← België

Wet houdende instemming met het Protocol houdende wijziging van het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer van 9 mei 1980, gedaan te V

Kort samengevat

Deze wet bekrachtigt een Protocol dat het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980 wijzigt, zoals opgesteld in Vilnius op 3 juni 1999. Het doel is om het internationale spoorwegvervoer te moderniseren en aan te passen aan nieuwe behoeften.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
15 FEBRUARI 2007. - Wet houdende instemming met het Protocol houdende wijziging van het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980, gedaan te Vilnius op 3 juni 1999 (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. Art. 2.Het Protocol houdende wijziging van het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980, gedaan te Vilnius op 3 juni 1999, zal volkomen gevolg hebben. De wijzigingen van het Verdrag en zijn aanhangsels en bijlagen, aangebracht met toepassing van de artikelen 34 en 35 van het Verdrag inzake het internationale spoorwegvervoer (COTIF), zoals gewijzigd door het Protocol, gedaan te Vilnius op 3 juni 1999, zullen volkomen gevolg hebben. De Koning stelt het Parlement in kennis van iedere wijziging aangenomen met toepassing van de artikelen 34 en 35 van het Verdrag, bij middel van een schriftelijk verslag en voor de inwerkingtreding van de aangenomen wijziging. Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt. Gegeven te Brussel, 15 februari 2007. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Buitenlandse Zaken, K. DE GUCHT De Minister van Mobiliteit, R. LANDUYT Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota's (1) Zitting 2006-2007. Senaat : Parlementaire documenten. - Ontwerp van wet ingediend op 20 oktober 2006, nr. 3-1866/1. - Amendementen, nr. 3-1866/2. - Verslag, nr. 3-1866/3. - Tekst geamendeerd door de Commissie, nr. 3-1866/4 Parlementaire handelingen. - Besprekking, vergadering van 14 december 2006. - Stemming, vergadering van 14 december 2006. Kamer van volksvertegenwoordigers : Parlementaire documenten. - Ontwerp overgezonden door de Senaat, nr. 51-2816/1. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd, nr. 51-2816/2. Parlementaire handelingen. - Bespreking, vergadering van 18 januari 2007. - Stemming, vergadering van 18 januari 2007. VERKLARING Protocol tot wijziging van de Overeenkomst betreffende het internationaal spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980, gedaan te Vilnius op 3 juni 1999 Aan de depositaris van COTIF Verklaring op grond van artikel 42 van COTIF In afwachting van de afloop van de onderhandelingen betreffende de toetreding van de Europese Gemeenschap tot COTIF, zal België de volgende aanhangsels van COTIF niet toepassen : De Uniforme Regelen betreffende de overeenkomst inzake het gebruik van de infrastructuur bij internationaal spoorwegvervoer (CUI - Aanhangsel E bij de Overeenkomst); De Uniforme Regelen betreffende de verbindendverklaring van technische normen en de aanneming van uniforme technische voorschriften die van toepassing zijn op spoorwegmaterieel bestemd voor gebruik in internationaal verkeer (APTU - Aanhangsel F bij de Overeenkomst); De Uniforme Regelen betreffende de technische toelating van spoorwegmaterieel dat wordt gebruikt in internationaal verkeer (ATMF - Aanhangsel G bij de Overeenkomst). De Minister van Buitenlandse Zaken K. DE GUCHT Protocol van 3 juni 1999 houdende wijziging van het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980 (Protocol 1999) Met toepassing van de artikelen 6 en 19, § 2, van het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer, ondertekend te Bern op 9 mei 1980, hierna te noemen "COTIF 1980", heeft van 26 mei tot en met 3 juni 1999 te Vilnius de vijfde Algemene Vergadering van de Intergouvernementele organisatie voor het internationale spoorwegvervoer (OTIF) plaatsgevonden. - Overtuigd van de noodzaak en het nut van een intergouvernementele organisatie die zich voorzover mogelijk met alle aspecten van het internationale spoorwegvervoer op het niveau van de Staten bezighoudt, - overwegende dat met het oog daarop en rekening houdende met de toepassing van de COTIF 1980 door 39 staten in Europa, Azië en Afrika, alsook door de spoorwegondernemingen in deze Staten, de OTIF hiervoor de meest aangewezen organisatie is, - gelet op de noodzaak de COTIF 1980, met name de Uniforme Regelen CIV en de Uniforme Regelen CIM, aan te passen aan de nieuwe behoeften van het internationale spoorwegvervoer, - overwegende dat de veiligheid bij het vervoer van gevaarlijke goederen in het internationale spoorwegvervoer vereist het RID om te zetten in een publiekrechtelijk stelsel, waarvan de toepassing niet meer afhankelijk is van het sluiten van een vervoerovereenkomst, onderworpen aan de Uniforme Regelen CIM, - overwegende dat sinds de ondertekening van het Verdrag op 9 mei 1980 de politieke, economische en juridische veranderingen die in een groot aantal Lidstaten hebben plaatsgevonden, nopen tot het opstellen en ontwikkelen van uniforme voorschriften die zich uitstrekken tot andere rechtsgebieden die voor het internationale spoorwegverkeer van belang zijn, - overwegende dat de Staten, door rekening te houden met bijzondere openbare belangen, meer doeltreffende maatregelen zouden moeten nemen voor het wegnemen van de belemmeringen die thans nog bestaan bij de grensoverschrijding in het internationale spoorwegverkeer, - overwegende dat in het belang van het internationale spoorwegvervoer het belangrijk is de op spoorweggebied bestaande multilaterale internationale verdragen en overeenkomsten te moderniseren en deze, in voorkomend geval, in het Verdrag op te nemen, heeft de Algemene Vergadering het volgende besloten : Artikel 1 Nieuwe versie van het Verdrag De COTIF 1980 wordt gewijzigd volgens de in de bijlage opgenomen versie, die een integrerend deel vormt van dit Protocol. Artikel 2 Voorlopige depositaris § 1. De in de artikelen 22 tot en met 26 van de COTIF 1980 genoemde taken van de depositaris worden, vanaf de openstelling ter ondertekening van dit Protocol tot aan de datum van inwerkingtreding hiervan, door de OTIF als voorlopige depositaris vervuld. § 2. De voorlopige depositaris geeft de Lidstaten kennis : a) van de ondertekeningen van dit Protocol en van de neerlegging van de akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, b) van de datum waarop dit Protocol met toepassing van artikel 4 in werking treedt, en vervult de overige taken van de depositaris zoals vermeld in Deel VII van het Verdrag van Wenen van 23 mei 1969 inzake het verdragenrecht. Artikel 3 Ondertekening. Bekrachtiging. Aanvaarding. Goedkeuring. Toetreding § 1. Dit Protocol blijft tot en met 31 december 1999 openstaan voor ondertekening door de Lidstaten. Deze ondertekening vindt plaats te Bern bij de voorlopige depositaris. § 2. Overeenkomstig artikel 20, § 1, van de COTIF 1980, is dit Protocol onderworpen aan bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden zo snel mogelijk bij de voorlopige depositaris neergelegd. § 3. De Lidstaten die het Protocol niet binnen de in § 1 bedoelde termijn hebben ondertekend, alsook de lidstaten wier verzoek tot toetreding tot de COTIF 1980, overeenkomstig artikel 23, § 2 daarvan, van rechtswege is ingewilligd, kunnen voor de inwerkingtreding van dit Protocol hiertoe toetreden door middel van neerlegging van een akte van toetreding bij de voorlopige depositaris. § 4. De toetreding van een Staat tot de COTIF 1980 overeenkomstig artikel 23 daarvan, waarvoor het verzoek is gedaan na de openstelling ter ondertekening van dit Protocol maar voor de inwerkingtreding hiervan, geldt zowel voor de COTIF 1980 als voor het Verdrag in de versie van de Bijlage bij dit Protocol. Artikel 4 Inwerkingtreding § 1. Dit Protocol treedt in werking op de eerste dag van de derde maand volgend op de maand waarin de voorlopige depositaris de Lidstaten kennis heeft gegeven van de neerlegging van de akte waardoor de voorwaarden van artikel 20, § 2, van de COTIF 1980 zijn vervuld. Als lidstaten in de zin van dit artikel 20, § 2, worden de Staten aangemerkt, die ten tijde van het besluit van de vijfde Algemene Vergadering Lidstaten waren en dit nog steeds zijn op het tijdstip waarop de voorwaarden voor de inwerkingtreding van dit Protocol zijn vervuld. § 2. Artikel 3 is evenwel van toepassing vanaf de openstelling ter ondertekening van dit Protocol. Artikel 5 Verklaringen en voorbehouden De in artikel 42, § 1, van het Verdrag in de versie van de Bijlage bij dit Protocol bedoelde verklaringen en voorbehouden kunnen op elk tijdstip worden afgelegd of gemaakt, zelfs voor de inwerkingtreding van dit Protocol. Deze verklaringen en voorbehouden worden van kracht op het tijdstip van inwerkingtreding van dit Protocol. Artikel 6 Overgangsbepalingen § 1. Uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van dit Protocol roept de Secretaris-Generaal van de OTIF de Algemene Vergadering bijeen teneinde : a) de leden van het Comité van Beheer voor de komende periode aan te wijzen (artikel 14, § 2, onder b van de COTIF in de versie van de Bijlage bij dit Protocol) en, in voorkomend geval, tot de beëindiging van het mandaat van het zittende Comité van Beheer te besluiten, b) het maximale bedrag, per tijdvak van zes jaar, vast te stellen voor de uitgaven van de Organisatie in iedere begrotingsperiode (artikel 14, § 2, onder e van de COTIF in de versie van de Bijlage bij dit Protocol), en c) in voorkomend geval over te gaan tot de verkiezing van de Secretaris-Generaal (artikel 14, § 2, onder c van de COTIF in de versie van de Bijlage bij dit Protocol). § 2. Uiterlijk drie maanden na de inwerkingtreding van dit Protocol, roept de Secretaris-Generaal van de OTIF de Commissie van technisch deskundigen bijeen. § 3. Na de inwerkingtreding van dit Protocol vervalt het overeenkomstig artikel 6, § 2, onder b van de COTIF 1980 vastgestelde mandaat van het Comité van Beheer op de door de Algemene Vergadering vastgestelde datum; deze datum valt samen met de aanvang van het mandaat van de door de Algemene Vergadering aangewezen leden en plaatsvervangende leden van het Comité van Beheer (artikel 14, § 2, onder b van de COTIF in de versie van de Bijlage bij dit Protocol). § 4. Het mandaat van de Directeur-Generaal van het Centraal Bureau, die in functie is op het tijdstip van inwerkingtreding van dit Protocol, vervalt aan het einde van de periode waarvoor hij overeenkomstig artikel 7, § 2, onder d van de COTIF 1980 is benoemd. Vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dit Protocol oefent hij de functie van Secretaris-Generaal uit. § 5. Zelfs na de inwerkingtreding van dit Protocol blijven de relevante bepalingen van de artikelen 6, 7 en 11 van de COTIF 1980 van toepassing met betrekking tot : a) de controle van de boekhouding en de goedkeuring van de jaarrekening van de Organisatie, b) de vaststelling van de definitieve bijdragen van de Lidstaten aan de uitgaven van de Organisatie, c) de betaling van de bijdragen, d) het maximale bedrag van de uitgaven van de Organisatie gedurende een periode van vijf jaar, dat voor de inwerkingtreding van dit Protocol wordt vastgesteld. De onderdelen a tot en met c hebben betrekking op het jaar waarin dit Protocol in werking treedt alsook op het daaraan voorafgaande jaar. § 6. De definitieve bijdragen van de lidstaten, die verschuldigd zijn voor het jaar waarin dit Protocol in werking treedt, worden berekend op basis van artikel 11, § 1 van de COTIF 1980. § 7. Op verzoek van de lidstaat waarvan de krachtens artikel 26 van het Verdrag in de versie van de Bijlage bij dit Protocol berekende bijdrage hoger is dan die welke voor het jaar 1999 verschuldigd is, kan de Algemene Vergadering de bijdrage van deze lidstaat voor de drie jaren die volgen op het jaar van de inwerkingtreding van dit Protocol vaststellen met inachtneming van de volgende beginselen : a) de overgangsbijdrage wordt vastgesteld op basis van de in bovengenoemd artikel 26, § 3 bedoelde minimale bijdrage of van de voor het jaar 1999 verschuldigde bijdrage, indien deze hoger is dan de minimale bijdrage;b) de bijdrage wordt geleidelijk in maximaal drie stappen aangepast tot het niveau van de krachtens bovengenoemd artikel 26 berekende definitieve bijdrage. Deze bepaling is niet van toepassing op de Lidstaten die de minimale bijdrage verschuldigd zijn, die in elk geval verschuldigd blijft. § 8. De overeenkomsten tot het vervoer van reizigers of goederen in het internationale verkeer tussen de Lidstaten, gesloten krachtens de Uniforme Regelen CIV 1980 of de Uniforme Regelen CIM 1980, blijven onderworpen aan de Uniforme Regelen die op het moment van het sluiten van de overeenkomst van kracht waren, zelfs na de inwerkingtreding van dit Protocol. § 9. De dwingende bepalingen van de Uniforme Regelen CUV en de Uniforme Regelen CUI zijn een jaar na de inwerkingtreding van dit Protocol van toepassing op de overeenkomsten die zijn gesloten voor de inwerkingtreding van dit Protocol. Artikel 7 Teksten van het Protocol § 1. Dit Protocol is gesloten en ondertekend in de Duitse, de Engelse en de Franse taal. In geval van verschillen is de Franse tekst doorslaggevend. § 2. Op voorstel van een van de betrokken lidstaten publiceert de Organisatie officiële vertalingen van dit Protocol in andere talen, voorzover een van deze talen een officiële taal is op het grondgebied van ten minste twee Lidstaten. Deze vertalingen worden verzorgd in samenwerking met de bevoegde diensten van de betrokken Lidstaten. Ten blijke waarvan de ondergetekende gevolmachtigden, daartoe naar behoren gemachtigd door hun onderscheiden Regeringen, dit Protocol hebben ondertekend. Gedaan te Vilnius, 3 juni 1999, in een enkel oorspronkelijk exemplaar in de Duitse, de Engelse en de Franse taal; deze exemplaren blijven neergelegd in het archief van de OTIF. Gewaarmerkte afschriften hiervan worden aan de Lidstaten toegezonden. Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980 in de versie van het Protocol van wijziging van 3 juni 1999 TITEL I. - Algemene bepalingen Artikel 1 Intergouvernementele organisatie § 1. De Partijen bij dit Verdrag vormen, als lidstaten, de Intergouvernementele organisatie voor het internationale spoorwegvervoer (OTIF), hierna genoemd « de Organisatie ». § 2. De Organisatie heeft haar zetel in Bern. De Algemene Vergadering kan besluiten de zetel te vestigen in een andere plaats in een van de lidstaten. § 3. De Organisatie heeft rechtspersoonlijkheid. Zij is met name bevoegd overeenkomsten te sluiten, roerende en onroerende goederen te verwerven en te vervreemden alsmede in rechte op te treden. § 4. De Organisatie, haar personeelsleden, de deskundigen waarop zij een beroep doet en de vertegenwoordigers van de lidstaten genieten de voor het vervullen van hun taak noodzakelijke voorrechten en immuniteiten onder de voorwaarden, zoals die zijn vastgesteld in het Protocol over de voorrechten en immuniteiten van de Organisatie, dat bij het Verdrag is gevoegd. § 5. De betrekkingen tussen de Organisatie en de Staat waar de zetel is gevestigd, worden geregeld in een zetelovereenkomst. § 6. De werktalen van de Organisatie zijn het Duits, het Engels en het Frans. De Algemene Vergadering kan andere werktalen invoeren. Artikel 2 Doel van de Organisatie § 1. De Organisatie heeft tot doel het internationale spoorwegverkeer in alle opzichten te bevorderen, te verbeteren en te vergemakkelijken, met name : a) door het opstellen van uniforme rechtsstelsels voor de volgende rechtsgebieden : 1.de overeenkomst betreffende het vervoer van reizigers en goederen in het rechtstreekse internationale spoorwegverkeer, met inbegrip van aanvullend vervoer met het gebruik van andere vervoermiddelen dat het onderwerp vormt van een en dezelfde overeenkomst; 2. de overeenkomst betreffende het gebruik van voertuigen als vervoermiddel in het internationale spoorwegverkeer;3. de overeenkomst betreffende het gebruik van de infrastructuur in het internationale spoorwegverkeer;4. het vervoer van gevaarlijke goederen in het internationale spoorwegverkeer;b) door, rekening houdende met bijzondere openbare belangen, bij te dragen aan het zo snel mogelijk wegnemen van belemmeringen bij de grensoverschrijding in het internationale spoorwegverkeer, voorzover de oorzaken van deze belemmeringen onder de bevoegdheid van de Staten vallen;c) door bij te dragen aan de interoperabiliteit en de technische harmonisatie in de spoorwegsector door het verbindend verklaren van technische normen en het aannemen van uniforme technische voorschriften;d) door het opstellen van een uniforme procedure voor de technische toelating van spoorwegmaterieel, bestemd voor gebruik in internationaal verkeer;e) door toe te zien op de toepassing en uitvoering van alle rechtsregels en aanbevelingen waartoe binnen de Organisatie is besloten;f) door de onder a tot en met e bedoelde uniforme rechtsstelsels, regels en procedures verder te ontwikkelen met inachtneming van de juridische, economische en technische ontwikkelingen. § 2. De Organisatie kan : a) in het kader van de in § 1 genoemde doelstellingen andere uniforme rechtsstelselsontwikkelen;b) een kader vormen waarbinnen de lidstaten andere internationale verdragen kunnen uitwerken die ten doel hebben het internationale spoorwegverkeer te bevorderen, te verbeteren en te vergemakkelijken. Artikel 3 Internationale samenwerking § 1. De lidstaten verplichten zich ertoe hun internationale samenwerking op spoorweggebied in beginsel te concentreren binnen de Organisatie, voorzover er sprake is van een samenhang met de taken die haar overeenkomstig de artikelen 2 en 4 zijn opgedragen. Teneinde dit doel te bereiken zullen de lidstaten alle maatregelen treffen die nodig en nuttig zijn voor de aanpassing van de multilaterale internationale verdragen en overeenkomsten waarbij zij partij zijn, voorzover deze verdragen en overeenkomsten betrekking hebben op internationale samenwerking op spoorweggebied en deze aan andere intergouvernementele en nietgouvernementele organisaties bevoegdheden overdragen, die samenvallen met de aan de Organisatie opgedragen taken. § 2. De uit § 1 voortvloeiende verplichtingen voor de lidstaten, die tevens lid zijn van de Europese Gemeenschappen of als Staat partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, hebben geen voorrang op hun verplichtingen uit hoofde van hun lidmaatschap van de Europese Gemeenschappen of uit hoofde van hun hoedanigheid van Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. Artikel 4 Overname en overdracht van bevoegdheden § 1. De Organisatie is, bij besluit van de Algemene Vergadering, bevoegd, in overeenstemming met de in artikel 2 genoemde doelen, tot het overnemen van bevoegdheden, middelen en verplichtingen die aan haar worden overgedragen door andere intergouvernementele organisaties krachtens met deze organisaties gesloten overeenkomsten. § 2. De Organisatie kan, bij besluit van de Algemene Vergadering, bevoegdheden, middelen en verplichtingen aan andere intergouvernementele organisaties overdragen krachtens met deze organisaties gesloten overeenkomsten. § 3. De Organisatie kan, met goedkeuring van het Comité van Beheer, administratieve taken op zich nemen die verband houden met haar doelen en die haar door een lidstaat worden toevertrouwd. De uitgaven van de Organisatie die verband houden met deze taken komen ten laste van de betrokken lidstaat. Artikel 5 Bijzondere verplichtingen van de Lidstaten § 1. De lidstaten komen overeen alle nodige maatregelen te treffen teneinde het internationale spoorwegverkeer te vergemakkelijken en te bespoedigen. Hiertoe verplicht iedere lidstaat zich ertoe, voorzover mogelijk : a) alle onnodige procedures af te schaffen;b) de nog vereiste voorschriften te vereenvoudigen en te standaardiseren;c) de grenscontroles te vereenvoudigen. § 2. Teneinde het internationale spoorwegverkeer te vergemakkelijken en te verbeteren, komen de lidstaten overeen hun medewerking te verlenen om te komen tot een zo groot mogelijke uniformiteit van de voorschriften, normen, procedures en organisatiemethoden met betrekking tot spoorwegvoertuigen, spoorwegpersoneel, spoorweginfrastructuur en ondersteunende diensten. § 3. De lidstaten komen overeen het sluiten van overeenkomsten tussen infrastructuurbeheerders te vergemakkelijken welke tot doel hebben het internationale spoorwegverkeer te optimaliseren. Artikel 6 Uniforme regelen § 1. Het internationale spoorwegverkeer en de toelating van spoorwegmaterieel tot gebruik in het internationale verkeer, worden, voorzover er geen verklaringen of voorbehouden overeenkomstig artikel 42, § 1, eerste volzin zijn afgelegd of gemaakt, geregeld door : a) de « Uniforme Regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van reizigers (CIV) », Aanhangsel A bij het Verdrag, b) de « Uniforme Regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van goederen (CIM) », Aanhangsel B bij het Verdrag, c) het « Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van gevaarlijke goederen (RID) », Aanhangsel C bij het Verdrag, d) de « Uniforme Regelen betreffende de overeenkomsten inzake het gebruik van voertuigen in het internationale spoorwegverkeer (CUV) », Aanhangsel D bij het Verdrag, e) de « Uniforme Regelen betreffende de overeenkomst inzake het gebruik van de infrastructuur in het internationale spoorwegverkeer (CUI) », Aanhangsel E bij het Verdrag, f) de « Uniforme Regelen betreffende de verbindendverklaring van technische normen en de aanneming van uniforme technische voorschriften die van toepassing zijn op spoorwegmaterieel bestemd voor gebruik in internationaal verkeer (APTU) », Aanhangsel F bij het Verdrag, g) de « Uniforme Regelen betreffende de technische toelating van spoorwegmaterieel dat wordt gebruikt in internationaal verkeer (ATMF) », Aanhangsel G bij het Verdrag, h) andere door de Organisatie, overeenkomstig artikel 2, § 2, onder a ontwikkelde uniforme rechtsstelsels, die eveneens worden opgenomen in Aanhangsels bij het Verdrag. § 2. De Uniforme Regelen, het Reglement en de stelsels genoemd in § 1 vormen met hun Bijlagen een integrerend deel van het Verdrag. Artikel 7 Omschrijving van het begrip « Verdrag » In de onderstaande bepalingen wordt onder het begrip « Verdrag » verstaan : het eigenlijke Verdrag, het in artikel 1, § 4 bedoelde Protocol en de in artikel 6 bedoelde Aanhangsels met hun Bijlagen. TITEL II. - Gemeenschappelijke bepalingen Artikel 8 Nationaal recht § 1. Bij de interpretatie en de toepassing van het Verdrag zal rekening worden gehouden met de internationaal-rechtelijke aard ervan en met de noodzaak de uniformiteit te bevorderen. § 2. Bij gebreke van bepalingen in het Verdrag geldt het nationale recht. § 3. Onder nationaal recht wordt verstaan het recht van de Staat waar de rechthebbende zijn rechten doet gelden, de conflictregels daaronder begrepen. Artikel 9 Rekeneenheid § 1. De in de Aanhangsels bedoelde rekeneenheid is het Bijzondere Trekkingsrecht, zoals dit is omschreven door het Internationale Monetaire Fonds. § 2. De in Bijzondere Trekkingsrechten uitgedrukte waarde van de nationale munteenheid van een lidstaat die tevens lid is van het Internationale Monetaire Fonds wordt overeenkomstig de door dit Fonds voor zijn eigen verrichtingen en transacties toegepaste methode berekend. § 3. De in Bijzondere Trekkingsrechten uitgedrukte waarde van de nationale munteenheid van een lidstaat die geen lid is van het Internationale Monetaire Fonds, wordt op de door die Staat vastgestelde wijze berekend. Deze berekening moet in de nationale munteenheid een reële waarde uitdrukken die de uit de toepassing van § 2 voortvloeiende waarde zo dicht mogelijk benadert. § 4. Voor een Staat die geen lid is van het Internationale Monetaire Fonds en waarvan de wetgeving de toepassing van § 2 of § 3 niet toestaat, wordt de in de Aanhangsels bedoelde rekeneenheid beschouwd als gelijk aan drie goudfranken. De goudfrank wordt bepaald als 10/31 gram goud met een gehalte van 0,900. De omrekening van de goudfrank moet in de nationale munteenheid een reële waarde uitdrukken die de uit de toepassing van § 2 voortvloeiende waarde zo dicht mogelijk benadert. § 5. Binnen drie maanden na de inwerkingtreding van het Verdrag en telkens wanneer in hun berekeningsmethode of in de waarde van hun nationale munteenheid in verhouding tot de rekeneenheid een wijziging optreedt, delen de Staten hun berekeningsmethode volgens § 3 of het resultaat van de omrekening volgens § 4 mee aan de Secretaris-Generaal. De Secretaris-Generaal geeft van deze mededelingen kennis aan de andere lidstaten. § 6. Een bedrag uitgedrukt in rekeneenheden wordt omgerekend in de nationale munteenheid van de Staat van de rechtbank waarbij de zaak aanhangig is gemaakt. De omrekening vindt plaats overeenkomstig de waarde van de desbetreffende munteenheid op de dag van de rechterlijke beslissing of op de door de partijen overeengekomen dag. Artikel 10 Aanvullende bepalingen § 1. Twee of meer lidstaten of twee of meer vervoerders kunnen voor de uitvoering van de Uniforme Regelen CIV en de Uniforme Regelen CIM aanvullende bepalingen overeenkomen, mits deze niet van deze Uniforme Regelen afwijken. § 2. De in § 1 bedoelde aanvullende bepalingen treden in werking en worden gepubliceerd op de bij de wetten en voorschriften van iedere Staat bepaalde wijze. De aanvullende bepalingen van Staten en hun inwerkingtreding worden aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie medegedeeld. De Secretaris-Generaal geeft van deze mededelingen kennis aan de andere lidstaten. Artikel 11 Gerechtelijke zekerheidstelling De zekerheidstelling voor de betaling van de kosten kan niet worden verlangd ter gelegenheid van rechtsvorderingen gegrond op de Uniforme Regelen CIV, de Uniforme Regelen CIM, de Uniforme Regelen CUV of de Uniforme Regelen CUI. Artikel 12 Tenuitvoerlegging van uitspraken. Beslaglegging § 1. De uitspraken die krachtens de bepalingen van het Verdrag, op tegenspraak of bij verstek, zijn gedaan door de bevoegde rechter en die volgens de door die rechter toegepaste wetten voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn, kunnen ten uitvoer worden gelegd in ieder van de andere lidstaten, zodra de formaliteiten die zijn voorgeschreven in de Staat waar de tenuitvoerlegging moet plaatsvinden, zijn vervuld. Toetsing van de zaak ten gronde is niet toegestaan. Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op gerechtelijke schikkingen. § 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing op uitspraken die slechts voorlopig uitvoerbaar zijn en evenmin op veroordelingen tot schadevergoeding die, naast de veroordeling in de proceskosten, worden uitgesproken tegen een eiser wegens het afwijzen van zijn vordering. § 3. Op schuldvorderingen van een vervoeronderneming, voortvloeiende uit vervoer dat is onderworpen aan de Uniforme Regelen CIV of de Uniforme Regelen CIM, op een andere niet in dezelfde lidstaat gevestigde vervoeronderneming kan slechts beslag worden gelegd krachtens een uitspraak gedaan door een rechter van de lidstaat waarin de onderneming, die crediteur is van de vorderingen waarop beslag moet worden gelegd, is gevestigd. § 4. Op schuldvorderingen voortvloeiende uit een overeenkomst die is onderworpen aan de Uniforme Regelen CUV of de Uniforme Regelen CUI kan slechts beslag worden gelegd krachtens een uitspraak gedaan door een rechter van de Lidstaat waarin de onderneming, die crediteur is van de vorderingen waarop beslag moet worden gelegd, is gevestigd. § 5. Op spoorwegvoertuigen kan op een ander grondgebied dan dat van de lidstaat waar de houder zijn hoofdkantoor heeft slechts beslag worden gelegd krachtens een uitspraak door een rechter van die Staat. Onder de term « houder » wordt verstaan degene die duurzaam een spoorwegvoertuig als vervoermiddel economisch exploiteert, ongeacht of hij er de eigenaar van is of het recht heeft erover te beschikken. TITEL III. - Structuur en werking Artikel 13 Organen § 1. De werking van de Organisatie wordt verzekerd door de volgende organen : a) de Algemene Vergadering, b) het Comité van Beheer, c) de Herzieningscommissie, d) de Commissie van deskundigen voor het vervoer van gevaarlijke goederen (Commissie van RID-deskundigen), e) de Commissie vergemakkelijking spoorwegverkeer, f) de Commissie van technisch deskundigen, g) de Secretaris-Generaal. § 2. De Algemene Vergadering kan besluiten tot de tijdelijke instelling van andere commissies voor specifieke taken. § 3. Bij de vaststelling van het quorum in de Algemene Vergadering en in de in § 1, onder c tot en met f bedoelde Commissies wordt geen rekening gehouden met de lidstaten die geen stemrecht hebben (artikel 14, § 5, artikel 26, § 7 of artikel 40, § 4). § 4. Het voorzitterschap van de Algemene Vergadering, het voorzitterschap van het Comité van Beheer alsmede de functie van Secretaris-Generaal moeten in beginsel worden toebedeeld aan onderdanen van verschillende lidstaten. Artikel 14 Algemene Vergadering § 1 De Algemene Vergadering bestaat uit alle Lidstaten. § 2 De Algemene Vergadering : a) stelt haar huishoudelijk reglement op;b) benoemt de leden van het Comité van Beheer alsook een plaatsvervangend lid voor ieder van hen en kiest de Lidstaat die het voorzitterschap van het Comité van Beheer zal bekleden (artikel 15, §§ 1 tot en met 3);c) kiest de Secretaris-Generaal (artikel 21, § 2);d) geeft richtlijnen betreffende de werkzaamheden van het Comité van Beheer en van de Secretaris-Generaal;e) stelt, voor een periode van zes jaar, het maximale bedrag vast voor de uitgaven van de Organisatie in iedere begrotingsperiode (artikel 25);bij gebreke hiervan, geeft zij voor een periode van maximaal zes jaar richtlijnen voor de begrenzing van deze uitgaven; f) besluit of de zetel van de Organisatie in een andere plaats wordt gevestigd (artikel 1, § 2);g) besluit over de invoering van andere werktalen (artikel 1, § 6);h) besluit over de overname van andere bevoegdheden door de Organisatie (artikel 4, § 1) alsook over de overdracht van bevoegdheden van de Organisatie aan een andere intergouvernementele organisatie (artikel 4, § 2);i) besluit, in voorkomend geval, tot de tijdelijke instelling van andere commissies voor specifieke taken (artikel 13, § 2);j) onderzoekt of de houding van een Staat moet worden beschouwd als een stilzwijgende opzegging (artikel 26, § 7);k) besluit over het opdragen van de uitvoering van de controle van de boekhouding aan een andere lidstaat dan de Staat waar de zetel is gevestigd (artikel 27, § 1);l) besluit over voorstellen tot wijziging van het Verdrag (artikel 33, §§ 2 en 3);m) besluit over verzoeken tot toetreding die aan haar worden voorgelegd (artikel 37, § 4);n) besluit over de voorwaarden voor toetreding door een regionale organisatie voor economische integratie (artikel 38, § 1);o) besluit over verzoeken tot associatie die aan haar worden voorgelegd (artikel 39, § 1);p) besluit over de ontbinding van de Organisatie en over de eventuele overdracht van haar bevoegdheden aan een andere intergouvernementele organisatie (artikel 43);q) besluit over andere kwesties die op de agenda zijn geplaatst. § 3. De Secretaris-Generaal roept de Algemene Vergadering bijeen eenmaal in de drie jaar dan wel op verzoek van een derde van de lidstaten of van het Comité van Beheer, alsmede in de in de artikelen 33, §§ 2 en 3 en 37, § 4 bedoelde gevallen. De Secretaris-Generaal zendt, uiterlijk drie maanden voor de opening van de zitting, de ontwerpagenda aan de lidstaten, onder de in het in § 2, onder a bedoelde huishoudelijk reglement vastgestelde voorwaarden. § 4. Het quorum van de Algemene Vergadering (artikel 13 § 3) wordt bereikt wanneer de meerderheid van de lidstaten hierin is vertegenwoordigd. Een lidstaat kan zich laten vertegenwoordigen door een andere lidstaat; een Staat kan evenwel niet meer dan één andere Staat vertegenwoordigen. § 5. In geval van stemming in de Algemene Vergadering over wijzigingen van de Aanhangsels bij het Verdrag, hebben de lidstaten die, overeenkomstig artikel 42, § 1, eerste volzin, een verklaring met betrekking tot het desbetreffende Aanhangsel hebben afgelegd, geen stemrecht. § 6. De besluiten van de Algemene Vergadering worden genomen met meerderheid van de bij de stemming vertegenwoordigde lidstaten, behalve in de gevallen van § 2, onder e, f, g, h, l en p alsook van artikel 34, § 6 waarvoor een meerderheid van twee derde vereist is. In het geval van § 2, onder l is een meerderheid van twee derde evenwel niet vereist wanneer het voorstellen betreft tot wijziging van het eigenlijke Verdrag, met uitzondering van de artikelen 9 en 27, §§ 2 tot en met 10 en van het in artikel 1, § 4 bedoelde Protocol. § 7. Op uitnodiging van de Secretaris-Generaal, met instemming van de meerderheid van de lidstaten, kunnen a) Staten die geen lid zijn van de Organisatie, b) internationale organisaties en verenigingen, die bevoegd zijn voor aangelegenheden die betrekking hebben op de werkzaamheden van de Organisatie of die zich bezighouden met op de agenda geplaatste kwesties, met een adviserende stem deelnemen aan de zittingen van de Algemene Vergadering. Artikel 15 Comité van Beheer § 1. Het Comité van Beheer bestaat uit een derde van de lidstaten. § 2. De leden van het Comité en een plaatsvervangend lid voor ieder van hen, alsook de lidstaat die voorzitter is, worden benoemd voor een periode van drie jaar. De samenstelling van het Comité wordt voor iedere periode vastgesteld, waarbij met name rekening wordt gehouden met een billijke geografische verdeling. Een plaatsvervangend lid dat gedurende een periode lid van het Comité is geworden, moet voor de volgende periode als lid van het Comité worden benoemd. § 3. Ingeval zich een vacature voordoet, het stemrecht van een lid is geschorst of in geval van afwezigheid van een lid bij twee opvolgende zittingen van het Comité, zonder dat het zich overeenkomstig § 6 laat vertegenwoordigen door een ander lid, vervult het door de Algemene Vergadering benoemde plaatsvervangend lid zijn functie voor de rest van de periode. § 4. Afgezien van het in § 3 bedoelde geval kan geen enkele lidstaat voor meer dan twee achtereenvolgende volledige perioden deel uitmaken van het Comité. § 5 Het Comité a) stelt zijn huishoudelijk reglement op;b) sluit de zetelovereenkomst;c) stelt het statuut van het personeel van de Organisatie op;d) benoemt, rekening houdend met de bekwaamheid van de kandidaten en met een billijke geografische verdeling, de hooggeplaatste functionarissen van de Organisatie;e) stelt een reglement op betreffende de financiën en de boekhouding van de Organisatie;f) keurt het werkprogramma, de begroting, het verslag en de rekeningen van de Organisatie goed;g) stelt op basis van de goedgekeurde rekeningen de door de lidstaten overeenkomstig artikel 26 verschuldigde definitieve bijdrage vast voor de afgelopen twee kalenderjaren, alsook de hoogte van het door de lidstaten overeenkomstig artikel 26, § 5 voor het lopende jaar en voor het volgende kalenderjaar verschuldigde voorschot;h) bepaalt de taken van de Organisatie die betrekking hebben op alle lidstaten of slechts enkele lidstaten, alsook de dientengevolge door deze lidstaten te dragen uitgaven (artikel 26, § 4);i) stelt de hoogte van de specifieke vergoedingen vast (artikel 26, § 11);j) geeft bijzondere richtlijnen betreffende de controle van de boekhouding (artikel 27, § 1);k) keurt goed dat de Organisatie administratieve taken op zich neemt (artikel 4, § 3) en stelt de door de betrokken lidstaat verschuldigde specifieke bijdrage vast;l) deelt aan de lidstaten het verslag, de rekeningen alsmede zijn besluiten en aanbevelingen mede;m) stelt een verslag op over zijn werkzaamheden, evenals voorstellen inzake zijn nieuwe samenstelling en deelt deze stukken, met het oog op de Algemene Vergadering die een besluit moet nemen omtrent zijn samenstelling (artikel 14, § 2, onder b), uiterlijk twee maanden voor de opening van de zitting aan de lidstaten mede;n) controleert het beheer van de Secretaris-Generaal;o) ziet toe op de juiste toepassing van het Verdrag door de Secretaris-Generaal alsmede op de uitvoering door de Secretaris-Generaal van de door de overige organen genomen besluiten; hiertoe kan het Comité alle nodige maatregelen nemen voor de verbetering van de toepassing van het Verdrag en van de bovengenoemde besluiten; p) geeft met redenen omklede adviezen over vraagstukken die van belang kunnen zijn voor de werkzaamheden van de Organisatie en die het Comité worden voorgelegd door een lidstaat of door de Secretaris-Generaal;q) beslecht geschillen tussen een lidstaat en de Secretaris-Generaal met betrekking tot zijn functie als depositaris (artikel 36, § 2);r) besluit over verzoeken om schorsing van het lidmaatschap (artikel 40). § 6. Het quorum van het Comité wordt bereikt wanneer twee derde van de leden hierin is vertegenwoordigd. Een lidstaat kan zich laten vertegenwoordigen door een andere lidstaat; een lid kan evenwel niet meer dan één ander lid vertegenwoordigen. § 7. De besluiten van het Comité worden genomen met meerderheid van de bij de stemming vertegenwoordigde leden. § 8. Het Comité komt, tenzij het anders besluit, bijeen op de plaats waar de zetel van de Organisatie is gevestigd. De notulen van de zittingen worden aan alle lidstaten gezonden. § 9. De voorzitter van Comité : a) roept het Comité ten minste eenmaal per jaar bijeen, alsook op verzoek van hetzij vier van zijn leden, hetzij van de Secretaris-Generaal;b) doet de leden van het Comité de ontwerp-agenda toekomen;c) behandelt, binnen de grenzen en onder de voorwaarden vastgelegd in het huishoudelijk reglement van het Comité, spoedeisende vraagstukken die zich in de periode tussen de zittingen voordoen;d) ondertekent de in § 5, onder b bedoelde zetelovereenkomst. § 10. Het Comité kan, binnen zijn eigen bevoegdheden, de voorzitter opdragen bepaalde specifieke taken uit te voeren. Artikel 16 Commissies § 1. De in artikel 13, § 1, onder c tot en met f en § 2 bedoelde Commissies zijn in beginsel samengesteld uit alle lidstaten. Wanneer de Herzieningscommissie, de Commissie van RID-deskundigen of de Commissie van technisch deskundigen in het kader van hun bevoegdheden beraadslagen en besluiten over wijzigingen van de Aanhangsels bij het Verdrag, zijn de lidstaten die, overeenkomstig artikel 42, § 1, eerste volzin, een verklaring hebben afgelegd met betrekking tot de desbetreffende Aanhangsels, geen lid van de betrokken Commissie. § 2. De Secretaris-Generaal roept de Commisses bijeen hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van vijf lidstaten of van het Comité van Beheer. De Secretaris-Generaal zendt de ontwerpagenda uiterlijk twee maanden voor de opening van de zitting aan de lidstaten. § 3. Een lidstaat kan zich laten vertegenwoordigen door een andere lidstaat, een Staat kan evenwel niet meer dan twee andere Staten vertegenwoordigen. § 4. Iedere vertegenwoordigde lidstaat heeft recht op een stem. Een voorstel is aangenomen indien het aantal voor het voorstel uitgebrachte stemmen : a) ten minste gelijk is aan een derde van het aantal bij de stemming vertegenwoordigde lidstaten en b) hoger is dan het aantal tegen het voorstel uitgebrachte stemmen. § 5. Op uitnodiging van de Secretaris-Generaal, met instemming van de meerderheid van de lidstaten, kunnen a) Staten die geen lid zijn van de Organisatie, b) lidstaten die evenwel geen lid zijn van de betrokken Commissies, c) internationale organisaties en verenigingen, die bevoegd zijn voor aangelegenheden die betrekking hebben op de werkzaamheden van de Organisatie of die zich bezighouden met op de agenda geplaatste kwesties, met een adviserende stem deelnemen aan de zittingen van de Commissies. § 6. De Commissies kiezen voor iedere zitting of voor een bepaalde periode een voorzitter en een of meer vice-voorzitters. § 7. De beraadslagingen worden gehouden in de werktalen. Van de uiteenzettingen die tijdens een zitting in een van de werktalen worden gegeven, wordt de essentie in de andere werktalen vertaald; de voorstellen en de besluiten worden in hun geheel vertaald. § 8. In de verslagen worden de beraadslagingen in het kort weergegeven. De voorstellen en de besluiten worden in hun geheel weergegeven. Wat de besluiten betreft, is alleen de Franse tekst authentiek. De verslagen worden aan alle lidstaten gezonden. § 9. De Commissies kunnen werkgroepen instellen voor de behandeling van bepaalde aangelegenheden. § 10. De Commissies stellen hun huishoudelijk reglement op. Artikel 17 Herzieningscommissie § 1. De Herzieningscommissie : a) besluit, overeenkomstig artikel 33, § 4, over voorstellen tot wijziging van het Verdrag;b) onderzoekt de overeenkomstig artikel 33, § 2 ter beslissing aan de Algemene Vergadering voor te leggen voorstellen. § 2. Het quorum (artikel 13, § 3) van de Herzieningscommissie wordt bereikt wanneer de meerderheid van de lidstaten hierin is vertegenwoordigd. Artikel 18 Commissie van RID-deskundigen § 1. De Commissie van RID-deskundigen besluit, overeenkomstig artikel 33, § 5, over voorstellen tot wijziging van het Verdrag. § 2 Het quorum (artikel 13, § 3) van de Commissie van RID-deskundigen wordt bereikt wanneer een derde van de lidstaten hierin is vertegenwoordigd. Artikel 19 Commissie vergemakkelijking spoorwegverkeer § 1 De Commissie vergemakkelijking spoorwegverkeer : a) behandelt alle aangelegenheden die ten doel hebben de grensoverschrijding in het internationale spoorwegverkeer te vergemakkelijken;b) beveelt normen, methoden, procedures en handelwijzen aan met betrekking tot de vergemakkelijking van het spoorwegverkeer. § 2 Het quorum (artikel 13, § 3) van de Commissie vergemakkelijking spoorwegverkeer wordt bereikt wanneer een derde van de lidstaten hierin is vertegenwoordigd. Artikel 20 Commissie van technisch deskundigen § 1 De Commissie van technisch deskundigen : a) besluit, overeenkomstig artikel 5 van de Uniforme Regelen APTU, over de verbindendverklaring van een technische norm met betrekking tot spoorwegmaterieel bestemd voor gebruik in internationaal verkeer;b) besluit, overeenkomstig artikel 6 van de Uniforme Regelen APTU, over de aanneming van een uniform technisch voorschrift voor de bouw, het in bedrijf hebben, het onderhoud of voor een procedure met betrekking tot spoorwegmaterieel bestemd voor gebruik in internationaal verkeer;c) ziet toe op de toepassing van de technische normen en de uniforme technische voorschriften met betrekking tot spoorwegmaterieel bestemd voor gebruik in het internationale verkeer en onderzoekt de ontwikkeling hiervan met het oog op de verbindendverklaring of aanneming hiervan overeenkomstig de in de artikelen 5 en 6 van de Uniforme Regelen APTU bedoelde procedures;d) besluit, overeenkomstig artikel 33, § 6, over voorstellen tot wijziging van het Verdrag;e) behandelt alle overige aangelegenheden die haar overeenkomstig de Uniforme Regelen APTU en Uniforme Regelen ATMF worden opgedragen. § 2 Het quorum (artikel 13, § 3) van de Commissie van technisch deskundigen wordt bereikt wanneer de helft van de Lidstaten, in de zin van artikel 16, § 1, hierin is vertegenwoordigd. Bij het nemen van besluiten over de bepalingen van de Bijlagen van de Uniforme Regelen APTU hebben de lidstaten die, overeenkomstig artikel 35, § 4, ten aanzien van de desbetreffende bepalingen bezwaar hebben gemaakt of, overeenkomstig artikel 9, § 1 van de Uniforme Regelen APTU, een verklaring hebben afgelegd, geen stemrecht. § 3 De Commissie van technisch deskundigen kan hetzij technische normen verbindend verklaren of uniforme technische voorschriften aannemen, hetzij weigeren deze verbindend te verklaren of aan te nemen; de Commissie van technisch deskundigen kan de normen of voorschriften in geen geval wijzigen. Artikel 21 Secretaris-Generaal § 1 De Secretaris-Generaal verzorgt de taken van het secretariaat van de Organisatie. § 2 De Secretaris-Generaal wordt door de Algemene Vergadering gekozen voor een periode van drie jaar en is ten hoogste twee maal opnieuw verkiesbaar. § 3 Tot de werkzaamheden van de Secretaris-Generaal behoort met name : a) het vervullen van de taken van depositaris (artikel 36);b) het naar buiten vertegenwoordigen van de Organisatie;c) het aan de Lidstaten mededelen van de door de Algemene Vergadering en door de Commissies genomen besluiten (artikel 34, § 1;artikel 35, § 1); d) het uitvoeren van de taken die door de andere organen van de Organisatie aan hem worden toevertrouwd;e) het onderzoeken van voorstellen van de lidstaten tot wijziging van het Verdrag, eventueel met hulp van deskundigen;f) het bijeenroepen van de Algemene Vergadering en de Commissies (artikel 14, § 3;artikel 16, § 2); g) het tijdig aan de Lidstaten toezenden van de documenten die nodig zijn voor de zittingen van de verschillende organen;h) het opstellen van het werkprogramma, de ontwerpbegroting en het verslag van de Organisatie en het ter goedkeuring daarvan voorleggen aan het Comité van Beheer (artikel 25);i) het beheren van de financiën van de Organisatie binnen het kader van de goedgekeurde begroting;j) het op verzoek van een van de betrokken partijen trachten door het aanbieden van zijn goede diensten geschillen tussen deze partijen over de interpretatie of de toepassing van het Verdrag te beslechten;k) het op verzoek van alle betrokken partijen geven van adviezen over geschillen over de interpretatie of de toepassing van het Verdrag;l) het vervullen van de taken die hem door Titel V worden toegekend;m) het ontvangen van de mededelingen van de Lidstaten, internationale organisaties en verenigingen, bedoeld in artikel 16, § 5, en van de ondernemingen (vervoerders, infrastructuurbeheerders, enzovoort) die aan het internationale spoorwegverkeer deelnemen en eventueel het hiervan kennis geven aan de andere lidstaten, internationale organisaties en verenigingen alsmede aan de ondernemingen;n) het leiding geven aan het personeel van de Organisatie;o) het tijdig op de hoogte stellen van de lidstaten van de vacatures bij de Organisatie;p) het bijhouden en publiceren van de in artikel 24 bedoelde lijsten van de lijnen. § 4. De Secretaris-Generaal kan op eigen initiatief voorstellen doen tot wijziging van het Verdrag. Artikel 22 Personeel van de Organisatie De rechten en plichten van het personeel van de Organisatie worden vastgelegd in het door het Comité van Beheer overeenkomstig artikel 15, § 5, onder c opgestelde statuut van het personeel. Artikel 23 Tijdschrift § 1. De Organisatie geeft een tijdschrift uit met officiële mededelingen alsmede mededelingen die voor de toepassing van het Verdrag noodzakelijk en nuttig zijn. § 2. De mededelingen die de Secretaris-Generaal krachtens het Verdrag moet doen, kunnen in voorkomend geval worden gedaan door middel van een publicatie in het tijdschrift. Artikel 24 Lijsten van de lijnen § 1. De in artikel 1 van de Uniforme Regelen CIV en Uniforme Regelen CIM bedoelde lijnen over zee en binnenwateren waarop, in aanvulling op een vervoer per spoor, vervoer plaatsvindt dat het onderwerp vormt van een en dezelfde overeenkomst, worden ingeschreven op twee lijsten : a) de lijst van lijnen over zee en binnenwateren CIV, b) de lijst van lijnen over zee en binnenwateren CIM. § 2. De spoorweglijnen van een lidstaat die overeenkomstig artikel 1, § 6 van de Uniforme Regelen CIV of overeenkomstig artikel 1, § 6 van de Uniforme Regelen CIM een voorbehoud heeft gemaakt, worden overeenkomstig dit voorbehoud ingeschreven op twee lijsten : a) de lijst van spoorweglijnen CIV, b) de lijst van spoorweglijnen CIM. § 3. De lidstaten zenden aan de Secretaris-Generaal hun mededelingen betreffende het inschrijven of het schrappen van de in de §§ 1 en 2 bedoelde lijnen. De in § 1 bedoelde lijnen over zee en binnenwateren worden, voorzover zij lidstaten met elkaar verbinden, slechts ingeschreven na toestemming van deze Staten; voor het schrappen van een dergelijke lijn is de mededeling van een van deze Staten voldoende. § 4. De Secretaris-Generaal geeft alle lidstaten kennis van het inschrijven of schrappen van een lijn. § 5. Het vervoer over de in § 1 bedoelde lijnen over zee en binnenwateren en het vervoer over de in § 2 bedoelde spoorweglijnen zijn onderworpen aan de bepalingen van het Verdrag na verloop van een maand te rekenen van de datum van de kennisgeving van de inschrijving door de Secretaris-Generaal. Een dergelijke lijn is niet meer onderworpen aan de bepalingen van het Verdrag na verloop van drie maanden te rekenen van de datum van kennisgeving door de Secretaris-Generaal dat zij is geschrapt, behalve ten aanzien van reeds aangevangen vervoer, dat moet worden voltooid. TITEL IV. - Financiën Artikel 25 Werkprogramma. Begroting. Rekeningen. Verslag § 1. Het werkprogramma, de begroting en de rekeningen van de Organisatie hebben betrekking op een periode van twee kalenderjaren. § 2. De Organisatie stelt ten minste eens in de twee jaar een verslag op. § 3. De hoogte van de uitgaven van de Organisatie wordt voor iedere begrotingsperiode door het Comité van Beheer vastgesteld op voorstel van de Secretaris-Generaal. Artikel 26 Financiering van de uitgaven § 1. Behoudens de §§ 2 tot en met 4 worden de uitgaven van de Organisatie die niet door andere inkomsten worden gedekt, gedragen door de lidstaten voor twee vijfde deel, op basis van de verdeelsleutel voor de bijdragen van het stelsel van de Verenigde Naties, en voor drie vijfde naar evenredigheid van de totale lengte van de spoorweginfrastructuur alsook van de overeenkomstig artikel 24, § 1 ingeschreven lijnen over zee en binnenwateren. De lijnen over zee en binnenwateren worden evenwel slechts gerekend voor de helft van hun lengte. § 2. Wanneer een lidstaat een voorbehoud overeenkomstig artikel 1, § 6 van de Uniforme Regelen CIV of overeenkomstig artikel 1, § 6 van de Uniforme Regelen CIM heeft gemaakt, wordt de in § 1 bedoelde formule voor de bijdragen als volgt toegepast : a) in plaats van de totale lengte van de spoorweginfrastructuur op het grondgebied van die lidstaat, wordt slechts rekening gehouden met de lengte van de spoorweglijnen die overeenkomstig artikel 24, § 2 zijn ingeschreven;b) het deel van de bijdrage volgens het stelsel van de Verenigde Naties wordt berekend naar evenredigheid van de lengte van de overeenkomstig artikel 24, §§ 1 en 2 ingeschreven lijnen in verhouding tot de totale lengte van de spoorweginfrastructuur op het grondgebied van die lidstaat en de lengte van de overeenkomstig artikel 24, § 1 ingeschreven lijnen;deze bijdrage kan in geen geval lager zijn dan 0,01 procent. § 3. Iedere lidstaat draagt ten minste 0,25 procent en ten hoogste 15 procent van de bijdragen. § 4. Het Comité van Beheer stelt de werkzaamheden van de Organisatie vast die : a) op alle Lidstaten op gelijke wijze betrekking hebben en de uitgaven die volgens de in § 1 genoemde formule door alle lidstaten worden gedragen;b) op slechts enkele lidstaten betrekking hebben en de uitgaven die volgens dezelfde formule door deze lidstaten worden gedragen. § 3. is van overeenkomstige toepassing. Deze bepalingen laten artikel 4, § 3 onverlet. § 5. De bijdragen van de lidstaten aan de uitgaven van de Organisatie zijn verschuldigd in de vorm van een voorschot, betaalbaar in twee termijnen, uiterlijk op 31 oktober van ieder van de twee jaar waarop de begroting betrekking heeft. Het voorschot wordt vastgesteld op basis van de definitief verschuldigde bijdrage over de twee voorgaande jaren. § 6. Bij de toezending aan de lidstaten van het verslag en de rekeningen, doet de Secretaris-Generaal mededeling van het definitieve bedrag van de bijdrage van de twee voorgaande kalenderjaren alsook van de hoogte van het voorschot voor de komende twee kalenderjaren. § 7. Na 31 december van het jaar van de mededeling door de Secretaris-Generaal overeenkomstig § 6 is over de verschuldigde bedragen voor de twee voorgaande kalenderjaren rente verschuldigd ten bedrage van vijf procent per jaar. Indien een lidstaat een jaar na deze datum zijn bijdrage niet heeft betaald, wordt zijn stemrecht geschorst, totdat hij aan de verplichting tot betaling heeft voldaan. Na verloop van nog eens twee jaar onderzoekt de Algemene Vergadering of de houding van die Staat moet worden beschouwd als een stilzwijgende opzegging van het Verdrag en stelt zij daarbij eventueel de datum vast waarop deze opzegging van kracht wordt. § 8. De vervallen bijdragen blijven verschuldigd in de gevallen van opzegging krachtens § 7 of artikel 41 alsmede in de in artikel 40, § 4 onder b bedoelde gevallen van schorsing van het stemrecht. § 9. De niet-geïnde bijdragen worden gedekt uit de middelen van de Organisatie. § 10. De lidstaat die het Verdrag heeft opgezegd, kan opnieuw lidstaat worden door toetreding, op voorwaarde dat hij de door hem verschuldigde bedragen heeft betaald. § 11. De Organisatie heft een vergoeding ter dekking van de bijzondere kosten die voortvloeien uit de in artikel 21, § 3, onder j tot en met l bedoelde werkzaamheden. In de in artikel 21, § 3, onder j en k bedoelde gevallen wordt deze vergoeding vastgesteld door het Comité van Beheer op voorstel van de Secretaris-Generaal; in het in artikel 21, § 3, onder l bedoelde geval is artikel 31, § 3 van toepassing. Artikel 27 Controle van de boekhouding § 1. Tenzij de Algemene Vergadering overeenkomstig artikel 14, § 2, onder k anders besluit, wordt de controle van de boekhouding uitgevoerd door de lidstaat waar de zetel is gevestigd volgens de regels van dit artikel en, behoudens alle bijzondere richtlijnen van het Comité van Beheer, in overeenstemming met het reglement betreffende de financiën en de boekhouding van de Organisatie (artikel 15, § 5, onder e). § 2. De controleur onderzoekt naar eigen inzicht de boekhouding van de Organisatie, met inbegrip van alle beheerde fondsen en speciale rekeningen, om zich ervan te vergewissen dat : a) de financiële staten overeenstemmen met de boeken en geschriften van de Organisatie;b) de financiële verrichtingen waarop die staten betrekking hebben, zijn uitgevoerd in overeenstemming met de voorschriften en reglementen, de budgettaire bepalingen en de andere richtlijnen van de Organisatie;c) de waardepapieren en het contante geld die in een bank of kas zijn gedeponeerd gecontroleerd werden aan de hand van rechtstreeks van de depothouders ontvangen certificaten, of daadwerkelijk geteld werden;d) de interne controles, met inbegrip van het interne onderzoek van de boekhouding, doeltreffend zijn;e) alle activa en passiva, alsook alle overschotten en tekorten, zijn geboekt volgens procedures die hij bevredigend acht. § 3. Alleen de controleur is bevoegd om de verklaringen en bewijsstukken van de Secretaris-Generaal geheel of gedeeltelijk te aanvaarden. Indien hij het dienstig acht, kan hij overgaan tot onderzoek en gedetailleerde controle van elk boekhoudkundig document betreffende de financiële verrichtingen of de leveringen en het materiaal. § 4. De controleur heeft te allen tijde onbeperkte inzage in alle boeken, geschriften, boekhoudkundige documenten en andere informatiebronnen die hij nodig meent te hebben. § 5. De controleur is niet bevoegd om een of andere rubriek van de boekhouding te verwerpen, maar hij vestigt onmiddellijk de aandacht van de Secretaris-Generaal op elke verrichting waarvan de regelmatigheid of de gepastheid hem betwistbaar lijkt, opdat laatstgenoemde passende maatregelen kan treffen. § 6. De controleur verstrekt en ondertekent in de volgende bewoordingen een verklaring over de financiële staten : "Ik heb de financiële staten van de Organisatie betreffende de begrotingsperiode die eindigt op 31 december .... onderzocht. Mijn onderzoek omvatte een algemene analyse van de boekhoudmethoden en de in de gegeven omstandigheden naar mijn mening noodzakelijke controle van de boekhoudkundige documenten en andere bewijsstukken". Deze verklaring vermeldt in voorkomend geval dat : a) de financiële staten op bevredigende wijze de financiële situatie op de einddatum van de beschouwde periode weergeven alsook de resultaten van de verrichtingen gedurende de periode die op die datum eindigde;b) de financiële staten zijn opgesteld overeenkomstig de genoemde boekhoudkundige beginselen;c) de financiële beginselen zijn toegepast volgens de modaliteiten die overeenstemmen met die welke tijdens de voorgaande begrotingsperiode werden aangenomen;d) de financiële verrichtingen zijn uitgevoerd in overeenstemming met de voorschriften en reglementen, de budgettaire bepalingen en de andere richtlijnen van de Organisatie. § 7. De controleur vermeldt in zijn verslag over de financiële verrichtingen : a) de aard en de draagwijdte van het door hem uitgevoerde onderzoek;b) de elementen die verband houden met de volledigheid of de juistheid van de boekhouding, eventueel met inbegrip van : 1.de voor de juiste interpretatie en de juiste beoordeling van de boekhouding vereiste gegevens; 2. elk bedrag dat geïnd had moeten worden, maar niet geboekt is;3. elk bedrag dat een regelmatige of voorwaardelijke uitgavenverplichting inhoudt en dat niet geboekt is of waarmee in de financiële staten geen rekening is gehouden;4. de uitgaven waarvoor geen toereikende bewijsstukken zijn overgelegd;5. het bijhouden van de boeken in de goede en voorgeschreven wijze; gevallen waarin de vorm en inhoud van de financiële staten afwijken van de algemeen erkende en altijd gehanteerde boekhoudkundige beginselen moeten worden gemeld; c) andere kwesties waarop de aandacht van het Comité van Beheer moet worden gevestigd, zoals : 1.gevallen van fraude of vermoedelijke fraude; 2. verspilling of onregelmatig gebruik van fondsen of andere tegoeden van de Organisatie (ook al zou de boekhouding in orde zijn op het punt van de uitgevoerde verrichting);3. uitgaven die op een later tijdstip aanzienlijke kosten voor de Organisatie zouden kunnen meebrengen;4. elke tekortkoming, algemeen of bijzonder, in het controlesysteem van de ontvangsten en uitgaven of de leveringen en het materiaal;5. uitgaven die niet stroken met de intenties van het Comité van Beheer, rekening houdend met officieel toegestane overboekingen binnen de begroting;6. kredietoverschrijdingen, rekening houdend met de wijzigingen voortvloeiend uit officieel toegestane overboekingen binnen de begroting;7. uitgaven die niet overeenstemmen met de daarvoor geldende machtigingen;d) de juistheid of onjuistheid van de boekhouding inzake de leveringen en het materiaal, vastgesteld op basis van de inventarisatie en de controle van de boeken. Bovendien kan het verslag handelen over verrichtingen die tijdens een vorige begrotingsperiode werden geboekt en waarover nieuwe gegevens verkregen werden, alsook over verrichtingen die in de loop van een volgende begrotingsperiode moeten plaatsvinden en waarvan het wenselijk lijkt dat het Comité van Beheer er vooraf van op de hoogte wordt gesteld. § 8. De controleur mag in zijn verslag nooit enige kritiek leveren zonder de Secretaris-Generaal tevoren een mogelijkheid tot nadere verklaring te bieden. § 9. De controleur deelt aan het Comité van Beheer en de Secretaris-Generaal zijn bevindingen mee als gevolg van de controle. Bovendien kan hij elk commentaar leveren dat hij passend acht betreffende het financieel verslag van de Secretaris-Generaal. § 10. Voorzover de controleur een oppervlakkig onderzoek heeft uitgevoerd of onvoldoende bewijsstukken heeft kunnen verkrijgen, moet hij zulks melden in zijn verklaring en zijn verslag, onder vermelding van de redenen voor die opmerkingen, alsook de gevolgen die daaruit voortvloeien voor de financiële situatie en de geboekte financiële verrichtingen. TITEL V. - Arbitrage Artikel 28 Bevoegdheid § 1. De geschillen tussen de lidstaten voortvloeiende uit de interpretatie of de toepassing van het Verdrag, alsmede de geschillen tussen de lidstaten en de Organisatie voortvloeiende uit de interpretatie of de toepassing van het Protocol over de voorrechten en immuniteiten, kunnen, op verzoek van een van de partijen, worden voorgelegd aan een scheidsgerecht. De partijen zijn vrij te beslissen over de samenstelling v …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.