijkend aanwervingsexamen. Art. VI

  1. Het contingent personen met een handicap dat prioritair en op basis van de vacatures, binnen de niveaus D en E werk krijgt, bedraagt 2 procent van het aantal voor deze niveaus voorziene betrekkingen op de personeelsformatie. Art. VI
  2. §
  3. Zolang het contingent niet bereikt is, onderzoekt de leidend ambtenaar in overleg met het V.F.S.I.P.H. en het Vast Wervingssecretariaat en op basis van de functiebeschrijving van de vacature en de profielvereisten van de kandidaat, welke personen met een handicap in aanmerking komen voor de vacatures. §
  4. De namen van de geselecteerde personen met een handicap worden samen met een gemotiveerd verslag voor beslissing aan de leidend ambtenaar voorgelegd. TITEL
  5. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de aanwerving van de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar Art. VI
  6. Als leidend ambtenaar en adjunct-leidend ambtenaar kan enkel worden aangeworven wie aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° de in artikel VI 1 bepaalde toelatingsvoorwaarden vervullen.

§ 1

laatste lid van dit artikel wordt het onderzoek naar de lichamelijke geschiktheid aangevraagd door de minister in het geval van aanwerving van de leidend ambtenaar en door de leidend ambtenaar in het geval van aanwerving van de adjunct-leidend ambtenaar. 2° aan de hiernavolgende bijzondere aanwervingsvoorwaarden voldoen : - in het bezit zijn van een diploma dat toegang verleent tot niveau A volgens de bij dit besluit gevoegde tabel als bijlage 4 : - slagen voor een selectieproef waarbij zal worden nagegaan of de kandidaat over voldoende leidinggevende capaciteiten beschikt. Deze voorselectie kan uitgevoerd worden ofwel door een extern advieskantoor, ofwel door het Vast Wervingssecretariaat. Art. VI

  1. §
  2. De vacantverklaring van de betrekkingen van leidend ambtenaar en adjunct-leidend ambtenaar gebeurt door de Vlaamse regering. §
  3. De kennisgeving van de vacature gebeurt via de publicatie van de oproep in het Belgisch Staatsblad. §
  4. Het vacaturebericht omvat inzake de te verlenen betrekkingen : 1° de toelatings- en aanwervingsvoorwaarden;2° een functiebeschrijving;3° het gewenste profiel;4° de salarisschalen;5° de termijn en de modaliteiten voor het indienen van de kandidaatstelling, overeenkomstig de bepalingen van § 4 en in voorkomend geval de voor te leggen stukken. §
  5. Om geldig te zijn moet de kandidaatstelling beantwoorden aan de voorschriften van het vacaturebericht en per aangetekende brief worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de eerste werkdag na de datum van publicatie van het vacaturebericht in het Belgisch Staatsblad. Voor de kandidaatstelling geldt de datum van de poststempel als indieningsdatum. De kandidaatstelling omvat een uiteenzetting van de aanspraken. TITEL
  6. - Overgangsbepalingen Art. VI
  7. De geldigheidsduur van de volgende wervingsexamens die specifiek voor de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest werden georganiseerd worden verlengd als volgt : 1° met twee jaar voor wat betreft het examen voor ingenieur (scheikunde milieusanering) (AN.90103A); het examen voor industrieel ingenieur (mechanica, electromechanica, bouwkunde)(AN 91078 A D) en het examen voor tekenaar (AN 91077A); 2° met vier jaar voor wat betreft het examen voor ingenieur (AN 91099 A-D) en voor industrieel ingenieur (chemie landbouw) (AN 91079). DEEL VII. - DE STAGE EN DE BENOEMING TOT AMBTENAAR TITEL
  8. - De stage HOOFDSTUK
  9. - Algemene bepalingen Artikel. VII
  10. De geslaagde voor een vergelijkend aanwervingsexamen wordt door de Vast Wervingssecretaris, na controle van de toelatings- en aanwervingsvoorwaarden, toegelaten verklaard in de orde van zijn rangschikking. Art. VII
  11. De leidend ambtenaar 1° laat de toelaatbaar verklaarde geslaagde voor een vergelijkend aanwervingsexamen tot de stage toe;2° laat de geslaagde voor een vergelijkend examen voor overgang naar het andere niveau tot de stage toe in de orde van zijn rangschikking. De stagiair wordt geacht de graad te bezitten waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. De leidend ambtenaar geeft de stagiair een voorlopige dienstaanwijzing. Art. VII
  12. De geslaagde voor een vergelijkend aanwervingsexamen mag tot de stage toegelaten worden alvorens zijn lichamelijke geschiktheid is gecontroleerd. Als hij nadien aan deze vereiste niet voldoet, wordt hij ambtshalve ontslagen. Ten laatste op de datum van dit ontslag van ambtswege wordt met de betrokkene een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde duur afgesloten. Deze duur is gelijk aan de minimumduur die in zijn geval wordt opgelegd om het voordeel van de werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Wanneer hij op de datum waarop deze overeenkomst begint te lopen arbeidsongeschikt is of wanneer hij dat wordt tijdens de uitvoering ervan, wordt hem in het eerste geval een salaris uitbetaald gedurende zes maanden en in het tweede geval gedurende de periode nodig om de wachttijd te dekken voor de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen. HOOFDSTUK
  13. - Nadere bepalingen Art. VII
  14. Het personeelslid dat geslaagd is voor een vergelijkend aanwervingsexamen wordt uiterlijk op de eerste dag van de derde maand volgend op die waarin de Vast Wervingssecretaris de geslaagden beschikbaar voor de instelling heeft gesteld, uitgenodigd om in dienst te treden. Hij wordt aangewezen voor een vacante betrekking op de personeelsformatie. Wanneer het personeelslid een opzeggingsperiode moet volbrengen in toepassing van de wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1978 pub. 03/07/2008 numac 2008000527 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten type wet prom. 03/07/1978 pub. 12/03/2009 numac 2009000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten, wordt de in het vorig lid vastgestelde termijn verlengd tot de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de opzegging verstrijkt. Voor zover er vacante betrekkingen zijn en de benoemende overheid heeft gekozen voor bevordering van geslaagden voor een vergelijkend overgangsexamen, wordt het personeelslid dat geslaagd is voor een vergelijkend overgangsexamen tot de stage toegelaten met ingang van de eerste van de maand volgend op de datum van het proces-verbaal van het examen. Indien de vacature of de beslissing respectievelijk later ontstaan of genomen is dan de datum van het proces-verbaal, wordt het personeelslid tot de stage toegelaten met ingang van de eerste van de maand aansluitend bij het ontstaan van de vacature of de beslissing. Art. VII
  15. De stage van de stagiair verloopt onder leiding van de opdrachthouder voor de vorming. Bij ontstentenis van een opdrachthouder voor de vorming in de instelling worden de taken die inzake stagebegeleiding aan de opdrachthouder voor de vorming toevertrouwd zijn, uitgeoefend door de vormingsverantwoordelijke. De vormingsverantwoordelijke wordt onder de ambtenaren van de instelling aangeduid door de leidend ambtenaar. Art. VII
  16. De leidend ambtenaar kan, op eigen initiatief of op voorstel van de opdrachthouder voor de vorming of de vormingsverantwoordelijke de dienstaanwijzing tijdens de stage wijzigen. HOOFDSTUK
  17. - Duur van de stage Art. VII
  18. De duur van de stage bedraagt : - in niveau A : 12 maanden; - in niveau B : 9 maanden; - in niveau C : 6 maanden; - in niveau D : 4 maanden; - in niveau E : 4 maanden. Art. VII
  19. §
  20. Om de duur van de verrichte stage te berekenen worden alle perioden waarin de stagiair in actieve dienst is in aanmerking genomen. §
  21. De stagiair beschikt over een bonus aan werkdagen afwezigheid die niet meetelt bij het berekenen van de duur van de stage, zoals hierna vermeld naast de stageduur : - 12 maanden : 25 werkdagen; - 9 maanden : 20 werkdagen; - 6 maanden : 15 werkdagen; - 4 maanden : 10 werkdagen. Deze bonus kan in een keer of gefractioneerd gebruikt worden. In deze bonus aan werkdagen wordt geen rekening gehouden met de jaarlijkse vakantie. §
  22. Afwezigheid boven de in § 2 vermelde bonus, zelfs de afwezigheid die met dienstactiviteit gelijkgesteld wordt, heeft schorsing van de stage tot gevolg. §
  23. Tijdens de schorsing van de stage behoudt de stagiair zijn hoedanigheid van stagiair; zijn administratieve toestand wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen die op hem van toepassing zijn tijdens zijn afwezigheid. §
  24. Tijdens de periode waarin de einddatum van de stage overschreden wordt, behoudt de stagiair zijn hoedanigheid van stagiair. HOOFDSTUK
  25. - Programma Afdeling
  26. - Gemeenschappelijke bepalingen Art. VII
  27. De opdrachthouder voor de vorming of de vormingsverantwoordelijke organiseert binnen de eerste maand na de begindatum van de stage, met uitzondering van de maand augustus, de ontvangst voor de stagiairs van alle niveaus; hij bepaalt in overleg met de leidend ambtenaar de inhoud en de nadere bepalingen van de ontvangst. Art. VII
  28. De vormingsactiviteiten voor de stagiair bestaan uit een verplicht en uit een vrij gedeelte. De verplichte en de vrije activiteiten samen mogen maximum één vierde van de stageduur in beslag nemen. Afdeling
  29. - Stage niveau A Art. VII
  30. §
  31. Het verplichte vormingsgedeelte voor de stagiair van niveau A omvat : 1° cursussen op het gebied van administratief recht, voornamelijk de rechtspositie van de ambtenaar, financiën en begroting, informatica, communicatievaardigheden en veiligheid op het werk;deze cursussen worden aangepast aan de voorkennis en vooropleiding van de stagiair; 2° een opleiding in overheidsmanagement;3° het schrijven van een stagerapport;4° een introductie in de afdelingen van de instelling;5° een introductie in de materie van de instelling. §
  32. De opdrachthouder voor de vorming of de vormingsverantwoordelijke bepaalt de nadere bepalingen van het programma bedoeld in § 1, 1° tot en met 5° in overleg met de leidend ambtenaar. Het afdelingshoofd keurt het onderwerp van het rapport bedoeld in § 1, 3° goed. Art. VII
  33. De opdrachthouder voor de vorming of de vormingsverantwoordelijke keurt, in overleg met de leidend ambtenaar, het vrije vormingsgedeelte voor de stagiair van niveau A goed na advies van het afdelingshoofd. Afdeling
  34. - Stage niveau B, C, D en E Art. VII
  35. De opdrachthouder voor de vorming of de vormingsverantwoordelijke stelt de vormingsactiviteiten vast waaraan de stagiair van de niveaus B, C, D en E die onder zijn toezicht staat moet deelnemen. Art. VII
  36. Het verplichte vormingsgedeelte voor de stagiair van niveau B en C omvat een minimale opleiding in de domeinen vermeld in artikel VII 11, § 1- 1°. Art. VII
  37. Het verplichte vormingsgedeelte voor de stagiair van niveau D en E omvat een minimale opleiding inzake de rechtspositie van het personeel van de instelling en de veiligheid op het werk. HOOFDSTUK
  38. - Evaluatie van de stagiair Afdeling
  39. - Evaluatiecriteria Art. VII
  40. Elke stagiair wordt begeleid door een ambtenaar van zijn afdeling hierna te noemen de begeleidingsambtenaar. Art. VII
  41. Er wordt maandelijks voor de stagiair van niveau D en E en driemaandelijks voor de stagiair van niveau A, B en C, door de begeleidingsambtenaar na een gesprek met de stagiair, een verslag gemaakt van de wijze van functioneren volgens het model vastgesteld door de opdrachthouder voor de vorming of de vormingsverantwoordelijke. Het maandelijks en het driemaandelijks verslag van de stagiair wordt ter kennisgeving toegestuurd aan de opdrachthouder voor de vorming of de vormingsverantwoordelijke en aan het afdelingshoofd, en wat de stagiair van niveau A betreft tevens aan de leidend ambtenaar. Op het einde van de stage wordt, na een gesprek met de stagiair, een samenvattend eindverslag gemaakt door de begeleidingsambtenaar en de opdrachthouder voor de vorming of de vormingsverantwoordelijke en voor de stagiair van niveau A tevens door het afdelingshoofd. In dit eindverslag wordt door de in het voorgaande lid vermelde ambtenaren geëvalueerd voor welke vacante betrekking de stagiair op basis van zijn capaciteiten het best wordt aangewezen. Het eindverslag wordt opgemaakt binnen dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de einddatum van de stage, zoniet wordt de stage geacht gunstig te zijn. Dit eindverslag wordt toegestuurd aan de benoemende overheid. Art. VII
  42. Ieder verslag wordt onverwijld ter kennisgeving aan de stagiair toegestuurd die het viseert en er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegt. Het wordt in zijn persoonlijk dossier opgenomen. Afdeling
  43. - Ongeschiktheid van de stagiair Art. VII
  44. Indien het eindverslag niet gunstig is of indien de stagiair van niveau A verzuimt een stagerapport in te dienen, betekent de benoemende overheid aan de stagiair een gemotiveerd voorstel naargelang het geval tot afdanking of tot terugplaatsing in de vorige graad en betrekking. Art. VII
  45. De stagiair kan tegen het voorstel tot negatieve evaluatie van de stage dat afdanking of terugplaatsing omvat beroep aantekenen bij de Raad van Beroep. Art. VII
  46. De stagiair dient beroep in te stellen bij aangetekend schrijven binnen vijftien kalenderdagen nadat het voorstel tot afdanking of terugplaatsing in de vorige graad en betrekking hem meegedeeld werd. Art. VII
  47. De Raad van Beroep brengt binnen de dertig kalenderdagen nadat de zaak aanhangig gemaakt werd een met redenen omkleed advies uit bij de benoemende overheid. Indien de raad verzuimt het in het vorige lid bepaalde te respecteren, behandelt men het beroep alsof er een gunstig advies werd gegeven. Art. VII
  48. De benoemende overheid beslist binnen de vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad. Art. VII
  49. Met ingang van de eerste werkdag volgend op het verstrijken van de termijn voor het instellen van beroep of op de beslissing tot afdanking of terugplaatsing door de benoemende overheid, wordt hetzij met de stagiair een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde duur van drie maanden afgesloten die overeenstemt met een opzeggingstermijn van dezelfde duur of wordt de stagiair ambtshalve teruggeplaatst in zijn vorige graad en betrekking. Art. VII
  50. §
  51. Voor elke zware fout begaan tijdens de stage kan de stagiair zonder opzegging worden afgedankt. Een zware fout moet vastgesteld worden binnen drie werkdagen door een hiërarchische meerdere van niveau A. Deze laatste hoort, samen met de leidend ambtenaar, de stagiair binnen de in het vorige lid vermelde tijdspanne. De stagiair kan zich hierbij laten bijstaan door een raadgever. Van de verklaring van de stagiair wordt een verslag gemaakt. Behoudens in geval van aanmaning, motiveert de leidend ambtenaar binnen drie werkdagen na het horen van de stagiair, in een aangetekend verzonden brief het ontslag om dringende redenen. §
  52. De afdanking wordt uitgesproken door de benoemende overheid. TITEL
  53. - De benoeming tot ambtenaar Art. VII
  54. §
  55. Tot ambtenaar kan enkel worden benoemd wie aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° de voor de te verlenen betrekking bepaalde toelatingsvoorwaarden vervullen en aan de aanwervingsvoorwaarden voldaan hebben;2° met goed gevolg de stage volbracht hebben;3° lichamelijk geschikt bevonden zijn. § 2.

§ 1

kan de stagiair van wie de lichamelijke geschiktheid niet met zekerheid beoordeeld kon worden tijdens de stage, onder voorbehoud benoemd worden. De totale duur van benoeming onder voorbehoud kan een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van het eerste geneeskundig onderzoek, niet overschrijden. Gedurende deze periode van vijf jaar is de regeling inzake de lichamelijke ongeschiktheidsverklaring tijdens de stage, bedoeld in artikel VII 3 van toepassing. § 3.

§ 1, 2° doorlopen de leidend ambtenaar en de adjunct- leidend ambtenaar geen stage.

Art. VII

  1. De tot benoemen bevoegde overheid is de minister voor de ambtenaar van rang A2 en de leidend ambtenaar voor de ambtenaar van rang A1 en van de niveaus B, C, D en E. De leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar worden benoemd door de Vlaamse regering. Art. VII
  2. De bevoegde overheid benoemt de stagiair tot ambtenaar in de graad waarin hij tot de stage toegelaten werd op basis van het eindverslag bedoeld in artikel VII 17, derde lid of na advies van de Raad van Beroep. Art. VII
  3. Voor de berekening van zijn salarisanciënniteit en van de administratieve anciënniteiten wordt uitgegaan van de dag waarop de stagiair zijn stage is begonnen. Art. VII
  4. De stagiair legt, wanneer hij tot de stage wordt toegelaten, de eed af in handen van de leidend ambtenaar. De leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar leggen de eed af in de handen van de minister. Art. VII
  5. De eed luidt als volgt : "Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk". Art. VII
  6. Indien de stagiair weigert de eed af te leggen is zijn aanstelling als stagiair van rechtswege nietig. TITEL
  7. - Overgangsbepalingen Art. VII
  8. Het doorlopen van een stage is

artikel VII 2, 2° niet van toepassing op de geslaagde voor een vergelijkend examen voor overgang naar het andere niveau, dat georganiseerd werd vóór 31 december 1994 en dat afgesloten werd vóór 31 december

  1. Art. VII
  2. De stagiair die tot de stage toegelaten werd vóór 1 januari 1995, zet zijn stage voort overeenkomstig de reglementaire bepalingen die van kracht waren op de datum van het begin van de stage, uitgezonderd wat betreft de terzake bevoegde organen en de te volgen procedureregels. DEEL VIII. - DE ADMINISTRATIEVE LOOPBAAN TITEL
  3. - De personeelsformatie en de hiërarchie van de graden Artikel VIII
  4. De personeelsformatie is de lijst van het aantal betrekkingen die de instelling nodig heeft om de permanente taken die voortvloeien uit haar opdrachten uit te voeren. Art. VIII
  5. §
  6. De personeelsformatie stelt het aantal betrekkingen vast per niveau en per rang en de overeenkomstige graadbenamingen. Ze wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. §
  7. Er wordt voor de instelling een organogram opgemaakt door de directieraad, waarover overleg gepleegd wordt in het bevoegde overlegcomité, en dat door de minister wordt bekrachtigd. Art. VIII
  8. De hiërarchie van de graden omvat vijf niveaus en twaalf rangen. Art. VIII
  9. De vijf niveaus overeenstemmend met het ernaast vermelde vereiste onderwijsniveau zijn : 1° niveau A : universitair onderwijs en hoger onderwijs van het lange type gelijkgesteld met universitair niveau;2° niveau B : hoger onderwijs van het korte type of daarmee gelijkgesteld onderwijs;3° niveau C : secundair onderwijs of daarmee gelijkgesteld onderwijs;4° niveau D : geen diploma;5° niveau E : geen diploma. De lijst van diploma's die toegang geven tot de verschillende niveaus gaat als bijlage 4 bij dit besluit. Art. VIII
  10. De rang bepaalt de betrekkelijke waarde van een graad binnen zijn niveau. Elke rang wordt aangeduid met een letter en een cijfer. De letter geeft het niveau aan, het cijfer situeert de rang in zijn niveau. De vijf niveaus omvatten het volgende aantal rangen : niveau A : vijf rangen, genummerd A1, A2, A2A, A2L, A3 niveau B : twee rangen, genummerd B1 en B2 niveau C : twee rangen, genummerd C1 en C2 niveau D : twee rangen, genummerd D1 en D2 niveau E : één rang, genummerd als E
  11. Binnen elk niveau worden de rangen genummerd volgens hun plaats in de hiërarchie, waarbij de hoogste rang het hoogste cijfer toegewezen krijgt. Binnen niveau A is de rang A2L hoger dan de rang A2A en de rang A2A is hoger dan de rang A
  12. Art. VIII
  13. De graad is de titel die de ambtenaar in een rang situeert en hem machtigt tot het bekleden van een betrekking die met die graad overeenstemt. Art. VIII
  14. De graden worden over de verschillende niveaus en rangen verdeeld overeenkomstig de bijlage 5 bij dit besluit. TITEL
  15. - De functioneringsevaluatie HOOFDSTUK
  16. - Definities en toepassingsgebied Art. VIII
  17. « §
  18. Voor de toepassing van deze titel en van dit besluit wordt verstaan onder : 1° de functioneringsevaluatie : het beoordelen van het functioneren van de functiehouder in de huidige functie ten opzichte van vooraf bepaalde verwachtingen. In het begin van de evaluatieperiode worden de verwachtingen ten aanzien van resultaten en functioneren bepaald (de planning). Na afloop van de evaluatieperiode worden de resultaten en het functioneren beoordeeld ten opzichte van deze verwachtingen (de vaststelling van de evaluatie). 2° de functiebeschrijving : de beschrijving van een aantal relatief permanente aspecten van een functie zoals het doel van de functie, de resultaatsgebieden en de functioneringscriteria. De resultaatsgebieden zijn de explicitering op welke domeinen welke resultaten verwacht worden in de functie (het « wat »). De functioneringscriteria zijn de criteria die bepalend zijn voor het goed uitoefenen van een functie (het « hoe »). De onderscheiden criteria worden opgenomen in een algemene lijst die als bijlage 12 bij dit besluit wordt gevoegd. 3°. de hiërarchische meerdere : enerzijds de leidend ambtenaar, de adjunct-leidend ambtenaar en de afdelingshoofden ten overstaan van de onder hun gezag staande personeelsleden en anderzijds de ambtenaar die is aangewezen door het afdelingshoofd, of bij ontstentenis door de leidend ambtenaar of adjunct-leidend ambtenaar, om gezag uit te oefenen over een aantal personeelsleden met een lagere rang dan de zijne. De onmiddellijke hiërarchische meerdere is de hiërarchische meerdere die het dichtst in rang staat tot het onder zijn gezag staand personeel. Hij treedt op als eerste evaluator. » §
  19. De functioneringsevaluatie is verplicht voor elke ambtenaar die zich in de administratieve toestand dienstactiviteit bevindt. HOOFDSTUK
  20. - Inhoud van de functioneringsevaluatie Art. VIII
  21. De functioneringsevaluatie dient op een zorgvuldige wijze te gebeuren. Art. VIII
  22. §.
  23. Een opleiding tot evaluator is verplicht voor alle ambtenaren die met functioneringsevaluatie belast zijn. Alleen de functioneringsevaluaties opgemaakt door ambtenaren die deze opleiding hebben gevolgd, zijn geldig. De evaluatoren volgen de opleiding, georganiseerd door de administratie Personeelsontwikkeling van het ministerie van de Vlaamse gemeenschap of een gelijkwaardige opleiding. §
  24. De evaluatoren worden geëvalueerd op de kwaliteit van de functioneringsevaluaties die zij opmaken. §
  25. In het begin van elke evaluatieperiode bespreekt de geëvalueerde met een evaluator de concrete verwachtingen ten aanzien van de resultaten en het functioneren. De formele vaststelling door de evaluatoren in onderlinge overeenstemming van deze verwachtingen qua resultaten en functioneren dient ook schriftelijk aan de geëvalueerde te worden toegestuurd. Bij deze planning van de prestaties vertrekken de evaluatoren en de geëvalueerde van alle beschikbare informatie over de functie, zoals onder meer de resultaatsgebieden en de functioneringscriteria, de resultaten van voorbije evaluaties en de doelstellingen van de entiteit. De geëvalueerde krijgt inzage in de functiebeschrijvingen en de doelstelling van de eerste evaluator van de naasthogere rang. §
  26. Ingevolge onvoorziene wijzigingen in de doelstellingen of de organisatie van de werkzaamheden kunnen de verwachtingen qua resultaten en functioneren van de geëvalueerde aangepast worden. Deze aanpassing dient op dezelfde zorgvuldige manier te worden besproken en toegelicht als bij het begin van de evaluatieperiode. Zij dient ook schriftelijk aan de geëvalueerde te worden toegestuurd. §
  27. Na afloop van elke evaluatieperiode wordt de geëvalueerde uitgenodigd voor een evaluatiegesprek. Tijdens dit evaluatiegesprek geeft de geëvalueerde ook zijn eigen visie weer op zijn functioneren tijdens de evaluatieperiode. Het evaluatiegesprek wordt gevoerd tussen de geëvalueerde en één evaluator. Op verzoek van de geëvalueerde of één van zijn evaluatoren, gebeurt het evaluatiegesprek met de twee evaluatoren. §
  28. Na het evaluatiegesprek wordt het definitieve beschrijvende evaluatieverslag opgesteld door de evaluatoren. Het beschrijvend evaluatieverslag omvat geen samenvattende waardering of einduitspraak over de geëvalueerde, behalve indien de evaluatoren oordelen dat hij de vermelding « onvoldoende » verdient. De geëvalueerde kan zijn opmerkingen toevoegen aan het evaluatieverslag. HOOFDSTUK
  29. - Het evaluatiedossier Art. VIII
  30. Over elke ambtenaar wordt een jaarlijks individueel evaluatiedossier aangelegd. Het omvat :
  31. de functiebeschrijving als relatief permanente basis;
  32. de beschrijving van de verwachtingen ten aanzien van resultaten en functioneren in de evaluatieperiode, zoals geformuleerd in het begin van deze periode, en gedurende de periode zoals bedoeld in artikel VIII 10 § 4;
  33. de persoonlijke nota's bedoeld in art.VIII 14 en de opmerkingen die de ambtenaar erbij heeft geformuleerd;
  34. de uitslagen die de belanghebbende ambtenaar tijdens dat jaar heeft behaald in de loopbaanexamens;
  35. de definitieve beschrijvende evaluatieverslagen en hun bijlagen zoals bedoeld in art.VIII 27 § 1;
  36. de beslissingen in beroep, bedoeld in artikel VIII 28 en VIII 29;
  37. de staat van tuchtstraffen uitgesproken in het evaluatiejaar, vermeld in artikel IX
  38. Het evaluatiedossier is ter beschikking van alle instanties bevoegd voor het individueel personeelsbeheer. Art. VIII
  39. Geen enkel document kan in het evaluatiedossier worden opgenomen zonder dat de belanghebbende ambtenaar voor kennisneming heeft getekend. Art. VIII
  40. Elke ambtenaar kan op elk ogenblik kennis nemen van zijn evaluatiedossier. Art. VIII
  41. De persoonlijke nota's bedoeld in artikel VIII 11, eerste lid, 3° handelen over de behaalde resultaten en/of over het functioneren. Zij handelen eventueel over gebeurtenissen of gedragingen buiten de dienst die de ambtsuitoefening kunnen beïnvloeden of in het gedrang brengen. Deze persoonlijke nota's omvatten een nauwkeurig relaas van alle gunstige of ongunstige feiten die als evaluatiegrond kunnen dienen. Telkens de evaluatoren dat nodig achten, of op gemotiveerd verzoek van de belanghebbende ambtenaar, stellen de evaluatoren een persoonlijke nota op over feiten die hoogstens één maand voor de ondertekening van de nota plaatshadden. Een persoonlijke nota wordt eveneens opgemaakt telkens de ambtenaar, gedurende een door de evaluatoren voldoende significant geachte periode ter beschikking wordt gesteld van een project. De projectleider is verantwoordelijk voor het opstellen van de persoonlijke nota. Elke persoonlijke nota wordt onmiddellijk aan de belanghebbende ambtenaar voorgelegd. Hij viseert dit document, krijgt er een afschrift van en beschikt over vijftien kalenderdagen om zijn eventuele opmerkingen te formuleren. Indien de ambtenaar opmerkingen formuleert, dan worden deze aan de nota toegevoegd en opgenomen in het evaluatiedossier. HOOFDSTUK
  42. - De evaluatieperiode Art. VIII
  43. De functioneringsevaluatie gebeurt jaarlijks. Voor elke ambtenaar loopt het evaluatiejaar van 1 januari tot en met 31 december. De ambtenaar die tijdens het jaar slechts een gedeeltelijke periode in dienst is, wordt geëvalueerd voor de duur van deze periode. De stagiair die in de loop van het jaar benoemd wordt tot ambtenaar, wordt geëvalueerd voor de periode vanaf de vaste benoeming tot het einde van het jaar. Art. VIII
  44. §
  45. De evaluatie over het afgelopen evaluatiejaar heeft plaats in januari en februari van het volgend jaar. Het beschrijvend evaluatieverslag dient uiterlijk op 15 maart aan de geëvalueerde te worden toegestuurd. De planning voor het nieuwe evaluatiejaar dient eveneens op dat tijdstip te zijn gefinaliseerd. §
  46. De evaluatie gaat door ook indien tijdens de maanden januari en februari : 1° de geëvalueerde niet beschikbaar is;2° de te bevragen ambtenaren of de minister bedoeld in artikel VIII 18 niet bereikbaar zijn. HOOFDSTUK
  47. - De instanties bevoegd voor het opmaken van evaluaties en van persoonlijke nota's Afdeling
  48. - De instanties bevoegd voor het opmaken van de evaluaties Art. VIII
  49. Met uitzondering van de adjunct leidend ambtenaar worden alle ambtenaren van rang A2 en lager geëvalueerd door minstens twee hiërarchische meerderen. De evaluatoren behoren tot minstens twee verschillende rangen. Art. VIII
  50. De leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar worden geëvalueerd door de Vlaamse regering, op basis van een verslag van een externe evaluatie-instantie die daartoe door haar wordt aangesteld. Ter voorbereiding van deze functioneringsevaluatie bevraagt deze externe evaluatie-instantie de minister. Daarnaast bevraagt zij ook de afdelingshoofden die onder het hiërarchisch gezag van de betrokken ambtenaar staan, alsook de leidend ambtenaar voor de evaluatie van de adjunct-leidend ambtenaar en omgekeerd. Art. VIII
  51. Het afdelingshoofd en het staflid van rang A2 worden geëvalueerd door de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar. Art. VIII
  52. Behalve in de gevallen bedoeld in artikel VIII 24 worden de andere ambtenaren van rang A2 en de ambtenaren van rang A1, niveau B, C, D en E geëvalueerd door minstens twee evaluatoren die beantwoorden aan de voorwaarden van artikel VIII
  53. Art. VIII
  54. §
  55. De ambtenaar met verlof voor opdracht zoals bedoeld in Deel XI, titel 8 behoudt

artikel VIII 8, § 2 zijn laatste functioneringsevaluatie die hem in de instelling gegeven werd vóór zijn opdracht. Indien hij kandidaat is voor een hiërarchische bevordering wordt hem een nieuwe functioneringsevaluatie toegekend door de leidend ambtenaar en door de hiërarchische chef onder wie hij ressorteert tijdens zijn opdracht. De betrokken leidend ambtenaar wint daartoe alle nodige inlichtingen in bij de functioneel bevoegde instanties. De functioneringsevaluatie betreft in dit geval de wijze van vervulling van de opdracht. Indien de ambtenaar tijdens zijn opdracht kandidaat is voor een hiërarchische bevordering en hij over geen functioneringsevaluatie beschikt, wordt hem een functioneringsevaluatie gegeven overeenkomstig het tweede lid. § 2. De ambtenaar die tijdens een evaluatiejaar met verlof voor loopbaanonderbreking gaat, wordt geëvalueerd op het eerstvolgende evaluatietijdstip over de periode dat hij effectief in dienst was.

artikel VIII 8, § 2 behoudt hij deze evaluatie voor de duur van zijn loopbaanonderbreking. §

  1. De ambtenaar die in de loop van de evaluatieperiode of op het evaluatietijdstip onder het functioneel gezag van een andere hiërarchische meerdere respectievelijk heeft gestaan of staat dan de hem overeenkomstig zijn affectatie toegewezen evaluatoren wordt geëvalueerd door deze laatsten rekening houdend met artikel VIII 14, derde lid. §
  2. De ambtenaar behorend tot het secretariaat van de leidend of de adjunct-leidend ambtenaar wordt geëvalueerd door de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar. §
  3. De preventieadviseur-coördinator of bij ontstentenis van een preventieadviseur-coördinator, de preventieadviseur wordt geëvalueerd door de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar. Ingeval een preventieadviseur-coördinator werd aangeduid wordt de preventieadviseur geëvalueerd door de preventieadviseur-coördinator en de leidend ambtenaar. De evaluatie betreft in beide gevallen de wijze van vervulling van de hun toegewezen opdrachten. §
  4. De opdrachthouder, die gedurende de hele evaluatieperiode een mandaat vervuld heeft, wordt geëvalueerd door de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar. §
  5. De ambtenaar die belast is met emancipatietaken wordt geëvalueerd door de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar. Art. VIII
  6. Indien op het evaluatietijdstip blijkt dat één van de evaluatoren ontbreekt of nog geen opleiding opgelegd door artikel VIII 9 gevolgd heeft, wordt hij vervangen door een andere hiërarchische meerdere, aangeduid door de leidend ambtenaar of door de leidend ambtenaar zelf, met dien verstande dat de vervangende evaluator niet van dezelfde rang mag zijn als de geëvalueerden waarover hij is aangeduid. Afdeling
  7. - De instantie bevoegd voor het opmaken van persoonlijke nota's Art. VIII
  8. De hiërarchische meerderen bevoegd voor het opmaken van de persoonlijke nota's zoals vermeld in artikel VIII 14, zijn degenen die bevoegd zijn voor het opmaken van de evaluatie, onverminderd het derde lid van voormeld artikel. HOOFDSTUK
  9. - Procedurevoorschriften Afdeling
  10. - Procedurevoorschriften in verband met de evaluatie Art. VIII
  11. § 1.Het definitieve beschrijvende evaluatieverslag zoals bedoeld in artikel VIII 10 § 6 wordt door de evaluatoren in onderlinge overeenstemming opgesteld, gedateerd en ondertekend, en wordt binnen vijftien kalenderdagen na het evaluatiegesprek aan de geëvalueerde bezorgd. Indien in uitzonderlijke gevallen de evaluatoren geen consensus bereiken bezorgen zij terzelfdertijd de aparte verslagen aan de geëvalueerde. De geëvalueerde tekent dit document voor kennisneming en krijgt er een afschrift van; hij voegt binnen de vijftien kalenderdagen na ontvangst zijn eventuele opmerkingen toe en stuurt die naar de evaluatoren. De evaluatoren tekenen voor kennisneming en voegen de opmerkingen van de geëvalueerde op het evaluatieverslag aan het evaluatiedossier van de geëvalueerde toe. Indien het beschrijvend evaluatieverslag wordt besloten met de vermelding "onvoldoende", dan kan de geëvalueerde daartegen beroep instellen binnen de vijftien kalenderdagen na het bezorgen van het beschrijvend evaluatieverslag overeenkomstig afdeling
  12. De geëvalueerde heeft het recht om te worden gehoord en kan zich laten bijstaan door een persoon naar eigen keuze. § 2 Het beroep is opschortend. Het beroepschrift wordt aangetekend verstuurd of tegen ontvangstbewijs ingediend. Afdeling
  13. - Beroep tegen de evaluatie Art. VIII
  14. §
  15. Een ambtenaar van rang A2A en lager, die er niet mee kan instemmen dat zijn beschrijvend evaluatieverslag wordt besloten met de vermelding « onvoldoende » of die meent dat er een vormgebrek kan worden ingeroepen, kan de zaak binnen de vijftien kalenderdagen na het bezorgen van het beschrijvend aanhangig maken bij de Raad van Beroep. §
  16. De Raad van Beroep kan de betrokken evaluatoren horen en om uitleg vragen. §
  17. De Raad van Beroep brengt een met redenen omkleed advies uit binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het beroepschrift. Indien er geen advies is binnen de vooropgestelde termijn, wordt het beroep behandeld alsof er een gunstig advies werd gegeven. §
  18. Het dossier wordt vervolgens binnen de vijftien kalenderdagen voorgelegd aan de minister voor de ambtenaar van rang A2A en aan de directieraad voor de ambtenaar van rang A2 en lager die bevoegd zijn voor de definitieve beslissing over het al dan niet toekennen van de vermelding « onvoldoende ». De als evaluator betrokken ambtenaar neemt in dit geval niet aan de beraadslaging deel. Terzelfdertijd wordt het advies aan de verzoeker gestuurd. De minister voor de ambtenaar van rang A2A en de directieraad voor de ambtenaar van rang A2 en lager beslist binnen de dertig kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad; zoniet gaat men ervan uit dat er een gunstige beslissing is. Art. VIII
  19. § 1 De leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar, die er niet mee kunnen instemmen dat hun beschrijvend evaluatieverslag wordt besloten met de vermelding "onvoldoende" kunnen de zaak binnen de vijftien kalenderdagen na het bezorgen van het beschrijvend evaluatieverslag aanhangig maken bij de Vlaamse regering. De Vlaamse regering kan de leidend ambtenaar wat de adjunct-leidend ambtenaar betreft en de adjunct-leidend ambtenaar wat de leidend ambtenaar betreft en de externe evaluatie-instantie evenals de leden en ambtenaren die zij geraadpleegd heeft horen en om uitleg vragen. De minister neemt in dit geval niet aan de beraadslaging deel. De beslissing in beroep van de Vlaamse regering is bindend. De Vlaamse regering beslist binnen dertig kalenderdagen; zoniet gaat men ervan uit dat er een gunstige beslissing is. Art. VIII
  20. De gemotiveerde beslissing in beroep wordt aan het evaluatiedossier van de geëvalueerde toegevoegd. TITEL
  21. - Anciënniteit en rangschikking Art. VIII
  22. §
  23. In hoofde van een ambtenaar bestaan volgende administratieve anciënniteiten : 1° de graadanciënniteit;2° de niveauanciënniteit;3° de dienstanciënniteit;4° de schaalanciënniteit. §
  24. Voor de toepassing van de reglementaire bepalingen die uitgaan van de anciënniteit, wordt onder de ambtenaren van wie de anciënniteit moet worden vergeleken de voorrang als volgt bepaald : 1° de ambtenaar met de grootste graadanciënniteit;2° de ambtenaar met de grootste niveauanciënniteit : bij gelijke graadanciënniteit;3° de ambtenaar met de grootste dienstanciënniteit : bij gelijke niveauanciënniteit;4° de oudste ambtenaar : bij gelijke dienstanciënniteit. Art. VIII
  25. §
  26. De graadanciënniteit en de niveauanciënniteit bestaan uit de werkelijke diensten die de ambtenaar als stagiair en als vastbenoemde heeft verricht als lid van het personeel van de instelling en als titularis van een ambt met volledige prestaties. §
  27. Voor de graadanciënniteit worden de in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop de ambtenaar is benoemd in de graden die door de reglementering in aanmerking worden genomen voor toegang tot een andere graad. §
  28. Voor de niveauanciënniteit worden de in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop de ambtenaar is benoemd in een graad van het betreffende niveau. Art. VIII
  29. De dienstanciënniteit bestaat uit de werkelijke diensten die de ambtenaar in om het even welke hoedanigheid heeft verricht als lid van het personeel van de instelling en als titularis van een ambt met volledige prestaties. Art. VIII
  30. De schaalanciënniteit bestaat uit de werkelijke diensten die de ambtenaar als stagiair en als vastbenoemde heeft verricht in een bepaalde salarisschaal als lid van het personeel van de instelling en als titularis van een ambt met volledige prestaties; zij wordt opgebouwd overeenkomstig artikel VIII 72, §
  31. Art. VIII
  32. §
  33. De ambtenaar wordt geacht werkelijke diensten te verrichten, zolang hij zich bevindt in een administratieve toestand op grond waarvan hij, krachtens dit besluit, zijn salaris of bij gemis daarvan, zijn aanspraak op bevordering tot een hoger salaris behoudt. §
  34. Volledig zijn de prestaties die gemiddeld 38 uren per week bedragen. Art. VIII
  35. De graad-, de niveau-, de dienst- en de schaalanciënniteit worden uitgedrukt in jaren en volle kalendermaanden. Zij beginnen op de eerste dag van een maand. De gedeelten van maanden worden weggelaten en de anciënniteiten beginnen in dat geval op de eerste dag van de volgende maand. Art. VIII
  36. Voor de toepassing van artikel VIII 36 op ambtenaren die gemachtigd zijn hun ambt met verminderde prestaties uit te oefenen met pro rata non-activiteit voor de duur van de afwezigheid : 1° worden prestaties van 1976 uur deeltijdse arbeid geteld als twaalf volle kalendermaanden;2° worden prestaties van een twaalfde van 1976 uur deeltijdse arbeid geteld als één volle kalendermaand, waarbij elk uurgedeelte vervalt;3° vervallen de werkelijke diensten die niet de eerste dag van de maand begonnen zijn of die vóór de laatste dag van de maand beëindigd zijn. TITEL
  37. - De hiërarchische loopbaan van de ambtenaar HOOFDSTUK
  38. - Definities en algemene bepalingen Art. VIII
  39. §
  40. Bevordering is de benoeming van een ambtenaar tot een graad van een hogere rang. §
  41. Er zijn twee soorten van bevordering : 1° de bevordering door verhoging in graad binnen een zelfde niveau;2° de bevordering door overgang naar een ander niveau. Art. VIII
  42. §
  43. De bevordering door verhoging in graad kan afhankelijk worden gesteld van het slagen voor een vergelijkend examen georganiseerd door het Vast Wervingssecretariaat of voor een vergelijkende bekwaamheidsproef. §
  44. De bevordering door overgang naar een ander niveau wordt verleend bij wijze van een vergelijkend overgangsexamen georganiseerd door het Vast Wervingssecretariaat. Art. VIII
  45. §
  46. De bevordering door verhoging in graad en de bevordering door overgang naar een ander niveau zijn alleen mogelijk wanneer een vaste betrekking van de toe te kennen graad vacant is. Zij worden verleend volgens de bepalingen vastgesteld in dit besluit. De vacantverklaring van de betrekkingen gebeurt door de benoemende overheid na advies van de directieraad. §
  47. Het vacaturebericht omvat inzake de te verlenen betrekking : 1° een functiebeschrijving;2° het gewenste profiel;3° de salarisschalen;4° het adres waar de kandidatuur wordt ingediend. §
  48. De kennisgeving van de vacatures gebeurt door hetzij een aangetekende brief tegen ontvangstbewijs aan de in aanmerking komende kandidaten, verzonden naar het door de betrokkene laatst opgegeven correspondentieadres; hetzij door afgifte in de dienst tegen ontvangstbewijs. §
  49. Om geldig te zijn moet de kandidaatstelling beantwoorden aan de voorschriften van het vacaturebericht en hetzij per aangetekende brief worden verzonden, hetzij door middel van een afgegeven brief, waarvoor een bewijs van ontvangst wordt overhandigd, worden ingediend binnen vijftien kalenderdagen. Deze termijn van vijftien kalenderdagen gaat in op de eerste werkdag na de aftekening van het ontvangstbewijs van de kennisgeving van de vacature door de in aanmerking komende kandidaat. De kandidaatstelling die door middel van een afgegeven brief wordt ingediend, dient op de laatste werkdag van de ontvangende dienst uiterlijk om 16.00 uur te worden overhandigd. Voor de kandidaatstelling geldt de datum van de poststempel of van het ontvangstbewijs als indieningsdatum. De kandidaatstelling omvat een uiteenzetting van de aanspraken en wordt ingediend met het modelformulier dat als bijlage 6 bij dit besluit gevoegd is. Art. VIII
  50. De ambtenaren mogen vooraf, via een aangetekende brief een veralgemeende kandidaatstelling indienen voor alle betrekkingen die tijdens hun afwezigheid vacant zouden worden verklaard. De geldigheid van deze kandidaatstelling is bepaald op maximaal dertig kalenderdagen. De ambtenaar richt zijn kandidaatstelling aan de leidend ambtenaar. Art. VIII
  51. §
  52. Om aan een vergelijkend examen voor verhoging in graad, aan een vergelijkende bekwaamheidsproef of aan een vergelijkend examen voor overgang naar een ander niveau deel te nemen, 1° moet de ambtenaar voldoen aan de anciënniteitsvoorwaarden op de door de Vast Wervingssecretaris bepaalde datum of op de datum vastgesteld door de leidend ambtenaar in geval van een vergelijkende bekwaamheidsproef;2° mag de ambtenaar geen functioneringsevaluatie hebben die besloten werd met "onvoldoende". §
  53. Om een bevordering te verkrijgen, 1° moet de ambtenaar zich in een administratieve toestand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan doen gelden;2° mag de ambtenaar geen functioneringsevaluatie hebben die besloten werd met "onvoldoende". Art. VIII
  54. §
  55. De ambtenaar die zich kandidaat heeft gesteld voor bevordering door verhoging in graad of voor bevordering door overgang naar een ander niveau, en die in een vacante betrekking bevorderd werd, kan deze bevordering weigeren. Hij kan nochtans deze bevordering slechts éénmaal weigeren in het geval van bevordering door verhoging in graad na examen of na bekwaamheidsproef of bevordering door overgang naar een ander niveau; indien hij een tweede maal weigert, verliest hij het voordeel van het slagen voor dit examen of deze proef. §
  56. De bevordering door verhoging in graad of door overgang naar een ander niveau wordt ambtshalve ingetrokken indien de ambtenaar de betrekking waarin hij bevorderd werd niet opgenomen heeft op de eerste van de derde maand volgend op de betekening van het bevorderingsbesluit. Nochtans mag de ambtenaar die op het tijdstip van de bevordering met verlof is gelijkgesteld met dienstactiviteit, het diensthoofd VGV en de adjuncten van het diensthoofd VGV, respectievelijk zijn verlof of hun mandaat verderzetten tot de einddatum waarvoor het is toegestaan. §
  57. De ambtenaar die bevorderd werd door verhoging in graad of door overgang naar een ander niveau kan om functionele of persoonlijke redenen vragen teruggezet te worden in zijn vorige rang, graad en salarisschaal. De diensten gepresteerd in zijn hogere graad worden in voorkomend geval in rekening gebracht bij de vaststelling van de schaalanciënniteit in zijn vorige rang, graad en salarisschaal waarin hij teruggezet wordt. HOOFDSTUK 2 De vergelijkende examens voor overgang naar een ander niveau en de vergelijkende examens voor verhoging in graad Afdeling
  58. - Algemene bepalingen Art. VIII
  59. De vergelijkende examens voor overgang naar een ander niveau en de vergelijkende examens voor verhoging in graad worden loopbaanexamens genoemd. Art. VIII
  60. De Vast Wervingssecretaris organiseert de loopbaanexamens op aanvraag van de leidend ambtenaar voor de graden door hem aangewezen. Deze laatste beslist hiertoe op basis van de bestaande of in het volgende jaar te verwachten vacatures. Binnen de perken van het vorige lid worden de vergelijkende examens voor overgang naar een ander niveau en de vergelijkende examens voor verhoging in graad ten minste om de twee jaar georganiseerd. Art. VIII
  61. De Vast Wervingssecretaris stelt de nadere bepalingen van de loopbaanexamens en de samenstelling van de examencommissies vast. Art. VIII
  62. De leidend ambtenaar stelt de programma's van de loopbaanexamens vast na overleg met de Vast Wervingssecretaris. Art. VIII
  63. Indien een loopbaanexamen uit een algemeen en één of meer bijzondere gedeelten bestaat, worden de ambtenaren die geslaagd zijn voor het algemeen gedeelte op hun verzoek van dit gedeelte vrijgesteld wanneer zij later opnieuw deelnemen aan één of meer examens voor dezelfde of een gelijkwaardige graad, of voor een lagere graad van hetzelfde niveau. Art. VIII
  64. §
  65. De ambtenaar die het minimum der punten heeft behaald, wordt geslaagd verklaard. §
  66. De geslaagde behoudt onbeperkt het voordeel van zijn uitslag. Afdeling
  67. - De vergelijkende examens voor overgang naar een ander niveau Art. VIII
  68. De vergelijkende examens voor overgang naar een ander niveau worden georganiseerd voor bevordering door overgang naar graden van rang D1, C1, B1 en A
  69. Art. VIII
  70. Het vergelijkend examen voor overgang naar een ander niveau staat open : 1° voor bevordering tot een graad van rang A1 : a) voor alle ambtenaren van niveau C van de instelling die ten minste vier jaar anciënniteit tellen in dat niveau;b) voor alle ambtenaren van niveau B van de instelling die ten minste drie jaar anciënniteit tellen in dat niveau;2° voor bevordering tot een graad van B1, voor de ambtenaren van niveau C van de instelling die in het bezit zijn van het vereiste diploma;3° voor bevordering tot een graad van rang C1, voor alle ambtenaren van niveau D van de instelling die ten minste twee jaar anciënniteit tellen in dat niveau;4° voor bevordering tot een graad van rang D1, voor alle ambtenaren van niveau E van de instelling. Art. VIII
  71. De Vast Wervingssecretaris bepaalt de datum waarop aan de deelnemingsvoorwaarden moet worden voldaan. Art. VIII
  72. De vergelijkende examens voor overgang naar graden van niveau A omvatten de volgende gedeelten : 1° een eerste gedeelte dat schriftelijk wordt afgenomen en dat bestaat uit het samenvatten en het commentariëren van een tekst.Alleen de kandidaten die geslaagd zijn voor het eerste gedeelte worden tot het tweede gedeelte toegelaten; 2° een tweede gedeelte dat bestaat uit een ondervraging over vier door de leidend ambtenaar vast te stellen vakken;3° een derde gedeelte dat bestaat uit een praktische oefening, namelijk een schriftelijk verslag en een interview over een aangelegenheid die verband houdt met de functie. Alleen de kandidaten die voor de vier vakken zijn geslaagd, worden tot de praktische oefening toegelaten. Art. VIII
  73. §
  74. Om te slagen voor het eerste gedeelte van een vergelijkend examen voor overgang naar een graad van rang A1 moet de kandidaat ten minste 60% van de punten behalen. De kandidaat die geslaagd is voor het eerste gedeelte geniet het voordeel van de bepalingen van artikel VIII
  75. §
  76. Om te slagen voor het tweede gedeelte van het in § 1 vermelde examen moet de kandidaat voor elk van de vier vakken ten minste 50% van de punten behalen en 60 % over het geheel. De kandidaat die geslaagd is voor het tweede gedeelte van dit examen wordt op zijn aanvraag van dit gedeelte vrijgesteld voor de volgende examens in dezelfde graad waaraan hij deelneemt. De kandidaat die geen 60% van de punten over het geheel behaalt, wordt voor de volgende drie examens in dezelfde graad waaraan hij deelneemt vrijgesteld van de vakken waarvoor hij ten minste 65 % van de punten heeft behaald. §
  77. De kandidaat die geslaagd is voor het tweede gedeelte van het examen wordt tot de praktische oefening toegelaten waarvoor hij eveneens ten minste 60 % van de punten moet behalen. De geslaagden worden gerangschikt volgens de voor de praktische oefening behaalde punten. Art. VIII
  78. De vergelijkende examens voor overgang naar graden van niveau B en C bestaan uit twee examengedeelten, namelijk een algemeen examen en een bijzonder examen. Alleen de kandidaten die geslaagd zijn voor het algemeen gedeelte worden tot het bijzondere gedeelte toegelaten. Het algemene gedeelte bestaat uit het samenvatten en commentariëren van een tekst, of uit het opstellen van een verslag over een aangelegenheid die verband houdt met de functie. Het bijzondere gedeelte heeft tot doel te toetsen : hetzij de algemene vorming van de kandidaat, hetzij zijn kennis van bepaalde vakken, hetzij de vaardigheden vereist voor het uitoefenen van de functie, hetzij verschillende van deze elementen samen. Art. VIII
  79. De vergelijkende examens voor overgang naar graden van niveau D bestaan uit één ondervraging. De programma's zijn hoofdzakelijk afgestemd op de aard van de te verlenen graad. Voor de technische of gespecialiseerde betrekkingen kan het examen nochtans uit meer dan één gedeelte bestaan. Art. VIII
  80. De geslaagden worden gerangschikt volgens de behaalde punten. Ingeval het examen is opgesplitst, worden zij gerangschikt volgens de punten behaald in de bijzondere gedeelten. Afdeling
  81. - De vergelijkende examens voor verhoging in graad Art. VIII
  82. §
  83. Aan een vergelijkend examen voor verhoging in graad mag de ambtenaar deelnemen van de onmiddellijk lagere rang met ten minste twee jaar graadanciënniteit. §
  84. De vergelijkende examens voor verhoging in graad bestaan uit een ondervraging over administratieve of technische kennis overeenstemmend met de te verlenen graad. HOOFDSTUK
  85. - De vergelijkende bekwaamheidsproef Art. VIII
  86. §
  87. Voor de organisatie van de vergelijkende bekwaamheidsproef bedoeld in artikel VIII 36, § 1 en van de vergelijkende bekwaamheidsproeven bedoeld in artikel VIII 69, § 3 worden in de instelling één of meer commissies opgericht die belast zijn met de organisatie van de bekwaamheidsproeven. De leidend ambtenaar regelt de organisatie van de proef, stelt het programma vast en bepaalt de samenstelling van de commissie. §
  88. De proef heeft betrekking op de theoretische en/of praktische kennis, evenals op de bekwaamheden en geschiktheden, vereist voor de uitoefening van de functie. §
  89. De geslaagde voor één van de vergelijkende bekwaamheidsproeven bedoeld in § 1, eerste lid behoudt onbeperkt het voordeel van zijn uitslag tenzij het examenreglement het anders bepaalt. HOOFDSTUK
  90. - De hiërarchische bevordering Afdeling
  91. - Bevoegde overheid en procedurevoorschriften Art. VIII
  92. De bevordering tot een graad van rang A2 wordt toegekend door de minister na gemotiveerd voorstel van de directieraad. Art. VIII
  93. De bevordering tot een graad van rang A1 wordt toegekend door de leidend ambtenaar. Art. VIII
  94. §
  95. De bevordering tot een graad ingedeeld in de niveaus B, C en D wordt toegekend door de leidend ambtenaar. §
  96. Vóór de bevordering door verhoging in graad binnen deze niveaus wordt een gemotiveerd voorstel gedaan door de directieraad. Art. VIII
  97. § 1 Van de voorstellen van de directieraad wordt kennis gegeven aan de ambtenaren die zich kandidaat hebben gesteld. §
  98. De ambtenaar die zich benadeeld acht, kan binnen vijftien kalenderdagen na de kennisgeving bezwaar indienen bij de directieraad. Hij wordt, op zijn verzoek, gehoord. Afdeling
  99. - Bevordering door overgang naar een ander niveau Art. VIII
  100. §
  101. De geslaagden worden in de volgorde van hun rangschikking bevorderd tot de graad waarnaar zij hebben meegedongen en worden voor een vacante betrekking van die graad aangewezen. §
  102. Wanneer de geslaagden van verschillende examens kandidaat zijn voor dezelfde bevordering, worden zij gerangschikt volgens de datum van de processen-verbaal van afsluiting van de vergelijkende examens, te beginnen met het eerst afgesloten proces-verbaal, en, voor elk vergelijkend examen, in de volgorde van hun rangschikking. §
  103. De dienstaanwijzing van de geslaagden die voor bevordering in aanmerking komen gebeurt binnen de perken van de vacatures en van het v

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.