← België

Decreet betreffende de mediadiensten en de filmvoorstellingen

Kort samengevat

Dit decreet regelt mediadiensten en filmvoorstellingen in de Duitstalige Gemeenschap, en zet hiervoor gedeeltelijk Europese richtlijnen om. Het heeft betrekking op audiovisuele en auditieve mediadiensten, elektronische communicatienetwerken en -diensten, en consumentenapparatuur.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
MINISTERIE VAN DE DUITSTALIGE GEMEENSCHAP 1 MAART 2021. - Decreet betreffende de mediadiensten en de filmvoorstellingen Het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt: TITEL 1. - Algemene bepalingen Artikel 1 - Europese clausule Dit decreet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van de volgende richtlijnen, voor zover deze onder de bevoegdheid van de Duitstalige Gemeenschap vallen: 1° Richtlijn (EU) 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) in het licht van een veranderende marktsituatie;2° Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (herschikking);3° Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten. Art. 2 - Persoonsaanduidingen De persoonsaanduidingen in dit decreet gelden voor alle geslachten. Art. 3 - Algemeen toepassingsgebied § 1 - Dit decreet is van toepassing op: 1° mediadiensten;2° het aanbieden van voor het overbrengen van mediadiensten geschikte elektronischecommunicatienetwerken en -diensten en bijbehorende faciliteiten, welke onder de bevoegdheid van de Duitstalige Gemeenschap vallen;3° consumentenapparatuur bestemd voor de ontvangst van lineaire audiovisuele en auditieve mediasignalen;en 4° consumentenapparatuur met interactieve functies die bedoeld zijn voor de organisatie van filmvoorstellingen in het Duitse taalgebied en die worden gebruikt om toegang te krijgen tot audiovisuele mediadiensten. § 2 - Onderworpen aan de bepalingen van dit decreet zijn: 1° het Belgisch Radio- en Televisiecentrum van de Duitstalige Gemeenschap, 2° de aanbieders van mediadiensten die in het Duitse taalgebied zijn gevestigd, 3° de ondernemingen die openbare elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, met inbegrip van bijbehorende faciliteiten en bijbehorende diensten aanbieden in de Duitstalige Gemeenschap, en ondernemingen die in de Duitstalige Gemeenschap nieuwe voertuigen van categorie M te koop of te huur aanbieden. § 3 - Aanbieders van audiovisuele en auditieve mediadiensten worden in de volgende gevallen geacht in het Duitse taalgebied te zijn gevestigd: 1° de aanbieder van mediadiensten heeft zijn hoofdkantoor in de Duitstalige Gemeenschap en de redactionele beslissingen betreffende de audiovisuele of auditieve mediadienst worden in de Duitstalige Gemeenschap genomen;2° de aanbieder van mediadiensten heeft zijn hoofdkantoor in de Duitstalige Gemeenschap, de redactionele beslissingen betreffende de audiovisuele of auditieve mediadienst worden echter in een andere gemeenschap of lidstaat genomen, maar een aanzienlijk deel van het bij de programmagerelateerde activiteit van de audiovisuele of auditieve mediadienst betrokken personeel is werkzaam in de Duitstalige Gemeenschap. Als een aanzienlijk deel van het bij de programmagerelateerde activiteiten van de audiovisuele of auditieve mediadienst betrokken personeel zowel in de Duitstalige Gemeenschap als in een andere gemeenschap of lidstaat werkzaam is, wordt de aanbieder van de mediadienst geacht gevestigd te zijn in het Duitse taalgebied als hij zijn hoofdkantoor in de Duitstalige Gemeenschap heeft. Als geen aanzienlijk deel van het bij de programmagerelateerde activiteiten van de audiovisuele of auditieve mediadienst betrokken personeel in de Duitstalige Gemeenschap, noch in een andere gemeenschap of lidstaat werkzaam is, wordt de aanbieder van mediadiensten geacht gevestigd te zijn in het Duitse taalgebied als hij daar het eerst met zijn activiteiten is begonnen overeenkomstig het recht van de Duitstalige Gemeenschap en mits hij een duurzame en reële band met de economie van de Duitstalige Gemeenschap onderhoudt; 3° de aanbieder van mediadiensten heeft zijn hoofdkantoor in de Duitstalige Gemeenschap, terwijl beslissingen betreffende de audiovisuele of auditieve mediadienst in een derde land worden genomen, of andersom, mits een aanzienlijk deel van het bij de activiteiten van de audiovisuele of auditieve mediadienst betrokken personeel in de Duitstalige Gemeenschap werkzaam is. Aanbieders van audiovisuele en auditieve mediadiensten waarop het eerste lid niet van toepassing is, worden geacht in het Duitse taalgebied te zijn gevestigd als zij niet zijn gevestigd in een lidstaat of in een staat in de Europese Economische Ruimte maar gebruikmaken van een in de Duitstalige Gemeenschap gelegen aarde-satellietverbinding. § 4 - Een aanbieder van videoplatforms die niet in de zin van artikel I.18, 4°, van het Wetboek van economisch recht in het Duitse taalgebied is gevestigd, wordt geacht in het Duitse taalgebied te zijn gevestigd, als die: 1° een moederonderneming of een dochteronderneming heeft die in het Duitse taalgebied is gevestigd, of 2° deel uitmaakt van een groep waarvan een andere onderneming in het Duitse taalgebied is gevestigd. Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder: 1° "moederonderneming": een onderneming die zeggenschap heeft over een of meer dochterondernemingen;2° "dochteronderneming": een onderneming waarover een moederonderneming zeggenschap heeft, met inbegrip van elke dochteronderneming van een uiteindelijke moederonderneming;3° "groep": een moederonderneming, al haar dochterondernemingen en alle andere ondernemingen die er op organisatorisch gebied economische en juridische banden mee hebben. § 5 - Als de moederonderneming, de dochteronderneming of de andere ondernemingen van de groep allemaal in verschillende gemeenschappen of lidstaten zijn gevestigd, wordt de aanbieder van videoplatforms geacht te zijn gevestigd in het Duitse taalgebied als 1° zijn moederonderneming in het Duitse taalgebied is gevestigd of, bij gebreke van een dergelijke vestiging, 2° als zijn dochteronderneming in het Duitse taalgebied is gevestigd of, bij gebreke van een dergelijke vestiging, 3° als de andere onderneming van de groep in het Duitse taalgebied is gevestigd. § 6 - Als er meerdere dochterondernemingen zijn die allemaal in verschillende gemeenschappen of lidstaten zijn gevestigd, wordt de aanbieder van videoplatforms geacht te zijn gevestigd in het Duitse taalgebied, als een van de dochterondernemingen voor het eerst met haar activiteiten is begonnen in het Duitse taalgebied, mits die aanbieder een duurzame en reële band met de economie van de Duitstalige Gemeenschap onderhoudt en, voor zover andere gemeenschappen betrokken zijn, mits het zwaartepunt van de activiteiten inzake mediadiensten in het Duitse taalgebied ligt. Als meerdere andere ondernemingen deel uitmaken van de groep en deze allemaal in verschillende gemeenschappen of lidstaten zijn gevestigd, wordt de aanbieder van videoplatforms geacht te zijn gevestigd in het Duitse taalgebied, als een van deze ondernemingen voor het eerst met haar activiteiten is begonnen in het Duitse taalgebied, mits die aanbieder een duurzame en reële band met de economie van de Duitstalige Gemeenschap onderhoudt en, voor zover andere gemeenschappen betrokken zijn, mits het zwaartepunt van de activiteiten inzake mediadiensten in het Duitse taalgebied ligt. § 7 - Voor de toepassing van de § § 5 en 6 zijn de artikelen XII.3, XII.4, XII.6 en XII.17 tot XII.20 van het Wetboek van economisch recht van toepassing op aanbieders van videoplatforms die overeenkomstig paragraaf 4 worden geacht in het Duitse taalgebied te zijn gevestigd. Art. 4 - Begripsbepalingen Voor de toepassing van dit decreet verstaat men onder: 1° algemene machtiging: de regelgeving waarbij, overeenkomstig dit decreet, rechten worden verleend voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten en specifieke sectorgebonden verplichtingen worden vastgesteld die voor alle of voor welbepaalde soorten elektronischecommunicatienetwerken en -diensten kunnen gelden;2° Application Program Interface - Applicatieprogramma-interface (API): een software interface tussen toepassingen, die beschikbaar is gesteld door omroepen, dienstenleveranciers, alsmede de hulpmiddelen in de eindapparatuur voor digitale televisie- en radiodiensten;3° audiovisuele commerciële communicatie: beelden, al dan niet met geluid, welke dienen om rechtstreeks of onrechtstreeks de goederen, de diensten of het imago van een natuurlijke of rechtspersoon die een economische activiteit verricht, te promoten.Dergelijke beelden vergezellen of maken deel uit van een programma of van een door gebruikers gegenereerde video, tegen betaling of een soortgelijke vergoeding of ten behoeve van zelfpromotie. Vormen van audiovisuele commerciële communicatie zijn onder meer televisiereclame, sponsoring, telewinkelen en productplaatsing; 4° audiovisuele mediadienst: een economische dienst die valt onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder van audiovisuele mediadiensten, waarvan het hoofddoel of een losstaand gedeelte daarvan bestaat uit de levering van programma's voor het algemene publiek, via elektronischecommunicatienetwerken, ter informatie, vermaak of educatie.Bij deze audiovisuele mediadiensten gaat het ofwel om lineaire of om niet-lineaire audiovisuele mediadiensten en/of audiovisuele commerciële communicatie; 5° aanbieder van audiovisuele mediadiensten: de natuurlijke of rechtspersoon die de redactionele verantwoordelijkheid draagt voor de keuze van de audiovisuele inhoud van de mediadienst en die bepaalt hoe deze wordt georganiseerd;6° auditieve commerciële communicatie: geluid dat dient om rechtstreeks of onrechtstreeks de goederen, de diensten of het imago van een natuurlijke of rechtspersoon die een economische activiteit verricht te promoten.Dergelijke geluiden vergezellen of maken deel uit van een programma, tegen betaling of een soortgelijke vergoeding of ten behoeve van zelfpromotie. Vormen van auditieve commerciële communicatie zijn onder meer radioreclame, sponsoring en productplaatsing; 7° auditieve mediadienst: een economische dienst die valt onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder van auditieve mediadiensten, met als hoofddoel de levering aan het algemene publiek van programma's ter informatie, vermaak of educatie via elektronischecommunicatienetwerken.Bij deze auditieve mediadiensten gaat het ofwel om lineaire of om niet-lineaire auditieve mediadiensten en/of om auditieve commerciële communicatie; 8° aanbieder van auditieve mediadiensten: de natuurlijke of rechtspersoon die de redactionele verantwoordelijkheid draagt voor de keuze van de auditieve inhoud van de mediadienst en die bepaalt hoe deze wordt georganiseerd;9° adviesraad: het in artikel 127 vermelde orgaan;10° aanbieden van een elektronischecommunicatienetwerk: het bouwen, exploiteren, leiden of beschikbaar stellen van een dergelijk netwerk;11° exploitant: onderneming die een openbaar elektronisch communicatienetwerk of een bijbehorende faciliteit aanbiedt of gemachtigd is aan te bieden;12° AMM-richtsnoeren: de richtsnoeren van de Europese Commissie voor de marktanalyse en de beoordeling van aanmerkelijke marktmacht in het bestek van het EU-regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten nr.2018/C 159/01; 13° BRF: het Belgisch Radio- en Televisiecentrum van de Duitstalige Gemeenschap;14° elektronischecommunicatiedienst: een gewoonlijk tegen vergoeding aangeboden dienst die geheel of hoofdzakelijk bestaat in het overbrengen van signalen voor de distributie van mediadiensten via elektronischecommunicatienetwerken, met uitzondering van diensten die inhoud leveren via elektronischecommunicatienetwerken en -diensten of een redactionele controle hierover uitoefenen;15° elektronischecommunicatienetwerken: de transmissiesystemen, al dan niet gebaseerd op een permanente infrastructuur of gecentraliseerde beheercapaciteit, en in voorkomend geval de schakel- of routeringsapparatuur en andere middelen, waaronder netwerkelementen die niet actief zijn, die het mogelijk maken signalen over te brengen via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische middelen voor zover deze worden gebruikt voor de distributie van mediadiensten;16° elektronische programmagids: elektronisch computerprogramma dat het beschikbare programma-aanbod van lineaire audiovisuele mediadiensten oplijst en het gebruik ervan mogelijk maakt;17° aanbeveling: de mededeling van de Europese Commissie inzake relevante markten voor producten en diensten, die de Europese Commissie krachtens artikel 64 lid 1 van het Europees W Wetboek voor elektronische communicatie publiceert.18° eindgebruiker: een gebruiker die geen openbaar elektronischecommunicatienetwerk of voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten aanbiedt;19° geavanceerde digitale eindapparatuur: kastjes met converter en decoder en geïntegreerde digitale televisietoestellen voor de ontvangst van de digitale interactieve televisiediensten;20° IZJD: de instantie voor de zelfregulering van journalistieke deontologie in de Duitstalige Gemeenschap;21° Europese producties: a) producties die afkomstig zijn uit de gemeenschappen of lidstaten;b) producties die afkomstig zijn uit derde Europese staten die partij zijn bij het Europese Verdrag inzake grensoverschrijdende televisie van de Raad van Europa, als er in de betrokken landen geen discriminerende maatregelen tegen producties uit de gemeenschappen of lidstaten bestaan en c) coproducties die zijn vervaardigd in het kader van tussen de Unie en derde landen gesloten overeenkomsten met betrekking tot de audiovisuele sector en die voldoen aan de voorwaarden van de betrokken overeenkomsten, als er in de betrokken landen geen discriminerende maatregelen tegen producties uit gemeenschappen of lidstaten bestaan. Producties uit gemeenschappen of lidstaten of producties uit derde Europese staten die partij zijn bij het Europese Verdrag inzake grensoverschrijdende televisie van de Raad van Europa zijn werken die voornamelijk tot stand zijn gebracht met hulp van auteurs en medewerkers die in één of meer van deze staten woonachtig zijn en die aan één van de volgende drie voorwaarden voldoen: - de producties zijn tot stand gebracht door één of meer in één of meer van deze staten gevestigde producent(en) of - de vervaardiging geschiedt onder het toezicht en de feitelijke controle van één of meer in één of meer van deze staten gevestigde producent(en); - de bijdrage van de coproducenten uit deze staten in de totale kosten van de coproductie bedraagt meer dan de helft en de coproductie wordt niet door één of meer buiten deze staten gevestigde producent(en) gecontroleerd. Producties die geen Europese producties overeenkomstig littera a), b) en c) zijn, maar die vervaardigd worden in het kader van tussen de gemeenschappen of lidstaten en derde landen gesloten bilaterale coproductieovereenkomsten, worden als Europese producties beschouwd mits de coproducenten uit de Europese Unie een meerderheidsaandeel hebben in de totale productiekosten en de productie niet onder controle staat van één of meer buiten de gemeenschappen of de lidstaten gevestigde producent(en); 22° televisieomroeporganisatie: een aanbieder van mediadiensten die lineaire audiovisuele mediadiensten aanbiedt;23° televisiereclame: de door een publieke of particuliere onderneming of natuurlijke persoon, tegen betaling of soortgelijke vergoeding dan wel ten behoeve van zelfpromotie op televisie uitgezonden boodschap - in welke vorm dan ook - in verband met de uitoefening van een commerciële, industriële, ambachtelijke activiteit of van een beroep, ter bevordering van de levering tegen betaling van goederen of diensten, met inbegrip van onroerende goederen, rechten en verplichtingen;24° cineforum: jaarlijkse voorstelling van ten minste acht films met hoge kunstwaarde die voor de jongelui toegankelijk zijn en waarvan de kwaliteit door ten minste één evaluatie-instelling van één der lidstaten erkend werd;25° cinedagen: voorstelling van ten minste vier films met hetzelfde thema over een week;26° promotiekopie: een door een bioscoophouder gefinancierde kopie van een film die ten laatste twee weken na zijn nationaal lanceren in België of in de Bondsrepubliek Duitsland voorgesteld wordt;27° schadelijke interferentie: een interferentie die het functioneren van een radionavigatiedienst of van andere veiligheidsvoorzieningen in gevaar brengt, of die een overeenkomstig de geldende internationale, communautaire of nationale voorschriften werkende radiocommunicatiedienst op een andere wijze ernstig verslechtert, hindert of herhaaldelijk onderbreekt;28° BEREC: het orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie, opgericht overeenkomstig Verordening (EU) nr.2018/1971 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot instelling van het Orgaan van Europese regulerende instanties voor elektronische communicatie (Berec) en het Bureau voor ondersteuning van Berec (Berec-Bureau), tot wijziging van Verordening (EU) 2015/2120 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1211/2009; 29° bioscoophouder: de natuurlijke of rechtspersonen die in het Duitse taalgebied een bioscoopzaal bedrijven waar zij films vertonen tegen betaling;30° Europees wetboek voor elektronische communicatie: de Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie;31° commerciële communicatie: audiovisuele en auditieve commerciële communicatie;32° controleoverdracht: procédé waarmee het mogelijk is van systeem voor voorwaardelijke toegang te veranderen, zonder te raken aan het gescrambelde signaal van een mediadienst;33° transnationale markten: door de Europese Commissie gedefinieerde markten die de Europese Unie of een aanzienlijk, zich over meer dan één lidstaat uitstrekkend, deel daarvan beslaan;34° lineaire mediadienst: een door een aanbieder van mediadiensten aangeboden mediadienst voor het gelijktijdig bekijken van programma's op basis van een programmaschema;35° mediadienst: een dienst of andere activiteit, verstuurd via elektronischecommunicatienetwerken, die vanuit het oogpunt van degene die uitzendt, openbare audiovisuele of auditieve informatie verspreiden, bestemd voor het publiek in het algemeen of voor een deel ervan en geen vertrouwelijk karakter hebben, zelfs als het uitzenden op individueel verzoek gebeurt en ongeacht de daartoe gebruikte techniek.Diensten die geïndividualiseerde en door een vorm van vertrouwelijkheid gekenmerkte informatie leveren, vallen daarentegen niet onder de mediadiensten; 36° Mediaraad: de in titel 4, hoofdstuk 1, genoemde Mediaraad van de Duitstalige Gemeenschap;37° lidstaat: een lidstaat van de Europese Unie;38° netwerkaansluitpunt (NAP): het fysieke punt waarop een abonnee de toegang tot een openbaar elektronischecommunicatienetwerk wordt geboden;in het geval van netwerken met schakelings- of routeringsfuncties wordt het NAP bepaald door middel van een specifiek netwerkadres, dat met een abonneenummer of -naam kan zijn verbonden; 39° niet-lineaire mediadienst: een door een aanbieder van mediadiensten aangeboden mediadienst die de gebruiker de mogelijkheid biedt tot het bekijken van programma's op diens individueel verzoek en op het door hem gekozen moment op basis van een door de aanbieder van mediadiensten geselecteerde programmacatalogus;40° gebruiker: een natuurlijke of rechtspersoon die gebruik maakt van of verzoekt om een voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiedienst;41° door gebruikers gegenereerde video: een reeks bewegende beelden, al dan niet met geluid, die ongeacht de duur ervan een afzonderlijk element vormt, die door een gebruiker is gecreëerd en door die gebruiker of een andere gebruiker naar een videoplatform is geüpload;42° openbaar toegankelijke elektronischecommunicatiediensten: de voor de brede openbaarheid beschikbare elektronischecommunicatiediensten;43° openbaar elektronischecommunicatienetwerk: een elektronischecommunicatienetwerk dat geheel of hoofdzakelijk wordt gebruikt om voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten aan te bieden ter ondersteuning van de overdracht van informatie tussen netwerkaansluitpunten;44° personen met ondersteuningsbehoefte: de personen bedoeld in artikel 3, 3°, van het decreet van 13 december 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/01/2003 pub. 05/02/2003 numac 2003011027 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen type wet prom. 16/01/2003 pub. 29/06/2009 numac 2009000415 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten0 tot oprichting van een dienst van de Duitstalige Gemeenschap voor zelfbeschikkend leven;45° productplaatsing: elke vorm van audiovisuele commerciële communicatie die bestaat in het opnemen van, of het verwijzen naar, een product of dienst of een desbetreffend handelsmerk in het kader van een programma of een door gebruikers gegenereerde video, tegen betaling of soortgelijke vergoeding;46° Kaderbesluit 2008/913/JBZ: het Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht;47° redactionele beslissing: een beslissing die op regelmatige basis wordt genomen met het oog op de uitoefening van redactionele verantwoordelijkheid en verband houdt met het dagelijkse beheer van de audiovisuele of auditieve mediadienst;48° redactionele verantwoordelijkheid: het uitoefenen van effectieve controle over de keuze van programma's en de organisatie ervan in hetzij een chronologisch schema, in het geval van lineaire audiovisuele en auditieve mediadiensten, hetzij een catalogus, in het geval van niet-lineaire audiovisuele en auditieve mediadiensten;49° Richtlijn 2010/13/EU: de Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) zoals gewijzigd door Richtlijn (EU) 2018/1808;50° Richtlijn 2011/93/EU: de Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad;51° Richtlijn 2013/11/EU: de Richtlijn 2013/11/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende alternatieve beslechting van consumentengeschillen en tot wijziging van Verordening (EG) nr.2006/2004 en Richtlijn 2009/22/EG; 52° Richtlijn (EU) 2017/541: de Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrCIding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad;53° Richtlijn (EU) 2018/1808: de Richtlijn (EU) 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) in het licht van een veranderende marktsituatie;54° sluikreclame in de commerciële communicatie: het vermelden of vertonen van goederen, diensten, naam, handelsmerk of activiteiten van een producent van goederen of een dienstverlener in uitzendingen, als dit door de aanbieders van audiovisuele of auditieve mediadiensten wordt gedaan met de bedoeling reclame te maken en als het publiek kan worden misleid omtrent het eigenlijk doel van deze vermelding of vertoning.Een bedoeling wordt met name geacht aanwezig te zijn, als tegenover de vermelding of vertoning een geldelijke of andere vergoeding staat; 55° programma: een reeks bewegende beelden, al dan niet met geluid, of geluiden die ongeacht de duur ervan een afzonderlijk element vormt van een door een aanbieder van audiovisuele of auditieve mediadiensten opgesteld schema of een catalogus.Voorbeelden van programma's zijn hoorspelen, concerten, bioscoopfilms, videoclips, sportevenementen, komische series, documentaires, kinderprogramma's en originele televisiefilms; 56° sponsoring: elke bijdrage van publieke of particuliere ondernemingen of natuurlijke personen die zich niet bezighouden met het aanbieden van audiovisuele mediadiensten of videoplatformdiensten of met de vervaardiging van audiovisuele werken, aan de financiering van audiovisuele mediadiensten, videoplatformdiensten, door gebruikers gegenereerde video's of programma's met het doel hun naam, handelsmerk, imago, activiteiten of producten meer bekendheid te geven;57° telewinkelen: de uitzendingen die tegen betaling goederen en diensten, met inbegrip van onroerende goederen, rechten en verplichtingen rechtstreeks aan het publiek aanbieden;58° transmissiesysteem: de reeks fasen met betrekking tot de verwerking van de audio- en videosignalen en daarmee verband houdende gegevens van een omroepdienst die ertoe dient deze signalen vorm te geven en naar het publiek over te brengen.Die reeks omvat voorzieningen voor het genereren van programmasignalen (broncodering van audio- en videosignalen, multiplexing van signalen) en aanpassing aan de transmissiemedia (kanaalcodering, modulatie en, voor zover nodig, energiedispersie); 59° consument: een natuurlijke persoon die gebruik maakt van of verzoekt om een openbare elektronischecommunicatiedienst voor andere dan bedrijfs- of beroepsdoeleinden;60° eindapparatuur voor gebruik door consumenten, met interactieve computerfuncties, voor toegang tot audiovisuele mediadiensten: elke soort apparatuur met als voornaamste functie het verlenen van toegang tot audiovisuele mediadiensten;61° Verordening (EU) 2015/2120: de Verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 tot vaststelling van maatregelen betreffende open-internettoegang en tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten en Verordening (EU) nr.531/2012 betreffende roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken binnen de Unie; 62° scrambling: de verwerking van audio- en videosignalen van omroepdiensten, om die te coderen en zo onverstaanbaar te maken voor elke persoon die niet over de vereiste toegangsbewijzen beschikt;63° aanbieder van videoplatforms: de natuurlijke of rechtspersoon die een videoplatformdienst aanbiedt;64° videoplatformdienst: een economische dienst, als het hoofddoel van de dienst of een daarvan losstaand gedeelte of een essentiële functie van de dienst bestaat in het aanbieden van programma's, door gebruikers gegenereerde video's, of beide, aan het algemene publiek, waarvoor de aanbieder van het videoplatform geen redactionele verantwoordelijkheid draagt, ter informatie, vermaak of educatie via elektronischecommunicatienetwerken en waarvan de organisatie wordt bepaald door de aanbieder van het videoplatform, onder meer met automatische middelen of algoritmen, met name door weergeven, taggen en rangschikken;65° economische mediadienst: een mediadienst in de zin van de artikelen 56 en 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.Een dergelijke dienst wordt vermoed als de dienstverlener onderworpen is aan een registratieplicht in de Kruispuntbank van Ondernemingen, in werking gesteld door de wet van 16 januari 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/01/2003 pub. 05/02/2003 numac 2003011027 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen type wet prom. 16/01/2003 pub. 29/06/2009 numac 2009000415 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, voor activiteiten die onder meer betrekking hebben op mediadiensten; 66° toegang: het beschikbaar stellen van faciliteiten en/of diensten aan een andere onderneming, onder uitdrukkelijke voorwaarden, hetzij op exclusieve hetzij op niet-exclusieve basis, met het oog op het aanbieden van elektronische-communicatiediensten, voor zover die gebruikt worden om diensten voor de informatiemaatschappij of inzake inhoud voor radio- en televisieomroepen aan te bieden.Deze term bestrijkt onder meer: toegang tot netwerkelementen en verwante faciliteiten waarbij eventueel apparatuur kan worden verbonden met vaste of niet-vaste middelen (dit omvat met name toegang tot het aansluitnet en tot faciliteiten en diensten die noodzakelijk zijn om diensten te kunnen aanbieden via het aansluitnet); toegang tot materiële infrastructuur waaronder gebouwen, kabelgoten en masten; toegang tot relevante programmatuursystemen waaronder operationele ondersteuningssystemen; toegang tot informatiesystemen of databases voor reservering, levering, bestelling, onderhouds- en herstelverzoeken en facturering; toegang tot voorwaardelijke toegangssystemen voor digitale televisiediensten en toegang tot virtuele netwerkdiensten; 67° systeem voor voorwaardelijke toegang: elke technische maatregel of regeling waarbij toegang tot een beschermd radio- of televisieomroepdienst afhankelijk wordt gemaakt van een abonnement of een individuele machtiging;68° bijbehorende diensten: de bij een elektronischecommunicatienetwerk en/of een elektronischecommunicatiedienst behorende diensten die het aanbieden van diensten via dat netwerk en/of dienst mogelijk maken en/of ondersteunen of het potentieel hiertoe bezitten en onder meer nummervertaalsystemen of systemen met soortgelijke functies, voorwaardelijke toegangssystemen en elektronische programmagidsen alsmede andere diensten zoals identiteit, locatie en presentie-informatiediensten omvatten;69° bijbehorende faciliteiten: de bij een elektronischecommunicatienetwerk en/of een elektronischecommunicatiedienst behorende diensten, fysieke infrastructuren en andere faciliteiten of elementen die het aanbieden van diensten via dat netwerk en/of die dienst mogelijk maken en/of ondersteunen of het potentieel hiertoe bezitten en onder meer gebouwen of toegangen tot gebouwen, bekabeling in gebouwen, antennes, torens en andere ondersteunende constructies, kabelgoten, kabelbuizen, masten, mangaten en straatkasten omvatten;70° interconnectie: een specifiek type toegang dat tussen exploitanten van openbare netwerken wordt gerealiseerd door het fysiek en logisch verbinden van openbare elektronischecommunicatienetwerken die door dezelfde of een andere onderneming worden gebruikt om het de gebruikers van een onderneming mogelijk te maken te communiceren met die van dezelfde of van een andere onderneming of toegang te hebben tot diensten die door een andere onderneming worden aangeboden. Diensten kunnen worden aangeboden door de betrokken partijen of andere partijen die toegang hebben tot het netwerk. Interconnectie wordt gerealiseerd tussen exploitanten van openbare netwerken. Art. 5 - Doelstellingen § 1 - Het decreet beoogt de volgende doelstellingen: 1° De bevordering van mediapluralisme, culturele en taalkundige diversiteit, mediageletterdheid, toegankelijkheid, non-discriminatie, de goede werking van de interne markt en een eerlijke mededinging bij het aanbieden van economische mediadiensten;2° met betrekking tot het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten: a) de bevordering van de connectiviteit met en de toegang tot, alsmede de benutting van netwerken met een zeer hoge capaciteit, met inbegrip van vaste, mobiele en draadloze netwerken, voor alle burgers en bedrijven van de Europese Unie;b) het bevorderen van de mededinging bij het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten, met inbegrip van efficiënte concurrentie op basis van infrastructuur, en bij het aanbieden van elektronischecommunicatiediensten en bijbehorende diensten;c) het bijdragen tot de ontwikkeling van de interne markt door het opheffen van resterende belemmeringen voor en het bevorderen van convergerende voorwaarden voor investeringen in en het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken, elektronischecommunicatiediensten, bijbehorende faciliteiten en bijbehorende diensten, in de Duitstalige Gemeenschap, door het ontwikkelen van gemeenschappelijke regels en voorspelbare regelgeving, en door het bevorderen van doeltreffend, efficiënt en gecoördineerd gebruik van het radiospectrum, open innovatie, het opzetten en ontwikkelen van trans-Europese netwerken, de verstrekking, de beschikbaarheid en de interoperabiliteit van pan-Europese diensten, en eind-tot-eind connectiviteit;d) het bevorderen van de belangen van de burgers, door het verzekeren van connectiviteit met, en ruime beschikbaarheid en benutting van, netwerken met een zeer hoge capaciteit en van elektronischecommunicatiediensten, waarbij op basis van daadwerkelijke mededinging optimaal kan worden geprofiteerd wat betreft keuze, prijs en kwaliteit, en rekening wordt gehouden met de nood aan keuzevrijheid en gelijkwaardige toegang voor eindgebruikers met ondersteuningsbehoefte. § 2 - Bij de uitoefening van de in de bepalingen van de titels 2 en 3 genoemde regulerende taken, neemt de Mediaraad alle passende maatregelen die noodzakelijk en evenredig zijn om de in § 1 genoemde toepasselijke doelstellingen te verwezenlijken. TITEL 2. - Programma's in mediadiensten HOOFDSTUK 1. - ALGEMENE BEPALINGEN Art. 6 - Toepassingsgebied Onverminderd het decreet van 27 juni 1986 betreffende het Belgisch Radio- en Televisiecentrum van de Duitstalige Gemeenschap is deze titel, met uitzondering van afdeling 4 van hoofdstuk 3, van toepassing op audiovisuele en auditieve mediadiensten van het BRF, alsook op de economische mediadiensten van andere aanbieders van audiovisuele en auditieve mediadiensten en aanbieders van videoplatforms. In afwijking van het eerste lid, geldt artikel 7 voor alle aanbieders van mediadiensten. Art. 7 - Vrijheid van meningsuiting, beperkingen § 1 - De vrijheid van meningsuiting en informatie is gewaarborgd voor de mediadiensten in de Duitstalige Gemeenschap. Iedereen is vrij om mediadiensten aan te bieden en kan, onder voorbehoud van de bepalingen in dit decreet die gelden voor aanbieders van economische mediadiensten, aan geen enkele vormvereiste of voorafgaande controle worden onderworpen. § 2 - De aanbieders van mediadiensten mogen geen mediadiensten aanbieden die: 1° de wetten overtreden, de veiligheid van de Staat, de openbare orde of de goede zeden in gevaar brengen;2° publiekelijk uitlokken tot het plegen van een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 5 van Richtlijn (EU) 2017/541;3° tot discriminatie, haat of geweld aanzetten op basis van een van de kenmerken die beschermd zijn op grond van artikel 3, 1°, van het decreet van 19 maart 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 19/03/2012 pub. 05/06/2012 numac 2012202232 bron ministerie van de duitstalige gemeenschap Decreet ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie sluiten betreffende de bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, of het behoren tot een nationale minderheid. § 3 - Dit artikel laat de artikelen XII.19 en XII.20 van het Wetboek van economisch recht onverlet. Art. 8 - Aanmeldingsplicht § 1 - Particuliere aanbieders van mediadiensten moeten voor elke mediadienst die ze voornemens zijn aan te bieden via andere middelen dan een zelfstandig functionerend elektronisch communicatienetwerk dat gebruik maakt van een radiofrequentie overeenkomstig artikel 58, een meldplicht bij de Mediaraad nakomen. De activiteit mag ten vroegste vijftien dagen nadat de Mediaraad de ontvangst van aanmelding heeft bevestigd, worden aangevangen. De in het eerste lid vermelde aanmelding bevat: 1° de naam van de aanbieder;2° in voorkomend geval, het ondernemingsnummer en de statuten van de aanbieder;3° in voorkomend geval, het geografische adres van de hoofdvestiging van de aanbieder in de Europese Unie en van elk eventueel bijkantoor in een lidstaat; 4° een contactpersoon en contactgegevens, d.w.z. informatie waarmee de aanbieder van mediadiensten snel kan worden gecontacteerd en er rechtstreeks en effectief kan worden gecommuniceerd, met inbegrip van zijn e-mailadres en/of website; 5° de aard en de beschrijving van de mediadienst, met inbegrip van de beschrijving van het eventueel geplande informatiesysteem evenals, indien van toepassing, het bewijs van tewerkstelling van journalisten;6° de beoogde datum waarop de mediadienst van start zal gaan;7° indien van toepassing: de nadere regels voor de commercialisering van de mediadienst, wanneer de particuliere aanbieder de mediadienst zelf exploiteert;8° een schriftelijke verbintenis om het decreet, de uitvoeringsbepalingen ervan en de wetten over het algemeen na te leven. § 2 - In het geval van rechtspersonen, moeten aanbieders van audiovisuele en auditieve mediadiensten in de in paragraaf 1 bedoelde aanmelding eveneens de volgende informatie verstrekken: 1° de plaats waar de redactionele beslissingen over de audiovisuele of auditieve mediadiensten getroffen worden;2° het percentage van het bij de programmagerelateerde activiteiten van de audiovisuele en auditieve mediadienst betrokken personeel dat werkzaam is in de Duitstalige Gemeenschap;3° als de aanbieder van mediadiensten voor het eerst met zijn activiteiten is begonnen in het Duitse taalgebied: informatie over de vraag of er een duurzame en effectieve band bestaat met de economie van de Duitstalige Gemeenschap. § 3 - In het geval van rechtspersonen, moeten aanbieders van videoplatforms in de in paragraaf 1 bedoelde aanmelding eveneens de volgende informatie verstrekken, als hun hoofdkantoor niet in het Duitse taalgebied is gevestigd: 1° of de aanbieder deel uitmaakt van een groep en of een andere onderneming van deze groep op het grondgebied van de Duitstalige Gemeenschap is gevestigd;2° als de aanbieder van mediadiensten niet zelf in het Duitse taalgebied, in het taalgebied van een andere gemeenschap of in een andere lidstaat gevestigd is, maar verschillende dochterondernemingen of andere ondernemingen van dezelfde groep in verschillende gemeenschappen of lidstaten zijn gevestigd en een van deze ondernemingen voor het eerst met zijn activiteiten is begonnen in het Duitse taalgebied, of er een duurzame en effectieve band bestaat tussen deze onderneming en de economie van de Duitstalige Gemeenschap. § 4 - De Mediaraad stelt een aanmeldingsformulier ter beschikking op zijn website. § 5 - De Mediaraad moet schriftelijk op de hoogte worden gesteld van de geplande stopzetting van particuliere mediadiensten, alsmede van de geplande wijzigingen met betrekking tot hetgeen wordt bepaald in paragrafen 1 tot 3, alvorens deze worden doorgevoerd. Art. 9 - Activiteitenverslag § 1 - Jaarlijks dienen particuliere aanbieders van mediadiensten een activiteitenverslag in bij de Mediaraad. Dit verslag omvat ten minste: 1° gegevens over het tewerkgestelde en het meewerkende personeel;2° de balansen en jaarrekeningen met betrekking tot het vorige jaar, in zoverre de aanbieder verplicht is deze op te stellen overeenkomstig het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Particuliere aanbieders van lineaire audiovisuele en auditieve mediadiensten moeten eveneens de volgende informatie vermelden in hun activiteitenverslag: 1° het wekelijkse programmaschema samen met inlichtingen over herhalingen van programma's, geleverde en niet-gepresenteerde programmaonderdelen;2° gegevens inzake naleving van de verplichtingen volgens artikel 24. Particuliere aanbieders van niet-lineaire audiovisuele en auditieve mediadiensten moeten bijkomstig de volgende informatie vermelden in hun activiteitenverslag: 1° de activiteiten m.b.t. het voorjaar; 2° gegevens over de bevordering van Europese producties overeenkomstig artikel 30. Aanbieders van videoplatforms moeten in hun activiteitenverslag eveneens een beschrijving van de maatregelen genomen op grond van artikel 32, § 3, opnemen. § 2 - De Mediaraad legt de datum vast waarop het verslag bij hem moet aankomen. HOOFDSTUK 2. - Bepalingen voor audiovisuele en auditieve mediadiensten Art. 10 - Registratieplicht en inzagerecht De aanbieders van lineaire mediadiensten nemen de uitzendingen volledig op en bewaren ze volledig. Van programma's die als opname of als film uitgezonden worden, kan, bij wijze van afwijking, de opname of de film bewaard worden of de vervanging ervan gewaarborgd worden. De verplichtingen vermeld in het eerste lid gelden tot drie maanden na de dag van uitzending. Als binnen die termijn een bezwaar tegen een uitzending wordt ingediend, gelden de verplichtingen tot de zaak via een in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing of via bemiddeling beslecht is. Binnen de termijnen bepaald in het tweede lid kan de Mediaraad te allen tijde kopieën van uitzendingen, opnames en films gratis inkijken of vragen om ze hem gratis toe te zenden. Wie schriftelijk aannemelijk maakt dat zijn rechten geschonden zijn, kan binnen de termijnen vermeld in het tweede lid eisen dat de aanbieder van mediadiensten inzage in de kopieën van de uitzendingen, opnames en films geeft. Op aanvraag krijgt hij tegen betaling van de kostprijs exemplaren, fragmenten of kopieën van de opname of de film toegezonden. Art. 11 - Waarborgen van de meningsverscheidenheid § 1 - Een machtspositie in de audiovisuele sector die uitgaat van één of meer aanbieders van audiovisuele en auditieve mediadiensten die door dezelfde aandeelhouder worden gecontroleerd, mag geen belemmering vormen voor de vrijheid van het publiek om toegang tot een pluralistisch aanbod aan audiovisuele mediadiensten te hebben. Onder een pluralistisch aanbod wordt een media-aanbod verstaan dat gekenmerkt wordt door een veelheid van onafhankelijke en zelfstandige media die een zo groot mogelijke verscheidenheid aan meningen weerspiegelen. § 2 - Als de Mediaraad vaststelt dat een onderneming een machtspositie heeft, onderzoekt hij de verscheidenheid van het aanbod aan audiovisuele mediadiensten van de aanbieders die in paragraaf 1 worden genoemd. Een machtspositie wordt inzonderheid vermoed als: 1° een natuurlijke persoon of rechtspersoon die meer dan 24 % van het kapitaal van een aanbieder van audiovisuele mediadiensten in handen heeft, indirect of direct meer dan 24 % van het kapitaal van een andere aanbieder van audiovisuele mediadiensten van de Duitstalige Gemeenschap bezit;2° een natuurlijke persoon of rechtspersoon die meer dan 24 % van het kapitaal van een aanbieder van auditieve mediadiensten in handen heeft, indirect of direct meer dan 24 % van het kapitaal van een andere aanbieder van auditieve mediadiensten van de Duitstalige Gemeenschap bezit;3° het aantal kijkers van verscheidene aanbieders van audiovisuele mediadiensten 20 % van de kijkers van alle aanbieders van audiovisuele mediadiensten van de Duitstalige Gemeenschap bedraagt en één enkele natuurlijke persoon of rechtspersoon indirect of direct meerderheids- of minderheidsaandeelhouder van die aanbieders van audiovisuele mediadiensten is;4° een aanbieder van audiovisuele mediadiensten meer dan één vierde van de radiofrequenties gebruikt die voor particuliere lineaire audiovisuele mediadiensten bedoeld zijn;5° het aantal luisteraars van verscheidene aanbieders van auditieve mediadiensten 20 % van de luisteraars van alle aanbieders van auditieve mediadiensten van de Duitstalige Gemeenschap bereikt en één enkele natuurlijke of rechtspersoon indirect of direct meerderheids- of minderheidsaandeelhouder van die aanbieders van auditieve mediadiensten is;6° een aanbieder van auditieve mediadiensten meer dan één vierde van de radiofrequenties gebruikt die voor particuliere auditieve mediadiensten bedoeld zijn. § 3 - Als de Mediaraad vaststelt dat de vrijheid van het publiek om toegang te krijgen tot een pluralistisch aanbod aan audiovisuele en auditieve mediadiensten belemmerd wordt, deelt hij de betrokkenen zijn bezwaren mee en overlegt hij met hen om maatregelen overeen te komen die de naleving van een gediversifieerd aanbod mogelijk maken. Als binnen zes maanden na aanvang van het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de maatregelen die overeenkomstig het eerste lid een pluralistisch aanbod mogelijk maken of als de afgesproken maatregelen niet in acht worden genomen, kan de Mediaraad overeenkomstig artikel 138 sancties opleggen. § 4 - Voor de toepassing van deze bepaling kan de Mediaraad advies inwinnen bij de mededingingsautoriteiten. § 5 - De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op het BRF. Art. 12 - Algemene bepaling betreffende commerciële communicatie Commerciële communicatie mag niet: 1° de menselijke waardigheid aantasten;2° enige vorm van discriminatie bevatten of bevorderen die gebaseerd is op een van de kenmerken die beschermd zijn op grond van artikesl 3, 1°, van het decreet van 19 maart 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 19/03/2012 pub. 05/06/2012 numac 2012202232 bron ministerie van de duitstalige gemeenschap Decreet ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie sluiten betreffende de bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie of die gebaseerd is op het behoren tot een nationale minderheid;3° aansporen tot gedrag dat schadelijk is voor gezondheid of veiligheid;4° aansporen tot gedrag dat in hoge mate schadelijk is voor het milieu of in strijd is met de relevante Europese regelgeving op het gebied van milieubescherming;5° de religieuze, filosofische of politieke overtuigingen schenden. Art. 13 - Regulering van commerciële communicatie Aanbieders van audiovisuele en auditieve mediadiensten die commerciële communicatie bevatten, moeten voldoen aan de volgende voorwaarden: 1° de commerciële communicatie moet gemakkelijk als zodanig herkenbaar zijn en moet onderscheidbaar zijn van de redactionele inhoud.Ze moet met visuele en/of akoestische middelen van andere programma-onderdelen gescheiden zijn. Sluikreclame in de commerciële communicatie is verboden; 2° in de commerciële communicatie mogen geen subliminale technieken worden gebruikt;3° commerciële communicatie voor alcoholische dranken mag niet specifiek gericht zijn op minderjarigen en mag niet tot overmatig gebruik van dergelijke dranken aanzetten;4° elke vorm van commerciële communicatie over sigaretten en andere tabaksproducten, alsook over elektronische sigaretten en navulverpakkingen is verboden;5° commerciële communicatie over geneesmiddelen en medische behandelingen die alleen op doktersvoorschrift verkrijgbaar zijn, is verboden. Art. 14 - Bescherming van minderjarigen bij commerciële communicatie Commerciële communicatie mag minderjarigen geen lichamelijke of zedelijke schade toebrengen. Zij mag minderjarigen er niet rechtstreeks toe aanzetten een product of dienst te kopen of te huren door te profiteren van hun onervarenheid of goedgelovigheid, hen niet rechtstreeks aanzetten hun ouders of anderen te overreden de aangeprezen goederen of diensten aan te kopen, niet profiteren van het bijzondere vertrouwen dat minderjarigen in ouders, leerkrachten of andere personen stellen, en minderjarigen niet zonder gegronde redenen in gevaarlijke situaties tonen. HOOFDSTUK 3. - Bijzondere bepalingen voor audiovisuele mediadiensten Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 15 - Minimale informatie De aanbieder van audiovisuele mediadiensten stelt de volgende informatie gemakkelijk, rechtstreeks en permanent ter beschikking van de ontvangers van een dienst: 1° de naam van de aanbieder van mediadiensten;2° het geografische adres waar de aanbieder van de mediadiensten gevestigd is;3° nadere gegevens van de aanbieder van mediadiensten, waaronder zijn e-mailadres en/of website, zodat hij snel, rechtstreeks en doeltreffend kan worden bereikt;4° de verklaring dat de dienst onder toezicht staat van de Mediaraad. Art. 16 - Maatregelen betreffende bepaalde audiovisuele mediadiensten § 1 - Audiovisuele mediadiensten uit andere gemeenschappen of lidstaten of uit een andere staat in de Europese Economische Ruimte, genieten de vrijheid van ontvangst en doorgifte binnen het Duitse taalgebied. § 2 - Onverminderd paragraaf 1 kan de Mediaraad voorlopige maatregelen nemen met betrekking tot de vrijheid van ontvangst of de doorgifte van een specifieke audiovisuele mediadienst die wordt aangeboden door een aanbieder van mediadiensten die onder de bevoegdheid van een andere gemeenschap of lidstaat valt, onder de volgende voorwaarden: 1° tijdens de voorafgaande twaalf maanden heeft de aanbieder van mediadiensten al minstens tweemaal een duidelijke, belangrijke en ernstige inbreuk gepleegd op artikel 7, § 2, 3°, of artikel 17 of een afbreuk gedaan aan de volksgezondheid of een belangrijk en ernstig risico daarop gevormd;2° de Mediaraad heeft de aanbieder van mediadiensten, de gemeenschap of de lidstaat die ten aanzien van die aanbieder bevoegd is en de Commissie schriftelijk in kennis gesteld van de vermeende inbreuken en van de evenredige maatregelen die de Mediaraad voornemens is te treffen als een dergelijke inbreuk opnieuw plaatsvindt;3° de Mediaraad heeft de rechten van verdediging van de aanbieder van mediadiensten geëerbiedigd en heeft met name die aanbieder de mogelijkheid gegeven zijn standpunt inzake de vermeende inbreuken kenbaar te maken;en 4° overleg met de gemeenschap of de lidstaat die ten aanzien van de aanbieder van mediadiensten bevoegd is en met de Commissie, heeft binnen een maand na de ontvangst door de Commissie van de in de bepaling onder 2° bedoelde kennisgeving niet tot een minnelijke schikking geleid. § 3 - Onverminderd paragraaf 1 kan de Mediaraad voorlopige maatregelen nemen als een audiovisuele mediadienst die wordt geleverd door een onder de bevoegdheid van een andere Belgische overheidsinstantie of een andere lidstaat vallende aanbieder van mediadiensten een duidelijke, belangrijke en ernstige inbreuk pleegt op artikel 7, § 2, 2°, of afbreuk doet aan of een belangrijk en ernstig risico vertoont dat afbreuk zal worden gedaan aan de openbare veiligheid, met inbegrip van de bescherming van de nationale veiligheid en defensie. Deze uitzonderingsregeling is onderhavig aan de volgende voorwaarden: 1° tijdens de voorgaande 12 maanden heeft de aanbieder van mediadiensten het in het eerste lid bedoelde gedrag minstens eenmaal vertoond;2° de Mediaraad heeft de aanbieder van mediadiensten, de gemeenschap of de lidstaat die ten aanzien van die aanbieder bevoegd is en de Europese Commissie schriftelijk in kennis gesteld van de vermeende inbreuken en van de evenredige maatregelen die de Mediaraad voornemens is te treffen als die inbreuken opnieuw plaatsvinden. De Mediaraad kan in dringende gevallen, niet later dan een maand na de vermeende inbreuk, afwijken van de in het eerste lid, 1° en 2°, vastgestelde voorwaarden. In dat geval moeten de getroffen maatregelen zo spoedig mogelijk, met opgave van de redenen waarom de Mediaraad van oordeel is dat het om een dringend geval gaat, worden meegedeeld aan de Europese Commissie en de gemeenschap of de lidstaat onder wiens bevoegdheid de aanbieder van mediadiensten valt. § 4 - Audiovisuele mediadiensten die niet onder de bevoegdheid van een andere gemeenschap, van een lidstaat of van een andere staat in de Europese Economische Ruimte vallen, mogen in het Duitse taalgebied worden uitgezonden, op voorwaarde dat de Mediaraad vooraf op de hoogte wordt gebracht. De Mediaraad beschikt over een termijn van zestig dagen om zich tegen de doorgifte van een lineaire audiovisuele mediadienst te verzetten, als die maatregel noodzakelijk is voor 's lands veiligheid, voor de territoriale integriteit van de Staat, voor de openbare veiligheid, voor het handhaven van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid en van de goede zeden, voor de bescherming van de goede naam of de rechten van derden, om het verspreiden van vertrouwelijke gegevens te vermijden, om de autoriteit en onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen of wanneer artikel 7 wordt overtreden. § 5 - Boek XI van het Wetboek van economisch recht blijft door de bepalingen van dit artikel onaangetast. Art. 17 - Bescherming van minderjarigen Aanbieders van audiovisuele mediadiensten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat audiovisuele mediadiensten die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen zouden kunnen aantasten, in het bijzonder nodeloos geweld en pornografie, uitsluitend zodanig beschikbaar worden gesteld dat minderjarigen deze normaliter niet te horen of te zien krijgen en op een wijze evenredig aan de mogelijke schade die het programma kan berokkenen. Door aanbieders van mediadiensten verzamelde of op andere wijze gegenereerde persoonsgegevens van minderjarigen worden niet verwerkt voor commerciële doeleinden, zoals direct marketing, profilering en op gedrag gerichte reclame. Aanbieders van audiovisuele mediadiensten verstrekken voldoende informatie aan de kijkers over inhoud die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten. Daartoe maken de aanbieders gebruik van een systeem met de nadere omschrijving van het potentieel schadelijke karakter van de inhoud van een audiovisuele mediadienst. Art. 18 - Audiovisuele commerciële communicatie voor alcoholische dranken Aanbieders van audiovisuele mediadiensten die audiovisuele commerciële communicatie voor alcoholische dranken inhouden, moeten aan de volgende criteria voldoen: 1° zij mogen zich niet specifiek tot minderjarigen richten en mogen in het bijzonder geen minderjarigen tonen die dit soort dranken gebruiken;2° zij mogen geen verband leggen tussen alcoholgebruik en een verbetering van fysieke prestaties of gemotoriseerd rijden;3° zij mogen niet de indruk wekken dat alcoholgebruik bijdraagt tot sociale of seksuele successen;4° er mag niet in worden gesuggereerd dat alcoholhoudende dranken therapeutische kwaliteiten bezitten, dan wel een stimulerend, kalmerend of spanningsreducerend effect hebben;5° zij mogen geen overmatig alcoholgebruik aanmoedigen dan wel onthouding of matig alcoholgebruik in een negatief daglicht stellen;6° zij mogen geen nadruk leggen op het hoge alcoholgehalte van dranken als positieve eigenschap. De in het eerste lid genoemde vereisten zijn niet van toepassing op sponsoring en productplaatsing, voor zover het niet-lineaire audiovisuele mediadiensten betreft. Art. 19 - Sponsoring Audiovisuele mediadiensten of programma's die worden gesponsord, moeten aan de volgende voorwaarden voldoen: 1° de inhoud en, in het geval van televisie-uitzendingen, de programmering, mogen nimmer dusdanig worden beïnvloed dat de verantwoordelijkheid en de redactionele onafhankelijkheid van de aanbieder van mediadiensten worden aangetast;2° zij mogen niet rechtstreeks aansporen tot aankoop of huur van goederen of diensten, in het bijzonder door specifieke aanprijzingen van die goederen of diensten;3° de kijkers moeten duidelijk worden gewezen op het bestaan van een sponsoringovereenkomst.Gesponsorde programma's moeten duidelijk als zodanig worden gekenmerkt doordat aan het begin, tijdens en/of aan het einde van het programma op passende wijze naam, logo en/of ander symbool van de sponsor, zoals een verwijzing naar zijn product(en) of dienst(en) of een onderscheidingsteken daarvan, worden vermeld. Bij sponsoring van audiovisuele mediadiensten of programma's door ondernemingen waarvan de activiteiten de vervaardiging of verkoop van geneesmiddelen en medische behandelingen omvatten, mag de naam of het imago van de onderneming worden aangeprezen, maar mogen geen specifieke geneesmiddelen of medische behandelingen worden aangeprezen die alleen op doktersvoorschrift verkrijgbaar zijn. Nieuwsprogramma's en politieke actualiteitenprogramma's mogen niet worden gesponsord. Audiovisuele mediadiensten of programma's mogen niet worden gesponsord door ondernemingen waarvan de voornaamste activiteit bestaat in de vervaardiging of verkoop van sigaretten en andere tabaksproducten, alsmede elektronische sigaretten en navulverpakkingen. Art. 20 - Productplaatsing § 1 - Productplaatsing is toegestaan in alle audiovisuele mediadiensten, behalve in nieuwsprogramma's en politieke actualiteitenprogramma's, programma's over consumentenzaken, religieuze programma's en kinderprogramma's. Programma's die productplaatsing bevatten, voldoen minstens aan alle volgende voorwaarden: 1° de inhoud en de programmering ervan in een schema, in het geval van televisie-uitzendingen, of de opneming ervan in een catalogus, in het geval van audiovisuele mediadiensten op aanvraag, mogen nimmer dusdanig worden beïnvloed dat de verantwoordelijkheid en de redactionele onafhankelijkheid van de aanbieder van mediadiensten worden aangetast;2° zij sporen niet rechtstreeks aan tot aankoop of huur van goederen of diensten, in het bijzonder door specifieke aanprijzing van die producten of diensten;3° het betrokken product krijgt geen overmatige aandacht;4° de kijkers worden duidelijk gewezen op de aanwezigheid van productplaatsing.Programma's die productplaatsing bevatten, worden aan het begin en het eind van het programma, alsook wanneer een programma na een reclamepauze wordt hervat, op passende wijze als zodanig aangeduid om verwarring bij de kijker te voorkomen. Deze voorwaarde geldt enkel voor programma's die door een aanbieder van mediadiensten zelf of door een aan die aanbieder van mediadiensten verbonden onderneming geproduceerd of besteld zijn. Programma's mogen in geen geval productplaatsing bevatten: 1° voor sigaretten en andere tabaksproducten, alsmede elektronische sigaretten en navulverpakkingen, of productplaatsing van ondernemingen waarvan de voornaamste activiteit bestaat in de vervaardiging of verkoop van die producten;2° voor specifieke geneesmiddelen of medische behandelingen die alleen op voorschrift beschikbaar zijn. § 2 - De bepalingen van dit artikel gelden enkel voor programma's die na 19 december 2009 werden geproduceerd. Art. 21 - Personen met ondersteuningsbehoefte § 1 - De aanbieders van audiovisuele mediadiensten maken hun diensten, door middel van evenredige maatregelen voortdurend en in toenemende mate toegankelijker voor personen met ondersteuningsbehoefte en nemen de bepalingen in acht die door de Regering, op voorstel van de dienst van de Duitstalige Gemeenschap voor zelfbeschikkend leven, werden aangenomen om de diensten voor personen met ondersteuningsbehoefte toegankelijk te maken, mits deze geen onevenredige belasting voor hen vormen. Aanbieders van mediadiensten brengen om de drie jaar, te rekenen vanaf de datum van hun aanmelding, verslag uit bij de Mediaraad over de uitvoering van de maatregelen als bedoeld in het eerste lid. § 2 - Noodinformatie, met inbegrip van openbare mededelingen en aankondigingen b …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.