Koninklijk besluit van 12 juli 2012 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van
Kort samengevat
Dit Koninklijk Besluit wijzigt de basisnormen voor brand- en ontploffingspreventie in nieuwe gebouwen, met als doel deze aan te passen aan Europese regelgeving en nieuwe technische inzichten. Het introduceert nieuwe bijlagen en past bestaande voorschriften aan.
Wat het reguleert
- De aanpassing van voorschriften voor de reactie bij brand van bouwmaterialen aan Europese regelgeving.
- De aanpassing van voorschriften betreffende brandweerstand aan Europese regelgeving.
- Nieuwe bepalingen over gevels, verwarmingslokalen en verluchting van trappenhuizen in lage gebouwen.
- Aanpassingen voor de verluchting van liftschachten in lage-energiegebouwen en bepalingen voor groendaken.
Wie het aanbelangt
- Bouwers en ontwikkelaars van nieuwe gebouwen.
- Fabrikanten van bouwmaterialen en -producten.
Kernpunten
- De classificatie van bouwmaterialen en dakbedekkingen bij brand wordt aangepast aan Europese normen.
- De Minister van Binnenlandse Zaken bepaalt de lijst van producten die tot de klassen A "geen bijdrage tot brand" behoren.
- De Minister van Binnenlandse Zaken legt de lijst vast van dakbedekkingen waarvan het gedrag bij brand goed gekend en stabiel is.
- Verwijzingen naar "regels van goede praktijk" zijn verwijderd; bescherming tegen bliksem moet gebaseerd zijn op risico-evaluatie.
Wettekst
12 JULI 2012. - Koninklijk besluit van 12 juli 2012 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen VERSLAG AAN DE KONING Sire, Onderhavig ontwerp wijzigt het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen. Er worden nieuwe bijlagen ingevoegd bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. Deze nieuwe bijlagen hebben onder meer tot doel : - de aanpassing van de voorschriften betreffende de reactie bij brand van bouwmaterialen, opgenomen in bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten, aan de Europese regelgeving; - de aanpassing van de voorschriften betreffende de brandweerstand, opgenomen in de bijlagen 2, 3 en 4 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten, aan de Europese regelgeving; - de invoeging van nieuwe bepalingen betreffende de gevels, de verwarmingslokalen en de verluchting van de trappenhuizen in lage gebouwen; - de toevoeging van een bijlage 7 aan de gemeenschappelijke voorschriften voor lage, middelhoge en hoge gebouwen; - de aanpassing van de bepalingen inzake de verluchting van de liftschachten in lage-energiegebouwen en de toevoeging van bepalingen inzake de groendaken. Het ontwerp van koninklijk besluit werd voorgelegd aan de Raad van State voor advies. De Raad van State leverde op 28 november 2011 advies 50.548/4 af met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. De opmerkingen van de Raad van State die bijkomende uitleg vereisen worden hierna weergegeven. Het ontwerp van koninklijk besluit diende meegedeeld te worden aan de Europese Commissie overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 98/34/EG. Voor de meerderheid van de voorschriften in het ontwerp gebeurde de mededeling meerdere jaren geleden, met name in 2008 en in 2009 terwijl de termijn die verloopt tussen het voldoen van de formaliteiten voorafgaand aan het besluit en het besluit zelf in principe kort moet zijn. Het vormvoorschrift van de mededeling aan de Europese Commissie is dan nog slechts vervuld indien aangetoond is dat de feitelijke en juridische omstandigheden die in aanmerking moeten genomen worden niet zodanig gewijzigd zijn dat de gevolgde procedure als niet meer ter zake dienend moet worden aangemerkt. Wat betreft de gewijzigde juridische omstandigheden moet melding gemaakt worden van de publicatie van de bouwproducten verordening, met name de Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad. De volledige tekst van het ontwerp werd in april 2011 naar de Europese Commissie gestuurd. Niettemin werden de bepalingen die ingevoegd werden in 2010 in het bijzonder onderzocht. De beperkte wijzigingen die het ontwerp van koninklijk besluit ondergaan heeft in 2010, evenals het in werking treden van de bouwproducten verordening, zullen niet tot gevolg hebben dat de Europese Commissie haar oordeel zou herzien. Fundamenteel werd niets gewijzigd waardoor het vrij verkeer van goederen in gevaar zou kunnen komen. De Raad van State merkt eveneens op dat drie van de vier adviezen van de Hoge Raad voor beveiliging tegen brand en ontploffing dateren van meerdere jaren geleden, met name van 2007, 2008 en 2009, terwijl de termijn die verstrijkt tussen het vervullen van de vormvoorschriften en de beslissing zelf in principe kort moet zijn. Echter, het ontwerp werd in haar geheel aan de Hoge Raad voorgelegd in januari 2011. Weliswaar werden de bepalingen die ingevoegd werden in 2010 in het bijzonder onderzocht. De Hoge Raad is bovendien steeds op de hoogte gehouden geweest van de stand van zaken van het ontwerp van koninklijk besluit. Er werd in de schoot van de Hoge Raad nooit gevraagd om het advies te herbekijken of om het ontwerp van koninklijk besluit aan een nieuwe studie te onderwerpen. De Raad van State merkt op dat talrijke NBN-normen verbindend worden gesteld voor de adressanten ervan en bijgevolg volledige bekendmaking in het Belgisch Staatsblad vereisen. Echter artikel 2 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2004Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 25/10/2004 pub. 09/11/2004 numac 2004011453 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende de uitvoeringsmodaliteiten van de normalisatieprogramma's evenals de bekrachtiging of registratie van normen sluiten betreffende de uitvoeringsmodaliteiten van de normalisatieprogramma's evenals de bekrachtiging of registratie van normen bepaalt dat de Staat en de andere publiekrechtelijke personen aan de door het Bureau gepubliceerde normen kunnen refereren, in besluiten, verordeningen, administratieve handelingen en bestekken door een eenvoudige verwijzing naar het indicatief van deze normen. Bijgevolg is het mogelijk om naar NBN-normen te verwijzen door een eenvoudige verwijzing naar het indicatief van deze normen. De Raad van State merkt op dat verschillende bepalingen van het ontwerp verwezen naar bepalingen met een algemene strekking die vervat zijn in beschikkingen van de Europese Commissie uitgevaardigd met toepassing van Richtlijn 89/106/EG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake voor de bouw bestemde producten. De bewuste beschikkingen waren evenwel aldus opgevat dat ze uitsluitend voor de lidstaten bestemd zijn en niet voor particulieren. Om niet meer te verwijzen naar de Europese beschikkingen die enkel van toepassing zijn op de lidstaten van de Europese Unie en om zodoende de tekst van toepassing te maken op de burger werd de tekst van het ontwerp zoals hierna beschreven aangepast. Wat de indeling van voor de bouw bestemde producten in klassen van materiaalgedrag bij brand betreft wordt in de gewijzigde bijlage 1 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten in punt 3.1 aangaande de reactie bij brand niet meer verwezen naar de Beschikking van de Commissie 2000/147/EG van 8 februari 2000 ter uitvoering van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad, gewijzigd bij de Beschikking van de commissie 2003/632/EG van 26 augustus 2003 en 2006/751/CE van 27 oktober 2006. Daarentegen werden de relevante tabellen van de Europese beschikking ingevoegd in punt 3.1 van de gewijzigde bijlage 1 Wat de lijst van producten die niet aan proeven onderworpen moeten worden betreft, verwijst punt 3.3 van de gewijzigde bijlage 1 niet meer naar de Beschikking van de Commissie 96/603/EG van 4 oktober 1996 tot vaststelling van de lijst van producten die behoren tot de klassen A "geen bijdrage tot de brand" voorzien in de Beschikking 94/611/EG ter uitvoering van artikel 20 van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad inzake voor de bouw bestemde producten, gewijzigd bij de Beschikkingen 2000/605/EG van 26 september 2000 en 2003/424/EG van 6 juni 2003. In het nieuwe punt 3.3 van bijlage 1 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten is voorzien dat de Minister van Binnenlandse Zaken de lijst bepaalt van de producten die tot de klassen A « geen bijdrage tot brand » behoren. Het classificatiesysteem van het gedrag van dakbedekkingen die blootgesteld worden aan een brand vanaf de buitenzijde, beschreven in de Beschikking van de commissie 2001/671/EG van 21 augustus 2001 tot uitvoering van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad met betrekking tot de indeling van het gedrag van daken en dakbedekkingen bij een brand vanaf de buitenzijde, gewijzigd bij de Beschikking 2005/823/EG van 22 november 2005 is vermeld in punt 3bis 1, ingevoegd in bijlage 1 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten. Punt 3 bis 3 verwijst niet meer naar de Beschikking 2000/553/EG van 6 september 2000 tot uitvoering van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad met betrekking tot het brandgedrag aan de buitenzijde van dakbedekkingen en voorziet voortaan dat de Minister van Binnenlandse Zaken de lijst vastlegt van de dakbedekkingen waarvan het gedrag bij brand goed gekend en stabiel is en die niet meer aan de proeven voorzien in punt 3bis, 1 onderworpen moeten worden. Doordat de Minister van Binnenlandse Zaken de lijst van dakbedekkingen zal bepalen werd in punt 8.1. van de nieuwe bijlage 5/1 ook de verwijzing naar de Beschikking 2000/553/EG van 6 september 2000 tot uitvoering van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad met betrekking tot het brandgedrag aan de buitenzijde van dakbedekkingen weggelaten. De Raad van State merkt op dat het ontwerp bepalingen bevat die, zonder enige verduidelijking, de verplichting opleggen om te voldoen aan de « regels van goede praktijk » in de aangelegenheden waarop ze betrekking hebben. Nochtans zijn de nodige verduidelijkingen essentieel om eventuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid te kunnen bepalen, gelet op huidig artikel 10 van de wet van 30 juli 1979. Daarom werden de verwijzingen naar de regels van goed vakmanschap uit het ontwerp verwijderd. Wat punt 6.5.5 betreft, werd de verwijzing naar de goede praktijkregels geschrapt. Er wordt echter gepreciseerd dat de beschermingsvoorziening tegen bliksem gekozen wordt op basis van een evaluatie van het risico, wat overeenstemt met de doelstelling van de norm NBN EN 62305. Bij verscheidene ontworpen bepalingen wordt de verplichting opgelegd om in bepaalde aangelegenheden te voldoen aan de normen of aan de regels van goed vakmanschap die erkend zijn door de Minister van Binnenlandse Zaken volgens de procedure en de voorwaarden die hij bepaalt. Bij het uitvaardigen van het besluit zal de Minister rekening houden met de technische evolutie van de rekenmethodes binnen de brandpreventie. De verordeningsbevoegdheid die aan de Minister wordt opgedragen, zal daardoor beperkt zijn. Er wordt in het besluit niet meer verwezen naar de ministeriële omzendbrief van 14 oktober 1975 betreffende de watervoorraden voor het blussen van branden voor wat betreft de standplaats der boven- en ondergrondse hydranten en hun aantal. Ook wordt er niet meer doorverwezen naar het koninklijk besluit van 30 januari 1975 tot vaststelling van de type koppelingen gebruikt inzake brandvoorkoming en -bestrijding (Belgisch Staatsblad van 9 april 1975) voor wat betreft de voorschriften aangaande het perskoppelstuk van de eventueel aanwezige muurhydranten, aangezien dit overbodig was. Het ontwerp van besluit werd aan de overige opmerkingen van de Raad van State aangepast. Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Binnenlandse Zaken, Mevr. J. MILQUET 12 JULI 2012. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 30 juli 1979Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/07/1979 pub. 24/06/2011 numac 2011000394 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen, artikel 2, gewijzigd bij de wet van 22 december 2003; Gelet op het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 december 1996, 19 december 1997, 4 april 2003, 13 juni 2007 en 1 maart 2009; Gelet op de adviezen van de Hoge Raad voor beveiliging tegen brand en ontploffing van 20 september 2007, 18 september 2008, 28 mei 2009 en 20 januari 2011; Gelet op de uitvoering van de formaliteiten die voorgeschreven zijn door de Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en van de Raad die een informatieprocedure voorziet op het gebied van normen en technische voorschriften; Gelet op het voorafgaand onderzoek met betrekking tot de noodzaak om een effectbeoordeling uit te voeren, waarin besloten wordt dat een effectbeoordeling niet vereist is; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 6 september 2011; Gelet op advies 50.548/4 van de Raad van State, gegeven op 28 november 2011, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1.In bijlage 1 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 december 1997, 4 april 2003, 13 juni 2007 en 1 maart 2009, wordt punt 1.3 vervangen als volgt : « 1.3 Bouwproducten : producten zoals gedefinieerd in artikel 1, 7° van het koninklijk besluit van 19 augustus 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/08/1998 pub. 11/09/1998 numac 1998014214 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende de voor de bouw bestemde producten sluiten inzake de voor de bouw bestemde producten. » Art. 2.Punt 1.4 van bijlage 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « 1.4 Bouwelement : element gevormd uit één of meerdere bouwproducten met als functie in het gebouw : 1. dragen zonder brandscheidende functie (wanden, vloeren, daken, balken, kolommen, trappen); 2. dragen met brandscheidende functie (wanden, vloeren, daken,...); 3. beschermen van elementen of onderdelen van bouwwerken (verlaagde plafonds);4. niet-dragend element zijn of deel van een bouwwerk zijn of een product daarvoor (beschotten of wanden, plafonds, gevels, deuren, luiken, liftdeuren, leidingenkokers en technische schachten); 5. bestemd zijn voor technische installaties (kanalen, kleppen, kabels,...). » Art. 3.Punt 1.8 van bijlage 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « 1.8 Plafond : bouwelement dat het ondervlak van de vloer of van het dak bedekt en zijn draagstructuur bestaande uit de ophangingen, de bevestigingen en het eventuele isolatiemateriaal. Het plafond kan onmiddellijk tegen de structurele elementen van het gebouw bevestigd worden of een verlaagd plafond zijn. » Art. 4.Punt 1.10 van bijlage 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « 1.10 Verlaagd plafond : opgehangen of zelfdragend plafond » Art. 5.In punt 1.12 van bijlage 1 worden de woorden « en kunstwerken (bruggen, tunnels,...) » ingevoegd tussen de woorden « industriële installaties (zoals chemische installaties en tankparken) » en de woorden « worden niet beschouwd als gebouwen ». In de Franstalige versie van hetzelfde punt 1.12 wordt het woord « considérées » bijgevolg aangepast en vervangen door het woord « considérés ». Art. 6.Punt 1.13 van bijlage 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « 1.13 Open parkeergebouw : een parkeergebouw waarvan elk niveau over twee tegenovergestelde gevels beschikt die aan de volgende voorwaarden voldoen :
- a)deze gevels staan over hun gehele lengte maximaal 60 m uit elkaar;
- b)elk van deze gevels bevat openingen waarvan de nuttige oppervlakte minstens 1/6 van de totale oppervlakte van de verticale binnen- en buitenwanden van de omtrek van deze bouwlaag is;
- c)de openingen zijn gelijkmatig verdeeld over de lengte van elk van de twee gevels;
- d)tussen deze twee gevels zijn eventuele obstakels toegestaan, voor zover de nuttige oppervlakte voor de luchtdoorstroming, waarbij rekening gehouden wordt met een volledige bezetting van de parkeerplaatsen, minstens gelijk is aan de oppervlakte van de openingen die vereist is in elk van deze gevels;
- e)de horizontale afstand in open lucht tussen deze gevels en elk buitenobstakel moet minstens 5 m bedragen;» Art. 7.Punt 1 van bijlage 1 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met vier leden, luidende : « 1.20 Zelfredzaam : met fysische en/of psychische mogelijkheid om zichzelf onmiddellijk in veiligheid te brengen zonder fysieke hulp van derden; 1.21 Niet zelfredzaam : niet in de mogelijkheid zich fysisch en/of psychisch onmiddellijk in veiligheid te brengen zonder fysieke hulp van derden; 1.22 Wakend : in staat om een begin van brand of een alarm onmiddellijk op te merken en navenant te reageren; 1.23 Slapend : niet in staat om een begin van brand of een alarm onmiddellijk op te merken of navenant te reageren. » Art. 8.Punt 1 van bijlage 1 van hetzelfde besluit wordt aangevuld als volgt : « 1.24 Groendak : dak bedekt met vegetatie en de nodige lagen voor de groei ervan (drainage, substraat,...). 1.25 Omliggende vegetatie : elke vegetatie waarvan de horizontale afstand ten opzichte van een referentiepunt maximum 3 m bedraagt. » 1.26 Grens van de omliggende vegetatie : de grens van de omliggende vegetatie ten opzichte van de referentieas is een fictieve lijn onder een hoek van 45° die de omliggende vegetatie niet mag overschrijden en die vastgelegd wordt door de volgende vergelijking : hv,max = dv - 0,4 m + he waarbij hv,max de maximale hoogte aangeeft van de omliggende vegetatie op het beschouwde punt; dv de horizontale afstand aangeeft tussen het beschouwde punt van de omliggende vegetatie en de referentieas; he de hoogte aangeeft van het element dat een compartimenteringsfunctie heeft en dat op de referentieas geplaatst is. » Art. 9.In punt 2 van bijlage 1 van het zelfde koninklijk besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1) in punt 2.1, 2°, a), wordt punt 2) opgeheven; 2) het punt 2.1, 2° wordt aangevuld met een punt d), luidende : «
- d)door het proefverslag van een proef uitgevoerd volgens de norm NBN 713-020. » Art. 10.Punt 3 van de bijlage 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « 3. REACTIE BIJ BRAND Gedrag van een materiaal dat in gespecificeerde testomstandigheden, door zijn eigen ontbinding, een vuur waaraan het blootgesteld wordt, voedt. 3.1. Het classificatiesysteem van de kenmerken inzake de reactie bij brand van de bouwproducten wordt beschreven in de hierna vermelde tabellen 1, 2 en 3. De volgende symbolen en definities worden gebruikt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Materiaal : een enkelvoudige basisstof of een gelijkmatig verdeeld (homogeen) mengsel van stoffen, bijvoorbeeld metaal, steen, hout, beton, minerale wol met een gelijkmatig verdeeld bindmiddel, polymeren. Homogeen product : een product bestaande uit één enkel materiaal met een gelijke dichtheid en samenstelling van het gehele product. Niet-homogeen product : een product dat niet aan de omschrijving van een homogeen product voldoet. Het is een product dat is samengesteld uit één of meer wezenlijke en/of niet-wezenlijke onderdelen. Wezenlijk onderdeel : een materiaal dat een belangrijk deel van een niet-homogeen product uitmaakt. Een laag met een massa per oppervlakte-eenheid => 1,0 kg/m2 of een dikte >= 1,0 mm wordt als wezenlijk onderdeel beschouwd. Niet-wezenlijk onderdeel : een materiaal dat geen belangrijk deel van een niet-homogeen product uitmaakt. Een laag met een massa per oppervlakte-eenheid Twee of meer niet-wezenlijke lagen die aan elkaar grenzen (d.w.z. zonder één of meer wezenlijke onderdelen tussen de lagen) worden als één niet-wezenlijk onderdeel beschouwd en moeten daarom samen voldoen aan de eisen voor een laag die een niet-wezenlijk onderdeel is. Voor niet-wezenlijke onderdelen geldt het volgende onderscheid tussen inwendige niet-wezenlijke onderdelen en uitwendige niet-wezenlijke onderdelen : - inwendig niet-wezenlijk onderdeel : een niet-wezenlijk onderdeel dat aan beide zijden wordt afgedekt door ten minste één wezenlijk onderdeel. - uitwendig niet-wezenlijk onderdeel : een niet-wezenlijk onderdeel dat aan één zijde niet wordt afgedekt door een wezenlijk onderdeel. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 3.2. Het gedrag inzake reactie bij brand van een product wordt bewezen : 1° door de gegevens horende bij de CE-markering;2° bij gebrek aan CE-markering
- a)door een classificatierapport voor de desbetreffende toepassing opgemaakt door een laboratorium of een certificatieorganisme uit een lidstaat van de Europese Unie of uit een ander land dat deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte, dat de waarborgen inzake onafhankelijkheid en bekwaamheid zoals vastgelegd in de normen van de reeks NBN EN 45000 of NBN EN 17000 aantoont. Dat classificatierapport is gebaseerd op één van de volgende evaluatieprocedures : 1) het in punt 3.1 beschreven classificatiesysteem; 2) een analyse van beproevingsresultaten die leidt tot een welbepaald toepassingsgebied, wanneer de beproevingen diegene zijn die beschreven worden door het voormelde classificatiesysteem beschreven in punt 3.1.
- b)door de informatie bij een BENOR- en/of ATG-goedkeuring, of door een gelijkwaardige beoordeling aanvaard in een andere Lidstaat van de Europese Unie of in een ander land dat deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte. 3.3 Bepaalde producten mogen zonder voorafgaande test beschouwd worden als behorende tot de klassen A1 en A1FL. De Minister van Binnenlandse Zaken bepaalt de lijst van deze producten. 3.4 Vereisten inzake de gebruiksvoorwaarden. De vereisten van de tabellen I, II, III en IV van bijlage 5/1 zijn van toepassing op de bouwproducten in hun uiteindelijke toepassingsvoorwaarden, met andere woorden met inbegrip van de onderliggende lagen en de bevestigingswijze. De onderliggende lagen moeten echter niet beoordeeld worden als zij beschermd worden door een bouwelement met een brandbeschermingsvermogen K dat voldoet aan de vereisten van de onderstaande tabel 4. Het brandbeschermingsvermogen wordt vastgelegd volgens de norm NBN EN 13501-2. Toepassing waarvoor minstens de klasse A2-s3, d2 vereist is Toepassing waarvoor hoogstens de klasse B-s1, d0 vereist is Applications pour lesquelles la classe A2-s3, d2 au moins est exigée Applications pour lesquelles la classe B-s1, d0 au moins est exigée K2 30 K2 10 K2 30 K2 10 Tabel 4 Art. 11.In bijlage 1 van hetzelfde besluit, wordt een punt 3bis ingevoegd, dat luidt als volgt : « 3bis GEDRAG BIJ EEN BRAND VANAF DE BUITENZIJDE VAN DE DAKBEDEKKINGEN 3bis1. Het gedrag van daken en dakbedekkingen bij brand vanaf de buitenzijde wordt geclassificeerd als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 3bis2. Het gedrag bij een brand vanaf de buitenzijde van een dakbedekking wordt bewezen : 1° door de informatiegegevens bij de CE-markering;2° bij gebrek aan CE-markering :
- a)door een classificatierapport voor de desbetreffende toepassing opgemaakt door een laboratorium of een certificatieorganisme uit een Lidstaat van de Europese Unie of uit een ander land dat deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte, dat de waarborgen inzake onafhankelijkheid en bekwaamheid zoals vastgelegd in de normen van de reeks NBN EN 45000 of NBN EN 17000; dit classificatierapport is gebaseerd op één van de volgende evaluatieprocedures : 1) het in punt 3bis1 beschreven classificatiesysteem;2) een analyse van beproevingsresultaten die leidt tot een welbepaald toepassingsgebied, wanneer de beproevingen diegene zijn die beschreven worden in het voormelde classificatiesysteem beschreven in punt 3bis1;
- b)door de informatie bij een BENOR- en/of ATG-goedkeuring, of door een gelijkwaardige beoordeling aanvaard in een andere Lidstaat van de Europese Unie of in een ander land dat deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte, wanneer de dakbedekkingen getest werden volgens de beproevingen die beschreven zijn in het voormelde classificatiesysteem. 3bis3. Bepaalde dakbedekkingen worden geacht te voldoen aan eisen van het prestatiecriterium van een externe brand zonder test. De Minister van Binnenlandse Zaken bepaalt de lijst van deze dakbedekkingen. Art. 12.Punt 4.9 van bijlage 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « 4.9 Brandwerende klep : beweegbare afsluiting in een kanaal ontworpen om de branduitbreiding te verhinderen » Art. 13.Punt 5.1 van bijlage 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « 5.1 Deur : bouwelement dat in een wandopening geplaatst wordt, bestemd om doorgang mogelijk te maken en te verhinderen; de deur bevat een vast gedeelte (deuromlijsting met of zonder bovenpaneel en/of zijpanelen), een beweegbaar gedeelte (deurvleugel), ophangings-, bedienings- en sluitingselementen en de verbinding met de wand. 5.1.1 Zelfsluitende deur : deur uitgerust met een toestel dat ze in normale omstandigheden steeds tot sluiten dwingt. 5.1.2 Bij brand zelfsluitende deur : deur uitgerust met een automatisch toestel dat ze bij brand tot sluiten dwingt. De deur en het bijhorende toestel behoren minstens tot klasse C1 volgens NBN EN 14600. » Art. 14.In punt 5.4 van bijlage 1 van hetzelfde besluit wordt het woord « Noodverlichting » vervangen door het woord « Vervangingsverlichting ». Art. 15.Punt 5.5 van bijlage 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « Veiligheidsverlichting : verlichting die, bij het uitvallen van de gewone kunstmatige verlichting, de herkenning en het gebruik in alle veiligheid van vluchtmogelijkheden steeds waarborgt wanneer de locatie in gebruik is en die, om paniek te voorkomen, verlichting levert om personen toe te laten evacuatiewegen te herkennen en te bereiken. » Art. 16.Punt 5 van bijlage 1 van hetzelfde besluit wordt aangevuld als volgt : « 5.10 Gevels 5.10.1 Enkelwandige gevel : gevel die geen verluchte spouw bevat. Een enkelwandige gevel kan zowel samengesteld zijn uit massieve als uit lichte gevelelementen, of kan een gordijngevel zijn, al dan niet met een ontdubbeld brandwerend element. 5.10.2 Verluchte dubbelwandige gevel : gevel bestaande uit twee, gewoonlijk beglaasde wanden, gescheiden door een spouw (ook luchtspouw of tussenruimte genoemd), die op natuurlijke en/of mechanische wijze verlucht wordt en niet voor evacuatie wordt gebruikt. 5.10.3 Dubbelwandige gevel, verlucht langs de buitenkant : verluchte dubbelwandige gevel waarvan de binnenwand lucht- en waterdicht is en de buitenwand luchtdoorlatend is. 5.10.4 Dubbelwandige gevel, verlucht langs de binnenzijde : verluchte dubbelwandige gevel waarvan de buitenwand lucht- en waterdicht is en de binnenwand luchtdoorlatend is. 5.11 Positieve veiligheid : de installaties worden beschouwd als werkend met positieve veiligheid indien de veiligheidsfunctie van deze installaties of toestellen verzekerd blijft als de energiebron, de voeding en/of de bediening uitvallen. 5.12 Doorvoeringen 5.12.1 Doorvoering : opening in een wand, voor de doorgang van een leiding voor fluïda, vaste stoffen, elektriciteit of elektromagnetische golven, zoals licht (bv. data- en glasvezelkabels); 5.12.2 Enkelvoudige doorvoering : doorvoering van een leiding of kabel die op een voldoende afstand van andere doorvoeringen gelegen is zodat er geen wederzijdse beïnvloeding is; deze minimale afstand tussen twee willekeurige leidingen of kabels is tenminste gelijk aan de grootste diameter van de beide leidingen (met inbegrip van eventuele brandbare isolatie) of kabels; 5.12.3 Afdichting : inrichting die ter plaatse van een doorvoering wordt gebruikt om de branduitbreiding doorheen de wand te beperken; 5.12.4 Diameter of D : de nominale buitendiameter van de leiding of kabel of de omtrek van de leiding of kabel gedeeld door pi; 5.12.5 Mortel : mengsel op basis van gips, kalk en/of cement met anorganische vulstof al dan niet met toevoeging van composietversterking en chemische toeslagstoffen; 5.12.6 Onbrandbare leidingen : leidingen vervaardigd uit metaal of andere onbrandbare materialen met een smeltpunt groter dan 1000 K (727 ° C), met uitzondering van leidingen in glas; 5.12.7 Brandbare leidingen : leidingen die geen onbrandbare leidingen zijn; 5.12.8 Speling tussen de leiding en de mantelbuis : verschil tussen de binnendiameter van de mantelbuis en de buitendiameter van de leiding. » Art. 17.In punt 0.2 van de bijlage 2 bij hetzelfde besluit wordt het eerste lid aangevuld met de woorden « en voor de eerste dag van de derde maand na die waarin de bijlage 2/1 is bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad ». Art. 18.In hetzelfde besluit wordt de bijlage 2/1 ingevoegd die als bijlage 1 bij huidig besluit is gevoegd. Art. 19.In punt 0.2 van de bijlage 3 bij hetzelfde besluit wordt het eerste lid aangevuld met de woorden « en voor de eerste dag van de derde maand na die waarin de bijlage 3/1 is bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad ». Art. 20.In hetzelfde koninklijk besluit, wordt de bijlage 3/1 ingevoegd die als bijlage 2 bij huidig besluit is gevoegd. Art. 21.In punt 0.2 van de bijlage 4 bij hetzelfde besluit wordt het eerste lid aangevuld met de woorden « en voor de eerste dag van de derde maand na die waarin de bijlage 4/1 is bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad ». Art. 22.In hetzelfde besluit wordt de bijlage 4/1 ingevoegd die als bijlage 3 bij huidig besluit is gevoegd. Art. 23.In hetzelfde besluit wordt de bijlage 5/1 ingevoegd die als bijlage 4 bij huidig besluit is gevoegd. Art. 24.Hetzelfde besluit wordt aangevuld door de bijlage 7, genoemd « Gemeenschappelijke bepalingen » die als bijlage 5 bij huidig besluit is gevoegd. Art. 25.In hetzelfde besluit wordt voor artikel 7 een afdeling ingevoegd, die de artikelen 6/1, 6/2 et 6/3 bevat, luidende « OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Art. 6/1.De bouwelementen waarvan de brandweerstand wordt aangetoond volgens de norm NBN 713-020, respectievelijk de norm DIN 4102-6 voor luchtkanalen, en waarvoor een CE-markering nog niet verplicht is, zijn toegelaten tot vier jaar na het in werking treden van dit besluit. Daarvoor wordt de tijdsduur van de brandweerstand vereist door de bijlagen bij dit besluit, omgezet in uren, voorafgegaan door 'Rf', respectievelijk 'Ro' voor luchtkanalen. Deze bouwelementen kunnen in de gebouwen behouden blijven na de vermelde overgangsperiode. Art. 6/2.De bepalingen van de punten 9 en 10 van bijlage 5/1 zijn slechts van toepassing op de bouwproducten die geen CE-markering moeten dragen en dit ten laatste tot vier jaar na het in werking treden van dit besluit. Deze bouwproducten kunnen in de gebouwen blijven na de vermelde overgangsperiode. Art. 6/3.De eindlaagmaterialen van de dakbedekkingen die ingedeeld zijn in A1 volgens het in bijlage 5 beschreven classificatiesysteem mogen, wanneer ze geen CE-markering moeten dragen, aangewend worden in de gebruiken voorzien in punt 8 van de bijlage 5/1 tot vier jaar na het in werking treden van dit besluit. De bouwproducten kunnen in de gebouwen blijven na de vermelde overgangsperiode. » Art. 26.Het ministerieel besluit van 6 juni 2006Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 06/06/2006 pub. 26/06/2006 numac 2006000441 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Ministerieel besluit tot vaststelling van de overeenstemming tussen de Belgische en Europese klassen inzake reactie bij brand voor een reeks van producten voor thermische isolatie van gebouwen sluiten tot vaststelling van de overeenstemming tussen de Belgische en Europese klassen inzake reactie bij brand voor een reeks van producten voor thermische isolatie van gebouwen, wordt opgeheven. Art. 27.Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de derde maand na die waarin het is bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad. Art. 28.Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 12 juli 2012. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, Mevr. J. MILQUET Bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 12 juli 2012 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen Bijlage 2/1 bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. BIJLAGE 2/1 : LAGE GEBOUWEN 0. ALGEMEEN. 0.1 Doel. Deze basisreglementering bepaalt de minimale eisen waaraan de opvatting, de bouw en de inrichting van lage gebouwen (LG) moeten voldoen om : - het ontstaan, de ontwikkeling en de voortplanting van brand te voorkomen; - de veiligheid van de aanwezigen te waarborgen; -preventief het ingrijpen van de brandweer te vergemakkelijken. 0.2 Toepassingsgebied. Deze bijlage is van toepassing op alle lage gebouwen waarvoor de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning wordt ingediend vanaf de eerste dag van de derde maand na die waarin ze is bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad. Uitgesloten van het toepassingsgebied van deze bijlage zijn echter : - de industriegebouwen; - de gebouwen bestaande uit maximaal twee bouwlagen en met een totale oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 100 m2; - de eengezinswoningen. 0.3 Platen Plaat 2.1 - Gevels Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 1 INPLANTING EN TOEGANGSWEGEN. De toegangswegen worden bepaald in akkoord met de brandweer, volgens de volgende leidraad. 1.1 Voor de gebouwen met één bouwlaag moeten de voertuigen van de brandweer ten minste tot op 60 m van een gevel van het gebouw kunnen naderen. Voor de gebouwen met meer dan één bouwlaag moeten de voertuigen van de brandweer ten minste in één punt een gevel kunnen bereiken die op herkenbare plaatsen toegang geeft tot iedere bouwlaag. Daartoe moeten de voertuigen beschikken over een toegangsmogelijkheid en een opstelplaats : - ofwel op de berijdbare rijweg van de openbare weg; - ofwel op een bijzondere toegangsweg vanaf de berijdbare rijweg van de openbare weg en die de volgende karakteristieken vertoont : - minimale vrije breedte : 4 m; - minimale draaicirkel met draaistraal 11 m (aan de binnenkant) en 15 m (aan de buitenkant); - minimale vrije hoogte : 4 m; - maximale helling : 6 %; - draagvermogen : derwijze dat voertuigen, zonder verzinken, met een maximale asbelasting van 13t er kunnen rijden en stilstaan, zelfs wanneer ze het terrein vervormen. Voor de kunstwerken welke zich op de toegangswegen bevinden, richt men zich naar NBN B 03-101. 1.2 Bijgebouwen, uitspringende daken, luifels, uitkragende delen of andere dergelijke toevoegingen zijn enkel toegelaten indien daardoor noch de evacuatie, noch de veiligheid van de gebruikers, noch de actie van de brandweer in het gedrang komen. 1.3 De horizontale afstand, vrij van elk brandbaar element en gelegen tussen een laag gebouw en een tegenoverstaand gebouw, moet ten minste 6 m bedragen, tenzij één van de twee tegenoverstaande wanden voldoet aan de voorwaarden zoals bepaald voor aangrenzende gebouwen. De wanden die aangrenzende gebouwen scheiden hebben EI 60, of REI 60 wanneer ze dragend zijn. In deze wanden mag een verbinding tussen deze gebouwen bestaan via een deur EI1 30, zelfsluitend of zelfsluitend in geval van brand. De voorwaarde van de afstand tussen een laag gebouw en een tegenoverstaand gebouw geldt niet voor gebouwen die van elkaar gescheiden worden door bestaande straten, wegen,... behorende tot het openbaar domein. 2 COMPARTIMENTERING EN EVACUATIE. 2.1 Het gebouw is verdeeld in compartimenten waarvan de oppervlakte kleiner is dan 2 500 m2, met uitzondering van de parkeergebouwen (zie 5.2). De maximale oppervlakte van een gelijkvloers gebouw bestaande uit één compartiment mag 3 500 m2 bedragen. De lengte van dit compartiment bedraagt niet meer dan 90 m. De maximale oppervlakte van een compartiment mag, respectievelijk, groter dan ofwel 2 500 m2, ofwel 3 500 m2 bedragen indien het compartiment is uitgerust met een automatische blusinstallatie en een rook- en warmteafvoerinstallatie. De Minister van Binnenlandse Zaken bepaalt de voorwaarden waaronder uitzonderingen mogelijk zijn op de grootte van het compartiment respectivelijk ofwel 2 500 m2 ofwel 3 500 m2 zonder dat een automatische blusinstallatie en/of een rook- en warmteafvoerinstallatie moet voorzien worden. De hoogte van een compartiment stemt overeen met de hoogte van één bouwlaag. De volgende uitzonderingen zijn nochtans toegestaan : - het parkeergebouw met bouwlagen (zie 5.2); - een compartiment mag zich uitstrekken over twee boven elkaar gelegen bouwlagen met een binnenverbindingstrap (duplex), indien de gecumuleerde oppervlakte van die bouwlagen niet groter is dan 2 500 m2; - de hoogte van een compartiment mag zich uitstrekken over verscheidene boven elkaar geplaatste bouwlagen, indien dit compartiment slechts technische lokalen omvat (zie 5.1.1). - de hoogte van een compartiment mag zich uitstrekken over verscheidene bouwlagen (atrium) op voorwaarde dat dit compartiment is uitgerust met een automatische blusinstallatie en een rook- en warmteafvoerinstallatie. De Minister van Binnenlandse Zaken bepaalt de voorwaarden waaronder uitzonderingen mogelijk zijn op de verplichte plaatsing van een automatische blusinstallatie en een rook- en warmteafvoerinstallatie. De Minister van Binnenlandse Zaken bepaalt de voorwaarden waaraan de automatische blusinstallatie en rook- en warmteafvoerinstallatie moet voldoen. 2.2 Evacuatie van de compartimenten. 2.2.1 Aantal uitgangen. Elk compartiment heeft minimum : - één uitgang indien de maximale bezetting minder dan 100 personen bedraagt; - twee uitgangen indien de bezetting 100 of meer dan 100 en minder dan 500 personen bedraagt; - 2 + n uitgangen waarbij n het geheel getal is onmiddellijk groter dan het quotiënt van de deling door 1000 van de maximale bezetting van het compartiment, indien de bezetting 500 of meer dan 500 personen bedraagt. Het minimum aantal uitgangen kan door de brandweer verhoogd worden in functie van de bezetting en de configuratie van de lokalen. Het aantal uitgangen van bouwlagen en lokalen wordt bepaald zoals voor de compartimenten. 2.2.2 De uitgangen. De uitgangen zijn gelegen in tegenovergestelde zones van het compartiment. De evacuatiewegen leiden ofwel : - naar buiten; - naar trappenhuizen; - naar trappen, binnen of buiten het gebouw gelegen (voor de horizontale afstanden zie 4.4). Wat de ondergrondse bouwlagen betreft mag één uitgang naar buiten via een evacuatieweg met wanden EI 30 en deuren EI1 30 de vereiste toegang tot één der trappenhuizen vervangen. Voor het parkeergebouw : zie 5.2. Op een evacuatieniveau leidt iedere trap naar buiten, hetzij rechtstreeks, hetzij over een evacuatieweg die beantwoordt aan de voorschriften van 4.4. 3 VOORSCHRIFTEN VOOR SOMMIGE BOUWELEMENTEN. 3.1 Doorvoeringen door wanden. Doorvoeringen doorheen wanden van leidingen voor fluïda of voor elektriciteit en de uitzetvoegen van wanden mogen de vereiste brandweerstand van de bouwelementen niet nadelig beïnvloeden. De bepalingen van bijlage 7 « Gemeenschappelijke bepalingen », hoofdstuk 1, zijn van toepassing. 3.2 Structurele elementen. De structurele elementen beschikken, in functie van hun situatie, over een brandweerstand zoals weergegeven in tabel 2.1, waarin Ei het laagst gelegen evacuatieniveau voorstelt. Structurele elementen van het dak Overige structurele elementen Eléments structuraux du toit Autres éléments structuraux Boven Ei Eén bouwlaagMeerdere bouwlagen R 30 (*) R 30 (*) R 30 R 60 Au-dessus de Ei Un niveauPlusieurs niveaux R 30 (*) R 30 (*) R 30 R 60 Onder Ei, met inbegrip van de vloer van Ei Niet van toepassing R 60 En-dessous de Ei, y compris le plancher de Ei Pas d'application R 60 Tabel 2.1 - Brandweerstand van structurele elementen (*) Geen eisen voor de structurele elementen van het dak indien het aan de binnenkant beschermd is door middel van een bouwelement EI 30. Er worden geen eisen voor brandweerstand gesteld aan de structurele elementen van open parkeergebouwen waarvan de horizontale wanden REI 60 bezitten. 3.3 Verticale binnenwanden en binnendeuren. Voor de wanden en de deuren, die compartimenten afbakenen, geldt 4.1; bakenen zij evacuatiewegen af dan geldt 4.4. De verticale binnenwanden die lokalen of het geheel van lokalen met nachtbezetting afbakenen hebben een brandweerstand, aangegeven in tabel 2.2. De deuren in deze wanden hebben EI1 30. Wanden Parois Boven Ei Eén bouwlaagMeerdere bouwlagen EI 30 EI 60 Au-dessus Ei Un niveauPlusieurs niveaux EI 30 EI 60 Onder Ei, met inbegrip van de vloer van Ei EI 60 En-dessous Ei, y compris le plancher de Ei EI 60 Tabel 2.2 - Brandweerstand van verticale binnenwanden 3.4 Plafonds en verlaagde plafonds. 3.4.1 In de evacuatiewegen, de voor het publiek toegankelijke lokalen en de collectieve keukens hebben de verlaagde plafonds EI 30 (a -> b), EI 30 (b ->
- a)of EI 30 (a
- b)volgens NBN EN 13501-2 en NBN EN 1364-2 of hebben een stabiliteit bij brand van een 1/2 h volgens NBN 713-020. 3.4.2 De ruimte tussen het plafond en het verlaagd plafond wordt onderbroken door de verlenging van alle verticale wanden waarvoor een brandweerstand is vereist. Indien de ruimte tussen de vloer en het verlaagd plafond niet is uitgerust met een automatische blusinstallatie, dient deze ruimte derwijze onderbroken te worden door verticale scheidingen E 30 zodat er ruimten ontstaan waarvan de horizontale projectie kan ingeschreven worden in een vierkant van maximum 25 m zijde. 3.5 Gevels 3.5.1 Enkelwandige gevels 3.5.1.1 Scheiding tussen compartimenten De stijlen van het gordijngevelskelet (lichte gevel) worden ter hoogte van elke bouwlaag aan het gebouwskelet bevestigd. Deze bevestigingen moeten R 60 zijn of beschermd R 60 zijn tegen een brand in een onderliggend en naastgelegen compartiment. De lineaire voeg aan de gevel is dichtgemaakt zodat geen koude rook tussen de gevel en de compartimentswanden kan dringen. Bovendien heeft de aansluiting van de compartimentswanden met de gevel, met uitzondering van een beperkte lineaire voeg met een breedte van maximaal 20 mm aan de gevel, minstens EI 60 of EI 60 (i -> o). 3.5.1.2 Tegenover elkaar staande gevels en gevels die een tweevlakshoek vormen Als gevels behorende tot verschillende compartimenten tegenover elkaar staan of een scherpe tweevlakshoek vormen, dan bedraagt de afstand (in
- m)tussen de geveldelen die niet minstens E 30 of E 30 (o->
- i)hebben, ten minste : h + 5/2 cos alpha waarbij alpha de ingesloten hoek is en h de hoogte van het gebouw in m (zie plaat 2.1). 3.5.2 Dubbelwandige gevels. 3.5.2.1.Dubbelwandige gevel die onderbroken wordt door een compartimentering. De spouw van de dubbelwandige gevel wordt in het verlengde van elke compartimentswand onderbroken door een element dat minstens E 60 heeft. Dit element beslaat de volledige ruimte begrepen tussen de twee wanden en heeft een minimale lengte van 60 cm te tellen vanaf de binnenwand van de gevel. Dit element mag openingen bevatten, op voorwaarde dat de continuïteit van de compartimentering door de spouw heen verzekerd wordt door een bij brand zelfsluitende afsluitinrichting met een brandweerstand E 60. Deze inrichting wordt beproefd in zijn dragende constructie, volgens de richting van de compartimentswand; de sluiting ervan wordt bevolen : - hetzij door een thermische detectie ter hoogte van deze inrichting die reageert bij een temperatuur van maximaal 100 ° C. - hetzij door een rookdetectie in de spouw of in alle compartimenten langs de gevel, die voldoet aan de voorwaarden in punt 3.5.2.3. Wanneer er openingen zijn tussen de spouw van de dubbelwandige gevel en de binnenomgeving van het gebouw, is enkel een rookdetectie toegelaten in de spouw of in alle compartimenten langs de gevel. Zij voldoet aan de voorwaarden van punt 3.5.2.3. 3.5.2.2 Dubbelwandige gevel zonder compartimentering. De dubbelwandige gevels zonder compartimentering moeten in overeenstemming zijn met een van de twee hierna opgenomen mogelijkheden. 3.5.2.2.1 Dubbelwandige gevel waarvan de binnenwand brandwerend is. De buitenwand van de dubbelwandige gevel bestaat tussen de verdiepingen voor minstens 50 % uit bouwelementen zonder specifieke brandweerstand. De binnenwand heeft : - hetzij, over de volledige hoogte, minstens een vlamdichtheid E 30 (i o); - hetzij afwisselend om de twee bouwlagen minstens een brandweerstand EI 30 (i o). 3.5.2.2.2 Dubbelwandige gevel naar buiten toe open. De voorschriften voor enkelwandige gevels mogen toegepast worden op de binnenwand wanneer de buitenwand vaste of mobiele ventilatieopeningen bevat die automatisch openen bij brand. De vaste ventilatieopeningen zijn geplaatst op 30 + 10 graden naar de buitenkant en naar boven toe ten opzichte van de horizontale, gelijkmatig verdeeld over ten minste 50 % van de oppervlakte ervan. De mobiele ventilatieopeningen voldoen, bij brand, aan dezelfde voorwaarden als de vaste ventilatieopeningen. De veiligheidsstand van de mobiele lamellen wordt in werking gesteld door een algemene branddetectie-installatie in de compartimenten langs gevels. De automatische bediening moet voldoen aan de voorwaarden voorzien in punt 3.5.2.3. 3.5.2.3 Automatische sluitings-/openingssystemen. 3.5.2.3.1 Bediening De sluiting/opening wordt bevolen door een automatische branddetectie-installatie. De installatie wordt uitgerust met manuele openings- en sluitingssystemen. De bediening ervan is voorbehouden aan de brandweer. De plaats ervan moet bepaald worden in akkoord met de brandweer. 3.5.2.3.2 Bedrijfszekerheid. Bij het uitvallen van de normale energiebron (elektrische energie, persluchtnet), zet de detectie-installatie of het bedieningssysteem het sluitings-/openingssysteem in de veiligheidsstand. Elk gebrek aan energiebron, voeding of elektrische of pneumatische bediening moet automatisch gemeld worden aan de detectiecentrale. 3.5.2.3.3 Werking bij brand in een naburig compartiment. Wanneer de sluitings-/openingssystemen geen positieve veiligheid hebben, dan moeten de elektrische kabels die het sluitings/openingssysteem verbinden, voldoen aan punt 6.5.2. 4 VOORSCHRIFTEN INZAKE CONSTRUCTIE VAN COMPARTIMENTEN EN EVACUATIERUIMTEN. 4.1 Compartimenten. De wanden tussen compartimenten hebben minstens de brandweerstand aangegeven in tabel 2.3. Wanden Parois Boven Ei Eén bouwlaagMeerdere bouwlagen EI 30 EI 60 Au-dessus Ei Un niveauPlusieurs niveaux EI 30 EI 60 Onder Ei, met inbegrip van de vloer van Ei EI 60 En-dessous Ei, y compris le plancher de Ei EI 60 Tabel 2.3 - Brandweerstand van wanden tussen compartimenten. De verbinding tussen twee compartimenten is slechts toegestaan indien zij geschiedt via een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur EI1 30. 4.2 Binnentrappenhuizen. 4.2.1 Algemeen. De trappen die verscheidene compartimenten verbinden zijn omsloten. De grondbeginselen van 2 "Compartimentering en evacuatie" zijn erop van toepassing. 4.2.2 Opvatting. 4.2.2.1 De binnenwanden van de trappenhuizen hebben minstens EI 60. Hun buitenwanden mogen beglaasd zijn indien deze openingen over ten minste 1 m zijdelings afgezet zijn met een element E 30. 4.2.2.2 De trappenhuizen moeten toegang geven tot een evacuatieniveau. 4.2.2.3 Op iedere bouwlaag wordt de verbinding tussen het compartiment en het trappenhuis verzekerd door een deur EI1 30. Een rechtstreekse verbinding van elke bouwlaag van een duplex met het trappenhuis is niet vereist, op voorwaarde dat : - de totale oppervlakte van het compartiment kleiner is dan of gelijk is aan 300 m2; - de oppervlakte van de bouwlaag van de duplex die rechtstreeks evacueert via het trappenhuis, groter is dan de oppervlakte van de andere bouwlaag van de duplex. 4.2.2.4 Indien verscheidene compartimenten in eenzelfde horizontaal vlak liggen, mogen zij een gemeenschappelijk trappenhuis hebben op voorwaarde dat dit toegankelijk is vanuit elk compartiment via een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur EI1 30. 4.2.2.5 De trappenhuizen die de ondergrondse bouwlagen bedienen, mogen niet rechtstreeks het verlengde zijn van degene die de bouwlagen boven een evacuatieniveau bedienen. Dit sluit niet uit dat het ene boven het andere mag liggen, mits volgende voorwaarden : 1. de wanden die ze scheiden hebben EI 60.2. de toegang tot ieder trappenhuis geschiedt via een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur EI1 30. 4.2.2.6 Bovenaan elk binnentrappenhuis zit een verluchtingsopening met een doorsnede van minimum 1 m2 en die uitmondt in de open lucht. Deze opening is normaal gesloten; voor het openen gebruikt men een handbediening die goed zichtbaar geplaatst is op het evacuatieniveau. Deze eis geldt niet voor trappenhuizen tussen evacuatieniveau en ondergrondse bouwlagen. Indien trappenhuizen maximaal twee bovengrondse verdiepingen, met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 300 m2, met het evacuatieniveau verbinden, mag de oppervlakte van de verluchtingsopening beperkt worden tot 0,5 m2. Indien het trappenhuis door de aanwezigheid van een duplex bovenaan het gebouw niet alle bouwlagen bedient, wordt de verluchtingsopening met het trappenhuis verbonden aan de hand van een koker waarvan de doorsnede minstens gelijk is aan de oppervlakte vereist voor de verluchtingsopening. 4.2.3 Trappen. 4.2.3.1 Constructiebepalingen. De trappen hebben de volgende kenmerken : 1. evenals de overlopen hebben zij R 30 of zijn op dezelfde manier ontworpen als een betonplaat met R 30;2. zij zijn aan beide zijden uitgerust met leuningen.Voor de trappen met een nuttige breedte, kleiner dan 1,20 m, is één leuning voldoende, voor zover er geen gevaar is voor het vallen; 3. de aantrede van de treden is in elk punt ten minste 20 cm;4. de optrede van de treden mag niet meer dan 18 cm bedragen;5. hun helling mag niet meer dan 75 % bedragen (maximale hellingshoek 37° );6. zij zijn van het "rechte" type.Maar, "wenteltrappen" worden toegestaan zo ze verdreven treden hebben en zo hun treden, naast de hiervoor vermelde vereisten, (met uitzondering van voornoemd punt 3,) ten minste 24 cm aantrede hebben op de looplijn. 4.2.3.2 Nuttige breedte van traparmen, overlopen en sassen. Deze nuttige breedte is ten minste gelijk aan 0,80 m en bereikt ten minste de vereiste nuttige breedte br berekend volgens bijlage 1 "Terminologie". De traparmen en de overlopen der trappenhuizen van één zelfde compartiment mogen in hun nuttige breedte niet meer dan één doorgangseenheid verschillen. Bevat een compartiment lokalen met speciale bestemming dan wordt de theoretische nuttige trapbreedte (volgens bijlage 1 "Terminologie") op basis van hun aantal gebruikers slechts berekend over de hoogte tussen dit compartiment en het evacuatieniveau. 4.3 Buitentrappenhuizen. Buitentrappen moeten toegang geven tot een evacuatieniveau. De voorschriften van 4.2.3 zijn er op van toepassing met nochtans de volgende afwijking : er wordt geen stabiliteit bij brand vereist, maar het materiaal behoort tot klasse A1. De verbinding tussen het compartiment en een buitentrap gebeurt : - hetzij via een deur; - hetzij via (een) vluchtterras(sen). Voor de verbinding tussen het evacuatieniveau en de onmiddellijk hoger gelegen bouwlaag mag echter een trap of gedeelte van trap aangewend worden die inschuifbaar of geleed is. 4.4 Evacuatiewegen en vluchtterrassen. 4.4.1 Algemene voorschriften 4.4.1.1 Geen enkel punt van een compartiment mag zich verder bevinden dan :
- a)voor lokalen met uitsluitend dagbezetting : - 30 m van de evacuatieweg die de trappen of uitgangen verbindt; - 45 m van de toegang tot de dichtstbijzijnde trap of uitgang; - 80 m van de toegang tot een tweede trap of uitgang.
- b)voor lokalen of geheel van lokalen met nachtbezetting : - 20 m van de evacuatieweg die de trappen of uitgangen verbindt; - 30 m van de toegang tot de dichtstbijzijnde trap of uitgang; - 60 m van de toegang tot een tweede trap of uitgang. De lengte van doodlopende evacuatiewegen mag niet meer dan 15 m bedragen. De nuttige breedte van de evacuatiewegen, vluchtterrassen en van hun toegangs-, uitgangs- of doorgangsdeuren is groter dan of gelijk aan de vereiste nuttige breedte (zie bijlage 1 "Terminologie"). Zij bedraagt ten minste 0,80 m voor de evacuatiewegen en de deuren, en ten minste 0,60 m voor de vluchtterrassen. In een compartiment gaat de verbinding tussen en naar de trappen via evacuatiewegen of over vluchtterrassen. De bepalingen van dit punt zijn niet van toepassing op parkeergebouwen (zie 5.2). 4.4.1.2 De uitgangen leiden naar buiten of naar een ander comparti-ment. De in open lucht af te leggen weg speelt geen rol bij het berekenen van deze afstanden. De deuren op deze wegen mogen geen vergrendeling bezitten die de evacuatie kan belemmeren. De eventuele verticale binnenwanden van de evacuatiewegen hebben EI 30 en de toegangsdeuren tot deze wegen EI1 30. Deze vereiste geldt niet voor compartimenten met uitsluitend dagbezetting waarvan de oppervlakte geen 1250 m2 bereikt. De evacuatie van lokalen of een geheel van lokalen met nachtbezetting gebeurt via evacuatiewegen waarvan de verticale wanden EI 30 en de deuren EI1 30 hebben. Deze eis is niet van toepassing voor de evacuatie van deze lokalen indien deze behoren bij de uitbating van een gebouw met een commerciële functie. 4.4.2 Op een evacuatieniveau Op een evacuatieniveau mogen geen uitstalramen van bouwdelen met een commerciële functie, die geen EI 30 hebben, uitgeven op de evacuatieweg die de uitgangen van andere bouwdelen verbindt met de openbare weg, met uitzondering van de laatste 3 m van deze evacuatieweg. 4.5 Signalisatie. Het volgnummer van elke bouwlaag wordt duidelijk aangebracht op de overlopen en in de vluchtruimten bij trappenhuizen en liften. De aanduiding van de uitgangen en nooduitgangen dient te voldoen aan de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk. 5 CONSTRUCTIEVOORSCHRIFTEN VOOR SOMMIGE LOKALEN EN TECHNISCHE RUIMTEN. 5.1 Technische lokalen en ruimten. 5.1.1 Algemeen. Een technisch lokaal of een geheel van technische lokalen vormt een compartiment. Dit compartiment kan over verscheidene opeenvolgende bouwlagen reiken. Voor de technische lokalen gelden de voorschriften inzake de compartimenten mits volgende wijzigingen : 1. toegang tot twee uitgangen die leiden : - hetzij naar een aanpalend compartiment via een deur EI1 30; - hetzij naar een trappenhuis via een deur EI1 30; - hetzij naar buiten, derwijze dat een evacuatieniveau bereikbaar is; 2. afwijkend van 4.4.1 mag geen enkel punt van het compartiment zich verder bevinden dan : - 45 m van de weg die in het technisch compartiment de twee uitgangen verbindt; - 60 m van de dichtstbijzijnde uitgang; - 100 m van de tweede uitgang; Indien nochtans de oppervlakte van het technische compartiment niet groter is dan 1 000 m2, volstaat één uitgang naar een trappenhuis, naar buiten of naar een ander compartiment. In dit geval mag de af te leggen weg naar deze uitgang niet groter zijn dan 60 m; 3. Indien de hoogte van het technisch compartiment over verscheidene opeenvolgende bouwlagen (zie 2.1) reikt en indien het meerdere dienstvloeren omvat die verbonden zijn door trappen of ladders : - indien de compartimentsoppervlakte kleiner is dan 1 000 m2, dan volstaat één toegang tot een trappenhuis, naar buiten of naar een ander compartiment om de twee dienstvloeren, beginnend met de laagste; - indien de compartimentsoppervlakte groter is dan 1 000 m2, dan moet elke dienstvloer toegang verlenen tot ten minste één van de twee uitgangen; deze uitgangen wisselen af van vloer tot vloer; 4. de nuttige breedte van evacuatiewegen, traparmen, overlopen en sassen bedraagt ten minste 0,80 m. 5.1.2 Stookafdelingen en bijhorigheden. De installaties voor opslag en drukreductie van vloeibaar petroleumgas, gebruikt voor de verwarming van het gebouw, liggen buiten het gebouw. 5.1.2.1 Stookafdelingen met een totaal nuttig warmtevermogen van de generatoren opgesteld in het lokaal groter dan of gelijk aan 70 kW. Hun opvatting en uitvoering voldoen aan de voorschriften van de norm NBN B 61-001. In afwijking op deze norm mogen de stookafdelingen en hun bijvertrekken verbonden worden met de andere gedeelten van het gebouw via een zelfsluitende deur EI1 60 op voorwaarde dat deze niet uitgeeft op een trappenhuis noch op een liftoverloop noch in een lokaal met bijzonder risico. De deur draait in de vluchtzin. 5.1.2.2 Stookafdelingen met een totaal nuttig warmtevermogen van de generatoren opgesteld in het lokaal groter dan 30 kW en kleiner dan 70 kW. De stookafdeling is ingericht in een daartoe voorzien technisch lokaal (5.1.1). De bepalingen van dit punt gelden niet voor de lokalen waarin slechts generatoren op gas met gesloten verbrandingsruimte met mechanische trek opgesteld zijn. 5.1.3 Transformatorlokalen. 5.1.3.1 Algemeen. Zij voldoen aan de voorschriften van het Algemeen Reglement op de elektrische installaties (A.R.E.I.). Verder geldt dat : - de wanden EI 60 hebben, behalve de buitenmuren; - de binnendeuren EI1 30 hebben; - indien water (van om het even welke herkomst, dus ook bluswater) de vloer kan bereiken, bij voorbeeld door infiltratie of via kabelgoten, dan dienen alle maatregelen te worden getroffen opdat het waterpeil constant en automatisch beneden het niveau van de vitale gedeelten blijft van de elektrische installatie, zolang ze in gebruik is. Indien de olie-inhoud van het geheel der toestellen 50 l of meer bereikt, moeten de voorschriften van NBN C 18-200 "Richtlijnen voor de brandbeveiliging van de lokalen van elektriciteitstransformatie" toegepast worden. 5.1.3.2 Ter plaatse gemonteerde posten of prefab-posten. Een ter plaatse gemonteerde post of een prefab-post wordt opgesteld in een daartoe bestemd lokaal, met wanden EI 60. De toegang, zo die niet van buitenaf geschiedt, gaat via een deur EI1 30. 5.1.4 Huisvuilafvoer 5.1.4.1 Stortkokers zijn verboden. 5.1.4.2 Lokaal voor de opslag van het huisvuil. De wanden hebben EI 60. Het lokaal is toegankelijk via een zelfsluitende deur EI1 30. 5.1.5 Leidingenkokers. 5.1.5.1 Verticale kokers. Wanneer verticale kokers door horizontale wanden dringen waarvoor een brandweerstand vereist is, geldt één van de volgende drie maatregelen : 1. de wanden van de verticale kokers hebben een brandweerstand EI 60; de valluiken en deurtjes hebben EI1 30; Zij hebben aan hun boveneind een degelijke verluchting. De vrije verluchtingsdoorsnede van de koker is ten minste gelijk aan 10 % van de totale horizontale doorsnede van de koker, met een minimum van 4 dm2. Deze kokers mogen in de trappenhuizen gebouwd worden. 2. ter hoogte van de doorvoering bevindt zich een bouwelement met minstens de vereiste brandweerstand van de horizontale wand;3. de wanden van de verticale kokers hebben EI 30;de valluiken en deurtjes EI1 30; de verticale kokers worden ter hoogte van elk compartiment onderbroken door horizontale schermen met de volgende kenmerken : - zij bestaan uit een materiaal van klasse A1; - zij beslaan de gehele ruimte tussen de leidingen; - zij hebben EI 30. In gevallen 2 en 3 moeten de kokers niet verlucht zijn. 5.1.5.2 Horizontale kokers. Wanneer horizontale kokers door verticale wanden dringen waarvoor een brandweerstand vereist is, geldt één van de volgende drie maatregelen : 1. de wanden van de horizontale kokers, de valluiken en deurtjes hebben minstens de vereiste brandweerstand van de verticale wand;2. ter hoogte van de doorvoering bevindt zich een bouwelement met minstens de vereiste brandweerstand van de verticale wand;3. de wanden van de horizontale kokers hebben EI 30;de valluiken en deurtjes EI1 30; de kokers worden ter hoogte van elk compartiment onderbroken door verticale schermen met de volgende kenmerken : - ze bestaan uit een materiaal van klasse A1; - ze beslaan de gehele ruimte tussen de leidingen; - ze hebben EI 30. 5.2 Parkeergebouwen. Bij afwijking van het in 2.1 gestelde grondbeginsel kan een parkeergebouw een compartiment vormen waarvan de oppervlakte niet beperkt is, zelfs wanneer er verscheidene communicerende bouwlagen zijn. De wanden tussen de parkeergebouwen en de rest van het gebouw hebben EI 60. In het parkeercompartiment mogen sommige, niet voor verblijf bestemde lokalen worden opgenomen, zoals : transformatorlokalen, bergingen, archieflokalen, technische ruimten... De wanden van deze lokalen vertonen EI 60 en de toegang geschiedt door een zelfsluitende deur EI1 30. Op elke bouwlaag is de evacuatie als volgt geregeld : - ten minste twee trappenhuizen of buitentrappen voldoen aan de voorschriften vervat in 4.2 of 4.3 en zijn vanuit ieder punt van de bouwlaag toegankelijk; de af te leggen weg naar de dichtstbijzijnde trap mag niet meer dan 45 m bedragen; de minimale nuttige breedte van deze trappen bedraagt 0,80 m; - zoals gesteld in 2.2.2, derde lid, mag op de beschouwde bouwlaag de vereiste toegang tot één van de twee trappenhuizen vervangen worden door een rechtstreekse uitgang naar buiten; - op de bouwlaag die het dichtst bij het uitritniveau ligt, mag de hellende rijweg één der trappenhuizen of buitentrappen vervangen indien de helling gemeten in haar hartlijn niet meer dan 10 % bedraagt; - de beperking van 10 % geldt niet voor compartimenten kleiner dan 500 m2, indien evacuatie via de helling mogelijk blijft. - buiten de signalisatie bepaald in 4.5 worden de evacuatiewegen, op elke bouwlaag, ook nog aangeduid op de vloer of juist erboven. In de gesloten parkeergebouwen met een totale oppervlakte groter dan 2 500 m2, moeten de maatregelen genomen worden die noodzakelijk zijn om de verspreiding van rook te voorkomen. 5.3 Zalen. 5.3.1 Kunnen er meer dan 500 personen in verblijven, dan mogen deze zalen enkel ondergronds ingericht worden wanneer het verschil tussen het laagste vloerpeil van deze zalen en het dichtstbijzijnde gelegen evacuatieniveau niet groter is dan 3 m. Zijn voornoemde zalen bestemd voor maximum 500 personen dan mogen zij ondergronds ingericht worden op voorwaarde dat het voor het publiek toegankelijke laagste vloerpeil niet meer dan 4 m ligt beneden het gemiddelde peil der verschillende evacuatieniveaus van de inrichting. Het aantal uitgangen wordt bepaald zoals voor de compartimenten. 5.3.2 Constructie. De wanden die deze lokalen of geheel van lokalen vormen, voldoen niet alleen aan de reglementaire voorschriften die op deze ruimten van toepassing zijn, maar hebben bovendien dezelfde brandweerstand als de wanden van een compartiment. Elke doorgang in de verticale wanden is afgesloten door een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur EI1 30. Deze deuren draaien open in de vluchtzin. Geen enkel voorwerp mag de evacuatie naar de uitgangen hinderen. 5.4 Winkel- of handelscomplex. De inrichting van winkellokalen die op binnengalerijen uitgeven wordt toegelaten op een evacuatieniveau en op de aangrenzende bouwlagen mits : 1. het complex met zijn galerijen van de overige bouwdelen gescheiden is door wanden met EI 60;2. de overige bouwdelen hun eigen uitgangen hebben onafhankelijk van de uitgangen van het winkel- of handelscomplex. De scheidingswanden tussen de handelslokalen hebben EI 30 en lopen door in het eventueel verlaagd plafond. Dit laatste voorschrift vervalt indien het winkel- of handelscomplex voorzien is van een automatisch hydraulisch blussysteem in overeenstemming met de norm NBN EN 12845. 5.5 Collectieve keukens. De collectieve keukens, eventueel met inbegrip van het restaurant, worden van de andere bouwdelen gescheiden door wanden EI 60. Elke doorgang wordt afgesloten door een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur EI1 30. Deze deuren draaien in de vluchtrichting van de keuken. Wanneer de keuken en het restaurant van elkaar zijn gecompartimenteerd, moeten de horizontale en verticale transportsystemen tussen keuken en restaurant aan de volgende voorwaarden voldoen : - dit transport gebeurt in kokers met wanden EI 60 wanneer het door andere lokalen gaat; - het transportsysteem wordt ter hoogte van de compartiments-wand(
- en)afgesloten met een voorziening EI1 60. Wanneer de keuken niet gecompartimenteerd is ten opzichte van het restaurant, is elk vast frituurtoestel voorzien van een vaste automatische blusinstallatie die gekoppeld wordt aan een toestel dat de toevoer van energie naar het frituurtoestel onderbreekt. 6 UITRUSTING VAN DE GEBOUWEN. 6.1 Liften en goederenliften. 6.1.1 Algemeen. 6.1.1.1 De machine en de bijhorende onderdelen van een lift en/of goederenlift zijn niet toegankelijk, behalve voor het onderhoud, de controle en de noodgevallen. De aandrijving bevindt zich : - ofwel in een machinekamer; - ofwel in de schacht, met uitzondering van de oleohydraulische liften, waarvoor de aandrijving, met inbegrip van het oliereservoir, zich uitsluitend in een machinekamer moet bevinden. De controleorganen zullen toegankelijk kunnen zijn vanaf de overloop als zij : - geplaatst zijn in een ruimte die voldoet aan de vereisten zoals vermeld in 5.1.5.1, geval 1 en 3; - deel uitmaken van de bordeswand. 6.1.1.2 Alle liften zijn op hun evacuatieniveau uitgerust met een mechanisme dat het mogelijk maakt ze terug te roepen naar dat niveau, waarna de lift buiten werking gesteld wordt. Dit mechanisme zal aangeduid worden. De lift zal uitsluitend door een bevoegd persoon weer in werking gesteld kunnen worden. 6.1.1.3 Het geheel bestaande uit één of meer schachten en uit hun liftbordessen die een sas moeten vormen voor de ondergrondse bouwlagen, is omsloten door wanden met EI 60. De toegangsdeuren tussen het compartiment en het sas zijn zelfsluitend of zelfsluitend bij brand en hebben EI1 30. 6.1.1.4 Het geheel van de schachtdeuren moet een brandweerstand E30 hebben, volgens de norm NBN EN 81-58, waarbij de deurwand aan de kant van het bordes aan het vuur blootgesteld wordt. De bordeswand zal beproefd worden met de eventuele bedienings- en controleorganen die daarvan deel uitmaken. De volgens andere methodes geteste schachtdeuren worden aanvaard overeenkomstig de bepalingen van koninklijk besluit van 10 augustus 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 10/08/1998 pub. 11/09/1998 numac 1998012672 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 29 juni 1995 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende liften sluiten tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 29 juni 1995 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende liften, op voorwaarde dat ze ten minste dezelfde brandweerstand hebben. Wanneer de lift slechts één compartiment aandoet, moeten de wanden van de schacht, bedoeld in 6.1.1.3, en de schachtdeuren, bedoeld in 6.1.1.4, niet voldoen aan de vereisten van brandweerstand. Toch zijn de wanden van een liftschacht in een trappenhuis massief, doorlopend en van klasse A1. 6.1.1.5 In de schacht(
- en)mag geen enkele blusinrichting met water opgesteld staan. 6.1.1.6 In geval van abnormale stijging van de temperatuur van de machine en/of van de controleorganen, moeten de liften zodanig ontworpen en gebouwd zijn dat zij halt kunnen houden op het eerste toegangsbordes dat technisch gezien mogelijk is, maar nieuwe bedieningsbevelen weigeren. In dat geval moet een geluidsalarmsignaal de personen die zich in de cabine bevinden, verwittigen dat zij de lift moeten verlaten wanneer hij stopt; de deuren gaan open en blijven net lang genoeg open opdat de passagiers kunnen uitstappen, dat wil zeggen minstens 15 seconden. De mechanismen die het openen van de deuren mogelijk maken, blijven actief. Deze bediening moet voorrang krijgen op elk ander commando. 6.1.1.7 Als het gebouw uitgerust is met een branddetectie-installatie, moeten de liften teruggeroepen worden naar het evacuatieniveau als er een brand gedetecteerd is buiten de liften en hun bijhorende onderdelen. De schachtdeuren gaan open, en blijven net lang genoeg open opdat de passagiers kunnen uitstappen, dat wil zeggen minstens 15 seconden, waarna de lift buiten werking gesteld wordt. De mechanismen die het openen van de deuren mogelijk maken, blijven actief. De lift zal uitsluitend door een bevoegd persoon weer in werking gesteld kunnen worden. 6.1.2 Liften en goederenliften waarvan de machinerie zich in een machinekamer bevindt. 6.1.2.1 De wanden die het geheel dat gevormd wordt door de schacht en de machinekamer omsluiten, hebben EI 60. Als de deur of het valluik van de machinekamer uitgeeft in het gebouw, heeft zij EI1 30. Men moet in de nabijheid voorzien in een glazen, gesloten kastje dat de sleutel bevat. Het geheel schacht en machinekamer, of de schacht worden op natuurlijke wijze verlucht via buitenluchtmonden. Als de schacht en de machinekamer afzonderlijk verlucht worden, hebben de verluchtingsopeningen elk een minimale doorsnede van 1 % van de respectieve horizontale oppervlakten. Als het geheel schacht en machinekamer boven aan de schacht verlucht wordt, heeft de verluchtingsopening een minimale doorsnede van 4 % van de horizontale oppervlakte van de schacht. De verluchtingsopeningen kunnen uitgerust worden met gemotoriseerde verluchtingskleppen waarvan de opening als volgt bevolen wordt : - automatisch om de gebruikers van de lift een toereikende verluchting te verzekeren, zelfs bij een langdurige stilstand; - automatisch bij een abnormale temperatuursstijging van de machine en/of de controleorganen; - automatisch bij de detectie van een brand in de liftschacht en/of in de machinekamer; - automatisch bij de detectie van een brand in het gebouw, indien dit uitgerust is met een algemene branddetectie-installatie; - automatisch bij een defect aan de energiebron, de voeding of de bediening (toestel met positieve veiligheid); - manueel via een bediening op een evacuatieniveau op een in akkoord met de brandweer bepaalde plaats. 6.1.3 Liften en goederenliften waarvan de machinerie zich in de schacht bevindt. 6.1.3.1 Wanneer er een algemene of gedeeltelijke detectie vereist is, wordt een rookdetectie geplaatst boven aan de schacht. In geval van detectie van rook in de schacht, zal de cabine stoppen overeenkomstig 6.1.1.7. De rookdetectie in de schacht moet zo voorzien worden dat het onderhoud en de controle ervan van buiten de schacht kunnen geschieden. De lift zal uitsluitend door een bevoegd persoon weer in werking gesteld kunnen worden. 6.1.3.2 De schacht moet op een natuurlijke manier verlucht worden via buitenluchtmonden. De verluchtingsopening, die zich boven aan de schacht bevindt, heeft een minimale doorsnede van 1 % van de horizontale oppervlakte van de schacht. De verluchtingsopening kan uitgerust worden met een gemotoriseerde verluchtingsklep waarvan de opening als volgt bevolen wordt : - automatisch om de gebruikers van de lift een toereikende verluchting te verzekeren, zelfs bij een langdurige stilstand; - automatisch bij een abnormale temperatuursstijging van de machine en/of de controleorganen; - automatisch bij de detectie van een brand in de liftschacht en/of in de machinekamer; - automatisch bij de detectie van een brand in het gebouw, indien dit uitgerust is met een algemene branddetectie-installatie; - automatisch bij een defect aan de energiebron, de voeding of de bediening (toestel met positieve veiligheid); - manueel via een bediening op een evacuatieniveau op een in akkoord met de brandweer bepaalde plaats. 6.1.4 Oleohydraulische liften. De machinekamer is van de liftschacht gescheiden. De wanden van de machinekamer hebben EI 60. De toegang tot de machinekamer gebeurt via een zelfsluitende deur EI1 30. De machinekamers en de liftschachten moeten op een natuurlijke manier verlucht worden via buitenluchtmonden. De verluchtingsopeningen hebben een minimale doorsnede van 4 % van de horizontale doorsnede van de kamer. De verluchtingsopeningen kunnen uitgerust worden met gemotoriseerde verluchtingskleppen waarvan de opening als volgt bevolen wordt : - automatisch om de gebruikers van de lift een toereikende verluchting te verzekeren, zelfs bij een langdurige stilstand; - automatisch bij een abnormale temperatuursstijging van de machine en/of de controleorganen; - automatisch bij de detectie van een brand in de liftschacht en/of in de machinekamer; - automatisch bij de detectie van een brand in het gebouw, indien dit uitgerust is met een algemene branddetectie-installatie; - automatisch bij een defect aan de energiebron, de voeding of de bediening (toestel met positieve veiligheid); - manueel via een bediening op een evacuatieniveau op een in akkoord met de brandweer bepaalde plaats. Het peil van de deurdrempels van de machinekamer is zodanig verhoogd dat de kuip die op die manier gevormd wordt, een inhoud heeft die ten minste gelijk is aan 1,2 maal de olie-inhoud van de machines. De elektrische apparatuur evenals de elektrische en hydraulische leidingen die van de machinekamer naar de liftschacht lopen, zijn hoger aangebracht dan het hoogste peil dat de uitgelopen olie in de machinekamer kan bereiken. De ruimte rond de doorboringen voor deze leidingen, moet gedicht worden met een dichtingssysteem met EI 60. Een thermische onderbreker is voorzien in het oliebad en in de wikkelingen van de aandrijfmotor van de pomp. Kenmerken van de olie : Vlampunt in open vat => 190 ° C Verbrandingspunt => 200 ° C Zelfontbrandingspunt => 350 ° C Een vaste snelblusser, waarvan de inhoud wordt bepaald in verhouding tot de gebruikte hoeveelheid olie of tot het volume van de machinekamer, beschermt de machines. Hij wordt bediend door een thermische detector. In geval van detectie van brand van de machine, zal de cabine stoppen overeenkomstig 6.1.1.7. 6.2.Paternosterlift, containertransport en goederenlift met laad- en losautomatisme. 6.2.1 Deze toestellen hebben hun eigen machinekamers, schachten en bordessen. De machinekamers bevinden zich bovenaan de schacht. De binnenwanden van de machinekamers en van de schachten hebben EI 60. De binnentoegangsdeuren hebben EI1 30. De schachtwanden aan de kant van het bordes en de toezichtluiken in deze wanden hebben EI 30. De schachtdeuren of toegangsluiken van deze toestellen werken automatisch en zijn normaal gesloten. Zo de installatie van het containertransport een horizontaal en/of verticaal traject volgt en daarbij bouwlagen verdiepingen of compartimenten doorloopt, worden deuren voorzien aan elk van deze doorgangen. Hun luiken en deurtjes hebben E 30. Ze werken automatisch en zijn normaal gesloten. Bij brand worden de installaties buiten dienst gesteld. 6.2.2 Het installeren van paternosterliften voor personenvervoer is verboden. 6.3 Roltrappen. 6.3.1 Het trappenhuis van roltrappen heeft wanden met EI 60, behalve indien de roltrappen slechts één compartiment bedienen. 6.3.2 De toegang tot het trappenhuis geschiedt op elke bouwlaag, via een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur EI1 30. 6.3.3 De roltrap wordt automatisch uitgeschakeld zodra er brand gedetecteerd wordt in een compartiment waarheen hij leidt. 6.4 Liften voor personen met beperkte mobiliteit Wanneer een lift bestemd voor de evacuatie van personen met beperkte mobiliteit, verplicht vereist is, moet hij voldoen aan de volgende voorschriften, bovenop de voorschriften die vermeld zijn in 6.1. 6.4.1 Op alle betreffende bouwlagen vormt het toegangsbordes van de lift een sas en zijn de toegangsdeuren tussen het compartiment en het toegangsbordes, zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren EI1 30. 6.4.2 De liftkooien zijn ten minste toegankelijk voor een persoon in een rolstoel en een begeleidende persoon. Liftkooien met als minimale afmetingen 1,1 m (breedte) x 1,4 m (diepte), voldoen aan deze vereiste. 6.4.3 De schachtdeuren openen en sluiten automatisch en voorzien in een nuttige breedte van ten minste 0,80m. 6.5 Elektrische laagspanningsinstallaties voor drijfkracht, verlichting en signalisatie. 6.5.1 Zij voldoen aan de voorschriften van de geldende wettelijke en reglementaire teksten, evenals aan het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (A.R.E.I.). 6.5.2 De elektrische leidingen die installaties of toestellen voeden die bij brand absoluut in dienst moeten blijven, worden zodanig geplaatst dat de risico's van algehele buitendienststelling gespreid zijn. Op hun tracé tot aan het compartiment waar de installatie zich bevindt, hebben de elektrische leidingen de volgende brandweerstand : ofwel een intrinsieke brandweerstand die minimaal - PH 60 bedraagt volgens NBN EN 50200 voor leidingen waarvan de buitendiameter kleiner is dan of gelijk aan 20 mm en waarvan de doorsnede van de geleiders kleiner is dan of gelijk aan 2,5 mm2; - Rf 1 h bedraagt volgens add. 3 van NBN 713-020 voor leidingen waarvan de buitendiameter groter is dan 20 mm of waarvan de doorsnede van de geleiders groter is dan 2,5 mm2; ofwel Rf 1 h, volgens add. 3 van NBN 713-020, voor leidingen zonder intrinsieke brandweerstand die in kokers zijn geplaatst. Deze vereisten zijn niet van toepassing indien de werking van de installaties of toestellen verzekerd blijft zelfs bij het uitvallen van de energievoeding. De bedoelde installaties of toestellen zijn :
- a)de veiligheidsverlichting en eventueel de vervangingsverlichting;
- b)de installaties voor melding, waarschuwing en alarm;
- c)de installaties voor rookafvoer;
- d)de waterpompen voor de brandbestrijding en eventueel de ledigingspompen;
- e)de liften bestemd voor de evacuatie van personen met beperkte mobiliteit bedoeld in punt 6.4. 6.5.3 Autonome stroombronnen. De stroomkringen waarvan sprake in 6.5.2 moeten kunnen gevoed worden door één of meer autonome stroombronnen; het vermogen van die bronnen moet voldoende zijn om gelijktijdig alle aan die stroomkringen aangesloten installaties te voeden. Zodra de normale stroom uitvalt, verzekeren de autonome bronnen automatisch en binnen één minuut, de werking gedurende één uur van de bovenvermelde installaties. 6.5.4 Veiligheidsverlichting. De veiligheidsverlichting voldoet aan de voorschriften van de normen NBN EN 1838, NBN EN 60598-2-22 en NBN EN 50172. Deze veiligheidsverlichting mag gevoed worden door de normale stroombron, maar valt deze uit, dan moet de voeding geschieden door één of meerdere autonome stroombron(nen). Autonome verlichtingstoestellen aangesloten op de kring die de betrokken normale verlichting voedt, mogen eveneens gebruikt worden voor zover zij alle waarborgen voor een goede werking bieden. 6.6 Installaties voor brandbaar gas verdeeld door leidingen. De installaties voor brandbaar gas lichter dan lucht voldoen aan : - NBN D 51-001 - Centrale verwarming, luchtverversing en klimaatregeling - Lokalen voor drukreduceerinrichtingen van aardgas; - NBN D 51-003 - Installaties voor brandbaar gas lichter dan lucht, verdeeld door leidingen; - NBN D 51-004 - Installaties voor brandbaar gas lichter dan lucht, verdeeld door leidingen - Bijzondere installaties. 6.7 Aëraulische installaties Indien er een aëraulische installatie aanwezig is, dient deze te voldoen aan de volgende voorwaarden. 6.7.1 Opvatting van de installaties 6.7.1.1 Integratie van lokalen of gesloten ruimten in de lokalen Geen enkel lokaal of gesloten ruimte, zelfs niet op een zolder of in een kelder, mag geïntegreerd worden in het net van luchtkanalen, tenzij deze ruimten voldoen aan de voorschriften opgelegd aan de kanalen. 6.7.1.2 Gebruik van de trappenhuizen voor luchttransport Geen enkel trappenhuis mag worden gebruikt voor de aanvoer of de afvoer van lucht uit andere lokalen. 6.7.1.3 Beperking van het hergebruik van lucht De lucht afgezogen uit lokalen met een bijzonder brandgevaar, opslagplaats voor ontvlambare producten, stookplaats, keuken, garage, parkeergebouw, transformatorlokaal, lokaal voor de opslag van vuilnis, mag niet opnieuw worden rondgestuurd en moet naar buiten worden afgevoerd. De lucht afgezogen uit andere lokalen mag : - ofwel opnieuw rondgestuurd worden naar dezelfde lokalen, op voorwaarde dat in het recyclagekanaal een brandwerende klep conform punt 6.7.4 wordt geplaatst; - ofwel ingeblazen worden in nog andere lokalen om er als compensatielucht te dienen voor mechanische extractiesystemen met rechtstreekse afvoer naar buiten, op voorwaarde dat bijkomend een brandwerende klep en een kanaalsysteem voor rechtstreekse afvoer naar buiten van deze recyclagelucht wordt voorzien. In beide gevallen wordt de recyclagelucht automatisch naar buiten afgevoerd, wanneer hierin rook aanwezig is. Bovenvermelde voorzieningen (brandwerende klep op de recyclagelucht en rookdetectie in het extractiekanaal) zijn echter niet vereist voor luchtbehandelingsgroepen met een debiet kleiner dan of gelijk aan 5000 m3/h, die slechts één enkel lokaal bedienen. 6.7.2 Bouw van de luchtkanalen. 6.7.2.1 Luchtkanalen in evacuatiewegen. In de evacuatiewegen, alsook in de technische kokers en op de plaatsen die niet bereikbaar zijn na afwerking van het gebouw, zijn de kanalen vervaardigd uit materialen van klasse A1; de isolatieproducten met inbegrip van hun bekledingen zijn minstens van klasse A2-s1, d0. De soepele leidingen zijn ten minste van klasse B-s1, d0 en hun lengte is maximaal 1 m. In de evacuatiewegen, blijven de afzuigkanalen met hun ophangingen in geval van brand ten minste een 1/2 h stabiel. Aan deze bepaling is voldaan als : - ofwel de kanalen en hun ophangingen EI 30 (ho iDe afzuigkanalen van collectieve keukens zijn : - ofwel geplaatst in kokers waarvan de wanden EI 60 hebben; - ofwel hebben EI 60 (ho
- io)of EI 60 (ve
- io)wanneer ze respectievelijk horizontaal of verticaal geplaatst worden. De afzuigkanalen met hun ophangingen blijven in geval van brand ten minste een 1/2 h stabiel. Aan deze bepaling is voldaan als : - ofwel de kanalen en hun ophangingen EI 30 (ho iDe wanddoorgangen van luchtkanalen moeten algemeen voldoen aan 3.1. Dit voorschrift geldt niet voor de doorgang van luchtkanalen door wanden met EI 30, onder volgende voorwaarden : - de luchtkanalen zijn vervaardigd uit materialen van klasse A1 over een afstand van minstens 1 m aan weerszijde van de doorboorde wand; - de luchtkanalen die op deze doorgangen aansluiten en die doorheen horizontale evacuatiewegen lopen, mogen niet aangesloten zijn op de luchtmonden die zich in deze evacuatiewegen bevinden; - het betreft een compartiment met uitsluitend lokalen met dagbezetting. 6.7.3.2 Doorgangen met brandwerende kleppen Geen enkel luchtkanaal mag : - door een wand gaan waarvoor een brandweerstand groter dan of gelijk aan EI 60 wordt vereist; - door een scheidingswand tussen twee compartimenten gaan waarvoor een brandweerstand groter dan of gelijk aan EI 30 wordt vereist of door een wand van een leidingenkoker gaan waarvoor een brandweerstand groter dan of gelijk aan EI 30 wordt vereist; tenzij het voldoet aan één van de volgende voorwaarden :
- a)een brandwerende klep met dezelfde brandweerstand (EI-S) als vereist voor de doorboorde wand en die voldoet aan 6.7.4 wordt geplaatst ter hoogte van de wanddoorgang;
- b)het kanaal heeft dezelfde brandweerstand EI io als vereist voor de doorboorde wand of is geplaatst in een koker met dezelfde brandweerstand als vereist voor de doorboorde wand over de hele lengte van de doorgang doorheen het compartiment of doorheen de beschermde ruimte.Dit kanaal mag geen opening hebben tenzij voorzien van een klep beschreven in lid
- a)hierboven;
- c)het kanaal voldoet gelijktijdig aan volgende voorwaarden : - de doorsnede van de doorgang is niet groter dan 130 cm2; - in de doorgang van de wand is het kanaal uitgerust met een inrichting, die in geval van brand de doorgang afsluit en daarna dezelfde brandweerstand heeft als vereist voor de doorboorde wand. De luchtkanalen die zich in uitsluitend voor hen voorbehouden kokers bevinden en aan hun boveneinde uitmonden in een technisch lokaal dat enkel de luchtbehandelingsgroepen bevat die zij verbinden, mogen zonder bijkomende voorzieningen door de wanden van het technisch lokaal gaan. In dat geval dient de verluchting van de kokers zoals vereist in 5.1.5.1 verwezenlijkt te worden via het technisch lokaal. 6.7.4 Brandwerende kleppen 6.7.4.1 Bediening Men onderscheidt twee bedieningstypes : Type A : de klep wordt automatisch gesloten wanneer de temperatuur van de doorstromende lucht in het kanaal een grenswaarde overschrijdt. Type B : klep type A die bovendien kan gesloten worden door een afstandsbediening door middel van een systeem met positieve veiligheid. Het sluiten geschiedt door een systeem dat geen externe energie vraagt. Indien een algemene branddetectie-installatie verplicht is, zijn de brandwerende kleppen op de grenzen van de compartimenten van het bedieningstype B. In geval van detectie worden de kleppen van het geteisterde compartiment automatisch gesloten. Onder « grenzen van de compartimenten » wordt bedoeld : - de scheidingswanden naar andere compartimenten; - de wanden van leidingenkokers die doorheen het compartiment gaan; - de wanden tussen het compartiment en de trappenhuizen. 6.7.4.2 Prestaties van de klep De brandwerende klep geplaatst in de doorgangen van wanden heeft volgende prestaties : Brandweerstand van de wand Brandweerstand van de klep Résistance au feu de la paroi Résistance au feu du clapet EI 60 EI 60 (ho i
- o)S EI 60 (ve i
- o)S EI 60 EI 60 (ho i
- o)S EI 60 (ve i
- o)S EI 30 EI 30 (ho i
- o)S EI 30 (ve i
- o)S EI 30 EI 30 (ho i
- o)S EI 30 (ve i
- o)S Tabel 2.4 - Brandwerende kleppen. Bij gebrek aan CE-markering voldoet de klep aan de volgende eisen :
- a)na 250 opeenvolgende cyclussen van openen en sluiten mag een klep van dezelfde fabricage nergens vervormd of beschadigd zijn;
- b)de klep weerstaat aan de corrosieve atmosfeer waarin ze geplaatst is;
- c)geen enkele periodieke smering is vereist voor de goede werking van de klep;
- d)de klepkast bevat aan de bovenzijde een klepstandaanwijzer en een onuitwisbare pijl die de richting van de luchtstroom aanduidt.Een kenplaat vermeldt de binnenafmetingen van de klep, de naam van de constructeur, het fabricagenummer en fabricagejaar; ze draagt tevens een goed zichtbaar en onuitwisbaar merkteken dat een brandbeveiligingstoestel aanduidt;
- e)na werking van de klep moet ze terug kunnen uitgeschakeld worden. 6.7.4.3 Plaatsing van de klep De klep wordt zodanig in de wand bevestigd en vastgezet dat de stabiliteit van de klep gewaarborgd is, onafhankelijk van de twee aansluitkanalen, zelfs indien één van de twee kanalen verdwijnt. Voor het nazicht en onderhoud van de klep wordt een gemakkelijk bereikbaar inspectiedeurtje op de klepkast of op de koker in de onmiddellijke nabijheid van de klep geplaatst. Dit deurtje heeft dezelfde brandweerstand als vereist voor het kanaal. Om de lokalisatie van de brandwerende klep te vergemakkelijken wordt een goed zichtbaar en onuitwisbaar merkteken aangebracht dat een brandbeveiligingstoestel aanduidt samen met de woorden « brandwerende klep ». Dit merkteken wordt op het inspectiedeurtje of in het lokaal loodrecht onder de klep geplaatst. 6.7.5 Bediening bij brand van de aëraulische installaties In de zones van het gebouw, die uitgerust zijn met een branddetectie-installatie, worden de luchtbehandelingsgroepen die enkel het geteisterde compartiment bedienen, stilgelegd bij detectie van brand. De plaatsing van een centraal brandbedieningsbord om bepaalde elementen uit de aëraulische installaties te bedienen, kan in bijzondere gevallen door de bevoegde brandweerdienst opgelegd worden. In dit geval wordt dit bord geplaatst op een punt dat gemakkelijk bereikbaar is voor de brandweer en dat gelegen is op het gebruikelijke toegangsniveau. 6.8 Inrichtingen voor melding, waarschuwing, alarm en brandbestrijdingsmiddelen. Deze inrichtingen worden bepaald op advies van de bevoegde brandweer. 6.8.1 In de gebouwen zijn inrichtingen voor melding en brandbestrijding verplicht. 6.8.2 Aantal en plaats van de toestellen voor brandmelding, waarschuwing, alarm en brandbestrijding. 6.8.2.1 Het aantal toestellen wordt bepaald door de afmetingen, de toestand en het risico in de lokalen. De toestellen worden in voldoende aantal oordeelkundig gespreid, zodat zij elk punt van de betrokken ruimte kunnen bedienen. 6.8.2.2 De toestellen die menselijke interventie vergen, worden aangebracht op zichtbare of helder aangeduide plaatsen die in alle omstandigheden vrij bereikbaar zijn. Zij bevinden zich ondermeer nabij uitgangen, op overlopen, in gangen en worden derwijze aangebracht dat zij de circulatie niet hinderen en niet beschadigd of aangestoten kunnen worden. De buiten geplaatste toestellen worden desnoods tegen alle weersomstandigheden beschut. 6.8.2.3 De signalisatie voldoet aan de geldende voorschriften. 6.8.3 Brandmelding. 6.8.3.1 De melding van ontdekking of detectie van brand moet terstond aan de brandweerdiensten kunnen worden doorgegeven door een meldingstoestel per compartiment; in de gebouwen waarvan de oppervlakte per bouwlaag kleiner is dan 500 m2 volstaat één meldingstoestel voor het gebouw. 6.8.3.2 De nodige verbindingen worden bestendig en terstond verzekerd door telefoon- of elektrische lijnen, of door elk ander systeem dat dezelfde werkingswaarborgen en dezelfde gebruiksfaciliteiten biedt. 6.8.3.3 Elk toestel dat de verbinding tot stand kan brengen mits menselijke interventie, draagt een bericht over zijn bestemming en gebruiksaanwijzing. Gaat het om een telefoontoestel, dan vermeldt dit bericht het te vormen oproepnummer, tenzij de verbinding rechtstreeks of automatisch geschiedt. 6.8.4 Waarschuwing en alarm. De waarschuwings- en alarmseinen of -berichten kunnen door alle betrokken personen opgevangen worden en mogen niet onder elkaar noch met andere seinen kunnen worden verward. Hun elektrische kringen verschillen van elkaar. 6.8.5 Brandbestrijdingsmiddelen. 6.8.5.1 Algemeen. De brandbestrijdingsmiddelen bestaan uit toestellen of installaties die al dan niet automatisch zijn. De snelblussers en de muurhaspels dienen voor eerste interventie, dat wil zeggen dat zij bestemd zijn voor gebruik door bewoners. 6.8.5.2 Draagbare of mobiele snelblussers. Deze toestellen worden bepaald door de aard en de omvang van het gevaar. 6.8.5.3 Muurhaspels met axiale voeding, muurhydranten. 6.8.5.3.1 Het aantal en de plaats van deze toestellen worden bepaald door de aard en de omvang van het brandgevaar. Indien de gebruikte oppervlakte van een gebouw kleiner is dan 500 m2 is geen muurhaspel verplicht (behoudens bij speciale risico's). In alle andere gevallen wordt het aantal muurhaspels als volgt bepaald. 1. de waterstraal bereikt elk punt van een compartiment;2. compartimenten groter dan 500 m2 beschikken over ten minste 1 muurhaspel. Het perskoppelstuk van de eventuele muurhydranten is aangepast aan de koppelingen gebruikt door de brandweer. 6.8.5.3.2 De stijgleiding die eventuele toestellen voedt met water onder druk, heeft de volgende kenmerken : de binnendiameter en de voedingsdruk moeten zodanig zijn dat de druk aan de minst bedeelde haspel beantwoordt aan de voorschriften van NBN EN 671-1, ermee rekening houdend dat 3 haspels met axiale voeding gelijktijdig moeten kunnen werken gedurende 1/2 h. 6.8.5.3.3 De eventuele toestellen worden zonder voorafgaande bediening gevoed met water onder druk. Deze druk bedraagt ten minste 2,5 bar op het ongunstigste punt. 6.8.5.4 Ondergrondse en bovengrondse hydranten. 6.8.5.4.1 Deze bovengrondse en ondergrondse hydranten worden gevoed door het openbaar waterleidingnet via een leiding met minimale binnendiameter van 80 mm. Kan het openbaar net aan deze voorwaarden niet voldoen, dan wendt men andere bevoorradingsbronnen aan met minimale capaciteit van 50 m3. 6.8.5.4.2 In de nijverheids- en handelszones en op de plaatsen met een grote bevolkingsdichtheid liggen de wateraansluitingen op een maximum afstand van 100 m van elkaar verwijderd. Elders zijn zij wegens de ligging van de voor brand te beveiligen gebouwen of inrichtingen zo verdeeld dat de afstand tussen de ingang van elk gebouw of van elke inrichting en de dichtstbijgelegen hydrant niet meer dan 200 m bedraagt. 6.8.5.4.3 De ondergrondse of de bovengrondse hydranten worden aangebracht op een horizontaal gemeten afstand van ten minste 0,60 m van de kant der straten, wegen of doorgangen waarop voertuigen kunnen rijden en parkeren. Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 12 juli 2012. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, Mevr. J. MILQUET Bijlage 2 bij het koninklijk besluit van 12 juli 2012 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen Bijlage 3/1 bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen BIJLAGE 3/1 : MIDDELHOGE GEBOUWEN 0 0 ALGEMEEN. 0.1 Doel. Deze basisreglementering bepaalt de minimale eisen waaraan de opvatting, de bouw en de inrichting van middelhoge (MG) gebouwen moeten voldoen om : - het ontstaan, de ontwikkeling en de voortplanting van brand te voorkomen; - de veiligheid van de aanwezigen te waarborgen; - preventief het ingrijpen van de brandweer te vergemakkelijken. 0.2 Toepassingsgebied. Deze bijlage is van toepassing op alle middelhoge gebouwen waarvoor de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning wordt ingediend vanaf de eerste dag van de derde maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Uitgesloten van het toepassingsgebied van deze bijlage zijn echter de industriegebouwen en de eengezinswoningen. 0.3 Platen Plaat 3.1 - Daken van de aangrenzende constructies Plaat 3.2 - Gevels Plaat 3.3 - Gevels Plaat 3.4 - Gevels Plaat 3.5 - Gevels Plaat 3.6 - Daken Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 1 INPLANTING EN TOEGANGSWEGEN. De toegangswegen worden bepaald in akkoord met de brandweer, volgens de volgende leidraad. 1.1 Het gebouw is voortdurend bereikbaar voor autovoertuigen. Daartoe moeten de voertuigen beschikken over een toegangsmogelijkheid en een opstelplaats : - ofwel op de berijdbare rijweg van de openbare weg; - ofwel op een bijzondere toegangsweg vanaf de berijdbare rijweg van de openbare weg en die de volgende kenmerken vertoont : - minimale vrije breedte : 4 m; zij bedraagt 8 m indien de toegangsweg doodloopt; - minimale draaicirkel met straal 11 m aan de binnenkant en 15 m aan de buitenkant; - minimale vrije hoogte : 4 m; - maximale helling : 6 %; - draagvermogen : derwijze dat voertuigen, zonder verzin-ken, met een maximale asbelasting van 13 t er kunnen rijden en stilstaan, zelfs wanneer ze het terrein vervormen. Voor kunstwerken welke zich op de toegangswegen bevinden, richt men zich naar de NBN B 03-101; - mogelijkheid tegelijkertijd 3 autovoertuigen van 15 t te dragen. - de afstand vanaf de rand van de weg tot aan het vlak van de gevel bedraagt tussen 4 m en 10 m. Geparkeerde voertuigen mogen de doorgang en de opstelling van de voertuigen van de brandweer op deze toegangswegen niet verhinderen. Op ten minste één van deze toegangswegen moeten het materieel en de voertuigen van de brandweer kunnen rijden, stilstaan en werken. 1.2 Bijgebouwen, uitspringende daken, luifels, uitkragende delen of andere dergelijke toevoegingen zijn enkel toegelaten indien daardoor noch de evacuatie, noch de veiligheid van de gebruikers, noch de actie van de brandweer in het gedrang komen. Indien de beglaasde gevels van het gebouw uitgeven boven bouwdelen die al dan niet deel uitmaken van dit gebouw, dan moeten : 1. hetzij de daken van de bouwdelen voldoen aan volgende voorwaarden : Horizontale afstand vanaf de gevels, a Vereiste voor brandweerstand Distance horizontale à partir des façades, a Exigences en matière de résistance au feu a EI 60 a EI 60 1 m E 60 1 m E 60 Als in het dak over een afstand van 5 meter lichtkoepels, luchtverversers, rookuitlaten en openingen voorkomen die niet de vereiste brandweerstand hebben, dan moeten die voldoen aan de volgende voorwaarden : ofwel zijn zij afgeschermd van de openingen in de gevels door een bouwelement dat voldoet aan volgende voorwaarden (plaat 3.1) : Horizontale afstand vanaf de gevels, a Vereiste voor brandweerstand Distance horizontale à partir des façades, a Exigences en matière de résistance au feu a EI 60 a EI 60 1 m E 60 1 m E 60 ofwel is de totale oppervlakte van de openingen in het dak niet groter dan 100 cm2; 2. hetzij de gevels van het gebouw voldoen aan volgende voorwaarden : Hoogte gemeten vanaf het dak, b Vereiste voor brandweerstand Hauteur mesurée à partir de la toiture, b Exigences en matière de résistance au feu b EI 60 (i b EI 60 (i 3 m E 60 (i 3 m E 60 (i Als in de gevel over een hoogte van 8 meter vensters, luchtverversers, rookuitlaten en openingen voorkomen die niet de vereiste brandweerstand hebben, dan moeten die voldoen aan de volgende voorwaarden : ofwel zijn zij afgeschermd van de openingen in het dak door een bouwelement dat voldoet aan volgende voorwaarden (plaat 3.1) : Horizontale afstand vanaf de gevels, a Vereiste voor brandweerstand Distance horizontale à partir des façades, a Exigences en matière de résistance au feu a EI 60 a EI 60 1 m E 60 1 m E 60 ofwel is de totale oppervlakte van de openingen in de gevel niet groter dan 100 cm2. 1.3 De horizontale afstand, vrij van elk brandbaar element en gelegen tussen een MG en een tegenoverstaand gebouw, moet ten minste 8 m bedragen, tenzij één van de twee tegenoverstaande wanden voldoet aan de voorwaarden zoals bepaald voor aangrenzende gebouwen. De wanden die aangrenzende gebouwen scheiden hebben EI 120, of REI 120 wanneer ze dragend zijn. In deze wanden mag een verbinding tussen deze gebouwen bestaan via een sas, voor zover dit de volgende kenmerken draagt : 1. het mag niet uitlopen op een trappenhuis;2. het bevat twee zelfsluitende deuren EI1 30;3. de wanden hebben EI 60;4. de oppervlakte bedraagt minimum 2 m2. De voorwaarde van de afstand tussen een MG en een tegenoverstaand gebouw geldt niet voor gebouwen die van elkaar gescheiden worden door bestaande straten, wegen,... behorende tot het openbaar domein. 1.4 Ten minste één van de lange gevels moet langs een weg lopen die toegankelijk is voor de voertuigen van de brandweer en indien de lange gevel geen hoofdingang bevat, dan moet de weg bovendien langs een gevel waarin wel zulke ingang zit, lopen. De afstand van de rand van deze weg tot aan het vlak van de gevel dient bij voorkeur tussen 4 m en 10 m te bedragen. Zo niet, worden de gevelopeningen als niet bereikbaar voor de laddervoertuigen van de brandweer beschouwd (zie 2.2.1). Indien een sokkel één of meer gebouwen draagt, is één van de volgende twee bepalingen van toepassing : - het platform van de sokkel is toegankelijk voor de voertuigen van de brandweer, met inachtneming van de voorschriften van 1.1 maar met uitzondering van de helling van de oprit die 12 % mag bedragen; - ten minste één van de gevels van elk gebouw is toegankelijk via een weg voor gewoon verkeer in open lucht of in een tunnel die om de 25 m een openluchtsegment bevat van ten minste 15 m x 7 m. 2 COMPARTIMENTERING EN EVACUATIE. 2.1 Het gebouw is verdeeld in compartimenten waarvan de oppervlakte kleiner is dan 2 500 m2, met uitzondering van de parkeergebouwen (zie 5.2). De oppervlakte van een compartiment mag groter zijn dan 2 500 m2, indien het uitgerust is met een automatische blusinstallatie en een rook- en warmteafvoerinstallatie. De Minister van Binnenlandse Zaken bepaalt de voorwaarden waaronder een compartiment groter mag zijn dan 2 500 m2 zonder dat een automatische blusinstallatie en een rook- en warmteafvoerinstallatie moet voorzien worden. De hoogte van een compartiment stemt overeen met de hoogte van één bouwlaag. De volgende uitzonderingen zijn nochtans toegestaan :
- a)het parkeergebouw met bouwlagen (zie 5.2);
- b)een compartiment mag gevormd worden door twee boven elkaar geplaatste bouwlagen met binnenverbindingstrappen - duplex - indien de gecumuleerde oppervlakte van die bouwlagen niet groter is dan 2 500 m2; ingeval de duplex zich op de hoogste twee bouwlagen van het gebouw bevindt, mag de oppervlakte van het compartiment 2 500 m2 per bouwlaag bedragen;
- c)de benedenverdieping en de eerste verdieping (of tussenverdieping) mogen eveneens één compartiment vormen, op voorwaarde dat het totaal volume niet groter is dan 25 000 m3;
- d)de hoogte van een compartiment mag zich uitstrekken over verscheidene boven elkaar geplaatste bouwlagen, indien dit compartiment slechts technische lokalen omvat (zie 5.1.1).
- e)de hoogte van een compartiment mag zich uitstrekken over verscheidene bouwlagen (atrium) op voorwaarde : - dat dit compartiment is uitgerust met een automatische blusinstallatie en een rook- en warmteafvoerinstallatie De Minister van Binnenlandse Zaken bepaalt de voorwaarden waaronder uitzonderingen mogelijk zijn op de verplichte plaatsing van een automatische blusinstallatie en een rook- en warmteafvoerinstallatie; - en dat de evacuatiemogelijkheden van het gebouw dienen te voldoen aan de bepalingen van deze bijlage waarbij geen rekening mag gehouden worden met de evacuatie via het atrium. De Minister van Binnenlandse Zaken bepaalt de voorwaarden waaraan de automatische blusinstallatie en rook- en warmteafvoerinstallatie moet voldoen. 2.2 Evacuatie van de compartimenten. 2.2.1 Aantal uitgangen. Elk compartiment heeft minimum : één uitgang indien : de gebruikers zonder door het trappenhuis te moeten gaan een gevelopening, toegankelijk voor de laddervoertuigen van de brandweer kunnen bereiken of indien zulke opening niet bestaat, een terras toegankelijk voor de ladders van de brandweer kunnen bereiken. Het terras met een voldoende grote oppervlakte ter evacuatie van de gebruikers van het compartiment, heeft een vloer REI 60 en een gevelelement E 60 of een leuning die 1 m teruggetrokken is ten opzichte van de gevel. twee uitgangen indien de bezetting 50 of meer dan 50 en minder dan 500 personen bedraagt; 2 + n uitgangen waarbij n het geheel getal is onmiddellijk groter dan het quotiënt van de deling van de maximale bezetting van het compartiment door 1000, indien de bezetting 500 of meer dan 500 personen bedraagt. Het minimum aantal uitgangen kan door de brandweer verhoogd worden in functie van de bezetting en de configuratie van de lokalen. Indien de bezetting 50 of meer dan 50 personen bedraagt, wordt het aantal uitgangen van bouwlagen en lokalen bepaald zoals voor de compartimenten. Voor de twee ondergrondse bouwlagen onmiddellijk onder het evacuatieniveau volstaat één uitgang indien deze bouwlagen enkel lokalen bevatten zoals bergingen en indien de afstand vanuit ieder punt van het compartiment tot de uitgang kleiner is dan 15 m. In het geval dat een compartiment zich uitstrekt over verscheidende bouwlagen (atrium) dienen de evacuatiemogelijkheden van het gebouw te voldoen aan de bepalingen van deze bijlage waarbij geen rekening mag gehouden worden met de evacuatie via het atrium. 2.2.2 De uitgangen. De uitgangen zijn gelegen in tegenovergestelde zones van het compartiment. De compartimenten die niet op een evacuatieniveau gelegen zijn, zijn met het evacuatieniveau verbonden door middel van trappen binnen of buiten het gebouw gelegen (voor de horizontale afstanden zie 4.4). Voor de ondergrondse bouwlagen mag een uitgang die voldoet aan de vereisten van een uitgang voor het evacuatieniveau, de vereiste toegang tot een trappenhuis vervangen. Voor het parkeergebouw : zie 5.2. Op een evacuatieniveau leidt iedere trap naar buiten, hetzij rechtstreeks, hetzij over een evacuatieweg die beantwoordt aan de voorschriften van 4.4.2. 3 VOORSCHRIFTEN VOOR SOMMIGE BOUWELEMENTEN. 3.1 Doorvoeringen door wanden. Doorvoeringen doorheen wanden van leidingen voor fluïda of voor elektriciteit en de uitzetvoegen van wanden mogen de vereiste weerstand tegen brand van de bouwelementen niet nadelig beïnvloeden. De bepalingen van bijlage 7 « Gemeenschappelijke bepalingen », hoofdstuk 1, zijn van toepassing. 3.2 Structurele elementen. De structurele elementen beschikken over een brandweerstand zoals weergegeven in tabel 3.1, waarin E het laagst gelegen evacuatieniveau voorstelt : Structurele elementen Eléments structuraux Boven Ei R 60 Au dessus de Ei R 60 Onder Ei met inbegrip van de vloer van Ei R 120 En dessous de Ei, y compris le plancher de Ei R 120 Tabel 3.1 - Brandweerstand van de structurele elementen 3.3 Verticale wanden en binnendeuren. Voor de wanden en de deuren die compartimenten afbakenen, geldt 4.1; bakenen zij evacuatiewegen af dan geldt 4.4. De verticale binnenwanden die lokalen of het geheel van lokalen met nachtbezetting afbakenen hebben EI 60. De deuren in deze wanden hebben EI1 30. De verticale binnenwanden van archieflokalen hebben EI 60; hun deuren zijn bij brand zelfsluitend en hebben EI1 30. 3.4 Plafonds en verlaagde plafonds. 3.4.1 In de evacuatiewegen, de voor het publiek toegankelijke lokalen en de collectieve keukens hebben de verlaagde plafonds EI 30 (a -> b), EI 30 (b ->
- a)of EI 30 (a
- b)volgens EN 13501-2 en EN 1364-2 of hebben een stabiliteit bij brand van een 1/2 h volgens NBN 713-020. 3.4.2 De ruimte tussen het plafond en het verlaagd plafond wordt onderbroken door de verlenging van alle verticale wanden waarvoor tenminste een brandweerstand van EI 30 is vereist. Indien de ruimte tussen het plafond en het verlaagd plafond niet uitgerust is met een automatische blusinstallatie, dient deze ruimte derwijze onderbroken te worden door verticale scheidingen E 30 zodat er ruimten ontstaan waarvan de horizontale projectie kan ingeschreven worden in een vierkant van maximum 25 m zijde. 3.5 Gevels 3.5.1 Enkelwandige gevels 3.5.1.1 Ter hoogte van de scheiding tussen compartimenten De stijlen van het gordijngevelskelet (lichte gevel) worden ter hoogte van elke bouwlaag aan het gebouwskelet bevestigd. Deze bevestigingen moeten beschermd zijn tegen een brand in een onderliggend en naastgelegen compartiment. De aansluiting van de compartimentswanden met de gevel heeft minstens EI 60 of EI 60 (i -> o). Om het risico van een branduitbreiding langs de gevel tussen compartimenten in een verticaal of horizontaal vlak te beperken, moet voldaan zijn aan één van de volgende voorschriften :
- i)heeft, met hoogte "b"; - in de onderliggende bouwlaag, uit een latei, die minstens E 60 (i ->
- o)heeft, met hoogte "c". De som van de afmetingen a, b, c en d (vloerdikte) is gelijk aan of groter dan 1 m; elk der afmetingen a, b of c kunnen eventueel nul zijn (plaat 3.2, figuur C tot L). De figuren van plaat 3.3 tonen de wijze waarop dit bouwelement aangebracht is ten opzichte van een verticale compartimentswand. Het omvat : - hetzij een element dat zich in het verlengde van de gevel bevindt en dat minstens E 60 (i
- o)heeft; de breedte van dit element (b1+b2+
- a)(plaat 3.3, figuur A en B) bedraagt ten minste 1 m; de delen van dit element die links en rechts van de hartlijn van de gemene muur gelegen zijn, zijn ten minste 0,50 m breed, indien het gaat om twee verschillende gebouwen (a1 => 0,50 m en a2 => 0,50 m); - hetzij een verticaal overstek die zich bevindt in de hartlijn van de muur die de scheiding vormt tussen de twee gebouwen of compartimenten en die minstens E 60 (o ->
- i)(plaat 3.3, figuur C) of E 60 (i ->
- o)(plaat 3.3, figuur D) heeft; de lengte van dit element (b1+b2+
- a)bedraagt ten minste 1 m; - hetzij een combinatie van de vorige elementen op zulke wijze dat de som van de lengtes ten minste 1 m bedraagt (plaat 3.3, figuur E).
- o)over de volledige hoogte van het gebouw (plaat 3.4 - figuur A) hetzij E 60 (i ->
- o)om de twee bouwlagen (plaat 3.4 - figuur B).
- m)tussen de geveldelen die niet minstens E 60 of E 60 (o ->
- i)hebben, ten minste : 1 + 7 cos alpha voor 0° De spouw van de dubbelwandige gevel wordt in het verlengde van elke compartimentswand onderbroken door een element dat minstens E 60 heeft. Dit element beslaat de volledige ruimte begrepen tussen de twee wanden en heeft een minimale lengte van 60 cm te tellen vanaf de binnenwand van de gevel. Dit element mag openingen bevatten, op voorwaarde dat de continuïteit van de compartimentering door de spouw heen verzekerd wordt door een bij brand zelfsluitende afsluitinrichting met een brandweerstand E 60. Deze inrichting wordt beproefd in zijn dragende constructie, volgens de richting van de compartimentswand; de sluiting ervan wordt bevolen : - hetzij door een thermische detectie ter hoogte van deze inrichting die reageert bij een temperatuur van maximaal 100 ° C; - hetzij door een rookdetectie in de spouw of in alle compartimenten langs de gevel die voldoet aan de voorwaarden in punt 3.5.2.3. Wanneer er openingen zijn tussen de spouw van de dubbelwandige gevel en de binnenomgeving van het gebouw, is enkel een rookdetectie toegestaan in de spouw of in alle compartimenten langs de gevel. Zij voldoet aan de voorschriften van punt 3.5.2.3. 3.5.2.2 Dubbelwandige gevels zonder compartimentering. De dubbelwandige gevels zonder compartimentering moeten in overeenstemming zijn met een van de twee hierna opgenomen mogelijkheden. 3.5.2.2.1 Dubbelwandige gevel waarvan de binnenwand brandwerend is. De buitenwand van de dubbelwandige gevel bestaat tussen de verdiepingen voor minstens 50 % uit bouwelementen zonder specifieke brandweerstand. De binnenwand heeft : - hetzij, over de volledige hoogte, minstens een vlamdichtheid E 30 (i o); - hetzij afwisselend om de twee bouwlagen minstens een brandweerstand EI 30 (i o). 3.5.2.2.2 Dubbelwandige gevel naar buiten toe open. De voorschriften voor enkelwandige gevels mogen toegepast worden op de binnenwand wanneer de buitenwand vaste of mobiele ventilatieopeningen bevat die automatisch openen bij brand. De vaste ventilatieopeningen zijn geplaatst op 30 + 10 graden naar de buitenkant en naar boven toe ten opzichte van de horizontale, gelijkmatig verdeeld over ten minste 50 % van de oppervlakte ervan. De mobiele ventilatieopeningen voldoen, bij brand, aan dezelfde voorwaarden als de vaste ventilatieopeningen. De veiligheidsstand van de mobiele lamellen wordt in werking gesteld door een algemene branddetectie-installatie in de compartimenten langs gevels. De automatische bediening moet voldoen aan de voorwaarden voorzien in punt 3.5.2.3. 3.5.2.3 Automatische sluitings-/openingssystemen. 3.5.2.3.1 Bediening De sluiting/opening wordt bevolen door een automatische branddetectie-installatie. De installatie wordt uitgerust met manuele openings- en sluitingssystemen. De bediening ervan is voorbehouden aan de brandweer. De plaats ervan moet bepaald worden in akkoord met de brandweer. 3.5.2.3.2 Bedrijfszekerheid Bij het uitvallen van de normale energiebron (elektrische energie, persluchtnet), zet de detectie-installatie of het bedieningssysteem het sluitings-/openingssysteem in de veiligheidsstand. Elk gebrek aan energiebron, voeding of elektrische of pneumatische bediening moet automatisch gemeld worden aan de detectiecentrale. 3.5.2.3.3 Werking bij brand in een naburig compartiment. Wanneer de sluitings-/openingssystemen geen positieve veiligheid hebben, dan moeten de elektrische kabels die het sluitings- / openingssysteem verbinden, voldoen aan punt 6.5.2. 3.6 Daken. De gebouwen hebben platte daken of hellende daken. Deze daken hebben R 60. Deze eis is niet van toepassing als de onderdakvloer REI 60 (plaat 3.6) heeft en als de eventuele toegang tot de ruimte onder het dak, die leeg dient te zijn, gebeurt langs deuren of luiken met EI1 30. In hellende daken mogen vensteropeningen voorzien worden, indien voor de gedeeltes van de hellende daken ter hoogte van de scheiding tussen compartimenten voldaan wordt aan punt 3.3 van dezelfde bijlage. 4 VOORSCHRIFTEN INZAKE CONSTRUCTIE VAN COMPARTIMENTEN EN EVACUATIERUIMTEN. 4.1 Compartimenten. De wanden tussen de compartimenten hebben EI 60. Voor de gevel- of buitenwanden geldt 3.5. De verbinding tussen twee compartimenten is slechts toegestaan indien zij geschiedt via een sas dat de volgende kenmerken heeft : 1. het bevat zelfsluitende deuren met EI1 30;2. de wanden hebben EI 60;3. de oppervlakte bedraagt minimum 2 m2. 4.2 Binnentrappenhuizen. 4.2.1 Algemeen. De trappen die verscheidene compartimenten verbinden zijn omsloten. De grondbeginselen van 2 « Compartimentering en evacuatie » zijn erop van toepassing. 4.2.2 Opvatting. 4.2.2.1 De binnenwanden van de trappenhuizen hebben minstens EI 60. Hun buitenwanden mogen beglaasd zijn indien deze beantwoorden aan de eisen gesteld in punt 3.5. 4.2.2.2. De trappenhuizen moeten toegang geven tot een evacuatieniveau en tot alle bovenliggende bouwlagen. 4.2.2.3 Op iedere bouwlaag wordt de verbinding tussen de evacuatieweg en het trappenhuis verzekerd door een zelfsluitende deur met EI1 30 die toegang geeft tot een overloop in het trappenhuis. Deze deur draait open in de vluchtzin en mag niet uitgerust zijn met een vergrendelingssysteem dat haar opening zou beletten. Haar nuttige breedte is groter dan of gelijk aan de vereiste nuttige breedte en bedraagt ten minste 0,80 m. Een rechtstreekse verbinding van beide bouwlagen van een duplex met het trappenhuis is niet vereist, op voorwaarde dat : - de totale oppervlakte van het compartiment kleiner is dan of gelijk is aan 300 m2; - de oppervlakte van de bouwlaag van de duplex die rechtstreeks evacueert via het trappenhuis, groter is dan de oppervlakte van de andere bouwlaag van de duplex. 4.2.2.4 Indien verscheidene compartimenten in een zelfde horizontaal vlak liggen, mogen zij een gemeenschappelijk trappenhuis hebben op voorwaarde dat dit toegankelijk is vanuit elk compartiment via een verbinding die voldoet aan de vereisten van 4.2.2.3. 4.2.2.5 De trappenhuizen die de ondergrondse bouwlagen bedienen, mogen