Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Besluit van de Vlaamse Regering over de beleids- en beheerscyclus van de lokale besturen

Kort samengevat

Dit besluit van de Vlaamse Regering regelt de beleids- en beheerscyclus voor lokale besturen, ter uitvoering van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017. Het vervangt en actualiseert eerdere regelgeving om de leesbaarheid te verbeteren en de processen te vereenvoudigen.

Wat het regelt

  • De uitvoering van de bepalingen over de beleids- en beheerscyclus, inclusief modellen en rekeningenstelsels.
  • De digitale rapporteringen, inclusief de inhoud en wijze daarvan.
  • De minimale vereisten voor informaticasystemen die gebruikt worden voor de beleids- en beheerscyclus.
  • De toepassing van de regels door districten, autonome gemeentebedrijven, welzijnsverenigingen en projectverenigingen.

Wie het aanbelangt

  • Lokale besturen, waaronder gemeenten, provincies en openbare centra voor maatschappelijk welzijn (OCMW's).
  • Autonome gemeentebedrijven, welzijnsverenigingen en projectverenigingen die ervoor kiezen dit besluit toe te passen.

Kernpunten

  • Het besluit vervangt het besluit van 25 juni 2010 en is van toepassing op de beleids- en beheerscyclus van lokale besturen.
  • De inwerkingtreding van de bepalingen over de beleids- en beheerscyclus in het decreet over het lokaal bestuur verloopt gefaseerd, met een aantal bepalingen die in werking treden vanaf 1 januari 2019 en de overige vanaf boekjaar 2020.
  • Het aantal beleidsrapporten is gereduceerd tot meerjarenplannen, aanpassingen daarvan en jaarrekeningen, waarbij het budget is geïntegreerd in het meerjarenplan.
  • Gezamenlijke beleidsrapporten voor gemeenten en OCMW's zijn ingevoerd, waarbij de inhoud gemeenschappelijk is maar de uitvoering en registraties per rechtspersoon afzonderlijk blijven.
Wettekst
Wettekst

30 MAART 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering over de beleids- en beheerscyclus van de lokale besturen VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING Dames en heren, Dit besluit van de Vlaamse Regering geeft uitvoering aan artikel 143, derde lid, artikel 241, tweede lid, artikel 266, derde lid, artikel 275, artikel 411, derde lid, en artikel 489, tweede lid van het decreet van 22 december 2017Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2017 pub. 15/02/2018 numac 2018030427 bron vlaamse overheid Decreet over het lokaal bestuur type decreet prom. 22/12/2017 pub. 08/02/2018 numac 2018010200 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 31 januari 2014 betreffende opdracht van de bevoegdheid inzake het voeren van een specifiek grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant aan de Provincie Vlaams-Brabant, het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid type decreet prom. 22/12/2017 pub. 09/02/2018 numac 2018010241 bron vlaamse overheid Decreet houdende de subsidiëring van bovenlokaal jeugdwerk, jeugdhuizen en jeugdwerk voor bijzondere doelgroepen type decreet prom. 22/12/2017 pub. 25/04/2018 numac 2018040121 bron vlaamse overheid Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2018 type decreet prom. 22/12/2017 pub. 29/12/2017 numac 2017032267 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2018 type decreet prom. 22/12/2017 pub. 28/12/2017 numac 2017032269 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de aanpassing van de groenestroomdoelstellingen, de WKK-doelstellingen en de energieheffing sluiten over het lokaal bestuur. Die artikelen bepalen dat de Vlaamse Regering de volgende elementen vaststelt: o de perken waarbinnen de raad bepaalde categorieën van verrichtingen kan uitsluiten van de visumverplichting; o de nadere voorschriften voor de uitvoering van de bepalingen van titel 4 betreffende de beleids- en beheerscyclus, evenals de bijbehorende documenten, met inbegrip van de te hanteren modellen, de rekeningenstelsels en de inhoud en wijze van de digitale rapporteringen; o welke kredieten limitatief zijn; o de minimale vereisten waaraan de informaticasystemen moeten voldoen die gebruikt worden voor de toepassing van de decretale bepalingen over de beleids- en beheerscyclus; o de nadere voorwaarden voor de toepassing van de regels over de beleids- en beheerscyclus door de districten, de autonome gemeentebedrijven, de welzijnsverenigingen en de projectverenigingen. Dit besluit komt daarbij in de plaats van het besluit van 25 juni 2010 betreffende de beleids- en beheerscyclus van de gemeenten, de provincies en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Om de leesbaarheid te bevorderen wordt ervoor gekozen om dat besluit van 2010 integraal te vervangen. Ook het opschrift van dit besluit werd veranderd, waarbij de besturen waarop het van toepassing is, niet langer worden opgesomd. Het bestaande opschrift vermeldde de gemeenten, de OCMW's en de provincies, maar was eigenlijk onvolledig omdat het besluit ook van toepassing was op de autonome gemeente- en provinciebedrijven en bepaalde OCMW-verenigingen. Intussen kunnen ook de projectverenigingen ervoor kiezen om dit besluit toe te passen. Veeleer dan de opsomming uit te breiden tot een onwerkbaar lange lijst, werd ervoor gekozen om in het opschrift van het besluit op te nemen dat het de beleids- en beheerscyclus van de lokale besturen betreft. De inwerkingtreding van de bepalingen over de beleids- en beheerscylus in het decreet over het lokaal bestuur verloopt gefaseerd en kan niet los gezien worden van de nieuwe bepalingen over de delegatiemogelijkheden en het organisatiebeheersingssysteem, die in werking treden vanaf 1 januari 2019. Dat betekent dat een aantal bepalingen van het besluit van 2010 ook met ingang van 1 januari 2019 moeten worden opgeheven in dit besluit. De overige bepalingen treden in werking vanaf het boekjaar 2020, behalve voor die besturen die ervoor gekozen hebben om de nieuwe regels al toe te passen vanaf het boekjaar 2019. Artikel 594, 597 en 608 van het decreet over het lokaal bestuur bieden die mogelijkheid. 1. Situering Vanaf 2011 startten de eerste besturen met de beleids- en beheerscyclus, in uitvoering van het Gemeente-, OCMW- en Provinciedecreet.De daaropvolgende jaren stapten steeds meer besturen in, zodat vanaf 2014 alle gemeenten, OCMW's, provincies en hun publiekrechtelijke verzelfstandigde entiteiten die regels toepassen. Dat betekent dat al die besturen halfweg 2015 minstens één keer een volledige cyclus hadden doorlopen van planning, uitvoering en evaluatie. In de loop van 2015 werd dan ook een uitgebreide evaluatie opgestart waarin gepeild werd naar de ervaringen bij de toepassing van de regels van de beleids- en beheerscyclus en waarbij nagegaan werd in hoeverre de doelstellingen bereikt werden die bij het opmaken van dat besluit werden geformuleerd. De voornaamste conclusies uit die evaluatie en de mogelijke wijzigingen aan de regelgeving om daaraan tegemoet te komen, heb ik u eerder al voorgelegd in de conceptnota van 15 juli 2016. De voornaamste conclusie uit die evaluatie was dat de fundamenten van de beleids- en beheerscyclus niet in vraag gesteld moeten worden, maar dat in de concrete uitwerking ervan wel een aantal bijsturingen mogelijk en wenselijk zijn. Dat geldt met name wat betreft de beleidsrapporten, die voorgelegd worden aan de raden en op basis waarvan de raadsleden beslissingen nemen. Die beleidsrapporten zijn cruciaal in het concept van de beleids- en beheerscyclus. Een deel van die gesuggereerde bijsturingen werden meegenomen in de opmaak van het decreet over het lokaal bestuur. Een aantal belangrijke vereenvoudigingen van de regelgeving situeren zich immers op decretaal niveau. Het meest in het oog springend daarbij zijn de integratie van het budget in het meerjarenplan en de doorgedreven deregulering van allerlei detailregelingen die voortaan overgelaten worden aan het organisatiebeheersingssysteem van de besturen zelf. Daarnaast werden in de evaluatie ook een heel aantal suggesties gedaan die geen verband houden met de decretale regels, maar zich situeren op niveau van het uitvoeringsbesluit. Die werden opgenomen in dit besluit. 2. Kader voor dit uitvoeringsbesluit Dit besluit doet geen afbreuk aan de fundamentele keuzes die aan de basis lagen van het besluit van 25 juni 2010.Het kader waarin dit besluit tot stand kwam, is dan voor een groot deel ook hetzelfde gebleven als de context waarin dat besluit van 25 juni 2010 werd uitgewerkt. De Vlaamse Regering moet immers niet alleen rekening blijven houden met de Vlaamse decreten, maar is evenzeer gebonden door een aantal internationale verplichtingen. 2.1. Het decreet over het lokaal bestuur Het decreet van 22 december 2017Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2017 pub. 15/02/2018 numac 2018030427 bron vlaamse overheid Decreet over het lokaal bestuur type decreet prom. 22/12/2017 pub. 08/02/2018 numac 2018010200 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 31 januari 2014 betreffende opdracht van de bevoegdheid inzake het voeren van een specifiek grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant aan de Provincie Vlaams-Brabant, het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid type decreet prom. 22/12/2017 pub. 09/02/2018 numac 2018010241 bron vlaamse overheid Decreet houdende de subsidiëring van bovenlokaal jeugdwerk, jeugdhuizen en jeugdwerk voor bijzondere doelgroepen type decreet prom. 22/12/2017 pub. 25/04/2018 numac 2018040121 bron vlaamse overheid Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2018 type decreet prom. 22/12/2017 pub. 29/12/2017 numac 2017032267 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2018 type decreet prom. 22/12/2017 pub. 28/12/2017 numac 2017032269 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de aanpassing van de groenestroomdoelstellingen, de WKK-doelstellingen en de energieheffing sluiten over het lokaal bestuur heeft een aantal fundamentele keuzes gemaakt die bepalend zijn voor dit uitvoeringsbesluit. Het gaat dan in de eerste plaats om de bepalingen van titel 4 van deel 2 van dat decreet, waarin de voornaamste elementen van de beleidsrapporten worden bepaald, net als de grote lijnen van de boekhouding die moet worden gevoerd. Daarnaast bevat dat decreet ook bepalingen over de ontvangsten- en uitgavencyclus en over de organisatiebeheersing, die ook een invloed hebben op dit uitvoeringsbesluit. In vergelijking met het Gemeente- en OCMW-decreet werd het aantal beleidsrapporten gereduceerd. Het budget werd geïntegreerd in het meerjarenplan, dat jaarlijks moet worden aangepast. Dat brengt uiteraard met zich mee dat ook in dit uitvoeringsbesluit nog slechts sprake zal zijn van drie soorten beleidsrapporten: de meerjarenplannen, de aanpassingen ervan en de jaarrekeningen. Met de budgetten zijn ook de budgetwijzigingen en de interne kredietaanpassingen verdwenen uit de regelgeving. Het is aan de besturen om zelf te bepalen hoe zij de opvolging van de kredieten, en de onderdelen daarvan, concreet vorm willen geven. Het decreet over het lokaal bestuur heeft ook het concept van gezamenlijke beleidsrapporten voor de gemeenten en hun OCMW's ingevoerd. Die beleidsrapporten worden overeenkomstig artikel 249 van het decreet over het lokaal bestuur vastgesteld door de raden van beide rechtspersonen, maar de inhoud ervan is gemeenschappelijk. Zo kunnen beide besturen hun beleidsdoelstellingen volledig in elkaar schuiven. Voor de concrete uitvoering en de registraties blijft het onderscheid tussen beide rechtspersonen wel een belangrijk gegeven. In dit besluit wordt daar ook rekening mee gehouden, door het opleggen van de verplichting om bij elke verrichting ook aan te geven op welke rechtspersoon die betrekking heeft. Ook de praktische uitvoering (ontvangsten- en uitgavencyclus) verloopt voor elke rechtspersoon afzonderlijk. De decretale regels hebben ook de intern verzelfstandigde agentschappen en het budgethouderschap doen verdwijnen. Die moeten dus ook niet worden hernomen in dit besluit. In de memorie van toelichting bij het decreet van 22 december 2017Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2017 pub. 15/02/2018 numac 2018030427 bron vlaamse overheid Decreet over het lokaal bestuur type decreet prom. 22/12/2017 pub. 08/02/2018 numac 2018010200 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 31 januari 2014 betreffende opdracht van de bevoegdheid inzake het voeren van een specifiek grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant aan de Provincie Vlaams-Brabant, het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid type decreet prom. 22/12/2017 pub. 09/02/2018 numac 2018010241 bron vlaamse overheid Decreet houdende de subsidiëring van bovenlokaal jeugdwerk, jeugdhuizen en jeugdwerk voor bijzondere doelgroepen type decreet prom. 22/12/2017 pub. 25/04/2018 numac 2018040121 bron vlaamse overheid Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2018 type decreet prom. 22/12/2017 pub. 29/12/2017 numac 2017032267 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2018 type decreet prom. 22/12/2017 pub. 28/12/2017 numac 2017032269 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de aanpassing van de groenestroomdoelstellingen, de WKK-doelstellingen en de energieheffing sluiten over het lokaal bestuur (artikel 256 en 263) werd aangegeven dat het de bedoeling is om de autorisatie voortaan op een hoger niveau te regelen. De Vlaamse Regering krijgt de bevoegdheid om dat nader in te vullen, wat in dit besluit gebeurt in artikel 13. Tegelijk moet erover gewaakt worden dat de raadsleden voldoende informatie blijven krijgen over de uitvoering van het meerjarenplan. Daarom heeft de decreetgever een opvolgingsrapportering ingevoerd, opgenomen in artikel 263 van het decreet van 22 december 2017Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2017 pub. 15/02/2018 numac 2018030427 bron vlaamse overheid Decreet over het lokaal bestuur type decreet prom. 22/12/2017 pub. 08/02/2018 numac 2018010200 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 31 januari 2014 betreffende opdracht van de bevoegdheid inzake het voeren van een specifiek grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant aan de Provincie Vlaams-Brabant, het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid type decreet prom. 22/12/2017 pub. 09/02/2018 numac 2018010241 bron vlaamse overheid Decreet houdende de subsidiëring van bovenlokaal jeugdwerk, jeugdhuizen en jeugdwerk voor bijzondere doelgroepen type decreet prom. 22/12/2017 pub. 25/04/2018 numac 2018040121 bron vlaamse overheid Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2018 type decreet prom. 22/12/2017 pub. 29/12/2017 numac 2017032267 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2018 type decreet prom. 22/12/2017 pub. 28/12/2017 numac 2017032269 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de aanpassing van de groenestroomdoelstellingen, de WKK-doelstellingen en de energieheffing sluiten over het lokaal bestuur. Die opvolgingsrapportering wordt in dit besluit concreter vorm gegeven in een afzonderlijke titel (titel 3), die nieuw is tegenover het besluit van 25 juni 2010. 2.2. Internationale verplichtingen Bij de ontwikkeling van dit besluit is rekening gehouden met internationale verplichtingen in het kader van de verordening (EU) 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (ESR 2010) en de richtlijn 2011/85/EU van 8 november 2011 tot vaststelling van voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten. Het registratiesysteem moet in staat zijn de nodige rapporten te leveren in het kader van de internationale verplichtingen die de federale overheid heeft. Die internationale verplichtingen zijn vervat in ESR 2010 (Europees Systeem van nationale en regionale Rekeningen) en COFOG (Classificatie van Overheidsfuncties). Daarnaast zijn er ook nog de aanbevelingen van de Raad van Europa die specifiek gericht zijn op de lokale overheden. ESR 2010 is voor de EU-lidstaten verplicht gesteld door middel van Verordening nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013. Die verordening is niet rechtstreeks van toepassing op de gemeenten, provincies en OCMW's, of hun verzelfstandigingen en samenwerkingsverbanden. Toch wordt er het best rekening mee gehouden. ESR 2010 wordt immers gebruikt als berekeningsgrondslag voor de budgettaire voorwaarden die opgenomen werden in het Verdrag van Maastricht. Die voorwaarden gelden niet alleen voor de federale overheid, maar wel voor de overheid in haar geheel. Het betreft m.a.w. ook de begrotingssaldi en overheidsschuld van de gemeenschappen en gewesten, de provincies én de lokale besturen. Het ESR-systeem moet toelaten te komen tot een consistente, betrouwbare en vergelijkbare kwantitatieve beschrijving van de EU-lidstaten. In het ESR wordt er geregistreerd op transactiebasis, dus volgens het moment van wijzigingen in waarde of het ontstaan van afspraken of verplichtingen. Om aan de ESR-verplichtingen te kunnen voldoen, is er in het besluit opgenomen dat de minimum genormaliseerde stelsels van de algemene rekeningen en van de economische sectorcodes een rapportering in het kader van bovengenoemde verordening moet mogelijk maken. The Classification Of the Functions Of Governement (COFOG) klasseert de uitgaven en ontvangsten van alle overheden volgens hun bestemming, dat wil zeggen volgens de « opdrachten », de « doelstellingen » of de beleidsprioriteiten van de regeringen. In 1998 heeft de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), in samenwerking met het Bureau voor statistieken van de Europese Gemeenschappen (Eurostat), de Economische Commissie voor Europa, de Afdeling statistiek van de UNO, de statistische diensten van de Lidstaten, nieuwe functionele nomenclaturen uitgewerkt, waaronder de COFOG. Op 5 oktober 1999 besliste de Belgische interministeriële Conferentie van Financiën en begroting de COFOG 1998 in te voeren in alle begrotingen van de federale overheid, van de Gemeenschappen, Gewesten en Gemeenschapscommissies. De COFOG is verschillend van de economische classificatie. Terwijl de eerste belang hecht aan het beleid, gaat de tweede over de indeling van de verrichtingen volgens macro-economische criteria zoals het verbruik, de wedden, de kredietenverleningen en deelnemingen, de overdrachten, de investeringen, enz. De COFOG is hoe langer hoe meer belangrijk omdat zij de regeringen in staat stelt verantwoording af te leggen over het gebruik van de overheidsmiddelen: het is een « transparant » werkmiddel dat toelaat om zowel tegenover de bevolking als tegenover interne of externe controle-instanties verantwoording af te leggen. In de federale overheid en de Vlaamse Gemeenschap is die indeling sinds 2014 verplicht, in uitvoering van hoger vermelde beslissing. De gemeenten en OCMW's moeten hun financiële gegevens kunnen rapporteren volgens dezelfde classificatie. Om dat mogelijk te maken, legt het besluit een indeling op in beleidsvelden, die gestandaardiseerd zijn. Dat genormaliseerde stelsel van de beleidsvelden is noodzakelijk voor rapportering in het kader van COFOG en ESR 2010. Ook het besluit van 25 juni 2010 hield al rekening met de ESR- en COFOG-regels. Het ging toen nog om de vorige versie van het ESR ("ESR 1995"), maar de impact van veranderingen in het ESR op de regels van de beleids- en beheerscyclus is minimaal. 2.3. Aanbevelingen van de Raad van Europa Het besluit houdt tevens rekening met de belangrijkste aanbevelingen van de Raad van Europa. Een overzicht: - het budget moet meer dan de autorisatiefunctie dienen. De beleidsrapporten bevatten meerdere op elkaar aansluitende rapporteringen die diverse functies vervullen (beleid, autorisatie, beheer...); - verbondenheid van het budgettaire systeem met de financiële boekhouding en met de managementboekhouding (beheer). De ideale situatie is dat het budgettaire systeem en de financiële boekhouding dezelfde basis gebruiken voor de registratie van de transacties. Het besluit volgt diezelfde gedachtegang. Zowel de beleidsrapporten (meerjarenplannen en jaarrekeningen) als een groot deel van de managementrapporteringen moeten kunnen worden opgemaakt op basis van één registratiesysteem. Voor dat tweede type van rapporten worden wel geen regels opgelegd, om de besturen vrij te laten in hun keuze hoe ze die rapportering concreet vorm geven in functie van hun lokale informatiebehoeften; - volgende opdeling van budgettaire gegevens moet mogelijk zijn: ontvangsten, uitgaven, financiering, classificatie van de uitgaven per economische, functionele en administratieve categorie. Het besluit beantwoordt hieraan; - het budget moet de te bereiken doelstellingen per beleidsdomein bevatten. In de toelichting van het meerjarenplan wordt deze informatie gepresenteerd; - het budget moet tevens niet-financiële maatstaven bevatten met betrekking tot de te bereiken doelstellingen. Een budgettaire of financiële boekhouding moet informeren over de realisatiegraad van de doelstellingen. In het besluit zijn de niet-financiële maatstaven opgenomen in de strategische nota van het meerjarenplan en in de toelichtingen. Bovendien zijn de opbouw van het meerjarenplan en van de jaarrekening zo veel als mogelijk op elkaar afgestemd, wat een transparante rapportering over de realisatiegraad van de doelstellingen mogelijk maakt. 2.4. Internationale standaarden Om de vergelijkbaarheid van de boekhouding met die van andere besturen en organen te bevorderen en om de leesbaarheid van de rapporten door derden te verzekeren is het belangrijk dat de boekhouding wordt gevoerd volgens algemeen erkende (internationale) standaarden. Sinds een twintigtal jaar besteedt het International Financial Accounting Committee (IFAC) aandacht aan standaarden voor de openbare sector, de zogenaamde International Public Sector Accounting Standards (IPSAS). Het doel van de IPSAS is om de standaardzetters/wetgevers te assisteren bij het opstellen van nieuwe standaarden of bij het herzien van bestaande standaarden om te komen tot een grotere vergelijkbaarheid. Die standaarden zijn geïnspireerd op de Internationale Accounting Standaarden (IAS, opvolger van IFRS). Beursgenoteerde ondernemingen in de EU zijn sinds 2005 wettelijk verplicht de IAS toe te passen. De IPSAS worden uitgevaardigd door de International Public Sector Accounting Standards Board (IPSASB) en zijn dus een geheel van boekhoudnormen specifiek voor de publieke sector. De standaarden beogen de vergelijkbaarheid van de financiële verslaggeving van de (individuele) overheidsorganisaties op wereldvlak. De IPSAS hebben vooralsnog alleen betrekking op financiële verantwoordingen. Het budgetgedeelte is nog in onderzoek. Deze standaarden zijn momenteel niet bindend, maar hebben wel autoriteit en verdienen aanbeveling. Ze leiden immers tot: o een aanzienlijke verbetering van de kwaliteit van de financiële rapportering voor een groot publiek; o meer weloverwogen beslissingen aangaande de allocatie van de overheidsmiddelen; o een betere transparantie; o een grotere verantwoording. Het komt elk wetgevend orgaan afzonderlijk toe de beslissing te nemen om IPSAS van toepassing te maken. Verschillende landen en drie belangrijke internationale organisaties, de Europese Unie, de NAVO en de OESO, hebben de IPSAS al expliciet aanvaard als normen voor hun financiële rapportering. Door de toenemende mondialisering is de kans reëel dat de IPSAS in de toekomst dwingend worden. Veel landen doen nu al een beroep op de IPSAS in het kader van de overheidshervormingen rond New Public Management. Er mag dus verwacht worden dat de IPSAS in de nabije toekomst nog aan gezag en belang zullen winnen. Bovendien onderzoekt de Europese Unie of er een Europese variant op de IPSAS moet worden uitgewerkt (de "EPSAS"), die dan verplicht gesteld zou worden voor de Europese lidstaten. Bij de ontwikkeling van dit besluit is rekening gehouden met de bepalingen van IPSAS, zoals dat ook al het geval was voor het besluit van 25 juni 2010. In geval van twijfel over de toepassing van de regels van dit besluit gelden de IPSAS ook als toetssteen. 2.5. De boekhouding 2.5.1. Terminologie Boekhouden is registreren. Naast het registreren van financiële gegevens kan men ook niet-financiële gegevens registreren, zoals de hoeveelheden van aangekochte of verkochte producten. Wanneer die registraties nuttig zijn voor het management spreekt men van een managementinformatiesysteem (MIS). Dat moet informatie verstrekken die het management helpt bij de voorbereiding van zijn beslissingen en bij de evaluatie van de genomen beslissingen. Hiertoe behoren de analytische boekhouding, kostencalculatie, financiële analyse, investeringsanalyse, enz. De analytische boekhouding heeft als doel binnen een organisatie een zicht te krijgen op de kosten per afdeling, product, project, dienstverlening, enz. Bij elk registratiesysteem hoort een rapportering. De kwaliteit van de rapportering wordt bepaald door de informatiewaarde ervan. Dat is de uiteindelijke doelstelling van het registratiesysteem: de informatiewaarde van de rapportering. De keuze voor een bepaald registratiesysteem zou moeten bepaald worden door de informatiebehoeften van de gebruiker, de manier waarop hij/zij die informatie kan bekomen maar ook door de prijs die hij/zij daarvoor wenst te betalen. Een basisprincipe is dat uit een registratiesysteem enkel die informatie kan gehaald worden die er eerst is ingevoerd. Data registreren kost evenwel tijd en geld. Het meerjarenplan en de jaarrekening zijn rapporten voor algemene doeleinden ("general purpose financial statements"). Het zijn rapporten die ten minste jaarlijks worden opgesteld en gepresenteerd en die zijn gericht op de gemeenschappelijke informatiebehoeften van een groot aantal gebruikers die zich niet in een positie bevinden om rapporten op maat aan te vragen. Daartegenover staan andere vormen van (financiële) rapportering, de zogenaamde financiële berichtgeving voor bijzondere doeleinden ("special purpose financial reporting"). Voorbeelden hiervan zijn o.a. managementrapportering (voor het college van burgemeester en schepenen, het vast bureau, voor het managementteam, voor een diensthoofd,...), de rapportering ten behoeve van controlerende instanties (toezicht en audit) of rapporten opgesteld in het perspectief van de financiering of de subsidiëring. Voor de registratie van financiële gegevens worden heel wat termen door elkaar gebruikt en dikwijls op een foutieve wijze. Om misverstanden uit te sluiten, is het daarom aangewezen om die termen eerst te verduidelijken. Een boekhoudsysteem kan men vanuit verschillende dimensies bekijken. In elk van die invalshoeken kunnen er keuzes gemaakt worden, elk met hun voor- en hun nadelen. De verschillende elementen samen bepalen de uiteindelijk gevoerde boekhouding. Hieronder worden de volgende dimensies kort toegelicht: o de registratietechniek; o de inhoud van de registraties; o het autorisatieaspect. Indeling volgens de registratietechniek: o Enkelvoudig boekhouden is een registratietechniek waarbij van een transactie telkens slechts één gevolg geregistreerd wordt. o Dubbel boekhouden is een registratietechniek waarbij alle financiële gevolgen van een transactie gelijktijdig geregistreerd worden. De techniek van dubbel boekhouden heeft het voordeel dat het een automatische controle inhoudt op de correctheid van de registratie. Indeling volgens de inhoud van de registratie: o Kasboekhouding is een boekhouding waarbij enkel de verrichtingen worden geregistreerd die een kaseffect hebben, dus inningen en betalingen met de liquide middelen, met de kas. Die verrichtingen worden geregistreerd op het ogenblik van de inning of de betaling. De internationaal meest gebruikte term is "cash accounting". o Transactieboekhouding is een boekhouding waarin alle financieel-economische transacties geregistreerd worden. Naast de pure kasverrichtingen worden dus eveneens de betalingen en de inningen met de financiële rekeningen, de permanente middelen, de financieringsbronnen, de vorderingen, de schulden, de kosten en de opbrengsten geregistreerd. De registratie gebeurt op het moment van de realisatie van de transactie, dus op het moment dat de transactie plaatsvindt en niet louter op het moment van de inning of de betaling. Voor een transactieboekhouding worden nog andere benamingen gebruikt, soms met een lichte nuance inzake informatiewaarde, zoals een algemene boekhouding, een economische boekhouding, een financiële boekhouding. Men gebruikt eveneens de term vermogensboekhouding, die verwijst naar de doelstelling van de boekhouding, namelijk het opvolgen van het vermogen van de organisatie. De internationaal meest gebruikte term is "accrual accounting". Een transactieboekhouding bevat dus veel meer informatie en is veel vollediger dan een kasboekhouding. Een kasboekhouding kan gemanipuleerd worden door het moment van de betaling of de inning te verschuiven. Een transactieboekhouding is minder afhankelijk van het moment van betaling of inning, maar veeleer van het moment van aankoop of verkoop. Naast de zuivere vormen van kasboekhouding en transactieboekhouding bestaan er varianten die een uitbreiding vormen op één van beide systemen. De techniek van dubbel boekhouden wordt meestal gebruikt voor het voeren van een transactieboekhouding. Die combinatie wordt doorgaans onderwezen in het middelbaar en hoger onderwijs waardoor er heel wat mensen mee vertrouwd zijn. De autorisatiedimensie Typisch bij de overheid is het machtigingsprincipe, waarbij een verkozen orgaan (parlement, raad, enz.) aan een uitvoerend orgaan de machtiging verleent om bepaalde inkomsten (belastingen, fondsen, enz.) te realiseren en bepaalde uitgaven te doen. Bij het machtigingsprincipe hoort het principe van de specificiteit van de uitgaven: kredieten mogen enkel gebruikt worden om uitgaven mee te doen waarvoor ze bestemd waren en die kredieten mogen niet overschreden worden. Het document waarin die machtiging wordt vastgelegd, noemt men een begroting of een budget en de boekhouding waarmee men het gebruik van deze kredieten opvolgt een budgettaire boekhouding. Bij de overheid zal men dus niet alleen de financiële transacties registreren maar eveneens de aangegane verbintenissen, het "verbruik" van een krediet, ook al doet de financiële transactie of de kasbeweging zich pas veel later voor. Een budgettaire boekhouding kan gevoerd worden zowel op basis van een kasboekhouding als op basis van een transactieboekhouding. Budgetten worden ook in de ondernemingswereld gebruikt maar daar zal men het verbruik van een krediet niet opvolgen op basis van de verbintenissen maar op basis van de gerealiseerde kosten of opbrengsten. Het autorisatie- of machtigingsprincipe wordt in de overheid dus veel rigider gehanteerd dan in ondernemingen. 2.5.2. Het conceptueel kader van de boekhouding Het financiële registratiesysteem en de beleidsrapportering moeten vertrekken vanuit een conceptueel boekhoudkader. Men kan of mag dus niet zonder meer een bestaand financieel systeem, hetzij uit de private, hetzij uit de publieke sector, van toepassing maken op de lokale besturen. Een conceptueel kader is een coherent geheel van concepten dat moeten leiden tot consistente boekhoudkundige normen. Het schrijft de aard, de functie en de grenzen voor van de beleidsrapportering. Het vormt een leidraad voor de regelgever bij het vastleggen van de boekhoudkundige normen waardoor beslissingen ad hoc kunnen vermeden worden. Zonder een conceptueel kader zullen normatieve en toezichthoudende instanties elk probleem op een ad-hocbasis benaderen en onderzoeken vanuit hun eigen premissen en concepten die niet expliciet worden gemaakt. Het is dus nuttig de filosofie te onderzoeken die aan de grondslag ligt van de boekhoudkundige normen en bepaalde sleutelaspecten van het normerende proces te bekijken met de gedachte dat, als de filosofie juist is, er zal worden tegemoet gekomen aan de behoeften van de samenleving. De principes waarop de beleidsrapporten zijn gebaseerd, moeten gekend en algemeen aanvaard zijn. Hiërarchische elementen van een conceptueel kader: o formuleren van doelstellingen: o onderzoek van de gebruikersbehoeften; o onderzoek naar de omgeving (wettelijke, politieke, sociologische en economische aspecten). o formuleren van boekhoudprincipes: o grondslagen van accounting en verslaggeving; o kwalitatieve kenmerken. o formuleren van wettelijke bepalingen en normen voor de boekhouding en de rapportering.

  1. a)Doelstellingen van de boekhouding De boekhouding moet als doelstelling hebben om in haar beleidsrapporten een antwoord te geven op de informatiebehoeften van de gebruikers van deze rapporten. Deze benadering van rapportering noemt men het User-Needs-model, het model Gebruikers - Informatiebehoeften. Ook de FASB (Financial Accounting Standard Boards), de IASB (International Accouting Standards Board) en de IPSASB (International Public Sector Accounting Standards Board) hebben hun standaarden uitgewerkt vertrekkende vanuit een conceptueel boekhoudkader waarbij de informatiebehoeften van de gebruikers van de rapportering centraal staan. Gebruikers van de beleidsrapporten zijn: o ofwel beslissingnemers, dat zijn personen of organen die beslissingen nemen op basis van een rapportering (bv. de gemeenteraad, de raad voor maatschappelijk welzijn, de districtsraad, de raad van bestuur, het college van burgemeester en schepenen, het vast bureau, ...); o ofwel adviseurs van beslissingnemers, dat zijn personen of organen die advies verlenen (aan een beslissingnemer) of een beslissing voorbereiden op basis van een rapportering (bv. consultants, analisten, auditors ...); o ofwel algemene informatieverstrekkers, dat zijn personen of organen die analyses maken op basis van een rapportering (bv. ADSEI (voorheen NIS), media, informatiebrokers ...). In de context van dit besluit zijn de hoofdgebruikers van de beleidsrapporten: - de raad als beleidsbepaler (al naar het gelang van het geval de gemeenteraad, de raad voor maatschappelijk welzijn, de districtsraad, de raad van bestuur, ...); - de Vlaamse overheid als beleidsvoorbereider. Dit zijn immers de organen die op basis van de beleidsrapporten beslissingen nemen met een grote impact op het gemeentelijk en/of het algemeen belang. Bovendien behoren ze niet, of slechts gedeeltelijk, tot het management van het bestuur. Ze hebben dus geen rechtstreekse toegang tot de informatie en zijn daardoor afhankelijk van de informatie die ze aangeboden krijgen. Het zijn dus externe en bijgevolg zwakke gebruikers van de rapporteringen, die daarom nood hebben aan een zekere bescherming via de beleidsrapportering. De concrete inhoud van de beleidsrapporten en de boekhoudregels (de boekhoudprincipes, de waarderingsregels, ...) werden dus bepaald op basis van de informatiebehoeften van die hoofdgebruikers. Het management (het college van burgemeester en schepenen, het vast bureau, het managementteam, het directiecomité, de gedelegeerd bestuurder, ...) behoren niet tot de hoofdgebruikers van de beleidsrapportering. Die gebruikers zijn immers de uitvoerders van het beleid. Het zijn dus interne gebruikers, die rechtstreeks toegang hebben tot de aanwezige informatie. Daardoor hebben zij de mogelijkheid om alle rapporten te laten opstellen die zij nodig achten. Het is bijgevolg niet de bedoeling een managementboekhouding of een analytische boekhouding centraal op te leggen, maar de officiële boekhouding moet hiervoor wel een goede basis bieden. Elk bestuur kan dan zelf bepalen welke managementinformatie het nodig heeft en hiervoor het gepaste (aanvullende) registratiesysteem uitwerken. Ook de controlerende instanties (het bestuurlijk toezicht, de externe audit, ...) en de subsidiërende overheden behoren niet tot de hoofdgebruikers. Het bestuurlijk toezicht en de externe audit kunnen immers alle documenten opvragen of inkijken die zij nodig hebben om hun controletaak uit te oefenen. De subsidiërende overheden zijn een zeer heterogene groep, waardoor het niet mogelijk is een beleidsrapportering te maken die aan de informatiebehoeften van al die instanties tegemoet kan komen. Voor sommige subsidiërende overheden zal er daarom een specifieke rapportering moeten worden opgesteld. Door aan de besturen de nodige vrijheid te gunnen bij het uitbouwen van hun boekhoudsysteem kan er wel worden vermeden dat ze voor subsidiërende en/of erkennende overheden aparte boekhoudingen moeten voeren. Ook de FASB richt zijn financiële standaardrapportering niet tot het management of overheidsdiensten (zoals de fiscus), maar tot de aandeelhouders, andere investeerders en crediteuren. De FASB gaat er immers samen met het AICPA (American Institute for Certified Public Accountants) van uit dat die gebruikersgroepen de meeste impact hebben op de verbetering van de algemene welvaart. Dat komt omdat ondernemingsverslaggeving de hoeksteen vormt waarop ons proces van toewijzing van kapitaal (middelen) is gebouwd. Een efficiënt toewijzingsproces is uiterst belangrijk voor een gezonde economie.
  2. b)Formuleren van boekhoudprincipes - Grondslagen voor de boekhouding en de rapportering o Een aantal klassieke grondslagen voor de boekhouding werden reeds vastgelegd in het decreet over het lokaal bestuur: o boekhoudkundige entiteit De voornaamste betekenis van die grondslag is dat ze het interessegebied bepaalt en dus de mogelijke objecten en activiteiten beperkt, evenals hun attributen die kunnen worden opgenomen in de financiële verslagen. Het decreet over het lokaal bestuur onderscheidt verschillende soorten entiteiten waarop de bepalingen van dit uitvoeringsbesluit van toepassing zijn: - de gemeenten met de OCMW's die hen bedienen; - de districten; - de autonome gemeentebedrijven; - de welzijnsverenigingen; - de projectverenigingen die daarvoor kiezen. o periodiciteit Deze grondslag verwijst naar het feit dat beleidsrapporten betrekking moeten hebben op onderscheiden en duidelijk afgebakende periodes. De periodiciteit van de beleidsrapporten werd vastgelegd in het decreet over het lokaal bestuur: - een periode van zes afzonderlijke jaren voor het meerjarenplan; - een periode van één jaar voor de kredieten (opgenomen in de desbetreffende kolom van het meerjarenplan); - een periode van één jaar voor de jaarrekening. o Daarnaast zijn er nog enkele andere klassieke grondslagen van de boekhouding die vervat liggen in grondwettelijke of internationale bepalingen en die werden vertaald in dit besluit, zoals: o continuïteit Deze grondslag veronderstelt dat de boekhoudkundige entiteit lang genoeg in werking zal blijven om al haar verbintenissen uit te voeren. De continuïteit van de genoemde boekhoudkundige entiteiten is verankerd in grondwettelijke, wettelijke en decretale bepalingen. o monetaire eenheid Hoewel boekhoudkundige gegevens niet beperkt zijn tot metingen in termen van een monetaire eenheid, bevatten boekhoudkundige rapporten voornamelijk financiële informatie. Die gegevens worden daarom geregistreerd op basis van een stabiele monetaire eenheid. Uiteraard is dit in deze context de euro. o Verder zijn er de grondslagen die verwoord zijn in de krachtlijnen (zie punt 4) Voorzichtigheid is een andere klassieke grondslag die echter niet gevolgd wordt in dit besluit. Voorzichtigheid wordt gehuldigd omwille van onzekerheid en conservatisme. Boekhoudkundig komt onzekerheid voort uit twee bronnen: - boekhoudkundige informatie heeft betrekking op entiteiten die verwacht worden bestaanscontinuïteit te bezitten in de toekomst, maar daarover bestaat geen absolute zekerheid; - boekhoudkundige metingen vertegenwoordigen dikwijls monetaire uitdrukkingen van schattingen van onzekere toekomstige bedragen. Geen enkele monetaire kwantificatie kan echter met absolute zekerheid gekend zijn. Die onzekerheid leidt tot het traditionele concept van voorzichtigheid in de boekhouding. Het concept van voorzichtigheid is echter een beperking bij de presentatie van gegevens die anders betrouwbaar en relevant zouden zijn. Over het algemeen betekent voorzichtigheid dat in de boekhouding de laagste van verschillende waarden voor activa en opbrengsten moet geboekt worden en de hoogste van verschillende mogelijke waarden voor schulden en kosten. Het concept impliceert ook dat kosten eerder moeten erkend worden en opbrengsten later. In de financiële verslaggeving wordt met andere woorden pessimisme verkozen boven optimisme. Voorzichtigheid kan echter leiden tot een volledige scheeftrekking van boekhoudkundige gegevens. In plaats van de voorzichtigheid toe te passen, moet het doel van financiële verslagen zijn om geschikte, zo realistisch mogelijke en betrouwbare informatie te verschaffen om de gebruikers hun eigen risicobeoordeling te laten maken.
  3. c)Formuleren van boekhoudprincipes - Kwalitatieve kenmerken Dit zijn die eigenschappen die informatie bruikbaar maken: o Baten en kosten: de baten van de informatie moeten opwegen tegen de kosten die gemaakt moeten worden om ze te verzamelen. o Relevantie: alle informatie die kan helpen in de beslissingsprocessen van de gebruikers moet worden voorgesteld. Relevantie omvat dus ook volledigheid. Relevantie speelt op meerdere punten: - de gerapporteerde informatie moet tegemoetkomen aan de informatiebehoeften van de gebruiker wat betreft het bereiken van zijn doelstellingen; - de bedoelde betekenis van de gerapporteerde informatie moet voor de gebruiker duidelijk zijn; - de gerapporteerde informatie moet de gebruiker helpen bij het nemen van zijn beslissingen. Accountinginformatie moet ook een terugkoppelingswaarde hebben: informatie heeft een belangrijke rol te spelen in het bevestigen of verbeteren van verwachtingen uit het verleden. Tot slot kan informatie maar relevant zijn als ze tijdig is. Dat wil zeggen dat de informatie beschikbaar moet zijn voor een beslissingnemer voordat ze de mogelijkheid verliest om de beslissingen te beïnvloeden. o Betrouwbaarheid: dit is de kwaliteit die verzekert dat informatie redelijk vrij is van fouten en vertekeningen en getrouw weergeeft wat ze beweert weer te geven. Betrouwbaarheid is een functie van representatieve getrouwheid, verifieerbaarheid en neutraliteit: - representatieve getrouwheid houdt in dat de informatie op een getrouwe wijze de fenomenen moet weergeven die ze beweert weer te geven. Het gaat dus om de overeenstemming tussen een meting of beschrijving en het fenomeen dat ze wil weergeven; - verifieerbaarheid is de mogelijkheid om via consensus tussen verschillende meters te verzekeren dat de informatie datgene vertegenwoordigt dat ze beweert te vertegenwoordigen of dat de gekozen metingmethode wordt gebruikt zonder fout of vertekening; - neutraliteit betekent de afwezigheid van vertekening in de gerapporteerde informatie. o Vergelijkbaarheid: de bruikbaarheid van informatie wordt in grote mate bevorderd, als ze zodanig voorgesteld wordt dat men een entiteit kan vergelijken met een andere, of met zichzelf over de tijd. Vergelijkbaarheid heeft te maken met uniformiteit en stelselmatigheid: - uniformiteit impliceert dat gelijkaardige gebeurtenissen op dezelfde wijze worden gerapporteerd; - stelselmatigheid verwijst naar het gebruik van dezelfde boekhoudkundige procedures door één enkele onderneming of boekhoudkundige entiteit van periode tot periode en het gebruik van gelijkaardige metingconcepten en procedures voor verbonden elementen binnen de financiële staten van een onderneming voor één enkele periode. o Materialiteit of relatieve belangrijkheid: een element is relatief belangrijk als de niet-bekendmaking, foutieve voorstelling of weglating ervan het beeld zou beïnvloeden. Materialiteit moet dus beoordeeld worden ten opzicht van de impact op de gebruiker van de financiële rapportering. Materialiteit plaatst zo een beperking op wat moet worden bekendgemaakt. 3. De evaluatie van het besluit van 25 juni 2010 Nadat alle lokale besturen halfweg 2015 de regels van de beleids- en beheerscyclus gedurende minstens een volledige cyclus van planning, uitvoering en evaluatie hadden toegepast, werd een uitgebreide evaluatie gemaakt van die regels, waarbij nagegaan werd in hoeverre dat besluit van 25 juni 2010 de vooropgestelde doelstellingen bereikt heeft.Het is die evaluatie die aan de basis ligt van dit besluit, dat de uitgangspunten van dat van 25 juni 2010 behouden heeft, maar de concrete uitwerking ervan op meerdere punten wil bijsturen. 3.1. Werkwijze Tussen mei en oktober 2015 heeft het Agentschap Binnenlands Bestuur (ABB) bij de belanghebbenden gepeild naar de positieve punten en de tekortkomingen van de beleids- en beheerscyclus (BBC) volgens de huidige regelgeving. Dat gebeurde via twee kanalen: enerzijds door bevraging via de verenigingen van belanghebbenden, anderzijds door individuele interviews. Ook met de eigen bevindingen van het agentschap werd rekening gehouden. Bij de invoering van BBC bij de lokale besturen waren veel actoren betrokken. Het lag dan ook voor de hand om bij de evaluatie al die actoren een kans te geven om hun visie kenbaar te maken en knelpunten naar voren te schuiven. Het was echter ondoenbaar om alle BBC-besturen, secretarissen en financieel beheerders rechtstreeks te bevragen. Die aantallen zijn veel te groot om dat logistiek geregeld te krijgen. Daarom werd ervoor gekozen om zo veel mogelijk de verenigingen van belanghebbenden in te schakelen (VVSG, ECG, Vlofin, etc.) en op hen te rekenen om alle nuttige signalen vanuit hun achterban op te vangen en door te geven. De volgende partijen zijn daarbij geconsulteerd: o VVSG en VVP (voor mandatarissen en raadsleden); o het forum van de centrumsteden; o Vlofin, ECG en VVOS (voor financieel beheerders en secretarissen); o Vlaamse administraties (sectorale administraties i.v.m. informatiebehoeften); o softwareleveranciers; o consultants; o academici. Voor specifiekere onderdelen heeft bovendien overleg met vertegenwoordigers van de volgende instanties plaats gevonden: o INR; o departement Financiën en Begroting van de Vlaamse overheid; o Audit Vlaanderen; o het Kenniscentrum PPS; o IBR; o het Rekenhof. De concrete aanpak van de raadpleging van de achterban van de diverse koepelverenigingen is overgelaten aan die verenigingen zelf. Op voorhand is met de koepelverenigingen in het ondertussen opgerichte BBC-forum overlegd over het plan van aanpak. Om het overleg te structureren is gewerkt met een concrete vragenlijst, opgebouwd rond een aantal kapstokken: topics die zeker aan bod moesten komen. De bevragingen georganiseerd door de koepelverenigingen zijn aangevuld met individuele diepte-interviews met onder meer secretarissen, financieel beheerders en mandatarissen. Hierbij zijn dezelfde vragenlijsten gebruikt. Die persoonlijke gesprekken lieten toe om concreter in te gaan op de verwachtingen en de knelpunten van de gesprekspartners. Aan de hand van alle informatie die zo verzameld werd, heeft ABB een grondige evaluatie uitgevoerd. Uit de bevragingen kwamen een aantal bedenkingen naar voren die door alle belanghebbenden geuit werden. Andere standpunten waren minder algemeen gedeeld. De resultaten van de evaluatie en de conclusies die daaruit getrokken moesten worden, werden uitgebreid besproken met het werkveld, in het BBC-forum. In dat forum zijn de koepelverenigingen vertegenwoordigd. De leden zijn afgevaardigden van de VVSG, VVP, Vlofin en ECG. Daarnaast werd over die resultaten ook overlegd met de softwareleveranciers en de consultants. Op basis van de reacties werden in een volgende fase mogelijke voorstellen tot verbetering geformuleerd en daarna ook concrete tekstvoorstellen. Daarover werd telkens uitgebreid teruggekoppeld naar de betrokken gesprekspartners. Op 15 juli 2016 hechtte de Vlaamse Regering haar goedkeuring aan een conceptnota over de evaluatie van de beleids- en de beheerscyclus (BBC) zoals sinds 2014 van toepassing in de Vlaamse lokale besturen en voorstellen tot bijsturing vanaf de planningsperiode 2020-2025. De inhoud van die conceptnota was gebaseerd op de uitgevoerde evaluatie en werd meegenomen bij de opmaak van het decreet over het lokaal bestuur en bij de uitwerking van dit besluit. 3.2. Vaststellingen Hier worden de resultaten van de evaluatie samengevat, voor zover ze betrekking hebben op de aspecten die geregeld worden op niveau van het besluit van de Vlaamse Regering. Daarnaast kwamen in de evaluatie ook andere elementen aan bod. De bijsturingen waarvoor een decretaal ingrijpen noodzakelijk was, werden meegenomen in het decreet over het lokaal bestuur. Die punten worden hier enkel pro memorie vermeld, waar ze een rechtstreekse impact hebben op dit besluit. Verder zijn er in de evaluatie ook een aantal opmerkingen geformuleerd die geen rechtstreekse weerslag hebben in de regelgeving, maar meer te maken hebben met een cultuurverandering en sensibilisering. Ook die worden hier slechts zijdelings belicht. - algemene beoordeling Uit de evaluatie kwam naar voren dat alle bevraagden tevreden zijn over het concept van BBC. De conceptuele onderbouw en de grote lijnen van BBC worden door de overgrote meerderheid van de belanghebbenden als positief ervaren. Ze vinden het positief dat BBC één systeem is dat overal toegepast wordt. De opmaak van een omgevingsanalyse in het kader van de beleidscyclus dwingt de besturen stil te staan bij de context waarin ze functioneren. De meerjarenplannen maken dat mandatarissen een beter zicht hebben op de te realiseren zaken tijdens de legislatuur. Vaak werd wat in het bestuursakkoord staat, vertaald in de beleidsrapporten. BBC maakt ook de koppeling mogelijk tussen het financiële en het inhoudelijke van het beleid. Dit alles wordt door de bevraagden als positief beschouwd. Er is in de toepassing van BBC wel een groot verschil merkbaar tussen de verschillende besturen. BBC heeft ook geleid tot een grotere samenwerking tussen en professionalisering van de leden van het managementteam. Er wordt meer in doelstellingen gedacht, die verder geconcretiseerd worden. Het denken vanuit de inputzijde heeft plaats gemaakt voor het resultaatsgerichte denken. Dat kan nog verder uitgebreid worden naarmate ook de filosofie van BBC meer en meer ingang vindt. Die grotere samenwerking heeft als voordeel dat alles nauwgezet opgevolgd kan worden. Het nadeel is echter dat de leden van het managementteam gefocust zijn op de uitwerking van de gedefinieerde beleidsdoelstellingen en minder aandacht hebben voor de wijzigende omgeving. Het werken met meerjarenplannen vergt een continue evaluatie en bijsturing van de opgenomen doelstellingen. Het meerjarenplan mag geen to-dolijstje zijn. Uit de interviews en de bevindingen via de koepelverenigingen blijken ook een aantal knelpunten die hieronder aan bod komen. Die knelpunten doen echter geen afbreuk aan de algemeen zeer positieve appreciatie van BBC. - beleidsrapporten Mandatarissen wensen beleid te voeren op een meer gedetailleerd niveau dan wat tot uiting komt in de beleidsrapporten. Ze ondervinden moeilijkheden om enkel op de hoofdlijnen te sturen. In de geaggregeerde cijfers zien ze niet meer waarvoor de kredieten dienen. Er is dus sprake van een kloof tussen enerzijds de gewenste informatie die ze niet krijgen en anderzijds de overvloedige informatie waarin ze niet geïnteresseerd zijn. Bovendien vinden ze de beleidsrapporten te moeilijk en te weinig transparant. Daardoor vinden mandatarissen vaak dat ze te afhankelijk zijn van de ambtenaren. Het zijn ambtenaren die de beleidsrapporten voorbereiden en voorstellen tot beslissing maken. Door de soms onvoldoende kennis van en interesse in BBC van de mandatarissen, worden de voorbereide voorstellen vaak gewoon overgenomen. Niet alleen de mandatarissen vinden BBC overigens complex, ook secretarissen en financieel beheerders ondervinden moeilijkheden en hebben vaak bijstand van consultants nodig, ondanks alle beschikbare ondersteuning. De indeling in beleidsdomeinen biedt momenteel geen inhoudelijke meerwaarde voor de raadsleden. Het gebruik van de beleidsvelden is statistisch wel belangrijk. Ondanks het feit dat ook de indeling in beleidsdomeinen interessante informatie kan opleveren, wordt het aantal beleidsdomeinen vaak beperkt omdat de indeling het niveau van de kredietbewaking bepaalt: hoe lager het aantal beleidsdomeinen hoe gemakkelijker er met de kredieten kan geschoven worden. De indeling in prioritaire beleidsdoelstellingen en overig beleid is zeer arbitrair en weinig transparant. Raadsleden staan vaak sceptisch tegenover de indeling omdat ze vrezen dat zaken waarover men liever niet rapporteert in overig beleid opgenomen worden. Bovendien kunnen de raadsleden de coherentie van het geheel verliezen bij een selectieve presentatie van beleidsdoelstellingen. Om hun taak ten volle te kunnen uitoefenen en het beleid te kunnen uitstippelen, hebben de raadsleden nood aan alle relevante gegevens en niet enkel aan de gerapporteerde gegevens. Volgens de huidige regelgeving is het werken met investeringsenveloppes niet evident. Voornamelijk de overdracht van de transactiekredieten, het niveau van de kredieten en de vereiste kredietaanpassingen zijn omslachtig, niet flexibel en vormen een grote administratieve last. Er kunnen overlappingen zijn tussen investerings- en exploitatie-uitgaven. Bovendien bestaat het investeringsbudget uit nieuwe investeringsenveloppes en een overzicht van de transactiekredieten van het boekjaar. Hierdoor heeft een raadslid, vanaf het moment dat het budget voor een investering is vastgesteld tot de afsluiting van de investeringsenveloppe, geen zicht meer op lopende investeringen, tenzij het bestuur hier expliciet over rapporteert. Door alle bevraagden wordt het aantal en de moeilijkheid van de beleidsrapporten als een groot nadeel beschouwd. Het budget en het meerjarenplan zijn twee beleidsrapporten waarvan het budget in het meerjarenplan moet passen. Het budget is als het ware een onderdeel van het meerjarenplan. Het aanvoelen is dat bij de opmaak van de twee beleidsrapporten dubbel werk geleverd wordt. Uit de bevraging blijkt dat iedereen voorstander is van een integratie van het budget in het meerjarenplan, een integratie die intussen werd doorgevoerd in het decreet over het lokaal bestuur. - kredieten De bevraagden vinden dat er een opvallend verschil is tussen de zeer strenge regels voor kredietwijzigingen op het niveau van het investeringsbudget en de heel soepele mogelijkheden voor kredietverschuivingen op het niveau van het exploitatiebudget. Er is een grote vraag naar meer soepelheid voor de wijziging van kredieten. - financieel evenwicht Toestandsevenwicht Bij de berekening van het resultaat op kasbasis worden de bestemde gelden afgetrokken van het gecumuleerd budgettair resultaat om aan te tonen over welke middelen het bestuur beschikt als men rekening houdt met alle te verwachten ontvangsten en uitgaven. Omdat het in de praktijk vaak voorvalt dat een bestuur middelen in kas heeft, maar niet mag gebruiken omwille van het te behouden evenwicht van het resultaat op kasbasis, plant het bestuur leningen. Het is niet efficiënt om middelen die men in kas heeft niet aan te wenden en daardoor te moeten lenen. Structureel evenwicht Uit de individuele bevragingen blijkt er vraag naar een verdieping en verbreding van de regels over het financieel evenwicht om de financiële gezondheid van de besturen beter te bewaken. De federaties zijn tevreden met het huidige structurele evenwicht. Er is wel vraag naar bijkomende instrumenten waarmee het bestuur zijn financiële gezondheid kan meten en eventueel die van de groep (gemeente, met inbegrip van het OCMW, samen met de AGB's). Ook is er een grote interesse in een geconsolideerd financieel evenwicht voor het moederbestuur en zijn verzelfstandigde entiteiten (AGB's). Daarbij zou de gemeenteraad principieel de verantwoordelijkheid dragen voor de hele groep. Meermaals is ook de bezorgdheid geuit over de impact van de alternatieve financieringsvormen. - boekhouding en datakwaliteit Er is een algemene vraag om zo weinig mogelijk te wijzigen aan de rekeningenstelsels. De bevraagden zijn ook van mening dat de lijst van de beleidsvelden het best beperkt gehouden wordt en dat de besturen de vrijheid moeten blijven behouden om de groepering van de beleidsvelden in beleidsdomeinen te clusteren. Daarbij werd ook enkele keren opgemerkt dat de verplichte een-op-eenrelatie tussen de beleidsvelden en de beleidsdomeinen een geïntegreerde werking kan bemoeilijken. Via de digitale rapportering over de gegevens van de beleidsrapporten wordt een schat aan informatie ingezameld over de lokale besturen. Die gegevens worden gebruikt voor analyses, zowel in functie van lokale als in functie van Vlaamse informatiebehoeften. Technisch werkt die digitale rapportering intussen over het algemeen vlot, maar er wordt vastgesteld dat de kwaliteit van de aangeleverde data niet optimaal is. Dat heeft te maken met onzorgvuldige registraties. Het niet correct toekennen van de juiste sectorcodes (nodig voor de ESR-rapportering aan het INR en aan Europa) is hier een specifiek voorbeeld van. Mede doordat de besturen er zelf weinig belang of voordeel bij hebben dat die toekenningen correct gebeuren (behalve als ze zelf consolidaties willen doen), verlopen ze soms nogal arbitrair. Daardoor zijn de gegevens die aan Europa aangeleverd worden ook voor verbetering vatbaar. 3.3. Concrete bijsturingen De conclusies uit de evaluatie van de bestaande regels leiden tot de concrete bijsturing van de regelgeving op een aantal punten. Zoals hoger al aangegeven, gebeurde dat deels al op niveau van het decreet over het lokaal bestuur. In wat volgt ligt de nadruk uiteraard in eerste instantie op de bijsturingen op niveau van het uitvoeringsbesluit. - beleidsrapporten Om beter tegemoet te komen aan de informatiebehoeften van de raadsleden, wordt het perspectief van de beleidsdoelstellingen in de beleidsrapporten in dit besluit aangevuld met de prioritaire acties of prioritaire actieplannen. De besturen kiezen zelf tussen beide opties. De prioritaire acties/actieplannen zijn de belangrijke acties/actieplannen waarover het bestuur communiceert aan de raad. Prioritaire beleidsdoelstellingen worden daardoor voortaan de beleidsdoelstellingen waaraan één of meerdere prioritaire acties/actieplannen gekoppeld zijn. Die aanpassing moet de betrokkenheid van de raadsleden bij het beleid verhogen en het draagvlak voor BBC doen toenemen. Het aantal schema's wordt drastisch gereduceerd. Dat is mede het gevolg van de integratie van het budget in het meerjarenplan, waartoe op decretaal niveau beslist werd en waardoor het aantal schema's gehalveerd kan worden. Daarnaast worden de verschillende beleidsrapporten (de (aanpassingen van
  4. de)meerjarenplannen en de jaarrekeningen) vereenvoudigd en uniformer gemaakt, om de vergelijkbaarheid en de leesbaarheid te verhogen. De financiële nota bestaat onder meer uit een financieel doelstellingenplan (of een doelstellingenrekening). Daarin wordt gekozen voor de doelstellingen als invalshoek in plaats van de beleidsdomeinen. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de prioritaire beleidsdoelstellingen, de niet-prioritaire beleidsdoelstellingen en de verrichtingen zonder beleidsdoelstellingen. Om het inhoudelijke beleid transparanter en leesbaarder weer te geven, moeten in de strategische nota van het meerjarenplan en de beleidsevaluatie van de jaarrekening ook de ontvangsten en uitgaven worden opgenomen per prioritaire beleidsdoelstelling en per prioritaire actie of actieplan. In het financiële doelstellingenplan staan die immers alleen geaggregeerd, volgens de indeling op basis van beleidsdoelstellingen. De opname in de strategische nota en de beleidsevaluatie van de cijfergegevens over het prioritaire beleid moet het gemakkelijker maken om de te verwachten (meerjarenplan) en de gerealiseerde (jaarrekening) prioritaire acties/actieplannen en beleidsdoelstellingen te evalueren en bespreken. De schema's van de planning en de jaarrekening zijn uniform, maar in de financiële nota van de jaarrekening wordt uiteraard ook nog een balans opgenomen en een staat van opbrengsten en kosten. Aangezien de beleidsdomeinen niet langer gebruikt worden in de financiële nota, wordt in de toelichting een schema opgenomen dat de opdeling van exploitatie en investeringen volgens beleidsdomeinen weergeeft. Het decreet over het lokaal bestuur heeft de huidige lijsten bij het budget (nominatieve subsidies, delegatie overheidsopdrachten,...) losgekoppeld van de beleidsrapporten: de uiteindelijke bevoegdheid blijft bij de raad, maar die hoeft dat niet noodzakelijk altijd via het meerjarenplan te beslissen. Dat biedt een bestuur de mogelijkheid om daar afzonderlijk over te beslissen, wat, indien nodig of gewenst, een flexibelere manier van werken mogelijk maakt. In de documentatie bij de beleidsrapporten wordt wel nog een overzicht opgenomen van de toegestane werkings- en investeringssubsidies, waaronder de nominatief toegekende subsidies. Dat overzicht houdt dan echter niet langer een beslissing in, maar is louter informatief, net als de andere informatie in de documentatie (bv. betreffende de personeelsinzet, de samenstelling van de beleidsdomeinen, de financiële vaste activa). - kredieten In dit besluit worden de complexe regels voor kredietbewaking en de daaraan gekoppelde aanpassingen van de meerjarenplannen sterk vereenvoudigd. De nadruk wordt verlegd van de kredietbewaking naar de rapporteringsverplichtingen aan de raad. Raadsleden zijn immers veeleer geïnteresseerd in de inhoudelijke vooruitgang van de projecten of in belangrijke verschuivingen dan in de kredietbewaking op zich. Daarom kan het autorisatieniveau verhogen, zodat de raadsleden minder vaak worden geconfronteerd met aanpassingen aan de planning die louter het gevolg zijn van de kredietbewaking. Een nieuwe autorisatie van de raad blijft vereist bij belangrijke wijzigingen (zowel financiële als inhoudelijke wijzigingen). >et aanpassen van het autorisatieniveau mag geen andere essentiële elementen in het BBC-concept onderuit halen. Noch de beleidsdomeinen, noch de prioritaire beleidsdoelstellingen lijken daarom geschikte niveaus om de kredietbewaking op te organiseren: de keuze van doelstellingen en beleidsdomeinen mag niet beïnvloed worden door praktische afwegingen over flexibiliteit wat betreft de kredietbewaking. Uit de evaluatie blijkt dat in de praktijk nu vaak wel het geval. Daarom kiest dit besluit ervoor om de kredieten vast te leggen op het totaal van de exploitatie- en het totaal van de investeringsuitgaven. Verder worden ook de kredieten voor het opnemen van leningen en leasings beperkt, net als die voor de toegestane leningen en betalingsuitstel. Die ontvangsten en uitgaven zijn immers het gevolg van fundamentele keuzes van het bestuur, die door de raad moeten worden gemaakt. Daarom kan voor de financiering, in tegenstelling tot de exploitatie en de investeringen, niet gekozen worden voor één globaal krediet op het niveau van het totaal. Dat betekent dat ook de investeringsenveloppes, die eveneens een autoriserende rol hadden, afgeschaft worden. Ze worden vervangen door een evolutie van de investeringsprojecten in de toelichting. Zo blijven de raadsleden toch op de hoogte over de stand van zaken van de investeringen per project. Die rapportering staat los van de kredietbewaking. Door het verdwijnen van de investeringsenveloppes, vervallen ook het concept van de verbinteniskredieten en de automatische overdracht van kredieten naar het volgende boekjaar. Om te vermijden dat de besturen bij het begin van elk boekjaar een aanpassing van het meerjarenplan moeten doorvoeren om de ongebruikte kredieten van het vorige boekjaar opnieuw op te nemen, heeft de decreetgever het uitvoerend orgaan de bevoegdheid gegeven om voortaan te bepalen welk gedeelte van de ongebruikte investeringskredieten en bijbehorende financiering wordt overgedragen naar het volgende boekjaar. - rapportering Het optrekken van het niveau van de autorisatie mag echter niet betekenen dat de raad in het ongewisse gelaten wordt over de uitvoering van de planning die hij heeft goedgekeurd. Daarom heeft de decreetgever bepaald dat alle besturen moeten rapporteren aan de raad, ook los van de rapporteringsmomenten die gekoppeld zijn aan de goedkeuring van de beleidsrapporten. De raad beslist over de wijze en frequentie van het rapporteren. Er wordt echter de verplichting opgelegd om minstens éénmaal per jaar, in de loop van het derde kwartaal, te rapporteren over de stand van zaken, zowel op financieel als op inhoudelijk vlak. Zo kunnen de raadsleden de evolutie van de uitvoering van het meerjarenplan opvolgen. Ook de verzelfstandigde entiteiten rapporteren onder dezelfde voorwaarden aan hun moederbestuur. Dat betekent in concreto dat alle raadsleden minimaal driemaal per jaar een rapportering krijgen over de beleidsdoelstellingen en de uitvoering ervan: bij de jaarlijkse aanpassing van het meerjarenplan (in het late najaar), bij de vaststelling van de jaarrekening (in het voorjaar) en minstens één tussentijdse rapportering (in het vroege najaar). - financieel evenwicht Om tegemoet te komen aan de bezorgdheden die naar boven kwamen tijdens de georganiseerde bevraging, is het aangewezen om het financieel evenwicht niet enkel te bekijken op het niveau van de individuele besturen, maar ook op geconsolideerd niveau. Door de verdere integratie van het OCMW en de gemeente worden de cijfers van beide besturen sowieso al samengenomen en als één geheel gepresenteerd. Om het geconsolideerde evenwicht te beoordelen, komen daar dan ook de autonome gemeentebedrijven bij (en voor Antwerpen ook de districten). Voor dat financieel evenwicht op groepsniveau gelden geen afzonderlijke normen, maar het wordt wel getoond in de beleidsrapporten van de moederbesturen, ter informatie van de raadsleden. Uiteindelijk zijn die moederbesturen immers verantwoordelijk voor de financiële gezondheid van de hele groep, met inbegrip van de dochters. De norm van het toestandsevenwicht moet behouden blijven, maar dit besluit kiest ervoor om niet langer te spreken van het `resultaat op kasbasis', maar van het `beschikbaar budgettair resultaat'. De oude term roept vaak vragen op omdat ten onrechte een link gelegd wordt met de beschikbare kasvoorraad. De term `bestemde gelden' wordt vervangen door `onbeschikbare gelden', om te vermijden dat besturen onnodig leningen opnemen, omwille van een reservering door de raad. Onbeschikbare gelden zijn dan enkel nog die middelen die omwille van regelgeving of verplichtingen in het bestuur aanwezig zijn, maar niet gebruikt kunnen worden. We denken hierbij bijvoorbeeld aan gelden die verplicht op een geblokkeerde rekening staan. Het beschikbaar budgettair resultaat is dan het verschil tussen het gecumuleerd budgettair resultaat en die onbeschikbare gelden. Dit beschikbaar budgettair resultaat moet jaarlijks groter dan nul zijn voor gemeente en OCMW samen en voor alle andere besturen elk afzonderlijk(dus voortaan ook voor de AGB's). Dit is een evidente norm: geen enkel bestuur mag middelen uitgeven waarover het niet beschikt. Als norm voor het structureel evenwicht behoudt dit besluit de huidige regels over de autofinancieringsmarge. Die autofinancieringsmarge moet groter of gelijk aan nul zijn op het einde van de planningsperiode. Daarbij wordt gekeken naar het laatste jaar van het oorspronkelijke meerjarenplan. De keuze van het bestuur om de cijfers te tonen voor een langere periode dan door de regelgeving is vereist, heeft dus geen impact op het ogenblik waarop de norm van de autofinancieringsmarge wordt getoetst. Voor de verzelfstandigde entiteiten geldt die norm niet. Dit besluit vult deze norm van structureel evenwicht in de beleidsrapporten aan met een indicator die niet beïnvloed wordt door de gekozen financieringswijze. Uit de evaluatie is immers duidelijk de bezorgdheid naar voren gekomen over de invloed van alternatieve financieringsvormen die mogelijk aanleiding kunnen geven tot een uitholling van de norm. Daarom wordt het concept van `gecorrigeerde autofinancieringsmarge' ingevoerd. Die indicator geeft weer, in de eerste plaats ten behoeve van de gemeenteraad, hoe groot de autofinancieringsmarge is als rekening gehouden wordt met jaarlijkse aflossingen, ook bij alternatieve financieringsvormen. Zo wordt zichtbaar of de lenings-lasten al dan niet worden doorgeschoven naar een periode nss de planningsperiode. Als de autofinancieringsmarge kleiner is dan de gecorrigeerde autofinancieringsmarge is er geen probleem. In het geval de autofinancieringsmarge (veel) groter is dan de gecorrigeerde, schuift een bestuur de leningslasten door naar een volgende legislatuur of generatie en is er mogelijk sprake van een fictief structureel evenwicht. Door deze bijkomende indicator op te nemen in de beleidsrapporten krijgen de raadsleden een vollediger beeld over de schuldenstructuur van hun bestuur. - Boekhouding en datakwaliteit Wat betreft de boekhouding voert dit besluit geen fundamentele aanpassingen door, enkel wat kleinere bijsturingen. Om de besturen te leiden naar correctere boekingen wordt ervoor gekozen om het gebruik van de economische sectorcodes te beperken tot die verrichtingen waar dat echt noodzakelijk is en er een grotere zichtbaarheid aan te geven door de correcte weergave van de beleidsrapporten afhankelijk te maken van een correct gebruik van die codes. Daarnaast worden er ook enkele aanpassingen gedaan in het rekeningenstelsel om een vrijwillige consolidatie tussen het moederbestuur en de dochterbesturen te faciliteren en om enkele technische verfijningen door te voeren. 4. Krachtlijnen van de beleids- en beheerscyclus Het besluit van 25 juni 2010 heeft de cultuur van budgetteren bij de lokale besturen radicaal willen veranderen van een input- naar een outputsturing.De planning is sindsdien veel meer gericht op het bepalen van het beleid. Dit besluit heeft niet de bedoeling om die fundamentele keuze bij te sturen. Ook de andere basiskeuzes blijven overeind. Het overzicht van de krachtlijnen van de beleids- en beheerscyclus, dat hieronder gegeven wordt, is dus voor een groot stuk een herneming van die van het besluit van 25 juni 2010, zij het dat de concrete uitwerking van die krachtlijnen in dit besluit wel op enkele punten werd bijgestuurd, op basis van de evaluatie. Om het geheel niet uit het oog te verliezen, lijkt het echter aangewezen om dit overzicht niet te beperken tot de wijzigingen. 4.1. De beleidsfunctie van de beleidsrapporten Het decreet van 22 december 2017Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2017 pub. 15/02/2018 numac 2018030427 bron vlaamse overheid Decreet over het lokaal bestuur type decreet prom. 22/12/2017 pub. 08/02/2018 numac 2018010200 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 31 januari 2014 betreffende opdracht van de bevoegdheid inzake het voeren van een specifiek grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant aan de Provincie Vlaams-Brabant, het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid type decreet prom. 22/12/2017 pub. 09/02/2018 numac 2018010241 bron vlaamse overheid Decreet houdende de subsidiëring van bovenlokaal jeugdwerk, jeugdhuizen en jeugdwerk voor bijzondere doelgroepen type decreet prom. 22/12/2017 pub. 25/04/2018 numac 2018040121 bron vlaamse overheid Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2018 type decreet prom. 22/12/2017 pub. 29/12/2017 numac 2017032267 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2018 type decreet prom. 22/12/2017 pub. 28/12/2017 numac 2017032269 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de aanpassing van de groenestroomdoelstellingen, de WKK-doelstellingen en de energieheffing sluiten over het lokaal bestuur bepaalt dat de strategische nota van het meerjarenplan de beleidsdoelstellingen bevat en dat de beleidsevaluatie in de jaarrekening het gevoerde beleid weergeeft, de beleidsdoelstellingen evalueert en inzicht verschaft in de mate waarin die doelstellingen zijn bereikt. Volgens dit besluit moeten in de beleidsrapporten niet alle beleidsdoelstellingen expliciet tot uitdrukking worden gebracht, maar enkel die waarin prioritaire acties kaderen. De beleidsmensen kunnen dus zelf aangeven welke acties zij belangrijk vinden en het zijn die acties waarrond de rapportering in de strategische nota en de beleidsevaluatie dan wordt opgebouwd. Daarnaast moet elk bestuur in de strategische nota een overzicht opnemen van de beleidsdoelstellingen waarin geen prioritaire acties kaderen en moet het in de strategische nota en in de beleidsevaluatie duidelijk aanduiden waar het overzicht beschikbaar is met de omschrijving van alle beleidsdoelstellingen, actieplannen en acties, en de bijbehorende ontvangsten en uitgaven, die in het meerjarenplan of de jaarrekening zijn opgenomen. Een bestuur kan er ook voor kiezen om de rapportering op te bouwen op basis van de prioritaire actieplannen. Actieplannen zijn verzamelingen van acties, maar het staat de besturen vrij om zelf het niveau te bepalen waarop de acties en actieplannen worden geformuleerd. Dat zal dan ook niet voor alle besturen hetzelfde zijn. Via de acties of actieplannen worden de bijbehorende beleidsdoelstellingen financieel vertaald, zodat de beleidsmensen weten welk deel van de algemene middelen moet worden aangesproken voor de realisatie van elke doelstelling, elke actie en elk actieplan. De strategische nota en de beleidsevaluatie bevatten de financiële gevolgen per prioritaire beleidsdoelstelling en per prioritaire actie of prioritair actieplan. De financiële consequenties van de beleidsdoelstellingen waar geen prioritaire acties of actieplannen in kaderen worden in de beleidsrapporten gebundeld getoond in het financiële doelstellingenplan en de doelstellingenrekening. Die onderdelen van de financiële nota bevatten ook nog de globale financiële gevolgen voor de verrichtingen die niet in beleidsdoelstellingen werden vertaald. De besturen zijn dus niet verplicht om al hun verrichtingen in beleidsdoelstellingen op te nemen. De beleidsdoelstellingen moeten kwalitatief en bij voorkeur ook kwantitatief beschreven worden. In de mate van het mogelijke en het nuttige omvatten ze dus ook niet-financiële indicatoren. De financiële vertaling van de acties, actieplannen en doelstellingen gebeurt enkel op basis van kasstromen (transacties die op een bepaald moment een in- of uitgaande geldbeweging zullen veroorzaken) m.a.w. uitgaven en ontvangsten. Niet-kasstromen zoals bv. afschrijvingen worden niet opgenomen in de financiële vertaling. Een politieke beleidskeuze wordt immers altijd genomen in functie van de in te zetten budgettaire middelen (kasstromen dus), en niet op basis van bv. de afschrijvingskosten die een investering zal veroorzaken. 4.2. De autorisatiefunctie van het meerjarenplan Het decreet over het lokaal bestuur heeft het budget geïntegreerd in het meerjarenplan, maar dat betekent niet dat het autoriserende karakter van de planning verdwenen is. De kredieten die vroeger in het budget waren opgenomen, worden nu vastgesteld in het meerjarenplan. Wel zijn niet alle ramingen van het meerjarenplan te beschouwen als autoriserende kredieten. Ten eerste omvatten enkel de ramingen van het eerste boekjaar van het oorspronkelijke meerjarenplan de kredieten voor dat jaar. Bij de opeenvolgende jaarlijkse aanpassingen van het meerjarenplan kunnen dan de kredieten van het volgende boekjaar worden vastgesteld. Zolang dat niet gebeurd is, zijn de cijfers van het meerjarenplan voor dat jaar louter ramingen, zonder autoriserend karakter. Uiteraard blijft het daarnaast ook mogelijk om de kredieten voor het lopende boekjaar aan te passen indien dat nodig is. Ten tweede zijn niet alle cijfers in het meerjarenplan autoriserende kredieten. Bovendien zijn niet alle kredieten limitatief. De decreetgever heeft de Vlaamse Regering de bevoegdheid gegeven om te bepalen welke kredieten limitatief zijn. Dat gebeurt in dit besluit in artikel 13. Daarin wordt bepaald dat de uitgavenkredieten beperkt zijn op het niveau van het totaal van de exploitatie en het totaal van de investeringen. De aansturing door de raad gebeurt in eerste instantie op basis van de inhoudelijke beleidskeuzes, niet zozeer op basis van de kredietbewaking en de autorisatie. Voor de financiering is het niet mogelijk om het totaal van de uitgaven te nemen als het krediet. Het opnemen van leningen en leasing (financieringsontvangsten) en het toestaan van leningen (financieringsuitgaven) zijn immers beleidskeuzes op zich, die niet noodzakelijk ook als dusdanig aan bod komen in de doelstellingen van het bestuur. Daarom kiest dit besluit ervoor om ook die rubrieken van de ontvangsten en de uitgaven binnen de financiering als limitatieve kredieten te beschouwen. Alle onderliggende ramingen zijn geen kredieten in de zin van een limitatieve autorisatie. Dat betekent uiteraard niet dat het voor de besturen niet belangrijk zou zijn om de evolutie op te volgen van de ramingen op een (veel) lager niveau dan de officiële kredieten. Het is echter cruciaal dat zij die opvolging zelf kunnen organiseren en daardoor ook zelf kunnen bepalen hoe stringent ze die bewaking zien. Ook in de opvolgingsrapportering die aan de raad wordt bezorgd, kan de opvolging van bepaalde onderdelen van de kredieten aan bod komen, als de raad heeft aangegeven dat hij daarover geïnformeerd wenst te worden. Het concept van de verbinteniskredieten, zoals dat was opgenomen in het besluit van 25 juni 2010, wordt hier verlaten. De praktische problemen die de investeringsenveloppes met zich meebrachten, bleken groter dan de winst die ermee geboekt werd. Door het verdwijnen van de verbinteniskredieten vervalt ook de automatische overdracht van kredieten naar het volgende boekjaar. Om te vermijden dat de besturen bij het begin van elk boekjaar een aanpassing van het meerjarenplan moeten doorvoeren om de ongebruikte kredieten van het vorige boekjaar opnieuw op te nemen, heeft de decreetgever het uitvoerend orgaan de bevoegdheid gegeven om voortaan te bepalen welk gedeelte van de ongebruikte investeringskredieten en de bijbehorende financiering wordt overgedragen naar het volgende boekjaar. De raadsleden worden over de overgedragen investeringskredieten en bijbehorende financiering geïnformeerd via de toelichting van de jaarrekening. 4.3. Functionele indeling Het besluit van 25 juni 2010 heeft een gestandaardiseerde functionele indeling ingevoerd door het gebruik van beleidsvelden. Dat niveau van standaardisatie moest enerzijds garanderen dat de Vlaamse overheid over de gewenste beleidsinformatie kan beschikken, maar anderzijds de besturen toch een flexibel beheer toelaten. Een bestuur kon daarvoor die beleidsvelden naar eigen voorkeur verder onderverdelen in beleidsitems (bv. sport onderverdelen in recreatiesport en competitiesport, of in zaalsporten en buitensporten ...). Daarnaast kon een bestuur de beleidsvelden naar eigen inzicht groeperen in beleidsdomeinen (bv. vrije tijd). De besturen kregen zo de mogelijkheid om via de zelf gekozen beleidsdomeinen het registratiesysteem te laten aansluiten bij het eigen organogram. Die indeling in beleidsdomeinen was ook belangrijk voor de kredietbewaking. Dat is nu niet langer het geval. In dit besluit blijft de functionele indeling op basis van de beleidsvelden wel behouden. De informatiebehoeften van Vlaanderen op dit punt zijn immers niet fundamenteel gewijzigd. De beleidsdomeinen nemen nu echter een veel minder prominente plaats in. Ze zijn niet meer de basis van de voorstelling van de beleidsrapporten, die volledig op basis van beleidsdoelstellingen worden gepresenteerd. Ze spelen ook niet langer een rol in de kredietbewaking, omdat het niveau van de limitatieve kredieten nog wordt opgetrokken in dit besluit. Enkel in de toelichting worden de beleidsdomeinen nog getoond, in een functionele presentatie van de ontvangsten en uitgaven gekoppeld aan de eigen interne logica. 4.4. Eén registratiesysteem, meerdere soorten rapporten Uit het officiële registratiesysteem worden verschillende soorten rapporten gegenereerd:
  5. a)De beleidsrapporten: meerjarenplan, de aanpassingen ervan en jaarrekening Het zijn die rapporten waarover de beslissingsbevoegdheid uitdrukkelijk aan de raad toekomt.De beleidsrapporten staan dan ook in functie van die beleidsbeslissingen en dus niet in functie van bv. de informatiebehoefte van het management of van de Vlaamse overheid. Nog meer dan in het besluit van 25 juni 2010 het geval was, worden de beleidsrapporten niet overladen met allerlei ingewikkelde schema's of modellen. Ze worden beperkt tot wat echt nodig is voor de besluitvorming. Bij deze update van de BBC-regels wordt er ook over gewaakt om de interne consistentie van de verschillende beleidsrapporten nog te verhogen en redundantie te vermijden. Door de vorm van het meerjarenplan en die van de jaarrekening volledig op elkaar af te stemmen, wordt een transparantere opvolging van het beleid mogelijk.
  6. b)De digitale rapportering aan de Vlaamse overheid Het decreet over het lokaal bestuur legt de besturen de verplichting op om op een digitale wijze te rapporteren aan de Vlaamse overheid.Zo moeten ze van elk beleidsrapport ook de inhoud in een vooraf gedefinieerde digitale vorm aan Vlaanderen bezorgen (dus van elk meerjarenplan, elke aanpassing van het meerjarenplan en elke jaarrekening). Daarnaast moeten ze ook elk kwartaal rapporteren over de geregistreerde transacties. Tot slot moeten ze, na de overdracht van ongebruikte onderdelen van kredieten van de investeringen en de financiering, ook daarover een stand van zaken bezorgen. Die digitale informatieverstrekking staat vooral in functie van de informatiebehoeften van de Vlaamse overheid wat betreft de beleidsinformatie en de Europese rapporteringsverplichtingen. In tegenstelling tot de beleidsrapporten tonen die digitale rapporteringen dan ook alle gegevens in detail, niet enkel voor de prioritaire acties.
  7. c)De rapporten voor de erkennende en subsidiërende overheden. Voor de verantwoording van subsidies moeten besturen vaak een bijkomende rapportering indienen. Heel wat van die rapporteringsverplichtingen kunnen worden opgevangen binnen het registratiesysteem van BBC, zonder dat het een grote bijkomende inspanning vraagt van het bestuur. Daarbij kan gewerkt worden met een koppeling van lokale acties aan Vlaamse beleidsprioriteiten, of kunnen op transactieniveau met een deelrapportcode bepaalde onderdelen van de werking van het bestuur afzonderlijk opgevolgd worden.
  8. d)Fiscale rapporten (bv.voor de btw-aangifte).
  9. e)Managementrapportering Het officiële registratiesysteem kan door elk bestuur naar eigen goeddunken uitgebreid worden zodat het de basis vormt voor haar managementinformatiesysteem (MIS) en managementrapportering.Omdat het managen van een organisatie maatwerk impliceert, worden hiervoor geen regels opgelegd en kan het bestuur zelf beslissen welke managementinformatie het wil genereren. Besturen kunnen en moeten een MIS in de eerste plaats dus zelf uitbouwen. De mogelijkheden zijn hier quasi onbeperkt. Met bijkomende analytische codes kunnen desgewenst kostenplaatsen worden afgezonderd, kan aan kostprijsberekening gedaan worden, kan de interne opvolging van delen van kredieten worden geregeld, enz. Dit besluit legt hierover geen gedetailleerde regels op. Dat betekent wel dat de besturen zelf de nodige inspanningen moeten leveren om een systeem op maat uit te werken. Cruciaal daarbij is het goed definiëren van de eigen informatiebehoeften. 4.5. De boekhouding werkt met een algemene en budgettaire boekhouding Zoals bepaald in het decreet over het lokaal bestuur, voeren de besturen een algemene en budgettaire boekhouding. Het voeren van zowel een algemene als een budgettaire boekhouding betekent geen bijkomende last voor de besturen, want dat kan gemakkelijk gerealiseerd worden door de verrichtingen terzelfder tijd in enerzijds een budgettair dagboek en anderzijds in een algemeen dagboek te registreren. Die dubbele registratie gebeurt automatisch zonder dat de gebruikers daarmee belast worden. Op dit punt houdt dit besluit geen wijzigingen in ten opzichte van het besluit van 25 juni 2010. Deze werkwijze laat immers toe om de beleids- en autorisatiefunctie van de beleidsrapporten te combineren met de voordelen van de algemene boekhouding. 4.6. Financieel evenwicht Dit besluit behoudt het dubbel evenwichtscriterium uit het besluit van 25 juni 2010. Enerzijds moeten de besturen jaarlijks een positief beschikbaar budgettair resultaat kunnen voorleggen (inclusief eventuele kasoverschotten van vorige jaren). Daarnaast blijft het begrip autofinancieringsmarge behouden. De autofinancieringsmarge is wat overblijft nadat een bestuur uit het saldo van exploitatie-uitgaven en -ontvangsten ook de periodieke aflossingen van leningen heeft betaald. De autofinancieringsmarge mag in een bepaald jaar negatief zijn (het exploitatiesaldo volstaat dan niet om aflossingen te betalen), op voorwaarde dat het op het einde van de planningsperiode ten minste positief is. Daarbij wordt gekeken naar het laatste jaar van het oorspronkelijke meerjarenplan. De keuze van het bestuur om de cijfers te tonen voor een langere periode, heeft dus geen impact op het ogenblik waarop de norm van de autofinancieringsmarge wordt getoetst. Voor de verzelfstandigde entiteiten geldt deze norm niet. Hoewel de evenwichtscriteria als dusdanig niet wijzigen, wordt er wel bijkomende informatie gepresenteerd aan de raadsleden, zodat zij zich een correct beeld kunnen vormen van de financiële toestand van het bestuur. Zo zullen de beleidsrapporten van de gemeente in het overzicht van het financieel evenwicht voortaan niet enkel de cijfers van de gemeente en het OCMW tonen, maar ook die van de autonome gemeentebedrijven. Zo krijgen de raadsleden een beter overzicht op het totale plaatje en kunnen ze eventuele verschuivingen naar die verzelfstandigde entiteiten beter opvolgen. Daarnaast wordt een bijkomende indicator toegevoegd aan de beleidsrapporten: de gecorrigeerde autofinancieringsmarge. Die indicator, die niet als norm geldt, toont de autofinancieringsmarge zoals die eruit zou gezien hebben als het bestuur alle schulden zou hebben gefinancierd met klassieke leningen met jaarlijkse aflossingen en over een normale aflossingsperiode. De impact van alternatieve financieringsvormen (zoals bullet- of balloonleningen) wordt daarbij dus geneutraliseerd. Een sterke afwijking tussen de `echte' autofinancieringsmarge en deze nieuwe indicator toont de raadsleden de impact van dergelijke bijzondere financiering. Daarmee worden die andere financieringsvormen niet verboden. 4.7. De onderlinge transacties tussen de gemeente en het OCMW Zoals bepaald in het decreet over het lokaal bestuur, delen de gemeente en het OCMW voortaan hun beleidsrapporten. Ze hebben een gezamenlijke doelstellingenboom, maar zullen, als twee afzonderlijke rechtspersonen, wel elk hun eigen ontvangsten en uitgaven behouden. In die context heeft het geen zin om een gemeentelijke bijdrage aan het OCMW te berekenen en te tonen in de beleidsrapporten. Beide besturen moeten het eens zijn over de te bereiken doelstellingen en de financiële haalbaarheid ervan moet voor beide besturen samen worden bekeken. Een discussie over de bijdrage van de gemeente aan het OCMW heeft dan geen zin meer. Daarom worden de onderlinge stromen tussen de gemeente en het OCMW in dit besluit niet langer beschouwd als ontvangsten en uitgaven. Het gaat om louter interne verrichtingen binnen één rapporteringsentiteit. Uiteraard betekent dat niet dat er geen onderlinge stromen meer zullen zijn. Zolang er sprake is van twee rechtspersonen met eigen rechten en verplichtingen, zal dat het geval blijven. De opvolging daarvan kan echter beperkt blijven tot de algemene boekhouding, om het vermogen van beide entiteiten correct te kunnen blijven opvolgen. Budgettair komen die stromen niet tot uiting. 5. Vormgeving van het uitvoeringsbesluit Het besluit is ingedeeld in zeven titels, namelijk: Titel 1.Definities; Titel 2. De beleidsrapporten; Titel 3. De opvolgingsrapportering Titel 4. Rubrieken van de beleidsrapporten; Titel 5. De boekhouding; Titel 6. Bijzondere bepaling voor autonome gemeentebedrijven, welzijnsverenigingen en projectverenigingen; Titel 7. Slotbepalingen. De indeling volgt, naast de wetgevingstechnische voorschriften, een zekere inhoudelijke logica. In titel 1 worden een aantal begrippen gedefinieerd. In titel 2 wordt de inhoud van de beleidsrapporten beschreven. De beleidsrapporten zijn de rapporten die hoofdzakelijk de relatie tussen de raad en de uitvoerende organen regelen, namelijk het meerjarenplan, de (jaarlijkse) aanpassingen ervan en de jaarrekening. Het besluit van 25 juni 2010 bevatte daarnaast in deze titel ook nog enkele bepalingen over de beheersrapporten, maar die werden niet hernomen in dit besluit: het staat de besturen vrij om te bepalen hoe ze de interne rapporteringen vorm willen geven. Titel 3 gaat over de opvolgingsrapportering, die nieuw is in dit besluit, en ervoor moet zorgen dat de raadsleden over voldoende informatie blijven beschikken nu het niveau waarop autorisatie verleend wordt, gevoelig wordt opgetrokken. In titel 4 worden de rubrieken nader beschreven die gebruikt worden in de beleidsrapporten. Titel 5 bevat de eigenlijke regels voor de registratie van de verschillende soorten van financiële verrichtingen, evenals de regels waaraan de boekhoudsoftware moet voldoen en de waarderingsregels. Titel 6 bevat een specifieke, facultatieve bepaling voor de verzelfstandigde entiteiten en samenwerkingsverbanden. De regels van de voorgaande titels gelden ook voor verzelfstandigde entiteiten en samenwerkingsverbanden die de beleids- en beheerscyclus toepassen, op enkele uitzonderingen na. De regels voor die entiteiten worden dus niet langer opgesomd in een afzonderlijke titel, zoals in het besluit van 25 juni 2010 het geval was. Om dezelfde reden hebben de districten ook geen afzonderlijke titel meer in dit besluit. Titel 7 bevat alle slotbepalingen en regelt zo de inwerkingtreding van dit besluit en de opheffing van oudere regelgeving. Hieronder volgt artikelsgewijs een nadere toelichting in de volgorde van de titels, hoofdstukken en verdere onderverdelingen van dit besluit. Lijst met gebruikte afkortingen AGB autonoom gemeentebedrijf BBC beleids- en beheerscyclus CBS college van burgemeester en schepenen COFOG Classification Of the Functions Of Government EPSAS European Public Sector Accounting Standards EU Europese unie ESR 2010 Europees systeem van nationale en regionale rekeningen 2010 GR gemeenteraad IAS International Accounting Standards IFRS International Financial Reporting Standards INR Instituut voor de Nationale Rekeningen IPSAS International Public Sector Accounting Standards IPSASB International Public Sector Accounting Standards Board KB koninklijk besluit MAR minimum algemeen rekeningenstelsel MB ministerieel besluit OCMW openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn PPS publiek-private samenwerking Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Brussel, 30 maart 2018. De minister-president van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding, L. HOMANS Raad van state, afdeling Wetgeving, advies 62.924/3 van 9 maart 2018 over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering `over de beleids- en beheerscyclus' Op 31 januari 2018 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding verzocht binnen een termijn van dertig dagen, verlengd tot 9 maart 2018, een advies te verstrekken over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering `over de beleids- en beheerscyclus'. Het ontwerp is door de derde kamer onderzocht op 1 maart 2018. De kamer was samengesteld uit Jo BAERT, kamervoorzitter, Jeroen VAN NIEUWENHOVE en Koen MUYLLE, staatsraden, Jan VELAERS en Bruno PEETERS, assessoren, en Greet VERBERCKMOES, griffier. Het verslag is uitgebracht door Brecht STEEN, eerste auditeur. Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 9 maart 2018. 1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. Strekking van het ontwerp 2.1. In de artikelen 249 tot 275 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest van 22 december 2017 `over het lokaal bestuur' worden de beleids- en beheerscyclus van de gemeenten en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna: OCMW'
  10. s)geregeld. Krachtens de artikelen 143, 241 en 489 van hetzelfde decreet zijn de meeste van deze bepalingen van toepassing op de districten, de autonome gemeentebedrijven en de welzijnsverenigingen. Luidens artikel 411, derde lid, van hetzelfde decreet kan een projectvereniging er ook voor kiezen om de regels van de beleids- en beheerscyclus toe te passen. Het voor advies voorgelegde ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering strekt ertoe om de regels van de beleids- en beheerscyclus voor de voormelde besturen nader uit te werken. De ontworpen regeling komt in de plaats van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 juni 2010Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 25/06/2010 pub. 07/10/2010 numac 2010035682 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de beleids- en beheerscyclus van de gemeenten, de provincies en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn sluiten `betreffende de beleids- en beheerscyclus van de gemeenten, de provincies en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn', dat wordt opgeheven, behalve wat betreft de provincies en de autonome provinciebedrijven (artikel 166 van het ontwerp). 2.2. In titel 1 van het ontwerp (artikel 1) worden een aantal begrippen gedefinieerd. In de bepalingen van titel 2 van het ontwerp (artikelen 2 tot 28) worden de verschillende beleidsrapporten nader geregeld, met name de inhoud van het meerjarenplan (artikelen 8 tot 13) en van de jaarrekening (artikelen 17 tot 26), evenals de (jaarlijkse) aanpassingen van het meerjarenplan (artikelen 14 en 15). In titel 3 van het ontwerp (artikel 29) wordt bepaald welke elementen de opvolgingsrapportering minstens bevat. In titel 4 van het ontwerp (artikelen 30 tot 79) worden de rubrieken bepaald van de beleidsrapporten, namelijk de activa (artikelen 32 tot 54), de passiva (artikelen 55 tot 65), de opbrengsten (artikelen 66 tot 70) en de kosten (artikelen 71 tot 79). In titel 5 van het ontwerp (artikelen 80 tot 164) wordt de registratie van de verschillende soorten van financiële verrichtingen geregeld (budgettaire verrichtingen, algemene boekhouding, openings- en afsluitingsverrichtingen, uitgavencyclus, ontvangstencyclus), evenals de vereisten voor de boekhoudsoftware en de waarderingsregels. Titel 6 van het ontwerp bevat een bijzondere bepaling voor de autonome gemeentebedrijven, de welzijnsverenigingen en de projectverenigingen (artikel 165). In titel 7 van het ontwerp wordt, enerzijds, voorzien in de gedeeltelijke opheffing van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 juni 2010Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 25/06/2010 pub. 07/10/2010 numac 2010035682 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de beleids- en beheerscyclus van de gemeenten, de provincies en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn sluiten (artikel 166) en, anderzijds, de inwerkingtreding van het te nemen besluit geregeld (artikel 167). Rechtsgrond 3.1. Het ontworpen besluit vindt in beginsel

(1)rechtsgrond in de in het eerste lid van de aanhef ervan vermelde artikelen 143, derde lid, 241, tweede lid, 266, derde lid, 275, 411, derde lid, en 489, tweede lid, van het decreet van 22 december 2017Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2017 pub. 15/02/2018 numac 2018030427 bron vlaamse overheid Decreet over het lokaal bestuur type decreet prom. 22/12/2017 pub. 08/02/2018 numac 2018010200 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 31 januari 2014 betreffende opdracht van de bevoegdheid inzake het voeren van een specifiek grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant aan de Provincie Vlaams-Brabant, het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid type decreet prom. 22/12/2017 pub. 09/02/2018 numac 2018010241 bron vlaamse overheid Decreet houdende de subsidiëring van bovenlokaal jeugdwerk, jeugdhuizen en jeugdwerk voor bijzondere doelgroepen type decreet prom. 22/12/2017 pub. 25/04/2018 numac 2018040121 bron vlaamse overheid Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2018 type decreet prom. 22/12/2017 pub. 29/12/2017 numac 2017032267 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2018 type decreet prom. 22/12/2017 pub. 28/12/2017 numac 2017032269 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de aanpassing van de groenestroomdoelstellingen, de WKK-doelstellingen en de energieheffing sluiten. In artikel 275 van het voormelde decreet wordt de Vlaamse Regering gemachtigd om de nadere voorschriften te bepalen voor de uitvoering van titel 4 van het decreet en de bijbehorende documenten, met inbegrip van de te hanteren modellen, de rekeningenstelsels en de inhoud en de wijze van de digitale rapporteringen, evenals om te bepalen welke kredieten limitatief zijn, hetgeen in artikel 13 van het ontworpen besluit gebeurt, en om de minimale vereisten te bepalen waaraan de informaticasystemen moeten voldoen die door de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn worden gehanteerd bij de uitvoering van de bepalingen van titel 4 van het decreet, wat in de artikelen 105 tot 115 van het ontworpen besluit gebeurt. In de artikelen 143, derde lid, 241, tweede lid, 411, derde lid, en 489, tweede lid, van het decreet van 22 december 2017Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2017 pub. 15/02/2018 numac 2018030427 bron vlaamse overheid Decreet over het lokaal bestuur type decreet prom. 22/12/2017 pub. 08/02/2018 numac 2018010200 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 31 januari 2014 betreffende opdracht van de bevoegdheid inzake het voeren van een specifiek grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant aan de Provincie Vlaams-Brabant, het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid type decreet prom. 22/12/2017 pub. 09/02/2018 numac 2018010241 bron vlaamse overheid Decreet houdende de subsidiëring van bovenlokaal jeugdwerk, jeugdhuizen en jeugdwerk voor bijzondere doelgroepen type decreet prom. 22/12/2017 pub. 25/04/2018 numac 2018040121 bron vlaamse overheid Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2018 type decreet prom. 22/12/2017 pub. 29/12/2017 numac 2017032267 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2018 type decreet prom. 22/12/2017 pub. 28/12/2017 numac 2017032269 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de aanpassing van de groenestroomdoelstellingen, de WKK-doelstellingen en de energieheffing sluiten wordt de Vlaamse Regering gemachtigd om de nadere voorwaarden te bepalen voor de toepassing van de artikelen van titel 4 van het decreet op de districten, de autonome gemeentebedrijven, de projectverenigingen en de welzijnsverenigingen. Uit artikel 266, derde lid, van het decreet van 22 december 2017Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2017 pub. 15/02/2018 numac 2018030427 bron vlaamse overheid Decreet over het lokaal bestuur type decreet prom. 22/12/2017 pub. 08/02/2018 numac 2018010200 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 31 januari 2014 betreffende opdracht van de bevoegdheid inzake het voeren van een specifiek grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant aan de Provincie Vlaams-Brabant, het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid type decreet prom. 22/12/2017 pub. 09/02/2018 numac 2018010241 bron vlaamse overheid Decreet houdende de subsidiëring van bovenlokaal jeugdwerk, jeugdhuizen en jeugdwerk voor bijzondere doelgroepen type decreet prom. 22/12/2017 pub. 25/04/2018 numac 2018040121 bron vlaamse overheid Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2018 type decreet prom. 22/12/2017 pub. 29/12/2017 numac 2017032267 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2018 type decreet prom. 22/12/2017 pub. 28/12/2017 numac 2017032269 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de aanpassing van de groenestroomdoelstellingen, de WKK-doelstellingen en de energieheffing sluiten vloeit voort dat de Vlaamse Regering de grenzen bepaalt binnen dewelke de gemeenteraad bepaalde categorieën van verrichtingen kan uitsluiten van de visumverplichting. Die bepaling biedt rechtsgrond voor artikel 99 van het ontworpen besluit. 3.2. Uit artikel 167 van het ontworpen besluit vloeit voort dat de bepalingen van het ontworpen besluit die betrekking hebben op de jaarrekening (artikelen 17 tot 28), in beginsel in werking treden op 1 januari 2020. De artikelen 260, tweede lid, en 261 van het decreet van 22 december 2017Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2017 pub. 15/02/2018 numac 2018030427 bron vlaamse overheid Decreet over het lokaal bestuur type decreet prom. 22/12/2017 pub. 08/02/2018 numac 2018010200 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 31 januari 2014 betreffende opdracht van de bevoegdheid inzake het voeren van een specifiek grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant aan de Provincie Vlaams-Brabant, het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid type decreet prom. 22/12/2017 pub. 09/02/2018 numac 2018010241 bron vlaamse overheid Decreet houdende de subsidiëring van bovenlokaal jeugdwerk, jeugdhuizen en jeugdwerk voor bijzondere doelgroepen type decreet prom. 22/12/2017 pub. 25/04/2018 numac 2018040121 bron vlaamse overheid Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2018 type decreet prom. 22/12/2017 pub. 29/12/2017 numac 2017032267 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2018 type decreet prom. 22/12/2017 pub. 28/12/2017 numac 2017032269 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de aanpassing van de groenestroomdoelstellingen, de WKK-doelstellingen en de energieheffing sluiten, waarin de inhoud van de jaarrekening wordt bepaald en ter uitvoering waarvan de voormelde bepalingen van het ontworpen besluit strekken, treden evenwel slechts in werking op 1 januari 2021.
(2)Hieromtrent om uitleg gevraagd, verklaarde de gemachtigde: "Voor de besturen die ervoor kiezen om al vanaf boekjaar 2019 volgens de nieuwe BBC-regels te werken (zie art. 594 DLB voor gemeenten en OCMW's bv.) treden de artikelen 260, tweede lid, en 261 van het decreet over het lokaal bestuur, die de inhoud van de jaarrekening vastleggen, in werking op 1 januari
  1. Die besturen maken hun rekening over boekjaar 2019 op in het 1e semester van
  2. Ze moeten de bepalingen van het ontwerp BVR dus vanaf 1 januari 2020 toepassen voor de opmaak van die jaarrekening, ook al gaat het over de jaarrekening over het boekjaar
  3. Voor de besturen die maar vanaf boekjaar 2020 volgens de nieuwe BBC-regels zullen werken treden de artikelen 260, tweede lid, en 261 van het decreet over het lokaal bestuur, in werking op 1 januari
  4. Die besturen maken hun rekening over boekjaar 2020 op in het 1e semester van
  5. Ze moeten de bepalingen van het ontwerp BVR dus vanaf 1 januari 2021 toepassen voor de opmaak van die jaarrekening, ook al gaat het over de jaarrekening over het boekjaar 2020." Naar luid van artikel 597, § 1, vierde lid, van het decreet van 22 december 2017Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2017 pub. 15/02/2018 numac 2018030427 bron vlaamse overheid Decreet over het lokaal bestuur type decreet prom. 22/12/2017 pub. 08/02/2018 numac 2018010200 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 31 januari 2014 betreffende opdracht van de bevoegdheid inzake het voeren van een specifiek grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant aan de Provincie Vlaams-Brabant, het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid type decreet prom. 22/12/2017 pub. 09/02/2018 numac 2018010241 bron vlaamse overheid Decreet houdende de subsidiëring van bovenlokaal jeugdwerk, jeugdhuizen en jeugdwerk voor bijzondere doelgroepen type decreet prom. 22/12/2017 pub. 25/04/2018 numac 2018040121 bron vlaamse overheid Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2018 type decreet prom. 22/12/2017 pub. 29/12/2017 numac 2017032267 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2018 type decreet prom. 22/12/2017 pub. 28/12/2017 numac 2017032269 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de aanpassing van de groenestroomdoelstellingen, de WKK-doelstellingen en de energieheffing sluiten treden de artikelen 260, tweede lid, en 261 van dat decreet op 1 januari 2020 in werking ten aanzien van de gemeenten en de OCMW's die overeenkomstig het eerste lid van die bepaling vragen dat de artikelen 249, 251, 253 tot 258, 263 en 368, van hetzelfde decreet op 1 januari 2019 in werking treden. De artikelen 594, derde lid, en 608, derde lid, van het decreet van 22 december 2017Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2017 pub. 15/02/2018 numac 2018030427 bron vlaamse overheid Decreet over het lokaal bestuur type decreet prom. 22/12/2017 pub. 08/02/2018 numac 2018010200 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 31 januari 2014 betreffende opdracht van de bevoegdheid inzake het voeren van een specifiek grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant aan de Provincie Vlaams-Brabant, het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid type decreet prom. 22/12/2017 pub. 09/02/2018 numac 2018010241 bron vlaamse overheid Decreet houdende de subsidiëring van bovenlokaal jeugdwerk, jeugdhuizen en jeugdwerk voor bijzondere doelgroepen type decreet prom. 22/12/2017 pub. 25/04/2018 numac 2018040121 bron vlaamse overheid Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2018 type decreet prom. 22/12/2017 pub. 29/12/2017 numac 2017032267 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2018 type decreet prom. 22/12/2017 pub. 28/12/2017 numac 2017032269 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de aanpassing van de groenestroomdoelstellingen, de WKK-doelstellingen en de energieheffing sluiten voorzien in een gelijkaardige regeling voor de autonome gemeentebedrijven en de welzijnsverenigingen. Gelet hierop vermogen de bepalingen van het ontworpen besluit die betrekking hebben op de jaarrekening, inderdaad in werking te treden op 1 januari 2020, maar dan enkel voor de in artikel 167, tweede lid, van het ontworpen besluit vermelde besturen. Bijgevolg moet in artikel 167, eerste lid, van het ontworpen besluit worden bepaald dat, in uitzondering op hetgeen in dat artikel thans is bepaald, de artikelen over de jaarrekening (artikelen 17 tot 28) slechts in werking treden op 1 januari
  6. In het tweede lid van dat artikel
(3)moet dan worden gepreciseerd dat voor de in die bepaling vermelde besturen diezelfde artikelen van het ontworpen besluit in werking treden op 1 januari 2020, en niet op 1 januari 2019, zoals thans uit het ontworpen artikel 167, derde lid, voortvloeit. Bevoegdheid 4. In artikel 165, derde lid, van het ontwerp wordt de Vlaamse minister bevoegd voor binnenlandse aangelegenheden (hierna: de minister) gemachtigd om de nadere detaillering te bepalen die de autonome gemeentebedrijven, de welzijnsverenigingen en de projectverenigingen moeten "respecteren bij het aanpassen van de minimumindeling van het algemeen rekeningenstelsel opgenomen in het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningstelsel". Volgens het verslag aan de Vlaamse Regering worden autonome gemeentebedrijven, welzijnsverenigingen en projectverenigingen volgens het Wetboek van Economisch Recht beschouwd als ondernemingen die ook een jaarrekening moeten opmaken volgens de regels opgenomen in dat wetboek. Daarom strekt het ontwerp ertoe die besturen de mogelijkheid te bieden om voor hun boekhouding de regels van het Wetboek van Economisch Recht toe te passen. Die regels behoren tot de bevoegdheid van de federale overheid. Het Vlaamse Gewest mag in beginsel niet in afwijkingen van die regels voorzien. Dat lijkt niet de bedoeling van de ontworpen bepaling. In het verslag aan de Vlaamse Regering wordt dienaangaande het volgende uiteengezet: "Om ook aan de Vlaamse informatiebehoeften te kunnen voldoen kan de minister wel aanvullende regels bepalen voor de minimumindeling van het algemeen rekeningenstelsel." Het koninklijk besluit van 12 september 1983 `tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningenstelsel' voorziet zelf in de mogelijkheid om de omschrijvingen van de rekeningen van het algemeen rekeningenstelsel, dat moet worden ingericht en genummerd overeenkomstig de minimumindeling gevoegd bij dit besluit, aan te passen "aan de bijzondere aard van het bedrijf, van het vermogen en van de opbrengsten en kosten van de onderneming".
(4)In zoverre de aan de minister verleende bevoegdheid er enkel toe strekt om ten aanzien van de mogelijkheid waarover de autonome gemeentebedrijven, de welzijnsverenigingen en de projectverenigingen op grond van die bepaling beschikken, in aanvullende regels te voorzien voor de betrokken besturen, en niet om te wijken van het door de federale overheid bepaalde rekeningenstelsel, is artikel 165, derde lid, van het ontwerp bestaanbaar met de bevoegdheidverdelende regels. Algemene opmerkingen A. Overeenstemming met het internationaal en Europees recht 5. Uit het verslag aan de Vlaamse Regering blijkt dat de stellers van het ontwerp rekening willen houden met internationale en Europese verplichtingen.Zo wordt bepaald dat de genormaliseerde stelsels van de algemene rekeningen, van de beleidsvelden en van de economische sectorcodes een rapportering mogelijk maken in het kader van verordening (EU) 549/2013
(5)(artikel 81, vijfde lid, van het ontwerp). Voor zover bij verordening (EU) 549/2013 verplichtingen worden opgelegd voor de boekhouding van besturen waarop het ontwerp van toepassing is, lijkt het ontwerp op het eerste gezicht in overeenstemming met bijlage A bij die verordening. Daarnaast moet evenwel ook rekening worden gehouden met richtlijn 2011/85/EU.
(6)In zoverre het ontwerp strekt tot omzetting van die richtlijn,
(7)moet in het te nemen besluit zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn worden verwezen
(8)en verdient het aanbeveling om, overeenkomstig artikel 15, eerste lid, van richtlijn 2011/85/EU, samen met de ontworpen regeling een concordantietabel openbaar te maken waarin het verband wordt weergegeven tussen de richtlijn en de omzettingsmaatregelen uit het ontwerp. B. Delegaties aan de minister 6.1. Het ontwerp bevat verschillende machtigingen aan de minister.
(9)Zoals de Raad van State, afdeling Wetgeving, in het verleden reeds meermaals heeft opgemerkt, kan het toekennen van een verordenende bevoegdheid door de Vlaamse Regering aan één van haar leden, enkel toelaatbaar worden geacht in zoverre die delegatie slechts regels van bijkomstige aard of van beperkt belang betreft. Dat lijkt in beginsel, en onder voorbehoud van hetgeen hieronder wordt opgemerkt, het geval te zijn voor de in het ontwerp vervatte machtigingen, vermits ze betrekking hebben op aangelegenheden van zeer technische aard, of louter de vorm van documenten betreffen. 6.
  1. In artikel 99, 4° tot 6°, van het ontwerp wordt de minister evenwel gemachtigd om het (jaarlijkse) bedrag te bepalen vanaf hetwelk verbintenissen of investeringssubsidies niet kunnen worden uitgesloten van de visumverplichting. Daardoor kan de minister de draagwijdte van de visumplicht fundamenteel wijzigen. Door een bijzonder hoog bedrag te bepalen, zou het voor de gemeenteraad mogelijk worden een bijzonder ruime categorie van verrichtingen uit te sluiten van de visumverplichtingen en dit terwijl artikel 266, eerste lid, van het decreet van 22 december 2017Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2017 pub. 15/02/2018 numac 2018030427 bron vlaamse overheid Decreet over het lokaal bestuur type decreet prom. 22/12/2017 pub. 08/02/2018 numac 2018010200 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 31 januari 2014 betreffende opdracht van de bevoegdheid inzake het voeren van een specifiek grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant aan de Provincie Vlaams-Brabant, het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid type decreet prom. 22/12/2017 pub. 09/02/2018 numac 2018010241 bron vlaamse overheid Decreet houdende de subsidiëring van bovenlokaal jeugdwerk, jeugdhuizen en jeugdwerk voor bijzondere doelgroepen type decreet prom. 22/12/2017 pub. 25/04/2018 numac 2018040121 bron vlaamse overheid Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2018 type decreet prom. 22/12/2017 pub. 29/12/2017 numac 2017032267 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2018 type decreet prom. 22/12/2017 pub. 28/12/2017 numac 2017032269 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de aanpassing van de groenestroomdoelstellingen, de WKK-doelstellingen en de energieheffing sluiten nog steeds uitgaat van het beginsel dat "voorgenomen financiële verbintenissen die resulteren in een uitgaande nettokasstroom (...) onderworpen [zijn] aan een voorafgaand visum, voordat enige verbintenis kan worden aangegaan". De in artikel 99, eerste lid, 4° tot 6°, van het ontwerp vervatte machtiging is dan ook slechts aanvaardbaar voor zover ze nader wordt gepreciseerd, bijvoorbeeld door een bedrag te bepalen waarboven de minister in ieder geval niet mag gaan. 6.
  2. In artikel 16, vierde en vijfde lid, van het ontwerp wordt de minister gemachtigd om een afwijking toe te staan van de in die bepaling vastgestelde regel dat het financiële evenwicht alleen kan worden aangetoond als de jaarrekening is vastgesteld en is verwerkt in het meerjarenplan. In het verslag aan de Vlaamse Regering wordt evenwel het belang van een tijdige vaststelling van de jaarrekening beklemtoond: "Tijdigheid is een belangrijk kwalitatief kenmerk van de jaarrekening. Als het ontwerp van jaarrekening niet tijdig aan de raadsleden kan worden voorgelegd, verliest ze aan relevantie. In dat geval is het startpunt van de planning eigenlijk niet gekend, wat het hele rapport onbetrouwbaar maakt. Om te voorkomen dat jaarrekeningen laattijdig worden vastgesteld, bepaalt het vierde lid van dit artikel dat het financieel evenwicht alleen kan worden aangetoond als de jaarrekening van het voorlaatste boekjaar dat voorafgaat aan het jaar waarvoor de kredieten worden vastgesteld, door de raad is vastgesteld en verwerkt in het meerjarenplan." Wanneer, bij gebrek aan een tijdig vastgestelde jaarrekening, het financieel evenwicht niet kan worden aangetoond, kan de toezichthoudende overheid het meerjarenplan of de aanpassing ervan overeenkomstig artikel 259, eerste lid, 2°, van het decreet van 22 december 2017Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2017 pub. 15/02/2018 numac 2018030427 bron vlaamse overheid Decreet over het lokaal bestuur type decreet prom. 22/12/2017 pub. 08/02/2018 numac 2018010200 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 31 januari 2014 betreffende opdracht van de bevoegdheid inzake het voeren van een specifiek grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant aan de Provincie Vlaams-Brabant, het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid type decreet prom. 22/12/2017 pub. 09/02/2018 numac 2018010241 bron vlaamse overheid Decreet houdende de subsidiëring van bovenlokaal jeugdwerk, jeugdhuizen en jeugdwerk voor bijzondere doelgroepen type decreet prom. 22/12/2017 pub. 25/04/2018 numac 2018040121 bron vlaamse overheid Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2018 type decreet prom. 22/12/2017 pub. 29/12/2017 numac 2017032267 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2018 type decreet prom. 22/12/2017 pub. 28/12/2017 numac 2017032269 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de aanpassing van de groenestroomdoelstellingen, de WKK-doelstellingen en de energieheffing sluiten vernietigen. Zoals in het verslag aan de Vlaamse Regering wordt uiteengezet, zal in dat geval "het bestuur niet over uitvoerbare kredieten beschikken, wordt artikel 265, tweede lid, van het decreet over het lokaal bestuur van toepassing en is het aangaan of wijzigen van verbintenissen onderworpen aan de voorafgaande goedkeuring van de raad". Door een afwijking toe te staan, en het derhalve mogelijk te maken dat het financieel evenwicht wordt aangetoond ofschoon de jaarrekening niet is vastgesteld en verwerkt in het meerjarenplan, vervalt daarentegen de vernietigingsbevoegdheid van de toezichthoudende overheid, en de goedkeuringsvereiste waarin artikel 265 van het decreet van 22 december 2017Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2017 pub. 15/02/2018 numac 2018030427 bron vlaamse overheid Decreet over het lokaal bestuur type decreet prom. 22/12/2017 pub. 08/02/2018 numac 2018010200 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 31 januari 2014 betreffende opdracht van de bevoegdheid inzake het voeren van een specifiek grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant aan de Provincie Vlaams-Brabant, het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid type decreet prom. 22/12/2017 pub. 09/02/2018 numac 2018010241 bron vlaamse overheid Decreet houdende de subsidiëring van bovenlokaal jeugdwerk, jeugdhuizen

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.