Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot goedkeuring van het ontwerp van het richtplan van aanleg "Weststation"

Kort samengevat

Dit besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering keurt het ontwerp van het richtplan van aanleg (RPA) "Weststation" goed. Het doel is om een braakliggend spoorwegterrein te transformeren in een duurzame, gemengde wijk met woningen, voorzieningen en groene ruimtes.

Wat het reguleert

  • De ontwikkeling van het gebied "Weststation", een zone van gewestelijk belang.
  • De realisatie van een park van ten minste 3 hectare en nieuwe openbare ruimtes.
  • De creatie van minstens 90.000 m2 nieuwe gebouwen, waarvan ten minste 50% woningen.
  • De integratie van publieke voorzieningen, economische activiteiten, opleiding, onderwijs en tewerkstelling.

Wie het aanbelangt

  • De gemeenten Sint-Jans-Molenbeek en Anderlecht, waar het plangebied zich bevindt.
  • Inwoners en toekomstige gebruikers van de nieuwe wijk "Weststation".

Kernpunten

  • Het plan voorziet in de opening van de site naar de buurt en de structurering rond knooppunten van openbaar vervoer.
  • Er moeten kwalitatieve en toegankelijke openbare ruimtes komen, inclusief een park van minstens 3 ha en een grote fiets- en voetgangerspromenade langs lijn 28.
  • De nieuwe gemengde wijk zal minstens 90.000 m2 nieuwe gebouwen omvatten, waarvan ten minste 50% woningen.
  • Het plan streeft naar het behoud van industrieel erfgoed en voorziet in overgangsbeheer voor geleidelijke openstelling en testen van toepassingen.
Wettekst
Wettekst

22 SEPTEMBER

  1. - Besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot goedkeuring van het ontwerp van het richtplan van aanleg "Weststation" De Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Gelet op artikel 39 van de grondwet; Gelet op de bijzondere wet inzake de institutionele hervormingen van 8 augustus 1980, in het bijzonder de artikelen 6, § 1, I, 1 en 20; Gelet op de bijzondere wet inzake de Brusselse instellingen van 12 januari 1989, in het bijzonder artikel 8; Gelet op het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (BWRO) en, in het bijzonder, de artikels 30/1 tot 30/11 ingevoegd bij ordonnantie van 30 november 2017 tot hervorming van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening en de ordonnantie van 5 juni 1997 met betrekking tot de milieuvergunningen en tot wijziging van bepaalde aanverwante wetten; Overwegende dat met deze bepalingen een nieuw instrument voor de gewestelijke planning wordt toegevoegd aan de wet inzake ruimtelijke ordening in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, richtplan van aanleg genoemd; Dat dit instrument tot doel heeft een synthese te maken van de al bestaande instrumenten, met toevoeging van het strategisch doel van de richtplannen en met opname van een reglementair luik om de toepassing te verzekeren van strategische doelstellingen door deze te formaliseren in geschreven en grafische voorschriften; Gelet op het besluit van de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 3 mei 2001 tot goedkeuring van het gewestelijk bestemmingsplan ; Gelet op het besluit van de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 12 juli 2018 tot goedkeuring van het gewestelijk plan voor duurzame ontwikkeling ; Gelet op het besluit van de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 6 mei 2004 tot goedkeuring van het gemeentelijk ontwikkelingsplan, goedgekeurd door de gemeente Sint-Jans-Molenbeek; Gelet op het ministerieel besluit van 8 mei 2018Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 08/05/2018 pub. 14/05/2018 numac 2018031015 bron brussels hoofdstedelijk gewest Ministerieel besluit houdende instructie om over te gaan tot de uitwerking van het Richtplan van Aanleg voor de zone "Voormalige kazerne van Elsene" type ministerieel besluit prom. 08/05/2018 pub. 14/05/2018 numac 2018031016 bron brussels hoofdstedelijk gewest Ministerieel besluit houdende instructie om over te gaan tot de uitwerking van het Richtplan van Aanleg voor de zone "Weststation" type ministerieel besluit prom. 08/05/2018 pub. 14/05/2018 numac 2018031022 bron brussels hoofdstedelijk gewest Ministerieel besluit houdende instructie om over te gaan tot de uitwerking van het Richtplan van Aanleg voor de zone "Stationswijk Brussel-Zuid" type ministerieel besluit prom. 08/05/2018 pub. 14/05/2018 numac 2018031017 bron brussels hoofdstedelijk gewest Ministerieel besluit houdende instructie om over te gaan tot de uitwerking van het Richtplan van Aanleg voor de zone "Delta-Herrmann-Debroux" type ministerieel besluit prom. 08/05/2018 pub. 14/05/2018 numac 2018031020 bron brussels hoofdstedelijk gewest Ministerieel besluit houdende instructie om over te gaan tot de uitwerking van een ontwerp van Richtplan van Aanleg voor de zone "Wet" type ministerieel besluit prom. 08/05/2018 pub. 14/05/2018 numac 2018031014 bron brussels hoofdstedelijk gewest Ministerieel besluit houdende instructie om over te gaan tot de uitwerking van het Richtplan van Aanleg voor de zone "Bordet" type ministerieel besluit prom. 08/05/2018 pub. 14/05/2018 numac 2018031018 bron brussels hoofdstedelijk gewest Ministerieel besluit houdende instructie om over te gaan tot de uitwerking van het Richtplan van Aanleg voor de zone "Heyvaert" sluiten, houdende de opdracht tot het uitwerken van een ontwerp van richtplan van aanleg voor de zone Station Brussel-West; Gelet op het gunstig advies van het Gewestelijk Comité voor Territoriale Ontwikkeling van 27 juni 2018; Gelet op het syntheseverslag van de opmerkingen die zijn ontvangen naar aanleiding van de voorlichtings- en participatiefase voorafgaand aan de goedkeuring van het ontwerpplan; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 januari 2019Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 31/01/2019 pub. 06/02/2019 numac 2019010725 bron brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2013 houdende de voorwaarden voor het gebruik van parkeerplaatsen door operatoren van gedeelde motorvoertuigen sluiten tot goedkeuring van het ontwerp van richtplan van aanleg en het milieueffectenrapport; Gelet op het advies van de gemeenten uitgebracht door de gemeenteraden: - Gemeenteraad van Sint-Jans-Molenbeek van 22 maart 2019; - Gemeenteraad van Anderlecht van 20 maart 2019; Gelet op het advies van de Economische en Sociale Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 21 maart 2019; Gelet op het advies van de Raad voor het Leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 13 maart 2019; Gelet op het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van 22 maart 2019; Gelet op het advies van de Gewestelijke Mobiliteitscommissie van 25 februari 2019; Gelet op het advies van het met ruimtelijke ordening belaste bestuur van 22 maart 2019; Gelet op het advies van het Brussels instituut voor milieubeheer (Leefmilieu Brussel) van 21 maart 2019; Gelet op de bezwaren en opmerkingen die werden gemaakt tijdens het openbaar onderzoek over het ontwerp van richtplan van aanleg dat plaatsvond van 20 februari 2019 tot 23 april 2019 in de gemeenten Sint-Jans-Molenbeek en Koekelberg; Gelet op het advies van de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie van 5 december 2019, integraal opgenomen als bijlage 2 van dit besluit; Gelet op de goedkeuring van het ontwerp van het richtplan van aanleg "Weststation" en het milieueffectenrapport van 3 juni 2021; Gelet op het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State van 4 augustus 2021; Inhoudstafel I. Het gewestelijk belang van de site rechtvaardigt een richtplan van aanleg; II. De belangrijkste opties van het plan vallen binnen het kader vaan de ontwikkelingsplannen; III. Formele inhoud van het richtplan van aanleg; IV. Opties en strategies van het RPA; V. Milieueffectenrapport; VI. Proces inzake informatie en voorafgaande participatie; VII. Samenvatting van de adviezen en van de bezwaren en opmerkingen die zijn geformuleerd in het kader van het openbaar onderzoek en van de manier waarop de Regering er rekening mee heeft gehouden; A. Algemene waarnemingen B. Strategische luik C. Reglementaire luik D. Vragen over de uitvoering van het plan E. Procedure voor de uitwerking van het plan VIII. Samenvatting van de wijze waarop de milieuoverwegingen in het plan geïntegreerd werden IX. Redenen van de keuzen van het plan zoals het is goedgekeurd, rekening houdend met de andere beschouwde redelijke oplossingen X. Opvolging van het RPA XI. Evaluatierapport "gelijkekansentest"; I. Het gewestelijk belang van de site rechtvaardigt een richtplan van aanleg Overwegende dat het onderhavige richtplan van aanleg betrekking heeft op het grondgebied dat is vervat in het gebied van gewestelijk belang nr. 3 van het gewestelijk bestemmingsplan, goedgekeurd op 3 mei 2001 en in de onmiddellijke buurt ervan, gekenmerkt door de bebouwde voorzijden aan de omliggende straten; Dat dit de toepassing toelaat van het programma voor het gebied van gewestelijk belang "Weststation" (GGB nr.3), zoals voorzien in het gewestelijk bestemmingsplan, goedgekeurd op mei 2001; Overwegende dat het gebied in het gewestelijk plan voor duurzame ontwikkeling van 12 juli 2018 is aangewezen als een van de 12 prioritaire ontwikkelingsgebieden die speciale investeringen verdienen om hun ontwikkelingspotentieel op korte en middellange termijn te realiseren; Overwegende dat de zone van het Weststation door de regering in haar algemene beleidsverklaring van 2014-2019 werd aangemerkt als een van de tien te creëren nieuwe wijken in antwoord op de uitdagingen van de gewestelijke ontwikkeling: bouwen van toegankelijke woningen die geschikt zijn voor de sociale mix, nieuwe openbare ruimtes, een nieuwe groene ruimte, alsook voorzieningen van algemeen belang, met voorkeur voor de vestiging van nieuwe ondernemingen in Brussel en met goede ontsluitingen voor het openbaar vervoer en ook systematisch met voorzieningen voor een gescheiden fietsnet; Overwegende dat de Regering in haar algemene beleidsverklaring van 2019-2024 verduidelijkt dat de voor een aantal strategische zones tijdens de vorige bestuursperiode ontwikkelde planningsvisie een operationele invulling moet krijgen om er duurzame, gemengde wijken met een hoge levenskwaliteit tot stand te brengen; Overwegende dat op 16 november 2017 het definitieve programma voor het stadsvernieuwingscontract "Weststation" werd goedgekeurd door de regering en dat dit in het bijzonder een aantal projecten omvat die passen in het kader van de ontwikkelingsstrategie voor de wijk, gedragen door het ontwerp van RPA "Weststation"; Overwegende dat het Brussels Gewest een demografische groei kent; dat volgens de statistieken en prognoses van de Federale Openbare Dienst (Planningsbureau) en het Brusselse Instituut voor Statistiek en Analyses (BISA) deze groei zeer waarschijnlijk zal aanhouden tot in het midden van de 21ste eeuw; dat het noodzakelijk is om de beschikbare gronden in te zetten en te beantwoorden aan de huidige en toekomstige behoeften inzake huisvesting, en de daarbij horende voorzieningen en diensten; Rekening houdende met de belangrijke kans voor de gewestelijke ontwikkeling van het gebied "Weststation" dat op dit ogenblik een braakliggend stuk spoorweg is dat de gemeente Sint-Jans-Molenbeek in twee deelt, langsheen spoorlijn nr. 28; Overwegende dat dit gebied een uitzonderlijk potentieel heeft omwille van de goede ontsluitingen voor het openbaar vervoer in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; Rekening houdende met de noodzaak om tegemoet te komen aan de grotere behoeften inzake huisvesting, voorzieningen, in het bijzonder scholen, culturele en sportvoorzieningen, economische en mobiliteitsactiviteiten, groene ruimtes en de noodzaak om bestaande of toekomstige grote supra-lokale projecten uit te voeren (Grootstedelijke uitrusting, Infrabel Academy, tijdelijke stelplaatsen voor metrostellen, groene ruimtes, fiets- en wandelpad L28....) waarvan het succes afhankelijk is van de interventie en coördinatie van verschillende supra-lokale spelers en het Gewest; Rekening houdende met het huidige gesloten karakter van dit braakliggend terrein, de moeilijkheid om door te steken en de noodzaak om noord-zuidverbindingen te voorzien; Rekening houdende met de noodzaak om de interventies, vervat in de verschillende programma's, te coördineren, waaronder die van het stedelijk renovatiecontract; Overwegende dat dus een richtplan van aanleg onontbeerlijk is om de gewestelijke doelstellingen te concretiseren; II. De belangrijkste opties van het plan vallen binnen het kader vaan de ontwikkelingsplannen - Overwegende dat het RPA voor het Weststation voldoet aan 10 belangrijke uitdagingen: - de site openen naar de wijken in de buurt en structureren rond de knopen van openbaar vervoer; - kwalitatieve en toegankelijke openbare ruimtes voorzien, waaronder een park van ten minste 3 ha; - nieuwe openbare ruimtes creëren, grotendeels ten voordele van de actieve modi, met inbegrip van in het bijzonder een grote fiets- en voetgangerspromenade langsheen lijn 28; - mogelijk maken dat de actieve modi ten minste op twee plekken lijn 28 kunnen oversteken; - een nieuwe gemengde wijk creëren met zeker 90.000 m2 nieuwe gebouwen, waarvan ten minste 50 % woningen; - publieke voorzieningen en economische activiteiten voorzien die gelinkt zijn aan de kenmerken en behoeften van de wijk; - ruimtes voorzien voor opleiding, onderwijs, tewerkstelling; - een voorziening van stedelijk belang voorzien ten voordele van de buurtbewoners en die ook bezoekers van buiten de wijk moet aantrekken; - indien mogelijk het industrieel erfgoed op het braakliggend terrein in stand houden; - een overgangsbeheer voorstellen dat een geleidelijke openstelling van de braakliggende terreinen en het testen van de toepassingen mogelijk maakt, in samenwerking met de omwonenden en toekomstige gebruikers; Dat aan deze uitdagingen wordt voldaan in overeenstemming met het programma voor het GGB "Weststation" van het gewestelijk bestemmingsplan, goedgekeurd op 3 mei 2001; Dat dit ook past in het kader van de doelstellingen van het gewestelijk plan voor duurzame ontwikkeling van 12 juli 2018 dat naast de toepassing van het prioritaire ontwikkelingsgebied "Weststation", zoals hiervoor uiteengezet, ook het volgende voorziet: het grondgebied mobiliseren:
  2. om de basis van de territoriale ontwikkeling vast te leggen en nieuwe wijken te ontwikkelen;
  3. om een aangename, duurzame en aantrekkelijke leefomgeving te ontwikkelen;
  4. voor de ontwikkeling van de stedelijke economie;
  5. om de multimodale verplaatsing te bevorderen inleiding; Overwegende dat het ook kadert in de specifieke doelstellingen voor de Weststationsite van het gewestelijk plan voor duurzame ontwikkeling, waarin staat dat de grond van dit braakliggend spoorwegterrein moet worden ontwikkeld tot een gemengd en groen gebied, dat de ontwikkeling van de site zich moet richten op een openbare ruimte die leesbaar en gestructureerd is rond knooppunten van openbaar vervoers en dat verwijst naar de goedkeuring van een richtplan van aanleg op de Weststationsite, waarvoor het de richtlijnen bevat, namelijk: - een site die meer openstaat voor de omliggende wijken en de metropool, gestructureerd rond de knooppunten van het openbaar vervoer; - een bebouwde oppervlakte van ongeveer 90.000 m2 die 50% woningen bevat, waarvan 360 publieke woningen en 27.000 m2 economische activiteiten (kantoren, productieactiviteiten, enz.), alsook voorzieningen waaronder ten minste een middelbare school, een school voor opleiding in de spoorwegberoepen en een nog te definiëren grote metropolitane uitrusting; - minstens twee niet voor auto's berijdbare oost-west oversteekplaatsen in de open lucht, voorbehouden voor fietsers, voetgangers en personen met beperkte mobiliteit; - een groot noord-zuidelijke promenade voor voetgangers en fietsers langs lijn 28; - een parkeergarage gedeeld door alle aanwezige functies; - kwalitatieve en toegankelijke groene ruimten, waaronder een park van minstens 3 hectare; - het behoud, indien mogelijk, van het industrieel erfgoed dat aanwezig is op het braakliggend terrein; - de invoering van een overgangsbeheer om de site te valoriseren, voorafgaand aan de definitieve ontwikkeling ervan; Overwegende dat dit ook ruimschoots past in het kader van de doelstellingen van het gemeentelijk ontwikkelingsplan dat in het bijzonder bepaalt dat de zone van het Weststation een scharnierruimte moet worden, een ruimte die de twee al lang gescheiden delen van de gemeente verenigt, en dat het uitnodigt tot een ontmoeting en onderlinge verweving van het dichtbebouwde stedelijk landschap en het groene landschap, met gebruikmaking van de hoge ligging van de zone, met doorsteken ter hoogte van de Beekkant en het Westplein, met groene verbindingen naar de zone van het Weststation, en uitnodigt tot het creëren van een nieuwe landschappelijke coherentie tussen de plaatselijke straten en de grote lanen, tussen de arbeiderswoningen en de hoogbouw, tussen groene ruimtes en wegen door de wijken en het creëren van functionele verbindingen tussen de activiteiten in de openbare ruimtes (commerciële en culturele activiteiten, ontspanning, vervoer), en de wens uitdrukt om een culturele pool te ontwikkelen op het verbindingspunt tussen Historisch Molenbeek en het Nieuwe Molenbeek. III. Formele inhoud van het richtplan van aanleg Overwegende dat het onderhavig richtplan van aanleg een inleidend verslag bevat, zonder enige juridische waarde, omvattende een historiek van de site, de diagnose, de uitdagingen en de beschrijving van de bestaande situatie; Dat het onderhavige richtplan van aanleg een strategisch luik bevat met geschreven voorschriften en schema's; Dat de strategische opties worden gegeven hetzij op het niveau van het geheel van de perimeter van onderhavig richtplan van aanleg, hetzij op het niveau van de verschillende duidelijk opgegeven zones; Dat dit strategisch luik de ambities weerspiegelt van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor dit gebied van gewestelijk belang, waarvan de principes toegepast moeten worden in het kader van de uitvoering van de ontwerpen; Dat dit strategisch luik een indicatieve waarde heeft en dus richtlijnen bevat voor de auteurs van projecten, zonder evenwel de toepassing te verhinderen van een project dat er niet helemaal aan beantwoordt, want het is in voorkomend geval mogelijk om er gemotiveerd van af te wijken; Dat onderhavig richtplan van aanleg een reglementair luik bevat, samengesteld uit gedetailleerde geschreven voorschriften en grafische documenten voor de desbetreffende niveaus, de onveranderlijke elementen waaraan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een verplicht karakter wil gegeven om de coherentie van de geplande ontwikkeling te verzekeren; Dat de ontwikkeling van een zone gelegen midden in de perimeter van onderhavig richtplan van aanleg bekeken moet worden in het licht van de strikte naleving van het reglementaire luik en de overeenstemming van de ontwikkelingen met de strategische richtingen die worden voorzien op de verschillende niveaus; Dat alleen het samen lezen van de twee luiken een algemeen beeld geeft van de opties van onderhavig richtplan van aanleg; IV. Opties en strategies van het RPA Overwegende dat het richtplan van aanleg van het Weststation rond vijf interventiestrategieën opgebouwd is, als volgt beschreven: - DE SITE OPENEN VAN BINNENUIT (A) De site vormde lange tijd een stedelijke breuklijn die de wijken en de bewoners van elkaar scheidde. Een snelle ontwikkeling van de kern van de site zal bijdragen tot een imagoverandering van het braakliggende terrein bij het Weststation en het spoorlandschap opnieuw zichtbaar maken. Nieuwe overlangse en dwarse verbindingen voor voetgangers, fietsers en PBM's vormen een aanvulling op de bestaande lokale en regionale netwerken. Een wandel- en fietszone langs spoorlijn 28 en een bredere Passerelle Beekkant vormen de kern van de opengewerkte site. Daaromheen zal de aanleg van oversteekplaatsen en de aanpak van de omliggende straten zorgen voor doorgangen en talrijke, kwalitatieve gebruiksmogelijkheden. - STATIONS- BESTEMMINGEN (B) De spoorweginfrastructuur zet een aantal netwerken op. Stations en stopplaatsen die aansluiten op grote publieke ruimtes en voorzien in aantrekkelijke activiteiten, kunnen uitgroeien tot reële bestemmingslocaties. Dankzij hun goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer groeien ze uit tot agglomeraties met absoluut potentieel als centrale, levendige plek in de stad. Deze centrale, structurerende ruimten staan symbool voor de openheid van de site. Ze zijn een bevoorrechte plek om de ontwikkeling ervan te erkennen, te observeren en te begrijpen. - NETWERK VAN PARKEN (C) - Het toekomstige park van het RPA kadert in een vast systeem van parken langs de spoorlijn. Dit nieuwe park wordt ingeplant in het noorden van de site als scharnier tussen het Marie-Josépark en de zone 'Gasmeter', en zal aldus bijna volledig de twee noordelijke 'kwadranten' beslaan. De strategische implementatie van de groene zones en het waterbeheer in de scharnierzones tussen de parken zal het netwerk op doeltreffende wijze leven inblazen. Een gediversifieerde rangorde van groene ruimten trekt het systeem door naar de meer verharde delen van de site. - PROGRAMMATORISCHE WISSELWERKING (D) Aansluitend op de bevestiging van een nieuw, groot park aan de noordzijde, concentreren de nieuwe programma's in het RPA zich voornamelijk op het zuiden van de site, met de nodige verschuivingen tussen bepaalde delen om de site in zijn totaliteit te activeren. Prioritair in dit programma is de vertakking van de open ruimten, de vermenging van functies en de integratie van 'nieuw' in bestaande infrastructuren. - ERDELING IN KWADRANTEN (E) De centrale mobiliteitslijnen verdelen de site in vier kwadranten, Kwadrant Geactiveerd park, Kwadrant Ruimte voor biodiversiteit, Kwadrant Campus, en Kwadrant Wijk. Deze structuur vormt een uitgangspunt voor het bepalen van de vier voorwaarden voor de diverse programma's en omgevingen, evenals een operationele basis voor het beheer van de schaalgrootte van de site ". V. Milieueffectenrapport Gelet op richtlijn 2001/42/CE van 27 juni 2001 met betrekking tot het beoordelen van de gevolgen van bepaalde plannen en programma's voor het milieu; Gelet op artikel 30/3, § 1, lid 1 van het BWRO, dat bepaalt dat een milieueffectenrapport opgesteld moet worden voor het ontwerp van een richtplan van aanleg; Overwegende dat een advies van Leefmilieu Brussel over het ontwerp van het lastenboek voor het milieueffectenrapport op datum van 12 december 2018 aangevraagd werd, overeenkomstig met artikel 2 van het besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 29 november 2018; Gezien er geen advies van Leefmilieu Brussel ontvangen werd; Gezien het bijgevoegde milieueffectenrapport die gelijktijdig en iteratief werd uitgewerkt met het ontwerp van richtplan van aanleg om de impact op het milieu van de ruimtelijke en programmamatige voorstellen te beoordelen; VI. Proces inzake informatie en voorafgaande participatie Gelet op artikel 30/3, § 1, lid 2 van het BWRO dat de territoriale planning verplicht om m.b.t. het ontwerp van richtplan een informatie- en participatieproces met het betrokken publiek te organisatie voorafgaand aan de goedkeuring ervan door de regering; Gelet op het besluit van de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 3 mei 2018 met betrekking tot het informatie- en participatieproces van het publiek vóór de uitwerking van richtplannen van aanleg; Overwegende dat het publiek werd geïnformeerd en geraadpleegd op 5 en 6 juni 2018 tijdens vergaderingen die werden georganiseerd door de kantoren van de administratie, belast met de territoriale planning; dat het publiek de kans heeft gehad om opmerkingen te maken tot 30 dagen na de laatste informatievergadering; Overwegende dat er een syntheseverslag werd opgesteld na deze informatie- en participatiefase; dat dit in het bijzonder de synthese bevat van de belangrijkste opmerkingen en vragen, geformuleerd door het betrokken publiek met betrekking tot het bedoelde ontwerp van richtplan van aanleg; Rekening houdende met de opmerkingen, gemaakt tijdens de informatie- en participatiefase vóór de goedkeuring van onderhavig ontwerp van richtplan van aanleg; Rekening houdende met de opmerkingen met betrekking tot de dichtheid, namelijk: * men moet de verhouding vloer/grondoppervlak vermelden en zich baseren op de eerder uitgevoerde globale studies naar de dichtheid; * vaststelling dat men de dichtheid gaat verhogen terwijl deze op dit ogenblik al problematisch is (de gemeente heeft een bevolkingsdichtheid van +/- 25.000 inwoners/km2 en in de buurt van de zone komt men op 40.000); * vaststelling dat het relevant is om de bewoning van deze zone te concentreren omwille van de goede ontsluiting voor het openbare vervoer en de buurtvoorzieningen (bijv.: ziekenhuis Saint-Anne Saint-Rémi); Overwegende dat de verhouding tussen het vloeroppervlak en het grondoppervlak (V/G) een technisch criterium is voor de beoordeling van de dichtheid van de site; Dat deze op andere manieren tot uitdrukking kan worden gebracht; Dat in het Milieueffectrapport in ieder geval de geprojecteerde dichtheid wordt geanalyseerd en dat een conclusie en aanbevelingen worden geformuleerd; Overwegende dat de recente demografische vooruitzichten voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest het erover eens zijn en concluderen dat de Brusselse bevolking op middellange en lange termijn zal toenemen; Dat er een consensus bestaat over stedelijke ontwikkeling en dat het de bedoeling is om het gebruik van openbare voorzieningen te optimaliseren door de stedelijke wildgroei te beperken; Dat in Brussel uit verschillende studies en regeringsverklaringen is gebleken dat het nodig is het bestaande stedelijke weefsel redelijk te verdichten om een polycentrische regio te creëren die de kwaliteit van het leven garandeert; Overwegende dat de door het ontwerp RPA voorgestelde dichtheid toelaat om een antwoord te gegeven op het gebrek aan openbare voorzieningen en de nood aan huisvesting en economische activiteiten, evenwel met beperking van de omvang tot de gemiddelde bestaande omvang in de buurt en met behoud van de grote groene ruimtes; Overwegende de opmerkingen met betrekking tot het opdrachtprogramma, namelijk: - het is noodzakelijk om te voorzien in sportfaciliteiten (een 6 m hoge sokkel is niet genoeg, eerder 11 tot 12 m hoog); - het is noodzakelijk om te voorzien in plaatsen voor feestzalen (er is een algemeen gebrek hieraan in het BHG); - er moeten multifunctionele ruimtes voor de bewoners beschikbaar zijn; - lk gebouw moet collectieve ruimten bieden waar de bewoners elkaar kunnen ontmoeten; - en mag kleine productieve activiteiten en huisvesting niet naast elkaar laten bestaan: elke keer zijn het de inwoners die winnen, deze mix werkt niet; - het schoolproject naast de Ekla-toren moet in overweging worden genomen; - het is noodzakelijk om kwetsbare beroepen/activiteiten te ontwikkelen in het sportgebouw dat momenteel door de Vlaamse school Sint-Guido wordt verlaten in afwachting van de ontwikkeling van de site; - we moeten het voorstel steunen om een containerpark te integreren, om er een echt grondstoffencentrum van te maken en zo de circulaire economie te bevorderen; - het is noodzakelijk om te definiëren wat wordt bedoeld met uitrusting op metropolitane schaal; - het RPA moet de integratie van de huidige dynamiek in de toekomstige ontwikkeling van het district mogelijk maken (zowel wat betreft de fysieke infrastructuur als de ondersteuning van lokale initiatieven), en meer specifiek het gebruik van de Steenkoolhal voor de organisatie van het "Bazar Festival"; Overwegende dat de stedelijke toepassingen en vormen die in het RPA-ontwerp worden voorgesteld, het mogelijk maken om feestzalen, collectieve en multifunctionele ruimten voor de bewoners en sportvoorzieningen van verschillende hoogtes te integreren; Dat de sokkel van het wijkkwadrant beperkt is tot een hoogte van +/- 6 m; Dat er ook veel eisen worden gesteld aan sportuitrusting die compatibel is met deze hoogte; Dat sommige productieve activiteiten verenigbaar zijn met huisvesting en andere minder; dat het RPA-ontwerp daarom voorziet in een mix van productieve activiteiten/huisvesting langs de Vandenpeereboomstraat door te eisen dat de activiteiten in kwestie verenigbaar zijn met huisvesting en een gebied waar productieve activiteiten zich kunnen ontwikkelen op een afstand van de huisvesting (Delhaizehal); dat bovendien waar een mix is voorzien van huisvesting, productieve activiteiten niet worden opgelegd, maar dat ook handels- of openbare voorzieningen in dit gebied kunnen worden voorzien; Dat er inderdaad een schoolproject in de buurt van de site is, maar dat niet volledig wordt voorzien in de behoeften aan schoolinfrastructuur en dat het daarom interessant is om nieuwe schoolinfrastructuur te kunnen ontwikkelen; dat het RPA-ontwerp de bouw van scholen mogelijk maakt, zelfs als het dit niet oplegt, om een zekere flexibiliteit te behouden als in deze behoefte anders op bevredigende wijze moest worden voorzien voordat het plan wordt uitgevoerd; Dat het momenteel verlaten sportgebouw zich buiten de perimeter van het RPA bevindt; Dat de mogelijkheid om een containerpark te integreren wel degelijk voorzien is; Dat de wijze waarop dit project moet worden uitgevoerd, nader moet worden bestudeerd; Dat het RPA-ontwerp niet ingaat op de details van de ontwikkelingen die aan dit project moeten worden gegeven; Dat in het RPA een project van grootschalige metropolitane uitrusting wordt overwogen; dat wordt gespecificeerd dat er aandacht moet worden besteed aan wat deze uitrusting de bewoners kan bieden en tegelijk bezoekers van buiten de wijk aantrekken; Overwegende de opmerkingen met betrekking tot de economische ontwikkeling, namelijk: - Het is noodzakelijk om kleine lokale (wettelijke) bedrijven te stimuleren; - Het is belangrijk om grote ketens zoals C&A, H&M, Zara, enz. te vermijden; - Wat niet ontbreekt in de wijk zijn de winkels, zoals bijvoorbeeld de Gentse Steenweg; - Het is noodzakelijk om de relevantie van het creëren van 27.000 m2 kantoorruimte te onderzoeken; - Men moet meer praten over bedrijven; Overwegende dat het RPA-ontwerp een gemengde ontwikkeling van +/- 90.000 m2 voorstelt, waarvan 50% bestemd is voor huisvesting en 50% voor openbare voorzieningen, productieve activiteiten, hotels, kantoren, winkels en groothandel; dat de kantoren beperkt zijn tot het terrein van het station Beekkant en de limiet van 5.000 m2 vloeroppervlakte niet mogen overschrijden; dat bij de vaststelling van deze limiet rekening is gehouden met de kenmerken van het district (overwicht van kleine werkplaatsen en winkels) en de leegstand van kantoren in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; dat het hotel alleen is toegestaan op de Ninoofse Steenweg; dat deze locatie wordt gerechtvaardigd door zijn goede zichtbaarheid en uitstekende openbare vervoersdienst; dat, voor het overige, het RPA-ontwerp prioriteit geeft aan productieve activiteiten, winkels en groothandelszaken door ze toe te staan in de sokkel van het wijkkwadrant en in de Delhaizehal; dat het RPA-ontwerp geen handel oplegt, maar het mogelijk maakt dat deze zich op bovengenoemde plaatsen ontwikkelt; dat een RPA niet bedoeld is om het soort handel te bepalen; dat het hierdoor in strijd zou zijn met het beginsel van vrije mededinging in de handel; Overwegende de opmerkingen met betrekking tot de stedelijke vorm en bouwhoogtes, namelijk: - er moeten poreuze ruimtes hebben, er moeten middelen zijn om de grote blokken over te steken; - bouwen op R+8 is zeer hoog, met daarbij een loopbrug op R+2, dat bevordert de activering van een wijk niet, deze woningen zijn niet bevorderlijk voor de relatie tussen buren; Overwegende dat het RPA-ontwerp een hoge porositeit toelaat via de reglementaire voorschriften met betrekking tot de openbare ruimte; dat de intentie om de oversteek van de grote blokken van de De Rooverelaan mogelijk te maken goed in ingeschreven in het strategische deel van het RPA-ontwerp; dat de voorschriften van de uitrustings- en de administratieve zone op deze mogelijkheid anticiperen; Overwegende dat de voorgestelde bouwhoogte langs de Vandenpeereboomstraat overeenkomt met een gemiddelde hoogte die een overgang creëert tussen de bestaande bouwhoogtes aan beide zijden; dat de R+2-sokkel het mogelijk maakt om woningen op een afstand van de geluidshinder gerelateerd aan de spoorlijn te plaatsen; dat maatregelen worden voorzien in het strategische luik om de animatie van de begane grond en ruimten met uitzicht op het balkon R+2 te verzekeren; dat de functies die door de regelgevende component van het RPA-ontwerp op de begane grond zijn toegestaan, het mogelijk maken om collectieve ruimten te creëren die de verbindingen tussen bewoners kunnen bevorderen; Overwegende de opmerkingen met betrekking tot de sociale mix, namelijk: - er moet op worden toegezien dat gentrificatie niet wordt aangemoedigd en dat de sociale mix behouden blijft; - men moet duidelijk zijn over het aandeel van de openbare, middelgrote en sociale woningen; - er moet een stimuleringsbeleid worden gevoerd om de gezinsgrootte te verkleinen; - de vooroordelen tegen sociale woningen en de bewoners ervan moeten worden ontkracht; - het debat over de sociale mix moet in het openbaar en op grote schaal worden gevoerd, op het niveau van het hele Gewest, met belanghebbenden uit de academische en verenigingswereld (BBRoW) en de conclusies moeten op grote schaal worden verspreid; - het is noodzakelijk om voor 100% in openbare huisvesting te voorzien, waarvan 60% sociale woningen (eventueel via de "Community Land Trust"-formule); - er moet in een groot aandeel sociale woningen worden voorzien, inclusief koopwoningen (25% van alle publieke woningen van het type CLT); - per RPA moet een percentage sociale woningen worden vastgesteld: 15% voor privéprojecten van meer dan 1000 m2 en 25% voor projecten van meer dan 10.000 m2; - de toegang tot de woningen moet gegarandeerd zijn voor degenen die het moeilijkst een woning kunnen vinden in Brussel (mensen met een laag inkomen, grote gezinnen, eenoudergezinnen, personen met beperkte mobiliteit, ouderen); - de creatie van innovatieve woningtypes moet eenvoudiger worden gemaakt; Overwegende dat deze opmerkingen betrekking hebben op aspecten die niet in het RPA-ontwerp aan de orde komen; dat er tijdens de uitvoering van het plan wel aandacht aan kan worden besteed; Overwegende dat het Departement Territoriale Kennis van perspective in samenwerking met de referent huisvesting voor het Gewest een analyserooster ontwikkelt om de types publieke woningen op het gewestelijk grondgebied beter te verdelen; dat in deze context wordt nagedacht over de beste verdeling voor de site van het Weststation (sociale woningen, voor bescheiden of gemiddelde inkomens en koop- of huurwoningen) rekening houdend met de aanwezigheid van publieke woningen in de omgeving van de site en hun toestand; Overwegende dat een beleid ter bevordering van de verkleining van de gezinsgrootte niet onder de verantwoordelijkheid van een RPA valt; Rekening houdende met de opmerkingen met betrekking tot de zeggenschap over de grond, namelijk: - vraag dat de staat snel zou verkopen omdat Infrabel zijn bouwtoelating heeft gekregen voor de bouw van de Infrabel Academy, het is moeilijk om op langere termijn te investeren in de verenigingssector, en er kan niets gedaan worden voor het overdrachtplan zolang het gewest geen eigenaar is; - vraag over het feit dat het gewest een grond blijft opwaarderen waarvan de aankoopprijs alleen maar kan stijgen; - men moet de meerwaarden kunnen benutten; Overwegende dat het Gewest eigenaar is van verschillende percelen en snel kan overgaan tot het proces voor tijdelijk beheer; dat het RPA een reglementair en strategisch kader biedt dat toegepast kan worden wie ook de eigenaar van de grond is; dat er voor de aanleg van de zone, zoals voorzien in het ontwerp van RPA, voor elke andere ontwikkeling of bijkomend talrijke openbare voorzieningen en ruimtes gecreëerd moeten worden; Overwegende de opmerkingen met betrekking tot de openbare ruimten, namelijk: - er moet een genderanalyse worden uitgevoerd voor de aanleg van groene ruimten (vrouwen een gevoel van veiligheid geven); - de aanleg van de sokkel is steriel; - er moet belang worden gehecht aan het park en het tijdelijk gebruik ervan; - door het bevorderen van zachte mobiliteit (voetgangers, fietsers) moet een meer kwalitatieve plaats voor het Weststation worden gecreëerd; - het dak boven het MIVB-depot zou een uitbreiding van het plein kunnen zijn; Overwegende dat het RPA-ontwerp uitnodigt tot co-creatie van groene ruimten met de toekomstige gebruikers ervan, zodat deze aan de behoeften van alle bewoners voldoen; dat in deze geest overwegingen met betrekking tot het overgangsbeheer van de site zijn opgesteld om een geleidelijke openstelling van de braakliggende terreinen en de mogelijkheid van het ontwikkelen van tijdelijke bezettingen te begeleiden; Overwegende dat het RPA-ontwerp de vergroening van gebouwen en hun omgeving, met inbegrip van de sokkel van het wijkkwadrant, en de ontwikkeling van openbare ruimten rond de stations stimuleert, rekening houdend met de toegankelijkheid en de gezelligheid van ruimten voor de actieve modi; Overwegende dat het MIVB-project voor een metrostelplaats niet voorziet in een constructie onder dak, maar in een openluchtparkeerterrein; dat de overkapping ervan echter niet verboden is door het RPA-ontwerp; dat indien een overkapping van deze zone wordt gepland, een openbare ruimte op het dak kan worden ingericht; Overwegende de opmerkingen met betrekking tot het erfgoed, namelijk: Het industrieel erfgoed moet bewaard blijven: spoorwegen Beekkantplein, Delhaizehal, Steenkoolhal; Overwegende dat de strategische component van het RPA-project het behoud en de herbestemming van het industriële erfgoed dat eigen is aan de site van het Weststation (rails Beekkantplein, Delhaizehal, ...) aanmoedigt; Dat de Steenkoolhal echter in zeer slechte staat verkeert en de openbare veiligheid in gevaar brengt en daarom moet worden afgebroken, dat verschillende technische studies hebben aangetoond dat het moeilijk is om deze hal te renoveren of zelfs bepaalde elementen ervan te behouden; dat het RPA-ontwerp daarentegen de wederopbouw van een dergelijke hal aanmoedigt, die als overdekte openbare ruimte in het parkgebied kan dienen en getuigt van de spoorweggeschiedenis van de site; Overwegende de opmerkingen over het gevoel van onveiligheid in de wijk; Overwegende dat, in vergelijking met de huidige situatie, namelijk een zeer groot terrein dat niet aangelegd en moeilijk te beveiligen is, waardoor sluikstorten en illegale bezettingen worden aangemoedigd, het openstellen van het braakliggende terrein en het ontwikkelen van een nieuwe wijk het mogelijk zullen maken beter rekening te houden met de problemen verbonden met het onveiligheidsgevoel door een kwalitatieve ontwikkeling van de openbare ruimte; Overwegende de opmerkingen met betrekking tot mobiliteit, namelijk: - de hoofdlijnen van het GPDO-ontwerp en van het GewOP met betrekking tot fietsers moeten in aanmerking worden genomen; - het L28-fietspad moet verbonden worden met een ruimer gebied dan dat van het RPA, in het bijzonder met dat van Tour & Taxis en Belgica, en moet een breedte hebben van minstens 4 m (6 m als het een promenade is voor fietsers en voetgangers); - het doorgaand wegverkeer op de assen GFR 10 en ringweg A, die de perimeter van het RPA-ontwerp doorkruisen, moet worden vermeden; - er zijn meer parkeerplaatsen nodig voor fietsen; - er moet rekening worden gehouden met de ontwikkeling van het GEN; - zachte modi moeten worden aangemoedigd: meer fietspaden (met name de Vandepeereboomstraat) en minder smalle trottoirs, evenals een goede bereikbaarheid van het openbaar vervoer; - de architecturale kwaliteit van de metrostations moet worden verbeterd; - de voetgangersbrug van metrostation Beekkant moet zo snel mogelijk worden afgebroken; - in vraag stellen van de voortgang van het algemene mobiliteitsplan van de wijk om het autoverkeer terug te dringen; - er wordt gevraagd om het verkeersvolume binnen de stad te verminderen en dus het aantal geparkeerde voertuigen bij de bestemming terug te dringen en op en rond de sites alternatieve vervoerwijzen te stimuleren door de continuïteit van hun gebruik richting stadscentrum en de arbeidslocaties te verzekeren; - Wat voorziet het RPA om een voorbeeldfunctie te vervullen op het gebied van mobiliteit en om een echte overstap naar mobiliteit gebaseerd op openbaar vervoer en zachte mobiliteit mogelijk te maken. - De Ninoofse Steenweg is een belangrijke as, er komen om 3 uur 's morgens zware vrachtwagens voorbij, er is veel vervuiling; - Het is noodzakelijk om gedeeld autorijden te promoten; - Afwijkingen (naar beneden) van de GSV (die momenteel tot twee auto's per huishouden toestaat) moeten worden vergemakkelijkt - Er is een gebrek aan parkeerplaatsen voor auto's, die systematisch dubbel geparkeerd staan, wat de doorstroming van het verkeer belemmert en files en vervuiling veroorzaakt; - De aardolie zal opraken, een langetermijnvisie moet een mogelijkheid voor goederenvervoer per spoor omvatten, in de mate dat er spoorweginfrastructuur aanwezig is; Overwegende dat de ambitie van het RPA-ontwerp Weststation ongetwijfeld is om de verbindingen in alle richtingen voor actieve modi te verbeteren; dat het daarom een reeks nieuwe verbindingen en inrichtingen van de openbare ruimte voorstelt, waaronder de herinrichting van de Vandenpeereboomstraat met fietspaden, de sloop/reconstructie van de voetgangersbrug aan Beekkant en de uitbreiding van de voorpleinen rond de stations voor alle actieve modi; dat de voetgangers-fietspromenade L28 op grotere schaal wordt overwogen met de ambitie om een verbinding tot stand te brengen tussen de site van Tour & Taxis en het Zuidstation lang de spoorlijn; dat sommige delen van dit project reeds zijn voltooid; dat de minimale breedte van de voetgangers-fietspromenade L28 is vastgesteld op 6 m in het reglementaire luik van het RPA; Overwegende dat de architecturale kwaliteit niet onder een RPA valt; dat het RPA-ontwerp echter de transformatie van het Weststation en het station Beekkant op min of meer lange termijn met mogelijke uitbreiding voorziet; dat de interventie van de Bouwmeester in deze context het gewenste kwaliteitsniveau zal waarborgen; Overwegende dat het RPA-ontwerp nieuwe gedragingen op het gebied van mobiliteit aanmoedigt door het bevorderen van actieve vervoerswijzen, door voor te stellen om in de infrastructuur van de sokkel van de wijkkwadrant een parkeergarage op te nemen die plaatsen voor gedeelde auto's kan bevatten en door aan te dringen op het delen van parkeerplaatsen voor alle functies die op de site zijn voorzien; Overwegende dat er momenteel langs de lijn 28 een ruimte is gereserveerd voor een tijdelijke metrostelplaats; dat wanneer deze faciliteit een definitieve locatie heeft gevonden, deze ruimte kan worden gebruikt voor twee nieuwe spoorlijnen; dat deze kunnen worden bestemd voor goederenvervoer; dat deze mogelijkheid op lange termijn dus niet is uitgesloten; Rekening houdende met de opmerkingen over lawaai, namelijk: - Voorstel om eerder een groenbarrière te voorzien dan sokkels om akoestische redenen. - Voorstel om een talud te voorzien tussen het park en de Vandepeereboomstraat als bescherming tegen het lawaai. - Er moeten creatieve oplossingen worden gevonden om een containerpark te integreren, rekening houdend met de geluidsoverlast; Overwegende dat een groenbarrière een groenscherm biedt maar geen enkele bescherming tegen geluidoverlast; dat een sokkel daarentegen veel efficiënter is; dat een talud ook een akoestische barrière kan vormen in de parkzone; dat het ontwerp van RPA het parkreliëf niet vastlegt maar wel adviseert om een participatieve aanleg te voorzien zodat rekening kan worden gehouden met alle behoeften van de toekomstige gebruikers ervan; Dat de integratie van een containerpark mogelijk is in de sokkel van de wijkkwadrant onder de L28 voetgangers-fietspromenade; dat de integratie in deze structuur al een manier is om de geluidsoverlast te beheersen; dat een meer gedetailleerde studie naar deze aspecten nuttig kan zijn binnen het kader van een aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning ; Overwegende de opmerkingen met betrekking tot fauna en flora, namelijk: - In deze dicht bebouwde wijk is het noodzakelijk om zoveel mogelijk groen te behouden; - Er is een gebrek aan grote groene ruimtes met veel bomen; - Er moet rekening worden gehouden met het Natuurplan, onder andere voor het voedsel van de dieren; - In het kader van het Good Food-beleid is het interessant om bijvoorbeeld composteerplaatsen en groentetuinen te voorzien; - Het is noodzakelijk om de omwonenden te betrekken bij het overgangsbeheer van het park; - Het is noodzakelijk om de bestaande bomenrijen te behouden; - Het beheer van het park moet worden overgenomen door Leefmilieu Brussel; Overwegende dat door het concentreren van nieuwe ontwikkelingen in het wijkkwadrant, het RPA-ontwerp het mogelijk maakt om een groot gebied aan groene ruimten te besteden; dat de strategische en regelgevende componenten bovendien aandringen op het vergroenen van alle gebouwen en hun omgeving; dat het RPA de ambitie heeft om bestaande bomen zo veel mogelijk te behouden; dat het bijgevolg de uitvoering van de ambities van het Natuurplan en het Good Food-beleid mogelijk maakt; dat het de co-creatie van groene ruimten met de bewoners van de wijk stimuleert en gepaard gaat met overwegingen over het overgangsbeheer van de site die de uitvoering vergemakkelijken van tijdelijke projecten gericht op de geleidelijke openstelling en toe-eigening van de braakliggende terreinen; dat Leefmilieu Brussel wordt benaderd voor het beheer van het toekomstige park; Overwegende de opmerkingen met betrekking tot de bodem en het water, namelijk dat er rekening moet worden gehouden met de gekende bodemverontreiniging om de activiteiten optimaal te lokaliseren, in het bijzonder de groentetuinen; Overwegende dat het uitwerken van het RPA gebaseerd is op een analyse van de potentiële bodemverontreiniging; dat bij de geplande ontwikkelingen hiermee rekening is gehouden; dat het RPA-ontwerp groene ruimten voorbehoudt, maar het gebruik ervan niet specificeert; dat het daarom mogelijk is om moestuinen aan te leggen; dat er in dat verband echter een meer gedetailleerde bodemanalyse moet worden uitgevoerd; Overwegende de opmerkingen met betrekking tot het afvalbeheer, namelijk: - Er is veel grof vuil in de openbare ruimte; - Een afvalverwerkings- en recyclagesysteem en opleiding inzake afvalsortering zijn noodzakelijk; - In het RPA moet rekening worden gehouden met het Gewestelijk Programma voor Circulaire Economie (GPCE); Overwegende dat de ontwikkeling en beveiliging van het braakliggende terrein geleidelijk zullen leiden tot meer sociale controle over het gebied en dus zullen bijdragen tot de vermindering van sluikstorten; dat het RPA-ontwerp bovendien de oprichting van een vuilstortplaats van het type Recypark binnen het wijkkwadrant toestaat, die de bewoners de nodige infrastructuur zou bieden om het probleem van het grof vuil aan te pakken; dat voorlichting over afvalsortering niet de verantwoordelijkheid van het RPA is, maar idealiter de inrichting van een vuilstortplaats zou kunnen begeleiden; Overwegende dat het RPA-ontwerp rekening heeft gehouden met de doelstellingen van het GPCE, in het bijzonder omdat het de vermindering van afval bevordert door te voorzien in omkeerbare constructies in termen van toewijzing, en omdat het de oprichting van een vuilstortplaats toestaat; Overwegende de opmerkingen over het fenomeen stedelijke hitte-eilanden (veel groene ruimten in Brussel raken verstedelijkt); Overwegende dat het RPA-ontwerp, door de bebouwbare gebieden voornamelijk te concentreren in een kwadrant en grote gebieden te reserveren voor groene gebieden, met dit fenomeen rekening houdt; dat bovendien, om verder te gaan in deze aanpak, het strategische luik van het RPA-ontwerp ervoor pleit om alle gebouwen en hun omgeving groener te maken en een albedo van 0,25 voor de bekledingen van openbare ruimtes te respecteren; Gelet op het evaluatieverslag, genaamd `gelijkekansentest', vereist door artikel 2, § 1°, van de ordonnantie van 4 oktober 2018 tot invoering van de gelijkekansentest in de beleidslijnen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en door artikel 1 van het besluit van 22 november 2018 over de uitvoering van die ordonnantie, waarvan de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op 31/01/2019 kennis heeft genomen; Overwegende dat het ontwerp RPA onderworpen dient te worden aan een openbaar onderzoek in elk van de gemeenten van het Gewest betrokken bij dit ontwerpplan ter uitvoering van het artikel 30/5, § 1er van het BWRO; Dat de notie van betrokken gemeente dient geïnterpreteerd te worden in het licht van de notie van personen die hier gevolgen aan ondervinden of ervoor vatbaar zijn, in de zin van de richtlijn 2001/42/CE van het Europees Parlement en van het Bestuur van 27 juni 2001 met betrekking tot de milieueffectenbeoordeling van bepaalde plannen en programma's, alsook de notie van betrokken personen in de zin van de Aarhusconventie met betrekking tot de toegang tot informatie, de participatie van het publiek aan het besluitvormingsproces en de toegang tot de rechtspraak inzake leefmilieu; Dat de betrokken gemeenten dus deze zijn waarvan de inwoners milieueffecten zullen ondervinden of riskeren te ondervinden die mogelijk door het RPA gegenereerd worden; Dat de betrokken gemeenten door het RPA aldus de gemeentes Molenbeek- op wiens grondgebied de perimeter van het RPA gelegen is - en Koekelberg - waarvan bepaalde inwoners minstens zicht zullen hebben op bepaalde bouwvolumes die mogelijk gemaakt worden door het RPA; Dat geen enkele andere gemeente redelijkerwijs kan beschouwd worden als betrokken gemeente derhalve het RPA geen milieueffecten op het grondgebied van deze gemeenten zal hebben; dat dit voldoende uit het milieueffectenrapport blijkt; Dat a fortiori, geen enkel ander gewest, noch lidstaat van de Europese Unie of Deel van de Espoo-conventie van 25 februari 1991 met betrekking tot de milieueffectenbeoordeling in een grensoverschrijdende context, kan betrokken zijn door het RPA, in de zin van het artikel 30/5, § 3 van het BWRO; VII. Samenvatting van de adviezen en van de bezwaren en opmerkingen die zijn geformuleerd in het kader van het openbaar onderzoek en van de manier waarop de Regering er rekening mee heeft gehouden Gelet op artikel 30/6 van het BWRO, dat bepaalt dat het besluit dat het RPA definitief goedkeurt, in zijn motivering de manier samenvat waarop rekening werd gehouden met de adviezen, bezwaren en opmerkingen die tijdens de procedure werden geformuleerd; Overwegende dat de Regering kennis heeft genomen van de adviezen, bezwaren en opmerkingen die tijdens de initiële voorlichtings- en participatiefase werden ingediend en vervolgens tijdens de bijzondere maatregelen van bekendmaking (openbaar onderzoek en adviesaanvragen) en daarmee rekening heeft gehouden; Dat ze kennis heeft genomen en rekening heeft gehouden met het advies van de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie, dat zelf op die elementen is gebaseerd; Dat ze kleine wijzigingen heeft aangebracht in het richtplan van aanleg op basis van bepaalde verzoeken om de redenen die ze uiteenzet; Dat ze de weigering van andere voorstellen die tijdens die opeenvolgende fasen werden geformuleerd, ook heeft gemotiveerd; Dat ze op die manier de bepalingen van artikel 30/6 van het BWRO naleeft; Overwegende dat de antwoorden van de Regering op de bezwaren en de opmerkingen die in het kader van het openbaar onderzoek worden geformuleerd en op de adviezen die worden geformuleerd in het kader van het onderzoek van het ontwerp van RPA hierna worden vermeld, onverminderd de antwoorden van de Regering, zoals hierboven weergegeven, in verband met de bezwaren en de opmerkingen die werden geformuleerd in het kader van het voorafgaande voorlichtings- en participatieproces, die worden verondersteld hierna te zijn weergegeven, onder voorbehoud van eventuele wijzigingen die eraan worden aangebracht. B. ALGEMENE OPMERKINGEN
  6. Overeenstemming met het GPDO Overwegende dat de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie het belang onderstreept van de link die met het GPDO moet worden gelegd;Dat de site van het Weststation inderdaad is opgenomen in het hypercentrum van de stad, als een strategisch gebied voor de ontwikkeling van het Gewest, uitermate geschikt voor grote grootstedelijke functies die een sterke toegankelijkheid vereisen; Dat de Commissie nota neemt van een ruimtelijke analyse die vooral gericht is op de verschillende kwadranten, waardoor de algemene visie op de toekomstige ontwikkeling van de site moeilijker te begrijpen is; Dat ze vraagt om een overzicht van de diagnose van de definitiestudie die in 2016 door het ATO werd uitgevoerd, in het informatieve luik van het RPA op te nemen; Dat ze het op prijs stelt dat in het strategische luik van het RPA een van de polen ingaat op de kwesties van verankering van de site op grootstedelijk niveau; Dat de Commissie het nuttig zou vinden om de plaats van de site binnen de stedelijke structuur, zoals beschreven in het GPDO, en de rol van de site op grootstedelijk niveau, met name in de geplande programmering, duidelijker op de voorgrond te plaatsen; Dat de uitstraling van het programma zou moeten worden ontwikkeld voorbij de in het plan beschreven kwadranten; Dat ze het relevant zou vinden, mocht een algemene reflectie over de toekomst van de spoorwegen in Brussel met de toekomstige ontwikkeling van het Weststation worden geïntegreerd in zijn spoordimensie gekoppeld aan de metro en het openbaar vervoer (GEN, TEC, De Lijn) en mocht er worden nagedacht over de toekomst van dit station ten opzichte van de overbezetting van de Noord-Zuidverbinding: ze zou een alternatieve rol kunnen vervullen en kunnen inspelen op een reële vraag in samenhang met het GPDO; Dat als de spoorweginfrastructuur intact blijft, het Weststation een grotere bediening zou kunnen verwezenlijken; Dat het voor een sterker imago van Brussel onontbeerlijk is om de ambitie te hebben om treinen op deze verbinding te laten rijden; Dat ze van mening is dat het in dit RPA aan een 'urban attractor' ontbreekt die de onmiddellijke omgeving overstijgt: het is een plaats die de aantrekkelijkheid van de Europese wijk en de Vijfhoek moet compenseren door een plek om te bezoeken te worden; Dat ze voorstelt om de rol van de site als vervoersknooppunt en als gebied waar economische (microbrouwerij, voedingspool) en culturele functies (diversiteitsmuseum, Arabisch cultureel centrum of concertzaal) kunnen neerstrijken, nog meer te benadrukken om deze site zo een brede uitstraling te geven; Overwegende dat de Regering eraan herinnert dat de keuze van kwadranten voortvloeit uit het feit dat de site momenteel wordt gestructureerd door de spoorweglijn L28 die van zuid naar noord door de site loopt en de loopbrug Beekkant die de site van oost naar west doorkruist; Dat deze keuze helpt om duidelijk de voor de groene ruimte voorbehouden zones af te bakenen (noordoostelijk kwadrant voor een park dat bijzonder toegankelijk is voor de omliggende wijken en noordwestelijk kwadrant voor een 'ruimte voor biodiversiteit', die beperkt wordt door zijn geringe breedte en het feit dat het ingesloten ligt tussen het spoorwegennet) en de kwadranten die verder moeten worden verstedelijkt (het zuidwestelijke kwadrant, waar er een aanzienlijk schoolproject voor de spoorwegberoepen wordt gerealiseerd, is eerder gewijd aan opleiding en tewerkstelling, terwijl in het zuidoostelijke kwadrant de ontwikkeling van een gemengde, dichte en duurzame wijk voorzien is); Dat de in 2015 door het ATO uitgevoerde definitiestudie beschikbaar is op de site die voorzien is voor het RPA Weststation en dat een samenvatting van de diagnose terug te vinden is in het informatieve luik van het RPA; dat het geen zin heeft om het informatieve luik van het plan onnodig zwaar te maken, dat in geen geval deel uitmaakt van het strategische luik; Overwegende dat het RPA over de kwestie van de inschrijving van het RPA op grootstedelijk niveau al tal van uitweidingen bevat; Dat het strategische luik van het ontwerp van RPA Weststation is opgebouwd rond 5 polen waarvan er een specifiek in het teken staat van de kwesties van verankering van de site op grootstedelijk niveau (Hoofdstuk B. Stations-bestemmingen, pagina's 24-35); Dat gezien het belang van de openbaarvervoerknooppunten op de site wordt voorgesteld om de stations om te vormen tot 'stations-bestemmingen' of, met andere woorden, aan deze transporthaltes een omgeving te creëren die aansluit bij hun belang op verkeersvlak; Dat het de bedoeling is ze te verankeren in de stad door ze te combineren met aantrekkelijke programma's, openbare ruimten of hoogwaardige landschappen en dit volledig onafhankelijk van het eventuele toekomstige gebruik van de lijn als mogelijk alternatief voor de Noord-Zuidverbinding; Dat het plan geenszins de ontwikkeling van de frequentie op de lijn belet, noch de ontwikkeling op termijn van een 3e en 4e spoorweg dankzij de uitbreiding van de spoorwegzone voor metro-opslag uitsluit; Dat de gekozen stedenbouwkundige vorm (balkon) en de andere in het strategische luik voorziene akoestische maatregelen volstaan om de huidige en eventueel toekomstige geluidshinder als gevolg van een intensiever gebruik van de lijn op te vangen; Dat er wordt voorgesteld om aan het Weststation een ruim voorplein aan te leggen dat in het noorden uitgeeft op het spoorweglandschap, gezien het smalle zuidelijke voorplein, en zo alle nieuwe geplande openbare ruimten met elkaar te verbinden; Dat er op de hoek van het station, aan de Ninoofsesteenweg, een programma is voorzien voor een openbare voorziening die een grootstedelijke uitstraling garandeert, als urban attractor kan dienstdoen en in interactie met de openbare ruimte treedt; Dat er een behandeling van de openbare ruimten voorzien is die is afgestemd op het grootstedelijke belang van het openbaarvervoernetwerk; Dat het voorplein van het station met de Vandenpeereboomstraat is verbonden via een plein omgeven door openbare programma's; Dat wat het Beekkantstation betreft, dit zou moeten worden uitgebreid, voorzien van een openbaar programma met voorzieningen, handelszaken en een grote fietsparking en omgeven door een ruimte die goede aansluitingen mogelijk maakt voor alle actieve vervoerswijzen en met de buslijnen; Dat de ruimte tussen het Weststation en het Beekkantstation trouwens wordt ingenomen door een voorziening van nationaal belang: het opleidingscentrum voor het personeel van de Belgische spoorwegen, Infrabel Academy; Dat het belang van de site op grootstedelijk niveau ook tot uiting komt in de aanleg van een fiets-voetpad langs de spoorweglijn L28 dat, op termijn, zou kunnen aansluiten op een traject dat het Bockstaelplein met het Zuidstation verbindt. Dit zou dus een grote zachte-mobiliteitsas zijn die het oosten van Brussel volledig doorkruist; Dat het ontwerp van RPA ook aansluit bij de reflectie opgestart door de studie 'Metropolitan Landscapes' en bij de doelstellingen om het groene netwerk uit te breiden door parken aan te leggen en een biodiversiteitsgebied verbonden, met name, met het Marie-Josépark en de groene ruimten van de Gasmeterzone;
  7. Algemene doelstellingen van het plan Overwegende dat verschillende instanties zich positief uitlaten over het behoud van de architecturale stijl en de typologie van de wijk, over de coherentie van het programma of over de ambitie om te verduidelijken hoe dit GGB 3 in het GBP moet worden omgezet in een stadsdeel dat in de omliggende wijken opgaat, op basis van de richtsnoeren die in de herfst van 2015 door de Regering zijn bepaald: de grote doelstellingen van dit RPA, de grote kwaliteit van de stedenbouwkundige studie en van het daaruit voortvloeiende richtplan van aanleg; Overwegende dat Leefmilieu Brussel vraagt om de details van de tijdens het RPA-proces ontwikkelde ideeën, schetsen en ambities eerder in het inleidende verslag op te nemen dan in het strategische luik; Overwegende dat de Regering eraan herinnert dat het uitwerkingsproces in detail in het MER wordt beschreven en dat het het resultaat is van het uitwerkingsproces dat in het strategische en reglementaire luik van het plan terug te vinden is; Dat het informatieve luik slechts een beperkt deel van de relevante informatie bevat waarmee bij de uitwerking van het strategische en reglementaire luik is rekening gehouden; Overwegende dat de KCML zich positief uitlaat over de coherentie van de programmering, maar ze het betreurt dat de programmering meermaals de grote voornemens op het vlak van de zeer uitvoerige uitwerking van het reglementaire luik en bepaalde beschrijvingen van het strategische luik niet inlost; Overwegende dat de Regering eraan herinnert dat het RPA, zoals in het MER is uiteengezet, op strategisch niveau is uitgevoerd en dat het zich, zoals het BWRO bepaalt, beperkt tot de 'grote principes van de inrichting' (in tegenstelling tot de BBP's die veel gedetailleerder kunnen zijn); Dat het reglementaire luik zo is opgesteld dat er bij de inrichting, vooral van het Kwadrant Wijk, een grote flexibiliteit mogelijk is; Dat het doel is om een coherente visie voor een stedelijk project te bepalen en te omkaderen; Dat het reglementaire luik de nodige krijtlijnen bepaalt; Dat dit luik wordt aangevuld door het strategische luik dat bijkomende informatie geeft; Dat het niet wenselijk is om de programmering verder vast te leggen, zodat de exploitanten die het plan zullen uitvoeren over bewegingsruimte beschikken en zodat ze aan de noden van het moment kunnen tegemoetkomen en eventuele opportuniteiten kunnen grijpen, en ook zodat de gebouwen in de loop van de tijd kunnen evolueren (volgens het in het plan vermelde principe van omkeerbaarheid), binnen de door het plan vastgestelde grenzen en krijtlijnen;
  8. Perimeter van het plan en integratie van een reflectie die de grenzen van het RPA overschrijdt Overwegende dat een reclamant aanbeveelt om: - de conclusies te onderzoeken van de studie naar de ruimtelijke en programmatorische mogelijkheden van Brasserie Vandenheuvel en om op basis daarvan te beoordelen of het opportuun is om deze site in de perimeter van het RPA op te nemen zodat daarin de programma's kunnen worden ontwikkeld die niet compatibel met het gemengde gebied zouden zijn; - aan te tonen dat er geen reden is om de perimeter van het ontwerp van RPA aan te passen en het aangrenzende gebied met sociale woningen in het plan op te nemen, en om zo nodig de strategische en reglementaire aspecten in die zin aan te passen; Overwegende dat de gemeente Molenbeek aanbeveelt om de perimeter opnieuw te preciseren en er zo de Vandenpeereboomstraat (van gevel tot gevel) in op te nemen; Overwegende dat de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie het verzoek van de gemeente Molenbeek onderschrijft en vraagt dat de band met de Vandenpeereboomstraat verduidelijkt wordt; Dat het Weststation een reëel potentieel bezit als knooppunt op grootstedelijk niveau, gezien zijn uitstekende bediening door zowel de trein als de metro; Dat de Commissie van mening is dat dit potentieel in het RPA nog beter kan worden benut door middel van een reflectie voorbij de vastgelegde grenzen; Dat het er niet zozeer om gaat dat de perimeter van het RPA wordt uitgebreid, maar dat er binnen een perimeter van observatie en analyse rekening wordt gehouden met de projecten in omliggende wijken om een algemeen beeld te krijgen van deze toekomstige interventies, zodat het RPA kan bepalen welke richting er moet worden uitgegaan opdat deze projecten zich in samenhang met het RPA zouden ontwikkelen; Dat de Commissie voorstelt om de kwestie van de verbindingen, assen en wegen met de wijk verder te ontwikkelen teneinde een stedelijkheid met de omliggende wijken te kunnen ontwikkelen; Dat de Commissie bovendien van mening is dat bij de bepaling van de locatie van de inkomdeuren van het station de verschillende omliggende wijken moeten worden bediend; Dat ze zich vragen stelt over de toekomst van de opslagplaats van Delhaize, van de Vandepeereboomstraat en van de busstelplaats; Dat de Commissie na de recente aankondiging van het bedrijf Delhaize om de huidige gebouwen te verlaten van mening is dat deze gebouwen kunnen worden opgenomen in de algemene reflectie over de toekomst van deze site; Dat ze nota neemt van het feit dat deze site het voorwerp uitmaakt van een stedenbouwkundige studie naar verschillende programmeringsscenario's die gezamenlijk door perspective.brussels en citydev.brussels wordt uitgevoerd en begin 2020 zou moeten aanvangen, en dat deze site tot een door de Regering aangenomen voorkoopperimeter behoort; Dat ze zich ook vragen stelt bij de stelplaats van de MIVB (Jacques Brel) die zich op 50 m van de site bevindt en dat ze zich afvraagt of het zin heeft om in deze zone, die een van de grootste multimodale polen (station Brussel-West + Weststation) van het Gewest is, een grote parking/stelplaats voor bussen te hebben: dit terrein zou verstandiger kunnen worden ingezet voor functies die de nabijheid van multimodale toegangspunten vereisen; Dat de Commissie van mening is dat het RPA de stelplaats in zijn reflectie zou kunnen opnemen; Overwegende dat de Regering voorziet dat het reglementaire luik van het RPA zich op het GGB richt omdat de bestemmingen die zijn bepaald door het in het GBP vastgestelde GGB-programma prioritair verdeeld moeten worden binnen de zone; Dat er aangaande de kwestie van de verbanden tussen het plan en de omliggende openbare ruimten hierboven al is uiteengezet dat een grootstedelijke dimensie werd nagestreefd door openbare ruimten in te richten die aansluiten op de openbaarvervoerknooppunten en door de inschrijving van een fiets- en voetgangerspromenade in een verkeersas die een groot deel van het Gewest doorkruist (Lijn 28); Dat de openbare ruimten verbonden zijn met de bestaande stedelijke structuur; Dat bovendien: - de oversteekplaatsen tussen de toekomstige blokken van het Kwadrant Wijk de fiets- en voetgangerspromenade L28 met de Vandenpeereboomstraat verbinden in de as van de bestaande wegen; - de hoofdingang van het toekomstige park op het kruispunt met het Westplein ligt; - de geplande inrichting van het Beekkantplein rekening houdt met de doorstroming van het verkeer tussen de diverse groene ruimten; Dat er tijdens de reflectie en/of studie rekening is gehouden met naburige projecten; dat deze niet van die aard zijn dat ze de opties van het plan in vraag stellen, noch dat ze een uitbreiding van de perimeter van het plan rechtvaardigen; Dat de Delhaize-site bijgevolg het voorwerp uitmaakte van een stedenbouwkundige studie die door perspective.brussels en citydev.brussels samen is uitgevoerd en op 21 april 2020 werd beëindigd; Dat er verschillende programmeringsscenario's werden uitgewerkt en dat citydev.brussels de Delhaize-site heeft gekocht; Dat het in OGSO gelegen blok van een kleine 4 ha moet worden ontwikkeld in overeenstemming met voorschrift 9bis.4 van het GBP (projecten van meer dan 10.000 m2); Dat het deel van de Delhaize-site dat aan de andere kant van de Osseghemstraat gelegen is, zal moeten voldoen aan de voorschriften van het GBP voor sterk gemengde gebieden, voorschriften die deze herontwikkeling perfect kunnen kaderen; Dat er wat de MIVB-stelplaats 'Jacques Brel' betreft, op 20 oktober 2020 een stedenbouwkundige vergunning werd afgeleverd voor de bouw van een tijdelijke metrostelplaats langs lijn 28 (10 jaar); Dat het belangrijkste deel zich op de site van het Weststation bevindt, maar dat er op de site 'Jacques Brel' ook enkele kleine aanpassingen buiten het plan nodig zijn (verbinding van metrostelplaats met de stelplaats Jacques Brel), die een uitbreiding van de perimeter van het plan echter niet rechtvaardigen; Dat de site 'Jacques Brel' een operationele infrastructuur is die op korte termijn geen grootschalige werken nodig heeft, maar dat het interessant zou zijn om na te denken over een betere stedelijke integratie van deze grote infrastructuur in een dicht weefsel; Dat deze uitdaging op het vlak van ligging en tijdelijkheid niet aan bod komt in het RPA Weststation; Dat het tot slot eenvoudiger is om het programma voor de brouwerij dat nog niet vastligt, op basis van de mogelijkheden die door het GBP voor dit gebouw worden toegelaten te ontwikkelen dan deze mogelijkheden in het plan te willen vastleggen; Overwegende dat de Regering het ook niet nuttig acht om het reglementaire luik van het plan naar aangrenzende sociale woningen uit te breiden, maar dat het strategische luik van het plan met name voorziet in de aanleg van verbindingen tussen de kwadrant Campus en het Marie-Josépark, via te renoveren sociale woningen, met meerdere implicaties die erin worden toegelicht (open ruimten onderaan de woonblokken, afbraak of verplaatsing van garageboxen, activering van open ruimten); Dat het strategische luik over het algemeen ook de omgeving omvat en richtsnoeren vastlegt, zoals de vergroening en de inrichting van de openbare ruimten, die hoofdzakelijk op de Vandepeereboomstraat betrekking hebben, zonder dat daarvoor het reglementaire luik moet worden uitgebreid; 4.Woningen 4.1 Sociale woningen en gemengdheid Overwegende dat de Economische en Sociale Raad en de Milieuraad uitdrukkelijk vragen om het voor sociale woningen voorziene aandeel te voorzien en te bepalen; Dat de gemeente Molenbeek aanbeveelt om minstens 20% van het totale aantal nieuw te bouwen woningen voor nieuwe sociale woningen te voorzien; Dat een reclamant vraagt dat 100% van de woningen die op openbaar terrein worden gebouwd openbaar zijn en dat op 100% openbare woningen 60% sociaal is; Dat anderen vragen dat alle op de site voorziene woonoppervlakken voor sociale woningen worden voorbehouden met het oog op een duurzaam en democratisch beheer van deze gronden op lange termijn en dat de CLTB wordt betrokken bij de verwezenlijking van de woningen; Dat een reclamant vraagt om de sociale gemengdheid van de wijk te handhaven; Overwegende dat de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie kennisneemt van het feit dat het RPA voorziet in 80% openbare woningen en 20% privéwoningen; Dat ze de vraag naar sociale woningen ondersteunt; Overwegende dat de Regering eraan herinnert dat het GPDO vermeldt dat het de bedoeling is om van 80% van de in de zone te creëren woningen openbare woningen te maken (ofwel ongeveer 360 openbare woningen), die in de kwadrant Wijk zouden kunnen worden verwezenlijkt; Dat er, gezien enerzijds de aanzienlijke gewestelijke behoeften op het vlak van de creatie van sociale en middenklassewoningen en anderzijds de reeds zeer sterke aanwezigheid van sociale woningen in de onmiddellijke omgeving van de site, wordt overwogen om veel openbare woningen te voorzien (het GPDO beveelt 360 openbare woningen aan) met daarbij meer koopwoningen in de middenklasse zodat de bewoners van sociale woningen die de sociale ladder opklimmen in de wijk blijven; Dat in andere gewestelijke sites in zones waar veel minder sociale woningen liggen er meer zouden kunnen worden gebouwd om een grotere sociale mix te creëren in het hele Gewest; Dat deze reflectie idealiter op regionale schaal plaatsvindt om de doelstellingen van de gewestelijke beleidsverklaring inzake de bouw van sociale woningen te kunnen verwezenlijken; Dat door de inlassing van bijkomende werkzaamheden de sociale en middenklassewoningen beter zouden kunnen worden verdeeld over de zone van het Weststation en omgeving terwijl de bestaande sociale woningen worden gerenoveerd en beter aangepast aan de behoeften; Dat een gewestelijke openbare exploitant, namelijk Citydev, belast is met de uitvoering van het plan; Dat de reflectie over de beste verdeling voor de site van het Weststation (sociale woningen, bescheiden of middelgroot en om te kopen of huren) buiten het RPA kan worden voortgezet, in overeenstemming met de doelstellingen van het GewOP en rekening houdend met verschillende factoren die in dit stadium nog niet volledig vaststaan (behoeften, sociaal-economisch evenwicht, financiële haalbaarheid, aanwezigheid van openbare woningen in de omgeving van de site en de staat van deze woningen, verdeling op gewestelijk niveau, ...); Dat het bijgevolg niet wenselijk is om deze elementen strikt genomen in het RPA te preciseren; 4.2 Soorten huisvesting en omkeerbaarheid Overwegende dat de GMC vraagt om aangepaste woningen voor personen met beperkte mobiliteit te voorzien; Overwegende dat een reclamant vraagt dat het RPA oplossingen voorstelt voor de huidige overbezetting van een deel van de sociale woningen in de wijk en pleit voor ruime sociale woningen zodat er aan de vastgestelde behoeften kan worden tegemoetgekomen en zodat mobiliteitsproblemen kunnen worden beperkt; Dat een reclamant vraagt om de derde leeftijd niet te vergeten; Overwegende dat de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie vaststelt dat het woonmodel aan het veranderen is, vraagt welk type van sociale huisvesting er wordt beoogd en voorstelt om een deel voor te behouden voor nieuwe woonvormen (bv. cohousing); Overwegende dat de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie verzoekt om een denkoefening te verrichten over de omkeerbaarheid van de woningen en om de nodige regels te specificeren voor de eventuele conversie van traditionele woningen naar andere vormen van huisvesting; Overwegende dat de op de site te ontwikkelen typologie van woningen (PBM, grootte, cohousing, ...) niet onder het RPA valt, dat de algemene territoriale ontwikkeling van de site plant (bestemmingen, bouwprofielen, erfgoed, ...), maar onder de latere procedures en vergunningsaanvragen die respectievelijk door de projectleiders worden uitgevoerd en ingediend; Dat de kwestie van de omkeerbaarheid van de bestemming van gebouwen in het strategische luik wordt behandeld, waarbij het niet nuttig wordt geacht om dit in het reglementaire luik te verduidelijken; 4.3 Uitvoering en operationele nota Overwegende dat de gemeente Molenbeek vraagt om de sociale woningen gelijktijdig met of vóór de andere woningen te bouwen; Overwegende dat reclamanten wensen dat de grond van de volledige site openbaar eigendom blijft, in tegenstelling tot de site van Tour & Taxis; Dat voor alle woningen die op het terrein worden gebouwd reële rechten worden gebruikt om de eigendom van het terrein te scheiden van de eigendom van het gebouw, ongeacht de exploitant (openbaar, gemeenschappelijk of privaat); Overwegende dat reclamanten vragen dat er mechanismen worden ingevoerd om dit niet-speculatieve bezit op lange termijn te garanderen; Dat er voor alle op het terrein gebouwde woningen anti-speculatieve voorwaarden gelden, zodat de woningen altijd betaalbaar blijven voor het oorspronkelijke doelpubliek; Overwegende dat de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie voorstelt om een operationeel luik uit te werken teneinde te verduidelijken hoe een dergelijke huisvesting in de praktijk kan worden ontwikkeld (aanwijzing van de exploitanten, een budget en een tijdschema); Dat ze ervan kennisneemt dat een operationele nota met daarin deze elementen momenteel door de MSI in samenwerking met de referent huisvesting wordt opgesteld; Overwegende dat ze vraagt om na te denken over de formules die het mogelijk maken om de grond openbare eigendom te laten blijven: bijvoorbeeld door een opsplitsing van de zakelijke rechten tussen eigendom van de bebouwing en van de grond (erfpacht); Dat de Commissie, indien het terrein niet openbaar zou zijn, voorstelt om de bedoelingen op het vlak van type huisvesting en het wenselijke aandeel sociale woningen in een reglementair document uiteen te zetten; Overwegende dat de Regering eraan herinnert dat de operationele nota's een belangrijk element zijn voor de tenuitvoerlegging van de RPA's, maar dat zij geen deel uitmaken van het dossier van het RPA; Dat het om extra evolutieve documenten gaat die afhankelijk zijn van met name het resultaat van bepaalde eigendomsoverdrachten in de loop van de onderhandeling teneinde het openbare beheer van een deel van de grond te verzekeren en/of afhankelijk zijn van openbare financiering; Dat het bovendien niet gerechtvaardigd is om de uitvoering van het plan complexer te maken door tussen sociale woningen en andere woningen een fasering in te voeren; Dat de uitvoering van het plan is toevertrouwd aan een openbare ontwikkelaar (Citydev); Dat het aandeel te realiseren sociale woningen wordt bepaald op basis van verschillende factoren die in dit stadium nog niet volledig vaststaan (gewestelijke verdeling, sociaal-economisch evenwicht, financiële haalbaarheid, ...); 5.Productieactiviteiten 5.1 Behoud van ruimten voor productieactiviteiten Overwegende dat de Milieuraad aanraadt om te bepalen welk percentage bestemmingen voor productieactiviteiten moet worden voorbehouden; Overwegende dat de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie het eens is met de Milieuraad en voorstelt om in het reglementaire luik van het RPA een percentage van de economische activiteiten te preciseren, dat voor deze site gereserveerd moet worden ten opzichte van de woningen; Dat de productieactiviteiten en polyvalente ruimten moeten worden bevoorrecht; Overwegende dat de Regering eraan herinnert dat het RPA voorziet in een ontwikkeling van 90.000 m2 waarvan de helft bestemd moet zijn voor woningen en de andere helft voor andere activiteiten (productieactiviteiten, handelsactiviteiten, voorzieningen), zonder onderlinge quota; Dat er hoofdzakelijk voor handelszaken en kantoren oppervlaktebeperkingen per gebouw zijn vastgelegd, zodat hun ontwikkeling kan worden verwezenlijkt binnen aanvaardbare limieten in functie van de zone waar ze gelegen zijn; Dat het bijgevolg niet wenselijk is om in het plan precieze quota voor de verschillende functies vast te leggen; Dat vooral in de operationele fase de aansluiting bij de bestaande behoeften kan worden gezocht, met name dankzij de expertise van Citydev dat belast is met de tenuitvoerlegging van het RPA; Dat het ook toelaat om het plan met de evolutie van de noden aan te passen, zonder dat het definitief met een quota vastgezet is; 5.2 Behoud van sociaal-economische kenmerken van de wijk Overwegende dat de KCML vraagt om de ontplooiing van ondernemingen die het uitzicht van het 'historische Molenbeek' hebben bepaald, te herbevestigen en op te waarderen; Dat een reclamant aanbeveelt om aandacht te schenken aan de specifieke behoeften van ondernemingen en aan de beperkingen die zij in een dichte stedelijke omgeving kunnen creëren; Dat een reclamant zich afvraagt wat er voorzien is om werkgelegenheid te creëren; Overwegende dat de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie vraagt om rekening te houden met de sociaal-economische kenmerken van de omliggende wijk (hoge werkloosheid) en om activiteiten voor te stellen in lijn met de behoeften/vraag van de arbeidsmarkt; Dat de voorkeur moet worden gegeven aan productieactiviteiten die rekening houden met de werkloosheidscijfers en de lokale vraag op de arbeidsmarkt om het risico te vermijden dat er administratieve activiteiten worden aangetrokken waarvoor een goede toegankelijkheid vereist is; Dat ze van mening is dat het voor een succesvolle functionele mix noodzakelijk is om de sociale en culturele kenmerken van de bevolking in deze wijk te behouden; Dat het erom gaat een communautaire en plaatselijke economie om te vormen tot een stedelijke economie die ten goede komt aan de gehele plaatselijke en Brusselse bevolking; Overwegende dat de Regering eraan herinnert dat in het strategisch luik de ruimtelijke vorm van het kwadrant Wijk is ontworpen om plaats te kunnen bieden aan economische activiteiten van diverse aard, met in het bijzonder een mogelijkheid van dubbele hoogte aangepast voor de productieactiviteiten en bepaalde voorzieningen, bijvoorbeeld sportvoorzieningen en soorten kmo-werkplaatsen; Dat de keuze van de toegestane bestemmingen in de kwadranten Campus en Wijk toelaat om economische activiteiten te ontwikkelen die werk kunnen bieden aan de buurtbewoners en in zekere zin een verlengstuk vormt van het gemengd weefsel woning/onderneming in de bestaande wijken in het oosten; Dat voor het overige de kwesties van een ontwikkeling in lijn met de sociale en economische kenmerken, alsook de behoeften en vragen over de arbeidsmarkt in de operationele fase en niet in het plan worden behandeld, met dank aan de expertise van Citydev;
  9. Voorzieningen van collectief belang Overwegende dat de Economische en Sociale Raad vraagt om: a.de behoeften van de wijk op het gebied van collectieve diensten en voorzieningen te bepalen en om ermee rekening te houden bij de ontwikkeling van het RPA, teneinde het aanbod aan te passen aan de behoeften van zowel de wijk als van het toekomstige project dat op de site 'Weststation' zal worden ontwikkeld; b. een bepaald aantal m2 toe te wijzen voor activiteiten zoals een tewerkstellings- en opleidingspool en zo het bestaande aanbod via de 'Infrabel Academy' aan te vullen; Dat de Milieuraad aanbeveelt om onder de op de site geplande voorzieningen zeker scholen en crèches te voorzien; Dat de gemeente Molenbeek aanbeveelt om: - onder de openbare voorzieningen minstens een indoorspeelruimte voor de allerkleinsten en een jeugdhuis te voorzien; - erover te waken dat er voldoende openbare voorzieningen voor kinderopvang en onderwijs worden gebouwd; dat ze minstens één crèche en één school wenst te bouwen met een opvangcapaciteit die in lijn ligt met het aantal woningen; - conciërges op de site te voorzien zodat er sociale controle is en een lokaal voor de gemeentelijke preventiediensten in te richten; Dat een reclamant aanbeveelt dat het RPA prioritair voorziet in scholen en crèches en dat het RPA een kader voorziet voor de bouw van gemeenschappelijke ruimten en studielokalen die ter beschikking van de inwoners staan; Dat een andere reclamant aanbeveelt om geen huiswerkschool te voorzien omdat dit het gettokarakter kan versterken; Dat nog een andere reclamant vraagt om een stille, goed verlichte en verwarmde ruimte voor studenten te voorzien; Dat een reclamant vraagt om de derde leeftijd niet te vergeten; Overwegende dat de Economische en Sociale Raad en de gemeente Sint-Jans-Molenbeek vragen om collectieve voorzieningen (bv. crèches, scholen enz.) te ontwikkelen op hetzelfde moment dat of voordat de woningen worden gebouwd; Overwegende dat de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie het eens is met de reclamanten die vaststellen dat het RPA ondanks het alarmerende tekort aan opvanginfrastructuren voor kinderen en baby's deze kwestie niet aankaart; Dat bij de uitwerking van het RPA rekening moet worden gehouden met de behoeften aan collectieve diensten en voorzieningen van de wijk, zodat het aanbod aan deze behoeften kan worden aangepast; Dat de diensten gelijktijdig met of vóór de woningen moeten worden ontwikkeld (crèches, scholen, indoorspeelruimte voor de allerkleinsten, jeugdhuis); Dat de commissie bovendien vraagt om, gezien het aantal knelpuntberoepen, meer in het bijzonder een technische school te voorzien, die zou beantwoorden aan de mogelijke vraag van de aanwezige bevolking in de omliggende wijken; Dat ze daarnaast preciseert dat een station een platform is dat zich ontwikkelt en veel bezoekers ontvangt; Dat de voorzieningen dus met de toekomstige behoeften moeten rekening houden; Overwegende dat de Regering eraan herinnert dat de behoeften op het vlak van voorzieningen van de wijk legio zijn; Dat de in het RPA voorgestelde bestemmingen en stadsvormen het mogelijk maken om feestzalen, gemeenschappelijke en multifunctionele ruimten voor de inwoners, alsook scholen, crèches, sportinfrastructuren enz. te voorzien; Dat het niet wenselijk is om in het plan de verwezenlijking van bepaalde specifieke voorzieningen en/of een bepaald aantal m2 of een percentage van voorzieningen van deze of gene aard of in verhouding tot de productieactiviteiten op te leggen, aangezien enerzijds de verwezenlijking van voorzieningen afhangt van de verwerving van financiële steun die op dit moment nog niet gegarandeerd is en er anderzijds een zekere flexibiliteit moet worden gehandhaafd zodat er vóór de uitvoering van het plan nog aan andere behoeften kan worden tegemoetgekomen; Dat de mogelijkheden van productieactiviteiten ook beter niet worden ingeperkt door oppervlakten voor te behouden voor voorzieningen die misschien niet gerealiseerd worden. Omgekeerd is het niet aangewezen om de realisatie te verhinderen van voorzieningen die grote oppervlakten vereisen door te veel ruimten te voorzien voor de productieactiviteiten; Dat het niet wenselijk is om de uitvoering van het plan onnodig complex te maken door vereisten inzake de voorafgaande of gelijktijdige realisatie van voorzieningen ten opzichte van de realisatie van woningen; Dat er in dit opzicht een zekere flexibiliteit moet worden gehandhaafd;
  10. Geplande dichtheid Overwegende dat Leefmilieu Brussel vraagt om de dichtheid van nieuwe woningen in de perimeter van het RPA op redelijke wijze en in lijn met het aanbod aan groene ruimten te beperken;Dat een reclamant betreurt dat uit de onder het publiek verspreide plannen het aantal voorziene woningen niet kan worden afgeleid, maar dat de meegedeelde cijfers bovendien te hoog zijn, gezien de huidige dichtheid (het programma zou zich kunnen beperken tot een grote natuurlijke ruimte met een fietspad, productieactiviteiten en een school); Overwegende dat Leefmilieu Brussel vraagt dat het RPA rekening houdt met het risico van een té sterke dichtheid, zoals blijkt uit het MER, die het gevolg is van het ontbreken van beperkingen die nodig zijn om de in het RPA bepaalde optimale vorm te behouden en die tot aanzienlijke negatieve externaliteiten (overschrijding van de doelstelling van 90.000 m2 vloeroppervlakte, verlies aan kwaliteit van de woningen, slechte stadsintegratie in het bouwkader, kwaliteitsverlies van de promenade L28) zou kunnen leiden; Dat het aanbeveelt de dichtheid te verlagen om zo de groene ruimten in de twee noordelijke kwadranten te behouden; Dat het met name vraagt om de vloeroppervlakten voor de sokkel van de 'verhoogde promenade' in het kwadrant Wijk te verrekenen in de totale bebouwbare oppervlakte van maximaal 90.000 m2, omdat het om een maximale bouwdichtheid gaat; Dat het vraagt om te onderzoeken welke opportuniteit het aangekondigde vertrek van het bedrijf Delhaize van de historische site aan de Osseghemstraat, binnen de perimeter, kan bieden en in het bijzonder hoe dit kan helpen om het (zeer volle) programma van het RPA te verlichten, de geluidshinder voor de toekomstige woningen te beperken en de integriteit van de twee kwadranten in het noorden werkelijk in stand te houden, meer in het bijzonder van het 'noordwestelijke' kwadrant, genaamd 'ruimte gewijd aan de biodiversiteit', waar heel veel gebieden voor voorzieningen, administratieve activiteiten en huisvesting bijeen liggen; Overwegende dat een reclamant vraagt om niet horizontaal te bouwen om de onbebouwde oppervlakte in stand te houden; Overwegende dat een reclamant de té sterke dichtheid betreurt, net als het feit dat de toename van de dichtheid een negatieve impact op de mobiliteit zal hebben; Overwegende dat de Regering wenst te benadrukken dat de oorspronkelijke schatting van het bouwpotentieel, zoals dit in een eerste richtschema werd bepaald, met de helft is gezakt in het planontwerp bij de bepaling van de gewenste stadsvorm, rekening houdend met de beperkingen van de bestaande context, als gevolg van de definitiestudie van het ATO in 2015; Dat de recente demografische verwachtingen voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wijzen op een toename van de Brusselse bevolking op middellange en lange termijn; Dat het noodzakelijk is om bouwgrond te mobiliseren en een antwoord te bieden aan de huidige en toekomstige behoeften op het gebied van huisvesting, voorzieningen en aanverwante diensten, maar ook op het gebied van economische activiteit; Dat in Brussel meerdere studies en verklaringen van de Regering hebben uitgewezen dat de behoefte bestaat om de stedelijke structuur te verdichten, om een polycentrisch gewest te creëren dat de levenskwaliteit verzekert; Dat de in het ontwerp van RPA voorgestelde dichtheid het toelaat om, binnen de perken van een redelijke stadsvorm waarbij de bouwhoogten zijn beperkt tot een gemiddelde van de bestaande bouwhoogten in de omgeving en waarbij grote groene ruimten behouden blijven, deels tegemoet te komen aan de enorme behoeften aan openbare voorzieningen, huisvesting en economische activiteiten; Dat de effectenbeoordeling heeft kunnen aantonen dat de milieu-effecten van deze dichtheid beperkt zijn, in het bijzonder op het vlak van mobiliteit; Dat het ontwerp stedelijke uitbreiding vermijdt en toelaat om grote delen voor groene ruimten voor te behouden door de nieuwe ontwikkelingen in twee van de vier kwadranten te concentreren; Dat de reconversie van de Delhaize-site, die het voorwerp uitmaakte van een stedenbouwkundige studie die op 21 april 2020 is afgerond en die wordt beschouwd als een reconversie uit hoofde van artikel 9.bis.4 van het GBP, geen invloed zal hebben op de opties van het plan, omdat ze slechts tegemoetkomt aan een deel van de behoeften inzake huisvesting, voorzieningen en productieactiviteiten, en op redelijke wijze rekening houdt met de dichtheid; Dat er bijgevolg geen reden is om de dichtheid van het ontwerp te verminderen; Dat het om redenen die bij de opvolging van de aanbevelingen van het MER naar voren zijn gekomen en die erop gericht zijn een zekere flexibiliteit in de uitvoering van het plan te behouden, zonder daardoor de uitvoering van het programma al te zeer te beteugelen, niet nodig wordt geacht om in het reglementaire luik nog dwingendere regels inzake hoogte, diepte enz. te voorzien, aangezien uit het onderzoek van aanvragen voor een stedenbouwkundige vergunning blijkt dat de principes voor de inrichting in het strategische luik een toereikende waarborg lijken te zijn; Dat voor het overige de vloeroppervlakten van de sokkel van het kwadrant Wijk volgens de definities inzake vloeroppervlakten van het GBP zullen worden verrekend, op het ogenblik van de aflevering van de stedenbouwkundige vergunning en in functie van de voorziene bestemmingen;
  11. Interactie met het industrieel patrimonium en aanvraag van aanvullende studies Overwegende dat de KCML het betreurt dat er bij de samenstelling van het dossier van het RPA geen grondige historische en gezondheidsstudies zijn uitgevoerd naar getuigen van de industriële activiteit op de site (steenkoolhal, Delhaizehal) en vraagt om aanvullende studies uit te voeren om na te gaan op welke verschillende manieren het erfgoed van de 'Delhaizehallen' kan worden omgebouwd, waarbij het volledig in zijn waarde wordt gelaten (materialiteit en verleden van de site) met het oog op integratie in het programma en duurzame ontwikkeling (hergebruik), en om het industriële verleden te heractiveren door de resten van de nog aanwezige spoorwegen te bewaren en/of op te waarderen omdat ze elementen van klein erfgoed zijn die verwijzen naar het verband tussen het braakliggende terrein en de Delhaize-site; Dat een reclamant vraagt om de bunkers te behouden die zich nog op de site bevinden en om de nog aanwezige spoorwegrails op de site te benadrukken; Overwegende dat de Regering verduidelijkt dat er voor elke interventie op de site een grondigere studie nodig is van de te beschermen erfgoedelementen; Dat het programma van het RPA geen afbreuk doet aan de mogelijkheid om de elementen van het industriële erfgoed op te waarderen; Dat het strategische luik van het plan deze opwaardering bovendien aanbeveelt; Dat deze kwestie moet worden onderzocht tijdens de uitvoeringsprojecten; Dat urban.brussels is gevraagd naar het vermoedelijke bestaan van bunkers maar dat er geen informatie is gevonden die de aanwezigheid van deze bunkers bevestigt;
  12. Formulering en leesbaarheid van het RPA Overwegende dat Leefmilieu Brussel vraagt dat de formuleringen van het RPA eenvoudiger zouden zijn en aangepast aan een niveau van territoriale programmering; Dat een reclamant vraagt om geen jargon, 'verzonnen' termen en bijzondere uitdrukkingen te gebruiken zonder ze op voorhand uitdrukkelijk uit te leggen en om onvolledige passages te vervolledigen (bv. bepaalde alinea's op pagina's 64, 70 en 78 bevatten enkel sleutelwoorden); Overwegende dat een reclamant van mening is dat de schema's in het RPA moeilijk leesbaar zijn voor de inwoners en de inschatting van de gevolgen van de gekozen richtingen bemoeilijken Overwegende dat de Regering verduidelijkt dat de tekst van het strategische luik aandachtig is herlezen en dat bepaalde minder duidelijke formuleringen zijn geschrapt of aangepast, zonder de inhoud van de voorstellen van het RPA echter te veranderen; Dat de schema's louter indicatief zijn gegeven, zoals aan het begin van het strategische luik wordt vermeld; Dat er aandacht is besteed aan een gevarieerd gebruik van soorten illustraties (foto's van de maquette, plannen, schema's, doorsneden, fotomontages, ...) zodat elk type lezer de richtingen van het RPA beter kan visualiseren; B. STRATEGISCH LUIK c. De site openen van binnenuit Overwegende dat een reclamant zich vragen stelt bij de globale visie van het project met betrekking tot de vier kwadranten en over de reden voor het openen van de site van 'binnenuit'; Overwegende dat de Regering van mening is dat er van een oorspronkelijke beperking wordt uitgegaan, namelijk de breuklijn die op de site door de spoorinfrastructuur wordt gevormd, teneinde de ontwikkeling van de site te structureren; Dat de kwadranten worden afgebakend door twee ontwikkelingen in lijn met deze breuklijn, namelijk de fietsers- en voetgangerspromenade langs de spoorweg in de Noord-Zuidas, en de nieuwe Beekkant-voetgangersbrug in de Oost-Westas; Dat de globale visie leidt tot evenwicht en complementariteit in de dominante functies van de verschillende kwadranten; Dat deze visie door een snelle ontwikkeling van het hart van de site deel zal uitmaken van de imagoverandering van het braakliggende terrein van het Weststation en zal bijdragen tot een herontdekking van het spoorweglandschap; Fietsers- en voetgangerspromenade L28 Overwegende dat de gemeente Sint-Jans-Molenbeek vraagt om de continuïteit van de fietsers- en voetgangerspromenade buiten de site, aan beide kanten van het huidige braakliggende terrein van het Weststation, te verzekeren; Dat een reclamant vraagt om het in het milieueffectenrapport bestudeerde alternatief te kiezen, dat de fietsers- en voetgangerspromenade op grondniveau laat lopen aan de kant van de Vandenpeereboomstraat, en in dit geval, waar de promenade niet als 'balkon' is ontworpen, zou het volstaan om de zo dicht mogelijk bij de assen/rails te plaatsen geluidswerende muren te verhogen (het MER vermeldt dat deze muren sowieso nodig zijn, zelfs bij een verhoogde promenade); Dat een reclamant het als positief benadrukt dat de fietsas 28 in het project is opgenomen, aangezien de fiets een antwoord biedt op de vele mobiliteitsuitdagingen als gevolg van de demografische groei; Dat een reclamant vraagt om een rechtstreekse verbinding te realiseren tussen de fietsroute L28 die over de sokkel van de gebouwen aan de Vandenpeereboomstraat loopt en de voetgangersbrug; Overwegende dat de Regering bevestigt dat het wel degelijk de bedoeling van het RPA is om de fietsers- en voetgangersverbinding L28 op te nemen in een regionale continuïteit van de Tour & Taxis-site tot aan het Zuidstation; Dat deze continuïteit bovendien het onderwerp is van een haalbaarheidsstudie die momenteel door Beliris wordt uitgevoerd; Dat het ontwerp van RPA voorziet in tal van verbindingen tussen dit fiets- en voetpad en de omliggende openbare ruimten, en met name de Beekkant-voetgangersbrug en de Vandenpeereboomstraat; Dat er in de Vandenpeereboomstraat een tweerichtingsfietspad is voorzien, maar dat het niet wenselijk is om het fiets- en voetpad rechts van het kwadrant Wijk en het kwadrant Geactiveerd Park te verwijderen; Dat dit pad zich in het midden van de te ontwikkelen site bevindt; Dat het balkon voor fietsers toegankelijk moet zijn om het gebruik ervan te versterken; Dat via dit pad de Beekkant-voetgangersbrug door fietsers kan worden bereikt; Dat het ook de toegankelijkheid en het gebruik van het Geactiveerd Park versterkt; Dat het alternatief waarbij het fiets- en voetpad niet verhoogd op de sokkel van de kwadrant Wijk wordt geplaatst, in het MER werd beoordeeld; Dat dit alternatief om diverse redenen werd verworpen (insluiting van het pad tussen de omheining van de spoorweg en verhoogde bouwprofielen, zwakke landschappelijke kwaliteit, noodzaak om een helling te voorzien waarbij het grote hoogteverschil met de Ninoofsesteenweg moet worden opgelost, ...); Dat de andere klachten over programmatische aspecten in verband met de inrichting van de promenade in het kader van het kwadrant Wijk zijn behandeld; De voetgangersbruggen Overwegende dat de GMC vraagt om bij de inrichting de voorkeur te geven aan hellingen in plaats van liften zodat PBM's zich vlotter kunnen verplaatsen (permanente toegang, geen toegangscontrole, geen onderhoudsproblemen, sneller, en geschikt voor alle gebruikers); Dat de gemeente Sint-Jans-Molenbeek vraagt om infrastructuur voor overbrugging van de spoorweginrichtingen te voorzien zodat PBM's de site kunnen oversteken; Dat de GMC vraagt om de toegankelijkheid van de Beekkant-voetgangersbrug voor iedereen (voetgangers, fietsers, PBM's) te verzekeren, zonder dat er een lift voorzien is; Dat een reclamant vraagt om de conclusies van de studie 'hub Beekkant' in het RPA op te nemen, zodat kan worden bepaald of de 'Beekkant-voetgangersbrug' haalbaar is in het huidige kader van het ontwerp van RPA (strategisch en reglementair luik), en wat de gevolgen zijn voor de m2 bebouwbare oppervlakte van een nieuwe oversteekplaats in het zuiden en op het aantal m2 park als de nieuwe oversteekplaats meer naar het noorden zou worden geplaatst; Dat een reclamant zich afvraagt of het mogelijk is om tijdens de werkzaamheden aan de Beekkant-voetgangersbrug een tijdelijk fietspad aan te leggen zodat het braakliggende terrein met de fiets kan worden overgestoken; Dat de gemeente Molenbeek aanbeveelt om een zekere flexibiliteit te handhaven bij de plaatsing van de Beekkant-voetgangersbrug voor overbrugging van de spoorweginfrastructuur, met name wat betreft bewegingsvrijheid voor zover ze het Beekkantstation en het Westplein met elkaar verbindt; Dat een reclamant vraagt om de 'voetgangersbrug Park' op de as van de Groeninghestraat te laten uitkomen zodat de wegen van de door Victor Besme ontworpen 'ganzepoot' worden opgewaardeerd en het traject van de voetgangersbrug Park wordt vereenvoudigd en zo de toegankelijkheid voor PBM's wordt verzekerd; Dat de KCML aanbeveelt om de vorm van de door Victor Besme ontworpen ganzepoot te herwaarderen door een dynamische ruimte te creëren waar de voetgangersbrug Park op kan uitkomen en om bijgevolg de finaliteit en het eindpunt van de nieuwe voetgangersbrug Park zoals bepaald door het RPA te herzien; Overwegende dat de Regering eraan herinnert dat het RPA voorziet in nieuwe openbare doorgangen en drie nieuwe voetgangersbruggen; Dat het strategische luik meermaals de nadruk legt op de goede toegankelijkheid van de nieuwe openbare ruimten voor alle gebruikers; Dat het reglementaire luik bovendien oplegt dat minstens een van de drie openbare doorgangen en een van de drie voetgangersbruggen toegankelijk moet zijn voor zowel voetgangers, PBM's en fietsers; Dat deze verplichting niet als dusdanig wordt herhaald voor de andere openbare doorgangen en voetgangersbruggen omdat de aanleg van hellingen voor fietsers en/of PBM's veel ruimte inneemt op grondniveau waardoor de parkruimten kleiner worden; Dat het daarentegen wordt aangemoedigd om rekening te houden met de toegankelijkheid voor alle zachte mobiliteit; Dat de keuze om al dan niet liften te voorzien ruimtelijke en budgettaire beperkingen inhoudt die in het kader van het RPA niet in detail konden worden onderzocht; Dat het RPA zich bijgevolg houdt aan de algemene overwegingen in verband met de toegankelijkheid voor de diverse gebruikers; Dat er in verband met de Beekkant-voetgangersbrug uitdrukkelijk moet worden vermeld dat de locatie ervan louter indicatief is; Dat het gezien recente studies aannemelijk is dat de plaats nog zal verschuiven zodat de bestaande voetgangersbrug tijdens de werkzaamheden in gebruik kan blijven (het indicatieve luik vermeldt bovendien dat het braakliggende spoorwegterrein tijdens de werkzaamheden moet kunnen worden overgestoken); Dat deze aanpassing het eveneens mogelijk zou maken om in de sokkel van de voetgangersbrug uitrusting te voorzien (overeenkomstig het ontwerp van RPA), zodat er beter kan worden voldaan aan de behoeften aan uitrusting of zodat eventueel een deel van de open ruimte in het park kan worden vrijgemaakt zonder dat daarvoor de bouw van een overdekte openbare ruimte in het gedrang komt; Dat de nieuwe Beekkant-voetgangersbrug op verschillende manieren kan worden geplaatst zonder dat dit ten koste gaat van het programma van bestemmingen van de kwadrant Wijk of de ruimten in het park; Dat het tracé van de voetgangersbrug Park ook louter indicatief is gegeven, wat nog uitdrukkelijk moet worden verduidelijkt; Dat deze brug als eerste wordt gebouwd om het Westplein en het Beekkantplein door een nieuwe passage met elkaar te verbinden en zo het onderbrekende effect van de spoorweglijn te matigen, ongeacht de aard van het project dat rechts van de Steenkoolhal zal worden verwezenlijkt; Dat de inrichting van het park in samenwerking met de omwonenden moet worden ontworpen; Dat de plaats van de voetgangersbrug bij die gelegenheid kan worden onderzocht; Dat deze keuze hoofdzakelijk afhangt van het lot van de Steenkoolhal, dat ook moet worden bestudeerd bij de uitvoering van het plan; Dat het niet wenselijk is om de locatie van de voetgangersbrug en de hal op het plan vast te zetten; Overkapping van de spoorweg Overwegende dat een reclamant aanbeveelt om het idee van kleine en smalle voetgangersbruggen te vergeten en de voorkeur te geven aan brede en vrije toegangen in de openlucht, en om de spoorweg te overdekken met een grote esplanade die niet alleen de twee kanten maar ook de vier kwadranten onderling met elkaar verbindt; Dat hij zich afvraagt of een overdekking van de spoorweglijn mogelijk is; Overwegende dat de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie vaststelt dat er in het MER geen alternatieven voor overkapping van de spoorwegen om de geluidshinder te verminderen zijn onderzocht; Dat de constructies rond het station zo'n overkapping moeten kunnen dragen zonder dat er constructieve schade wordt veroorzaakt; Dat er diverse oplossingen kunnen worden gevonden (betonnen overkapping, deels lichte/groene structuur) die de site aantrekkelijker zouden maken en de woonomstandigheden zouden verbeteren; Dat ze tevens verwijst naar haar algemene opmerkingen over het RPA in verband met klimaatbestendigheid; Overwegende dat de Regering eraan herinnert dat het RPA aanbeveelt om doorgangen en voetgangersbruggen te realiseren die vlot verkeer voor alle zachte vervoerswijzen mogelijk maken; Dat het reglementaire luik vermeldt dat de doorgangen naar de Vandenpeereboomstraat minstens 10 m breed en het fiets- en voetpad L28 minstens 6 m breed moeten zijn, en dat het strategische luik vermeldt dat de Beekkant-voetgangersbrug minstens 6 m breed moet zijn; Dat de aanbevolen bouwvorm voor de site van het Weststation vertrekt vanuit het idee om dit bijzondere spoorweglandschap in zijn waarde te laten en tegelijk de impact van de geluidshinder ervan te beperken; Dat het RPA een beperkte overkapping van de spoorwegen aanbeveelt zodat er achteraan het Weststation een voorplein kan worden voorzien; Dat het gezien de technische en financiële beperkingen die een grotere overkapping van de spoorwegen inhoudt, noch haalbaar noch wenselijk is om een dergelijke oplossing op te leggen; Dat deze grotere overkapping bovendien het regenwaterbeheer bemoeilijkt omdat de bestaande infiltratiezones verdwijnen; Dat het om die redenen niet nuttig werd geacht om deze mogelijkheid als een van de alternatieven in het MER te onderzoeken; Vandenpeereboomstraat Overwegende dat er naast de eerder aangehaalde vraag om de straat in de perimeter van het plan op te nemen, verschillende reclamanten vragen om duidelijkheid te verschaffen over of te voorzien in het behoud van de bomenrij aan weerszijden van de Vandenpeereboomstraat; Dat de GMC vraagt om de haalbaarheid van een fietspad aan weerszijden van de Vandenpeereboomstraat te controleren; Dat de gemeente Molenbeek aanbeveelt om de zin 'aan weerszijden van de Vandenpeereboomstraat' ( § 2, blz. 18 van het RPA) te schrappen, zodat de plaats van het fietspad niet vastligt; Dat perspective.brussels vraagt om te garanderen dat het inplantingsproject van de fietspaden in de Vandenpeereboomstraat aangenaam fietsverkeer mogelijk maakt waarbij wordt voldaan aan de aanbevelingen van het fietsvademecum op middellange en lange termijn, en dat het voorstel de voorkeur geeft aan het behoud van de bestaande bomen en zich afspeelt in een ruimte van gevel tot gevel van 20 m 25; Dat een reclamant vraagt om bij de herinrichting van de Vandenpeereboomstraat de voorkeur te geven aan fietsers, voetgangers, de veiligheid van alle gebruikers en een trager autoverkeer; Overwegende dat de Regering van mening is dat het RPA niet in detail hoeft te treden over de herinrichting van de Vandenpeereboomstraat (snelheidsbeperkende inrichtingen, inrichting van de fietspaden, behoud of eventuele verplaatsing van de bomenrij, ...); Dat er om diezelfde reden wordt tegemoetgekomen aan de vraag om in dit stadium de plaats van het fietspad op de weg nog niet vast te leggen, zodat de projectontwerpers bij de uitvoering van het plan nog alle bewegingsvrijheid hebben; Dubois-Thornstraat Overwegende dat perspective.brussels vraagt om de opportuniteit te onderzoeken van een evolutie van het ontwerpplan ten gunste van een doorgang voor bussen in de Dubois-Thornstraat indien de positieve impact van deze evolutie op de openbare ruimte van het Beekkantplein en op de activering van de Dubois-Thornstraat bevestigd wordt; Dat de gemeente Sint-Jans-Molenbeek vraagt om het zachte en actieve karakter van de verlenging van de Dubois-Thornstraat te garanderen en hier overdag en 's avonds actieve functies te voorzien om onveilige zones te voorkomen; Dat een reclamant vraagt om de vermelding te schrappen van de verbinding tussen het braakland Dubois-Thorn en de groene ruimte omdat dit niet gerealiseerd kan worden gezien de huidige en toekomstige situatie; Overwegende dat de Regering opmerkt dat er een stedenbouwkundige vergunning werd afgeleverd voor de verlenging van de Dubois-Thornstraat in verband met de bouw van de Infrabel Academy en dat deze inrichting gerealiseerd werd; dat dit de doorgang mogelijk maakt voor vrachtwagens om de Infrabel Academy te bedienen en het verkeer van zachte vervoerswijzen toelaat; dat de MSI een studie heeft uitgevoerd voor de coördinatie van de diverse actoren die betrokken zijn bij de ontwikkeling van het Beekkantstation en de omgeving ervan in het kader van de tenuitvoerlegging van het ontwerp van RPA; dat deze studie tot de conclusie is gekomen dat de beste oplossing voor de ontwikkeling van deze multimodale pijler de aanleg is van een lus rond het station voor de doorgang van bussen, rekening houdend met de gewenste uitbreiding voor de integratie van een tweede nooduitgang ten zuiden van het station; dat, in het kader van deze studie, niet gekozen werd voor de doorgang van bussen in de verlengde Dubois-Thornstraat omdat dit conflicten zou veroorzaken met de andere gebruikers; dat de doorgang van de zachte vervoerswijzen in het verlengde van de Dubois-Thornstraat een prioriteit is; dat de logistieke bediening van de Infrabel Academy deze prioriteit van de zachte vervoerswijzen niet in het gedrang brengt omdat deze logistieke bediening slechts de doorgang van een beperkt aantal voertuigen vereist; Dat de Regering de geplande groene verbinding vanuit het park gecreëerd op het braakland naar het Marie-Josépark en het Gasmeterplein wenst te behouden; dat zelfs hoewel het RPA een woongebied voorziet langs de Dubois-Thornstraat, de omgeving van de gebouwen het algemeen voorschrift 0.3 moet naleven dat hier een vergroening voorziet en dat, op die manier, de groene verbinding naar de groene ruimtes van het Gasmeterplein versterkt wordt; Dat de bestemming van het gebied voor voorzieningen en productieactiviteiten Weststation, die naast productieactiviteiten ook handel en voorzieningen toelaat, zou moeten leiden tot de activering van actieve functies om zo onveilige zones te voorkomen; Parkeermogelijkheden Overwegende dat de Economische en Sociale Raad vraagt om rekening te houden met de vraag naar parkeermogelijkheden in de volledige wijk, niet enkel op de site van het plan, om de coëfficiënt van parkeerplaatsen/woningen te bepalen met aandacht voor deelauto's; Dat de GMC vraagt - om prioriteit te geven aan andere functies dan parking en aan te sluiten bij een langetermijnevolutie die de omkeerbaarheid en de reconversie van de parkeerplaatsen voorziet (bijvoorbeeld ondergrondse ruimten met een hogere plafondhoogte voor andere toepassingen, zoals leveringen of voorzieningen); - om te zorgen voor voldoende fietsparkeerplaatsen en dat niet alleen voor de woningen maar ook voor de bezoekers en de omwonenden; - om concrete maatregelen te plannen om het aanbod aan parkeermogelijkheden te beperken, rekening houdend met de goede bediening van het openbaar vervoer en ook om te anticiperen op de veranderende mobiliteitspraktijken, alsook op de beperking van het individueel gemotoriseerd vervoer; - om het gedeeld gebruik van de parkeermogelijkheden tussen functies te voorzien, waar het RPA geen concreet antwoord op geeft, maar om prioriteit te geven aan andere functies dan parking in de sokkel en aan te sluiten bij een langetermijnevolutie die de omkeerbaarheid en de reconversie van de parkeerplaatsen voorziet; - om voldoende parkeerplaatsen voor PBM's te voorzien; - om voldoende laadpalen voor elektrische wagens te voorzien; Dat een reclamant aanbeveelt: o om de app ontwikkeld door parking.brussels te gebruiken in het kader van de opvolging van de effecten van het RPA aan de hand van een indicator die de evolutie van de parkeersituatie in de straten van de wijk evalueert; o om elk voorstel te vermijden van een gedeeld gebruik van de parkeermogelijkheden tussen woningen en andere activiteiten of om dit in de mate van het mogelijke te beperken tussen de verschillende andere functies van de site en om de parkeerplaatsen voor de bewoners af te scheiden; o Om een aanbod van deelauto's op te nemen in de parkeermogelijkheden, gezien de ambitieuze verhoudingen van het aantal plaatsen per woning voorgesteld door het MER en de uitstekende bediening van de site; o Om, voor de fietsparkings, oog te hebben voor de coherentie van de verdeling van de parkeerbeugels op basis van de voorgestelde activiteiten op de site en dit met name om het wildparkeren ter hoogte van stadsmeubilair, poorten en hekken van gebouwen te voorkomen; o Om een voldoende groot en evolutief aanbod aan bovengrondse fietsparkeerplaatsen te voorzien (kort parkeren) om rekening te houden met het modale aandeel van de fiets in Brussel; o Om een aanbod aan fietsparkeerplaatsen voor langdurig parkeren te voorzien dat beantwoordt aan nauwkeurige normen inzake toegankelijkheid en comfort van de gebruikers; o Om voorzieningen toe te kennen voor de distributie met vrachtfietsen (bv. opslagplaats, eigen stalling, laad-/losruimte, enz.); o Om de verhouding voorgesteld door het MER (1,2 - 1,4 plaatsen per woning) bij te sturen bij de precieze uitwerking van het programma voor woningen en een verhouding van een parkeerplaats per slaapkamer te voorzien om aan te sluiten bij het voorstel van de nieuwe GSV die momenteel onderworpen wordt aan een openbaar onderzoek; - Vraagt: o Om kennis te nemen van het gemeentelijk parkeeractieplan van Molenbeek, om de kwesties van parkeermogelijkheden te verduidelijken in het RPA en om in het RPA, minstens, de aanbevelingen van het MER op te nemen op het vlak van verhoudingen van parkeerplaatsen per woning met betrekking tot motorvoertuigen en fietsen; o Om op de hoogte te worden gehouden van elke eventuele evolutie in het plan om in de Vandenpeereboomstraat parkeerplaatsen op de weg te schrappen om een fietspad te kunnen aanleggen door middel van een kennisgeving voorafgaand aan de werkzaamheden en vergezeld van elk plan om de definitief geschrapte plaatsen zo nauwkeurig mogelijk te kunnen identificeren, alsook de eventuele wijzigingen in de configuratie van de parkeerplaatsen; en verduidelijkt dat, bij een eventuele nood aan compensatie, de verschuiving van de geschrapte plaatsen naar de geplande parking binnen de perimeter van het RPA een te overwegen mogelijkheid zou kunnen zijn; o Om een coherente tariefbepaling voor te stellen, rekening houdend met de gehanteerde tarieven op de weg om het gebruik van de parking buiten de openbare weg aan te moedigen; - Betreurt: o Het gebrek aan integratie van voldoende nauwkeurige elementen om de kwestie van de parkeermogelijkheden voor omwonenden en bezoekers aan de site optimaal te kunnen behandelen, zowel in het strategische luik als in het reglementaire luik; Dat enkele reclamanten vragen om de oppervlakte van de parkings te beperken en deze aan te leggen onder de woningen en om indien nodig Engelse koeren aan te leggen voor de parkings; dat anderen van mening zijn dat het niet bouwen van de ondergrondse parkings de vastgoedinvesteringsgroepen helpt om geld te besparen bij de constructie; dat meerdere reclamanten vragen om een minimum aan infrastructuur te voorzien voor wagens en vrachtwagens en/of niet zo veel plaats vrij te maken voor parkeerplaatsen voor auto's; Overwegende dat de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie het eens is met de verzoeken van de GMC inzake fietsparkeerplaatsen; dat het aanbod voldoende groot en evolutief moet zijn om rekening te houden met de evolutie van het modale aandeel van de fiets in Brussel, zeker naast een station; Dat de Commissie de GMC onderschrijft bij haar verzoek om het aantal parkeerplaatsen te verminderen gezien de uitzonderlijke situatie van deze site die wordt bediend door 4 metrolijnen, om nog maar te zwijgen van de L28, het GEN en de andere openbaarvervoerslijnen; dat het van cruciaal belang is om de openbare ruimte niet open te stellen voor parkeergelegenheid als we de zachte mobiliteit willen bevorderen; dat dit het aantal auto's alleen maar zou doen toenemen; Dat ze voorstelt om de aanbevelingen uit het MER over te nemen met betrekking tot de parkeerplaatsratio's per woning voor motorvoertuigen en fietsen (0,7 plaatsen voor auto's en tussen 1,2 en 1,4 fietsparkeerplaatsen per woning); Overwegende dat de Regering verduidelijkt dat het RPA aanzet tot nieuwe gedragingen op het vlak van mobiliteit door de zachte vervoerswijzen te stimuleren, door de mogelijkheid te bieden om in de infrastructuur van de sokkel van het kwadrant Wijk een parking op te nemen die plaatsen kan bevatten voor deelauto's en door de nadruk te leggen op het gedeelde gebruik van de parkeerplaatsen voor alle geplande functies op de site; Dat de parkeerbehoeften zullen afhangen van de oppervlaktes die ingenomen worden door de verschillende functies, het aantal bedrijven dat zich zal vestigen in de zones voor productieactiviteiten, het type en de omvang van de openbare voorzieningen die gefinancierd kunnen worden, het type van gebouwde woningen; dat die dus erg zouden kunnen verschillen naargelang de manier waarop het plan ten uitvoer zal worden gebracht; dat, in elk geval, het strategische luik aanzet tot de beperking van het aantal parkeerplaatsen en het gedeelde gebruik ervan indien dat mogelijk is; Dat, voor het overige, het merendeel van de suggesties (uitvoering van het gedeeld gebruik van de parkings, toegang PBM's, laadpalen, tariefbepaling, deelauto's, fietsparkings, parkeerplaatsen vrachtfietsen ...) punten zijn die niet bekeken moeten worden op het niveau van het plan, rekening houdend met het algemene karakter ervan, maar op het niveau van de uitvoering ervan in het kader van de vergunningen; Dat, om de bovenvermelde redenen, de kwestie van het aantal parkings voor fietsen en wagens beschouwd moet worden in het kader van de vergunningen die onderzocht zullen worden in het licht, met name, van de aanbevelingen van het MER; dat er voor het overige ter zake normen (waaronder de GSV die momenteel herzien wordt) en richtlijnen (waaronder de richtlijn voorzien in het strategisch luik) bestaan die deze problematiek omkaderen; Dat er daarom beslist werd om geen normen vast te leggen in het reglementaire luik van het RPA; dat, in deze wijk die goed bediend wordt door het openbaar vervoer, het de bedoeling is om op termijn het aantal parkeerplaatsen voor voertuigen zo veel mogelijk te schrappen; dat het omkeerbare karakter van de inrichting van de sokkel toelaat om diverse oplossingen met en zonder parking te overwegen; Mobiliteit, logistiek en leveringen Algemeen Overwegende dat een reclamant vraagt om het vervoer toegankelijk te maken voor PBM's; Dat de Regering deze doelstelling deelt die niet wordt tegengesproken door het plan, maar het algemene karakter van het plan echter te buiten gaat; dat deze kwesties bekeken moeten worden als de projecten van het plan worden uitgevoerd; Actieve mobiliteit Overwegende dat de Economische en Sociale Raad op een positieve wijze de bereidheid benadrukt om de actieve mobiliteit op de site te bevorderen, gelet op de zeer goede bediening door het openbaar vervoer. Dat de GMC vraagt om de diverse fietsroutes met elkaar te verbinden in de nieuwe inrichting, om een evenwicht te vinden tussen de fietsinfrastructuur en de recreatieve functie van het park en om een minimumbreedte van 6 m te voorzien voor het fiets- en voetpad. Dat de GMC betreurt dat niet alle wegen van de site voor iedereen toegankelijk zijn (ouderen, PBM's ...) en vraagt om het principe van toegankelijkheid voor iedereen op te nemen in het reglementaire luik om de toekomstige architecturale plannen te omkaderen; Dat diverse reclamanten vragen om een toereikende breedte en voldoende toegangen te garanderen voor het fiets- en voetpad; Overwegende dat de Regering eraan herinnert dat het RPA Weststation beslist de ambitie heeft om de aansluitingen in elke zin te verbeteren voor de actieve vervoerswijzen; dat het dus een reeks nieuwe aansluitingen en inrichtingen van openbare ruimtes voorstelt, met name de heraanleg van de Vandenpeereboomstraat met fietspaden, de afbraak/heropbouw van de Beekkant-loopbrug, alsook de uitbreiding van het voorplein rond de stations om plaats te bieden aan alle actieve vervoerswijzen; dat er voor de fietsers- en voetgangerspromenade L28 plannen op grotere schaal overwegen worden met de ambitie om een verbinding te maken tussen de site van Thurn & Taxis en het Zuidstation langs de spoorlijn; Dat de strategische en reglementaire luiken reeds een hele reeks garanties bieden met betrekking tot de breedte van en de toegang tot het fiets- en voetpad en verbindingen tussen de fietsinfrastructuur en dat het plan reeds een afweging heeft gemaakt van het principe van het evenwicht tussen de recreatieve functie van het park en de fietsinfrastructuur zonder dat het wenselijk is om in details te treden, wat hoe dan ook het algemene karakter van het plan te buiten gaat, maar onder de uitvoering ervan valt; Dat wat de toegankelijkheid voor PBM's of ouderen betreft, het strategische luik, in meerdere punten, aandringt op de goede toegankelijkheid van de nieuwe openbare ruimtes voor alle actieve vervoerswijzen; dat de technische oplossingen om dit te bereiken, die het algemene karakter van het plan te buiten gaan, niet vooraf vastgelegd zouden mogen worden in het RPA, maar eerder moeten voortvloeien uit overleg tijdens de inrichtingsprojecten; dat om de redenen toegelicht tijdens het onderzoek van de bezwaren over de loopbruggen, het niet opportuun werd geacht dat elke loopbrug toegankelijk is voor PBM's en fietsers; Logistiek en leveringen Overwegende dat de Economische en Sociale Raad vraagt om leveringen aan de productieactiviteiten mogelijk te maken, met name ter hoogte van de productieve pleinen; dat de GMC vraagt om voldoende leveringsplaatsen buiten de openbare weg te voorzien die plaats bieden aan kleine vrachtwagens; dat een reclamant zich vragen stelt bij de bevoorrading van de handelszaken door vrachtwagens en de overlast die dit zou kunnen veroorzaken; dat een reclamant in dit kader de negatieve effecten betreurt van de mogelijke aanwezigheid van gelijkvloerse handelszaken op de mobiliteit va

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.