Ordonnantie tot wijziging van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijv
Kort samengevat
Deze ordonnantie wijzigt een bestaande wet uit 1999 over de aanpak van milieumisdrijven en introduceert een nieuw "Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid". Het doel is om de regels rond milieu-inspectie, preventie en bestraffing van milieumisdrijven te moderniseren en te bundelen.
Wat het regelt
- De inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven.
- Milieuaansprakelijkheid.
- De naleving van specifieke Europese Unie verordeningen en diverse Belgische wetten en ordonnanties met betrekking tot het milieu.
- De definities van belangrijke termen zoals "misdrijf", "inspectie", "verontreiniging" en "personeelsleden belast met toezicht".
Wie het aangaat
- Personen en organisaties die zich bezighouden met activiteiten die onder de genoemde milieuwetgeving vallen.
- Personeelsleden van het Brussels Instituut voor Milieubeheer (Instituut), het Gewestelijk Agentschap voor Netheid (GAN), gemeenten en het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die belast zijn met toezicht.
Kernpunten
- De ordonnantie van 25 maart 1999 wordt omgedoopt tot "Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid".
- Het Wetboek regelt de milieuaansprakelijkheid en de aanpak van misdrijven tegen een uitgebreide lijst van milieuwetten en EU-verordeningen.
- Een "misdrijf" wordt gedefinieerd als elke overtreding of elk wanbedrijf bepaald door of krachtens een EU-verordening, wet, ordonnantie of dit Wetboek.
- Het Instituut stelt jaarlijks een inspectieprogramma op, goedgekeurd door de Regering, dat minimale criteria voor milieu-inspecties bevat.
Wettekst
8 MEI 2014. - Ordonnantie tot wijziging van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven
zake leefmilieu alsook andere wetgevingen
zake milieu, en tot
stelling van een Wetboek van
spectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid Het Brusselse Hoofdstedelijke Parlement heeft aangenomen en Wij, Executieve, bekrachtigen, het geen volgt : HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling Artikel 1.Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld
artikel 39 van de Grondwet. HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de ordonnantie van 25 maart 1999betreffende de opsporing, de vaststelling,de vervolging en de bestraffing vanmisdrijven
zake leefmilieu Art. 2.Het opschrift van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven
zake leefmilieu wordt vervangen door hetgeen volgt : « Wetboek van
spectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid ». Art. 3.
dezelfde ordonnantie worden de woorden « Hoofdstuk I. » vervangen door de woorden « Titel I. ». Art. 4.
artikel 1 van dezelfde ordonnantie worden de woorden « Deze ordonnantie » vervangen door de woorden « Dit Wetboek ». Art. 5.
dezelfde ordonnantie, wordt artikel 2, laatstelijk gewijzigd bij de ordonnantie van 20 juni 2013, vervangen door hetgeen volgt : « Art. 2.§ 1. Dit Wetboek regelt de milieuaansprakelijkheid alsook de
spectie, de preventie, de vaststelling en de bestraffing van de misdrijven, enerzijds van de miskenning van de hiernavolgende bepalingen van de verordeningen van de Europese Unie, en anderzijds, van de misdrijven voorzien
het onderhavige Wetboek en
de volgende wetten en ordonnanties en hun uitvoeringsbesluiten : 1° de wetten en ordonnanties die voorzien
hun onderwerping aan dit wetboek en die niet onder punt 2° worden bedoeld, alsook hun uitvoeringsbesluiten;2° de volgende wetten en ordonnanties, alsook hun uitvoeringsbesluiten : - het Boswetboek; - het Veldwetboek; - de wet van 28 december 1931 op de bescherming van aan particulieren behorende bossen en wouden; - de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van het grondwater; - de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen de verontreiniging; - de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren; - de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen; - de ordonnantie van 17 juli 1997 betreffende de strijd tegen de geluidshinder
een stedelijke omgeving; - de ordonnantie van 22 april 1999 betreffende het voorkomen en het beheer van afval van producten
papier en/of karton; - de ordonnantie van 29 april 2004 betreffende de milieuovereenkomsten; - de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot opstelling van een kader voor het waterbeleid; - de ordonnantie van 1 maart 2007 betreffende de bescherming van het leefmilieu tegen de eventuele schadelijke effecten en hinder van niet-ioniserende stralingen; - de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems; - de ordonnantie van 9 december 2010 betreffende de toepasselijke sancties
het geval van niet-naleving van de Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en van de Raad van 18 december 2006
zake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH); - de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud; - het Brusselse Wetboek van lucht, klimaat en energiebeheersing van 2 mei 2013; - de ordonnantie van 14 juni 2012 betreffende afvalstoffen; - de ordonnantie van 20 juni 2013 betreffende een pesticidegebruik dat verenigbaar is met de duurzame ontwikkeling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; 3° de volgende bepalingen : - Verordening (EG) nr.338/97 van de Raad van 9 december 1996
zake de bescherming van
het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer; - artikel 3, §§ 1 en 2, artikel 5, §§ 1 en 2 en artikel 7, §§ 1 tot en met 4, a), van de Verordening (EEG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en van de Raad van 29 april 2004 betreffende permanente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van Richtlijn 79/117/EG; - artikel 3, §§ 1 tot en met 6, artikel 4, artikel 5, § 3, artikel 6, § 1, en artikel 8 van Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en van de Raad van 17 mei 2006
zake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen; - Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen,
het gewestelijke bevoegdheidsgebied; - Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006
zake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende
trekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie; - Verordening (EG) nr. 1418/2007 van de Commissie van 29 november 2007 betreffende de uitvoer, met het oog op terugwinning, van bepaalde
bijlage III of III A bij Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad genoemde afvalstoffen naar bepaalde landen waarop het OESO-besluit betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen niet van toepassing is,
het gewestelijke bevoegdheidsgebied; - artikelen 4, 5, 6, § 2, artikelen 7, 8, §§ 1 tot en met 3, artikel 10, § 1, § 3, eerste lid, §§ 4 en 5, artikel 11, §§ 1 tot en met 7, artikel 12, §§ 1 tot en met 3, artikel 13, §§ 1 tot en met 3, artikel 22, §§ 1, 2, 4, artikel 23, §§ 1, 2, 3, 5 en 6, en artikel 24, § 1, van Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en van de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen en artikel 17 van deze Verordening; - artikel 41 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009, tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften
zake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot
trekking van Verordening (EG) nr. 1774/
- §
- De Regering vult de
punt 3° bedoelde lijst aan met de rechtstreeks toepasselijke bepalingen van de verordeningen van de Europese Unie, die na de
werkingtreding van huidig lid werden aangenomen of
werking zijn getreden, en waarvan de uitvoering behoort tot de bevoegdheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bedoeld onder artikelen 6, § 1, II, eerste lid, III, 2° tot en met 10°, VII, eerste lid, h, en XI, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der
stellingen. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten tot hervorming van de
stellingen, krachtens artikel 4 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse
stellingen,
de mate waarin hun naleving niet reeds door een andere wetgeving wordt geregeld. ». Art. 6.§ 1.
dezelfde ordonnantie wordt artikel 3, gewijzigd bij de ordonnantie van 28 juni 2001 en bij de ordonnantie van 9 december 2010, vervangen door hetgeen volgt : « Art. 3.§ 1.
de zin van onderhavig Wetboek wordt begrepen onder : 1° misdrijf : elke overtreding of elk wanbedrijf bepaald door of krachtens een verordening van de Europese Unie, een wet, een ordonnantie bedoeld
artikel 2 van dit Wetboek of bepaald door of krachtens dit Wetboek;2°
stituut : het Brussels
stituut voor Milieubeheer;3° GAN : het Gewestelijk Agentschap voor Netheid;4° Ministerie : het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;5° Milieucollege : het college bedoeld
artikel 79 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;6°
richting : elke
richting
de zin van artikel 3, 1°, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;7° personeelsleden : personeelsleden van het
stituut en/of van een gemeente, en/of van het GAN en/of van het bevoegde bestuur van het Ministerie;8° met het toezicht belaste personeelsleden : statutaire of contractuele personeelsleden van het
stituut en/of van een gemeente, en/of van het GAN en/of van het bevoegde bestuur van het Ministerie, belast met het toezicht op de naleving van de verordeningen van de Europese Unie, de wetten en/of
artikel 2 bedoelde ordonnanties, en van dit Wetboek, en met de vaststelling van de misdrijven daarop vast te stellen;9° deskundige : derde die waarborgen biedt
zake onafhankelijkheid en bekwaamheid, op wie de met het toezicht belaste personeelsleden beroep kunnen doen
het kader van hun
spectieopdracht;10° erkend laboratorium : laboratorium dat een erkenning heeft bekomen overeenkomstig de door de Regering vastgelegde voorwaarden en procedure;11°
spectie : opdracht van toezicht, controle en onderzoek, die aan de met het toezicht belaste personeelsleden wordt toevertrouwd;12°
spectieprogramma : jaarlijks door het
stituut vastgelegd en door de Regering goedgekeurd programma, dat minimale criteria voor
spectie bevat, zoals vastgelegd door de Aanbeveling van het Europese Parlement en de Raad nr.2001/331/EG van 4 april 2001 betreffende minimumcriteria voor milieu-
specties
de Lidstaten, zonder het kader te vormen voor de toekenning van vergunningen voor projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben; 13° de leidend ambtenaar van het GAN : de directeur-generaal van het GAN;14° verordening van de Europese Unie : elke verordening van de Europese Unie, van de Europese Gemeenschap of van de Economische Europese Gemeenschap;15° handeling van administratief onderzoek : iedere handeling, verricht door een administratieve overheid of een personeelslid gemachtigd om een misdrijf vast te stellen of om de procedure
te leiden die bestemd is voor het
zamelen van bewijselementen, voor de vaststelling van een misdrijf, of om de zaak
staat te stellen teneinde door de administratieve overheid beslecht te worden;16° handeling van administratieve sanctie : elke handeling die een alternatieve administratieve geldboete uitspreekt en die wordt opgelegd door de
eerste aanleg bevoegde
stantie;17° werkdag : elke dag die noch een zaterdag, noch een zondag, noch een wettelijke feestdag is;18° verontreiniging : de door de mens veroorzaakte aanwezigheid van elementen, substanties of energievormen zoals warmte, stralingen, licht, geluid of andere trillingen
de atmosfeer, de bodem of het water, die de mens of het leefmilieu op rechtstreekse of onrechtstreekse wijze nadelig beïnvloedt of kan beïnvloeden;19° audiovisueel apparaat : elk vast observatiesysteem dat tot doel heeft de naleving van de bepalingen bedoeld
artikel 2 en de bepalingen van dit wetboek na te gaan, de misdrijven op deze bepalingen te voorkomen en/of vast te stellen en/of de daders van deze misdrijven op te sporen;20° niet-besloten plaats : elke plaats die niet door een omheining is afgebakend en vrij toegankelijk is voor het publiek;21° voor het publiek toegankelijke besloten plaats : elk besloten gebouw of elke besloten plaats bestemd voor het gebruik door het publiek waar diensten aan het publiek kunnen worden verstrekt;22° niet voor het publiek toegankelijke besloten plaats : elk besloten gebouw of elke besloten plaats die uitsluitend bestemd is voor het gebruik door de gewoonlijke gebruikers;23° verantwoordelijke voor de verwerking : het
stituut, vertegenwoordigd door zijn leidend ambtenaar, het GAN, vertegenwoordigd door zijn leidend ambtenaar, de gemeente of de Regering, naargelang de overheid waaronder de doeleinden en de modaliteiten van de verwerking van de opgeslagen persoonsgegevens zijn bepaald. § 2. 1° Voor de toepassing van huidige bepaling en van de hiernavolgende bepalingen wordt verstaan onder : a) de leidend ambtenaar van het
stituut : de directeur-generaal van het
stituut,
voorkomend geval vervangen
de uitoefening van zijn bevoegdheden overeenkomstig 3° ;b) de adjunct-leidend ambtenaar van het
stituut : de adjunct-directeur-generaal van het
stituut,
voorkomend geval vervangen
de uitoefening van zijn bevoegdheden overeenkomstig 3°,
- b)en
- c)en 5°, b).2° De bevoegdheden die
de hiernavolgende bepalingen worden toevertrouwd aan het
stituut, worden uitgeoefend door de leidend ambtenaar van het
stituut.3° Met uitzondering van de bevoegdheid om de met het toezicht belaste personeelsleden van het
stituut aan te duiden, worden de bevoegdheden, toegewezen aan de leidend ambtenaar van het
stituut, als volgt uitgeoefend : a)
geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de leidend ambtenaar van het
stituut, door de adjunct-leidend ambtenaar van het
stituut;b)
geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de leidend ambtenaar van het
stituut en van de adjunct-leidend ambtenaar van het
stituut, door de directeur-hoofd van de dienst die de
spectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft;c)
geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de leidend ambtenaar van het
stituut, van de adjunct-leidend ambtenaar van het
stituut en van de directeur-hoofd van de dienst die de
spectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft, door een andere aangewezen directeur-hoofd van de dienst aangewezen door één van deze drie ambtenaren.4° De Regering legt de gevallen vast waarin de bevoegdheden van de leidend ambtenaar van het
stituut, voorzien door de hierna volgende bepalingen, en onder voorbehoud van toepassing van 6°, zullen worden uitgeoefend door de directeur-hoofd van de dienst die de
spectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft.5° De bevoegdheden die aan de directeur-hoofd van de dienst die de
spectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft, worden toegewezen overeenkomstig 4° en 7°, worden als volgt uitgeoefend : a)
geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de directeur-hoofd van de dienst die de
spectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft, door de adjunct-leidend ambtenaar van het
stituut;b)
geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de directeur-hoofd van de dienst die de
spectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft, en van de adjunct-leidend ambtenaar van het
stituut, door de leidend ambtenaar van het
stituut.6° De leidend ambtenaar van het
stituut kan zich
de plaats stellen van de directeur-hoofd van de dienst die de
spectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft
de uitoefening van de bevoegdheden vastgesteld krachtens 4°.7° De leidend ambtenaar van het
stituut is bevoegd om bepaalde bevoegdheden die door de hiernavolgende bepalingen worden toegekend aan het
stituut, te delegeren aan de directeur-hoofd van de dienst die de
spectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft.». Art. 7.
dezelfde ordonnantie wordt artikel 4, gewijzigd bij de ordonnantie van 9 december 2010, bij de ordonnantie van 14 juni 2012, bij de ordonnantie van 1 maart 2012 en bij de ordonnantie van 2 mei 2013, vervangen door hetgeen volgt : « Art. 4.Voor de toepassing van artikel 20, van artikel 21, § 1, zesde lid, en van artikelen 24 tot en met 30 en 57, wordt eveneens begrepen onder : 1° milieuschade : a) schade aan beschermde soorten en natuurlijke habitats, namelijk elke schade die aanzienlijke negatieve gevolgen heeft voor het bereiken of handhaven van een gunstige staat van
standhouding van dergelijke habitats of soorten.De omvang van deze gevolgen wordt beoordeeld
verhouding tot de aanvankelijke toestand, rekening houdend met de criteria
bijlage 1. Schade aan beschermde soorten en natuurlijke habitats bevat niet de vooraf vastgestelde negatieve effecten van handelingen van een exploitant waarvoor de bevoegde
stanties uitdrukkelijk toestemming hebben gegeven door of krachtens artikelen 64 en 83 van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud; b) schade aan wateren, namelijk elke schade die een aanzienlijke negatieve
vloed heeft op de ecologische, chemische of kwantitatieve toestand of het ecologisch potentieel van de betrokken wateren, zoals omschreven door of krachtens artikel 5 en bijlage III van de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot vaststelling van een kader voor het waterbeleid, met uitzondering van de negatieve gevolgen waarop artikel 64 van de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot vaststelling van een kader voor het waterbeleid en haar uitvoeringsbesluiten van toepassing is.Schade die een ernstige en negatieve
vloed heeft op de ecologische, chemische of kwantitatieve toestand of het ecologisch potentieel van de grondwateren door het rechtstreeks of onrechtstreeks binnendringen van stoffen, preparaten, organismen of micro-organismen aan de oppervlakte of
de bodem worden bepaald door of krachtens de ordonnantie betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems en haar uitvoeringsbesluiten. De omvang van deze gevolgen wordt beoordeeld
verhouding tot de aanvankelijke toestand, rekening houdend met de criteria
bijlage 1; c) bodemschade, namelijk elke bodemaantasting die rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk is of schadelijk kan zijn voor de gezondheid van de mens of voor de ecologische, chemische of kwantitatieve toestand of voor het ecologische potentieel van de bodem en van de watermassa's doordat er rechtstreeks of onrechtstreeks stoffen, preparaten, organismen of micro-organismen aan de oppervlakte of
de bodem zijn binnengedrongen, zoals bepaald door of krachtens de ordonnantie betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems.De omvang van deze gevolgen wordt beoordeeld
verhouding tot de aanvankelijke toestand, rekening houdend met de criteria
bijlage 1; 2° schade : een meetbare negatieve verandering
een natuurlijke rijkdom of een meetbare aantasting van een ecosysteemfunctie die rechtstreeks of onrechtstreeks optreedt; 3° beschermde soorten en natuurlijke habitats : a) de
bijlage II.1 en, voor zover zij met het teken
bijlage II.2 van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud bedoelde soorten; b) habitats : - de natuurlijke habitats opgesomd
bijlage I van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud; - de natuurlijke habitats van soorten bedoeld
bijlage II.1 van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud; - de voortplantingsgebieden of de rustplaatsen van de soorten opgesomd en aangeduid met teken
bijlage II.2. van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud; - de gebieden van communautair belang voorgesteld aan en goedgekeurd door de Europese Commissie; - de grondgebieden aangewezen als grondgebieden Natura 2000
het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; - de gebieden uitgeroepen tot natuurreservaat of bosreservaat
het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; - de groengebieden, de zones met hoge biologische waarde, de parkgebieden, de bosgebieden, de gebieden met erfdienstbaarheden langs de randen van bossen en wouden, van het Gewestelijk Bestemmingsplan (GBP); 4° staat van
standhouding : a) met betrekking tot een natuurlijke habitat, het effect van de som van de
vloeden die op de betrokken natuurlijke habitat en de daar voorkomende typische soorten
werken en die op lange termijn gevolgen kunnen hebben voor de natuurlijke verspreiding, de structuur en de functies van die habitat evenals voor het voortbestaan van de betrokken typische soorten, hetzij op het grondgebied van het Gewest, hetzij
het natuurlijke verspreidingsgebied van die habitat. De staat van
standhouding van een natuurlijke habitat wordt als « gunstig « beschouwd wanneer : - het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de gedekte zones binnen dit natuurlijke verspreidingsgebied stabiel zijn of toenemen, - de specifieke structuur en functies voor het behoud van de natuurlijke habitat op lange termijn bestaan en
een niet al te verre toekomst wellicht zullen blijven bestaan, en - de staat van
standhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is zoals omschreven onder b); b) met betrekking tot een soort, de som van de
vloeden die op de betrokken soort
werken en die op lange termijn gevolgen kunnen hebben voor de verspreiding en omvang van de populaties van die soort op het grondgebied van het Gewest. De staat van
standhouding van een soort wordt als « gunstig » beschouwd wanneer : - uit de gegevens van de populatiedynamiek van deze soort blijkt dat ze op lange termijn standhoudt als een levensvatbare component van haar natuurlijke habitat, - het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort niet kleiner wordt en wellicht
een niet al te verre toekomst evenmin kleiner zal worden, en - er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties die er voorkomen op lange termijn
stand te houden; 5° water : alle oppervlakte- en grondwater waarop de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot vaststelling van een kader voor het waterbeleid en de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems, van toepassing zijn;6° bodem : de bodem zoals bepaald
artikel 3, 1°, van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems;7° exploitant : iedere privé- of openbare natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroepsactiviteit verricht of controleert of die bij volmacht een doorslaggevende economische zeggenschap over de technische werking heeft gekregen, met
begrip van de houder van een vergunning of toelating voor dergelijke activiteit of de persoon die dergelijke activiteit laat registreren of er kennis van geeft;8° beroepsactiviteit : een
het kader van een economische activiteit, een zaak of een onderneming verrichte activiteit, het privé-, openbare, winstgevende of niet-winstgevende karakter ervan buiten beschouwing gelaten;9° emissie : het lozen,
het milieu, van stoffen, preparaten, organismen of micro-organismen afkomstig van menselijke activiteiten;10° onmiddellijke dreiging van schade : een voldoende waarschijnlijkheid dat zich
de nabije toekomst milieuschade zal voordoen;11° preventieve maatregel : iedere maatregel die wordt getroffen naar aanleiding van een gebeurtenis, daad of nalatigheid die gevaar of hinder heeft doen ontstaan, ongeacht of deze een onmiddellijke dreiging van milieuschade vormen, teneinde deze schade te voorkomen of zo beperkt mogelijk te houden;12° herstelmaatregel : iedere maatregel of combinatie van maatregelen, met
begrip van
perkende of overgangsmaatregelen, gericht op het herstel, de rehabilitatie of de vervanging van de beschadigde natuurlijke rijkdommen of functies of op het verschaffen van een gelijkwaardig alternatief voor deze rijkdommen of functies, zoals voorzien
bijlage 2;13° natuurlijke rijkdom : de beschermde soorten en natuurlijke habitats, de wateren en bodems;14° functies en ecosysteemfuncties : de functies die een natuurlijke rijkdom vervult ten voordele van een andere natuurlijke rijkdom of het publiek;15° aanvankelijke toestand : : de toestand van de natuurlijke rijkdommen en functies, op het ogenblik dat de schade zich voordoet, waarin ze zich zouden hebben bevonden mocht de schade zich niet hebben voorgedaan, geraamd aan de hand van de beste beschikbare
formatie;16° regeneratie : bij water en beschermde soorten en natuurlijke habitats, de terugkeer van de beschadigde natuurlijke rijkdommen of aangetaste functies
hun aanvankelijke toestand en bij bodemschade, het wegwerken van alle risico's die ernstige negatieve gevolgen hebben voor de gezondheid van de mens;17° natuurlijke regeneratie : regeneratie zonder rechtstreekse menselijke tussenkomst
het herstelproces;18° kosten : de kosten verantwoord door de noodzaak om een correcte en doeltreffende toepassing van dit Wetboek te garanderen, met
begrip van de kosten voor de raming van de milieuschade, de onmiddellijke dreiging van zulke schade, de alternatieve maatregelen, evenals de administratieve, gerechts- en uitvoeringskosten, de kosten voor gegevensverzameling en de andere algemene kosten, en de toezichts- en follow-upkosten.». Art. 8.
dezelfde ordonnantie worden de hiernavolgende woorden « Hoofdstuk II. - Opsporing en vaststelling van de misdrijven » vervangen door de woorden « Titel II. -
spectie, preventie, vaststelling van de misdrijven en milieuaansprakelijkheid » en deze titel wordt onder artikel 4 verplaatst. Art. 9.
dezelfde ordonnantie worden de volgende woorden
gevoegd onder het opschrift « Titel II. -
spectie, preventie, vaststelling van de misdrijven en milieuaansprakelijkheid » : « Hoofdstuk 1. - Bevoegde
stanties ». Art. 10.
dezelfde ordonnantie worden de woorden « Afdeling I » vervangen door de woorden « Afdeling 1 » en deze ondertitel wordt onder de ondertitel « Hoofdstuk 1. - Bevoegde
stanties » verplaatst. Art. 11.
dezelfde ordonnantie wordt artikel 5, gewijzigd bij de ordonnantie van 9 december 2010, bij de ordonnantie van 1 maart 2012 en bij de ordonnantie van 14 juni 2012, vervangen door hetgeen volgt : « Art. 5.§ 1. De leidend ambtenaar van het
stituut stelt de met het toezicht belaste personeelsleden van het
stituut aan. Ze zijn belast met het toezicht, op het geheel van het gewestelijke grondgebied, op de naleving van de verordeningen van de Europese Unie, van de wetten en ordonnanties bedoeld
artikel 2 alsook van dit Wetboek, en met de vaststelling van de misdrijven. Onder de ambtenaren van het
stituut die overeenkomstig het vorige lid zijn aangesteld, stelt de leidend ambtenaar van het
stituut deze ambtenaren aan die de hoedanigheid van officiers van gerechtelijke politie hebben. De bevoegdheden van officiers van gerechtelijke politie mogen enkel worden uitgeoefend door personeelsleden die de eed hebben afgelegd overeenkomstig de van kracht zijnde wetten, statuten en reglementen. Onder de personeelsleden van het
stituut die overeenkomstig het eerste lid zijn aangesteld, stelt de leidend ambtenaar van het
stituut, die
naam van het
stituut handelt, deze personeelsleden aan aan wie hij, onder zijn controle, de verwerking van opgeslagen persoonsgegevens delegeert. § 2. De leidend ambtenaar van het GAN stelt de met het toezicht belaste personeelsleden van het GAN aan. Ze zijn belast met het toezicht, op het geheel van het gewestelijke grondgebied, op de naleving van artikel 18, § 1, van de ordonnantie van 14 juni 2012 betreffende afvalstoffen, en, voor wat gemeentelijke afvalstoffen
de zin van artikel 3, 6°, van dezelfde ordonnantie betreft, op de naleving van artikel 19, §§ 2 en 4 van dezelfde ordonnantie, en met de vaststelling van de misdrijven. Onder de ambtenaren van het GAN die overeenkomstig het vorige lid zijn aangesteld, stelt de leidend ambtenaar van het GAN deze ambtenaren aan die de hoedanigheid van officiers van gerechtelijke politie hebben. De bevoegdheden van officiers van gerechtelijke politie mogen enkel worden uitgeoefend door personeelsleden die een eed hebben afgelegd overeenkomstig de van kracht zijnde wetten, statuten en reglementen. Onder de personeelsleden van het GAN die overeenkomstig het eerste lid zijn aangesteld, stelt de leidend ambtenaar van het GAN, die
naam van het GAN handelt, deze personeelsleden aan aan wie hij, onder zijn controle, de verwerking delegeert van de opgeslagen persoonsgegevens. §
- De Regering wijst, op voorstel van de leidend ambtenaar van het bevoegde bestuur van het Ministerie, de met het toezicht belaste personeelsleden van het Ministerie aan. Ze zijn belast met het toezicht, op het geheel van het gewestelijk grondgebied, op de naleving van hoofdstuk 1 van titel 2 van boek 2 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing en met de vaststelling van de misdrijven. Onder de ambtenaren die overeenkomstig het vorige lid zijn aangesteld, stelt de Regering deze ambtenaren aan die de hoedanigheid van officiers van gerechtelijke politie hebben. De bevoegdheden van officiers van gerechtelijke politie mogen enkel worden uitgeoefend door personeelsleden die een eed hebben afgelegd overeenkomstig de van kracht zijnde wetten, statuten en reglementen. Onder de personeelsleden die overeenkomstig het eerste lid zijn aangesteld, stelt de Regering deze personeelsleden aan aan wie zij, onder haar controle, de verwerking delegeert van de opgeslagen persoonsgegevens. §
- Voor elke gemeente stelt het College van Burgemeester en Schepenen de met het toezicht belaste personeelsleden van de gemeente aan. Ze zijn belast met het toezicht, op het geheel van het gemeentelijk grondgebied, op de naleving van de verordeningen van de Europese Unie, van de
artikel 2 bedoelde wetten en ordonnanties, en met de vaststelling van de misdrijven. Onder de personeelsleden die overeenkomstig het eerste lid zijn aangesteld, stelt het College van Burgemeester en Schepenen de personeelsleden aan aan wie hij, onder zijn controle, de verwerking delegeert van de opgeslagen persoonsgegevens. §
- De boswachters bedoeld onder artikelen 9 en 16 van het Wetboek van Strafvordering worden belast met het toezicht, op het geheel van het gewestelijk grondgebied, op de naleving van de wet van 19 december 1854 bevattend het Boswetboek, de wet van 28 december 1931 op de bescherming van aan particulieren behorende bossen en wouden, de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende natuurbehoud, en de ordonnantie van 20 juni 2013 betreffende een pesticidegebruik dat verenigbaar is met de duurzame ontwikkeling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. §
- Het
stituut bereidt elk jaar een ontwerp
spectieprogramma voor, dat binnen de drie maanden door de Regering dient te worden goedgekeurd. ». Art. 12.
artikel 7 van dezelfde ordonnantie worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het woord « eveneens » wordt
gevoegd tussen de woorden « zich » en « door deskundigen laten bijstaan »;2° de woorden « , overeenkomstig artikel 11, § 2 » worden toegevoegd na de woorden « zich door deskundigen laten bijstaan ». Art. 13.Artikelen 8 tot en met 11 van dezelfde ordonnantie worden opgeheven. Art. 14.Na artikel 7 van dezelfde ordonnantie, worden de woorden « Afdeling 2. - Dwangmaatregelen » vervangen door de woorden « Afdeling 2. - Bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid ». Art. 15.
dezelfde ordonnantie, wordt een nieuw artikel 8
gevoegd, luidend als volgt : « Art. 8.§ 1. De bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid is de leidend ambtenaar van het
stituut. §
- Zij is, onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid, belast met het aanduiden van de exploitant die de milieuschade of de onmiddellijke dreiging van milieuschade heeft veroorzaakt. §
- Zij is eveneens belast met het beoordelen van de omvang van de milieuschade en het bepalen van de herstelmaatregelen die moeten worden getroffen gelet op de beginselen vermeld
bijlage 1 en bijlage 2, evenals met het ramen van de kosten van deze maatregelen. Daartoe kan ze de betrokken exploitant vragen dat hij zelf een raming maakt en haar alle nodige
formatie en gegevens verstrekt. De Regering legt een methodologie vast voor de evaluatie van de milieuschade, de bepaling van de herstelmaatregelen en de raming van de kosten die gepaard gaan met deze maatregelen. § 4. De bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid kan de uitvoering van de nodige preventie- of herstelmaatregelen aan derden delegeren of opleggen. ». Art. 16.
dezelfde ordonnantie, worden de woorden « Afdeling
- - Onderzoeksmiddelen » vervangen door de woorden « Hoofdstuk
- -
spectie ». Art. 17.
dezelfde ordonnantie, worden de woorden « Onderafdeling 1 » vervangen door de woorden « Afdeling 1 ». Art. 18.
artikel 11bis van dezelfde ordonnantie,
gevoegd bij de ordonnantie van 6 december 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 11bis wordt hernummerd tot artikel 9;2° de woorden « Met de naleving van » worden vervangen door de woorden « Onverminderd »;3° de woorden « voor alle of bepaalde categorieën van
richtingen » worden geschrapt;4° het woord « maatmethoden » wordt vervangen door het woord « meetmethoden ». Art. 19.
artikel 12 van dezelfde ordonnantie, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 12 wordt hernummerd tot artikel 10;2° de woorden « of ernstige bedreiging » worden
gevoegd tussen de woorden « bij ernstige verontreiniging » en de woorden « die de volksgezondheid kan schaden »;3° de woorden « die de volksgezondheid kan schaden » worden vervangen door de woorden « die het milieu of de volksgezondheid kan schaden »;4° de woorden « woonruimten betreden » worden vervangen door de woorden « binnentreden
de woonplaats ». Art. 20.
artikel 13 van dezelfde ordonnantie, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 13 wordt hernummerd tot artikel 11;2° de huidige tekst vormt de nieuwe § 1 van hetzelfde artikel waarin de volgende wijzigingen worden aangebracht : a)
de
leidende zin, worden de woorden « voor de uitoefening van hun opdracht »
gevoegd tussen de woorden « nodig achten » en « met name »;b) bij punt 1°, worden de woorden « de identiteit controleren en »
gevoegd voor de woorden « een persoon ondervragen » en worden de woorden « over alles wat nuttig is voor de uitoefening van het toezicht » geschrapt;c) een nieuw punt 4° wordt toegevoegd, luidend als volgt : « 4° eender welk apparaat plaatsen voor de meting van vervuiling.»; 3° een nieuwe § 2 wordt toegevoegd, luidend als volgt : « § 2.De met het toezicht belaste personeelsleden kunnen aan deskundigen eender welk onderzoek en controle toevertrouwen. De deskundigen handelen volgens de
structies van de met het toezicht belaste personeelsleden. De door de deskundige
gezamelde
formatie en vaststellingen kunnen op elk moment worden aangewend door de met het toezicht belaste personeelsleden. »; 4° een nieuwe paragraaf 3 wordt
gevoegd, luidend als volgt : « § 3.De verantwoordelijke voor de verwerking, of zijn afgevaardigde, kan, bij wege van uitzondering, een audiovisueel apparaat plaatsen mits naleving van artikelen 13 tot en met 15 van huidig Wetboek en van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. ». Art. 21.
artikel 14 van dezelfde ordonnantie, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 14 wordt hernummerd tot artikel 12;2°
het eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) De woorden « van eender welk element of substantie » worden
gevoegd na het woord « monsters »;b) De woorden « laboratoria die volgens de door de Regering gestelde voorwaarden en procedure erkend zijn » worden vervangen door de woorden « een erkend laboratorium of door een deskundige handelend volgens hun
structies.»; 3°
het tweede lid, worden de woorden « en menselijke »
gevoegd tussen de woorden « de technische » en « middelen ». Art. 22.Artikel 15 van dezelfde ordonnantie, gewijzigd bij de ordonnantie van 28 juni 2001, en artikel 16 van dezelfde ordonnantie worden opgeheven. Art. 23.
dezelfde ordonnantie worden de woorden « Onderafdeling
- Metingen van de luchtverontreiniging en van de geluidshinder » vervangen door de woorden « Afdeling
- - Metingen van verontreiniging ». Art. 24.
dezelfde ordonnantie wordt een nieuw artikel 13 na de nieuwe afdeling 2
gevoegd, luidend als volgt : « Art. 13.§ 1. Elke meting van verontreiniging bestemd om de naleving van de bepalingen zoals bedoeld
artikel 2 of van dit Wetboek na te gaan, komt tot stand volgens de modaliteiten en met behulp van apparaten en meetsystemen die de objectiviteit en de
tegriteit van de verzamelde gegevens waarborgen. § 2. Er wordt slechts tot het plaatsen van een audiovisueel apparaat overgegaan als de overige onderzoeksmiddelen die
dit Wetboek zijn voorzien niet lijken te volstaan en mits naleving van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. De gefilmde beelden moeten adequaat, pertinent en niet excessief zijn ten opzichte van het nagestreefde doeleinde. Enkel de gegevens die tot doel hebben bewijzen te verzamelen van de constitutieve bestanddelen van een misdrijf en de daders op te sporen, mogen worden opgenomen en bewaard. Bovendien moet de verantwoordelijke voor de verwerking, of zijn afgevaardigde, zich ervan verzekeren dat het audiovisueel apparaat niet specifiek naar een plaats wordt gericht waarvoor hijzelf niet gemachtigd is om de gegevens te verwerken. Het rechtstreeks bekijken van beelden
real time is uitsluitend toegestaan om toe te laten aan de verantwoordelijke voor de verwerking, of zijn afgevaardigde, om onmiddellijk
te grijpen
geval van
breuk of van milieuschade of
geval van een dreiging van
breuk of van een dreiging van milieuschade. Het rechtstreeks bekijken van beelden
real time van een niet besloten plaats moet plaatsvinden onder de controle van de politiediensten. De verantwoordelijke voor de verwerking, of zijn afgevaardigde, verzoekt bij de korpschef van de betreffende politiezone, om de controle van de politieagenten die deze aanstelt. § 3. De opgeslagen persoonsgegevens moeten worden bewaard voor een duur die niet langer dan noodzakelijk is voor de realisatie van de doeleinden waarvoor zij zijn verkregen of waarvoor zij later worden verwerkt. De verantwoordelijke voor de verwerking of zijn afgevaardigde leeft de volgende termijnen en manieren van bewaring na : - maximum één maand
dien de opgeslagen gegevens niet kunnen bijdragen tot het aanbrengen van het bewijs van een
breuk; - de gegevens die zijn opgeslagen tijdens de verwerking worden bewaard en moeten beschikbaar en toegankelijk blijven zolang het dossier niet is afgesloten; - de opgeslagen gegevens van een afgesloten en gearchiveerd dossier zijn enkel toegankelijk voor de verantwoordelijke voor de verwerking of voor zijn afgevaardigde; - de opgeslagen gegevens die de identificatie van een persoon toelaten en die geen enkel nut meer hebben, moeten worden vernietigd. ». Art. 25.
dezelfde ordonnantie, wordt een nieuw artikel 14
gevoegd, luidend als volgt : « Art. 14.§
- De metingen van de verontreiniging zijn ogenblikkelijk of permanent. §
- Het met het toezicht belaste personeelslid, het personeelslid, de deskundige of het erkend laboratorium belast met de meting van de verontreiniging controleert de goede werking van de apparaten : 1° vóór hun gebruik, voor elke ogenblikkelijke meting;of 2° periodiek, voor elke permanente meting. §
- De personen zoals bedoeld
§ 2
stellen een analyseverslag op dat,
voorkomend geval, een lijst van de disfuncties bevat, overeenkomstig §
- Tussen het moment waarop de disfunctie van het apparaat wordt vastgesteld en het moment waarop ze werd verholpen, kunnen de resultaten van de metingen niet worden gebruikt. §
- De natuurlijke persoon of rechtspersoon, tegen wie het resultaat van de uitgevoerde meting kan worden aangevoerd, wordt enkel verwittigd en zijn aanwezigheid is enkel vereist voor het geval zijn tussenkomst nodig blijkt te zijn. §
- De controle van de goede werking van een meetapparaat opgelegd door een milieuvergunning wordt uitgevoerd overeenkomstig de voorwaarden opgelegd
de milieuvergunning of door een besluit van de Regering dat de uitbatingsvoorwaarden eigen aan de vergunde
stallaties oplegt. § 6. De
§ 2
geviseerde personen houden dagelijks een register bij waarin de processen van controle van de goede werking, van onderhoud, van herstel, van stopzetting en de heropstart, volgend op de stopzetting, van de meetapparaten worden beschreven. § 7. Voorafgaand aan iedere plaatsing van een vast audiovisueel apparaat, en zonder afbreuk te doen aan de noodzaak om voorafgaand aan de plaatsing ervan op een goed van het openbaar domein, een domaniale toelating te verkrijgen, waarschuwt de verantwoordelijke voor de verwerking : - de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer,
voorkomend geval met
achtname van artikel 17 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. - de korpschef van de betrokken politiezone. Hij verzoekt bovendien : - de toelating van de burgemeester van de betrokken gemeente wanneer het apparaat bedoeld is voor het filmen van een niet-besloten plaats; - de
stemming van de eigenaar en de uitbater wanneer het apparaat bedoeld is voor het filmen van een voor het publiek toegankelijke besloten plaats; - de
stemming van de eigenaar en de uitbater of, bij gebreke van een uitbater, van de eigenaar en de persoon die desgevallend krachtens een zakelijk of persoonlijk recht de plaats bezet, wanneer het apparaat bedoeld is voor het filmen van een niet voor het publiek toegankelijke besloten plaats. De verantwoordelijke voor de verwerking of zijn afgevaardigde moet, wanneer hij zijn verklaring en verzoek om toelating
dient, conform het eerste lid, de
breuken of de milieuschades of de dreigingen van
breuken of van milieuschades beschrijven die een beroep rechtvaardigen op de plaatsing van audiovisuele apparaten en moet het adequaat karakter aantonen van een dergelijke plaatsing
het licht van de nagestreefde doeleinden. Onafgezien van de plaats waar het audiovisueel apparaat geplaatst wordt, duidt de verantwoordelijke voor de verwerking de
stallatie ervan aan door het aanbrengen van een pictogram of belast de beheerder van de plaats om het te doen. Het feit dat een fysiek persoon een plaats binnentreedt waar een pictogram een cameratoezicht aanduidt, maakt haar
stemming uit om gefilmd te worden. Art. 26.
artikel 17 van dezelfde ordonnantie, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 17 wordt hernummerd tot artikel 15;2°
§ 1
, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a)
de
leidende zin worden de woorden « luchtverontreiniging of van de geluidshinder » vervangen door het woord « verontreiniging » en worden de woorden « opgesteld door het met het toezicht belaste personeelslid, door de deskundige of door het erkend laboratorium »
gevoegd tussen de woorden « meetverslag » en « dat de volgende gegevens bevat »;b) nieuwe punten 1° en 2° worden
gevoegd, luidend als volgt : « 1° de vermelding van het register zoals bedoeld
artikel 14, § 6;2°
voorkomend geval, de luchtgesteldheid op het moment van de metingen;»;
- c)de huidige punten 1° tot en met 5° worden hernummerd tot punten 3° tot en met 7° ;
- d)nieuwe punten 8° tot en met 10° worden
gevoegd, luidend als volgt : « 8° de namen en hoedanigheid van de personeelsleden, van het erkend laboratorium of van de deskundige die de metingen hebben uitgevoerd;9° de namen en hoedanigheid van de personen die het verslag hebben opgesteld;10°
voorkomend geval, de identificatie van de aanwezige personen; »;
- e)het punt 6° wordt opgeheven;
- f)het punt 7° wordt hernummerd tot punt 11° ;3° het tweede lid van paragraaf 1 wordt opgeheven;4°
paragraaf 2 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) « het hoofdbestanddeel » wordt vervangen door de woorden « het constitutief bestanddeel » en het woord « vermoedelijke » wordt
gevoegd tussen de woorden « de » en « dader »;b) de woorden « bedoeld
artikel 21, § 2, van de
gebrekestelling bedoeld
artikel 21, § 3, » worden tussen de woorden « van de waarschuwing » en de woorden « of van het proces-verbaal » toegevoegd;c)
de Franse taalversie worden de woorden « qui sont adressés »
gevoegd tussen de woorden « constatant l'
fraction » en de woorden « à l'auteur présumé »;5° een nieuwe paragraaf 3 wordt toegevoegd, luidend als volgt : « § 3.De door de audiovisuele apparaten opgeslagen gegevens maken het voorwerp uit van een verslag opgesteld door de verantwoordelijke voor de verwerking, dat de volgende aanwijzingen bevat : - het plan van de gefilmde plaatsen en hun politieadres; - de data en uren gedurende welke de apparaten gewerkt hebben; - de beschrijving van het gebruikte materiaal; - de naam en voornaam van de verantwoordelijken voor de verwerking die zijn overgegaan tot de plaatsing van de apparaten en het opslaan van de gegevens; -
voorkomend geval, de identificatie van de personen aanwezig op het ogenblik van de opname; - de toelating van de burgemeester van de betrokken gemeente, wanneer die vereist is; - de toelating van de eigenaar en de uitbater of de persoon die
voorkomend geval de plaats bezet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, van de betrokken plaats, wanneer die vereist is; en - het bewijs van de voorafgaande kennisgeving aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. »; 6° een nieuwe paragraaf 4 wordt toegevoegd, luidend als volgt : « § 4.Het verslag bedoeld
paragraaf 3 en een kopie van de opname zijn aangehecht aan de kennisgeving van de waarschuwing bedoeld
artikel 21, § 2, van de
gebrekestelling bedoeld
artikel 21, § 3, of van het proces-verbaal dat het misdrijf vaststelt, gericht aan de vermoedelijke dader van het misdrijf en aan de Procureur des Konings. »; 7° een nieuwe paragraaf 5 wordt toegevoegd, luidend als volgt : « § 5.Alleen de verantwoordelijke voor de verwerking of zijn afgevaardigde, beschikt over een toegangsrecht tot de
paragraaf 3 bedoelde opgeslagen gegevens, die aan de Procureur des Konings meegedeeld kunnen worden. De verantwoordelijke voor de verwerking of zijn afgevaardigde stelt onder de personeelsleden belast met het toezicht, de personeelsleden aan die toegang hebben tot de opgeslagen gegevens. Deze personeelsleden moeten voldoen aan de volgende voorwaarden : - beschikken over het statuut van personeelslid belast met het toezicht sedert ten minste 5 jaar op het ogenblik van hun aanstelling; - elk jaar een certificaat van goed zedelijk gedrag overleggen; - een verklaring op eer ondertekenen waarin zij zich verbinden om een discretieplicht na te leven wat betreft de gevoelige en persoonsgegevens die door de beelden worden verschaft. De functie van deze personeelsleden beperkt zich tot het controleren of de opgeslagen gegevens een
breuk kunnen vormen of een milieuschade kunnen veroorzaken en tot het
formeren van de verantwoordelijke voor de verwerking over het resultaat van hun controles. De lijst van personen die aldus zijn aangesteld moet ter beschikking worden gehouden van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer door de verantwoordelijke voor de verwerking of zijn afgevaardigde. ». Art. 27.
dezelfde ordonnantie, worden de woorden « Onderafdeling
- » vervangen door de woorden « Afdeling
- ». Art. 28.
artikel 18 van dezelfde ordonnantie, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 18 wordt hernummerd tot artikel 16;2° paragraaf 1 wordt vervangen door hetgeen volgt : « § 1.Het met het toezicht belaste personeelslid, de deskundige of het erkend laboratorium die de monsters heeft genomen, wijst een erkend analyselaboratorium aan dat belast wordt met de officiële analyse van het eerste monster. »; 3° een nieuwe § 2 wordt
gevoegd, luidend als volgt : « § 2.Bij elke monsterneming worden telkens twee monsters
dezelfde omstandigheden genomen. Ze worden
geschikte recipiënten of verpakkingen bewaard die een goede bewaring en een goede analyse garanderen. Eén monster is bestemd voor het erkend laboratorium voor analyse. Een tweede monster is bestemd voor de natuurlijke persoon of rechtspersoon, tegen wie het resultaat van de analyses kan worden aangevoerd. »; 4° een nieuwe § 3 wordt
gevoegd, luidend als volgt : « § 3.De recipiënten of de verpakkingen worden met de zegel van de natuurlijke persoon of rechtspersoon zoals bedoeld
§ 1
bekleed, waardoor de
houd ervan onmogelijk kan worden vervangen of gewijzigd. »; 5°
§ 2
, waarvan de huidige tekst § 4 zal vormen, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a)
de Franse taalversie van de
leidende zin worden de woorden « ou les »
gevoegd tussen de woorden « récipients » en « emballages »;b) bij punt 3°, worden de woorden « het personeelslid dat het monster heeft genomen of heeft laten nemen » vervangen door de woorden « de natuurlijke persoon of rechtspersoon zoals bedoeld
§ 1»;6° § 3 wordt opgeheven.
Art. 29.
artikel 19 van dezelfde ordonnantie, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 19 wordt hernummerd tot artikel 17;2°
§ 1
, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a)
de
leidende zin worden de woorden « Het personeelslid dat het monster heeft genomen of heeft laten nemen » worden vervangen door de woorden « De natuurlijke persoon of rechtspersoon zoals bedoeld
artikel 16 § 1 » en worden de woorden « op zijn minst »
gevoegd tussen de woorden « bevat » en « de volgende gegevens »;
- b)bij punt 2°, worden de woorden « van de monsterneming » vervangen door de woorden « waarin de monsterneming plaatsvond »;
- c)het punt 4° wordt vervangen door hetgeen volgt : « 4°
voorkomend geval, de identiteit van de personen die de monsterneming hebben bijgewoond;»;
- d)het punt 5° wordt hernummerd tot punt 4° ;
- e)bij punt 6°, hernummerd tot punt 5°, wordt het woord « erkende »
gevoegd tussen de woorden « de identiteit van het » en « laboratorium »;f) bij punt 7°, hernummerd tot punt 6°, wordt het woord « vim » geschrapt;3°
§ 2
worden de volgende wijzigingen aangebracht :
- a)de woorden « vier dagen » worden vervangen door de woorden « vijf werkdagen »;
- b)het tweede lid wordt opgeheven. Art. 30.
dezelfde ordonnantie wordt artikel 20 opgeheven. Art. 31.
artikel 21 van dezelfde ordonnantie, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 21 wordt hernummerd tot artikel 18;2° paragraaf 1 wordt vervangen door hetgeen volgt : « § 1.Ten laatste op de eerste werkdag die volgt op de datum van monsterneming, wordt één van de monsters bezorgd aan het erkend laboratorium voor analyse aangeduid door de natuurlijke persoon of rechtspersoon zoals bedoeld
artikel 16, § 1. Het wordt bewaard
omstandigheden die een correcte analyse toelaten. »; 3° paragraaf 2 wordt vervangen door hetgeen volgt : « Het tweede monster wordt onmiddellijk op de plaats van monsterneming overhandigd aan één van de personen tegen wie de analyseresultaten kunnen worden aangevoerd
dien hij aanwezig is op het ogenblik van de monsterneming. Als dat niet mogelijk is, wordt het monster bewaard door het erkende laboratorium dat met de officiële analyse is belast. Het wordt tot vijf werkdagen na de monsterneming ter beschikking gehouden van de personen bedoeld
het eerste lid. »; 4°
§ 3
, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a)
het eerste lid, worden de woorden « dan het laboratorium dat met de officiële analyse belast is » geschrapt;b)
het tweede lid, worden de woorden « binnen vierentwintig uur » geschrapt en worden de woorden « ten laatste op de eerste werkdag die volgt op de datum van monsterneming »
gevoegd vóór de woorden « aan dit laboratorium »;c) het derde lid wordt vervangen door hetgeen volgt : «
dien hij het monster niet onmiddellijk op de plaats van de monsterneming heeft gekregen, kan hij binnen de vijf werkdagen na de monsterneming, het erkend laboratorium voor analyse aangeduid door de natuurlijke persoon of rechtspersoon zoals bedoeld
artikel 16, § 1, verzoeken dat het tweede monster te zijner beschikking wordt gesteld. ». Art. 32.
het artikel 22 van dezelfde ordonnantie, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 22 wordt hernummerd tot artikel 19;2°
§ 1
worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) het eerste lid wordt vervangen door hetgeen volgt : « Het erkende laboratorium aangeduid door de natuurlijke persoon of rechtspersoon zoals bedoeld
artikel 16, § 1, maakt een analyseverslag op en bezorgt dit aan het met het toezicht belaste personeelslid.»; b)
het tweede lid, worden de woorden « Die bezorgt het verslag aan het personeelslid dat het monster heeft genomen of heeft laten nemen » vervangen door de woorden « Die bezorgt het verslag onmiddellijk aan de personen zoals bedoeld
artikel 16, § 1 »;3°
§ 2
, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) punt 1° wordt vervangen door hetgeen volgt : « de identiteit van het personeelslid die om de analyse heeft gevraagd en
voorkomend geval van de persoon die de tweede analyse heeft geëist;»;
- b)bij punt 2°, wordt het woord « en hun volgnummers » vervangen door het woord « en hun referentienummers »;
- c)punt 4° wordt opgeheven;
- d)de punten 5° en 6° worden respectievelijk hernummerd tot de punten 4° en 5° ;
- e)punt 7° wordt opgeheven;
- f)punt 8° wordt hernummerd tot punt 6° ;4° paragraaf 3 wordt vervangen door hetgeen volgt : « De vermoedelijke dader of de eigenaar van het goed waar het feit dat het constitutief bestanddeel van het misdrijf vormt werd gepleegd of waar het zijn oorsprong vond, ontvangt samen met de kennisgeving van de waarschuwing bedoeld
artikel 21, § 2, van de
gebrekestelling bedoeld
artikel 21, § 3, of van het proces-verbaal waarin het misdrijf wordt vastgesteld een afschrift van het analyseverslag.». Art. 33.Na het nieuwe artikel 19 van dezelfde ordonnantie wordt een derde hoofdstuk
gevoegd, luidend als volgt : « Hoofdstuk
- - Preventie, vaststelling van de misdrijven en milieuaansprakelijkheid Afdeling
- - Preventie Art. 20.De exploitant treft onverwijld de nodige preventieve maatregelen wanneer zich nog geen milieuschade heeft voorgedaan maar een onmiddellijke dreiging bestaat dat dergelijke schade zich voordoet. Wanneer een onmiddellijke dreiging van milieuschade ondanks de door de betrokken exploitant genomen preventieve maatregelen niet verdwijnt, is deze laatste verplicht om de bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid zo spoedig mogelijk van alle relevante aspecten op de hoogte te brengen. Art. 21.§ 1. De met het toezicht belaste personeelsleden kunnen te allen tijde maatregelen treffen of opleggen, zelfs mondeling, ten aanzien van eender welke persoon, die nodig zijn om elke vorm van gevaar of hinder voor het leefmilieu of voor de volksgezondheid te voorkomen, te verminderen of te verhelpen en hen verplichten
formatie te verstrekken.
dien de maatregelen mondeling zijn opgelegd, worden ze binnen 10 werkdagen bij een ter post aangetekende brief aan de bestemmeling van de maatregel bevestigd door : 1° de burgemeester wanneer personeelsleden van de gemeente het bevel hebben opgelegd;of 2° de leidend ambtenaar van het
stituut, van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie, wanneer hun respectieve personeelsleden het bevel hebben gegeven.
dien de maatregelen schriftelijk zijn opgelegd, worden ze goedgekeurd door een medeondertekening : 1° van de burgemeester, wanneer een personeelslid van de gemeente het bevel heeft opgelegd;of 2° van de leidend ambtenaar van het
stituut, van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie, wanneer één van hun respectieve personeelsleden het bevel heeft opgelegd. Ze worden aan de bestemmeling van de maatregel bezorgd bij een ter post aangetekende brief.
dien aan die maatregelen geen gevolg wordt gegeven, kunnen de met het toezicht belaste personeelsleden de voorgeschreven maatregel ambtshalve ten laste van de
gebreke blijvende persoon uitvoeren of laten uitvoeren. Een preventieve maatregel opgelegd door een met het toezicht belast personeelslid aan een exploitant, en medeondertekend,
dien zij schriftelijk werd genomen of bekrachtigd,
dien zij werd genomen na een mondelinge beslissing, door de leidend ambtenaar van het
stituut, vormt van rechtswege een bevolen preventieve maatregel van de bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid
de zin van artikel 24,
dien de gevaren of hinder die haar rechtvaardigen een onmiddellijke dreiging op milieuschade, die binnen het toepassingsgebied van artikel 57 valt, kunnen uitmaken of daaraan aan de oorsprong kunnen liggen. § 2. De met het toezicht belaste personeelsleden kunnen te allen tijde, zelfs mondeling, een waarschuwing richten tot de vermoedelijke dader van het misdrijf, of tot de eigenaar van het goed waar het feit dat het constitutief bestanddeel van het misdrijf vormt gepleegd werd of waar het zijn oorsprong vond en een termijn vastleggen waarbinnen hij zich
regel dient te stellen. Wanneer een mondelinge waarschuwing gegeven wordt, dan dient die binnen tien werkdagen bij een ter post aangetekende brief te worden bevestigd door : 1° de burgemeester wanneer de waarschuwing door personeelsleden van de gemeente werd gegeven;of 2° de leidend ambtenaar van het
stituut of van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie wanneer de waarschuwing door respectievelijk één van hun personeelsleden werd gegeven. Deze waarschuwing kan
voorkomend geval
dezelfde aangetekende brief gepaard gaan met een krachtens § 1 genomen of opgelegde preventieve maatregel. § 3. Nadat de waarschuwing geen gedeeltelijke of volledige uitvoering krijgt door zijn bestemmeling of
dien de situatie het vereist, kunnen de met het toezicht belaste personeelsleden een
gebrekestelling per aangetekend schrijven richten aan eerstgenoemde. De
gebrekestelling kan
dezelfde aangetekende brief gepaard gaan met een preventieve maatregel opgelegd overeenkomstig § 1. § 4.
geval van een feit dat het constitutief bestanddeel van een misdrijf vormt en
dien de dreiging van die aard is dat enige vertraging
het nemen van maatregelen tot onherstelbare schade riskeert te leiden of
geval van herhaalde vaststellingen verricht conform artikel 23, kunnen de met het toezicht belaste personeelsleden bovendien mondeling bevelen tot : 1° de gedeeltelijke of volledige stopzetting van de activiteit;2° de sluiting van één of meer
richtingen. Die maatregelen vervallen
dien ze binnen tien werkdagen nadat ze opgelegd werden, niet bij een ter post aangetekende brief bevestigd zijn door : 1° de burgemeester wanneer personeelsleden van de gemeente de maatregelen hebben opgelegd;of 2° de leidend ambtenaar van het
stituut, van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie, wanneer één van hun personeelsleden de maatregelen hebben opgelegd. Art. 22.Iedere belanghebbende kan bij het Milieucollege beroep
stellen tegen het bevel om een activiteit gedeeltelijk of volledig stop te zetten of om een of meer
richtingen te sluiten of tegen een bevel met een gelijkaardig gevolg, of tegen ieder bevel om een activiteit voort te zetten of een bevel met een gelijkaardig gevolg. Op straffe van verval dient het beroep per verzoekschrift bij het Milieucollege te worden
gesteld binnen tien dagen na de kennisgeving van de beslissing of van de bevestiging bedoeld
artikel 21. Het Milieucollege hoort de belanghebbende, op zijn verzoek, of zijn raadsman.
dit geval wordt ook het met het toezicht belaste personeelslid dat de maatregelen heeft genomen gehoord. Binnen vijftien werkdagen na de datum van verzending van het verzoekschrift betekent het Milieucollege zijn beslissing. Deze termijn wordt met tien werkdagen verlengd wanneer de partijen een verzoek
dienen om te worden gehoord. Voorts wordt de termijn verlengd met tien werkdagen wanneer het verzoekschrift is opgestuurd
de periode van 15 juni tot 15 augustus. Afdeling 2. - Vaststelling van de misdrijven Art. 23.De met het toezicht belaste personeelsleden stellen de misdrijven vast
een proces-verbaal dat bewijswaarde heeft tot het bewijs van het tegendeel. Binnen tien werkdagen na de vaststelling van het misdrijf wordt een afschrift van het proces-verbaal bezorgd aan de vermoedelijke dader of aan de eigenaar van het goed waar het feit dat het constitutief bestanddeel van het misdrijf vormt gepleegd werd of waar het zijn oorsprong gevonden heeft. De termijn wordt berekend te rekenen vanaf de dag volgend op de vaststelling van het misdrijf. Afdeling 3. - Milieuaansprakelijkheid Onderafdeling 1. - Preventieve maatregelen Art. 24.De bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid kan te allen tijde : 1° de exploitant verplichten
formatie te verstrekken telkens als zich een onmiddellijke dreiging van milieuschade voordoet of
geval dergelijke onmiddellijke dreiging wordt vermoed;2° de exploitant verplichten de nodige preventieve maatregelen te treffen;of 3° zelf de nodige preventieve maatregelen nemen. Als de exploitant de verplichtingen bepaald
artikel 20 of
punten 1° en 2°, niet nakomt, als hij niet kan worden geïdentificeerd of als hij krachtens artikel 27 de kosten niet moet dragen, kan de bevoegde
stantie zelf de nodige preventieve maatregelen treffen. De genomen beslissingen worden onmiddellijk aan de betrokken exploitant betekend die tegelijkertijd
gelicht wordt over de rechtsmiddelen en beroepstermijnen waarover hij beschikt. Onderafdeling
- - Herstelmaatregelen Art. 25.§
- Wanneer er zich milieuschade heeft voorgedaan, brengt de exploitant onverwijld de bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid op de hoogte van alle relevante aspecten van de toestand en treft hij : 1° alle praktische maatregelen om de betrokken verontreinigende stoffen en/of enige andere schadefactor onmiddellijk te bestrijden,
te perken, te verwijderen of te behandelen, teneinde nieuwe milieuschade en negatieve gevolgen voor de volksgezondheid of aantasting van de functies te beperken of te voorkomen;2° de nodige herstelmaatregelen.Hij bepaalt overeenkomstig bijlage 2 de mogelijke herstelmaatregelen en legt ze ter goedkeuring voor aan de bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid. § 2. De bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid besluit welke herstelmaatregelen overeenkomstig bijlage 2, en zo nodig
samenwerking met de betrokken exploitant, worden uitgevoerd. Wanneer zich meerdere gevallen van milieuschade hebben voorgedaan en de bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid er niet voor kan zorgen dat de noodzakelijke herstelmaatregelen gelijktijdig worden genomen, kan zij bepalen welk geval van milieuschade eerst moet worden hersteld. Bij het nemen van deze beslissing houdt zij onder meer rekening met de aard, de omvang en de ernst van de milieuschade en met de mogelijkheid van natuurlijke regeneratie. Er moet ook rekening worden gehouden met de risico's voor de gezondheid van de mens. De bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid nodigt de personen, bedoeld
artikel 29, § 1, uit en
ieder geval de personen op wier terrein herstelmaatregelen zouden moeten worden toegepast, om opmerkingen te formuleren en houdt rekening met deze opmerkingen. § 3. De bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid kan te allen tijde : 1° de exploitant verplichten aanvullende
formatie te verstrekken over alle schade die zich heeft voorgedaan;2° zelf alle praktische maatregelen treffen of de betrokken exploitant daartoe verplichten om de betrokken verontreinigende stoffen en/of enige andere schadefactor onmiddellijk te bestrijden,
te perken, te verwijderen of te beheren, teneinde nieuwe milieuschade en negatieve gevolgen voor de gezondheid van de mens of aantasting van de functies te beperken of te voorkomen;3° de exploitant verplichten de nodige herstelmaatregelen te treffen; of 4° zelf de nodige herstelmaatregelen treffen. § 4. Als de exploitant de verplichtingen bepaald
§ 1
of § 3, 2° of 3° niet nakomt, als hij niet kan worden geïdentificeerd of als hij krachtens artikel 27 de kosten niet moet dragen, kan de bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid zelf de nodige preventieve maatregelen treffen. §
- Iedere beslissing die een herstelmaatregel oplegt wordt onverwijld meegedeeld aan de betrokken exploitant, die tegelijkertijd op de hoogte wordt gebracht van de rechtsmiddelen en beroepstermijnen waarover hij beschikt. Onderafdeling
- - Preventie- en herstelkosten Art. 26.De exploitant draagt de kosten voor de preventie- en herstelmaatregelen die door de bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid zijn genomen. Wanneer milieuschade of de onmiddellijke dreiging van deze schade is veroorzaakt door verschillende exploitanten, zijn deze er hoofdelijk toe gehouden de kosten voor de ondernomen preventie- en herstelmaatregelen te dragen. Art. 27.§ 1. De exploitant is echter niet verplicht de kosten te dragen van de preventie- of herstelmaatregelen opgelegd door de
stantie bevoegd
zake milieuaansprakelijkheid als hij kan bewijzen dat de milieuschade of de onmiddellijke dreiging van dergelijke schade : 1° veroorzaakt is door een derde ondanks dat er passende veiligheidsmaatregelen waren getroffen;of 2° het gevolg is van het opvolgen van een bevel of
structie van een overheidsinstantie, tenzij het een bevel of
structie betreft naar aanleiding van een emissie of
cident veroorzaakt door de activiteiten van de exploitant zelf. § 2. De exploitant is niet verplicht de kosten te dragen van de herstelmaatregelen die met toepassing van dit Wetboek worden getroffen als hij kan bewijzen dat de milieuschade of de onmiddellijke dreiging van dergelijke schade te wijten is aan : 1° een emissie of een gebeurtenis die uitdrukkelijk toegestaan is met naleving van alle voorwaarden die verband houden met een op de datum van de emissie of de gebeurtenis van toepassing zijnde vergunning die uitgereikt of verlengd werd krachtens de
bijlage 3 bedoelde wetgevende en reglementaire bepalingen
zake de exploitatie van een hierin opgenomen activiteit;2° een emissie of een activiteit of elke aanwending van een product
het kader van een activiteit waarvan de exploitant kan bewijzen dat deze niet beschouwd was als vatbaar voor het aanrichten van milieuschade
het licht van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het ogenblik dat de emissie of de activiteit plaatsvond. §
- De Regering legt de modaliteiten vast volgens welke de exploitant de kosten die hij heeft gemaakt maar die hij krachtens § 1 en § 2 van dit artikel niet moet dragen, kan terugvorderen. Art. 28.§
- Behoudens artikel 27 vordert de bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid, met name via een waarborgsom of andere passende waarborgen bij de exploitant die de milieuschade of de onmiddellijke dreiging van schade heeft veroorzaakt, de kosten terug die ze heeft gedragen voor de ondernomen preventieve maatregelen of herstelmaatregelen van de milieuschade. De Regering bepaalt de financiële waarborgen die passend worden geacht en legt de regels
verband met de uitoefening van dit terugvorderingsrecht vast. § 2. De bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid kan beslissen om de gedragen kosten niet volledig terug te vorderen wanneer de daartoe benodigde uitgaven hoger zijn dan het terug te vorderen bedrag of wanneer de exploitant niet kan worden geïdentificeerd. § 3. De bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid is gerechtigd om tegen de exploitant of,
dien van toepassing, een derde die de schade of de onmiddellijke dreiging van schade heeft veroorzaakt, een procedure
te stellen om de kosten met betrekking tot alle uit hoofde van dit Wetboek genomen maatregelen terug te vorderen binnen een periode van vijf jaar vanaf de datum waarop de maatregelen geheel zijn voltooid of de datum waarop de aansprakelijke exploitant of derde is geïdentificeerd, waarbij de meest recente datum
aanmerking wordt genomen. § 4. De door de bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid getroffen maatregelen overeenkomstig artikel 21, § 1, zesde lid en de artikelen 24 en 25 § 3, worden getroffen onverminderd de aansprakelijkheid van de betrokken exploitant en de naleving van artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Onderafdeling 4. - Vordering van maatregelen en rechtsmiddelen Art. 29.§ 1. Iedere natuurlijke of rechtspersoon die een belang heeft bij de besluitvorming
zake milieuschade, met name hij die zulke milieuschade lijdt of dreigt te lijden, is gerechtigd om bij de bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid opmerkingen
te dienen betreffende elk geval van milieuschade of onmiddellijke dreiging van dergelijke schade waarvan hij kennis heeft en heeft de mogelijkheid om de bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid te verzoeken krachtens dit Wetboek maatregelen te treffen. Iedere vereniging die op het grondgebied van het Gewest ijvert voor de bescherming van het leefmilieu, wordt geacht een belang te hebben op voorwaarde dat : 1° de vereniging is opgericht als een VZW;2° de VZW al bestond vóór de datum waarop de milieuschade of de onmiddellijke dreiging van schade zich heeft voorgedaan;en 3° het statutair doel van de VZW de bescherming van het leefmilieu is;4° het belang waarvan de aantasting
haar opmerkingen en/of haar verzoek tot het nemen van maatregelen wordt aangevoerd, past
het kader van het statutair doel van de VZW, zoals blijkt op de datum waarop de schade of de onmiddellijke dreiging van schade zich heeft voorgedaan. Deze bepaling is van toepassing, onverminderd het vorderingsrecht bepaald door de wet van 12 januari 1993Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/01/1993 pub. 07/04/2009 numac 2009000212 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende een vorderingsrecht
zake bescherming van het leefmilieu. - Duitse vertaling sluiten betreffende een vorderingsrecht
zake bescherming van het leefmilieu. § 2. Het verzoek tot maatregelen gaat vergezeld van de relevante
formatie en gegevens ter ondersteuning van de opmerkingen die met betrekking tot de milieuschade
kwestie worden voorgelegd. § 3. Wanneer het verzoek tot maatregelen en de bijbehorende opmerkingen op aannemelijke wijze het bestaan van milieuschade aangeven, onderzoekt de bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid deze opmerkingen en dit verzoek tot maatregelen.
dat geval, biedt de bevoegde
stantie de betrokken exploitant de gelegenheid om zijn standpunt met betrekking tot het verzoek tot maatregelen en de bijbehorende opmerkingen kenbaar te maken, overeenkomstig de door de Regering vastgelegde vormen en termijnen. § 4. De bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid brengt de personen bedoeld
§ 1
die opmerkingen hebben
gediend zo spoedig mogelijk en uiterlijk een maand na ontvangst van het verzoek op de hoogte van haar beslissing om al dan niet op te treden, met vermelding van de redenen waarop haar beslissing is gebaseerd. § 5. De kennisgeving van de met redenen omklede beslissing van de bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid vermeldt de rechtsmiddelen en beroepstermijnen waarvan ze het voorwerp kan uitmaken, evenals de modaliteiten voor het
dienen van dit beroep. § 6. De Regering legt de vormregels en de modaliteiten vast voor de
diening en het onderzoek van de op basis van dit artikel
gediende verzoeken tot maatregelen. § 7. De personen bedoeld § 1 kunnen een beroepsprocedure
stellen : 1° bij het Milieucollege tegen de beslissingen, daden of verzuim van de
stantie bevoegd
zake milieuaansprakelijkheid krachtens dit Wetboek;en 2° bij de Regering tegen de beslissingen van het Milieucollege bedoeld
punt 1°. De Regering legt de beroepsprocedure bedoeld
de punten 1° en 2° vast. Onderafdeling 5. -
tergewestelijke en
ternationale samenwerking Art. 30.§ 1. Wanneer milieuschade gevolgen heeft of kan hebben voor meerdere Lidstaten of meerdere Gewesten, waaronder het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, werkt de bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid samen met de andere Lidstaten van de Europese Unie of Gewesten, met name door een passende
formatie-uitwisseling, om ervoor te zorgen dat een preventieve maatregel en, al naargelang het geval, een herstelmaatregel met betrekking tot de milieuschade wordt getroffen. § 2. Wanneer dergelijke milieuschade is ontstaan
het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, verstrekt de bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid voldoende
formatie aan de Lidstaten of gewesten die mogelijk zijn getroffen. § 3. Wanneer de bevoegde
stantie
zake milieuschade schade vaststelt die is veroorzaakt buiten het grondgebied waarvoor ze bevoegd is, meldt ze dit aan de Europese Commissie en alle andere betrokken gewesten of Lidstaten; ze kan aanbevelingen doen betreffende preventie- of herstelmaatregelen die moeten worden getroffen en kan overeenkomstig dit Wetboek de kosten die ze heeft gemaakt voor preventie- of herstelmaatregelen terugvorderen. § 4. Deze samenwerking doet geen afbreuk aan de bestaande samenwerkingsvormen. ». Art. 34.
dezelfde ordonnantie wordt, na het nieuwe hoofdstuk 3, een titel III
gevoegd, luidend als volgt : « Titel III. - Misdrijven en strafsancties ». Art. 35.Na de nieuwe titel III van dezelfde ordonnantie, wordt een nieuw hoofdstuk 1
gevoegd, luidend als volgt : « Hoofdstuk
- - Misdrijven Art. 31.§
- Wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met een geldboete van 50 tot 100.000 euro, of met slechts één van die straffen alleen : 1° diegene die zich, minstens wegens nalatigheid, zich onttrekt aan of die op welkdanige manier de uitvoering verhindert van de
spectieopdracht waarmee de met het toezicht belaste personeelsleden gemachtigd zijn krachtens artikelen 5 tot en met 7 en artikelen 9 tot en met 19 van dit Wetboek;2° diegene die, minstens wegens nalatigheid : a) de
formatieverplichtingen zoals voorzien
artikel 20, tweede lid, of artikel 25, § 1, niet nakomt;b) verzuimt de
formatie die hem gevraagd wordt krachtens artikel 21, § 1, artikel 24, eerste lid, 1°, of artikel 25, § 3, 1°, mee te delen;c) zijn verplichtingen niet nakomt om preventieve of herstelmaatregelen te treffen zoals voorzien
respectievelijk artikel 20, eerste lid, en artikel 25, § 1;d) de verplichting tot het voorafgaandelijk voorleggen van de mogelijke herstelmaatregelen voorzien
artikel 25, § 1, 2°, niet eerbiedigt;e) de maatregelen die hem zijn opgelegd krachtens artikel 21, § 1, eerste lid, artikel 24, eerste lid, 2°, of artikel 25, § 3, 2° en 3°, niet of niet volgens de
structies uitvoert;f) geen adequate financiële waarborg stelt overeenkomstig artikel 28, § 1;3° diegene die, minstens wegens nalatigheid, een bepaling van een verordening van de Europese Unie zoals voorzien
artikel 2 overtreedt, voor zover het niet reeds door een andere ordonnantie strafbaar wordt gesteld, of, tenminste wegens nalatigheid, behoudens een andersluidende bepaling, feiten pleegt, die door of krachtens een wet of ordonnantie voorzien
artikel 2 en niet zoals voorzien
de paragrafen 3 en 4 van huidig artikel, strafbaar worden gesteld. § 2. De nalatigheid bepaald
paragraaf 1 staat vast door het plegen zelf van de strafbare feiten, ongeacht of het gaat om een handeling of een verzuim, behoudens tegenbewijs. § 3. Wordt gestraft met een gevangenisstraf van één maand tot twee jaar en met een geldboete van 10.000 tot 500.000 euro, of met slechts één van die straffen alleen, diegene die : a) één van de misdrijven pleegt zoals voorzien
artikel 3 van de ordonnantie van 9 december 2010 betreffende de toepasselijke sancties
het geval van niet-naleving van de Verordening (EG) nr.1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006
zake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH); of b) één van de misdrijven pleegt zoals voorzien
artikel 75 van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems. § 4. Voor de toepassing van dit artikel, geniet de mogelijkheid voorzien
artikel 37ter van het Strafwetboek om een werkstraf op te leggen
plaats van een gevangenisstraf of een geldboete, de voorkeur. De uitgesproken straf is doeltreffend, evenredig en afschrikkend. ». Art. 36.Na het nieuwe hoofdstuk 1 van dezelfde ordonnantie, wordt een nieuw hoofdstuk
gevoegd, luidend als volgt : « Hoofdstuk 2. - Verzwarende omstandigheden Art. 32.Wordt gestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot drie jaar en met een geldboete van 250 tot 300.000 euro, of met slechts één van die straffen alleen, diegene die een misdrijf pleegt zoals voorzien
artikel 31, § 1, waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond of water of aan dieren of planten of aanzienlijke schade aan een habitat binnen een Natura 2000-gebied wordt veroorzaakt. Huidig artikel doet geen afbreuk aan de verzwarende omstandigheden zoals voorzien
bijzondere wetgevingen. ». Art. 37.
dezelfde ordonnantie worden de woorden « Hoofdstuk III. - Recidive » door de woorden « Hoofdstuk 3. - Recidive » vervangen. Art. 38.
artikel 23 van dezelfde ordonnantie, gewijzigd bij de ordonnantie van 9 december 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 23 wordt hernummerd tot artikel 33;2° de woorden « tegen de wetten, ordonnanties en de verordeningen van de Europese unie bedoeld
artikel 2 » worden vervangen door de woorden « bedoeld
artikel 31 »;3° de woorden « of met een geldboete die het dubbel bedraagt van de maximale boete of gevangenisstraf vastgesteld voor het laatst gepleegde misdrijf », worden vervangen door de woorden « en met een geldboete die het dubbel bedraagt van de maximale boete of gevangenisstraf vastgesteld voor het laatst gepleegde misdrijf, of met slechts één van die straffen alleen »;4° de woorden « tegen dezelfde wetten, ordonnanties of verordeningen van de Europese Unie of tegen andere wetten, ordonnanties of verordeningen van de Europese Unie bedoeld
artikel 2, kan » worden vervangen door de woorden « bedoeld
artikel 31 »;5° het cijfer « 25 » wordt vervangen door het cijfer « 200 ». Art. 39.
dezelfde ordonnantie worden de woorden « Hoofdstuk IV. - Door de rechter opgelegde maatregelen » vervangen door de woorden « Titel IV. - Door de rechter opgelegde maatregelen ». Art. 40.
artikel 24 van dezelfde ordonnantie, gewijzigd bij de ordonnantie van 9 december 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 24 wordt hernummerd tot artikel 34;2° de woorden «
de wetten, ordonnanties en verordeningen van de Europese Unie bedoeld
artikel 2, » worden vervangen door de woorden «
de artikelen 31 tot en met 33 » en het woord « hoofdstuk » wordt vervangen door het woord « titel ». Art. 41.
dezelfde ordonnantie wordt artikel 25 hernummerd tot artikel 35. Art. 42.
dezelfde ordonnantie worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 26 wordt hernummerd tot artikel 36;2°
de Franse tekst wordt het woord « IBGE » vervangen door het woord «
stitut »;3° het woord « , het GAN » wordt
gevoegd tussen het woord « het
stituut » en de woorden « of het Gewest ». Art. 43.
artikel 27 van dezelfde ordonnantie worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 27 wordt hernummerd tot artikel 37;2°
het tweede lid worden de woorden « en over het recht beschikken om de materialen en voorwerpen die afkomstig zijn uit de
staatstelling van de plaatsen te verkopen, te vervoeren, te bewaren of om ze te vernietigen op een plaats die hij kiest.»
gevoegd na het woord « uitvoeren »; 3°
het derde lid worden de woorden « , mits vermindering van de verkoopprijs van de materialen en voorwerpen afkomstig uit de
staatstelling van de plaats.» na de woorden « uitvoerbaar verklaard is »
gevoegd. Art. 44.
artikel 28 van dezelfde ordonnantie, gewijzigd bij de ordonnantie van 9 december 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 28 wordt hernummerd tot artikel 38;2°
het eerste lid worden de woorden « overtreding van de wetten, ordonnanties en Verordeningen van de Europese Unie bedoeld
artikel 2, » vervangen door de woorden « misdrijf bedoeld
artikel 31 » en wordt
de Franse taalversie het woord « pour »
gevoegd tussen de woorden « à titre temporaire » en « une durée maximum ». Art. 45.
dezelfde ordonnantie wordt artikel 29 hernummerd tot artikel 39. Art. 46.
dezelfde ordonnantie wordt artikel 30 hernummerd tot artikel 40. Art. 47.
artikel 31 van dezelfde ordonnantie, gewijzigd bij de ordonnantie van 9 december 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 31 wordt hernummerd tot artikel 41;2°
de
leidende zin worden de woorden « De rechter kan iedere persoon die ertoe gemachtigd is om de dader bevelen of
structies te geven » vervangen door de woorden « Onverminderd de toepassing van artikel 5 en de artikelen 66 tot en met 69 van het Strafwetboek, kan de rechter iedere persoon die ertoe gemachtigd is om de dader van het misdrijf bevelen of
structies te geven » en de woorden « bepaald zijn voor degene die een misdrijf pleegt tegen de wetten, ordonnanties en verordeningen van de Europese Unie bedoeld
artikel 2 » worden vervangen door de woorden « door de artikelen 31 tot en met 33 voor dit misdrijf zijn voorzien »;3°
de Franse versie,
de punten 1°, 2° en 3°, worden de woorden « aurait » vervangen door de woorden « a »;4°
punt 2°, worden de woorden « wetten, ordonnanties en voorschriften van de Europese Unie bedoeld
artikel 2 » vervangen door de woorden « bepalingen van de verordeningen van de Europese Unie, de wetten, de ordonnanties en hun uitvoeringbesluiten bedoeld
artikel 2, en van de bepalingen van dit Wetboek ». Art. 48.
dezelfde ordonnantie worden de woorden « Hoofdstuk V. - Administratieve geldboetes » vervangen door de woorden « Titel V. - Alternatieve administratieve geldboetes ». Art. 49.
dezelfde ordonnantie worden de artikelen 32 tot en met 33, laatst gewijzigd bij de ordonnantie van 20 juni 2013, opgeheven. Art. 50.
artikel 34 van dezelfde ordonnantie, gewijzigd bij de ordonnantie van 28 juni 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 34 wordt hernummerd tot artikel 47;2° het woord « alternatieve » wordt
gevoegd voor de woorden « administratieve geldboetes ». Art. 51.
artikel 35 van dezelfde ordonnantie worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 35 wordt hernummerd tot artikel 42;2°
het eerste lid worden de woorden « opgesomd
de artikelen 32 en 33 » vervangen door de woorden « bedoeld
artikel 31 » en het woord « alternatieve » wordt
gevoegd voor de woorden « administratieve geldboete »;3° Het tweede en derde lid worden opgeheven. Art. 52.
artikel 36 van dezelfde ordonnantie worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 36 wordt hernummerd tot artikel 43;2° de worden «
artikel 32 of 33 bedoeld misdrijf » worden vervangen door de woorden «
artikel 31 bedoeld misdrijf »;3° het woord « dagen » wordt vervangen door het woord « werkdagen ». Art. 53.
artikel 37 van dezelfde ordonnantie worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 37 wordt hernummerd tot artikel 44;2°
het eerste lid, worden de woorden «
de artikelen 32 of 33 » worden vervangen door de woorden «
artikel 31 »;3°
het tweede lid wordt het woord « alternatieve »
gevoegd voor de woorden « administratieve geldboete »;4°
het derde lid, wordt het woord « alternatieve »
gevoegd voor de woorden « administratieve geldboete ». Art. 54.
artikel 38 van dezelfde ordonnantie, gewijzigd bij de ordonnantie van 28 juni 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 38 wordt hernummerd tot artikel 45;2°
het eerste lid wordt het woord « alternatieve »
gevoegd tussen de woorden « met een » en de woorden « de administratieve geldboete » en tussen de woorden « of voor het misdrijf een » en de woorden « administratieve geldboete »;3°
het tweede lid wordt het woord « alternatieve »
gevoegd voor de woorden « administratieve geldboete »; 4° een nieuw derde lid wordt
gevoegd, luidend als volgt : « De alternatieve administratieve geldboete bedraagt tussen 50 en 62.500 euro. »; 5° een nieuw vierde lid wordt
gevoegd, luidend als volgt : « Dit bedrag kan verminderd worden tot onder het wettelijke minimumbedrag
geval van verzachtende omstandigheden.»; 6° een nieuw vijfde lid wordt
gevoegd, luidend als volgt : « Het bedrag van de alternatieve administratieve geldboete wordt gestort aan het Fonds voor de bescherming van het leefmilieu zoals bedoeld bij artikel 2, 9° van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen.»; 7°
het voormalige derde lid, dat het zesde lid wordt, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a)
de
leidende zin wordt het woord « alternatieve »
gevoegd tussen de woorden « de beslissing om geen » en « administratieve geldboete » en tussen de woorden « de beslissing om geen » en « administratieve geldboete »;b)
punt 1°, wordt het woord « alternatieve »
gevoegd tussen de woorden « met een » en « de administratieve geldboete ». Art. 55.
dezelfde ordonnantie, wordt een nieuw artikel 46
gevoegd, luidend als volgt : « Art. 46.De overheid die de alternatieve administratieve geldboete oplegt beslist,
voorkomend geval, om deze gepaard te laten gaan met een bevel tot stopzetting van het misdrijf binnen een bepaalde termijn op straffe van een dwangsom waarvan de totale som niet meer mag bedragen dan 62.500 euro, eveneens te betalen aan het Fonds voor de bescherming van het leefmilieu. De dwangsom wordt door de
het eerste lid bedoelde overheid bepaald en bevolen. ». Art. 56.
artikel 39 van dezelfde ordonnantie worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 39 wordt hernummerd tot artikel 50;2° het woord « alternatieve » wordt
gevoegd vóór de woorden « administratieve geldboete ». Art. 57.
artikel 39bis van dezelfde ordonnantie,
gevoegd bij de ordonnantie van 28 juni 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 39bis wordt hernummerd tot artikel 49;2°
het eerste lid wordt het woord « alternatieve » tussen de woorden « betaling van een » en de woorden « administratieve geldboete »;3°
het tweede lid, worden de woorden « het personeelslid dat de maatregel heeft genomen » vervangen door « de leidend ambtenaar van het
stituut of van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie die de alternatieve administratieve geldboete heeft opgelegd.Deze laatste kan zich laten vertegenwoordigen door een personeelslid van, naargelang het geval, het
stituut of het GAN »; 4° een nieuw derde lid wordt
gevoegd, luidend als volgt : « Het Milieucollege bevestigt of wijzigt de beslissing genomen
eerste aanleg.Het beschikt eveneens over de bevoegdheden voorzien
artikelen 45, vierde lid, en 46. »; 5° aan het slot van het derde lid, dat het vierde lid geworden is, wordt de volgende zin toegevoegd : « Hij wordt overigens verlengd met vijfenveertig dagen wanneer het beroep
gediend is
de periode van 15 juni tot 15 augustus.». Art. 58.
artikel 40 van dezelfde ordonnantie, vervangen bij de ordonnantie van 21 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 40 wordt hernummerd tot artikel 51;2° de woorden « alternatieve administratieve » worden
gevoegd voor het woord « geldboete »;3° de woorden « of de dwangsom » worden
gevoegd tussen het woord « geldboete » en de woorden « niet tijdig »;4° een nieuw tweede lid wordt toegevoegd, luidend als volgt : « Het dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaarderexploot of bij aangetekende zending of elektronisch aangetekende zending.». Art. 59.Artikel 40bis van dezelfde ordonnantie,
gevoegd bij de ordonnantie van 24 november 2011, wordt opgeheven. Art. 60.
artikel 41 van dezelfde ordonnantie, gewijzigd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 8 november 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der
stellingen. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten0, bekrachtigd bij de ordonnantie van 20 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 41 wordt hernummerd tot artikel 48;2° de woorden «
de artikelen 32 of 33 » worden vervangen door de woorden «
artikel 31 »;3° het woord « alternatieve » wordt
gevoegd voor de woorden « administratieve geldboetes ». Art. 61.
artikel 42 van dezelfde ordonnantie worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 42 wordt hernummerd tot artikel 52;2° de woorden « worden de bedragen vastgesteld
de artikelen 32 en 33, verdubbeld.» worden vervangen door de woorden « kan het maximum bedrag voorzien
artikel 45, derde lid, worden verdubbeld ». Art. 62.
dezelfde ordonnantie wordt een nieuw artikel 53
gevoegd, luidend als volgt : « Art. 53.De alternatieve administratieve geldboete kan niet meer worden opgelegd na een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf het plegen van het misdrijf.
geval van een voortdurend misdrijf, is de eerste datum van de termijn bedoeld
het eerste lid de dag waarop het misdrijf heeft opgehouden. Wanneer verscheidene misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uiting zijn van hetzelfde misdadig opzet, zal de eerste dag van deze termijn, ten opzichte van het geheel van de constitutieve feiten van het misdrijf, de dag van het plegen van het laatste misdrijf zijn op voorwaarde dat deze feiten niet worden gescheiden door een periode langer dan vijf jaar, rekening houdend met de oorzaken van stuiting. De termijn bedoeld
het eerste lid wordt gestuit iedere keer dat er een onderzoeksdaad of een daad van administratieve vervolging met betrekking tot het misdrijf wordt gesteld voor zover deze daad gesteld wordt vooraleer de
itiële termijn van vijf jaar bedoeld
het eerste tot het derde lid verstreken is. De stuiting van de verjaringstermijn doet een nieuwe termijn van vijf jaar
gaan, te rekenen vanaf de daad die er aan de oorsprong van ligt. Zij geldt voor alle daders van en medeplichtigen aan het misdrijf, zelfs diegenen die niet door de daad van stuiting worden geviseerd. Zodra een beslissing door de
laatste aanleg bevoegde
stantie is genomen om een alternatieve administratieve geldboete op te leggen binnen de termijn bedoeld
het eerste lid, kan hierop niet meer worden teruggekomen wegens het later verstrijken van deze termijn. Art. 63.
dezelfde ordonnantie, worden, na het nieuwe artikel 53, de woorden « Hoofdstuk VI. Opheffings- en slotbepalingen » vervangen door de woorden « Titel VI. Overgangsbepalingen ». Art. 64.Artikel 43 van dezelfde ordonnantie wordt hernummerd tot artikel 59. Art. 65.
dezelfde ordonnantie wordt, na de nieuwe titel VI, een nieuw artikel 54
gevoegd, luidend als volgt : « Art. 54.§ 1. Er kan aan niemand een administratieve sanctie of dwangsom voorzien
dit Wetboek worden opgelegd
dien deze niet wettelijk voorzien was alvorens het misdrijf werd gepleegd. § 2.
dien de alternatieve administratieve geldboete van toepassing op het ogenblik waarop de administratieve overheid zich uitspreekt, verschilt van degene die toepasselijk was ten tijde van het misdrijf, zal de minst zware administratieve geldboete worden toegepast. § 3.
geval van voortdurend misdrijf, wordt het ogenblik van het misdrijf bepaald door het ogenblik waarop dit misdrijf heeft opgehouden te bestaan of,
dien het nog steeds niet heeft opgehouden te bestaan op het ogenblik van de beslissing, het ogenblik waarop de administratieve overheid zich uitspreekt. § 4. Artikel 53 is van toepassing op feiten die zich hebben voorgedaan vóór zijn
werkingtreding. ». Art. 66.
dezelfde ordonnantie, wordt een Titel VII na het nieuwe artikel 54
gevoegd, luidend als volgt : « Titel VII. - Slotbepalingen ». Art. 67.
artikel 44 van dezelfde ordonnantie worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 44 wordt hernummerd tot artikel 55;2° de woorden « van deze ordonnantie » worden vervangen door de woorden « van dit Wetboek ». Art. 68.Na het voormalige artikel 44, dat artikel 55 is geworden, van dezelfde ordonnantie, worden de volgende artikelen
gevoegd : « Art. 56.§
- Dit Wetboek is van toepassing onverminderd een strengere wetgeving betreffende de preventie en het herstel van milieuschade teweeggebracht door een van de beroepsactiviteiten die onder het toepassingsgebied van dit Wetboek vallen. §
- Dit Wetboek regelt niet het recht op schadevergoeding ten gevolge van schade veroorzaakt aan personen en goederen of een onmiddellijke dreiging van dergelijke schade, en doet geen afbreuk aan de wetgevingen die daar betrekking op hebben. Art. 57.§
- De artikelen 20 en 21, § 1, zesde lid en de artikelen 24 tot en met 30 zijn uitsluitend van toepassing op : 1° milieuschade die wordt veroorzaakt door een van de beroepsactiviteiten, opgesomd
bijlage 3, alsook op een onmiddellijke dreiging van dergelijke schade als gevolg van een van die activiteiten;of 2° schade aan beschermde soorten en natuurlijke habitats die wordt veroorzaakt door een andere dan de
bijlage 3 opgesomde beroepsactiviteiten, en op een onmiddellijke dreiging van dergelijke schade ten gevolge van een van die activiteiten, wanneer de exploitant een fout of nalatigheid kan worden verweten. § 2. De artikelen bedoeld
§ 1
zijn alleen van toepassing op milieuschade of op een onmiddellijke dreiging van dergelijke schade ten gevolge van diffuse verontreiniging
geval een oorzakelijk verband kan worden gelegd tussen de schade en de activiteiten van
dividuele exploitanten. § 3. De artikelen bedoeld
§ 1
zijn niet van toepassing op milieuschade of een onmiddellijke dreiging van dergelijke schade ten gevolge van : 1° een gewapend conflict, vijandelijkheden, burgeroorlog of oproer;2° een natuurverschijnsel dat uitzonderlijk, onontkoombaar en onafwendbaar is.Worden met name als uitzonderlijk, onontkoombaar en onafwendbaar natuurverschijnsel beschouwd, de natuurverschijnselen bedoeld
artikel 2, § 1 van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen en geïdentificeerd overeenkomstig artikel 2, § 2 van die wet; 3° een
cident waarvoor de aansprakelijkheid of schadevergoeding binnen het toepassingsgebied valt van een van de hierna opgesomde
ternationale verdragen, met
begrip van toekomstige wijzigingen van die verdragen, die
het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van kracht zijn : a) het
ternationaal Verdrag van 27 november 1992
zake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie;b) het
ternationaal Verdrag van 27 november 1992 ter oprichting van een
ternationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie. § 4. De artikelen bedoeld
§ 1
zijn niet van toepassing op nucleaire milieurisico's en milieuschade of de onmiddellijke dreiging dat dergelijke schade ontstaat als gevolg van activiteiten waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van toepassing is, of als gevolg van een
cident of activiteit waarvoor de aansprakelijkheid of schadevergoeding binnen het toepassingsgebied van een van de hierna opgesomde
ternationale verdragen valt, met
begrip van iedere toekomstige wijziging van deze verdragen : 1° het Verdrag van Parijs van 29 juli 1960
zake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie alsook het Verdrag van Brussel van 31 januari 1963 tot aanvulling van het Verdrag van Parijs;2° het Verdrag van Wenen van 21 mei 1963
zake wettelijke aansprakelijkheid voor kernschade;3° het Verdrag van 12 september 1997
zake aanvullende vergoeding voor kernschade;4° het gezamenlijk Protocol van 21 september 1988 betreffende de toepassing van het Verdrag van Wenen en het Verdrag van Parijs;5° het Verdrag van Brussel van 17 december 1971
zake de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van het zeevervoer van nucleaire stoffen. § 5. De artikelen bedoeld
§ 1
zijn niet van toepassing op activiteiten die hoofdzakelijk
het belang van de landsverdediging of de
ternationale veiligheid worden uitgeoefend, en evenmin op activiteiten die uitsluitend ten doel hebben bescherming tegen natuurrampen te bieden. § 6. De artikelen bedoeld
§ 1
zijn niet van toepassing op : 1° schade, veroorzaakt door een emissie die, een gebeurtenis die of een
cident dat zich vóór 30 april 2007 heeft voorgedaan;2° schade, veroorzaakt door een emissie die, een gebeurtenis die of een
cident dat zich na 30 april 2007 heeft voorgedaan wanneer ze het gevolg is van een specifieke activiteit die vóór voormelde datum werd beoefend en volbracht;3° schade wanneer sinds de emissie, de gebeurtenis of het
cident waarvan ze het gevolg is, meer dan dertig jaar is verstreken. Art. 58.De dag van de akte die het uitgangspunt is van de termijn wordt er niet
begrepen. De vervaldag wordt
de termijn gerekend. Als de termijn niet
werkdagen wordt gerekend en de vervaldag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, dan wordt de vervaldag echter verplaatst naar de eerstvolgende werkdag. ». Art. 69.Na het nieuwe artikel 59 wordt een nieuw opschrift
gevoegd, luidend als volgt : « Bijlagen ». Art. 70.
dezelfde ordonnantie wordt een eerste bijlage
gevoegd, die luidt als volgt : « Artikel N
- Bijlage
- Evaluatiecriteria bedoeld
artikel 4, 1° § 1. De omvang van een schade die negatieve effecten heeft op het bereiken of handhaven van de gunstige staat van
standhouding van de natuurlijke habitats of soorten dient geëvalueerd te worden ten opzichte van de staat van
standhouding op het ogenblik dat de schade werd veroorzaakt, ten opzichte van de functies als gevolg van hun belevingswaarde en ten opzichte van hun capaciteit van natuurlijke regeneratie. Aanmerkelijke schade aan de referentietoestand moet aan de hand van meetbare gegevens worden gedefinieerd zoals : 1° het aantal exemplaren, de populatiedichtheid of de
genomen oppervlakte;2° de rol van de exemplaren
kwestie of de zone die getroffen is ten opzichte van de
standhouding van de soort of habitat, de schaarsheid van de soort of habitat (gemeten op plaatselijk, gewestelijk en hoger niveau, ook op gemeenschapsniveau);3° het voortplantingsvermogen van de soort (volgens de dynamiek die eigen is aan deze soort of populatie), de levensvatbaarheid of het vermogen tot natuurlijke regeneratie van de habitat (volgens de dynamiek die eigen is aan de soorten of hun populaties);4° het vermogen van de soort of habitat om zich
een beperkte tijdspanne te herstellen na het optreden van de schade, zonder andere tussenkomst dan versterkte beschermingsmaatregelen,
een staat die, vanwege de loutere dynamiek van de soort of habitat, leidt naar een staat die gelijkwaardig of beter is dan de referentietoestand.Wordt noodzakelijkerwijs als aanmerkelijke schade bestempeld, de schade die een bewezen effect op de volksgezondheid heeft. Kunnen niet als aanmerkelijke schade worden bestempeld : 1° de negatieve schommelingen die kleiner zijn dan de normale gemiddelde schommelingen voor een bepaalde soort of habitat;2° de negatieve schommelingen die te wijten zijn aan natuurlijke oorzaken of die het resultaat zijn van tussenkomsten
verband met het normale beheer van de sites zoals gedefinieerd
de beheersplannen of eerder uitgeoefend door de eigenaars of exploitants;3° de schade aan soorten of habitats waarvan bekend is dat zij zich binnen een korte periode en zonder
grijpen zullen herstellen ofwel tot de referentietoestand ofwel tot een toestand die uitsluitend op basis van de dynamiek van de soort of habitat leidt tot een toestand die gelijkwaardig of beter wordt geacht dan de referentietoestand. § 2. De omvang van de effecten van schade toegebracht aan wateren wordt geëvalueerd aan de hand van parameters, van waarden van beoordelingsfactoren voor de kwaliteit van de ecologische en chemische staat of voor de kwantiteit of het ecologisch potentieel en aan de hand van milieukwaliteitsnormen van het water
kwestie, welke gedefinieerd worden door of krachtens artikel 5 van de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot vaststelling van een kader voor het waterbeleid en de bijlagen III en V van deze ordonnantie en, voor wat het grondwater betreft, door of krachtens artikel 3 van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems. § 3. De omvang van een schade toegebracht aan bodems wordt geëvalueerd overeenkomstig de regels voorgeschreven door de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems en haar uitvoeringsbesluiten. ». Art. 71.
dezelfde ordonnantie wordt een tweede bijlage
gevoegd, die luidt als volgt : « Artikel N
- Bijlage
- Herstel van milieuschade § 1/
- Het herstel van milieuschade
verband met beschermde soorten of natuurlijke habitats gebeurt via het terugbrengen
de referentietoestand van het leefmilieu door een primair, aanvullend en compenserend herstel, waarbij : 1° « primair » herstel verwijst naar elke herstelmaatregel waarmee de beschadigde natuurlijke hulpbronnen of vernielde ecoysteemfuncties
de referentietoestand of benaderende staat worden teruggebracht;2° « aanvullend » herstel verwijst naar elke herstelmaatregel die aan de natuurlijke rijkdommen of ecosystemen wordt aangebracht om het feit te compenseren dat het primair herstel er niet
geslaagd is de natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties volledig te herstellen;3° « compenserend » herstel verwijst naar elke ondernomen handeling om de tussentijdse verliezen van natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties te compenseren, die optreden tussen de datum van het ontstaan van de schade en het ogenblik waarop het primair herstel zijn volledige uitwerking heeft bereikt;4° « tussentijdse verliezen » verwijst naar verliezen voortkomend uit het feit dat de beschadigde natuurlijke rijkdommen of functies hun ecologische functies niet kunnen vervullen of geen ecosysteemfuncties kunnen vervullen voor andere natuurlijke rijkdommen of voor het publiek tot op het ogenblik waarop de primaire of aanvullende maatregelen hun uitwerking hebben bereikt.Deze kunnen geen aanleiding geven tot een financiële compensatie voor het publiek. Wanneer een primair herstel het milieu niet
zijn referentietoestand herstelt, wordt er een aanvullend herstel uitgevoerd. Om de geleden tussentijdse verliezen te compenseren, wordt er bovendien een compenserend herstel uitgevoerd. Het herstel van milieuschade, wanneer het om schade toegebracht aan wateren of beschermde soorten en natuurlijke habitats gaat, houdt ook de verwijdering
van elk risico van ernstig negatief effect op de volksgezondheid. § 1/2. De doelstellingen van het herstel zijn de volgende : 1° het doel van het primair herstel is om de beschadigde natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties weer
de referentietoestand te brengen of
een benaderende staat te brengen;2° wanneer de terugkeer naar de referentietoestand van de beschadigde natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties niet lukt, wordt het aanvullend herstel ondernomen.Het doel van het aanvullend herstel is om een niveau van natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties te bereiken dat vergelijkbaar is met het niveau dat bereikt zou zijn
dien de referentietoestand van de beschadigde site hersteld zou zijn geweest, eventueel ook op een andere site. Waar dit mogelijk en aangewezen is, zou die andere site geografisch verbonden moeten zijn met de beschadigde site, gelet op de belangen van de getroffen populatie; 3° het compenserend herstel wordt ondernomen om de voorlopige verliezen aan natuurlijke rijkdommen en ecosysteemfuncties te compenseren
afwachting van de regeneratie.Deze compensatie bestaat
het aanbrengen van bijkomende verbeteringen aan de natuurlijke habitats en beschermde soorten of wateren ofwel op de beschadigde site, ofwel op een andere site. Dit herstel kan niet de vorm aannemen van een aan het publiek toegekende financiële compensatie. § 1/3. De herstelmaatregelen kunnen op de volgende wijze vastgesteld worden : 1° er kunnen opties worden overwogen waaronder acties om de natuurlijke rijkdommen en ecosysteemfuncties op directe en versnelde wijze, of door een natuurlijke regeneratie, dichter bij hun referentietoestand te brengen;2° bij de bepaling van de omvang van de maatregelen voor aanvullend of compenserend herstel, dienen de benaderingen die
de zin gaan van een gelijkwaardigheid rijkdom-rijkdom of functie-functie prioritair te worden gebruikt.
deze benaderingen dienen de acties die leiden tot natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties van dezelfde soort, kwaliteit en kwantiteit als die welke zijn aangetast bij voorrang te worden aangewend. Wanneer dit onmogelijk is, worden er andere natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties voorzien. Een verminderde kwaliteit zou bijvoorbeeld door meer herstelmaatregelen gecompenseerd kunnen worden; 3° wanneer het onmogelijk is benaderingen « van eerste keus » te gebruiken die
de zin gaan van een gelijkwaardigheid rijkdom-rijkdom of functie-functie, dan worden er andere evaluatietechnieken aangewend.De bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid kan de methode voorschrijven, bijvoorbeeld die van de geldelijke waardebepaling, om de omvang van de noodzakelijke aanvullende en compenserende herstelmaatregelen te bepalen. Wanneer het mogelijk is om de verliezen aan rijkdommen of functies te schatten, maar onmogelijk om binnen een redelijke termijn of voor een redelijke kostprijs de vervangende natuurlijke rijkdommen of functies te ramen, dan kan de bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid kiezen voor herstelmaatregelen waarvan de kostprijs overeenstemt met de geschatte geldelijke waarde van de verloren natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties. De aanvullende en compenserende herstelmaatregelen zouden zodanig opgevat moeten zijn dat de bijkomende natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties beantwoorden aan de tijdvoorkeuren en het tijdschema van de herstelmaatregelen. Bijvoorbeeld : hoe langer de terugkeer naar de referentietoestand duurt, des te omvangrijker de compenserende herstelmaatregelen zullen zijn (omnia manentia aequa). § 1/4. Redelijke herstelopties zouden op basis van onderstaande criteria beoordeeld moeten worden met behulp van de best beschikbare technologieën, als die gedefinieerd zijn : - de uitwerking van elke optie op de volksgezondheid en -veiligheid; - de kosten van de tenuitvoerlegging van de optie; - de slaagkansen van elke optie; - de mate waarin elke optie een latere schade zal kunnen beletten en de mate waarin de tenuitvoerlegging van deze optie zijdelingse schade zal kunnen vermijden; - de mate waarin elke optie een gunstige uitwerking heeft voor elke component van de natuurlijke rijkdom of ecosysteemfunctie; - de mate waarin bij elke optie rekening wordt gehouden met de relevante sociale, economische en culturele aspecten alsook met andere relevante plaatsgebonden factoren; - de nodige termijn voor het werkelijk herstel van de milieuschade; - de mate waarin elke optie het herstel van de site van de milieuschade mogelijk maakt; - de geografische band met de beschadigde site. Bij de evaluatie van de verschillende vastgestelde herstelopties, kan voor primaire herstelmaatregelen gekozen worden die de aangetaste wateren, beschermde soorten of natuurlijke habitats niet volledig herstellen of die deze minder snel herstellen. Deze beslissing kan alleen worden genomen
dien de verloren natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties op de primaire site
gevolge de beslissing gecompenseerd worden door een versterking van de aanvullende of compenserende handelingen die voor een niveau van natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties zorgen dat gelijkwaardig is aan het niveau van de verloren rijkdommen en ecosysteemfuncties. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer elders voor een mindere kostprijs gelijkwaardige natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties geleverd kunnen worden. Deze aanvullende herstelmaatregelen dienen gedefinieerd te worden overeenkomstig de
§ 1/3, 2° voorziene regels.
Niettegenstaande de
het tweede lid gedefinieerde regels en overeenkomstig artikel 25, § 2, tweede lid, is de bevoegde
stantie
zake milieuaansprakelijkheid gerechtigd om te beslissen dat er geen enkele aanvullende herstelmaatregel genomen dient te worden
dien : 1° de reeds genomen herstelmaatregelen ervoor zorgen dat er geen enkel ernstig risico van negatief effect op de volksgezondheid, de wateren of de beschermde soorten en natuurlijke habitats meer bestaat;en
dien 2° de kostprijs van de te nemen herstelmaatregelen voor het terugbrengen
de referentietoestand of een gelijkwaardig niveau buitensporig zou zijn ten opzichte van de verwachte milieuvoordelen. § 2. Onder voorbehoud van de bepalingen van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems, waarin het herstel van schade aan grondwater vanwege de rechtstreekse of onrechtstreekse
voering aan de oppervlakte of
de bodem van stoffen, bereidingen, organismen of micro-organismen wordt geregeld, gebeurt het herstel van milieuschade
verband met water overeenkomstig het herstel van milieuschade verbonden aan beschermde soorten of natuurlijke habitats, zoals uiteengezet
de paragrafen 1/1 tot 1/
- §
- De doelstellingen van het herstel, de vaststelling van de herstelmaatregelen en de keuze van de herstelopties
zake bodemschade worden geregeld overeenkomstig de bepalingen van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems. Ook dient er een optie van natuurlijke regeneratie te worden overwogen. ». Art. 72.
dezelfde ordonnantie wordt een derde bijlage
gevoegd, die luidt als volgt : « Artikel N
- Bijlage
- Activiteiten bedoeld
artikel 57, § 1 De activiteiten bedoeld
artikel 57, § 1 zijn de volgende : 1° de uitbating van : a)
richtingen die aan een vergunning onderworpen zijn en die opgesomd worden
bijlage I van Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996
zake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, met uitzondering van de
richtingen of delen van
richtingen die bestemd zijn voor het onderzoek, de ontwikkeling en het testen van nieuwe producten en processen;of b) risicoactiviteiten bedoeld
artikel 3, 3° van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems;2° de handelingen voor het beheer van afval, meer bepaald het ophalen, het vervoeren, het valoriseren en het verwijderen van afval en van gevaarlijke afval, met
begrip van het toezicht op deze handelingen en de latere behandeling van verwijderingsplaatsen, onderworpen aan een vergunning of aan een
schrijving door en krachtens de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen en haar uitvoeringsbesluiten (opgesomd
de bijlagen van de ordonnantie van 22 april 1999 tot vaststelling van de lijst van
richtingen van klasse IA (rubrieken 213 tot en met 220) en het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 04/03/1999 pub. 09/07/1999 numac 1999031134 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 december 1988 tot vaststelling van de sectoriële voorwaarden voor de lozing,
de gewone oppervlaktewateren en
de openbare riolen, van afvalwater afkomstig van de sector van asbest type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 04/03/1999 pub. 07/08/1999 numac 1999031224 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vaststelling van de
gedeelde
richtingen van klasse IB, II en III met toepassing van artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 04/03/1999 pub. 24/06/1999 numac 1999031133 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vaststelling van de exploitatievoorwaarden voor het gebruik van hexachloorethaan sluiten tot vaststelling van de lijst van
richtingen van klasse IB, II en III (rubrieken 44 tot en met 51 en 81). Deze activiteiten omvatten meer bepaald de uitbating van stortplaatsen
de zin van artikel 2, 7° van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 18 april 2002 betreffende het storten van afval of de uitbating van verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties
de zin van artikel 3, 4° en 5° van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 november 2002 betreffende de verbranding en de meeverbranding van afval; 3° elke lozing
landoppervlaktewateren onderworpen aan een voorafgaande toestemming, meer bepaald de lozingen van afvalwater onderworpen aan een voorafgaande toestemming krachtens de wet van 26 maart 1971 betreffende de bescherming van oppervlaktewater tegen verontreiniging of de lozingen van deze aard die onderworpen zijn aan een milieuvergunning overeenkomstig de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;4° elke lozing van stoffen
grondwater die onderworpen is aan een voorafgaande toelating krachtens de wet van 26 maart 1971 betreffende de bescherming van grondwater of die onderworpen is aan een milieuvergunning overeenkomstig de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;5° de lozing of de
voering van verontreinigende stoffen
oppervlaktewater of grondwater die onderworpen is aan een vergunning, een toelating, een
schrijving of een aangifte door of krachtens artikel 44 van de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot vaststelling van een kader voor het waterbeleid;6° het winnen en het
dijken van water dat aan een voorafgaande toestemming onderworpen is door of krachtens artikel 44 van de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot vaststelling van een kader voor het waterbeleid, door of krachtens de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen en opgesomd
de bijlagen van de ordonnantie van 22 april 1999 tot vaststelling van de lijst van
richtingen van klasse IA (rubriek 222) en het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 04/03/1999 pub. 09/07/1999 numac 1999031134 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 december 1988 tot vaststelling van de sectoriële voorwaarden voor de lozing,
de gewone oppervlaktewateren en
de openbare riolen, van afvalwater afkomstig van de sector van asbest type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 04/03/1999 pub. 07/08/1999 numac 1999031224 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vaststelling van de
gedeelde
richtingen van klasse IB, II en III met toepassing van artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 04/03/1999 pub. 24/06/1999 numac 1999031133 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vaststelling van de exploitatievoorwaarden voor het gebruik van hexachloorethaan sluiten tot vaststelling van de lijst van
richtingen van klasse IB, II en III (rubriek 62);7° de vervaardiging, het gebruik, de opslag, de behandeling, de verpakking, het lozen
het milieu en het vervoer naar de site, bedoeld door of krachtens de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen en opgesomd
de bijlagen van de ordonnantie van 22 april 1999 tot vaststelling van de lijst van
richtingen van klasse IA en het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 04/03/1999 pub. 09/07/1999 numac 1999031134 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 december 1988 tot vaststelling van de sectoriële voorwaarden voor de lozing,
de gewone oppervlaktewateren en
de openbare riolen, van afvalwater afkomstig van de sector van asbest type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 04/03/1999 pub. 07/08/1999 numac 1999031224 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vaststelling van de
gedeelde
richtingen van klasse IB, II en III met toepassing van artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 04/03/1999 pub. 24/06/1999 numac 1999031133 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vaststelling van de exploitatievoorwaarden voor het gebruik van hexachloorethaan sluiten tot vaststelling van de lijst van
richtingen van klasse IB, II en III, van : a) gevaarlijke stoffen
de zin van de wet van 21 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/1998 pub. 11/02/1999 numac 1998022861 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid type wet prom. 21/12/1998 pub. 03/09/2009 numac 2009000546 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid, van het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot regeling van de
deling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten met het oog op het
de handel brengen of het gebruik ervan en van artikel 1, § 4 van het koninklijk besluit van 24 mei 1982 houdende reglementering van het
de handel brengen van stoffen die gevaarlijk kunnen zijn voor de mens of voor zijn leefmilieu;b) gevaarlijke preparaten
de zin van de wet van 21 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/1998 pub. 11/02/1999 numac 1998022861 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid type wet prom. 21/12/1998 pub. 03/09/2009 numac 2009000546 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid en van artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot regeling van de
deling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten met het oog op het
de handel brengen of het gebruik ervan;c) gewasbeschermingsmiddelen zoals gedefinieerd
artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik;d) biociden zoals gedefinieerd
artikel 1, 1°, van het