Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Decreet betreffende de mediadiensten en de filmvoorstellingen

Kort samengevat

Dit decreet regelt mediadiensten en filmvoorstellingen in de Duitstalige Gemeenschap, en zet hiervoor gedeeltelijk Europese richtlijnen om. Het heeft betrekking op audiovisuele en auditieve mediadiensten, elektronische communicatienetwerken en -diensten, en consumentenapparatuur.

Wat het reguleert

  • Mediadiensten, zowel audiovisueel als auditief.
  • Het aanbieden van elektronische communicatienetwerken en -diensten voor mediadiensten.
  • Consumentenapparatuur voor de ontvangst van lineaire audiovisuele en auditieve mediasignalen.
  • Consumentenapparatuur met interactieve functies voor filmvoorstellingen in het Duitse taalgebied.

Wie het aanbelangt

  • Het Belgisch Radio- en Televisiecentrum van de Duitstalige Gemeenschap.
  • Aanbieders van mediadiensten die in het Duitse taalgebied zijn gevestigd.
  • Ondernemingen die openbare elektronische communicatienetwerken en -diensten aanbieden in de Duitstalige Gemeenschap.
  • Ondernemingen die nieuwe voertuigen van categorie M te koop of te huur aanbieden in de Duitstalige Gemeenschap.

Kernpunten

  • Het decreet zet gedeeltelijk drie Europese richtlijnen om: Richtlijn (EU) 2018/1808 (audiovisuele mediadiensten), Richtlijn (EU) 2018/1972 (Europees wetboek voor elektronische communicatie) en Richtlijn (EU) 2019/882 (toegankelijkheidsvoorschriften).
  • Persoonsaanduidingen in het decreet gelden voor alle geslachten.
  • Aanbieders van audiovisuele en auditieve mediadiensten worden geacht in het Duitse taalgebied gevestigd te zijn als hun hoofdkantoor daar is en redactionele beslissingen daar worden genomen, of als een aanzienlijk deel van het personeel daar werkzaam is.
  • Aanbieders van videoplatforms kunnen ook als gevestigd in het Duitse taalgebied worden beschouwd als hun moeder- of dochteronderneming daar gevestigd is, of als zij deel uitmaken van een groep met een onderneming in het Duitse taalgebied.
Wettekst
Wettekst
Obsah (4)Artikel 1Art. 6Art. 15Art. 42

MINISTERIE VAN DE DUITSTALIGE GEMEENSCHAP 1 MAART 2021. - Decreet betreffende de mediadiensten en de filmvoorstellingen Het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering,

Artikel 1

- Europese clausule Dit decreet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van de volgende richtlijnen, voor zover deze onder de bevoegdheid van de Duitstalige Gemeenschap vallen: 1° Richtlijn (EU) 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) in het licht van een veranderende marktsituatie;2° Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (herschikking);3° Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten. Art. 2 - Persoonsaanduidingen De persoonsaanduidingen in dit decreet gelden voor alle geslachten. Art. 3 - Algemeen toepassingsgebied § 1 - Dit decreet is van toepassing op: 1° mediadiensten;2° het aanbieden van voor het overbrengen van mediadiensten geschikte elektronischecommunicatienetwerken en -diensten en bijbehorende faciliteiten, welke onder de bevoegdheid van de Duitstalige Gemeenschap vallen;3° consumentenapparatuur bestemd voor de ontvangst van lineaire audiovisuele en auditieve mediasignalen;en 4° consumentenapparatuur met interactieve functies die bedoeld zijn voor de organisatie van filmvoorstellingen in het Duitse taalgebied en die worden gebruikt om toegang te krijgen tot audiovisuele mediadiensten. § 2 - Onderworpen aan de bepalingen van dit decreet zijn: 1° het Belgisch Radio- en Televisiecentrum van de Duitstalige Gemeenschap, 2° de aanbieders van mediadiensten die in het Duitse taalgebied zijn gevestigd, 3° de ondernemingen die openbare elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, met inbegrip van bijbehorende faciliteiten en bijbehorende diensten aanbieden in de Duitstalige Gemeenschap, en ondernemingen die in de Duitstalige Gemeenschap nieuwe voertuigen van categorie M te koop of te huur aanbieden. § 3 - Aanbieders van audiovisuele en auditieve mediadiensten worden in de volgende gevallen geacht in het Duitse taalgebied te zijn gevestigd: 1° de aanbieder van mediadiensten heeft zijn hoofdkantoor in de Duitstalige Gemeenschap en de redactionele beslissingen betreffende de audiovisuele of auditieve mediadienst worden in de Duitstalige Gemeenschap genomen;2° de aanbieder van mediadiensten heeft zijn hoofdkantoor in de Duitstalige Gemeenschap, de redactionele beslissingen betreffende de audiovisuele of auditieve mediadienst worden echter in een andere gemeenschap of lidstaat genomen, maar een aanzienlijk deel van het bij de programmagerelateerde activiteit van de audiovisuele of auditieve mediadienst betrokken personeel is werkzaam in de Duitstalige Gemeenschap. Als een aanzienlijk deel van het bij de programmagerelateerde activiteiten van de audiovisuele of auditieve mediadienst betrokken personeel zowel in de Duitstalige Gemeenschap als in een andere gemeenschap of lidstaat werkzaam is, wordt de aanbieder van de mediadienst geacht gevestigd te zijn in het Duitse taalgebied als hij zijn hoofdkantoor in de Duitstalige Gemeenschap heeft. Als geen aanzienlijk deel van het bij de programmagerelateerde activiteiten van de audiovisuele of auditieve mediadienst betrokken personeel in de Duitstalige Gemeenschap, noch in een andere gemeenschap of lidstaat werkzaam is, wordt de aanbieder van mediadiensten geacht gevestigd te zijn in het Duitse taalgebied als hij daar het eerst met zijn activiteiten is begonnen overeenkomstig het recht van de Duitstalige Gemeenschap en mits hij een duurzame en reële band met de economie van de Duitstalige Gemeenschap onderhoudt; 3° de aanbieder van mediadiensten heeft zijn hoofdkantoor in de Duitstalige Gemeenschap, terwijl beslissingen betreffende de audiovisuele of auditieve mediadienst in een derde land worden genomen, of andersom, mits een aanzienlijk deel van het bij de activiteiten van de audiovisuele of auditieve mediadienst betrokken personeel in de Duitstalige Gemeenschap werkzaam is. Aanbieders van audiovisuele en auditieve mediadiensten waarop het eerste lid niet van toepassing is, worden geacht in het Duitse taalgebied te zijn gevestigd als zij niet zijn gevestigd in een lidstaat of in een staat in de Europese Economische Ruimte maar gebruikmaken van een in de Duitstalige Gemeenschap gelegen aarde-satellietverbinding. § 4 - Een aanbieder van videoplatforms die niet in de zin van artikel I.18, 4°, van het Wetboek van economisch recht in het Duitse taalgebied is gevestigd, wordt geacht in het Duitse taalgebied te zijn gevestigd, als die: 1° een moederonderneming of een dochteronderneming heeft die in het Duitse taalgebied is gevestigd, of 2° deel uitmaakt van een groep waarvan een andere onderneming in het Duitse taalgebied is gevestigd. Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder: 1° "moederonderneming": een onderneming die zeggenschap heeft over een of meer dochterondernemingen;2° "dochteronderneming": een onderneming waarover een moederonderneming zeggenschap heeft, met inbegrip van elke dochteronderneming van een uiteindelijke moederonderneming;3° "groep": een moederonderneming, al haar dochterondernemingen en alle andere ondernemingen die er op organisatorisch gebied economische en juridische banden mee hebben. § 5 - Als de moederonderneming, de dochteronderneming of de andere ondernemingen van de groep allemaal in verschillende gemeenschappen of lidstaten zijn gevestigd, wordt de aanbieder van videoplatforms geacht te zijn gevestigd in het Duitse taalgebied als 1° zijn moederonderneming in het Duitse taalgebied is gevestigd of, bij gebreke van een dergelijke vestiging, 2° als zijn dochteronderneming in het Duitse taalgebied is gevestigd of, bij gebreke van een dergelijke vestiging, 3° als de andere onderneming van de groep in het Duitse taalgebied is gevestigd. § 6 - Als er meerdere dochterondernemingen zijn die allemaal in verschillende gemeenschappen of lidstaten zijn gevestigd, wordt de aanbieder van videoplatforms geacht te zijn gevestigd in het Duitse taalgebied, als een van de dochterondernemingen voor het eerst met haar activiteiten is begonnen in het Duitse taalgebied, mits die aanbieder een duurzame en reële band met de economie van de Duitstalige Gemeenschap onderhoudt en, voor zover andere gemeenschappen betrokken zijn, mits het zwaartepunt van de activiteiten inzake mediadiensten in het Duitse taalgebied ligt. Als meerdere andere ondernemingen deel uitmaken van de groep en deze allemaal in verschillende gemeenschappen of lidstaten zijn gevestigd, wordt de aanbieder van videoplatforms geacht te zijn gevestigd in het Duitse taalgebied, als een van deze ondernemingen voor het eerst met haar activiteiten is begonnen in het Duitse taalgebied, mits die aanbieder een duurzame en reële band met de economie van de Duitstalige Gemeenschap onderhoudt en, voor zover andere gemeenschappen betrokken zijn, mits het zwaartepunt van de activiteiten inzake mediadiensten in het Duitse taalgebied ligt. § 7 - Voor de toepassing van de § § 5 en 6 zijn de artikelen XII.3, XII.4, XII.6 en XII.17 tot XII.20 van het Wetboek van economisch recht van toepassing op aanbieders van videoplatforms die overeenkomstig paragraaf 4 worden geacht in het Duitse taalgebied te zijn gevestigd. Art. 4 - Begripsbepalingen Voor de toepassing van dit decreet verstaat men onder: 1° algemene machtiging: de regelgeving waarbij, overeenkomstig dit decreet, rechten worden verleend voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten en specifieke sectorgebonden verplichtingen worden vastgesteld die voor alle of voor welbepaalde soorten elektronischecommunicatienetwerken en -diensten kunnen gelden;2° Application Program Interface - Applicatieprogramma-interface (API): een software interface tussen toepassingen, die beschikbaar is gesteld door omroepen, dienstenleveranciers, alsmede de hulpmiddelen in de eindapparatuur voor digitale televisie- en radiodiensten;3° audiovisuele commerciële communicatie: beelden, al dan niet met geluid, welke dienen om rechtstreeks of onrechtstreeks de goederen, de diensten of het imago van een natuurlijke of rechtspersoon die een economische activiteit verricht, te promoten.Dergelijke beelden vergezellen of maken deel uit van een programma of van een door gebruikers gegenereerde video, tegen betaling of een soortgelijke vergoeding of ten behoeve van zelfpromotie. Vormen van audiovisuele commerciële communicatie zijn onder meer televisiereclame, sponsoring, telewinkelen en productplaatsing; 4° audiovisuele mediadienst: een economische dienst die valt onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder van audiovisuele mediadiensten, waarvan het hoofddoel of een losstaand gedeelte daarvan bestaat uit de levering van programma's voor het algemene publiek, via elektronischecommunicatienetwerken, ter informatie, vermaak of educatie.Bij deze audiovisuele mediadiensten gaat het ofwel om lineaire of om niet-lineaire audiovisuele mediadiensten en/of audiovisuele commerciële communicatie; 5° aanbieder van audiovisuele mediadiensten: de natuurlijke of rechtspersoon die de redactionele verantwoordelijkheid draagt voor de keuze van de audiovisuele inhoud van de mediadienst en die bepaalt hoe deze wordt georganiseerd;6° auditieve commerciële communicatie: geluid dat dient om rechtstreeks of onrechtstreeks de goederen, de diensten of het imago van een natuurlijke of rechtspersoon die een economische activiteit verricht te promoten.Dergelijke geluiden vergezellen of maken deel uit van een programma, tegen betaling of een soortgelijke vergoeding of ten behoeve van zelfpromotie. Vormen van auditieve commerciële communicatie zijn onder meer radioreclame, sponsoring en productplaatsing; 7° auditieve mediadienst: een economische dienst die valt onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder van auditieve mediadiensten, met als hoofddoel de levering aan het algemene publiek van programma's ter informatie, vermaak of educatie via elektronischecommunicatienetwerken.Bij deze auditieve mediadiensten gaat het ofwel om lineaire of om niet-lineaire auditieve mediadiensten en/of om auditieve commerciële communicatie; 8° aanbieder van auditieve mediadiensten: de natuurlijke of rechtspersoon die de redactionele verantwoordelijkheid draagt voor de keuze van de auditieve inhoud van de mediadienst en die bepaalt hoe deze wordt georganiseerd;9° adviesraad: het in artikel 127 vermelde orgaan;10° aanbieden van een elektronischecommunicatienetwerk: het bouwen, exploiteren, leiden of beschikbaar stellen van een dergelijk netwerk;11° exploitant: onderneming die een openbaar elektronisch communicatienetwerk of een bijbehorende faciliteit aanbiedt of gemachtigd is aan te bieden;12° AMM-richtsnoeren: de richtsnoeren van de Europese Commissie voor de marktanalyse en de beoordeling van aanmerkelijke marktmacht in het bestek van het EU-regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten nr.2018/C 159/01; 13° BRF: het Belgisch Radio- en Televisiecentrum van de Duitstalige Gemeenschap;14° elektronischecommunicatiedienst: een gewoonlijk tegen vergoeding aangeboden dienst die geheel of hoofdzakelijk bestaat in het overbrengen van signalen voor de distributie van mediadiensten via elektronischecommunicatienetwerken, met uitzondering van diensten die inhoud leveren via elektronischecommunicatienetwerken en -diensten of een redactionele controle hierover uitoefenen;15° elektronischecommunicatienetwerken: de transmissiesystemen, al dan niet gebaseerd op een permanente infrastructuur of gecentraliseerde beheercapaciteit, en in voorkomend geval de schakel- of routeringsapparatuur en andere middelen, waaronder netwerkelementen die niet actief zijn, die het mogelijk maken signalen over te brengen via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische middelen voor zover deze worden gebruikt voor de distributie van mediadiensten;16° elektronische programmagids: elektronisch computerprogramma dat het beschikbare programma-aanbod van lineaire audiovisuele mediadiensten oplijst en het gebruik ervan mogelijk maakt;17° aanbeveling: de mededeling van de Europese Commissie inzake relevante markten voor producten en diensten, die de Europese Commissie krachtens artikel 64 lid 1 van het Europees W Wetboek voor elektronische communicatie publiceert.18° eindgebruiker: een gebruiker die geen openbaar elektronischecommunicatienetwerk of voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten aanbiedt;19° geavanceerde digitale eindapparatuur: kastjes met converter en decoder en geïntegreerde digitale televisietoestellen voor de ontvangst van de digitale interactieve televisiediensten;20° IZJD: de instantie voor de zelfregulering van journalistieke deontologie in de Duitstalige Gemeenschap;21° Europese producties:

  1. a)producties die afkomstig zijn uit de gemeenschappen of lidstaten;
  2. b)producties die afkomstig zijn uit derde Europese staten die partij zijn bij het Europese Verdrag inzake grensoverschrijdende televisie van de Raad van Europa, als er in de betrokken landen geen discriminerende maatregelen tegen producties uit de gemeenschappen of lidstaten bestaan en
  3. c)coproducties die zijn vervaardigd in het kader van tussen de Unie en derde landen gesloten overeenkomsten met betrekking tot de audiovisuele sector en die voldoen aan de voorwaarden van de betrokken overeenkomsten, als er in de betrokken landen geen discriminerende maatregelen tegen producties uit gemeenschappen of lidstaten bestaan. Producties uit gemeenschappen of lidstaten of producties uit derde Europese staten die partij zijn bij het Europese Verdrag inzake grensoverschrijdende televisie van de Raad van Europa zijn werken die voornamelijk tot stand zijn gebracht met hulp van auteurs en medewerkers die in één of meer van deze staten woonachtig zijn en die aan één van de volgende drie voorwaarden voldoen: - de producties zijn tot stand gebracht door één of meer in één of meer van deze staten gevestigde producent(
  4. en)of - de vervaardiging geschiedt onder het toezicht en de feitelijke controle van één of meer in één of meer van deze staten gevestigde producent(en); - de bijdrage van de coproducenten uit deze staten in de totale kosten van de coproductie bedraagt meer dan de helft en de coproductie wordt niet door één of meer buiten deze staten gevestigde producent(
  5. en)gecontroleerd. Producties die geen Europese producties overeenkomstig littera a),
  6. b)en
  7. c)zijn, maar die vervaardigd worden in het kader van tussen de gemeenschappen of lidstaten en derde landen gesloten bilaterale coproductieovereenkomsten, worden als Europese producties beschouwd mits de coproducenten uit de Europese Unie een meerderheidsaandeel hebben in de totale productiekosten en de productie niet onder controle staat van één of meer buiten de gemeenschappen of de lidstaten gevestigde producent(en); 22° televisieomroeporganisatie: een aanbieder van mediadiensten die lineaire audiovisuele mediadiensten aanbiedt;23° televisiereclame: de door een publieke of particuliere onderneming of natuurlijke persoon, tegen betaling of soortgelijke vergoeding dan wel ten behoeve van zelfpromotie op televisie uitgezonden boodschap - in welke vorm dan ook - in verband met de uitoefening van een commerciële, industriële, ambachtelijke activiteit of van een beroep, ter bevordering van de levering tegen betaling van goederen of diensten, met inbegrip van onroerende goederen, rechten en verplichtingen;24° cineforum: jaarlijkse voorstelling van ten minste acht films met hoge kunstwaarde die voor de jongelui toegankelijk zijn en waarvan de kwaliteit door ten minste één evaluatie-instelling van één der lidstaten erkend werd;25° cinedagen: voorstelling van ten minste vier films met hetzelfde thema over een week;26° promotiekopie: een door een bioscoophouder gefinancierde kopie van een film die ten laatste twee weken na zijn nationaal lanceren in België of in de Bondsrepubliek Duitsland voorgesteld wordt;27° schadelijke interferentie: een interferentie die het functioneren van een radionavigatiedienst of van andere veiligheidsvoorzieningen in gevaar brengt, of die een overeenkomstig de geldende internationale, communautaire of nationale voorschriften werkende radiocommunicatiedienst op een andere wijze ernstig verslechtert, hindert of herhaaldelijk onderbreekt;28° BEREC: het orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie, opgericht overeenkomstig Verordening (EU) nr.2018/1971 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot instelling van het Orgaan van Europese regulerende instanties voor elektronische communicatie (Berec) en het Bureau voor ondersteuning van Berec (Berec-Bureau), tot wijziging van Verordening (EU) 2015/2120 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1211/2009; 29° bioscoophouder: de natuurlijke of rechtspersonen die in het Duitse taalgebied een bioscoopzaal bedrijven waar zij films vertonen tegen betaling;30° Europees wetboek voor elektronische communicatie: de Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie;31° commerciële communicatie: audiovisuele en auditieve commerciële communicatie;32° controleoverdracht: procédé waarmee het mogelijk is van systeem voor voorwaardelijke toegang te veranderen, zonder te raken aan het gescrambelde signaal van een mediadienst;33° transnationale markten: door de Europese Commissie gedefinieerde markten die de Europese Unie of een aanzienlijk, zich over meer dan één lidstaat uitstrekkend, deel daarvan beslaan;34° lineaire mediadienst: een door een aanbieder van mediadiensten aangeboden mediadienst voor het gelijktijdig bekijken van programma's op basis van een programmaschema;35° mediadienst: een dienst of andere activiteit, verstuurd via elektronischecommunicatienetwerken, die vanuit het oogpunt van degene die uitzendt, openbare audiovisuele of auditieve informatie verspreiden, bestemd voor het publiek in het algemeen of voor een deel ervan en geen vertrouwelijk karakter hebben, zelfs als het uitzenden op individueel verzoek gebeurt en ongeacht de daartoe gebruikte techniek.Diensten die geïndividualiseerde en door een vorm van vertrouwelijkheid gekenmerkte informatie leveren, vallen daarentegen niet onder de mediadiensten; 36° Mediaraad: de in titel 4, hoofdstuk 1, genoemde Mediaraad van de Duitstalige Gemeenschap;37° lidstaat: een lidstaat van de Europese Unie;38° netwerkaansluitpunt (NAP): het fysieke punt waarop een abonnee de toegang tot een openbaar elektronischecommunicatienetwerk wordt geboden;in het geval van netwerken met schakelings- of routeringsfuncties wordt het NAP bepaald door middel van een specifiek netwerkadres, dat met een abonneenummer of -naam kan zijn verbonden; 39° niet-lineaire mediadienst: een door een aanbieder van mediadiensten aangeboden mediadienst die de gebruiker de mogelijkheid biedt tot het bekijken van programma's op diens individueel verzoek en op het door hem gekozen moment op basis van een door de aanbieder van mediadiensten geselecteerde programmacatalogus;40° gebruiker: een natuurlijke of rechtspersoon die gebruik maakt van of verzoekt om een voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiedienst;41° door gebruikers gegenereerde video: een reeks bewegende beelden, al dan niet met geluid, die ongeacht de duur ervan een afzonderlijk element vormt, die door een gebruiker is gecreëerd en door die gebruiker of een andere gebruiker naar een videoplatform is geüpload;42° openbaar toegankelijke elektronischecommunicatiediensten: de voor de brede openbaarheid beschikbare elektronischecommunicatiediensten;43° openbaar elektronischecommunicatienetwerk: een elektronischecommunicatienetwerk dat geheel of hoofdzakelijk wordt gebruikt om voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten aan te bieden ter ondersteuning van de overdracht van informatie tussen netwerkaansluitpunten;44° personen met ondersteuningsbehoefte: de personen bedoeld in artikel 3, 3°, van het decreet van 13 december 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/01/2003 pub. 05/02/2003 numac 2003011027 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen type wet prom. 16/01/2003 pub. 29/06/2009 numac 2009000415 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten0 tot oprichting van een dienst van de Duitstalige Gemeenschap voor zelfbeschikkend leven;45° productplaatsing: elke vorm van audiovisuele commerciële communicatie die bestaat in het opnemen van, of het verwijzen naar, een product of dienst of een desbetreffend handelsmerk in het kader van een programma of een door gebruikers gegenereerde video, tegen betaling of soortgelijke vergoeding;46° Kaderbesluit 2008/913/JBZ: het Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht;47° redactionele beslissing: een beslissing die op regelmatige basis wordt genomen met het oog op de uitoefening van redactionele verantwoordelijkheid en verband houdt met het dagelijkse beheer van de audiovisuele of auditieve mediadienst;48° redactionele verantwoordelijkheid: het uitoefenen van effectieve controle over de keuze van programma's en de organisatie ervan in hetzij een chronologisch schema, in het geval van lineaire audiovisuele en auditieve mediadiensten, hetzij een catalogus, in het geval van niet-lineaire audiovisuele en auditieve mediadiensten;49° Richtlijn 2010/13/EU: de Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) zoals gewijzigd door Richtlijn (EU) 2018/1808;50° Richtlijn 2011/93/EU: de Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad;51° Richtlijn 2013/11/EU: de Richtlijn 2013/11/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende alternatieve beslechting van consumentengeschillen en tot wijziging van Verordening (EG) nr.2006/2004 en Richtlijn 2009/22/EG; 52° Richtlijn (EU) 2017/541: de Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrCIding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad;53° Richtlijn (EU) 2018/1808: de Richtlijn (EU) 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) in het licht van een veranderende marktsituatie;54° sluikreclame in de commerciële communicatie: het vermelden of vertonen van goederen, diensten, naam, handelsmerk of activiteiten van een producent van goederen of een dienstverlener in uitzendingen, als dit door de aanbieders van audiovisuele of auditieve mediadiensten wordt gedaan met de bedoeling reclame te maken en als het publiek kan worden misleid omtrent het eigenlijk doel van deze vermelding of vertoning.Een bedoeling wordt met name geacht aanwezig te zijn, als tegenover de vermelding of vertoning een geldelijke of andere vergoeding staat; 55° programma: een reeks bewegende beelden, al dan niet met geluid, of geluiden die ongeacht de duur ervan een afzonderlijk element vormt van een door een aanbieder van audiovisuele of auditieve mediadiensten opgesteld schema of een catalogus.Voorbeelden van programma's zijn hoorspelen, concerten, bioscoopfilms, videoclips, sportevenementen, komische series, documentaires, kinderprogramma's en originele televisiefilms; 56° sponsoring: elke bijdrage van publieke of particuliere ondernemingen of natuurlijke personen die zich niet bezighouden met het aanbieden van audiovisuele mediadiensten of videoplatformdiensten of met de vervaardiging van audiovisuele werken, aan de financiering van audiovisuele mediadiensten, videoplatformdiensten, door gebruikers gegenereerde video's of programma's met het doel hun naam, handelsmerk, imago, activiteiten of producten meer bekendheid te geven;57° telewinkelen: de uitzendingen die tegen betaling goederen en diensten, met inbegrip van onroerende goederen, rechten en verplichtingen rechtstreeks aan het publiek aanbieden;58° transmissiesysteem: de reeks fasen met betrekking tot de verwerking van de audio- en videosignalen en daarmee verband houdende gegevens van een omroepdienst die ertoe dient deze signalen vorm te geven en naar het publiek over te brengen.Die reeks omvat voorzieningen voor het genereren van programmasignalen (broncodering van audio- en videosignalen, multiplexing van signalen) en aanpassing aan de transmissiemedia (kanaalcodering, modulatie en, voor zover nodig, energiedispersie); 59° consument: een natuurlijke persoon die gebruik maakt van of verzoekt om een openbare elektronischecommunicatiedienst voor andere dan bedrijfs- of beroepsdoeleinden;60° eindapparatuur voor gebruik door consumenten, met interactieve computerfuncties, voor toegang tot audiovisuele mediadiensten: elke soort apparatuur met als voornaamste functie het verlenen van toegang tot audiovisuele mediadiensten;61° Verordening (EU) 2015/2120: de Verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 tot vaststelling van maatregelen betreffende open-internettoegang en tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten en Verordening (EU) nr.531/2012 betreffende roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken binnen de Unie; 62° scrambling: de verwerking van audio- en videosignalen van omroepdiensten, om die te coderen en zo onverstaanbaar te maken voor elke persoon die niet over de vereiste toegangsbewijzen beschikt;63° aanbieder van videoplatforms: de natuurlijke of rechtspersoon die een videoplatformdienst aanbiedt;64° videoplatformdienst: een economische dienst, als het hoofddoel van de dienst of een daarvan losstaand gedeelte of een essentiële functie van de dienst bestaat in het aanbieden van programma's, door gebruikers gegenereerde video's, of beide, aan het algemene publiek, waarvoor de aanbieder van het videoplatform geen redactionele verantwoordelijkheid draagt, ter informatie, vermaak of educatie via elektronischecommunicatienetwerken en waarvan de organisatie wordt bepaald door de aanbieder van het videoplatform, onder meer met automatische middelen of algoritmen, met name door weergeven, taggen en rangschikken;65° economische mediadienst: een mediadienst in de zin van de artikelen 56 en 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.Een dergelijke dienst wordt vermoed als de dienstverlener onderworpen is aan een registratieplicht in de Kruispuntbank van Ondernemingen, in werking gesteld door de wet van 16 januari 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/01/2003 pub. 05/02/2003 numac 2003011027 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen type wet prom. 16/01/2003 pub. 29/06/2009 numac 2009000415 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, voor activiteiten die onder meer betrekking hebben op mediadiensten; 66° toegang: het beschikbaar stellen van faciliteiten en/of diensten aan een andere onderneming, onder uitdrukkelijke voorwaarden, hetzij op exclusieve hetzij op niet-exclusieve basis, met het oog op het aanbieden van elektronische-communicatiediensten, voor zover die gebruikt worden om diensten voor de informatiemaatschappij of inzake inhoud voor radio- en televisieomroepen aan te bieden.Deze term bestrijkt onder meer: toegang tot netwerkelementen en verwante faciliteiten waarbij eventueel apparatuur kan worden verbonden met vaste of niet-vaste middelen (dit omvat met name toegang tot het aansluitnet en tot faciliteiten en diensten die noodzakelijk zijn om diensten te kunnen aanbieden via het aansluitnet); toegang tot materiële infrastructuur waaronder gebouwen, kabelgoten en masten; toegang tot relevante programmatuursystemen waaronder operationele ondersteuningssystemen; toegang tot informatiesystemen of databases voor reservering, levering, bestelling, onderhouds- en herstelverzoeken en facturering; toegang tot voorwaardelijke toegangssystemen voor digitale televisiediensten en toegang tot virtuele netwerkdiensten; 67° systeem voor voorwaardelijke toegang: elke technische maatregel of regeling waarbij toegang tot een beschermd radio- of televisieomroepdienst afhankelijk wordt gemaakt van een abonnement of een individuele machtiging;68° bijbehorende diensten: de bij een elektronischecommunicatienetwerk en/of een elektronischecommunicatiedienst behorende diensten die het aanbieden van diensten via dat netwerk en/of dienst mogelijk maken en/of ondersteunen of het potentieel hiertoe bezitten en onder meer nummervertaalsystemen of systemen met soortgelijke functies, voorwaardelijke toegangssystemen en elektronische programmagidsen alsmede andere diensten zoals identiteit, locatie en presentie-informatiediensten omvatten;69° bijbehorende faciliteiten: de bij een elektronischecommunicatienetwerk en/of een elektronischecommunicatiedienst behorende diensten, fysieke infrastructuren en andere faciliteiten of elementen die het aanbieden van diensten via dat netwerk en/of die dienst mogelijk maken en/of ondersteunen of het potentieel hiertoe bezitten en onder meer gebouwen of toegangen tot gebouwen, bekabeling in gebouwen, antennes, torens en andere ondersteunende constructies, kabelgoten, kabelbuizen, masten, mangaten en straatkasten omvatten;70° interconnectie: een specifiek type toegang dat tussen exploitanten van openbare netwerken wordt gerealiseerd door het fysiek en logisch verbinden van openbare elektronischecommunicatienetwerken die door dezelfde of een andere onderneming worden gebruikt om het de gebruikers van een onderneming mogelijk te maken te communiceren met die van dezelfde of van een andere onderneming of toegang te hebben tot diensten die door een andere onderneming worden aangeboden. Diensten kunnen worden aangeboden door de betrokken partijen of andere partijen die toegang hebben tot het netwerk. Interconnectie wordt gerealiseerd tussen exploitanten van openbare netwerken. Art. 5 - Doelstellingen § 1 - Het decreet beoogt de volgende doelstellingen: 1° De bevordering van mediapluralisme, culturele en taalkundige diversiteit, mediageletterdheid, toegankelijkheid, non-discriminatie, de goede werking van de interne markt en een eerlijke mededinging bij het aanbieden van economische mediadiensten;2° met betrekking tot het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten:
  8. a)de bevordering van de connectiviteit met en de toegang tot, alsmede de benutting van netwerken met een zeer hoge capaciteit, met inbegrip van vaste, mobiele en draadloze netwerken, voor alle burgers en bedrijven van de Europese Unie;
  9. b)het bevorderen van de mededinging bij het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten, met inbegrip van efficiënte concurrentie op basis van infrastructuur, en bij het aanbieden van elektronischecommunicatiediensten en bijbehorende diensten;
  10. c)het bijdragen tot de ontwikkeling van de interne markt door het opheffen van resterende belemmeringen voor en het bevorderen van convergerende voorwaarden voor investeringen in en het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken, elektronischecommunicatiediensten, bijbehorende faciliteiten en bijbehorende diensten, in de Duitstalige Gemeenschap, door het ontwikkelen van gemeenschappelijke regels en voorspelbare regelgeving, en door het bevorderen van doeltreffend, efficiënt en gecoördineerd gebruik van het radiospectrum, open innovatie, het opzetten en ontwikkelen van trans-Europese netwerken, de verstrekking, de beschikbaarheid en de interoperabiliteit van pan-Europese diensten, en eind-tot-eind connectiviteit;
  11. d)het bevorderen van de belangen van de burgers, door het verzekeren van connectiviteit met, en ruime beschikbaarheid en benutting van, netwerken met een zeer hoge capaciteit en van elektronischecommunicatiediensten, waarbij op basis van daadwerkelijke mededinging optimaal kan worden geprofiteerd wat betreft keuze, prijs en kwaliteit, en rekening wordt gehouden met de nood aan keuzevrijheid en gelijkwaardige toegang voor eindgebruikers met ondersteuningsbehoefte. § 2 - Bij de uitoefening van de in de bepalingen van de titels 2 en 3 genoemde regulerende taken, neemt de Mediaraad alle passende maatregelen die noodzakelijk en evenredig zijn om de in § 1 genoemde toepasselijke doelstellingen te verwezenlijken. TITEL 2. - Programma's in mediadiensten HOOFDSTUK 1. -

Art. 6

- Toepassingsgebied Onverminderd het decreet van 27 juni 1986 betreffende het Belgisch Radio- en Televisiecentrum van de Duitstalige Gemeenschap is deze titel, met uitzondering van afdeling 4 van hoofdstuk 3, van toepassing op audiovisuele en auditieve mediadiensten van het BRF, alsook op de economische mediadiensten van andere aanbieders van audiovisuele en auditieve mediadiensten en aanbieders van videoplatforms. In afwijking van het eerste lid, geldt artikel 7 voor alle aanbieders van mediadiensten. Art. 7 - Vrijheid van meningsuiting, beperkingen § 1 - De vrijheid van meningsuiting en informatie is gewaarborgd voor de mediadiensten in de Duitstalige Gemeenschap. Iedereen is vrij om mediadiensten aan te bieden en kan, onder voorbehoud van de bepalingen in dit decreet die gelden voor aanbieders van economische mediadiensten, aan geen enkele vormvereiste of voorafgaande controle worden onderworpen. § 2 - De aanbieders van mediadiensten mogen geen mediadiensten aanbieden die: 1° de wetten overtreden, de veiligheid van de Staat, de openbare orde of de goede zeden in gevaar brengen;2° publiekelijk uitlokken tot het plegen van een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 5 van Richtlijn (EU) 2017/541;3° tot discriminatie, haat of geweld aanzetten op basis van een van de kenmerken die beschermd zijn op grond van artikel 3, 1°, van het decreet van 19 maart 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 19/03/2012 pub. 05/06/2012 numac 2012202232 bron ministerie van de duitstalige gemeenschap Decreet ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie sluiten betreffende de bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, of het behoren tot een nationale minderheid. § 3 - Dit artikel laat de artikelen XII.19 en XII.20 van het Wetboek van economisch recht onverlet. Art. 8 - Aanmeldingsplicht § 1 - Particuliere aanbieders van mediadiensten moeten voor elke mediadienst die ze voornemens zijn aan te bieden via andere middelen dan een zelfstandig functionerend elektronisch communicatienetwerk dat gebruik maakt van een radiofrequentie overeenkomstig artikel 58, een meldplicht bij de Mediaraad nakomen. De activiteit mag ten vroegste vijftien dagen nadat de Mediaraad de ontvangst van aanmelding heeft bevestigd, worden aangevangen. De in het eerste lid vermelde aanmelding bevat: 1° de naam van de aanbieder;2° in voorkomend geval, het ondernemingsnummer en de statuten van de aanbieder;3° in voorkomend geval, het geografische adres van de hoofdvestiging van de aanbieder in de Europese Unie en van elk eventueel bijkantoor in een lidstaat; 4° een contactpersoon en contactgegevens, d.w.z. informatie waarmee de aanbieder van mediadiensten snel kan worden gecontacteerd en er rechtstreeks en effectief kan worden gecommuniceerd, met inbegrip van zijn e-mailadres en/of website; 5° de aard en de beschrijving van de mediadienst, met inbegrip van de beschrijving van het eventueel geplande informatiesysteem evenals, indien van toepassing, het bewijs van tewerkstelling van journalisten;6° de beoogde datum waarop de mediadienst van start zal gaan;7° indien van toepassing: de nadere regels voor de commercialisering van de mediadienst, wanneer de particuliere aanbieder de mediadienst zelf exploiteert;8° een schriftelijke verbintenis om het decreet, de uitvoeringsbepalingen ervan en de wetten over het algemeen na te leven. § 2 - In het geval van rechtspersonen, moeten aanbieders van audiovisuele en auditieve mediadiensten in de in paragraaf 1 bedoelde aanmelding eveneens de volgende informatie verstrekken: 1° de plaats waar de redactionele beslissingen over de audiovisuele of auditieve mediadiensten getroffen worden;2° het percentage van het bij de programmagerelateerde activiteiten van de audiovisuele en auditieve mediadienst betrokken personeel dat werkzaam is in de Duitstalige Gemeenschap;3° als de aanbieder van mediadiensten voor het eerst met zijn activiteiten is begonnen in het Duitse taalgebied: informatie over de vraag of er een duurzame en effectieve band bestaat met de economie van de Duitstalige Gemeenschap. § 3 - In het geval van rechtspersonen, moeten aanbieders van videoplatforms in de in paragraaf 1 bedoelde aanmelding eveneens de volgende informatie verstrekken, als hun hoofdkantoor niet in het Duitse taalgebied is gevestigd: 1° of de aanbieder deel uitmaakt van een groep en of een andere onderneming van deze groep op het grondgebied van de Duitstalige Gemeenschap is gevestigd;2° als de aanbieder van mediadiensten niet zelf in het Duitse taalgebied, in het taalgebied van een andere gemeenschap of in een andere lidstaat gevestigd is, maar verschillende dochterondernemingen of andere ondernemingen van dezelfde groep in verschillende gemeenschappen of lidstaten zijn gevestigd en een van deze ondernemingen voor het eerst met zijn activiteiten is begonnen in het Duitse taalgebied, of er een duurzame en effectieve band bestaat tussen deze onderneming en de economie van de Duitstalige Gemeenschap. § 4 - De Mediaraad stelt een aanmeldingsformulier ter beschikking op zijn website. § 5 - De Mediaraad moet schriftelijk op de hoogte worden gesteld van de geplande stopzetting van particuliere mediadiensten, alsmede van de geplande wijzigingen met betrekking tot hetgeen wordt bepaald in paragrafen 1 tot 3, alvorens deze worden doorgevoerd. Art. 9 - Activiteitenverslag § 1 - Jaarlijks dienen particuliere aanbieders van mediadiensten een activiteitenverslag in bij de Mediaraad. Dit verslag omvat ten minste: 1° gegevens over het tewerkgestelde en het meewerkende personeel;2° de balansen en jaarrekeningen met betrekking tot het vorige jaar, in zoverre de aanbieder verplicht is deze op te stellen overeenkomstig het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Particuliere aanbieders van lineaire audiovisuele en auditieve mediadiensten moeten eveneens de volgende informatie vermelden in hun activiteitenverslag: 1° het wekelijkse programmaschema samen met inlichtingen over herhalingen van programma's, geleverde en niet-gepresenteerde programmaonderdelen;2° gegevens inzake naleving van de verplichtingen volgens artikel

  1. Particuliere aanbieders van niet-lineaire audiovisuele en auditieve mediadiensten moeten bijkomstig de volgende informatie vermelden in hun activiteitenverslag: 1° de activiteiten m.b.t. het voorjaar; 2° gegevens over de bevordering van Europese producties overeenkomstig artikel
  2. Aanbieders van videoplatforms moeten in hun activiteitenverslag eveneens een beschrijving van de maatregelen genomen op grond van artikel 32, § 3, opnemen. § 2 - De Mediaraad legt de datum vast waarop het verslag bij hem moet aankomen. HOOFDSTUK
  3. - Bepalingen voor audiovisuele en auditieve mediadiensten Art. 10 - Registratieplicht en inzagerecht De aanbieders van lineaire mediadiensten nemen de uitzendingen volledig op en bewaren ze volledig. Van programma's die als opname of als film uitgezonden worden, kan, bij wijze van afwijking, de opname of de film bewaard worden of de vervanging ervan gewaarborgd worden. De verplichtingen vermeld in het eerste lid gelden tot drie maanden na de dag van uitzending. Als binnen die termijn een bezwaar tegen een uitzending wordt ingediend, gelden de verplichtingen tot de zaak via een in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing of via bemiddeling beslecht is. Binnen de termijnen bepaald in het tweede lid kan de Mediaraad te allen tijde kopieën van uitzendingen, opnames en films gratis inkijken of vragen om ze hem gratis toe te zenden. Wie schriftelijk aannemelijk maakt dat zijn rechten geschonden zijn, kan binnen de termijnen vermeld in het tweede lid eisen dat de aanbieder van mediadiensten inzage in de kopieën van de uitzendingen, opnames en films geeft. Op aanvraag krijgt hij tegen betaling van de kostprijs exemplaren, fragmenten of kopieën van de opname of de film toegezonden. Art. 11 - Waarborgen van de meningsverscheidenheid § 1 - Een machtspositie in de audiovisuele sector die uitgaat van één of meer aanbieders van audiovisuele en auditieve mediadiensten die door dezelfde aandeelhouder worden gecontroleerd, mag geen belemmering vormen voor de vrijheid van het publiek om toegang tot een pluralistisch aanbod aan audiovisuele mediadiensten te hebben. Onder een pluralistisch aanbod wordt een media-aanbod verstaan dat gekenmerkt wordt door een veelheid van onafhankelijke en zelfstandige media die een zo groot mogelijke verscheidenheid aan meningen weerspiegelen. § 2 - Als de Mediaraad vaststelt dat een onderneming een machtspositie heeft, onderzoekt hij de verscheidenheid van het aanbod aan audiovisuele mediadiensten van de aanbieders die in paragraaf 1 worden genoemd. Een machtspositie wordt inzonderheid vermoed als: 1° een natuurlijke persoon of rechtspersoon die meer dan 24 % van het kapitaal van een aanbieder van audiovisuele mediadiensten in handen heeft, indirect of direct meer dan 24 % van het kapitaal van een andere aanbieder van audiovisuele mediadiensten van de Duitstalige Gemeenschap bezit;2° een natuurlijke persoon of rechtspersoon die meer dan 24 % van het kapitaal van een aanbieder van auditieve mediadiensten in handen heeft, indirect of direct meer dan 24 % van het kapitaal van een andere aanbieder van auditieve mediadiensten van de Duitstalige Gemeenschap bezit;3° het aantal kijkers van verscheidene aanbieders van audiovisuele mediadiensten 20 % van de kijkers van alle aanbieders van audiovisuele mediadiensten van de Duitstalige Gemeenschap bedraagt en één enkele natuurlijke persoon of rechtspersoon indirect of direct meerderheids- of minderheidsaandeelhouder van die aanbieders van audiovisuele mediadiensten is;4° een aanbieder van audiovisuele mediadiensten meer dan één vierde van de radiofrequenties gebruikt die voor particuliere lineaire audiovisuele mediadiensten bedoeld zijn;5° het aantal luisteraars van verscheidene aanbieders van auditieve mediadiensten 20 % van de luisteraars van alle aanbieders van auditieve mediadiensten van de Duitstalige Gemeenschap bereikt en één enkele natuurlijke of rechtspersoon indirect of direct meerderheids- of minderheidsaandeelhouder van die aanbieders van auditieve mediadiensten is;6° een aanbieder van auditieve mediadiensten meer dan één vierde van de radiofrequenties gebruikt die voor particuliere auditieve mediadiensten bedoeld zijn. § 3 - Als de Mediaraad vaststelt dat de vrijheid van het publiek om toegang te krijgen tot een pluralistisch aanbod aan audiovisuele en auditieve mediadiensten belemmerd wordt, deelt hij de betrokkenen zijn bezwaren mee en overlegt hij met hen om maatregelen overeen te komen die de naleving van een gediversifieerd aanbod mogelijk maken. Als binnen zes maanden na aanvang van het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de maatregelen die overeenkomstig het eerste lid een pluralistisch aanbod mogelijk maken of als de afgesproken maatregelen niet in acht worden genomen, kan de Mediaraad overeenkomstig artikel 138 sancties opleggen. § 4 - Voor de toepassing van deze bepaling kan de Mediaraad advies inwinnen bij de mededingingsautoriteiten. § 5 - De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op het BRF. Art. 12 - Algemene bepaling betreffende commerciële communicatie Commerciële communicatie mag niet: 1° de menselijke waardigheid aantasten;2° enige vorm van discriminatie bevatten of bevorderen die gebaseerd is op een van de kenmerken die beschermd zijn op grond van artikesl 3, 1°, van het decreet van 19 maart 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 19/03/2012 pub. 05/06/2012 numac 2012202232 bron ministerie van de duitstalige gemeenschap Decreet ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie sluiten betreffende de bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie of die gebaseerd is op het behoren tot een nationale minderheid;3° aansporen tot gedrag dat schadelijk is voor gezondheid of veiligheid;4° aansporen tot gedrag dat in hoge mate schadelijk is voor het milieu of in strijd is met de relevante Europese regelgeving op het gebied van milieubescherming;5° de religieuze, filosofische of politieke overtuigingen schenden. Art. 13 - Regulering van commerciële communicatie Aanbieders van audiovisuele en auditieve mediadiensten die commerciële communicatie bevatten, moeten voldoen aan de volgende voorwaarden: 1° de commerciële communicatie moet gemakkelijk als zodanig herkenbaar zijn en moet onderscheidbaar zijn van de redactionele inhoud.Ze moet met visuele en/of akoestische middelen van andere programma-onderdelen gescheiden zijn. Sluikreclame in de commerciële communicatie is verboden; 2° in de commerciële communicatie mogen geen subliminale technieken worden gebruikt;3° commerciële communicatie voor alcoholische dranken mag niet specifiek gericht zijn op minderjarigen en mag niet tot overmatig gebruik van dergelijke dranken aanzetten;4° elke vorm van commerciële communicatie over sigaretten en andere tabaksproducten, alsook over elektronische sigaretten en navulverpakkingen is verboden;5° commerciële communicatie over geneesmiddelen en medische behandelingen die alleen op doktersvoorschrift verkrijgbaar zijn, is verboden. Art. 14 - Bescherming van minderjarigen bij commerciële communicatie Commerciële communicatie mag minderjarigen geen lichamelijke of zedelijke schade toebrengen. Zij mag minderjarigen er niet rechtstreeks toe aanzetten een product of dienst te kopen of te huren door te profiteren van hun onervarenheid of goedgelovigheid, hen niet rechtstreeks aanzetten hun ouders of anderen te overreden de aangeprezen goederen of diensten aan te kopen, niet profiteren van het bijzondere vertrouwen dat minderjarigen in ouders, leerkrachten of andere personen stellen, en minderjarigen niet zonder gegronde redenen in gevaarlijke situaties tonen. HOOFDSTUK
  4. - Bijzondere bepalingen voor audiovisuele mediadiensten Afdeling
  5. -

Art. 15

- Minimale informatie De aanbieder van audiovisuele mediadiensten stelt de volgende informatie gemakkelijk, rechtstreeks en permanent ter beschikking van de ontvangers van een dienst: 1° de naam van de aanbieder van mediadiensten;2° het geografische adres waar de aanbieder van de mediadiensten gevestigd is;3° nadere gegevens van de aanbieder van mediadiensten, waaronder zijn e-mailadres en/of website, zodat hij snel, rechtstreeks en doeltreffend kan worden bereikt;4° de verklaring dat de dienst onder toezicht staat van de Mediaraad. Art. 16 - Maatregelen betreffende bepaalde audiovisuele mediadiensten § 1 - Audiovisuele mediadiensten uit andere gemeenschappen of lidstaten of uit een andere staat in de Europese Economische Ruimte, genieten de vrijheid van ontvangst en doorgifte binnen het Duitse taalgebied. § 2 - Onverminderd paragraaf 1 kan de Mediaraad voorlopige maatregelen nemen met betrekking tot de vrijheid van ontvangst of de doorgifte van een specifieke audiovisuele mediadienst die wordt aangeboden door een aanbieder van mediadiensten die onder de bevoegdheid van een andere gemeenschap of lidstaat valt, onder de volgende voorwaarden: 1° tijdens de voorafgaande twaalf maanden heeft de aanbieder van mediadiensten al minstens tweemaal een duidelijke, belangrijke en ernstige inbreuk gepleegd op artikel 7, § 2, 3°, of artikel 17 of een afbreuk gedaan aan de volksgezondheid of een belangrijk en ernstig risico daarop gevormd;2° de Mediaraad heeft de aanbieder van mediadiensten, de gemeenschap of de lidstaat die ten aanzien van die aanbieder bevoegd is en de Commissie schriftelijk in kennis gesteld van de vermeende inbreuken en van de evenredige maatregelen die de Mediaraad voornemens is te treffen als een dergelijke inbreuk opnieuw plaatsvindt;3° de Mediaraad heeft de rechten van verdediging van de aanbieder van mediadiensten geëerbiedigd en heeft met name die aanbieder de mogelijkheid gegeven zijn standpunt inzake de vermeende inbreuken kenbaar te maken;en 4° overleg met de gemeenschap of de lidstaat die ten aanzien van de aanbieder van mediadiensten bevoegd is en met de Commissie, heeft binnen een maand na de ontvangst door de Commissie van de in de bepaling onder 2° bedoelde kennisgeving niet tot een minnelijke schikking geleid. § 3 - Onverminderd paragraaf 1 kan de Mediaraad voorlopige maatregelen nemen als een audiovisuele mediadienst die wordt geleverd door een onder de bevoegdheid van een andere Belgische overheidsinstantie of een andere lidstaat vallende aanbieder van mediadiensten een duidelijke, belangrijke en ernstige inbreuk pleegt op artikel 7, § 2, 2°, of afbreuk doet aan of een belangrijk en ernstig risico vertoont dat afbreuk zal worden gedaan aan de openbare veiligheid, met inbegrip van de bescherming van de nationale veiligheid en defensie. Deze uitzonderingsregeling is onderhavig aan de volgende voorwaarden: 1° tijdens de voorgaande 12 maanden heeft de aanbieder van mediadiensten het in het eerste lid bedoelde gedrag minstens eenmaal vertoond;2° de Mediaraad heeft de aanbieder van mediadiensten, de gemeenschap of de lidstaat die ten aanzien van die aanbieder bevoegd is en de Europese Commissie schriftelijk in kennis gesteld van de vermeende inbreuken en van de evenredige maatregelen die de Mediaraad voornemens is te treffen als die inbreuken opnieuw plaatsvinden. De Mediaraad kan in dringende gevallen, niet later dan een maand na de vermeende inbreuk, afwijken van de in het eerste lid, 1° en 2°, vastgestelde voorwaarden. In dat geval moeten de getroffen maatregelen zo spoedig mogelijk, met opgave van de redenen waarom de Mediaraad van oordeel is dat het om een dringend geval gaat, worden meegedeeld aan de Europese Commissie en de gemeenschap of de lidstaat onder wiens bevoegdheid de aanbieder van mediadiensten valt. § 4 - Audiovisuele mediadiensten die niet onder de bevoegdheid van een andere gemeenschap, van een lidstaat of van een andere staat in de Europese Economische Ruimte vallen, mogen in het Duitse taalgebied worden uitgezonden, op voorwaarde dat de Mediaraad vooraf op de hoogte wordt gebracht. De Mediaraad beschikt over een termijn van zestig dagen om zich tegen de doorgifte van een lineaire audiovisuele mediadienst te verzetten, als die maatregel noodzakelijk is voor 's lands veiligheid, voor de territoriale integriteit van de Staat, voor de openbare veiligheid, voor het handhaven van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid en van de goede zeden, voor de bescherming van de goede naam of de rechten van derden, om het verspreiden van vertrouwelijke gegevens te vermijden, om de autoriteit en onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen of wanneer artikel 7 wordt overtreden. § 5 - Boek XI van het Wetboek van economisch recht blijft door de bepalingen van dit artikel onaangetast. Art. 17 - Bescherming van minderjarigen Aanbieders van audiovisuele mediadiensten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat audiovisuele mediadiensten die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen zouden kunnen aantasten, in het bijzonder nodeloos geweld en pornografie, uitsluitend zodanig beschikbaar worden gesteld dat minderjarigen deze normaliter niet te horen of te zien krijgen en op een wijze evenredig aan de mogelijke schade die het programma kan berokkenen. Door aanbieders van mediadiensten verzamelde of op andere wijze gegenereerde persoonsgegevens van minderjarigen worden niet verwerkt voor commerciële doeleinden, zoals direct marketing, profilering en op gedrag gerichte reclame. Aanbieders van audiovisuele mediadiensten verstrekken voldoende informatie aan de kijkers over inhoud die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten. Daartoe maken de aanbieders gebruik van een systeem met de nadere omschrijving van het potentieel schadelijke karakter van de inhoud van een audiovisuele mediadienst. Art. 18 - Audiovisuele commerciële communicatie voor alcoholische dranken Aanbieders van audiovisuele mediadiensten die audiovisuele commerciële communicatie voor alcoholische dranken inhouden, moeten aan de volgende criteria voldoen: 1° zij mogen zich niet specifiek tot minderjarigen richten en mogen in het bijzonder geen minderjarigen tonen die dit soort dranken gebruiken;2° zij mogen geen verband leggen tussen alcoholgebruik en een verbetering van fysieke prestaties of gemotoriseerd rijden;3° zij mogen niet de indruk wekken dat alcoholgebruik bijdraagt tot sociale of seksuele successen;4° er mag niet in worden gesuggereerd dat alcoholhoudende dranken therapeutische kwaliteiten bezitten, dan wel een stimulerend, kalmerend of spanningsreducerend effect hebben;5° zij mogen geen overmatig alcoholgebruik aanmoedigen dan wel onthouding of matig alcoholgebruik in een negatief daglicht stellen;6° zij mogen geen nadruk leggen op het hoge alcoholgehalte van dranken als positieve eigenschap. De in het eerste lid genoemde vereisten zijn niet van toepassing op sponsoring en productplaatsing, voor zover het niet-lineaire audiovisuele mediadiensten betreft. Art. 19 - Sponsoring Audiovisuele mediadiensten of programma's die worden gesponsord, moeten aan de volgende voorwaarden voldoen: 1° de inhoud en, in het geval van televisie-uitzendingen, de programmering, mogen nimmer dusdanig worden beïnvloed dat de verantwoordelijkheid en de redactionele onafhankelijkheid van de aanbieder van mediadiensten worden aangetast;2° zij mogen niet rechtstreeks aansporen tot aankoop of huur van goederen of diensten, in het bijzonder door specifieke aanprijzingen van die goederen of diensten;3° de kijkers moeten duidelijk worden gewezen op het bestaan van een sponsoringovereenkomst.Gesponsorde programma's moeten duidelijk als zodanig worden gekenmerkt doordat aan het begin, tijdens en/of aan het einde van het programma op passende wijze naam, logo en/of ander symbool van de sponsor, zoals een verwijzing naar zijn product(

  1. en)of dienst(
  2. en)of een onderscheidingsteken daarvan, worden vermeld. Bij sponsoring van audiovisuele mediadiensten of programma's door ondernemingen waarvan de activiteiten de vervaardiging of verkoop van geneesmiddelen en medische behandelingen omvatten, mag de naam of het imago van de onderneming worden aangeprezen, maar mogen geen specifieke geneesmiddelen of medische behandelingen worden aangeprezen die alleen op doktersvoorschrift verkrijgbaar zijn. Nieuwsprogramma's en politieke actualiteitenprogramma's mogen niet worden gesponsord. Audiovisuele mediadiensten of programma's mogen niet worden gesponsord door ondernemingen waarvan de voornaamste activiteit bestaat in de vervaardiging of verkoop van sigaretten en andere tabaksproducten, alsmede elektronische sigaretten en navulverpakkingen. Art. 20 - Productplaatsing § 1 - Productplaatsing is toegestaan in alle audiovisuele mediadiensten, behalve in nieuwsprogramma's en politieke actualiteitenprogramma's, programma's over consumentenzaken, religieuze programma's en kinderprogramma's. Programma's die productplaatsing bevatten, voldoen minstens aan alle volgende voorwaarden: 1° de inhoud en de programmering ervan in een schema, in het geval van televisie-uitzendingen, of de opneming ervan in een catalogus, in het geval van audiovisuele mediadiensten op aanvraag, mogen nimmer dusdanig worden beïnvloed dat de verantwoordelijkheid en de redactionele onafhankelijkheid van de aanbieder van mediadiensten worden aangetast;2° zij sporen niet rechtstreeks aan tot aankoop of huur van goederen of diensten, in het bijzonder door specifieke aanprijzing van die producten of diensten;3° het betrokken product krijgt geen overmatige aandacht;4° de kijkers worden duidelijk gewezen op de aanwezigheid van productplaatsing.Programma's die productplaatsing bevatten, worden aan het begin en het eind van het programma, alsook wanneer een programma na een reclamepauze wordt hervat, op passende wijze als zodanig aangeduid om verwarring bij de kijker te voorkomen. Deze voorwaarde geldt enkel voor programma's die door een aanbieder van mediadiensten zelf of door een aan die aanbieder van mediadiensten verbonden onderneming geproduceerd of besteld zijn. Programma's mogen in geen geval productplaatsing bevatten: 1° voor sigaretten en andere tabaksproducten, alsmede elektronische sigaretten en navulverpakkingen, of productplaatsing van ondernemingen waarvan de voornaamste activiteit bestaat in de vervaardiging of verkoop van die producten;2° voor specifieke geneesmiddelen of medische behandelingen die alleen op voorschrift beschikbaar zijn. § 2 - De bepalingen van dit artikel gelden enkel voor programma's die na 19 december 2009 werden geproduceerd. Art. 21 - Personen met ondersteuningsbehoefte § 1 - De aanbieders van audiovisuele mediadiensten maken hun diensten, door middel van evenredige maatregelen voortdurend en in toenemende mate toegankelijker voor personen met ondersteuningsbehoefte en nemen de bepalingen in acht die door de Regering, op voorstel van de dienst van de Duitstalige Gemeenschap voor zelfbeschikkend leven, werden aangenomen om de diensten voor personen met ondersteuningsbehoefte toegankelijk te maken, mits deze geen onevenredige belasting voor hen vormen. Aanbieders van mediadiensten brengen om de drie jaar, te rekenen vanaf de datum van hun aanmelding, verslag uit bij de Mediaraad over de uitvoering van de maatregelen als bedoeld in het eerste lid. § 2 - Noodinformatie, met inbegrip van openbare mededelingen en aankondigingen bij natuurrampen, die via audiovisuele mediadiensten beschikbaar wordt gesteld aan het publiek, wordt verstrekt op een wijze die toegankelijk is voor personen met ondersteuningsbehoefte. § 3 - De dienst van de Duitstalige Gemeenschap voor zelfbeschikkend leven verstrekt de in het kader van dit artikel relevante informatie en ontvangt klachten betreffende toegankelijkheidskwesties als bedoeld in dit artikel. Art. 22 - Signaalintegriteit Overeenkomstig Boek XI van het Wetboek van economisch recht krijgen audiovisuele mediadiensten die worden aangeboden door aanbieders van mediadiensten geen overlay voor commerciële doeleinden en geen wijzigingen zonder de uitdrukkelijke toestemming van die aanbieders. Art. 23 - Bioscoopfilms Overeenkomstig Boek XI van het Wetboek van economisch recht mogen de aanbieders van audiovisuele mediadiensten geen bioscoopfilms tonen buiten de met de houders van rechten overeengekomen periodes. Afdeling 2. - Bijzondere bepalingen voor lineaire audiovisuele mediadiensten Art. 24 - Europese producties en andere vereisten § 1 - Voor de voorstelling van de grote verscheidenheid in de Duitstalige en Europese ruimte en ter ondersteuning van Europese film- en televisieproducties moeten de aanbieders van lineaire audiovisuele mediadiensten het grootste deel van hun totale zendtijd die niet uit nieuws, sportberichten, spelen of reclame en videotekst alsmede telewinkelen bestaat, voorbehouden aan de uitzending van Europese werken overeenkomstig Europees recht. Rekening houdende met de verantwoordelijkheid van de aanbieders t.o.v. hun publiek in de domeinen informatie, vorming, cultuur en ontspanning moet dit gedeelte stapsgewijs door aangepaste criteria worden bereikt. De Regering bepaalt de nadere regels voor deze verplichting. § 2 - De aanbieders van lineaire audiovisuele mediadiensten moeten ofwel ten minste 10 % hun zendtijd die niet aan nieuws, sport, spel, reclame, videotekst of telewinkeluitzendingen gewijd is ofwel 10 % van hun begroting reserveren voor de uitzending van Europese producties, vervaardigd door producenten die van de aanbieders onafhankelijk zijn. Bovendien moet een behoorlijk gedeelte worden gereserveerd voor recente producties, d.w.z. producties die binnen de vijf jaar na hun vervaardiging worden uitgezonden. Art. 25 - Uitzenden van buitengewone evenementen § 1 - De Regering kan een lijst opstellen van nationale en niet-nationale evenementen die van aanzienlijk belang voor de samenleving worden geacht en die derhalve niet op een exclusieve basis mogen worden uitgezonden die tot gevolg heeft dat een belangrijk deel van het publiek dergelijke evenementen niet via rechtstreekse of uitgestelde verslaggeving op de kosteloze televisie kan volgen. De Regering bepaalt of deze evenementen via volledige of gedeeltelijke rechtstreekse verslaggeving dan wel, waar nodig of passend om objectieve redenen van openbaar belang, via volledige of gedeeltelijke uitgestelde verslaggeving beschikbaar moeten zijn. De Regering stelt de Europese Commissie onmiddellijk in kennis van alle maatregelen die zij overeenkomstig deze paragraaf heeft genomen. § 2 - Het is de aanbieders van lineaire audiovisuele mediadiensten verboden verworven exclusieve rechten zodanig uit te oefenen dat een belangrijk deel van het publiek in een andere gemeenschap of lidstaat evenementen die door die andere gemeenschap of lidstaat overeenkomstig artikel 14 van de Richtlijn 2010/13/EU zijn aangewezen, niet op de kosteloze televisie kan volgen via volledige of gedeeltelijke rechtstreekse verslaggeving dan wel, waar nodig of passend om objectieve redenen van openbaar belang, via volledige of gedeeltelijke uitgestelde verslaggeving, zoals door die andere deelstaat of lidstaat overeenkomstig artikel 14 van dezelfde richtlijn is bepaald. Art. 26 - Korte nieuwsverslagen Met het oog op korte nieuwsverslagen verleent elke in de Europese Unie of in een staat in de Europese Economische Ruimte gevestigde aanbieder van lineaire audiovisuele mediadiensten - op billijke, redelijke en niet-discriminatoire basis - toegang tot evenementen van groot belang voor het publiek die op basis van exclusiviteit door een onder de rechtsbevoegdheid van de gemeenschappen of de lidstaten vallende aanbieder worden uitgezonden. Als een andere aanbieder van lineaire audiovisuele mediadiensten die in dezelfde gemeenschap of in dezelfde lidstaat als de om toegang verzoekende aanbieder van lineaire audiovisuele mediadiensten is gevestigd, exclusieve rechten heeft verworven voor het betrokken evenement van groot belang voor het publiek, dient bij deze aanbieder om toegang te worden verzocht. De aanbieders hebben de mogelijkheid om korte fragmenten uit het signaal van de aanbieder die de uitzending verzorgt vrij te kiezen waarbij, tenzij dat om praktische redenen niet mogelijk is, in ieder geval de bron dient te worden vermeld. Korte fragmenten worden alleen voor algemene nieuwsprogramma's gebruikt, en mogen uitsluitend in niet-lineaire audiovisuele mediadiensten worden gebruikt, als hetzelfde programma door dezelfde aanbieder van mediadiensten via uitgestelde verslaggeving wordt aangeboden. De kosteloze korte verslaggeving is beperkt tot een kort nieuwsverslag passend bij het evenement. De duur van de korte nieuwsverslagen is beperkt tot de tijd die nodig is om de noodzakelijke informatie over het evenement uit te zenden. Bij regelmatig weerkerende evenementen op korte termijn van vergelijkbare aard bedraagt de maximale duur doorgaans anderhalve minuut. Als korte verslagen over evenementen van vergelijkbare aard samengevat worden, moet ook in deze samenvatting het nieuwskarakter bewaard blijven. De Regering kan de regelingen voor de kostenterugbetaling vastleggen. Art. 27 - Televisiereclame en telewinkelen Televisiereclame en telewinkelprogramma's dienen duidelijk herkenbaar te zijn en te kunnen worden onderscheiden van redactionele inhoud. Zonder afbreuk te doen aan het gebruik van nieuwe reclametechnieken dienen televisiereclame en telewinkelprogramma's met visuele en/of akoestische en/of ruimtelijke middelen van andere onderdelen van het programma te worden gescheiden. Afzonderlijke reclamespots en telewinkelspots moeten, behalve in geval van uitzending van sportmanifestaties, een uitzondering blijven. Televisiereclame of telewinkelspots die in lopende uitzendingen worden ingevoegd, mogen noch de samenhang van deze uitzendingen aantasten, rekening houdende met de natuurlijke onderbrekingen van de uitzendingen evenals met de duur en aard van de uitzending, noch aan de rechten van rechtenhouders afbreuk doen. Art. 28 - Aandeel van televisiereclame- en telewinkelspots § 1 - Het aandeel televisiereclame- en telewinkelspots bedraagt tussen 6.00 uur en 18.00 uur niet meer dan 20 % van dat tijdvak. Het aandeel televisiereclame- en telewinkelspots bedraagt tussen 18.00 uur en 24.00 uur niet meer dan 20 % van dat tijdvak. Worden niet beschouwd als reclame in de zin van het eerste lid: 1° verwijzingen van de televisieomroeporganisatie naar eigen uitzendingen en begeleidend materiaal dat rechtstreeks van deze uitzendingen afgeleid is of verwijzingen naar uitzendingen van andere delen van dezelfde omroepgroep;2° aanduidingen van sponsors;3° productplaatsing;4° neutrale frames tussen redactionele inhoud en televisiereclame of telewinkelspots, en tussen individuele spots. § 2 - Telewinkelprogramma's moeten met visuele en akoestische middelen duidelijk als zodanig worden gekenmerkt, en moeten zonder onderbreking minimaal 15 minuten in beslag nemen. § 3 - Nieuws en religieuze uitzendingen mogen niet door reclame- en telewinkelspots worden onderbroken. De uitzending van televisiefilms, met uitzondering van series, feuilletons en documentaires, de uitzending van bioscoopfilms en nieuwsprogramma's mogen voor elke geprogrammeerde zendtijd van ten minste dertig minuten één keer worden onderbroken voor televisiereclame en/of telewinkelen. Uitzendingen van kinderprogramma's mogen één keer per geprogrammeerd tijdvak van ten minste 30 minuten worden onderbroken voor televisiereclame, mits de geprogrammeerde duur van het programma meer dan 30 minuten bedraagt. Uitzendingen van telewinkelen zijn verboden tijdens kinderprogramma's. § 4 - De bepalingen van dit decreet zijn mutatis mutandis van toepassing op televisiezenders die uitsluitend gewijd zijn aan reclame en telewinkelen, alsmede op televisiezenders die uitsluitend aan zelfpromotie gewijd zijn. De artikelen 24, 27, § 2, en 28, § 1, van dit decreet gelden niet voor dergelijke zenders. Afdeling 3 - Bijzondere bepalingen voor niet-lineaire audiovisuele mediadiensten Art. 29 - Beginsel Iedereen kan niet-lineaire audiovisuele mediadiensten aanbieden overeenkomstig de voorwaarden bepaald in dit hoofdstuk, voor zover de dienst aan de vereisten bepaald in deze titel voldoet en onafhankelijk van een politieke partij is. Deze diensten kunnen geheel of gedeeltelijk als signalen in gecodeerde vorm uitgezonden worden. De ontvangst ervan kan tegen betaling gebeuren. Art. 30 - Europese producties § 1 - Niet-lineaire audiovisuele mediadiensten die door geregistreerde aanbieders ter beschikking gesteld worden, bevorderen de vervaardiging van en de toegang tot Europese producties. Ze moeten een aandeel van ten minste 30 % aan Europese producties opnemen in hun catalogi en ervoor zorgen dat die producties aandacht krijgen. Een dergelijke promotie kan onder meer betrekking hebben op de financiële bijdrage van zulke diensten aan de vervaardiging van en de verwerving van rechten van Europese producties, of op het aandeel en/of de prominente aanwezigheid van Europese producties in de door de audiovisuele mediadienst op aanvraag aangeboden programmacatalogus. De Regering bepaalt de nadere regels. Zij kan andere aangepaste bevorderingsvormen vastleggen. § 2 - Niet-lineaire audiovisuele mediadiensten die zich tot publiek in de Duitstalige Gemeenschap richten maar in een andere lidstaat of gemeenschap zijn gevestigd, kunnen eveneens worden verplicht om overeenkomstig paragraaf 1 financiële bijdragen te leveren, die proportioneel en niet-discriminerend zijn. De financiële bijdrage wordt uitsluitend gebaseerd op de inkomsten die zijn gegenereerd in de Duitstalige Gemeenschap en voldoet aan het Unierecht, en in het bijzonder de staatssteunregels. De Regering bepaalt de nadere regels. § 3 - De verplichtingen uit hoofde van paragrafen 1 en 2 gelden niet voor aanbieders van mediadiensten met een lage omzet of een klein publiek. Afdeling 4. - Bijzondere bepalingen voor uitzendingen van openbare zittingen en evenementen van het Parlement Art. 31 - Zittingen en evenementen van het Parlement Uitzendingen van openbare zittingen en evenementen van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap mogen geen televisiereclame bevatten. Gesponsorde programma's en productplaatsing zijn verboden. De uitzendingen zijn niet onderworpen aan het toezicht van de Regering of de Mediaraad. HOOFDSTUK 4. - Bijzondere bepalingen voor videoplatformdiensten Art. 32 - Verplichtingen voor videoplatforms § 1 - Aanbieders van videoplatforms nemen passende maatregelen om: 1° minderjarigen te beschermen tegen programma's, door gebruikers gegenereerde video's en audiovisuele commerciële communicatie die hun lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling kunnen aantasten, overeenkomstig artikel 17;2° het algemene publiek te beschermen tegen programma's, door gebruikers gegenereerde video's en audiovisuele commerciële communicatie die aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van een groep, op grond van een van de kenmerken genoemd in artikel 3, 1°, van het decreet van 19 maart 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 19/03/2012 pub. 05/06/2012 numac 2012202232 bron ministerie van de duitstalige gemeenschap Decreet ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie sluiten betreffende de bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, of het behoren tot een nationale minderheid;3° het algemene publiek te beschermen tegen programma's, door gebruikers gegenereerde video's en audiovisuele commerciële communicatie met inhoud waarvan de verspreiding een activiteit inhoudt die krachtens het Unierecht een misdrijf is, met name het publiekelijk uitlokken van het plegen van een terroristisch misdrijf bepaald in artikel 5 van Richtlijn (EU) 2017/541, strafbare feiten met betrekking tot kinderpornografie bepaald in artikel 5, lid 4, van Richtlijn 2011/93/EU en strafbare feiten op het gebied van racisme en vreemdelingenhaat bepaald in artikel 1 van Kaderbesluit 2008/913/JBZ. § 2 - Aanbieders van videoplatforms voldoen aan de in artikelen 12 tot 14 bedoelde voorschriften met betrekking tot audiovisuele commerciële communicatie die door deze aanbieders in de handel gebracht, verkocht of georganiseerd wordt. Aanbieders van videoplatforms nemen passende maatregelen om te voldoen aan de in artikelen 12 tot 14 bedoelde voorschriften met betrekking tot audiovisuele commerciële communicatie die door deze aanbieders van videoplatforms niet in de handel gebracht, verkocht of georganiseerd wordt, rekening houdend met de beperkte controle van deze videoplatforms op die audiovisuele commerciële communicatie. Aanbieders van videoplatforms informeren gebruikers duidelijk als programma's en door gebruikers gegenereerde video's audiovisuele commerciële communicatie bevatten, op voorwaarde dat een dergelijke communicatie overeenkomstig § 3, derde lid, 3°, gemeld werd of de aanbieder van dat feit op de hoogte is. § 3 - Voor de toepassing van paragrafen 1 en 2 worden de passende maatregelen bepaald aan de hand van de aard van de desbetreffende inhoud, de schade die deze inhoud kan berokkenen, de kenmerken van de te beschermen categorie personen alsmede de in het geding zijnde rechten en gerechtvaardigde belangen, waaronder die van de aanbieders van videoplatforms en de gebruikers die de inhoud hebben gecreëerd of geüpload, alsmede het algemeen belang. Die maatregelen moeten uitvoerbaar en proportioneel zijn, rekening houdend met de omvang van de videoplatformdienst en de aard van de verleende dienst. Die maatregelen mogen niet leiden tot eventuele controlemaatregelen vooraf of filtering bij het uploaden van inhoud die niet voldoen aan artikel XII.20, § 1, van het Wetboek van economisch recht. Ter bescherming van minderjarigen, als bedoeld in § 1, 1°, gelden voor de meest schadelijke inhoud de meest strikte toegangscontrolemaatregelen. Die maatregelen omvatten naargelang het geval: 1° het opnemen en het toepassen, in de voorwaarden van de videoplatformdiensten, van de in paragraaf 1 bedoelde voorschriften;2° het opnemen en het toepassen, in de voorwaarden van de videoplatformdiensten, van de in artikel 12 tot 14 bedoelde voorschriften inzake audiovisuele commerciële communicatie die door de aanbieders van videoplatformdiensten niet in de handel gebracht, verkocht of georganiseerd wordt;3° het beschikken over een functie waarmee gebruikers die door gebruikers gegenereerde video's uploaden, kunnen melden of die video's audiovisuele commerciële communicatie bevatten, voor zover zij zulks weten of redelijkerwijs zouden kunnen weten;4° het tot stand brengen en het gebruiken van transparante en gebruiksvriendelijke mechanismen waarmee gebruikers van een videoplatform de in paragraaf 1 bedoelde, op het platform van de betrokken aanbieder van videoplatforms aangeboden inhoud bij die aanbieder kunnen rapporteren of markeren;5° het tot stand brengen en het gebruiken van systemen waarmee aanbieders van videoplatforms aan de gebruikers ervan kunnen uitleggen welk gevolg er is gegeven aan de in 4° genoemde rapportage en markeringen;6° het tot stand brengen en het gebruiken van systemen voor leeftijdscontrole van gebruikers van videoplatforms met betrekking tot inhoud die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten;7° het tot stand brengen en het gebruiken van gemakkelijk te bedienen systemen waarmee de gebruikers van videoplatforms een beoordeling van de in paragraaf 1 bedoelde inhoud kunnen geven;8° het ter beschikking stellen van systemen voor ouderlijk toezicht die door de eindgebruiker worden beheerd met betrekking tot inhoud die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten;9° het tot stand brengen en het gebruiken van transparante, gemakkelijk te gebruiken en doeltreffende procedures voor de behandeling en afhandeling van klachten van de gebruikers bij de aanbieder van videoplatforms omtrent de uitvoering van de in de bepalingen onder 4° tot 8° genoemde maatregelen;10° het voorzien in doeltreffende maatregelen en instrumenten op het gebied van mediageletterdheid en vergroten van de bekendheid van gebruikers met die maatregelen en instrumenten. § 4 - Door aanbieders van videoplatforms op grond van § 3, 6° en 8°, verzamelde of op andere wijze gegenereerde persoonsgegevens van minderjarigen, worden niet verwerkt voor commerciële doeleinden, zoals direct marketing, profilering en op gedrag gerichte reclame. § 5 - De Mediaraad stelt de nodige mechanismen vast om de geschiktheid van de door de aanbieders van videoplatforms getroffen maatregelen, die zijn bedoeld in § 3, te beoordelen. Deze mechanismen worden gepubliceerd op de website van de Mediaraad. Een synthese van deze mechanismen wordt ook in andere media gepubliceerd. HOOFDSTUK 5. - Bijzondere bepalingen voor auditieve mediadiensten Afdeling 1. - Bijzondere bepalingen voor lineaire auditieve mediadiensten Art. 33 - Minimale informatie Aanbieders van lineaire auditieve mediadiensten stellen minstens de volgende informatie ter beschikking van de ontvangers van een dienst: 1° de benaming van de auditieve mediadienst;2° de plaats van de zender;3° inlichtingen over de gebruikte frequenties, indien van toepassing;4° het radio data system, waarbij de door de Mediaraad meegedeelde RDS-PI-code moet worden gebruikt, indien van toepassing. Als de aanbieder van lineaire auditieve mediadiensten voor zijn dienst radiospectrum gebruikt, moeten de in het eerste lid, 1° tot 3°, vermelde inlichtingen aan het begin en aan het einde van het programma worden gegeven. Bovendien moeten ze tijdens het programma met regelmatige tussenpozen worden herhaald. Art. 34 - Commerciële communicatie in lineaire auditieve mediadiensten van het BRF De zendtijd voor auditieve commerciële communicatie in de lineaire auditieve mediadiensten van het BRF mag 15 % van de dagelijkse zendtijd niet overschrijden. De zendtijd voor auditieve commerciële communicatie mag 20 % in één uur, gerekend vanaf een heel uur, niet overschrijden. Afdeling 2. - Bijzondere bepalingen voor niet-lineaire auditieve mediadiensten Art. 35 - Minimale informatie Aanbieders van niet-lineaire auditieve mediadiensten maken minstens de benaming van de auditieve mediadienst toegankelijk voor de ontvangers van een dienst. HOOFDSTUK 6. - het recht tot antwoord Art. 36 - Recht tot antwoord § 1 - Met betrekking tot audiovisuele en auditieve mediadiensten, heeft iedereen recht op weerwoord dat wordt uitgeoefend op de in dit hoofdstuk beschreven wijze. § 2 - Onverminderd de andere rechtsmiddelen heeft elke natuurlijke persoon of rechtspersoon, elke feitelijke vereniging, die bij name is genoemd of impliciet is aangewezen in een audiovisueel of auditief programma van periodieke aard, het recht, onder aanwijzing van een persoonlijk belang, kosteloos de uitzending of de opneming van een antwoord te vorderen om één of meer onjuiste feiten die hem betreffen recht te zetten of om te antwoorden op één of meer feiten of verklaringen die van zodanige aard zijn dat zij de eer aantasten. § 3 - Er is geen grond tot antwoord als spontaan een bevredigende rechtzetting is gedaan door de producent of de hoofd- of eindredacteur. Als deze rechtzetting door de verzoeker niet bevredigend wordt geacht, kan hij gebruik maken van zijn recht van antwoord. § 4 - Als de persoon overleden is, behoort het recht van antwoord aan al de bloedverwanten in de rechte lijn of aan de echtgenoot of, bij ontstentenis van dezen, aan de naaste bloedverwanten; het recht wordt slechts eenmaal en door de meest gerede onder hen uitgeoefend. Als, op de dag van het overlijden van de genoemde of aangewezen persoon, de termijn van dertig dagen, bepaald in artikel 37, is ingegaan, beschikken de rechthebbenden alleen over het nog overblijvende gedeelte van die termijn. Art. 37 - Voorwaarden Op straffe van onontvankelijkheid voldoet de aanvraag tot antwoord aan de volgende voorwaarden: 1° uiterlijk de dertigste dag na de datum van het programma aangetekend worden toegezonden aan de producent, de hoofd- of eindredacteur of aan een andere persoon die het antwoord kan laten opnemen.Deze termijn begint te lopen op:
  3. a)de dag van de eerste uitzending, als het recht van antwoord betrekking heeft op een programma van een lineaire audiovisuele of auditieve mediadienst;
  4. b)de eerste dag dat het programma door de gebruiker kan opgevraagd worden, als het recht van antwoord betrekking heeft op een programma van een niet-lineaire audiovisuele of auditieve mediadienst.Dit geldt niet voor programma's van niet-lineaire audiovisuele of auditieve mediadiensten die reeds eerder lineair werden verdeeld. In dit geval begint de termijn te lopen op het ogenblik van de eerste lineaire uitzending; 2° als het een natuurlijke persoon betreft, worden de volledige identiteit en de woonplaats van de verzoeker vermeld.Bij rechtspersonen worden de firmanaam, de juridische aard, de maatschappelijke zetel en de hoedanigheid van de ondertekenaar van het verzoek vermeld. Bij feitelijke verenigingen worden de naam, de zetel, de statutaire organen en de hoedanigheid van de ondertekenaar van het verzoek vermeld; 3° alle nodige inlichtingen die toelaten om het bestreden programma of de gewraakte passages te identificeren, moeten worden vermeld;4° met redenen omkleed en ondertekend zijn;5° het gevraagde antwoord bevatten, waarvan de tekst beperkt moet blijven tot wat strikt noodzakelijk is om te reageren op de informatie die de aanleiding is geweest tot het verzoek en een leestijd van drie minuten of 4500 typografische tekens niet overschrijdt. Art. 38 - Weigering van antwoord De uitzending of de opneming van elk antwoord kan geweigerd worden als: 1° het niet in onmiddellijk verband staat met de bestreden woorden of beelden of het verder gaat dan nodig is om de onjuist verklaarde feiten of de feiten schadelijk voor de eer, te verbeteren;2° het beledigend is of in strijd met de wetten of de goede zeden;3° het zonder noodzakelijkheid derden in de zaak betrekt;4° het gesteld is in een andere taal dan die van het bestreden programma. Art. 39 - Termijn van antwoord § 1 - Als het recht van antwoord betrekking heeft op een programma van een lineaire audiovisuele of auditieve mediadienst, wordt dat antwoord uitgezonden in het eerstvolgend programma van dezelfde reeks of van hetzelfde type, zo dicht mogelijk bij het uur waarop het betrokken programma heeft plaatsgehad. Als er binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek geen uitzending van het programma gepland is, wordt het antwoord binnen die termijn uitgezonden op een voor het publiek toegankelijk uitzenduur. Als het recht van antwoord betrekking heeft op een programma van een niet-lineaire audiovisuele of auditieve mediadienst, wordt het antwoord aan het betrokken programma vastgehecht, en dit na afloop van een termijn van twee werkdagen, die ingaat op de dag waarop een van de personen vermeld in artikel 37, 1°, het antwoord ontvangt. Het antwoord wordt zonder commentaar of repliek gelezen door de persoon die door de producent of door de hoofd- of eindredacteur is aangewezen. De verzoeker heeft geen toegang tot de microfoon, de camera of de opnameapparatuur. § 2 - Wordt het verzochte antwoord aanvaard, maar niet in zijn geheel, dan stuurt de producent of de hoofd- of eindredacteur aan de verzoeker een tegenvoorstel. Dit wordt binnen vier werkdagen, te rekenen vanaf de dag na de ontvangst van de aanvraag, aangetekend toegezonden. Wordt het tegenvoorstel door de verzoeker aanvaard, dan wordt het antwoord uitgezonden of opgenomen op de wijze bepaald in paragraaf 1. § 3 - Als de producent of de hoofd- of eindredacteur de aanvraag tot antwoord afwijst, deelt hij dit onder opgave van redenen bij aangetekend schrijven aan de verzoeker mee binnen een termijn van vier werkdagen die ingaat op de dag na de ontvangst van de aanvraag. Art. 40 - Bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Als de formaliteiten bepaald in artikel 39, § 2, eerste lid, en § 3, niet vervuld zijn, als de aanvraag tot antwoord wordt afgewezen of het tegenvoorstel van tekst niet wordt aanvaard, kan de verzoeker binnen vijftien dagen te rekenen van de dag waarop van de weigering of van het tegenvoorstel kennis moest worden gegeven of binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de weigering of van het tegenvoorstel, de zaak aanhangig maken bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, die ten gronde en in laatste aanleg beslist over de verplichting van de producent of de hoofd- of eindredacteur om het antwoord uit te zenden of op te nemen. Art. 41 - Registratieplicht Gedurende de termijn waarin een aanvraag tot opname van een recht van antwoord kan worden ingediend, bewaren de in artikel 37, 1°, vermelde personen een opname van elk programma. Wanneer geen opname kan worden overgelegd, wordt het antwoord uitgezonden, voor zover het in overeenstemming is met de wet. Wanneer de aanvraag tot antwoord tijdig is ingediend, wordt de opname van het betrokken programma bewaard tot het geschil beslecht is. De opname van het antwoord wordt gedurende drie maanden bewaard. TITEL 3. - Elektronischecommunicatienetwerken en -diensten HOOFDSTUK 1. -

Art. 42

- Toepassingsgebied Niettegenstaande de bepalingen van titel 2 en onverminderd de bevoegdheid van andere overheden is deze titel van toepassing op het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten. Art. 43 - Opschorting van rechten De Regering mag het vrije aanbod door ondernemingen van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten enkel beperken, indien noodzakelijk om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. De Regering brengt de met redenen omklede opschorting ter kennis van de Europese Commissie. De exploitant is ertoe verplicht elke, overeenkomstig het eerste lid opgelegde opschorting binnen een redelijke termijn op eigen kosten naleven. Art. 44 - Wijziging van rechten en verplichtingen Als de Mediaraad van plan is om wijzigingen aan te brengen in de rechten, voorwaarden en procedures die van toepassing zijn bij de algemene machtiging en bij de gebruiksrechten of rechten om faciliteiten te installeren, geeft hij de belanghebbende partijen, met inbegrip van gebruikers en consumenten, de gelegenheid om binnen een termijn van ten minste vier weken hun standpunt kenbaar te maken. In uitzonderlijke gevallen kan de termijn korter zijn. Wijzigingen mogen slechts in objectief gerechtvaardigde gevallen en op proportionele wijze worden aangebracht. Dat doet geen afbreuk aan de mogelijkheid kleine wijzigingen aan te brengen die met de houder van de rechten of de houder van de algemene machtiging overeengekomen zijn. Behalve in met redenen omklede gevallen mogen de rechten om faciliteiten te installeren of de rechten om radiospectrum te gebruiken, niet beperkt of ingetrokken worden voordat de termijn waarvoor zij verleend zijn, verstreken is. HOOFDSTUK 2. - Aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten Afdeling 1. - Algemene machtiging Art. 45 - Beginsel Elke onderneming mag elektronischecommunicatienetwerken en -diensten overeenkomstig de in dit decreet vastgelegde voorwaarden aanbieden. Art. 46 - Registratieplicht § 1 - Het voornemen om elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan te bieden, te wijzigen of daarmee te stoppen, moet vooraf schriftelijk de Mediaraad per brief of e-mail worden meegedeeld, voor zover artikel 58 niet van toepassing is. De mededeling behelst de volgende gegevens: 1° de naam van de aanbieder;2° in voorkomend geval, het ondernemingsnummer en de statuten;3° het geografische adres van de hoofdvestiging van de aanbieder in de Europese Unie en, in voorkomend geval, van elk bijkantoor in een lidstaat;4° het websiteadres van de aanbieder dat wordt gebruikt voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten;5° een contactpersoon en contactgegevens;6° een korte beschrijving van de aan te bieden netwerken of diensten;7° de betrokken lidstaten;en 8° de datum waarop de activiteiten vermoedelijk van start gaan, gewijzigd wordt of een einde neemt. § 2 - De Mediaraad houdt een register van de exploitanten van elektronischecommunicatienetwerken en van de aanbieders van elektronischecommunicatiediensten bij en publiceert dat register. § 3 - Ondernemingen die grensoverschrijdende elektronischecommunicatiediensten verlenen aan ondernemingen die in België of in één of meer lidstaten gevestigd zijn, hoeven in België slechts één kennisgeving af te geven. Art. 47 - Collectieve antennes Het aanbieden van collectieve antennes is niet onderworpen aan kennisgeving voor zover deze uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van houders van ontvangtoestellen die: 1° verblijven in kamers of appartementen van hetzelfde gebouw;2° verblijven in gegroepeerde gebouwen van eenzelfde eigenaar waarvan het aantal vijftig niet overschrijdt;3° verblijven in gegroepeerde woningen waarvan het aantal vijftig niet overschrijdt;4° gebruik maken van caravans of staanplaatsen van eenzelfde camping. Art. 48 - Verklaring ter vereenvoudiging van de procedures Binnen een week na de ontvangst van de in artikel 46 vermelde kennisgeving of de in artikel 58 vermelde radiospectrumtoewijzing geeft de Mediaraad een standaardverklaring af. Die verklaring heeft tot doel de procedures voor het installeren van faciliteiten te vergemakkelijken, het onderhandelen over interconnectie te vergemakkelijken en aanvragen om toegang of interconnectie te vergemakkelijken. De verklaring omvat: 1° een bevestiging van de registratie of van de spectrumtoewijzing;2° de vermelding van de bepalingen van dit decreet die de onderneming ertoe machtigen het recht aan te vragen om faciliteiten te installeren, het recht aan te vragen om over een interconnectie te onderhandelen en/of het recht aan te vragen om een toegang of interconnectie te verkrijgen;3° de vermelding van de criteria en procedures volgens welke overeenkomstig artikel 69, § 4, bijzondere verplichtingen aan specifieke ondernemingen kunnen worden opgelegd. Art. 49 - Onderhandelingsplicht Elke exploitant die zich geregistreerd heeft of aan wie radiospectrum wordt toegewezen is gerechtigd - en op verzoek verplicht - te goeder trouw over interconnectie te onderhandelen met andere exploitanten van openbare communicatienetwerken die binnen de Europese Unie aan de voorwaarden voldoen om communicatiediensten en -netwerken te mogen aanbieden, teneinde de verlening en interoperabiliteit van diensten te waarborgen. Exploitanten verlenen andere ondernemingen toegang en interconnectie onder voorwaarden die verenigbaar zijn met de verplichtingen die door de Mediaraad worden opgelegd. Afdeling 2. - Gebruiksrechten voor radiospectrum Art. 50 - Radiospectrum § 1 - De Regering stelt het plan op met het radiospectrum dat aan de verschillende lineaire audiovisuele en auditieve mediadiensten kan worden toegewezen met inachtneming van de desbetreffende federale technische normen en van het federale frequentieplan voor de verdeling tussen civiele en militaire frequentiebanden, evenals met samenwerkingsakkoorden afgesloten met ander gemeenschappen. Bij gebrek aan zulke normen richt zich de Regering naar de overeenkomstige internationale en supranationale normen. Met inachtneming van deze normen kan de Regering eigen normen bepalen. § 2 - In samenwerking met de andere lidstaten en de Europese Commissie bevordert de Regering - voor zover radiospectrum gebruikt wordt om signalen over te brengen voor de distributie van lineaire audiovisuele en auditieve mediadiensten - de coördinatie van de aanpak van het radiospectrumbeleid in de Europese Unie en, in voorkomend geval, de vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden inzake beschikbaarheid en efficiënt gebruik van het radiospectrum die voor het tot stand brengen en het functioneren van de Europese interne markt op het gebied van elektronische communicatie vereist zijn. Art. 51 - Toewijzing van radiospectrum Om radiospectrum opgenomen in het frequentieplan van de Duitstalige Gemeenschap te kunnen gebruiken, dient het vooraf te worden toegewezen, onverminderd de bijzondere criteria en procedure bepaald in het decreet van 27 juni 1986 betreffende het Belgisch Radio- en Televisiecentrum van de Duitstalige Gemeenschap voor de toewijzing van radiospectrum aan het BRF om doelstellingen van algemeen belang te bereiken. Radiospectrum toewijzen betekent dat een gebruiksrecht voor radiospectrum onder vastgelegde voorwaarden wordt verleend. Radiospectrum wordt met een bepaalde bestemming toegewezen, met inachtneming van het frequentieplan en onder niet-discriminerende voorwaarden op grond van objectieve, transparante en concurrentiebevorderende procedures die de Regering, op voorstel van de Mediaraad, vaststelt. De aanvrager heeft geen recht op een bepaald radiospectrum. In het kader van de toewijzing van radiospectrum aan een aanbieder van mediadiensten wordt daarenboven geen ander radiospectrum voor de signaaltoevoer toegewezen. Art. 52 - Informatie over de beschikbaarheid van radiospectrum De Mediaraad maakt het inventaris bekend van het gehele in de Duitstalige Gemeenschap beschikbare, resp. beschikbaar te stellen radiospectrum, evenals, indien van toepassing, de indeling van radiospectrum volgens zendercategorieën, het ogenblik waarop ze kunnen worden toegewezen alsmede de beschikbare zendtijden voor elke wijze van uitzending met bepaling van een redelijke termijn om de aanvragen in te dienen. De Mediaraad zorgt voor een evenwichtige en passende toewijzing van radiospectrum aan elk van de volgende zes categorieën spectrumgebruik: 1° auditieve lineaire mediadiensten gericht tot het hele publiek in het Duitse taalgebied en de verplichtingen opgenomen in artikel 54, 3°, voor alle gemeenten van het Duitse taalgebied vervullen, hierna zendernet genoemd;2° auditieve lineaire mediadiensten die zich tot een regionaal publiek in het Duitse taalgebied richten en de verplichtingen opgenomen in artikel 54, 3°, voor vier aan elkaar grenzende gemeenten in het Duitse taalgebied vervullen, hierna regionale radio genoemd;3° auditieve lineaire mediadiensten die tot een geografisch beperkt publiek in een gemeente of gemeentedeel van het Duitse taalgebied wenden en de verplichtingen opgenomen in artikel 54, 3°, vervullen, hierna lokale radio genoemd;4° in de tijd begrensde lineaire programma's die de plaats van een evenement bestrijken, hierna evenementenradio genoemd;5° de uitzending van bijdragen van één of meer scholen in een gemeente, hierna schoolradio genoemd;6° lineaire audiovisuele mediadiensten die zich tot het publiek in het Duitse taalgebied richten. Art. 53 - Voorwaarden Radiospectrum wordt toegewezen wanneer: 1° het radiospectrum met het oog op het gepland gebruik ervan ingedeeld is in het radiofrequentieplan;2° de verenigbaarheid met het gebruik van andere radiofrequenties is verzekerd;en 3° een efficiënt en storingvrij gebruik van het radiospectrum gegarandeerd wordt door de aanvrager. Art. 54 - Algemene voorwaarden voor het verkrijgen van radiospectrum voor lineaire audiovisuele en auditieve mediadiensten Voor de toewijzing van radiospectrum moet de aanvrager van de categorieën genoemd in artikel 52 aan de volgende eisen voldoen: 1° een privaatrechtelijke rechtspersoon zijn waarvan de zetel en de zendinstallaties in het Duitse taalgebied gelegen zijn, binnen het gebied dat door de zender bestreken wordt.In het geval van evenementenradio's zijn aanvragen van natuurlijke personen ook ontvankelijk; 2° onafhankelijk zijn van werkgevers- of werknemersorganisaties of van politieke groeperingen;3° ervoor zorgen dat een bepaald percentage van de zendtijd bestaat uit uitzendingen in de Duitse taal;muzieknummers worden in deze context niet meegerekend; 4° bijzondere aandacht besteden in zijn programma's aan cultuur en kunstenaars uit de Duitstalige Gemeenschap en de naburige regio's;en 5° de Mediaraad te allen tijde in staat stellen zijn functioneren ter plaatse te controleren. Art. 55 - Bijzondere voorwaarden voor de toewijzing van radiospectrum voor zendernetwerken, regionale radio's of audiovisuele mediadiensten § 1 - Naast de voorwaarden van artikel 54 moet de aanvrager van gebruiksrechten van radiospectrum voor auditieve mediadiensten dat wordt toegewezen voor zendernetten, regionale radio's of audiovisuele mediadienstenaanbieders aan de volgende voorwaarden voldoen: 1° zich wijden aan de informatie over wat in het Duitstalige gebied en in de aangrenzende regio's gebeurt, waarbij rekening gehouden wordt met de opinieverscheidenheid en de evenwichtigheid van de informatie;2° tussen 6 uur en 22 uur een programmering hebben waarvan, afgezien van programma's bestaande uit doorlopende muziek, 50 % uit programma's bestaat die door de medewerkers van het zendernet resp.de regionale radio worden gerealiseerd; 3° lid van de IZJD zijn;4° zich ertoe verplichten dat nieuwsprogramma's objectief en zakelijk zijn, uitgewerkt worden in samenwerking met beroepsjournalisten of met personen die onder de voorwaarden werken die het mogelijk maken beroepjournalist te worden overeenkomstig de wet van 30 december 1963 betreffende de erkenning en de bescherming van de titel van beroepsjournalist en dat commentaren duidelijk te onderscheiden zijn van de informaties en de naam van hun auteur wordt vermeld;5° zich ertoe verplichten inhoudelijk de opinieverscheidenheid in wezen tot uitdrukking te brengen.De belangrijke, politieke, levensaanschouwelijke en maatschappelijke krachten en groepen moeten behoorlijk aan het woord komen; er moet rekening worden gehouden met opvattingen van minderheden. De mogelijkheid om thematische programma's aan te bieden, blijft hierdoor onaangetast. Een thematisch programma is een audiovisuele of auditieve mediadienst met inhouden die in wezen gelijkaardig zijn. 6° de mediageletterdheid in de Duitstalige Gemeenschap bevorderen. § 2 - Aanvragers van radiospectrum voor zendernetten moeten zich daarenboven ertoe verbinden dagelijks acht nieuwsprogramma's uit te zenden. Deze duren ten minste drie minuten, weer- en verkeersberichten niet inbegrepen. Ze moeten worden opgesteld in samenwerking met beroepsjournalisten of met personen die onder voorwaarden werken die het mogelijk maken beroepsjournalist te worden overeenkomstig de wet van 30 december 1963 over de erkenning en de bescherming van de beroepstitel als beroepsjournalist. § 3 - Aanvragers van radiospectrum voor regionale radio's moeten zich naast de in paragraaf 1 vermelde voorwaarden, ertoe verbinden dagelijks ten minste vier nieuwsprogramma's uitzenden. Deze duren ten minste drie minuten, weer- en verkeersberichten niet inbegrepen. Ze moeten worden opgesteld in samenwerking met beroepsjournalisten of met personen die onder voorwaarden werken die het mogelijk maken beroepsjournalist te worden overeenkomstig de wet van 30 december 1963 over de erkenning en de bescherming van de beroepstitel als beroepsjournalist. Art. 56 - Bijzondere voorwaarden voor de toewijzing van radiospectrum bestemd voor lokale radio's Onverminderd de voorwaarden bepaald in artikel 54 moet de aanvrager van gebruiksrechten voor radiospectrum bestemd voor lokale radio's bovendien tussen 6 uur en 22 uur een programmering hebben waarvan, afgezien van programma's bestaande uit doorlopende muziek, 25 % uit programma's bestaat die door de medewerkers van de lokale radio worden gerealiseerd. Muziekprogramma's zonder presentator worden niet als eigen programmering beschouwd. Daarenboven moeten lokale radio's de mediageletterdheid in het Duitstalige Gemeenschap bevorderen. Art. 57 - Bijzondere bepalingen voor de toewijzing van radiospectrum bestemd voor school- en evenenmentenradio's § 1 - De Mediaraad mag radiospectrum toewijzen aan evenementenradio's voor programma's die uitgezonden worden in de context, in de omgeving en voor de duur van een openbaar evenement. In afwijking van artikel 62 mag de Mediaraad mag in de tijd beperkte gebruiksrechten verlenen voor dergelijke evenementenradio's voor een bepaald evenemententerrein, in het betrokken plaatselijke zendgebied, en voor de duur van het evenement, met een maximale duur van twee maanden. § 2 - In afwijking van artikel 62 mag de Mediaraad radiospectrum toewijzen aan schoolradio's voor een periode van maximaal twee jaar. § 3 - Als omroeporganisatie gelden de personen die de programma's uitzenden. Wie op grond van andere voorschriften gemachtigd is tot het organiseren van mediadiensten, wordt niet toegelaten als omroeporganisatie voor schoolradio's of evenementenradio's. § 4 - Voor schoolradio's en evenementenradio's is productplaatsing verboden in de programma's die ze zelf produceren of zelf modereren. § 5 - De toewijzing van radiospectrum aan evenementenradio's en schoolradio's is onderworpen aan een vereenvoudigde toewijzingsprocedure die de Regering op voorstel van de Mediaraad vaststelt. Evenementradio's en schoolradio's kunnen ook buiten de in artikel 52 bedoelde bekendmakingsprocedure spectrum aanvragen. Art. 58 - Aanvraag De aanvraag om toewijzing van radiospectrum dient bij de Mediaraad schriftelijk te worden ingediend per brief of e-mail. In dit geval is de aanvrager niet onderworpen aan de in artikel 46 genoemde registratieplicht. De aanvraag wordt ondertekend door ten minste twee daarvoor bevoegde personen die het beheer van de omroeporganisatie voeren en hun woonplaats hebben in het Duitse taalgebied, binnen het gebied dat door de zender bestreken wordt. De Mediaraad bepaalt voor elk van de zes in artikel 55 genoemde categorieën van spectrumgebruik de vorm en inhoud van de aanvraagformulieren. De Mediaraad kan onder meer de volgende informatie en documenten opvragen: 1° de benaming van de aanvrager en van de lineaire mediadienst;2° in voorkomend geval, het ondernemingsnummer en de statuten van de technische dienstverleners, evenals het adres van de bedrijfszetels en de studio's;3° het gebied of de gebieden waar de radiofrequentie moet worden gebruikt en de gewenste radiofrequentie of radiofrequenties;4° de aard en de beschrijving van de mediadienst, met inbegrip van:

  1. a)de beschrijving van het eventueel geplande informatiesysteem evenals, indien van toepassing, het bewijs van tewerkstelling van journalisten;
  2. b)het geplande wekelijkse programmaschema, indien van toepassing;
  3. c)voor zendernetten, regionale en lokale radio's, een financieringsplan voor een periode van drie jaar;
  4. d)voor zendernetten, regionale en lokale radio's, de precieze samenstelling van het kapitaal en van de bestuursorganen;
  5. e)het voornemen om geleverde programmaonderdelen over te nemen. Meerdere aanvragers mogen evenwel geen programmaonderdelen van één en dezelfde derde persoon verspreiden.
  6. f)voor zendernetten, regionale en lokale radio's, een uitleg over hoe de aanvragers van plan zijn de mediageletterdheid in het Duitstalige gebied te bevorderen;
  7. g)de lijst van de mogelijke prestaties die naast de uitzending van lineaire mediadiensten kunnen worden verstrekt;5° indien van toepassing: de nadere regels voor de commercialisering van de mediadienst, wanneer de aanvrager de mediadienst zelf exploiteert;6° de beoogde datum waarop de mediadienst van start zal gaan;7° de aard van het netwerk of van de technologie waarvoor de gebruiksrechten voor radiospectrum bedoeld zijn;8° de lokalisatie van de zendinstallaties;9° de geplande antennehoogte of in voorkomend geval de geplande hoogte van het stralingscentrum van de antenne;10° het merk en het type van de zender, alsmede het homologatienummer ervan of een meetverslag conform de door de bevoegde federale overheid vastgelegde regels;11° het soort antenne(s), de typische kenmerken van de antenne(s), met inbegrip van de antennewinst in dBd, het richtdiagram en de gedetailleerde beschrijving van de antenne (aantal dipolen, aantal en soort elementen);12° het type en de lengte van de kabels tussen zender en antenne met vermelding van de demping in dB;13° welke soort van elementen voor signaaltoevoer tussen zenderuitgang en antenne-ingang is ingevoegd;14° De stedenbouwkundige of de globale vergunning voor de zendmast;15° het maximale uitgangsvermogen van de zender in watt;16° alle gegevens die de behandeling van de aanvraag mogelijk maken;17° de eventuele afspraken die over de verspreiding van commerciële communicatie werden gemaakt met andere aanvragers of met bestaande zendernetten, regionale of lokale radio's;en 18° een schriftelijke verbintenis om het decreet, de uitvoeringsbepalingen ervan en de wetten in het algemeen na te leven. Ter aanvulling van de aanvraag kan de Mediaraad nog andere documenten opvragen. Voor de behandeling van de aanvraag mag de Mediaraad administratieve vergoedingen in rekening brengen die door de Regering zijn vastgelegd. De Mediaraad spreekt zich uit over volledige aanvragen, deelt zijn beslissing mee en publiceert de besluiten over het verlenen van individuele gebruiksrechten voor radiospectrum uiterlijk zes weken nadat vastgesteld is dat de aanvragen volledig zijn. Art. 59 - Beperking van het aantal spectrumtoewijzingen Als de Mediaraad vaststelt dat het aantal gebruiksrechten moet worden beperkt, beoordeelt hij de aanvragen overeenkomstig artikel 58, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende critera: 1° de manier waarop de aanvragers zich ertoe verplichten te voldoen aan de voorwaarden die uit de artikelen 55, 56 en 58, 11° tot 18°, voortvloeien, in het bijzonder wanneer het gaat om programmaonderdelen over de Duitstalige Gemeenschap en over haar gemeenten;2° de relevantie van het financieringsplan dat in artikel 58, derde lid, 4°, c), wordt vermeld;3° de originaliteit en het innovatieve karakter van de aanvraag;4° het aandeel van de producties die in het Duitstalige gebied worden gemaakt;5° de ervaring van de aanvrager in de audiovisuele en auditieve sector;6° de haalbaarheid van het project;7° het waarborgen van de meningsverscheidenheid in de zin van artikel 11;8° het efficiënt en storingvrij gebruik van de frequenties, zonder betwisting door het Belgisch Instituut voor Post- en Telecommunicatie;9° de doeleinden vermeld in artikel 5. Art. 60 - Mededelingsplicht De aanvang en het einde van het gebruik van radiospectrum dienen onverwijld aan de Mediaraad te worden meegedeeld. Naam- en adreswijzigingen dienen aan de Mediaraad te worden meegedeeld. De houders van gebruiksrechten van radiospectrum voor zendernetten, regionale of lokale radio's en lineaire audiovisuele mediadiensten vermelden, in het activiteitenverslag vermeld in artikel 9, gegevens inzake naleving van de verplichtingen vervat in artikel 54, 3° en 4°. Art. 61 - Overdracht of verhuur van gebruiksrechten voor radiospectrum Het overdragen of verhuren van individuele gebruiksrechten voor radiospectrum is verboden. De ondernemingen die over gebruiksrechten van radiospectrum beschikken, mogen de uitzending van hun programma's echter uitbesteden aan derden. In dat geval moet vooraf toestemming van de Mediaraad worden verkregen. Art. 62 - Geldigheid van de toewijzing van radiospectrum Radiospectrum wordt voor een bepaalde duur toegewezen. Onverminderd artikel 57 en 63 hebben gebruiksrechten van radiospectrum een geldigheidsduur van vijftien jaar. Art. 63 - Voor een bepaalde duur toegewezen radiospectrum In gerechtvaardigde bijzondere gevallen, in het bijzonder om innovatieve technologieën te testen of in geval van behoefte aan radiospectrum voor een korte termijn, kan de Mediaraad radiospectrum voor een bepaalde duur toewijzen. De met redenen omklede aanvraag dient bij de Mediaraad schriftelijk te worden ingediend. Artikel 58 geldt mutatis mutandis. Art. 64 - Gedeeld gebruik van radiospectrum Radiospectrum dat door een aanbieder niet efficiënt kan worden gebruikt, kan ook aan meerdere aanvragers worden toegewezen met het oog op een gedeeld gebruik ervan. De houders van dat toegewezen radiospectrum moeten de verantwoordelijkheid dragen voor de nadelen die zouden kunnen voortvloeien uit een gedeeld gebruik van het radiospectrum. Art. 65 - Bestanddelen van de toewijzing van radiospectrum Bij de toewijzing van radiospectrum bepaalt de Mediaraad in het bijzonder de aard en omvang van het gebruik van dat radiospectrum voor zover het noodzakelijk is om een efficiënt en storingvrij spectrumgebruik te waarborgen. Om een efficiënt en storingvrij gebruik van radiospectrum te waarborgen, kan de spectrumtoewijzing aan bijkomende voorwaarden worden onderworpen. De exploitant van een elektronisch communicatienetwerk dient de instructies van het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie of van elke elektriciteitsmaatschappij of -dienst onverwijld na te leven. De Mediaraad bezorgt het Belgische Instituut voor Post- en Telecommunicatie een kopie van de radiospectrumtoewijzing. De titel van toewijzing bevat minstens de volgende inlichtingen: 1° de benaming van de mediadienst;2° de naam en het adres van de houder van de toewijzingstitel;3° het toegewezen radiospectrum;4° de frequentie-afwijking per frequentie;5° in voorkomend geval de lijst van het radiospectrum dat in het kader van een bedrijfsovereenkomst of een soortgelijke overeenkomst ter beschikking worden gesteld, alsook de naam van de technische dienstverlener(s);6° in voorkomend geval het adres van de maatschappelijke zetel van de technische dienstverlener(s);7° de aard van het gebruik;8° de geografische coördinaten in lengte- en breedtegraad van de antennestandplaats(en), met verwijzing naar de WGS-84-datum;9° het maximale stralingsvermogen, uitgedrukt in watt, dat via de zendantenne wordt afgegeven en de opgelegde beperkingen;10° de antennehoogte of in voorkomend geval de hoogte van het stralingscentrum van de antenne;11° de datum van inwerkingtreding van de toewijzing;12° het adres van de bedrijfszetels en de studio's;13° het maximaal toegestane zenderuitgangsvermogen in watt;14° het soort antenne(s), de typische kenmerken van de antenne(s), met inbegrip van de hoofdstraalrichting in graad, de antennewinst in dBd, het richtdiagram en de gedetailleerde beschrijving van de antenne (aantal dipolen, aantal en soort elementen);15° het soort en de lengte van de verbindingskabel tussen zender en antenne, met vermelding van de demping in dB;16° het soort elementen voor signaaltoevoer die tussen zenderuitgang en antenne-ingang worden geplaatst;17° het volledige verlies aan signaaltoevoer tussen zenderuitgang en antenne-ingang in dB. Art. 66 - Wijziging van toegewezen radiospectrum Elke wijziging inzake zendplaats, toegewezen radiospectrum of antennehoogte en elke verhoging van het equivalent isotroop uitgestraald vermogen wordt schriftelijk aangevraagd bij de Mediaraad, met vermelding van de redenen daarvoor, en moet vooraf door de Mediaraad zijn toegestaan. Er wordt onderzocht of de aanvraag technisch compatibel is. Als deze technische compatibiliteit niet voorhanden is, wordt de aanvraag afgewezen. Wijzigingen worden met opgave van redenen gepubliceerd. De Mediaraad mag voor de behandeling van de aanvraag door de Regering vastgestelde administratieve vergoedingen in rekening brengen. Art. 67 - Intrekking van toegewezen radiospectrum, afstand § 1 - Onverminderd artikel 139 kan de Mediaraad toegewezen radiospectrum intrekken, wanneer: 1° aan één van de voorwaarden in artikel 53 niet meer voldaan wordt;2° de openbare veiligheid het vereist;3° als er na de toewijzing van radiospectrum een gebrek aan radiospectrum ontstaat dat de mededinging of de invoering van nieuwe technieken verhindert of belemmert die het optimaliseren van het gebruik van radiospectrum mogelijk maken. Elk voornemen om gebruiksrechten voor radiospectrum in te trekken zonder toestemming van de houder van de rechten, wordt aan overleg met de belanghebbenden onderworpen overeenkomstig artikel 116. De intrekking wordt aangetekend ter kennis gebracht, met vermelding van de termijn waarbinnen de intrekking ingaat. § 2 - De toewijzing van radiospectrum vervalt door afstand. De afstand wordt aangetekend ter kennis gebracht van de Mediaraad. In dit geval moet de uitzending op de eerder gebruikte radiofrequentie of op de radiofrequentie waarvoor de toewijzing is verlopen, worden stopgezet binnen dertig dagen na de nieuwe toewijzing aan een derde of het verstrijken van de toewijzing. Art. 68 - Vervallenverklaring van toegewezen radiospectrum Toegewezen radiospectrum vervalt wanneer het langer dan een jaar niet, of niet meer, gebruikt wordt, of wanneer aan de houder van die radiospectrum een nieuw radiospectrum - dat het oude vervangt - wordt toegewezen voor hetzelfde programma. In uitzonderlijke gevallen kan de Mediaraad op verzoek van de houder een met redenen omkleed besluit tot verlenging van de periode van één jaar in het eerste lid verlenen, naar behoren rekening houdend met het standpunt van de adviesraad. Afdeling 3. - Doorgangsrechten en gedeeld gebruik van faciliteiten Art. 69 - Beginselen m.b.t. doorgangsrechten Onverminderd de bepalingen van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling en van het decreet van 30 april 2009Relevante gevonden documenten type decreet prom. 30/04/2009 pub. 18/06/2009 numac 2009202577 bron waalse overheidsdienst Decreet betreffende de informatie, de coördinatie en de organisatie van de werven onder, op of boven de wegen of waterlopen sluiten betreffende de informatie, de coördinatie en de organisatie van de werven onder, op of boven de wegen of waterlopen, beschikt de overeenkomstig artikel 46 aangemelde exploitant van elektronischecommunicatienetwerken over doorgangsrechten op, over of onder openbaar of particulier eigendom overeenkomstig deze afdeling om de installatie van netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten mogelijk te maken. Art. 70 - Doorgangsrechten § 1 - De exploitanten die kabels aanleggen om hun elektronischecommunicatienetwerken aan te bieden, hebben het recht op of onder de pleinen, straten, wegen, paden, waterlopen en vaarten die deel uitmaken van het openbaar domein alle werken m.b.t. het aanleggen of onderhouden van de kabels en bijbehorende uitrustingen op hun kosten te laten uitvoeren, op voorwaarde dat ze zich gedragen naar de wetten en besluiten over het vruchtgebruik van het openbaar domein en de bestemming ervan eerbiedigen. Alvorens dit recht uit te oefenen, leggen de exploitanten documenten over het tracé en de bijzonderheden van de aanleg van de geleidingen voor advies voor aan de respectievelijk bevoegde overheid die eigenares is van het openbaar domein. Binnen zes maanden te rekenen vanaf de datum waarop deze documenten werden verzonden, brengt de overheid - behalve in geval van onteigening - een advies uit en brengt ze haar beslissing ter kennis van de belanghebbende. Na het verstrijken van deze termijn geldt het stilzwijgen van de overheid als goedkeuring. In geval van blijvende onenigheid wordt daarover besloten bij wege van een besluit van de Regering. Later heeft de bevoegde overheid in elk geval het recht om de bestemming of het tracé van een aanleg, alsmede de daarmee verband houdende werkzaamheden op haar eigendom te laten wijzigen. Worden wijzigingen opgelegd ofwel om reden van de openbare veiligheid, ofwel tot de bescherming van het milieu, ofwel in het belang van de wegen, waterlopen, vaarten of van een openbare dienst, ofwel als gevolg van een verandering die de aangelanden aan de toegangen tot hun privé-eigendom langs de gebezigde wegen hebben aangebracht, dan worden de werken ten laste van de exploitant uitgevoerd. In de andere gevallen vallen de werken ten laste van de overheid die de wijzigingen oplegt. Deze overheid mag vooraf een kostenraming eisen en, in geval van onenigheid, de werken in eigen regie laten uitvoeren. § 2 - De exploitanten die kabels aanleggen om hun elektronischecommunicatiewerken aan te bieden, hebben tevens het recht voor de aanleg van de kabels en de bijbehorende uitrustingen steunen en ankers aan te brengen op muren en gevels die uitkomen op de openbare weg en hun kabels in open en onbebouwde grond aan te leggen of zonder vasthechting of aanraking boven particuliere eigendommen te laten doorgaan. De werken mogen slechts beginnen nadat aan de eigenaars, volgens de gegevens van het kadaster, aan de huurders en aan de bewoners een behoorlijke schriftelijke kennisgeving is bezorgd. De uitvoering van de werken heeft geen buitenbezitstelling tot gevolg. Het plaatsen van steunen en ankers op muren of gevels mag de eigenaar niet hinderen in zijn recht zijn goed af te breken of te herstellen. De ondergrondse kabels en de steunen geplaatst in een open en onbebouwde grond moeten, op verzoek van de eigenaar, worden weggenomen, als hij zijn recht om te bouwen of te omheinen uitoefent. De kosten m.b.t. het wegnemen van de installaties vallen ten laste van de exploitant. De eigenaar dient evenwel ten minste drie maanden vóór het begin van de in het vierde en vijfde lid bedoelde werken de exploitant hiervan aangetekend te verwittigen. § 3 - De vergoedingen voor schade wegens de aanleg of de exploitatie van een elektronischecommunicatienetwerk vallen ten laste van de vergunninghouder die aansprakelijk blijft voor al de voor derden schadelijke gevolgen. § 4 - De exploitant is ertoe verplicht onmiddellijk gevolg te geven aan elke vordering van enig bedrijf voor elektriciteitsvoorziening of enige exploitant van een elektronischecommunicatienetwerk om elke storing in of nadelige invloed op de werking van de elektronische telecommunicatie-installaties of van de installaties voor elektriciteitsvoorziening onverwijld te doen ophouden. Bij gebreke daarvan worden de nodig geachte maatregelen, met inbegrip van het verplaatsen van de kabels en de bijbehorende installaties, door de betrokken diensten of bedrijven getroffen op kosten en risico van de exploitant. § 5 - Openbare overheden die een participatie hebben in of controle behouden over exploitanten van openbare elektronischecommunicatiediensten of aanbieders van openbaar toegankelijke elektronischecommunicatienetwerken garanderen een daadwerkelijke structurele scheiding tussen het verlenen van de in voorliggend artikel bedoelde rechten en de activiteiten die verband houden met de eigendom of controle. Art. 71 - Collocatie en gedeeld gebruik van netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten door exploitanten van elektronischecommunicatienetwerken § 1 - Wanneer een onderneming die elektronischecommunicatienetwerken aanbiedt, krachtens artikel 70 het recht heeft om faciliteiten te installeren op, over of onder openbaar of particulier eigendom, dan wel een procedure kan volgen voor de onteigening of het gebruik van eigendom, kan de Mediaraad met volledige inachtneming van het evenredigheidsbeginsel het gedeeld gebruik van faciliteiten of eigendom, met inbegrip van gebouwen, toegangen tot gebouwen, bekabeling in gebouwen, masten, antennes, torens en andere ondersteuningsgebouwen, kabelgoten, leidingen, mangaten en straatkasten, verplicht stellen. § 2 - Exploitanten van een elektronischecommunicatienetwerk kunnen worden verplicht tot het gedeeld gebruik van faciliteiten of eigendom (met inbegrip van fysieke collocatie) of tot het treffen van maatregelen om de coördinatie van publieke werken te vergemakkelijken ten einde het milieu, de volksgezondheid en de openbare veiligheid te beschermen of om stedenbouwkundige of planologische redenen, doch zulks pas na een passende periode van openbare raadpleging waarin alle belanghebbende partijen in staat zijn gesteld hun standpunt naar voren te brengen. Dergelijke regelingen

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.