Besluit van de Waalse Regering tot uitvoering van het decreet van 30 april 2009 betreffende de opvang en de huisvesting van bejaarde personen
Kort samengevat
Dit besluit van de Waalse Regering regelt de uitvoering van het decreet van 30 april 2009 betreffende de opvang en huisvesting van bejaarde personen, met specifieke aandacht voor kwaliteitslabels en de planning van opvangcapaciteit.
Wat het regelt
- Het toekennen van een kwaliteitslabel aan inrichtingen voor bejaarde personen die een kwaliteitshandvest naleven.
- De maximale capaciteit en programmering van rustoordbedden en bedden voor kortstondig verblijf.
- De maximale capaciteit en programmering van plaatsen in centra voor dagverzorging.
- De procedure voor het aanvragen en toekennen van een principeakkoord voor nieuwe of uitgebreide inrichtingen.
Wie het aanbelangt
- Inrichtingen voor bejaarde personen in het Franse taalgebied (Wallonië).
- Beheerders van rustoorden en centra voor dagverzorging.
Kernpunten
- Inrichtingen kunnen een kwaliteitslabel krijgen door een kwaliteitshandvest na te leven, wat op erewoord wordt verklaard.
- De maximumcapaciteit voor rustoordbedden is vastgesteld op 47.546 bedden voor heel het grondgebied.
- Een rustoord mag niet minder dan 50 en niet meer dan 150 bedden omvatten, hoewel bestaande rustoorden met afwijkende capaciteiten hun activiteiten mogen voortzetten.
- De maximale capaciteit voor bedden voor kortstondig verblijf is 1.200 bedden voor heel het grondgebied.
Wettekst
15 OKTOBER 2009. - Besluit van de Waalse Regering tot uitvoering van het decreet van 30 april 2009Relevante gevonden documenten type decreet prom. 30/04/2009 pub. 16/07/2009 numac 2009203164 bron waalse overheidsdienst Decreet betreffende de opvang en de huisvesting van bejaarde personen sluiten betreffende de opvang en de huisvesting van bejaarde personen De Waalse Regering, Gelet op het decreet van 30 april 2009Relevante gevonden documenten type decreet prom. 30/04/2009 pub. 16/07/2009 numac 2009203164 bron waalse overheidsdienst Decreet betreffende de opvang en de huisvesting van bejaarde personen sluiten betreffende de opvang en de huisvesting van bejaarde personen; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 21 april 2009; Gelet op de instemming van de Minister van Begroting, gegeven op 23 april 2009; Gelet op het advies van de « Conseil wallon du troisième âge » (Waalse Raad voor de Derde Leeftijd), gegeven op 28 mei 2009; Gelet op de kennisgeving aan de Europese Commissie van de normen bedoeld in bijlage II bij dit besluit; Gelet op het advies 47.043/2/V van de Raad van State, gegeven op 26 augustus 2009, overeenkomstig artikel 84, § 1, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Op de voordracht van de Minister van Gezondheid, Sociale Actie en Gelijke Kansen, Besluit : Artikel 1.Dit besluit regelt overeenkomstig artikel 138 van de grondwet een aangelegenheid bedoeld in artikel 128, § 1, ervan. HOOFDSTUK I. - Begripsomschrijvingen Art. 2.In de zin van dit besluit wordt verstaan onder : - het decreet : het decreet van 30 april 2009Relevante gevonden documenten type decreet prom. 30/04/2009 pub. 16/07/2009 numac 2009203164 bron waalse overheidsdienst Decreet betreffende de opvang en de huisvesting van bejaarde personen sluiten betreffende de opvang en de huisvesting van bejaarde personen; - de Minister : de Minister bevoegd voor Gezondheid en Sociale Actie; - het bestuur : het Operationeel Directoraat-generaal Plaatselijke Besturen, Sociale Actie en Gezondheid; - de Commissie : de « Commission wallonne des Aînés » (Waalse Commissie voor Ouderen) bedoeld in artikel 37, § 2, van het decreet van 6 november 2008Relevante gevonden documenten type decreet prom. 06/11/2008 pub. 19/12/2008 numac 2008204572 bron waalse overheidsdienst Kaderdecreet houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet sluiten houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet; - het grondgebied : het Franse taalgebied. HOOFDSTUK II. - Kwaliteitshandvest Art. 3.De inrichtingen voor bejaarde personen die instemmen met het kwaliteitshandvest zoals vermeld in bijlage I bij dit besluit, krijgen een kwaliteitslabel. Om het kwaliteitslabel te krijgen, richt de inrichting voor bejaarde personen het bestuur een verklaring op erewoord, waarvan het model opgemaakt wordt door het bestuur en waarin ze zich ertoe verbindt het handvest betreffende de kwaliteit na te leven. Het kwaliteitslabel kan te allen tijde op voorstel van het bestuur en na advies van de Commissie door de Minister ingetrokken worden bij niet-naleving van het kwaliteitshandvest. Het voorstel tot intrekking wordt gelijktijdig aan de inrichting en aan de Commissie gericht. De inrichting beschikt over een termijn van 15 werkdagen om haar standpunt mede te delen aan het bestuur en aan de Commissie. Bij de kennisgeving van de intrekking van het kwaliteitslabel wordt de inrichting in kennis gesteld van het beroep bedoeld in artikel 65 van het decreet van 6 november 2008Relevante gevonden documenten type decreet prom. 06/11/2008 pub. 19/12/2008 numac 2008204572 bron waalse overheidsdienst Kaderdecreet houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet sluiten houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet. De Minister bepaalt het model van het logo dat gebruikt moet worden door de inrichtingen voor bejaarde personen die hebben ingestemd met het kwaliteitshandvest en die een kwaliteitslabel hebben gekregen. De lijst van de inrichtingen die in aanmerking komen voor het kwaliteitslabel, wordt op de website van het bestuur bekendgemaakt. HOOFDSTUK III. - Programma voor de vestiging en de capaciteit van de inrichtingen voor bejaarden Art. 4.De maximumcapaciteit van de rustoordbedden wordt op 47 546 bedden vastgelegd voor het geheel van het grondgebied, met inbegrip van de rustoordbedden die omgezet worden naar rust- en verzorgingsbedden. De Minister bepaalt de procedure en de voorwaarden waaronder de herkwalificatie van rustoordbedden in rust- en verzorgingsbedden mogelijk wordt gemaakt. Die voorwaarden beogen met name de omvang van de inrichting, haar architecturale structuur, het aantal sterk afhankelijke bewoners en de kwalificatie van het personeel. Art. 5.De programmering van de rustoordbedden wordt per arrondissement uitgevoerd als volgt : op 1 januari van elk jaar worden de volgende coëfficiënten berekend : - het gemiddelde coëfficiënt van het aantal bedden vastgesteld in het programma voor het geheel van het grondgebied in verhouding tot de laatste gegevens van het Nationaal Instituut voor de Statistiek van de 75-plussers (coëfficiënt X); - en voor elk arrondissement, het gemiddelde coëfficiënt van het aantal bedden die in aanmerking komen voor een werkingsvergunning of een principeakkoord in het arrondissement in verhouding tot de laatste gegevens van het Nationaal Instituut voor de Statistiek van de 75-plussers in het betrokken arrondissement. Met het oog op een homogene verdeling van de rustoordbedden worden de bedden, als ze beschikbaar zijn, eerst aan de in verhouding tot coëfficiënt X meest achtergestelde gebieden en laatst aan de best bedeelde gebieden toegewezen, met inachtneming van de in artikel 6, § 4, 3°, van het decreet bedoelde verdeling tussen de sectoren. Art. 6.Een rustoord mag niet minder dan 50 bedden en niet meer dan 150 bedden omvatten, met inbegrip van de bedden voor het kortstondig verblijf en de rust- en verzorgingsbedden. Evenwel 1° mogen de rustoorden die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit over minder dan 50 bedden of meer dan 150 bedden beschikken, met inbegrip van de rust- en verzorgingsbedden bedden en de bedden voor het kortstondig verblijf hun activiteiten voortzetten.De rustoorden die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit over een geldig principeakkoord beschikken, waarbij ze ertoe gemachtigd worden om de capaciteit van 150 bedden te overschrijden, worden niet betrokken bij de capaciteitbeperking bepaald op 150 bedden binnen de perken van het lopende principeakkoord. Ze mogen evenwel niet de hun toegekende capaciteit boven 150 bedden overschrijden; 2° en niettegenstaande hun capaciteit om het aantal rustoordbedden of rust-en verzorgingsbedden tot maximum 150 bedden te verhogen, kunnen de rustoorden die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit meer dan 135 bedden omvatten, behalve de bedden voor het kortstondig verblijf, hun capaciteit met hoogstens 20 % zien oplopen, maar alleen in bedden voor het kortstondig verblijf met een maximum van 30 bedden voor het kortstondig verblijf per inrichting en met inachtneming van de in artikel 9 bedoelde voorwaarden. Art. 7.De maximale capaciteit van de bedden voor het kortstondig verblijf wordt bepaald op 1 200 bedden voor het hele grondgebied. Art. 8.De programmering van de bedden voor het kortstondig verblijf wordt per arrondissement op de volgende wijze verricht. op 1 januari van elk jaar worden de volgende coëfficiënten berekend : - het gemiddelde coëfficiënt van het aantal bedden vastgesteld in het programma voor het geheel van het grondgebied in verhouding tot de laatste gegevens van het Nationaal Instituut voor de Statistiek van de 75-plussers (coëfficiënt X); - en voor elk arrondissement, het gemiddelde coëfficiënt van het aantal bedden die in aanmerking komen voor een werkingsvergunning of een principeakkoord in het arrondissement in verhouding tot de laatste gegevens van het Nationaal Instituut voor de Statistiek van de 75-plussers in het betrokken arrondissement. Met het oog op een homogene verdeling van de rustoordbedden worden de bedden, als ze beschikbaar zijn, eerst aan de in verhouding tot coëfficiënt X meest achtergestelde gebieden en laatst aan de best bedeelde gebieden toegewezen, met inachtneming van de in artikel 6, § 4, 3°, van het decreet bedoelde verdeling tussen de sectoren. Art. 9.Geen enkel rustoord mag in aanmerking komen voor een aantal bedden voor kortstondig verblijf hoger dan het aantal bedden gelijk aan 20 % van de capaciteit waarin de werkingsvergunning voorziet, afgerond naar boven. Als het rustoord een erkenning geniet op verschillende sites, mag het aantal bedden voor kortstondig verblijf op één site bovendien niet hoger zijn dan 30 % van de totale capaciteit van bedoelde site. In afwijking van het vorige lid kunnen de beheerders van rustoorden van éénzelfde sector die in éénzelfde gemeente of in gemeenten van hetzelfde arrondissement gelegen zijn en, in dit laatste geval op maximum 10 km wegafstand van elkaar, een overeenkomst sluiten, waarbij één of meer van hen voor één of verschillende rustoorden verzoeken om één of meer principeakkoorden gelijk aan maximum 20 % van het totaalaantal bedden dat vastligt in de werkingsvergunningen van betrokken rustoorden, afgerond naar boven. De enige beheerder van verschillende rustoorden mag onder de voorwaarden bedoeld in het vorige lid eveneens verzoeken om één of meer principeakkoorden voor maximum 20 % van het aantal bedden dat vastligt in de werkingsvergunningen van zijn rustoorden of dat geprogrammeerd is, afgerond naar boven. In de gevallen bedoeld in de twee vorige leden mag het aantal bedden voor kortstondig verblijf voor éénzelfde site niet hoger zijn dan 30 % van de totale capaciteit die vastligt in de werkingsvergunning van het rustoord waar ze opgenomen worden. Art. 10.De maximale capaciteit van de plaatsen in een centrum voor dagverzorging wordt bepaald op 3,9 plaatsen voor 1000 inwoners van 75 jaar en meer en voor het hele grondgebied. Art. 11.De programmering van de plaatsen in een centrum voor dagverzorging wordt per arrondissement verricht opdat geen enkel arrondissement zou kunnen beschikken over minder dan 3 plaatsen per 1000 inwoners van 75 jaar en meer die erin verblijven op grond van de laatste gegevens van het Nationaal Instituut voor de Statistiek. Art. 12.De Minister bepaalt de nadere regels die een dagopvangcentrum in staat stellen om ook als centrum voor avond- en/of nachtopvang te kunnen werken alsmede de procedure en de voorwaarden voor de herkwalificatie van de plaatsen van een dagopvangcentrum in plaatsen van een dagverzorgingscentrum. Die voorwaarden beogen met name het aantal sterk afhankelijke bewoners en de kwalificatie van het personeel. Art. 13.De uitvoerige gegevens over de geactualiseerde stand van de vestigingsprogramma's van de verschillende soorten inrichtingen voor bejaarde personen worden op de website van het bestuur bekendgemaakt. HOOFDSTUK IV. - Toekenning van het principeakkoord Art. 14.Elke aanvraag om principeakkoord wordt bij het bestuur ingediend. De aanvraag omvat de volgende elementen : 1° het behoorlijk ingevulde en ondertekende identificatieformulier opgemaakt en afgegeven door het bestuur;2° een verklaring op erewoord waarvan het model opgemaakt wordt door het bestuur, waarin de beheerder zich ertoe verbindt alle normen bepaald bij het decreet of krachtens dat decreet na te leven en de middelen aan te wenden die nodig zijn om in te spelen op de duurzame ontwikkeling, in het bijzonder wat betreft de energiebesparingen en het waterverbruik;3° een uitvoerige omschrijving van de voorziene inrichting, waarin de wil wordt aangetoond om te voldoen aan de erkenningsnormen betreffende de inrichting, haar opvangcapaciteit, haar toegankelijkheid voor de gehandicapte personen en aan de behoeften van bejaarde personen met zintuiglijke stoornissen. De aanvraag dient bij aangetekend schrijven of op elke wijze waarbij een vaststaande datum aan de zending wordt verleend, ingediend te worden. Art. 15.§ 1. Het bestuur behandelt de aanvraag en maakt het dossier samen met zijn opmerkingen over aan de Commissie binnen een termijn van 3 maanden na de indiening van de aanvraag zodra die volledig is. Als de aanvraag niet vergezeld gaat van alle bewijsstukken of van alle gegevens bedoeld in artikel 14, wordt de aanvrager daar door het bestuur binnen één maand over ingelicht. In dat geval beschikt de aanvrager over een termijn van één maand om de ontbrekende documenten of gegevens mede te delen. Zoniet wordt de aanvraag geacht niet-ontvankelijk te zijn. § 2. Gezien het aantal beschikbare bedden of plaatsen en op grond van de in § 3 bedoelde wachtlijst beslist de Minister elk jaar op 1 mei en 1 november op grond van de volgende criteria :
- a)de verdelingsregels tussen de sectoren, zoals bepaald in artikel 6, § 4, 3°, van het decreet;
- b)de verdeling per arrondissement met het oog op een homogene verdeling van de inrichtingen voor de bejaarde personen over het hele grondgebied;
- c)de verscheidenheid van het zorgaanbod waarin het project kadert, zoals bedoeld in artikel 8, § 1, 1° van het decreet;
- d)de architecturale kwaliteit van het project, zijn vestiging en zijn integratie in het maatschappelijke leven. § 3. Als het aantal beschikbare bedden of plaatsen onvoldoende is om aan alle aanvragen te voldoen, worden de aanvragen waarop niet kan worden ingespeeld, op een wachtlijst geplaatst tot 31 december van het jaar volgend op de kennisgeving van de opneming op de wachtlijst. Drie maanden vóór het verstrijken van het plaatsen op de wachtlijst maakt het bestuur de betrokken verzoekers bij aangetekend schrijven een brief over, waarin ze ervan op de hoogte gebracht worden dat bij gebrek aan een bevestiging van hun oorspronkelijke aanvraag voor de eerstvolgende 31 december, hun aanvragen van de wachtlijst geschrapt zullen worden. Bij bevestiging van hun oorspronkelijke aanvraag wordt de opneming op de wachtlijst tot 31 december van het volgende jaar verlengd. § 4. Wanneer de aanvraag geen gevolg heeft op de programmering, kan de Minister onverwijld beslissen. § 5. Wanneer het bestuur een beslissing tot weigering van een principeakkoord aan de beheerder betekent, stelt het hem ook in kennis van het beroep bedoeld in artikel 65 van het decreet van 6 november 2008Relevante gevonden documenten type decreet prom. 06/11/2008 pub. 19/12/2008 numac 2008204572 bron waalse overheidsdienst Kaderdecreet houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet sluiten houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet. Art. 16.§ 1. In de gevallen bedoeld in artikel 8, § 3, van het decreet dient de beheerder een memorie bij het bestuur in uiterlijk binnen zes maanden voor de vervaldatum van het principeakkoord; die memorie rechtvaardigt de noodzaak om het principeakkoord voor meer dan drie jaar te verlengen. § 2. Die memorie omvat minstens de volgende elementen : 1° de lijst van de administratieve stappen verricht sinds de toekenning van het principeakkoord;2° de omschrijving en de documenten betreffende de ten gevolge van die stappen reeds behaalde resultaten;3° de lijst van de stappen die nog te verrichten zijn en de raming van de termijnen waarin ze zullen worden verricht en waarin ze een resultaat opgeleverd zullen hebben;4° de redenen waarvoor de termijn van drie jaar niet zal kunnen worden nageleefd;5° de geplande datum voor de inbedrijfstelling. De administratieve stappen bedoeld in het vorige lid betreffen met name de adviezen of de in het kader van het toezicht vereiste voorafgaandelijke vergunningen, de aanvragen om toelagen aan de infrastructuren en de aanvragen om stedenbouwkundige vergunning. Die memorie dient bij aangetekend schrijven of op elke wijze waarbij een vaststaande datum aan de zending wordt verleend, bij het bestuur ingediend te worden. § 3. Als de aanvraag niet vergezeld gaat van alle bewijsstukken of van alle gegevens bedoeld in § 2, wordt de aanvrager daar door het bestuur binnen één maand over ingelicht. In dat geval beschikt de aanvrager over een termijn van één maand om de ontbrekende documenten of gegevens mede te delen. Zoniet wordt de aanvraag geacht niet-ontvankelijk te zijn. § 4. De Minister beslist binnen een termijn van drie maanden vanaf het moment waarop de aanvraag ontvankelijk is. Zoniet wordt de verlenging van het principeakkoord aangenomen voor een niet-verlengbare periode van drie jaar. HOOFDSTUK V. - Werkingsvergunningen voor de inrichtingen voor bejaarde personen Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 17.Onverminderd de bepalingen bedoeld in artikel 9, § 3, van het decreet moet de aanvraag om een werkingsvergunning voor een inrichting voor bejaarde personen bij het bestuur ingediend worden minstens drie maanden voor haar opening. De aanvraag dient bij aangetekend schrijven of op elke wijze waarbij een vaststaande datum aan de zending wordt verleend, ingediend te worden. Binnen vijftien dagen na ontvangst van de aanvraag bezorgt het bestuur de aanvrager hetzij een bericht van ontvangst als de aanvraag volledig is, hetzij een bericht waarbij hij erom verzocht wordt zijn aanvraag binnen vijftien werkdagen in te vullen. Hij wordt daarbij gewezen op de ontbrekende of niet-conforme stukken. Bij gebrek aan antwoord van het bestuur binnen vijftien werkdagen na ontvangst van de aanvraag, wordt laatstgenoemde geacht ontvankelijk te zijn. Daarentegen, wordt de aanvraag, als de aanvrager het geheel van de door het bestuur verlangde stukken binnen de voorgeschreven aanvullende termijn niet overmaakt, als niet-ontvankelijk beschouwd. Wanneer een aanvraag ontvankelijk is, wordt een voorlopige werkingsvergunning geacht toegekend te zijn na afloop van een termijn van 3 maanden te rekenen van de datum van ontvankelijkheid van de aanvraag behalve als een procedure tot weigering van de erkenning voor het verstrijken van die termijn aangevat wordt. De werkingsvergunning vermeldt haar datum van inwerkingtreding, de naam en het adres van de inrichting voor bejaarde personen, in voorkomend geval, de huisvestings- of opvangcapaciteit, met inbegrip van de toegelaten niveaus en lokalen, de naam en het adres van de beheerder. De werkingsvergunning wordt door het bestuur aan de beheerder betekend binnen 15 dagen na de toekenning ervan. Afdeling 2. - Bijzondere bepalingen voor de rustoorden, de rust- en verzorgingstehuizen en voor het kortstondig verblijf Art. 18.Om ontvankelijk te zijn, moet de aanvraag om een werkingsvergunning voor een rustoord, een rust- en verzorgingstehuis of voor een kortstondig verblijf vergezeld gaan van de volgende stukken tenzij ze tevoren reeds overgemaakt zijn aan het bestuur en op voorwaarde dat ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van wijzigingen : 1° het behoorlijk ingevulde en ondertekende identificatieformulier opgemaakt en afgegeven door het bestuur, waarmee kan worden nagegaan of de normen bedoeld in bijlage III bij dit besluit en, in voorkomend geval, de federale normen m.b.t. de rust- en verzorgingstehuizen nageleefd worden, samen met, als de beheerder een privaatrechtelijke rechtspersoon is, de statuten van de vennootschap, van de vereniging zonder winstoogmerk of van de stichting alsmede de lijst van de bestuurders; 2° een plan waarin de verschillende lokalen, hun afmetingen en hun bestemming per niveau, eventueel per site, vermeld worden alsmede het aantal bedden en, in voorkomend geval, de aangrenzende sanitaire installaties per kamer;de ligging van de bedden voor het kortstondig verblijf zal nader bepaald worden; 3° een brandveiligheidsattest afgegeven door de burgemeester van de gemeente waarin het rustoord, het rust- en verzorgingstehuis of het kortstondig verblijf of, in voorkomend geval, elke site gelegen is, gegrond op een verslag van de territoriaal bevoegde brandweerdienst, overeenkomstig het model bedoeld in aanhangsel 1 bij bijlage II bij dit besluit of, bij gebreke hiervan, het bewijs dat een aanvraag om brandveiligheidattest sinds minstens twee maanden ingediend is;4° het uittreksel uit het strafregister van type 1 dat minder dan zes maanden afgegeven is, van de directeur en, als het gaat om een natuurlijke persoon, van de beheerder van het rustoord of van het rust- en verzorgingstehuis alsmede het bewijs dat de directeur voldoet aan de opleidingsvoorwaarden bepaald in hoofdstuk III van bijlage III;5° wanneer de beheerder een privaatrechtelijke rechtspersoon is, het uittreksel uit het strafregister van type 1 van de natuurlijke persoon die ertoe gemachtigd is om hem te vertegenwoordigen;6° het levensproject;7° het ontwerp van overeenkomst tussen de beheerder en de bewoner als de inrichting niet het door de Minister bepaalde typemodel gebruikt;8° het huishoudelijk reglement als de inrichting niet het door de Minister bepaalde typemodel gebruikt;9° de overeenkomsten gesloten met één of verschillende centra voor de coördinatie van thuiszorg en thuisdienstverlening en, in voorkomend geval, met een rust- en verzorgingstehuis en met de vereniging inzake palliatieve zorgen die het betrokken geografische gebied dekt, als het rustoord niet over bedden voor rust- en verzorgingstehuizen beschikt. Afdeling 3. - Bijzondere bepalingen voor de serviceflats Art. 19.Om ontvankelijk te zijn moet de aanvraag om een werkingsvergunning voor een serviceflat vergezeld gaan van de volgende documenten tenzij ze tevoren reeds overgemaakt zijn aan het bestuur en op voorwaarde dat ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van wijzigingen 1° het behoorlijk ingevulde en ondertekende identificatieformulier opgemaakt en afgegeven door het bestuur, waarmee kan worden nagegaan of de normen bedoeld in bijlage IV bij dit besluit nageleefd worden, samen met, als de beheerder een privaatrechtelijke rechtspersoon is, de statuten van de vennootschap, van de vereniging zonder winstoogmerk of van de stichting alsmede de lijst van de bestuurders;2° een plan dat per niveau de verschillende lokalen, hun afmetingen en hun bestemming vermeldt;3° een brandveiligheidsattest afgegeven door de burgemeester van de gemeente waarin de serviceflat gelegen is, gegrond op een verslag van de territoriaal bevoegde brandweerdienst, overeenkomstig het model bedoeld in aanhangsel 1 bij bijlage II bij dit besluit of, bij gebreke hiervan, het bewijs dat een aanvraag om brandveiligheidsattest sinds minstens 2 maanden ingediend is;4° het uittreksel uit het strafregister van type 1 van de directeur dat minder dan zes maanden afgegeven is, en, als het gaat om een natuurlijke persoon, van de beheerder van de serviceflat;5° wanneer de beheerder een privaatrechtelijke rechtspersoon is, het uittreksel uit het strafregister van type 1 dat minder dan 6 maanden afgegeven is, van de natuurlijke persoon die ertoe gemachtigd is om hem te vertegenwoordigen;6° de lijst van de facultatieve diensten voorgesteld aan de bewoners en de voorwaarden waaronder die diensten verleend worden;7° het ontwerp van overeenkomst tussen de beheerder en de bewoner als de inrichting niet het door de Minister bepaalde typemodel gebruikt;8° het huishoudelijk reglement als de inrichting niet het door de Minister bepaalde typemodel gebruikt;9° de overeenkomsten gesloten met een rustoord of een rust- en verzorgingstehuis als de serviceflat niet gelegen is op de site van een rustoord of een rust- en verzorgingstehuis en de overeenkomst gesloten met één of verschillende centra voor de coördinatie van thuiszorg en thuisdienstverlening;10° de wijze waarop in de dag- en nachtdienst wordt voorzien zodat in geval van nood bij de bewoners tussenbeide gekomen kan worden.Die omschrijving bepaalt de beroepsmodaliteiten voor het dienstdoende personeel, de kwalificatie van het personeel, de plaats waar het personeelslid met dag- en nachtdienst verblijft en hoe lang het gemiddeld duurt vóór aan de oproep gevolg wordt gegeven. Afdeling 4. - Bijzondere bepalingen voor de dagopvangcentra en/of centra voor dagverzorging en/of centra voor avond- en/of nachtopvang Art. 20.Om ontvankelijk te zijn, moet de aanvraag om een werkingsvergunning voor een dagopvangcentrum en/of centrum voor dagverzorging en/of centrum voor avond- en/of nachtopvang vergezeld gaan van de volgende documenten tenzij ze tevoren reeds overgemaakt zijn aan het bestuur en op voorwaarde dat ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van wijzigingen : 1° het behoorlijk ingevulde en ondertekende identificatieformulier opgemaakt en afgegeven door het bestuur, waarmee kan worden nagegaan of de normen bedoeld in bijlage V bij dit besluit en, in voorkomend geval, de federale normen m.b.t. de centra voor dagverzorging nageleefd worden, samen met, als de beheerder een privaatrechtelijke rechtspersoon is, de statuten van de vennootschap, van de vereniging zonder winstoogmerk of van de stichting alsmede de lijst van de bestuurders; 2° een plan dat de verschillende lokalen, hun afmetingen en hun bestemming vermeldt;3° een brandveiligheidsattest afgegeven door de burgemeester van de gemeente waarin het opvangcentrum gelegen is, gegrond op een verslag van de territoriaal bevoegde brandweerdienst, overeenkomstig het model bedoeld in aanhangsel 1 bij bijlage II bij dit besluit of, bij gebreke hiervan, het bewijs dat een aanvraag om brandveiligheidsattest sinds minstens 2 maanden ingediend is;4° het uittreksel uit het strafregister van type 1 dat minder dan zes maanden afgegeven is, van de directeur en, als het gaat om een natuurlijke persoon, van de beheerder van het dagopvangcentrum;5° wanneer de beheerder een privaatrechtelijke rechtspersoon is, het uittreksel uit het strafregister van type 1 dat minder dan 6 maanden afgegeven is, van de natuurlijke persoon die ertoe gemachtigd is om hem te vertegenwoordigen;6° het ontwerp van overeenkomst tussen de beheerder en de bewoner als de inrichting niet het door de Minister bepaalde typemodel gebruikt;7° het huishoudelijk reglement als de inrichting niet het door de Minister bepaalde typemodel gebruikt;8° de overeenkomsten gesloten met een rustoord of een rust- en verzorgingstehuis als het opvangcentrum niet gelegen is op de site van een rustoord of een rust- en verzorgingstehuis en de overeenkomst gesloten met één of verschillende centra voor de coördinatie van thuiszorg en thuisdienstverlening. Afdeling 5. - Bijzondere bepalingen voor de gezinsopvang Art. 21.In afwijking van artikel 17 moet de aanvraag voor een werkingsvergunning als gezinsopvang, om ontvankelijk te zijn, bij het bestuur ingediend worden door de begeleidingsdienst bedoeld in artikel 13, 7°, van het decreet en vergezeld gaan van de volgende stukken : 1° een verklaring op erewoord opgemaakt door het bestuur en behoorlijk ingevuld en ondertekend door de opvangpersoon, waarin bevestigd wordt dat de normen bedoeld in bijlage VI bij dit besluit worden nageleefd en waarin de datum waarop de gezinsopvang begint te lopen, wordt bepaald;2° het uittreksel uit het strafregister van type 1 dat minder dan zes maanden afgegeven is, van de opvangpersoon;3° een medisch attest ter bevestiging dat de opvangpersoon een gezondheidstoestand heeft die verenigbaar is met de opvang van één of meerdere bejaarden op zijn/hun woonplaats;dat attest wordt elk jaar hernieuwd; 4° de overeenkomsten gesloten tussen de begeleidingsdienst en de gezinsopvang enerzijds en met een rustoord of een rust- en verzorgingstehuis en de overeenkomst gesloten met één of verschillende centra voor de coördinatie van thuiszorg en thuisdienstverlening anderzijds. Afdeling 6. - Voorlopige werkingsvergunning Art. 22.De Minister kent een voorlopige werkingsvergunning toe aan de inrichting voor bejaarde personen die een ontvankelijke aanvraag om werkingsvergunning heeft ingediend. De voorlopige werkingsvergunning vermeldt haar datum van inwerkingtreding, de naam en het adres van de inrichting voor bejaarde personen, in voorkomend geval, de huisvestings- of opvangcapaciteit, met inbegrip van de toegelaten niveaus en lokalen, de naam en het adres van de beheerder. De voorlopige werkingsvergunning wordt door het bestuur aan de beheerder betekend binnen 15 werkdagen na diens toekenning. Art. 23.Als veiligheidswerken het rechtvaardigen, kan een voorlopige werkingsvergunning met één jaar verlengd worden op overlegging van een veiligheidsattest afgegeven door de burgemeester, overeenkomstig het model bedoeld in aanhangsel 1 bij bijlage II, dat in de tijd beperkt wordt en waarin bepaald wordt dat de vereiste veiligheidswerken binnen de voorgeschreven termijn uitgevoerd moeten worden. Afdeling 7. - De toekenning, de opschorting of de weigering van de werkingsvergunning Art. 24.§ 1. Als het bestuur een voorstel tot weigering, intrekking of schorsing van de werkingsvergunning indient, betekent het laatstgenoemd voorstel aan de beheerder. Het bestuur informeert hem ook over het feit dat hij na ontvangst van de kennisgeving over een termijn van vijftien werkdagen beschikt om zijn geschreven opmerkingen te versturen. Het bestuur vult het dossier aan met de schriftelijke opmerkingen van de beheerder, met alle door hem ingezamelde gegevens en stukken en met het proces-verbaal van verhoor van de beheerder. Daartoe roept het de beheerder op bij aangetekend schrijven of per brief afgegeven tegen ontvangbewijs en vermeldt het de plaats, de dag en het uur van de hoorzitting. De oproeping vermeldt de mogelijkheid om zich door een raadsman te laten bijstaan. Het bestuur maakt een verslag op en maakt het dossier binnen vijftien werkdagen aan de Commissie over, die haar advies uitbrengt. De weigering te verschijnen of zijn verweermiddel aan te voeren wordt in het proces-verbaal van verhoor geacteerd. § 2. Het bestuur maakt het volledige dossier aan de Minister over binnen vijftien werkdagen na het advies van de Commissie. § 3. In geval van schorsing van een werkingsvergunning kan de beheerder er de opheffing van vragen als hij van mening is dat de redenen die de sanctie hebben gerechtvaardigd, niet meer bestaan. De aanvraag die bij het bestuur bij aangetekend schrijven of op elke wijze waarbij een vaststaande datum aan de zending wordt verleend ingediend wordt, gaat vergezeld van een memorie met verantwoording. Er wordt onverwijld overgegaan tot een inspectie van de inrichting. De Minister beslist binnen één maand na ontvangst van de aanvraag. Zo niet wordt de beslissing tot schorsing geacht opgeheven te zijn. § 4. Op elk ogenblik tijdens de procedure kan het bestuur naar gelang van de ingewonnen aanvullende elementen en van de verstrekte nadere gegevens beslissen om het voorstel te wijzigen of van de procedure af te zien. Het bestuur informeert er onverwijld de beheerder van. § 5. Wanneer het bestuur een beslissing tot weigering, intrekking of schorsing van een werkingsvergunning betekent, geeft het ook kennis van het beroep bedoeld in artikel 65 van het decreet van 6 november 2008Relevante gevonden documenten type decreet prom. 06/11/2008 pub. 19/12/2008 numac 2008204572 bron waalse overheidsdienst Kaderdecreet houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet sluiten houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet. Afdeling 8. - Dringende sluiting Art. 25.In de in artikel 34, § 1, van het decreet bedoelde gevallen maakt het bestuur de Minister onverwijld een voorstel tot dringende sluiting van een inrichting voor bejaarde personen over samen met een verslag ter rechtvaardiging van de sluiting, met het meest recente inspectieverslag alsmede, in voorkomend geval, met alle andere nodige inlichtingen en documenten. Zodra het bestuur kennis heeft van een toestand die de dringende sluiting rechtvaardigt, licht het er onverwijld de burgemeester over in zodat hij de nodige bewarende maatregelen kan treffen. Als de dringende sluiting gemotiveerd wordt door onvoorzienbare omstandigheden uit hoofde van de beheerder, behoudt laatstgenoemde zijn werkingsvergunning, waarbij de inrichting opnieuw in dienst kan worden gesteld zodra blijkt dat de oorzaken van de dringende sluiting verholpen zijn. Als de aansprakelijkheid van de beheerder duidelijk aangetoond wordt, wordt de beslissing tot dringende sluiting gevolgd met een voorstel tot intrekking van de erkenning en in het bijzonder, overwegende dat het gedrag van beheerder de gezondheid en de veiligheid van de bewoners ernstig aantast, wordt een afschrift van de vaststelling van de personeelsleden die door de Regering aangewezen worden voor de controle op de inrichtingen voor bejaarde personen onverwijld overgemaakt aan de procureur des Konings. Onverminderd de onmiddellijke bewarende maatregelen die de burgemeester kan bevelen, is de dringende sluiting binnen 72 uur na zijn kennisgeving effectief. Wanneer het bestuur een beslissing tot dringende sluiting betekent, stelt het hem ook in kennis van het beroep bedoeld in artikel 65 van het decreet van 6 november 2008Relevante gevonden documenten type decreet prom. 06/11/2008 pub. 19/12/2008 numac 2008204572 bron waalse overheidsdienst Kaderdecreet houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet sluiten houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet. Afdeling 9. - Sluiting van de inrichtingen die zonder werkingsvergunning werken Art. 26.§ 1. Als het bestuur een voorstel indient tot sluiting van een inrichting die zonder werkingsvergunning werkt, wordt laatstgenoemd voorstel aan de beheerder betekend. Het bestuur informeert hem ook over het feit dat hij na ontvangst van de kennisgeving over een termijn van vijftien werkdagen beschikt om zijn schriftelijke opmerkingen te richten. Het bestuur vult het dossier aan met de schriftelijke opmerkingen van de beheerder, met alle door hem ingezamelde gegevens en stukken en met het proces-verbaal van verhoor van de beheerder. Daartoe roept het de beheerder op bij aangetekend schrijven of per brief afgegeven tegen ontvangbewijs en vermeldt het de plaats, de dag en het uur van de hoorzitting. De oproeping vermeldt de mogelijkheid om zich door een raadsman te laten bijstaan. Het bestuur maakt een verslag op en maakt het dossier binnen vijftien werkdagen aan de Commissie over, die haar advies uitbrengt. De weigering te verschijnen of zijn verweermiddel aan te voeren wordt in het proces-verbaal van verhoor geacteerd. § 2. Het bestuur maakt het volledige dossier aan de Minister over binnen vijftien werkdagen na het advies van de Commissie. § 3. Wanneer het bestuur een beslissing tot sluiting van een inrichting betekent die zonder werkingsvergunning werkt, stelt het hem ook in kennis van het beroep bedoeld in artikel 65 van het decreet van 6 november 2008Relevante gevonden documenten type decreet prom. 06/11/2008 pub. 19/12/2008 numac 2008204572 bron waalse overheidsdienst Kaderdecreet houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet sluiten houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet. HOOFDSTUK VI. - Normen waaraan de inrichtingen voor bejaarde personen moeten voldoen Afdeling 1. - Bepalingen inzake brandbeveiliging en paniek Art. 27.§ 1. De in bijlage II bedoelde normen inzake brandbeveiliging en paniek zijn toepasselijk op de rustoorden, de rust- en verzorgingstehuizen, de serviceflats en de centra voor dagverzorging en/of centra voor avond- en/of nachtopvang. In afwijking van het eerste lid : 1° moeten de rust- en verzorgingstehuizen die geen werkingsvergunning als rustoord genieten, zich uiterlijk op 1 januari 2020 aan bijlage II aanpassen;in afwachting daarvan moeten ze zich minstens aan de eisen van het koninklijk besluit van 6 november 1979 tot vaststelling van de normen inzake beveiliging tegen brand en paniek waaraan ziekenhuizen moeten voldoen, aanpassen; 2° beschikken de erkende rustoorden of de rustoorden die op 6 februari 1999 een voorlopige werkingsvergunning genieten, waarvan de beheerders uiterlijk 30 april 2001 het bewijs hebben geleverd dat ze de territoriaal bevoegde regionale brandweerdienst om advies hebben verzocht over de punten die niet voldoen aan de normen bedoeld in bijlage I bij het besluit van 3 december 1998 tot uitvoering van het decreet van 5 juni 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 05/06/1997 pub. 26/06/1997 numac 1997027325 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de "Conseil wallon du troisième âge"
- Om bovenvermeld attest te krijgen, richt de beheerder bij aangetekend schrijven een aanvraag aan de burgemeester van de gemeente waarin de inrichting is gelegen. De burgemeester maakt die aanvraag onverwijld over aan de territoriaal bevoegde brandweerdienst opdat deze een verslag daarover zou opmaken. Op grond van het verslag dat hem door de zogenaamde brandweerdienst overgemaakt wordt, moet de burgemeester de aanvrager het bovenbedoelde attest bezorgen uiterlijk binnen twee maanden na indiening van de aanvraag. §
- Op verzoek van de beheerder van een inrichting voor bejaarde personen kan de Minister na gunstig advies van het bestuur en van de territoriaal bevoegde brandweerdienst toestaan dat van de normen bedoeld in bijlage II wordt afgeweken. Vóór die afwijking wordt toegestaan, kan er op initiatief van één der partijen overleg worden gepleegd tussen de beheerder en de directie van de inrichting en de territoriaal bevoegde brandweerdienst. Deze afwijking kan slechts worden toegestaan als : - het feitelijk onmogelijk is de werken te verrichten die nodig zijn om de inrichting in overeenstemming te brengen met de vigerende normen; - de werken die voor de inachtneming van de normen nodig zouden zijn, kosten met zich zouden brengen die buiten elke verhouding zouden staan tot de mate waarin de veiligheid van het gebouw zou worden verhoogd. Bij bedoelde afwijking moet rekening worden gehouden met : - de specifieke omstandigheden; - eventuele alternatieve maatregelen waardoor het gebouw een veiligheidsniveau kan bereiken dat overeenstemt met het niveau bedoeld in bijlage II; - de toegangsmogelijkheden voor de voertuigen van de territoriaal bevoegde brandweerdienst. De afwijkingsaanvraag moet bij het bestuur bij aangetekend schrijven of op elke wijze waarbij een vaststaande datum aan de zending wordt verleend, ingediend worden. Als de aanvraag niet vergezeld gaat van alle bewijsstukken, wordt de aanvrager er binnen één maand van door het bestuur op de hoogte gebracht. In dat laatste geval beschikt de aanvrager over een termijn van één maand om de ontbrekende documenten of elementen te bezorgen. Zoniet wordt de aanvraag geacht niet-ontvankelijk te zijn. Het bestuur behandelt de aanvraag en maakt het dossier samen met zijn opmerkingen over aan de Minister binnen een termijn van drie maanden na ontvangst van het advies van de territoriaal bevoegde dienst; de Minister beslist binnen drie maanden. §
- Elk ontwerp van verbouwing, d.w.z. elke verandering die de bestemming of de afmetingen van de lokalen wijzigt op grond waarvan de werkingsvergunning verleend is, moet onderworpen worden aan het voorafgaandelijk advies van de territoriaal bevoegde brandweerdienst. Afdeling
- - Andere normatieve bepalingen Art. 28.§
- De in de bijlagen III, IV, V en VI bedoelde normen zijn respectievelijk van toepassing op de rustoorden, de serviceflats, de dagopvangcentra, de centra voor avond- en/of nachtopvang en de gezinsopvang. §
- De huisvesting in aangepaste eenheid van gedesoriënteerde bejaarde personen wordt uitgevoerd overeenkomstig de normen bepaald in hoofdstuk 7 van bijlage III. §
- De op verschillende sites gevestigde rustoorden moeten voldoen aan de volgende bijkomende normen : 1° elke site die de nieuwe eenheid op zich vormt, moet in aanmerking komen voor een werkingsvergunning op het tijdstip van de aanvraag om globale erkenning, of het voorwerp uitmaken van een ontvankelijke aanvraag om erkenning;2° de wegafstand tussen de verschillende sites mag niet meer dan 10 km bedragen;3° de minimale huisvestingscapaciteit wordt vastgesteld op 10 bedden per site en op 50 bedden voor de sites samen;4° de maximale huisvestingscapaciteit wordt vastgesteld op 100 bedden per site en op 150 bedden voor de sites samen; 5° minstens één verzorgend personeelslid bedoeld in punt 9.3 van bijlage II moet 24 uur op 24 aanwezig zijn op elke site; 6° in de werking van het rustoord moet enerzijds worden vermeld hoe lang de directeur en de personeelsleden op elke site aanwezig zijn en anderzijds melding worden gemaakt van de wijze waarop in de dienstcontinuïteit wordt voorzien;7° op elke site wordt een oproepregister bijgehouden. Art. 29.Op verzoek van de beheerder van een inrichting voor bejaarde personen kan de Minister na gunstig advies van het bestuur en van de Commissie toestaan dat van de normen bedoeld in de bijlage III, IV en V wordt afgeweken. Deze afwijking mag slechts toegekend worden als minstens één van de volgende voorwaarden wordt vervuld : - het is technisch onmogelijk de werken te verrichten die nodig zijn om de inrichting in overeenstemming te brengen met de vigerende normen; - de werken die voor de inachtneming van de normen nodig zouden zijn, zouden kosten met zich brengen die buiten elke verhouding zouden staan tot de mate waarin het comfort van het gebouw zou worden verhoogd; - er is een conflict tussen de naleving van de voor de inrichtingen voor bejaarde personen specifieke normen en de naleving van de kadastrale normen en/of de normen inzake bescherming van het erfgoed. In alle gevallen moeten minstens de normen betreffende de huisvesting nageleefd worden. De afwijkingsaanvraag moet bij het bestuur bij aangetekend schrijven of op elke wijze waarbij een vaststaande datum aan de zending wordt verleend, ingediend worden. Als de aanvraag niet vergezeld gaat van alle bewijsstukken, wordt de aanvrager er binnen één maand van door het bestuur op de hoogte gebracht. In dat laatste geval beschikt de aanvrager over een termijn van één maand om de ontbrekende documenten of elementen te bezorgen. Zo niet wordt de aanvraag geacht niet-ontvankelijk te zijn. Het bestuur behandelt de aanvraag en maakt het dossier samen met zijn opmerkingen over aan de Commissie binnen een termijn van 3 maanden na de indiening van de aanvraag zodra die volledig is. De Commissie brengt haar advies binnen drie maanden aan de Minister uit. HOOFDSTUK VII. - Controle op de inrichtingen voor bejaarde personen Art. 30.De Minister bepaalt het in artikel 28, eerste lid, van het decreet bedoelde verslagmodel en de wijze waarop het overgemaakt wordt. Dat verslag betreft zowel de naleving van de in de bijlagen bij dit besluit gedetailleerde werkingsnormen, het levensproject in rustoorden en in rust- en verzorgingstehuizen als, in voorkomend geval, de nalevingen van de verbintenissen aangegaan door de inrichtingen die met het handvest m.b.t. de kwaliteit hebben ingestemd. Het bestuur maakt er een synthese van en formuleert aanbevelingen aan de Minister, die aan het advies van de Commissie worden onderworpen. Art. 31.De in artikel 15 van het decreet bedoelde waarschuwing, waarbij een inrichting ertoe verzocht wordt om zich onmiddellijk te voegen naar de normen als de situatie een dringende correctie vereist of binnen een termijn van een week tot maximum drie maanden in de andere gevallen, wordt bij aangetekend schrijven door het bestuur gezonden. HOOFDSTUK VIII. - Subsidiëring van de dagopvangcentra en/of centra voor avond- en/of nachtopvang en van de begeleidingsdiensten voor gezinsopvang Art. 32.Binnen de perken van de begrotingskredieten genieten de dagopvangcentra en/of centra voor avond- en/of nachtopvang beheerd door een publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon zonder winstoogmerk een werkingstoelage om de kosten i.v.m personeel, animatie of coördinatie met andere diensten of de beoordelingskosten te dekken. Een forfaitair bedrag bepaald op 5 euro wordt per dag en per werkelijk aanwezige bewoner toegekend. De Minister wordt ertoe gemachtigd om het in het tweede lid bedoelde forfaitaire bedrag te herzien. De Minister bepaalt de toekenningsvoorwaarden voor de toelage. Art. 33.Binnen de perken van de begrotingskredieten genieten de begeleidingsdiensten voor gezinsopvang een werkingstoelage om de kosten voor het met de begeleiding belaste personeel en de kosten ten laste van de begeleidingsdienst voor de vorming van de opvangpersonen te dekken. De Minister bepaalt de modaliteiten voor de subsidiëring van de begeleidingsdiensten voor gezinsopvang. HOOFDSTUK IX. - Administratieve boeten Art. 34.§
- De Minister wijst de met het opleggen van de administratieve boeten belaste ambtenaar aan. Een afschrift van het proces-verbaal tot vaststelling van de inbreuk wordt door het bestuur bij aangetekend schrijven medegedeeld aan de overtreder. Na verhoor legt de aangewezen ambtenaar de boeten op binnen zestig dagen na de in het tweede lid bedoelde kennisgeving. Ze wordt bij aangetekend schrijven aan de overtreder betekend samen met een verzoek om de boete binnen de termijn van 4 maanden te betalen. Met de betaling van de boete vervalt de rechtsvordering van het bestuur. De beslissing waarbij een administratieve boete wordt opgelegd, heeft uitvoerende kracht op de vervaldatum van de termijn. Als de overtreder in gebreke van betaling van de boete blijft, kan die bij dwangbevel geïnd worden. Daartoe wordt het dossier overgemaakt aan het Departement Thesaurie van het Overkoepelend Directoraat-generaal Begroting, Logistiek en Informatie- en Communicatietechnologieën van de Waalse Overheidsdienst met het oog op de inning van die boete. §
- Er wordt een beroep tegen de beslissing waarbij de boete wordt opgelegd, bij de Minister ingesteld. Op straffe van verval wordt het bij aangetekend schrijven gezonden binnen 15 dagen na de kennisgeving bedoeld in §
- De Minister beslist binnen drie maanden na het beroep. Zijn beslissing wordt onmiddellijk betekend aan de verzoeker alsmede aan de in § 1 bedoelde ambtenaar. Bij gebrek aan beslissing van de Minister wordt het beroep geacht gegrond te zijn. §
- Voor de toepassing van dit artikel : 1° wordt het aangetekend schrijven geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag na afgifte van de brief bij de post;2° zijn de termijnen van toepassing. HOOFDSTUK X. - Aanwijzing van een commissaris Art. 35.Op de voordracht van de Minister kan de Regering bij besluit een commissaris aanwijzen wanneer tekortkomingen inzake de bepalingen van het decreet en van dit besluit, die van dien aard zijn dat ze de veiligheid en de gezondheid van de bewoners in gevaar brengen, zijn vastgesteld en als de beheerder ze binnen de voorgeschreven termijn niet heeft verholpen. Voor er een commissaris ter plaatse wordt gezonden, richt de Minister bij aangetekend schrijven een met redenen omklede waarschuwing aan de beheerder, waarin wordt uitgelegd wat hem wordt aangevraagd of de nog te nemen maatregelen. Die waarschuwing stelt de in gebreke zijnde beheerder de aanwijzing van een commissaris voor, die ermee belast wordt alle nodige maatregelen te treffen om de toestand te herstellen. Bij gebrek aan instemming van de beheerder met dat voorstel wordt een procedure tot intrekking van de werkingsvergunning onmiddellijk opgestart. Het besluit tot aanwijzing van de commissaris bepaalt het doel van zijn opdracht, de duur ervan alsmede zijn emolumenten die niet hoger mogen zijn dan loonschaal A5 van de gewestelijke overheidsdiensten. De kosten, honoraria of wedden gebonden aan de uitoefening van de opdracht van de commissaris zijn ten laste van de in gebreke zijnde beheerder. De commissaris woont de vergaderingen van de beheersorganen van de inrichting van rechtswege bij. HOOFSTUK XI. - Opheffingsbepalingen Art. 36.Het besluit van de Waalse Regering van 3 december 1998Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 03/12/1998 pub. 27/01/1999 numac 1999027003 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering tot uitvoering van het decreet van 5 juni 1997 betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de « Conseil wallon du troisième âge » sluiten tot uitvoering van het decreet van 5 juni 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 05/06/1997 pub. 26/06/1997 numac 1997027325 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de "Conseil wallon du troisième âge"
- a)het aantal bedden waarvoor de bijzondere erkenning wordt aangevraagd;
- b)in voorkomend geval, het bewijs van de gelijkwaardige beddenvermindering indien reglementair vereist;
- c)een plan met de interne communicatiewegen per niveau, de bestemming van de lokalen en het aantal plaatsen waarop de aanvraag om bijzondere erkenning betrekking heeft;
- d)een brandveiligheidsattest dat sinds minder dan een jaar is afgegeven door de burgemeester van de gemeente waar de verzorgingsinstelling gevestigd is, vergezeld van het rapport van de territoriaal bevoegde brandweerdienst;2° in het geval van een geïntegreerde dienst voor thuisverzorging :
- a)de statuten van de instelling;
- b)de zorgzone(
- s)te bedienen met inachtneming van de territoriale indeling die in bijlage gaat, alsook in voorkomend geval de organisatie van de operationele subzones.Er kan een aanvraag om afwijking van de grenzen van bedoelde zones ingediend worden om rekening te houden met de grenzen van de huisartsenkringen die erkend zijn op de datum van de indiening van de aanvraag, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 8 juli 2002Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/07/2002 pub. 05/10/2002 numac 2002022601 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen sluiten tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen. »; 4° in artikel 7 vervallen de bewoordingen « of plaatsen »;5° in artikel 10 vervallen de bewoordingen « of plaatsen ». HOOFDSTUK XI. - Inwerkingtreding Art. 37.§ 1. Het decreet van 30 april 2009Relevante gevonden documenten type decreet prom. 30/04/2009 pub. 16/07/2009 numac 2009203164 bron waalse overheidsdienst Decreet betreffende de opvang en de huisvesting van bejaarde personen sluiten betreffende de opvang en de huisvesting van bejaarde personen treedt in werking op 28 december 2009 met uitzondering van : 1° artikel 37 dat in werking treedt de dag waarop dit besluit wordt bekendgemaakt;2° de artikelen 3, § 3, 4°, en 13 die op 1 januari 2011 in werking treden. § 2. Dit besluit treedt in werking op 28 december 2009. Evenwel 1° treden punt 2.1.2., 24e streepje, van hoofdstuk 1 van bijlage III, punt 2.1.2., 21e streepje, van hoofdstuk 1 van bijlage V en de punten 9.1.2.2. en 9.1.2.3. van hoofdstuk 3 van bijlage III bij dit besluit in werking op 1 juli 2010; 2° treden artikel 21 en bijlage VI op 1 januari 2011 in werking;3° beschikken de inrichtingen voor bejaarde personen die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit een werkingsvergunning genieten, over een termijn van zes maanden die begint te lopen op de datum van inwerkingtreding van dit besluit om zich aan te passen aan de nieuwe personeelsnormen bedoeld in de bijlagen III, IV en V. Art. 38.De Minister van Gezondheid, Sociale Actie en Gelijke Kansen is belast met de uitvoering van dit besluit. Namen, 15 oktober 2009. De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Gezondheid, Sociale Actie en Gelijke Kansen, Mevr. E. TILLIEUX Bijlage I Handvest betreffende de kwaliteit De inrichtingen voor bejaarde personen die met dit handvest instemmen, moeten, om hun kwaliteitslabel te bewaren, de gepaste initiatieven nemen om in te spelen op de behoeften, de verwachtingen en de eerbied voor de bewoners met name op de hierna bepaalde gebieden. Het is mogelijk dat enkele punten die vermeld staan in het handvest betreffende de kwaliteit wegens hun werkingswijze niet toegepast worden op bepaalde soorten inrichtingen voor bejaarde personen. 1. De menselijke waardigheid en de grondrechten eerbiedigen. Op de voorgrond staan de eerbied voor de menselijke waardigheid, namelijk de erkenning van eenieders identiteit, de eerbied voor eenieders levensloop, eenieders intimiteit en persoonlijke ruimte, eenieders wereldopvatting en de organisatie van eenieders geestelijke leven en het recht om de ontwikkeling van eenieders menselijke vermogen voort te zetten. Elke bewoner heeft recht op autonomie, veiligheid en zelfontplooiing. Dat impliceert onder andere het recht op een privéleven, het recht op affectieve beleving, het recht op seksuele beleving tussen instemmende volwassenen, het recht op inspraak bij de gemeenschappelijke beslissingen, het recht om in aanmerking te komen voor dienstverleningen en bijstand om eenieders bekwaamheid om zelfstandig te leven, te vergroten en eenieders levensritme te eerbiedigen. Alle maatregelen zullen getroffen worden opdat de sterk afhankelijke bejaarde personen en, in het bijzonder, de ernstig gedesoriënteerde personen zo goed mogelijk hun vrijheid bewaren om te communiceren, om zich te verplaatsen, om deel te nemen aan het gemeenschapsleven en om de controle over hun bestaansmiddelen en hun goederen te behouden. Elkeen wordt met « u » aangesproken. 2. De bewoner opvangen en begeleiden. De opvang van een nieuwe bewoner is een uitermate belangrijk kwaliteitsmoment. De opvang moet een vruchtbare uitwisseling mogelijk maken om tegemoet te komen aan de wensen en de angsten van de persoon teneinde de gevolgen van de breuk met de gewoonlijke leefomgeving zo beperkt mogelijk te houden. De opvang is geïndividualiseerd. en vindt plaats in een gepaste ruimte en in een klimaat van vertrouwen en begrip om de opneming van nieuwe bewoners te bevorderen en hen in staat te stellen zich geleidelijk aan te passen aan hun nieuwe thuishaven. De toekomstige bewoner en zijn verwanten worden verzocht om de inrichting, indien mogelijk, vóór het sluiten van de overeenkomst te bezoeken. Daarbij worden contacten gelegd met de bewoners en het personeel en zal de toekomstige bewoner kunnen deelnemen aan de activiteiten die in de inrichting plaatsvinden. Bij dat bezoek moeten ook alle gegevens die nodig zijn voor zijn levenskwaliteit, zijn smaken, zijn bezigheden, zijn culturele gevoeligheid, zijn recreatie, enz. ingewonnen worden bij de toekomstige bewoner en bij zijn verwanten. Na de opvang moet de begeleiding dagelijks zijn. Dat impliceert een bijzondere begeleiding voor de gedesoriënteerde personen of voor de personen met zintuiglijke handicaps of andere, een begeleiding voor elke activiteit die buiten de inrichting doorgaat, met inbegrip van de medische bezoeken in een algemene kliniek of bij deskundige artsen alsmede voor een ziekenhuisopname (met inbegrip van de keuze van de meest optimale vervoerswijze) en in geval van vertrek. Het levenseinde maakt een aangepaste en versterkte begeleiding noodzakelijk. De nodige steun wordt tot het einde van het leven samen met de familiale omgeving verleend, op een warmhartige plaats. Bij een sterfgeval wordt de familie met de nodige aandacht omringd. 3. Gepaste gezondheidszorg waarborgen. De inrichting waarborgt een multidisciplinaire medische, verpleegkundige, paramedische, verzorgende en sociale begeleiding gewaarborgd door personeelsleden die op gepaste wijze in de gerontologie en geriatrie gevormd zijn. De bejaarde persoon heeft het recht om een gepaste en afgestemde verzorging te krijgen die hem kan helpen een optimaal fysiek, psychisch en sociaal welzijnsniveau te handhaven en zelfs weer op krachten te komen en ziekte of een handicap te voorkomen. De verzorging omvat met name de medische, verpleegkundige en paramedische verrichtingen die de genezing mogelijk maken telkens als die doelstelling kan worden bereikt alsmede degene die als doel hebben de handicaps te compenseren, de functies te revalideren, de pijn te verlichten, helderheid en comfort te handhaven, de verwachtingen en de projecten van de bewoner bij te stellen en de levenskwaliteit te verbeteren. Ze worden op geïntegreerde wijze aan elke persoon aangepast. De bewoner heeft het recht om in alle vrijheid te beslissen over de oriëntatie van zijn verzorging, over de keuze van de zorgverstrekkers met inachtneming van de vigerende regels alsmede over het scenario dat hij het meest waardig en aangepast acht voor het einde van zijn leven, met name het recht om de behandelingen die uitsluitend bestemd zijn om zijn leven te verlengen, te aanvaarden of te weigeren. Hij heeft het recht op inspraak bij de beslissingen i.v.m. de hem verstrekte zorg. 4. Gezond en lekker. Het eetgenoegen is van groot belang. Het moet verder blijven bestaan, zelfs als een dieet gevolgd moet worden, voor zover werkelijk noodzakelijk. De eerste doelstelling van de maaltijd is genoegen en gezelligheid. Bij bejaarde personen is het bestrijden van de ondervoeding een dagelijkse noodzaak. Er wordt in maatregelen voorzien om na te gaan welke de nutritionele toestand van de personen is. De eetkamer van de inrichting moet lijken op een ware restaurantzaal. De bewoner mag zijn tafel en zijn tafelgenoten kiezen en krijgt de nodige tijd om in goede omstandigheden te eten. De bewoner wordt erom verzocht advies te geven over de kwaliteit van de maaltijden en van de opgediende menu's. Er wordt regelmatig gepeild naar de tevredenheid van de gebruikers, met aanplakking van hun beoordeling. De toegang tot een gezonde en evenwichtige voeding is een fundamentele en zelfs vitale behoefte in het bijzonder voor de zwakke en/of alleenstaande bejaarde persoon. De inrichting stelt het keukenpersoneel in de mogelijkheid om tegelijkertijd de tafelkunst, de hygiëneregels, de instandhouding van de gezelligheid en de voedingsgewoonten i.v.m. het individuele verleden van elke bewoner alsmede met de verschillende culturen te eerbiedigen. De hulp aan de bejaarde persoon bij het eten is een prioriteit die in alle omstandigheden gewaarborgd wordt. 5. Welzijn waarborgen. Het welzijn is een gevoel van genoegen en lichamelijk, psychologisch en sociaal evenwicht dat berust op de voldoening van de behoeften van het lichaam en de geest. welzijn kan benaderd worden, met name via technieken inzake relationele zorgen, dankzij materieel comfort en eerbied voor de lichamelijke gesteldheid van de persoon. De technieken inzake relationele zorgen georganiseerd door een multidisciplinaire ploeg die idealiter bestaat uit ergotherapeuten, kinesitherapeuten, logopedisten, psychologen, opvoeders en maatschappelijke assistenten, betreffen met name het « snoezelen », de aromatherapie, de reflexologie, de therapeutische tuin, de balneotherapie en de muziektherapie. Het comfort vereist een aangepast meubilair, een aangepaste uitrusting en een aangename omgeving. De eerbied voor de lichamelijke gesteldheid van de persoon vereist met name een correcte kleding en aandacht voor lichaamsverzorging met een aanbod van bij voorbeeld make-up-, haarverzorgings-, manicure- en pedicurediensten. 6. Animatie en recreatie. De inrichting bevordert de toegang tot een cultureel, sociaal en artistiek leven via de organisatie van burgerlijke, sportieve, feestelijke, culturele, sociale, creatieve en ludieke activiteiten alsmede van activiteiten tussen generaties en van zelfontplooiing binnen en buiten de inrichting. Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 15 oktober 2009 tot uitvoering van het decreet van 30 april 2009Relevante gevonden documenten type decreet prom. 30/04/2009 pub. 16/07/2009 numac 2009203164 bron waalse overheidsdienst Decreet betreffende de opvang en de huisvesting van bejaarde personen sluiten betreffende de opvang en de huisvesting van bejaarde personen. Namen, 15 oktober 2009. De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Gezondheid, Sociale Actie en Gelijke Kansen, Mevr. E. TILLIEUX Bijlage II Reglementering van de bescherming tegen brandgevaar en paniek in de rustoorden, de serviceflats en de onthaalcentra voor bejaarden HOOFDSTUK 1. - Algemene voorschriften 0. Algemene inleiding 0.1. Voorwerp van de reglementering In deze reglementering worden de voorwaarden bepaald waaraan het ontwerpen, de bouw en de aanleg van de inrichtingen of gedeelten daarvan die als rustoord, serviceflat of onthaalcentrum voor bejaarden worden gebruikt, moeten voldoen, de na te leven regels inzake de bewoning van die inrichtingen of gedeelten daarvan, alsook het onderhoud en het toezicht op hun installaties met het doel :
- a)het ontstaan, de ontwikkeling en de uitbreiding van een brand te voorkomen;
- b)te zorgen voor de veiligheid van de bewoners;
- c)het optreden van de brandweer te vergemakkelijken. 0.2. Rangschikking van de inrichtingen. De inrichtingen worden gerangschikt in twee types : - type 1 : de inrichtingen waarvan de lokalen die voor de bewoners bestemd zijn, ten hoogste één verdieping gelegen zijn boven de evacuatieverdieping bedoeld in bijlage 1 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen; - type 2 : de inrichtingen waarvan de lokalen die voor de bewoners bestemd zijn, ten minste twee verdiepingen boven de evacuatieverdieping gelegen zijn. Wanneer een inrichting uit gebouwen van verschillende types bestaat, is deze reglementering van toepassing op ieder gebouw naargelang van hun type. 0.3. Terminologie 0.3.1. Algemene begripsomschrijvingen De algemene begripsomschrijvingen zijn die van bijlage 1 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 december 1997. 0.3.2. Weerstand tegen brand De voorschriften van bijlage 1 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de erkenning "BENOR-ATG" en erkende plaatsers, (of elke andere erkenning op grond waarvan er kan worden vastgesteld dat de producten aan deze voorschriften voldoen) zijn enkel van toepassing op de deuren die geplaatst of vervangen zijn na de datum van bekendmaking van deze reglementering in het Belgisch Staatsblad. 0.3.3. Zelfsluitende deur : deur voorzien van een toestel waardoor deze in normale werkingsvoorwaarden dichtgehouden wordt. Zo'n deur moet in alle gevallen zonder buitengewone inspanning kunnen openen. Ze mag niet open geblokkeerd zijn. 0.3.4. Bij brand zelfsluitende deur : deur voorzien van een automatisch toestel dat, in geval van brand, het sluitingssysteem in werking stelt. In elk geval moet een dergelijke deur of een gedeelte ervan nog mits een normale inspanning kunnen openen. Het sluitingssysteem van de deur moet voorzien zijn van een rem of van een gelijkaardig toestel dat zorgt voor een trage beweging zodat het automatische sluiten van de deur geen gevaar inhoudt voor de bewoners. Den wordt om zulke deuren vooral daar te plaatsen waar veel mensen voorbijkomen. 0.3.5. Normale kunstverlichting : kunstmatige verlichting die gewoonlijk gebruikt wordt. 0.3.6. Positieve veiligheid : de apparatuur wordt beschouwd in positieve veiligheid te werken als de veiligheidsfunctie van die apparatuur of toestellen verzekerd blijft wanneer de energiebron en (
- of)de voedingsinrichting en (
- of)de aandrijvingsinrichting gebrekkig is (zijn). 0.3.7. Deuren met massieve kern : Deuren die ontworpen en gelegd zijn overeenkomstig de grondregels van de bouwkunst en die bestaan uit : - hetzij houtspaanderplaten met een soortelijke massa van ten minste 600 kg/m3 en met dezelfde dichtheid als het raam; - hetzij hardhout met een soortelijke massa van ten minste 650 kg/m3 die bestaat uit één kozijn en panelen. De panelen vertonen overal een minimumdichtheid van 12 mm. 0.3.8. Keuken : Lokaal waar spijzen worden bereid en gekookt. 0.4. Nummering van de verdiepingen - Bewegwijzering 0.4.1. Een volgnummer wordt aan elke verdieping toegekend met inachtneming van volgende regels : - de verschillende verdiepingen vormen een ononderbroken opeenvolging; - één van de evacuatieverdiepingen heeft het nummer 0; - de verdiepingen onder verdieping 0 hebben een negatief volgnummer; - de verdiepingen boven verdieping 0 hebben een positief volgnummer. 0.4.2. Op elke verdieping moet het volgnummer : - op ten minste één wand voorkomen van de portalen van de trappenhuizen en van de portalen die toegang geven tot de liften, voor de personen die deze portalen gebruiken; - leesbaar zijn vanuit de cabine van de liften tijdens de stilstand. 0.4.3. In de liften staat het volgnummer van de verdiepingen te lezen naast de overeenstemmende bedieningskop. Bovendien staan de woorden « uitgang » of « nooduitgang » naast de volgnummers van de verdiepingen die beschikken over uitgangen of nooduitgangen. 0.4.4. De plaats, alsook de richting van de uitgangen en nooduitgangen worden duidelijk vermeld door pictogrammen overeenkomstig de voorschriften van het « Algemeen reglement voor de arbeidsbescherming ». 0.4.5. De adviezen betreffende de brandbescherming stemmen overeen met de in het vorige lid bedoelde voorschriften. 0.5. Gelijkwaardigheid van de normen. Alle producten met dezelfde functie, zoals omschreven in de norm NBN in deze tekst, wettelijk gefabriceerd en/of in de handel gebracht in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap of in Turkije, of wettelijk gefabriceerd in een lidstaat ondertekenaar van de Europese Vrijhandelsassociatie, die de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte heeft ondertekend, worden eveneens toegelaten. HOOFDSTUK 2. - Inplanting, bouw en uitrusting 1. Inplanting en toegangswegen. 1.1. Toegang : De instelling is rechtstreeks en voortdurend toegankelijk voor de brandweervoertuigen, zodanig dat de brandbestrijding en de redding er normaal uitgevoerd kunnen worden. In het bijzonder worden het aantal toegangsweg(
- en)en de inplanting ervan vastgesteld in akkoord met de territoriaal bevoegde brandweer, hierbij rekening houdend met de oppervlakte van de betrokken instelling, het aantal bewoners, het aantal bewoonde verdiepingen en de inrichting van het (
- de)gebouw(en). 1.2. Kenmerken van de toegangswegen : Op voornoemde weg(
- en)wordt één strook steeds vrij gehouden, waar het parkeren verboden is, en die voldoet aan volgende vereisten : - minimale vrije breedte : 4 m; - minimale vrije hoogte : 4 m; - minimale draaistraal : 11 m aan de binnenkant en 15 m aan de buitenkant; - maximale helling : 6 %, behoudens akkoord van de territoriaal bevoegde brandweer naargelang van de plaatselijke omstandigheden; - draagvermogen : voldoende om voertuigen, waarvan het laadvermogen per wielas hoogstens 13 t bedraagt, op die weg(
- en)te laten rijden en stationeren zonder te blijven steken, zelfs al vervormen zij die weg(en). Wanneer de toegangswegen doodlopende wegen zijn, wordt de wegbreedte gebracht op 8 m en dienen de kenmerken ervan over de gehele breedte overeen te stemmen met bovenvermelde vereisten; in dit geval moet de inrichting van het gebouw en zijn omgeving onderworpen worden aan het akkoord van de territoriaal bevoegde brandweer. De vrije ruimten : hovingen, parken, binnenkoeren, voorportalen die dezelfde waarborgen vertonen als degene bedoeld in deze paragraaf en in § 1.1., mogen als toegangswegen beschouwd worden. Bijgebouwen, uitspringende daken, luifels, delen in uitkraging of andere dergelijke toevoegingen worden enkel toegelaten indien daardoor noch de evacuatie of de veiligheid van de bewoners, noch de bewegingsvrijheid van de brandweer in het gedrang gebracht worden. 1.3. Afstand tussen de gebouwen : De horizontale afstand tussen elk gebouw van de instelling en elk naburig gebouw, waar geen brandbaar element ligt, bedraagt ten minste 8 m, behalve als de wanden waarbij die worden gescheiden, de volgende kenmerken vertonen : - voor gebouwen van het type 1 : weerstand tegen brand (Wb) 1 uur; - voor gebouwen van het type 2 : Wb 2 u. In deze wanden wordt een verbinding tussen de gebouwen toegelaten voor zover ze de volgende kenmerken vertoont : 1. niet uitkomen op een trappenhuis; 2. gesloten worden d.m.v. een zelfsluitende deur met de volgende kenmerken : - voor gebouwen van het type 1 : Wb 1/2 u.; - voor gebouwen van het type 2 : Wb 1 u. 1.4. Overdekte en gesloten doorgangen : Indien de onderscheiden gebouwen van een inrichting met elkaar verbonden zijn d.m.v. overdekte en gesloten doorgangen, worden zij van deze laatste gescheiden door Wb 1 u.-wanden. De openingen in voorgenoemde wanden zijn voorzien van zelfsluitende of bij brand zelfsluitende Wb 1/2-u.-deuren. 2. Grondbeginselen. 2.1. Verdeling van de lokalen : 2.1.1. De verdiepingen van de gebouwen worden verdeeld in compartimenten van één verdieping hoog. De oppervlakte van een compartiment, die gemeten is tussen de binnenvlakten van de wanden die hem omsluiten, is kleiner dan 1 250 m2. 2.1.2. Elk geheel van 20 bedden die verdeeld zijn op hetzelfde niveau, wordt omsloten door binnenwanden die voldoen aan de volgende voorschriften : - voor gebouwen van het type 1 : Wb 1/2 u.; - voor gebouwen van het type 2 : Wb 1 u.; - De openingen in deze wanden zijn voorzien van zelfsluitende Wb 1/2 u.-deuren. 2.1.3. In akkoord met de territoriaal bevoegde brandweer, kunnen die voorschriften niet toegepast worden op gebouwen van het type 1 waarvan de totale bewoning kleiner is dan 20 personen. 2.2. Ligging van de lokalen die voor bewoners bestemd zijn : De lokalen die voor bewoners bestemd zijn, mogen niet hoger liggen dan 25 m boven de grond die het betrokken gebouw omringt. 2.3. Lokalen die onder de laagste evacuatieverdieping gelegen zijn : Onder de laagste evacuatieverdieping : - mag geen enkele individuele of collectieve slaapkamer liggen; - mogen enkel en alleen op de verdieping die het dichtst bij de evacuatieverdieping gelegen is, lokalen liggen die door de bewoners in de loop van de dag worden gebruikt. 2.4. Aantal trappenhuizen : Het aantal trappenhuizen wordt berekend met inachtneming van : - het aantal bewoners die zich kunnen bevinden boven de naaste evacuatieverdieping; - de voorschriften van lid 4.3.3. betreffende de maximale afstanden voor de toegang tot het naaste trappenhuis en eventueel tot een tweede trappenhuis. Op de evacuatieverdiepingen leiden de trappen naar een uitgang, hetzij rechtstreeks, hetzij langs een zo kort mogelijk evacuatieweg die voldoet aan de voorschriften van § 4.3. 3. Structurele elementen. 3.1. Structurele elementen : De structurele elementen, zoals zuilen, dragende muren, hoofdbalken en andere essentiële delen die het geraamte van het gebouw vormen, met uitzondering van de afgewerkte vloeren, hebben een weerstand tegen brand van ten minste twee uur in de gebouwen van het type 2; deze vereiste wordt herleid tot één uur wanneer het gaat om een gebouw van het type 1. In alle gevallen hebben de afgewerkte vloeren een weerstand tegen brand van ten minste één uur. 3.2. Gevelwanden 3.2.1. Op elke verdieping bevatten de geweldwanden een bouwelement dat gedurende ten minste één uur voldoet aan het criterium van « vlamdichtheid ». Dit element wordt op één van de volgende manieren uitgevoerd (zie afbeeldingen in bijlage 2) :
- a)een doorlopend horizontaal overstek of uitkragend gedeelte met een breedte (
- a)die gelijk is aan of hoger is dan 0,60 m (zestig
- cm)en dat aan de vloer verbonden is;
- b)een geheel dat bestaat uit een doorlopend horizontaal overstek met een breedte (
- a)en dat aan de vloer verbonden is : - op de bovenverdieping door een doorlopende borstwering met een hoogte (b); - op de onderverdieping door een doorlopende latei met een hoogte (c). De som van de afmetingen a, b, c en d (dikte van de vloer) is gelijk aan of hoger dan 1 m; elke afmeting a, b of c mag eventueel nul zijn. 3.2.2. De uitwendige wandversieringen van de gevels moeten vervaardigd zijn uit materialen die behoren tot minstens klasse A2, overeenkomstig bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. Dit voorschrift betreft de schrijnwerkerij of de dichtingvoegen niet. 3.2.3. De stijlen die het skelet van de gordijngevel (lichte gevel) vormen, worden aan elke verdieping aan het skelet van het gebouw vastgezet. De borstwering en de latei worden zodanig aan de vloerplaat vastgezet dat het geheel gedurende minstens één uur voldoet aan het criterium « vlamdichtheid ». Hetzelfde geldt voor de ondoorzichtige of geen licht doorlatende delen van de gevels die tussen de vensteropeningen gelegen zijn. 3.3. Verticale binnenwanden De verticale binnenwanden van een kamer of appartement moeten een weerstand tegen brand hebben van ten minste een half uur. Wat betreft de binnenwanden van de evacuatiewegen, zie lid 4.3.6. 3.4. Deuren De vleugels van alle glazen deuren hebben een merkteken waarbij hun aanwezigheid opvalt. De deuren die eventueel in de evacuatiewegen staan en die hetzij één of meer uitgangen, hetzij toegangen tot één of meer uitgangen verbinden, openen in beide richtingen. Draaibomen en draaideuren zijn verboden. De deuren van de evacuatiewegen alsook de deuren die toegang geven buiten het gebouw, moeten op elk ogenblik kunnen openen voor de evacuatie van de instelling. Die deuren mogen gegrendeld worden met inachtneming van de volgende voorwaarden : - Elektrische ontgrendeling vanaf een altijd toegankelijke plaats (wachtkantoor, onthaal, enz.); - Automatische ontgrendeling in geval van brand, alarm en stroomstoring; - Installatie die uitgewerkt is overeenkomstig de beginselen van de positieve veiligheid. 3.5. Plafonds en valse plafonds 3.5.1. De plafonds, de valse plafonds en hun bekleding zijn vervaardigd uit materialen waarvan de klasse van reactie bij brand vastgesteld is overeenkomstig bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. De kamers moeten behoren tot klasse A1. 3.5.2. De valse plafonds hebben een weerstand tegen brand van ten minste een half uur. De plafonds die ruimten afsluiten die bijzondere brandrisico's bieden, voldoen echter aan een criterium van weerstand tegen brand die aan deze risico's aangepast is. 3.5.3. De opgehangen gedeelten van toestellen en andere opgehangen voorwerpen (verlichtingsapparaten, luchtkokers, kanalisaties, enz.) zijn ontworpen om te weerstaan aan een omgevende temperatuur van minstens 100 °C. 3.5.4. De ruimte tussen het plafond en het valse plafond wordt gescheiden door de verlenging van alle verticale wanden die een weerstand tegen brand van minstens een half uur bieden. In ieder geval wordt deze ruimte onderbroken door verticale tussenschotten met een weerstand tegen brand van minstens een half uur, zodat compartimenten gevormd worden met een maximale lengte die lager is dan 25 m. 3.6. Niet vlottende bekledingsmaterialen die gebruikt worden als thermische of geluidsisolatie of als versiering. 3.6.1. De bekleding voor de verticale wanden is vervaardigd uit materialen waarvan de klasse van reactie bij brand vastgesteld is overeenkomstig bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. De klasse van reactie bij brand mag echter in geen geval A4 zijn. Voor de kamers wordt klasse A1 vereist. 3.6.2. De vloerbedekkingen zijn vervaardigd uit materialen waarvan de klasse van reactie bij brand vastgesteld is overeenkomstig bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. De klasse van reactie bij brand mag echter in geen geval A4 zijn. Voor de kamers wordt klasse A2 vereist. 3.6.3. Geen brandbaar materiaal mag voorkomen in de eventuele ruimte tussen bekledingsmaterialen en wanden. 3.7. Daken. In de gebouwen van type 2 zijn, bij gebrek aan afgewerkte vloeren, bouwelementen met een weerstand tegen brand van ten minste één uur aangebracht als isolatie tussen het dak en de voor de bewoners bestemde lokalen alsook de evacuatiewegen. Hetzelfde geldt voor de gebouwen van type 1 waar meer dan twintig bewoners worden ondergebracht. De waterdichte dakbedekking bestaat uit een materiaal dat ten minste tot klasse A1 behoort, overeenkomstig bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, of dat na verwerking op dit peil is gebracht. In akkoord met de territoriaal bevoegde Brandweer hoeven die voorschriften niet toegepast te worden op lichtschachten van klasse 1 die op het dak zijn gelegd en die gelegen zijn op minder dan 3 m van elke overhangende gevel. Die afstand is horizontaal gemeten. 4. Bouwvoorschriften betreffende de compartimenten en de doorgangen die bij evacuatie gebruikt moeten worden. 4.1. Compartimenten. De compartimenten waarvan sprake in § 2.1, zijn afgesloten door wanden die, met uitzondering van gevelwanden, een weerstand tegen brand van ten minste één uur hebben. De eventuele communicatie-openingen tussen twee compartimenten zijn voorzien van zelfsluitende deuren of van bij brand zelfsluitende deuren met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur. Wat de gevelwanden betreft, komen ze overeen met de voorschriften van §§ 3.2 en 1.3. 4.2. Trappenhuizen en trappen. 4.2.1. Aantal trappen. In elk geval moet iedere bewoonde verdieping beschikken over ten minste twee verschillende evacuatiewegen. In elk geval zijn de trappenhuizen zodanig en in zo'n hoeveelheid opgericht dat de voorschriften van leden 4.3.3. en 4.3.5. in acht worden genomen. In elk geval moeten de verdiepingen voorzien zijn van ten minste één binnentrap. Bijkomende trappen mogen buitentrappen zijn. In de gebouwen van type 2 moet een compartiment voorzien zijn van ten minste twee trappenhuizen. In de gebouwen van type 1, in akkoord met de territoriaal bevoegde brandweer, mogen de verdiepingen waar minder dan 20 bewoners ondergebracht worden, alleen voorzien zijn van één trappenhuis voor zover een tweede evacuatieweg bestaat. 4.2.2. Inrichting van trappenhuizen. 4.2.2.1. De trappenhuizen komen verplicht uit op een normale evacuatieverdieping. 4.2.2.2. In de gebouwen van type 2 hebben de wanden van de trappenhuizen, behoudens de geweldwanden, een weerstand tegen brand van ten minste twee uur. Deze wanden mogen voorzien zijn van glas op voorwaarde dat elk punt daarvan ten minste 1 m gelegen is van elke opening of glazen gedeelte van de rest van het gebouw of van een ander gebouw. In de gebouwen van type 1, waar meer dan twintig bewoners ondergebracht kunnen worden, moeten de trappenhuizen afgesloten zijn. In dit geval hebben de wanden van de trappenhuizen een weerstand tegen brand van ten minste één uur. Deze wanden mogen echter voorzien zijn van glas op voorwaarde dat ze deel uitmaken van de gevel en voor zover elk punt daarvan ten minste 1 m gelegen is van elke opening of glazen gedeelte van de rest van het gebouw of van een ander gebouw. 4.2.2.3. De toegangen tot de trappenhuizen zijn voorzien van zelfsluitende deuren of van bij brand zelfsluitende deuren met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur die openen in de richting van de evacuatie en waarvan de minimale doorgangsbreedte 0,90 m bedraagt. De deuren van de kamers of appartementen die toegang geven tot de evacuatiewegen, mogen openen in de tegengestelde richting van de evacuatie en de minimumbreedte van de deurvleugel moet 0,90 m (negentig
- cm)bedragen. 4.2.2.4. Indien verscheidene compartimenten op horizontaal vlak met elkaar in verbinding staan, mogen ze voorzien zijn van een gemeenschappelijk trappenhuis op voorwaarde dat de toegangen voldoen aan de vereisten van lid 4.2.2.3. 4.2.2.5. De trappenhuizen die toegang geven tot de verdiepingen die gelegen zijn onder de evacuatieverdieping, mogen niet rechtstreeks in het verlengde liggen van degene die toegang geven tot de andere verdiepingen. Deze trappenhuizen mogen nochtans het ene boven het andere liggen, op voorwaarde dat ze gescheiden zijn door wanden met een weerstand tegen brand van ten minste twee uur als het gaat om een gebouw van type 2; deze vereiste wordt herleid tot één uur voor een gebouw van type 1. De doorgang van het ene naar het andere trappenhuis gebeurt langs een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur die opent in de richting van de evacuatie. 4.2.2.6. Met uitzondering van de brandblustoestellen, de natte leidingen voor de brandbestrijding, de leidingen voor de elektrische veiligheidsverlichting en de verlichtings- en verwarmingsapparaten, mag geen voorwerp voorkomen in de trappenhuizen, noch de toegang tot deze laatste verhinderen. Dit voorschrift is ook van toepassing op de installatie van hoogwerkers. 4.2.2.7. Buitentrappen. Als een buitentrap omringd wordt door wanden, moet ten minste één daarvan de vrije doorgang van de lucht toelaten. De communicatie tussen een een buitentrap en het niveau dat daarvan voorzien is, wordt verzekerd door een deur met een automatische terugstelinrichting. De buitentrappen zijn vervaardigd uit materialen die behoren tot klasse A0 overeenkomstig bijlage 5 van het koninklijk besluit besluit. van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, en worden langs beide zijden voorzien van een veilig vastgehechte leuning die loopt langs de bordessen en de platte daken. De plekken waar een gevaar aan val bestaat zijn uitgerust met een koppelspant en een plint met een minimale hoogte van 10 cm. De helling van de trappen mag niet hoger zijn dan 75 % (maximale hellingshoek : 37°). Geen enkel punt van de buitentrappen mag gelegen zijn op minder dan 1 m van elke opening of glazen gedeelte van de gebouwen, behalve als deze trappen beschermd worden door ontbrandbare schutsels. De territoriaal bevoegde Brandweer kan echter verplichten dat onbrandbare deuren en schutsels worden aangebracht vóór elke opening of glazen gedeelte van de gebouwen als de warmtebelasting in de lokalen naast dit trappenhuis het vereist. De buitentrappen en de wegen die ernaartoe leiden, worden voorzien van de verkeers- en veiligheidsverlichting. 4.2.3. Verluchting van de binnentrappenhuizen. Het bovenste gedeelte van elk trappenhuis wordt voorzien van een opening die buiten uitloopt voor de gemakkelijke evacuatie van de rook. Die opening, die normaal kan worden gesloten, heeft een aërodynamische doorsnede van ten minste 1 m2. Die is uitgerust met een op een evacuatieverdieping gelegde handbediening. Dit openingstoestel is duidelijk zichtbaar in akkoord met de territoriaal bevoegde Brandweer. Het kan automatisch gedreven worden door de branddetector. 4.2.4. Binnentrappen. 4.2.4.1. Bouwvoorschriften. De trappen zijn vervaardigd uit materialen die behoren tot minstens klasse A0 overeenkomstig bijlage 5 van het koninklijk besluit, van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. De vloerbedekkingen van de trappen behoren tot minstens klasse A2 van voornoemde bijlage 5. De trappen worden langs beide zijden voorzien van een veilig vastgehechte leuning die loopt langs de bordessen. Alle treden zijn uitgerust met een anti-slipneus. De plekken waar een gevaar aan val bestaat zijn uitgerust met een koppelspant en een plint met een minimale hoogte van 10 cm, of met een toestel dat een gelijkwaardige bescherming biedt. De helling van de trappen mag niet hoger zijn dan 75 % (maximale hellingshoek : 37°). De traparmen zijn recht maar de draai- of kromme trappen worden aanvaard indien zij een ononderbroken wegbeweging toelaten en indien de treden een minimale breedte van 24 cm op de ganglijn hebben, op voorwaarde dat de hierboven vermelde vereisten in acht worden genomen. Het aantal treden in elke traparm wordt beperkt tot 17. 4.2.4.2. Voor de nuttige breedte van traparmen en bordessen wordt de ruimte in acht genomen die tot een minimale hoogte van 2 m vrij is van elke blijvende hindernis. Hierbij dient geen rekening gehouden met het uitsteken van de handgrepen die langs de wanden van de trappen en bordessen gelegd zijn, op voorwaarde dat deze niet groter zijn dan 10 cm en dat ze niet hoger zijn dan 1 m boven de trapneuzen of de vloer van de bordessen. Hetzelfde geldt voor de plinten, de trapbomen en de steunmuur die langs deze wanden aangelegd zijn. De nuttige breedte van de traparmen en de bordessen is ten minste gelijk in centimeter aan het aantal personen die daar langs moeten gaan bij evacuatie, vermenigvuldigd met 1,25 of met 2, naargelang voorzien is dat deze personen langs bedoelde trap naar boven of naar beneden moeten gaan om een normale evacuatieverdieping te bereiken. Dit getal wordt afgerond tot het onmiddellijk hogere veelvoud van 60 cm. Onverminderd de voorafgaande voorschriften, bedraagt de minimale nuttige breedte van voornoemde doorgangen 1,2 m in de gebouwen van type 2 en 1 m in de gebouwen van type 1. 4.3. Evacuatiewegen. 4.3.1. De verbinding naar en tussen de trappenhuizen gebeurt langs evacuatiewegen. De hellende vlakken met een helling die lager is dan 10 % kunnen worden beschouwd als evacuatiewegen. 4.3.2. De kamers, appartementen of andere lokalen die voor de bewoners bestemd zijn, worden voorzien van een deur die rechtstreeks uitloopt op de evacuatieweg van deze lokalen. De deurvleugels hebben een minimumbreedte van 0,90 m. De deurvleugels hebben een minimumbreedte van 0,90 m. 4.3.3. In de compartimenten gelegen op een niveau dat niet bestemd is voor de evacuatie, bedraagt de afstand tussen elk punt van de lokalen die bestemd zijn voor de bewoners en de toegang tot een trappenhuis, hoogstens 30 m. Bovendien, wanneer het betrokken compartiment over meer dan één trappenhuis beschikt, wordt de maximale afstand tussen deze punten en de toegang tot een ander trappenhuis als het naaste, beperkt tot 60 m. De toegangsweg tot een trappenhuis mag nochtans niet doorheen het bordes van een ander trappenhuis lopen. 4.3.4. De nuttige breedte van de evacuatiewegen wordt berekend als die van de traparmen en bordessen (zie lid 4.2.4.2.). De nuttige breedte van de traparmen en de bordessen is ten minste gelijk in centimeter aan het aantal personen die daar langs moeten gaan bij evacuatie om een trap of een doorgang naar buiten te bereiken. Dit getal wordt afgerond tot het onmiddellijk hogere veelvoud van 60 cm. Onverminderd de voorafgaande voorschriften, bedraagt de minimale nuttige breedte van voornoemde doorgangen 1,2 m. 4.3.5. De maximale lengte van de doodlopende gangdelen bedraagt 15 m. 4.3.6. De verticale binnenwanden van de evacuatiewegen hebben een weerstand tegen brand van ten minste één uur. De deuren die op deze wegen uitkomen zijn houten deuren met een massieve kern. Op de evacuatieverdiepingen zijn die voorschriften niet van toepassing op de evacuatiewegen die van de trappenhuizen naar buiten leiden en waarvoor de binnenwanden en de zelfsluitende binnendeuren dezelfde Wb-graad vertonen als degene die voorgeschreven zijn voor de overeenkomende elementen van die trappenhuizen. 5. Bouwvoorschriften betreffende sommige lokalen en technische ruimten. 5.1. Linnenkamers van meer dan 2 m2, washokken, archiefdepots en werkplaatsen. Die lokalen zijn gelegen buiten de voor de bewoners toegangelijke compartimenten. Als het onmogelijk is, in akkoord met de territoriaal bevoegde Brandweer en met inachtneming van volgende voorschriften, mogen die lokalen gelegen zijn in de voor de bewoners toegankelijke compartimenten : Het betrokken lokaal wordt omringd door binnenwanden die aan volgende voorschriften voldoen : - Wb 1 u.; - De openingen in de wanden worden gesloten door WB 1/2 u.-zelfsluitende deuren; - Als ze niet worden bewoond, worden die lokalen afgesloten. 5.2. Stookplaatsen en aanhorigheden. De stookplaatsen, uitgerust met warmte-generators die een lager vermogen hebben dan 70 KW, zijn, evenals hun aanhorigheden, afgescheiden van de andere gebouwen en lokalen door wanden met een weerstand tegen brand van ten minste één uur. Elke toegang tot de stookplaatsen waarvan sprake en tot hun aanhorigheden vanuit de andere lokalen van de gebouwen waarin deze gelegen zijn, gebeurt door een zelfsluitende deur met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur, die opent in de richting van de evacuatie. Deze stookplaatsen zijn uitgerust met een efficiënte hoge en een efficiënte lage ventilatie. De stookplaatsen, uitgerust met warmte-generators die een nuttig warmtevermogen hebben dat in totaal gelijk is aan of hoger is dan 70 kW, zijn, alsook hun aanhorigheden, conform de Belgische norm NBN B 61-001. 5.3. Transformatiekabines die aangesloten zijn op een hoogspanningsnet. 5.3.1. Algemene voorschriften. De transformatiekabines zijn gebouwd volgens de voorschriften van het « Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties » en volgens de Belgische norm NBN 449. Bovendien : - naargelang van het gebouw, waarin de transformatiekabine waarvan sprake gelegen is, tot het type 2 of 1 behoort, hebben de wanden van deze kabine, de gevelwanden uitgezonderd, een weerstand tegen brand van ten minste twee of één uur; - zijn er maatregelen getroffen opdat het waterpeil (van waar het water ook mogen komen, met inbegrip van het bluswater van de brandbestrijding) beneden het peil van de vitale gedeelten van de elektrische installatie zou blijven. Indien, voor het geheel van de apparaten, de hoeveelheid brandbaar diëlectricum 50 L of meer bedraagt, zijn de voorschriften die bedoeld zijn in de Belgische norm NBN C18-200 van toepassing. 5.3.2. Ter plaatse gemonteerde kabine. De ter plaatse gemonteerde kabine is ingebouwd in een daartoe bestemd lokaal. Tenzij het een buiteningang is, is de toegang tot dit lokaal voorzien van een zelfsluitende deur met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur. De automatische uitschakelaars zijn van het droge type of hebben een geringe olie-inhoud. 5.3.3. Geprefabriceerde kabines. Een geprefabriceerde kabine vormt een volledig gepantserd blok, in overeenstemming met de voorschriften van het "Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming", en dient niet geïnstalleerd te worden in een daarvoor speciaal bestemd lokaal. Iedere toegang tot het lokaal waar de geprefabriceerde kabine ligt, voldoet aan de voorschriften van lid 5.2.2. 5.3.4. Transformatoren met PCB. De transformator wordt gelegd in een dichte kuip of in een lokaal dat een dichte kuip vormt. Het volume van de kuip is gelijk aan 1,2 keer het volume van P.C.B. dat opgesloten is in de transformator. 5.4. Binnenshuis gelegen garages en parkeerruimten. De binnenshuis gelegen garages en parkeerruimten zijn van de andere gebouwen en lokalen gescheiden door wanden met een weerstand tegen brand van minstens twee uur of één uur naargelang deze gebouwen en lokalen van het type 2 of 1 zijn. Elke toegang tot de binnenshuis gelegen garages en parkeerruimten vanuit de andere lokalen van de gebouwen waarin deze liggen, gebeurt door een opening die voorzien is van een zelfsluitende deur en die men slechts kan openen in de richting van de evacuatie, met een weerstand tegen brand van ten minste één uur, indien het gebouw waarvan sprake van het type 2 is, deze weerstand tegen brand moet slechts ten minste een half uur bedragen indien dit gebouw van het type 1 is. 5.5. Huisvuilstortmantelbuizen. Zijn verboden. 5.6. Mantelbuizen.. 5.6.1. Verticale mantelbuizen. Behalve in de hierna bedoelde gevallen, hebben de wanden van de verticale mantelbuizen die leidingen bevatten, een weerstand tegen brand van ten minste één uur. De toegangspanelen en de toezichtdeurtjes hebben een weerstand tegen brand van ten minste een half uur. In de gebouwen van het type 2 zijn de bovenvermelde mantelbuizen, op het niveau van elke verdieping, in compartimenten verdeeld door horizontale schermen die vervaardigd zijn uit materialen van klasse A0, overeenkomstig bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, die de door de leidingen vrij gelaten ruimte innemen. Wanneer de aard of de bestemming van de verticale mantelbuizen het aanbrengen van schermen op elk niveau onmogelijk maakt, dan hebben de wanden van deze mantelbuizen een weerstand tegen brand van ten minste twee uur; de wanden van de toegangspanelen en de toezichtdeurtjes moeten een weerstand tegen brand van ten minste één uur hebben. Dergelijke mantelbuizen zijn ruim verlucht aan hun bovenkant. De normale toegangen tot de mantelbuizen voor de afvoer van linnen en bordenliften zijn voorzien van luiken met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur. Deze luiken zijn uitgerust met een automatisch sluitingssysteem, waarbij die voortdurend gesloten zijn, zolang er geen gebruik van gemaakt wordt. De mantelbuizen waarvan de wanden overeenstemmen met voorgenoemde voorschriften wat betreft de weerstand tegen brand, mogen gelegd zijn in de bij evacuatie te gebruiken trappenhuizen maar mogen daar niet openen. Wat betreft de mantelbuizen die gebruikt worden als ventilatiepijpen of voor het op- en neergaan van de liften, wordt verwezen naar de voorschriften betreffende de betrokken uitrustingen. 5.6.2. Horizontale mantelbuizen. De wanden van de horizontale mantelbuizen hebben een graad van weerstand tegen brand die ten minste gelijk is aan de hoogste graad van de wanden waar ze door gaan. De horizontale mantelbuizen mogen de oorspronkelijke Wb-graad van de wanden waar ze door gaan, in geen geval verzwakken. Alle mantelbuizen zijn vervaardigd uit materialen van klasse A0 overeenkomstig bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. 5.7. Gemeenschappelijke keukens. 5.7.1. De keukens en de keukens-restaurants die gelegen zijn in gebouwen die andere lokalen bestemd voor de bewoners bevatten, zijn van deze lokalen afgescheiden door wanden met een weerstand tegen brand van ten minste één uur. Tenzij deze openingen in de wanden rechtstreeks buiten uitkomen, zijn ze voorzien van zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren of luiken met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur. Voornoemde deuren moeten openen in de richting van de evacuatie. 5.7.2. Bakovens en vloeistofverwarmers zijn gelegd op draagsteunen van klasse A0 overeenkomstig bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. Bovendien, als de wanden vlakbij die toestellen niet gebouwd of bekleed zijn met materialen van klasse A0, die slechte warmtegeleiders zijn, overeenkomstig bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, dan zijn deze toestellen zo ver gelegen van de wanden dat de temperatuur van laatstgenoemde niet hoger kan zijn dan 90 °C. 5.7.3. Afvoerkanalen voor verbrandingsgassen en dampen. De afvoerkanalen voor verbrandingsgassen en dampen zijn vervaardigd uit materialen van klasse A0 overeenkomstig bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. De dichtheid van deze kanalen wordt verzekerd tot een temperatuur van 800 °C. De verbrandingsgassen en dampen worden langs deze kanalen, die niet mogen verbonden zijn met andere leidingen, uit het gebouw gedreven. De niet-geïsoleerde kanalen liggen ten minste 45 cm van elk niet-afgeschermd brandbaar materiaal. De binnenzijde van de kanalen is glad en weerstaat aan de werking van scheikundige producten die normaal in de af te voeren verbrandingsgassen en dampen aanwezig zijn. De kanalen moeten gemakkelijk kunnen worden gereinigd. Te dien einde zijn er eventueel openingen in aangebracht. Met uitzondering van de gemeenschappelijke keukens, zijn de kanalen die uit de keukens komen, ofwel aan de buitenkant van de gebouwen stevig vastgemaakt, hetzij in mantelbuizen gezet waarin geen andere leidingen lopen en waarvan de wanden een weerstand tegen brand hebben van ten minste twee uur. In dit laatste geval hebben de deurtjes of de toegangsdeuren voor het nazicht en de reiniging een weerstand tegen brand van ten minste één uur. 5.8. Opslagplaats voor huisvuil Dit lokaal voldoet aan de volgende voorschriften : - het wordt ruim geventileerd door openingen die rechtstreeks naar buiten uitkomen; - de binnenwanden zijn Wb 1 u.; - de binnendeuren zijn Wb 1/2 u. en zijn zelfsluitend; - die lokaal is voorzien van een automatisch hydraulisch blussysteem. Die voorschriften mogen niet van toepassing zijn op de instellingen onder de volgende voorwaarden : - het huisvuil wordt opgeslagen in een metalen container met een zelfsluitend deksel; - de container wordt alleen te dien einde gebruikt en is gelegen op minstens 5 m van elke opening van ieder gebouw. 6. Uitrusting van de instellingen Algemene voorschriften betreffende de certificatie van uitrustingen en installaties : Gelet op de wet van 20 juli 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/1990 pub. 10/06/2010 numac 2010000325 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 20/07/1990 pub. 02/12/2010 numac 2010000669 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de voorlopige hechtenis Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 20/07/1990 pub. 26/05/2011 numac 2011000307 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de accreditatie van certificatie- en keuringsinstellingen, alsmede van beproevingslaboratoria en het koninklijk besluit van 6 september 1993 tot oprichting van een accreditatiesysteem van certificatie-instellingen en tot vaststelling van de accreditatieprocedures overeenkomstig de criteria van de normen van de reeks NBN-EN 45000 : Voor zover de certificatie van de betrokken installateurs, installaties et (
- of)materieel bestaat binnen een termijn van twee jaar voorafgaande aan de aanleg van de installatie of het gebruik van het materieel : - De installaties en (
- of)het materieel dat in de instelling gebruikt of vervangen wordt, moeten gecertificeerd worden door een certificatie-instelling, die geaccrediteerd is als certificatie-instelling voor producten, overeenkomstig het BELCERT-systeem of volgens een wijze van certificatie die in een ander lidstaat van de Europese Unie gelijkwaardig is;bij gebrek aan certificatie moeten ze voldoen aan de algemene criteria opgenomen in de NBN EN 45011; - De installaties en (
- of)het materieel dat in de instelling gebruikt of vervangen wordt, moeten gelegd worden door installeurs geaccrediteerd door een certificatie-instelling, die geaccrediteerd is als certificatie-instelling voor produkten, overeenkomstig het BELCERT-systeem of volgens een wijze van certificatie die in een ander lidstaat van de Europese Unie gelijkwaardig is; bij gebrek aan certificatie moeten ze voldoen aan de algemene criteria die opgenomen zijn in de NBN EN 45013. 6.1. Liften en goederenliften. 6.1.1. Algemene voorschriften die toepasselijk zijn op liften en goederenliften : 6.1.1.1. De installaties, schachten en machinekamers zijn opgericht overeenkomstig de voorschriften van het « Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming ». Dit voorschrift wordt uitgebreid, ter aanvulling van de voorschriften van het artikel 28 van het « Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming », aan alle in dit besluit bedoelde instellingen, die al dan niet personeelsleden tewerkstellen. 6.1.1.2. Het geheel dat gevormd wordt door één of verschillende schacht(
- en)en door hun toegangsbordessen, die het sas moeten vormen, wordt omringd met wanden met een weerstand tegen brand van ten minste één uur. 6.1.1.3. De deuren naar de bordessen die het sas moeten afsluiten, zijn Wb 1/2 u. en zelfsluitend. 6.1.1.4. De gehelen van portaaldeuren hebben een weerstand tegen brand van ten minste een half uur, overeenkomstig de norm NBN 713-020 en haar addendum, zonder rekening te houden van het criterium van thermische isolatie. 6.1.1.5. De portaaldeuren zijn voorzien van een zelfsluitend en veiligheidssysteem zodanig dat hun sluiting niet verhindert wordt door de aanwezigheid van rook. 6.1.1.6. Geen enkel blusapparaat mag in het schacht voorkomen. 6.1.1.7. De schacht moet behoorlijk geventileerd worden. Het mag niet gebruikt worden om andere lokalen te ventileren als degene die bestemd zijn voor de liftdienst. Het bovengedeelte van de schacht moet voorzien zijn van ventilatieopeningen naar buiten met een minimale oppervlakte van 1 % van de horizontale doorsnede van de schacht, hetzij rechtstreeks, hetzij door de machine- of riemschijfkamer. 6.1.1.8. In geval van alarm worden de liften automatisch teruggeroepen naar het evacuatieniveau en worden ze stopgezet. De deuren van de liften met een automatische opening worden opengehouden. 6.1.1.9. Indien zij voorzien zijn van branddetectors, moeten die aangepast worden aan het elektrisch materiaal, stabiel in de tijd zijn en degelijk beschermd zijn tegen toevallige stoten. 6.1.2. Algemene voorschriften betreffende de door de NBN E 52-014 bedoelde elektrische liften en de goederenliften met een opgehangen kooi : 6.1.2.1. De machinekamers liggen boven of naast de schachten of aan het bovenste gedeelte ervan. De wanden die deze kamers afzonderen van de andere lokalen hebben een weerstand tegen brand van ten minste één uur. 6.1.2.2. Indien men langs de deur of de valdeur van de machinekamer in het gebouw kan binnentreden, dan heeft zij een weerstand tegen brand van ten minste een half uur en is ze zelfsluitend. Zij is gewoonlijk vergrendeld. Een bakje met glazen ruit moet vlakbij liggen met de sleutel. 6.1.2.3. De machinekamers en de schachten moeten voorzien zijn van een natuurlijke ventilatie met een ventilatiegat voor buitenlucht. De ventilatieopeningen hebben een minimale doorsnede van 1 % van de horizontale doorsnede van de overeenstemmende schacht. 6.1.2.4. Wanneer de machinekamers op verschillende niveaus liggen, zijn de schachten die met elk niveau overeenstemmen, afgescheiden door wanden met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur. 6.1.3. Bijzondere voorschriften voor de door de norm NBN E 52-018 bedoelde hydraulische liften : 6.1.3.1. De machinekamer is afgezonderd van de schacht en ligt aan de onderkant daarvan (onderaan, zijdelings of achterzijde). Haar wanden hebben een weerstand tegen brand van ten minste één uur. De toegang gebeurt langs een zelfsluitende deur met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur. Zij is gewoonlijk vergrendeld. Een bakje met glazen ruit moet vlakbij liggen met de sleutel. 6.1.3.2. De machinekamer moet voorzien zijn van een natuurlijke ventilatie met een ventilatiegat voor buitenlucht. De ventilatieopeningen hebben een minimale doorsnede van 1 % van de horizontale doorsnede van het lokaal. 6.1.3.3. De drempel van de deuren naar de machinekamer is verhoogd zodat de zo gevormde bak ten minste 1,2 maal de oliecapaciteit van de machines kan bevatten. 6.1.3.4. De elektrische apparatuur alsook de elektrische en hydraulische leidingen die door de machinekamer naar de schacht lopen, liggen hoger dan het niveau dat de in de machinekamer uitvloeiende olie kan bereiken. 6.1.3.5. De ruimte rond de opening waardoor deze leidingen lopen is afgestopt met een toestel dat ten minste dezelfde Wb heeft als de overeenstemmende wand. 6.1.3.6. Een thermo-onderbreking is voorzien in het oliebad en in de wikkelingen van de motor die de pomp aandrijft. Minimale kenmerken van de olie : - Bliksempunt in open vat : 190 °C; - Zelfontbrandingspunt : 350 °C. 6.1.3.7. Een onverplaatsbaar blusapparaat met een capaciteit in verhouding met de hoeveelheid gebruikte olie en met het volume van de machinekamer, is boven de machine gelegd. Het wordt in gang gebracht door een temperatuurvoeler. De informatie betreffende de uitschakeling van de installatie wordt overgebracht naar de branddetector. 6.1.4. Bijzondere voorschriften voor goederenliften : 6.1.4.1. De installatie van een sas is niet noodzakelijk als een Wb 1/2 u.-zelfsluitende deur is gelegd tegen de opening die tegenover de portaaldeuren aangebracht is. 6.1.4.2. In akkoord met de territoriaal bevoegde brandweer, zal kunnen afgeweken worden van de verplichting een ventilatiegat voor buitenlucht aan te brengen voor de ventilatie van de machineschachten en -kamers voor zover wordt voldaan aan de voorschriften van lid 6.1.1.2. als een ventilatiegat voor binnenlucht moet worden aangebracht. 6.2. Elektrische installaties voor drijfkracht, verlichting en signalisatie. 6.2.1. Algemene inleiding. 6.2.1.1. De installaties zijn opgericht overeenkomstig de voorschriften van het « Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties », alsook overeenkomstig de in § 6.2. opgenomen voorschriften. 6.2.1.2. De kunstmatige verlichting moet elektrisch zijn. 6.2.2. De leidingen die stroom leveren voor : - de veiligheidsverlichting (behoudens de autonome blokken); - de installaties voor meldingen, waarschuwingen en alarm; - de machinerie van de liften die prioritair worden opgeroepen; - de ontrookinrichtingen; - de pompen voor waterbevoorrading van de installaties voor brandbestrijding, zijn, zo mogelijk, zodanig gelegd dat het gevaar aan uitvallen verdeeld is. Bovendien zijn deze leidingen verwijderd van de lokalen die een bijzonder brandgevaar inhouden, zoals stookplaatsen, keukens, bergplaatsen, enz. De voornoemde leidingen zijn : - ofwel van klasse F3 volgens de Belgische norm NBN C 30-004; - ofwel beschermd om gedurende een half uur te voldoen aan de voorwaarden waaronder de weerstand tegen brand van de Belgische norm NBN 713-020 wordt bewezen; - ofwel gedurende een half uur conform het addendum nr. 3 van de norm NBN 713-020, d.w.z. dat gedurende een half uur ze voor de voorziening van de elektrische toestellen zorgen. In akkoord met de territoriaal bevoegde Brandweer mogen die voorschriften niet van toepassing zijn op de ontrookinstallaties die in positieve veiligheid werken. Die vereisten zijn niet van toepassing op de kabels waarbij de branddetectors en de eventuele drukknoppen zijn verbonden met een branddetectiecentrale. 6.2.3. Toestellen. 6.2.3.1. De apparatuur en de gebruikstoestellen moeten voldoende veiligheidswaarborgen bieden. Deze vereiste wordt als voldoende beschouwd wat betreft onder meer de apparatuur en de gebruikstoestellen die aan Belgische normen voldoen. 6.2.3.2. De toestellen die zorgen voor de normale kunstmatige verlichting van de bij evacuatie gebruikte ruimten, zijn vastgehecht. Als ze van een uurwerk afhangen, moet men zorgen voor een progressieve storing van de verlichting zodanig dat die opnieuw mag aangestoken worden zonder ooit in de duisternis te zijn. 6.2.4. Autonome stroombronnen. De veiligheidsverlichting, alsook de elektrische meldings- en alarminstallaties, worden gevoed door één of meerdere autonome stroombronnen, waarvan het vermogen groot genoeg is om al de erop aangesloten installaties gelijktijdig te laten werken. Zodra de normale voorziening in elektrische stroom uitvalt, moeten de autonome stroombronnen : - automatisch stroom leveren voor de erop aangesloten apparaten; - binnen de minuut volop kunnen werken, dit gedurende minstens één uur na de onderbreking van de normale stroomlevering. 6.2.5. Veiligheidsverlichting De volgende plekken moeten voorzien zijn van veiligheidsverlichting : - de evacuatiewegen waar de signalisatie betreffende de evacuatie en de brandbestrijdingsmiddelen ook moet worden verlicht; - bordessen; - liftkooien en -machinerie; - grote gemeenschappelijke lokalen (refters, vergaderzalen, zalen voor de eredienst,...); - stookplaatsen; - keukens; - hoogspanningsstations, schakelborden voor de verdeling van de elektrische energie op elke verdieping en voor branddetectie; - lokalen waarin de autonome stroombronnen alsook de brandbestrijdingsinstallaties en -materieel liggen. De installatie en de inrichting van de toestellen stemmen overeen met de voorschriften van de norm NBN L 13-005 « Veiligheidsverlichting in de gebouwen : fotometrische en colorimetrische voorschriften », NBN C 71-100 « Onderhoudsmaatregelen en instructies voor controle en onderhoud ». Zodra de stroomlevering van het netwerk ontbreekt, zorgt(zorgen) de autonome stroombron(nen) automatisch en onmiddellijk voor de werking van bovenvermelde installaties gedurende één uur. De veiligheidsverlichting mag geleverd worden door autonome blokken als de volgende voorwaarden in acht worden genomen : - De autonome blokken zijn verbonden met het/de circuit(
- s)die het betrokken lokaal voorzien van verlichting; - De autonome blokken stemmen overeen met CEI EN 60598-2-22 « Autonome blokken voor veiligheidsverlichting ». 6.3. Installaties bevoorraad met brandbaar gas dat lichter is dan de lucht en dat langs leidingen wordt gevoerd. 6.3.1. De installaties stemmen overeen met : - het koninklijk besluit van 28 juni 1971 betreffende de te treffen veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en de exploitatie van installaties voor gasdistributie door middel van leidingen; - de Belgische norm NBN D 51-003 en D 51-004. Installaties bevoorraad in brandbaar gas dat lichter is dan de lucht en dat langs leidingen wordt gevoerd; - de Belgische norm NBN D 51-001. Lokalen voor opslagplaatsen van aardgas; - de voorschriften die in § 6.3. opgenomen zijn. 6.3.2. Aansluiting op het distributienet Op elke buis waarbij de instelling aangesloten wordt op het distributienet, is een afsluitkraan gelegd buiten de gebouwen en buiten hun toegangen. De plaats waar deze kraan (kranen) ligt (liggen) is gemakkelijk te vinden. 6.3.3. Voeringen De voeringen zijn onafgebroken en hebben een voldoende mechanische weerstand. Ze zijn verplicht voor alle buizen in de wanddoorvoering. Geen andere leiding mag de voering van een gasbuis gebruiken. 6.3.4. Gebruikstoestellen. De buisleiding van de gebruikstoestellen bestaat uitsluitend uit onbuigbare elementen. Zonder dat men daarom niet meer verplicht is een stopkraan op de aanvoerbuis van elk gebruiktoestel te plaatsen wanneer verschillende gebruikstoestellen in eenzelfde lokaal zijn geïnstalleerd, wordt een verdelingskraan gelegd op de buisleiding die het geheel van deze toestellen bevoorraadt. Deze gemakkelijk bereikbare kraan ligt op minder dan 15 m van het eerste bediende toestel. Alle noodzakelijke maatregelen zijn getroffen opdat deze kraan enkel in geval van noodzaak zou kunnen worden gebruikt. De toestellen stem