📄 Wettekst
5 DECEMBER 2008. - Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap tot vaststelling van het administratief statuut en het geldelijk statuut van het personeel van « Wallonie-Bruxelles International »
De Regering van de Franse Gemeenschap, Gelet op het samenwerkingsakkoord tussen de Franse Gemeenschap, het Waals Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot oprichting van een gemeenschappelijke entiteit voor de internationale betrekkingen « Wallonie-Bruxelles », gesloten op 20 maart 2008, inzonderheid op de artikelen 3 en 4;
Gelet op het
decreet van 9 mei 2008Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
09/05/2008
pub.
29/08/2008
numac
2008029367
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Franse Gemeenschap, het Waals Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot oprichting van een gemeenschappelijke entiteit voor de internationale betrekkingen "Wallonie-Bruxelles"
sluiten houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Franse Gemeenschap, het Waals Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot oprichting van een gemeenschappelijke entiteit voor de internationale betrekkingen « Wallonie-Bruxelles », gesloten op 20 maart 2008;
Gelet op de adviezen van de Inspectie van Financiën, gegeven op 24 april en 31 oktober 2007;
Gelet op het protocol nr. 362 van het onderhandelingscomité van sector XVII, gesloten op 17 januari 2008;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Ambtenarenzaken van 23 november 2007;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 23 november 2007;
Gelet op het advies nr. 44.790/2/V van de Raad van State, uitgebracht op 4 augustus 2008 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van de Minister van Ambtenarenzaken en de minister bevoegd voor de internationale betrekkingen;
Gelet op de beraadslaging van de Regering van 5 december 2008, Besluit : BOEK I. - ADMINISTRATIEF EN GELDELIJK STATUUT VAN DE AMBTENAREN VAN « WALLONIE-BRUXELLES INTERNATIONAL » TITEL I. - Hoedanigheid van ambtenaar, rechten en plichten Artikel 1.Ambtenaar van « Wallonie-Bruxelles International » is ieder statutair personeelslid dat in vast dienstverband tewerkgesteld is in « Wallonie-Bruxelles International », hierna « de instelling » genoemd. Art. 2.§ 1. De ambtenaren oefenen hun ambt op loyale, zorgvuldige en integere wijze uit onder het gezag van hun hiërarchische meerderen.
Ze dienen de van kracht zijnde wetten en verordeningen alsmede de procedures en richtlijnen van de overheid waartoe zij behoren, na te leven.
Ze eerbiedigen de werkinstrumenten die hun ter beschikking worden gesteld, gebruiken die om professionele doeleinden en volgens regels die worden vastgesteld door de overheid waaronder ze ressorteren.
Bij hun dagelijks werk nemen ze de administratieve gedragscode in acht die als bijlage I bij dit besluit gaat. § 2. De ambtenaren behandelen de gebruikers van hun dienst welwillend en zonder enige discriminatie. Ze waarborgen de gebruikers een gelijke behandeling, zonder onderscheid inzonderheid op grond van nationaliteit, geslacht, sociale of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. § 3. Buiten de uitoefening van hun ambt vermijden de ambtenaren elke handelwijze die het vertrouwen van het publiek in hun dienst kan aantasten. § 4. Zelfs buiten hun ambt doch ter oorzake ervan, mogen de rijksambtenaren rechtstreeks of bij tussenpersoon, geen giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen. § 5. De ambtenaren behandelen hun dossiers en formuleren adviezen voor hun hiërarchische meerderen en het Waalse Gewest, de Regering van de Franse Gemeenschap Wallonië-Brussel en het College van de Franse Gemeenschapscommissie van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, hierna Regeringen of College genoemd, onafhankelijk van elke externe invloed, en behartigen geen persoonlijk belang. De ambtenaren nemen geen deel aan een besluitvorming in dossiers waarin ze persoonlijke belangen hebben. § 6. De ambtenaren houden zich permanent op de hoogte van de ontwikkeling van de technieken, regelingen en onderzoeken in de materies waarmee ze beroepshalve belast zijn. Art. 3.§ 1. De ambtenaren hebben het recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan zij kennis hebben uit hoofde van hun ambt. § 2. Het is hun enkel verboden die feiten bekend te maken die betrekking hebben op 's lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten, het medisch geheim, de rechten en de vrijheden van de burger, en in het bijzonder op het recht op eerbied voor het privé-leven; dit verbod geldt bovendien voor feiten die betrekking hebben op de voorbereiding van alle beslissingen zolang er nog geen eindbeslissing is genomen alsmede voor feiten die, wanneer zij bekend worden gemaakt, de belangen van de instelling, het Waalse Gewest, de Franse Gemeenschap Wallonië-Brussel of de Franse Gemeenschapscommissie van het Gewest Brussel-Hoofdstad, kunnen schaden.
De bepalingen van voorgaande leden gelden eveneens voor de ambtenaren die hun ambt hebben neergelegd. § 3. De ambtenaren hebben recht op informatie wat alle aspecten betreft die nuttig zijn voor hun taakvervulling. § 4. Iedere ambtenaar heeft het recht inzage te krijgen in zijn persoonlijk dossier en er een kosteloos afschrift van te bekomen. § 5. De deelneming van de ambtenaar aan een overlegde werkonderbreking kan voor die ambtenaar alleen het verlies van de wedde, voor de werkonderbrekingsperiode, tot gevolg hebben. § 6. De ambtenaren hebben recht op de opleiding die nuttig is voor hun werk. Er wordt in die opleiding voorzien overeenkomstig de titels 5 en 6 van dit besluit. § 7. De ambtenaren hebben het recht om met waardigheid te worden behandeld, zowel door hun hiërarchische meerderen als door hun ondergeschikten.
TITEL II. - Algemene bepalingen Art. 4.De graad is de titel die de ambtenaar in de hiërarchie situeert en hem machtigt tot het bekleden van één van de betrekkingen in de personeelsformatie die met deze graad overeenstemmen.
De graden worden onderverdeeld in rangen en de rangen in niveaus. Art. 5.De rang bepaalt de betrekkelijke plaats van een graad in zijn niveau.
De rangen worden in niveaus onderverdeeld als volgt : 1. in niveau 1, vijf rangen, aangeduid met letter A;2. in niveau 2+, drie rangen aangeduid met letter B;3. in niveau 2, drie rangen aangeduid met letter C;4. in niveau 3, drie rangen aangeduid met letter D. Art. 6.De graden worden in rangen onderverdeeld als volgt : 1. in rang A2, de graad van administrateur-generaal;2. in rang A3, de graden van adjunct-administrateur-generaal en inspecteur-generaal;3. in rang A4, de graad van directeur;4. in rang A5, de graad van eerste attaché;5. in rang A6, de graad van attaché;6. in rang B1, de graad van eerste attaché;7. in rang B2, de graad van eerstaanwezend gegradueerde;8. in rang B3, de graad van gegradueerde;9. in rang C1, de graad van eerste assistent;10. in rang C2, de graad van eerstaanwezend assistent;11. in rang C3, de graad van assistent;12. in rang D1, de graad van eerste adjunct;13. in rang D2, de graad van eerstaanwezend adjunct;14. in rang D3, de graad van geschoold adjunct;15. in rang D4, de graad van adjunct. Art. 7.De ambtenaren-generaal zijn de ambtenaren van de rangen A2 en A3.
De administrateur-generaal wordt bij mandaat in rang A2 aangesteld; de adjunct-administrateur-generaal wordt bij mandaat in rang A3 aangesteld. Art. 8.De betrekkingen van attaché, gegradueerde, assistent, geschoold adjunct en adjunct kunnen bij werving worden toegekend. Art. 9.§ 1. De administrateur-generaal coördineert de diensten van de instelling en zorgt voor het samenhangende beheer ervan. Voor de interne affectaties is de administrateur-generaal verantwoordelijk. § 2. De Regeringen stellen, voor elk van hun bevoegdheden, de bevoegdheidsdelegaties vast die ze aan de administrateur-generaal toekennen. Ze sommen de bevoegdheden op die de administrateur-generaal kan subdelegeren. Art. 10.§ 1. De Regeringen stellen de organieke personeelsformatie van de instelling vast en bepalen de opschriften van de afdelingen en directies.
Elke afdeling staat onder leiding van een ambtenaar-generaal; elke directie staat onder leiding van een directeur.
De organieke personeelsformatie vermeldt de maximale personeelsbehoeften om de aan de instelling opgelegde opdrachten uit te oefenen.
Onder hiërarchische meerdere dient te worden verstaan, iedere ambtenaar-generaal, iedere ambtenaar van rang A4, of A5, of A6, belast met het beheer van een dienst. § 2. Omkaderingsbetrekkingen worden in de rangen A5, B1 en C1 gerangschikt.
Onder in rang A5 gerangschikte omkaderingsbetrekking dient een betrekking te worden verstaan die de verantwoordelijkheid voor de organisatie van een dienst en de evaluatie van het werk van het personeel inhoudt.
Onder in de rangen B1 en C1 gerangschikte omkaderingsbetrekking dient een betrekking te worden verstaan die de verantwoordelijkheid voor de werkorganisatie binnen een team en de controle op de uitvoering ervan inhoudt. Art. 11.§ 1. Het directiecomité bedoeld in artikel 131 stelt een functionele personeelsformatie vast. § 2. De wijzigingen van de functionele personeelsformatie worden door de administrateur-generaal op het einde van elk semester meegedeeld aan de leden van de Regeringen en van het College bevoegd voor de ambtenarenzaken en de internationale betrekkingen. Art. 12.Onder vaardigheid wordt een mentaal of lichamelijk vrij stabiele stand verstaan waarmee een individu gekenmerkt wordt.
Vaardigheid is een potentialiteit : ze is vereist om een bepaalde taak te verrichten, maar ze kan latent blijven zolang de uitvoering van sommige activiteiten haar niet te voorschijn laat komen.
Vaardigheden worden door middel van tests of gestandaardiseerde proeven van psychometrische aard gemeten.
Onder capaciteit wordt verstaan : het werkelijke, rechtstreeks waarneembare en meetbare gebruik van een vaardigheid. De capaciteit wordt verworven door middel van een aanvankelijk leerproces; ze wordt verrijkt door de praktijk of door formele processen inzake voortgezette opleiding.
Onder bekwaamheid wordt verstaan : het gebruik van een gestructureerd en hiërarchisch systeem inzake theoretische of procedurele kennis, praktische bedrevenheid en psychosociale gedragingen, met het oog op het produceren van een goed of het presteren van een dienst in een bepaalde context en met een bepaald kwaliteitsniveau. De uitoefening van een bekwaamheid wordt altijd in een concrete toestand vastgesteld en kan van de ene toestand naar de andere worden overgedragen.
Onder bekwaamheidsprofiel wordt verstaan : het geheel van de bijzondere vaardigheden en kennis, of vereiste ervaring in het profiel van het ambt.
Onder transversale bekwaamheden wordt verstaan : de gemeenschappelijke bekwaamheden die vereist zijn voor de uitoefening van verschillende activiteiten. Art. 13.De procedure voor de toekenning van een betrekking kan één jaar vóór de datum waarop ze werkelijk vacant wordt, voor een bevorderingsambt, en twee jaar vóór de datum waarop ze werkelijk vacant wordt, voor een wervingsambt, beginnen. Art. 14.§ 1. Er wordt voorzien in de toekenning van een betrekking van directeur, als die betrekking vacant is, opeenvolgend : 1° door mutatie op aanvraag van een ambtenaar van de instelling;2° door bevordering door verhoging in graad. § 2. Er wordt voorzien in de toekenning van een omkaderingsbetrekking van eerste attaché, eerste gegradueerde, eerstaanwezend gegradueerde, eerste assistent, eerstaanwezend assistent, eerste adjunct, eerstaanwezend adjunct en geschoold adjunct door bevordering door verhoging in graad van een ambtenaar van de instelling. Art. 15.Er wordt voorzien in de toekenning van een wervingbetrekking, als die betrekking vacant is, opeenvolgend door : 1° bevordering door overgang naar het hogere niveau van een ambtenaar van de instelling;2° mobiliteit van ambtenaren van de diensten of instellingen van de Waalse Regering of van de Regering van de Franse Gemeenschap;3° werving. Art. 16.Wat de mobiliteit van ambtenaren bedoeld in artikel 15, 2°, betreft, stelt het directiecomité een voorlopig voorstel vast, inzonderheid op grond van de beste overeenstemming tussen het bekwaamheidsprofiel van de ambtenaar en het ambtsprofiel.
Dat voorlopige voorstel tot rangschikking van de kandidaten die het als geschikt acht of tot niet rangschikking wordt met redenen omkleed en aan de kandidaten meegedeeld.
Het directiecomité doet een voorstel volgens één van de wijzen bedoeld in artikel 15 alleen als er geen kandidaatstelling is voor de toekenning van de betrekking volgens de vorige wijze of als de Regering beslist heeft de betrekking aan geen kandidaat toe te kennen.
Iedere kandidaat kan, binnen de veertien dagen na de kennisgeving, zijn aan- en opmerkingen laten kennen of een aanklacht indienen bij de voorzitter van het directiecomité. Het directiecomité beslist over de aanklacht, binnen de maand na de ontvangst ervan, na de aanklachtindiener te hebben gehoord, indien deze dit wenst. De aanklachtindiener kan zich door een persoon naar keuze laten vertegenwoordigen.
De met redenen omklede beslissing van het directiecomité over de aan- en opmerkingen of de aanklacht wordt meegedeeld aan de persoon die zijn aan- en opmerkingen heeft laten kennen of die een aanklacht heeft ingediend.
Bij wijziging van het voorlopige voorstel, wordt het met redenen omklede definitieve voorstel aan alle kandidaten meegedeeld. Art. 17.Elk jaar, vóór 31 januari, publiceert de administrateur-generaal een jaarboek met de namen van de ambtenaren, waarin hun graad, hun diploma, hun geboortedatum, het bewijs dat ze geslaagd zijn voor de proef voor geldigverklaring van de verworven bekwaamheden, en een functioneel organogram met vermelding van alle personeelsleden, opgenomen zijn. Art. 18.De administratieve standplaats van de ambtenaar wordt bepaald op de plaats waar zijn dienst gevestigd is of op elke andere plaats, voor zover deze overeenstemt met de plaats waar hij zijn gewone activiteiten uitoefent.
TITEL III. - Werving en loopbaan HOOFDSTUK I. - Werving Art. 19.Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd als hij niet aan de volgende toelatingsvoorwaarden voldoet : 1° een gedrag hebben dat beantwoordt aan de eisen van het ambt;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° voldoen aan de dienstplichtwetten;4° het bewijs leveren dat hij de lichamelijke geschiktheid heeft die vereist is voor het uit te oefenen ambt;5° houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift in verband met het niveau van de toe te kennen graad volgens de tabel die als bijlage II gaat;6° de voorwaarden voor de toegang tot de betrekking, vastgesteld bij de vacantverklaring van de betrekking;7° geslaagd zijn voor een vergelijkend wervingsexamen dat door SELOR voor het Waalse Gewest, de Franse Gemeenschap of de instelling wordt georganiseerd;8° een stage met succes hebben gevolgd. Art. 20.De benoeming heeft uitwerking met ingang van de dag van de toelating tot de stage. Art. 21.De hoedanigheid van ambtenaar wordt bekrachtigd door de eed die wordt afgelegd in de bewoordingen vastgesteld bij artikel 2 van het
decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
14/12/2000
pub.
05/01/2001
numac
2000002134
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Wet tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in openbare sector
sluiten0. HOOFDSTUK II. - Stage Art. 22.De stage duurt één jaar voor de kandidaat-ambtenaren van de niveaus 1 en 2+ en zes maanden voor de kandidaat-ambtenaren van de niveaus 2 en 3.
Voor de berekening van de duur van de stage, worden alle perioden gedurende welke de stagiair zich in de stand dienstactiviteit bevindt, in aanmerking genomen.
Met uitzondering van de jaarlijkse vakantieperioden, de syndicale verloven, de omstandigheidsverloven, de verloven wegens overmacht, de verloven voor de uitoefening van een ambt in een ministerieel kabinet van een lid van de Waalse Regering, de Regering van de Franse Gemeenschap Wallonië-Brussel of van het College van de Franse Gemeenschapscommissie van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, schorsen de verlofperioden waarop de stagiair van de niveaus 1 of 2+ recht hebben echter de duur van de stage, als hun totale duur meer dan veertig dagen bedraagt.
Voor de stagiair van de niveaus 2 of 3, bedraagt die totale duur twintig dagen. Art. 23.De als stagiair te benoemen geslaagde wordt aangesteld overeenkomstig de artikelen 95 tot 98. Hij wordt als stagiair door de administrateur-generaal benoemd.
De benoeming als stagiair heeft een onmiddellijke uitwerking. Ze heeft evenwel uitwerking : 1° op het einde van elke ongeschiktheidsperiode van de stagiair, voor zover deze uit de uitvoering van wettelijke verplichtingen voortvloeit;2° op het einde van een periode van hoogstens drie maanden, aangevraagd door een geslaagde om een activiteit als zelfstandige in hoofdzaak af te handelen;3° op het einde van elke ongeschiktheidsperiode van de stagiair voortvloeiend uit een geval van overmacht, voor zover ze niet langer dan zes maanden duurt. Art. 24.§ 1. De evaluatieverslagen van de stagiairs van de niveaus 1 en 2+ worden collegiaal opgesteld door de ambtenaar van ten minste rang A4 waaronder de stagiair ressorteert en door de directie vorming van de instelling. § 2. De evaluatieverslagen van de stagiairs van de niveaus 2 en 3 worden opgesteld door de ambtenaar van ten minste rang A4 waaronder de stagiair ressorteert.
De ambtenaar van ten minste rang A4 zendt de evaluatieverslagen aan de administrateur-generaal over. § 3. Als de stagiair zijn stage binnen een ministerieel kabinet van een Lid van de Regeringen of van het College verricht, stelt de betrokken minister of diens afgevaardigde de evaluatieverslagen bedoeld in de §§ 1 en 2 op. Ze worden aan de administrateur-generaal overgezonden. Art. 25.§ 1. De criteria voor de evaluatie van de stagiair worden hem bij het begin van de stage meegedeeld. Die zijn criteria voor de beoordeling van de prestaties en criteria voor de beoordeling van de vaardigheden.
De criteria voor de beoordeling van de prestaties zijn de volgende : - kwaliteit van het werk (kwaliteit en stand van voltooiing van het werk - zonder rekening te houden met het kwantitatieve rendement), zorgvuldigheid, juistheid en nauwkeurigheid; - kwantiteit van het werk (hoeveelheid in een bepaalde tijdsspanne uitgevoerd buiten beschouwing van de kwaliteit van het werk - capaciteit van de beoordeelde ambtenaar om alle taken van zijn ambt uit te voeren); - veelzijdigheid (capaciteit om verschillende werkzaamheden uit te voeren en andere posities te bekleden als deze die aan de stagiair worden toevertrouwd); - beschikbaarheid (reactie van betrokkene op dwingende toestanden voortvloeiend uit bijzondere omstandigheden of uit een verandering van de werkomgeving); - creativiteit, initiatief (capaciteit van de stagiair nieuwe ideeën te vinden en aan te moedigen om te reageren op onverwachte gebeurtenissen); - teamgeest en sociabiliteit (capaciteit van de stagiair in groepsverband te werken met het oog op het verwezenlijken van een gemeenschappelijk doel en het bijdragen tot het behoud van een aangename omgeving); - zin voor solidariteit (bereidheid zijn collega's te helpen). § 2. De criteria voor de beoordeling van de vaardigheden zijn de volgende : - inschakeling in het arbeidsproces (kennis van het milieu, van de instellingen en besturen van het Gewest en de Gemeenschap, van de doelstellingen van de dienst); - leren van het ambt (beheersing van de reglementen en van de gegevens in verband met het ambt, kennis van de context, contacten); - gepastheid van het ambt; - geschiktheid om te evolueren. § 3. De evaluatieverslagen worden opgemaakt op een document waarvan het model in bijlage IV voorkomt.
De evaluatie wordt opgemaakt na een gesprek met de stagiair. Art. 26.De stagiair volbrengt de stage met succes indien hij aan de meerderheid van de evaluatiecriteria voldoet. Art. 27.Het eerste verslag wordt vóór het einde van de derde maand voorgelegd, voor de stagiairs van de niveaus 1 en 2+, en vóór het einde van de tweede maand, voor de stagiairs van de niveaus 2 en 3.
Het tweede verslag wordt vóór het einde van de negende maand voorgelegd, voor de stagiairs van de niveaus 1 en 2+, en vóór het einde van de vierde maand, voor de stagiairs van de niveaus 2 en 3. Art. 28.Wanneer uit één van de verslagen blijkt dat de stagiair niet voldoet aan de stage, kan de administrateur-generaal, reeds vóór het einde van de stage, de zaak aan de stagecommissie voorleggen, om : - te beslissen over een verlenging van de stage voor een duur die niet langer kan zijn dan de helft van de oorspronkelijke duur van de stage; - te beslissen over een verandering van ambt binnen de instelling; - te beslissen over het ontslag van de stagiair.
Bij verlenging van de stage, wordt een verslag uiterlijk één maand vóór het einde van de stage voorgelegd.
De verandering van ambt brengt van rechtswege de verlenging van de stage met zich mede voor een duur die niet langer kan zijn dan de helft van de oorspronkelijke duur van de stage. Art. 29.§ 1. De stagecommissie is samengesteld uit de ambtenaren-generaal van de instelling.
De commissie wordt door de administrateur-generaal voorgezeten. § 2. De zaak kan aan de commissie worden voorgelegd door de directeur van vorming van de instelling of door de stagiair zodra uit één van de twee verslagen blijkt dat de stagiair aan de stage niet voldoet. De zaak kan aan de commissie door de directeur van vorming van de instelling worden voorgelegd indien uit de twee verslagen of uit het verslag betreffende de verlenging van de stage blijkt dat de stagiair niet aan de stage voldoet.
Na de stagiair te hebben gehoord, kan de commissie de Regeringen voorstellen de stage te verlengen of de stagiair van ambt te laten veranderen.
De commissie kan het ontslag van de stagiair voorstellen. De voorzitter van de commissie geeft zonder verwijl kennis van het voorstel tot ontslag aan de stagiair.
Als een voorstel tot ontslag wordt ingediend, kan de stagiair beroep aantekenen vóór de raad van beroep bedoeld in artikel 156.
De Regeringen nemen hun beslissing binnen een termijn van 30 dagen vanaf de datum van ontvangst van het advies van de raad van beroep, dat binnen de in artikel 169 bedoelde termijn wordt uitgebracht.
Als er binnen die termijn geen beslissing wordt genomen, wordt de beslissing als gunstig voor de stagiair geacht. Art. 30.De Regeringen voeren de benoeming in vast verband van de stagiair uit. Art. 31.De stagiair die de Regeringen beslissen gedurende de stage of op het einde van de stage te ontslaan, omdat hij een onvoldoende stage heeft volbracht, krijgt, behalve bij overmacht, een opzegtermijn van drie maanden.
TITEL III. - Lichamelijke geschiktheid Art. 32.De door de administrateur-generaal aangestelde geslaagde wordt onderworpen aan een gezondheidsbeoordeling, voorafgaand aan de stage, uitgevoerd met toepassing van de artikelen 26 tot 29 van het
koninklijk besluit van 28 mei 2003Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
28/05/2003
pub.
16/06/2003
numac
2003012303
bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
Koninklijk besluit betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers
sluiten betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers.
Wanneer de geslaagde, na de voorafgaande gezondheidsbeoordeling, als ongeschikt voor een bepaalde periode wordt verklaard door de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, wordt hij niet tot de stage toegelaten en wordt hij voor die periode afgekeurd.
Wanneer de geslaagde, na de voorafgaande gezondheidsbeoordeling, als definitief ongeschikt wordt verklaard door de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, wordt hij niet tot de stage toegelaten en wordt hij uit de reserve gezet. Art. 33.Wanneer de geslaagde geen gevolg heeft gegeven aan twee opeenvolgende oproepingen van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, waarbij de tweede bij een ter post aangetekend schrijven werd gericht, brengt deze daar zonder verwijl de administrateur-generaal op de hoogte van, die de gepaste maatregelen treft om de geslaagde uit de reserve te zetten, behoudens om een als toelaatbaar geachte reden. HOOFDSTUK IV. - Mandaten Art. 34.De ambtenaren vermeld in artikel 3, § 3 van het samenwerkingsakkoord tussen de Franse Gemeenschap, het Waals Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot oprichting van een gemeenschappelijke entiteit voor de internationale betrekkingen « Wallonie-Bruxelles » worden bij mandaat aangesteld overeenkomstig de door de Regeringen vast te stellen bepalingen, vermeld in Boek II van dit besluit. HOOFDSTUK V. - Loopbaan Afdeling I. - Algemene bepalingen
Art. 35.Er zijn twee soorten bevorderingen : 1. de bevordering door verhoging in graad;2. de bevordering door overgang naar het hogere niveau. Art. 36.Bij het begin van elk jaar, stelt de administrateur-generaal de Regeringen het jaarlijks wervings- en bevorderingsplan dat in de begroting wordt opgenomen, voor, stelt hij de vacant te verklaren betrekkingen voor, samen met een profiel van het ambt en de te raadplegen wervingsreserves.
De keuze van de te raadplegen reserves wordt door het directiecomité bepaald en met redenen omkleed, waarbij het profiel van het ambt van de toe te kennen betrekkingen in aanmerking wordt genomen, met dien verstande dat identieke reserves voor gelijksoortige betrekkingen zullen worden gebruikt.
De Regeringen melden ontvangst van het jaarplan en beschikken, vanaf de dag van de ontvangst van het plan, over zestig dagen om hun beslissing aan de administrateur-generaal mee te delen.
Als de Regeringen geen toestemming of weigering binnen de gestelde termijn hebben gegeven, wordt het jaarplan als aanvaard geacht. Art. 37.Het aantal bevorderingsbetrekkingen, buiten de omkaderingsbetrekkingen, wordt vastgesteld volgens de volgende normen : Voor rang A5, op ten minste 30 % van het totaal van de betrekkingen van de rangen A5 en A6;
Voor rang B1, op ten minste 16 % van het totaal van de betrekkingen van niveau 2+;
Voor rang B2, op ten minste 30 % van het totaal van de betrekkingen van niveau 2+;
Voor rang C1, op ten minste 16 % van het totaal van de betrekkingen van niveau 2;
Voor rang C2, op ten minste 30 % van het totaal van de betrekkingen van niveau 2;
Voor rang D1, op ten minste 20 % van het totaal van de betrekkingen van niveau 3;
Voor rang D2, op ten minste 30 % van het totaal van de betrekkingen van niveau 3;
Voor de rangen D3 en D4, op ten minste 50 % van het totaal van de betrekkingen van niveau 3.
De Regeringen benoemen de ambtenaren die worden bevorderd. Art. 38.§ 1. De bevordering door verhoging in graad is de benoeming in de onmiddellijk hogere graad van hetzelfde niveau als dat waartoe de ambtenaar behoort. Ze is afhankelijk van een vacante betrekking. § 2. De bevordering door verhoging in graad heeft uitwerking met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de benoeming. Wanneer de betrekking op de datum van de benoeming nog bezet is, heeft deze evenwel uitwerking met ingang van de eerste dag volgend op de datum waarop de betrekking ophoudt werkelijk bezet te zijn. Art. 39.De bevordering door verhoging naar het hogere niveau is de benoeming in een wervingsniveau dat hoger is dan het niveau waartoe de ambtenaar behoort. Ze is afhankelijk van een vacante betrekking van die graad.
De bevordering door overgang naar het hogere niveau heeft uitwerking met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de benoeming.
Wanneer de betrekking op de datum van de benoeming nog bezet is, heeft deze evenwel uitwerking met ingang van de eerste dag volgend op de datum waarop de betrekking ophoudt werkelijk bezet te zijn. Art. 40.De procedure voor de oproep tot kandidaten voor de vacant verklaarde betrekkingen wordt overeenkomstig het tweede tot zevende lid vastgesteld.
De voorwaarden moeten vervuld zijn op de dag van de vacantverklaring van de betrekking en op de dag van de bevordering of de mutatie.
De oproep tot kandidaten voor de mutatie of de bevordering wordt gelijktijdig bij een ter post aangetekend schrijven overgezonden aan de ambtenaren die tot de personeelsformatie van de instelling behoren.
De oproep tot de kandidaten omvat het profiel van het ambt en de selectie- en rangschikkingscriteria.
Op straffe van nietigheid, is de termijn voor de indiening van de kandidaturen eenentwintig dagen te rekenen vanaf de tweede werkdag volgend op de dag waarop het aan de kandidaten gerichte bericht betreffende de vacature bij de post wordt ingediend. De procedure voor de oproep tot kandidaten kan niet tussen 15 juli en 31 augustus worden ingezet.
Op straffe van nietigheid vermeldt de persoon die zich voor verschillende betrekkingen kandidaat stelt de betrekkingen waarvoor hij een voorkeur heeft in dalende volgorde en in Arabische cijfers.
Op straffe van nietigheid, wordt de kandidatuur voor elke betrekking met redenen omkleed en samen met een curriculum vitae volgens het in bijlage V vermelde model ingediend.
De kandidaturen worden bij een ter post aangetekend schrijven ingediend, op straffe van nietigheid. Afdeling II. - Bevordering door verhoging in graad in de graad van
directeur Art. 41.Door verhoging in graad in de graad van directeur kan worden bevorderd, de ambtenaar van niveau 1, rang A5 of A6, die voldoet aan de volgende voorwaarden : 1. een niveauanciënniteit van zes jaar tellen;2. het bewijs leveren van de positieve evaluatie;3. geen definitieve en niet doorgehaalde tuchtsanctie ondergaan;4. titularis zijn van het directiebrevet. Art. 42.Het directiecomité stelt, onder meer op grond van het bekwaamheidsprofiel en van de visie op de uitoefening van de opdracht in verband met de toe te kennen betrekking, een voorlopig voorstel op tot rangschikking van kandidaten die het geschikt acht voor : 1. de mutatie;2. de bevordering door verhoging in graad. Het directiecomité doet een voorstel tot bevordering door verhoging in graad alleen als eer geen kandidatuur is voor de toekenning van de betrekking door mutatie of indien de Regering heeft beslist de betrekking aan geen van de kandidaten voor de mutatie toe te kennen.
Het voorlopige voorstel tot rangschikking of niet-rangschikking wordt met redenen omkleed en aan de kandidaten meegedeeld.
Iedere kandidaat kan, binnen de veertien dagen na de mededeling, zijn opmerkingen laten kennen of een bezwaar indienen bij de voorzitter van het directiecomité. Het directiecomité beslist over het bezwaar binnen de maand na de ontvangst ervan, na de bezwaarindiener te hebben gehoord, indien deze dit wenst. De bezwaarindiener kan zich door een persoon naar eigen keuze laten bijstaan.
De met redenen omklede beslissing van het directiecomité over de opmerkingen of het bezwaar wordt meegedeeld aan de persoon die zijn opmerkingen heeft laten kennen of die een bezwaar heeft ingediend.
Bij wijziging van het voorlopige voorstel, wordt het met redenen omklede definitieve voorstel meegedeeld aan alle kandidaten. Afdeling III. - Bevordering door verhoging in graad in de graden van
eerste attaché, eerste gegradueerde, eerste assistent, eerste adjunct Art. 43.Door verhoging in graad kunnen worden bevorderd : 1. in de graad van eerste attaché, de attaché;2. in de graad van eerste gegradueerde, de eerstaanwezend gegradueerde;3. in de graad van eerste assistent, de eerstaanwezend assistent;4. in de graad van eerste adjunct, de eerstaanwezend adjunct. Voor de omkaderingsbetrekkingen in de rangen B1 en C1, kunnen eveneens door verhoging in graad worden bevorderd : 1. in de graad van eerste gegradueerde, de gegradueerde;2. in de graad van eerste assistent, de assistent. Art. 44.Voor de omkaderingsbetrekkingen kan door verhoging in graad de ambtenaar worden bevorderd die voldoet aan de volgende voorwaarden : 1. het bewijs leveren van de positieve evaluatie;2. geen definitieve en niet doorgehaalde tuchtsanctie ondergaan;3. geslaagd zijn voor ten minste één proef ter bekrachtiging van bekwaamheid in het betrokken niveau;4. een niveauanciënniteit van zes jaar tellen;5. geslaagd zijn voor een examen van bekwaamheid tot omkadering, dat voor het betrokken niveau wordt georganiseerd, en dat verkregen werd binnen de vier jaar die voorafgaan aan de vacantverklaring van de betrekking;6. een test betreffende de beroepsselectie afleggen, om de overeenstemming tussen het profiel van de geslaagde en de toe te kennen post na te kijken. Het directiecomité doet een voorlopig voorstel tot rangschikking van de kandidaten voor de omkaderingsbetrekkingen in de rangen A5, B1 en C1 op grond van de test bedoeld in punt 6 en op grond van de rangschikking vastgesteld door het examen bedoeld in punt 5.
Het voorlopige voorstel tot rangschikking wordt met redenen omkleed en aan de kandidaten meegedeeld.
Iedere kandidaat kan, binnen de veertien dagen na de mededeling, zijn opmerkingen laten kennen of een bezwaar indienen bij de voorzitter van het directiecomité. Het directiecomité beslist over het bezwaar binnen de maand na de ontvangst ervan, na de bezwaarindiener te hebben gehoord, indien deze dit wenst. De bezwaarindiener kan zich door een persoon naar eigen keuze laten bijstaan.
De met redenen omklede beslissing van het directiecomité over de opmerkingen of het bezwaar wordt meegedeeld aan de persoon die zijn opmerkingen heeft laten kennen of die een bezwaar heeft ingediend.
Bij wijziging van het voorlopige voorstel, wordt het met redenen omklede definitieve voorstel meegedeeld aan alle kandidaten.
Bij gelijke rangschikking, wordt door verhoging in graad voor de omkaderingsbetrekking de ambtenaar bevorderd die de grootste anciënniteit van de hoogste graad telt onder de als geschikt geachte geslaagden. Art. 45.Buiten de omkaderingsbetrekkingen, kan door verhoging in graad de ambtenaar worden bevorderd die voldoet aan de volgende voorwaarden : 1. het bewijs leveren van de positieve evaluatie;2. geen definitieve en niet doorgehaalde tuchtsanctie ondergaan;3. een niveauanciënniteit van zes jaar tellen;4. geslaagd zijn voor de proef ter bekrachtiging van bekwaamheid in het betrokken niveau. Het directiecomité stelt, voor de betrekkingen van elke graad, onder meer op grond van het bekwaamheidsprofiel en van de visie op de uitoefening van de opdracht in verband met de toe te kennen betrekking, een voorlopig voorstel op tot rangschikking van kandidaten. Het voorlopige voorstel tot rangschikking wordt met redenen omkleed en aan de kandidaten meegedeeld.
Iedere kandidaat kan, binnen de veertien dagen na de mededeling, zijn opmerkingen laten kennen of een bezwaar indienen bij de voorzitter van het directiecomité. Het directiecomité beslist over het bezwaar binnen de maand na de ontvangst ervan, na de bezwaarindiener te hebben gehoord, indien deze dit wenst. De bezwaarindiener kan zich door een persoon naar eigen keuze laten bijstaan.
De met redenen omklede beslissing van het directiecomité over de opmerkingen of het bezwaar wordt meegedeeld aan de persoon die zijn opmerkingen heeft laten kennen of die een bezwaar heeft ingediend.
Bij wijziging van het voorlopige voorstel, wordt het met redenen omklede definitieve voorstel meegedeeld aan alle kandidaten. Art. 46.De administrateur-generaal deelt de Regeringen het definitieve rangschikkingsvoorstel mee. Afdeling IV. - Bevordering door verhoging in graad in de graad van
eerstaanwezend gegradueerde, eerstaanwezend assistent, eerstaanwezend adjunct en geschoold adjunct Art. 47.Door verhoging in graad kunnen worden bevorderd : 1. in de graad van eerstaanwezend gegradueerde, de gegradueerde;2. in de graad van eerstaanwezend assistent, de assistent;3. in de graad van eerstaanwezend adjunct, de geschoolde adjunct;4. in de graad van geschoold adjunct, de adjunct. Art. 48.Door verhoging in graad kan de ambtenaar worden bevorderd die voldoet aan de volgende voorwaarden : 1. het bewijs leveren van de positieve evaluatie;2. geen definitieve en niet doorgehaalde tuchtsanctie ondergaan;3. een niveauanciënniteit van zes jaar tellen;4. geslaagd zijn voor ten minste één proef ter bekrachtiging van bekwaamheid in het betrokken niveau. In afwijking van het eerste lid, wordt door verhoging in graad in de graad van geschoold adjunct de adjunct bevorderd die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid, 1° en 2° na 8 jaar ranganciënniteit. Art. 49.Het directiecomité stelt een voorlopig voorstel tot rangschikking van de kandidaten op voor de betrekkingen van elke graad op grond van de beste overeenstemming tussen het bekwaamheidsprofiel van de kandidaten en het ambtsprofiel. Het voorlopige rangschikkingsvoorstel wordt met redenen omkleed en aan de kandidaten meegedeeld.
Iedere kandidaat kan, binnen de veertien dagen na de mededeling, zijn opmerkingen laten kennen of een bezwaar indienen bij de voorzitter van het directiecomité. Het directiecomité beslist over het bezwaar binnen de maand na de ontvangst ervan, na de bezwaarindiener te hebben gehoord, indien deze dit wenst. De bezwaarindiener kan zich door een persoon naar eigen keuze laten bijstaan.
De met redenen omklede beslissing van het directiecomité over de opmerkingen of het bezwaar wordt meegedeeld aan de persoon die zijn opmerkingen heeft laten kennen of die een bezwaar heeft ingediend.
Bij wijziging van het voorlopige voorstel, wordt het met redenen omklede definitieve voorstel meegedeeld aan alle kandidaten. Art. 50.De administrateur-generaal deelt de Regeringen het definitieve rangschikkingsvoorstel mee. Afdeling V. - Bevordering door overgang naar het hogere niveau
Art. 51.Kan door overgang naar het hogere niveau de ambtenaar van het lagere niveau of van de lagere niveaus worden bevorderd die voldoet aan de volgende voorwaarden : 1. het bewijs leveren van de positieve evaluatie;2. geen definitieve en niet doorgehaalde tuchtsanctie hebben ondergaan;3. geslaagd zijn voor een vergelijkend examen voor overgang naar het betrokken niveau. De ambtenaar kan aan voorbereidende opleidingen deelnemen en zich voor overgangsexamens ten vroegste vier jaar na zijn benoeming laten inschrijven : - in niveau 3 voor de overgang naar niveau 2; - in niveau 2 voor de overgang naar niveau 2+; - in niveau 2 of 2+ voor de overgang naar niveau 1. Art. 52.Door overgang naar het hogere niveau kan worden bevorderd : - in de graad van attaché, de ambtenaar van de niveaus 2+ of 2; - in de graad van gegradueerde, de ambtenaar van niveau 2; - in de graad van assistent, de ambtenaar van niveau 3. Art. 53.De administrateur-generaal deelt de Regeringen de rangschikking mee van de kandidaten die in aanmerking komen voor de bevordering door overgang naar het hogere niveau. HOOFDSTUK VI. - Hoger ambt Art. 54.Een ambtenaar kan worden aangesteld om een hoger ambt uit te oefenen dat overeenstemt met ofwel een betrekking van de personeelsformatie waaruit de titularis sedert ten minste twee maanden of voor een voorspelbare periode van ten minste twee maanden afwezig is, ofwel met een vacant verklaarde betrekking van de personeelsformatie. Art. 55.De aanstelling voor de uitoefening van een hoger ambt kan geschieden voor de betrekkingen van rang A3 van inspecteur-generaal buiten de mandaatregeling, A4, alsook voor de omkaderingsbetrekkingen van de rangen A5, B1 en C1. Art. 56.§ 1. Om aangesteld te worden om een hoger ambt uit te oefenen, dienen de volgende voorwaarden vervuld te worden : 1. het bewijs leveren van de positieve evaluatie;2. geen definitieve en niet doorgehaalde tuchtsanctie hebben ondergaan;3. de voorwaarden vervullen voor de toegang tot rang A3, A4, A5, B1 en C1. § 2. Voor rang A4, bij gebrek aan een ambtenaar die alle voorwaarden vervult, kan een ambtenaar worden aangesteld die geen houder is van het directiebrevet.
Onder de ambtenaren die dezelfde voorwaarden vervullen, wordt het hoger ambt toegekend aan de ambtenaar die de grootste geschiktheid voor de uitoefening van het ambt vertoont. Art. 57.Het hoger ambt neemt een eind, naar gelang van het geval : 1° op de datum waarop de titularis van de betrekking zijn ambt hervat;2° op de datum waarop de benoeming van de titularis van de vacant verklaarde betrekking uitwerking heeft en uiterlijk bij het verstrijken van een termijn van één jaar te rekenen vanaf de dag van de vacantverklaring van de betrekking, één keer hernieuwbaar voor dezelfde duur. Art. 58.De ambtenaar die een hoger ambt uitoefent, oefent alle rechten en prerogatieven uit, vervult alle plichten en draagt alle lasten in verband met de betrekking waarvoor hij aangewezen is.
In afwijking van het vorige lid, oefent hij niet de prerogatieven uit betreffende de tuchtregeling en de evaluatie van ambtenaren bekleed met een graad die gelijk is aan of hoger is dan deze waarin hij benoemd is. Art. 59.De aanwijzingen voor de uitoefening van een hoger ambt worden door de Regeringen uitgevoerd, op het met redenen omklede voorstel van het directiecomité. Art. 60.Bij afwezigheid van een mandataris sedert meer dan twee maanden, bij voorspelbare afwezigheid van de mandataris voor een duur van ten minste twee maanden of in afwachting van de aanwijzing van een nieuwe mandataris bepaald in het geval van het voorbarige einde van een mandaat, kan een ambtenaar van de instelling worden aangewezen om een hoger ambt uit te oefenen voor een betrekking van rang A2 en A3, volgens de voorwaarden vastgesteld in artikel 266. HOOFDSTUK VII. - Integratie van een ambtenaar van een andere overheid of van een andere publiekrechtelijke rechtspersoon Art. 61.Bij overdracht van een bevoegdheid of van een aangelegenheid aan het Waalse Gewest, de Franse Gemeenschap Wallonië-Brussel of aan de Franse Gemeenschapscommissie van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, waarbij nieuwe opdrachten voor de instelling ontstaan, kunnen de Regeringen, om die nieuwe opdrachten op het vlak van het aantal betrekkingen te kunnen integreren, na advies van de leidend ambtenaar, in de vooraf gewijzigde organieke personeelsformatie van de instelling, iedere ambtenaar integreren die behoort tot de diensten van een andere Regering of tot een publiekrechtelijke rechtspersoon die onder een andere overheid ressorteert.
De ambtenaar moet alle voorwaarden bedoeld bij dit Boek I vervullen om een betrekking bedoeld in het eerste lid te bekleden. Hij krijgt geen nieuwe benoeming. Hij wordt door de Regeringen op de datum van de integratie aangewezen.
TITEL IV. - Werving en loopbaan van de gehandicapte personen HOOFDSTUK I. - Verplichting gehandicapte personen tewerk te stellen Art. 62.De instelling moet, gedurende een burgerlijk jaar, een aantal gehandicapte personen tewerkstellen dat vastgesteld is op twee en een half procent van de personeelssterkte die in de personeelsformatie vastgesteld is.
Voor een anderhalve eenheid worden meegeteld, de gehandicapte personen waarvan de graad van zelfredzaamheid vastgesteld is op ten minste 12 punten overeenkomstig de bepalingen van het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming.
Vijf procent van de wervingen worden voor gehandicapte personen voorbehouden zolang het in het eerste lid bezettingspercentage niet bereikt wordt. HOOFDSTUK II. - Werving en loopbaan van gehandicapte personen Art. 63.Kunnen een betrekking van de quota voorbehouden aan de gehandicapte personen de kandidaten bekleden die, op het ogenblik van de werving, voldoen aan minstens één van de volgende voorwaarden : 1° geregistreerd zijn bij het « Agence wallonne pour l'intégration des personnes handicapées » (Waals agentschap voor de integratie van gehandicapte personen), hierna « het agentschap » genoemd, of bij de « Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Personen mit Behinderung » (Dienst van de Duitstalige Gemeenschap voor de Personen met een Handicap), hierna « de Dienst » genoemd, of bij het Brussels Fonds voor gehandicapten, of bij het « Vlaams Fonds voor sociale integratie van personen met een handicap », hierna « het Fonds » genoemd, een tegemoetkoming van dit of deze hebben genoten, en het Agentschap, de Dienst of het Fonds elke door de federale overheid of de gemeenschapsoverheid genomen beslissing inzake hulpverlening of sociale integratie of inschakeling in het arbeidsproces hebben meegedeeld;2° het slachtoffer zijn geweest van een arbeidsongeval en een attest overleggen dat uitgereikt werd door het Fonds voor arbeidsongevallen of door de sociaal-medische rijksdienst, waarbij een ongeschiktheid van ten minste 30 % wordt bevestigd;3° aan een beroepsziekte hebben geleden en een attest overleggen dat uitgereikt werd door het Fonds voor de beroepsziekten of door de sociaal-medische rijksdienst, waarbij een ongeschiktheid van ten minste 30 % wordt bevestigd;4° het slachtoffer zijn geweest van een ongeval van gemeen recht en een afschrift van het vonnis overleggen, afgeleverd door de griffie, waarbij bevestigd wordt dat de handicap of de ongeschiktheid ten minste 30 % bedraagt;5° het slachtoffer zijn geweest van een huisongeval en een afschrift van de beslissing van de verzekeringsinstelling overleggen waarbij wordt bevestigd dat de blijvende ongeschiktheid ten minste 30 % bedraagt;6° een inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming hebben genoten krachtens de
wet van 27 februari 1987Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
27/02/1987
pub.
18/10/2004
numac
2004000528
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten Duitse vertaling
sluiten betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap. Art. 64.De vergelijkende wervingsexamens en de vergelijkende overgangsexamens worden aangepast aan de toestand van de ingeschreven kandidaten op grond van hun handicap.
De betrekkingen bestemd voor de gehandicapte personen worden bij voorrang toegekend aan de personen die voldoen aan ten minste één van de voorwaarden vastgesteld in artikel 63, 1° tot 6°, in de volgorde van hun rangschikking. Art. 65.De proef voor het behalen van het directiebrevet, de proeven ter bekrachtiging van de bekwaamheden en de opleidingen ter voorbereiding van die proeven worden aangepast aan de toestand van de gehandicapten. Art. 66.De administrateur-generaal organiseert, in samenwerking met het Agentschap, de Dienst of het Fonds, het onthaal, de opleiding en de inschakeling in het arbeidsproces van de gehandicapte personen.
In voorkomend geval, stelt het Agentschap, de Dienst of het Fonds maatregelen voor de aanpassing van de arbeidspost voor. Art. 67.Voor uiterlijk 30 juni stelt de administrateur-generaal, in samenwerking met het Agentschap, de Dienst of het Fonds, een jaarverslag op betreffende de tewerkstelling van gehandicapten in de instelling.
Het verslag wordt meegedeeld aan de ministers bevoegd voor ambtenarenzaken van het Waalse Gewest, de Franse Gemeenschap, de Franse Gemeenschapscommissie van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, en voor de integratie van gehandicapten, die er de Regeringen op de hoogte van brengen.
Het verslag wordt voor advies voorgelegd aan de Waalse adviesraad voor gehandicapte personen, opgericht bij artikel 65 van het decreet betreffende de integratie van gehandicapte personen.
TITEL V. - Vorming HOOFDSTUK I. - Directie vorming van het ministerie van het Waalse Gewest Art. 68.§ 1. De Regeringen nemen de finaliteiten van de voortgezette vorming van de instelling, met inachtneming van de gewest- en gemeenschapsbevoegdheden, aan. § 2. De directie vorming van het Ministerie van het Waalse Gewest is, ten opzichte van de instelling, uitsluitend bevoegd voor de uitoefening van de volgende opdrachten : 1. de opleidingen in de stageprogramma's opvatten en toepassen, in overleg met de verantwoordelijke voor de vorming van de instelling;2. een netwerk van vormingscorrespondenten en stageleiders instellen en coördineren, die binnen de instelling op de voordracht van de administrateur-generaal worden aangewezen.De stageleider zorgt voor de goede integratie en de begeleiding van de stagiair; 3. in het kader van de vooruitgang van de loopbaan van de ambtenaren, de vormingsacties opvatten en toepassen, de bekrachtiging van de bekwaamheden voorbereiden en verwezenlijken in overleg met de verantwoordelijke voor de vorming van de instelling. § 3. De instelling beschikt over een directie vorming om de andere opdrachten dan de opdrachten bepaald in § 2 uit te voeren. Art. 69.De directie vorming bedoeld in artikel 68, § 3 neemt het administratieve beheer van de individuele dossiers van de stagiairs van de instelling waar. HOOFDSTUK II. - Directie Vorming van de instelling Art. 70.Naast de bevoegdheden die haar bij dit besluit uitdrukkelijk toegekend zijn, heeft de directie vorming als opdracht de vormingsprogramma's toe te passen in overleg met de bevoegde diensten van de Franse Gemeenschap en van het Waalse Gewest, alsook de stagiairs te begeleiden. Voor de begeleiding van de stagiairs wordt ze door stageleiders bijgestaan. HOOFDSTUK III. - Vorming Afdeling I. - Algemene bepalingen
Art. 71.De instelling kan vormingsplannen voor haar personeel opmaken. Die plannen worden door de administrateur-generaal erkend op advies van de directie vorming van het ministerie van het Waalse Gewest. Ze vermelden de doelstellingen, de programma's, de duur en de wijze van evaluatie van de vormingen. Art. 72.Onder loopbaanvorming wordt verstaan, elke vorming die tot doel heeft te voldoen aan de evaluatiecriteria alsook de vormingen ter voorbereiding van de proeven voor het behalen van het directiebrevet en/of het managementsbrevet, de vormingen ter voorbereiding van de proeven ter bekrachtiging van de verworven bekwaamheden en van de vergelijkende examens voor overgang naar het hogere niveau. Art. 73.§ 1. Wanneer het initiatief voor de vorming door het Ministerie van het Waalse Gewest wordt genomen, neemt het de kosten voor de inschrijving voor de vormingen bedoeld bij dit hoofdstuk ten laste; in de andere gevallen, worden die kosten rechtsreeks door de instelling ten laste genomen. § 2. De ambtenaren die de gemeenschappelijke vervoermiddelen gebruiken om zich naar sessies van loopbaanvormingen te begeven, genieten een vergoeding, berekend overeenkomstig de bepalingen inzake gebruik van de gemeenschappelijke vervoermiddelen.
De ambtenaren die hun persoonlijk voertuig gebruiken om zich naar sessies van loopbaanvormingen te begeven, genieten de vergoeding berekend overeenkomstig de bepalingen inzake algemene vervoermiddelen.
De ambtenaren die zich naar andere vormingssessies begeven op hun initiatieven, genieten geen vergoeding wegens reiskosten. Afdeling II. - Opdracht van dienst voor verplichte vorming
Art. 74.De ambtenaar die een vorming volgt op initiatief van de instelling is ertoe gehouden eraan deel te nemen. Hij wordt geacht in dienstopdracht te zijn. Art. 75.De in bijlage VIII bedoelde vormingen worden erkend.
Bovendien erkent de administrateur-generaal de vormingen die door de directie vorming van de instelling worden georganiseerd. Art. 76.De dienstopdracht dekt de tijd die noodzakelijk is om de vorming te volgen, met inbegrip van de tijd die nodig is om zich daar naartoe te begeven en er terug van te komen. De ambtenaar kan op zijn diensturen de vormingsuren compenseren die zich buiten de normale diensturen situeren. Afdeling III. - Dienstvrijstelling voor vorming
Art. 77.De ambtenaar kan een dienstvrijstelling bekomen om op zijn initiatief een vorming te volgen die door een ministerie of een instelling wordt georganiseerd. Afdeling IV. - Vormingsverlof
Art. 78.De ambtenaar die op eigen initiatief een vorming volgt die door een ministerie of een instelling wordt erkend, kan een vormingsverlof bekomen. Dat verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Art. 79.De vormingen bedoeld in bijlage VIII worden erkend. De administrateur-generaal erkent de andere vormingen op initiatief van de ambtenaar die door de directie vorming van het Ministerie van het Waalse Gewest, op advies van de verantwoordelijke voor deze directie, worden georganiseerd. Art. 80.De vorming op initiatief van de ambtenaar moet in verband staan ofwel met zijn huidige ambt, ofwel met een ander ambt dat hij in de instelling zou kunnen uitoefenen. Art. 81.In de zin van deze afdeling, wordt onder schooljaar of academiejaar verstaan, de periode die zich van 1 september tot 31 augustus uitstrekt.
Behalve voor de loopbaanvormingen, kan het verlof worden afgewezen als het onverenigbaar is met het belang van de dienst dat door de hiërarchische meerdere van ten minste rang A4 wordt gerechtvaardigd.
De administrateur-generaal, op advies van de directie vorming van het Ministerie van het Waalse Gewest, kent het vormingsverlof toe of wijst dit af en brengt er de ambtenaar en zijn hiërarchische meerdere op de hoogte van. Art. 82.Het verlof kan niet meer dan één keer voor één zelfde vorming worden toegekend.
Voor één zelfde vorming kan het verlof niet worden gecumuleerd met de dienstopdracht bedoeld in artikel 74. Art. 83.De duur van het verlof is gelijk aan het aantal vormingsuren, na aftrek van de uren waarvan de ambtenaar vrijgesteld is.
Voor een vorming waarvoor geen regelmatige aanwezigheid vereist is, is het aantal vormingsuren gelijk aan het aantal uren of lessen van het studieprogramma. Art. 84.De som van de dienstvrijstellingen en verloven die aan de ambtenaar werden toegekend om vormingen te volgen kan, zonder de verplichte vormingen mee te tellen, niet hoger zijn dan honderd twintig uren per jaar voor werkelijke diensten met volledige prestaties.
Die honderd twintig uren worden verhoudingsgewijze verminderd voor de ambtenaren op wie een deeltijdsregeling wordt toegepast. Art. 85.Geven aanleiding tot de verhoudingsgewijze vermindering van de 120 uren per jaar : 1. de duur van de stage;2. de perioden van non-activiteit en disponibiliteit;3. het verlof voor een stage of een proefperiode;4. het verlof wegens opdracht;5. het verlof wegens onderbreking van de beroepsloopbaan;6. het verlof voor kandidaatsstelling voor sommige vergaderingen, zoals bedoeld bij boek III van dit besluit. Art. 86.De ambtenaar legt de directie vorming van de instelling een inschrijvingsattest over binnen de maand van het begin van een vorming die ze niet organiseert of binnen de maand na de verzending van het eerste werk dat in het kader van het afstandsonderwijs wordt georganiseerd.
De ambtenaar legt de directie vorming van de instelling een attest over waaruit blijkt dat hij de lessen heeft gevolgd binnen de maand van het einde van een vorming die ze niet organiseert of van het einde van het studieprogramma. Art. 87.§ 1. Het verlof voor een vorming georganiseerd in een schooljaar wordt genomen tussen het begin van het schooljaar en het einde van de eerste of, eventueel, de tweede examenzittijd.
Het verlof voor een vorming die niet in een schooljaar wordt georganiseerd, wordt genomen tussen het begin en het einde van de vorming.
Het verlof voor een vorming die geen regelmatige aanwezigheid vereist, wordt genomen tussen het begin en het einde van de opgelegde werkzaamheden. Volgt op die vorming de deelneming aan een examen, dan wordt de periode tot het einde van de eerste en, eventueel, de tweede examenzittijd verlengd. § 2. Rekening houdend met de behoeften van de instelling, van het aantal uren of lessen van de vorming, kan een geplande indeling van het verlof door de administrateur-generaal op verzoek van een dienstchef worden opgelegd.
De indeling kan het recht van de ambtenaar de totale duur van zijn verlof te gebruiken niet aantasten, noch het recht het te gebruiken om zich naar de vormingssessie te begeven, om die bij te wonen, om zich te begeven naar zijn werkplek na de vorming en om aan de examens deel te nemen. Art. 88.De ambtenaar deelt binnen de vijf dagen de directie vorming van de instelling schriftelijk mee dat hij de vorming niet meer volgt of dat hij de opgelegde werken definitief niet verzendt.
Als het gaat om afstandsonderwijs, deelt de ambtenaar de directie vorming van de instelling elke onderbreking van meer dan twee maanden bij de verzending van de opgelegde werken mee, ongeacht of die onderbreking al dan niet doorlopend is.
In beide gevallen legt de ambtenaar de directie vorming van de instelling het attest over waaruit blijkt dat hij de lessen heeft gevolgd.
De directie vorming van de instelling maakt een einde aan het verlof op de datum van de mededelingen bedoeld in het eerste en tweede lid.
Wanneer de ambtenaar de lessen niet meer volgt, de verzending van de opgelegde werken onderbreekt of de verzending ervan stopzet, moet hij dit rechtvaardigen, op straffe van de sanctie bedoeld in artikel 89. Art. 89.Het recht op het verlof wordt geschorst als uit het attest van regelmatig lessenvolgen of uit andere informatiegegevens blijkt dat : 1. ofwel de ambtenaar zonder geldige reden afwezig was bij de lessen gedurende meer dan één derde van hun duur;2. ofwel de ambtenaar een onderbreking van meer dan twee maanden bij de verzending van de opgelegde werken niet heeft meegedeeld. De schorsing van het recht op het verlof wordt uitgesproken door de administrateur-generaal, op voorstel van de verantwoordelijke voor de vorming van de instelling. De schorsing wordt uitgestrekt tot het overblijvende deel van het lopende jaar alsook tot de twee volgende jaren.
TITEL VI. - Wervings- en loopbaanexamens HOOFDSTUK I. - Vergelijkende wervingsexamens en vergelijkende examens voor overgang naar het hogere niveau Afdeling I. - Algemene bepalingen
Art. 90.De vergelijkende wervingsexamens en vergelijkende overgangsexamens worden door SELOR georganiseerd, op aanvraag van de instelling en, in voorkomend geval, in samenwerking met de diensten van de Regeringen. Art. 91.De programma's van de wervingsexamens en van de vergelijkende examens voor overgang naar het hogere niveau worden door de Regeringen op advies van SELOR vastgesteld. Die programma's moeten het mogelijk maken na te kijken of de vorming en het profiel van de kandidaten beantwoorden aan de vereisten van de toe te kennen betrekking. Art. 92.Er wordt een Commissie voor de programma's ingesteld. Ze heeft als opdracht, voor de Regeringen, de ontwerpen van programma's van de vergelijkende wervingsexamens en de vergelijkende examens voor overgang naar het hogere niveau voor te bereiden, te zorgen voor de samenhang ervan, die te beoordelen, en elk voorstel tot verbetering ervan te formuleren.
De commissie voor de programma's is samengesteld uit de directeur van de vorming, ten minste één vertegenwoordiger van elke afdeling; ze wordt voorgezeten door de administrateur-generaal of diens afgevaardigde. Afdeling II. - Vergelijkende wervingsexamens
Art. 93.§ 1. De vergelijkende wervingsexamens bestaan uit één of meer basisexamens bestemd voor de beoordeling van de bekwaamheden bedoeld in bijlage II. § 2. De examens en examengedeelten kunnen schriftelijk en/of mondeling, theoretisch en/of praktisch zijn en de informatica- of multimediamiddelen gebruiken. De correctie kan op geautomatiseerde wijze worden uitgevoerd. Art. 94.§ 1. De Regeringen bepalen, bij de oproep tot de kandidaten : 1. het aantal examens en examengedeelten alsook hun inhoud;2. het aantal punten toegekend aan het geheel van het vergelijkende examen, aan elk van de examens en examengedeelten;3. in voorkomend geval, het maximumaantal kandidaten die na het eerste examengedeelte in aanmerking komen.Als verschillende kandidaten een gelijk aantal punten hebben gekregen voor de toekenning van de laatste plaats, wordt het maximumaantal in aanmerking komende kandidaten tot hun voordeel verhoogd; 4. het of d …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.