📄 Wettekst
15 OKTOBER 2009. - Besluit van de Waalse Regering tot uitvoering van het
decreet van 30 april 2009Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
30/04/2009
pub.
16/07/2009
numac
2009203164
bron
waalse overheidsdienst
Decreet betreffende de opvang en de huisvesting van bejaarde personen
sluiten betreffende de opvang en de huisvesting van bejaarde personen
De Waalse Regering, Gelet op het
decreet van 30 april 2009Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
30/04/2009
pub.
16/07/2009
numac
2009203164
bron
waalse overheidsdienst
Decreet betreffende de opvang en de huisvesting van bejaarde personen
sluiten betreffende de opvang en de huisvesting van bejaarde personen;
Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 21 april 2009;
Gelet op de instemming van de Minister van Begroting, gegeven op 23 april 2009;
Gelet op het advies van de « Conseil wallon du troisième âge » (Waalse Raad voor de Derde Leeftijd), gegeven op 28 mei 2009;
Gelet op de kennisgeving aan de Europese Commissie van de normen bedoeld in bijlage II bij dit besluit;
Gelet op het advies 47.043/2/V van de Raad van State, gegeven op 26 augustus 2009, overeenkomstig artikel 84, § 1, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op de voordracht van de Minister van Gezondheid, Sociale Actie en Gelijke Kansen, Besluit : Artikel 1.Dit besluit regelt overeenkomstig artikel 138 van de grondwet een aangelegenheid bedoeld in artikel 128, § 1, ervan. HOOFDSTUK I. - Begripsomschrijvingen Art. 2.In de zin van dit besluit wordt verstaan onder : - het decreet : het
decreet van 30 april 2009Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
30/04/2009
pub.
16/07/2009
numac
2009203164
bron
waalse overheidsdienst
Decreet betreffende de opvang en de huisvesting van bejaarde personen
sluiten betreffende de opvang en de huisvesting van bejaarde personen; - de Minister : de Minister bevoegd voor Gezondheid en Sociale Actie; - het bestuur : het Operationeel Directoraat-generaal Plaatselijke Besturen, Sociale Actie en Gezondheid; - de Commissie : de « Commission wallonne des Aînés » (Waalse Commissie voor Ouderen) bedoeld in artikel 37, § 2, van het
decreet van 6 november 2008Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
06/11/2008
pub.
19/12/2008
numac
2008204572
bron
waalse overheidsdienst
Kaderdecreet houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet
sluiten houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet; - het grondgebied : het Franse taalgebied. HOOFDSTUK II. - Kwaliteitshandvest Art. 3.De inrichtingen voor bejaarde personen die instemmen met het kwaliteitshandvest zoals vermeld in bijlage I bij dit besluit, krijgen een kwaliteitslabel.
Om het kwaliteitslabel te krijgen, richt de inrichting voor bejaarde personen het bestuur een verklaring op erewoord, waarvan het model opgemaakt wordt door het bestuur en waarin ze zich ertoe verbindt het handvest betreffende de kwaliteit na te leven.
Het kwaliteitslabel kan te allen tijde op voorstel van het bestuur en na advies van de Commissie door de Minister ingetrokken worden bij niet-naleving van het kwaliteitshandvest.
Het voorstel tot intrekking wordt gelijktijdig aan de inrichting en aan de Commissie gericht.
De inrichting beschikt over een termijn van 15 werkdagen om haar standpunt mede te delen aan het bestuur en aan de Commissie.
Bij de kennisgeving van de intrekking van het kwaliteitslabel wordt de inrichting in kennis gesteld van het beroep bedoeld in artikel 65 van het
decreet van 6 november 2008Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
06/11/2008
pub.
19/12/2008
numac
2008204572
bron
waalse overheidsdienst
Kaderdecreet houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet
sluiten houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet.
De Minister bepaalt het model van het logo dat gebruikt moet worden door de inrichtingen voor bejaarde personen die hebben ingestemd met het kwaliteitshandvest en die een kwaliteitslabel hebben gekregen.
De lijst van de inrichtingen die in aanmerking komen voor het kwaliteitslabel, wordt op de website van het bestuur bekendgemaakt. HOOFDSTUK III. - Programma voor de vestiging en de capaciteit van de inrichtingen voor bejaarden Art. 4.De maximumcapaciteit van de rustoordbedden wordt op 47 546 bedden vastgelegd voor het geheel van het grondgebied, met inbegrip van de rustoordbedden die omgezet worden naar rust- en verzorgingsbedden.
De Minister bepaalt de procedure en de voorwaarden waaronder de herkwalificatie van rustoordbedden in rust- en verzorgingsbedden mogelijk wordt gemaakt. Die voorwaarden beogen met name de omvang van de inrichting, haar architecturale structuur, het aantal sterk afhankelijke bewoners en de kwalificatie van het personeel. Art. 5.De programmering van de rustoordbedden wordt per arrondissement uitgevoerd als volgt : op 1 januari van elk jaar worden de volgende coëfficiënten berekend : - het gemiddelde coëfficiënt van het aantal bedden vastgesteld in het programma voor het geheel van het grondgebied in verhouding tot de laatste gegevens van het Nationaal Instituut voor de Statistiek van de 75-plussers (coëfficiënt X); - en voor elk arrondissement, het gemiddelde coëfficiënt van het aantal bedden die in aanmerking komen voor een werkingsvergunning of een principeakkoord in het arrondissement in verhouding tot de laatste gegevens van het Nationaal Instituut voor de Statistiek van de 75-plussers in het betrokken arrondissement.
Met het oog op een homogene verdeling van de rustoordbedden worden de bedden, als ze beschikbaar zijn, eerst aan de in verhouding tot coëfficiënt X meest achtergestelde gebieden en laatst aan de best bedeelde gebieden toegewezen, met inachtneming van de in artikel 6, § 4, 3°, van het decreet bedoelde verdeling tussen de sectoren. Art. 6.Een rustoord mag niet minder dan 50 bedden en niet meer dan 150 bedden omvatten, met inbegrip van de bedden voor het kortstondig verblijf en de rust- en verzorgingsbedden.
Evenwel 1° mogen de rustoorden die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit over minder dan 50 bedden of meer dan 150 bedden beschikken, met inbegrip van de rust- en verzorgingsbedden bedden en de bedden voor het kortstondig verblijf hun activiteiten voortzetten.De rustoorden die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit over een geldig principeakkoord beschikken, waarbij ze ertoe gemachtigd worden om de capaciteit van 150 bedden te overschrijden, worden niet betrokken bij de capaciteitbeperking bepaald op 150 bedden binnen de perken van het lopende principeakkoord. Ze mogen evenwel niet de hun toegekende capaciteit boven 150 bedden overschrijden; 2° en niettegenstaande hun capaciteit om het aantal rustoordbedden of rust-en verzorgingsbedden tot maximum 150 bedden te verhogen, kunnen de rustoorden die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit meer dan 135 bedden omvatten, behalve de bedden voor het kortstondig verblijf, hun capaciteit met hoogstens 20 % zien oplopen, maar alleen in bedden voor het kortstondig verblijf met een maximum van 30 bedden voor het kortstondig verblijf per inrichting en met inachtneming van de in artikel 9 bedoelde voorwaarden. Art. 7.De maximale capaciteit van de bedden voor het kortstondig verblijf wordt bepaald op 1 200 bedden voor het hele grondgebied. Art. 8.De programmering van de bedden voor het kortstondig verblijf wordt per arrondissement op de volgende wijze verricht. op 1 januari van elk jaar worden de volgende coëfficiënten berekend : - het gemiddelde coëfficiënt van het aantal bedden vastgesteld in het programma voor het geheel van het grondgebied in verhouding tot de laatste gegevens van het Nationaal Instituut voor de Statistiek van de 75-plussers (coëfficiënt X); - en voor elk arrondissement, het gemiddelde coëfficiënt van het aantal bedden die in aanmerking komen voor een werkingsvergunning of een principeakkoord in het arrondissement in verhouding tot de laatste gegevens van het Nationaal Instituut voor de Statistiek van de 75-plussers in het betrokken arrondissement.
Met het oog op een homogene verdeling van de rustoordbedden worden de bedden, als ze beschikbaar zijn, eerst aan de in verhouding tot coëfficiënt X meest achtergestelde gebieden en laatst aan de best bedeelde gebieden toegewezen, met inachtneming van de in artikel 6, § 4, 3°, van het decreet bedoelde verdeling tussen de sectoren. Art. 9.Geen enkel rustoord mag in aanmerking komen voor een aantal bedden voor kortstondig verblijf hoger dan het aantal bedden gelijk aan 20 % van de capaciteit waarin de werkingsvergunning voorziet, afgerond naar boven. Als het rustoord een erkenning geniet op verschillende sites, mag het aantal bedden voor kortstondig verblijf op één site bovendien niet hoger zijn dan 30 % van de totale capaciteit van bedoelde site.
In afwijking van het vorige lid kunnen de beheerders van rustoorden van éénzelfde sector die in éénzelfde gemeente of in gemeenten van hetzelfde arrondissement gelegen zijn en, in dit laatste geval op maximum 10 km wegafstand van elkaar, een overeenkomst sluiten, waarbij één of meer van hen voor één of verschillende rustoorden verzoeken om één of meer principeakkoorden gelijk aan maximum 20 % van het totaalaantal bedden dat vastligt in de werkingsvergunningen van betrokken rustoorden, afgerond naar boven.
De enige beheerder van verschillende rustoorden mag onder de voorwaarden bedoeld in het vorige lid eveneens verzoeken om één of meer principeakkoorden voor maximum 20 % van het aantal bedden dat vastligt in de werkingsvergunningen van zijn rustoorden of dat geprogrammeerd is, afgerond naar boven.
In de gevallen bedoeld in de twee vorige leden mag het aantal bedden voor kortstondig verblijf voor éénzelfde site niet hoger zijn dan 30 % van de totale capaciteit die vastligt in de werkingsvergunning van het rustoord waar ze opgenomen worden. Art. 10.De maximale capaciteit van de plaatsen in een centrum voor dagverzorging wordt bepaald op 3,9 plaatsen voor 1000 inwoners van 75 jaar en meer en voor het hele grondgebied. Art. 11.De programmering van de plaatsen in een centrum voor dagverzorging wordt per arrondissement verricht opdat geen enkel arrondissement zou kunnen beschikken over minder dan 3 plaatsen per 1000 inwoners van 75 jaar en meer die erin verblijven op grond van de laatste gegevens van het Nationaal Instituut voor de Statistiek. Art. 12.De Minister bepaalt de nadere regels die een dagopvangcentrum in staat stellen om ook als centrum voor avond- en/of nachtopvang te kunnen werken alsmede de procedure en de voorwaarden voor de herkwalificatie van de plaatsen van een dagopvangcentrum in plaatsen van een dagverzorgingscentrum. Die voorwaarden beogen met name het aantal sterk afhankelijke bewoners en de kwalificatie van het personeel. Art. 13.De uitvoerige gegevens over de geactualiseerde stand van de vestigingsprogramma's van de verschillende soorten inrichtingen voor bejaarde personen worden op de website van het bestuur bekendgemaakt. HOOFDSTUK IV. - Toekenning van het principeakkoord Art. 14.Elke aanvraag om principeakkoord wordt bij het bestuur ingediend.
De aanvraag omvat de volgende elementen : 1° het behoorlijk ingevulde en ondertekende identificatieformulier opgemaakt en afgegeven door het bestuur;2° een verklaring op erewoord waarvan het model opgemaakt wordt door het bestuur, waarin de beheerder zich ertoe verbindt alle normen bepaald bij het decreet of krachtens dat decreet na te leven en de middelen aan te wenden die nodig zijn om in te spelen op de duurzame ontwikkeling, in het bijzonder wat betreft de energiebesparingen en het waterverbruik;3° een uitvoerige omschrijving van de voorziene inrichting, waarin de wil wordt aangetoond om te voldoen aan de erkenningsnormen betreffende de inrichting, haar opvangcapaciteit, haar toegankelijkheid voor de gehandicapte personen en aan de behoeften van bejaarde personen met zintuiglijke stoornissen. De aanvraag dient bij aangetekend schrijven of op elke wijze waarbij een vaststaande datum aan de zending wordt verleend, ingediend te worden. Art. 15.§ 1. Het bestuur behandelt de aanvraag en maakt het dossier samen met zijn opmerkingen over aan de Commissie binnen een termijn van 3 maanden na de indiening van de aanvraag zodra die volledig is.
Als de aanvraag niet vergezeld gaat van alle bewijsstukken of van alle gegevens bedoeld in artikel 14, wordt de aanvrager daar door het bestuur binnen één maand over ingelicht. In dat geval beschikt de aanvrager over een termijn van één maand om de ontbrekende documenten of gegevens mede te delen. Zoniet wordt de aanvraag geacht niet-ontvankelijk te zijn. § 2. Gezien het aantal beschikbare bedden of plaatsen en op grond van de in § 3 bedoelde wachtlijst beslist de Minister elk jaar op 1 mei en 1 november op grond van de volgende criteria : a) de verdelingsregels tussen de sectoren, zoals bepaald in artikel 6, § 4, 3°, van het decreet;b) de verdeling per arrondissement met het oog op een homogene verdeling van de inrichtingen voor de bejaarde personen over het hele grondgebied;c) de verscheidenheid van het zorgaanbod waarin het project kadert, zoals bedoeld in artikel 8, § 1, 1° van het decreet;d) de architecturale kwaliteit van het project, zijn vestiging en zijn integratie in het maatschappelijke leven. § 3. Als het aantal beschikbare bedden of plaatsen onvoldoende is om aan alle aanvragen te voldoen, worden de aanvragen waarop niet kan worden ingespeeld, op een wachtlijst geplaatst tot 31 december van het jaar volgend op de kennisgeving van de opneming op de wachtlijst.
Drie maanden vóór het verstrijken van het plaatsen op de wachtlijst maakt het bestuur de betrokken verzoekers bij aangetekend schrijven een brief over, waarin ze ervan op de hoogte gebracht worden dat bij gebrek aan een bevestiging van hun oorspronkelijke aanvraag voor de eerstvolgende 31 december, hun aanvragen van de wachtlijst geschrapt zullen worden. Bij bevestiging van hun oorspronkelijke aanvraag wordt de opneming op de wachtlijst tot 31 december van het volgende jaar verlengd. § 4. Wanneer de aanvraag geen gevolg heeft op de programmering, kan de Minister onverwijld beslissen. § 5. Wanneer het bestuur een beslissing tot weigering van een principeakkoord aan de beheerder betekent, stelt het hem ook in kennis van het beroep bedoeld in artikel 65 van het
decreet van 6 november 2008Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
06/11/2008
pub.
19/12/2008
numac
2008204572
bron
waalse overheidsdienst
Kaderdecreet houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet
sluiten houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet. Art. 16.§ 1. In de gevallen bedoeld in artikel 8, § 3, van het decreet dient de beheerder een memorie bij het bestuur in uiterlijk binnen zes maanden voor de vervaldatum van het principeakkoord; die memorie rechtvaardigt de noodzaak om het principeakkoord voor meer dan drie jaar te verlengen. § 2. Die memorie omvat minstens de volgende elementen : 1° de lijst van de administratieve stappen verricht sinds de toekenning van het principeakkoord;2° de omschrijving en de documenten betreffende de ten gevolge van die stappen reeds behaalde resultaten;3° de lijst van de stappen die nog te verrichten zijn en de raming van de termijnen waarin ze zullen worden verricht en waarin ze een resultaat opgeleverd zullen hebben;4° de redenen waarvoor de termijn van drie jaar niet zal kunnen worden nageleefd;5° de geplande datum voor de inbedrijfstelling. De administratieve stappen bedoeld in het vorige lid betreffen met name de adviezen of de in het kader van het toezicht vereiste voorafgaandelijke vergunningen, de aanvragen om toelagen aan de infrastructuren en de aanvragen om stedenbouwkundige vergunning. Die memorie dient bij aangetekend schrijven of op elke wijze waarbij een vaststaande datum aan de zending wordt verleend, bij het bestuur ingediend te worden. § 3. Als de aanvraag niet vergezeld gaat van alle bewijsstukken of van alle gegevens bedoeld in § 2, wordt de aanvrager daar door het bestuur binnen één maand over ingelicht. In dat geval beschikt de aanvrager over een termijn van één maand om de ontbrekende documenten of gegevens mede te delen. Zoniet wordt de aanvraag geacht niet-ontvankelijk te zijn. § 4. De Minister beslist binnen een termijn van drie maanden vanaf het moment waarop de aanvraag ontvankelijk is. Zoniet wordt de verlenging van het principeakkoord aangenomen voor een niet-verlengbare periode van drie jaar. HOOFDSTUK V. - Werkingsvergunningen voor de inrichtingen voor bejaarde personen Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 17.Onverminderd de bepalingen bedoeld in artikel 9, § 3, van het decreet moet de aanvraag om een werkingsvergunning voor een inrichting voor bejaarde personen bij het bestuur ingediend worden minstens drie maanden voor haar opening. De aanvraag dient bij aangetekend schrijven of op elke wijze waarbij een vaststaande datum aan de zending wordt verleend, ingediend te worden.
Binnen vijftien dagen na ontvangst van de aanvraag bezorgt het bestuur de aanvrager hetzij een bericht van ontvangst als de aanvraag volledig is, hetzij een bericht waarbij hij erom verzocht wordt zijn aanvraag binnen vijftien werkdagen in te vullen. Hij wordt daarbij gewezen op de ontbrekende of niet-conforme stukken. Bij gebrek aan antwoord van het bestuur binnen vijftien werkdagen na ontvangst van de aanvraag, wordt laatstgenoemde geacht ontvankelijk te zijn. Daarentegen, wordt de aanvraag, als de aanvrager het geheel van de door het bestuur verlangde stukken binnen de voorgeschreven aanvullende termijn niet overmaakt, als niet-ontvankelijk beschouwd.
Wanneer een aanvraag ontvankelijk is, wordt een voorlopige werkingsvergunning geacht toegekend te zijn na afloop van een termijn van 3 maanden te rekenen van de datum van ontvankelijkheid van de aanvraag behalve als een procedure tot weigering van de erkenning voor het verstrijken van die termijn aangevat wordt.
De werkingsvergunning vermeldt haar datum van inwerkingtreding, de naam en het adres van de inrichting voor bejaarde personen, in voorkomend geval, de huisvestings- of opvangcapaciteit, met inbegrip van de toegelaten niveaus en lokalen, de naam en het adres van de beheerder. De werkingsvergunning wordt door het bestuur aan de beheerder betekend binnen 15 dagen na de toekenning ervan. Afdeling 2. - Bijzondere bepalingen voor de rustoorden, de rust- en
verzorgingstehuizen en voor het kortstondig verblijf Art. 18.Om ontvankelijk te zijn, moet de aanvraag om een werkingsvergunning voor een rustoord, een rust- en verzorgingstehuis of voor een kortstondig verblijf vergezeld gaan van de volgende stukken tenzij ze tevoren reeds overgemaakt zijn aan het bestuur en op voorwaarde dat ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van wijzigingen : 1° het behoorlijk ingevulde en ondertekende identificatieformulier opgemaakt en afgegeven door het bestuur, waarmee kan worden nagegaan of de normen bedoeld in bijlage III bij dit besluit en, in voorkomend geval, de federale normen m.b.t. de rust- en verzorgingstehuizen nageleefd worden, samen met, als de beheerder een privaatrechtelijke rechtspersoon is, de statuten van de vennootschap, van de vereniging zonder winstoogmerk of van de stichting alsmede de lijst van de bestuurders; 2° een plan waarin de verschillende lokalen, hun afmetingen en hun bestemming per niveau, eventueel per site, vermeld worden alsmede het aantal bedden en, in voorkomend geval, de aangrenzende sanitaire installaties per kamer;de ligging van de bedden voor het kortstondig verblijf zal nader bepaald worden; 3° een brandveiligheidsattest afgegeven door de burgemeester van de gemeente waarin het rustoord, het rust- en verzorgingstehuis of het kortstondig verblijf of, in voorkomend geval, elke site gelegen is, gegrond op een verslag van de territoriaal bevoegde brandweerdienst, overeenkomstig het model bedoeld in aanhangsel 1 bij bijlage II bij dit besluit of, bij gebreke hiervan, het bewijs dat een aanvraag om brandveiligheidattest sinds minstens twee maanden ingediend is;4° het uittreksel uit het strafregister van type 1 dat minder dan zes maanden afgegeven is, van de directeur en, als het gaat om een natuurlijke persoon, van de beheerder van het rustoord of van het rust- en verzorgingstehuis alsmede het bewijs dat de directeur voldoet aan de opleidingsvoorwaarden bepaald in hoofdstuk III van bijlage III;5° wanneer de beheerder een privaatrechtelijke rechtspersoon is, het uittreksel uit het strafregister van type 1 van de natuurlijke persoon die ertoe gemachtigd is om hem te vertegenwoordigen;6° het levensproject;7° het ontwerp van overeenkomst tussen de beheerder en de bewoner als de inrichting niet het door de Minister bepaalde typemodel gebruikt;8° het huishoudelijk reglement als de inrichting niet het door de Minister bepaalde typemodel gebruikt;9° de overeenkomsten gesloten met één of verschillende centra voor de coördinatie van thuiszorg en thuisdienstverlening en, in voorkomend geval, met een rust- en verzorgingstehuis en met de vereniging inzake palliatieve zorgen die het betrokken geografische gebied dekt, als het rustoord niet over bedden voor rust- en verzorgingstehuizen beschikt. Afdeling 3. - Bijzondere bepalingen voor de serviceflats
Art. 19.Om ontvankelijk te zijn moet de aanvraag om een werkingsvergunning voor een serviceflat vergezeld gaan van de volgende documenten tenzij ze tevoren reeds overgemaakt zijn aan het bestuur en op voorwaarde dat ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van wijzigingen 1° het behoorlijk ingevulde en ondertekende identificatieformulier opgemaakt en afgegeven door het bestuur, waarmee kan worden nagegaan of de normen bedoeld in bijlage IV bij dit besluit nageleefd worden, samen met, als de beheerder een privaatrechtelijke rechtspersoon is, de statuten van de vennootschap, van de vereniging zonder winstoogmerk of van de stichting alsmede de lijst van de bestuurders;2° een plan dat per niveau de verschillende lokalen, hun afmetingen en hun bestemming vermeldt;3° een brandveiligheidsattest afgegeven door de burgemeester van de gemeente waarin de serviceflat gelegen is, gegrond op een verslag van de territoriaal bevoegde brandweerdienst, overeenkomstig het model bedoeld in aanhangsel 1 bij bijlage II bij dit besluit of, bij gebreke hiervan, het bewijs dat een aanvraag om brandveiligheidsattest sinds minstens 2 maanden ingediend is;4° het uittreksel uit het strafregister van type 1 van de directeur dat minder dan zes maanden afgegeven is, en, als het gaat om een natuurlijke persoon, van de beheerder van de serviceflat;5° wanneer de beheerder een privaatrechtelijke rechtspersoon is, het uittreksel uit het strafregister van type 1 dat minder dan 6 maanden afgegeven is, van de natuurlijke persoon die ertoe gemachtigd is om hem te vertegenwoordigen;6° de lijst van de facultatieve diensten voorgesteld aan de bewoners en de voorwaarden waaronder die diensten verleend worden;7° het ontwerp van overeenkomst tussen de beheerder en de bewoner als de inrichting niet het door de Minister bepaalde typemodel gebruikt;8° het huishoudelijk reglement als de inrichting niet het door de Minister bepaalde typemodel gebruikt;9° de overeenkomsten gesloten met een rustoord of een rust- en verzorgingstehuis als de serviceflat niet gelegen is op de site van een rustoord of een rust- en verzorgingstehuis en de overeenkomst gesloten met één of verschillende centra voor de coördinatie van thuiszorg en thuisdienstverlening;10° de wijze waarop in de dag- en nachtdienst wordt voorzien zodat in geval van nood bij de bewoners tussenbeide gekomen kan worden.Die omschrijving bepaalt de beroepsmodaliteiten voor het dienstdoende personeel, de kwalificatie van het personeel, de plaats waar het personeelslid met dag- en nachtdienst verblijft en hoe lang het gemiddeld duurt vóór aan de oproep gevolg wordt gegeven. Afdeling 4. - Bijzondere bepalingen voor de dagopvangcentra en/of
centra voor dagverzorging en/of centra voor avond- en/of nachtopvang Art. 20.Om ontvankelijk te zijn, moet de aanvraag om een werkingsvergunning voor een dagopvangcentrum en/of centrum voor dagverzorging en/of centrum voor avond- en/of nachtopvang vergezeld gaan van de volgende documenten tenzij ze tevoren reeds overgemaakt zijn aan het bestuur en op voorwaarde dat ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van wijzigingen : 1° het behoorlijk ingevulde en ondertekende identificatieformulier opgemaakt en afgegeven door het bestuur, waarmee kan worden nagegaan of de normen bedoeld in bijlage V bij dit besluit en, in voorkomend geval, de federale normen m.b.t. de centra voor dagverzorging nageleefd worden, samen met, als de beheerder een privaatrechtelijke rechtspersoon is, de statuten van de vennootschap, van de vereniging zonder winstoogmerk of van de stichting alsmede de lijst van de bestuurders; 2° een plan dat de verschillende lokalen, hun afmetingen en hun bestemming vermeldt;3° een brandveiligheidsattest afgegeven door de burgemeester van de gemeente waarin het opvangcentrum gelegen is, gegrond op een verslag van de territoriaal bevoegde brandweerdienst, overeenkomstig het model bedoeld in aanhangsel 1 bij bijlage II bij dit besluit of, bij gebreke hiervan, het bewijs dat een aanvraag om brandveiligheidsattest sinds minstens 2 maanden ingediend is;4° het uittreksel uit het strafregister van type 1 dat minder dan zes maanden afgegeven is, van de directeur en, als het gaat om een natuurlijke persoon, van de beheerder van het dagopvangcentrum;5° wanneer de beheerder een privaatrechtelijke rechtspersoon is, het uittreksel uit het strafregister van type 1 dat minder dan 6 maanden afgegeven is, van de natuurlijke persoon die ertoe gemachtigd is om hem te vertegenwoordigen;6° het ontwerp van overeenkomst tussen de beheerder en de bewoner als de inrichting niet het door de Minister bepaalde typemodel gebruikt;7° het huishoudelijk reglement als de inrichting niet het door de Minister bepaalde typemodel gebruikt;8° de overeenkomsten gesloten met een rustoord of een rust- en verzorgingstehuis als het opvangcentrum niet gelegen is op de site van een rustoord of een rust- en verzorgingstehuis en de overeenkomst gesloten met één of verschillende centra voor de coördinatie van thuiszorg en thuisdienstverlening. Afdeling 5. - Bijzondere bepalingen voor de gezinsopvang
Art. 21.In afwijking van artikel 17 moet de aanvraag voor een werkingsvergunning als gezinsopvang, om ontvankelijk te zijn, bij het bestuur ingediend worden door de begeleidingsdienst bedoeld in artikel 13, 7°, van het decreet en vergezeld gaan van de volgende stukken : 1° een verklaring op erewoord opgemaakt door het bestuur en behoorlijk ingevuld en ondertekend door de opvangpersoon, waarin bevestigd wordt dat de normen bedoeld in bijlage VI bij dit besluit worden nageleefd en waarin de datum waarop de gezinsopvang begint te lopen, wordt bepaald;2° het uittreksel uit het strafregister van type 1 dat minder dan zes maanden afgegeven is, van de opvangpersoon;3° een medisch attest ter bevestiging dat de opvangpersoon een gezondheidstoestand heeft die verenigbaar is met de opvang van één of meerdere bejaarden op zijn/hun woonplaats;dat attest wordt elk jaar hernieuwd; 4° de overeenkomsten gesloten tussen de begeleidingsdienst en de gezinsopvang enerzijds en met een rustoord of een rust- en verzorgingstehuis en de overeenkomst gesloten met één of verschillende centra voor de coördinatie van thuiszorg en thuisdienstverlening anderzijds. Afdeling 6. - Voorlopige werkingsvergunning
Art. 22.De Minister kent een voorlopige werkingsvergunning toe aan de inrichting voor bejaarde personen die een ontvankelijke aanvraag om werkingsvergunning heeft ingediend.
De voorlopige werkingsvergunning vermeldt haar datum van inwerkingtreding, de naam en het adres van de inrichting voor bejaarde personen, in voorkomend geval, de huisvestings- of opvangcapaciteit, met inbegrip van de toegelaten niveaus en lokalen, de naam en het adres van de beheerder. De voorlopige werkingsvergunning wordt door het bestuur aan de beheerder betekend binnen 15 werkdagen na diens toekenning. Art. 23.Als veiligheidswerken het rechtvaardigen, kan een voorlopige werkingsvergunning met één jaar verlengd worden op overlegging van een veiligheidsattest afgegeven door de burgemeester, overeenkomstig het model bedoeld in aanhangsel 1 bij bijlage II, dat in de tijd beperkt wordt en waarin bepaald wordt dat de vereiste veiligheidswerken binnen de voorgeschreven termijn uitgevoerd moeten worden. Afdeling 7. - De toekenning, de opschorting of de weigering van de
werkingsvergunning Art. 24.§ 1. Als het bestuur een voorstel tot weigering, intrekking of schorsing van de werkingsvergunning indient, betekent het laatstgenoemd voorstel aan de beheerder.
Het bestuur informeert hem ook over het feit dat hij na ontvangst van de kennisgeving over een termijn van vijftien werkdagen beschikt om zijn geschreven opmerkingen te versturen.
Het bestuur vult het dossier aan met de schriftelijke opmerkingen van de beheerder, met alle door hem ingezamelde gegevens en stukken en met het proces-verbaal van verhoor van de beheerder.
Daartoe roept het de beheerder op bij aangetekend schrijven of per brief afgegeven tegen ontvangbewijs en vermeldt het de plaats, de dag en het uur van de hoorzitting. De oproeping vermeldt de mogelijkheid om zich door een raadsman te laten bijstaan.
Het bestuur maakt een verslag op en maakt het dossier binnen vijftien werkdagen aan de Commissie over, die haar advies uitbrengt.
De weigering te verschijnen of zijn verweermiddel aan te voeren wordt in het proces-verbaal van verhoor geacteerd. § 2. Het bestuur maakt het volledige dossier aan de Minister over binnen vijftien werkdagen na het advies van de Commissie. § 3. In geval van schorsing van een werkingsvergunning kan de beheerder er de opheffing van vragen als hij van mening is dat de redenen die de sanctie hebben gerechtvaardigd, niet meer bestaan. De aanvraag die bij het bestuur bij aangetekend schrijven of op elke wijze waarbij een vaststaande datum aan de zending wordt verleend ingediend wordt, gaat vergezeld van een memorie met verantwoording. Er wordt onverwijld overgegaan tot een inspectie van de inrichting. De Minister beslist binnen één maand na ontvangst van de aanvraag. Zo niet wordt de beslissing tot schorsing geacht opgeheven te zijn. § 4. Op elk ogenblik tijdens de procedure kan het bestuur naar gelang van de ingewonnen aanvullende elementen en van de verstrekte nadere gegevens beslissen om het voorstel te wijzigen of van de procedure af te zien. Het bestuur informeert er onverwijld de beheerder van. § 5. Wanneer het bestuur een beslissing tot weigering, intrekking of schorsing van een werkingsvergunning betekent, geeft het ook kennis van het beroep bedoeld in artikel 65 van het
decreet van 6 november 2008Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
06/11/2008
pub.
19/12/2008
numac
2008204572
bron
waalse overheidsdienst
Kaderdecreet houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet
sluiten houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet. Afdeling 8. - Dringende sluiting
Art. 25.In de in artikel 34, § 1, van het decreet bedoelde gevallen maakt het bestuur de Minister onverwijld een voorstel tot dringende sluiting van een inrichting voor bejaarde personen over samen met een verslag ter rechtvaardiging van de sluiting, met het meest recente inspectieverslag alsmede, in voorkomend geval, met alle andere nodige inlichtingen en documenten. Zodra het bestuur kennis heeft van een toestand die de dringende sluiting rechtvaardigt, licht het er onverwijld de burgemeester over in zodat hij de nodige bewarende maatregelen kan treffen.
Als de dringende sluiting gemotiveerd wordt door onvoorzienbare omstandigheden uit hoofde van de beheerder, behoudt laatstgenoemde zijn werkingsvergunning, waarbij de inrichting opnieuw in dienst kan worden gesteld zodra blijkt dat de oorzaken van de dringende sluiting verholpen zijn.
Als de aansprakelijkheid van de beheerder duidelijk aangetoond wordt, wordt de beslissing tot dringende sluiting gevolgd met een voorstel tot intrekking van de erkenning en in het bijzonder, overwegende dat het gedrag van beheerder de gezondheid en de veiligheid van de bewoners ernstig aantast, wordt een afschrift van de vaststelling van de personeelsleden die door de Regering aangewezen worden voor de controle op de inrichtingen voor bejaarde personen onverwijld overgemaakt aan de procureur des Konings.
Onverminderd de onmiddellijke bewarende maatregelen die de burgemeester kan bevelen, is de dringende sluiting binnen 72 uur na zijn kennisgeving effectief.
Wanneer het bestuur een beslissing tot dringende sluiting betekent, stelt het hem ook in kennis van het beroep bedoeld in artikel 65 van het
decreet van 6 november 2008Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
06/11/2008
pub.
19/12/2008
numac
2008204572
bron
waalse overheidsdienst
Kaderdecreet houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet
sluiten houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet. Afdeling 9. - Sluiting van de inrichtingen die zonder
werkingsvergunning werken Art. 26.§ 1. Als het bestuur een voorstel indient tot sluiting van een inrichting die zonder werkingsvergunning werkt, wordt laatstgenoemd voorstel aan de beheerder betekend.
Het bestuur informeert hem ook over het feit dat hij na ontvangst van de kennisgeving over een termijn van vijftien werkdagen beschikt om zijn schriftelijke opmerkingen te richten.
Het bestuur vult het dossier aan met de schriftelijke opmerkingen van de beheerder, met alle door hem ingezamelde gegevens en stukken en met het proces-verbaal van verhoor van de beheerder.
Daartoe roept het de beheerder op bij aangetekend schrijven of per brief afgegeven tegen ontvangbewijs en vermeldt het de plaats, de dag en het uur van de hoorzitting. De oproeping vermeldt de mogelijkheid om zich door een raadsman te laten bijstaan.
Het bestuur maakt een verslag op en maakt het dossier binnen vijftien werkdagen aan de Commissie over, die haar advies uitbrengt.
De weigering te verschijnen of zijn verweermiddel aan te voeren wordt in het proces-verbaal van verhoor geacteerd. § 2. Het bestuur maakt het volledige dossier aan de Minister over binnen vijftien werkdagen na het advies van de Commissie. § 3. Wanneer het bestuur een beslissing tot sluiting van een inrichting betekent die zonder werkingsvergunning werkt, stelt het hem ook in kennis van het beroep bedoeld in artikel 65 van het
decreet van 6 november 2008Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
06/11/2008
pub.
19/12/2008
numac
2008204572
bron
waalse overheidsdienst
Kaderdecreet houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet
sluiten houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet. HOOFDSTUK VI. - Normen waaraan de inrichtingen voor bejaarde personen moeten voldoen Afdeling 1. - Bepalingen inzake brandbeveiliging en paniek
Art. 27.§ 1. De in bijlage II bedoelde normen inzake brandbeveiliging en paniek zijn toepasselijk op de rustoorden, de rust- en verzorgingstehuizen, de serviceflats en de centra voor dagverzorging en/of centra voor avond- en/of nachtopvang.
In afwijking van het eerste lid : 1° moeten de rust- en verzorgingstehuizen die geen werkingsvergunning als rustoord genieten, zich uiterlijk op 1 januari 2020 aan bijlage II aanpassen;in afwachting daarvan moeten ze zich minstens aan de eisen van het koninklijk besluit van 6 november 1979 tot vaststelling van de normen inzake beveiliging tegen brand en paniek waaraan ziekenhuizen moeten voldoen, aanpassen; 2° beschikken de erkende rustoorden of de rustoorden die op 6 februari 1999 een voorlopige werkingsvergunning genieten, waarvan de beheerders uiterlijk 30 april 2001 het bewijs hebben geleverd dat ze de territoriaal bevoegde regionale brandweerdienst om advies hebben verzocht over de punten die niet voldoen aan de normen bedoeld in bijlage I bij het besluit van 3 december 1998 tot uitvoering van het
decreet van 5 juni 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
05/06/1997
pub.
26/06/1997
numac
1997027325
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de "Conseil wallon du troisième âge" (1)
sluiten betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden, en op 31 december 2001 bij het bestuur om de in artikel 30 van hetzelfde besluit bedoelde afwijkingen hebben verzocht, over een termijn die drie jaar na de kennisgeving van het antwoord van de Minister op de laatste afwijkingsaanvraag om zich aan te passen aan de veiligheidsnormen van bijlage II eindigt. Tijdens die periode blijven de betrokken rustoorden onderworpen aan de normen die voor 6 februari 1999 op hen toepasselijk waren.
Op eensluidend advies van de territoriaal bevoegde dienst wordt een attest waarvan het model in bijlage II wordt bepaald, door de burgemeester afgegeven aan de beheerder. Er wordt een afschrift van overgemaakt aan het bestuur.
Als de brandweerdienst zijn attest besluit met de verklaring dat de inrichting niet op bevredigende wijze voldoet aan de bovenvermelde normen en dat om die redenen haar inbedrijfstelling niet zou moeten worden toegelaten, neemt de burgemeester onmiddellijk alle nodige bewarende maatregelen voor de veiligheid van de bewoners.
Als de brandweerdienst zijn attest besluit met de verklaring dat en dat de vastgestelde tekortkomingen, hoewel de inrichting niet op bevredigende wijze voldoet aan de bovenvermelde normen, de inbedrijfstelling niet verhinderen, vermeldt het veiligheidsattest omstandig alle bepalingen van de regelgeving die niet worden vervuld.
In alle gevallen voegt de burgemeester bij het bovenvermelde attest een afschrift van het bezoekverslag van de territoriaal bevoegde brandweerdienst.
Behalve gemotiveerde andersluidende beslissing geldt dat attest voor een duur van zes jaar. § 2. Om bovenvermeld attest te krijgen, richt de beheerder bij aangetekend schrijven een aanvraag aan de burgemeester van de gemeente waarin de inrichting is gelegen. De burgemeester maakt die aanvraag onverwijld over aan de territoriaal bevoegde brandweerdienst opdat deze een verslag daarover zou opmaken.
Op grond van het verslag dat hem door de zogenaamde brandweerdienst overgemaakt wordt, moet de burgemeester de aanvrager het bovenbedoelde attest bezorgen uiterlijk binnen twee maanden na indiening van de aanvraag. § 3. Op verzoek van de beheerder van een inrichting voor bejaarde personen kan de Minister na gunstig advies van het bestuur en van de territoriaal bevoegde brandweerdienst toestaan dat van de normen bedoeld in bijlage II wordt afgeweken. Vóór die afwijking wordt toegestaan, kan er op initiatief van één der partijen overleg worden gepleegd tussen de beheerder en de directie van de inrichting en de territoriaal bevoegde brandweerdienst.
Deze afwijking kan slechts worden toegestaan als : - het feitelijk onmogelijk is de werken te verrichten die nodig zijn om de inrichting in overeenstemming te brengen met de vigerende normen; - de werken die voor de inachtneming van de normen nodig zouden zijn, kosten met zich zouden brengen die buiten elke verhouding zouden staan tot de mate waarin de veiligheid van het gebouw zou worden verhoogd.
Bij bedoelde afwijking moet rekening worden gehouden met : - de specifieke omstandigheden; - eventuele alternatieve maatregelen waardoor het gebouw een veiligheidsniveau kan bereiken dat overeenstemt met het niveau bedoeld in bijlage II; - de toegangsmogelijkheden voor de voertuigen van de territoriaal bevoegde brandweerdienst.
De afwijkingsaanvraag moet bij het bestuur bij aangetekend schrijven of op elke wijze waarbij een vaststaande datum aan de zending wordt verleend, ingediend worden.
Als de aanvraag niet vergezeld gaat van alle bewijsstukken, wordt de aanvrager er binnen één maand van door het bestuur op de hoogte gebracht. In dat laatste geval beschikt de aanvrager over een termijn van één maand om de ontbrekende documenten of elementen te bezorgen.
Zoniet wordt de aanvraag geacht niet-ontvankelijk te zijn.
Het bestuur behandelt de aanvraag en maakt het dossier samen met zijn opmerkingen over aan de Minister binnen een termijn van drie maanden na ontvangst van het advies van de territoriaal bevoegde dienst; de Minister beslist binnen drie maanden. § 4. Elk ontwerp van verbouwing, d.w.z. elke verandering die de bestemming of de afmetingen van de lokalen wijzigt op grond waarvan de werkingsvergunning verleend is, moet onderworpen worden aan het voorafgaandelijk advies van de territoriaal bevoegde brandweerdienst. Afdeling 2. - Andere normatieve bepalingen
Art. 28.§ 1. De in de bijlagen III, IV, V en VI bedoelde normen zijn respectievelijk van toepassing op de rustoorden, de serviceflats, de dagopvangcentra, de centra voor avond- en/of nachtopvang en de gezinsopvang. § 2. De huisvesting in aangepaste eenheid van gedesoriënteerde bejaarde personen wordt uitgevoerd overeenkomstig de normen bepaald in hoofdstuk 7 van bijlage III. § 3. De op verschillende sites gevestigde rustoorden moeten voldoen aan de volgende bijkomende normen : 1° elke site die de nieuwe eenheid op zich vormt, moet in aanmerking komen voor een werkingsvergunning op het tijdstip van de aanvraag om globale erkenning, of het voorwerp uitmaken van een ontvankelijke aanvraag om erkenning;2° de wegafstand tussen de verschillende sites mag niet meer dan 10 km bedragen;3° de minimale huisvestingscapaciteit wordt vastgesteld op 10 bedden per site en op 50 bedden voor de sites samen;4° de maximale huisvestingscapaciteit wordt vastgesteld op 100 bedden per site en op 150 bedden voor de sites samen; 5° minstens één verzorgend personeelslid bedoeld in punt 9.3 van bijlage II moet 24 uur op 24 aanwezig zijn op elke site; 6° in de werking van het rustoord moet enerzijds worden vermeld hoe lang de directeur en de personeelsleden op elke site aanwezig zijn en anderzijds melding worden gemaakt van de wijze waarop in de dienstcontinuïteit wordt voorzien;7° op elke site wordt een oproepregister bijgehouden. Art. 29.Op verzoek van de beheerder van een inrichting voor bejaarde personen kan de Minister na gunstig advies van het bestuur en van de Commissie toestaan dat van de normen bedoeld in de bijlage III, IV en V wordt afgeweken.
Deze afwijking mag slechts toegekend worden als minstens één van de volgende voorwaarden wordt vervuld : - het is technisch onmogelijk de werken te verrichten die nodig zijn om de inrichting in overeenstemming te brengen met de vigerende normen; - de werken die voor de inachtneming van de normen nodig zouden zijn, zouden kosten met zich brengen die buiten elke verhouding zouden staan tot de mate waarin het comfort van het gebouw zou worden verhoogd; - er is een conflict tussen de naleving van de voor de inrichtingen voor bejaarde personen specifieke normen en de naleving van de kadastrale normen en/of de normen inzake bescherming van het erfgoed.
In alle gevallen moeten minstens de normen betreffende de huisvesting nageleefd worden.
De afwijkingsaanvraag moet bij het bestuur bij aangetekend schrijven of op elke wijze waarbij een vaststaande datum aan de zending wordt verleend, ingediend worden. Als de aanvraag niet vergezeld gaat van alle bewijsstukken, wordt de aanvrager er binnen één maand van door het bestuur op de hoogte gebracht. In dat laatste geval beschikt de aanvrager over een termijn van één maand om de ontbrekende documenten of elementen te bezorgen. Zo niet wordt de aanvraag geacht niet-ontvankelijk te zijn.
Het bestuur behandelt de aanvraag en maakt het dossier samen met zijn opmerkingen over aan de Commissie binnen een termijn van 3 maanden na de indiening van de aanvraag zodra die volledig is.
De Commissie brengt haar advies binnen drie maanden aan de Minister uit. HOOFDSTUK VII. - Controle op de inrichtingen voor bejaarde personen Art. 30.De Minister bepaalt het in artikel 28, eerste lid, van het decreet bedoelde verslagmodel en de wijze waarop het overgemaakt wordt.
Dat verslag betreft zowel de naleving van de in de bijlagen bij dit besluit gedetailleerde werkingsnormen, het levensproject in rustoorden en in rust- en verzorgingstehuizen als, in voorkomend geval, de nalevingen van de verbintenissen aangegaan door de inrichtingen die met het handvest m.b.t. de kwaliteit hebben ingestemd.
Het bestuur maakt er een synthese van en formuleert aanbevelingen aan de Minister, die aan het advies van de Commissie worden onderworpen. Art. 31.De in artikel 15 van het decreet bedoelde waarschuwing, waarbij een inrichting ertoe verzocht wordt om zich onmiddellijk te voegen naar de normen als de situatie een dringende correctie vereist of binnen een termijn van een week tot maximum drie maanden in de andere gevallen, wordt bij aangetekend schrijven door het bestuur gezonden. HOOFDSTUK VIII. - Subsidiëring van de dagopvangcentra en/of centra voor avond- en/of nachtopvang en van de begeleidingsdiensten voor gezinsopvang Art. 32.Binnen de perken van de begrotingskredieten genieten de dagopvangcentra en/of centra voor avond- en/of nachtopvang beheerd door een publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon zonder winstoogmerk een werkingstoelage om de kosten i.v.m personeel, animatie of coördinatie met andere diensten of de beoordelingskosten te dekken.
Een forfaitair bedrag bepaald op 5 euro wordt per dag en per werkelijk aanwezige bewoner toegekend.
De Minister wordt ertoe gemachtigd om het in het tweede lid bedoelde forfaitaire bedrag te herzien.
De Minister bepaalt de toekenningsvoorwaarden voor de toelage. Art. 33.Binnen de perken van de begrotingskredieten genieten de begeleidingsdiensten voor gezinsopvang een werkingstoelage om de kosten voor het met de begeleiding belaste personeel en de kosten ten laste van de begeleidingsdienst voor de vorming van de opvangpersonen te dekken.
De Minister bepaalt de modaliteiten voor de subsidiëring van de begeleidingsdiensten voor gezinsopvang. HOOFDSTUK IX. - Administratieve boeten Art. 34.§ 1. De Minister wijst de met het opleggen van de administratieve boeten belaste ambtenaar aan.
Een afschrift van het proces-verbaal tot vaststelling van de inbreuk wordt door het bestuur bij aangetekend schrijven medegedeeld aan de overtreder.
Na verhoor legt de aangewezen ambtenaar de boeten op binnen zestig dagen na de in het tweede lid bedoelde kennisgeving.
Ze wordt bij aangetekend schrijven aan de overtreder betekend samen met een verzoek om de boete binnen de termijn van 4 maanden te betalen.
Met de betaling van de boete vervalt de rechtsvordering van het bestuur.
De beslissing waarbij een administratieve boete wordt opgelegd, heeft uitvoerende kracht op de vervaldatum van de termijn.
Als de overtreder in gebreke van betaling van de boete blijft, kan die bij dwangbevel geïnd worden. Daartoe wordt het dossier overgemaakt aan het Departement Thesaurie van het Overkoepelend Directoraat-generaal Begroting, Logistiek en Informatie- en Communicatietechnologieën van de Waalse Overheidsdienst met het oog op de inning van die boete. § 2. Er wordt een beroep tegen de beslissing waarbij de boete wordt opgelegd, bij de Minister ingesteld.
Op straffe van verval wordt het bij aangetekend schrijven gezonden binnen 15 dagen na de kennisgeving bedoeld in § 1.
De Minister beslist binnen drie maanden na het beroep. Zijn beslissing wordt onmiddellijk betekend aan de verzoeker alsmede aan de in § 1 bedoelde ambtenaar.
Bij gebrek aan beslissing van de Minister wordt het beroep geacht gegrond te zijn. § 3. Voor de toepassing van dit artikel : 1° wordt het aangetekend schrijven geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag na afgifte van de brief bij de post;2° zijn de termijnen van toepassing. HOOFDSTUK X. - Aanwijzing van een commissaris Art. 35.Op de voordracht van de Minister kan de Regering bij besluit een commissaris aanwijzen wanneer tekortkomingen inzake de bepalingen van het decreet en van dit besluit, die van dien aard zijn dat ze de veiligheid en de gezondheid van de bewoners in gevaar brengen, zijn vastgesteld en als de beheerder ze binnen de voorgeschreven termijn niet heeft verholpen.
Voor er een commissaris ter plaatse wordt gezonden, richt de Minister bij aangetekend schrijven een met redenen omklede waarschuwing aan de beheerder, waarin wordt uitgelegd wat hem wordt aangevraagd of de nog te nemen maatregelen. Die waarschuwing stelt de in gebreke zijnde beheerder de aanwijzing van een commissaris voor, die ermee belast wordt alle nodige maatregelen te treffen om de toestand te herstellen.
Bij gebrek aan instemming van de beheerder met dat voorstel wordt een procedure tot intrekking van de werkingsvergunning onmiddellijk opgestart.
Het besluit tot aanwijzing van de commissaris bepaalt het doel van zijn opdracht, de duur ervan alsmede zijn emolumenten die niet hoger mogen zijn dan loonschaal A5 van de gewestelijke overheidsdiensten.
De kosten, honoraria of wedden gebonden aan de uitoefening van de opdracht van de commissaris zijn ten laste van de in gebreke zijnde beheerder.
De commissaris woont de vergaderingen van de beheersorganen van de inrichting van rechtswege bij.
HOOFSTUK XI. - Opheffingsbepalingen Art. 36.Het
besluit van de Waalse Regering van 3 december 1998Relevante gevonden documenten
type
besluit van de waalse regering
prom.
03/12/1998
pub.
27/01/1999
numac
1999027003
bron
ministerie van het waalse gewest
Besluit van de Waalse Regering tot uitvoering van het decreet van 5 juni 1997 betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de « Conseil wallon du troisième âge »
sluiten tot uitvoering van het
decreet van 5 juni 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
05/06/1997
pub.
26/06/1997
numac
1997027325
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de "Conseil wallon du troisième âge" (1)
sluiten betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden wordt opgeheven.
In het
besluit van de Waalse Regering van 18 december 2003Relevante gevonden documenten
type
besluit van de waalse regering
prom.
18/12/2003
pub.
11/03/2004
numac
2004200659
bron
ministerie van het waalse gewest
Besluit van de Waalse Regering betreffende de bijzondere erkenning van de rust- en verzorgingstehuizen, dagverzorgingscentra voor bejaarden, psychiatrische verzorgingstehuizen en geïntegreerde diensten voor thuisverzorging
sluiten betreffende de bijzondere erkenning van de rust- en verzorgingstehuizen, dagverzorgingscentra voor bejaarden, psychiatrische verzorgingstehuizen en geïntegreerde diensten voor thuisverzorging worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het opschrift wordt vervangen als volgt : « Besluit van de Waalse Regering betreffende de bijzondere erkenning van de psychiatrische verzorgingstehuizen en geïntegreerde diensten voor thuisverzorging »;2° artikel 2 wordt vervangen door de volgende tekst : « Dit besluit is van toepassing : 1° op de psychiatrische verzorgingstehuizen;2° de geïntegreerde diensten voor thuisverzorging »;3° artikel 5, tweede lid, wordt vervangen door de volgende tekst : « Het dossier betreffende de erkenningsaanvraag vermeldt bovendien : 1° in het geval van een psychiatrisch verzorgingstehuis : a) het aantal bedden waarvoor de bijzondere erkenning wordt aangevraagd;b) in voorkomend geval, het bewijs van de gelijkwaardige beddenvermindering indien reglementair vereist;c) een plan met de interne communicatiewegen per niveau, de bestemming van de lokalen en het aantal plaatsen waarop de aanvraag om bijzondere erkenning betrekking heeft;d) een brandveiligheidsattest dat sinds minder dan een jaar is afgegeven door de burgemeester van de gemeente waar de verzorgingsinstelling gevestigd is, vergezeld van het rapport van de territoriaal bevoegde brandweerdienst;2° in het geval van een geïntegreerde dienst voor thuisverzorging : a) de statuten van de instelling;b) de zorgzone(s) te bedienen met inachtneming van de territoriale indeling die in bijlage gaat, alsook in voorkomend geval de organisatie van de operationele subzones.Er kan een aanvraag om afwijking van de grenzen van bedoelde zones ingediend worden om rekening te houden met de grenzen van de huisartsenkringen die erkend zijn op de datum van de indiening van de aanvraag, zoals bedoeld in het
koninklijk besluit van 8 juli 2002Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
08/07/2002
pub.
05/10/2002
numac
2002022601
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Koninklijk besluit tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen
sluiten tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen. »; 4° in artikel 7 vervallen de bewoordingen « of plaatsen »;5° in artikel 10 vervallen de bewoordingen « of plaatsen ». HOOFDSTUK XI. - Inwerkingtreding Art. 37.§ 1. Het
decreet van 30 april 2009Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
30/04/2009
pub.
16/07/2009
numac
2009203164
bron
waalse overheidsdienst
Decreet betreffende de opvang en de huisvesting van bejaarde personen
sluiten betreffende de opvang en de huisvesting van bejaarde personen treedt in werking op 28 december 2009 met uitzondering van : 1° artikel 37 dat in werking treedt de dag waarop dit besluit wordt bekendgemaakt;2° de artikelen 3, § 3, 4°, en 13 die op 1 januari 2011 in werking treden. § 2. Dit besluit treedt in werking op 28 december 2009.
Evenwel 1° treden punt 2.1.2., 24e streepje, van hoofdstuk 1 van bijlage III, punt 2.1.2., 21e streepje, van hoofdstuk 1 van bijlage V en de punten 9.1.2.2. en 9.1.2.3. van hoofdstuk 3 van bijlage III bij dit besluit in werking op 1 juli 2010; 2° treden artikel 21 en bijlage VI op 1 januari 2011 in werking;3° beschikken de inrichtingen voor bejaarde personen die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit een werkingsvergunning genieten, over een termijn van zes maanden die begint te lopen op de datum van inwerkingtreding van dit besluit om zich aan te passen aan de nieuwe personeelsnormen bedoeld in de bijlagen III, IV en V. Art. 38.De Minister van Gezondheid, Sociale Actie en Gelijke Kansen is belast met de uitvoering van dit besluit.
Namen, 15 oktober 2009.
De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Gezondheid, Sociale Actie en Gelijke Kansen, Mevr. E. TILLIEUX
Bijlage I Handvest betreffende de kwaliteit De inrichtingen voor bejaarde personen die met dit handvest instemmen, moeten, om hun kwaliteitslabel te bewaren, de gepaste initiatieven nemen om in te spelen op de behoeften, de verwachtingen en de eerbied voor de bewoners met name op de hierna bepaalde gebieden. Het is mogelijk dat enkele punten die vermeld staan in het handvest betreffende de kwaliteit wegens hun werkingswijze niet toegepast worden op bepaalde soorten inrichtingen voor bejaarde personen. 1. De menselijke waardigheid en de grondrechten eerbiedigen. Op de voorgrond staan de eerbied voor de menselijke waardigheid, namelijk de erkenning van eenieders identiteit, de eerbied voor eenieders levensloop, eenieders intimiteit en persoonlijke ruimte, eenieders wereldopvatting en de organisatie van eenieders geestelijke leven en het recht om de ontwikkeling van eenieders menselijke vermogen voort te zetten.
Elke bewoner heeft recht op autonomie, veiligheid en zelfontplooiing.
Dat impliceert onder andere het recht op een privéleven, het recht op affectieve beleving, het recht op seksuele beleving tussen instemmende volwassenen, het recht op inspraak bij de gemeenschappelijke beslissingen, het recht om in aanmerking te komen voor dienstverleningen en bijstand om eenieders bekwaamheid om zelfstandig te leven, te vergroten en eenieders levensritme te eerbiedigen.
Alle maatregelen zullen getroffen worden opdat de sterk afhankelijke bejaarde personen en, in het bijzonder, de ernstig gedesoriënteerde personen zo goed mogelijk hun vrijheid bewaren om te communiceren, om zich te verplaatsen, om deel te nemen aan het gemeenschapsleven en om de controle over hun bestaansmiddelen en hun goederen te behouden.
Elkeen wordt met « u » aangesproken. 2. De bewoner opvangen en begeleiden. De opvang van een nieuwe bewoner is een uitermate belangrijk kwaliteitsmoment. De opvang moet een vruchtbare uitwisseling mogelijk maken om tegemoet te komen aan de wensen en de angsten van de persoon teneinde de gevolgen van de breuk met de gewoonlijke leefomgeving zo beperkt mogelijk te houden.
De opvang is geïndividualiseerd. en vindt plaats in een gepaste ruimte en in een klimaat van vertrouwen en begrip om de opneming van nieuwe bewoners te bevorderen en hen in staat te stellen zich geleidelijk aan te passen aan hun nieuwe thuishaven. De toekomstige bewoner en zijn verwanten worden verzocht om de inrichting, indien mogelijk, vóór het sluiten van de overeenkomst te bezoeken.
Daarbij worden contacten gelegd met de bewoners en het personeel en zal de toekomstige bewoner kunnen deelnemen aan de activiteiten die in de inrichting plaatsvinden. Bij dat bezoek moeten ook alle gegevens die nodig zijn voor zijn levenskwaliteit, zijn smaken, zijn bezigheden, zijn culturele gevoeligheid, zijn recreatie, enz. ingewonnen worden bij de toekomstige bewoner en bij zijn verwanten.
Na de opvang moet de begeleiding dagelijks zijn. Dat impliceert een bijzondere begeleiding voor de gedesoriënteerde personen of voor de personen met zintuiglijke handicaps of andere, een begeleiding voor elke activiteit die buiten de inrichting doorgaat, met inbegrip van de medische bezoeken in een algemene kliniek of bij deskundige artsen alsmede voor een ziekenhuisopname (met inbegrip van de keuze van de meest optimale vervoerswijze) en in geval van vertrek.
Het levenseinde maakt een aangepaste en versterkte begeleiding noodzakelijk. De nodige steun wordt tot het einde van het leven samen met de familiale omgeving verleend, op een warmhartige plaats. Bij een sterfgeval wordt de familie met de nodige aandacht omringd. 3. Gepaste gezondheidszorg waarborgen. De inrichting waarborgt een multidisciplinaire medische, verpleegkundige, paramedische, verzorgende en sociale begeleiding gewaarborgd door personeelsleden die op gepaste wijze in de gerontologie en geriatrie gevormd zijn.
De bejaarde persoon heeft het recht om een gepaste en afgestemde verzorging te krijgen die hem kan helpen een optimaal fysiek, psychisch en sociaal welzijnsniveau te handhaven en zelfs weer op krachten te komen en ziekte of een handicap te voorkomen.
De verzorging omvat met name de medische, verpleegkundige en paramedische verrichtingen die de genezing mogelijk maken telkens als die doelstelling kan worden bereikt alsmede degene die als doel hebben de handicaps te compenseren, de functies te revalideren, de pijn te verlichten, helderheid en comfort te handhaven, de verwachtingen en de projecten van de bewoner bij te stellen en de levenskwaliteit te verbeteren. Ze worden op geïntegre …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.