Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Wet houdende instemming met het Protocol houdende wijziging van het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer van 9 mei 1980, gedaan te V

Kort samengevat

Deze wet bekrachtigt een Protocol dat het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980 wijzigt, zoals opgesteld in Vilnius op 3 juni 1999. Het doel is om het internationale spoorwegvervoer te moderniseren en aan te passen aan nieuwe behoeften.

Wat het regelt

  • De instemming met het Protocol dat het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980 wijzigt.
  • De volledige geldigheid van de wijzigingen aan het Verdrag en zijn aanhangsels en bijlagen, zoals aangebracht met toepassing van de artikelen 34 en 35 van het gewijzigde Verdrag.
  • De kennisgeving door de Koning aan het Parlement van elke wijziging aangenomen met toepassing van de artikelen 34 en 35 van het Verdrag.
  • De niet-toepassing door België van specifieke aanhangsels van COTIF (CUI, APTU, ATMF) in afwachting van onderhandelingen over toetreding van de Europese Gemeenschap tot COTIF.

Wie het aanbelangt

  • De Belgische staat, die instemt met het Protocol.
  • Lidstaten van het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF).

Kernpunten

  • Het Protocol wijzigt de COTIF 1980 volgens een nieuwe versie die een integrerend deel vormt van het Protocol.
  • Het Protocol stond open voor ondertekening door de Lidstaten tot en met 31 december 1999.
  • Het Protocol treedt in werking op de eerste dag van de derde maand volgend op de maand waarin de voorlopige depositaris de Lidstaten kennis heeft gegeven van de neerlegging van de akte waardoor de voorwaarden van artikel 20, § 2, van de COTIF 1980 zijn vervuld.
  • Overeenkomsten voor internationaal vervoer van reizigers of goederen, gesloten vóór de inwerkingtreding van dit Protocol, blijven onderworpen aan de Uniforme Regelen die op het moment van sluiten van kracht waren.
Wettekst
Wettekst

15 FEBRUARI 2007. - Wet houdende instemming met het Protocol houdende wijziging van het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980, gedaan te Vilnius op 3 juni 1999

(1)ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. Art. 2.Het Protocol houdende wijziging van het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980, gedaan te Vilnius op 3 juni 1999, zal volkomen gevolg hebben. De wijzigingen van het Verdrag en zijn aanhangsels en bijlagen, aangebracht met toepassing van de artikelen 34 en 35 van het Verdrag inzake het internationale spoorwegvervoer (COTIF), zoals gewijzigd door het Protocol, gedaan te Vilnius op 3 juni 1999, zullen volkomen gevolg hebben. De Koning stelt het Parlement in kennis van iedere wijziging aangenomen met toepassing van de artikelen 34 en 35 van het Verdrag, bij middel van een schriftelijk verslag en voor de inwerkingtreding van de aangenomen wijziging. Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt. Gegeven te Brussel, 15 februari 2007. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Buitenlandse Zaken, K. DE GUCHT De Minister van Mobiliteit, R. LANDUYT Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota's
(1)Zitting 2006-2007. Senaat : Parlementaire documenten. - Ontwerp van wet ingediend op 20 oktober 2006, nr. 3-1866/1. - Amendementen, nr. 3-1866/2. - Verslag, nr. 3-1866/3. - Tekst geamendeerd door de Commissie, nr. 3-1866/4 Parlementaire handelingen. - Besprekking, vergadering van 14 december 2006. - Stemming, vergadering van 14 december 2006. Kamer van volksvertegenwoordigers : Parlementaire documenten. - Ontwerp overgezonden door de Senaat, nr. 51-2816/1. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd, nr. 51-2816/2. Parlementaire handelingen. - Bespreking, vergadering van 18 januari 2007. - Stemming, vergadering van 18 januari 2007. VERKLARING Protocol tot wijziging van de Overeenkomst betreffende het internationaal spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980, gedaan te Vilnius op 3 juni 1999 Aan de depositaris van COTIF Verklaring op grond van artikel 42 van COTIF In afwachting van de afloop van de onderhandelingen betreffende de toetreding van de Europese Gemeenschap tot COTIF, zal België de volgende aanhangsels van COTIF niet toepassen : De Uniforme Regelen betreffende de overeenkomst inzake het gebruik van de infrastructuur bij internationaal spoorwegvervoer (CUI - Aanhangsel E bij de Overeenkomst); De Uniforme Regelen betreffende de verbindendverklaring van technische normen en de aanneming van uniforme technische voorschriften die van toepassing zijn op spoorwegmaterieel bestemd voor gebruik in internationaal verkeer (APTU - Aanhangsel F bij de Overeenkomst); De Uniforme Regelen betreffende de technische toelating van spoorwegmaterieel dat wordt gebruikt in internationaal verkeer (ATMF - Aanhangsel G bij de Overeenkomst). De Minister van Buitenlandse Zaken K. DE GUCHT Protocol van 3 juni 1999 houdende wijziging van het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980 (Protocol 1999) Met toepassing van de artikelen 6 en 19, § 2, van het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer, ondertekend te Bern op 9 mei 1980, hierna te noemen "COTIF 1980", heeft van 26 mei tot en met 3 juni 1999 te Vilnius de vijfde Algemene Vergadering van de Intergouvernementele organisatie voor het internationale spoorwegvervoer (OTIF) plaatsgevonden. - Overtuigd van de noodzaak en het nut van een intergouvernementele organisatie die zich voorzover mogelijk met alle aspecten van het internationale spoorwegvervoer op het niveau van de Staten bezighoudt, - overwegende dat met het oog daarop en rekening houdende met de toepassing van de COTIF 1980 door 39 staten in Europa, Azië en Afrika, alsook door de spoorwegondernemingen in deze Staten, de OTIF hiervoor de meest aangewezen organisatie is, - gelet op de noodzaak de COTIF 1980, met name de Uniforme Regelen CIV en de Uniforme Regelen CIM, aan te passen aan de nieuwe behoeften van het internationale spoorwegvervoer, - overwegende dat de veiligheid bij het vervoer van gevaarlijke goederen in het internationale spoorwegvervoer vereist het RID om te zetten in een publiekrechtelijk stelsel, waarvan de toepassing niet meer afhankelijk is van het sluiten van een vervoerovereenkomst, onderworpen aan de Uniforme Regelen CIM, - overwegende dat sinds de ondertekening van het Verdrag op 9 mei 1980 de politieke, economische en juridische veranderingen die in een groot aantal Lidstaten hebben plaatsgevonden, nopen tot het opstellen en ontwikkelen van uniforme voorschriften die zich uitstrekken tot andere rechtsgebieden die voor het internationale spoorwegverkeer van belang zijn, - overwegende dat de Staten, door rekening te houden met bijzondere openbare belangen, meer doeltreffende maatregelen zouden moeten nemen voor het wegnemen van de belemmeringen die thans nog bestaan bij de grensoverschrijding in het internationale spoorwegverkeer, - overwegende dat in het belang van het internationale spoorwegvervoer het belangrijk is de op spoorweggebied bestaande multilaterale internationale verdragen en overeenkomsten te moderniseren en deze, in voorkomend geval, in het Verdrag op te nemen, heeft de Algemene Vergadering het volgende besloten : Artikel 1 Nieuwe versie van het Verdrag De COTIF 1980 wordt gewijzigd volgens de in de bijlage opgenomen versie, die een integrerend deel vormt van dit Protocol. Artikel 2 Voorlopige depositaris § 1. De in de artikelen 22 tot en met 26 van de COTIF 1980 genoemde taken van de depositaris worden, vanaf de openstelling ter ondertekening van dit Protocol tot aan de datum van inwerkingtreding hiervan, door de OTIF als voorlopige depositaris vervuld. § 2. De voorlopige depositaris geeft de Lidstaten kennis :
  1. a)van de ondertekeningen van dit Protocol en van de neerlegging van de akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding,
  2. b)van de datum waarop dit Protocol met toepassing van artikel 4 in werking treedt, en vervult de overige taken van de depositaris zoals vermeld in Deel VII van het Verdrag van Wenen van 23 mei 1969 inzake het verdragenrecht. Artikel 3 Ondertekening. Bekrachtiging. Aanvaarding. Goedkeuring. Toetreding § 1. Dit Protocol blijft tot en met 31 december 1999 openstaan voor ondertekening door de Lidstaten. Deze ondertekening vindt plaats te Bern bij de voorlopige depositaris. § 2. Overeenkomstig artikel 20, § 1, van de COTIF 1980, is dit Protocol onderworpen aan bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden zo snel mogelijk bij de voorlopige depositaris neergelegd. § 3. De Lidstaten die het Protocol niet binnen de in § 1 bedoelde termijn hebben ondertekend, alsook de lidstaten wier verzoek tot toetreding tot de COTIF 1980, overeenkomstig artikel 23, § 2 daarvan, van rechtswege is ingewilligd, kunnen voor de inwerkingtreding van dit Protocol hiertoe toetreden door middel van neerlegging van een akte van toetreding bij de voorlopige depositaris. § 4. De toetreding van een Staat tot de COTIF 1980 overeenkomstig artikel 23 daarvan, waarvoor het verzoek is gedaan na de openstelling ter ondertekening van dit Protocol maar voor de inwerkingtreding hiervan, geldt zowel voor de COTIF 1980 als voor het Verdrag in de versie van de Bijlage bij dit Protocol. Artikel 4 Inwerkingtreding § 1. Dit Protocol treedt in werking op de eerste dag van de derde maand volgend op de maand waarin de voorlopige depositaris de Lidstaten kennis heeft gegeven van de neerlegging van de akte waardoor de voorwaarden van artikel 20, § 2, van de COTIF 1980 zijn vervuld. Als lidstaten in de zin van dit artikel 20, § 2, worden de Staten aangemerkt, die ten tijde van het besluit van de vijfde Algemene Vergadering Lidstaten waren en dit nog steeds zijn op het tijdstip waarop de voorwaarden voor de inwerkingtreding van dit Protocol zijn vervuld. § 2. Artikel 3 is evenwel van toepassing vanaf de openstelling ter ondertekening van dit Protocol. Artikel 5 Verklaringen en voorbehouden De in artikel 42, § 1, van het Verdrag in de versie van de Bijlage bij dit Protocol bedoelde verklaringen en voorbehouden kunnen op elk tijdstip worden afgelegd of gemaakt, zelfs voor de inwerkingtreding van dit Protocol. Deze verklaringen en voorbehouden worden van kracht op het tijdstip van inwerkingtreding van dit Protocol. Artikel 6 Overgangsbepalingen § 1. Uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van dit Protocol roept de Secretaris-Generaal van de OTIF de Algemene Vergadering bijeen teneinde :
  3. a)de leden van het Comité van Beheer voor de komende periode aan te wijzen (artikel 14, § 2, onder b van de COTIF in de versie van de Bijlage bij dit Protocol) en, in voorkomend geval, tot de beëindiging van het mandaat van het zittende Comité van Beheer te besluiten,
  4. b)het maximale bedrag, per tijdvak van zes jaar, vast te stellen voor de uitgaven van de Organisatie in iedere begrotingsperiode (artikel 14, § 2, onder e van de COTIF in de versie van de Bijlage bij dit Protocol), en
  5. c)in voorkomend geval over te gaan tot de verkiezing van de Secretaris-Generaal (artikel 14, § 2, onder c van de COTIF in de versie van de Bijlage bij dit Protocol). § 2. Uiterlijk drie maanden na de inwerkingtreding van dit Protocol, roept de Secretaris-Generaal van de OTIF de Commissie van technisch deskundigen bijeen. § 3. Na de inwerkingtreding van dit Protocol vervalt het overeenkomstig artikel 6, § 2, onder b van de COTIF 1980 vastgestelde mandaat van het Comité van Beheer op de door de Algemene Vergadering vastgestelde datum; deze datum valt samen met de aanvang van het mandaat van de door de Algemene Vergadering aangewezen leden en plaatsvervangende leden van het Comité van Beheer (artikel 14, § 2, onder b van de COTIF in de versie van de Bijlage bij dit Protocol). § 4. Het mandaat van de Directeur-Generaal van het Centraal Bureau, die in functie is op het tijdstip van inwerkingtreding van dit Protocol, vervalt aan het einde van de periode waarvoor hij overeenkomstig artikel 7, § 2, onder d van de COTIF 1980 is benoemd. Vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dit Protocol oefent hij de functie van Secretaris-Generaal uit. § 5. Zelfs na de inwerkingtreding van dit Protocol blijven de relevante bepalingen van de artikelen 6, 7 en 11 van de COTIF 1980 van toepassing met betrekking tot :
  6. a)de controle van de boekhouding en de goedkeuring van de jaarrekening van de Organisatie,
  7. b)de vaststelling van de definitieve bijdragen van de Lidstaten aan de uitgaven van de Organisatie,
  8. c)de betaling van de bijdragen,
  9. d)het maximale bedrag van de uitgaven van de Organisatie gedurende een periode van vijf jaar, dat voor de inwerkingtreding van dit Protocol wordt vastgesteld. De onderdelen a tot en met c hebben betrekking op het jaar waarin dit Protocol in werking treedt alsook op het daaraan voorafgaande jaar. § 6. De definitieve bijdragen van de lidstaten, die verschuldigd zijn voor het jaar waarin dit Protocol in werking treedt, worden berekend op basis van artikel 11, § 1 van de COTIF 1980. § 7. Op verzoek van de lidstaat waarvan de krachtens artikel 26 van het Verdrag in de versie van de Bijlage bij dit Protocol berekende bijdrage hoger is dan die welke voor het jaar 1999 verschuldigd is, kan de Algemene Vergadering de bijdrage van deze lidstaat voor de drie jaren die volgen op het jaar van de inwerkingtreding van dit Protocol vaststellen met inachtneming van de volgende beginselen :
  10. a)de overgangsbijdrage wordt vastgesteld op basis van de in bovengenoemd artikel 26, § 3 bedoelde minimale bijdrage of van de voor het jaar 1999 verschuldigde bijdrage, indien deze hoger is dan de minimale bijdrage;
  11. b)de bijdrage wordt geleidelijk in maximaal drie stappen aangepast tot het niveau van de krachtens bovengenoemd artikel 26 berekende definitieve bijdrage. Deze bepaling is niet van toepassing op de Lidstaten die de minimale bijdrage verschuldigd zijn, die in elk geval verschuldigd blijft. § 8. De overeenkomsten tot het vervoer van reizigers of goederen in het internationale verkeer tussen de Lidstaten, gesloten krachtens de Uniforme Regelen CIV 1980 of de Uniforme Regelen CIM 1980, blijven onderworpen aan de Uniforme Regelen die op het moment van het sluiten van de overeenkomst van kracht waren, zelfs na de inwerkingtreding van dit Protocol. § 9. De dwingende bepalingen van de Uniforme Regelen CUV en de Uniforme Regelen CUI zijn een jaar na de inwerkingtreding van dit Protocol van toepassing op de overeenkomsten die zijn gesloten voor de inwerkingtreding van dit Protocol. Artikel 7 Teksten van het Protocol § 1. Dit Protocol is gesloten en ondertekend in de Duitse, de Engelse en de Franse taal. In geval van verschillen is de Franse tekst doorslaggevend. § 2. Op voorstel van een van de betrokken lidstaten publiceert de Organisatie officiële vertalingen van dit Protocol in andere talen, voorzover een van deze talen een officiële taal is op het grondgebied van ten minste twee Lidstaten. Deze vertalingen worden verzorgd in samenwerking met de bevoegde diensten van de betrokken Lidstaten. Ten blijke waarvan de ondergetekende gevolmachtigden, daartoe naar behoren gemachtigd door hun onderscheiden Regeringen, dit Protocol hebben ondertekend. Gedaan te Vilnius, 3 juni 1999, in een enkel oorspronkelijk exemplaar in de Duitse, de Engelse en de Franse taal; deze exemplaren blijven neergelegd in het archief van de OTIF. Gewaarmerkte afschriften hiervan worden aan de Lidstaten toegezonden. Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980 in de versie van het Protocol van wijziging van 3 juni 1999 TITEL I. - Algemene bepalingen Artikel 1 Intergouvernementele organisatie § 1. De Partijen bij dit Verdrag vormen, als lidstaten, de Intergouvernementele organisatie voor het internationale spoorwegvervoer (OTIF), hierna genoemd « de Organisatie ». § 2. De Organisatie heeft haar zetel in Bern. De Algemene Vergadering kan besluiten de zetel te vestigen in een andere plaats in een van de lidstaten. § 3. De Organisatie heeft rechtspersoonlijkheid. Zij is met name bevoegd overeenkomsten te sluiten, roerende en onroerende goederen te verwerven en te vervreemden alsmede in rechte op te treden. § 4. De Organisatie, haar personeelsleden, de deskundigen waarop zij een beroep doet en de vertegenwoordigers van de lidstaten genieten de voor het vervullen van hun taak noodzakelijke voorrechten en immuniteiten onder de voorwaarden, zoals die zijn vastgesteld in het Protocol over de voorrechten en immuniteiten van de Organisatie, dat bij het Verdrag is gevoegd. § 5. De betrekkingen tussen de Organisatie en de Staat waar de zetel is gevestigd, worden geregeld in een zetelovereenkomst. § 6. De werktalen van de Organisatie zijn het Duits, het Engels en het Frans. De Algemene Vergadering kan andere werktalen invoeren. Artikel 2 Doel van de Organisatie § 1. De Organisatie heeft tot doel het internationale spoorwegverkeer in alle opzichten te bevorderen, te verbeteren en te vergemakkelijken, met name :
  12. a)door het opstellen van uniforme rechtsstelsels voor de volgende rechtsgebieden : 1.de overeenkomst betreffende het vervoer van reizigers en goederen in het rechtstreekse internationale spoorwegverkeer, met inbegrip van aanvullend vervoer met het gebruik van andere vervoermiddelen dat het onderwerp vormt van een en dezelfde overeenkomst; 2. de overeenkomst betreffende het gebruik van voertuigen als vervoermiddel in het internationale spoorwegverkeer;3. de overeenkomst betreffende het gebruik van de infrastructuur in het internationale spoorwegverkeer;4. het vervoer van gevaarlijke goederen in het internationale spoorwegverkeer;
  13. b)door, rekening houdende met bijzondere openbare belangen, bij te dragen aan het zo snel mogelijk wegnemen van belemmeringen bij de grensoverschrijding in het internationale spoorwegverkeer, voorzover de oorzaken van deze belemmeringen onder de bevoegdheid van de Staten vallen;
  14. c)door bij te dragen aan de interoperabiliteit en de technische harmonisatie in de spoorwegsector door het verbindend verklaren van technische normen en het aannemen van uniforme technische voorschriften;
  15. d)door het opstellen van een uniforme procedure voor de technische toelating van spoorwegmaterieel, bestemd voor gebruik in internationaal verkeer;
  16. e)door toe te zien op de toepassing en uitvoering van alle rechtsregels en aanbevelingen waartoe binnen de Organisatie is besloten;
  17. f)door de onder a tot en met e bedoelde uniforme rechtsstelsels, regels en procedures verder te ontwikkelen met inachtneming van de juridische, economische en technische ontwikkelingen. § 2. De Organisatie kan :
  18. a)in het kader van de in § 1 genoemde doelstellingen andere uniforme rechtsstelselsontwikkelen;
  19. b)een kader vormen waarbinnen de lidstaten andere internationale verdragen kunnen uitwerken die ten doel hebben het internationale spoorwegverkeer te bevorderen, te verbeteren en te vergemakkelijken. Artikel 3 Internationale samenwerking § 1. De lidstaten verplichten zich ertoe hun internationale samenwerking op spoorweggebied in beginsel te concentreren binnen de Organisatie, voorzover er sprake is van een samenhang met de taken die haar overeenkomstig de artikelen 2 en 4 zijn opgedragen. Teneinde dit doel te bereiken zullen de lidstaten alle maatregelen treffen die nodig en nuttig zijn voor de aanpassing van de multilaterale internationale verdragen en overeenkomsten waarbij zij partij zijn, voorzover deze verdragen en overeenkomsten betrekking hebben op internationale samenwerking op spoorweggebied en deze aan andere intergouvernementele en nietgouvernementele organisaties bevoegdheden overdragen, die samenvallen met de aan de Organisatie opgedragen taken. § 2. De uit § 1 voortvloeiende verplichtingen voor de lidstaten, die tevens lid zijn van de Europese Gemeenschappen of als Staat partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, hebben geen voorrang op hun verplichtingen uit hoofde van hun lidmaatschap van de Europese Gemeenschappen of uit hoofde van hun hoedanigheid van Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. Artikel 4 Overname en overdracht van bevoegdheden § 1. De Organisatie is, bij besluit van de Algemene Vergadering, bevoegd, in overeenstemming met de in artikel 2 genoemde doelen, tot het overnemen van bevoegdheden, middelen en verplichtingen die aan haar worden overgedragen door andere intergouvernementele organisaties krachtens met deze organisaties gesloten overeenkomsten. § 2. De Organisatie kan, bij besluit van de Algemene Vergadering, bevoegdheden, middelen en verplichtingen aan andere intergouvernementele organisaties overdragen krachtens met deze organisaties gesloten overeenkomsten. § 3. De Organisatie kan, met goedkeuring van het Comité van Beheer, administratieve taken op zich nemen die verband houden met haar doelen en die haar door een lidstaat worden toevertrouwd. De uitgaven van de Organisatie die verband houden met deze taken komen ten laste van de betrokken lidstaat. Artikel 5 Bijzondere verplichtingen van de Lidstaten § 1. De lidstaten komen overeen alle nodige maatregelen te treffen teneinde het internationale spoorwegverkeer te vergemakkelijken en te bespoedigen. Hiertoe verplicht iedere lidstaat zich ertoe, voorzover mogelijk :
  20. a)alle onnodige procedures af te schaffen;
  21. b)de nog vereiste voorschriften te vereenvoudigen en te standaardiseren;
  22. c)de grenscontroles te vereenvoudigen. § 2. Teneinde het internationale spoorwegverkeer te vergemakkelijken en te verbeteren, komen de lidstaten overeen hun medewerking te verlenen om te komen tot een zo groot mogelijke uniformiteit van de voorschriften, normen, procedures en organisatiemethoden met betrekking tot spoorwegvoertuigen, spoorwegpersoneel, spoorweginfrastructuur en ondersteunende diensten. § 3. De lidstaten komen overeen het sluiten van overeenkomsten tussen infrastructuurbeheerders te vergemakkelijken welke tot doel hebben het internationale spoorwegverkeer te optimaliseren. Artikel 6 Uniforme regelen § 1. Het internationale spoorwegverkeer en de toelating van spoorwegmaterieel tot gebruik in het internationale verkeer, worden, voorzover er geen verklaringen of voorbehouden overeenkomstig artikel 42, § 1, eerste volzin zijn afgelegd of gemaakt, geregeld door :
  23. a)de « Uniforme Regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van reizigers (CIV) », Aanhangsel A bij het Verdrag,
  24. b)de « Uniforme Regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van goederen (CIM) », Aanhangsel B bij het Verdrag,
  25. c)het « Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van gevaarlijke goederen (RID) », Aanhangsel C bij het Verdrag,
  26. d)de « Uniforme Regelen betreffende de overeenkomsten inzake het gebruik van voertuigen in het internationale spoorwegverkeer (CUV) », Aanhangsel D bij het Verdrag,
  27. e)de « Uniforme Regelen betreffende de overeenkomst inzake het gebruik van de infrastructuur in het internationale spoorwegverkeer (CUI) », Aanhangsel E bij het Verdrag,
  28. f)de « Uniforme Regelen betreffende de verbindendverklaring van technische normen en de aanneming van uniforme technische voorschriften die van toepassing zijn op spoorwegmaterieel bestemd voor gebruik in internationaal verkeer (APTU) », Aanhangsel F bij het Verdrag,
  29. g)de « Uniforme Regelen betreffende de technische toelating van spoorwegmaterieel dat wordt gebruikt in internationaal verkeer (ATMF) », Aanhangsel G bij het Verdrag,
  30. h)andere door de Organisatie, overeenkomstig artikel 2, § 2, onder a ontwikkelde uniforme rechtsstelsels, die eveneens worden opgenomen in Aanhangsels bij het Verdrag. § 2. De Uniforme Regelen, het Reglement en de stelsels genoemd in § 1 vormen met hun Bijlagen een integrerend deel van het Verdrag. Artikel 7 Omschrijving van het begrip « Verdrag » In de onderstaande bepalingen wordt onder het begrip « Verdrag » verstaan : het eigenlijke Verdrag, het in artikel 1, § 4 bedoelde Protocol en de in artikel 6 bedoelde Aanhangsels met hun Bijlagen. TITEL II. - Gemeenschappelijke bepalingen Artikel 8 Nationaal recht § 1. Bij de interpretatie en de toepassing van het Verdrag zal rekening worden gehouden met de internationaal-rechtelijke aard ervan en met de noodzaak de uniformiteit te bevorderen. § 2. Bij gebreke van bepalingen in het Verdrag geldt het nationale recht. § 3. Onder nationaal recht wordt verstaan het recht van de Staat waar de rechthebbende zijn rechten doet gelden, de conflictregels daaronder begrepen. Artikel 9 Rekeneenheid § 1. De in de Aanhangsels bedoelde rekeneenheid is het Bijzondere Trekkingsrecht, zoals dit is omschreven door het Internationale Monetaire Fonds. § 2. De in Bijzondere Trekkingsrechten uitgedrukte waarde van de nationale munteenheid van een lidstaat die tevens lid is van het Internationale Monetaire Fonds wordt overeenkomstig de door dit Fonds voor zijn eigen verrichtingen en transacties toegepaste methode berekend. § 3. De in Bijzondere Trekkingsrechten uitgedrukte waarde van de nationale munteenheid van een lidstaat die geen lid is van het Internationale Monetaire Fonds, wordt op de door die Staat vastgestelde wijze berekend. Deze berekening moet in de nationale munteenheid een reële waarde uitdrukken die de uit de toepassing van § 2 voortvloeiende waarde zo dicht mogelijk benadert. § 4. Voor een Staat die geen lid is van het Internationale Monetaire Fonds en waarvan de wetgeving de toepassing van § 2 of § 3 niet toestaat, wordt de in de Aanhangsels bedoelde rekeneenheid beschouwd als gelijk aan drie goudfranken. De goudfrank wordt bepaald als 10/31 gram goud met een gehalte van 0,900. De omrekening van de goudfrank moet in de nationale munteenheid een reële waarde uitdrukken die de uit de toepassing van § 2 voortvloeiende waarde zo dicht mogelijk benadert. § 5. Binnen drie maanden na de inwerkingtreding van het Verdrag en telkens wanneer in hun berekeningsmethode of in de waarde van hun nationale munteenheid in verhouding tot de rekeneenheid een wijziging optreedt, delen de Staten hun berekeningsmethode volgens § 3 of het resultaat van de omrekening volgens § 4 mee aan de Secretaris-Generaal. De Secretaris-Generaal geeft van deze mededelingen kennis aan de andere lidstaten. § 6. Een bedrag uitgedrukt in rekeneenheden wordt omgerekend in de nationale munteenheid van de Staat van de rechtbank waarbij de zaak aanhangig is gemaakt. De omrekening vindt plaats overeenkomstig de waarde van de desbetreffende munteenheid op de dag van de rechterlijke beslissing of op de door de partijen overeengekomen dag. Artikel 10 Aanvullende bepalingen § 1. Twee of meer lidstaten of twee of meer vervoerders kunnen voor de uitvoering van de Uniforme Regelen CIV en de Uniforme Regelen CIM aanvullende bepalingen overeenkomen, mits deze niet van deze Uniforme Regelen afwijken. § 2. De in § 1 bedoelde aanvullende bepalingen treden in werking en worden gepubliceerd op de bij de wetten en voorschriften van iedere Staat bepaalde wijze. De aanvullende bepalingen van Staten en hun inwerkingtreding worden aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie medegedeeld. De Secretaris-Generaal geeft van deze mededelingen kennis aan de andere lidstaten. Artikel 11 Gerechtelijke zekerheidstelling De zekerheidstelling voor de betaling van de kosten kan niet worden verlangd ter gelegenheid van rechtsvorderingen gegrond op de Uniforme Regelen CIV, de Uniforme Regelen CIM, de Uniforme Regelen CUV of de Uniforme Regelen CUI. Artikel 12 Tenuitvoerlegging van uitspraken. Beslaglegging § 1. De uitspraken die krachtens de bepalingen van het Verdrag, op tegenspraak of bij verstek, zijn gedaan door de bevoegde rechter en die volgens de door die rechter toegepaste wetten voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn, kunnen ten uitvoer worden gelegd in ieder van de andere lidstaten, zodra de formaliteiten die zijn voorgeschreven in de Staat waar de tenuitvoerlegging moet plaatsvinden, zijn vervuld. Toetsing van de zaak ten gronde is niet toegestaan. Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op gerechtelijke schikkingen. § 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing op uitspraken die slechts voorlopig uitvoerbaar zijn en evenmin op veroordelingen tot schadevergoeding die, naast de veroordeling in de proceskosten, worden uitgesproken tegen een eiser wegens het afwijzen van zijn vordering. § 3. Op schuldvorderingen van een vervoeronderneming, voortvloeiende uit vervoer dat is onderworpen aan de Uniforme Regelen CIV of de Uniforme Regelen CIM, op een andere niet in dezelfde lidstaat gevestigde vervoeronderneming kan slechts beslag worden gelegd krachtens een uitspraak gedaan door een rechter van de lidstaat waarin de onderneming, die crediteur is van de vorderingen waarop beslag moet worden gelegd, is gevestigd. § 4. Op schuldvorderingen voortvloeiende uit een overeenkomst die is onderworpen aan de Uniforme Regelen CUV of de Uniforme Regelen CUI kan slechts beslag worden gelegd krachtens een uitspraak gedaan door een rechter van de Lidstaat waarin de onderneming, die crediteur is van de vorderingen waarop beslag moet worden gelegd, is gevestigd. § 5. Op spoorwegvoertuigen kan op een ander grondgebied dan dat van de lidstaat waar de houder zijn hoofdkantoor heeft slechts beslag worden gelegd krachtens een uitspraak door een rechter van die Staat. Onder de term « houder » wordt verstaan degene die duurzaam een spoorwegvoertuig als vervoermiddel economisch exploiteert, ongeacht of hij er de eigenaar van is of het recht heeft erover te beschikken. TITEL III. - Structuur en werking Artikel 13 Organen § 1. De werking van de Organisatie wordt verzekerd door de volgende organen :
  31. a)de Algemene Vergadering,
  32. b)het Comité van Beheer,
  33. c)de Herzieningscommissie,
  34. d)de Commissie van deskundigen voor het vervoer van gevaarlijke goederen (Commissie van RID-deskundigen),
  35. e)de Commissie vergemakkelijking spoorwegverkeer,
  36. f)de Commissie van technisch deskundigen,
  37. g)de Secretaris-Generaal. § 2. De Algemene Vergadering kan besluiten tot de tijdelijke instelling van andere commissies voor specifieke taken. § 3. Bij de vaststelling van het quorum in de Algemene Vergadering en in de in § 1, onder c tot en met f bedoelde Commissies wordt geen rekening gehouden met de lidstaten die geen stemrecht hebben (artikel 14, § 5, artikel 26, § 7 of artikel 40, § 4). § 4. Het voorzitterschap van de Algemene Vergadering, het voorzitterschap van het Comité van Beheer alsmede de functie van Secretaris-Generaal moeten in beginsel worden toebedeeld aan onderdanen van verschillende lidstaten. Artikel 14 Algemene Vergadering § 1 De Algemene Vergadering bestaat uit alle Lidstaten. § 2 De Algemene Vergadering :
  38. a)stelt haar huishoudelijk reglement op;
  39. b)benoemt de leden van het Comité van Beheer alsook een plaatsvervangend lid voor ieder van hen en kiest de Lidstaat die het voorzitterschap van het Comité van Beheer zal bekleden (artikel 15, §§ 1 tot en met 3);
  40. c)kiest de Secretaris-Generaal (artikel 21, § 2);
  41. d)geeft richtlijnen betreffende de werkzaamheden van het Comité van Beheer en van de Secretaris-Generaal;
  42. e)stelt, voor een periode van zes jaar, het maximale bedrag vast voor de uitgaven van de Organisatie in iedere begrotingsperiode (artikel 25);bij gebreke hiervan, geeft zij voor een periode van maximaal zes jaar richtlijnen voor de begrenzing van deze uitgaven;
  43. f)besluit of de zetel van de Organisatie in een andere plaats wordt gevestigd (artikel 1, § 2);
  44. g)besluit over de invoering van andere werktalen (artikel 1, § 6);
  45. h)besluit over de overname van andere bevoegdheden door de Organisatie (artikel 4, § 1) alsook over de overdracht van bevoegdheden van de Organisatie aan een andere intergouvernementele organisatie (artikel 4, § 2);
  46. i)besluit, in voorkomend geval, tot de tijdelijke instelling van andere commissies voor specifieke taken (artikel 13, § 2);
  47. j)onderzoekt of de houding van een Staat moet worden beschouwd als een stilzwijgende opzegging (artikel 26, § 7);
  48. k)besluit over het opdragen van de uitvoering van de controle van de boekhouding aan een andere lidstaat dan de Staat waar de zetel is gevestigd (artikel 27, § 1);
  49. l)besluit over voorstellen tot wijziging van het Verdrag (artikel 33, §§ 2 en 3);
  50. m)besluit over verzoeken tot toetreding die aan haar worden voorgelegd (artikel 37, § 4);
  51. n)besluit over de voorwaarden voor toetreding door een regionale organisatie voor economische integratie (artikel 38, § 1);
  52. o)besluit over verzoeken tot associatie die aan haar worden voorgelegd (artikel 39, § 1);
  53. p)besluit over de ontbinding van de Organisatie en over de eventuele overdracht van haar bevoegdheden aan een andere intergouvernementele organisatie (artikel 43);
  54. q)besluit over andere kwesties die op de agenda zijn geplaatst. § 3. De Secretaris-Generaal roept de Algemene Vergadering bijeen eenmaal in de drie jaar dan wel op verzoek van een derde van de lidstaten of van het Comité van Beheer, alsmede in de in de artikelen 33, §§ 2 en 3 en 37, § 4 bedoelde gevallen. De Secretaris-Generaal zendt, uiterlijk drie maanden voor de opening van de zitting, de ontwerpagenda aan de lidstaten, onder de in het in § 2, onder a bedoelde huishoudelijk reglement vastgestelde voorwaarden. § 4. Het quorum van de Algemene Vergadering (artikel 13 § 3) wordt bereikt wanneer de meerderheid van de lidstaten hierin is vertegenwoordigd. Een lidstaat kan zich laten vertegenwoordigen door een andere lidstaat; een Staat kan evenwel niet meer dan één andere Staat vertegenwoordigen. § 5. In geval van stemming in de Algemene Vergadering over wijzigingen van de Aanhangsels bij het Verdrag, hebben de lidstaten die, overeenkomstig artikel 42, § 1, eerste volzin, een verklaring met betrekking tot het desbetreffende Aanhangsel hebben afgelegd, geen stemrecht. § 6. De besluiten van de Algemene Vergadering worden genomen met meerderheid van de bij de stemming vertegenwoordigde lidstaten, behalve in de gevallen van § 2, onder e, f, g, h, l en p alsook van artikel 34, § 6 waarvoor een meerderheid van twee derde vereist is. In het geval van § 2, onder l is een meerderheid van twee derde evenwel niet vereist wanneer het voorstellen betreft tot wijziging van het eigenlijke Verdrag, met uitzondering van de artikelen 9 en 27, §§ 2 tot en met 10 en van het in artikel 1, § 4 bedoelde Protocol. § 7. Op uitnodiging van de Secretaris-Generaal, met instemming van de meerderheid van de lidstaten, kunnen
  55. a)Staten die geen lid zijn van de Organisatie,
  56. b)internationale organisaties en verenigingen, die bevoegd zijn voor aangelegenheden die betrekking hebben op de werkzaamheden van de Organisatie of die zich bezighouden met op de agenda geplaatste kwesties, met een adviserende stem deelnemen aan de zittingen van de Algemene Vergadering. Artikel 15 Comité van Beheer § 1. Het Comité van Beheer bestaat uit een derde van de lidstaten. § 2. De leden van het Comité en een plaatsvervangend lid voor ieder van hen, alsook de lidstaat die voorzitter is, worden benoemd voor een periode van drie jaar. De samenstelling van het Comité wordt voor iedere periode vastgesteld, waarbij met name rekening wordt gehouden met een billijke geografische verdeling. Een plaatsvervangend lid dat gedurende een periode lid van het Comité is geworden, moet voor de volgende periode als lid van het Comité worden benoemd. § 3. Ingeval zich een vacature voordoet, het stemrecht van een lid is geschorst of in geval van afwezigheid van een lid bij twee opvolgende zittingen van het Comité, zonder dat het zich overeenkomstig § 6 laat vertegenwoordigen door een ander lid, vervult het door de Algemene Vergadering benoemde plaatsvervangend lid zijn functie voor de rest van de periode. § 4. Afgezien van het in § 3 bedoelde geval kan geen enkele lidstaat voor meer dan twee achtereenvolgende volledige perioden deel uitmaken van het Comité. § 5 Het Comité
  57. a)stelt zijn huishoudelijk reglement op;
  58. b)sluit de zetelovereenkomst;
  59. c)stelt het statuut van het personeel van de Organisatie op;
  60. d)benoemt, rekening houdend met de bekwaamheid van de kandidaten en met een billijke geografische verdeling, de hooggeplaatste functionarissen van de Organisatie;
  61. e)stelt een reglement op betreffende de financiën en de boekhouding van de Organisatie;
  62. f)keurt het werkprogramma, de begroting, het verslag en de rekeningen van de Organisatie goed;
  63. g)stelt op basis van de goedgekeurde rekeningen de door de lidstaten overeenkomstig artikel 26 verschuldigde definitieve bijdrage vast voor de afgelopen twee kalenderjaren, alsook de hoogte van het door de lidstaten overeenkomstig artikel 26, § 5 voor het lopende jaar en voor het volgende kalenderjaar verschuldigde voorschot;
  64. h)bepaalt de taken van de Organisatie die betrekking hebben op alle lidstaten of slechts enkele lidstaten, alsook de dientengevolge door deze lidstaten te dragen uitgaven (artikel 26, § 4);
  65. i)stelt de hoogte van de specifieke vergoedingen vast (artikel 26, § 11);
  66. j)geeft bijzondere richtlijnen betreffende de controle van de boekhouding (artikel 27, § 1);
  67. k)keurt goed dat de Organisatie administratieve taken op zich neemt (artikel 4, § 3) en stelt de door de betrokken lidstaat verschuldigde specifieke bijdrage vast;
  68. l)deelt aan de lidstaten het verslag, de rekeningen alsmede zijn besluiten en aanbevelingen mede;
  69. m)stelt een verslag op over zijn werkzaamheden, evenals voorstellen inzake zijn nieuwe samenstelling en deelt deze stukken, met het oog op de Algemene Vergadering die een besluit moet nemen omtrent zijn samenstelling (artikel 14, § 2, onder b), uiterlijk twee maanden voor de opening van de zitting aan de lidstaten mede;
  70. n)controleert het beheer van de Secretaris-Generaal;
  71. o)ziet toe op de juiste toepassing van het Verdrag door de Secretaris-Generaal alsmede op de uitvoering door de Secretaris-Generaal van de door de overige organen genomen besluiten; hiertoe kan het Comité alle nodige maatregelen nemen voor de verbetering van de toepassing van het Verdrag en van de bovengenoemde besluiten;
  72. p)geeft met redenen omklede adviezen over vraagstukken die van belang kunnen zijn voor de werkzaamheden van de Organisatie en die het Comité worden voorgelegd door een lidstaat of door de Secretaris-Generaal;
  73. q)beslecht geschillen tussen een lidstaat en de Secretaris-Generaal met betrekking tot zijn functie als depositaris (artikel 36, § 2);
  74. r)besluit over verzoeken om schorsing van het lidmaatschap (artikel 40). § 6. Het quorum van het Comité wordt bereikt wanneer twee derde van de leden hierin is vertegenwoordigd. Een lidstaat kan zich laten vertegenwoordigen door een andere lidstaat; een lid kan evenwel niet meer dan één ander lid vertegenwoordigen. § 7. De besluiten van het Comité worden genomen met meerderheid van de bij de stemming vertegenwoordigde leden. § 8. Het Comité komt, tenzij het anders besluit, bijeen op de plaats waar de zetel van de Organisatie is gevestigd. De notulen van de zittingen worden aan alle lidstaten gezonden. § 9. De voorzitter van Comité :
  75. a)roept het Comité ten minste eenmaal per jaar bijeen, alsook op verzoek van hetzij vier van zijn leden, hetzij van de Secretaris-Generaal;
  76. b)doet de leden van het Comité de ontwerp-agenda toekomen;
  77. c)behandelt, binnen de grenzen en onder de voorwaarden vastgelegd in het huishoudelijk reglement van het Comité, spoedeisende vraagstukken die zich in de periode tussen de zittingen voordoen;
  78. d)ondertekent de in § 5, onder b bedoelde zetelovereenkomst. § 10. Het Comité kan, binnen zijn eigen bevoegdheden, de voorzitter opdragen bepaalde specifieke taken uit te voeren. Artikel 16 Commissies § 1. De in artikel 13, § 1, onder c tot en met f en § 2 bedoelde Commissies zijn in beginsel samengesteld uit alle lidstaten. Wanneer de Herzieningscommissie, de Commissie van RID-deskundigen of de Commissie van technisch deskundigen in het kader van hun bevoegdheden beraadslagen en besluiten over wijzigingen van de Aanhangsels bij het Verdrag, zijn de lidstaten die, overeenkomstig artikel 42, § 1, eerste volzin, een verklaring hebben afgelegd met betrekking tot de desbetreffende Aanhangsels, geen lid van de betrokken Commissie. § 2. De Secretaris-Generaal roept de Commisses bijeen hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van vijf lidstaten of van het Comité van Beheer. De Secretaris-Generaal zendt de ontwerpagenda uiterlijk twee maanden voor de opening van de zitting aan de lidstaten. § 3. Een lidstaat kan zich laten vertegenwoordigen door een andere lidstaat, een Staat kan evenwel niet meer dan twee andere Staten vertegenwoordigen. § 4. Iedere vertegenwoordigde lidstaat heeft recht op een stem. Een voorstel is aangenomen indien het aantal voor het voorstel uitgebrachte stemmen :
  79. a)ten minste gelijk is aan een derde van het aantal bij de stemming vertegenwoordigde lidstaten en
  80. b)hoger is dan het aantal tegen het voorstel uitgebrachte stemmen. § 5. Op uitnodiging van de Secretaris-Generaal, met instemming van de meerderheid van de lidstaten, kunnen
  81. a)Staten die geen lid zijn van de Organisatie,
  82. b)lidstaten die evenwel geen lid zijn van de betrokken Commissies,
  83. c)internationale organisaties en verenigingen, die bevoegd zijn voor aangelegenheden die betrekking hebben op de werkzaamheden van de Organisatie of die zich bezighouden met op de agenda geplaatste kwesties, met een adviserende stem deelnemen aan de zittingen van de Commissies. § 6. De Commissies kiezen voor iedere zitting of voor een bepaalde periode een voorzitter en een of meer vice-voorzitters. § 7. De beraadslagingen worden gehouden in de werktalen. Van de uiteenzettingen die tijdens een zitting in een van de werktalen worden gegeven, wordt de essentie in de andere werktalen vertaald; de voorstellen en de besluiten worden in hun geheel vertaald. § 8. In de verslagen worden de beraadslagingen in het kort weergegeven. De voorstellen en de besluiten worden in hun geheel weergegeven. Wat de besluiten betreft, is alleen de Franse tekst authentiek. De verslagen worden aan alle lidstaten gezonden. § 9. De Commissies kunnen werkgroepen instellen voor de behandeling van bepaalde aangelegenheden. § 10. De Commissies stellen hun huishoudelijk reglement op. Artikel 17 Herzieningscommissie § 1. De Herzieningscommissie :
  84. a)besluit, overeenkomstig artikel 33, § 4, over voorstellen tot wijziging van het Verdrag;
  85. b)onderzoekt de overeenkomstig artikel 33, § 2 ter beslissing aan de Algemene Vergadering voor te leggen voorstellen. § 2. Het quorum (artikel 13, § 3) van de Herzieningscommissie wordt bereikt wanneer de meerderheid van de lidstaten hierin is vertegenwoordigd. Artikel 18 Commissie van RID-deskundigen § 1. De Commissie van RID-deskundigen besluit, overeenkomstig artikel 33, § 5, over voorstellen tot wijziging van het Verdrag. § 2 Het quorum (artikel 13, § 3) van de Commissie van RID-deskundigen wordt bereikt wanneer een derde van de lidstaten hierin is vertegenwoordigd. Artikel 19 Commissie vergemakkelijking spoorwegverkeer § 1 De Commissie vergemakkelijking spoorwegverkeer :
  86. a)behandelt alle aangelegenheden die ten doel hebben de grensoverschrijding in het internationale spoorwegverkeer te vergemakkelijken;
  87. b)beveelt normen, methoden, procedures en handelwijzen aan met betrekking tot de vergemakkelijking van het spoorwegverkeer. § 2 Het quorum (artikel 13, § 3) van de Commissie vergemakkelijking spoorwegverkeer wordt bereikt wanneer een derde van de lidstaten hierin is vertegenwoordigd. Artikel 20 Commissie van technisch deskundigen § 1 De Commissie van technisch deskundigen :
  88. a)besluit, overeenkomstig artikel 5 van de Uniforme Regelen APTU, over de verbindendverklaring van een technische norm met betrekking tot spoorwegmaterieel bestemd voor gebruik in internationaal verkeer;
  89. b)besluit, overeenkomstig artikel 6 van de Uniforme Regelen APTU, over de aanneming van een uniform technisch voorschrift voor de bouw, het in bedrijf hebben, het onderhoud of voor een procedure met betrekking tot spoorwegmaterieel bestemd voor gebruik in internationaal verkeer;
  90. c)ziet toe op de toepassing van de technische normen en de uniforme technische voorschriften met betrekking tot spoorwegmaterieel bestemd voor gebruik in het internationale verkeer en onderzoekt de ontwikkeling hiervan met het oog op de verbindendverklaring of aanneming hiervan overeenkomstig de in de artikelen 5 en 6 van de Uniforme Regelen APTU bedoelde procedures;
  91. d)besluit, overeenkomstig artikel 33, § 6, over voorstellen tot wijziging van het Verdrag;
  92. e)behandelt alle overige aangelegenheden die haar overeenkomstig de Uniforme Regelen APTU en Uniforme Regelen ATMF worden opgedragen. § 2 Het quorum (artikel 13, § 3) van de Commissie van technisch deskundigen wordt bereikt wanneer de helft van de Lidstaten, in de zin van artikel 16, § 1, hierin is vertegenwoordigd. Bij het nemen van besluiten over de bepalingen van de Bijlagen van de Uniforme Regelen APTU hebben de lidstaten die, overeenkomstig artikel 35, § 4, ten aanzien van de desbetreffende bepalingen bezwaar hebben gemaakt of, overeenkomstig artikel 9, § 1 van de Uniforme Regelen APTU, een verklaring hebben afgelegd, geen stemrecht. § 3 De Commissie van technisch deskundigen kan hetzij technische normen verbindend verklaren of uniforme technische voorschriften aannemen, hetzij weigeren deze verbindend te verklaren of aan te nemen; de Commissie van technisch deskundigen kan de normen of voorschriften in geen geval wijzigen. Artikel 21 Secretaris-Generaal § 1 De Secretaris-Generaal verzorgt de taken van het secretariaat van de Organisatie. § 2 De Secretaris-Generaal wordt door de Algemene Vergadering gekozen voor een periode van drie jaar en is ten hoogste twee maal opnieuw verkiesbaar. § 3 Tot de werkzaamheden van de Secretaris-Generaal behoort met name :
  93. a)het vervullen van de taken van depositaris (artikel 36);
  94. b)het naar buiten vertegenwoordigen van de Organisatie;
  95. c)het aan de Lidstaten mededelen van de door de Algemene Vergadering en door de Commissies genomen besluiten (artikel 34, § 1;artikel 35, § 1);
  96. d)het uitvoeren van de taken die door de andere organen van de Organisatie aan hem worden toevertrouwd;
  97. e)het onderzoeken van voorstellen van de lidstaten tot wijziging van het Verdrag, eventueel met hulp van deskundigen;
  98. f)het bijeenroepen van de Algemene Vergadering en de Commissies (artikel 14, § 3;artikel 16, § 2);
  99. g)het tijdig aan de Lidstaten toezenden van de documenten die nodig zijn voor de zittingen van de verschillende organen;
  100. h)het opstellen van het werkprogramma, de ontwerpbegroting en het verslag van de Organisatie en het ter goedkeuring daarvan voorleggen aan het Comité van Beheer (artikel 25);
  101. i)het beheren van de financiën van de Organisatie binnen het kader van de goedgekeurde begroting;
  102. j)het op verzoek van een van de betrokken partijen trachten door het aanbieden van zijn goede diensten geschillen tussen deze partijen over de interpretatie of de toepassing van het Verdrag te beslechten;
  103. k)het op verzoek van alle betrokken partijen geven van adviezen over geschillen over de interpretatie of de toepassing van het Verdrag;
  104. l)het vervullen van de taken die hem door Titel V worden toegekend;
  105. m)het ontvangen van de mededelingen van de Lidstaten, internationale organisaties en verenigingen, bedoeld in artikel 16, § 5, en van de ondernemingen (vervoerders, infrastructuurbeheerders, enzovoort) die aan het internationale spoorwegverkeer deelnemen en eventueel het hiervan kennis geven aan de andere lidstaten, internationale organisaties en verenigingen alsmede aan de ondernemingen;
  106. n)het leiding geven aan het personeel van de Organisatie;
  107. o)het tijdig op de hoogte stellen van de lidstaten van de vacatures bij de Organisatie;
  108. p)het bijhouden en publiceren van de in artikel 24 bedoelde lijsten van de lijnen. § 4. De Secretaris-Generaal kan op eigen initiatief voorstellen doen tot wijziging van het Verdrag. Artikel 22 Personeel van de Organisatie De rechten en plichten van het personeel van de Organisatie worden vastgelegd in het door het Comité van Beheer overeenkomstig artikel 15, § 5, onder c opgestelde statuut van het personeel. Artikel 23 Tijdschrift § 1. De Organisatie geeft een tijdschrift uit met officiële mededelingen alsmede mededelingen die voor de toepassing van het Verdrag noodzakelijk en nuttig zijn. § 2. De mededelingen die de Secretaris-Generaal krachtens het Verdrag moet doen, kunnen in voorkomend geval worden gedaan door middel van een publicatie in het tijdschrift. Artikel 24 Lijsten van de lijnen § 1. De in artikel 1 van de Uniforme Regelen CIV en Uniforme Regelen CIM bedoelde lijnen over zee en binnenwateren waarop, in aanvulling op een vervoer per spoor, vervoer plaatsvindt dat het onderwerp vormt van een en dezelfde overeenkomst, worden ingeschreven op twee lijsten :
  109. a)de lijst van lijnen over zee en binnenwateren CIV,
  110. b)de lijst van lijnen over zee en binnenwateren CIM. § 2. De spoorweglijnen van een lidstaat die overeenkomstig artikel 1, § 6 van de Uniforme Regelen CIV of overeenkomstig artikel 1, § 6 van de Uniforme Regelen CIM een voorbehoud heeft gemaakt, worden overeenkomstig dit voorbehoud ingeschreven op twee lijsten :
  111. a)de lijst van spoorweglijnen CIV,
  112. b)de lijst van spoorweglijnen CIM. § 3. De lidstaten zenden aan de Secretaris-Generaal hun mededelingen betreffende het inschrijven of het schrappen van de in de §§ 1 en 2 bedoelde lijnen. De in § 1 bedoelde lijnen over zee en binnenwateren worden, voorzover zij lidstaten met elkaar verbinden, slechts ingeschreven na toestemming van deze Staten; voor het schrappen van een dergelijke lijn is de mededeling van een van deze Staten voldoende. § 4. De Secretaris-Generaal geeft alle lidstaten kennis van het inschrijven of schrappen van een lijn. § 5. Het vervoer over de in § 1 bedoelde lijnen over zee en binnenwateren en het vervoer over de in § 2 bedoelde spoorweglijnen zijn onderworpen aan de bepalingen van het Verdrag na verloop van een maand te rekenen van de datum van de kennisgeving van de inschrijving door de Secretaris-Generaal. Een dergelijke lijn is niet meer onderworpen aan de bepalingen van het Verdrag na verloop van drie maanden te rekenen van de datum van kennisgeving door de Secretaris-Generaal dat zij is geschrapt, behalve ten aanzien van reeds aangevangen vervoer, dat moet worden voltooid. TITEL IV. - Financiën Artikel 25 Werkprogramma. Begroting. Rekeningen. Verslag § 1. Het werkprogramma, de begroting en de rekeningen van de Organisatie hebben betrekking op een periode van twee kalenderjaren. § 2. De Organisatie stelt ten minste eens in de twee jaar een verslag op. § 3. De hoogte van de uitgaven van de Organisatie wordt voor iedere begrotingsperiode door het Comité van Beheer vastgesteld op voorstel van de Secretaris-Generaal. Artikel 26 Financiering van de uitgaven § 1. Behoudens de §§ 2 tot en met 4 worden de uitgaven van de Organisatie die niet door andere inkomsten worden gedekt, gedragen door de lidstaten voor twee vijfde deel, op basis van de verdeelsleutel voor de bijdragen van het stelsel van de Verenigde Naties, en voor drie vijfde naar evenredigheid van de totale lengte van de spoorweginfrastructuur alsook van de overeenkomstig artikel 24, § 1 ingeschreven lijnen over zee en binnenwateren. De lijnen over zee en binnenwateren worden evenwel slechts gerekend voor de helft van hun lengte. § 2. Wanneer een lidstaat een voorbehoud overeenkomstig artikel 1, § 6 van de Uniforme Regelen CIV of overeenkomstig artikel 1, § 6 van de Uniforme Regelen CIM heeft gemaakt, wordt de in § 1 bedoelde formule voor de bijdragen als volgt toegepast :
  113. a)in plaats van de totale lengte van de spoorweginfrastructuur op het grondgebied van die lidstaat, wordt slechts rekening gehouden met de lengte van de spoorweglijnen die overeenkomstig artikel 24, § 2 zijn ingeschreven;
  114. b)het deel van de bijdrage volgens het stelsel van de Verenigde Naties wordt berekend naar evenredigheid van de lengte van de overeenkomstig artikel 24, §§ 1 en 2 ingeschreven lijnen in verhouding tot de totale lengte van de spoorweginfrastructuur op het grondgebied van die lidstaat en de lengte van de overeenkomstig artikel 24, § 1 ingeschreven lijnen;deze bijdrage kan in geen geval lager zijn dan 0,01 procent. § 3. Iedere lidstaat draagt ten minste 0,25 procent en ten hoogste 15 procent van de bijdragen. § 4. Het Comité van Beheer stelt de werkzaamheden van de Organisatie vast die :
  115. a)op alle Lidstaten op gelijke wijze betrekking hebben en de uitgaven die volgens de in § 1 genoemde formule door alle lidstaten worden gedragen;
  116. b)op slechts enkele lidstaten betrekking hebben en de uitgaven die volgens dezelfde formule door deze lidstaten worden gedragen. § 3. is van overeenkomstige toepassing. Deze bepalingen laten artikel 4, § 3 onverlet. § 5. De bijdragen van de lidstaten aan de uitgaven van de Organisatie zijn verschuldigd in de vorm van een voorschot, betaalbaar in twee termijnen, uiterlijk op 31 oktober van ieder van de twee jaar waarop de begroting betrekking heeft. Het voorschot wordt vastgesteld op basis van de definitief verschuldigde bijdrage over de twee voorgaande jaren. § 6. Bij de toezending aan de lidstaten van het verslag en de rekeningen, doet de Secretaris-Generaal mededeling van het definitieve bedrag van de bijdrage van de twee voorgaande kalenderjaren alsook van de hoogte van het voorschot voor de komende twee kalenderjaren. § 7. Na 31 december van het jaar van de mededeling door de Secretaris-Generaal overeenkomstig § 6 is over de verschuldigde bedragen voor de twee voorgaande kalenderjaren rente verschuldigd ten bedrage van vijf procent per jaar. Indien een lidstaat een jaar na deze datum zijn bijdrage niet heeft betaald, wordt zijn stemrecht geschorst, totdat hij aan de verplichting tot betaling heeft voldaan. Na verloop van nog eens twee jaar onderzoekt de Algemene Vergadering of de houding van die Staat moet worden beschouwd als een stilzwijgende opzegging van het Verdrag en stelt zij daarbij eventueel de datum vast waarop deze opzegging van kracht wordt. § 8. De vervallen bijdragen blijven verschuldigd in de gevallen van opzegging krachtens § 7 of artikel 41 alsmede in de in artikel 40, § 4 onder b bedoelde gevallen van schorsing van het stemrecht. § 9. De niet-geïnde bijdragen worden gedekt uit de middelen van de Organisatie. § 10. De lidstaat die het Verdrag heeft opgezegd, kan opnieuw lidstaat worden door toetreding, op voorwaarde dat hij de door hem verschuldigde bedragen heeft betaald. § 11. De Organisatie heft een vergoeding ter dekking van de bijzondere kosten die voortvloeien uit de in artikel 21, § 3, onder j tot en met l bedoelde werkzaamheden. In de in artikel 21, § 3, onder j en k bedoelde gevallen wordt deze vergoeding vastgesteld door het Comité van Beheer op voorstel van de Secretaris-Generaal; in het in artikel 21, § 3, onder l bedoelde geval is artikel 31, § 3 van toepassing. Artikel 27 Controle van de boekhouding § 1. Tenzij de Algemene Vergadering overeenkomstig artikel 14, § 2, onder k anders besluit, wordt de controle van de boekhouding uitgevoerd door de lidstaat waar de zetel is gevestigd volgens de regels van dit artikel en, behoudens alle bijzondere richtlijnen van het Comité van Beheer, in overeenstemming met het reglement betreffende de financiën en de boekhouding van de Organisatie (artikel 15, § 5, onder e). § 2. De controleur onderzoekt naar eigen inzicht de boekhouding van de Organisatie, met inbegrip van alle beheerde fondsen en speciale rekeningen, om zich ervan te vergewissen dat :
  117. a)de financiële staten overeenstemmen met de boeken en geschriften van de Organisatie;
  118. b)de financiële verrichtingen waarop die staten betrekking hebben, zijn uitgevoerd in overeenstemming met de voorschriften en reglementen, de budgettaire bepalingen en de andere richtlijnen van de Organisatie;
  119. c)de waardepapieren en het contante geld die in een bank of kas zijn gedeponeerd gecontroleerd werden aan de hand van rechtstreeks van de depothouders ontvangen certificaten, of daadwerkelijk geteld werden;
  120. d)de interne controles, met inbegrip van het interne onderzoek van de boekhouding, doeltreffend zijn;
  121. e)alle activa en passiva, alsook alle overschotten en tekorten, zijn geboekt volgens procedures die hij bevredigend acht. § 3. Alleen de controleur is bevoegd om de verklaringen en bewijsstukken van de Secretaris-Generaal geheel of gedeeltelijk te aanvaarden. Indien hij het dienstig acht, kan hij overgaan tot onderzoek en gedetailleerde controle van elk boekhoudkundig document betreffende de financiële verrichtingen of de leveringen en het materiaal. § 4. De controleur heeft te allen tijde onbeperkte inzage in alle boeken, geschriften, boekhoudkundige documenten en andere informatiebronnen die hij nodig meent te hebben. § 5. De controleur is niet bevoegd om een of andere rubriek van de boekhouding te verwerpen, maar hij vestigt onmiddellijk de aandacht van de Secretaris-Generaal op elke verrichting waarvan de regelmatigheid of de gepastheid hem betwistbaar lijkt, opdat laatstgenoemde passende maatregelen kan treffen. § 6. De controleur verstrekt en ondertekent in de volgende bewoordingen een verklaring over de financiële staten : "Ik heb de financiële staten van de Organisatie betreffende de begrotingsperiode die eindigt op 31 december .... onderzocht. Mijn onderzoek omvatte een algemene analyse van de boekhoudmethoden en de in de gegeven omstandigheden naar mijn mening noodzakelijke controle van de boekhoudkundige documenten en andere bewijsstukken". Deze verklaring vermeldt in voorkomend geval dat :
  122. a)de financiële staten op bevredigende wijze de financiële situatie op de einddatum van de beschouwde periode weergeven alsook de resultaten van de verrichtingen gedurende de periode die op die datum eindigde;
  123. b)de financiële staten zijn opgesteld overeenkomstig de genoemde boekhoudkundige beginselen;
  124. c)de financiële beginselen zijn toegepast volgens de modaliteiten die overeenstemmen met die welke tijdens de voorgaande begrotingsperiode werden aangenomen;
  125. d)de financiële verrichtingen zijn uitgevoerd in overeenstemming met de voorschriften en reglementen, de budgettaire bepalingen en de andere richtlijnen van de Organisatie. § 7. De controleur vermeldt in zijn verslag over de financiële verrichtingen :
  126. a)de aard en de draagwijdte van het door hem uitgevoerde onderzoek;
  127. b)de elementen die verband houden met de volledigheid of de juistheid van de boekhouding, eventueel met inbegrip van : 1.de voor de juiste interpretatie en de juiste beoordeling van de boekhouding vereiste gegevens; 2. elk bedrag dat geïnd had moeten worden, maar niet geboekt is;3. elk bedrag dat een regelmatige of voorwaardelijke uitgavenverplichting inhoudt en dat niet geboekt is of waarmee in de financiële staten geen rekening is gehouden;4. de uitgaven waarvoor geen toereikende bewijsstukken zijn overgelegd;5. het bijhouden van de boeken in de goede en voorgeschreven wijze; gevallen waarin de vorm en inhoud van de financiële staten afwijken van de algemeen erkende en altijd gehanteerde boekhoudkundige beginselen moeten worden gemeld;
  128. c)andere kwesties waarop de aandacht van het Comité van Beheer moet worden gevestigd, zoals : 1.gevallen van fraude of vermoedelijke fraude; 2. verspilling of onregelmatig gebruik van fondsen of andere tegoeden van de Organisatie (ook al zou de boekhouding in orde zijn op het punt van de uitgevoerde verrichting);3. uitgaven die op een later tijdstip aanzienlijke kosten voor de Organisatie zouden kunnen meebrengen;4. elke tekortkoming, algemeen of bijzonder, in het controlesysteem van de ontvangsten en uitgaven of de leveringen en het materiaal;5. uitgaven die niet stroken met de intenties van het Comité van Beheer, rekening houdend met officieel toegestane overboekingen binnen de begroting;6. kredietoverschrijdingen, rekening houdend met de wijzigingen voortvloeiend uit officieel toegestane overboekingen binnen de begroting;7. uitgaven die niet overeenstemmen met de daarvoor geldende machtigingen;
  129. d)de juistheid of onjuistheid van de boekhouding inzake de leveringen en het materiaal, vastgesteld op basis van de inventarisatie en de controle van de boeken. Bovendien kan het verslag handelen over verrichtingen die tijdens een vorige begrotingsperiode werden geboekt en waarover nieuwe gegevens verkregen werden, alsook over verrichtingen die in de loop van een volgende begrotingsperiode moeten plaatsvinden en waarvan het wenselijk lijkt dat het Comité van Beheer er vooraf van op de hoogte wordt gesteld. § 8. De controleur mag in zijn verslag nooit enige kritiek leveren zonder de Secretaris-Generaal tevoren een mogelijkheid tot nadere verklaring te bieden. § 9. De controleur deelt aan het Comité van Beheer en de Secretaris-Generaal zijn bevindingen mee als gevolg van de controle. Bovendien kan hij elk commentaar leveren dat hij passend acht betreffende het financieel verslag van de Secretaris-Generaal. § 10. Voorzover de controleur een oppervlakkig onderzoek heeft uitgevoerd of onvoldoende bewijsstukken heeft kunnen verkrijgen, moet hij zulks melden in zijn verklaring en zijn verslag, onder vermelding van de redenen voor die opmerkingen, alsook de gevolgen die daaruit voortvloeien voor de financiële situatie en de geboekte financiële verrichtingen. TITEL V. - Arbitrage Artikel 28 Bevoegdheid § 1. De geschillen tussen de lidstaten voortvloeiende uit de interpretatie of de toepassing van het Verdrag, alsmede de geschillen tussen de lidstaten en de Organisatie voortvloeiende uit de interpretatie of de toepassing van het Protocol over de voorrechten en immuniteiten, kunnen, op verzoek van een van de partijen, worden voorgelegd aan een scheidsgerecht. De partijen zijn vrij te beslissen over de samenstelling van het scheidsgerecht en over de scheidsrechterlijke procedure. § 2. De andere geschillen voortvloeiende uit de interpretatie of de toepassing van het Verdrag of van andere, in overeenstemming met artikel 2, § 2 door de Organisatie opgestelde verdragen, indien zij niet in der minne zijn geregeld of ter beslissing zijn voorgelegd aan de gewone rechter, kunnen in onderling overleg tussen de betrokken partijen worden voorgelegd aan een scheidsgerecht. De artikelen 29 tot en met 32 zijn van toepassing op de samenstelling van het scheidsgerecht en op de scheidsrechterlijke procedure. § 3. Iedere Staat kan zich, bij zijn verzoek om toetreding tot het Verdrag, het recht voorbehouden het bepaalde in § 1 en § 2 niet of slechts voor een gedeelte toe te passen. § 4. De Staat die een voorbehoud heeft gemaakt overeenkomstig § 3 kan dit voorbehoud te allen tijde intrekken door de depositaris hiervan op de hoogte te stellen. Deze intrekking wordt van kracht een maand na de datum waarop de depositaris hiervan kennis geeft aan de lidstaten. Artikel 29 Arbitrageovereenkomst. Griffie De partijen sluiten een arbitrageovereenkomst, waarin in het bijzonder wordt geregeld :
  130. a)het onderwerp van het geschil;
  131. b)de samenstelling van het scheidsgerecht en de overeengekomen termijnen voor de benoeming van de scheidsman of de scheidsmannen;
  132. c)de overeengekomen plaats waar het scheidsgerecht zitting houdt. De arbitrageovereenkomst moet worden medegedeeld aan de Secretaris-Generaal, die optreedt als griffier. Artikel 30 Scheidsmannen § 1. Er wordt een lijst van scheidsmannen opgesteld en bijgehouden door de Secretaris-Generaal. Iedere lidstaat kan twee van zijn onderdanen op de lijst van scheidsmannen laten opnemen. § 2. Het scheidsgerecht bestaat uit een, drie of vijf scheidsmannen, overeenkomstig de arbitrageovereenkomst. De scheidsmannen worden gekozen uit de personen die voorkomen op de in § 1 bedoelde lijst. Indien de arbitrageovereenkomst voorziet in vijf scheidsmannen, kan ieder der partijen evenwel een scheidsman kiezen die niet op de lijst voorkomt. Indien de arbitrageovereenkomst voorziet in een enkele scheidsman, wordt deze door de partijen in gemeenschappelijk overleg gekozen. Indien de arbitrageovereenkomst drie of vijf scheidsmannen voorschrijft, kiest ieder der partijen een of twee scheidsmannen, al naar gelang van het geval; deze scheidsmannen wijzen in gemeenschappelijk overleg de derde of de vijfde scheidsman aan, die als voorzitter van het scheidsgerecht optreedt. Indien de partijen over de aanwijzing van de enkele scheidsman of indien de gekozen scheidsmannen over de aanwijzing van de derde of de vijfde scheidsman niet tot overeenstemming komen, geschiedt bedoelde aanwijzing door de Secretaris-Generaal. § 3. De enkele, de derde of de vijfde scheidsman moet van een andere nationaliteit zijn dan de partijen, tenzij deze dezelfde nationaliteit hebben. § 4. De tussenkomst in het geschil door een derde partij heeft geen invloed op de samenstelling van het scheidsgerecht. Artikel 31 Procedure. Kosten § 1. Het scheidsgerecht stelt de te volgen procedure vast, waarbij met name rekening wordt gehouden met de volgende bepalingen :
  133. a)het onderzoekt en beoordeelt de zaken aan de hand van de door de partijen naar voren gebrachte punten, zonder dat het, wanneer het een uitspraak over rechtsvragen moet doen, is gebonden aan de interpretatie door de partijen;
  134. b)het kan niet meer of iets anders toewijzen dan hetgeen is geëist in de conclusies van de eiser, en niet minder toewijzen dan hetgeen de verweerder heeft erkend verschuldigd te zijn;
  135. c)de scheidsrechterlijke uitspraak wordt, met redenen omkleed, opgesteld door het scheidsgerecht en wordt door de Secretaris-Generaal aan de partijen betekend;
  136. d)de scheidsrechterlijke uitspraak is, behoudens andersluidende bepaling van dwingend recht, geldend ter plaatse waar het scheidsgerecht zitting houdt en behoudens andersluidende overeenkomst tussen de partijen, beslissend. § 2. De honoraria van de scheidsmannen worden vastgesteld door de Secretaris-Generaal. § 3. In de scheidsrechterlijke uitspraak worden de kosten en uitgaven vastgesteld en wordt beslist hoe deze alsmede de honoraria van de scheidsmannen tussen de partijen worden verdeeld. Artikel 32 Verjaring. Uitvoerbaarheid § 1. Het in werking stellen van de scheidsrechterlijke procedure heeft, wat de stuiting van de verjaring betreft, hetzelfde gevolg als dat voorzien in het materiële recht dat van toepassing is op het instellen van de vordering voor de gewone rechter. § 2. De uitspraak van het scheidsgerecht kan in ieder van de lidstaten ten uitvoer worden gelegd nadat is voldaan aan de formaliteiten die zijn voorgeschreven in de Staat waar de tenuitvoerlegging moet plaatsvinden. Toetsing van de zaak ten gronde is niet toegestaan. TITEL VI. - Wijziging van het Verdrag Artikel 33 Bevoegdheid § 1. De Secretaris-Generaal brengt de door de Lidstaten aan hem gezonden of door hemzelf uitgewerkte voorstellen tot wijziging van het Verdrag onmiddellijk ter kennis van de Lidstaten. § 2. De Algemene Vergadering beslist over de voorstellen tot wijziging van het Verdrag, voorzover in de §§ 4 tot en met 6 niets anders is bepaald. § 3. Wanneer een wijzigingsvoorstel is voorgelegd aan de Algemene Vergadering kan deze met de in artikel 14, § 6 bedoelde meerderheid besluiten, dat dit voorstel naar zijn aard nauw verband houdt met een of meer bepalingen van de Aanhangsels bij het Verdrag. In dit geval, alsook in de in de §§ 4 tot en met 6, tweede volzin bedoelde gevallen is de Algemene Vergadering eveneens bevoegd een besluit te nemen over de wijziging van deze bepaling of bepalingen van de Aanhangsels. § 4. Behoudens de besluiten van de Algemene Vergadering, genomen volgens § 3, eerste volzin, beslist de Herzieningscommissie over de wijzigingsvoorstellen met betrekking tot :
  137. a)de artikelen 9 en 27, §§ 2 tot en met 10;
  138. b)de Uniforme Regelen CIV, met uitzondering van de artikelen 1, 2, 5, 6, 16, 26 tot en met 39, 41 tot en met 53 en 56 tot en met 60;
  139. c)de Uniforme Regelen CIM, met uitzondering van de artikelen 1, 5, 6, §§ 1 en 2, de artikelen 8, 12, 13, § 2, de artikelen 14, 15, §§ 2 en 3, artikel 19, §§ 6 en 7, alsmede de artikelen 23 tot en met 27, 30 tot en met 33, 36 tot en met 41 en 44 tot en met 48;
  140. d)de Uniforme Regelen CUV, met uitzondering van de artikelen 1, 4, 5 en 7 tot en met 12;
  141. e)de Uniforme Regelen CUI, met uitzondering van de artikelen 1, 2, 4, 8 tot en met 15, 17 tot en met 19, 21 en 23 tot en met 25;
  142. f)de Uniforme Regelen APTU, met uitzondering van de artikelen 1, 3 en 9 tot en met 11, alsmede de Bijlagen van deze Uniforme Regelen;
  143. g)de Uniforme Regelen ATMF, met uitzondering van de artikelen 1, 3 en 9. Wanneer wijzigingsvoorstellen overeenkomstig onder a tot en met g aan de Herzieningscommissie worden voorgelegd, kan een derde van de in de Commissie vertegenwoordigde Staten verlangen dat deze voorstellen ter beslissing aan de Algemene Vergadering worden voorgelegd. § 5. De Commissie van RID-deskundigen beslist over wijzigingsvoorstellen met betrekking tot het Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van gevaarlijke goederen (RID). Wanneer dergelijke voorstellen aan de Commissie van RID-deskundigen worden voorgelegd, kan een derde van de in de Commissie vertegenwoordigde Staten verlangen dat deze voorstellen ter beslissing aan de Algemene Vergadering worden voorgelegd. § 6. De Commissie van technisch deskundigen beslist over wijzigingsvoorstellen met betrekking tot de Bijlagen van de Uniforme Regelen APTU. Wanneer dergelijke voorstellen aan de Commissie van technisch deskundigen worden voorgelegd, kan een derde van de in de Commissie vertegenwoordigde Staten verlangen dat deze voorstellen ter beslissing aan de Algemene Vergadering worden voorgelegd. Artikel 34 Besluiten van de Algemene Vergadering § 1. De wijzigingen van het Verdrag waartoe de Algemene Vergadering heeft besloten, worden door de Secretaris-Generaal ter kennis gebracht aan de lidstaten. § 2. De wijzigingen van het Verdrag zelf, waartoe de Algemene Vergadering heeft besloten, treden twaalf maanden na goedkeuring daarvan door twee derde van de Lidstaten in werking voor alle lidstaten met uitzondering van die welke, voordat de wijzigingen van kracht worden, een verklaring hebben afgelegd waarin zij stellen dat zij de genoemde wijzigingen niet goedkeuren. § 3. De wijzigingen van de Aanhangsels bij het Verdrag waartoe de Algemene Vergadering heeft besloten, treden twaalf maanden na goedkeuring daarvan door de helft van de lidstaten die geen verklaring overeenkomstig artikel 42, § 1, eerste volzin hebben afgelegd, in werking voor alle lidstaten met uitzondering van die welke, voordat de wijzigingen in werking treden, een verklaring hebben afgelegd waarin zij stellen dat zij de genoemde wijzigingen niet goedkeuren en van die welke een verklaring overeenkomstig artikel 42, § 1, eerste volzin hebben afgelegd. § 4. De lidstaten doen de Secretaris-Generaal hun kennisgevingen toekomen inzake de goedkeuring van de wijzigingen van het Verdrag waartoe de Algemene Vergadering heeft besloten, alsmede hun verklaringen waarin zij stellen dat zij deze wijzigingen niet goedkeuren. De Secretaris-Generaal stelt de andere lidstaten hiervan op de hoogte. § 5. De in de §§ 2 en 3 bedoelde termijn loopt te rekenen van de dag van de kennisgeving van de Secretaris-Generaal dat aan de voorwaarden voor het in werking treden van de wijzigingen is voldaan. § 6. De Algemene Vergadering kan op het tijdstip van de aanneming van een wijziging aangeven dat deze wijziging van zodanige betekenis is dat elke lidstaat, die een verklaring zoals bedoeld in § 2 of § 3 aflegt en die de wijziging binnen de termijn van achttien maanden te rekenen van de inwerkingtreding daarvan niet goedkeurt, na afloop van deze termijn niet langer lidstaat van de Organisatie is. § 7. Wanneer de besluiten van de Algemene Vergadering betrekking hebben op de Aanhangsels bij het Verdrag, wordt de toepassing van het desbetreffende Aanhangsel volledig geschorst, vanaf het tijdstip waarop de besluiten in werking treden, voor het verkeer met en tussen de lidstaten die zich overeenkomstig § 3 binnen de gestelde termijn tegen de besluiten hebben verzet. De Secretaris-Generaal geeft de lidstaten kennis van deze schorsing; de schorsing eindigt na verloop van een maand, te rekenen van de datum waarop de Secretaris-Generaal de andere lidstaten kennis heeft gegeven dat het verzet is ingetrokken. Artikel 35 Besluiten van de Commissies § 1. De wijzigingen van het Verdrag waartoe de Commissies hebben besloten, worden door de Secretaris-Generaal ter kennis gebracht aan de lidstaten. § 2. De wijzigingen van het Verdrag zelf, waartoe de Herzieningscommissie heeft besloten, treden voor alle lidstaten in werking op de eerste dag van de twaalfde maand, volgend op de maand waarin de Secretaris-Generaal deze wijzigingen aan de lidstaten ter kennis heeft gebracht. De lidstaten kunnen binnen vier maanden na de datum van kennisgeving bezwaar aantekenen. In geval van bezwaar door een kwart van de lidstaten treedt de wijziging niet in werking. Indien een lidstaat binnen vier maanden bezwaar aantekent tegen een besluit van de Herzieningscommissie en het Verdrag opzegt, wordt de opzegging van kracht op de datum waarop het genoemde besluit in werking treedt. § 3. De wijzigingen van de Aanhangsels bij het Verdrag, waartoe de Herzieningscommissie heeft besloten, treden voor alle lidstaten in werking op de eerste dag van de twaalfde maand, volgend op de maand waarin de Secretaris-Generaal deze wijzigingen aan de lidstaten ter kennis heeft gebracht. De wijzigingen waartoe de Commissie van RID-deskundigen of de Commissie van technisch deskundigen heeft besloten, treden voor alle lidstaten in werking op de eerste dag van de zesde maand, volgend op de maand waarin de Secretaris-Generaal deze wijzigingen aan de lidstaten ter kennis heeft gebracht. § 4. De lidstaten kunnen binnen een termijn van vier maanden, te rekenen van de dag waarop de in § 3 bedoelde kennisgeving is gedaan, bezwaar aantekenen. In geval van bezwaar door een kwart van de lidstaten treedt de wijziging niet in werking. In de lidstaten die binnen de gestelde termijn bezwaar hebben aangetekend tegen een besluit, wordt de toepassing van het desbetreffende Aanhangsel volledig geschorst voor het verkeer met en tussen de lidstaten vanaf het tijdstip waarop de besluiten van kracht worden. Evenwel, in geval van bezwaar tegen de verbindendverklaring van een technische norm of tegen de aanneming van een uniform technisch voorschrift, worden alleen deze normen of voorschriften geschorst ten aanzien van het verkeer met en tussen de lidstaten, te rekenen van het tijdstip waarop de besluiten van kracht worden; hetzelfde geldt in geval van gedeeltelijk bezwaar. § 5. De Secretaris-Generaal brengt de lidstaten op de hoogte van de in § 4 bedoelde schorsingen; zij worden opgeheven na verloop van een termijn van een maand, te rekenen van de dag waarop de Secretaris-Generaal de overige lidstaten van de intrekking van een dergelijk bezwaar kennis heeft gegeven. § 6. Voor de vaststelling van het aantal bezwaren zoals bedoeld in de §§ 2 en 4, wordt geen rekening gehouden met de lidstaten die :
  144. a)geen stemrecht hebben (artikel 14, § 5, artikel 26, § 7 of artikel 40, § 4);
  145. b)geen lid zijn van de desbetreffende Commissie (artikel 16, § 1, tweede volzin);
  146. c)een verklaring hebben afgelegd overeenkomstig artikel 9, § 1 van de Uniforme Regelen APTU. TITEL VII. - Slotbepalingen Artikel 36 Depositaris § 1. De Secretaris-Generaal is de depositaris van dit Verdrag. Zijn taken van depositaris zijn die welke worden vermeld in Deel VII van het Verdrag van Wenen van 23 mei 1969 inzake het verdragenrecht. § 2. Wanneer tussen een lidstaat en de depositaris een geschil rijst met betrekking tot de vervulling van de taken van de depositaris, brengt de depositaris of de betrokken lidstaat deze kwestie onder de aandacht van de lidstaten of legt hij, in voorkomend geval, deze ter beslissing voor aan het Comité van Beheer. Artikel 37 Toetreding tot het Verdrag § 1. De toetreding tot het Verdrag staat open voor iedere Staat op het grondgebied waarvan een spoorweginfrastructuur wordt geëxploiteerd. § 2. Een Staat die tot het Verdrag wenst toe te treden, richt een verzoek aan de depositaris. De depositaris doet hiervan mededeling aan de lidstaten. § 3. Het verzoek is van rechtswege ingewilligd drie maanden na de in § 2 bedoelde mededeling, tenzij door vijf lidstaten bij de depositaris bezwaar wordt aangetekend. De depositaris doet hiervan de verzoekende Staat alsmede de lidstaten onverwijld mededeling. De toetreding wordt van kracht op de eerste dag van de derde maand volgend op deze mededeling. § 4. In geval van bezwaar van ten minste vijf lidstaten binnen de in § 3 bedoelde termijn, wordt het verzoek tot toetreding voorgelegd aan de Algemene Vergadering, die daarover een besluit neemt. § 5. Behoudens artikel 42, kan elke toetreding tot het Verdrag slechts betrekking hebben op het Verdrag in de versie die geldt op het tijdstip waarop de toetreding van kracht wordt. Artikel 38 Toetreding door regionale organisaties voor economische integratie § 1. De toetreding tot het Verdrag staat open voor regionale organisaties voor economische integratie die zelf de bevoegdheid hebben voor hun leden bindende wetgeving aan te nemen met betrekking tot de aangelegenheden die in dit Verdrag worden geregeld en waarvan een of meer lidstaten lid zijn. De voorwaarden van deze toetreding worden vastgelegd in een overeenkomst tussen de Organisatie en de regionale organisatie. § 2. De regionale organisatie kan de rechten die haar leden krachtens het Verdrag bezitten, uitoefenen voorzover deze rechten betrekking hebben op aangelegenheden die onder haar bevoegdheid vallen. Dit geldt eveneens voor de verplichtingen die ingevolge dit Verdrag op de lidstaten rusten, met uitzondering van de in artikel 26 bedoelde financiële verplichtingen. § 3. Met betrekking tot de uitoefening van het in artikel 35, §§ 2 en 4 bedoelde stemrecht en recht van bezwaar, beschikt de regionale organisatie over een aantal stemmen dat gelijk is aan haar aantal leden die tevens lidstaten van de Organisatie zijn. Deze laatste kunnen hun rechten, met name het stemrecht, slechts uitoefenen voorzover § 2 dit toelaat. Ten aanzien van Titel IV heeft de regionale organisatie geen stemrecht. § 4. Voor de beëindiging van het lidmaatschap is artikel 41 van overeenkomstige toepassing. Artikel 39 Geassocieerde leden § 1. Elke Staat op het grondgebied waarvan een spoorweginfrastructuur wordt geëxploiteerd, kan geassocieerd lid van de Organisatie worden. Artikel 37, §§ 2 tot en met 5 is van overeenkomstige toepassing. § 2. Een geassocieerd lid kan slechts met een adviserende stem deelnemen aan de werkzaamheden van de in artikel 13, § 1, onder a en c tot en met f bedoelde organen. Een geassocieerd lid kan niet worden aangewezen als lid van het Comité van Beheer. Een geassocieerd lid draagt met 0,25 procent van de bijdragen bij aan de uitgaven van de Organisatie (artikel 26, § 3). § 3. Voor de beëindiging van het geassocieerd lidmaatschap is artikel 41 van overeenkomstige toepassing. Artikel 40 Schorsing van het lidmaatschap § 1. Een lidstaat kan, zonder het Verdrag op te zeggen, een schorsing van zijn lidmaatschap van de Organisatie verzoeken, wanneer op zijn grondgebied geen internationaal spoorwegverkeer meer plaatsvindt en de redenen hiervoor niet aan deze lidstaat zijn toe te schrijven. § 2. Het Comité van Beheer besluit over een verzoek tot schorsing van het lidmaatschap. Het verzoek moet uiterlijk drie maanden voor een zitting van het Comité worden ingediend bij de Secretaris-Generaal. § 3. De schorsing van het lidmaatschap treedt in werking op de eerste dag van de maand volgende op de dag waarop de Secretaris-Generaal de lidstaten kennis heeft gegeven van het besluit van het Comité van Beheer. De schorsing van het lidmaatschap wordt beëindigd door de kennisgeving door de lidstaat van het hervatten van internationaal spoorwegverkeer op zijn grondgebied. De Secretaris-Generaal geeft hiervan onverwijld kennis aan de andere lidstaten. § 4. De schorsing van het lidmaatschap heeft tot gevolg dat :
  147. a)de lidstaat wordt vrijgesteld van zijn verplichting bij te dragen aan de financiering van de uitgaven van de Organisatie;
  148. b)het stemrecht in de organen van de Organisatie wordt geschorst;
  149. c)het recht van bezwaar ingevolge artikel 34, §§ 2 en 3 en ingevolge artikel 35, §§ 2 en 4 wordt geschorst. Artikel 41 Opzegging van het Verdrag § 1. Het Verdrag kan op elk tijdstip worden opgezegd. § 2. Elke lidstaat die het Verdrag wenst op te zeggen, doet hiervan mededeling aan de depositaris. De opzegging wordt van kracht op 31 december van het volgende jaar. Artikel 42 Verklaringen en voorbehouden met betrekking tot het Verdrag § 1. Iedere lidstaat kan op elk tijdstip verklaren dat hij bepaalde Aanhangsels bij het Verdrag niet in hun geheel zal toepassen. Bovendien zijn voorbehouden alsook verklaringen dat bepaalde bepalingen van het Verdrag zelf of van de Aanhangsels daarbij niet worden toegepast, slechts toegestaan indien in dergelijke voorbehouden en verklaringen uitdrukkelijk wordt voorzien in de bepalingen zelf. § 2. De voorbehouden of de verklaringen worden gericht aan de depositaris. Zij worden van kracht op het tijdstip waarop het Verdrag voor de desbetreffende Staat in werking treedt. Elke verklaring die na deze inwerkingtreding wordt gedaan, wordt van kracht op 31 december van het jaar volgend op deze verklaring. De depositaris doet hiervan mededeling aan de lidstaten. Artikel 43 Opheffing van de Organisatie § 1. De Algemene Vergadering kan besluiten tot opheffing van de Organisatie en van de eventuele overdracht van haar bevoegdheden aan een andere intergouvernementele organisatie, waarbij zij voorzover nodig met deze organisatie de voorwaarden van deze overdracht vaststelt. § 2. In geval van opheffing van de Organisatie wordt haar vermogen verdeeld onder de lidstaten die gedurende de vijf kalenderjaren voorafgaand aan het kalenderjaar, waarin het besluit ingevolge § 1 is genomen, zonder onderbreking lid van de Organisatie zijn geweest, een en ander naar evenredigheid van het percentage waarmee zij deze voorgaande vijf jaar hebben bijgedragen aan de uitgaven van Organisatie. Artikel 44 Overgangsbepaling In de gevallen bedoeld in artikel 34, § 7, artikel 35, § 4, artikel 41, § 1 en artikel 42, blijft het recht dat gold op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomsten onderworpen aan de Uniforme Regelen CIV, de Uniforme Regelen CIM, de Uniforme Regelen CUV of de Uniforme Regelen CUI van toepassing op bestaande overeenkomsten. Artikel 45 Teksten van het Verdrag § 1. Het Verdrag is opgesteld in de Duitse, de Engelse en de Franse taal. In geval van verschillen is de Franse tekst doorslaggevend. § 2. Op voorstel van een van de betrokken Staten publiceert de Organisatie officiële vertalingen van het Verdrag in andere talen, voorzover een van deze talen een officiële taal is op het grondgebied van ten minste twee lidstaten. Deze vertalingen worden verzorgd in samenwerking met de bevoegde diensten van de betrokken lidstaten. Protocol over de voorrechten en immuniteiten van de Intergouvernementele organisatie voor het internationale spoorwegvervoer (OTIF) Artikel 1 Immuniteit van rechtsmacht, executie en beslag § 1. In het kader van haar officiële werkzaamheden geniet de Organisatie immuniteit van rechtsmacht en executie behoudens :
  150. a)voorzover de Organisatie in een bijzonder geval uitdrukkelijk afstand van een dergelijke immuniteit heeft gedaan;
  151. b)in geval van een door een derde ingestelde civiele rechtsvordering;
  152. c)in geval van een eis in reconventie die rechtstreeks verband houdt met een door de Organisatie in de hoofdzaak aangespannen procedure;
  153. d)in geval van beslag, bevolen bij rechterlijke beslissing, op de door de Organisatie aan een van haar personeelsleden verschuldigde wedden, salarissen en andere emolumenten. § 2. De tegoeden en andere vermogensbestanddelen van de Organisatie genieten, ongeacht waar deze zich bevinden, immuniteit ten aanzien van elke vorm van vordering, verbeurdverklaring, sekwester en andere vormen van beslag of dwangmaatregel, behalve voorzover deze tijdelijk vereist zijn ter voorkoming van ongevallen veroorzaakt door motorvoertuigen die toebehoren aan de Organisatie of die voor haar rekening rijden en de onderzoeken waartoe genoemde ongevallen aanleiding kunnen geven. Artikel 2 Bescherming tegen onteigening Indien een onteigening om redenen van algemeen belang noodzakelijk is, moeten alle geschikte maatregelen worden genomen teneinde te voorkomen dat de onteigening een belemmering vormt voor de uitoefening van de werkzaamheden van de Organisatie en moet een voorafgaande, onmiddellijke en passende schadevergoeding worden betaald. Artikel 3 Vrijstelling van belastingen § 1. Iedere lidstaat stelt de Organisatie, haar vermogen en inkomsten voor de uitoefening van haar officiële werkzaamheden, vrij van directe belastingen. Wanneer aankopen of diensten van een aanzienlijk bedrag, die strikt noodzakelijk zijn voor de officiële werkzaamheden van de Organisatie, door de Organisatie worden verricht of gebruikt en wanneer in de prijs van deze aankopen of diensten heffingen of rechten zijn begrepen, nemen de lidstaten, iedere keer als het mogelijk is, geschikte maatregelen met het oog op de vrijstelling van deze heffingen of rechten of de terugbetaling daarvan. § 2. Geen enkele vrijstelling wordt verleend ten aanzien van de belastingen en heffingen die slechts een enkele beloning vormen voor verleende diensten. § 3. De goederen die overeenkomstig § 1 zijn verkregen mogen slechts verkocht, afgestaan of gebruikt worden onder de voorwaarden die zijn vastgesteld door de lidstaat die de vrijstellingen heeft verleend. Artikel 4 Vrijstelling van rechten en heffingen § 1. De goederen die door de Organisatie zijn ingevoerd of uitgevoerd en die noodzakelijk zijn voor de oefening van haar officiële werkzaamheden, zijn vrijgesteld van alle rechten en heffingen die geïnd worden bij de invoer of de uitvoer. § 2. Uit hoofde van dit artikel wordt geen enkele vrijstelling verleend ten aanzien van de aankopen en de invoer van goederen of het verlenen van diensten bestemd voor de persoonlijke behoeftes van de personeelsleden van de Organisatie. § 3. Artikel 3, § 3 is van overeenkomstige toepassing op de goederen die overeenkomstig § 1 zijn ingevoerd. Artikel 5 Officiële werkzaamheden De in dit Protocol bedoelde officiële werkzaamheden van de Organisatie zijn de werkzaamheden die overeenstemmen met de doelstellingen omschreven in artikel 2 van het Verdrag van de Organisatie. Artikel 6 Geldverkeer De Organisatie kan alle soorten geldmiddelen, deviezen, contant geld of waardepapieren ontvangen en bezitten. Zij kan daarover vrijelijk beschikken voor elk gebruik zoals voorzien in het Verdrag en rekeningen aanhouden in elke valuta voorzover nodig voor het nakomen van haar verplichtingen. Artikel 7 Berichtenverkeer Voor haar officiële berichtenverkeer en het overbrengen van al haar documenten geniet de Organisatie een behandeling die niet minder gunstig is dan die welke door iedere lidstaat aan andere vergelijkbare internationale organisaties wordt verleend. Artikel 8 Voorrechten en immuniteiten van de vertegenwoordigers van de Staten De vertegenwoordigers van de lidstaten genieten, in de uitoefening van hun functies en tijdens de duur van hun dienstreizen, op het grondgebied van iedere lidstaat de volgende voorrechten en immuniteiten :
  154. a)immuniteit van rechtsmacht, zelfs na beëindiging van hun opdracht, voor de handelingen, met inbegrip van hun woorden en geschriften, door hen in de uitoefening van hun functies verricht;deze immuniteit geldt echter niet in geval van schade ten gevolge van een ongeval veroorzaakt door een motorvoertuig of ieder ander vervoermiddel toebehorend aan een vertegenwoordiger van een lidstaat of door hem bestuurd of in geval van een overtreding van de verkeersvoorschriften waarbij een dergelijk vervoermiddel betrokken is;
  155. b)immuniteit van aanhouding en voorlopige hechtenis, behalve in geval van ontdekking op heterdaad;
  156. c)immuniteit van beslag op hun persoonlijke bagage, behalve in geval van ontdekking op heterdaad;
  157. d)onschendbaarheid van al hun officiële papieren en documenten;
  158. e)vrijstelling voor hen zelf en voor hun echtgenoten van elke beperkende maatregel betreffende de toegang en van alle formaliteiten van vreemdelingenregistratie;
  159. f)dezelfde faciliteiten met betrekking tot de monetaire of de valutavoorschriften zoals verleend aan de vertegenwoordigers van buitenlandse Regeringen met een tijdelijke officiële opdracht. Artikel 9 Voorrechten en immuniteiten van de personeelsleden van de Organisatie De personeelsleden van de Organisatie genieten, gedurende de uitoefening van hun functies, op het grondgebied van iedere lidstaat de volgende voorrechten en immuniteiten :
  160. a)immuniteit van rechtsmacht voor de handelingen, met inbegrip van hun woorden en geschriften, verricht in de uitoefening van hun functies en binnen de grenzen van hun bevoegdheden;deze immuniteit geldt echter niet in geval van schade ten gevolge van een ongeval veroorzaakt door een motorvoertuig of ieder ander vervoermiddel toebehorend aan een personeelslid van de Organisatie of door hem bestuurd of in geval van een overtreding van de verkeersvoorschriften waarbij een dergelijk vervoermiddel betrokken is; de personeelsleden blijven zelfs na het beëindigen van de dienstbetrekking bij de Organisatie deze immuniteit genieten;
  161. b)onschendbaarheid van al hun officiële papieren en documenten;
  162. c)dezelfde vrijstellingen van maatregelen die de immigratie beperken en de vreemdelingenregistratie regelen, als die welke in het algemeen worden verleend aan de personeelsleden van internationale organisaties;hun familieleden die deel uitmaken van hun huishouden genieten dezelfde faciliteiten;
  163. d)vrijstelling van de nationale belasting op het inkomen, onder voorbehoud van de invoering, ten gunste van de Organisatie, van een interne belastingheffing op de wedden, salarissen en andere emolumenten betaald door de Organisatie;echter, de lidstaten hebben de mogelijkheid met deze wedden, salarissen en emolumenten rekening te houden bij de berekening van het belastingbedrag dat uit de opbrengsten van andere bronnen wordt geïnd; de lidstaten zijn niet gehouden deze fiscale vrijstelling toe te passen op de vergoedingen en de ouderdoms- en overlevings-/nabestaandenpensioenen die door de Organisatie aan de voormalige personeelsleden of hun rechthebbenden zijn toegekend;
  164. e)met betrekking tot de valutavoorschriften, dezelfde voorrechten als die in het algemeen zijn verleend aan de personeelsleden van internationale organisaties;
  165. f)in periode van internationale crisis, dezelfde faciliteiten van terugkeer naar het vaderland voor hen en hun familieleden die deel uitmaken van hun huishouden als die in het algemeen zijn verleend aan de personeelsleden van internationale organisaties. Artikel 10 Voorrechten en immuniteiten van de deskundigen De deskundigen op wie de Organisatie een beroep doet, genieten, wanneer zij functies bij de Organisatie uitoefenen of opdrachten voor deze uitvoeren, met inbegrip van tijdens de in de uitoefening van deze functies of in het kader van die opdrachten verrichte reizen, de volgende voorrechten en immuniteiten, voorzover deze noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun functies :
  166. a)immuniteit van rechtsmacht met betrekking tot de handelingen, met inbegrip van hun woorden en geschriften, door hen in de uitoefening van hun functies verricht;deze immuniteit geldt echter niet in geval van schade ten gevolge van een ongeval veroorzaakt door een motorvoertuig of ieder ander vervoermiddel toebehorend aan een personeelslid van de Organisatie of door hem bestuurd of in geval van een overtreding van de verkeersvoorschriften waarbij een dergelijk vervoermiddel betrokken is; de deskundigen blijven zelfs na het beëindigen van hun functies bij de Organisatie deze immuniteit genieten;
  167. b)onschendbaarheid van al hun officiële papieren en documenten;
  168. c)de noodzakelijke valutafaciliteiten voor het overmaken van hun bezoldiging;
  169. d)dezelfde faciliteiten, met betrekking tot hun persoonlijke bagage, als die zijn verleend aan de vertegenwoordigers van buitenlandse Regeringen met een tijdelijke officiële opdracht. Artikel 11 Doel van de verleende voorrechten en immuniteiten § 1. De in dit Protocol bedoelde voorrechten en immuniteiten zijn uitsluitend ingesteld teneinde, onder alle omstandigheden, het onbelemmerd functioneren van de Organisatie en de volledige onafhankelijkheid van de personen aan wie ze zijn verleend, te verzekeren. De bevoegde autoriteiten heffen elke immuniteit op in alle gevallen waarin de handhaving het optreden van de justitie kan belemmeren en waarin zij kan worden opgeheven zonder de verwezenlijking van het doel waartoe deze is verleend, aan te tasten. § 2. De bevoegde autoriteiten met betrekking tot de doeleinden van § 1 zijn :
  170. a)de lidstaten, ten aanzien van hun vertegenwoordigers;
  171. b)het Comité van Beheer, ten aanzien van de Secretaris-Generaal;
  172. c)de Secretaris-Generaal, ten aanzien van de andere personeelsleden van de Organisatie evenals ten aanzien van de deskundigen op wie de Organisatie een beroep doet. Artikel 12 Voorkoming van misbruik § 1. Geen enkele bepaling van dit Protocol kan afbreuk doen aan het recht van iedere lidstaat om in het belang van zijn openbare veiligheid alle dienstige voorzorgsmaatregelen te nemen. § 2. De Organisatie werkt te allen tijde met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten samen met de bedoeling een goede rechtsgang te vergemakkelijken, de naleving van de wetten en voorschriften van de betrokken lidstaten te verzekeren en elk misbruik te verhinderen waartoe de in dit Protocol bedoelde voorrechten en immuniteiten aanleiding zouden kunnen geven. Artikel 13 Behandeling van eigen onderdanen Geen enkele lidstaat is verplicht de voorrechten en immuniteiten genoemd :
  173. a)in artikel 8, met uitzondering van onder d,
  174. b)in artikel 9, met uitzondering van onder a, b en d,
  175. c)in artikel 10, met uitzondering van onder a en b te verlenen aan zijn eigen onderdanen of aan de personen die in deze Staat hun permanente woonplaats hebben. Artikel 14 Aanvullende overeenkomsten De Organisatie kan met een of verscheidene lidstaten aanvullende overeenkomsten sluiten met het oog op de toepassing van dit Protocol ten aanzien van deze lidstaat of deze lidstaten, alsook andere overeenkomsten met de bedoeling de goede werking van de Organisatie te verzekeren. Uniforme Regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van reizigers (CIV - Aanhangsel A bij het Verdrag) TITEL I. - Algemene bepalingen Artikel 1 Toepassingsgebied § 1. Deze Uniforme Regelen zijn van toepassing op elke overeenkomst van spoorwegvervoer van reizigers, onder bezwarende titel of om niet, wanneer de plaats van vertrek en de plaats van bestemming zijn gelegen in twee verschillende lidstaten. Dit geldt ongeacht de woonplaats of zetel en de nationaliteit van de partijen bij de vervoerovereenkomst. § 2. Wanneer een internationaal vervoer dat het onderwerp vormt van een en dezelfde overeenkomst, in aanvulling op het grensoverschrijdende vervoer per spoor, een binnenlands vervoer over de weg of over binnenwateren van een lidstaat omvat, zijn deze Uniforme Regelen van toepassing. § 3. Wanneer een internationaal vervoer dat het onderwerp vormt van een en dezelfde overeenkomst, in aanvulling op het vervoer per spoor, een vervoer over zee of een grensoverschrijdend vervoer over binnenwateren omvat, zijn deze Uniforme Regelen van toepassing, indien het vervoer over zee of het vervoer over binnenwateren wordt uitgevoerd over de lijnen die zijn ingeschreven op de in artikel 24, § 1 van het Verdrag bedoelde lijst van de lijnen. § 4. Deze Uniforme Regelen zijn, voor wat betreft de aansprakelijkheid van de vervoerder in geval van dood of letsel van reizigers, eveneens van toepassing op personen die een zending begeleiden die wordt vervoerd overeenkomstig de Uniforme Regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van goederen (CIM). § 5. Deze Uniforme Regelen zijn niet van toepassing op het vervoer tussen stations gelegen op het grondgebied van aangrenzende Staten, wanneer de infrastructuur van deze stations wordt beheerd door één of meer beheerders van infrastructuur behorend tot een van deze Staten. § 6. Iedere Staat die partij is bij een ander met deze Uniforme Regelen vergelijkbaar verdrag betreffende het rechtstreekse internationale vervoer per spoor van reizigers kan, bij zijn verzoek tot toetreding tot het Verdrag, verklaren dat hij deze Uniforme Regelen slechts zal toepassen op vervoer verricht op een gedeelte van de op zijn grondgebied gelegen spoorweginfrastructuur. Dit gedeelte van de spoorweginfrastructuur moet nauwkeurig zijn omschreven en zijn aangesloten op de spoorweginfrastructuur van een lidstaat. Wanneer een Staat de bovengenoemde verklaring heeft afgelegd, zijn deze Uniforme Regelen slechts van toepassing indien :
  176. a)de plaats van vertrek of van bestemming alsmede het vervoertraject, zoals die in de vervoerovereenkomst zijn bepaald, gelegen zijn op de omschreven spoorweginfrastructuur of
  177. b)de omschreven spoorweginfrastructuur de verbinding vormt tussen de spoorweginfrastructuur van twee lidstaten en deze in de vervoerovereenkomst als vervoertraject voor transitovervoer is overeengekomen. § 7. De Staat die overeenkomstig § 6 een verklaring heeft afgelegd, kan die op elk tijdstip herroepen door hiervan mededeling te doen aan de depositaris. Deze herroeping wordt van kracht een maand na de dag waarop de depositaris de lidstaten hiervan kennis heeft gegeven. De verklaring verliest haar werking, wanneer het in § 6, eerste volzin bedoelde verdrag voor die Staat buiten werking treedt. Artikel 2 Verklaring betreffende de aansprakelijkheid in geval van dood en letsel van reizigers § 1. Iedere Staat kan op elk tijdstip verklaren dat hij alle bepalingen van deze Uniforme Regelen betreffende de aansprakelijkheid van de vervoerder in geval van dood en letsel van reizigers niet zal toepassen op slachtoffers van een ongeval op zijn grondgebied, die zijn onderdanen zijn of hun gewone verblijfplaats hebben in deze Staat. § 2. De Staat die een verklaring overeenkomstig § 1 heeft afgelegd, kan deze op elk tijdstip herroepen door hiervan mededeling te doen aan de depositaris. Deze herroeping wordt van kracht een maand na de dag waarop de depositaris de lidstaten hiervan kennis heeft gegeven. Artikel 3 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze Uniforme Regelen wordt verstaan onder :
  178. a)« vervoerder », de contractuele vervoerder met wie de reiziger overeenkomstig deze Uniforme Regelen de vervoerovereenkomst heeft gesloten, of een opvolgende vervoerder, die op grond van deze overeenkomst aansprakelijk is;
  179. b)« ondervervoerder », een vervoerder die niet de vervoerovereenkomst heeft gesloten met de reiziger, maar aan wie de onder a bedoelde vervoerder de uitvoering van het vervoer per spoor, geheel of gedeeltelijk, heeft toevertrouwd;
  180. c)« Algemene vervoervoorwaarden », de voorwaarden van de vervoerder in de vorm van algemene voorwaarden of van in iedere lidstaat rechtens geldende tarieven die door het sluiten van de vervoerovereenkomst onderdeel daarvan zijn geworden;
  181. d)« voertuig », motorvoertuig of aanhangwagen die ter gelegenheid van vervoer van reizigers wordt vervoerd. Artikel 4 Afwijkingen § 1. De lidstaten kunnen overeenkomsten sluiten waarin van deze Uniforme Regelen wordt afgeweken voor vervoer dat uitsluitend wordt verricht tussen twee stations gelegen aan weerszijden van de grens, wanneer zich tussen deze stations en de grens geen ander station bevindt. § 2. Voor vervoer tussen twee lidstaten via een Staat die geen lidstaat is, kunnen de betrokken Staten overeenkomsten sluiten die van deze Uniforme Regelen afwijken. § 3. Behoudens andere volkenrechtelijke bepalingen, kunnen twee of meer lidstaten onderling de voorwaarden vaststellen waaronder de vervoerders in het verkeer tussen deze Staten verplicht zijn reizigers, bagage, dieren en voertuigen te vervoeren. § 4. De in de §§ 1 tot en met 3 bedoelde overeenkomsten, alsmede hun inwerkingtreding worden medegedeeld aan de Intergouvernementele organisatie voor het internationale spoorwegvervoer. De Secretaris-Generaal van de Organisatie stelt de lidstaten en de belanghebbende ondernemingen hiervan op de hoogte. Artikel 5 Dwingend recht Voorzover deze Uniforme Regelen het niet uitdrukkelijk toelaten, is elk beding dat middellijk of onmiddellijk afwijkt van deze Uniforme Regelen nietig en zonder rechtsgevolgen. De nietigheid van dergelijke bedingen heeft niet de nietigheid van de overige bepalingen van de vervoerovereenkomst tot gevolg. Niettemin kan een vervoerder een zwaardere aansprakelijkheid en zwaardere verplichtingen op zich nemen dan die welke in deze Uniforme Regelen zijn bepaald. TITEL II. - Sluiting en uitvoering van de vervoerovereenkomst Artikel 6 Vervoerovereenkomst § 1. Op grond van de vervoerovereenkomst is de vervoerder verplicht de reiziger alsmede, in voorkomend geval, bagage en voertuigen te vervoeren naar de plaats van bestemming en de bagage en de voertuigen af te leveren op de plaats van bestemming. § 2. De vervoerovereenkomst moet worden vastgelegd in een of meer vervoerbewijzen die aan de reiziger worden overhandigd. Onverminderd artikel 9 tast het ontbreken, de onregelmatigheid of het verlies van het vervoerbewijs noch het bestaan, noch de geldigheid van de overeenkomst aan, die onderworpen blijft aan deze Uniforme Regelen. § 3. Het vervoerbewijs levert volledig bewijs, behoudens tegenbewijs, van het sluiten en de inhoud van de vervoerovereenkomst. Artikel 7 Vervoerbewijs § 1. De Algemene vervoervoorwaarden bepalen de vorm en de inhoud van de vervoerbewijzen, alsmede de taal waarin en de lettertekens waarmee zij moeten worden gedrukt en ingevuld. § 2. Op het vervoerbewijs moet ten minste worden vermeld :
  182. a)de vervoerder of de vervoerders;
  183. b)de aanduiding dat het vervoer, ongeacht enig andersluidend beding, is onderworpen aan deze Uniforme Regelen;zulks kan geschieden door vermelding van de afkorting CIV;
  184. c)elke andere aanduiding die noodzakelijk is om het sluiten en de inhoud van de vervoerovereenkomst te bewijzen en de reiziger in staat te stellen de rechten die uit de vervoerovereenkomst voortvloeien, te doen gelden. § 3. De reiziger moet er zich bij het in ontvangst nemen van het vervoerbewijs van overtuigen, dat dit met zijn aanwijzingen overeenstemt. § 4. Het vervoerbewijs is overdraagbaar, indien het niet op naam is gesteld en de reis nog niet is aangevangen. § 5. Het vervoerbewijs kan ook worden opgesteld in de vorm van elektronische registratie van gegevens, die kunnen worden omgezet in leesbare lettertekens. De voor de registratie en verwerking van de gegevens gebruikte procedures moeten uit functioneel oogpunt gelijkwaardig zijn, in het bijzonder wat betreft de bewijskracht van het vervoerbewijs, dat door deze elektronische gegevens wordt gevormd. Artikel 8 Betaling en terugbetaling van de vervoerprijs § 1. Tenzij tussen de reiziger en de vervoerder anders is overeengekomen, moet de vervoerprijs vooraf worden betaald. § 2. De Algemene vervoervoorwaarden bepalen onder welke voorwaarden een terugbetaling van de vervoerprijs plaatsvindt. Artikel 9 Recht op vervoer. Uitsluiting van vervoer § 1. De reiziger moet vanaf het begin van de reis voorzien zijn van een geldig vervoerbewijs en dit bij een controle van de vervoerbewijzen tonen. De Algemene vervoervoorwaarden kunnen bepalen :
  185. a)dat een reiziger die geen geldig vervoerbewijs toont, boven de vervoerprijs een toeslag moet betalen.
  186. b)dat een reiziger die weigert onmiddellijk de vervoerprijs of de toeslag te betalen, van het vervoer kan worden uitgesloten;
  187. c)of en onder welke voorwaarden een terugbetaling van de toeslag plaatsvindt. § 2. De Algemene vervoervoorwaarden kunnen bepalen dat reizigers die :
  188. a)een gevaar vormen voor de veiligheid en de goede bedrijfsgang of voor de veiligheid van andere reizigers,
  189. b)andere reizigers op onaanvaardbare wijze lastig vallen, van het vervoer zijn uitgesloten of onderweg van het vervoer kunnen worden uitgesloten en dat deze personen geen recht hebben op terugbetaling van de vervoerprijs, noch van de prijs die ze hebben betaald voor het vervoer van hun bagage. Artikel 10 Naleving van overheidsvoorschriften De reiziger moet de voorschriften van de douane of andere overheidsinstanties naleven. Artikel 11 Uitvallen en vertraging van een trein. Missen van een aansluiting De vervoerder moet eventueel op het vervoerbewijs vermelden dat de trein is uitgevallen of de aansluiting is gemist. TITEL III. - Vervoer van handbagage, dieren, bagage en voertuigen HOOFDSTUK I. - Gemeenschappelijke bepalingen Artikel 12 Toegelaten voorwerpen en dieren § 1. De reiziger mag, overeenkomstig de Algemene vervoervoorwaarden, makkelijk draagbare voorwerpen (handbagage) alsook levende dieren meenemen. Bovendien mag de reiziger voorwerpen van grote omvang meenemen, overeenkomstig de bijzondere bepalingen in de Algemene vervoervoorwaarden. Voorwerpen of dieren die voor de reizigers hinderlijk kunnen zijn of schade kunnen veroorzaken, zijn van het vervoer uitgesloten. § 2. De reiziger kan, overeenkomstig de Algemene vervoervoorwaarden, voorwerpen en dieren als bagage verzenden. § 3. De vervoerder kan, overeenkomstig de bijzondere bepalingen in de Algemene vervoervoorwaarden, het vervoer van voertuigen toelaten ter gelegenheid van het vervoer van reizigers. § 4 Het vervoer van gevaarlijke goederen als handbagage, bagage in of op voertuigen die overeenkomstig deze Titel per spoor worden vervoerd, moet in overeenstemming zijn met het Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van gevaarlijke goederen (RID). Artikel 13 Onderzoek § 1. De vervoerder heeft bij een ernstig vermoeden van overtreding van de vervoervoorwaarden het recht te onderzoeken of de vervoerde voorwerpen (handbagage, bagage, voertuigen met inbegrip van hun lading) en dieren voldoen aan de vervoervoorwaarden, wanneer de wetten en voorschriften van de Staat waar het onderzoek moet plaatsvinden zulks niet verbieden. De reiziger moet worden verzocht bij het onderzoek aanwezig te zijn. Indien hij zich niet meldt of niet kan worden bereikt, moet de vervoerder een beroep doen op twee onafhankelijke getuigen. § 2. Wanneer wordt vastgesteld dat de vervoervoorwaarden niet zijn nageleefd, kan de vervoerder van de reiziger betaling verlangen van de kosten die in verband met het onderzoek zijn gemaakt. Artikel 14 Naleving van overheidsvoorschriften De reiziger moet tijdens zijn vervoer de voorschriften van de douane of andere overheidsinstanties met betrekking tot het vervoer van voorwerpen (handbagage, bagage, voertuigen met inbegrip van hun lading) en dieren, ter gelegenheid van zijn vervoer, naleven. Tenzij in de wetten en voorschriften van de desbetreffende Staat anders wordt bepaald, moet de reiziger bij het onderzoek van deze voorwerpen aanwezig zijn. HOOFDSTUK II. - Handbagage en dieren Artikel 15 Toezicht De reiziger moet toezicht uitoefenen op de handbagage en de dieren die hij meeneemt. HOOFDSTUK III. - Bagage Artikel 16 Aanbieding ten vervoer van bagage § 1. De contractuele verplichtingen met betrekking tot het vervoer van bagage moeten worden vastgelegd in een bagagebewijs dat aan de reiziger wordt overhandigd. § 2. Onverminderd artikel 22 tast het ontbreken, de onregelmatigheid of het verlies van het bagagebewijs noch het bestaan, noch de geldigheid aan van bedingen met betrekking tot het vervoer van bagage, die onderworpen blijven aan deze Uniforme Regelen. § 3. Het bagagebewijs levert volledig bewijs, behoudens tegenbewijs, van de inschrijving van de bagage en van de voorwaarden van het vervoer ervan. § 4. Behoudens tegenbewijs wordt vermoed dat bij de inontvangstneming door de vervoerder de bagage in uiterlijk goede staat was en dat het aantal en de massa van de colli overeenkwamen met de vermelding op het bagagebewijs. Artikel 17 Bagagebewijs § 1. De Algemene vervoervoorwaarden bepalen de vorm en de inhoud van het bagagebewijs, alsmede de taal waarin en de lettertekens waarmee het moet worden gedrukt en ingevuld. Artikel 7, § 5 is van overeenkomstige toepassing. § 2. Op het bagagebewijs moet ten minste worden vermeld :
  190. a)de vervoerder of de vervoerders;
  191. b)de aanduiding dat het vervoer, ongeacht enig andersluidend beding, is onderworpen aan deze Uniforme Regelen;zulks kan geschieden door vermelding van de afkorting CIV;
  192. c)elke andere aanduiding die noodzakelijk is om de contractuele verplichtingen met betrekking tot het vervoer van de bagage te bewijzen en de reiziger in staat te stellen de rechten die uit de vervoerovereenkomst voortvloeien, te doen gelden. § 3. De reiziger moet er zich bij het in ontvangst nemen van het bagagebewijs van overtuigen, dat dit met zijn aanwijzingen overeenstemt. Artikel 18 Inschrijving en vervoer § 1. Behoudens in de Algemene vervoervoorwaarden bepaalde uitzonderingen, wordt bagage slechts ingeschreven op vertoon van een vervoerbewijs dat ten minste geldig is tot de plaats van bestemming van de bagage. De inschrijving geschiedt overigens volgens de op de plaats van verzending geldende voorschriften. § 2. Wanneer de Algemene vervoervoorwaarden bepalen dat bagage ten vervoer mag worden toegelaten zonder vertoon van een vervoerbewijs, zijn de bepalingen van deze Uniforme Regelen betreffende de rechten en verplichtingen van de reiziger met betrekking tot zijn bagage van overeenkomstige toepassing op de afzender van de bagage. § 3. De vervoerder kan de bagage met een andere trein of met een ander vervoermiddel en over een ander vervoertraject vervoeren dan die welke door de reiziger worden gebruikt. Artikel 19 Betaling van de prijs voor het vervoer van bagage Tenzij tussen de reiziger en de vervoerder anders is overeengekomen, moet de prijs voor het vervoer van bagage worden betaald bij de inschrijving. Artikel 20 Merken van de bagage De reiziger moet op een goed zichtbare plaats op ieder collo een houdbare en duidelijke aanduiding plaatsen van :
  193. a)zijn naam en zijn adres;
  194. b)de plaats van bestemming. Artikel 21 Recht om over de bagage te beschikken § 1. Indien de omstandigheden dit toestaan en de voorschriften van de douane of van andere overheidsinstanties zich daartegen niet verzetten, kan de reiziger om de teruggave van de bagage verzoeken op de plaats van verzending tegen afgifte van het bagagebewijs en, wanneer de Algemene vervoervoorwaarden zulks bepalen, op vertoon van het vervoerbewijs. § 2. In de Algemene vervoervoorwaarden kunnen andere bepalingen zijn opgenomen betreffende het recht om over de bagage te beschikken, in het bijzonder het wijzigen van de plaats van bestemming en de eventuele hieruit voortvloeiende financiële gevolgen voor de reiziger. Artikel 22 Aflevering § 1. De aflevering van bagage geschiedt tegen afgifte van het bagagebewijs en eventueel tegen betaling van de op de zending drukkende kosten. De vervoerder heeft het recht doch niet de verplichting te onderzoeken of de houder van het bagagebewijs bevoegd is tot inontvangstneming. § 2. Met de aflevering aan de houder van het bagagebewijs worden, wanneer zulks overeenkomstig de op de plaats van aflevering geldende voorschriften geschiedt, gelijkgesteld :
  195. a)de afgifte van de bagage aan de douane of belastinginstanties in hun expeditie- of opslagruimten, wanneer die zich niet onder de hoede van de vervoerder bevinden;
  196. b)het toevertrouwen van levende dieren aan een derde. § 3. De houder van het bagagebewijs kan op de plaats van bestemming om de aflevering van de bagage verzoeken zodra de overeengekomen tijd alsook, eventueel, de benodigde tijd voor de afhandeling door de douane of andere overheidsinstanties is verstreken. § 4. Wordt het bagagebewijs niet afgegeven, dan is de vervoerder slechts gehouden de bagage af te leveren aan degene die zijn recht daarop bewijst; bij onvoldoende bewijs kan de vervoerder een zekerheid verlangen. § 5. De bagage wordt afgeleverd op de plaats van bestemming waarvoor zij is ingeschreven. § 6. De houder van het bagagebewijs aan wie de bagage niet is afgeleverd, kan verlangen dat de dag en het uur waarop hij overeenkomstig § 3 om de aflevering heeft verzocht op het bagagebewijs worden vermeld. § 7. De rechthebbende kan de inontvangstneming van de bagage weigeren, indien de vervoerder geen gevolg geeft aan zijn verzoek over te gaan tot onderzoek van de bagage teneinde een beweerde schade vast te stellen. § 8. Overigens vindt de aflevering van de bagage plaats overeenkomstig de op de plaats van bestemming geldende voorschriften. HOOFDSTUK IV. - Voertuigen Artikel 23 Vervoervoorwaarden De bijzondere bepalingen voor het vervoer van voertuigen in de Algemene vervoervoorwaarden regelen met name de voorwaarden voor de toelating tot het vervoer, de inschrijving, de belading en het vervoer, het lossen en de aflevering, alsook de verplichtingen van de reiziger. Artikel 24 Vervoerbewijs § 1. De contractuele verplichtingen met betrekking tot het vervoer van voertuigen moeten worden vastgelegd in een vervoerbewijs dat aan de reiziger wordt overhandigd. Dit vervoerbewijs kan deel uitmaken van het vervoerbewijs van de reiziger. § 2. De bijzondere bepalingen voor het vervoer van voertuigen in de Algemene vervoervoorwaarden regelen de vorm en de inhoud van het vervoerbewijs, alsmede de taal waarin en de lettertekens waarmee het moet worden gedrukt en ingevuld. Artikel 7, § 5 is van overeenkomstige toepassing. § 3. Op het vervoerbewijs moet ten minste worden vermeld :
  197. a)de vervoerder of de vervoerders;
  198. b)de aanduiding dat het vervoer, ongeacht enig andersluidend beding, is onderworpen aan deze Uniforme Regelen;zulks kan geschieden door vermelding van de afkorting CIV;
  199. c)elke andere aanduiding die noodzakelijk is om de contractuele verplichtingen met betrekking tot het vervoer van voertuigen te bewijzen en de reiziger in staat te stellen de rechten die uit de vervoerovereenkomst voortvloeien, te doen gelden. § 4. De reiziger moet zich bij het in ontvangst nemen van het vervoerbewijs ervan overtuigen, dat dit met zijn aanwijzingen overeenstemt. Artikel 25 Toepasselijk recht Behoudens de bepalingen van dit hoofdstuk zijn de bepalingen van Hoofdstuk III betreffende het vervoer van bagage van toepassing op voertuigen. TITEL IV. - Aansprakelijkheid van de vervoerder HOOFDSTUK I. - Aansprakelijkheid in geval van dood en letsel van reizigers Artikel 26 Aansprakelijkheidsgronden § 1. De vervoerder is aansprakelijk voor de schade ten gevolge van dood, verwonding of elk ander lichamelijk of geestelijk letsel van de reiziger, veroorzaakt door een ongeval dat in verband met de uitoefening van het spoorwegbedrijf aan de reiziger is overkomen tijdens zijn verblijf in de spoorwegvoertuigen of bij het in- of uitstappen, ongeacht welke spoorweginfrastructuur wordt gebruikt. § 2. De vervoerder is van deze aansprakelijkheid ontheven :
  200. a)indien het ongeval is veroorzaakt door omstandigheden buiten de uitoefening van het spoorwegbedrijf, die de vervoerder, ondanks de zorgvuldigheid vereist in de omstandigheden van het geval, niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen;
  201. b)voorzover het ongeval te wijten is aan schuld van de reiziger;
  202. c)indien het ongeval te wijten is aan het gedrag van een derde, dat de vervoerder, ondanks de zorgvuldigheid vereist in de omstandigheden van het geval, niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen;een andere onderneming die dezelfde spoorweginfrastructuur gebruikt, wordt niet aangemerkt als een derde; het recht van regres wordt niet aangetast. § 3. Indien het ongeval te wijten is aan het gedrag van een derde en indien desondanks de vervoerder niet geheel van zijn aansprakelijkheid is ontheven overeenkomstig § 2, onder c, is hij voor het geheel aansprakelijk binnen de grenzen van deze Uniforme Regelen onverminderd zijn eventueel regres op de derde. § 4. Deze Uniforme Regelen laten de eventuele aansprakelijkheid van de vervoerder in de niet in § 1 bedoelde gevallen onverlet. § 5. Wanneer een vervoer dat het onderwerp vormt van een en dezelfde vervoerovereenkomst door opeenvolgende vervoerders wordt verricht, is in geval van dood en letsel van reizigers die vervoerder aansprakelijk, die volgens de vervoerovereenkomst verplicht is tot het uitvoeren van het vervoer gedurende welke het ongeval zich heeft voortgedaan. Wanneer het vervoer niet is verricht door de vervoerder maar door een ondervervoerder, zijn beide vervoerders overeenkomstig deze Uniforme Regelen hoofdelijk aansprakelijk. Artikel 27 Schadevergoeding in geval van dood § 1. In geval van dood van de reiziger omvat de schadevergoeding :
  203. a)de ten gevolge van het overlijden noodzakelijke kosten, met name die van het vervoer van het stoffelijk overschot en de lijkbezorging;
  204. b)indien de dood niet onmiddellijk is ingetreden, de in artikel 28 bedoelde schadevergoeding. § 2. Indien door de dood van de reiziger andere personen, jegens wie hij een wettelijke onderhoudsplicht had of in de toekomst gehad zou hebben, hun onderhoud verliezen, moeten ook dezen voor dit verlies schadeloos gesteld worden. De vordering tot schadevergoeding van personen, van wie de reiziger zonder wettelijke verplichting het onderhoud verzorgde, blijft onderworpen aan het nationale recht. Artikel 28 Schadevergoeding in geval van letsel In geval van verwonding of elk ander lichamelijk of geestelijk letsel van de reiziger omvat de schadevergoeding :
  205. a)de noodzakelijk kosten, met name die van behandeling en vervoer;
  206. b)het vermogensnadeel dat de reiziger lijdt door een gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid of door een toename van zijn behoeften. Artikel 29 Vergoeding van andere personenschade Het nationale recht bepaalt of en in welke mate de vervoerder andere dan de in de artikelen 27 en 28 bedoelde personenschade moet vergoeden. Artikel 30 Wijze en hoogte van de schadevergoeding in geval van dood of letsel § 1. De in de artikelen 27, § 2 en 28 onder b bedoelde schadevergoeding moet als gekapitaliseerde som worden uitgekeerd. Indien evenwel het nationale recht de toekenning van een periodieke uitkering toelaat, wordt de vergoeding op deze wijze uitgekeerd, wanneer de gewonde reiziger of de in artikel 27, § 2 bedoelde rechthebbenden zulks verlangen. § 2. De hoogte van de krachtens § 1 toe te kennen schadevergoeding wordt bepaald volgens het nationale recht. Bij de toepassing van deze Uniforme Regelen geldt evenwel per reiziger een maximumbedrag van 175 000 rekeneenheden in een gekapitaliseerde som of in een met deze som overeenstemmende jaarlijkse uitkering, voorzover in het nationale recht een lager maximumbedrag is bepaald. Artikel 31 Andere vervoermiddelen § 1. Behoudens § 2 zijn de bepalingen betreffende de aansprakelijkheid in geval van dood en letsel van reizigers niet van toepassing op schade die is ontstaan tijdens het vervoer dat overeenkomstig de vervoerovereenkomst geen spoorwegvervoer was. § 2. Wanneer evenwel spoorwegvoertuigen per veerboot worden vervoerd, zijn de bepalingen betreffende de aansprakelijkheid in geval van dood en letsel van reizigers van toepassing op de in artikel 26, § 1 en artikel 33, § 1 bedoelde schade veroorzaakt door een ongeval in verband met de uitoefening van het spoorwegbedrijf dat aan de reiziger is overkomen tijdens zijn verblijf in die voertuigen of bij het in- of uitstappen. § 3. Wanneer de uitoefening van het spoorwegbedrijf ten gevolge van buitengewone omstandigheden tijdelijk wordt onderbroken en de reizigers met een ander vervoermiddel worden vervoerd, is de vervoerder krachtens deze Uniforme Regelen aansprakelijk. HOOFDSTUK II. - Aansprakelijkheid in geval van niet-nakoming van de dienstregeling Artikel 32 Aansprakelijkheid in geval van uitvallen, vertraging van een trein of gemiste aansluiting § 1. De vervoerder is jegens de reiziger aansprakelijk voor schade die het gevolg is van het feit dat door het uitvallen, door de vertraging van een trein of door het missen van een aansluiting de reis niet op dezelfde dag kan worden voortgezet, of dat de voortzetting hiervan als gevolg van de gegeven omstandigheden niet in redelijkheid kan worden verlangd. De schadevergoeding omvat de redelijke kosten voor overnachting en voor het waarschuwen van personen die de reiziger verwachten. § 2. De vervoerder is van deze aansprakelijkheid ontheven, wanneer het uitvallen, de vertraging of het missen van een aansluiting te wijten is aan een van de volgende oorzaken :
  207. a)omstandigheden buiten de uitoefening van het spoorwegbedrijf, die de vervoerder ondanks de zorgvuldigheid vereist in de omstandigheden van het geval niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen;
  208. b)schuld van de reiziger of;
  209. c)het gedrag van een derde, dat de vervoerder, ondanks de zorgvuldigheid vereist in de omstandigheden van het geval, niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen;een andere onderneming die dezelfde spoorweginfrastructuur gebruikt, wordt niet aangemerkt als een derde; het recht van regres wordt niet aangetast. § 3. Het nationale recht bepaalt of en in welke mate de vervoerder andere dan de in § 1 bedoelde schade moet vergoeden. Deze bepaling laat artikel 44 onverlet. HOOFDSTUK III. - Aansprakelijkheid voor handbagage, dieren, bagage en voertuigen Afdeling 1. - Handbagage en dieren Artikel 33 Aansprakelijkheid § 1. In geval van dood en letsel van reizigers is de vervoerder bovendien aansprakelijk voor de schade ten gevolge van het gehele of gedeeltelijke verlies of van beschadiging van voorwerpen die de reiziger bij zich droeg of als handbagage bij zich had; dit geldt eveneens voor de dieren die de reiziger meegenomen had. Artikel 26 is van overeenkomst

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.