Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap tot vaststelling van het administratief statuut en het geldelijk statuut van het personeel van « Wal
Kort samengevat
Dit besluit regelt de administratieve en financiële status van het personeel van "Wallonie-Bruxelles International", een gemeenschappelijke entiteit voor internationale betrekkingen. Het stelt de rechten en plichten van de ambtenaren vast en organiseert hun loopbaanstructuur.
Wat het regelt
- De hoedanigheid, rechten en plichten van ambtenaren van "Wallonie-Bruxelles International".
- De hiërarchische indeling van graden, rangen en niveaus binnen de organisatie.
- De procedures voor het toekennen van betrekkingen, inclusief bevordering, mobiliteit en werving.
- De verantwoordelijkheden van de administrateur-generaal en de structuur van afdelingen en directies.
Wie het aanbelangt
- Alle statutaire personeelsleden die in vast dienstverband tewerkgesteld zijn bij "Wallonie-Bruxelles International".
- De Regering van de Franse Gemeenschap, het Waals Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, als overheden waartoe de ambtenaren behoren.
Kernpunten
- Ambtenaren moeten hun ambt loyaal, zorgvuldig en integer uitoefenen, en wetten, verordeningen, procedures en richtlijnen naleven.
- Ze moeten gebruikers welwillend en zonder discriminatie behandelen, en geen giften of voordelen aannemen.
- Ambtenaren hebben recht op vrijheid van meningsuiting, maar mogen geen staatsgeheimen of schadelijke informatie bekendmaken.
- De toekenning van een betrekking kan tot twee jaar vóór de vacaturedatum beginnen (één jaar voor bevorderingsambten).
Wettekst
5 DECEMBER 2008. - Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap tot vaststelling van het administratief statuut en het geldelijk statuut van het personeel van « Wallonie-Bruxelles International »
Art. 4
.De graad is de titel die de ambtenaar in de hiërarchie situeert en hem machtigt tot het bekleden van één van de betrekkingen in de personeelsformatie die met deze graad overeenstemmen. De graden worden onderverdeeld in rangen en de rangen in niveaus. Art. 5.De rang bepaalt de betrekkelijke plaats van een graad in zijn niveau. De rangen worden in niveaus onderverdeeld als volgt :
- in niveau 1, vijf rangen, aangeduid met letter A;
- in niveau 2+, drie rangen aangeduid met letter B;
- in niveau 2, drie rangen aangeduid met letter C;
- in niveau 3, drie rangen aangeduid met letter D. Art. 6.De graden worden in rangen onderverdeeld als volgt :
- in rang A2, de graad van administrateur-generaal;
- in rang A3, de graden van adjunct-administrateur-generaal en inspecteur-generaal;
- in rang A4, de graad van directeur;
- in rang A5, de graad van eerste attaché;
- in rang A6, de graad van attaché;
- in rang B1, de graad van eerste attaché;
- in rang B2, de graad van eerstaanwezend gegradueerde;
- in rang B3, de graad van gegradueerde;
- in rang C1, de graad van eerste assistent;
- in rang C2, de graad van eerstaanwezend assistent;
- in rang C3, de graad van assistent;
- in rang D1, de graad van eerste adjunct;
- in rang D2, de graad van eerstaanwezend adjunct;
- in rang D3, de graad van geschoold adjunct;
- in rang D4, de graad van adjunct. Art. 7.De ambtenaren-generaal zijn de ambtenaren van de rangen A2 en A
- De administrateur-generaal wordt bij mandaat in rang A2 aangesteld; de adjunct-administrateur-generaal wordt bij mandaat in rang A3 aangesteld. Art. 8.De betrekkingen van attaché, gegradueerde, assistent, geschoold adjunct en adjunct kunnen bij werving worden toegekend. Art. 9.§
- De administrateur-generaal coördineert de diensten van de instelling en zorgt voor het samenhangende beheer ervan. Voor de interne affectaties is de administrateur-generaal verantwoordelijk. §
- De Regeringen stellen, voor elk van hun bevoegdheden, de bevoegdheidsdelegaties vast die ze aan de administrateur-generaal toekennen. Ze sommen de bevoegdheden op die de administrateur-generaal kan subdelegeren. Art. 10.§
- De Regeringen stellen de organieke personeelsformatie van de instelling vast en bepalen de opschriften van de afdelingen en directies. Elke afdeling staat onder leiding van een ambtenaar-generaal; elke directie staat onder leiding van een directeur. De organieke personeelsformatie vermeldt de maximale personeelsbehoeften om de aan de instelling opgelegde opdrachten uit te oefenen. Onder hiërarchische meerdere dient te worden verstaan, iedere ambtenaar-generaal, iedere ambtenaar van rang A4, of A5, of A6, belast met het beheer van een dienst. §
- Omkaderingsbetrekkingen worden in de rangen A5, B1 en C1 gerangschikt. Onder in rang A5 gerangschikte omkaderingsbetrekking dient een betrekking te worden verstaan die de verantwoordelijkheid voor de organisatie van een dienst en de evaluatie van het werk van het personeel inhoudt. Onder in de rangen B1 en C1 gerangschikte omkaderingsbetrekking dient een betrekking te worden verstaan die de verantwoordelijkheid voor de werkorganisatie binnen een team en de controle op de uitvoering ervan inhoudt. Art. 11.§
- Het directiecomité bedoeld in artikel 131 stelt een functionele personeelsformatie vast. §
- De wijzigingen van de functionele personeelsformatie worden door de administrateur-generaal op het einde van elk semester meegedeeld aan de leden van de Regeringen en van het College bevoegd voor de ambtenarenzaken en de internationale betrekkingen. Art. 12.Onder vaardigheid wordt een mentaal of lichamelijk vrij stabiele stand verstaan waarmee een individu gekenmerkt wordt. Vaardigheid is een potentialiteit : ze is vereist om een bepaalde taak te verrichten, maar ze kan latent blijven zolang de uitvoering van sommige activiteiten haar niet te voorschijn laat komen. Vaardigheden worden door middel van tests of gestandaardiseerde proeven van psychometrische aard gemeten. Onder capaciteit wordt verstaan : het werkelijke, rechtstreeks waarneembare en meetbare gebruik van een vaardigheid. De capaciteit wordt verworven door middel van een aanvankelijk leerproces; ze wordt verrijkt door de praktijk of door formele processen inzake voortgezette opleiding. Onder bekwaamheid wordt verstaan : het gebruik van een gestructureerd en hiërarchisch systeem inzake theoretische of procedurele kennis, praktische bedrevenheid en psychosociale gedragingen, met het oog op het produceren van een goed of het presteren van een dienst in een bepaalde context en met een bepaald kwaliteitsniveau. De uitoefening van een bekwaamheid wordt altijd in een concrete toestand vastgesteld en kan van de ene toestand naar de andere worden overgedragen. Onder bekwaamheidsprofiel wordt verstaan : het geheel van de bijzondere vaardigheden en kennis, of vereiste ervaring in het profiel van het ambt. Onder transversale bekwaamheden wordt verstaan : de gemeenschappelijke bekwaamheden die vereist zijn voor de uitoefening van verschillende activiteiten. Art. 13.De procedure voor de toekenning van een betrekking kan één jaar vóór de datum waarop ze werkelijk vacant wordt, voor een bevorderingsambt, en twee jaar vóór de datum waarop ze werkelijk vacant wordt, voor een wervingsambt, beginnen. Art. 14.§
- Er wordt voorzien in de toekenning van een betrekking van directeur, als die betrekking vacant is, opeenvolgend : 1° door mutatie op aanvraag van een ambtenaar van de instelling;2° door bevordering door verhoging in graad. §
- Er wordt voorzien in de toekenning van een omkaderingsbetrekking van eerste attaché, eerste gegradueerde, eerstaanwezend gegradueerde, eerste assistent, eerstaanwezend assistent, eerste adjunct, eerstaanwezend adjunct en geschoold adjunct door bevordering door verhoging in graad van een ambtenaar van de instelling. Art. 15.Er wordt voorzien in de toekenning van een wervingbetrekking, als die betrekking vacant is, opeenvolgend door : 1° bevordering door overgang naar het hogere niveau van een ambtenaar van de instelling;2° mobiliteit van ambtenaren van de diensten of instellingen van de Waalse Regering of van de Regering van de Franse Gemeenschap;3° werving. Art. 16.Wat de mobiliteit van ambtenaren bedoeld in artikel 15, 2°, betreft, stelt het directiecomité een voorlopig voorstel vast, inzonderheid op grond van de beste overeenstemming tussen het bekwaamheidsprofiel van de ambtenaar en het ambtsprofiel. Dat voorlopige voorstel tot rangschikking van de kandidaten die het als geschikt acht of tot niet rangschikking wordt met redenen omkleed en aan de kandidaten meegedeeld. Het directiecomité doet een voorstel volgens één van de wijzen bedoeld in artikel 15 alleen als er geen kandidaatstelling is voor de toekenning van de betrekking volgens de vorige wijze of als de Regering beslist heeft de betrekking aan geen kandidaat toe te kennen. Iedere kandidaat kan, binnen de veertien dagen na de kennisgeving, zijn aan- en opmerkingen laten kennen of een aanklacht indienen bij de voorzitter van het directiecomité. Het directiecomité beslist over de aanklacht, binnen de maand na de ontvangst ervan, na de aanklachtindiener te hebben gehoord, indien deze dit wenst. De aanklachtindiener kan zich door een persoon naar keuze laten vertegenwoordigen. De met redenen omklede beslissing van het directiecomité over de aan- en opmerkingen of de aanklacht wordt meegedeeld aan de persoon die zijn aan- en opmerkingen heeft laten kennen of die een aanklacht heeft ingediend. Bij wijziging van het voorlopige voorstel, wordt het met redenen omklede definitieve voorstel aan alle kandidaten meegedeeld. Art. 17.Elk jaar, vóór 31 januari, publiceert de administrateur-generaal een jaarboek met de namen van de ambtenaren, waarin hun graad, hun diploma, hun geboortedatum, het bewijs dat ze geslaagd zijn voor de proef voor geldigverklaring van de verworven bekwaamheden, en een functioneel organogram met vermelding van alle personeelsleden, opgenomen zijn. Art. 18.De administratieve standplaats van de ambtenaar wordt bepaald op de plaats waar zijn dienst gevestigd is of op elke andere plaats, voor zover deze overeenstemt met de plaats waar hij zijn gewone activiteiten uitoefent. TITEL III. - Werving en loopbaan HOOFDSTUK I. - Werving Art. 19.Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd als hij niet aan de volgende toelatingsvoorwaarden voldoet : 1° een gedrag hebben dat beantwoordt aan de eisen van het ambt;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° voldoen aan de dienstplichtwetten;4° het bewijs leveren dat hij de lichamelijke geschiktheid heeft die vereist is voor het uit te oefenen ambt;5° houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift in verband met het niveau van de toe te kennen graad volgens de tabel die als bijlage II gaat;6° de voorwaarden voor de toegang tot de betrekking, vastgesteld bij de vacantverklaring van de betrekking;7° geslaagd zijn voor een vergelijkend wervingsexamen dat door SELOR voor het Waalse Gewest, de Franse Gemeenschap of de instelling wordt georganiseerd;8° een stage met succes hebben gevolgd. Art. 20.De benoeming heeft uitwerking met ingang van de dag van de toelating tot de stage. Art. 21.De hoedanigheid van ambtenaar wordt bekrachtigd door de eed die wordt afgelegd in de bewoordingen vastgesteld bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/12/2000 pub. 05/01/2001 numac 2000002134 bron ministerie van ambtenarenzaken Wet tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in openbare sector sluiten
- HOOFDSTUK II. - Stage Art. 22.De stage duurt één jaar voor de kandidaat-ambtenaren van de niveaus 1 en 2+ en zes maanden voor de kandidaat-ambtenaren van de niveaus 2 en
- Voor de berekening van de duur van de stage, worden alle perioden gedurende welke de stagiair zich in de stand dienstactiviteit bevindt, in aanmerking genomen. Met uitzondering van de jaarlijkse vakantieperioden, de syndicale verloven, de omstandigheidsverloven, de verloven wegens overmacht, de verloven voor de uitoefening van een ambt in een ministerieel kabinet van een lid van de Waalse Regering, de Regering van de Franse Gemeenschap Wallonië-Brussel of van het College van de Franse Gemeenschapscommissie van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, schorsen de verlofperioden waarop de stagiair van de niveaus 1 of 2+ recht hebben echter de duur van de stage, als hun totale duur meer dan veertig dagen bedraagt. Voor de stagiair van de niveaus 2 of 3, bedraagt die totale duur twintig dagen. Art. 23.De als stagiair te benoemen geslaagde wordt aangesteld overeenkomstig de artikelen 95 tot
- Hij wordt als stagiair door de administrateur-generaal benoemd. De benoeming als stagiair heeft een onmiddellijke uitwerking. Ze heeft evenwel uitwerking : 1° op het einde van elke ongeschiktheidsperiode van de stagiair, voor zover deze uit de uitvoering van wettelijke verplichtingen voortvloeit;2° op het einde van een periode van hoogstens drie maanden, aangevraagd door een geslaagde om een activiteit als zelfstandige in hoofdzaak af te handelen;3° op het einde van elke ongeschiktheidsperiode van de stagiair voortvloeiend uit een geval van overmacht, voor zover ze niet langer dan zes maanden duurt. Art. 24.§
- De evaluatieverslagen van de stagiairs van de niveaus 1 en 2+ worden collegiaal opgesteld door de ambtenaar van ten minste rang A4 waaronder de stagiair ressorteert en door de directie vorming van de instelling. §
- De evaluatieverslagen van de stagiairs van de niveaus 2 en 3 worden opgesteld door de ambtenaar van ten minste rang A4 waaronder de stagiair ressorteert. De ambtenaar van ten minste rang A4 zendt de evaluatieverslagen aan de administrateur-generaal over. §
- Als de stagiair zijn stage binnen een ministerieel kabinet van een Lid van de Regeringen of van het College verricht, stelt de betrokken minister of diens afgevaardigde de evaluatieverslagen bedoeld in de §§ 1 en 2 op. Ze worden aan de administrateur-generaal overgezonden. Art. 25.§
- De criteria voor de evaluatie van de stagiair worden hem bij het begin van de stage meegedeeld. Die zijn criteria voor de beoordeling van de prestaties en criteria voor de beoordeling van de vaardigheden. De criteria voor de beoordeling van de prestaties zijn de volgende : - kwaliteit van het werk (kwaliteit en stand van voltooiing van het werk - zonder rekening te houden met het kwantitatieve rendement), zorgvuldigheid, juistheid en nauwkeurigheid; - kwantiteit van het werk (hoeveelheid in een bepaalde tijdsspanne uitgevoerd buiten beschouwing van de kwaliteit van het werk - capaciteit van de beoordeelde ambtenaar om alle taken van zijn ambt uit te voeren); - veelzijdigheid (capaciteit om verschillende werkzaamheden uit te voeren en andere posities te bekleden als deze die aan de stagiair worden toevertrouwd); - beschikbaarheid (reactie van betrokkene op dwingende toestanden voortvloeiend uit bijzondere omstandigheden of uit een verandering van de werkomgeving); - creativiteit, initiatief (capaciteit van de stagiair nieuwe ideeën te vinden en aan te moedigen om te reageren op onverwachte gebeurtenissen); - teamgeest en sociabiliteit (capaciteit van de stagiair in groepsverband te werken met het oog op het verwezenlijken van een gemeenschappelijk doel en het bijdragen tot het behoud van een aangename omgeving); - zin voor solidariteit (bereidheid zijn collega's te helpen). §
- De criteria voor de beoordeling van de vaardigheden zijn de volgende : - inschakeling in het arbeidsproces (kennis van het milieu, van de instellingen en besturen van het Gewest en de Gemeenschap, van de doelstellingen van de dienst); - leren van het ambt (beheersing van de reglementen en van de gegevens in verband met het ambt, kennis van de context, contacten); - gepastheid van het ambt; - geschiktheid om te evolueren. §
- De evaluatieverslagen worden opgemaakt op een document waarvan het model in bijlage IV voorkomt. De evaluatie wordt opgemaakt na een gesprek met de stagiair. Art. 26.De stagiair volbrengt de stage met succes indien hij aan de meerderheid van de evaluatiecriteria voldoet. Art. 27.Het eerste verslag wordt vóór het einde van de derde maand voorgelegd, voor de stagiairs van de niveaus 1 en 2+, en vóór het einde van de tweede maand, voor de stagiairs van de niveaus 2 en
- Het tweede verslag wordt vóór het einde van de negende maand voorgelegd, voor de stagiairs van de niveaus 1 en 2+, en vóór het einde van de vierde maand, voor de stagiairs van de niveaus 2 en
- Art. 28.Wanneer uit één van de verslagen blijkt dat de stagiair niet voldoet aan de stage, kan de administrateur-generaal, reeds vóór het einde van de stage, de zaak aan de stagecommissie voorleggen, om : - te beslissen over een verlenging van de stage voor een duur die niet langer kan zijn dan de helft van de oorspronkelijke duur van de stage; - te beslissen over een verandering van ambt binnen de instelling; - te beslissen over het ontslag van de stagiair. Bij verlenging van de stage, wordt een verslag uiterlijk één maand vóór het einde van de stage voorgelegd. De verandering van ambt brengt van rechtswege de verlenging van de stage met zich mede voor een duur die niet langer kan zijn dan de helft van de oorspronkelijke duur van de stage. Art. 29.§
- De stagecommissie is samengesteld uit de ambtenaren-generaal van de instelling. De commissie wordt door de administrateur-generaal voorgezeten. §
- De zaak kan aan de commissie worden voorgelegd door de directeur van vorming van de instelling of door de stagiair zodra uit één van de twee verslagen blijkt dat de stagiair aan de stage niet voldoet. De zaak kan aan de commissie door de directeur van vorming van de instelling worden voorgelegd indien uit de twee verslagen of uit het verslag betreffende de verlenging van de stage blijkt dat de stagiair niet aan de stage voldoet. Na de stagiair te hebben gehoord, kan de commissie de Regeringen voorstellen de stage te verlengen of de stagiair van ambt te laten veranderen. De commissie kan het ontslag van de stagiair voorstellen. De voorzitter van de commissie geeft zonder verwijl kennis van het voorstel tot ontslag aan de stagiair. Als een voorstel tot ontslag wordt ingediend, kan de stagiair beroep aantekenen vóór de raad van beroep bedoeld in artikel
- De Regeringen nemen hun beslissing binnen een termijn van 30 dagen vanaf de datum van ontvangst van het advies van de raad van beroep, dat binnen de in artikel 169 bedoelde termijn wordt uitgebracht. Als er binnen die termijn geen beslissing wordt genomen, wordt de beslissing als gunstig voor de stagiair geacht. Art. 30.De Regeringen voeren de benoeming in vast verband van de stagiair uit. Art. 31.De stagiair die de Regeringen beslissen gedurende de stage of op het einde van de stage te ontslaan, omdat hij een onvoldoende stage heeft volbracht, krijgt, behalve bij overmacht, een opzegtermijn van drie maanden. TITEL III. - Lichamelijke geschiktheid Art. 32.De door de administrateur-generaal aangestelde geslaagde wordt onderworpen aan een gezondheidsbeoordeling, voorafgaand aan de stage, uitgevoerd met toepassing van de artikelen 26 tot 29 van het koninklijk besluit van 28 mei 2003Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 28/05/2003 pub. 16/06/2003 numac 2003012303 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers sluiten betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers. Wanneer de geslaagde, na de voorafgaande gezondheidsbeoordeling, als ongeschikt voor een bepaalde periode wordt verklaard door de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, wordt hij niet tot de stage toegelaten en wordt hij voor die periode afgekeurd. Wanneer de geslaagde, na de voorafgaande gezondheidsbeoordeling, als definitief ongeschikt wordt verklaard door de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, wordt hij niet tot de stage toegelaten en wordt hij uit de reserve gezet. Art. 33.Wanneer de geslaagde geen gevolg heeft gegeven aan twee opeenvolgende oproepingen van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, waarbij de tweede bij een ter post aangetekend schrijven werd gericht, brengt deze daar zonder verwijl de administrateur-generaal op de hoogte van, die de gepaste maatregelen treft om de geslaagde uit de reserve te zetten, behoudens om een als toelaatbaar geachte reden. HOOFDSTUK IV. - Mandaten Art. 34.De ambtenaren vermeld in artikel 3, § 3 van het samenwerkingsakkoord tussen de Franse Gemeenschap, het Waals Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot oprichting van een gemeenschappelijke entiteit voor de internationale betrekkingen « Wallonie-Bruxelles » worden bij mandaat aangesteld overeenkomstig de door de Regeringen vast te stellen bepalingen, vermeld in Boek II van dit besluit. HOOFDSTUK V. - Loopbaan Afdeling I. -
Art. 35.Er zijn twee soorten bevorderingen : 1.
de bevordering door verhoging in graad;
- de bevordering door overgang naar het hogere niveau. Art. 36.Bij het begin van elk jaar, stelt de administrateur-generaal de Regeringen het jaarlijks wervings- en bevorderingsplan dat in de begroting wordt opgenomen, voor, stelt hij de vacant te verklaren betrekkingen voor, samen met een profiel van het ambt en de te raadplegen wervingsreserves. De keuze van de te raadplegen reserves wordt door het directiecomité bepaald en met redenen omkleed, waarbij het profiel van het ambt van de toe te kennen betrekkingen in aanmerking wordt genomen, met dien verstande dat identieke reserves voor gelijksoortige betrekkingen zullen worden gebruikt. De Regeringen melden ontvangst van het jaarplan en beschikken, vanaf de dag van de ontvangst van het plan, over zestig dagen om hun beslissing aan de administrateur-generaal mee te delen. Als de Regeringen geen toestemming of weigering binnen de gestelde termijn hebben gegeven, wordt het jaarplan als aanvaard geacht. Art. 37.Het aantal bevorderingsbetrekkingen, buiten de omkaderingsbetrekkingen, wordt vastgesteld volgens de volgende normen : Voor rang A5, op ten minste 30 % van het totaal van de betrekkingen van de rangen A5 en A6; Voor rang B1, op ten minste 16 % van het totaal van de betrekkingen van niveau 2+; Voor rang B2, op ten minste 30 % van het totaal van de betrekkingen van niveau 2+; Voor rang C1, op ten minste 16 % van het totaal van de betrekkingen van niveau 2; Voor rang C2, op ten minste 30 % van het totaal van de betrekkingen van niveau 2; Voor rang D1, op ten minste 20 % van het totaal van de betrekkingen van niveau 3; Voor rang D2, op ten minste 30 % van het totaal van de betrekkingen van niveau 3; Voor de rangen D3 en D4, op ten minste 50 % van het totaal van de betrekkingen van niveau
- De Regeringen benoemen de ambtenaren die worden bevorderd. Art. 38.§
- De bevordering door verhoging in graad is de benoeming in de onmiddellijk hogere graad van hetzelfde niveau als dat waartoe de ambtenaar behoort. Ze is afhankelijk van een vacante betrekking. §
- De bevordering door verhoging in graad heeft uitwerking met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de benoeming. Wanneer de betrekking op de datum van de benoeming nog bezet is, heeft deze evenwel uitwerking met ingang van de eerste dag volgend op de datum waarop de betrekking ophoudt werkelijk bezet te zijn. Art. 39.De bevordering door verhoging naar het hogere niveau is de benoeming in een wervingsniveau dat hoger is dan het niveau waartoe de ambtenaar behoort. Ze is afhankelijk van een vacante betrekking van die graad. De bevordering door overgang naar het hogere niveau heeft uitwerking met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de benoeming. Wanneer de betrekking op de datum van de benoeming nog bezet is, heeft deze evenwel uitwerking met ingang van de eerste dag volgend op de datum waarop de betrekking ophoudt werkelijk bezet te zijn. Art. 40.De procedure voor de oproep tot kandidaten voor de vacant verklaarde betrekkingen wordt overeenkomstig het tweede tot zevende lid vastgesteld. De voorwaarden moeten vervuld zijn op de dag van de vacantverklaring van de betrekking en op de dag van de bevordering of de mutatie. De oproep tot kandidaten voor de mutatie of de bevordering wordt gelijktijdig bij een ter post aangetekend schrijven overgezonden aan de ambtenaren die tot de personeelsformatie van de instelling behoren. De oproep tot de kandidaten omvat het profiel van het ambt en de selectie- en rangschikkingscriteria. Op straffe van nietigheid, is de termijn voor de indiening van de kandidaturen eenentwintig dagen te rekenen vanaf de tweede werkdag volgend op de dag waarop het aan de kandidaten gerichte bericht betreffende de vacature bij de post wordt ingediend. De procedure voor de oproep tot kandidaten kan niet tussen 15 juli en 31 augustus worden ingezet. Op straffe van nietigheid vermeldt de persoon die zich voor verschillende betrekkingen kandidaat stelt de betrekkingen waarvoor hij een voorkeur heeft in dalende volgorde en in Arabische cijfers. Op straffe van nietigheid, wordt de kandidatuur voor elke betrekking met redenen omkleed en samen met een curriculum vitae volgens het in bijlage V vermelde model ingediend. De kandidaturen worden bij een ter post aangetekend schrijven ingediend, op straffe van nietigheid. Afdeling II. - Bevordering door verhoging in graad in de graad van directeur Art. 41.Door verhoging in graad in de graad van directeur kan worden bevorderd, de ambtenaar van niveau 1, rang A5 of A6, die voldoet aan de volgende voorwaarden :
- een niveauanciënniteit van zes jaar tellen;
- het bewijs leveren van de positieve evaluatie;
- geen definitieve en niet doorgehaalde tuchtsanctie ondergaan;
- titularis zijn van het directiebrevet. Art. 42.Het directiecomité stelt, onder meer op grond van het bekwaamheidsprofiel en van de visie op de uitoefening van de opdracht in verband met de toe te kennen betrekking, een voorlopig voorstel op tot rangschikking van kandidaten die het geschikt acht voor :
- de mutatie;
- de bevordering door verhoging in graad. Het directiecomité doet een voorstel tot bevordering door verhoging in graad alleen als eer geen kandidatuur is voor de toekenning van de betrekking door mutatie of indien de Regering heeft beslist de betrekking aan geen van de kandidaten voor de mutatie toe te kennen. Het voorlopige voorstel tot rangschikking of niet-rangschikking wordt met redenen omkleed en aan de kandidaten meegedeeld. Iedere kandidaat kan, binnen de veertien dagen na de mededeling, zijn opmerkingen laten kennen of een bezwaar indienen bij de voorzitter van het directiecomité. Het directiecomité beslist over het bezwaar binnen de maand na de ontvangst ervan, na de bezwaarindiener te hebben gehoord, indien deze dit wenst. De bezwaarindiener kan zich door een persoon naar eigen keuze laten bijstaan. De met redenen omklede beslissing van het directiecomité over de opmerkingen of het bezwaar wordt meegedeeld aan de persoon die zijn opmerkingen heeft laten kennen of die een bezwaar heeft ingediend. Bij wijziging van het voorlopige voorstel, wordt het met redenen omklede definitieve voorstel meegedeeld aan alle kandidaten. Afdeling III. - Bevordering door verhoging in graad in de graden van eerste attaché, eerste gegradueerde, eerste assistent, eerste adjunct Art. 43.Door verhoging in graad kunnen worden bevorderd :
- in de graad van eerste attaché, de attaché;
- in de graad van eerste gegradueerde, de eerstaanwezend gegradueerde;
- in de graad van eerste assistent, de eerstaanwezend assistent;
- in de graad van eerste adjunct, de eerstaanwezend adjunct. Voor de omkaderingsbetrekkingen in de rangen B1 en C1, kunnen eveneens door verhoging in graad worden bevorderd :
- in de graad van eerste gegradueerde, de gegradueerde;
- in de graad van eerste assistent, de assistent. Art. 44.Voor de omkaderingsbetrekkingen kan door verhoging in graad de ambtenaar worden bevorderd die voldoet aan de volgende voorwaarden :
- het bewijs leveren van de positieve evaluatie;
- geen definitieve en niet doorgehaalde tuchtsanctie ondergaan;
- geslaagd zijn voor ten minste één proef ter bekrachtiging van bekwaamheid in het betrokken niveau;
- een niveauanciënniteit van zes jaar tellen;
- geslaagd zijn voor een examen van bekwaamheid tot omkadering, dat voor het betrokken niveau wordt georganiseerd, en dat verkregen werd binnen de vier jaar die voorafgaan aan de vacantverklaring van de betrekking;
- een test betreffende de beroepsselectie afleggen, om de overeenstemming tussen het profiel van de geslaagde en de toe te kennen post na te kijken. Het directiecomité doet een voorlopig voorstel tot rangschikking van de kandidaten voor de omkaderingsbetrekkingen in de rangen A5, B1 en C1 op grond van de test bedoeld in punt 6 en op grond van de rangschikking vastgesteld door het examen bedoeld in punt
- Het voorlopige voorstel tot rangschikking wordt met redenen omkleed en aan de kandidaten meegedeeld. Iedere kandidaat kan, binnen de veertien dagen na de mededeling, zijn opmerkingen laten kennen of een bezwaar indienen bij de voorzitter van het directiecomité. Het directiecomité beslist over het bezwaar binnen de maand na de ontvangst ervan, na de bezwaarindiener te hebben gehoord, indien deze dit wenst. De bezwaarindiener kan zich door een persoon naar eigen keuze laten bijstaan. De met redenen omklede beslissing van het directiecomité over de opmerkingen of het bezwaar wordt meegedeeld aan de persoon die zijn opmerkingen heeft laten kennen of die een bezwaar heeft ingediend. Bij wijziging van het voorlopige voorstel, wordt het met redenen omklede definitieve voorstel meegedeeld aan alle kandidaten. Bij gelijke rangschikking, wordt door verhoging in graad voor de omkaderingsbetrekking de ambtenaar bevorderd die de grootste anciënniteit van de hoogste graad telt onder de als geschikt geachte geslaagden. Art. 45.Buiten de omkaderingsbetrekkingen, kan door verhoging in graad de ambtenaar worden bevorderd die voldoet aan de volgende voorwaarden :
- het bewijs leveren van de positieve evaluatie;
- geen definitieve en niet doorgehaalde tuchtsanctie ondergaan;
- een niveauanciënniteit van zes jaar tellen;
- geslaagd zijn voor de proef ter bekrachtiging van bekwaamheid in het betrokken niveau. Het directiecomité stelt, voor de betrekkingen van elke graad, onder meer op grond van het bekwaamheidsprofiel en van de visie op de uitoefening van de opdracht in verband met de toe te kennen betrekking, een voorlopig voorstel op tot rangschikking van kandidaten. Het voorlopige voorstel tot rangschikking wordt met redenen omkleed en aan de kandidaten meegedeeld. Iedere kandidaat kan, binnen de veertien dagen na de mededeling, zijn opmerkingen laten kennen of een bezwaar indienen bij de voorzitter van het directiecomité. Het directiecomité beslist over het bezwaar binnen de maand na de ontvangst ervan, na de bezwaarindiener te hebben gehoord, indien deze dit wenst. De bezwaarindiener kan zich door een persoon naar eigen keuze laten bijstaan. De met redenen omklede beslissing van het directiecomité over de opmerkingen of het bezwaar wordt meegedeeld aan de persoon die zijn opmerkingen heeft laten kennen of die een bezwaar heeft ingediend. Bij wijziging van het voorlopige voorstel, wordt het met redenen omklede definitieve voorstel meegedeeld aan alle kandidaten. Art. 46.De administrateur-generaal deelt de Regeringen het definitieve rangschikkingsvoorstel mee. Afdeling IV. - Bevordering door verhoging in graad in de graad van eerstaanwezend gegradueerde, eerstaanwezend assistent, eerstaanwezend adjunct en geschoold adjunct Art. 47.Door verhoging in graad kunnen worden bevorderd :
- in de graad van eerstaanwezend gegradueerde, de gegradueerde;
- in de graad van eerstaanwezend assistent, de assistent;
- in de graad van eerstaanwezend adjunct, de geschoolde adjunct;
- in de graad van geschoold adjunct, de adjunct. Art. 48.Door verhoging in graad kan de ambtenaar worden bevorderd die voldoet aan de volgende voorwaarden :
- het bewijs leveren van de positieve evaluatie;
- geen definitieve en niet doorgehaalde tuchtsanctie ondergaan;
- een niveauanciënniteit van zes jaar tellen;
- geslaagd zijn voor ten minste één proef ter bekrachtiging van bekwaamheid in het betrokken niveau. In afwijking van het eerste lid, wordt door verhoging in graad in de graad van geschoold adjunct de adjunct bevorderd die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid, 1° en 2° na 8 jaar ranganciënniteit. Art. 49.Het directiecomité stelt een voorlopig voorstel tot rangschikking van de kandidaten op voor de betrekkingen van elke graad op grond van de beste overeenstemming tussen het bekwaamheidsprofiel van de kandidaten en het ambtsprofiel. Het voorlopige rangschikkingsvoorstel wordt met redenen omkleed en aan de kandidaten meegedeeld. Iedere kandidaat kan, binnen de veertien dagen na de mededeling, zijn opmerkingen laten kennen of een bezwaar indienen bij de voorzitter van het directiecomité. Het directiecomité beslist over het bezwaar binnen de maand na de ontvangst ervan, na de bezwaarindiener te hebben gehoord, indien deze dit wenst. De bezwaarindiener kan zich door een persoon naar eigen keuze laten bijstaan. De met redenen omklede beslissing van het directiecomité over de opmerkingen of het bezwaar wordt meegedeeld aan de persoon die zijn opmerkingen heeft laten kennen of die een bezwaar heeft ingediend. Bij wijziging van het voorlopige voorstel, wordt het met redenen omklede definitieve voorstel meegedeeld aan alle kandidaten. Art. 50.De administrateur-generaal deelt de Regeringen het definitieve rangschikkingsvoorstel mee. Afdeling V. - Bevordering door overgang naar het hogere niveau Art. 51.Kan door overgang naar het hogere niveau de ambtenaar van het lagere niveau of van de lagere niveaus worden bevorderd die voldoet aan de volgende voorwaarden :
- het bewijs leveren van de positieve evaluatie;
- geen definitieve en niet doorgehaalde tuchtsanctie hebben ondergaan;
- geslaagd zijn voor een vergelijkend examen voor overgang naar het betrokken niveau. De ambtenaar kan aan voorbereidende opleidingen deelnemen en zich voor overgangsexamens ten vroegste vier jaar na zijn benoeming laten inschrijven : - in niveau 3 voor de overgang naar niveau 2; - in niveau 2 voor de overgang naar niveau 2+; - in niveau 2 of 2+ voor de overgang naar niveau
- Art. 52.Door overgang naar het hogere niveau kan worden bevorderd : - in de graad van attaché, de ambtenaar van de niveaus 2+ of 2; - in de graad van gegradueerde, de ambtenaar van niveau 2; - in de graad van assistent, de ambtenaar van niveau
- Art. 53.De administrateur-generaal deelt de Regeringen de rangschikking mee van de kandidaten die in aanmerking komen voor de bevordering door overgang naar het hogere niveau. HOOFDSTUK VI. - Hoger ambt Art. 54.Een ambtenaar kan worden aangesteld om een hoger ambt uit te oefenen dat overeenstemt met ofwel een betrekking van de personeelsformatie waaruit de titularis sedert ten minste twee maanden of voor een voorspelbare periode van ten minste twee maanden afwezig is, ofwel met een vacant verklaarde betrekking van de personeelsformatie. Art. 55.De aanstelling voor de uitoefening van een hoger ambt kan geschieden voor de betrekkingen van rang A3 van inspecteur-generaal buiten de mandaatregeling, A4, alsook voor de omkaderingsbetrekkingen van de rangen A5, B1 en C
- Art. 56.§
- Om aangesteld te worden om een hoger ambt uit te oefenen, dienen de volgende voorwaarden vervuld te worden :
- het bewijs leveren van de positieve evaluatie;
- geen definitieve en niet doorgehaalde tuchtsanctie hebben ondergaan;
- de voorwaarden vervullen voor de toegang tot rang A3, A4, A5, B1 en C
- §
- Voor rang A4, bij gebrek aan een ambtenaar die alle voorwaarden vervult, kan een ambtenaar worden aangesteld die geen houder is van het directiebrevet. Onder de ambtenaren die dezelfde voorwaarden vervullen, wordt het hoger ambt toegekend aan de ambtenaar die de grootste geschiktheid voor de uitoefening van het ambt vertoont. Art. 57.Het hoger ambt neemt een eind, naar gelang van het geval : 1° op de datum waarop de titularis van de betrekking zijn ambt hervat;2° op de datum waarop de benoeming van de titularis van de vacant verklaarde betrekking uitwerking heeft en uiterlijk bij het verstrijken van een termijn van één jaar te rekenen vanaf de dag van de vacantverklaring van de betrekking, één keer hernieuwbaar voor dezelfde duur. Art. 58.De ambtenaar die een hoger ambt uitoefent, oefent alle rechten en prerogatieven uit, vervult alle plichten en draagt alle lasten in verband met de betrekking waarvoor hij aangewezen is. In afwijking van het vorige lid, oefent hij niet de prerogatieven uit betreffende de tuchtregeling en de evaluatie van ambtenaren bekleed met een graad die gelijk is aan of hoger is dan deze waarin hij benoemd is. Art. 59.De aanwijzingen voor de uitoefening van een hoger ambt worden door de Regeringen uitgevoerd, op het met redenen omklede voorstel van het directiecomité. Art. 60.Bij afwezigheid van een mandataris sedert meer dan twee maanden, bij voorspelbare afwezigheid van de mandataris voor een duur van ten minste twee maanden of in afwachting van de aanwijzing van een nieuwe mandataris bepaald in het geval van het voorbarige einde van een mandaat, kan een ambtenaar van de instelling worden aangewezen om een hoger ambt uit te oefenen voor een betrekking van rang A2 en A3, volgens de voorwaarden vastgesteld in artikel
- HOOFDSTUK VII. - Integratie van een ambtenaar van een andere overheid of van een andere publiekrechtelijke rechtspersoon Art. 61.Bij overdracht van een bevoegdheid of van een aangelegenheid aan het Waalse Gewest, de Franse Gemeenschap Wallonië-Brussel of aan de Franse Gemeenschapscommissie van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, waarbij nieuwe opdrachten voor de instelling ontstaan, kunnen de Regeringen, om die nieuwe opdrachten op het vlak van het aantal betrekkingen te kunnen integreren, na advies van de leidend ambtenaar, in de vooraf gewijzigde organieke personeelsformatie van de instelling, iedere ambtenaar integreren die behoort tot de diensten van een andere Regering of tot een publiekrechtelijke rechtspersoon die onder een andere overheid ressorteert. De ambtenaar moet alle voorwaarden bedoeld bij dit Boek I vervullen om een betrekking bedoeld in het eerste lid te bekleden. Hij krijgt geen nieuwe benoeming. Hij wordt door de Regeringen op de datum van de integratie aangewezen. TITEL IV. - Werving en loopbaan van de gehandicapte personen HOOFDSTUK I. - Verplichting gehandicapte personen tewerk te stellen Art. 62.De instelling moet, gedurende een burgerlijk jaar, een aantal gehandicapte personen tewerkstellen dat vastgesteld is op twee en een half procent van de personeelssterkte die in de personeelsformatie vastgesteld is. Voor een anderhalve eenheid worden meegeteld, de gehandicapte personen waarvan de graad van zelfredzaamheid vastgesteld is op ten minste 12 punten overeenkomstig de bepalingen van het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming. Vijf procent van de wervingen worden voor gehandicapte personen voorbehouden zolang het in het eerste lid bezettingspercentage niet bereikt wordt. HOOFDSTUK II. - Werving en loopbaan van gehandicapte personen Art. 63.Kunnen een betrekking van de quota voorbehouden aan de gehandicapte personen de kandidaten bekleden die, op het ogenblik van de werving, voldoen aan minstens één van de volgende voorwaarden : 1° geregistreerd zijn bij het « Agence wallonne pour l'intégration des personnes handicapées » (Waals agentschap voor de integratie van gehandicapte personen), hierna « het agentschap » genoemd, of bij de « Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Personen mit Behinderung » (Dienst van de Duitstalige Gemeenschap voor de Personen met een Handicap), hierna « de Dienst » genoemd, of bij het Brussels Fonds voor gehandicapten, of bij het « Vlaams Fonds voor sociale integratie van personen met een handicap », hierna « het Fonds » genoemd, een tegemoetkoming van dit of deze hebben genoten, en het Agentschap, de Dienst of het Fonds elke door de federale overheid of de gemeenschapsoverheid genomen beslissing inzake hulpverlening of sociale integratie of inschakeling in het arbeidsproces hebben meegedeeld;2° het slachtoffer zijn geweest van een arbeidsongeval en een attest overleggen dat uitgereikt werd door het Fonds voor arbeidsongevallen of door de sociaal-medische rijksdienst, waarbij een ongeschiktheid van ten minste 30 % wordt bevestigd;3° aan een beroepsziekte hebben geleden en een attest overleggen dat uitgereikt werd door het Fonds voor de beroepsziekten of door de sociaal-medische rijksdienst, waarbij een ongeschiktheid van ten minste 30 % wordt bevestigd;4° het slachtoffer zijn geweest van een ongeval van gemeen recht en een afschrift van het vonnis overleggen, afgeleverd door de griffie, waarbij bevestigd wordt dat de handicap of de ongeschiktheid ten minste 30 % bedraagt;5° het slachtoffer zijn geweest van een huisongeval en een afschrift van de beslissing van de verzekeringsinstelling overleggen waarbij wordt bevestigd dat de blijvende ongeschiktheid ten minste 30 % bedraagt;6° een inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming hebben genoten krachtens de wet van 27 februari 1987Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/02/1987 pub. 18/10/2004 numac 2004000528 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten Duitse vertaling sluiten betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap. Art. 64.De vergelijkende wervingsexamens en de vergelijkende overgangsexamens worden aangepast aan de toestand van de ingeschreven kandidaten op grond van hun handicap. De betrekkingen bestemd voor de gehandicapte personen worden bij voorrang toegekend aan de personen die voldoen aan ten minste één van de voorwaarden vastgesteld in artikel 63, 1° tot 6°, in de volgorde van hun rangschikking. Art. 65.De proef voor het behalen van het directiebrevet, de proeven ter bekrachtiging van de bekwaamheden en de opleidingen ter voorbereiding van die proeven worden aangepast aan de toestand van de gehandicapten. Art. 66.De administrateur-generaal organiseert, in samenwerking met het Agentschap, de Dienst of het Fonds, het onthaal, de opleiding en de inschakeling in het arbeidsproces van de gehandicapte personen. In voorkomend geval, stelt het Agentschap, de Dienst of het Fonds maatregelen voor de aanpassing van de arbeidspost voor. Art. 67.Voor uiterlijk 30 juni stelt de administrateur-generaal, in samenwerking met het Agentschap, de Dienst of het Fonds, een jaarverslag op betreffende de tewerkstelling van gehandicapten in de instelling. Het verslag wordt meegedeeld aan de ministers bevoegd voor ambtenarenzaken van het Waalse Gewest, de Franse Gemeenschap, de Franse Gemeenschapscommissie van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, en voor de integratie van gehandicapten, die er de Regeringen op de hoogte van brengen. Het verslag wordt voor advies voorgelegd aan de Waalse adviesraad voor gehandicapte personen, opgericht bij artikel 65 van het decreet betreffende de integratie van gehandicapte personen. TITEL V. - Vorming HOOFDSTUK I. - Directie vorming van het ministerie van het Waalse Gewest Art. 68.§
- De Regeringen nemen de finaliteiten van de voortgezette vorming van de instelling, met inachtneming van de gewest- en gemeenschapsbevoegdheden, aan. §
- De directie vorming van het Ministerie van het Waalse Gewest is, ten opzichte van de instelling, uitsluitend bevoegd voor de uitoefening van de volgende opdrachten :
- de opleidingen in de stageprogramma's opvatten en toepassen, in overleg met de verantwoordelijke voor de vorming van de instelling;
- een netwerk van vormingscorrespondenten en stageleiders instellen en coördineren, die binnen de instelling op de voordracht van de administrateur-generaal worden aangewezen.De stageleider zorgt voor de goede integratie en de begeleiding van de stagiair;
- in het kader van de vooruitgang van de loopbaan van de ambtenaren, de vormingsacties opvatten en toepassen, de bekrachtiging van de bekwaamheden voorbereiden en verwezenlijken in overleg met de verantwoordelijke voor de vorming van de instelling. §
- De instelling beschikt over een directie vorming om de andere opdrachten dan de opdrachten bepaald in § 2 uit te voeren. Art. 69.De directie vorming bedoeld in artikel 68, § 3 neemt het administratieve beheer van de individuele dossiers van de stagiairs van de instelling waar. HOOFDSTUK II. - Directie Vorming van de instelling Art. 70.Naast de bevoegdheden die haar bij dit besluit uitdrukkelijk toegekend zijn, heeft de directie vorming als opdracht de vormingsprogramma's toe te passen in overleg met de bevoegde diensten van de Franse Gemeenschap en van het Waalse Gewest, alsook de stagiairs te begeleiden. Voor de begeleiding van de stagiairs wordt ze door stageleiders bijgestaan. HOOFDSTUK III. - Vorming Afdeling I. -
Art. 71.De instelling kan vormingsplannen voor haar personeel opmaken.
Die plannen worden door de administrateur-generaal erkend op advies van de directie vorming van het ministerie van het Waalse Gewest. Ze vermelden de doelstellingen, de programma's, de duur en de wijze van evaluatie van de vormingen. Art. 72.Onder loopbaanvorming wordt verstaan, elke vorming die tot doel heeft te voldoen aan de evaluatiecriteria alsook de vormingen ter voorbereiding van de proeven voor het behalen van het directiebrevet en/of het managementsbrevet, de vormingen ter voorbereiding van de proeven ter bekrachtiging van de verworven bekwaamheden en van de vergelijkende examens voor overgang naar het hogere niveau. Art. 73.§
- Wanneer het initiatief voor de vorming door het Ministerie van het Waalse Gewest wordt genomen, neemt het de kosten voor de inschrijving voor de vormingen bedoeld bij dit hoofdstuk ten laste; in de andere gevallen, worden die kosten rechtsreeks door de instelling ten laste genomen. §
- De ambtenaren die de gemeenschappelijke vervoermiddelen gebruiken om zich naar sessies van loopbaanvormingen te begeven, genieten een vergoeding, berekend overeenkomstig de bepalingen inzake gebruik van de gemeenschappelijke vervoermiddelen. De ambtenaren die hun persoonlijk voertuig gebruiken om zich naar sessies van loopbaanvormingen te begeven, genieten de vergoeding berekend overeenkomstig de bepalingen inzake algemene vervoermiddelen. De ambtenaren die zich naar andere vormingssessies begeven op hun initiatieven, genieten geen vergoeding wegens reiskosten. Afdeling II. - Opdracht van dienst voor verplichte vorming Art. 74.De ambtenaar die een vorming volgt op initiatief van de instelling is ertoe gehouden eraan deel te nemen. Hij wordt geacht in dienstopdracht te zijn. Art. 75.De in bijlage VIII bedoelde vormingen worden erkend. Bovendien erkent de administrateur-generaal de vormingen die door de directie vorming van de instelling worden georganiseerd. Art. 76.De dienstopdracht dekt de tijd die noodzakelijk is om de vorming te volgen, met inbegrip van de tijd die nodig is om zich daar naartoe te begeven en er terug van te komen. De ambtenaar kan op zijn diensturen de vormingsuren compenseren die zich buiten de normale diensturen situeren. Afdeling III. - Dienstvrijstelling voor vorming Art. 77.De ambtenaar kan een dienstvrijstelling bekomen om op zijn initiatief een vorming te volgen die door een ministerie of een instelling wordt georganiseerd. Afdeling IV. - Vormingsverlof Art. 78.De ambtenaar die op eigen initiatief een vorming volgt die door een ministerie of een instelling wordt erkend, kan een vormingsverlof bekomen. Dat verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Art. 79.De vormingen bedoeld in bijlage VIII worden erkend. De administrateur-generaal erkent de andere vormingen op initiatief van de ambtenaar die door de directie vorming van het Ministerie van het Waalse Gewest, op advies van de verantwoordelijke voor deze directie, worden georganiseerd. Art. 80.De vorming op initiatief van de ambtenaar moet in verband staan ofwel met zijn huidige ambt, ofwel met een ander ambt dat hij in de instelling zou kunnen uitoefenen. Art. 81.In de zin van deze afdeling, wordt onder schooljaar of academiejaar verstaan, de periode die zich van 1 september tot 31 augustus uitstrekt. Behalve voor de loopbaanvormingen, kan het verlof worden afgewezen als het onverenigbaar is met het belang van de dienst dat door de hiërarchische meerdere van ten minste rang A4 wordt gerechtvaardigd. De administrateur-generaal, op advies van de directie vorming van het Ministerie van het Waalse Gewest, kent het vormingsverlof toe of wijst dit af en brengt er de ambtenaar en zijn hiërarchische meerdere op de hoogte van. Art. 82.Het verlof kan niet meer dan één keer voor één zelfde vorming worden toegekend. Voor één zelfde vorming kan het verlof niet worden gecumuleerd met de dienstopdracht bedoeld in artikel
- Art. 83.De duur van het verlof is gelijk aan het aantal vormingsuren, na aftrek van de uren waarvan de ambtenaar vrijgesteld is. Voor een vorming waarvoor geen regelmatige aanwezigheid vereist is, is het aantal vormingsuren gelijk aan het aantal uren of lessen van het studieprogramma. Art. 84.De som van de dienstvrijstellingen en verloven die aan de ambtenaar werden toegekend om vormingen te volgen kan, zonder de verplichte vormingen mee te tellen, niet hoger zijn dan honderd twintig uren per jaar voor werkelijke diensten met volledige prestaties. Die honderd twintig uren worden verhoudingsgewijze verminderd voor de ambtenaren op wie een deeltijdsregeling wordt toegepast. Art. 85.Geven aanleiding tot de verhoudingsgewijze vermindering van de 120 uren per jaar :
- de duur van de stage;
- de perioden van non-activiteit en disponibiliteit;
- het verlof voor een stage of een proefperiode;
- het verlof wegens opdracht;
- het verlof wegens onderbreking van de beroepsloopbaan;
- het verlof voor kandidaatsstelling voor sommige vergaderingen, zoals bedoeld bij boek III van dit besluit. Art. 86.De ambtenaar legt de directie vorming van de instelling een inschrijvingsattest over binnen de maand van het begin van een vorming die ze niet organiseert of binnen de maand na de verzending van het eerste werk dat in het kader van het afstandsonderwijs wordt georganiseerd. De ambtenaar legt de directie vorming van de instelling een attest over waaruit blijkt dat hij de lessen heeft gevolgd binnen de maand van het einde van een vorming die ze niet organiseert of van het einde van het studieprogramma. Art. 87.§
- Het verlof voor een vorming georganiseerd in een schooljaar wordt genomen tussen het begin van het schooljaar en het einde van de eerste of, eventueel, de tweede examenzittijd. Het verlof voor een vorming die niet in een schooljaar wordt georganiseerd, wordt genomen tussen het begin en het einde van de vorming. Het verlof voor een vorming die geen regelmatige aanwezigheid vereist, wordt genomen tussen het begin en het einde van de opgelegde werkzaamheden. Volgt op die vorming de deelneming aan een examen, dan wordt de periode tot het einde van de eerste en, eventueel, de tweede examenzittijd verlengd. §
- Rekening houdend met de behoeften van de instelling, van het aantal uren of lessen van de vorming, kan een geplande indeling van het verlof door de administrateur-generaal op verzoek van een dienstchef worden opgelegd. De indeling kan het recht van de ambtenaar de totale duur van zijn verlof te gebruiken niet aantasten, noch het recht het te gebruiken om zich naar de vormingssessie te begeven, om die bij te wonen, om zich te begeven naar zijn werkplek na de vorming en om aan de examens deel te nemen. Art. 88.De ambtenaar deelt binnen de vijf dagen de directie vorming van de instelling schriftelijk mee dat hij de vorming niet meer volgt of dat hij de opgelegde werken definitief niet verzendt. Als het gaat om afstandsonderwijs, deelt de ambtenaar de directie vorming van de instelling elke onderbreking van meer dan twee maanden bij de verzending van de opgelegde werken mee, ongeacht of die onderbreking al dan niet doorlopend is. In beide gevallen legt de ambtenaar de directie vorming van de instelling het attest over waaruit blijkt dat hij de lessen heeft gevolgd. De directie vorming van de instelling maakt een einde aan het verlof op de datum van de mededelingen bedoeld in het eerste en tweede lid. Wanneer de ambtenaar de lessen niet meer volgt, de verzending van de opgelegde werken onderbreekt of de verzending ervan stopzet, moet hij dit rechtvaardigen, op straffe van de sanctie bedoeld in artikel
- Art. 89.Het recht op het verlof wordt geschorst als uit het attest van regelmatig lessenvolgen of uit andere informatiegegevens blijkt dat :
- ofwel de ambtenaar zonder geldige reden afwezig was bij de lessen gedurende meer dan één derde van hun duur;
- ofwel de ambtenaar een onderbreking van meer dan twee maanden bij de verzending van de opgelegde werken niet heeft meegedeeld. De schorsing van het recht op het verlof wordt uitgesproken door de administrateur-generaal, op voorstel van de verantwoordelijke voor de vorming van de instelling. De schorsing wordt uitgestrekt tot het overblijvende deel van het lopende jaar alsook tot de twee volgende jaren. TITEL VI. - Wervings- en loopbaanexamens HOOFDSTUK I. - Vergelijkende wervingsexamens en vergelijkende examens voor overgang naar het hogere niveau Afdeling I. -
Art. 90
.De vergelijkende wervingsexamens en vergelijkende overgangsexamens worden door SELOR georganiseerd, op aanvraag van de instelling en, in voorkomend geval, in samenwerking met de diensten van de Regeringen. Art. 91.De programma's van de wervingsexamens en van de vergelijkende examens voor overgang naar het hogere niveau worden door de Regeringen op advies van SELOR vastgesteld. Die programma's moeten het mogelijk maken na te kijken of de vorming en het profiel van de kandidaten beantwoorden aan de vereisten van de toe te kennen betrekking. Art. 92.Er wordt een Commissie voor de programma's ingesteld. Ze heeft als opdracht, voor de Regeringen, de ontwerpen van programma's van de vergelijkende wervingsexamens en de vergelijkende examens voor overgang naar het hogere niveau voor te bereiden, te zorgen voor de samenhang ervan, die te beoordelen, en elk voorstel tot verbetering ervan te formuleren. De commissie voor de programma's is samengesteld uit de directeur van de vorming, ten minste één vertegenwoordiger van elke afdeling; ze wordt voorgezeten door de administrateur-generaal of diens afgevaardigde. Afdeling II. - Vergelijkende wervingsexamens Art. 93.§ 1. De vergelijkende wervingsexamens bestaan uit één of meer basisexamens bestemd voor de beoordeling van de bekwaamheden bedoeld in bijlage II. § 2. De examens en examengedeelten kunnen schriftelijk en/of mondeling, theoretisch en/of praktisch zijn en de informatica- of multimediamiddelen gebruiken. De correctie kan op geautomatiseerde wijze worden uitgevoerd. Art. 94.§ 1. De Regeringen bepalen, bij de oproep tot de kandidaten : 1. het aantal examens en examengedeelten alsook hun inhoud;2. het aantal punten toegekend aan het geheel van het vergelijkende examen, aan elk van de examens en examengedeelten;3. in voorkomend geval, het maximumaantal kandidaten die na het eerste examengedeelte in aanmerking komen.Als verschillende kandidaten een gelijk aantal punten hebben gekregen voor de toekenning van de laatste plaats, wordt het maximumaantal in aanmerking komende kandidaten tot hun voordeel verhoogd; 4. het of de diploma(
- s)of studiegetuigschrift(
- en)die vereist zijn uit de lijst van deze die in bijlage III voorkomen, alsook de vermelding « of ander gelijkwaardig diploma of studiegetuigschrift ». § 2. De kandidaten moeten ten minste vijftig procent van de punten hebben behaald voor elk examen en elk examengedeelte en zestig procent van de punten voor het geheel van de examens. § 3. Voor de examens en examengedeelten waarvan de correctie op geautomatiseerde wijze wordt uitgevoerd, kan de examencommissie, zonder geldige reden, het behaalde cijfer niet afronden. § 4. De kandidaten worden in de reserve gerangschikt op grond van het totaal van de punten die bij het geheel van de basisexamens werden behaald. Bij gelijk aantal punten wordt de oudste kandidaat als eerste gerangschikt. Art. 95.§ 1. Een proces-verbaal wordt door SELOR opgemaakt na het (
- de)basisexamen(s); hij stelt de lijst vast van de geslaagden die de reserve uitmaakt. In geval van aanvullend examen, behouden de geslaagden van deze hun oorspronkelijke rangschikking in de reserve. Alleen de geslaagden van het aanvullend examen kunnen worden toegelaten tot de betrekkingen in verband daarmee. § 2. Na het afsluiten van het proces-verbaal na het of de basisexamen(s), vergewist SELOR er zich van dat de geslaagden voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarde bedoeld bij artikel 19, 5° en dat ze de vereiste diploma's of studiegetuigschriften bezitten en verklaart dat de geslaagden die aan deze voorwaarden voldoen toegelaten zijn. Wanneer voor het aanvullend examen het bezitten van diploma's of getuigschriften vereist is, wordt het proces-verbaal van het aanvullend examen afgesloten nadat SELOR gecontroleerd heeft of iedere geslaagde de vereiste diploma's en getuigschriften bezit. § 3. Voordat ze worden aangesteld, vergewist de instelling zich ervan dat de geslaagden voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden bedoeld bij artikel 10, 1° tot 4° en 6°. Als een aanvullend onderzoek noodzakelijk is in het kader van de verificatie van de voorwaarden bedoeld in artikel 19, 1° en 2°, wordt de geslaagde in de reserve geschorst. De geslaagde voor wie, na het onderzoek, wordt vastgesteld dat hij aan de voorwaarden voldoet en door een minder goed gerangschikte kandidaat wordt ingehaald, neemt bij zijn latere aanwerving rang in op de datum van aanwerving van die minder goed gerangschikte geslaagde. De geslaagde voor wie, na het onderzoek, wordt vastgesteld dat hij aan de voorwaarden niet voldoet, wordt in de reserve geschorst zolang hij niet het bewijs levert dat hij opgehouden heeft niet daaraan te voldoen; hij wordt eruit geschrapt als vaststaat dat hij eraan niet zal kunnen voldoen voor geen enkele betrekking waartoe de reserve toegang verleent. De beslissing een aanvullend onderzoek te voeren en de beslissingen tot schorsing of schrapping uit de reserve worden door de instelling genomen en aan de geslaagde meegedeeld. Art. 96.De geslaagden die, op het einde van de termijn vastgesteld bij artikel 97 om op de betrekkingsvoorstellen te antwoorden, aan alle toegangsvoorwaarden bedoeld in artikel 19, 6° voldoen voor de toe te kennen betrekking, worden tot de stage toegelaten in de volgorde van hun rangschikking. Art. 97.§ 1. De geslaagden kunnen hun voorkeur laten kennen voor één of meer bepaalde betrekkingen. Hun wens wordt in aanmerking genomen voor zover dit mogelijk is en volgens hun rangschikking. De geslaagden die niet binnen de vastgestelde termijn op de betrekkingsvoorstellen antwoorden alsook deze die alle betrekkingen gelijktijdig weigeren, verliezen het voordeel van hun rangschikking, tenzij ze binnen de maand na de kennisgeving van het voorstel, wensen opnieuw te worden geraadpleegd. De geslaagden die hun voorkeur voor één of meer betrekkingen uitdrukken, verbinden er zich toe deze te aanvaarden die hun wordt toegekend. Aan de geslaagden die, na die aanvaarding, weigeren in dienst te treden, wordt kennis gegeven van hun schrapping uit de reserve. De geslaagden delen elke verandering van adres mee aan de dienst belast met het beheer van de wervingsreserves. Elk voorstel wordt geldig aan hen gericht op het laatst vermelde adres. Art. 98.Een wervingsreserve blijft geldig totdat de volgende reserve wordt aangelegd en ten minste vier jaar na het opmaken van het proces-verbaal tot vaststelling ervan. Afdeling III. - Vergelijkende examens voor overgang naar het hogere niveau Art. 99.Er worden vergelijkende examens ten minste om de vier jaar georganiseerd. Art. 100.De vergelijkende overgangsexamens, bestemd om overgangsreserves aan te leggen, bestaan uit schiftende basisproeven, waarvan de inhoud als bijlage II gaat. Die basisproeven worden brevetten genoemd voor de vergelijkende examens voor overgang naar niveau 1. Het resultaat van slagen voor elke proef blijft definitief behouden. De proeven kunnen schriftelijk en/of mondeling, theoretisch en/of praktisch zijn, en informatica- of multimediamiddelen gebruiken. De correctie kan op geautomatiseerde wijze worden uitgevoerd. De proeven kunnen in proefdelen worden onderverdeeld. Art. 101.Als een vergelijkend examen uit één algemene proef en één of meer bijzondere proeven bestaat, worden de ambtenaren die voor de algemene proef geslaagd zijn, op hun aanvraag, van die proef vrijgesteld indien zij, in het vervolg, opnieuw aan één of meer vergelijkende examens van hetzelfde niveau of van een lager niveau deelnemen. Art. 102.§ 1. Bij de oproep tot de kandidaten, bepalen de Regeringen : 1° het aantal proeven en proefdelen alsook hun inhoud;2° het aantal punten dat aan het geheel van het vergelijkend examen wordt toegekend, alsook aan elk van de proeven en proefdelen. § 2. De kandidaten moeten ten minste 50 % van de punten bij elke proef en proefdelen behalen, en 60 % van de punten voor het geheel van de proeven. § 3. Voor de proeven en proefdelen waarvan de correctie op geautomatiseerde wijze wordt uitgevoerd, mag de examencommissie niet zonder geldige reden het behaalde cijfer afronden. § 4. De kandidaten worden in de reserve gerangschikt op grond van het totaal aantal punten dat behaald werd bij het geheel van de basisproeven. Als het aantal punten gelijk is, wordt de rangschikking uitgevoerd op grond van de dienstanciënniteit, waarbij de kandidaat die de grootste dienstanciënniteit telt, als eerste wordt gerangschikt. Bij gelijke dienstanciënniteit wordt de oudste kandidaat als eerste gerangschikt. Art. 103.De afgevaardigde bestuurder van SELOR maakt een proces-verbaal op na de basisproeven; hij stelt de lijst vast van de geslaagden die de reserve uitmaken. De geslaagden behouden het resultaat van de proeven zonder tijdsbeperking. Art. 104.De geslaagden voor de toe te kennen betrekking worden in de volgorde van hun rangschikking bevorderd. Indien de geslaagden voor verschillende vergelijkende examens naar dezelfde bevordering mededingen, worden ze gerangschikt volgens de volgorde van de datum van de processen-verbaal ter afsluiting van de vergelijkende wervingsexamens, te beginnen met de oudste datum en, voor elk vergelijkend examen, volgens de volgorde van hun rangschikking. HOOFDSTUK II. - Directiebrevet Afdeling I. - Vorming tot voorbereiding voor het directiebrevet Art. 105.De voorbereiding voor het examen dat vereist is voor het behalen van het directiebrevet wordt door de instelling in de oneven jaren georganiseerd. Afdeling II. - Examen voor het behalen van het directiebrevet Art. 106.Het examen voor het behalen van het directiebrevet heeft betrekking op de bekwaamheden die van de kandidaat vereist zijn om een betrekking van directeur uit te oefenen. Het programma en het reglement van het examen worden door de Regeringen vastgesteld. Art. 107.Het reglement van het examen wordt door middel van een dienstnota ter kennis van de kandidaten gebracht. De kandidaten moeten ten minste vijftig procent van de punten bij elke proef en elk proefdeel behalen en zestig procent voor het geheel van de proeven. Art. 108.Het examen voor het behalen van het directiebrevet wordt door de instelling in de even jaren georganiseerd. Het brevet wordt uitgereikt door een examencommissie die paritair samengesteld is uit twee universiteitshoogleraren en twee door de Regeringen aangewezen ambtenaren-generaal van de instelling. Ze wordt voorgezeten door de administrateur-generaal of door de ambtenaar-generaal van de hoogste rang. Art. 109.De geslaagden behouden het resultaat van het slagen voor het examen zonder tijdsbeperking. HOOFDSTUK III. - Examen ter bekrachtiging van de verworven bekwaamheden Afdeling I. - Vorming voorafgaand aan het examen ter bekrachtiging van de verworven bekwaamheden Art. 110.De voorbereiding voor de examens ter bekrachtiging van de verworven bekwaamheden wordt, voor de transversale bevoegdheden, door de instelling georganiseerd in samenwerking met het Waalse Gewest. De voorbereiding voor het examen voorafgaande aan de eerste bevordering binnen een bepaald niveau vindt plaats in de even jaren tegelijk met het Waalse Gewest; de voorbereiding voor het examen voorafgaande aan de tweede bevordering binnen een niveau vindt plaats in de oneven jaren tegelijk met het Waalse Gewest. Afdeling II. - Organisatie van de examens ter bekrachtiging van de verworven bekwaamheden Art. 111.De examens ter bekrachtiging van de verworven bekwaamheden worden door de instelling georganiseerd, in samenwerking met het Waalse Gewest. De examens voor de eerste bevorderingsgraad vinden plaats in de oneven jaren; de examens voor de tweede bevorderingsgraad vinden plaats in de even jaren. De Regeringen stellen de bekwaamheden vast die vereist zijn voor de uitoefening van de ambten van elke rang bij voorrang uit de examens ter bekrachtiging van de bekwaamheden van het Waalse Gewest. Art. 112.Op voorstel van de programmacommissie, stellen de Regeringen het programma en het reglement van de examens vast. Art. 113.De administrateur-generaal of diens afgevaardigde kondigt door middel van een dienstnota de organisatie aan van elk examen waarvoor iedere ambtenaar zich kan laten inschrijven die voldoet aan de andere bevorderingsvoorwaarden dan het slagen voor het examen. Art. 114.De examencommissie voor elk examen wordt door de administrateur-generaal aangesteld na overleg met de directeur van vorming van het ministerie van het Waalse Gewest. Ze stelt het huishoudelijk reglement betreffende de organisatie van het examen en zorgt voor de toepassing ervan; ze maakt het proces-verbaal tot vaststelling van de lijst van geslaagden op. De verantwoordelijke voor de vorming van de instelling deelt de resultaten aan de kandidaten mee. Art. 115.De kandidaat die het bekrachtigingsexamen met succes heeft afgelegd, wordt als geslaagde verklaard. Die verklaring wordt vermeld in het in artikel 17 bedoelde jaarboek. De geslaagden behouden het behaalde resultaat zonder tijdsbeperking. TITEL VII. - Onverenigbaarheden Art. 116.Ambtenaren kunnen beroepsactiviteiten niet cumuleren. Onder beroepsactiviteit wordt verstaan, in de zin van dit besluit, elke bezigheid waarvan de opbrengst een beroepsinkomen is zoals bedoeld in artikel 23 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992. In afwijking van het tweede lid, wordt een publiek mandaat van politieke aard niet beschouwd als een beroepsactiviteit. Art. 117.§ 1. In afwijking van artikel 116, wordt de cumulatie van beroepsactiviteiten die inherent zijn aan de uitoefening van het ambt van rechtswege uitgeoefend. Inherent aan de uitoefening van het ambt is elke opdracht : - die, krachtens een wets- of verordeningsbepaling, in verband staat met het door het personeelslid uitgeoefende ambt; - waarvoor de ambtenaar van ambtswege wordt aangesteld door de hiërarchische overheid waaronder hij ressorteert. Voor de toepassing van deze paragraaf, worden de afwezigheidsuren die door een dienstvrijstelling worden gedekt als diensturen beschouwd. § 2. In afwijking van artikel 116, kunnen de Regeringen de cumulatie toelaten op schriftelijke en voorafgaande aanvraag van de ambtenaar en na het met redenen omkleed advies van het directiecomité bedoeld in artikel 131, onder de volgende voorwaarden : - de cumulatie is niet van dien aard dat het vervullen van de ambtsplichten in het gedrang wordt gebracht; - de cumulatie is niet in strijd met de waardigheid van het ambt; - de cumulatie is niet van dien aard dat de onafhankelijkheid van de ambtenaar in het gedrang wordt gebracht of dat een verwarring met zijn hoedanigheid van ambtenaar zou ontstaan. § 3. Uiterlijk binnen de twee maanden na de indiening van de aanvraag bij de administrateur-generaal, brengt het directiecomité een met redenen omkleed advies erover. Bij het verstrijken van die termijn, wordt het advies als gunstig geacht. De Regeringen beslissen over de aanvraag van de ambtenaar binnen een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het met redenen omkleed advies van het directiecomité. Bij het verstrijken van die termijn, worden de Regeringen geacht, zich naar het advies van het directiecomité te schikken. Als het dossier niet de nodige inlichtingen inhoudt, vraagt de overheid die dit vaststelt deze inlichtingen binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het dossier. De toelating kan worden ingetrokken als één van de voorwaarden bedoeld in § 2 niet meer vervuld is. De beslissingen tot toelating, weigering en intrekking worden met redenen omkleed. § 4. Bij wijziging van de administratieve toestand van de ambtenaar of bij wijziging van de voorwaarden voor de uitoefening of de aard van de cumulatie, moet de ambtenaar een nieuwe aanvraag indienen. TITEL VIII. - Evaluatie Art. 118.§ 1. De evaluatie van de ambtenaar heeft als doel zijn bijdrage tot de goede werking van de instelling te beoordelen ten opzichte van de hem toevertrouwde taken. Deze wordt aan de ambtenaar meegedeeld door middel van een evaluatiebulletin waarvan het model in bijlage IX vermeld wordt. § 2. De evaluatie van de ambtenaar heeft betrekking op : 1. alle gegevens betreffende de wijze waarop hij zijn dienst presteert : de betrekkingen met de andere ambtenaren, de andere diensten en de gebruikers, de nauwgezetheid, de zin voor organisatie, de werkmethoden en de inspanningen inzake vorming, de kwaliteit en de kwantiteit van het werk;2. de bijdrage van de ambtenaar tot het bereiken van de doelstellingen van de instelling en van zijn dienst, vastgesteld volgens de beheersmethoden die eigen zijn aan de instelling, na zijn rol en zijn betrokkenheid bij het bereiken van die doelstellingen te hebben vastgesteld;3. het bereiken van de doelstellingen die vooraf door de hiërarchische meerdere van ten minste rang A4 werden vastgesteld. Het directiecomité bepaalt de doelstellingen van de ambtenaren van rang A4. § 3. De doelstellingen bedoeld in § 2 worden bepaald naar aanleiding van een planningsonderhoud, op een specifieke en meetbare wijze; ze moeten op het resultaat gericht zijn en in en tijdschema passen. Art. 119.De methodologie van de evaluatie wordt door de Regeringen, na advies van het directiecomité, aangenomen. Art. 120.Het individueel dossier van de ambtenaar omvat elk bewijsstuk en een individuele fiche waarin de gunstige en ongunstige feiten of omstandigheden die voor de beoordeling kunnen dienen worden vermeld. Die feiten of vaststellingen kunnen alleen betrekking hebben op de uitoefening van het ambt en moeten worden geviseerd door de ambtenaar, die eventueel zijn opmerkingen toevoegt. Elk feit dat of elke vaststelling die de ambtenaar acht als beoordelingsgegeven te kunnen dienen, wordt op zijn aanvraag op zijn individuele fiche opgetekend door de bevoegde hiërarchische meerdere, die zijn eventuele opmerkingen toevoegt. Art. 121.De ambtenaar krijgt een evaluatie die één van de volgende vermeldingen heeft : gunstig, met voorbehoud of ongunstig. Art. 122.De evaluatie wordt na een onderhoud toegekend, om de twee jaar tussen 15 september en 15 december, en twee jaar na het planningsonderhoud bedoeld in artikel 118. De eerste evaluatie wordt drie jaar na de benoeming toegekend. Art. 123.§ 1. Om de twee jaar evalueert het directiecomité de ambtenaren van rang A4, evalueert de hiërarchische meerdere van rang A4 de ambtenaren van de rangen A5 en A6 en evalueert de hiërarchische meerdere van ten minste rang A5 of A6 de ambtenaren van de niveaus 2+, 2 en 3. De ambtenaar-generaal of de evaluerende ambtenaar moet een gunstige evaluatie hebben. § 2. De ambtenaar die, om onverschillig welke reden, afwezig is of zijn ambt niet uitoefent en die zich in een administratieve stand bevindt waarin hij zijn recht op bevordering behoudt, behoudt zijn laatste evaluatie totdat hij zijn ambt opnieuw uitoefent. Als dit door de duur van de afwezigheid wordt gerechtvaardigd, vindt een plannningsonderhoud plaats zodra hij zijn ambt opnieuw uitoefent. Eén jaar nadat hij zijn ambt opnieuw uitoefent, kan hij vragen dat zijn evaluatie wordt herzien. Art. 124.Binnen de veertien dagen na het onderhoud, geven de hiërarchische meerderen bedoeld in artikel 123 kennis van het voorstel tot evaluatie. Binnen de veertien dagen na de kennisgeving, ondertekent de ambtenaar dit voorstel en retourneert hij het, samen met zijn eventuele opmerkingen. Als hij dit niet doet, wordt hij geacht de evaluatie te aanvaarden, die definitief wordt. Art. 125.De opmerkingen die door de ambtenaar worden uitgedrukt, worden onderzocht door de onmiddellijke hiërarchische meerdere bedoeld in artikel 123, die het voorstel tot evaluatie heeft ingediend, en diens hiërarchische meerdere. Ze geven de ambtenaar kennis van hun beslissing binnen de veertien dagen na de ontvangst van de opmerkingen. Art. 126.De ambtenaar die een evaluatie « met voorbehoud » of « ongunstig » heeft gekregen, kan voor de raad van beroep daartegen in beroep gaan. Bij de kennisgeving van de evaluatie wordt de ambtenaar ingelicht over de mogelijkheid van het beroep en over de wijze waarop dit wordt uitgeoefend. Art. 127.De raad van beroep brengt een gunstig advies uit of neemt een beslissing tot vernietiging binnen de maand waarin het beroep wordt ingediend. Het met redenen omkleed advies wordt aan de beslissing van het directiecomité onderworpen en de met redenen omklede beslissing die de toegekende evaluatie van rechtswege vernietigt, wordt overgezonden aan de personen bedoeld in artikel 125, opdat een nieuwe evaluatie zou worden uitgevoerd, na een periode van vier maanden, vanaf de datum van ontvangst ervan. Die personen worden bijgestaan door een vertegenwoordiger van de directie personeel en een waarnemer die door de geëvalueerde in voorkomend geval uit de leden van een vakvereniging wordt gekozen. Die tweede evaluatie kan niet door de raad van beroep worden vernietigd. De administrateur-generaal geeft de ambtenaar kennis van de toegekende evaluatie. Art. 128.Wanneer de toegekende evaluatie « ongunstig » of « met voorbehoud » is, vindt een tussentijdse evaluatie zes maanden na de toekenning ervan plaats. Art. 129.Na twee opeenvolgende evaluaties « ongunstig » die definitief werden toegekend, geeft de administrateur-generaal kennis van het voorstel tot afdanking wegens beroepsongeschiktheid. Binnen de veertien dagen na die kennisgeving, kan de ambtenaar een beroep indienen voor de raad van beroep bedoeld in titel XI van dit besluit. De raad brengt gedurende een voltallige vergadering een advies uit binnen de maand na de indiening van het beroep en geeft kennis daarvan aan de Regeringen. Na kennis te hebben genomen van het advies van de raad van beroep, kunnen de Regeringen beslissen de ambtenaar wegens beroepsongeschiktheid af te danken. De administrateur-generaal geeft kennis van de afdanking wegens beroepsongeschiktheid bij een ter post aangetekend schrijven. TITEL IX. - College van leidende ambtenaren-generaal en directiecomité HOOFDSTUK I. - College van leidende ambtenaren-generaal Art. 130.De administrateur-generaal van WBI is lid van het college van leidende ambtenaren-generaal bedoeld in artikel 153 van de Waalse Ambtenarencode. HOOFDSTUK II. - Directiecomité Art. 131.Er bestaat, binnen de instelling, een directiecomité dat samengesteld is uit de leidende ambtenaren die mandaathouder zijn en de ambtenaren-generaal van de rangen A2 en A3. Art. 132.Naast de bij dit besluit toevertrouwde bevoegdheden, behandelt het directiecomité alle vraagstukken van algemeen nut betreffende de organisatie en de werking van de instelling, met inbegrip van het uitbrengen van adviezen over de voorontwerpen of ontwerpen van verordeningsteksten. Art. 133.Het directiecomité wordt door de administrateur-generaal voorgezeten. Art. 134.Het directiecomité stelt zijn huishoudelijk reglement vast, dat door de Regeringen wordt goedgekeurd. Art. 135.De personen die een zitting van het directiecomité bijwonen, zijn tot geheimhouding gedwongen ten aanzien van de documenten en beraadslagingen die betrekking hebben op de nationale veiligheid, de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, de preventie en de repressie van misdrijven, het medisch geheim, de rechten en vrijheden van de burger en de bescherming van het privé leven. Dit geldt ook voor de feiten die betrekking hebben op de voorbereiding van elke beslissing, zolang een eindbeslissing nog niet is genomen, alsook voor de feiten die, wanneer ze openbaar worden gemaakt, de concurrentiepositie van de instelling waarin de ambtenaar wordt tewerkgesteld, kunnen benadelen. TITEL X. - Tuchtregeling Art. 136.De ambtenaren die hun plichten niet nakomen, kunnen één van de volgende straffen ondergaan : 1. terechtwijzing;2. blaam;3. inhouding van wedde;4. overplaatsing bij tuchtmaatregel;5. terugzetting in graad;6. ontslag van ambtswege;7. afzetting. Art. 137.Inhouding van wedde kan niet worden toegepast voor een periode die hoger kan zijn dan drie maanden. Ze heeft betrekking op ten minste de helft van het deel van de bezoldiging in specie bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/04/1965 pub. 08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten betreffende de bescherming van het loon der werknemers. Art. 138.Terugzetting in graad is de benoeming in een graad die lager is met een aantal rangen op voldoende wijze zodat de wedde van de ambtenaar werkelijk lager is dan deze die hem was toegekend. Art. 139.De ambtenaar die een tuchtprocedure ondergaat, kan zich in elk stadium van de procedure door een persoon naar keuze laten bijstaan. Art. 140.De ambtenaar heeft het recht van inzage van zijn dossier en kan er gratis een afschrift van bekomen. Art. 141.§ 1. Elke minister kan bevelen dat een tuchtvordering wordt ingesteld ten aanzien van een ambtenaar voor de feiten die hij aanwijst. In dat geval kan de administrateur-generaal een hiërarchische meerdere opdragen een voorstel tot tuchtsanctie voor te bereiden. § 2. De administrateur-generaal van de instelling kan een hiërarchische meerdere opdragen een tuchtvordering in te stellen voor de feiten die hij aanwijst en hem een voorstel tot tuchtsanctie voor te bereiden. § 3. De tuchtvordering kan alleen betrekking hebben op feiten die reeds werden vastgesteld of die aan de overheid werden meegedeeld binnen de zes maanden die voorafgaan aan de datum waarop de vordering wordt ingesteld. In geval van strafvordering, als het openbaar ministerie de definitieve gerechtelijke beslissing aan de bevoegde overheid heeft meegedeeld om de tuchtsanctie op te leggen, moet de tuchtvordering worden ingesteld of voortgezet binnen de zes maanden die volgen op de datum van de mededeling. Art. 142.Iedere hiërarchische meerdere kan een tuchtvordering instellen en een voorlopig voorstel tot terechtwijzing, blaam, inhouding van wedde, overplaatsing bij tuchtmaatregel, terugzetting in graad, ontslag van ambtswege of afzetting doen. Hij voegt bij het voorstel het proces-verbaal van het verhoor van de ambtenaar op wie de procedure wordt toegepast, behoorlijk ondertekend door deze, door de ambtenaar die de sanctie voorstelt en door deze die tijdens het verhoor als secretaris werkte. De secretaris is houder van een graad die ten minste gelijk is aan die van de ambtenaar op wie de procedure van toepassing is. Het voorlopige voorstel wordt overgezonden aan de voorzitter van het directiecomité langs de hiërarchische weg. Iedere ambtenaar die aan een verhoor deelneemt, is tot geheimhouding verplicht. Art. 143.§ 1. Elk voorlopig voorstel tot terechtwijzing of blaam wordt opgesteld door de hiërarchische meerdere van de ambtenaar of door de ambtenaar-generaal die het definitief voorstel heeft uitgebracht. § 2. Elk definitief voorstel tot inhouding van wedde, overplaatsing bij tuchtmaatregel, terugzetting in graad, ontslag van ambtswege of afzetting wordt door het directiecomité opgesteld. Art. 144.De auteur van een definitief voorstel tot terechtwijzing of blaam geeft daarvan kennis aan de ambtenaar. De administrateur-generaal geeft kennis aan de ambtenaar van elk definitief voorstel tot inhouding van wedde, overplaatsing bij tuchtmaatregel, terugzetting in graad, ontslag van ambtswege of ontzetting. De kennisgeving vermeldt de beroepsmogelijkheden en de termijn waarbinnen de beroepen moeten worden uitgeoefend. Art. 145.De terechtwijzing en de blaam worden door de administrateur-generaal beslist. De inhouding van wedde, de overplaatsing bij tuchtmaatregel, de terugzetting in graad, het ontslag van ambtswege en de afzetting worden door de Regeringen beslist. Art. 146.Wie een tuchtzaak heeft onderzocht of een voorlopig of definitief voorstel tot tuchtsanctie heeft gedaan, kan niet deelnemen aan de sanctie. Art. 147.De opgelegde sanctie kan niet zwaarder zijn dan deze die definitief werd voorgesteld en alleen de feiten die de tuchtprocedure hebben verantwoord, komen in aanmerking. Art. 148.De overheid legt de tuchtsanctie op binnen de twee maanden te rekenen ofwel vanaf het verstrijken van de termijn om bij de raad van beroep een beroep in te dienen, ofwel vanaf de kennisgeving van het advies van de raad van beroep of van het proces-verbaal dat vaststelt dat de ambtenaar niet verschenen is. Art. 149.§ 1. Indien geen sanctie binnen de termijn bedoeld in artikel 148 wordt opgelegd, wordt de overheid geacht die op te geven. § 2. Van de sanctie wordt zonder verwijl aan de ambtenaar bij een ter post aangetekend schrijven met ontvangstbewijs kennis gegeven. De kennisgeving vermeldt de beroepsmogelijkheden en de termijn waarbinnen de beroepen moeten worden uitgeoefend. Indien de raad van beroep een advies heeft uitgebracht, dan wordt hij ook van de sanctie in kennis gesteld. Art. 150.Verschillende feiten die ten laste van de ambtenaar worden gelegd, kunnen alleen tot één enkele procedure en één enkele tuchtsanctie leiden. Art. 151.Als een nieuw feit ten laste van de ambtenaar wordt gelegd gedurende het verloop van een tuchtprocedure, kan een nieuwe procedure worden ingesteld, zonder dat de aan de gang zijnde procedure wordt onderbroken. Art. 152.De doorhaling van de tuchtsancties wordt van ambtswege uitgevoerd na een termijn die ingaat op de datum waarop de sanctie werd opgelegd, en die gelijk is aan : 1° drie maanden voor de terechtwijzing;2° zes maanden voor de blaam;3° negen maanden voor de inhouding van wedde, de overplaatsing bij tuchtmaatregel en de terugzetting in graad. Doorhaling heeft alleen tot gevolg dat elke vermelding van de tuchtsanctie of elke verwijzing naar de tuchtsanctie uit het dossier wordt ingetrokken. Art. 153.Bij strafvervolging, kan de tuchtprocedure worden voortgezet na een met redenen omklede beslissing van de Regeringen. De Regeringen bevestigen de tuchtsanctie, trekken ze in of passen die aan binnen de zes maanden te rekenen vanaf de dag waarop een rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. Art. 154.De ambtenaar die belast wordt met het opmaken van een voorstel tot tuchtsanctie of met het opleggen van een tuchtsanctie en het directiecomité worden geadviseerd door een rechtskundig ambtenaar die daartoe door de administrateur-generaal uitdrukkelijk wordt aangesteld. De rechtskundig ambtenaar woont de verhoren bij, zorgt voor het goede verloop van de procedure en kan geen mening over de grond van de zaak uitspreken. Hij viseert alle stukken van de procedure. De instelling kan, als zij dit heeft aangevraagd, de bijstand van de rechtskundig ambtenaar van het Ministerie van het Waalse Gewest krijgen. TITEL XI. - Raad van beroep HOOFDSTUK I. - Bevoegdheid en samenstelling van de raad van beroep Art. 155.De raad van beroep is bevoegd om : 1° een met redenen omkleed advies uit te brengen over :
- a)elk definitief voorstel tot tuchtsanctie;
- b)elke beslissing tot schorsing in het belang van de dienst, al dan niet met een inhouding van wedde;
- c)elk voorstel tot afdanking wegens beroepsongeschiktheid;
- d)elk voorstel tot afdanking van een stagiair;
- e)elke evaluatie die aan een ambtenaar wordt toegekend;2° een beslissing te nemen over elk beroep betreffende elke beslissing inzake verloven, disponibiliteit en afwezigheden;3° onverminderd 1° e), een beslissing te nemen tot vernietiging betreffende elk beroep tegen een toegekende evaluatie. Art. 156.§ 1. Er wordt een raad van beroep ingesteld die bevoegd is voor de ambtenaren van de rangen A4 tot D3. Hij bestaat uit : 1° een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter;2° zes werkende en zes plaatsvervangende assessoren, ambtenaren of ambtenaren-generaal van de instelling. Hij wordt bijgestaan door een werkend griffier en een plaatsvervangend griffier. § 2. De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter worden door de Regeringen aangesteld uit de werkende magistraten of de eremagistraten. Een aanvraag wordt bij voorrang gericht aan de werkende magistraten of de eremagistraten die gelijkaardige ambten uitoefenen binnen de raad van beroep van het Waalse Gewest of de Franse Gemeenschap. Drie werkende assessoren en drie plaatsvervangende assessoren worden door de Regeringen uit de ambtenaren of ambtenaren-generaal van de instelling aangesteld. Drie werkende assessoren en drie plaatsvervangende assessoren worden aangesteld door de vakorganisaties die representatief zijn in de zin van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. De assessoren die door de vakorganisaties worden aangewezen, moeten door de Regeringen worden erkend. De weigering van de erkenning wordt aan het sectorcomité voorgelegd. De werkende griffier en diens plaatsvervanger worden door de Regeringen aangesteld uit de ambtenaren van niveau 1 van de instelling. Art. 157.In elke zaak wordt een ambtenaar door de administrateur-generaal aangewezen om het beslissingsvoorstel of de betwiste beslissing te verdedigen. Die ambtenaar kan de beraadslaging niet bijwonen. Het advies vermeldt dat dit verbod in acht werd genomen. De raad wordt door een beëdigd vertaler Duitse taal bijgestaan wanneer de ambtenaar tot de Duitse taalrol behoort. Art. 158.De raad van beroep stelt zijn huishoudelijk reglement vast, dat door de Regeringen wordt goedgekeurd. Het huishoudelijk reglement bepaalt de werkmethode. Art. 159.De verzoeker heeft het recht, om gegronde redenen, de wraking van iedere assessor te vragen. Iedere magistraat die het voorzitterschap van de raad of van een afdeling bekleedt, wraakt de assessor wiens onpartijdigheid in twijfel zou kunnen worden gebracht. Art. 160.De raad van beroep beraadslaagt pas geldig met het aantal van ten minste vijf leden, dit is de voorzitter of de plaatsvervangende voorzitter, twee assessoren die door de Regeringen worden aangesteld en twee assessoren die door de door de Regeringen erkende vakorganisaties worden aangesteld. HOOFDSTUK II. - Procedure voor de raad van beroep Art. 161.De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de beroepen tegen de beslissingsvoorstellen en de beslissingen bedoeld in artikel 155. Art. 162.De ambtenaar dient zijn beroep voor de raad van beroep in binnen de veertien dagen na de kennisgeving van het beslissingsvoorstel of de beslissing waarmee hij het niet eens is. Als het beroep niet binnen die termijn ingediend is, wordt het beslissingsvoorstel of de beslissing definitief. De beroepen tegen een beslissing tot schorsing in het belang van de dienst en een eventuele inhouding van wedde, en de beroepen tegen een beslissing inzake verloven, disponibiliteit en afwezigheden zijn niet schorsend. Art. 163.De griffier vraagt onmiddellijk het volledige dossier van de zaak aan de auteur van de beslissing of van het voorstel tot beslissing, die het aan de raad per kerende post overzendt. De aangevraagde aanvullende stukken en inlichtingen worden eveneens per kerende post overgezonden. De voorzitter deelt één keer per jaar de administrateur-generaal een verzamelstaat mee van de termijnen waarbinnen de dossiers en de aanvullende stukken en inlichtingen werden overgezonden. Art. 164.De raad van beroep kan niet beraadslagen en beslissen over een beroep indien de onderzoeken bedoeld in artikel 167 niet helemaal voltooid zijn en indien de verzoeker niet de mogelijkheid heeft gehad om zijn verdedigingsmiddelen te doen gelden. Art. 165.§ 1. Ten minste veertien dagen voordat de ambtenaar voor de raad van beroep verschijnt, wordt hij bij een ter post aangetekend schrijven met ontvangstbewijs opgeroepen. De oproepingsbrief vermeldt : 1° de feiten waarop het beslissingsvoorstel of de beslissing wordt gegrond;2° het volledige administratief dossier betreffende het voorstel tot beslissing of de beslissing;3° de plaats, de dag of het uur van de verschijning;4° het recht van de ambtenaar zich door een persoon naar eigen keuze te laten bijstaan, die echter in geen enkele hoedanigheid deel kan uitmaken van de raad;5° de plaats en de dagen en uren gedurende welke het dossier kan worden geraadpleegd;6° het recht het verhoor van getuigen aan te vragen. § 2. Vanaf de dag van de ontvangst van de oproeping tot verschijning tot de dag vóór de dag van de verschijning, kan de ambtenaar inzage hebben van het dossier en, als hij dit wenst, zijn verdedigingsmiddelen aan de raad van beroep schriftelijk meedelen. Art. 166.§ 1. Behalve bij overmacht of instemming van de raad van beroep, verschijnt de ambtenaar persoonlijk en kan daarvan niet afzien. § 2. De ambtenaar die niet verschijnt, terwijl hij regelmatig werd opgeroepen, wordt geacht van het ingediende beroep af te zien, behalve bij overmacht of instemming van de raad van beroep. § 3. De ambtenaar die wegens overmacht of instemming van de raad van beroep niet persoonlijk heeft kunnen verschijnen, wordt onmiddellijk opnieuw opgeroepen. Art. 167.§ 1. De raad van beroep kan beslissen getuigen te verhoren, van ambtswege of op aanvraag van de ambtenaar. Het verhoor van de getuigen vindt plaats in aanwezigheid van de ambtenaar. Ieder personeelslid dat als getuige wordt opgeroepen kan er zich niet tegen verzetten verhoord te worden. § 2. De raad van beroep kan beslissen aanvullende onderzoeken te voeren en er twee assessoren afvaardigen die aan de beraadslaging hebben deelgenomen. Die assessoren, buiten de gevallen waar geen assessor door de vakorganisaties daartoe wordt aangesteld, worden, de ene, uit de afvaardiging van de overheid, de andere, uit de afvaardiging van de vakorganisaties gekozen Art. 168.§ 1. Het proces-verbaal van het verhoor wordt opgemaakt en aan de ambtenaar meegedeeld binnen de zeven dagen na de verschijning, waarbij hij verzocht wordt dit te ondertekenen en zijn eventuele opmerkingen te laten kennen. De ambtenaar retourneert het proces-verbaal, samen met de eventuele opmerkingen, binnen de veertien dagen na de kennisgeving ervan; zo niet, dan wordt het proces-verbaal definitief. § 2. Wanneer de ambtenaar zich voor de verschijning niet heeft aangemeld, terwijl hij regelmatig werd opgeroepen, wordt er een proces-verbaal wegens niet-verschijning opgemaakt. § 3. Het proces-verbaal betreffende de verschijning of de niet-verschijning vermeldt dat aan elk van de vereiste procedurehandelingen is voldaan. Art. 169.§ 1. De raad van beroep brengt zijn advies uit binnen de vier maanden nadat de zaak hem werd voorgelegd. In geval van een beroep tegen het bij artikel 29 bedoelde voorstel tot afdanking van een stagiair, wordt het advies binnen de twee maanden uitgebracht. In geval van een beroep tegen een beslissing inzake evaluatie, verloven, afwezigheden of disponibiliteit, wordt van de beslissing van de raad van beroep aan de verzoeker kennis gegeven binnen de twee maanden. § 2. Met uitzondering van een beroep tegen een voorstel tot afdanking van een bij artikel 29 bedoelde stagiair en van een beroep tegen een beslissing inzake verloven, kan de voorzitter, bij een met redenen omklede beslissing, de termijn voor het uitbrengen van een advies met en periode van drie maanden verlengen. Als binnen de voorgeschreven termijnen geen advies wordt uitgebracht of geen beslissing wordt genomen, wordt de raad van beroep geacht een positief advies te hebben uitgebracht of een positieve beslissing te hebben genomen ten aanzien van de verzoeker. Het advies wordt simultaan ter kennis gebracht van de verzoeker en van de overheid die bevoegd is om de beslissing te nemen. Het dossier van de zaak wordt gevoegd bij de kennisgeving van het advies aan de tot beslissen bevoegde overheid. Als de bevoegde overheid geen beslissing heeft genomen binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de ontvangst van het advies van de raad van beroep, wordt de bevoegde overheid geacht van de maatregel af te zien. TITEL XII. - Schorsing in het belang van de dienst Art. 170.Wanneer dit in het belang van de dienst vereist is, kan de ambtenaar uit zijn ambt worden geschorst. Art. 171.Wanneer de ambtenaar strafrechtelijk of tuchtrechtelijk wordt vervolgd wegens een dringende reden waarvoor er heterdaad of bewijsaanwijzingen zijn, kan de schorsing in het belang van de dienst gepaard gaan met een inhouding van wedde. De inhouding van wedde kan niet hoger zijn dan het deel van de bezoldiging in specie bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/04/1965 pub. 08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten betreffende de bescherming van het loon der werknemers. Art. 172.De ambtenaar heeft het recht door de administrateur-generaal of diens afgevaardigde te worden gehoord over feiten die hem worden verweten, voordat de beslissing tot schorsing in het belang van de dienst wordt genomen. De ambtenaar kan inzage hebben van het dossier dat werd opgemaakt met het oog op het instellen van een vordering tot schorsing in het belang van de dienst. Art. 173.De ambtenaar kan worden bijgestaan door een persoon naar eigen keuze in elke fase van de vordering tot schorsing in het belang van de dienst. Art. 174.§ 1. De schorsing in het belang van de dienst wordt door de Regeringen voor een termijn van hoogstens zes maanden beslist. Bij strafrechtelijke vervolgingen, kunnen de Regeringen die termijn verlengen voor opeenvolgende perioden van hoogstens zes maanden, totdat een definitieve rechterlijke beslissing wordt meegedeeld. De ambtenaar beschikt over een beroep voor de raad van beroep overeenkomstig artikel 155. De Regeringen nemen een nieuwe beslissing binnen de twee maanden na de kennisgeving van een advies van de raad van beroep dat gunstig is voor de verzoeker; zo niet, dan wordt de volledige uitwerking van de schorsing in het belang van de dienst en van de eventuele inhouding van wedde opgeheven. Geen beroep kan tegen die nieuwe beslissing worden ingesteld, tenzij die nieuwe beslissing strenger is dan de beslissing waarover het advies werd uitgebracht. § 2. Als geen tuchtsanctie wordt opgelegd binnen de zes maanden te rekenen vanaf de mededeling van de definitieve rechterlijke beslissing, wordt de volledige uitwerking van de schorsing in het belang van de dienst en van de eventuele inhouding van wedde opgeheven. Art. 175.Van de beslissing tot schorsing in het belang van de dienst en van de eventuele inhouding van wedde wordt binnen de veertien dagen na de beslissing, bij een ter post aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, kennisgegeven aan de ambtenaar. Bij de kennisgeving wordt melding gemaakt van de mogelijke beroepen en van de termijn waarbinnen ze moeten worden uitgeoefend. Art. 176.Behalve bij ontslag van ambtswege of van afzetting, wordt de wedde die gedurende de schorsing in het belang van de dienst werd ingehouden aan de ambtenaar terugbetaald zodra de schorsing in het belang van de dienst eindigt. TITEL XIII. - Standen en administratieve anciënniteit HOOFDSTUK I. - Administratieve standen Art. 177.De ambtenaar bevindt zich te allen tijde in een van de volgende standen : 1° dienstactiviteit;2° non-activiteit;3° disponibiliteit. Art. 178.De ambtenaar wordt voor de vaststelling van zijn administratieve stand altijd geacht in actieve dienst te zijn, behoudens uitdrukkelijke bepaling die hem hetzij van rechtswege, hetzij bij beslissing van de bevoegde overheid in een andere administratieve stand plaatst. Art. 179.De ambtenaar wordt geacht effectieve diensten te presteren zolang hij zich bevindt in een administratieve stand die hem recht geeft op zijn activiteitswedde of, zo niet, aan het behoud van zijn aanspraken op verhoging in wedde. De dienstonderbreking kan alleen ten laste van de ambtenaar worden gelegd wanneer ze toe te schrijven is aan zijn niet verantwoorde initiatief of aan zijn fout. In die gevallen wordt de dienstonderbreking als vrijwillig beschouwd. Art. 180.De maximale gemiddelde duur van de arbeidstijd bedraagt achtendertig uren per week voor voltijdse prestaties. Art. 181.Tenzij anders wordt bepaald, heeft de ambtenaar die zich in de stand dienstactiviteit bevindt : 1° recht op zijn wedde;2° recht op verhoging in wedde;3° kan hij zijn aanspraken op bevordering doen gelden. Art. 182.Tenzij anders wordt bepaald, heeft de ambtenaar die zich bevindt in de stand non-activiteit : 1° geen recht op wedde;2° geen recht op verhoging in wedde;3° kan hij zijn aanspraken op bevordering niet doen gelden. Art. 183.De ambtenaar kan niet in non-activiteit gesteld of gehouden worden wanneer hij aan de vereisten voldoet om in ruste te worden gesteld. Art. 184.De ambtenaar die zonder toelating afwezig is of zonder gegronde reden de termijn van zijn verlof overschrijdt, bevindt zich van rechtswege in de stand non-activiteit. Art. 185.Onder de voorwaarden vastgesteld in de regeling betreffende de verloven en andere afwezigheden vermeld in boek III, kan de ambtenaar in disponibiliteit worden gesteld : 1° wegens ziekte of gebrekkigheid waaruit geen definitieve dienstongeschiktheid ontstaat, maar die aanleiding geeft tot langere afwezigheid dan voor verlof wegens ziekte of gebrekkigheid;2° wegens persoonlijke aangelegenheid;3° wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst. Art. 186.De ambtenaar kan niet in disponibiliteit gesteld of gehouden worden wanneer hij aan de vereisten voldoet om in ruste te worden gesteld. Art. 187.§ 1. Er worden wachtwedden, waarvan de cijfers in Boek III van dit besluit worden vastgesteld, uitgekeerd aan de ambtenaren die wegens ziekte of gebrekkigheid in disponibiliteit worden gesteld. § 2. De ambtenaar die wegens ziekte of gebrekkigheid in disponibiliteit wordt gesteld, behoudt zijn aanspraken op bevordering alsook zijn administratieve en geldelijke anciënniteit. § 3. De ambtenaar die wegens persoonlijke aangelegenheid in disponibiliteit wordt gesteld, ontvangt geen wachtwedde. Hij kan zich niet beroepen op een ziekte of een gebrekkigheid waarvan hij gedurende zijn disponibiliteitsperiode het slachtoffer is geweest. Hij behoudt zijn aanspraken op bevordering, mutatie en verhoging in wedde niet. HOOFDSTUK II. - Administratieve anciënniteit Art. 188.Voor de toepassing van de verordeningsbepalingen die uitgaan van de administratieve anciënniteit, wordt onder de ambtenaren wier anciënniteit moet worden vergeleken de voorrang als volgt bepaald : 1° de ambtenaar met de grootste ranganciënniteit;2° bij gelijke ranganciënniteit, de ambtenaar met de grootste dienstanciënnitiet;3° bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar. Art. 189.§ 1. Voor het berekenen van de niveauanciënniteit komen in aanmerking de werkelijke diensten die de ambtenaar als statutair personeelslid en zonder vrijwillige onderbreking heeft verricht in één van de volgende instellingen : 1° elke instelling naar internationaal recht waarvan de Federale Staat, een Gewest of een Gemeenschap lid is;2° elke instelling, die al dan niet als een afzonderlijke rechtspersoon wordt opgericht, die ressorteert onder de wetgevende macht, de uitvoerende macht of de rechterlijke macht van de Federale Staat, een Gewest, een Gemeenschap of een Gemeenschapscommissie;3° elke instelling die ressorteert onder een provincie, een gemeente, een vereniging van gemeenten, een agglomeratie of een federatie van gemeenten, alsook elke instelling die ressorteert onder een instelling die aan een provincie of een gemeente ondergeschikt is;4° elke instelling naar internationaal recht waarvan een andere Staat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland of een deel van die Staten dat analoog is aan een Gewest of een Gemeenschap lid is;5° elke instelling van een andere Staat van de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland die analoog is aan de in 2° en 3° bedoelde instellingen. Voor het berekenen van de niveauanciënniteit komen eveneens in aanmerking de werkelijke diensten die de ambtenaar als in vast verband benoemd personeelslid en zonder vrijwillige onderbreking heeft verricht in elke onderwijsinstelling of -inrichting, dienst voor school- en beroepsoriëntatie of psycho-medisch-sociaal centrum, ressorterend onder een gemeenschap, de Staat of een gesubsidieerde inrichtende macht, alsook in elke instelling of inrichting, dienst of elk analoog centrum van een andere Staat van de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland. § 2. Voor het berekenen van de ranganciënniteit komen in aanmerking de werkelijke diensten die de ambtenaar als statutair personeelslid en zonder vrijwillige onderbreking heeft verricht in een rang die ten minste gelijkwaardig is met de rang die hij bekleedde bij zijn aanwerving in de in § 1 bedoelde instellingen. § 3. Voor het berekenen van de dienstanciënniteit komen in aanmerking de werkelijke diensten die de ambtenaar als statutair personeelslid of contractueel personeelslid en zonder vrijwillige onderbreking heeft verricht in de in § 1 bedoelde instellingen. Art. 190.Voor het berekenen van de rang-, niveau- en dienstanciënniteit, tot beloop van hoogstens tien jaar, komen in aanmerking de diensten die de ambtenaar als statutair of contractueel personeelslid heeft verricht in de overheidssector van een andere Staat dan deze die in artikel 189, § 1 bedoeld zijn, in de privé-sector alsook als zelfstandige, als het gaat om diensten die overeenstemmen met een beroepservaring die bij de werving geëist wordt. Art. 191.Voor het berekenen van de rang- en niveauanciënniteit komen rechtsreeks in aanmerking de werkelijke diensten die de ambtenaar zonder vrijwillige onderbreking heeft verricht als titularis van een ambt met volledige prestaties. Voor de rang- of niveauanciënniteit, worden de in aanmerking komende diensten berekend vanaf de datum waarop de ambtenaar benoemd is in een graad van de betrokken rang of het betrokken niveau of waarop hij werd gerangschikt voor de bevordering door een uitdrukkelijke terugwerkende kracht van zijn benoeming in een dergelijke graad. Voor de berekening van de dienstanciënniteit, worden rechtsreeks in aanmerking genomen, de diensten die de ambtenaar in welke hoedanigheid dan ook werkelijk heeft gepresteerd als titularis van een ambt dat volledige prestaties bevat. Art. 192.§ 1. De in aanmerking komende diensten die volledige maanden dekken, worden rechtstreeks meegerekend voor de rang-, niveau- en dienstanciënniteit. § 2. De in aanmerking komende diensten die delen van maanden dekken, worden op het einde van het jaar opgeteld. De delen van maanden die perioden van dertig dagen tellen, worden meegerekend voor de rang-, niveau- en dienstanciënniteit, in verhouding tot één maand per periode van dertig dagen. De in het eerste lid bedoelde in aanmerking komende diensten hebben slechts uitwerking met ingang van 1 januari van het volgende jaar. De delen van maanden die op het einde van het jaar korter zijn dan een periode van dertig dagen worden overgedragen naar het volgende jaar, waar, op het einde van het dienstjaar, de bepalingen bedoeld in het eerste en tweede lid, opnieuw op ze worden toegepast. Art. 193.De duur van de diensten die in aanmerking komen voor de berekening van de rang-, niveau- en dienstanciënniteit kan nooit de werkelijke duur overschrijden van de perioden die de werkelijke diensten dekken. Art. 194.De diensten die in aanmerking komen voor de berekening van de rang-, niveau- en dienstanciënniteit worden door de administrateur-generaal vastgesteld op verzoek van de ambtenaar, die zijn aanvraag uiterlijk binnen de drie maanden na zijn benoeming in vast verband moet indienen. De ambtenaar voegt bij zijn aanvraag alle nuttige bewijselementen. De diensten worden in aanmerking genomen te rekenen vanaf de eerste dag van de maand die op de aanvraag volgt. TITEL XIV. - Verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en ambtsneerlegging Art. 195.Niemand kan de hoedanigheid van ambtenaar verliezen vóór de normale leeftijd van het rustpensioen, behalve in de gevallen bepaald door de rustpensioenregeling en door dit besluit. Art. 196.De hoedanigheid van ambtenaar wordt van ambtswege en zonder opzeggingstermijn verloren door : 1° de ambtenaar wiens benoeming niet regelmatig is, op voorwaarde dat die onregelmatigheid, behoudens arglist of bedrog, werd vastgesteld door de overheid die hem heeft benoemd binnen de termijn die vastgesteld is om een beroep tot vernietiging vóór de Raad van State in te dienen of, indien een dergelijk beroep werd ingediend, gedurende de procedure;2° de ambtenaar die niet meer voldoet aan de nationaliteitsvoorwaarde, de ambtenaar die zijn burgerlijke en politieke rechten niet meer geniet, die niet meer voldoet aan de dienstplichtwetten of wiens lichamelijke ongeschiktheid behoorlijk werd vastgesteld;3° de ambtenaar die, zonder geldige reden, zijn post verlaat en gedurende meer dan tien dagen afwezig blijft;4° de ambtenaar die zich in een geval bevindt waarin de toepassing van de burgerrechtelijke en strafrechtelijke wetten de ambtsneerlegging tot gevolg heeft;5° de ambtenaar die om tuchtredenen wordt ontslagen of die wordt afgezet. Art. 197.Hebben ook de ambtsneerlegging tot gevolg : 1° het vrijwillige ontslag.In dat geval kan de ambtenaar zijn dienst uiterlijk acht dagen nadat hij van zijn vrijwillige ontslag aan de administrateur-generaal kennis heeft gegeven, verlaten; 2° de inrustestelling;3° de afdanking wegens definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid. TITEL XV. - Geldelijk statuut HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities Art. 198.De bezoldiging van de ambtenaar omvat : 1° de wedde;2° de haard- of standplaatstoelage. Art. 199.De wedden van de ambtenaren worden in schalen vastgelegd. Die weddeschalen bestaan uit : 1° een minimumbedrag;2° tussentijdse wedden die overeenstemmen met trappen van geldelijke anciënniteit en die voortvloeien uit jaarlijkse, tweejaarlijkse en zesjaarlijkse tussentijdse verhogingen;3° een maximumwedde. Elke weddeschaal bestaat uit een reeks wedden die worden uitgedrukt in een aantal munteenheden dat met hun niet geïndexeerd jaarbedrag aan 100 % overeenstemt. Art. 200.De geldelijke anciënniteit wordt berekend door de diensten op te tellen die voor de vaststelling van de wedde in aanmerking komen. HOOFDSTUK II. - Wedden Afdeling I. - Vaststelling van de weddeschalen Art. 201.De weddeschalen zijn deze die in bijlage X worden vastgesteld. Art. 202.Er wordt een weddeschaal toegekend aan de titularis van een graad, volgens de volgende overeenstemming : - de weddeschaal A2 voor de graad van administrateur-generaal; - de weddeschaal A3 voor de graden van adjunct-administrateur-generaal en inspecteur-generaal; - de weddeschaal A4S voor de graad van directeur, houder van een diploma van doctor in de wetenschappen, landbouwingenieur en burgerlijk ingenieur, arts, apotheker en dierenarts of van master op het gebied van informatica, en die een ambt uitoefent in rechtstreeks en concreet verband met het diploma waarvan hij houder is; - de weddeschaal A4 voor de graad van directeur; - de weddeschaal A5S voor de graad van eerste attaché, houder van een diploma van doctor in de wetenschappen, landbouwingenieur en burgerlijk ingenieur, arts, apotheker en dierenarts of van master op het gebied van informatica, en die een ambt uitoefent in rechtstreeks en concreet verband met het diploma waarvan hij houder is; - de weddeschaal A5 voor de graad van eerste attaché; - de weddeschaal A6S voor de graad van attaché, houder van een diploma van doctor in de wetenschappen, landbouwingenieur en burgerlijk ingenieur, arts, apotheker en dierenarts of van master op het gebied van informatica, en die een ambt uitoefent in rechtstreeks en concreet verband met het diploma waarvan hij houder is; - de weddeschaal A6 voor de graad van attaché; - de weddeschaal B1 voor de graad van eerste gegradueerde; - de weddeschaal B2 voor de graad van eerstaanwezend gegradueerde; - de weddeschaal B3 voor de graad van gegradueerde; - de weddeschaal C1 voor de graad van eerste assistent; - de weddeschaal C2 voor de graad van eerstaanwezend assistent; - de weddeschaal C3 voor de graad van assistent; - de weddeschaal D1 voor de graad van eerste adjunct; - de weddeschaal D2 voor de graad van eerstaanwezend adjunct; - de weddeschaal D3 voor de graad van adjunct. De ambtenaar aan wie een weddeschaal A6S of A5S wordt toegekend, die vraagt om een ander ambt uit te oefenen waarvoor de weddeschalen A6 of A5 worden bepaald, verliest het genot van de weddeschalen A6S of A5S, zodra hij dat andere ambt uitoefent. Art. 203.De wedde van iedere ambtenaar wordt in de schaal van zijn graad vastgesteld. Art. 204.Bij elke wijziging van het geldelijk statuut van een graad, wordt de wedde in verband met die graad opnieuw vastgesteld alsof het nieuwe geldelijk statuut altijd had bestaan. In één zelfde graad, wanneer de aldus vastgestelde nieuwe wedde lager is dan deze die de ambtenaar geniet op het ogenblik van de inwerkingtreding van een nieuwe geldelijke loopbaan, wordt het voordeel van de vroegere geldelijke loopbaan behouden totdat een ten minste gelijke wedde in de nieuwe geldelijke loopbaan wordt toegekend. Art. 205.In de schaal verbonden aan de graad waarin hij werd bevorderd, ontvangt de ambtenaar nooit een wedde die lager is dan deze die hij genoot of zou hebben genoten in zijn vroegere graad. Afdeling II. - In aanmerking komende diensten Art. 206.§ 1. Voor de berekening van de geldelijke anciënniteit komen de werkelijke diensten in aanmerking die de ambtenaar als statutair of als contractueel personeelslid zonder vrijwillige onderbreking heeft gepresteerd in de volgende instellingen : 1° elke instelling naar internationaal recht waarvan de Federale Staat, een Gewest of een Gemeenschap lid is;2° elke instelling, al dan niet als afzonderlijke rechtspersoon opgericht, die ressorteert onder de wetgevende macht, de uitvoerende macht of de rechterlijke macht van de Federale Staat, een Gewest, een Gemeenschap of een Gemeenschapscommissie;3° elke instelling die ressorteert onder een provincie, een gemeente, een vereniging van gemeenten, een agglomeratie of een federatie van gemeenten, alsook elke instelling die ressorteert onder een inrichting die aan een provincie of een gemeente ondergeschikt is;4° elke andere instelling naar Belgisch recht die beantwoordt aan collectieve behoeften van algemeen of lokaal belang en in de directie waarvan de overheid de belangrijkste plaats inneemt;5° elke instelling naar internationaal recht waarvan een andere Staat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland of een bestanddeel van één van die Staten dat gelijksoortig is met een Gewest of een Gemeenschap lid is;6° elke instelling van een andere Staat van de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland die gelijksoortig is met de instellingen bedoeld in 2° tot 4°;7° elke onderwijsinstelling of -inrichting, dienst voor school- en beroepsoriëntatie of gesubsidieerd psycho-medisch-sociaal centrum, alsook elke instelling of inrichting, dienst of gelijksoortig centrum van een andere Staat van de Europee Economische Ruimte of van Zwitserland. § 2. Voor de berekening van de geldelijke anciënniteit komen eveneens, voor een maximumduur van zes jaar, de diensten in aanmerking die werden gepresteerd als tewerkgestelde werkloze in de Belgische overheidssector en in een hoedanigheid die gelijksoortig is met die van tewerkgestelde werkloze in de overheidssector van een andere Staat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland. § 3. Voor de berekening van de geldelijke anciënniteit komen eveneens, voor een maximumduur van zes jaar, de diensten in aanmerking die werden gepresteerd als statutair of contractueel personeelslid in de overheidssector van een andere Staat dan deze die bedoeld zijn in § 1, in de privé-sector, alsook als zelfstandige. Die beperking wordt op tien jaar vastgesteld als het gaat om diensten die overeenstemmen met een beroepservaring die bij de werving wordt vereist. Art. 207.De werkelijke diensten die de ambtenaar vroeger onvolledig heeft gepresteerd in een ambt bedoeld in artikel 206 komen in aanmerking tot beloop van de evenredige duur van een voltijdse opdracht die deze diensten uitmaken op het ogenblik waarop ze worden gepresteerd. Art. 208.§ 1. De in aanmerking komende diensten die betrekking hebben op volledige maanden worden rechtstreeks meegeteld in de geldelijke anciënniteit. § 2. De in aanmerking komende diensten die delen van maanden dekken, worden op het einde van het jaar opgeteld. De delen van maanden die perioden van dertig dagen uitmaken, worden meegeteld in de geldelijke anciënniteit, in verhouding tot één maand voor een periode van dertig dagen. De in aanmerking komende diensten bedoeld in het eerste lid hebben, in de geldelijke anciënniteit, pas op 1 januari van het daarop volgende jaar uitwerking. Die diensten hebben uitwerking op de dag van de werving als ambtenaar of stagiair of op de eerste dag van de maand volgend op de werving in die hoedanigheid als de dag van de werving niet met het begin van de maand overeenstemt. De delen van maanden die op het einde van een jaar korter zijn dan een periode van dertig dagen worden overgedragen naar het volgende jaar, op het einde waarvan de bepalingen bedoeld in het eerste en tweede lid opnieuw op ze van toepassing zijn. Art. 209.De duur van de diensten die voor de berekening van de geldelijke anciënniteit in aanmerking komen, kan nooit de werkelijke duur overschrijden van de perioden die de werkelijke diensten dekken. De duur van de in aanmerking komende diensten die de ambtenaar in het onderwijs in interim - of tijdelijk verband heeft gepresteerd, wordt bepaald op grond van het attest dat door de bevoegde overheid wordt uitgereikt. De op dat attest vermelde volledige prestaties, waarvoor de uitbetaling in tienden werd verricht en die geen volledig jaar werkelijke diensten per schooljaar uitmaken, worden dag per dag opgeteld. Het totaal aantal aldus gepresteerd dienstdagen die volledige prestaties dekken, wordt met 1,2 vermenigvuldigd. Het totaal van die wiskundige bewerking wordt vervolgen