📄 Wettekst
12 JULI 2012. - Koninklijk besluit van 12 juli 2012 tot wijziging van het
koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/07/1994
pub.
24/03/2023
numac
2023040927
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen
VERSLAG AAN DE KONING Sire, Onderhavig ontwerp wijzigt het
koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/07/1994
pub.
24/03/2023
numac
2023040927
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen.
Er worden nieuwe bijlagen ingevoegd bij het
koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/07/1994
pub.
24/03/2023
numac
2023040927
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. Deze nieuwe bijlagen hebben onder meer tot doel : - de aanpassing van de voorschriften betreffende de reactie bij brand van bouwmaterialen, opgenomen in bijlage 5 van het
koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/07/1994
pub.
24/03/2023
numac
2023040927
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten, aan de Europese regelgeving; - de aanpassing van de voorschriften betreffende de brandweerstand, opgenomen in de bijlagen 2, 3 en 4 van het
koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/07/1994
pub.
24/03/2023
numac
2023040927
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten, aan de Europese regelgeving; - de invoeging van nieuwe bepalingen betreffende de gevels, de verwarmingslokalen en de verluchting van de trappenhuizen in lage gebouwen; - de toevoeging van een bijlage 7 aan de gemeenschappelijke voorschriften voor lage, middelhoge en hoge gebouwen; - de aanpassing van de bepalingen inzake de verluchting van de liftschachten in lage-energiegebouwen en de toevoeging van bepalingen inzake de groendaken.
Het ontwerp van koninklijk besluit werd voorgelegd aan de Raad van State voor advies. De Raad van State leverde op 28 november 2011 advies 50.548/4 af met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
De opmerkingen van de Raad van State die bijkomende uitleg vereisen worden hierna weergegeven.
Het ontwerp van koninklijk besluit diende meegedeeld te worden aan de Europese Commissie overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 98/34/EG. Voor de meerderheid van de voorschriften in het ontwerp gebeurde de mededeling meerdere jaren geleden, met name in 2008 en in 2009 terwijl de termijn die verloopt tussen het voldoen van de formaliteiten voorafgaand aan het besluit en het besluit zelf in principe kort moet zijn. Het vormvoorschrift van de mededeling aan de Europese Commissie is dan nog slechts vervuld indien aangetoond is dat de feitelijke en juridische omstandigheden die in aanmerking moeten genomen worden niet zodanig gewijzigd zijn dat de gevolgde procedure als niet meer ter zake dienend moet worden aangemerkt.
Wat betreft de gewijzigde juridische omstandigheden moet melding gemaakt worden van de publicatie van de bouwproducten verordening, met name de Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad.
De volledige tekst van het ontwerp werd in april 2011 naar de Europese Commissie gestuurd. Niettemin werden de bepalingen die ingevoegd werden in 2010 in het bijzonder onderzocht.
De beperkte wijzigingen die het ontwerp van koninklijk besluit ondergaan heeft in 2010, evenals het in werking treden van de bouwproducten verordening, zullen niet tot gevolg hebben dat de Europese Commissie haar oordeel zou herzien. Fundamenteel werd niets gewijzigd waardoor het vrij verkeer van goederen in gevaar zou kunnen komen.
De Raad van State merkt eveneens op dat drie van de vier adviezen van de Hoge Raad voor beveiliging tegen brand en ontploffing dateren van meerdere jaren geleden, met name van 2007, 2008 en 2009, terwijl de termijn die verstrijkt tussen het vervullen van de vormvoorschriften en de beslissing zelf in principe kort moet zijn.
Echter, het ontwerp werd in haar geheel aan de Hoge Raad voorgelegd in januari 2011. Weliswaar werden de bepalingen die ingevoegd werden in 2010 in het bijzonder onderzocht. De Hoge Raad is bovendien steeds op de hoogte gehouden geweest van de stand van zaken van het ontwerp van koninklijk besluit.
Er werd in de schoot van de Hoge Raad nooit gevraagd om het advies te herbekijken of om het ontwerp van koninklijk besluit aan een nieuwe studie te onderwerpen.
De Raad van State merkt op dat talrijke NBN-normen verbindend worden gesteld voor de adressanten ervan en bijgevolg volledige bekendmaking in het Belgisch Staatsblad vereisen.
Echter artikel 2 van het
koninklijk besluit van 25 oktober 2004Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
25/10/2004
pub.
09/11/2004
numac
2004011453
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Koninklijk besluit betreffende de uitvoeringsmodaliteiten van de normalisatieprogramma's evenals de bekrachtiging of registratie van normen
sluiten betreffende de uitvoeringsmodaliteiten van de normalisatieprogramma's evenals de bekrachtiging of registratie van normen bepaalt dat de Staat en de andere publiekrechtelijke personen aan de door het Bureau gepubliceerde normen kunnen refereren, in besluiten, verordeningen, administratieve handelingen en bestekken door een eenvoudige verwijzing naar het indicatief van deze normen. Bijgevolg is het mogelijk om naar NBN-normen te verwijzen door een eenvoudige verwijzing naar het indicatief van deze normen.
De Raad van State merkt op dat verschillende bepalingen van het ontwerp verwezen naar bepalingen met een algemene strekking die vervat zijn in beschikkingen van de Europese Commissie uitgevaardigd met toepassing van Richtlijn 89/106/EG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake voor de bouw bestemde producten. De bewuste beschikkingen waren evenwel aldus opgevat dat ze uitsluitend voor de lidstaten bestemd zijn en niet voor particulieren.
Om niet meer te verwijzen naar de Europese beschikkingen die enkel van toepassing zijn op de lidstaten van de Europese Unie en om zodoende de tekst van toepassing te maken op de burger werd de tekst van het ontwerp zoals hierna beschreven aangepast.
Wat de indeling van voor de bouw bestemde producten in klassen van materiaalgedrag bij brand betreft wordt in de gewijzigde bijlage 1 van het
koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/07/1994
pub.
24/03/2023
numac
2023040927
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten in punt 3.1 aangaande de reactie bij brand niet meer verwezen naar de Beschikking van de Commissie 2000/147/EG van 8 februari 2000 ter uitvoering van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad, gewijzigd bij de Beschikking van de commissie 2003/632/EG van 26 augustus 2003 en 2006/751/CE van 27 oktober 2006.
Daarentegen werden de relevante tabellen van de Europese beschikking ingevoegd in punt 3.1 van de gewijzigde bijlage 1 Wat de lijst van producten die niet aan proeven onderworpen moeten worden betreft, verwijst punt 3.3 van de gewijzigde bijlage 1 niet meer naar de Beschikking van de Commissie 96/603/EG van 4 oktober 1996 tot vaststelling van de lijst van producten die behoren tot de klassen A "geen bijdrage tot de brand" voorzien in de Beschikking 94/611/EG ter uitvoering van artikel 20 van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad inzake voor de bouw bestemde producten, gewijzigd bij de Beschikkingen 2000/605/EG van 26 september 2000 en 2003/424/EG van 6 juni 2003. In het nieuwe punt 3.3 van bijlage 1 van het
koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/07/1994
pub.
24/03/2023
numac
2023040927
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten is voorzien dat de Minister van Binnenlandse Zaken de lijst bepaalt van de producten die tot de klassen A « geen bijdrage tot brand » behoren.
Het classificatiesysteem van het gedrag van dakbedekkingen die blootgesteld worden aan een brand vanaf de buitenzijde, beschreven in de Beschikking van de commissie 2001/671/EG van 21 augustus 2001 tot uitvoering van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad met betrekking tot de indeling van het gedrag van daken en dakbedekkingen bij een brand vanaf de buitenzijde, gewijzigd bij de Beschikking 2005/823/EG van 22 november 2005 is vermeld in punt 3bis 1, ingevoegd in bijlage 1 van het
koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/07/1994
pub.
24/03/2023
numac
2023040927
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten.
Punt 3 bis 3 verwijst niet meer naar de Beschikking 2000/553/EG van 6 september 2000 tot uitvoering van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad met betrekking tot het brandgedrag aan de buitenzijde van dakbedekkingen en voorziet voortaan dat de Minister van Binnenlandse Zaken de lijst vastlegt van de dakbedekkingen waarvan het gedrag bij brand goed gekend en stabiel is en die niet meer aan de proeven voorzien in punt 3bis, 1 onderworpen moeten worden.
Doordat de Minister van Binnenlandse Zaken de lijst van dakbedekkingen zal bepalen werd in punt 8.1. van de nieuwe bijlage 5/1 ook de verwijzing naar de Beschikking 2000/553/EG van 6 september 2000 tot uitvoering van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad met betrekking tot het brandgedrag aan de buitenzijde van dakbedekkingen weggelaten.
De Raad van State merkt op dat het ontwerp bepalingen bevat die, zonder enige verduidelijking, de verplichting opleggen om te voldoen aan de « regels van goede praktijk » in de aangelegenheden waarop ze betrekking hebben. Nochtans zijn de nodige verduidelijkingen essentieel om eventuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid te kunnen bepalen, gelet op huidig artikel 10 van de wet van 30 juli 1979. Daarom werden de verwijzingen naar de regels van goed vakmanschap uit het ontwerp verwijderd. Wat punt 6.5.5 betreft, werd de verwijzing naar de goede praktijkregels geschrapt. Er wordt echter gepreciseerd dat de beschermingsvoorziening tegen bliksem gekozen wordt op basis van een evaluatie van het risico, wat overeenstemt met de doelstelling van de norm NBN EN 62305.
Bij verscheidene ontworpen bepalingen wordt de verplichting opgelegd om in bepaalde aangelegenheden te voldoen aan de normen of aan de regels van goed vakmanschap die erkend zijn door de Minister van Binnenlandse Zaken volgens de procedure en de voorwaarden die hij bepaalt. Bij het uitvaardigen van het besluit zal de Minister rekening houden met de technische evolutie van de rekenmethodes binnen de brandpreventie. De verordeningsbevoegdheid die aan de Minister wordt opgedragen, zal daardoor beperkt zijn.
Er wordt in het besluit niet meer verwezen naar de ministeriële omzendbrief van 14 oktober 1975 betreffende de watervoorraden voor het blussen van branden voor wat betreft de standplaats der boven- en ondergrondse hydranten en hun aantal. Ook wordt er niet meer doorverwezen naar het koninklijk besluit van 30 januari 1975 tot vaststelling van de type koppelingen gebruikt inzake brandvoorkoming en -bestrijding (Belgisch Staatsblad van 9 april 1975) voor wat betreft de voorschriften aangaande het perskoppelstuk van de eventueel aanwezige muurhydranten, aangezien dit overbodig was.
Het ontwerp van besluit werd aan de overige opmerkingen van de Raad van State aangepast.
Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Binnenlandse Zaken, Mevr. J. MILQUET
12 JULI 2012. - Koninklijk besluit tot wijziging van het
koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/07/1994
pub.
24/03/2023
numac
2023040927
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de
wet van 30 juli 1979Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
30/07/1979
pub.
24/06/2011
numac
2011000394
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen, artikel 2, gewijzigd bij de wet van 22 december 2003;
Gelet op het
koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/07/1994
pub.
24/03/2023
numac
2023040927
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 december 1996, 19 december 1997, 4 april 2003, 13 juni 2007 en 1 maart 2009;
Gelet op de adviezen van de Hoge Raad voor beveiliging tegen brand en ontploffing van 20 september 2007, 18 september 2008, 28 mei 2009 en 20 januari 2011;
Gelet op de uitvoering van de formaliteiten die voorgeschreven zijn door de Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en van de Raad die een informatieprocedure voorziet op het gebied van normen en technische voorschriften;
Gelet op het voorafgaand onderzoek met betrekking tot de noodzaak om een effectbeoordeling uit te voeren, waarin besloten wordt dat een effectbeoordeling niet vereist is;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 6 september 2011;
Gelet op advies 50.548/4 van de Raad van State, gegeven op 28 november 2011, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1.In bijlage 1 van het
koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/07/1994
pub.
24/03/2023
numac
2023040927
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 december 1997, 4 april 2003, 13 juni 2007 en 1 maart 2009, wordt punt 1.3 vervangen als volgt : « 1.3 Bouwproducten : producten zoals gedefinieerd in artikel 1, 7° van het
koninklijk besluit van 19 augustus 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/08/1998
pub.
11/09/1998
numac
1998014214
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende de voor de bouw bestemde producten
sluiten inzake de voor de bouw bestemde producten. » Art. 2.Punt 1.4 van bijlage 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « 1.4 Bouwelement : element gevormd uit één of meerdere bouwproducten met als functie in het gebouw : 1. dragen zonder brandscheidende functie (wanden, vloeren, daken, balken, kolommen, trappen); 2. dragen met brandscheidende functie (wanden, vloeren, daken,...); 3. beschermen van elementen of onderdelen van bouwwerken (verlaagde plafonds);4. niet-dragend element zijn of deel van een bouwwerk zijn of een product daarvoor (beschotten of wanden, plafonds, gevels, deuren, luiken, liftdeuren, leidingenkokers en technische schachten); 5. bestemd zijn voor technische installaties (kanalen, kleppen, kabels,...). » Art. 3.Punt 1.8 van bijlage 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « 1.8 Plafond : bouwelement dat het ondervlak van de vloer of van het dak bedekt en zijn draagstructuur bestaande uit de ophangingen, de bevestigingen en het eventuele isolatiemateriaal. Het plafond kan onmiddellijk tegen de structurele elementen van het gebouw bevestigd worden of een verlaagd plafond zijn. » Art. 4.Punt 1.10 van bijlage 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « 1.10 Verlaagd plafond : opgehangen of zelfdragend plafond » Art. 5.In punt 1.12 van bijlage 1 worden de woorden « en kunstwerken (bruggen, tunnels,...) » ingevoegd tussen de woorden « industriële installaties (zoals chemische installaties en tankparken) » en de woorden « worden niet beschouwd als gebouwen ». In de Franstalige versie van hetzelfde punt 1.12 wordt het woord « considérées » bijgevolg aangepast en vervangen door het woord « considérés ». Art. 6.Punt 1.13 van bijlage 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « 1.13 Open parkeergebouw : een parkeergebouw waarvan elk niveau over twee tegenovergestelde gevels beschikt die aan de volgende voorwaarden voldoen : a) deze gevels staan over hun gehele lengte maximaal 60 m uit elkaar;b) elk van deze gevels bevat openingen waarvan de nuttige oppervlakte minstens 1/6 van de totale oppervlakte van de verticale binnen- en buitenwanden van de omtrek van deze bouwlaag is;c) de openingen zijn gelijkmatig verdeeld over de lengte van elk van de twee gevels;d) tussen deze twee gevels zijn eventuele obstakels toegestaan, voor zover de nuttige oppervlakte voor de luchtdoorstroming, waarbij rekening gehouden wordt met een volledige bezetting van de parkeerplaatsen, minstens gelijk is aan de oppervlakte van de openingen die vereist is in elk van deze gevels;e) de horizontale afstand in open lucht tussen deze gevels en elk buitenobstakel moet minstens 5 m bedragen;» Art. 7.Punt 1 van bijlage 1 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met vier leden, luidende : « 1.20 Zelfredzaam : met fysische en/of psychische mogelijkheid om zichzelf onmiddellijk in veiligheid te brengen zonder fysieke hulp van derden; 1.21 Niet zelfredzaam : niet in de mogelijkheid zich fysisch en/of psychisch onmiddellijk in veiligheid te brengen zonder fysieke hulp van derden; 1.22 Wakend : in staat om een begin van brand of een alarm onmiddellijk op te merken en navenant te reageren; 1.23 Slapend : niet in staat om een begin van brand of een alarm onmiddellijk op te merken of navenant te reageren. » Art. 8.Punt 1 van bijlage 1 van hetzelfde besluit wordt aangevuld als volgt : « 1.24 Groendak : dak bedekt met vegetatie en de nodige lagen voor de groei ervan (drainage, substraat,...). 1.25 Omliggende vegetatie : elke vegetatie waarvan de horizontale afstand ten opzichte van een referentiepunt maximum 3 m bedraagt. » 1.26 Grens van de omliggende vegetatie : de grens van de omliggende vegetatie ten opzichte van de referentieas is een fictieve lijn onder een hoek van 45° die de omliggende vegetatie niet mag overschrijden en die vastgelegd wordt door de volgende vergelijking : hv,max = dv - 0,4 m + he waarbij hv,max de maximale hoogte aangeeft van de omliggende vegetatie op het beschouwde punt; dv de horizontale afstand aangeeft tussen het beschouwde punt van de omliggende vegetatie en de referentieas; he de hoogte aangeeft van het element dat een compartimenteringsfunctie heeft en dat op de referentieas geplaatst is. » Art. 9.In punt 2 van bijlage 1 van het zelfde koninklijk besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1) in punt 2.1, 2°, a), wordt punt 2) opgeheven; 2) het punt 2.1, 2° wordt aangevuld met een punt d), luidende : « d) door het proefverslag van een proef uitgevoerd volgens de norm NBN 713-020. » Art. 10.Punt 3 van de bijlage 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « 3. REACTIE BIJ BRAND Gedrag van een materiaal dat in gespecificeerde testomstandigheden, door zijn eigen ontbinding, een vuur waaraan het blootgesteld wordt, voedt. 3.1. Het classificatiesysteem van de kenmerken inzake de reactie bij brand van de bouwproducten wordt beschreven in de hierna vermelde tabellen 1, 2 en 3.
De volgende symbolen en definities worden gebruikt :
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Materiaal : een enkelvoudige basisstof of een gelijkmatig verdeeld (homogeen) mengsel van stoffen, bijvoorbeeld metaal, steen, hout, beton, minerale wol met een gelijkmatig verdeeld bindmiddel, polymeren.
Homogeen product : een product bestaande uit één enkel materiaal met een gelijke dichtheid en samenstelling van het gehele product.
Niet-homogeen product : een product dat niet aan de omschrijving van een homogeen product voldoet. Het is een product dat is samengesteld uit één of meer wezenlijke en/of niet-wezenlijke onderdelen.
Wezenlijk onderdeel : een materiaal dat een belangrijk deel van een niet-homogeen product uitmaakt. Een laag met een massa per oppervlakte-eenheid => 1,0 kg/m2 of een dikte >= 1,0 mm wordt als wezenlijk onderdeel beschouwd.
Niet-wezenlijk onderdeel : een materiaal dat geen belangrijk deel van een niet-homogeen product uitmaakt. Een laag met een massa per oppervlakte-eenheid Twee of meer niet-wezenlijke lagen die aan elkaar grenzen (d.w.z. zonder één of meer wezenlijke onderdelen tussen de lagen) worden als één niet-wezenlijk onderdeel beschouwd en moeten daarom samen voldoen aan de eisen voor een laag die een niet-wezenlijk onderdeel is.
Voor niet-wezenlijke onderdelen geldt het volgende onderscheid tussen inwendige niet-wezenlijke onderdelen en uitwendige niet-wezenlijke onderdelen : - inwendig niet-wezenlijk onderdeel : een niet-wezenlijk onderdeel dat aan beide zijden wordt afgedekt door ten minste één wezenlijk onderdeel. - uitwendig niet-wezenlijk onderdeel : een niet-wezenlijk onderdeel dat aan één zijde niet wordt afgedekt door een wezenlijk onderdeel.
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 3.2. Het gedrag inzake reactie bij brand van een product wordt bewezen : 1° door de gegevens horende bij de CE-markering;2° bij gebrek aan CE-markering a) door een classificatierapport voor de desbetreffende toepassing opgemaakt door een laboratorium of een certificatieorganisme uit een lidstaat van de Europese Unie of uit een ander land dat deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte, dat de waarborgen inzake onafhankelijkheid en bekwaamheid zoals vastgelegd in de normen van de reeks NBN EN 45000 of NBN EN 17000 aantoont. Dat classificatierapport is gebaseerd op één van de volgende evaluatieprocedures : 1) het in punt 3.1 beschreven classificatiesysteem; 2) een analyse van beproevingsresultaten die leidt tot een welbepaald toepassingsgebied, wanneer de beproevingen diegene zijn die beschreven worden door het voormelde classificatiesysteem beschreven in punt 3.1. b) door de informatie bij een BENOR- en/of ATG-goedkeuring, of door een gelijkwaardige beoordeling aanvaard in een andere Lidstaat van de Europese Unie of in een ander land dat deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte. 3.3 Bepaalde producten mogen zonder voorafgaande test beschouwd worden als behorende tot de klassen A1 en A1FL. De Minister van Binnenlandse Zaken bepaalt de lijst van deze producten. 3.4 Vereisten inzake de gebruiksvoorwaarden.
De vereisten van de tabellen I, II, III en IV van bijlage 5/1 zijn van toepassing op de bouwproducten in hun uiteindelijke toepassingsvoorwaarden, met andere woorden met inbegrip van de onderliggende lagen en de bevestigingswijze.
De onderliggende lagen moeten echter niet beoordeeld worden als zij beschermd worden door een bouwelement met een brandbeschermingsvermogen K dat voldoet aan de vereisten van de onderstaande tabel 4. Het brandbeschermingsvermogen wordt vastgelegd volgens de norm NBN EN 13501-2.
Toepassing waarvoor minstens de klasse A2-s3, d2 vereist is
Toepassing waarvoor hoogstens de klasse B-s1, d0 vereist is
Applications pour lesquelles la classe A2-s3, d2 au moins est exigée
Applications pour lesquelles la classe B-s1, d0 au moins est exigée
K2 30
K2 10
K2 30
K2 10
Tabel 4 Art. 11.In bijlage 1 van hetzelfde besluit, wordt een punt 3bis ingevoegd, dat luidt als volgt : « 3bis GEDRAG BIJ EEN BRAND VANAF DE BUITENZIJDE VAN DE DAKBEDEKKINGEN 3bis1. Het gedrag van daken en dakbedekkingen bij brand vanaf de buitenzijde wordt geclassificeerd als volgt :
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 3bis2. Het gedrag bij een brand vanaf de buitenzijde van een dakbedekking wordt bewezen : 1° door de informatiegegevens bij de CE-markering;2° bij gebrek aan CE-markering : a) door een classificatierapport voor de desbetreffende toepassing opgemaakt door een laboratorium of een certificatieorganisme uit een Lidstaat van de Europese Unie of uit een ander land dat deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte, dat de waarborgen inzake onafhankelijkheid en bekwaamheid zoals vastgelegd in de normen van de reeks NBN EN 45000 of NBN EN 17000; dit classificatierapport is gebaseerd op één van de volgende evaluatieprocedures : 1) het in punt 3bis1 beschreven classificatiesysteem;2) een analyse van beproevingsresultaten die leidt tot een welbepaald toepassingsgebied, wanneer de beproevingen diegene zijn die beschreven worden in het voormelde classificatiesysteem beschreven in punt 3bis1;b) door de informatie bij een BENOR- en/of ATG-goedkeuring, of door een gelijkwaardige beoordeling aanvaard in een andere Lidstaat van de Europese Unie of in een ander land dat deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte, wanneer de dakbedekkingen getest werden volgens de beproevingen die beschreven zijn in het voormelde classificatiesysteem. 3bis3. Bepaalde dakbedekkingen worden geacht te voldoen aan eisen van het prestatiecriterium van een externe brand zonder test. De Minister van Binnenlandse Zaken bepaalt de lijst van deze dakbedekkingen. Art. 12.Punt 4.9 van bijlage 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « 4.9 Brandwerende klep : beweegbare afsluiting in een kanaal ontworpen om de branduitbreiding te verhinderen » Art. 13.Punt 5.1 van bijlage 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « 5.1 Deur : bouwelement dat in een wandopening geplaatst wordt, bestemd om doorgang mogelijk te maken en te verhinderen; de deur bevat een vast gedeelte (deuromlijsting met of zonder bovenpaneel en/of zijpanelen), een beweegbaar gedeelte (deurvleugel), ophangings-, bedienings- en sluitingselementen en de verbinding met de wand. 5.1.1 Zelfsluitende deur : deur uitgerust met een toestel dat ze in normale omstandigheden steeds tot sluiten dwingt. 5.1.2 Bij brand zelfsluitende deur : deur uitgerust met een automatisch toestel dat ze bij brand tot sluiten dwingt.
De deur en het bijhorende toestel behoren minstens tot klasse C1 volgens NBN EN 14600. » Art. 14.In punt 5.4 van bijlage 1 van hetzelfde besluit wordt het woord « Noodverlichting » vervangen door het woord « Vervangingsverlichting ». Art. 15.Punt 5.5 van bijlage 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « Veiligheidsverlichting : verlichting die, bij het uitvallen van de gewone kunstmatige verlichting, de herkenning en het gebruik in alle veiligheid van vluchtmogelijkheden steeds waarborgt wanneer de locatie in gebruik is en die, om paniek te voorkomen, verlichting levert om personen toe te laten evacuatiewegen te herkennen en te bereiken. » Art. 16.Punt 5 van bijlage 1 van hetzelfde besluit wordt aangevuld als volgt : « 5.10 Gevels 5.10.1 Enkelwandige gevel : gevel die geen verluchte spouw bevat. Een enkelwandige gevel kan zowel samengesteld zijn uit massieve als uit lichte gevelelementen, of kan een gordijngevel zijn, al dan niet met een ontdubbeld brandwerend element. 5.10.2 Verluchte dubbelwandige gevel : gevel bestaande uit twee, gewoonlijk beglaasde wanden, gescheiden door een spouw (ook luchtspouw of tussenruimte genoemd), die op natuurlijke en/of mechanische wijze verlucht wordt en niet voor evacuatie wordt gebruikt. 5.10.3 Dubbelwandige gevel, verlucht langs de buitenkant : verluchte dubbelwandige gevel waarvan de binnenwand lucht- en waterdicht is en de buitenwand luchtdoorlatend is. 5.10.4 Dubbelwandige gevel, verlucht langs de binnenzijde : verluchte dubbelwandige gevel waarvan de buitenwand lucht- en waterdicht is en de binnenwand luchtdoorlatend is. 5.11 Positieve veiligheid : de installaties worden beschouwd als werkend met positieve veiligheid indien de veiligheidsfunctie van deze installaties of toestellen verzekerd blijft als de energiebron, de voeding en/of de bediening uitvallen. 5.12 Doorvoeringen 5.12.1 Doorvoering : opening in een wand, voor de doorgang van een leiding voor fluïda, vaste stoffen, elektriciteit of elektromagnetische golven, zoals licht (bv. data- en glasvezelkabels); 5.12.2 Enkelvoudige doorvoering : doorvoering van een leiding of kabel die op een voldoende afstand van andere doorvoeringen gelegen is zodat er geen wederzijdse beïnvloeding is; deze minimale afstand tussen twee willekeurige leidingen of kabels is tenminste gelijk aan de grootste diameter van de beide leidingen (met inbegrip van eventuele brandbare isolatie) of kabels; 5.12.3 Afdichting : inrichting die ter plaatse van een doorvoering wordt gebruikt om de branduitbreiding doorheen de wand te beperken; 5.12.4 Diameter of D : de nominale buitendiameter van de leiding of kabel of de omtrek van de leiding of kabel gedeeld door pi; 5.12.5 Mortel : mengsel op basis van gips, kalk en/of cement met anorganische vulstof al dan niet met toevoeging van composietversterking en chemische toeslagstoffen; 5.12.6 Onbrandbare leidingen : leidingen vervaardigd uit metaal of andere onbrandbare materialen met een smeltpunt groter dan 1000 K (727 ° C), met uitzondering van leidingen in glas; 5.12.7 Brandbare leidingen : leidingen die geen onbrandbare leidingen zijn; 5.12.8 Speling tussen de leiding en de mantelbuis : verschil tussen de binnendiameter van de mantelbuis en de buitendiameter van de leiding. » Art. 17.In punt 0.2 van de bijlage 2 bij hetzelfde besluit wordt het eerste lid aangevuld met de woorden « en voor de eerste dag van de derde maand na die waarin de bijlage 2/1 is bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad ». Art. 18.In hetzelfde besluit wordt de bijlage 2/1 ingevoegd die als bijlage 1 bij huidig besluit is gevoegd. Art. 19.In punt 0.2 van de bijlage 3 bij hetzelfde besluit wordt het eerste lid aangevuld met de woorden « en voor de eerste dag van de derde maand na die waarin de bijlage 3/1 is bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad ». Art. 20.In hetzelfde koninklijk besluit, wordt de bijlage 3/1 ingevoegd die als bijlage 2 bij huidig besluit is gevoegd. Art. 21.In punt 0.2 van de bijlage 4 bij hetzelfde besluit wordt het eerste lid aangevuld met de woorden « en voor de eerste dag van de derde maand na die waarin de bijlage 4/1 is bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad ». Art. 22.In hetzelfde besluit wordt de bijlage 4/1 ingevoegd die als bijlage 3 bij huidig besluit is gevoegd. Art. 23.In hetzelfde besluit wordt de bijlage 5/1 ingevoegd die als bijlage 4 bij huidig besluit is gevoegd. Art. 24.Hetzelfde besluit wordt aangevuld door de bijlage 7, genoemd « Gemeenschappelijke bepalingen » die als bijlage 5 bij huidig besluit is gevoegd. Art. 25.In hetzelfde besluit wordt voor artikel 7 een afdeling ingevoegd, die de artikelen 6/1, 6/2 et 6/3 bevat, luidende « OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Art. 6/1.De bouwelementen waarvan de brandweerstand wordt aangetoond volgens de norm NBN 713-020, respectievelijk de norm DIN 4102-6 voor luchtkanalen, en waarvoor een CE-markering nog niet verplicht is, zijn toegelaten tot vier jaar na het in werking treden van dit besluit.
Daarvoor wordt de tijdsduur van de brandweerstand vereist door de bijlagen bij dit besluit, omgezet in uren, voorafgegaan door 'Rf', respectievelijk 'Ro' voor luchtkanalen. Deze bouwelementen kunnen in de gebouwen behouden blijven na de vermelde overgangsperiode. Art. 6/2.De bepalingen van de punten 9 en 10 van bijlage 5/1 zijn slechts van toepassing op de bouwproducten die geen CE-markering moeten dragen en dit ten laatste tot vier jaar na het in werking treden van dit besluit. Deze bouwproducten kunnen in de gebouwen blijven na de vermelde overgangsperiode. Art. 6/3.De eindlaagmaterialen van de dakbedekkingen die ingedeeld zijn in A1 volgens het in bijlage 5 beschreven classificatiesysteem mogen, wanneer ze geen CE-markering moeten dragen, aangewend worden in de gebruiken voorzien in punt 8 van de bijlage 5/1 tot vier jaar na het in werking treden van dit besluit. De bouwproducten kunnen in de gebouwen blijven na de vermelde overgangsperiode. » Art. 26.Het
ministerieel besluit van 6 juni 2006Relevante gevonden documenten
type
ministerieel besluit
prom.
06/06/2006
pub.
26/06/2006
numac
2006000441
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Ministerieel besluit tot vaststelling van de overeenstemming tussen de Belgische en Europese klassen inzake reactie bij brand voor een reeks van producten voor thermische isolatie van gebouwen
sluiten tot vaststelling van de overeenstemming tussen de Belgische en Europese klassen inzake reactie bij brand voor een reeks van producten voor thermische isolatie van gebouwen, wordt opgeheven. Art. 27.Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de derde maand na die waarin het is bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad. Art. 28.Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 12 juli 2012.
ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, Mevr. J. MILQUET
Bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 12 juli 2012 tot wijziging van het
koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/07/1994
pub.
24/03/2023
numac
2023040927
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen Bijlage 2/1 bij het
koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/07/1994
pub.
24/03/2023
numac
2023040927
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen.
BIJLAGE 2/1 : LAGE GEBOUWEN 0. ALGEMEEN. 0.1 Doel.
Deze basisreglementering bepaalt de minimale eisen waaraan de opvatting, de bouw en de inrichting van lage gebouwen (LG) moeten voldoen om : - het ontstaan, de ontwikkeling en de voortplanting van brand te voorkomen; - de veiligheid van de aanwezigen te waarborgen; -preventief het ingrijpen van de brandweer te vergemakkelijken. 0.2 Toepassingsgebied.
Deze bijlage is van toepassing op alle lage gebouwen waarvoor de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning wordt ingediend vanaf de eerste dag van de derde maand na die waarin ze is bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Uitgesloten van het toepassingsgebied van deze bijlage zijn echter : - de industriegebouwen; - de gebouwen bestaande uit maximaal twee bouwlagen en met een totale oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 100 m2; - de eengezinswoningen. 0.3 Platen Plaat 2.1 - Gevels
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 1 INPLANTING EN TOEGANGSWEGEN. De toegangswegen worden bepaald in akkoord met de brandweer, volgens de volgende leidraad. 1.1 Voor de gebouwen met één bouwlaag moeten de voertuigen van de brandweer ten minste tot op 60 m van een gevel van het gebouw kunnen naderen.
Voor de gebouwen met meer dan één bouwlaag moeten de voertuigen van de brandweer ten minste in één punt een gevel kunnen bereiken die op herkenbare plaatsen toegang geeft tot iedere bouwlaag.
Daartoe moeten de voertuigen beschikken over een toegangsmogelijkheid en een opstelplaats : - ofwel op de berijdbare rijweg van de openbare weg; - ofwel op een bijzondere toegangsweg vanaf de berijdbare rijweg van de openbare weg en die de volgende karakteristieken vertoont : - minimale vrije breedte : 4 m; - minimale draaicirkel met draaistraal 11 m (aan de binnenkant) en 15 m (aan de buitenkant); - minimale vrije hoogte : 4 m; - maximale helling : 6 %; - draagvermogen : derwijze dat voertuigen, zonder verzinken, met een maximale asbelasting van 13t er kunnen rijden en stilstaan, zelfs wanneer ze het terrein vervormen.
Voor de kunstwerken welke zich op de toegangswegen bevinden, richt men zich naar NBN B 03-101. 1.2 Bijgebouwen, uitspringende daken, luifels, uitkragende delen of andere dergelijke toevoegingen zijn enkel toegelaten indien daardoor noch de evacuatie, noch de veiligheid van de gebruikers, noch de actie van de brandweer in het gedrang komen. 1.3 De horizontale afstand, vrij van elk brandbaar element en gelegen tussen een laag gebouw en een tegenoverstaand gebouw, moet ten minste 6 m bedragen, tenzij één van de twee tegenoverstaande wanden voldoet aan de voorwaarden zoals bepaald voor aangrenzende gebouwen.
De wanden die aangrenzende gebouwen scheiden hebben EI 60, of REI 60 wanneer ze dragend zijn.
In deze wanden mag een verbinding tussen deze gebouwen bestaan via een deur EI1 30, zelfsluitend of zelfsluitend in geval van brand.
De voorwaarde van de afstand tussen een laag gebouw en een tegenoverstaand gebouw geldt niet voor gebouwen die van elkaar gescheiden worden door bestaande straten, wegen,... behorende tot het openbaar domein. 2 COMPARTIMENTERING EN EVACUATIE. 2.1 Het gebouw is verdeeld in compartimenten waarvan de oppervlakte kleiner is dan 2 500 m2, met uitzondering van de parkeergebouwen (zie 5.2).
De maximale oppervlakte van een gelijkvloers gebouw bestaande uit één compartiment mag 3 500 m2 bedragen. De lengte van dit compartiment bedraagt niet meer dan 90 m.
De maximale oppervlakte van een compartiment mag, respectievelijk, groter dan ofwel 2 500 m2, ofwel 3 500 m2 bedragen indien het compartiment is uitgerust met een automatische blusinstallatie en een rook- en warmteafvoerinstallatie.
De Minister van Binnenlandse Zaken bepaalt de voorwaarden waaronder uitzonderingen mogelijk zijn op de grootte van het compartiment respectivelijk ofwel 2 500 m2 ofwel 3 500 m2 zonder dat een automatische blusinstallatie en/of een rook- en warmteafvoerinstallatie moet voorzien worden.
De hoogte van een compartiment stemt overeen met de hoogte van één bouwlaag.
De volgende uitzonderingen zijn nochtans toegestaan : - het parkeergebouw met bouwlagen (zie 5.2); - een compartiment mag zich uitstrekken over twee boven elkaar gelegen bouwlagen met een binnenverbindingstrap (duplex), indien de gecumuleerde oppervlakte van die bouwlagen niet groter is dan 2 500 m2; - de hoogte van een compartiment mag zich uitstrekken over verscheidene boven elkaar geplaatste bouwlagen, indien dit compartiment slechts technische lokalen omvat (zie 5.1.1). - de hoogte van een compartiment mag zich uitstrekken over verscheidene bouwlagen (atrium) op voorwaarde dat dit compartiment is uitgerust met een automatische blusinstallatie en een rook- en warmteafvoerinstallatie. De Minister van Binnenlandse Zaken bepaalt de voorwaarden waaronder uitzonderingen mogelijk zijn op de verplichte plaatsing van een automatische blusinstallatie en een rook- en warmteafvoerinstallatie.
De Minister van Binnenlandse Zaken bepaalt de voorwaarden waaraan de automatische blusinstallatie en rook- en warmteafvoerinstallatie moet voldoen. 2.2 Evacuatie van de compartimenten. 2.2.1 Aantal uitgangen.
Elk compartiment heeft minimum : - één uitgang indien de maximale bezetting minder dan 100 personen bedraagt; - twee uitgangen indien de bezetting 100 of meer dan 100 en minder dan 500 personen bedraagt; - 2 + n uitgangen waarbij n het geheel getal is onmiddellijk groter dan het quotiënt van de deling door 1000 van de maximale bezetting van het compartiment, indien de bezetting 500 of meer dan 500 personen bedraagt.
Het minimum aantal uitgangen kan door de brandweer verhoogd worden in functie van de bezetting en de configuratie van de lokalen.
Het aantal uitgangen van bouwlagen en lokalen wordt bepaald zoals voor de compartimenten. 2.2.2 De uitgangen.
De uitgangen zijn gelegen in tegenovergestelde zones van het compartiment.
De evacuatiewegen leiden ofwel : - naar buiten; - naar trappenhuizen; - naar trappen, binnen of buiten het gebouw gelegen (voor de horizontale afstanden zie 4.4).
Wat de ondergrondse bouwlagen betreft mag één uitgang naar buiten via een evacuatieweg met wanden EI 30 en deuren EI1 30 de vereiste toegang tot één der trappenhuizen vervangen.
Voor het parkeergebouw : zie 5.2.
Op een evacuatieniveau leidt iedere trap naar buiten, hetzij rechtstreeks, hetzij over een evacuatieweg die beantwoordt aan de voorschriften van 4.4. 3 VOORSCHRIFTEN VOOR SOMMIGE BOUWELEMENTEN. 3.1 Doorvoeringen door wanden.
Doorvoeringen doorheen wanden van leidingen voor fluïda of voor elektriciteit en de uitzetvoegen van wanden mogen de vereiste brandweerstand van de bouwelementen niet nadelig beïnvloeden.
De bepalingen van bijlage 7 « Gemeenschappelijke bepalingen », hoofdstuk 1, zijn van toepassing. 3.2 Structurele elementen.
De structurele elementen beschikken, in functie van hun situatie, over een brandweerstand zoals weergegeven in tabel 2.1, waarin Ei het laagst gelegen evacuatieniveau voorstelt.
Structurele elementen van het dak
Overige structurele elementen
Eléments structuraux du toit
Autres éléments structuraux
Boven Ei Eén bouwlaagMeerdere bouwlagen
R 30 (*) R 30 (*)
R 30 R 60
Au-dessus de Ei Un niveauPlusieurs niveaux
R 30 (*) R 30 (*)
R 30 R 60
Onder Ei, met inbegrip van de vloer van Ei
Niet van toepassing
R 60
En-dessous de Ei, y compris le plancher de Ei
Pas d'application
R 60
Tabel 2.1 - Brandweerstand van structurele elementen (*) Geen eisen voor de structurele elementen van het dak indien het aan de binnenkant beschermd is door middel van een bouwelement EI 30.
Er worden geen eisen voor brandweerstand gesteld aan de structurele elementen van open parkeergebouwen waarvan de horizontale wanden REI 60 bezitten. 3.3 Verticale binnenwanden en binnendeuren.
Voor de wanden en de deuren, die compartimenten afbakenen, geldt 4.1; bakenen zij evacuatiewegen af dan geldt 4.4.
De verticale binnenwanden die lokalen of het geheel van lokalen met nachtbezetting afbakenen hebben een brandweerstand, aangegeven in tabel 2.2. De deuren in deze wanden hebben EI1 30.
Wanden
Parois
Boven Ei Eén bouwlaagMeerdere bouwlagen
EI 30 EI 60
Au-dessus Ei Un niveauPlusieurs niveaux
EI 30 EI 60
Onder Ei, met inbegrip van de vloer van Ei
EI 60
En-dessous Ei, y compris le plancher de Ei
EI 60
Tabel 2.2 - Brandweerstand van verticale binnenwanden 3.4 Plafonds en verlaagde plafonds. 3.4.1 In de evacuatiewegen, de voor het publiek toegankelijke lokalen en de collectieve keukens hebben de verlaagde plafonds EI 30 (a -> b), EI 30 (b -> a) of EI 30 (a b) volgens NBN EN 13501-2 en NBN EN 1364-2 of hebben een stabiliteit bij brand van een 1/2 h volgens NBN 713-020. 3.4.2 De ruimte tussen het plafond en het verlaagd plafond wordt onderbroken door de verlenging van alle verticale wanden waarvoor een brandweerstand is vereist.
Indien de ruimte tussen de vloer en het verlaagd plafond niet is uitgerust met een automatische blusinstallatie, dient deze ruimte derwijze onderbroken te worden door verticale scheidingen E 30 zodat er ruimten ontstaan waarvan de horizontale projectie kan ingeschreven worden in een vierkant van maximum 25 m zijde. 3.5 Gevels 3.5.1 Enkelwandige gevels 3.5.1.1 Scheiding tussen compartimenten De stijlen van het gordijngevelskelet (lichte gevel) worden ter hoogte van elke bouwlaag aan het gebouwskelet bevestigd. Deze bevestigingen moeten R 60 zijn of beschermd R 60 zijn tegen een brand in een onderliggend en naastgelegen compartiment.
De lineaire voeg aan de gevel is dichtgemaakt zodat geen koude rook tussen de gevel en de compartimentswanden kan dringen.
Bovendien heeft de aansluiting van de compartimentswanden met de gevel, met uitzondering van een beperkte lineaire voeg met een breedte van maximaal 20 mm aan de gevel, minstens EI 60 of EI 60 (i -> o). 3.5.1.2 Tegenover elkaar staande gevels en gevels die een tweevlakshoek vormen Als gevels behorende tot verschillende compartimenten tegenover elkaar staan of een scherpe tweevlakshoek vormen, dan bedraagt de afstand (in m) tussen de geveldelen die niet minstens E 30 of E 30 (o->i) hebben, ten minste : h + 5/2 cos alpha waarbij alpha de ingesloten hoek is en h de hoogte van het gebouw in m (zie plaat 2.1). 3.5.2 Dubbelwandige gevels. 3.5.2.1.Dubbelwandige gevel die onderbroken wordt door een compartimentering.
De spouw van de dubbelwandige gevel wordt in het verlengde van elke compartimentswand onderbroken door een element dat minstens E 60 heeft. Dit element beslaat de volledige ruimte begrepen tussen de twee wanden en heeft een minimale lengte van 60 cm te tellen vanaf de binnenwand van de gevel.
Dit element mag openingen bevatten, op voorwaarde dat de continuïteit van de compartimentering door de spouw heen verzekerd wordt door een bij brand zelfsluitende afsluitinrichting met een brandweerstand E 60.
Deze inrichting wordt beproefd in zijn dragende constructie, volgens de richting van de compartimentswand; de sluiting ervan wordt bevolen : - hetzij door een thermische detectie ter hoogte van deze inrichting die reageert bij een temperatuur van maximaal 100 ° C. - hetzij door een rookdetectie in de spouw of in alle compartimenten langs de gevel, die voldoet aan de voorwaarden in punt 3.5.2.3.
Wanneer er openingen zijn tussen de spouw van de dubbelwandige gevel en de binnenomgeving van het gebouw, is enkel een rookdetectie toegelaten in de spouw of in alle compartimenten langs de gevel. Zij voldoet aan de voorwaarden van punt 3.5.2.3. 3.5.2.2 Dubbelwandige gevel zonder compartimentering.
De dubbelwandige gevels zonder compartimentering moeten in overeenstemming zijn met een van de twee hierna opgenomen mogelijkheden. 3.5.2.2.1 Dubbelwandige gevel waarvan de binnenwand brandwerend is.
De buitenwand van de dubbelwandige gevel bestaat tussen de verdiepingen voor minstens 50 % uit bouwelementen zonder specifieke brandweerstand.
De binnenwand heeft : - hetzij, over de volledige hoogte, minstens een vlamdichtheid E 30 (i o); - hetzij afwisselend om de twee bouwlagen minstens een brandweerstand EI 30 (i o). 3.5.2.2.2 Dubbelwandige gevel naar buiten toe open.
De voorschriften voor enkelwandige gevels mogen toegepast worden op de binnenwand wanneer de buitenwand vaste of mobiele ventilatieopeningen bevat die automatisch openen bij brand.
De vaste ventilatieopeningen zijn geplaatst op 30 + 10 graden naar de buitenkant en naar boven toe ten opzichte van de horizontale, gelijkmatig verdeeld over ten minste 50 % van de oppervlakte ervan.
De mobiele ventilatieopeningen voldoen, bij brand, aan dezelfde voorwaarden als de vaste ventilatieopeningen.
De veiligheidsstand van de mobiele lamellen wordt in werking gesteld door een algemene branddetectie-installatie in de compartimenten langs gevels. De automatische bediening moet voldoen aan de voorwaarden voorzien in punt 3.5.2.3. 3.5.2.3 Automatische sluitings-/openingssystemen. 3.5.2.3.1 Bediening De sluiting/opening wordt bevolen door een automatische branddetectie-installatie.
De installatie wordt uitgerust met manuele openings- en sluitingssystemen. De bediening ervan is voorbehouden aan de brandweer. De plaats ervan moet bepaald worden in akkoord met de brandweer. 3.5.2.3.2 Bedrijfszekerheid.
Bij het uitvallen van de normale energiebron (elektrische energie, persluchtnet), zet de detectie-installatie of het bedieningssysteem het sluitings-/openingssysteem in de veiligheidsstand.
Elk gebrek aan energiebron, voeding of elektrische of pneumatische bediening moet automatisch gemeld worden aan de detectiecentrale. 3.5.2.3.3 Werking bij brand in een naburig compartiment.
Wanneer de sluitings-/openingssystemen geen positieve veiligheid hebben, dan moeten de elektrische kabels die het sluitings/openingssysteem verbinden, voldoen aan punt 6.5.2. 4 VOORSCHRIFTEN INZAKE CONSTRUCTIE VAN COMPARTIMENTEN EN EVACUATIERUIMTEN. 4.1 Compartimenten.
De wanden tussen compartimenten hebben minstens de brandweerstand aangegeven in tabel 2.3.
Wanden
Parois
Boven Ei Eén bouwlaagMeerdere bouwlagen
EI 30 EI 60
Au-dessus Ei Un niveauPlusieurs niveaux
EI 30 EI 60
Onder Ei, met inbegrip van de vloer van Ei
EI 60
En-dessous Ei, y compris le plancher de Ei
EI 60
Tabel 2.3 - Brandweerstand van wanden tussen compartimenten.
De verbinding tussen twee compartimenten is slechts toegestaan indien zij geschiedt via een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur EI1 30. 4.2 Binnentrappenhuizen. 4.2.1 Algemeen.
De trappen die verscheidene compartimenten verbinden zijn omsloten. De grondbeginselen van 2 "Compartimentering en evacuatie" zijn erop van toepassing. 4.2.2 Opvatting. 4.2.2.1 De binnenwanden van de trappenhuizen hebben minstens EI 60.
Hun buitenwanden mogen beglaasd zijn indien deze openingen over ten minste 1 m zijdelings afgezet zijn met een element E 30. 4.2.2.2 De trappenhuizen moeten toegang geven tot een evacuatieniveau. 4.2.2.3 Op iedere bouwlaag wordt de verbinding tussen het compartiment en het trappenhuis verzekerd door een deur EI1 30.
Een rechtstreekse verbinding van elke bouwlaag van een duplex met het trappenhuis is niet vereist, op voorwaarde dat : - de totale oppervlakte van het compartiment kleiner is dan of gelijk is aan 300 m2; - de oppervlakte van de bouwlaag van de duplex die rechtstreeks evacueert via het trappenhuis, groter is dan de oppervlakte van de andere bouwlaag van de duplex. 4.2.2.4 Indien verscheidene compartimenten in eenzelfde horizontaal vlak liggen, mogen zij een gemeenschappelijk trappenhuis hebben op voorwaarde dat dit toegankelijk is vanuit elk compartiment via een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur EI1 30. 4.2.2.5 De trappenhuizen die de ondergrondse bouwlagen bedienen, mogen niet rechtstreeks het verlengde zijn van degene die de bouwlagen boven een evacuatieniveau bedienen.
Dit sluit niet uit dat het ene boven het andere mag liggen, mits volgende voorwaarden : 1. de wanden die ze scheiden hebben EI 60.2. de toegang tot ieder trappenhuis geschiedt via een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur EI1 30. 4.2.2.6 Bovenaan elk binnentrappenhuis zit een verluchtingsopening met een doorsnede van minimum 1 m2 en die uitmondt in de open lucht. Deze opening is normaal gesloten; voor het openen gebruikt men een handbediening die goed zichtbaar geplaatst is op het evacuatieniveau.
Deze eis geldt niet voor trappenhuizen tussen evacuatieniveau en ondergrondse bouwlagen.
Indien trappenhuizen maximaal twee bovengrondse verdiepingen, met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 300 m2, met het evacuatieniveau verbinden, mag de oppervlakte van de verluchtingsopening beperkt worden tot 0,5 m2.
Indien het trappenhuis door de aanwezigheid van een duplex bovenaan het gebouw niet alle bouwlagen bedient, wordt de verluchtingsopening met het trappenhuis verbonden aan de hand van een koker waarvan de doorsnede minstens gelijk is aan de oppervlakte vereist voor de verluchtingsopening. 4.2.3 Trappen. 4.2.3.1 Constructiebepalingen.
De trappen hebben de volgende kenmerken : 1. evenals de overlopen hebben zij R 30 of zijn op dezelfde manier ontworpen als een betonplaat met R 30;2. zij zijn aan beide zijden uitgerust met leuningen.Voor de trappen met een nuttige breedte, kleiner dan 1,20 m, is één leuning voldoende, voor zover er geen gevaar is voor het vallen; 3. de aantrede van de treden is in elk punt ten minste 20 cm;4. de optrede van de treden mag niet meer dan 18 cm bedragen;5. hun helling mag niet meer dan 75 % bedragen (maximale hellingshoek 37° );6. zij zijn van het "rechte" type.Maar, "wenteltrappen" worden toegestaan zo ze verdreven treden hebben en zo hun treden, naast de hiervoor vermelde vereisten, (met uitzondering van voornoemd punt 3,) ten minste 24 cm aantrede hebben op de looplijn. 4.2.3.2 Nuttige breedte van traparmen, overlopen en sassen.
Deze nuttige breedte is ten minste gelijk aan 0,80 m en bereikt ten minste de vereiste nuttige breedte br berekend volgens bijlage 1 "Terminologie".
De traparmen en de overlopen der trappenhuizen van één zelfde compartiment mogen in hun nuttige breedte niet meer dan één doorgangseenheid verschillen.
Bevat een compartiment lokalen met speciale bestemming dan wordt de theoretische nuttige trapbreedte (volgens bijlage 1 "Terminologie") op basis van hun aantal gebruikers slechts berekend over de hoogte tussen dit compartiment en het evacuatieniveau. 4.3 Buitentrappenhuizen.
Buitentrappen moeten toegang geven tot een evacuatieniveau.
De voorschriften van 4.2.3 zijn er op van toepassing met nochtans de volgende afwijking : er wordt geen stabiliteit bij brand vereist, maar het materiaal behoort tot klasse A1.
De verbinding tussen het compartiment en een buitentrap gebeurt : - hetzij via een deur; - hetzij via (een) vluchtterras(sen).
Voor de verbinding tussen het evacuatieniveau en de onmiddellijk hoger gelegen bouwlaag mag echter een trap of gedeelte van trap aangewend worden die inschuifbaar of geleed is. 4.4 Evacuatiewegen en vluchtterrassen. 4.4.1 Algemene voorschriften 4.4.1.1 Geen enkel punt van een compartiment mag zich verder bevinden dan : a) voor lokalen met uitsluitend dagbezetting : - 30 m van de evacuatieweg die de trappen of uitgangen verbindt; - 45 m van de toegang tot de dichtstbijzijnde trap of uitgang; - 80 m van de toegang tot een tweede trap of uitgang. b) voor lokalen of geheel van lokalen met nachtbezetting : - 20 m van de evacuatieweg die de trappen of uitgangen verbindt; - 30 m van de toegang tot de dichtstbijzijnde trap of uitgang; - 60 m van de toegang tot een tweede trap of uitgang.
De lengte van doodlopende evacuatiewegen mag niet meer dan 15 m bedragen.
De nuttige breedte van de evacuatiewegen, vluchtterrassen en van hun toegangs-, uitgangs- of doorgangsdeuren is groter dan of gelijk aan de vereiste nuttige breedte (zie bijlage 1 "Terminologie"). Zij bedraagt ten minste 0,80 m voor de evacuatiewegen en de deuren, en ten minste 0,60 m voor de vluchtterrassen.
In een compartiment gaat de verbinding tussen en naar de trappen via evacuatiewegen of over vluchtterrassen.
De bepalingen van dit punt zijn niet van toepassing op parkeergebouwen (zie 5.2). 4.4.1.2 De uitgangen leiden naar buiten of naar een ander comparti-ment.
De in open lucht af te leggen weg speelt geen rol bij het berekenen van deze afstanden.
De deuren op deze wegen mogen geen vergrendeling bezitten die de evacuatie kan belemmeren.
De eventuele verticale binnenwanden van de evacuatiewegen hebben EI 30 en de toegangsdeuren tot deze wegen EI1 30.
Deze vereiste geldt niet voor compartimenten met uitsluitend dagbezetting waarvan de oppervlakte geen 1250 m2 bereikt.
De evacuatie van lokalen of een geheel van lokalen met nachtbezetting gebeurt via evacuatiewegen waarvan de verticale wanden EI 30 en de deuren EI1 30 hebben.
Deze eis is niet van toepassing voor de evacuatie van deze lokalen indien deze behoren bij de uitbating van een gebouw met een commerciële functie. 4.4.2 Op een evacuatieniveau Op een evacuatieniveau mogen geen uitstalramen van bouwdelen met een commerciële functie, die geen EI 30 hebben, uitgeven op de evacuatieweg die de uitgangen van andere bouwdelen verbindt met de openbare weg, met uitzondering van de laatste 3 m van deze evacuatieweg. 4.5 Signalisatie.
Het volgnummer van elke bouwlaag wordt duidelijk aangebracht op de overlopen en in de vluchtruimten bij trappenhuizen en liften.
De aanduiding van de uitgangen en nooduitgangen dient te voldoen aan de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk. 5 CONSTRUCTIEVOORSCHRIFTEN VOOR SOMMIGE LOKALEN EN TECHNISCHE RUIMTEN. 5.1 Technische lokalen en ruimten. 5.1.1 Algemeen.
Een technisch lokaal of een geheel van technische lokalen vormt een compartiment. Dit compartiment kan over verscheidene opeenvolgende bouwlagen reiken.
Voor de technische lokalen gelden de voorschriften inzake de compartimenten mits volgende wijzigingen : 1. toegang tot twee uitgangen die leiden : - hetzij naar een aanpalend compartiment via een deur EI1 30; - hetzij naar een trappenhuis via een deur EI1 30; - hetzij naar buiten, derwijze dat een evacuatieniveau bereikbaar is; 2. afwijkend van 4.4.1 mag geen enkel punt van het compartiment zich verder bevinden dan : - 45 m van de weg die in het technisch compartiment de twee uitgangen verbindt; - 60 m van de dichtstbijzijnde uitgang; - 100 m van de tweede uitgang;
Indien nochtans de oppervlakte van het technische compartiment niet groter is dan 1 000 m2, volstaat één uitgang naar een trappenhuis, naar buiten of naar een ander compartiment. In dit geval mag de af te leggen weg naar deze uitgang niet groter zijn dan 60 m; 3. Indien de hoogte van het technisch compartiment over verscheidene opeenvolgende bouwlagen (zie 2.1) reikt en indien het meerdere dienstvloeren omvat die verbonden zijn door trappen of ladders : - indien de compartimentsoppervlakte kleiner is dan 1 000 m2, dan volstaat één toegang tot een trappenhuis, naar buiten of naar een ander compartiment om de twee dienstvloeren, beginnend met de laagste; - indien de compartimentsoppervlakte groter is dan 1 000 m2, dan moet elke dienstvloer toegang v …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.