Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot goedkeuring van de gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001
Kort samengevat
Dit besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering keurt een gedeeltelijke wijziging goed van het gewestelijk bestemmingsplan van 3 mei 2001, specifiek gericht op de hoogperformante Noord-Zuidverbinding voor openbaar vervoer. Het regelt de ruimtelijke ordening voor dit belangrijke openbaarvervoerproject.
Wat het regelt
- De gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan (GBP) van 3 mei 2001.
- De ruimtelijke planning voor de hoogperformante Noord-Zuidverbinding van het openbaar vervoer.
- De procedure voor de wijziging van het GBP, inclusief openbaar onderzoek en adviezen.
- De integratie van milieueffectenrapportage (MER) in de besluitvorming.
Wie het aanbelangt
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering en diverse adviesorganen en gemeenten.
- Inwoners en belanghebbenden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met name die beïnvloed worden door de Noord-Zuidverbinding.
Kernpunten
- Het besluit is een goedkeuring van een gedeeltelijke wijziging van een bestaand gewestelijk bestemmingsplan.
- De wijziging heeft betrekking op de hoogperformante Noord-Zuidverbinding van het openbaar vervoer.
- Er is een openbaar onderzoek gehouden van 1 september tot 30 oktober 2017, waarbij bezwaren en opmerkingen zijn verzameld.
- Diverse gemeenten en besturen, zoals Anderlecht, Evere, Sint-Gillis, Ukkel, de Stad Brussel, Schaarbeek en Sint-Jan-Molenbeek, hebben advies uitgebracht.
Wettekst
Wettekst
29 MAART
- - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot goedkeuring van de gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 werd goedgekeurd betreffende de hoogperformante Noord-Zuidverbinding van het openbaar vervoer De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, Gelet op artikel 39 van de Grondwet; Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen, inzonderheid op artikel 6, § 1, I, 1; Gelet op de bijzondere wet van 12 januari 1989 betreffende de Brusselse instellingen; Gelet op het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening van 9 april 2004 (hierna het "BWRO" genoemd), inzonderheid op artikel 27 en zijn bijlage C; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 12 september 2002 tot goedkeuring van het Gewestelijk Ontwikkelingsplan (hierna het "GewOP" genoemd); Gelet op het ontwerp van Gewestelijk Plan voor Duurzame Ontwikkeling (GPDO), goedgekeurd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op 18 oktober 2016; Gelet op het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 mei 2001Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 03/05/2001 pub. 16/06/2001 numac 2001031193 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende sommige bepalingen betreffende het personeel van Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid sluiten tot goedkeuring van het Gewestelijk Bestemmingsplan (hierna het "GBP" genoemd). Gelet op het plan IRIS 2, goedgekeurd door de Regering op 9 september 2010; Gelet op de ordonnantie van 26 juli 2013 tot vaststelling van een kader inzake mobiliteitsplanning en tot wijziging van sommige bepalingen die een impact hebben op het vlak van mobiliteit, inzonderheid op artikel 40; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 9 september 2010Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 09/09/2010 pub. 18/10/2010 numac 2010031467 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot aanduiding van de adviesorganen die verzocht worden hun advies uit te brengen over het ontwerp van gewestelijk bestemmingsplan en over het milieu-effectenrapport type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 09/09/2010 pub. 18/10/2010 numac 2010031466 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot aanduiding van de adviesorganen die verzocht worden hun advies uit te brengen over het ontwerp van gewestelijke stedenbouwkundige verordening type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 09/09/2010 pub. 18/10/2010 numac 2010031468 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot aanduiding van de adviesorganen die verzocht worden hun advies uit te brengen over het ontwerp van gemeentelijk ontwikkelingsplan en over het milieu-effectenrapport type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 09/09/2010 pub. 18/10/2010 numac 2010031469 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot aanduiding van de adviesorganen die verzocht worden hun advies uit te brengen over het ontwerp van gewestelijk ontwikkelingsplan en over het milieu-effectenrapport sluiten tot aanduiding van de adviesorganen die verzocht worden hun advies uit te brengen over het ontwerp van bestemmingsplan en over het milieueffectenrapport; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 16 december 2010Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 16/12/2010 pub. 10/01/2011 numac 2010031603 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de toepassing van artikelen 35, § 3 en 48, § 5, van het Brussels Wetboek van de Ruimtelijk Ordening type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 16/12/2010 pub. 10/01/2011 numac 2010031604 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de toepassing van artikelen 18, § 6 en 25, § 6, van het Brussels Wetboek van de Ruimtelijk Ordening sluiten betreffende de toepassing van artikelen 18, § 6 en 25, § 6 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 20 juli 2016Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 20/07/2016 pub. 23/08/2016 numac 2016031567 bron brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende aanstelling van de leden van de selectiecommissie voor de toewijzing van de betrekking van directeur-generaal van Brussel Stedenbouw & Erfgoed (Gewestelijke Overheidsdienst Brussel) type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 20/07/2016 pub. 03/11/2016 numac 2016031680 bron service public regional de bruxelles Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 11 juli 2013 tot aanwijzing van de administratieve verantwoordelijke, de adjunct van de administratieve verantwoordelijke en de gedelegeerde ordonnateur van de Grondregie van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 20/07/2016 pub. 06/04/2017 numac 2017030180 bron brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot toekenning van toelagen aan de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor de projecten van gemeentelijke sportinfrastructuur - Begroting 2016 type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 20/07/2016 pub. 29/09/2016 numac 2016031625 bron brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering met betrekking tot de overdracht aan de Haven van Brussel van een personeelslid afkomstig van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel sluiten, gewijzigd op 16 februari 2017, tot instelling van de procedure tot gedeeltelijke wijziging van het GBP; Gelet op de adviezen van het Brussels Instituut voor Milieubeheer van 2 september 2016, van het Bestuur Ruimtelijke Ordening en Huisvesting van 5 september 2016 en van de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie van 6 september 2016 over het ontwerpbestek van het milieueffectenrapport (hierna ook "MER" genoemd); Gelet op het Natuurplan dat is goedgekeurd door de BHR (Brusselse Hoofdstedelijke Regering) op 14 april 2016; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 juli 2017Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 06/07/2017 pub. 17/07/2017 numac 2017030620 bron brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot goedkeuring van de gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 werd goedgekeurd betreffende de Heizelvlakte type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 06/07/2017 pub. 03/08/2017 numac 2017030911 bron brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot goedkeuring van de gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 werd goedgekeurd betreffende de Heizelvlakte sluiten tot goedkeuring van het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 werd goedgekeurd betreffende de hoogperformante Noord-Zuidverbinding van het openbaar vervoer en haar milieueffectenrapport; Gelet op het ministerieel besluit van 20 juli 2017Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 20/07/2017 pub. 13/09/2017 numac 2017031092 bron ministerie van de franse gemeenschap Ministerieel besluit tot wijziging van de samenstelling van de Adviescommissie voor de jeugdorganisaties bepaald bij het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 1 januari 2014 tot benoeming van de leden van de Adviescommissie voor jeugdorganisaties type ministerieel besluit prom. 20/07/2017 pub. 28/07/2017 numac 2017040337 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Ministerieel besluit betreffende de erkenning van Vereniging Bureau Veritas VZW als instelling in uitvoering van artikel 17 van het koninklijk besluit van 28 juni 2009 betreffende het vervoer via de weg of per spoor van gevaarlijke goederen, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen type ministerieel besluit prom. 20/07/2017 pub. 29/09/2017 numac 2017204889 bron waalse overheidsdienst Ministerieel besluit houdende wijziging van het ministerieel besluit van 12 oktober 2009 tot bepaling van de watervlakken alsook van de plaatsen waar recreatievaartuigen geladen en afgeladen mogen worden op de bevaarbare stukken van de Ourthe, de Amblève, de Lesse, de Eau d'Heure en de Semois type ministerieel besluit prom. 20/07/2017 pub. 01/08/2017 numac 2017040460 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Ministerieel besluit tot aanduiding van inrichtingen met isolerende mastarmen als gelijkaardige verhoogde veiligheidsinrichtingen, genomen in uitvoering van artikel 156.2.b.
- van het Algemeen Reglement op de elektrische installaties, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 10 maart 1981 type ministerieel besluit prom. 20/07/2017 pub. 09/08/2017 numac 2017204124 bron waalse overheidsdienst Ministerieel besluit waarbij de visvangst langs het nieuwe kanaal Charleroi-Brussel tussen de "Pont de Marche-lez-Ecaussinnes" te Feluy en de "Pont canal" te Ronquières van 16 augustus tot en met 10 september 2017 verboden wordt type ministerieel besluit prom. 20/07/2017 pub. 10/08/2017 numac 2017204127 bron waalse overheidsdienst Ministerieel besluit betreffende de gewestelijke steun voor landbouwers voor de verwerking en de afzet van landbouwproducten type ministerieel besluit prom. 20/07/2017 pub. 11/08/2017 numac 2017040549 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit tot algemeenverbindendverklaring voor niet-aangeslotenen van de heffing op het aanbieden van rog sortering 4 die binnen de producentenorganisatie Rederscentrale werd overeengekomen sluiten tot vaststelling van de aanwijzing van de beambten of personen belast met het geven van technische uitleg in het kader van het openbaar onderzoek over het ontwerp van gewestelijk bestemmingsplan tot houdende gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan; Gelet op de bezwaren en opmerkingen geformuleerd tijdens het openbaar onderzoek over het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan dat liep van 1 september tot 30 oktober 2017; Gelet op de adviezen van de gemeenten die werden uitgebracht door de gemeenteraden van : - Anderlecht op 19 oktober 2017, - Evere op 26 oktober 2017, - Sint-Gillis op 26 oktober 2017, - Ukkel op 26 oktober 2017, - de Stad Brussel op 23 oktober 2017; Gelet op het advies van de gemeente Schaarbeek dat werd uitgebracht door het college van burgemeester en schepenen op 10 oktober 2017; Gelet op het advies van de gemeente Sint-Jan-Molenbeek dat werd uitgebracht op 27 oktober 2017; Gelet op het feit dat de andere gemeenten van het Gewest geen advies hebben uitgebracht binnen de toebedeelde termijn; Gelet op de adviezen van de geraadpleegde besturen en instanties, meegedeeld op de volgende data : - het Bestuur (Brussels Planningsbureau - Perspective) op 27 oktober 2017, - het BIM op 19 oktober 2017, - de Economische en Sociale Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op 19 oktober 2017, - de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op 27 september 2017, - de Raad van het Leefmilieu voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op 24 oktober 2017, - de Gewestelijke Mobiliteitscommissie op 19 oktober 2017; Gelet op het advies van het Departement Omgeving van het Vlaams Gewest van 16 oktober 2017; Gelet op het feit dat de Adviesraad voor Huisvesting en Stadsvernieuwing geen advies heeft uitgebracht binnen de toebedeelde termijn; Gelet op het advies van de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie (hierna de "GOC" genoemd), uitgebracht op 15 maart 2018, hierna in extenso opgenomen : "GEWESTELIJK BESTEMMINGSPLAN ONTWERP GEDEELTELIJKE WIJZIGING - 6/07/2017 Noord-Zuidverbinding Advies van de Gewestelijke OntwikkelingsCommissie 15 maart 2018 Gezien het verzoek tot advies ontvangen op 4 januari 2018, op vraag van de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest over de gedeeltelijke wijziging van het GBP voor de ondergrondse Noord-Zuidverbinding; Gelet op het besluit van de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 25 maart 2010 met betrekking tot de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie; De Commissie vergaderde op 18, 25, 30/1; 8/2, 20/2, 22/2 en op 8/3
- Na de vertegenwoordigers van het Kabinet van de Minister-President, Rudi Vervoort en de auteurs van het ontwerp-MER (18/01/2018) gehoord te hebben; Heeft de Commissie op 15 maart 2018 volgend advies uitgebracht :
- Inleiding Om aanvullende informatie te krijgen over dit complexe dossier, heeft de Commissie de vertegenwoordigers van Beliris en van de MIVB (8/02/2018) gehoord, evenals Mathieu Strale, onderzoeker bij IGEAT (20/2) en auteur van de studie "Métro Nord : quelles alternatives ?" Het uitgebracht advies is als volgt gestructureerd : 1/ De Commissie heeft eerst de bezwaren/opmerkingen geanalyseerd. 2/ Op basis van deze analyse spreekt ze zich vervolgens uit over de opportuniteit van de wijziging van het GBP.
- Analyse van de bezwaren over het project van de ondergrondse Noord-Zuidverbinding 2.
- Positionering voor en tegen de metro De klagers nemen diverse posities in over de relevantie van dit project voor een hoogperformante Noord-Zuidverbinding. Over het algemeen reageren de openbare besturen zoals Leefmilieu Brussel of de gemeenten (Schaarbeek, Sint-Gillis, Evere, Anderlecht, Ukkel, Brussel-Stad) gunstig op het project. Volgens deze overheidsinstanties beantwoordt dit aan de gewestelijke doelstellingen om de verkeerscongestie te verminderen en het alternatieve aanbod in een context van economische groei te verhogen. Ze erkennen de huidige verzadiging van de bovengrondse lijn (L55) in een wijk met een zeer dicht stedelijk weefsel. Anderzijds vinden de andere klagers dat dit project niet het verwachte voordeel oplevert. Zij verwijzen naar de zwakke modale verschuiving die het MER voorspelt, de onveiligheid van de stations die zich op een bepaalde diepte bevinden, de vermindering van kwaliteit van het bovengronds aanbod voor de lokale korte trajecten in de noordwestelijke wijken en de vermindering van de kwaliteit van de trajecten naar het stadscentrum voor de wijken in het zuiden van het Gewest als gevolg van een bijkomende overstap. De Commissie neemt akte van deze twee tegengestelde standpunten voortvloeiend uit het openbaar onderzoek. Zij is voorstander van de creatie van een performant openbaar vervoersnetwerk om de congestie te verminderen en de ontwikkeling van een alternatief openbaar vervoersaanbod. Ze is van mening dat de invoering van een hoogperformante openbare vervoerslijn de capaciteit van het openbaar vervoer zal vergroten. Zij vindt het pertinent een bijkomend aanbod te voorzien binnen het noordoostelijk kwadrant van het Gewest, of met andere woorden daar waar de bevolkingsdichtheid hoog is en volgens demografische projecties nog zal toenemen. 2.
- Methode Een aantal observaties hebben betrekking op het gebrek aan informatie over de ontwikkeling van de hoogperformante ontwerpverbinding en het gebrek aan duidelijkheid inzake de verschillende lopende procedures. Andere observaties betreffen de goedkeuring van het GPDO voorafgaand aan elke nieuwe wijziging van het GBP. Dit plan is het meest geschikt voor het bepalen van de algemene strategische mobiliteitsvisie inclusief het grootstedelijk gebied. Dit plan moet een globale visie geven op de ontwikkeling van het Brussels openbaar vervoer voor alle netwerken (MIVB, De Lijn, spoorwegnetwerk,...) In dezelfde geest vinden klagers de opeenvolgende wijzigingen van het GBP jammer. Ze vragen een bredere wijziging die betrekking heeft op de algemene visie rond mobiliteitsproblematiek binnen het Gewest. In navolging van veel klagers, gemeenten en overlegorganen benadrukt de Commissie in het algemeen het gebrek aan voorafgaande informatie, zowel aan de burgers als aan de diverse instanties en besturen. Dit leidt tot een verkeerd begrip van het project en staat niet toe een algemene visie op het beslissingsproces te ontwikkelen en een inhoudelijk debat te voeren. Dit leidt tot een vorm van ambiguïteit waarbij instanties en andere actoren van het proces zich moeten uitspreken over een tracé zonder informatie over de reorganisatie van het netwerk. Daarom stelt de Commissie de methode ter discussie. Ze had enige moeite stelling te nemen over het project tot wijziging van het GBP, terwijl het project van de hoogperformante Noord-Zuidverbinding reeds het voorwerp was van verschillende regeringsbeslissingen. Zij wijst erop dat de regeringsbeslissing over het tracé van deze Noord-Zuidverbinding reeds in 2013 werd genomen en over de bouwwijze (tunnelboormachine) op 8 mei
- Bovendien is de stedenbouwkundige vergunning voor dit dossier (voor het noordelijke deel van dit project) reeds ingediend, terwijl de andere delen van het project nog ter discussie staan. De Commissie wijst op de overlapping van verschillende lopende procedures en betreurt dat er geen rekening werd gehouden met de complexiteit van ons procedurele apparaat. Ze stelt zich vragen bij de pertinentie om een regelgevende kaart voor het openbaar vervoer in het GBP te integreren terwijl vergelijkbare elementen geïntegreerd moeten worden in het Gewestelijk Mobiliteitsplan (GMP). Ze is bovendien van mening dat het de taak is van het GPDO om een algemene mobiliteitsvisie in het Brussels Gewest te ontwikkelen en daarbinnen de ontwikkelingsprincipes van het openbaar vervoersnetwerk. Hierdoor zou het makkelijker en duidelijker zijn om vervolgens stelling te nemen over regelgevende kwesties. De stedenbouwkundige vergunningen zouden dan vervolgens op basis van voorafgaandelijke reflecties afgegeven kunnen worden. Ten slotte vindt zij dat de mededeling van de regering over de herinrichting van de bovengrond samen moest gaan met het metroproject gezien deze complementair zijn. Daarom onderstreept de Commissie, net zoals de klagers : - Dat het wenselijk zou zijn dat het GPDO goedgekeurd wordt vooraleer er wijzigingen in het GBP worden doorgevoerd. - Dat een globale strategische en langetermijnvisie de mogelijkheid biedt te anticiperen en de verschillende wijzigingen in het GBP samen te voegen die nodig zijn voor de realisatie van de gewestelijke projecten, in plaats van over te gaan tot een gedeeltelijke en eenmalige wijziging wanneer een specifiek project dit vereist. - Dat dit de relevantie van een regelgevende kaart 6 en de noodzaak om deze kwestie te analyseren opnieuw bevestigt. - Dat het GBP een richtlijn voor de rechtszekerheid moet uitvaardigen betreffende de bestemming van de grond. 2.
- Milieu-impact van het project Broeikasgassen De waarnemingen hebben betrekking op de vraag naar een goede integratie van de stations, de beperking van de impact op de vegetatie en de goede toepassing van de trillingsnormen, specifiek bij het graven van de tunnels. Er wordt vastgesteld dat het project geen aanzienlijke verbetering van de uitstoot van broeikasgassen zal bewerkstelligen, indien er geen bijkomende maatregelen genomen worden. De Commissie vraagt, net zoals enkele klagers, bijkomend onderzoek met betrekking tot de effecten van de uitstoot van broeikasgassen in overeenstemming met de klimaatverbintenissen. Ze verwijst hiervoor naar de begeleidende maatregelen rond het verminderen van de verkeerscongestie. Lage frequentiegolven De Commissie vraagt tijdens de effectenstudies aandacht te besteden aan de problematiek van lage-frequentiegolven. 2.
- Kosten-batenanalyse De waarnemers, waaronder de Gewestelijke Mobiliteitscommissie, de Milieuraad en de Economische en Sociale Raad, betreuren dat er noch in het MER, noch in een ander document een kosten-batenanalyse van het project werd gerealiseerd. Ze erkennen dat het MER geen haalbaarheidsstudie is, maar betreuren dat dit aspect in de debatten niet aan bod kwam. Sommige klagers wijzen op de aanzienlijke investeringen in dit project, die dus niet worden toegewezen aan projecten voor de verbetering van het bovengrondse vervoer. De Commissie is verbaasd, evenals sommige klagers, dat er geen socio-economische analyse is, met name van de kosten-batenverhouding. De Commissie vindt het daarom moeilijk een kostenanalyse in het kader van het GBP te maken zonder kennis van de technische aspecten (het is niet duidelijk wat de vermelde bedragen dekken). De reflectie zou eerder een afweging moeten zijn van de noodzaak om zo'n bedrag te investeren in dit project in vergelijking met andere alternatieven. 2.
- Leiding over de uitvoering Sommige klagers vragen naar de aanstelling van een enkele coördinator om de leiding van het project te garanderen en om de band met de burger, de gemeente, de regionale en extra-regionale actoren te waarborgen. Ze wensen een audit van het project door een internationale organisatie. De Commissie meent dat de planning van het project baat zou hebben bij een officiële "regisseur" die de voorwaarden van zo'n project en van de uitvoering verzamelt, regelt, stuurt, bespreekt en controleert. 2.
- Rekening houden met het spoorwegnet (NMBS) Veel klagers waaronder de Gewestelijke mobiliteitscommissie (GMC) wijzen op het ontbreken van een analyse van het gebruik van het spoorwegnet als alternatief of als aanvulling op het project, met name rond de afstemming van de verschillende vervoerswijzen. Ze vragen zich af welke rol de MIVB speelt in de ontstopping van de Noord-Zuidverbinding. Daarentegen wijzen ze op het feit dat het spoorwegnet, indien het beter wordt benut, eerder de regionale en de extra-regionale diensten zou kunnen verbeteren. De Commissie merkt op dat het onderzoek naar de integratie van het spoorwegnet van de NMBS in het regionale aanbod niet goed werd uitgewerkt. Het spoorwegnet zou geïntegreerd moeten worden als een interne infrastructuur die integraal deel uitmaakt van het intra-Brussels openbaar vervoer. Bovendien zou deze integratie weergegeven moeten worden op de kaarten van het openbaar vervoer. Als zodanig geeft kaart nr. 6 van het GBP geen geïntegreerd beeld. Het GPDO zou dus een kaart moeten bevatten met alle vervoerswijzen in één enkel plan, dat de verbindingen tussen metro, tram, bus, TEC en De Lijn, GEN, trein en P+R kan tonen. 2.
- Aanvullende maatregelen Veel opmerkingen, waaronder deze van de Milieuraad (MRBHG), van de Gewestelijke Mobiliteitscommissie (GMC) en van de Economische Sociale Raad (ESRBHG), hebben betrekking op het feit dat dit project, zonder begeleiding van aanvullende maatregelen (zoals de stedelijke tolheffing, de slimme kilometerheffing en tariefintegratie) weinig of geen invloed zal hebben op de modale verschuiving en op de vermindering van het verkeer en van de congestie. De Commissie merkt op dat het GBP niet het juiste instrument is om te bepalen welke aanvullende maatregelen genomen moeten worden. Ze benadrukt echter, net zoals vele klagers en zoals aangetoond door de cijfers van het MER, dat alleen dit project van de Noord-Zuidverbinding een zeer beperkt effect zal hebben op de modale verschuiving, de verkeerscongestie en de uitstoot van broeikasgassen. Ze vraagt, net zoals het MER, om aanvullende maatregelen te nemen om de verkeerscongestie te beperken. 2.
- Herinrichting van het netwerk De klagers, waaronder de Gewestelijke Mobiliteitscommissie en Brussel-Stad, waren graag geïnformeerd geweest over de herstructurering van het bovengrondse MIVB-netwerk in relatie met het project. Ze maken zich zorgen over de toekomstige verbindingen tussen de Esplanade en de Beurs via tram
- Anderen wijzen op het belang van de kennis over de organisatie van het busnetwerk, dat complementair is aan het project. De analyse van dit netwerk werd niet uitgevoerd door het MER en dat betreuren ze. Het MER had rekening moeten houden met alle gegevens van de problematiek, inclusief de reorganisatie van het bovengrondse netwerk, of het nu een tram- of busnetwerk is. De gemeente Ukkel betreurt de nieuwe overstapplaats die op het station Albert nodig zal zijn. Ze vraagt de oplossingen te analyseren die een snelle verbinding naar het stadscentrum kunnen behouden, zonder overstappen. Enkele klagers dringen aan op de herontwikkeling van het bovengronds netwerk als middel om het openbaar vervoersaanbod te verhogen. De waarnemers vragen om bij de reorganisatie van het netwerk rekening te houden met de lijnen van De Lijn. De implementatie van een tarief- en ticketingintegratie zou een aanzienlijk effect hebben op het algemene gebruik van de openbare vervoersnetwerken in het Brussels Gewest. Dit aspect van het probleem is volgens hen onvoldoende geanalyseerd. Een dergelijke oplossing zou een impact kunnen hebben op toekomstige keuzes. De Commissie benadrukt dat de wijziging van het GBP alleen betrekking heeft op zware infrastructuur en niet op de herinrichting van het bovengrondse netwerk. Desalniettemin ondersteunt het de opmerking van de GMC over de noodzakelijke complementariteit tussen de ondergrondse en bovengrondse netwerken. Deze complementariteit moet rekening houden met de andere vervoersoperatoren zoals TEC, De Lijn en de NMBS. Daarom pleit de Commissie voor een betere globale en aanvullende harmonisatie van de verschillende soorten openbaar vervoer die verder kunnen gaan dan onze regionale grenzen. In dit verband vindt ze, zoals hierboven vermeld, een volledige integratie van het openbaar vervoersnetwerk, met alle operatoren, in het BHG noodzakelijk. Deze visie moet de gewestgrenzen overstijgen en moet behandeld worden in het GPDO. Zowel op het niveau van een grootstedelijke Gemeenschap, als op federaal niveau moet een gemeenschappelijke transversale visie worden overwogen. Ze verdedigt het idee om een manager aan te stellen die verantwoordelijk is voor het centraliseren van het aanbod van de verschillende operatoren. 2.
- Schaarbeek-Reizigers Sommige klagers stellen zich vragen over de toekomstige dienstverlening van het station Schaarbeek-Reizigers. De gemeente Ukkel vindt dat het alternatief voor het station Schaarbeek-Reizigers effectiever is, vooral omdat het een multimodale pool creëert. De Commissie vindt dat een reorganisatie van het bovengronds netwerk kan beantwoorden aan de behoefte om het station te bedienen. 2.
- Alternatieven voor het tracé De gemeente Schaarbeek en andere klagers vinden dat het ondergrondse alternatief Noord-Bordet/ mediaan tracé via Helmet in plaats van via Riga (NB/MH) gunstiger is dan het project. De gemeente Schaarbeek vraagt een intermodale pool in Bordet. Deze halte kan worden beschouwd als een intermodaal punt met andere lijnen van het openbaar vervoer (waaronder De Lijn), of als etappe in plaats van een eindhalte. Ze vraagt de lijn voorbij Bordet te verlengen en dit om de wijken te bedienen die zich ten noorden van de Bordetlaan, de Leuvensesteenweg, de snelweg E40 en de P + R zullen ontwikkelen. De milieudienst van het Vlaamse Gewest vraagt om een analyse van de bediening van de Europalaan (Leopold III-laan) en de bereikbaarheid van de zone Wahis-Bordet-Brussels Airport. Sommige klagers merken op dat bepaalde belangrijke gebieden niet worden bediend, zoals de zones rond het Poggeplein, het Paul Brienziekenhuis en Aeropolis. De Commissie meent dat alle reflecties over andere ondergrondse verbindingen dan de voorgestelde de facto verwijzen naar het volledige bovengrondse netwerk en naar de algemene organisatie van het vervoer. Het lijkt moeilijk een voorkeur te uiten over de ene of de andere route terwijl de keuzes over dit tracé reeds gemaakt zijn door de regering. De Commissie neemt nota van de resultaten van het MER, die dit project bevestigen als de keuze voor de opname van het tracé in het GBP. Het MER benadrukt dat deze hoogperformante Noord-Zuidverbinding op gewestelijk schaal een noord-zuidelijke "ruggengraat" creëert voor het hoogperformante Brusselse openbaarvervoernet, waardoor het aanbod opnieuw bekeken kan worden. Het MER vergezelt zijn besluiten van technische aanbevelingen en aanbevelingen voor de projectbegeleiding. De Commissie merkt ook op dat het hoogperformante aanbod de verplaatsingen over middellange en lange afstanden zeer efficiënt maakt. Zij sluit zich aan bij de waarnemers wat betreft de noodzakelijke complementariteit tussen het ondergronds en het bovengronds aanbod om aan de lokale behoeften te voldoen. De Commissie heeft er ook akte van genomen dat de keuze voor het tracé is genomen binnen een "corridor" en dat de aanduiding van de plaatsen van de stations door "glijdende" punten dus nog niet vastligt. Tot slot, wat de vraag van het milieudepartement van het Vlaams Gewest betreft, ondersteunt de Commissie een grootstedelijke rationaliteit van het vervoer en zij vraagt een denkoefening in die richting. 2.
- Tram 55 De klagers merken op dat tram 55 antwoordt op een lokale vraag waarop het metroproject geen antwoord zou bieden. Ze zijn van mening dat het MER dit aspect had moeten analyseren en oplossingen had moeten voorstellen in de aanbevelingen. De opheffing van de 55 zal onder meer grote gevolgen hebben voor de buurthandel. Ze zijn van mening dat de analyse van het MER niet volledig is. Ze vragen een onafhankelijk onderzoek van de verschillende manieren om lijn 55 te verbeteren. Andere klagers, zoals de gemeente Evere, zijn daarentegen voorstander van de opheffing van lijn 55, omdat ze vinden dat die geluidsoverlast veroorzaakt en geen goede inrichting van de openbare ruimte toestaat. De Commissie constateert dat de sporen van tram 55 na de opening van de metro behouden zullen blijven voor de toegang tot het depot in Haren. Ze is van mening dat de kans gegrepen moet worden om, in het kader van de reorganisatie van het netwerk, bepaalde stukken te recupereren voor een bovengrondse exploitatie. Het zou jammer zijn om de recuperatie van de huidige sporen te beperken tot een dienstverbinding naar het depot. De Commissie vindt over het algemeen dat de gebruikers op geen enkele manier hinder of minder comfort mogen ondervinden. Daarom is de Commissie, evenals enkele klagers, van mening dat een alternatieve oplossing voor de bovengrondse verplaatsing geboden moet worden aan mensen die lijn 55 gebruiken en dat het MER dit aspect niet voldoende bestudeert. Naast de sociale en genderspecifieke rol die deze bovengrondse lijn speelt, biedt de tram ook kortere afstanden tussen de haltes dan de metro, waardoor wordt voldaan aan de behoefte aan hele korte afstanden in de buurt. 2.
- François Rigasquare/plaats van de stations Meerdere waarnemers, waaronder de KCML en de Economische en Sociale Raad, stellen vragen bij de gefundeerdheid van de wijziging van de kaart met bestemmingen voor de Rigasquare. Sommige klagers vragen om de analyse in het MER over de impact van deze wijziging op de mobiliteit aan te vullen. Ze denken dat de bouw van een station in het midden daarvan de voertuigenstroom grondig zal wijzigen. Ze betreuren de opheffing van de parking en vinden dat er al een gebrek aan parkeerplaatsen is in de wijk. Ze vragen om alternatieven te onderzoeken. Ze zijn van mening dat de nabijheid van de stations Tilleul en Verbroekhoven de mogelijkheid zou moeten bieden om dit station te laten vallen. De gemeente Schaarbeek vraagt om de directe toegang tot het station via de Helmetsesteenweg en de verbinding met het nabije handelscentrum te onderzoeken. Het hergebruik van de Heilige-Familiekerk zou een goed alternatief kunnen zijn. Veel klagers wijzen op de impact van dit project op het plantaardig erfgoed van de Rigasquare en vragen om een bescherming van de opmerkelijke bomen. Ze denken dat het niet mogelijk zal zijn om bomen van een vergelijkbare grootte te herplanten in de toekomst, gezien de bouw van het ondergrondse station. Ze maken zich zorgen over de invloed van het project op de kwaliteit van de stedenbouwkundige en landschappelijke compositie van deze plaats. De Commissie onderstreept de algemene kwaliteit van het inrichtingsplan van Octave Houssa uit 1904, dat bewaard moet blijven en zij wijst er ook op dat meerdere bomen op de Rigasquare beschermd zijn. Er is een aanvraag voor de bescherming van de gehele Huart Hamoirlaan in behandeling, met inbegrip van de square. De Commissie onderstreept het gebrek aan groene ruimtes in dit deel van de gemeente, waardoor het eens te meer van belang is om die te bewaren. Ze wijst hierbij op de vermindering van het parkgebied van de 5.522 m² naar 4.593 m² ten voordele van een toename van het gebied van structurerende ruimten met 929 m². De effectenstudie voor de stedenbouwkundige vergunning zou de impact van zo'n inrichting moeten meten en alternatieven voorstellen om geen schade te berokkenen aan dit geheel dat is opgenomen in de inventaris en om de structurerende assen te behouden. De Commissie ondersteunt de KCML die vraagt om de huidige inrichting van de square te respecteren. Ze onderschrijft de opmerkingen over het feit dat er andere technische oplossingen bestaan, zoals de verplaatsing van de ingangen van het station naar de Heilige-Familiekerk en de beperkte opening van het midden van de square via de `cut and cover' methode. Deze oplossing biedt het voordeel van een directe verbinding met de handelswijk van Helmet, de sportieve infrastructuur en de scholen en zou tegemoetkomen aan de bezorgdheden van sommige klagers aangaande de impact van het project op de zichtbaarheid en de leefbaarheid van dit handelscentrum. Bovendien zou deze oplossing het behoud van de bestaande bomen op de Rigasquare mogelijk maken. De Commissie onderstreept eveneens, evenals enkele klagers, de impact van dit project op de lokale mobiliteit doordat een groot aantal parkeerplaatsen verdwijnt. Zij is van mening dat er een algemene denkoefening moet worden gehouden over de inrichting van de stations (zoals Riga en Colignon) inzake de opheffing van de bovengrondse parkeerplaatsen en de compensatie daarvan buiten de openbare weg. Zij ondersteunt ook de vraag van de gemeente Schaarbeek om een ondergrondse parking buiten het parkgebied aan te leggen. 2.
- Station Verboeckhoven Multimodaal GEN-station Sommige klagers, waaronder de gemeente Schaarbeek, stellen zich vragen bij het gebrek aan bereidheid van de NMBS om het station Verboeckhoven te verbinden met het GEN. Deze weigering van de NMBS betekent volgens hen dat het geplande metrostation in het GBP niet goed gelegen is en dat het beter is om het niet af te sluiten van de bestaande bovengrondse lijnen. Andere klagers maken zich zorgen over de negatieve effecten van dit station op de levenskwaliteit in de wijk. Het station is gepland in het midden van een stratenblok, waardoor dit stratenblok veel last zal hebben van trillingen en lawaai. De Commissie ondersteunt de wens van de regering om een GEN-netwerk aan te leggen dat aansluit op de metrostations. Zij verdedigt het idee om van het station Verboeckhoven een multimodaal station te maken dat is verbonden met de metro. De Commissie neemt akte van de bezwaren, onder meer over de impact van het station op de wijk (beheer van de openbare ruimte, overlast binnen het stratenblok door de aanleg en de exploitatie van de metro). Maar deze bezwaren gaan over het project en niet over de wijzigingen aan het GBP. Toegang & tracé van tram 7 Enkele klagers maken zich zorgen over de gevolgen van de geplande plaats van de ingangen van het station Verboeckhoven op de levenskwaliteit en de veiligheid in de wijk. Ze vragen om de ingangen verder af te leggen van de bestaande bebouwing. Wat de ingangen van het station Verboeckhoven betreft, stemt de Commissie in met het feit dat de ingang tegenover de bestaande tramhalte ligt. Ze onderstreept het belang van tram 7, die veel potentieel voor ontwikkeling heeft. Deze tram kan een verbindende rol spelen in het kader van de bereikbaarheid van de toekomstige gewestelijke ontwikkelingspolen aan het kanaal. De Commissie is van mening dat de veiligheid en de relatie van de ingangen met de bestaande bebouwing bestudeerd moeten worden bij de aanvraag van de stedenbouwkundige vergunning en de bijbehorende milieueffectenstudies. 2.
- Station Colignon, Liedts en omgeving Enkele waarnemers wijzen op het massale verlies van parkeerplaatsen als gevolg van de bouw van het station Colignon. De gemeente Schaarbeek vraagt de uitvoering van een globale studie naar de mobiliteit rond de stations en naar de openbare ruimte. De Commissie is van mening dat de bezwaren over het station Colignon een antwoord moeten krijgen bij de herinrichting van de openbare ruimte boven de grond en buiten de wegen en de aanpassing van het bestaande Gemeentelijk Mobiliteitsplan. Zij steunt de vraag van de gemeente Schaarbeek. Zij wijst erop dat een van de zwaktes van het project is dat het niet echt rekening houdt met de stedenbouwkundige aspecten. Zij pleit ervoor dat het project dit onderzoek nader ontwikkelt. Zij wijst op het argument van sommigen, die naar voren brengen dat de aanleg van deze nieuwe ondergrondse lijn de mogelijkheid biedt de inrichting van de openbare ruimte te verbeteren. Zij is van mening dat deze vraag op zich behandeld moet worden en dat de aanleg van deze metrolijn benut moet worden om de inrichting van de openbare ruimte te herzien, niet alleen in de buurt van de stations, maar ook in de omringende wijken. Tot slot wijst zij erop dat er voorstellen voor de inrichting bestaan in het kader van het stadsvernieuwingscontract (SVC) en dat het project de mogelijkheid biedt om de bovengrondse inrichting te verbeteren. 2.
- Veiligheid van de stations Sommige bezwaren gaan over de noodzaak om aandacht te besteden aan de veiligheid van de stations. In dat opzicht wordt de diepte beschouwd als een bron van onveiligheid. Wat de opmerkingen over de veiligheid betreft, is de Commissie van mening, evenals enkele klagers, zoals de ESRBHG, dat deze aspecten behandeld moeten worden in het kader van de aanvragen van stedenbouw- en milieuvergunningen. Zij constateert echter dat het huidige ontwerp van stations meer licht binnenlaat, waardoor het gevoel van veiligheid wordt verhoogd. 2.
- Depot van Haren/Station Bordet Bestemmingswijziging/Multimodaal knooppunt Bordet De gemeente Schaarbeek en Ukkel verbazen zich erover dat er geen onderzoek is gedaan naar de mogelijkheid om bepaalde gebieden in de buurt van het station een andere bestemming te geven. De Commissie ondersteunt deze opmerkingen en verdedigt het idee om dit project te benutten om andere bestemmingen te introduceren in het GBP rond stations, waardoor er een mix van functies kan worden ontwikkeld. Zo ondersteunt ze voor het depot van Haren het idee om productiefuncties te voorzien boven het magazijn en ze vraagt eventueel aandacht voor de keuze van de zonering van het GBP voor kaart
- Ook ondersteunt de Commissie, evenals enkele klagers, het principe van een P+R, maar ze vraagt om daarvoor op zoek te gaan naar de beste locatie, die een zo doeltreffend mogelijke modale verschuiving garandeert. Zo moet er rekening worden gehouden met de mogelijkheid van een verbinding met het spoorwegnet (bijvoorbeeld in Diegem). De Commissie ondersteunt de vraag van de KCML om op kaart 3 het tracé van de nieuwe "Moestuinstraat" langs het gebied weer te geven. 2.
- Compensatie van het gebied voor sport of openluchtrecreatie /gebied voor stedelijke industrie Gebied voor sport of openluchtrecreatie Leefmilieu Brussel en de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen vragen om het groene gebied dat wordt gecreëerd groter te maken, omdat zij vinden dat het te klein is. Brussel-Stad betreurt dat dit project de groene ruimtes in dit deel van het Brussels grondgebied nog maar eens vermindert en het kappen van 55 bomen een grote vermindering van het groen tot gevolg heeft. Zij stelt voor om dit verlies te compenseren door de aanleg van een nieuw groen gebied in het kader van de herinrichting van de voormalige site van de NAVO. De Commissie ondersteunt de KCML en Brussel-Stad die een compensatie vragen voor de groene ruimtes die worden opgeheven voor het project. Zij onderstreept eveneens de opheffing van 4,3 ha gebied voor sport of openluchtrecreatie. Er moet een alternatieve compensatie worden gevonden, eventueel op de voormalige site van de NAVO, die binnenkort heringericht wordt. Er moeten nog andere alternatieve antwoorden worden gezocht in de buurt. De Commissie wijst er ook op dat deze compensaties eveneens worden gevraagd door het Natuurplan. SIG De Commissie is van oordeel dat een compensatie moet worden gevonden voor het verlies van 4,2 ha stedelijk industriegebied. Zij onderstreept de noodzaak om de industrie te behouden in het Brussels Gewest en verwijst hiervoor naar haar advies over het GPDO, namelijk dat er rekening moet worden gehouden met het industrieplan dat wordt voorbereid en dat wordt aangekondigd in Strategie
- 2.
- Station Grondwet Enkele klagers wijzen op de risico's die verbonden zijn aan de werkzaamheden aan het station Grondwet voor het erfgoed (gevaar voor het Zuidpaleis, vernietiging van de kwaliteitsvolle inrichting en beplanting in de Stalingradlaan). De gemeente Sint-Gillis staat gunstig tegenover het project en denkt dat dit positieve effecten zal hebben op de werking van het netwerk en de veiligheid daarvan. De Commissie onderstreept dat er al een vergunning is aangevraagd voor dit gedeelte. Het project dat nu wordt voorgesteld bevestigt deze aanvraag, met een verbetering voor dit station onder de Stalingradlaan. 2.
- Tunnel Besmelaan en station Albert Enkele klagers vinden dat het project een negatieve impact zal hebben op de kwaliteit van de openbare ruimte en de bestaande fietsroute. De Commissie is van oordeel dat deze vraag onder de civiele bouwkunde valt en niet direct te maken heeft met het GBP. De Commissie ondersteunt het project om deze tunnel aan te leggen onder de Besmelaan om de opslagcapaciteit in dit eindstation te garanderen, te meer omdat het station Albert al is ontworpen voor de voorgestelde inrichting. De Commissie erkent eveneens het belang om de tram van de grote ring te verlengen naar Anderlecht via de Paepsemlaan. 2.
- Andere impact Impact op bovengrondse handel Veel waarnemers uiten hun bezorgdheid over de inrichting van winkels in de stations en wijzen op de concurrentie die deze bezorgen aan de bovengrondse handel. De Commissie onderstreept de impact die de overgang van bovengronds vervoer naar ondergronds vervoer kan hebben op de handel. Bovengronds vervoer geeft een zichtbaarheid aan de handelszaken die ondergronds vervoer niet biedt. Bovendien vormen zij een directe concurrentie voor de bestaande handel. Bovendien onderstreept de Commissie, in navolging van de KCML en de ESRBHG, dat een bovengronds netwerk bijdraagt tot het economische leven in de wijk en sociale contacten bevordert, wat ondergronds vervoer met een grotere afstand tussen de stations niet kan aanbieden. De Commissie is dus van oordeel dat er maatregelen ter ondersteuning van deze handelszaken getroffen moeten worden. De Commissie onderstreept eveneens het belang van parkeerplaatsen voor de bestaande handel. De opgeheven parkeerplaatsen langs de weg moeten worden gecompenseerd. Impact op de vitaliteit van het lokale weefsel Meer in het algemeen verwijst de Commissie naar de doelstelling in het GPDO voor de ontwikkeling van een nabije stad. Dat betekent dat de diensten die nodig zijn voor het dagelijkse leven in de buurt van de woning gevonden moeten worden. De Commissie onderstreept de impact die dit project zal hebben op de stedelijke ruimtes en pleit voor de ontwikkeling van een duurzame stedelijke aanpak voor alle wijken die worden bediend door de metro om de levenskwaliteit te behouden. Aangaande alle wijken die de nieuwe geplande metrolijn zal bedienen, wijst de Commissie op het bestaan van een instrument dat het Gewest zelf gecreëerd heeft en dat over het hoofd gezien lijkt door de auteurs van de studie : de wijkmonitoring. Dit instrument moet worden gebruikt voor het stedenbouwkundig onderzoek naar de betrokken wijken en dus een ondersteuning bieden voor bijkomende effectenstudies die worden gevraagd, omdat zij een betere stedenbouwkundige benadering mogelijk maken van de plaatsen waar de toekomstige lijnen en stations zullen komen van de tram en de metro, maar ook van het GEN en de gewestelijke en intergewestelijke buslijnen ten opzichte van de omliggende wijken. De betrokken wijken (onder voorbehoud van de precisering van het tracé) voor het noordelijke gedeelte van de studie zijn : 21 Noordwijk, 23 Collignon, 80 Helmet, 81 Station Schaarbeek, 79 Vrede en eventueel 801 Industrie : NAVO en 78 Haren. Impact op de vastgoedwaarde De Economische en Sociael Raad betreurt dat het MER niet ingaat op de vraag naar de impact van het project op de vastgoedwaarde. Hij vraagt een bijkomende studie naar dit punt. De Commissie merkt op dat een metrolijn een onvermijdelijke impact heeft op de waarde van het vastgoed in de wijken die worden doorkruist. De vraag naar bepaling van de meerwaarde stuit op een probleem op het niveau van de vastgoedfiscaliteit. De Commissie adviseert om een onderzoek te lanceren om ervoor te zorgen dat deze fiscaliteit rechtvaardiger is en onder meer rekening houdt met de realiteit en de functie van de locaties. Ook adviseert de Commissie om deze vraag te verbreden : het gaat niet alleen over het beantwoorden van de vraag naar de fiscaliteit, maar ook om de middelen te voorzien voor een aangepaste ruimtelijke ontwikkeling die de lokale levenskwaliteit ondersteunt (bouw van crèches, buurtvoorzieningen, enz.). 2.
- Keuze van de techniek Enkele klagers uiten hun bezorgdheid over de keuze van de bouwtechnieken met een tunnelboormachine. Ze stellen zich vragen bij de pertinentie van het tracé, omdat die bepaald zou kunnen zijn door de keuze van de bouwtechniek. Andere vinden dat de technische keuzes een grote impact zullen hebben op de dienstverlening, omdat de toegang tot de stations langer en minder veilig is. Ze betreuren dat het MER de impact van de verschillende technieken niet heeft geanalyseerd. Sommige klagers, waaronder de gemeente Ukkel, vragen om de bi-tubetechniek te kiezen, omdat die minder kost en veiliger en praktischer is voor de gebruikers. Zoals het MER aangeeft, heeft de techniekkeuze een grote impact op de diepte van de stations, hun kostprijs en toekomstig beheer. De Commissie onderstreept echter dat de technische overwegingen niet onder het GBP vallen. Zij vraagt om de opmerkingen van klagers die niet bestudeerd zijn in het MER alsnog te onderzoeken. 2.
- Andere wijzigingen aan het GBP : transitparking Enkele klagers nodigen de regering uit om kaart 3 van de bestemmingen te wijzigen en een P toe te voegen bij Bordet, zodat hier in de toekomst een P+R aangelegd kan worden. De Commissie is van mening dat een interregionale benadering nodig is voor de aanpak van de transitparkings. Zij heeft hieraan uiting gegeven in haar advies over het GPDO. Het meest logische is om de transitparkings (P+R) buiten het Brussels Gewest te lokaliseren. De Commissie stelt zich vragen bij een keuze van een P+R bij Bordet. Waarom zou de beschikbare grond in Brussel worden gebruikt voor dit type infrastructuur dat weinig mogelijkheden voor verdichting biedt? Er kan een oplossing worden gevonden met het Vlaams Gewest voor een ligging in Diegem, dat mogelijkheden heeft op het gebied van grond en een reeds bestaand station. Zij is van mening dat dit deel uitmaakt van een transregionale benadering en een algemeen plan. 2.
- Termijn voor de realisatie en de werkzaamheden Enkele klagers, waaronder de gemeente Schaarbeek en de Gewestelijke Mobiliteitscommissie, vragen met aandrang een snelle realisatietermijn voor de metro zelf, maar ook voor de bovengrondse herinrichting. Ze zijn bang voor de gevolgen van zo'n grote werf op de handelszaken, de mobiliteit in de kleine ring en de organisatie van de Zuidmarkt. Hoewel dit niet onder het GBP valt, vraagt de Commissie om er alles aan te doen om de overlast van de werkzaamheden zo veel mogelijk tot een minimum te beperken (zie regisseur, punt 2.5...). 2.
- Onteigeningen Enkele klagers vragen om geïnformeerd te worden over de noodzakelijke onteigeningen voor de realisatie van de werkzaamheden. De vraag naar de onteigeningen valt niet onder de competentie van het GBP. De Commissie is van mening dat dit juridische overwegingen zijn die te maken hebben met vastgoedeigendom en dat de bezwaren in dit kader behandeld moeten worden. Elke onteigening is onderworpen aan een voorafgaande kennisgeving. Deze bezwaren zijn niet relevant.
- Besluiten 3.
- Pertinentie van een metro en voorafgaande voorwaarden voor het project De hoorzittingen en het onderzoek van de bezwaren hebben de complexiteit van dit dossier naar voren gebracht. Zoals de Commissie heeft laten zien, wordt zij uitgenodigd om een advies uit te brengen over een vraag tot wijziging van het GBP, terwijl een geheel van besluiten al is genomen door de regering. Zij is van mening dat de wijziging van het GBP vroeger in het proces behandeld had moeten worden. Hoewel de Commissie niet tegen de realisatie van een metro is, vraagt zij om een echt stedenbouwkundig onderzoek naar het project. Ze wijst op een aantal basiselementen die volgens haar een voorwaarde vormen voor elk project : De noodzaak om een grootstedelijke visie te ontwikkelen. Dat impliceert overleg en coördinatie tussen de gewesten, maar ook tussen de vervoersmaatschappijen, De noodzaak om een antwoord te bieden op de behoeften van alle gebruikers en specifiek op de behoeften van de Brusselaars aan openbaar vervoer, De noodzaak om een grondig stedenbouwkundig onderzoek uit te voeren naar de wijken waar de geplande lijnen van het openbaar vervoer zullen passeren, evenals elk station of elke halte waar overgestapt wordt, zich daarbij baserend op het analyse- en onderzoeksinstrument dat het Gewest heeft gecreëerd, nl. de wijkmonitoring (waarvan sprake hiervoor bij punt 2.
- Impact op de vitaliteit van het lokale weefsel). Noodzaak om de levenskwaliteit in de stad en de betrokken wijken te verbeteren met een onderzoek naar onder meer de stedenbouwkundige aspecten van het project en de reorganisatie van het bovengrondse netwerk. 3.
- Complementair openbaarvervoersbeleid De Commissie is van mening dat dit dossier een aantal uitvoeringsfasen kan bevatten. De herinrichting van de bovengrondse oppervlakte is in eerste instantie mogelijk en kan een antwoord bieden op lokale behoeften. De metro is een structurele infrastructurele oplossing die bestemd is voor snelle verplaatsingen over langere afstanden. De twee modi - boven- en ondergronds - zijn complementair en moeten gezamenlijk behandeld worden. In dat opzicht vraagt de Commissie een onderzoek naar het behoud van tram 55, aangezien de sporen worden behouden. De Commissie acht het ook essentieel om de mobiliteit te bekijken vanuit alle mogelijke vervoerswijzen en met toepassing van de tariefintegratie. 3.
- Wijziging van kaart 6 van het openbaar vervoer Zoals zij al heeft aangegeven in haar antwoord op de bezwaren, is de Commissie van mening dat het GBP niet het meest geschikte instrument is om de strategische vraag van de metro te behandelen. Deze vraag moet behandeld worden binnen het GPDO, in het kader van een algemene visie op de organisatie van het openbaar vervoer in het BHG. Zij verdedigt het idee om kaart 6 van het GBP in te trekken of minstens het regelgevende karakter van die kaart, aangezien deze een situatie vastlegt en het niet mogelijk maakt om te evolueren in functie van het resultaat van de studies. De Commissie wijst erop dat de werkzaamheden in twee termijnen worden gepland : de realisatie van een metro tussen Albert en het Noordstation tegen 2023 en de realisatie van de metro tussen het Noordstation en Bordet tegen
- Zij verdedigt het idee dat de wijziging van het GBP kan focussen op de aspecten van het project die onmiddellijk moeten worden behandeld, namelijk het station Albert en het station Grondwet. Zij is niet gekant tegen het principe van een hoogperformante Noord-Zuidverbinding, maar zij is van mening dat het tracé tussen Liedts en Bordet nog verder verfijnd kan worden. Zij constateert immers dat bepaalde vragen nog niet beantwoord zijn, zoals de vragen naar de stedenbouwkundige integratie van het project en naar de technische aspecten. Zij benadrukt dat dit project een reële positieve impact op de stad moet hebben. Zij is van mening dat de deur niet mag worden gesloten voor een meer gedetailleerde analyse van sommige alternatieven. Het is niet de bedoeling dat de lopende debatten leiden tot nieuwe aanpassingen die nodig zijn aan het tracé en andere, latere wijzigingen aan het GBP. 3.
- Wijziging van de kaart van bestemmingen 3 Na de bespreking van de bezwaren en de hoorzittingen besluit de Commissie dat het haar niet nuttig lijkt om kaart 3 met de bestemmingen voor de Rigasquare te wijzigen. Het moet mogelijk zijn om technische oplossingen te vinden die uitgevoerd kunnen worden zonder deze wijziging. De wijziging van het gebied voor sport of openluchtrecreatie bij het depot in Haren moet worden gecompenseerd. Ook het stedelijk industriegebied zou gecompenseerd kunnen worden door de inrichting van oppervlaktes boven het depot die bestemd zijn voor economische activiteiten." Gelet op het evaluatieverslag van de impact ervan op de respectieve situatie van vrouwen en mannen, " gendertest " genoemd, verplicht door artikel 3, 2° van de ordonnantie van 29 maart 2012 houdende de integratie van de genderdimensie in de beleidslijnen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en door artikel 13 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 24 april 2014 houdende de uitvoering van die ordonnantie; ANTWOORDEN OP DE ADVIEZEN, OPMERKINGEN EN BEZWAREN UITGEBRACHT OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 25, §§ 4 EN 5, VAN HET BWRO Algemeen Overwegende dat het Departement Omgeving van het Vlaams Gewest geen opmerkingen heeft over het ontwerp op zich; Overwegende dat de GOC akte neemt van de tegengestelde standpunten die voortvloeien uit het openbaar onderzoek; Dat zij voorstander is van de creatie van een performant openbaarvervoernet om de congestie te verminderen en van de ontwikkeling van een alternatief openbaarvervoeraanbod; Dat ze van mening is dat de invoering van een openbaarvervoerlijn de capaciteit van het openbaar vervoer zal vergroten; Dat zij het pertinent vindt om een bijkomend aanbod te voorzien binnen het noordoostelijke kwadrant van het Gewest waar de bevolkingsdichtheid hoog is en volgens demografische projecties nog zal toenemen; Overwegende dat de GOC naar aanleiding van de hoorzittingen en het onderzoek van de bezwaren de complexiteit van dit dossier vaststelt; Dat zij wordt uitgenodigd om een advies uit te brengen over een vraag tot wijziging van het GBP, terwijl volgens de GOC een geheel van besluiten al is genomen door de Regering; Dat zij ook van mening is dat de wijziging van het GBP vroeger in het proces behandeld had moeten worden; Dat zij niet tegen de realisatie van een metro is, maar vraagt om een echt stedenbouwkundig onderzoek naar het project en met name naar de voorafgaande analyse en onderzoeken van een grootstedelijke visie (die overleg en coördinatie impliceert tussen de verschillende gewesten, maar ook tussen de vervoersmaatschappijen), de noodzaak om een antwoord te bieden op de behoeften van alle gebruikers en specifiek op de behoeften van de Brusselaars aan openbaar vervoer, de noodzaak om de levenskwaliteit in de stad en de betrokken wijken te verbeteren met een onderzoek naar onder meer de stedenbouwkundige aspecten van het project - steunend op Wijkmonitoring, de analyse- en onderzoekstool die het Gewest heeft ontwikkeld - en de reorganisatie van het bovengrondse netwerk; Dat zij het belang benadrukt van de aanpak van de inrichting van de bovengrond, de complementariteit tussen de bovengrondse en lokale netwerken, van de tariefintegratie; Overwegende dat Leefmilieu Brussel het project van de Noord-Zuidverbinding ondersteunt als voorstel van duurzaam alternatieven voor de personenwagen; Overwegende dat de gemeente Schaarbeek, de Stad Brussel, de gemeente Sint-Gillis, de gemeente Evere en een reclamant voorstander zijn van het project, voor zover het een antwoord biedt op de verzadigingsproblemen van het openbaar vervoer dat niet kan worden uitgebreid en op een verdichting van het weefsel, en voor zover het aansluit bij de gewestelijke doelstellingen om de autodruk te verminderen en een modale shift te bewerkstelligen naar het openbaar vervoer of de actieve verplaatsingswijzen; Overwegende dat de gemeente Evere ervan overtuigd is dat deze verbinding zal leiden tot een belangrijke verbetering van de mobiliteit, sociaaleconomische gevolgen en milieueffecten, alsmede tot een verbetering van de kwaliteit van de openbare ruimte voor haar burgers en dus verheugd is over het project; Overwegende dat de Stad Brussel de geleverde inspanningen toejuicht om de synergieën tussen vervoernettten te versterken en zo de capaciteit te verhogen, en in die zin de algemene doelstellingen van het wijzigingsontwerp ondersteunt; Overwegende dat de gemeente Anderlecht voorstander is van het project omwille van de betere verdeling en verbinding van het gewestelijke openbaarvervoernet en het verbeterde aanbod voor de inwoners van Anderlecht die zo mogelijk wordt; Dat door de keuze voor een openbaarvervoerslijn op afzonderlijke baan volgens haar de bovengrondse verkeersproblemen op de verbinding opgelost zullen geraken en de efficiëntie gewaarborgd zal zijn; Overwegende dat de gemeente Ukkel, onder voorbehoud van de opvolging van haar opmerkingen, een gunstig advies uitbrengt over het project; Overwegende dat enkele reclamanten zich zorgen maken over de negatieve impact van het project op hun wijk, de huisvesting, het leefcomfort die niet zal worden gecompenseerd door betere verkeersomstandigheden en parkeergelegenheid; Overwegende dat enkele reclamanten laten weten negatief te staan tegenover het ontwerp tot wijziging van het GBP, omwille van de aanzienlijke negatieve impact, een onvolledige evaluatie van de impact en alternatieven, de gebrekkige informatie aan het publiek, de vertekende en foutieve vaststellingen; Dat ze de Brusselse Hoofdstedelijke Regering vragen om af te zien van het project; Overwegende dat een reclamant daaruit afleidt dat de uitvoering van dit project maar een gedeeltelijke oplossing zou zijn en bovendien inefficiënt als oplossing voor de vervoersproblemen in Brussel; Overwegende dat een reclamant erop wijst dat het project geen voordelen oplevert voor de inwoners van de niet-bediende gemeenten of voor de kwetsbare bevolkingsgroepen, waarvoor de prestaties van het project de moeilijke toegang tot stations en het onveiligheidsgevoel niet zullen compenseren; Overwegende dat het Bestuur (Perspective) vindt dat het project aansluit bij de gewestelijke plannen en prioriteiten; Dat het positief staat tegenover het project voor zover het een belangrijke as is van het openbaar vervoer die de mobiliteit, aantrekkelijkheid en de inrichting van het grondgebied verbetert volgens het principe van de meerpolige stad; ANTWOORD Overwegende dat een van de belangrijkste doelstellingen van de wijziging van het GBP in verband met de hoogperformante Noord-Zuidverbinding er juist in bestaat om het noorden van het Gewest significant beter te bedienen met het openbaar vervoer; Dat de Regering van mening is dat een beter bediend noordelijk kwadrant aan aantrekkingskracht en levenskwaliteit zal winnen en zal helpen de verkeerscongestie te bestrijden; Dat de BHR haar beslissing daarenboven gebaseerd heeft op de conclusies van het MER, waarin gesteld wordt dat de verbinding met het openbaar vervoer de meest geschikte oplossing is voor de vastgestelde behoeften; Dat het MER volledig is; Dat de Regering er alle nodige elementen in heeft gevonden voor haar beslissing; Dat de Regering van mening is dat een directe bediening door een openbaarvervoerlijn in afzonderlijke baan het gewestelijke openbaarvervoernet duurzaam zal structureren en versterken zoals wordt aangetoond door het MER; Dat het stedenbouwkundig onderzoek rond het project en de bovengrondse inrichting niet valt onder de wijziging van het GBP, maar onder de procedure voor het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning; Dat een eventuele reorganisatie van het bovengrondse openbaarvervoernet ook niet valt onder deze procedure; Dat de beoordeling van de milieueffecten de analyse omvat van de door het Vlaamse Gewest goedgekeurde pertinente plannen en programma's en dat de mening van het Departement Omgeving van het Vlaamse Gewest is gevraagd in het kader van deze procedure tot wijziging van het GBP; Dat het milieueffectenrapport bovendien gebaseerd is op pertinente statistische en analytische instrumenten op gewestelijke schaal, waaronder de Wijkmonitoring. Hiërarchie van de plannen en punctuele wijzigingen van het GBP Algemeen beeld GPDO Overwegende dat de Raad voor het Leefmilieu en de GOC betreuren dat de wijziging zich voordoet terwijl het ontwerp van Gewestelijk Plan voor Duurzame Ontwikkeling (GPDO) niet is goedgekeurd, omdat ze vinden dat dit laatste een globale visie moet bepalen waarin de projecten moeten worden ingepast; Dat de GOC benadrukt dat het wenselijk zou zijn dat het GPDO goedgekeurd wordt vooraleer er wijzigingen in het GBP worden doorgevoerd zodat het GPDO de globale strategische visie geeft en anticipeert op de verschillende wijzigingen, en eraan herinnert dat het GBP een richtlijn voor de rechtszekerheid moet uitvaardigen betreffende de bestemming van de grond; Dat de Raad voor het Leefmilieu en enkele reclamanten vragen dat vóór elke wijziging van het GBP het GPDO wordt goedgekeurd; Overwegende dat reclamanten vinden dat het metroproject tijdens het openbaar onderzoek rond het GPDO heftige kritiek heeft gekregen, maar wel degelijk is opgenomen in het ontwerp van GPDO dat momenteel wordt goedgekeurd; Dat ze erop wijzen dat het GPDO een strategische visie op Brussel moet geven voor 2040, ook over de mobiliteit, en dat deze tekst niet is goedgekeurd; ANTWOORD Overwegende dat de Regering eraan herinnert dat het project in de lijn ligt van alle principiële beslissingen die al verscheidene jaren worden genomen in de verschillende plannen van het Gewest; Dat de wijziging van het GBP geen voorafgaande wijziging van het GPDO vergt; Dat de wetgever het BWRO specifiek heeft gewijzigd om dit te vermijden; Dat het project in overeenstemming is met het plan IRIS 2 dat geldt als Gewestelijk Mobiliteitsplan (GewMP); Dat de Noord-Zuidverbinding als belangrijk mobiliteitsproject is opgenomen in het op 18 oktober 2016 door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering goedgekeurde ontwerp van GPDO. TAL VAN PUNCTUELE WIJZIGINGEN VAN HET GBP Dat een reclamant betreurt dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering het GBP herhaaldelijk wijzigt om tegemoet te komen aan haar punctuele projecten; Overwegende dat de Economische en Sociale Raad erop wijst dat de aan het GBP aangebrachte wijzigingen zich steeds vaker voordoen, terwijl dit plan net een duurzaam richtsnoer moet zijn voor de bestemming van de gewestelijke grond; Dat hij vindt dat de wijziging aan het project van de Noord-Zuidverbinding had moeten worden opgenomen in de wijziging van mei 2013; Dat een reclamant zich in deze opmerkingen kan vinden; Overwegende dat de Gewestelijke Mobiliteitscommissie en de Economische en Sociale Raad de Brusselse Hoofdstedelijke Regering overigens vragen om het GBP meer algemeen te wijzigen zodat gewestelijke mobiliteitsprojecten kunnen worden gerealiseerd; ANTWOORD Overwegende dat de Regering eraan herinnert dat het BWRO voorziet in mogelijkheden om het GBP te wijzigen en dat de keuze van deze procedure gepast is voor de Regering; Dat bovendien de recente procedures tot wijziging van het GBP elk een specifiek doel hebben dat beantwoordt aan een dwingende behoefte van algemeen belang; Overwegende dat de Regering de nadruk legt op de noodzaak het gewestelijke verordenend kader te wijzigen om de verwezenlijking van de openbaarvervoerlijn in afzonderlijke baan mogelijk te maken; Dat ze de omvang van het project en het tijdsbestek onderstreept; Dat zij van plan is om, in een later stadium, in de mate van het mogelijke over te gaan tot wijziging van het GBP na de goedkeuring van het GPDO, zoals bepaald in artikel 27, § 1 van het BWRO, teneinde het verordenend kader aan te passen aan het door het GPDO gedragen ontwikkelingsproject en met name de gewestelijke projecten inzake mobiliteit en economische activiteiten. Overlapping tussen procedures Overwegende dat het Bestuur (Perspective) en de GOC zich vragen stellen bij de verwarring die samenhangt met het samenvallen van de communicatie rond de verschillende voorontwerpen en het ontwerp; Dat de gemeente Schaarbeek wijst op de verschillende hangende procedures over het dossier; Dat de GOC erop wijst dat de aanvraag van de stedenbouwkundige vergunning voor de uitvoering van het noordelijke gedeelte van het project reeds werd ingediend; Dat een reclamant de communicatie rond het project contradictorisch vindt (gevoerd door de gemeente Schaarbeek bij afwezigheid van vertegenwoordigers van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest), waarbij wordt gedaan alsof het project en de alternatieven zijn "voorgesteld", terwijl buurtbewoners aangetekende brieven hebben ontvangen waarin stond dat het tracé een impact zou hebben op hun eigendom; Dat de GOC bovendien vragen heeft bij de methode die de Regering heeft gevolgd, aangezien er al beslissingen zijn genomen over het tracé van de openbaarvervoerlijn in afzonderlijke baan
(2013)en de bouwwijze (tunnelboormachine op 8 mei 2014); Dat zij de termijnen van 2023 benadrukt voor het zuidelijke gedeelte van het tracé (Zuid-Albert) en 2028 voor het noordelijke tracé (Noordstation-Bordet) en daaruit besluit dat de wijziging van het GBP zich op de onmiddellijke behoeften kan focussen (Zuid-Albert); Dat zij niet gekant is tegen het project van een hoogperformante Noord-Zuidverbinding maar benadrukt dat de kwaliteit van het project en zijn reële belang voor de stad, met name de betere stedenbouwkundige integratie ervan, onontbeerlijk is; Dat dit aspect baat zou hebben bij een verfijnde studie van het tracé, van de integratie tussen Liedts en Bordet; Dat zij van mening is dat het schadelijk zou zijn de deur te sluiten voor meer gedetailleerde analyses en dat de lopende debatten niet mogen leiden tot aanpassingen van het tracé of nieuwe wijzigingen van het GBP; Overwegende dat reclamanten uiting geven aan hun onbegrip over de huidige procedure, over de mogelijkheden die ze in het verleden kregen of in de toekomst zullen krijgen om hun stem te laten horen, een eventuele tijdige onteigening, een eventuele impact op hun goederen voor te bereiden; Dat ze bijgevolg vragen dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest hen een overzicht geeft van de lopende procedures en ook van de mogelijkheden om hun stem te laten horen; Overwegende dat reclamanten erop wijzen dat ze tot op vandaag (29/10/2017) nog steeds geen antwoord hebben gekregen op de vragen die ze aan Beliris (19/04/2017) hebben gesteld; Overwegende dat reclamanten binnen de 60 dagen na ontvangst ervan een schriftelijk antwoord op hun vragen verwachten; ANTWOORD Overwegende dat deze procedure alleen betrekking heeft op de wijziging van de kaarten 3 en 6 van het GBP; Dat in de hiërarchie van de normen de bepalingen van het GBP de overhand hebben op documenten en vergunningen van lagere orde; Dat bijgevolg deze wijziging van het GBP een voorafgaande stap en voorwaarde is voor de mogelijkheid tot afgifte van de stedenbouwkundige vergunningen voor het project; Dat wordt benadrukt dat deze procedure geen belemmering vormt voor de voortzetting, zowel wat de studie als de ontwikkeling betreft, van mobiliteitsprojecten, met inbegrip van projecten met betrekking tot de betreffende verbinding, voor zover zij binnen een ongewijzigd verordenend kader worden uitgevoerd; Dat de Regering niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor studies, contactopnames en stedenbouwkundige aanvragen waartoe derden het initiatief nemen in het kader van het project; Dat Beliris en alle actoren die belast zijn met de uitvoering van het project, zich hoe dan ook, nu en in de toekomst, moeten houden aan de geldende regelgeving (zoals momenteel van kracht of definitief gewijzigd volgens de bepalingen van het BWRO) en met name aan het GBP; Dat de Regering opnieuw preciseert dat deze procedure tot wijziging van het GBP de burgers, gemeenten en instanties de mogelijkheid gegeven heeft hun mening kenbaar te maken en bezwaarschriften in te dienen met betrekking tot de wijziging van de kaarten 3 en 6 van het GBP; Dat artikel 26 van het BWRO de vorm bepaalt die het antwoord op de meningen en bezwaarschriften moet aannemen, namelijk de vorm van een gemotiveerd besluit; Dat de latere stedenbouwkundige vergunningen en projecten onderworpen zullen zijn aan speciale regelen van openbaarmaking (SRO), die zullen worden georganiseerd tijdens het onderzoek van de vergunningsaanvragen die vereist zijn voor de verwezenlijking van het project, waarbij iedere belanghebbende de kans zal hebben zijn mening kenbaar te maken; Dat de Regering eraan herinnert dat haar beslissingen van 2013 en 2014 principebeslissingen zijn en niet als uitvoerbaar en rechtskrachtig kunnen worden beschouwd aangezien een wijziging van het GBP vereist is voor hun eventuele uitvoering; Dat het te meer zo is dat er geen sprake van kan zijn dat de Regering tot enig standpunt inzake de wijziging van het GBP besluit alvorens zich geldig te hebben geïnformeerd over de eventuele impact van deze wijziging op het milieu en door de adviesorganen en de opmerkingen uit het openbaar onderzoek te zijn ingelicht; Dat het bovendien in het belang van het Gewest is dat de uitvoering van het project voor de Noord-Zuidverbinding wordt voorzien en opgevat als een geïntegreerde en eengemaakte infrastructuur en dat de uitvoering van het noordelijke gedeelte van de uitbreiding niet wordt gescheiden van de verbinding naar het zuiden; Dat de Regering van mening is volledig geïnformeerd te zijn door het milieueffectenrapport, de verzamelde meningen en bezwaarschriften en definitief kan beslissen over een nieuw tracé in afzonderlijke baan in het GBP. Verenigbaarheid met andere plannen en programma's Overwegende dat reclamanten het project incoherent vinden met de verschillende eerdere gewestelijke plannen of beleidsinitiatieven; Dat ze met name wijzen op de verduidelijkingen van het plan IRIS 2 wat de uitbreiding van de metro betreft, op voorwaarde dat niet via een ander openbaar vervoersmiddel aan de vraag kan worden tegemoetgekomen en voor zover de kosten voor infrastructuur en afschrijvingen zijn bestudeerd; Dat ze erop wijzen dat het plan IRIS 2 bovengronds openbaar vervoer verkiest boven het autoverkeer, terwijl het MER : - het verkeer als nadeel aanhaalt van het bovengrondse alternatief, - aantoont dat stadstol efficiënt is in de strijd tegen het fileprobleem; Dat ze aldus menen dat het project en het MER, voor zover het de ontwikkeling van het bovengrondse openbaar vervoer uitsluit omwille van het gebrek aan plaats, waarvan men oordeelt dat ze moet worden voorbehouden voor het verkeer van personenwagens, op die manier lijken in te gaan tegen het gewestelijke beleid; Dat ze menen dat het ontwerp van GBP niet ten volle geïntegreerd is in de visie van het GPDO dat een belangrijker rol wil toekennen aan het spoorwegnet; Overwegende dat de GOC zich vragen stelt bij de relevantie van kaart 6 van het openbaar vervoer in het GBP, met name in de mate dat soortgelijke elementen zijn opgenomen in het toekomstige GewMP waarin kaart 6 een toestand vastlegt en dat het GBP niet het middel is om de strategische visie op de metro te behandelen; Dat ze opmerkt dat kaart 6 van het GBP geen geïntegreerde visie van de gewestelijke mobiliteit geeft en geen gecombineerde visie mogelijk maakt van het spoorwegaanbod en de combinaties tussen het openbaar vervoer en het spoor; Dat ze de intrekking van kaart 6 van het GBP of minstens het verordenende karakter van die kaart verdedigt; Dat de GOC bovendien van mening is dat het de taak is van het GPDO om de algemene mobiliteitsvisie in het Brussels Gewest te ontwikkelen en met name de ontwikkelingsprincipes van het openbaarvervoernet; Dat de GOC voorstelt dat het GPDO één kaart bevat van alle openbaarvervoerswijzen (MIVB - Metro-tram-bus - maar ook NMBS inclusief S, De Lijn en TEC en P+R) en dit op grootstedelijke en federale schaal; Dat ze het idee verdedigt om een manager aan te stellen die verantwoordelijk is voor het centraliseren van het aanbod van de verschillende operatoren; Dat een dergelijke visie in het GPDO een vlotter en duidelijker verordenend kader en een vlottere aflevering van de bouwvergunningen tot gevolg zou hebben; Overwegende dat een reclamant een coherent mobiliteitsplan vraagt op niveau van het grootstedelijk gebied als substituut voor het project; Overwegende dat een reclamant zich in dit verband afvraagt in hoeverre dit project is afgestemd op het plan IRIS 2 dat de complementariteit tussen het aanbod van de MIVB (Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel) en dat van de NMBS (Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen) benadrukt; ANTWOORD Overwegende dat de Regering benadrukt dat het ontwerp tot wijziging van het GBP kadert in de verschillende streefdoelen die het Gewest al verscheidene jaren verkondigt in verschillende plannen en verklaringen; Dat het normaal is dat de Regering haar wensen op het gebied van mobiliteit actualiseert en verduidelijkt in de loop der tijd en al naargelang de behoeften van de bevolking; Dat het ontwerp tot wijziging van het GBP de algemene doelstellingen van het plan Iris 2 verduidelijkt en er niet mee in tegenspraak is; Dat het Gewest overigens een Gewestelijk Mobiliteitsplan bestudeert dat in de plaats moet komen van het plan Iris 2 dat de waarde van GewMP heeft verworven bij ordonnantie van 26 juli 2013 tot vaststelling van een kader inzake mobiliteitsplanning en tot wijziging van sommige bepalingen die een impact hebben op het vlak van mobiliteit; Dat dit ontwerp van GewMP een tijdschema volgt dat gelijkloopt met de wijziging van het GBP; Dat de Regering in dit opzicht de coherentie van de regelgeving wenst te waarborgen; Dat het ontwerp tot wijziging van het GBP bovendien van nature niet alle aanvullende maatregelen kan omvatten die nodig zijn om de gewestelijke mobiliteitsdoelstellingen te halen; Dat de Regering zich derhalve alle vrijheid voorbehoudt om naast het Noord-Zuidproject aanvullende maatregelen te nemen, met inbegrip van maatregelen betreffende de toegang tot het Gewest met de auto; Dat de voorwaarden voor de exploitatie en de tenuitvoerlegging van de gewestelijke openbaredienstverplichting van openbaar vervoer niet onder het GBP valt; Dat het MER evenwel rekening heeft gehouden met de grote veranderingen die de uitvoering van het project kan teweegbrengen in de algehele organisatie van de gewestelijke mobiliteit, zonder binnen het tijdsbestek van het ontwerp vooruit te kunnen lopen op lichte aanpassingen van het aanbod; Dat de projecten voor de tenuitvoerlegging van de Noord-Zuidverbinding, die in een later stadium zullen volgen, de plaatselijke voorwaarden voor het verkeer en de modale verdeling zullen verduidelijken; Dat het logisch is dat het MER zich baseert op de bestaande en de geplande toestand om de milieueffecten van het ontwerp tot wijziging van het GBP te analyseren; Dat het om die reden niet gepast zou zijn het ontwerp alleen te beschouwen in de context van de doelstellingen van het plan IRIS 2; Dat het derhalve niet correct is te stellen dat het ontwerp afwijkt van de bepalingen van andere gewestelijke plannen; Dat het MER twee alternatieven voor bovengronds openbaar vervoer analyseert waarvan het tracé werd gekozen om minstens het tweerichtingsverkeer van trams, fietsers en voetgangers en het eenrichtingsverkeer van auto's te garanderen (aangezien het autoverkeer in twee richtingen en parkeren als facultatief worden beschouwd); Dat deze methode de bewering tegenspreekt dat de voorkeur uitgaat naar het behoud van de verkeerscapaciteit voor personenwagens; Dat het project wat de nagestreefde spoorvervoersdiensten betreft in de lijn ligt van de aanbevelingen van het ontwerp van GPDO; Dat er bovendien moet worden op gewezen dat de structuur en het aanbod van het spoorwegvervoer op het gewestelijke grondgebied niet vallen onder de gewestelijke bevoegdheden; Dat het Gewest in dat opzicht van plan is zijn gewicht in de schaal te werpen om op Brussels niveau een fijnmazige, regelmatige en relevante bediening door het spoorvervoer te verkrijgen, maar niet kan garanderen dat dit vruchten zal afwerpen; Dat de opmerking van de GOC met betrekking tot de eigenschappen en elementen die het GBP uitmaken, de integratie van de structurerende elementen voor de openbare mobiliteit in het toekomstige GewMP of de rol van het GPDO los staat van deze procedure, die slechts betrekking heeft op een wijziging van het GBP; Dat de inhoud van het GBP wordt bepaald door het BWRO; Dat het GPDO bovendien nog steeds niet is goedgekeurd; Dat het materieel ook niet mogelijk was de twee plannen over dezelfde termijn te laten lopen; Dat de opmerking dus niet gegrond is. Overwegende dat het ontwerp van GBP erop gericht is kaarten 3 en 6 van het GBP te wijzigen; Dat de modaliteiten voor de exploitatie van het Brusselse openbaarvervoernet - naast het spoorwegnet, dat een federale bevoegdheid is - zoals voormeld onderhevig zijn aan veranderingen en aanpassingen; Dat ondanks de onzekerheden in verband met het spoorwegnet, het project in het algemeen gericht is op een maximale bediening op de gewestelijke noord-zuidas en het ondersteunen van een betere bereikbaarheid met het openbaar vervoer van het noordoostelijke kwadrant van het Gewest vanuit heel het Gewest in een logica van complementariteit tussen de verplaatsingswijzen; Dat in het MER rekening is gehouden met de belangrijkste effecten; Dat derhalve de overeenstemming van de plannen niet in twijfel kan worden getrokken; Dat wat het verordenende karakter van kaart 6 van het GBP betreft deze vraag niet valt onder de bevoegdheid van de Regering maar van het Parlement in het kader van een eventuele hervorming van het BWRO. BEHEER EN PARTICIPATIE Overwegende dat de Economische en Sociale Raad het belang onderstreept van een geslaagd beheer om tot een oplossing te komen met een reële meerwaarde; Overwegende dat het Bestuur (Perspective) en de GOC vinden dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor het project één enkele coördinator zou kunnen aanstellen - de officiële "regisseur" - die als schakel zou fungeren tussen de burgers, de gemeenten, de gewestelijke actoren en die van buiten het Gewest en zijn werf; Dat de gemeente Schaarbeek vraagt dat het beheer van het project wordt herbekeken; Overwegende dat de gemeente Anderlecht betreurt niet officieel de ontwikkeling van de studie regelmatig te begeleiden; Dat ze vraagt nauw te worden betrokken bij het opvolgingscomité voor de aanvraag van de stedenbouwkundige vergunning voor het stuk Anneessens en Zuidstation; Overwegende dat de Gewestelijke Mobiliteitscommissie betreurt dat Brussel Mobiliteit (BM) geen lid was van de RvB van het MER m.b.t de wijziging van het GBP; ANTWOORD Overwegende dat de procedure tot wijziging van het GBP wordt bepaald door artikel 27 van het BWRO, dat verwijst naar artikelen 25 en 26 van hetzelfde wetboek; dat deze wettelijke procedure de rol en de bevoegdheid van de gemeenten en de adviesorganen vastlegt; dat ze in dit geval nauwlettend werd gerespecteerd; Overwegende dat de Regering er bovendien aan herinnert dat het de opdrachtgever is die oordeelt over de minimale voorwaarden voor de opvolging van de studies; Dat de verschillende gewestelijke en paragewestelijke actoren op het gebied van mobiliteit erbij betrokken werden en hun standpunten hebben kunnen preciseren in het kader van de MER-studie; Dat de Regering verduidelijkt dat de SRO van toepassing zullen zijn op latere vergunningsaanvragen; Dat de gemeenten en betrokken actoren in dat opzicht betrokken zullen worden bij de procedures en impactstudies in verband met de uitvoering van het project. BETROKKENHEID BIJ HET VERVOLG Overwegende dat tal van reclamanten vragen dat rekening wordt gehouden met hun opmerkingen en wensen deel te nemen aan de volgende etappes van de procedure; Overwegende dat de GOC van mening is dat het project had moeten samengaan met een mededeling van de Regering over de herinrichting van de bovengrond gezien deze complementair zijn; ANTWOORD Overwegende dat de speciale regelen van openbaarmaking (SRO) worden geregeld door het BWRO en zijn uitvoeringsbesluiten; Dat dit besluit een antwoord biedt op de opmerkingen en adviezen met betrekking tot het GBP; Dat de andere opmerkingen en meningen die geen verband houden met het GBP en opnieuw werden ingediend tijdens andere procedures te gepasten tijde zullen worden behandeld, voornamelijk in het kader van de openbare onderzoeken die worden georganiseerd bij de aanvragen van een stedenbouwkundige vergunning die nodig zijn voor de realisatie van het project van de hoogperformante verbinding; Overwegende dat de Regering akte neemt van de opmerking, maar er evenwel aan herinnert dat de concrete aspecten van de verwezenlijking van het project, met inbegrip van de buitenaanleg van de oppervlakten waarop de wijziging betrekking heeft, los staan van deze procedure, die slechts betrekking heeft op een wijziging van het GBP; Dat deze opmerking derhalve zal worden beantwoord in het kader van de speciale regelen van openbaarmaking die worden georganiseerd tijdens de procedure voor het onderzoek van de vergunningsaanvragen die vereist zijn voor de verwezenlijking van het project. GEBREK AAN INFORMATIE EN COMMUNICATIE Overwegende dat de Gewestelijke Mobiliteitscommissie (GMC) betreurt niet voldoende te zijn geïnformeerd over de ontwikkeling van het project van de Noord-Zuid-verbinding; Dat ze het gebrek aan informatie in het algemeen betreurt; Overwegende dat de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie (GOC) ook het gebrek aan voorafgaande informatie, zowel aan de burgers als aan de instanties, vermeldt en betreurt dat dit leidt tot een vorm van ambiguïteit waarbij instanties en actoren van het proces zich moeten uitspreken over een tracé zonder informatie over de reorganisatie van het netwerk; Dat ze de Brusselse Hoofdstedelijke Regering oproept om haar op korte termijn een globaal perspectief met de verschillende aspecten voor te leggen van het project voor de verbinding Albert - Bordet; ANTWOORD Overwegende dat de Regering kennis neemt van het bezwaar van de GMC en de GOC; Dat zij er echter aan herinnert dat het ontwerp tot wijziging van het GBP niet de bedoeling heeft de technische aspecten van het project van de Noord-Zuidverbinding rechtstreeks te behandelen; Dat zij benadrukt dat de GMC en de GOC te gepasten tijde over het ontwerp zijn geraadpleegd als adviesorgaan; Dat het ontwerp tot wijziging van het GBP het voorwerp heeft uitgemaakt van presentaties tijdens de zitting en vragenrondes op 18 september 2017 (GMC) en 18 januari 2018 (GOC); Dat de tussenkomst van de GMC, net als die van alle organen die in het kader van deze procedure werden geraadpleegd, opnieuw berust op de strikte naleving van de toepasselijke bepalingen van het BWRO; Overwegende dat de gemeente Schaarbeek en enkele reclamanten de gebrekkige informatie van het Gewest rond het project betreuren; Overwegende dat enkele reclamanten betreuren dat er rond de betrokken sites geen specifieke publiciteit voor het project is voorzien, terwijl het project de door de teksten bepaalde modaliteiten van openbaarmaking wel heeft nageleefd; Dat ze zich erover verbazen dat op de speciaal daarvoor voorziene website "metro3.be" geen melding is gemaakt van het ontwerp tot wijziging van het GBP; Dat ze betreuren dat de informatie- en consultatiesessies van het publiek tot een minimum zijn beperkt en dat de projectindieners er niet op aanwezig waren, te meer omdat de wijziging niet zal worden voorgelegd aan een overlegcommissie; Overwegende dat een reclamant het gebrek aan informatie over het project betreurt, waarmee de burgers zich over het project zouden kunnen uitspreken; Dat deze reclamant zich erover verbaast dat zelfs enkele instanties klagen over een gebrek aan informatie; Dat hij betreurt dat het gewestelijke bestuur belast met de territoriale planning heeft geweigerd het ontwerp tot wijziging voor te stellen tijdens openbare vergaderingen die door een gemeente en een vereniging zijn georganiseerd; ANTWOORD Overwegende dat de modaliteiten voor de organisatie van het openbaar onderzoek en de lijst van documenten die aan dit onderzoek moeten worden onderworpen door het BWRO zijn bepaald; dat deze bepalingen nauwlettend werden nageleefd in het kader van deze procedure. Overwegende dat een reclamant stelt dat het gebrek aan management de ontwikkeling van openbaarvervoersinfrastructuren in Brussel bemoeilijkt; Dat hij wijst op de geleidelijke oplossing van de kennis en vaardigheden, en het verlies van invloed van Brussel Mobiliteit, en dat hij het gebrek aan supervisie op hoog niveau, die in staat is dat soort projecten in goede banen te leiden, betreurt; ANTWOORD Overwegende dat deze procedure tot doel heeft het GBP te wijzigen; dat ze onder de bevoegdheid van de Regering valt door toepassing van artikelen 25 tot 27 van het BWRO; Dat de wijziging van het plan daarom niet automatisch de uitvoering van de beoogde verbindingswerken met zich meebrengt, aangezien een stedenbouwkundige vergunning moet worden verkregen die onderworpen is aan een effectenstudie; Overwegende dat de Regering verduidelijkt dat het ontwerp tot wijziging van het GBP zich beperkt tot het wijzigen van de kaarten van het bodembestemmingsplan en de analyse van de milieu-impact van deze wijzigingen; Dat zij benadrukt dat de milieueffecten van de technische aspecten van het verbindingsproject op zich gedetailleerd zullen worden bestudeerd in het kader van andere procedures, waaronder met name de aanvragen van de stedenbouwkundige vergunning die worden ingediend voor de uitvoering van de vereiste werken; Dat zij met name beklemtoont dat de indiening van een aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning ressorteert onder het BWRO, met name wat de voorstelling van de concrete inhoud van het project en de participatie van burgers, gemeenten en andere gewestelijke actoren betreft; Dat zij voor het ontwerp tot wijziging van het GBP de wetgeving en de verplichtingen inzake openbaarmaking heeft gevolgd; Dat de instanties, gemeenten en burgers werden uitgenodigd om zich uit te spreken overeenkomstig de modaliteiten die zijn vastgelegd in het BWRO en het besluit van 23 november 1993 met betrekking tot openbare onderzoeken; Dat zij meer gedaan heeft dan verplicht op het gebied van openbaarmaking en participatie, vooral wat de aankondiging van het openbaar onderzoek via radio, televisie en pers betreft, en de mogelijkheid geboden heeft bezwaarschriften in te dienen gedurende een termijn van 60 dagen buiten schoolvakanties, met name door aankondiging van het onderzoek op de websites van het Gewest en de verspreiding van video's via het YouTube-kanaal van het Bestuur (Perspective); Dat de Regering overigens niet kan instaan voor mededelingen die worden gedaan door derden; Dat het in dat opzicht niet correct is het Gewest een gebrek aan communicatie te verwijten; Dat de Regering ten slotte van mening is dat de opmerkingen met betrekking tot het beheer van het project van de Noord-Zuidverbinding subjectief zijn en niets te maken hebben met het GBP. PARTICIPATIE Overwegende dat de Economische en Sociale Raad wijst op het engagement van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering om in een vroeg stadium overleg te plegen over de grote projecten inzake mobiliteit; Overwegende dat enkele reclamanten herinneren aan de belofte van de minister van Mobiliteit om tewerk te gaan op basis van een participatief proces waardoor ook het eindproject Rigasquare nog kon worden gewijzigd; Overwegende dat de gemeente Evere vraagt dat werk wordt gemaakt van burgerparticipatie in het kader van de inrichting van de stationsomgevingen; ANTWOORD Overwegende dat de Regering eraan herinnert dat deze inrichtingsprojecten onderworpen zijn aan de SRO en aan overleg overeenkomstig de in het BWRO vastgelegde modaliteiten. Diversen ONDERGRONDSE HANDELSZAKEN Overwegende dat de gemeente Schaarbeek zich verzet tegen de inrichting van ondergrondse winkelruimten, die concurrentie zouden zijn voor het bovengrondse aanbod; ANTWOORD Overwegende dat de Regering eraan herinnert dat het GBP de bestemming van de ondergrond niet regelt; Dat deze kwestie moet worden geregeld in het kader van de latere vergunningsprocedures. IMPACT OP DE GEMEENTEN Overwegende dat de gemeente Sint-Gillis benadrukt dat het ontwerp tot wijziging van het GBP een principiële administratieve stap vormt die het project van de Noord-Zuidverbinding van het openbaar vervoer mogelijk maakt; Dat ze erop wijst dat dit geen rechtstreekse impact heeft op het gemeentelijke grondgebied en dat de concrete impact van de inrichtingen die vereist zijn voor de realisatie van het verbindingsproject zal worden onderzocht in het kader van de aanvragen van een stedenbouwkundige vergunning (SV); Dat ze stelt dat het project reeds ver gevorderd is aangezien de MIVB een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning heeft ingediend voor het project van het station Grondwet, met daarbij een milieueffectenonderzoek waarvan het eindrapport niet afgewerkt is; ONZEKERHEDEN VAN HET PROJECT/VERZOEK OM AUDIT Overwegende dat een reclamant vindt dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor een dilemma staat; Dat hij de gewestelijke ambitie ondersteunt om rationeel te investeren in zware infrastructuur wanneer dit gerechtvaardigd is; Dat hij de avontuurlijke kant van het project benadrukt, zowel wat de uitvoering, de financiering als de gevolgen ervan op andere infrastructuurprojecten in het Gewest betreft; Dat hij de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aanraadt om een audit van dit project te laten uitvoeren door een instelling of een groot internationaal bureau, vergelijkbaar met deze die het rendement garanderen van de grote internationale investeringen; ANTWOORD Overwegende dat de gedurende het openbaar onderzoek geformuleerde opmerkingen over de concrete aspecten van de uitvoering van het project en met name met betrekking tot de financiering van de realisatie van de Noord-Zuidverbinding geen betrekking hebben op deze procedure, die enkel tot doel heeft het GBP te wijzigen; Dat sommige van deze opmerkingen zullen worden beantwoord in het kader van de speciale regelen van openbaarmaking die worden georganiseerd tijdens de procedure voor het onderzoek van de vereiste vergunningsaanvragen voor de verwezenlijking van het project; Dat de conclusies over deze thema's die zijn voortgevloeid de milieueffectenstudie worden overgelaten aan het oordeel van de Regering, via haar gemachtigde ambtenaar. BEHEER VAN DE WERVEN Overwegende dat de gemeente Evere wenst dat gevolg wordt gegeven aan haar aanbevelingen, met name betreffende de stedelijke integratie van het project en het beheer van de werven, om de kwaliteit van het project te maximaliseren en de impact ervan op de inwoners te minimaliseren; ANTWOORD Overwegende dat de Regering eraan herinnert dat het ontwerp enkel betrekking heeft op de wijziging van de kaarten 3 en 6 van het GBP; Dat zij benadrukt dat de preciezere effecten van de bouwwerken en de inplanting van de infrastructuren voor de openbaarvervoerlijnen in afzonderlijke baan zullen worden bestudeerd in het kader van de latere aanvragen van een stedenbouwkundige vergunning. LATERE STAPPEN Overwegende dat de Gewestelijke Mobiliteitscommissie wenst mee te helpen met het opstellen van een bestek voor de impactstudie in verband met de stedenbouwkundige vergunning voor de uitvoering van het project; Dat ze vraagt dat de participatie en de consultatie van het publiek worden uitgebreid; Dat ze zal toezien op het afstemmen van de inrichtingsperimeters rond de stations op de grondinname van de stations, met het oog op een kwaliteitsvolle inrichting van de openbare ruimte, het beheer en het onderhoud van de nieuw aangelegde openbare ruimten en voorzieningen; ANTWOORD Overwegende dat het aan openbaar onderzoek onderworpen ontwerp betrekking heeft op het GBP; Dat de uitvoering daarvan onderworpen is aan vergunningsaanvragen en effectenstudies en aan speciale regelen van openbaarmaking; Dat het BWRO en de bijbehorende uitvoeringsbesluiten alsmede de milieuwetgeving de afgifte van deze vergunningen nauwgezet regelen, evenals de inhoud van de milieueffectenstudies; Dat de Regering eraan herinnert dat de opdrachtgever een openbare dienst is en dat de realisatie van de Noord-Zuidverbinding noodzakelijk is om te beantwoorden aan de openbaredienstverplichting van openbaar vervoer en om het algemeen nut te dienen; Overwegende, ten slotte, dat inzake de deelname van de GMC aan de uitwerking van het bestek voor de milieueffectenstudies die zullen worden uitgevoerd in het kader van de aanvragen van een stedenbouwkundige vergunning, de uitwerkingsprocedure wordt bepaald door artikel 130 van het BWRO; Dat de vraag dus geen betrekking heeft op de huidige procedure tot wijziging van het GBP. VORIGE ADVIEZEN OVER DE PROJECTEN Overwegende dat de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen de adviezen vermeldt die zijn uitgebracht in het kader van de projecten die onderdeel zijn van het project van de Noord-Zuidverbinding; Dat ze eraan herinnert dat deze adviezen betrekking hadden op het station Grondwet, het centrale stuk in het deel dat betrokken is bij de heraanleg van de centrale lanen; Dat ze haar belangstelling bevestigt om te worden betrokken bij de uitwerking van het tunnelproject Noord-Bordet; Overwegende dat de gemeente Anderlecht verwijst naar haar advies over de gedeeltelijke wijziging van het "demografische" GBP; ONAFHANKELIJKHEID Overwegende dat een reclamant meent dat de auteur van het MER niet de volledige impact van het project van de Noord-Zuidverbinding analyseert; Dat hij erop wijst dat deze tekortkoming hem niet kan worden verweten omdat die te maken heeft met het ontbreken van overdracht, de onvolledige overdracht van informatie en van eerdere studies; Dat hij deze tekortkoming met name vaststelt in de analyse van het station Grondwet en van het daaraan gekoppelde tracé; Dat hij eraan herinnert dat de studie van zware infrastructuurprojecten moet voldoen aan criteria inzake helling, boogstralen, snelle omschakeling en geen stopzetting van de activiteit; Dat hij daaruit zou kunnen afleiden dat de MIVB de informatie die aan de studiebureaus en besluitvormers moet worden overgemaakt uitkiest; Dat hij erop wijst dat de voorstellen van investeringen alternatieven moeten voorzien, door desgevallend de redenen van de weigering ervan toe te lichten; Dat hij het in dit verband verleidelijk vindt voor ontwerpers om zich in de plaats te stellen van verkozenen, via overdracht of achterhouding van informatie, om een beslissing te nemen over de alternatieven die moeten worden weerhouden of verworpen; Dat deze praktijken kunnen leiden tot foute ontwerpen of vermijdbare meerkosten; Dat hij wijst op het precedent tijdens de werf voor het station Beekkant of initiatieven waarover geen overleg werd gepleegd voor de uitbreiding van het metronet in de jaren 1970; Overwegende dat een reclamant behalve een betere controle van de engineeringsorganen ook de transparantie ervan eist en de naleving van de voorschriften in de studie van de projecten van de Noord-Zuidverbinding; Overwegende dat enkele reclamanten zich erover verbazen dat het MER uitgaat van studies die zijn uitgevoerd door het bedrijvenconsortium Bureau Metro Nord (BMN); Dat ze menen dat BMN is beïnvloed door de samenstelling ervan (aanwezigheid van bedrijven die actief zijn in de metrobouw, het boren); Dat ze zich erover verbazen dat deze studies niet bij het MER zijn bijgevoegd; Dat ze twijfels hebben bij de onafhankelijkheid en objectiviteit van deze gegevens, rekening houdend met de aard van het bureau BMN, ook al staat het studiebureau van het MER niet ter discussie; Dat ze vinden dat elke voorstudie over de opportuniteit, de haalbaarheid, de keuze van de tracés, de alternatieven, de keuze van technieken bij het MER zou moeten worden gevoegd; Overwegende dat enkele reclamanten vragen om een volledig onafhankelijke studie te laten uitvoeren over de verschillende manieren om het openbaar vervoer, en met name lijn 55, te verbeteren; Overwegende dat een reclamant verbaasd was over de verklaring van een minister bevoegd voor de Beliris-fondsen, die erop wees dat de diameter en de diepte van de tunnel al vastlagen; Dat hij vindt dat de studie van BMN uitgaat van verklaringen zonder die objectief af te wegen; Dat hij er bovendien op wijst dat de achterliggende techniek duurder zou zijn; Dat hij het voorbeeld geeft van de Grand Paris Express die met dezelfde techniek werd uitgevoerd en waarvan de kostprijs bij de start van de werken al 25% hoger zou zijn begroot dan aanvankelijk was voorzien; ANTWOORD Overwegende dat de Regering zichzelf volledig geïnformeerd acht door de meningen en bezwaarschriften alsook door het milieueffectenrapport en zich in staat acht om definitief te beslissen over de wijziging van het GBP; Overwegende dat de auteur van het MER werd aangeduid volgens de voorschriften van het BWRO; Dat zijn aanstelling is gebaseerd op zijn technische vaardigheden, dat hij onafhankelijk en volledig verantwoordelijk is voor zijn documenten; Dat de auteur van het MER zijn analyse heeft gebaseerd op meerdere bronnen die in het MER worden vermeld, alsook op zijn expertise, en dat hij in zijn conclusies geen reserves heeft geuit over eventuele factoren die de betrouwbaarheid van de onderliggende gegevens kunnen aantasten; Dat, zonder afbreuk te doen aan de problematiek van de intellectuele-eigendomsrechten die met name hun communicatie beschermen, deze externe studies niet kunnen worden beschouwd als deel van het MER maar moeten worden beschouwd als documentatiebronnen die de auteur van het MER kritisch en geargumenteerd heeft gelezen om hun relevantie en nauwkeurigheid te beoordelen; Dat de Regering erop toeziet dat alle wettelijke en reglementaire procedures voor deze wijziging van het GBP worden nageleefd; Dat het bezwaarschrift dus niet gegrond is. MER METHODOLOGIE Overwegende dat enkele reclamanten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering verwachten dat het MER wordt overgedaan, rekening houdend met de ontvangen opmerkingen; Overwegende dat de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen het waardeert dat het MER zich buigt over structurerende ruimten; Overwegende dat de gemeente Schaarbeek wijst op enkele foutieve of te relativeren vermeldingen : - Aantal in Mediapark voorziene inwoners
(3000)in 2030, - Vervroegde effectieve beperking van de inkomende capaciteit van de E40 vanaf 2022 in plaats van 2040, - Zeer dicht verzorgingsgebied THDN RES dat overigens al wordt bediend; ANTWOORD Overwegende dat de Regering akte neemt van de verduidelijkingen van de gemeente over het MER en van oordeel is dat deze geen invloed hebben op haar conclusies. Overwegende dat de gemeente Anderlecht had gewild dat het MER, met name voor het station Grondwet, behalve van de reeds bekende elementen ook zou uitgaan van terreingegevens om de relevantie ervan te kruisen en te controleren; ANTWOORD Overwegende dat de auteur van het MER in zijn analyse rekening heeft gehouden met alle beschikbare bronnen, met name de nota's, rapporten en technische elementen die zijn aangereikt door de actoren die betrokken zijn bij het project van de Noord-Zuidverbinding maar ook de laatste statistische gegevens die via de Wijkmonitoring ter beschikking worden gesteld. Overwegende dat de gemeente Anderlecht eraan herinnert dat het GBP de bestemming van de grond moet bepalen en dat het project, door het creëren van mobiliteitspolen, de bestemming zal beïnvloeden; Dat ze liever had gehad dat het MER de impact van de bouw van nieuwe stations op het vlak van bodembestemming zou bestuderen en met name op het gebied van het Zuidstation dat aan de gemeente grenst; ANTWOORD Overwegende dat het ontwerp kaart nr. 6 van het GBP gedeeltelijk wijzigt; Dat deze kaart de openbaarvervoerlijn in afzonderlijke baan en de mogelijke plaatsen van de stations bepaalt; Dat de plaatsen van de stations slechts indicatief worden aangeduid; Dat voorschrift 0.13 van het GBP het volgende bepaalt : "De ondergrondse infrastructuurwerken mogen geen afbreuk doen aan de bestemming van de terreinen waarop de werken worden uitgevoerd en waarop die bovengrondse infrastructuren niet aanwezig zijn"; Dat het MER de potentiële effecten van het tracé in het algemeen heeft bestudeerd; Dat erop zal worden toegezien dat de effecten van de uitvoering van het project worden bestudeerd en harmonieus passen in het bestaande stadsweefsel. Overwegende dat enkele reclamanten zich vragen stellen bij de afweging van de criteria om het tracé te bepalen, ten koste van alternatieven; Dat ze het sociale aspect enorm vinden maar dat weinig argumenten worden aangedragen ter motivering van het (ondergrondse) project wat het criterium mobiliteit betreft; ANTWOORD Overwegende dat de studiemethode duidelijk uitgelegd wordt in hoofdstuk 3 van het MER; Dat deze methode is gevalideerd door het Begeleidingscomité; Dat het MER evenwichtig alle thema's van bijlage C van het BWRO behandelt; Dat de Regering na de afweging van de criteria ten opzichte van elkaar, ten volle geïnformeerd beslist over het project op basis van de informatie die het MER verstrekt. Overwegende dat enkele reclamanten erop wijzen dat er in de Nederlandstalige versie van het MER in de legendes/toelichtingen bij de figuren Franse tekst staat, wat de leesbaarheid van de tekst niet vergemakkelijkt; ANTWOORD Overwegende dat deze aanduidingen echter zeer beperkt zijn en dat het ontbreken van een vertaling geen enkel probleem vormt voor de verstaanbaarheid voor het publiek of de overheid. Overwegende dat de Gewestelijke Mobiliteitscommissie en enkele reclamanten zich vragen stellen bij de modale verschuiving zoals geanalyseerd door het MER; Overwegende dat de Gewestelijke Mobiliteitscommissie en enkele reclamanten zich niet kunnen vinden in de bewering van het MER dat het ontwerp tot gedeeltelijke wijziging van het GBP het modale aandeel van het wegvervoer zou verminderen ten voordele van het openbaar vervoer, wat moet helpen om de parkeergelegenheid te verbeteren; Overwegende dat de GOC opmerkt dat het GBP niet het juiste instrument is om te bepalen welke aanvullende maatregelen moeten worden genomen (stedelijke tolheffing, slimme kilometerheffing, tariefintegratie ...) om het verkeer en de congestie te verminderen en de modale verschuiving te bevorderen; Dat ze benadrukt dat het MER aantoont dat het project van de Noord-Zuidverbinding op zich slechts een beperkt effect heeft op de modale verschuiving, de congestie of de broeikasgasemissies (BKG) en bijgevolg aanbeveelt om de vereiste begeleidende maatregelen te nemen om de toename van de verkeerscongestie te beperken; ANTWOORD Overwegende dat de auteur van het MER heeft gewerkt op basis van de beschikbare gegevens, de vastgestelde tendensen en de ontwikkelingen die worden aangegeven in de gewestelijke plannen en programma's; Dat elke berekening of raming van de modale verschuiving in verschillende termijnen gebonden is aan onzekerheid en onvoorspelbaarheid; Dat de Regering alle vrijheid behoudt om aanvullende maatregelen te nemen op het gebied van mobiliteit maar dat deze moeten worden gezien in het kader van een daadwerkelijke Noord-Zuidverbinding van het openbaar vervoer; Dat de conclusies van het MER ondanks deze variatie gegrond zijn en de Regering dus in staat stellen om zich uit te spreken met kennis van zaken. Overwegende dat de gemeente Schaarbeek de aanbevelingen uit het hoofdstuk Stedenbouw ("het project licht wijzigen) en die uit het hoofdstuk Fauna-Flora ("het tracé of de uitvoeringswijze ervan herbekijken") incoherent vindt; ANTWOORD Overwegende dat de auteur van het MER heeft gewerkt volgens de criteria van bijlage C van het BWRO; Dat deze werkwijze inhoudt dat de auteur van het MER aanbevelingen formuleert om de negatieve milieueffecten van het project voor elk van de geanalyseerde thema's weg te werken, te beperken of te compenseren; Dat het aan de Regering is om knopen door te hakken wanneer de aanbevelingen voor verschillende thema's elkaar tegenspreken; Dat het daarvoor belangrijk is dat de Regering ten volle geïnformeerd is en de aanbevelingen tegenover elkaar kan afwegen; Dat de aanwezigheid van incoherent geachte aanbevelingen in dat opzicht geen zwak punt van het MER is maar, integendeel, een kwaliteitsgarantie in de mate dat het de Regering objectieve en volledige informatie verstrekt voor elk van de geanalyseerde sectoren. Overwegende dat enkele reclamanten erop wijzen dat de daling van het modale aandeel van de personenwagens zoals aangegeven in het besluit niet relevant is maar dat de autodruk zou moeten worden aangetoond op basis van de indicator van het aantal afgelegde kilometers; ANTWOORD Overwegende dat het ontwerp tot wijziging van het GBP van toepassing is op de kaarten 3 (bodembestemming) en 6 (openbaar vervoer); Dat het de taak van de auteur van het MER is om een voor het publiek duidelijk en begrijpelijk referentiekader te hanteren; Dat deze grootheid gebruikt is in het ontwerp van GPDO, het planologisch document dat door de Regering is goedgekeurd in oktober 2016; Dat de analyse in het MER het bovendien mogelijk maakt de relatieve en absolute cijfers te vergelijken; Dat de analyse van het MER daarom niet minder ter zake dienend is en de Regering in staat stelt zich weloverwogen uit te spreken over het ontwerp en de gevolgen ervan voor het milieu. Overwegende dat een reclamant erop wijst dat het project en zijn MER niet voldoende rekening houden met de complementariteit met andere aanbieders van openbaar vervoer (cfr. spoorwegnet/De Lijn); Overwegende dat de Gewestelijke Mobiliteitscommissie betreurt dat bij de analyse van de verplaatsingstijden geen onderscheid is gemaakt tussen het lokale (lokale korte bediening) en het gewestelijke gebruik van de toekomstige lijn en dat ze de Brusselse Hoofdstedelijke Regering wijst op de noodzaak om zo efficiënt mogelijke verbindingen te organiseren, met name voor de gebruikers uit het zuiden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, die (nog) geen gebruik kunnen maken van een hoogperformante verbinding; Dat de GOC opmerkt dat het hoogperformante aanbod een grote efficiëntie mogelijk maakt voor verplaatsingen over middellange en lange afstand maar het lokale aanbod in gevaar kan brengen; Dat ze dus vraagt dat van de gelegenheid gebruik wordt gemaakt om het aanbod te herzien opdat het bovengrondse net complementair wordt aan het ondergrondse en aan de lokale behoeften voldoet; Overwegende dat enkele reclamanten erop wijzen dat met name tram 55 tegemoet komt aan een lokale vraag waarop het metro-aanbod geen antwoord zou bieden; Dat ze vinden dat het MER : - niet voldoende oplossingen onderzoekt voor de problemen met de trajecten van het bovengrondse openbaar vervoer; - de sociale en genderspecifieke rol van lijn 55 niet objectiveert; - het aandeel van de lokale en lange trajecten van de gebruikers van tram 55 niet bestudeert; - onvoldoende de impact van het schrappen van lijn 55 op de handelszaken rond Helmet en in de buurt van het tracé evalueert, met name rekening houdend met het (ondergrondse) project; - geen bovengrondse tracés tussen Liedts en Noord analyseert en toch besluit dat het bovengrondse alternatief "zeer moeilijk te beheren is", en dat het MER bijgevolg niet de sleutelelementen aanreikt voor de besluitvorming; - de bovengrondse alternatieven vertekent door betwistbare criteria te gebruiken zoals het dubbele spoor van 7 m (zie standpunt van de MIVB over het vicom-programma), de noodzaak om naar brede trams over te stappen terwijl het huidige materiaal kan worden geoptimaliseerd; ANTWOORD Overwegende dat de Regering uitlegt dat deze wijziging van het GBP en zijn MER betrekking hebben op een tracé en de bestemming van enkele percelen in het Gewest; Dat overeenkomstig bijlage C van het BWRO het MER de gevolgen van het ontwerp, met name het gebruik, de stedenbouw, de mobiliteit moet bestuderen met het oog op het project; Dat het ontwerp als dusdanig geen precieze overwegingen met betrekking tot de techniek of de exploitatie bevat, maar dat de analyse in het MER gebaseerd is op het gebruik van normaal en beschikbaar rollend materieel; Dat het beheer en de exploitatie van de openbaarvervoerlijnen die een aansluiting of verbinding vormen met de geplande verbinding, niet moeten worden behandeld in het GBP; Dat de analyse van het MER niet alleen is gebaseerd op eigen berekeningen en studies, maar ook op een aanvullend onderzoek en een analyse van lijn 55; Dat het MER de reizigersbezetting van lijn 55 bestudeert; Dat de gebrekkige werking van tramlijn 55 wordt bevestigd door de werken en expertises (cf. MER p. 26, hoofdstuk 5). Dat een reclamant er bovendien op wijst dat de MIVB ervan afziet om trams van 2,65m breed in te zetten; ANTWOORD Overwegende dat hoofdstuk 3 van het MER verduidelijkt dat de analyse geen betrekking heeft op tramstellen van 2,65 m breed (hun inbedrijfstelling binnen de projecthorizon is niet geloofwaardig en zou belangrijke gevolgen inhouden), maar gebaseerd is op de best presterende beschikbare tramstellen van 2,3 m breed; Dat het bezwaarschrift is zonder voorwerp. Dat een reclamant overigens vaststelt dat de inrichtingen voorzien in het MER, door rekening te houden met de norm van 7 m breedte, niet overtuigend zijn omdat auto's en fietsers op die manier verplicht zijn om samen de restruimte op de weg te gebruiken; ANTWOORD Overwegende dat het MER voor deze hypothese rekening heeft gehouden met een gedeelde verkeersruimte voor fietsers en auto's; Dat deze hypothese theoretisch is en niet de effectieve inrichting van de weg veronderstelt, die niet onder deze wijziging van het GBP valt; Dat het wenselijk is om redelijke hypothesen voor bovengrondse alternatieven te bestuderen, waaronder de mogelijkheid van een tramlijn op de bestaande weg. Dat een reclamant vraagt dat de beoordeling van de THDN-alternatieven opnieuw wordt bestudeerd op basis van een afzonderlijke baan met een breedte van 6 m in plaats van de 7 m waarmee in het MER rekening wordt gehouden; ANTWOORD Overwegende dat de Regering van plan is een hoogperformante verbinding van het openbaar vervoer te creëren; Dat het spoorvervoer derhalve moet worden afgeschermd van verkeershinder; Dat het MER in de analyse van de bovengrondse alternatieven een breedte van 7 m als uitsluitend criterium heeft gehanteerd voor de mogelijkheid een afzonderlijke baan te creëren, teneinde een toereikende reissnelheid te garanderen; Dat de Regering het bovendien in de context van een toenemende mobiliteitsvraag nuttig acht om rekening te houden met de omschakeling op termijn van de bovengrondse infrastructuur naar bredere tramstellen (2,65 m), die in de centrale sectie een grondinname van 7 m vereisen; Dat de realisatie van bovengrondse alternatieven in deze hypothese wordt beschouwd als duurzaam en daarbij derhalve rekening moet worden gehouden met deze evolutie; Dat het gezien de toekomstige uitbreidingen en de in te plannen capaciteitsreserves niet opportuun is dat het MER zijn analyse beperkt tot een bedding van 6 m. Overwegende dat enkele reclamanten menen dat de studie de capaciteit van lijn 55 artificieel beperkt, uitgaande van de ratio van 3 personen/m², dat ze verwijzen naar de studie STRATEC waaruit blijkt dat de capaciteit van de lijn voldoet aan die van een THDN; Dat ze erop wijzen dat de verzadiging van 55 tijdens de ochtendspits nog niet is bereikt volgens het criterium van 3 personen/m²; Dat éen reclamant ervan uitgaat dat het cijfer van 3 reizigers per m² uit IRIS 2 overdreven is, dat het tot dan toe weerhouden gemiddelde 7 personen per m² bedroeg; Dat dit cijfer volgens hem exorbitante gevolgen zou hebben; ANTWOORD Overwegende dat het ontwerp betrekking heeft op een wijziging van het GBP; Dat de Regering het plan IRIS 2 het statuut van Gewestelijk Mobiliteitsplan heeft gegeven; Dat dit plan 3 reizigers/m² aanbeveelt; Dat deze ratio geen veronderstelling inhoudt voor het werkelijke gebruik van de spoorstellen; Dat het echter logisch is dat de projecten van het Gewest de ratio's in acht nemen die worden aanbevolen in de eigen plannen van het Gewest; Dat het MER hoe het ook zij een vergelijkbare analyse maakt van de theoretische capaciteit van de verschillende mogelijke voertuigen; Dat het derhalve de Regering in staat stelt een beslissing te nemen met kennis van zaken. Overwegende dat een reclamant benadrukt dat het MER heeft vastgesteld dat het verzadigingspunt van de bestaande trams maar één enkele keer per spitsuur wordt bereikt; ANTWOORD Overwegende dat het MER een theoretische analyse van het aanbod maakt, teneinde een vergelijking van de verschillende alternatieven mogelijk te maken; Dat het cijfers bevat waarmee de omvang van de overbelasting van de huidige tram 55 alsook zijn reissnelheid en regelmaat kunnen worden beoordeeld. Overwegende dat een reclamant meent dat de argumenten die worden aangehaald in het MER om aan te tonen dat een verbetering van de prestaties van lijn 55 niet mogelijk zou zijn, niet aansluiten bij de verbintenissen van het Gewest op het vlak van modale verschuiving en het voorrang geven aan het openbaar vervoer; ANTWOORD Overwegende dat het ontwerp betrekking heeft op een wijziging van het GBP; Dat de Regering zich heeft uitgesproken voor een hoogperformante verbinding van het openbaar vervoer; Dat dit een gewestelijk belang vertegenwoordigt; Dat het MER verscheidene alternatieven heeft bestudeerd, waaronder bovengrondse alternatieven; Dat het MER aantoont dat, gezien het prestatievermogen en de ontwikkelingscapaciteit van tramlijn 55, een aanpassing alleen niet kan volstaan om te voldoen aan de criteria inzake prestaties en aanbod; Dat bovendien de aanvullende maatregelen voor de uitvoering van het verbindingsproject pas later zullen worden genomen, met name om de doelstellingen van de Regering inzake modale verschuiving te bereiken. Overwegende dat enkele reclamanten menen dat de stelling van het MER met betrekking tot de verzadiging van de tram op het stuk Noord-Zuid niet klopt, met name rekening houdend met de exploitatie van het stuk Albert-Zuid; Dat ze erop wijzen dat geen rekening zou zijn gehouden met de telling van het aanbod van lijn 51 (dat trouwens kan worden verhoogd door materieel met meer capaciteit); Dat ze het noodzakelijk vinden om de beschikbare extra capaciteit te bestuderen via betere technieken tegen 2030; Overwegende dat de bovengrondse netwerken in het noorden volgens een reclamant een capaciteitsreserve zouden kunnen hebben, dat de exploitatie ervan de uitbouw van een netwerk richting noorden niet zou beletten; ANTWOORD Overwegende dat het ontwerp betrekking heeft op een wijziging van het GBP; Dat de Regering zich heeft uitgesproken voor een hoogperformante verbinding voor het openbaar vervoer; Dat dit een gewestelijk belang vertegenwoordigt; Dat het MER verschillende alternatieven heeft bestudeerd, met inbegrip van bovengrondse alternatieven, maar ook de capaciteitsreserves van de bovengrondse netten in het noorden; Dat de studie van het intermodaal vervoer oneindig kan zijn, zeker als men ook een wedersamenstelling van het vroegere of actuele MIVB-net in aanmerking neemt; Dat het niet ondenkbaar is dat de technische vooruitgang het mogelijk maakt de frequentie of de prestaties van de MIVB-dienst te verhogen; Dat het project een voldoende aanbod garandeert in een context van sterke belasting van de infrastructuur tijdens de spitsuren, demografische groei en behoeft aan mobiliteit; Dat het MER er derhalve op gericht is redelijke alternatieven te vergelijken met het doel de Regering in staat te stellen met kennis van zaken een besluit te nemen. Overwegende dat de gemeente Schaarbeek wijst op een ongerijmdheid in de MER-studie, over de evaluatie van de grondinname van de stations waarvan de conclusies op het vlak van bodembestemming en aanbevelingen uiterst gelokaliseerd zijn; Dat ze vraagt dat de methodologie wordt herbekeken; ANTWOORD Overwegende dat de auteur van het MER een studiemethode heeft voorgesteld die vervolgens werd goedgekeurd door het Begeleidingscomité; Dat het belangrijk is eraan te herinneren dat in het GBP de lokalisatie van de stations slechts als aanwijzing geldt; Dat deze methode een uniforme aanpak voorziet inzake de analyse van de impact op het vastgoed, namelijk een vermoedelijke grondinname van de stations op basis van een rechthoek van 200 m x 50 m; Dat volgens de analyse van de auteur van het MER er een voldoende geacht gedeelte openbare ruimte beschikbaar is binnen deze rechthoeken voor de uitvoering van de stations; Dat het MER een indicatieve aanduiding bevat van het aantal bomen dat mogelijk getroffen wordt door de uitvoering van de stations, volgens dezelfde benadering; Dat de studie van de precieze effecten van de uitvoering van het project zal worden uitgevoerd in het kader van latere stedenbouwkundige procedures; Dat de Regering zich voldoende en volledig geïnformeerd acht over de mogelijke effecten van het project om een weloverwogen besluit te nemen over deze wijziging van het GBP. Overwegende dat enkele reclamanten menen dat de ligging van het station Linde niet geschikt is om de stromen aan te kunnen; ANTWOORD Overwegende dat de Regering eraan herinnert dat deze wijziging van het GBP met name betrekking heeft op de gedeeltelijke wijziging van het tracé van de openbaarvervoerlijn in afzonderlijke baan Dat de lokalisatie van de stations op kaart 6 bovendien louter als aanwijzing geldt; Dat de precieze kenmerken van de stations en hun stedelijke inpassing zullen worden bepaald na de procedure van de stedenbouwkundige vergunning, gekoppeld aan een milieueffectenstudie en speciale regelen van openbaarmaking; Dat deze elementen bijgevolg moeten worden bestudeerd in de loop van deze latere procedures. Overwegende dat enkele reclamanten menen dat het MER van het project de schadelijke gevolgen van het project dermate minimaliseert, dat er zeer vermoedelijk wel een verborgen agenda moet zijn; Dat ze menen dat het gelokaliseerde karakter geen afbreuk doet aan het verwaarloosbare karakter; STUDIE VAN DE VOORSCHRIFTEN 27.6 Overwegende dat de gemeente Schaarbeek erop wijst dat het MER voorschrift 27.6 van het GBP (aanleg van een openbaarvervoerlijn in afzonderlijke baan tussen