📄 Wettekst
30 MAART 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering over de beleids- en beheerscyclus van de lokale besturen
VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING Dames en heren, Dit besluit van de Vlaamse Regering geeft uitvoering aan artikel 143, derde lid, artikel 241, tweede lid, artikel 266, derde lid, artikel 275, artikel 411, derde lid, en artikel 489, tweede lid van het
decreet van 22 december 2017Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
22/12/2017
pub.
15/02/2018
numac
2018030427
bron
vlaamse overheid
Decreet over het lokaal bestuur
type
decreet
prom.
22/12/2017
pub.
08/02/2018
numac
2018010200
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 31 januari 2014 betreffende opdracht van de bevoegdheid inzake het voeren van een specifiek grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant aan de Provincie Vlaams-Brabant, het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid
type
decreet
prom.
22/12/2017
pub.
09/02/2018
numac
2018010241
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende de subsidiëring van bovenlokaal jeugdwerk, jeugdhuizen en jeugdwerk voor bijzondere doelgroepen
type
decreet
prom.
22/12/2017
pub.
25/04/2018
numac
2018040121
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2018
type
decreet
prom.
22/12/2017
pub.
29/12/2017
numac
2017032267
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2018
type
decreet
prom.
22/12/2017
pub.
28/12/2017
numac
2017032269
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de aanpassing van de groenestroomdoelstellingen, de WKK-doelstellingen en de energieheffing
sluiten over het lokaal bestuur.
Die artikelen bepalen dat de Vlaamse Regering de volgende elementen vaststelt: o de perken waarbinnen de raad bepaalde categorieën van verrichtingen kan uitsluiten van de visumverplichting; o de nadere voorschriften voor de uitvoering van de bepalingen van titel 4 betreffende de beleids- en beheerscyclus, evenals de bijbehorende documenten, met inbegrip van de te hanteren modellen, de rekeningenstelsels en de inhoud en wijze van de digitale rapporteringen; o welke kredieten limitatief zijn; o de minimale vereisten waaraan de informaticasystemen moeten voldoen die gebruikt worden voor de toepassing van de decretale bepalingen over de beleids- en beheerscyclus; o de nadere voorwaarden voor de toepassing van de regels over de beleids- en beheerscyclus door de districten, de autonome gemeentebedrijven, de welzijnsverenigingen en de projectverenigingen.
Dit besluit komt daarbij in de plaats van het besluit van 25 juni 2010 betreffende de beleids- en beheerscyclus van de gemeenten, de provincies en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Om de leesbaarheid te bevorderen wordt ervoor gekozen om dat besluit van 2010 integraal te vervangen. Ook het opschrift van dit besluit werd veranderd, waarbij de besturen waarop het van toepassing is, niet langer worden opgesomd. Het bestaande opschrift vermeldde de gemeenten, de OCMW's en de provincies, maar was eigenlijk onvolledig omdat het besluit ook van toepassing was op de autonome gemeente- en provinciebedrijven en bepaalde OCMW-verenigingen. Intussen kunnen ook de projectverenigingen ervoor kiezen om dit besluit toe te passen.
Veeleer dan de opsomming uit te breiden tot een onwerkbaar lange lijst, werd ervoor gekozen om in het opschrift van het besluit op te nemen dat het de beleids- en beheerscyclus van de lokale besturen betreft.
De inwerkingtreding van de bepalingen over de beleids- en beheerscylus in het decreet over het lokaal bestuur verloopt gefaseerd en kan niet los gezien worden van de nieuwe bepalingen over de delegatiemogelijkheden en het organisatiebeheersingssysteem, die in werking treden vanaf 1 januari 2019. Dat betekent dat een aantal bepalingen van het besluit van 2010 ook met ingang van 1 januari 2019 moeten worden opgeheven in dit besluit.
De overige bepalingen treden in werking vanaf het boekjaar 2020, behalve voor die besturen die ervoor gekozen hebben om de nieuwe regels al toe te passen vanaf het boekjaar 2019. Artikel 594, 597 en 608 van het decreet over het lokaal bestuur bieden die mogelijkheid. 1. Situering Vanaf 2011 startten de eerste besturen met de beleids- en beheerscyclus, in uitvoering van het Gemeente-, OCMW- en Provinciedecreet.De daaropvolgende jaren stapten steeds meer besturen in, zodat vanaf 2014 alle gemeenten, OCMW's, provincies en hun publiekrechtelijke verzelfstandigde entiteiten die regels toepassen.
Dat betekent dat al die besturen halfweg 2015 minstens één keer een volledige cyclus hadden doorlopen van planning, uitvoering en evaluatie.
In de loop van 2015 werd dan ook een uitgebreide evaluatie opgestart waarin gepeild werd naar de ervaringen bij de toepassing van de regels van de beleids- en beheerscyclus en waarbij nagegaan werd in hoeverre de doelstellingen bereikt werden die bij het opmaken van dat besluit werden geformuleerd. De voornaamste conclusies uit die evaluatie en de mogelijke wijzigingen aan de regelgeving om daaraan tegemoet te komen, heb ik u eerder al voorgelegd in de conceptnota van 15 juli 2016.
De voornaamste conclusie uit die evaluatie was dat de fundamenten van de beleids- en beheerscyclus niet in vraag gesteld moeten worden, maar dat in de concrete uitwerking ervan wel een aantal bijsturingen mogelijk en wenselijk zijn. Dat geldt met name wat betreft de beleidsrapporten, die voorgelegd worden aan de raden en op basis waarvan de raadsleden beslissingen nemen. Die beleidsrapporten zijn cruciaal in het concept van de beleids- en beheerscyclus.
Een deel van die gesuggereerde bijsturingen werden meegenomen in de opmaak van het decreet over het lokaal bestuur. Een aantal belangrijke vereenvoudigingen van de regelgeving situeren zich immers op decretaal niveau. Het meest in het oog springend daarbij zijn de integratie van het budget in het meerjarenplan en de doorgedreven deregulering van allerlei detailregelingen die voortaan overgelaten worden aan het organisatiebeheersingssysteem van de besturen zelf.
Daarnaast werden in de evaluatie ook een heel aantal suggesties gedaan die geen verband houden met de decretale regels, maar zich situeren op niveau van het uitvoeringsbesluit. Die werden opgenomen in dit besluit. 2. Kader voor dit uitvoeringsbesluit Dit besluit doet geen afbreuk aan de fundamentele keuzes die aan de basis lagen van het besluit van 25 juni 2010.Het kader waarin dit besluit tot stand kwam, is dan voor een groot deel ook hetzelfde gebleven als de context waarin dat besluit van 25 juni 2010 werd uitgewerkt. De Vlaamse Regering moet immers niet alleen rekening blijven houden met de Vlaamse decreten, maar is evenzeer gebonden door een aantal internationale verplichtingen. 2.1. Het decreet over het lokaal bestuur Het
decreet van 22 december 2017Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
22/12/2017
pub.
15/02/2018
numac
2018030427
bron
vlaamse overheid
Decreet over het lokaal bestuur
type
decreet
prom.
22/12/2017
pub.
08/02/2018
numac
2018010200
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 31 januari 2014 betreffende opdracht van de bevoegdheid inzake het voeren van een specifiek grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant aan de Provincie Vlaams-Brabant, het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid
type
decreet
prom.
22/12/2017
pub.
09/02/2018
numac
2018010241
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende de subsidiëring van bovenlokaal jeugdwerk, jeugdhuizen en jeugdwerk voor bijzondere doelgroepen
type
decreet
prom.
22/12/2017
pub.
25/04/2018
numac
2018040121
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2018
type
decreet
prom.
22/12/2017
pub.
29/12/2017
numac
2017032267
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2018
type
decreet
prom.
22/12/2017
pub.
28/12/2017
numac
2017032269
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de aanpassing van de groenestroomdoelstellingen, de WKK-doelstellingen en de energieheffing
sluiten over het lokaal bestuur heeft een aantal fundamentele keuzes gemaakt die bepalend zijn voor dit uitvoeringsbesluit. Het gaat dan in de eerste plaats om de bepalingen van titel 4 van deel 2 van dat decreet, waarin de voornaamste elementen van de beleidsrapporten worden bepaald, net als de grote lijnen van de boekhouding die moet worden gevoerd. Daarnaast bevat dat decreet ook bepalingen over de ontvangsten- en uitgavencyclus en over de organisatiebeheersing, die ook een invloed hebben op dit uitvoeringsbesluit.
In vergelijking met het Gemeente- en OCMW-decreet werd het aantal beleidsrapporten gereduceerd. Het budget werd geïntegreerd in het meerjarenplan, dat jaarlijks moet worden aangepast. Dat brengt uiteraard met zich mee dat ook in dit uitvoeringsbesluit nog slechts sprake zal zijn van drie soorten beleidsrapporten: de meerjarenplannen, de aanpassingen ervan en de jaarrekeningen. Met de budgetten zijn ook de budgetwijzigingen en de interne kredietaanpassingen verdwenen uit de regelgeving. Het is aan de besturen om zelf te bepalen hoe zij de opvolging van de kredieten, en de onderdelen daarvan, concreet vorm willen geven.
Het decreet over het lokaal bestuur heeft ook het concept van gezamenlijke beleidsrapporten voor de gemeenten en hun OCMW's ingevoerd. Die beleidsrapporten worden overeenkomstig artikel 249 van het decreet over het lokaal bestuur vastgesteld door de raden van beide rechtspersonen, maar de inhoud ervan is gemeenschappelijk. Zo kunnen beide besturen hun beleidsdoelstellingen volledig in elkaar schuiven. Voor de concrete uitvoering en de registraties blijft het onderscheid tussen beide rechtspersonen wel een belangrijk gegeven. In dit besluit wordt daar ook rekening mee gehouden, door het opleggen van de verplichting om bij elke verrichting ook aan te geven op welke rechtspersoon die betrekking heeft. Ook de praktische uitvoering (ontvangsten- en uitgavencyclus) verloopt voor elke rechtspersoon afzonderlijk.
De decretale regels hebben ook de intern verzelfstandigde agentschappen en het budgethouderschap doen verdwijnen. Die moeten dus ook niet worden hernomen in dit besluit.
In de memorie van toelichting bij het
decreet van 22 december 2017Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
22/12/2017
pub.
15/02/2018
numac
2018030427
bron
vlaamse overheid
Decreet over het lokaal bestuur
type
decreet
prom.
22/12/2017
pub.
08/02/2018
numac
2018010200
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 31 januari 2014 betreffende opdracht van de bevoegdheid inzake het voeren van een specifiek grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant aan de Provincie Vlaams-Brabant, het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid
type
decreet
prom.
22/12/2017
pub.
09/02/2018
numac
2018010241
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende de subsidiëring van bovenlokaal jeugdwerk, jeugdhuizen en jeugdwerk voor bijzondere doelgroepen
type
decreet
prom.
22/12/2017
pub.
25/04/2018
numac
2018040121
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2018
type
decreet
prom.
22/12/2017
pub.
29/12/2017
numac
2017032267
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2018
type
decreet
prom.
22/12/2017
pub.
28/12/2017
numac
2017032269
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de aanpassing van de groenestroomdoelstellingen, de WKK-doelstellingen en de energieheffing
sluiten over het lokaal bestuur (artikel 256 en 263) werd aangegeven dat het de bedoeling is om de autorisatie voortaan op een hoger niveau te regelen. De Vlaamse Regering krijgt de bevoegdheid om dat nader in te vullen, wat in dit besluit gebeurt in artikel 13. Tegelijk moet erover gewaakt worden dat de raadsleden voldoende informatie blijven krijgen over de uitvoering van het meerjarenplan. Daarom heeft de decreetgever een opvolgingsrapportering ingevoerd, opgenomen in artikel 263 van het
decreet van 22 december 2017Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
22/12/2017
pub.
15/02/2018
numac
2018030427
bron
vlaamse overheid
Decreet over het lokaal bestuur
type
decreet
prom.
22/12/2017
pub.
08/02/2018
numac
2018010200
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 31 januari 2014 betreffende opdracht van de bevoegdheid inzake het voeren van een specifiek grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant aan de Provincie Vlaams-Brabant, het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid
type
decreet
prom.
22/12/2017
pub.
09/02/2018
numac
2018010241
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende de subsidiëring van bovenlokaal jeugdwerk, jeugdhuizen en jeugdwerk voor bijzondere doelgroepen
type
decreet
prom.
22/12/2017
pub.
25/04/2018
numac
2018040121
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2018
type
decreet
prom.
22/12/2017
pub.
29/12/2017
numac
2017032267
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2018
type
decreet
prom.
22/12/2017
pub.
28/12/2017
numac
2017032269
bron
vlaamse overheid
Decreet houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de aanpassing van de groenestroomdoelstellingen, de WKK-doelstellingen en de energieheffing
sluiten over het lokaal bestuur. Die opvolgingsrapportering wordt in dit besluit concreter vorm gegeven in een afzonderlijke titel (titel 3), die nieuw is tegenover het besluit van 25 juni 2010. 2.2. Internationale verplichtingen Bij de ontwikkeling van dit besluit is rekening gehouden met internationale verplichtingen in het kader van de verordening (EU) 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (ESR 2010) en de richtlijn 2011/85/EU van 8 november 2011 tot vaststelling van voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten. Het registratiesysteem moet in staat zijn de nodige rapporten te leveren in het kader van de internationale verplichtingen die de federale overheid heeft.
Die internationale verplichtingen zijn vervat in ESR 2010 (Europees Systeem van nationale en regionale Rekeningen) en COFOG (Classificatie van Overheidsfuncties). Daarnaast zijn er ook nog de aanbevelingen van de Raad van Europa die specifiek gericht zijn op de lokale overheden.
ESR 2010 is voor de EU-lidstaten verplicht gesteld door middel van Verordening nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013. Die verordening is niet rechtstreeks van toepassing op de gemeenten, provincies en OCMW's, of hun verzelfstandigingen en samenwerkingsverbanden. Toch wordt er het best rekening mee gehouden.
ESR 2010 wordt immers gebruikt als berekeningsgrondslag voor de budgettaire voorwaarden die opgenomen werden in het Verdrag van Maastricht. Die voorwaarden gelden niet alleen voor de federale overheid, maar wel voor de overheid in haar geheel. Het betreft m.a.w. ook de begrotingssaldi en overheidsschuld van de gemeenschappen en gewesten, de provincies én de lokale besturen.
Het ESR-systeem moet toelaten te komen tot een consistente, betrouwbare en vergelijkbare kwantitatieve beschrijving van de EU-lidstaten. In het ESR wordt er geregistreerd op transactiebasis, dus volgens het moment van wijzigingen in waarde of het ontstaan van afspraken of verplichtingen.
Om aan de ESR-verplichtingen te kunnen voldoen, is er in het besluit opgenomen dat de minimum genormaliseerde stelsels van de algemene rekeningen en van de economische sectorcodes een rapportering in het kader van bovengenoemde verordening moet mogelijk maken.
The Classification Of the Functions Of Governement (COFOG) klasseert de uitgaven en ontvangsten van alle overheden volgens hun bestemming, dat wil zeggen volgens de « opdrachten », de « doelstellingen » of de beleidsprioriteiten van de regeringen.
In 1998 heeft de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), in samenwerking met het Bureau voor statistieken van de Europese Gemeenschappen (Eurostat), de Economische Commissie voor Europa, de Afdeling statistiek van de UNO, de statistische diensten van de Lidstaten, nieuwe functionele nomenclaturen uitgewerkt, waaronder de COFOG. Op 5 oktober 1999 besliste de Belgische interministeriële Conferentie van Financiën en begroting de COFOG 1998 in te voeren in alle begrotingen van de federale overheid, van de Gemeenschappen, Gewesten en Gemeenschapscommissies.
De COFOG is verschillend van de economische classificatie. Terwijl de eerste belang hecht aan het beleid, gaat de tweede over de indeling van de verrichtingen volgens macro-economische criteria zoals het verbruik, de wedden, de kredietenverleningen en deelnemingen, de overdrachten, de investeringen, enz.
De COFOG is hoe langer hoe meer belangrijk omdat zij de regeringen in staat stelt verantwoording af te leggen over het gebruik van de overheidsmiddelen: het is een « transparant » werkmiddel dat toelaat om zowel tegenover de bevolking als tegenover interne of externe controle-instanties verantwoording af te leggen. In de federale overheid en de Vlaamse Gemeenschap is die indeling sinds 2014 verplicht, in uitvoering van hoger vermelde beslissing.
De gemeenten en OCMW's moeten hun financiële gegevens kunnen rapporteren volgens dezelfde classificatie. Om dat mogelijk te maken, legt het besluit een indeling op in beleidsvelden, die gestandaardiseerd zijn. Dat genormaliseerde stelsel van de beleidsvelden is noodzakelijk voor rapportering in het kader van COFOG en ESR 2010.
Ook het besluit van 25 juni 2010 hield al rekening met de ESR- en COFOG-regels. Het ging toen nog om de vorige versie van het ESR ("ESR 1995"), maar de impact van veranderingen in het ESR op de regels van de beleids- en beheerscyclus is minimaal. 2.3. Aanbevelingen van de Raad van Europa Het besluit houdt tevens rekening met de belangrijkste aanbevelingen van de Raad van Europa. Een overzicht: - het budget moet meer dan de autorisatiefunctie dienen. De beleidsrapporten bevatten meerdere op elkaar aansluitende rapporteringen die diverse functies vervullen (beleid, autorisatie, beheer...); - verbondenheid van het budgettaire systeem met de financiële boekhouding en met de managementboekhouding (beheer). De ideale situatie is dat het budgettaire systeem en de financiële boekhouding dezelfde basis gebruiken voor de registratie van de transacties. Het besluit volgt diezelfde gedachtegang. Zowel de beleidsrapporten (meerjarenplannen en jaarrekeningen) als een groot deel van de managementrapporteringen moeten kunnen worden opgemaakt op basis van één registratiesysteem. Voor dat tweede type van rapporten worden wel geen regels opgelegd, om de besturen vrij te laten in hun keuze hoe ze die rapportering concreet vorm geven in functie van hun lokale informatiebehoeften; - volgende opdeling van budgettaire gegevens moet mogelijk zijn: ontvangsten, uitgaven, financiering, classificatie van de uitgaven per economische, functionele en administratieve categorie. Het besluit beantwoordt hieraan; - het budget moet de te bereiken doelstellingen per beleidsdomein bevatten. In de toelichting van het meerjarenplan wordt deze informatie gepresenteerd; - het budget moet tevens niet-financiële maatstaven bevatten met betrekking tot de te bereiken doelstellingen. Een budgettaire of financiële boekhouding moet informeren over de realisatiegraad van de doelstellingen. In het besluit zijn de niet-financiële maatstaven opgenomen in de strategische nota van het meerjarenplan en in de toelichtingen. Bovendien zijn de opbouw van het meerjarenplan en van de jaarrekening zo veel als mogelijk op elkaar afgestemd, wat een transparante rapportering over de realisatiegraad van de doelstellingen mogelijk maakt. 2.4. Internationale standaarden Om de vergelijkbaarheid van de boekhouding met die van andere besturen en organen te bevorderen en om de leesbaarheid van de rapporten door derden te verzekeren is het belangrijk dat de boekhouding wordt gevoerd volgens algemeen erkende (internationale) standaarden.
Sinds een twintigtal jaar besteedt het International Financial Accounting Committee (IFAC) aandacht aan standaarden voor de openbare sector, de zogenaamde International Public Sector Accounting Standards (IPSAS). Het doel van de IPSAS is om de standaardzetters/wetgevers te assisteren bij het opstellen van nieuwe standaarden of bij het herzien van bestaande standaarden om te komen tot een grotere vergelijkbaarheid.
Die standaarden zijn geïnspireerd op de Internationale Accounting Standaarden (IAS, opvolger van IFRS). Beursgenoteerde ondernemingen in de EU zijn sinds 2005 wettelijk verplicht de IAS toe te passen.
De IPSAS worden uitgevaardigd door de International Public Sector Accounting Standards Board (IPSASB) en zijn dus een geheel van boekhoudnormen specifiek voor de publieke sector. De standaarden beogen de vergelijkbaarheid van de financiële verslaggeving van de (individuele) overheidsorganisaties op wereldvlak. De IPSAS hebben vooralsnog alleen betrekking op financiële verantwoordingen. Het budgetgedeelte is nog in onderzoek.
Deze standaarden zijn momenteel niet bindend, maar hebben wel autoriteit en verdienen aanbeveling. Ze leiden immers tot: o een aanzienlijke verbetering van de kwaliteit van de financiële rapportering voor een groot publiek; o meer weloverwogen beslissingen aangaande de allocatie van de overheidsmiddelen; o een betere transparantie; o een grotere verantwoording.
Het komt elk wetgevend orgaan afzonderlijk toe de beslissing te nemen om IPSAS van toepassing te maken. Verschillende landen en drie belangrijke internationale organisaties, de Europese Unie, de NAVO en de OESO, hebben de IPSAS al expliciet aanvaard als normen voor hun financiële rapportering.
Door de toenemende mondialisering is de kans reëel dat de IPSAS in de toekomst dwingend worden. Veel landen doen nu al een beroep op de IPSAS in het kader van de overheidshervormingen rond New Public Management. Er mag dus verwacht worden dat de IPSAS in de nabije toekomst nog aan gezag en belang zullen winnen. Bovendien onderzoekt de Europese Unie of er een Europese variant op de IPSAS moet worden uitgewerkt (de "EPSAS"), die dan verplicht gesteld zou worden voor de Europese lidstaten.
Bij de ontwikkeling van dit besluit is rekening gehouden met de bepalingen van IPSAS, zoals dat ook al het geval was voor het besluit van 25 juni 2010. In geval van twijfel over de toepassing van de regels van dit besluit gelden de IPSAS ook als toetssteen. 2.5. De boekhouding 2.5.1. Terminologie Boekhouden is registreren. Naast het registreren van financiële gegevens kan men ook niet-financiële gegevens registreren, zoals de hoeveelheden van aangekochte of verkochte producten.
Wanneer die registraties nuttig zijn voor het management spreekt men van een managementinformatiesysteem (MIS). Dat moet informatie verstrekken die het management helpt bij de voorbereiding van zijn beslissingen en bij de evaluatie van de genomen beslissingen.
Hiertoe behoren de analytische boekhouding, kostencalculatie, financiële analyse, investeringsanalyse, enz. De analytische boekhouding heeft als doel binnen een organisatie een zicht te krijgen op de kosten per afdeling, product, project, dienstverlening, enz.
Bij elk registratiesysteem hoort een rapportering. De kwaliteit van de rapportering wordt bepaald door de informatiewaarde ervan. Dat is de uiteindelijke doelstelling van het registratiesysteem: de informatiewaarde van de rapportering.
De keuze voor een bepaald registratiesysteem zou moeten bepaald worden door de informatiebehoeften van de gebruiker, de manier waarop hij/zij die informatie kan bekomen maar ook door de prijs die hij/zij daarvoor wenst te betalen.
Een basisprincipe is dat uit een registratiesysteem enkel die informatie kan gehaald worden die er eerst is ingevoerd. Data registreren kost evenwel tijd en geld.
Het meerjarenplan en de jaarrekening zijn rapporten voor algemene doeleinden ("general purpose financial statements"). Het zijn rapporten die ten minste jaarlijks worden opgesteld en gepresenteerd en die zijn gericht op de gemeenschappelijke informatiebehoeften van een groot aantal gebruikers die zich niet in een positie bevinden om rapporten op maat aan te vragen. Daartegenover staan andere vormen van (financiële) rapportering, de zogenaamde financiële berichtgeving voor bijzondere doeleinden ("special purpose financial reporting").
Voorbeelden hiervan zijn o.a. managementrapportering (voor het college van burgemeester en schepenen, het vast bureau, voor het managementteam, voor een diensthoofd,...), de rapportering ten behoeve van controlerende instanties (toezicht en audit) of rapporten opgesteld in het perspectief van de financiering of de subsidiëring.
Voor de registratie van financiële gegevens worden heel wat termen door elkaar gebruikt en dikwijls op een foutieve wijze. Om misverstanden uit te sluiten, is het daarom aangewezen om die termen eerst te verduidelijken.
Een boekhoudsysteem kan men vanuit verschillende dimensies bekijken.
In elk van die invalshoeken kunnen er keuzes gemaakt worden, elk met hun voor- en hun nadelen. De verschillende elementen samen bepalen de uiteindelijk gevoerde boekhouding.
Hieronder worden de volgende dimensies kort toegelicht: o de registratietechniek; o de inhoud van de registraties; o het autorisatieaspect.
Indeling volgens de registratietechniek: o Enkelvoudig boekhouden is een registratietechniek waarbij van een transactie telkens slechts één gevolg geregistreerd wordt. o Dubbel boekhouden is een registratietechniek waarbij alle financiële gevolgen van een transactie gelijktijdig geregistreerd worden. De techniek van dubbel boekhouden heeft het voordeel dat het een automatische controle inhoudt op de correctheid van de registratie.
Indeling volgens de inhoud van de registratie: o Kasboekhouding is een boekhouding waarbij enkel de verrichtingen worden geregistreerd die een kaseffect hebben, dus inningen en betalingen met de liquide middelen, met de kas. Die verrichtingen worden geregistreerd op het ogenblik van de inning of de betaling. De internationaal meest gebruikte term is "cash accounting". o Transactieboekhouding is een boekhouding waarin alle financieel-economische transacties geregistreerd worden. Naast de pure kasverrichtingen worden dus eveneens de betalingen en de inningen met de financiële rekeningen, de permanente middelen, de financieringsbronnen, de vorderingen, de schulden, de kosten en de opbrengsten geregistreerd. De registratie gebeurt op het moment van de realisatie van de transactie, dus op het moment dat de transactie plaatsvindt en niet louter op het moment van de inning of de betaling.
Voor een transactieboekhouding worden nog andere benamingen gebruikt, soms met een lichte nuance inzake informatiewaarde, zoals een algemene boekhouding, een economische boekhouding, een financiële boekhouding.
Men gebruikt eveneens de term vermogensboekhouding, die verwijst naar de doelstelling van de boekhouding, namelijk het opvolgen van het vermogen van de organisatie. De internationaal meest gebruikte term is "accrual accounting".
Een transactieboekhouding bevat dus veel meer informatie en is veel vollediger dan een kasboekhouding.
Een kasboekhouding kan gemanipuleerd worden door het moment van de betaling of de inning te verschuiven. Een transactieboekhouding is minder afhankelijk van het moment van betaling of inning, maar veeleer van het moment van aankoop of verkoop.
Naast de zuivere vormen van kasboekhouding en transactieboekhouding bestaan er varianten die een uitbreiding vormen op één van beide systemen.
De techniek van dubbel boekhouden wordt meestal gebruikt voor het voeren van een transactieboekhouding. Die combinatie wordt doorgaans onderwezen in het middelbaar en hoger onderwijs waardoor er heel wat mensen mee vertrouwd zijn.
De autorisatiedimensie Typisch bij de overheid is het machtigingsprincipe, waarbij een verkozen orgaan (parlement, raad, enz.) aan een uitvoerend orgaan de machtiging verleent om bepaalde inkomsten (belastingen, fondsen, enz.) te realiseren en bepaalde uitgaven te doen.
Bij het machtigingsprincipe hoort het principe van de specificiteit van de uitgaven: kredieten mogen enkel gebruikt worden om uitgaven mee te doen waarvoor ze bestemd waren en die kredieten mogen niet overschreden worden.
Het document waarin die machtiging wordt vastgelegd, noemt men een begroting of een budget en de boekhouding waarmee men het gebruik van deze kredieten opvolgt een budgettaire boekhouding. Bij de overheid zal men dus niet alleen de financiële transacties registreren maar eveneens de aangegane verbintenissen, het "verbruik" van een krediet, ook al doet de financiële transactie of de kasbeweging zich pas veel later voor.
Een budgettaire boekhouding kan gevoerd worden zowel op basis van een kasboekhouding als op basis van een transactieboekhouding.
Budgetten worden ook in de ondernemingswereld gebruikt maar daar zal men het verbruik van een krediet niet opvolgen op basis van de verbintenissen maar op basis van de gerealiseerde kosten of opbrengsten. Het autorisatie- of machtigingsprincipe wordt in de overheid dus veel rigider gehanteerd dan in ondernemingen. 2.5.2. Het conceptueel kader van de boekhouding Het financiële registratiesysteem en de beleidsrapportering moeten vertrekken vanuit een conceptueel boekhoudkader. Men kan of mag dus niet zonder meer een bestaand financieel systeem, hetzij uit de private, hetzij uit de publieke sector, van toepassing maken op de lokale besturen.
Een conceptueel kader is een coherent geheel van concepten dat moeten leiden tot consistente boekhoudkundige normen. Het schrijft de aard, de functie en de grenzen voor van de beleidsrapportering. Het vormt een leidraad voor de regelgever bij het vastleggen van de boekhoudkundige normen waardoor beslissingen ad hoc kunnen vermeden worden. Zonder een conceptueel kader zullen normatieve en toezichthoudende instanties elk probleem op een ad-hocbasis benaderen en onderzoeken vanuit hun eigen premissen en concepten die niet expliciet worden gemaakt. Het is dus nuttig de filosofie te onderzoeken die aan de grondslag ligt van de boekhoudkundige normen en bepaalde sleutelaspecten van het normerende proces te bekijken met de gedachte dat, als de filosofie juist is, er zal worden tegemoet gekomen aan de behoeften van de samenleving. De principes waarop de beleidsrapporten zijn gebaseerd, moeten gekend en algemeen aanvaard zijn.
Hiërarchische elementen van een conceptueel kader: o formuleren van doelstellingen: o onderzoek van de gebruikersbehoeften; o onderzoek naar de omgeving (wettelijke, politieke, sociologische en economische aspecten). o formuleren van boekhoudprincipes: o grondslagen van accounting en verslaggeving; o kwalitatieve kenmerken. o formuleren van wettelijke bepalingen en normen voor de boekhouding en de rapportering. a) Doelstellingen van de boekhouding De boekhouding moet als doelstelling hebben om in haar beleidsrapporten een antwoord te geven op de informatiebehoeften van de gebruikers van deze rapporten. Deze benadering van rapportering noemt men het User-Needs-model, het model Gebruikers - Informatiebehoeften. Ook de FASB (Financial Accounting Standard Boards), de IASB (International Accouting Standards Board) en de IPSASB (International Public Sector Accounting Standards Board) hebben hun standaarden uitgewerkt vertrekkende vanuit een conceptueel boekhoudkader waarbij de informatiebehoeften van de gebruikers van de rapportering centraal staan.
Gebruikers van de beleidsrapporten zijn: o ofwel beslissingnemers, dat zijn personen of organen die beslissingen nemen op basis van een rapportering (bv. de gemeenteraad, de raad voor maatschappelijk welzijn, de districtsraad, de raad van bestuur, het college van burgemeester en schepenen, het vast bureau, ...); o ofwel adviseurs van beslissingnemers, dat zijn personen of organen die advies verlenen (aan een beslissingnemer) of een beslissing voorbereiden op basis van een rapportering (bv. consultants, analisten, auditors ...); o ofwel algemene informatieverstrekkers, dat zijn personen of organen die analyses maken op basis van een rapportering (bv. ADSEI (voorheen NIS), media, informatiebrokers ...).
In de context van dit besluit zijn de hoofdgebruikers van de beleidsrapporten: - de raad als beleidsbepaler (al naar het gelang van het geval de gemeenteraad, de raad voor maatschappelijk welzijn, de districtsraad, de raad van bestuur, ...); - de Vlaamse overheid als beleidsvoorbereider.
Dit zijn immers de organen die op basis van de beleidsrapporten beslissingen nemen met een grote impact op het gemeentelijk en/of het algemeen belang. Bovendien behoren ze niet, of slechts gedeeltelijk, tot het management van het bestuur. Ze hebben dus geen rechtstreekse toegang tot de informatie en zijn daardoor afhankelijk van de informatie die ze aangeboden krijgen. Het zijn dus externe en bijgevolg zwakke gebruikers van de rapporteringen, die daarom nood hebben aan een zekere bescherming via de beleidsrapportering. De concrete inhoud van de beleidsrapporten en de boekhoudregels (de boekhoudprincipes, de waarderingsregels, ...) werden dus bepaald op basis van de informatiebehoeften van die hoofdgebruikers.
Het management (het college van burgemeester en schepenen, het vast bureau, het managementteam, het directiecomité, de gedelegeerd bestuurder, ...) behoren niet tot de hoofdgebruikers van de beleidsrapportering. Die gebruikers zijn immers de uitvoerders van het beleid. Het zijn dus interne gebruikers, die rechtstreeks toegang hebben tot de aanwezige informatie. Daardoor hebben zij de mogelijkheid om alle rapporten te laten opstellen die zij nodig achten. Het is bijgevolg niet de bedoeling een managementboekhouding of een analytische boekhouding centraal op te leggen, maar de officiële boekhouding moet hiervoor wel een goede basis bieden. Elk bestuur kan dan zelf bepalen welke managementinformatie het nodig heeft en hiervoor het gepaste (aanvullende) registratiesysteem uitwerken.
Ook de controlerende instanties (het bestuurlijk toezicht, de externe audit, ...) en de subsidiërende overheden behoren niet tot de hoofdgebruikers. Het bestuurlijk toezicht en de externe audit kunnen immers alle documenten opvragen of inkijken die zij nodig hebben om hun controletaak uit te oefenen. De subsidiërende overheden zijn een zeer heterogene groep, waardoor het niet mogelijk is een beleidsrapportering te maken die aan de informatiebehoeften van al die instanties tegemoet kan komen. Voor sommige subsidiërende overheden zal er daarom een specifieke rapportering moeten worden opgesteld.
Door aan de besturen de nodige vrijheid te gunnen bij het uitbouwen van hun boekhoudsysteem kan er wel worden vermeden dat ze voor subsidiërende en/of erkennende overheden aparte boekhoudingen moeten voeren.
Ook de FASB richt zijn financiële standaardrapportering niet tot het management of overheidsdiensten (zoals de fiscus), maar tot de aandeelhouders, andere investeerders en crediteuren. De FASB gaat er immers samen met het AICPA (American Institute for Certified Public Accountants) van uit dat die gebruikersgroepen de meeste impact hebben op de verbetering van de algemene welvaart. Dat komt omdat ondernemingsverslaggeving de hoeksteen vormt waarop ons proces van toewijzing van kapitaal (middelen) is gebouwd. Een efficiënt toewijzingsproces is uiterst belangrijk voor een gezonde economie. b) Formuleren van boekhoudprincipes - Grondslagen voor de boekhouding en de rapportering o Een aantal klassieke grondslagen voor de boekhouding werden reeds vastgelegd in het decreet over het lokaal bestuur: o boekhoudkundige entiteit De voornaamste betekenis van die grondslag is dat ze het interessegebied bepaalt en dus de mogelijke objecten en activiteiten beperkt, evenals hun attributen die kunnen worden opgenomen in de financiële verslagen. Het decreet over het lokaal bestuur onderscheidt verschillende soorten entiteiten waarop de bepalingen van dit uitvoeringsbesluit van toepassing zijn: - de gemeenten met de OCMW's die hen bedienen; - de districten; - de autonome gemeentebedrijven; - de welzijnsverenigingen; - de projectverenigingen die daarvoor kiezen. o periodiciteit Deze grondslag verwijst naar het feit dat beleidsrapporten betrekking moeten hebben op onderscheiden en duidelijk afgebakende periodes.
De periodiciteit van de beleidsrapporten werd vastgelegd in het decreet over het lokaal bestuur: - een periode van zes afzonderlijke jaren voor het meerjarenplan; - een periode van één jaar voor de kredieten (opgenomen in de desbetreffende kolom van het meerjarenplan); - een periode van één jaar voor de jaarrekening. o Daarnaast zijn er nog enkele andere klassieke grondslagen van de boekhouding die vervat liggen in grondwettelijke of internationale bepalingen en die werden vertaald in dit besluit, zoals: o continuïteit Deze grondslag veronderstelt dat de boekhoudkundige entiteit lang genoeg in werking zal blijven om al haar verbintenissen uit te voeren.
De continuïteit van de genoemde boekhoudkundige entiteiten is verankerd in grondwettelijke, wettelijke en decretale bepalingen. o monetaire eenheid Hoewel boekhoudkundige gegevens niet beperkt zijn tot metingen in termen van een monetaire eenheid, bevatten boekhoudkundige rapporten voornamelijk financiële informatie. Die gegevens worden daarom geregistreerd op basis van een stabiele monetaire eenheid. Uiteraard is dit in deze context de euro. o Verder zijn er de grondslagen die verwoord zijn in de krachtlijnen (zie punt 4) Voorzichtigheid is een andere klassieke grondslag die echter niet gevolgd wordt in dit besluit. Voorzichtigheid wordt gehuldigd omwille van onzekerheid en conservatisme. Boekhoudkundig komt onzekerheid voort uit twee bronnen: - boekhoudkundige informatie heeft betrekking op entiteiten die verwacht worden bestaanscontinuïteit te bezitten in de toekomst, maar daarover bestaat geen absolute zekerheid; - boekhoudkundige metingen vertegenwoordigen dikwijls monetaire uitdrukkingen van schattingen van onzekere toekomstige bedragen. Geen enkele monetaire kwantificatie kan echter met absolute zekerheid gekend zijn.
Die onzekerheid leidt tot het traditionele concept van voorzichtigheid in de boekhouding. Het concept van voorzichtigheid is echter een beperking bij de presentatie van gegevens die anders betrouwbaar en relevant zouden zijn.
Over het algemeen betekent voorzichtigheid dat in de boekhouding de laagste van verschillende waarden voor activa en opbrengsten moet geboekt worden en de hoogste van verschillende mogelijke waarden voor schulden en kosten. Het concept impliceert ook dat kosten eerder moeten erkend worden en opbrengsten later. In de financiële verslaggeving wordt met andere woorden pessimisme verkozen boven optimisme. Voorzichtigheid kan echter leiden tot een volledige scheeftrekking van boekhoudkundige gegevens.
In plaats van de voorzichtigheid toe te passen, moet het doel van financiële verslagen zijn om geschikte, zo realistisch mogelijke en betrouwbare informatie te verschaffen om de gebruikers hun eigen risicobeoordeling te laten maken. c) Formuleren van boekhoudprincipes - Kwalitatieve kenmerken Dit zijn die eigenschappen die informatie bruikbaar maken: o Baten en kosten: de baten van de informatie moeten opwegen tegen de kosten die gemaakt moeten worden om ze te verzamelen. o Relevantie: alle informatie die kan helpen in de beslissingsprocessen van de gebruikers moet worden voorgesteld.
Relevantie omvat dus ook volledigheid.
Relevantie speelt op meerdere punten: - de gerapporteerde informatie moet tegemoetkomen aan de informatiebehoeften van de gebruiker wat betreft het bereiken van zijn doelstellingen; - de bedoelde betekenis van de gerapporteerde informatie moet voor de gebruiker duidelijk zijn; - de gerapporteerde informatie moet de gebruiker helpen bij het nemen van zijn beslissingen.
Accountinginformatie moet ook een terugkoppelingswaarde hebben: informatie heeft een belangrijke rol te spelen in het bevestigen of verbeteren van verwachtingen uit het verleden.
Tot slot kan informatie maar relevant zijn als ze tijdig is. Dat wil zeggen dat de informatie beschikbaar moet zijn voor een beslissingnemer voordat ze de mogelijkheid verliest om de beslissingen te beïnvloeden. o Betrouwbaarheid: dit is de kwaliteit die verzekert dat informatie redelijk vrij is van fouten en vertekeningen en getrouw weergeeft wat ze beweert weer te geven. Betrouwbaarheid is een functie van representatieve getrouwheid, verifieerbaarheid en neutraliteit: - representatieve getrouwheid houdt in dat de informatie op een getrouwe wijze de fenomenen moet weergeven die ze beweert weer te geven. Het gaat dus om de overeenstemming tussen een meting of beschrijving en het fenomeen dat ze wil weergeven; - verifieerbaarheid is de mogelijkheid om via consensus tussen verschillende meters te verzekeren dat de informatie datgene vertegenwoordigt dat ze beweert te vertegenwoordigen of dat de gekozen metingmethode wordt gebruikt zonder fout of vertekening; - neutraliteit betekent de afwezigheid van vertekening in de gerapporteerde informatie. o Vergelijkbaarheid: de bruikbaarheid van informatie wordt in grote mate bevorderd, als ze zodanig voorgesteld wordt dat men een entiteit kan vergelijken met een andere, of met zichzelf over de tijd.
Vergelijkbaarheid heeft te maken met uniformiteit en stelselmatigheid: - uniformiteit impliceert dat gelijkaardige gebeurtenissen op dezelfde wijze worden gerapporteerd; - stelselmatigheid verwijst naar het gebruik van dezelfde boekhoudkundige procedures door één enkele onderneming of boekhoudkundige entiteit van periode tot periode en het gebruik van gelijkaardige metingconcepten en procedures voor verbonden elementen binnen de financiële staten van een onderneming voor één enkele periode. o Materialiteit of relatieve belangrijkheid: een element is relatief belangrijk als de niet-bekendmaking, foutieve voorstelling of weglating ervan het beeld zou beïnvloeden. Materialiteit moet dus beoordeeld worden ten opzicht van de impact op de gebruiker van de financiële rapportering. Materialiteit plaatst zo een beperking op wat moet worden bekendgemaakt. 3. De evaluatie van het besluit van 25 juni 2010 Nadat alle lokale besturen halfweg 2015 de regels van de beleids- en beheerscyclus gedurende minstens een volledige cyclus van planning, uitvoering en evaluatie hadden toegepast, werd een uitgebreide evaluatie gemaakt van die regels, waarbij nagegaan werd in hoeverre dat besluit van 25 juni 2010 de vooropgestelde doelstellingen bereikt heeft.Het is die evaluatie die aan de basis ligt van dit besluit, dat de uitgangspunten van dat van 25 juni 2010 behouden heeft, maar de concrete uitwerking ervan op meerdere punten wil bijsturen. 3.1. Werkwijze Tussen mei en oktober 2015 heeft het Agentschap Binnenlands Bestuur (ABB) bij de belanghebbenden gepeild naar de positieve punten en de tekortkomingen van de beleids- en beheerscyclus (BBC) volgens de huidige regelgeving. Dat gebeurde via twee kanalen: enerzijds door bevraging via de verenigingen van belanghebbenden, anderzijds door individuele interviews. Ook met de eigen bevindingen van het agentschap werd rekening gehouden.
Bij de invoering van BBC bij de lokale besturen waren veel actoren betrokken. Het lag dan ook voor de hand om bij de evaluatie al die actoren een kans te geven om hun visie kenbaar te maken en knelpunten naar voren te schuiven. Het was echter ondoenbaar om alle BBC-besturen, secretarissen en financieel beheerders rechtstreeks te bevragen. Die aantallen zijn veel te groot om dat logistiek geregeld te krijgen. Daarom werd ervoor gekozen om zo veel mogelijk de verenigingen van belanghebbenden in te schakelen (VVSG, ECG, Vlofin, etc.) en op hen te rekenen om alle nuttige signalen vanuit hun achterban op te vangen en door te geven.
De volgende partijen zijn daarbij geconsulteerd: o VVSG en VVP (voor mandatarissen en raadsleden); o het forum van de centrumsteden; o Vlofin, ECG en VVOS (voor financieel beheerders en secretarissen); o Vlaamse administraties (sectorale administraties i.v.m. informatiebehoeften); o softwareleveranciers; o consultants; o academici.
Voor specifiekere onderdelen heeft bovendien overleg met vertegenwoordigers van de volgende instanties plaats gevonden: o INR; o departement Financiën en Begroting van de Vlaamse overheid; o Audit Vlaanderen; o het Kenniscentrum PPS; o IBR; o het Rekenhof.
De concrete aanpak van de raadpleging van de achterban van de diverse koepelverenigingen is overgelaten aan die verenigingen zelf. Op voorhand is met de koepelverenigingen in het ondertussen opgerichte BBC-forum overlegd over het plan van aanpak. Om het overleg te structureren is gewerkt met een concrete vragenlijst, opgebouwd rond een aantal kapstokken: topics die zeker aan bod moesten komen.
De bevragingen georganiseerd door de koepelverenigingen zijn aangevuld met individuele diepte-interviews met onder meer secretarissen, financieel beheerders en mandatarissen. Hierbij zijn dezelfde vragenlijsten gebruikt. Die persoonlijke gesprekken lieten toe om concreter in te gaan op de verwachtingen en de knelpunten van de gesprekspartners.
Aan de hand van alle informatie die zo verzameld werd, heeft ABB een grondige evaluatie uitgevoerd. Uit de bevragingen kwamen een aantal bedenkingen naar voren die door alle belanghebbenden geuit werden.
Andere standpunten waren minder algemeen gedeeld.
De resultaten van de evaluatie en de conclusies die daaruit getrokken moesten worden, werden uitgebreid besproken met het werkveld, in het BBC-forum. In dat forum zijn de koepelverenigingen vertegenwoordigd.
De leden zijn afgevaardigden van de VVSG, VVP, Vlofin en ECG. Daarnaast werd over die resultaten ook overlegd met de softwareleveranciers en de consultants. Op basis van de reacties werden in een volgende fase mogelijke voorstellen tot verbetering geformuleerd en daarna ook concrete tekstvoorstellen. Daarover werd telkens uitgebreid teruggekoppeld naar de betrokken gesprekspartners.
Op 15 juli 2016 hechtte de Vlaamse Regering haar goedkeuring aan een conceptnota over de evaluatie van de beleids- en de beheerscyclus (BBC) zoals sinds 2014 van toepassing in de Vlaamse lokale besturen en voorstellen tot bijsturing vanaf de planningsperiode 2020-2025. De inhoud van die conceptnota was gebaseerd op de uitgevoerde evaluatie en werd meegenomen bij de opmaak van het decreet over het lokaal bestuur en bij de uitwerking van dit besluit. 3.2. Vaststellingen Hier worden de resultaten van de evaluatie samengevat, voor zover ze betrekking hebben op de aspecten die geregeld worden op niveau van het besluit van de Vlaamse Regering. Daarnaast kwamen in de evaluatie ook andere elementen aan bod. De bijsturingen waarvoor een decretaal ingrijpen noodzakelijk was, werden meegenomen in het decreet over het lokaal bestuur. Die punten worden hier enkel pro memorie vermeld, waar ze een rechtstreekse impact hebben op dit besluit. Verder zijn er in de evaluatie ook een aantal opmerkingen geformuleerd die geen rechtstreekse weerslag hebben in de regelgeving, maar meer te maken hebben met een cultuurverandering en sensibilisering. Ook die worden hier slechts zijdelings belicht. - algemene beoordeling Uit de evaluatie kwam naar voren dat alle bevraagden tevreden zijn over het concept van BBC. De conceptuele onderbouw en de grote lijnen van BBC worden door de overgrote meerderheid van de belanghebbenden als positief ervaren. Ze vinden het positief dat BBC één systeem is dat overal toegepast wordt. De opmaak van een omgevingsanalyse in het kader van de beleidscyclus dwingt de besturen stil te staan bij de context waarin ze functioneren. De meerjarenplannen maken dat mandatarissen een beter zicht hebben op de te realiseren zaken tijdens de legislatuur. Vaak werd wat in het bestuursakkoord staat, vertaald in de beleidsrapporten. BBC maakt ook de koppeling mogelijk tussen het financiële en het inhoudelijke van het beleid. Dit alles wordt door de bevraagden als positief beschouwd. Er is in de toepassing van BBC wel een groot verschil merkbaar tussen de verschillende besturen.
BBC heeft ook geleid tot een grotere samenwerking tussen en professionalisering van de leden van het managementteam. Er wordt meer in doelstellingen gedacht, die verder geconcretiseerd worden. Het denken vanuit de inputzijde heeft plaats gemaakt voor het resultaatsgerichte denken. Dat kan nog verder uitgebreid worden naarmate ook de filosofie van BBC meer en meer ingang vindt. Die grotere samenwerking heeft als voordeel dat alles nauwgezet opgevolgd kan worden. Het nadeel is echter dat de leden van het managementteam gefocust zijn op de uitwerking van de gedefinieerde beleidsdoelstellingen en minder aandacht hebben voor de wijzigende omgeving. Het werken met meerjarenplannen vergt een continue evaluatie en bijsturing van de opgenomen doelstellingen. Het meerjarenplan mag geen to-dolijstje zijn.
Uit de interviews en de bevindingen via de koepelverenigingen blijken ook een aantal knelpunten die hieronder aan bod komen. Die knelpunten doen echter geen afbreuk aan de algemeen zeer positieve appreciatie van BBC. - beleidsrapporten Mandatarissen wensen beleid te voeren op een meer gedetailleerd niveau dan wat tot uiting komt in de beleidsrapporten. Ze ondervinden moeilijkheden om enkel op de hoofdlijnen te sturen. In de geaggregeerde cijfers zien ze niet meer waarvoor de kredieten dienen.
Er is dus sprake van een kloof tussen enerzijds de gewenste informatie die ze niet krijgen en anderzijds de overvloedige informatie waarin ze niet geïnteresseerd zijn. Bovendien vinden ze de beleidsrapporten te moeilijk en te weinig transparant.
Daardoor vinden mandatarissen vaak dat ze te afhankelijk zijn van de ambtenaren. Het zijn ambtenaren die de beleidsrapporten voorbereiden en voorstellen tot beslissing maken. Door de soms onvoldoende kennis van en interesse in BBC van de mandatarissen, worden de voorbereide voorstellen vaak gewoon overgenomen. Niet alleen de mandatarissen vinden BBC overigens complex, ook secretarissen en financieel beheerders ondervinden moeilijkheden en hebben vaak bijstand van consultants nodig, ondanks alle beschikbare ondersteuning.
De indeling in beleidsdomeinen biedt momenteel geen inhoudelijke meerwaarde voor de raadsleden. Het gebruik van de beleidsvelden is statistisch wel belangrijk. Ondanks het feit dat ook de indeling in beleidsdomeinen interessante informatie kan opleveren, wordt het aantal beleidsdomeinen vaak beperkt omdat de indeling het niveau van de kredietbewaking bepaalt: hoe lager het aantal beleidsdomeinen hoe gemakkelijker er met de kredieten kan geschoven worden.
De indeling in prioritaire beleidsdoelstellingen en overig beleid is zeer arbitrair en weinig transparant. Raadsleden staan vaak sceptisch tegenover de indeling omdat ze vrezen dat zaken waarover men liever niet rapporteert in overig beleid opgenomen worden. Bovendien kunnen de raadsleden de coherentie van het geheel verliezen bij een selectieve presentatie van beleidsdoelstellingen. Om hun taak ten volle te kunnen uitoefenen en het beleid te kunnen uitstippelen, hebben de raadsleden nood aan alle relevante gegevens en niet enkel aan de gerapporteerde gegevens.
Volgens de huidige regelgeving is het werken met investeringsenveloppes niet evident. Voornamelijk de overdracht van de transactiekredieten, het niveau van de kredieten en de vereiste kredietaanpassingen zijn omslachtig, niet flexibel en vormen een grote administratieve last. Er kunnen overlappingen zijn tussen investerings- en exploitatie-uitgaven. Bovendien bestaat het investeringsbudget uit nieuwe investeringsenveloppes en een overzicht van de transactiekredieten van het boekjaar. Hierdoor heeft een raadslid, vanaf het moment dat het budget voor een investering is vastgesteld tot de afsluiting van de investeringsenveloppe, geen zicht meer op lopende investeringen, tenzij het bestuur hier expliciet over rapporteert.
Door alle bevraagden wordt het aantal en de moeilijkheid van de beleidsrapporten als een groot nadeel beschouwd. Het budget en het meerjarenplan zijn twee beleidsrapporten waarvan het budget in het meerjarenplan moet passen. Het budget is als het ware een onderdeel van het meerjarenplan. Het aanvoelen is dat bij de opmaak van de twee beleidsrapporten dubbel werk geleverd wordt. Uit de bevraging blijkt dat iedereen voorstander is van een integratie van het budget in het meerjarenplan, een integratie die intussen werd doorgevoerd in het decreet over het lokaal bestuur. - kredieten De bevraagden vinden dat er een opvallend verschil is tussen de zeer strenge regels voor kredietwijzigingen op het niveau van het investeringsbudget en de heel soepele mogelijkheden voor kredietverschuivingen op het niveau van het exploitatiebudget. Er is een grote vraag naar meer soepelheid voor de wijziging van kredieten. - financieel evenwicht Toestandsevenwicht Bij de berekening van het resultaat op kasbasis worden de bestemde gelden afgetrokken van het gecumuleerd budgettair resultaat om aan te tonen over welke middelen het bestuur beschikt als men rekening houdt met alle te verwachten ontvangsten en uitgaven. Omdat het in de praktijk vaak voorvalt dat een bestuur middelen in kas heeft, maar niet mag gebruiken omwille van het te behouden evenwicht van het resultaat op kasbasis, plant het bestuur leningen. Het is niet efficiënt om middelen die men in kas heeft niet aan te wenden en daardoor te moeten lenen.
Structureel evenwicht Uit de individuele bevragingen blijkt er vraag naar een verdieping en verbreding van de regels over het financieel evenwicht om de financiële gezondheid van de besturen beter te bewaken. De federaties zijn tevreden met het huidige structurele evenwicht. Er is wel vraag naar bijkomende instrumenten waarmee het bestuur zijn financiële gezondheid kan meten en eventueel die van de groep (gemeente, met inbegrip van het OCMW, samen met de AGB's). Ook is er een grote interesse in een geconsolideerd financieel evenwicht voor het moederbestuur en zijn verzelfstandigde entiteiten (AGB's). Daarbij zou de gemeenteraad principieel de verantwoordelijkheid dragen voor de hele groep. Meermaals is ook de bezorgdheid geuit over de impact van de alternatieve financieringsvormen. - boekhouding en datakwaliteit Er is een algemene vraag om zo weinig mogelijk te wijzigen aan de rekeningenstelsels. De bevraagden zijn ook van mening dat de lijst van de beleidsvelden het best beperkt gehouden wordt en dat de besturen de vrijheid moeten blijven behouden om de groepering van de beleidsvelden in beleidsdomeinen te clusteren. Daarbij werd ook enkele keren opgemerkt dat de verplichte een-op-eenrelatie tussen de beleidsvelden en de beleidsdomeinen een geïntegreerde werking kan bemoeilijken.
Via de digitale rapportering over de gegevens van de beleidsrapporten wordt een schat aan informatie ingezameld over de lokale besturen. Die gegevens worden gebruikt voor analyses, zowel in functie van lokale als in functie van Vlaamse informatiebehoeften. Technisch werkt die digitale rapportering intussen over het algemeen vlot, maar er wordt vastgesteld dat de kwaliteit van de aangeleverde data niet optimaal is. Dat heeft te maken met onzorgvuldige registraties. Het niet correct toekennen van de juiste sectorcodes (nodig voor de ESR-rapportering aan het INR en aan Europa) is hier een specifiek voorbeeld van. Mede doordat de besturen er zelf weinig belang of voordeel bij hebben dat die toekenningen correct gebeuren (behalve als ze zelf consolidaties willen doen), verlopen ze soms nogal arbitrair.
Daardoor zijn de gegevens die aan Europa aangeleverd worden ook voor verbetering vatbaar. 3.3. Concrete bijsturingen De conclusies uit de evaluatie van de bestaande regels leiden tot de concrete bijsturing van de regelgeving op een aantal punten. Zoals hoger al aangegeven, gebeurde dat deels al op niveau van het decreet over het lokaal bestuur. In wat volgt ligt de nadruk uiteraard in eerste instantie op de bijsturingen op niveau van het uitvoeringsbesluit. - beleidsrapporten Om beter tegemoet te komen aan de informatiebehoeften van de raadsleden, wordt het perspectief van de beleidsdoelstellingen in de beleidsrapporten in dit besluit aangevuld met de prioritaire acties of prioritaire actieplannen. De besturen kiezen zelf tussen beide opties.
De prioritaire acties/actieplannen zijn de belangrijke acties/actieplannen waarover het bestuur communiceert aan de raad.
Prioritaire beleidsdoelstellingen worden daardoor voortaan de beleidsdoelstellingen waaraan één of meerdere prioritaire acties/actieplannen gekoppeld zijn. Die aanpassing moet de betrokkenheid van de raadsleden bij het beleid verhogen en het draagvlak voor BBC doen toenemen.
Het aantal schema's wordt drastisch gereduceerd. Dat is mede het gevolg van de integratie van het budget in het meerjarenplan, waartoe op decretaal niveau beslist werd en waardoor het aantal schema's gehalveerd kan worden. Daarnaast worden de verschillende beleidsrapporten (de (aanpassingen van de) meerjarenplannen en de jaarrekeningen) vereenvoudigd en uniformer gemaakt, om de vergelijkbaarheid en de leesbaarheid te verhogen.
De financiële nota bestaat onder meer uit een financieel doelstellingenplan (of een doelstellingenrekening). Daarin wordt gekozen voor de doelstellingen als invalshoek in plaats van de beleidsdomeinen. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de prioritaire beleidsdoelstellingen, de niet-prioritaire beleidsdoelstellingen en de verrichtingen zonder beleidsdoelstellingen.
Om het inhoudelijke beleid transparanter en leesbaarder weer te geven, moeten in de strategische nota van het meerjarenplan en de beleidsevaluatie van de jaarrekening ook de ontvangsten en uitgaven worden opgenomen per prioritaire beleidsdoelstelling en per prioritaire actie of actieplan. In het financiële doelstellingenplan staan die immers alleen geaggregeerd, volgens de indeling op basis van beleidsdoelstellingen. De opname in de strategische nota en de beleidsevaluatie van de cijfergegevens over het prioritaire beleid moet het gemakkelijker maken om de te verwachten (meerjarenplan) en de gerealiseerde (jaarrekening) prioritaire acties/actieplannen en beleidsdoelstellingen te evalueren en bespreken.
De schema's van de planning en de jaarrekening zijn uniform, maar in de financiële nota van de jaarrekening wordt uiteraard ook nog een balans opgenomen en een staat van opbrengsten en kosten.
Aangezien de beleidsdomeinen niet langer gebruikt worden in de financiële nota, wordt in de toelichting een schema opgenomen dat de opdeling van exploitatie en investeringen volgens beleidsdomeinen weergeeft.
Het decreet over het lokaal bestuur heeft de huidige lijsten bij het budget (nominatieve subsidies, delegatie overheidsopdrachten,...) losgekoppeld van de beleidsrapporten: de uiteindelijke bevoegdheid blijft bij de raad, maar die hoeft dat niet noodzakelijk altijd via het meerjarenplan te beslissen. Dat biedt een bestuur de mogelijkheid om daar afzonderlijk over te beslissen, wat, indien nodig of …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.