← België

Koninklijk besluit betreffende de mededinging in het raam van de Europese Unie van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten in de secto

Kort samengevat

Dit Koninklijk besluit regelt de mededinging voor bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten binnen de sectoren water, energie, vervoer en postdiensten in het kader van de Europese Unie. Het voert titel IV van de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006 uit.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
24 JUNI 2013. - Koninklijk besluit betreffende de mededinging in het raam van de Europese Unie van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten in de sectoren water, energie, vervoer en postdiensten VERSLAG AAN DE KONING Sire, De wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006, hierna « de wet » genoemd, heeft tot doel de gehele wetgeving te hervormen die tot op heden gebaseerd is op de wet van 24 december 1993 en op diverse koninklijke besluiten. Zoals opgemerkt tijdens de parlementaire voorbereiding, beoogt de nieuwe wet ook de omzetting van de meeste niet-dwingende bepalingen van de Europese Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG van 31 maart 2004. De dwingende bepalingen van de bedoelde richtlijn en werden reeds omgezet middels een aanpassing van de wet van 24 december 1993 en haar uitvoeringsbesluiten. Dit ontwerp van koninklijk besluit zorgt voor de uitvoering van titel IV van de wet, die van toepassing is op de opdrachten van de aanbestedende entiteiten in de sectoren water, energie, vervoer en postdiensten. Het handelt evenwel niet over de overheidsopdrachten van de aanbestedende overheden en van de overheidsbedrijven in dezelfde sectoren (uitgezonderd artikel 68 van dit ontwerp), noch de overheidsopdrachten en de concessies voor openbare werken in de klassieke sectoren, die het voorwerp uitmaken van afzonderlijke besluiten. Het ontwerp bevat evenmin de specifieke voorschriften die van toepassing zijn op de defensieopdrachten zoals bedoeld in Richtlijn 2009/81/EG van 13 juli 2009 en in de wet van 13 augustus 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/08/2011 pub. 01/02/2012 numac 2011021082 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied type wet prom. 13/08/2011 pub. 27/07/2012 numac 2012000427 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied. - Duitse vertaling sluiten. Dit ontwerp van koninklijk besluit beoogt een totale omvorming van het koninklijk besluit van 18 juni 1996. Hoofdstuk 1 bevat de algemene bepalingen, met name de definities van de in het besluit gebruikte termen, alsook bepalingen betreffende het toepassingsgebied, de marktverkenning, de communicatiemiddelen, de technische specificaties en normen, de varianten en de percelen, de verplichtingen inzake belastingen, milieubescherming, arbeidsbescherming en arbeidsvoorwaarden en prijsonderzoek. Hoofdstuk 2 is gewijd aan de regels omtrent de raming van de opdrachtbedrag. Hoofdstuk 3 groepeert alle bepalingen inzake bekendmaking. Hoofdstuk 4 omvat de regels inzake de indiening van de aanvragen tot deelneming en de offertes. Hoofdstuk 5 omvat de voorschriften inzake toegangsrecht en kwalitatieve selectie. Hoofdstuk 6 behandelt de gunning bij onderhandelingsprocedure. Hoofdstuk 7 groepeert de voorschriften betreffende de specifieke of aanvullende opdrachten en procedures, namelijk het dynamisch aankoopsysteem, de elektronische veiling en de ontwerpenwedstrijd. TITEL 3, die artikel 68 omvat, zorgt voor de uitvoering van artikel 72 van de wet, betreffende de activiteiten van overheidsbedrijven die geen betrekking hebben op hun taken van openbare dienst als bedoeld in een wet, een decreet of een ordonnantie maar wel bedoeld zijn in Richtlijn 2004/17/EG. Hetzelfde geldt voor de opdrachten van aanbestedende overheden die betrekking hebben op de productie van elektriciteit. TITEL 4 bevat de slotbepalingen. Ten slotte wordt erop gewezen dat met het woord « of » in dit ontwerp « en/of » wordt bedoeld. Voor een overzicht van de artikelen wordt verwezen naar de onderstaande inhoudstafel. Inhoudstafel TITEL 1 - Inleidende bepaling . . . . . Art. 1 TITEL 2 - Opdrachten geplaatst door privéondernemingen Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen Afdeling 1 - Definities . . . . . Art. 2 Afdeling 2 - Toepassingsgebied . . . . . Art. 3 Afdeling 3 - Marktverkenning . . . . . Art. 4 Afdeling 4 - Communicatiemiddelen . . . . . Art. 5 Afdeling 5 - Technische specificaties en normen . . . . . Art. 6 tot 8 Afdeling 6 - Varianten en percelen . . . . . Art. 9 en 10 Afdeling 7 - Beroep op draagkracht van derden . . . . . Art 11 Afdeling 8 - Verplichtingen inzake belastingen, milieubescherming, arbeidsbescherming en arbeidsvoorwaarden en prijsonderzoek . . . . . Art. 12 en 13 Hoofdstuk 2 - Raming opdrachtbedrag . . . . . Art. 14 tot 18 Hoofdstuk 3 - Bekendmaking Afdeling 1 - Algemene bekendmakingsregels . . . . . Art. 19 tot 21 Afdeling 2 - Europese drempels . . . . . Art. 22 en 23 Afdeling 3 - Europese bekendmaking . . . . . Art. 24 tot 31 Hoofdstuk 4 - Indiening aanvragen tot deelneming en offertes Afdeling 1 - Termijnen - Algemene bepalingen . . . . . Art. 32 tot 34 Afdeling 2 - Termijnen voor de bekendmaking . . . . . Art. 35 en 36 Afdeling 3 - Uitnodiging geselecteerden tot indiening offerte . . . . . Art. 37 Afdeling 4 - Indieningsrecht en -wijze aanvragen tot deelneming en offertes . . . . . Art. 38 tot 40 Hoofdstuk 5 - Selectie kandidaten en inschrijvers - Toegangsrecht en kwalitatieve selectie Afdeling 1 - Algemene bepalingen . . . . . Art. 41 en 42 Afdeling 2 - Toegangsrecht . . . . . Art. 43 en 44 Afdeling 3 - Kwalitatieve selectie . . . . . Art. 45 tot 47 Hoofdstuk 6 - Gunning bij onderhandelingsprocedure . . . . . Art. 48 tot 50 Hoofdstuk 7 - Specifieke of aanvullende opdrachten en procedures Afdeling 1 - Dynamisch aankoopsysteem . . . . . Art. 51 tot 55 Afdeling 2 - Elektronische veiling . . . . . Art. 56 tot 61 Afdeling 3 - Ontwerpenwedstrijd Onderafdeling 1 - Toepassingsvoorwaarden en jury . . . . . Art. 62 tot 64 Onderafdeling 2 - Raming en bekendmaking . . . . . Art. 65 tot 67 TITEL 3 - Opdrachten geplaatst door bepaalde overheidsbedrijven of inzake de productie van elektriciteit . . . . . Art. 68 TITEL 4 - Slotbepalingen . . . . . Art. 69 tot 72 In dit ontwerp is grotendeels gevolg geven aan de opmerkingen geformuleerd door de Raad van State in zijn advies 53.175/1 van 22 mei 2013. Wat betreft de opmerkingen van de Raad van State waaraan geen gevolg is gegeven, worden in de commentaar bij de kwestieuze artikelen telkens de beweegredenen hiervoor uiteengezet. Inzake de algemeen - terminologische - opmerking van de Raad van State, inzonderheid wat betreft de blijvende inconsequenties in het gebruik van de begrippen 'plaatsing', 'gunning' en 'sluiting' in de Nederlandse tekst en de overeenkomstige noties 'passation', 'attribution' en 'conclusion' in de Franse tekst, zijn de nodige bijkomende aanpassingen doorgevoerd. Evenwel, overeenkomstig de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006, zoals gewijzigd bij de wet van 5 augustus 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/08/2011 pub. 29/08/2011 numac 2011021079 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet tot wijziging van artikel 80 van de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006 type wet prom. 05/08/2011 pub. 29/08/2011 numac 2011021078 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet tot wijziging van de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006 sluiten, is ervoor geopteerd de bedoelde begrippenopdeling niet door te trekken naar de benaming van de procedures. Immers, de noties 'gunningsprocedure' en 'gunningswijze' zijn niet alleen sterk ingeburgerd, maar de koppeling van de noties 'gunning' en 'procedure' is ook logisch vanuit de optiek dat de verschillen tussen de procedures net liggen in de manier waarop de beslissing over de keuze van de offerte zal gebeuren, waarmee dus wordt verwezen naar de gunning van de opdracht. Wat betreft de opmerking in verband met de effectbeoordeling wordt het in de vrijstelling ingeroepen formeel karakter van de tekst bevestigd. TITEL 1. - Inleidende bepaling Artikel 1.Artikel 1 verwijst naar de Richtlijn 2004/17/EG van 31 maart 2004. Het ontwerp zorgt voor de omzetting van sommige bepalingen van deze richtlijn, in de mate dat deze nog niet werden omgezet door de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/2006 pub. 15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten sluiten. TITEL 2. - Opdrachten geplaatst door privéondernemingen HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen Afdeling 1. - Definities Art. 2.Paragraaf 1 van dit artikel bevat de definities van in de wet en in dit ontwerp van koninklijk besluit gebruikte begrippen. Een dergelijk artikel is niet opgenomen in het koninklijk besluit van 18 juni 1996. De bepaling onder 2° verwijst voor het begrip « aanbestedende entiteit » naar artikel 2, 3°, van de wet. Het in de bepaling onder 3° omschreven begrip « opdracht » omvat alle soorten opdrachten, overeenkomsten en wedstrijden als bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de wet. Deze definitie heeft tot doel herhaalde opsommingen te vermijden die de tekst nodeloos zouden verzwaren. De bepaling onder 4° tot 8° definiëren de technische specificaties, de norm, de Europese technische goedkeuring, de gemeenschappelijke technische specificaties en het technisch referentiekader. Deze begrippen zijn terug te vinden in bijlage XXI van Richtlijn 2004/17/EG. Deze definities blijven ongewijzigd ten opzichte van deze vermeld in het koninklijk besluit van 18 juin 1996. De bepaling onder 9° verwijst naar Uitvoeringsverordening (EG) nr. 842/2011 van de Commissie van 19 augustus 2011 tot vaststelling van standaardformulieren voor de bekendmaking van aankondigingen op het gebied van overheidsopdrachten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1564/2005. Er wordt dienaangaande verwezen naar de commentaar van artikel 31. De bepalingen onder 10° (variante) en 11° (optie) zijn toegevoegd ingevolge de opmerking van punt 14 van het advies van de Raad van State. Paragraaf 2 van artikel 2 bepaalt dat elk bedrag vermeld in het ontwerp steeds zonder belasting over de toegevoegde waarde is. Deze verduidelijking heeft als bedoeling om de tekst van het besluit niet nodeloos te verzwaren. Afdeling 2. - Toepassingsgebied Art. 3.Dit artikel bepaalt in zijn eerste lid het toepassingsveld ratione materiae van het ontwerp dat betrekking heeft op de opdrachten die onder titel IV van de wet vallen. Het tweede lid bevat een bepaling die vergelijkbaar is met die vervat in artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 juni 1996. De bijlage 1 van dit besluit vervat een niet-limitatieve lijst van aanbestedende entiteiten als bedoeld in artikel 2, 3°, van de wet. Zoals vermeld in de memorie van toelichting tracht deze lijst zo volledig mogelijk te zijn. Nochtans kan het voorkomen dat personen die beantwoorden aan de definitie van aanbestedende entiteit, niet in de lijst zijn opgenomen. Deze personen zijn niettemin aan de toepassing van de wetgeving onderworpen. Omgekeerd zal een persoon die in de lijst voorkomt maar die niet langer beantwoordt aan de definitie van aanbestedende entiteit, niet meer onderworpen zijn. Afdeling 3. - Marktverkenning Art. 4.Artikel 4 van het ontwerp dat een marktverkenning toelaat, vormt een nieuwe bepaling waarvan het principe vermeld is in de overweging 15 van Richtlijn 2004/17/EG. Deze bepaling erkent de geldigheid van de praktijk waarbij de aanbestedende entiteiten de evolutie van de producten en technieken op de markt volgen. Deze marktverkenning moet plaatsvinden vóór het uitschrijven van de gunningsprocedure en mag ook niet leiden tot enige vorm van vooronderhandelingen met bepaalde ondernemingen. Een dergelijke marktverkenning mag bovendien niet tot een verhindering of vertekening van de mededinging leiden, wat met name het geval kan zijn indien de technische specificaties van een opdracht een fabrikaat of een techniek zouden vermelden welke specifiek betrekking heeft op een bepaalde onderneming, wat in strijd zou zijn met artikel 8, § 2, eerste lid, van het ontwerp. Afdeling 4. - Communicatiemiddelen Art. 5.Artikel 5 zorgt voor de gedeeltelijke uitvoering van artikel 58 van de wet betreffende de communicatiemiddelen. Deze bepaling moet eveneens in verband worden gebracht met de definities van schriftelijk stuk en elektronisch middel vervat in de wet, alsook met de bepalingen van artikel 40 van dit ontwerp betreffende het gebruik van elektronische middelen voor het indienen van aanvragen tot deelneming of offertes. Artikel 5, § 1, bepaalt net zoals artikel 19ter van het koninklijk besluit van 18 juni 1996 en artikel 48. 3, van Richtlijn 2004/17/EG verduidelijkt dat, ongeacht of elektronische middelen worden gebruikt, de mededeling, uitwisseling en opslag van informatie zodanig moeten plaatsvinden dat de integriteit van de gegevens en de vertrouwelijkheid van de offertes en van de aanvragen tot deelneming gewaarborgd worden en dat de aanbestedende entiteit pas bij het verstrijken van de voorziene termijn kennisneemt van de inhoud ervan. Paragraaf 2 van artikel 5 bepaalt vervolgens het gevolg dat moet worden gegeven aan een schriftelijk stuk dat met elektronische middelen is opgesteld en dat in de ontvangen versie een macro, een computervirus of een andere schadelijke instructie vertoont. Het is mogelijk dat de ontvangen versie door de bestemmeling in een veiligheidsarchief wordt opgenomen. Indien zulks technisch noodzakelijk is, wordt het document als niet ontvangen beschouwd en wordt de afzender van het schriftelijk stuk hiervan onmiddellijk op de hoogte gebracht. De bestemmeling kan eveneens beslissen het bewuste document te aanvaarden, indien hij meent het zonder risico te kunnen lezen of desinfecteren, teneinde niet enkel zijn computersysteem, maar ook de integriteit van dat document te vrijwaren. De bestemmeling die een dergelijke verrichting overweegt, moet zich ervan vergewissen dat hierdoor de inhoud van het document niet zal worden gewijzigd. De bestemmeling is verantwoordelijk voor de eindbeslissing en moet erop toezien dat het gelijkheidsbeginsel wordt nageleefd. Indien het document een aanvraag tot deelneming of een offerte is, is de aanpak evenwel anders. Indien zulks technisch noodzakelijk is, kan de aanvraag tot deelneming of de offerte geweerd worden overeenkomstig artikel 40, § 1, 2°. De selectie- of de gunningsbeslissing moet de verwerping motiveren. Wanneer het ontvangstsysteem van de offertes de macro of de infectie ontdekt, mag de aanbestedende entiteit de kandidaat of inschrijver hiervan niet onmiddellijk in kennis stellen. De kandidaten of inschrijvers in kwestie mogen immers niet de kans krijgen om alsnog een schriftelijk stuk in te dienen dat aan de voorschriften voldoet en hun aanvraag tot deelneming of offerte te regulariseren, aangezien de gelijke behandeling van de concurrenten die een papieren gegevensdrager of klassieke transmissietechnieken gebruiken, hierdoor in het gedrang zou komen. De informatie zal gebeuren volgens de op dat vlak toepasselijke bepalingen Paragraaf 3 bepaalt dat de aanbestedende entiteit het gebruik van elektronische middelen kan toestaan voor de verzending van andere schriftelijke stukken dan de aanvragen tot deelneming of de offertes, zoals bijvoorbeeld verduidelijkingen of prijsverantwoordingen. Dezelfde regel is toepasselijk voor de kandidaten of inschrijvers. Het tweede lid van paragraaf 3 voegt hieraan toe dat wanneer een bepaling van het besluit vermeldt dat een verzending aangetekend moet plaatsvinden of worden bevestigd, dit zowel met een fysieke aangetekende brief als met een elektronische aangetekende zending, zij het telkens met ontvangstmelding kan gebeuren. De aangetekende verzending moet een bewijs leveren van de volgende elementen : - de identiteit van afzender en bestemmeling; - het feit van de verzending van het bericht evenals de datum en het tijdstip van verzending; - de ontvangst van het bericht door de bestemmeling en de datum en het tijdstip van ontvangst; - de inhoud van het bericht in het geval van een elektronische aangetekende zending. Afdeling 5. - Technische specificaties en normen Art. 6.Dit artikel heeft betrekking op de technische specificaties als bedoeld in artikel 71 van de wet en met name ook in de artikelen 20 et 21, §§ 1 tot 5, van het koninklijk besluit van 18 juni 1996 en in bijlage XXI van Richtlijn 2004/17/EG. Artikel 2, 4° tot 8°, van dit ontwerp bevat een definitie van deze specificaties. Zoals artikel 20, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 18 juni 1996, bepaalt paragraaf 1 van artikel 6 dat de aanbestedende entiteit de technische specificaties opneemt in de opdrachtdocumenten. Artikel 34.1, alsook overweging 42 van Richtlijn 2004/17/EG gaan nader in op een bekommernis die zeer ruim geformuleerd is op Europees niveau. Ze betreft het in overweging nemen van toegankelijkheidscriteria in de technische specificaties, teneinde rekening te houden met de behoeften van alle gebruikers, met inbegrip van personen met een handicap. De paragrafen 2 tot 5 behandelen de technische specificaties, de formulering ervan, het aantonen van de overeenstemming met de voorschriften van de technische specificaties, naargelang ze werden aangegeven door verwijzing naar normen of functionele eisen, en het voorschrijven van milieukenmerken. De overweging 42 van de richtlijn luidt als volgt : « De door aankopers opgestelde technische specificaties moeten de openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging mogelijk maken; daartoe moet het mogelijk zijn inschrijvingen in te dienen waarin de diversiteit van de technische oplossingen tot uiting komt. Te dien einde moeten enerzijds de technische specificaties kunnen worden opgesteld in termen van prestaties en functionele eisen en moeten anderzijds, bij verwijzing naar de Europese - of bij ontstentenis daarvan naar de nationale - norm, inschrijvingen op basis van andere gelijkwaardige oplossingen die voldoen aan de voorschriften van de aanbestedende diensten en die qua veiligheid gelijkwaardig zijn, door de aanbestedende diensten in overweging worden genomen. Om de gelijkwaardigheid aan te tonen, moeten de inschrijvers elk bewijsmiddel kunnen gebruiken. De aanbestedende diensten moeten iedere beslissing dat er geen sprake is van gelijkwaardigheid, kunnen motiveren. Aanbestedende diensten die in de technische specificatie van een bepaalde opdracht milieueisen wensen op te nemen, kunnen de milieukenmerken en/of het milieueffect van specifieke productgroepen of diensten voorschrijven. Zij kunnen, zonder dat daartoe een verplichting bestaat, de passende specificaties gebruiken die zijn omschreven in milieukeuren, zoals de Europese milieukeur, (pluri-)nationale milieukeuren of een andere milieukeur indien de vereisten voor de keur zijn ontwikkeld en aangenomen op grond van wetenschappelijke gegevens via een proces waaraan de betrokkenen, zoals regeringsinstanties, consumenten, fabrikanten, kleinhandel en milieuorganisaties, kunnen deelnemen en indien de keur toegankelijk en beschikbaar is voor alle betrokken partijen. De aanbestedende diensten moeten, indien mogelijk, technische specificaties vaststellen die rekening houden met de toegankelijkheidscriteria voor gehandicapten of een voor alle gebruikers geschikt ontwerp. De technische specificaties moeten duidelijk worden aangegeven, zodat alle inschrijvers weten waarop de door de aanbestedende dienst gestelde eisen betrekking hebben. » Een toepassingsvoorbeeld van dergelijke technische specificaties kan ondermeer worden gevonden in de omzendbrief P&O/DO/1 van 27 januari 2005 betreffende de implementatie van het duurzame ontwikkelingsbeleid bij de overheidsopdrachten van leveringen gelanceerd door aanbestedende overheden van de federale overheid die behoren tot de klassieke sectoren (Belgisch Staatsblad van 4 februari 2005). Art. 7.Dit artikel stemt overeen met artikel 22 van het koninklijk besluit van 18 juni 1996, betreffende de mededeling door de aanbestedende entiteit van de technische specificaties die in de regel bedoeld worden in haar opdrachten of waarnaar zij wil verwijzen in haar opdrachten. Art. 8.Paragraaf 1 van dit artikel stemt overeen met artikel 21, § 1, eerste lid van het koninklijk besluit van 18 juni 1996 en zorgt voor de omzetting van artikel 34, 2, van Richtlijn 2004/17/EG dat herinnert aan het principe dat de technische specificaties de inschrijvers gelijke toegang moeten bieden en niet tot ongerechtvaardigde belemmeringen voor de mededinging mogen leiden. Paragraaf 2 bevat in een aangepaste vorm, de bepalingen van artikel 21, § 6, van het koninklijk besluit van 18 juin 1996 en zorgt voor de omzetting van artikel 34, 8, van de Richtlijn 2004/17/EG. Deze bepaling verbiedt de invoering van technische specificaties die producten vermelden van een bepaald fabrikaat of een bepaalde herkomst of van een bijzondere werkwijze, of die verwijzen naar een merk, een octrooi, een bepaalde oorsprong of een bepaalde productie waardoor bepaalde ondernemingen kunnen worden bevoordeeld of geëlimineerd. Een dergelijke verwijzing is slechts uitzonderlijk toegestaan, hetzij wanneer het voorwerp van de opdracht dit rechtvaardigt (bijvoorbeeld voor de aankoop van wisselstukken die, om technische redenen, van een bepaald merk moeten zijn of in geval van een wereldmonopolie), hetzij wanneer een voldoende nauwkeurige en duidelijke beschrijving van het voorwerp van de opdracht conform artikel 6, §§ 2 en 3 niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de vermelding of verwijzing vergezeld gaan van de woorden « of gelijkwaardig » (cf. in dat verband m.n. het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 24 januari 1995, zaak C-359/93, Commissie van de Europese Gemeenschappen versus Koninkrijk der Nederlanden en de beschikking van het Hof van 3 december 2001, zaak C-59/00, Bent Mousten Vestergaard versus SpOttrup Boligslkab). In dit verband kan ook worden verwezen naar de omzendbrief van de Eerste Minister van 23 juni 2004 betreffende het verbod om in de bepalingen van een opdracht technische specificaties op te nemen die het gewone verloop van de mededinging beperken of uitsluiten (Belgisch Staatsblad van 25 juni 2004) alsook naar de omzendbrief van de Eerste Minister van 8 december 2006 betreffende de technische specificaties van microprocessoren in het kader van federale informaticaopdrachten (Belgisch Staatsblad van 15 december 2006). Afdeling 6. - Varianten en percelen Art. 9.Het eerste lid van artikel 9 zorgt voor de omzetting van artikel 36,1, van Richtlijn 2004/17/EG. Wanneer de opdracht aan de economisch voordeligste offerte moet worden gegund, zijn er volgens dit lid twee voorwaarden om varianten in aanmerking te kunnen nemen. Enerzijds moet de aanbestedende entiteit in de aankondiging en eventueel in de andere opdrachtdocumenten vermelden of zij de indiening van varianten toestaat. Zo niet zijn ze niet toegestaan en moeten ze gewoon worden afgewezen, aangezien enkel de basisofferte in aanmerking wordt genomen. Anderzijds moet zij de minimumeisen bepalen waaraan deze varianten moeten voldoen (ze kan bijvoorbeeld vermelden dat een variante betrekking mag hebben op een bepaald technisch aspect van de geplande opdracht). Aan deze laatste voorwaarde kan worden voldaan door in het algemeen te verwijzen naar de minimumeisen in de opdrachtdocumenten. De aanbestedende entiteit kan beslissen een variante niet in aanmerking te nemen. Ze moet haar beslissing evenwel motiveren op basis van bijvoorbeeld technische elementen of andere factoren zoals de prijs, de financiële verplichtingen of de uitvoeringstermijnen. Het tweede lid bevat een bepaling die opgenomen is in artikel 36, 2, van Richtlijn 2004/17/EG, alsook in artikel 22, § 3, van het koninklijk besluit van 18 juni 1996. Volgens deze bepaling mag een variante niet worden afgewezen enkel omwille van het feit dat, indien de aanbestedende entiteit ze zou aanvaarden, een opdracht voor diensten een opdracht voor leveringen zou worden of omgekeerd. Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn voor een opdracht betreffende de ontwikkeling van software via een opdracht voor diensten, terwijl een concurrent als variante een softwarepakket zou indienen dat voldoet aan de eisen van de aanbestedende entiteit. Art. 10.Deze bepaling betreffende de opdrachten in percelen is nieuw. Ze vermeldt dat de opdrachtdocumenten de aard en het voorwerp van de percelen, de verdeling en de kenmerken ervan moeten bepalen. Deze verduidelijking moet de inschrijvers de mogelijkheid bieden om, met kennis van zaken, een of meer percelen te kiezen waarvoor ze een offerte wensen in te dienen. Afdeling 7. - Beroep op draagkracht van derden Art. 11.Dit artikel voorziet in de omzetting van artikel 37 van Richtlijn 2004/17/EG. Krachtens paragraaf 1, eerste lid van dit artikel kan de inschrijver worden verzocht om in zijn offerte te vermelden voor welke gedeelte van de opdracht hij voornemens is een beroep te doen op de draagkracht van andere entiteiten als bedoeld in artikel 45 en welke entiteiten hij voorstelt. Aldus wordt een verband gelegd met artikel 45 betreffende de mogelijkheid om rekening te houden met de draagkracht van andere entiteiten in het kader van de kwalitatieve selectie. Deze mogelijkheid impliceert niet alleen dat deze entiteit zich ertoe verbindt haar draagkracht ter beschikking te stellen van de inschrijver maar ook dat de aanbestedende entiteit in rechte en in feite nagaat of deze draagkracht werkelijk voorhanden is. Het tweede lid van paragraaf 1 maakt een onderscheid tussen het geval waarin de procedure één enkele fase omvat en dat waarin ze twee fasen omvat. Paragraaf 2 is het logische gevolg van paragraaf 1, tweede lid, 2°. Hij bepaalt dat de aanbestedende entiteit, bij een procedure in twee fasen, opnieuw nagaat of de voorgestelde entiteiten nog over voldoende draagkracht beschikken. Afdeling 8. - Verplichtingen inzake belastingen, milieubescherming, arbeidsbescherming en arbeidsvoorwaarden en prijsonderzoek Art. 12.Dit artikel bevat een bepaling die vergelijkbaar is met die vervat in artikel 22bis van het koninklijk besluit van 18 juni 1996, die artikel 39 van Richtlijn 2004/17/EG omzet en die de verplichtingen inzake fiscaliteit, milieubescherming, arbeidsbescherming en arbeidsvoorwaarden betreft. Art. 13.Dit artikel betreffende het prijsonderzoek herneemt de voorschriften van artikel 16 van het koninklijk besluit van 18 juni 1996. Krachtens het eerste lid van dit artikel moeten de inschrijvers op verzoek van de aanbestedende entiteit alle nodige inlichtingen verstrekken om het prijsonderzoek mogelijk te maken, en dit ongeacht de gunningsprocedure. Hierbij moet worden opgemerkt dat het niet-limitatief karakter van de in het derde lid opgesomde verantwoordingen die in aanmerking kunnen worden genomen om het normale karakter van een prijs aan te tonen, thans wordt bevestigd door de woorden met name'. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (arrest van 27 november 2001, C-286/99, Sciaudone) en de Raad van State (RvS, arrest nr. 100.084 van 23 oktober 2001) hebben evenwel geoordeeld dat de verantwoordingen in de reglementering niet limitatief zijn. Teneinde te vermijden dat de inschrijvers ongegronde verantwoordingen zouden indienen, kan de aanbestedende entiteit overeenkomstig het eerste lid steeds een prijsanalyse eisen om het normale karakter van de prijs te beoordelen. Ten slotte kan de inschrijver zich ter verantwoording van zijn prijs niet beperken tot een verwijzing naar de prijs van een onderaannemer, vermeerderd met een winstmarge. In dat geval dient de inschrijver de prijs van de onderaannemer te verantwoorden. Indien de aanbestedende entiteit voor een bepaalde prijs reeds over de nodige inlichtingen beschikt op grond van het eerste lid, dient ze het derde lid vanzelfsprekend niet meer na te leven voor de prijs in kwestie. Het vijfde lid neemt in gewijzigde vorm de tekst over van paragraaf 2 van artikel 16 van het koninklijk besluit van 18 juni 1996. De nieuwe bepaling heeft een minder ruime toepassing doordat ze voortaan de opdrachten voor diensten van de bijlage II, B, van de wet niet meer omvat en dit ongeacht de gevolgde gunningswijze. HOOFDSTUK 2. - Raming opdrachtbedrag Art. 14.Dit artikel betreffende de raming van het opdrachtbedrag, groepeert enkele bepalingen van artikel 17 van Richtlijn 2004/17/EG en van artikel 3 van het koninklijk besluit van 18 juni 1996. Het eerste lid van artikel 14 herinnert aan een algemene regel volgens dewelke de raming van het opdrachtbedrag gebaseerd is op de totale duur en waarde van de opdracht. Hierin zijn begrepen alle verplichte opties, percelen, herhalingen als bedoeld in artikel 66, § 2, 3°, van de wet en alle gedeelten. Wanneer voor de oorspronkelijke opdracht is voorzien in één of meer verlengingen, zal de totale geraamde duur van de opdracht in principe maximaal 4 jaar kunnen bedragen. In dat geval geldt immers de regel dat de duur van opdracht beperkt dient te blijven tot vier jaar na het sluiten van de opdracht. Moeten eveneens in aanmerking worden genomen, alle voor de totale duur van een raamovereenkomst of dynamisch aankoopsysteem geplande opdrachten, alsook het prijzengeld en de betalingen aan de deelnemers. Bijgevolg moet de raming rekening houden met alle elementen die de waarde van het ontwerp kunnen beïnvloeden. Het tweede lid bevat een nieuwe verduidelijking betreffende het tijdstip waarop de raming wordt gemaakt : dit moet gebeuren op het tijdstip van de verzending van de bekend te maken aankondiging of, wanneer deze aankondiging gezien de gunningswijze niet noodzakelijk is, op het tijdstip waarop de procedure wordt aangevat, namelijk bij de verzending van de uitnodigingen om een aanvraag tot deelneming of een offerte in te dienen. Het derde lid herinnert aan het principe dat vervat is in artikel 17. 2, van Richtlijn 2004/17/EG, alsook in 3, § 6, van het koninklijk besluit van 18 juni 1996. Volgens dit principe mag geen enkele opdracht worden gesplitst teneinde die aan de bekendmakingsregels te onttrekken. Indien bijvoorbeeld percelen of gedeelten van werken of bouwwerken toegestaan zijn, mogen deze modaliteiten niet tot gevolg hebben dat de percelen of gedeelten onttrokken worden aan de mededinging via een bekendmaking op Europees niveau. Betreffende de opmerking in punt 20 van het advies van de Raad van State wordt verwezen naar de bepaling van artikel 2, § 2, van het ontwerp. Art. 15.Onverminderd de bepalingen van artikel 14 van dit ontwerp, bevat het onderhavige artikel, dat overeenstemt met artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 18 juni 1996, twee verduidelijkingen voor de berekening van de geraamde waarde van een opdracht voor werken: 1° enerzijds dient rekening te worden gehouden met alle geplande werken.Wanneer het een bouwwerk betreft als bedoeld in de artikelen 3, 2°, en 4, 2°, van de wet, zoals uiteengezet in de memorie van toelichting, d.w.z. het product van een geheel van bouwkundige of civieltechnische werken dat ertoe bestemd is als zodanig een economische of technische functie te vervullen, moet de waarde van de verschillende opdrachten worden samengeteld om de op elke afzonderlijke opdracht toepasselijke bekendmakingsregels te bepalen op grond van de regel vermeld in artikel 14, derde lid; 2° anderzijds moet ook rekening worden gehouden met de geraamde waarde van de leveringen of diensten die nodig zijn voor de uitvoering van de werken of van het bouwwerk en die de aanbestedende entiteit ter beschikking stelt van de aannemer, zoals bijvoorbeeld de ter beschikkingstelling van een partij straatstenen of andere materialen;3° aangezien de Europese drempels voor de werken, leveringen en diensten verschillend zijn, betekent dit a contrario dat de waarde van de leveringen of diensten die niet nodig zijn voor de uitvoering van een opdracht voor werken, niet mag worden toegevoegd aan de waarde van de werken met de bedoeling ze te onttrekken aan de mededinging op Europees niveau. Art. 16.Dit artikel bevat specifieke berekeningsmodaliteiten voor sommige opdrachten voor leveringen die vervat zijn in artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 18 juni 1996. 1° Conform het eerste lid, moet bij opdrachten voor leveringen die een zekere regelmaat vertonen of bestemd zijn om in de loop van een bepaalde periode te worden hernieuwd, worden uitgegaan van de totale geraamde waarde van de opeenvolgende opdrachten over twaalf maanden volgend op de eerste levering of, indien de looptijd van de opdracht meer bedraagt dan twaalf maanden, over de volledige looptijd ervan. Artikel 17.7, van Richtlijn 2004/17/EG voorziet in twee verschillende ramingswijzen voor dit soort opdrachten. In dit ontwerp wordt gekozen voor de meest strenge ramingswijze om foutieve interpretaties te voorkomen. Ingevolge de opmerking in punt 6.2 van de Raad van State wordt verduidelijkt dat het woord « periode » verkozen werd boven het woord « boekjaar » in de veronderstelling dat het om meer dan twaalf maanden gaat. De tekst van artikel 17.7, b, van de richtlijn is immers niet zeer coherent aangezien hij verwijst naar « het boekjaar, indien het zich over meer dan twaalf maanden uitstrekt », zonder evenwel de draagwijdte van het woord te verduidelijken terwijl de bepaling betrekking heeft op opdrachten voor leveringen en diensten die met name bestemd zijn om in de loop van een bepaalde periode te worden hernieuwd. De formulering « opdrachten voor leveringen die een zekere regelmaat vertonen » heeft betrekking op de aankoop van leveringen van dezelfde aard via afzonderlijke opdrachten die gegund worden tijdens dezelfde referentieperiode, meer bepaald het begrotingsjaar of boekjaar. De formulering « die bestemd zijn om te worden hernieuwd » heeft betrekking op steeds wederkerende behoeften van de aanbestedende entiteit. 2° Overeenkomstig het tweede lid, zijn specifieke berekeningsmodaliteiten van toepassing wanneer de opdrachten gegund worden in de vorm van huur, huurkoop, leasing of in een vergelijkbare vorm.Bij een opdracht met een bepaalde duur, wordt rekening gehouden met de geraamde totale waarde van de opdracht voor de gehele looptijd ervan. Wanneer deze bepaalde duur meer dan twaalf maanden bedraagt, moet de restwaarde van de leveringen op het einde van de overeenkomst in de raming worden opgenomen. Bij opdrachten van onbepaalde duur, of waarvan de looptijd niet kan worden bepaald, moet het geraamde maandelijkse bedrag van de opdracht vermenigvuldigd worden met achtenveertig. Hier worden bijvoorbeeld de opdrachten met een clausule tot jaarlijkse verlenging bedoeld. Daarentegen moet een opdracht met een maximale looptijd van vijf jaar die een clausule tot jaarlijkse opzegging bevat, beschouwd worden als een opdracht met een bepaalde duur van vijf jaar. In dat geval zullen de vijf jaar in aanmerking worden genomen om de geraamde waarde van de opdracht te bepalen. Ten slotte wordt hier nog herinnerd aan de bepaling van artikelen 3, 3°, en 4, 2°, van de wet die betrekking heeft op de hypothese van een gemengde opdracht voor leveringen en werken. Meer bepaald gaat het om de regel volgens dewelke een opdracht die betrekking heeft op het leveren van producten en in bijkomende orde op plaatsing- en installatiewerkzaamheden als een opdracht voor leveringen moet worden beschouwd. Art. 17.Dit artikel bevat sommige berekeningsmodaliteiten die specifiek betrekking hebben op de opdrachten voor diensten die vervat zijn in artikel 3, § 3, van het koninklijk besluit van 18 juni 1996. Paragraaf 1 herinnert aan het principe volgens hetwelk de waarde van de opdracht de geraamde totale vergoeding van de dienstverlener bevat. Vervolgens licht de tekst dit principe toe voor drie categorieën van diensten. De paragrafen 2 en 3 bevatten twee verduidelijkingen over de berekeningswijze van de geraamde waarde van sommige opdrachten voor diensten. Bij een opdracht met een bepaalde duur die niet meer bedraagt dan achtenveertig maanden, moet rekening worden gehouden met de totale geraamde waarde van de opdracht voor de gehele looptijd ervan. Bij een opdracht van onbepaalde duur of waarvan de bepaalde duur meer bedraagt dan achtenveertig maanden, is de berekening daarentegen gebaseerd op de geraamde maandelijkse waarde vermenigvuldigd met achtenveertig. Bij opdrachten voor diensten die een zekere regelmaat vertonen of bestemd zijn om in de loop van een bepaalde periode te worden hernieuwd, wordt uitgegaan van de totale geraamde waarde van de opeenvolgende opdrachten over twaalf maanden volgend op de eerste prestatie of, indien de looptijd van de opdracht meer bedraagt dan twaalf maanden, over de volledige looptijd ervan. Paragraaf 4 bepaalt dat bij opdrachten die diensten van zowel bijlage II, A, als bijlage II, B, van de wet omvatten, moet worden bepaald welke van deze beide categorieën de grootste waarde vertegenwoordigt teneinde de toepasselijke regels te bepalen. Paragraaf 5 handelt over de raming van de waarde van de opdrachten die zowel leveringen als diensten omvatten en eventueel ook plaatsing en installatie. Art. 18.Dit artikel preciseert dat de raming van het opdrachtbedrag bij de aanvang van de procedure bepaalt welke voorschriften erop van toepassing zijn tijdens het volledige verloop ervan tot aan de sluiting van de opdracht. Zo zal bijvoorbeeld een opdracht waarvoor volgens de raming een bekendmaking op Europees niveau vereist is, onderworpen zijn aan de voorschriften die toepasselijk zijn op die opdrachtcategorie, zelfs indien het goed te keuren offertebedrag lager is dan de Europese drempel. Omgekeerd zal een opdracht waarvan het geraamde bedrag beneden de Europese drempel lag, maar waarvan het bedrag van de goed te keuren offerte deze drempel komt te overschrijden, niet aan dit besluit onderworpen worden. De bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en eventueel in het Bulletin der Aanbestedingen van een aankondiging betreffende een opdracht waarvoor een dergelijke bekendmaking niet verplicht is, heeft daarentegen geen enkele invloed op het op die opdracht toepasselijke stelsel, uitgaande van zijn geraamde waarde. HOOFDSTUK 3. - Bekendmaking Afdeling 1. - Algemene bekendmakingsregels Art. 19.Dit artikel stemt overeen met de bepalingen betreffende de bekendmaking die verspreid zijn over de artikelen 6 e.v. van het koninklijk besluit van 18 juni 1996. Het bepaalt dat voor de opdrachten die onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking, de aankondigingen bekendgemaakt worden in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze aankondiging kan ook worden bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen wanneer de aanbestedende entiteit dit beslist. De aankondiging bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen moet inhoudelijk overeenstemmen met die bestemd voor het Publicatieblad en de bekendmaking ervan mag niet plaatsvinden vóór de datum waarop de aankondiging naar het Bureau voor Publicaties van de Europese Unie wordt verzonden. Volgens paragraaf 2 geldt enkel de aankondiging bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en eventueel in het Bulletin der Aanbestedingen, als officiële bekendmaking. Geen enkele andere bekendmaking mag plaatsvinden vóór de verzendingsdatum van de aankondiging. Ze mag geen andere informatie bevatten dan die vervat in die aankondiging. De bepaling vermeldt ten slotte dat het verboden is om vóór de verzendingsdatum van de aankondiging met het oog op een bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie de in de aankondiging vermelde informatie te bekend te maken of te verspreiden. Dit verbod heeft hoofdzakelijk betrekking op de elektronische en automatische verspreiding van de informatie vervat in de aankondiging naar geïnteresseerde personen en dit vóór de verzendingsdatum van de aankondiging. De bedoeling hiervan is te vermijden dat sommige ondernemingen op die manier een tijdsvoordeel zouden bekomen omdat zij vóór de bekendmaking op de hoogte zijn gebracht. Om dezelfde reden mag de inhoud van de niet-officiële bekendmaking niet verschillen van die van de officiële bekendmaking, zodat het niet toegestaan is om langs die weg bijkomende informatie mee te delen. Art. 20.Dit artikel vormt een nieuwe bepaling. Wanneer de aanbestedende entiteit sommige reeds officieel bekendgemaakte gegevens wenst te verbeteren of aan te vullen, kan zij hetzij een volledig nieuwe aankondiging bekendmaken, hetzij een rechtzettingsbericht bekendmaken volgens het model van aankondiging beschikbaar op de webapplicatie van de Europese Unie (http://simap.europa.eu/buyer/forms-standard/index_nl.htm ). Dankzij dit model kan worden vermeden dat een volledig nieuwe aankondiging moet worden bekendgemaakt, wat een soepeler oplossing biedt wanneer de verbeteringen of wijzigingen eerder beperkt zijn. In geval van de bekendmaking van een volledig nieuwe aankondiging is het wenselijk om daarop de aandacht te vestigen in het veld VI.3 « Andere inlichtingen », teneinde een link te leggen met de eerder bekendgemaakte aankondiging(en). De aanbestedende entiteit dient evenwel rekening te houden met de eventuele impact van de aangebrachte verbeteringen of aanvullingen op de ontvangsttermijn voor de aanvragen tot deelneming of de offertes, zoals vermeld in de oorspronkelijke aankondiging. Doorgaans zal zij een verlenging ervan moeten toestaan. Deze dient eventueel te worden verlengd in functie van het belang van de verbeteringen of aanvullingen, opdat de kandidaten of inschrijvers nog over een voldoende termijn zouden beschikken om met het bericht rekening te kunnen houden. Art. 21.Het eerste lid van dit artikel bevat een nieuwe bepaling die de bewijslast van de verzending van de aankondiging van opdracht bij de aanbestedende entiteit legt. Het tweede lid bevat ook een nieuwe bepaling volgens dewelke de bevestiging van de verzending van de inlichtingen als bewijs geldt voor de bekendmaking van de aankondiging. Afdeling 2. - Europese drempels Art. 22.Dit artikel vermeldt de Europese drempelbedragen. Het stemt overeen met artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 juni 1996. De opdrachten waarvan de geraamde waarde de in dit artikel vastgelegde bedragen bereikt of overschrijdt, zijn onderworpen aan de Europese bekendmaking. Overeenkomstig artikel 2, § 2, van dit ontwerp, gaat het om bedragen zonder belasting over de toegevoegde waarde. Naargelang de aard van de opdracht, zijn de volgende drempels van toepassing vanaf 1 januari 2012 : 1° voor de werken, 5.000.000 euro. Het begrip « werken » omvat ook de bouwwerken, zoals uiteengezet in de memorie van toelichting van artikel 3, 2°, van de wet; 2° voor de leveringen en de diensten bedoeld in bijlage II van de wet 400.000 euro. Hierbij moet worden opgemerkt dat, in tegenstelling tot de diensten bedoeld in bijlage II, A, van de wet, de diensten bedoeld in bijlage II, B, als niet-prioritair worden beschouwd voor de voltooiing van de interne markt en enkel verplicht onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking in het stadium waarin de resultaten van de opdracht worden medegedeeld, en dit ongeacht de procedure, conform artikel 31, § 2. Tot nader order worden deze diensten, anders dan die van de bijlage II, A, van de wet, minder belangrijk geacht voor de mededinging binnen de interne markt. Dat is ook de reden waarom ze niet het voorwerp moeten uitmaken van een voorafgaande Europese bekendmaking. De Europese Commissie kan het bedrag van de Europese drempels herzien overeenkomstig artikel 69 van Richtlijn 2004/17/EG. Dit is de reden waarom de Eerste Minister, op grond van artikel 75, § 2, van de wet belast is met de aanpassing van de bedragen van dit besluit op basis van de door de Europese Commissie verrichte herzieningen. Art. 23.Dit artikel betreffende de opdrachten in percelen, herneemt de bepalingen van artikel 3, § 5, van het koninklijk besluit van 18 juni 1996 en verruimt ze tot de homogene leveringen en de diensten. Onder homogene leveringen moeten leveringen worden verstaan van dezelfde aard en met dezelfde of een vergelijkbare bestemming : bijvoorbeeld fotokopieerpapier ongeacht het vereiste formaat, kantoormeubelen die een harmonisch geheel moeten vormen of nog voedingsmiddelen van een bepaald assortiment. In dat geval moeten de bedragen van alle percelen worden samengevoegd teneinde te bepalen of de Europese drempel is bereikt. Als dat zo is, zijn alle percelen onderworpen aan de Europese bekendmaking. De aanbestedende entiteit kan nochtans gebruik maken van de in dit artikel vermelde mogelijkheid om percelen waarvan het individuele bedrag kleiner is dan 1.000.000 euro voor werken en 80.000 euro voor homogene leveringen en voor diensten aan de Europese bekendmaking te onttrekken. Hiervoor geldt evenwel als voorwaarde dat het samengevoegde bedrag van de onttrokken percelen niet meer bedraagt dan twintig percent van het bedrag van het geheel van alle percelen. Een dergelijke bepaling maakt het mogelijk deze percelen met een beperkte waarde op Europees niveau niet bekend te maken, daar deze immers vooral interessant zijn voor kleine en middelgrote ondernemingen. De waarde van deze percelen wordt niettemin in aanmerking genomen voor de raming van de opdracht overeenkomstig de artikelen 14 tot 18. Een voorbeeld zou kunnen zijn, een bouwwerk met een geraamd bedrag van 5,5 miljoen euro en verdeeld in vier percelen van respectievelijk: - perceel « ruwbouw » = 4 miljoen euro - perceel « speciale technieken » = 0,7 miljoen euro - perceel « schrijnwerk » = 0,5 miljoen euro - perceel « afwerking » = 0,3 miljoen euro. De aanbestedende entiteit mag de percelen « speciale technieken » en « schrijnwerk » niet onttrekken aan de Europese bekendmaking. Alhoewel de individuele waarde van deze verschillende percelen inderdaad minder bedraagt dan 1 miljoen euro, is hun samengevoegd bedrag evenwel hoger dan 20 % van het opdrachtbedrag, zijnde 1,1 miljoen euro. De percelen « schrijnwerk » en « afwerking » kunnen daarentegen aan de Europese bekendmaking worden onttrokken, omdat de individuele waarde van deze verschillende percelen minder bedraagt dan 1 miljoen euro en hun samengevoegd bedrag lager is dan 20 % van het opdrachtbedrag, zijnde 1,1 miljoen euro. Hetzelfde zou gelden voor het perceel « speciale technieken ». In deze gevallen dienen de andere percelen vanzelfsprekend te worden bekendgemaakt op Europees niveau, zelfs indien de totale waarde van die percelen de Europese drempel niet bereikt. In het eerst geciteerde voorbeeld vertegenwoordigen de percelen « ruwbouw » en « speciale technieken » slechts een bedrag van 4,7 miljoen euro. Niettemin moeten ze worden bekendgemaakt omdat rekening moet worden gehouden met de geraamde waarde van de onttrokken percelen bij het bepalen van de globale waarde van de opdracht (rekening houdend met de huidige Europese drempel van 5 miljoen euro). Dit besluit is niet van toepassing op de plaatsing van de onttrokken percelen. Afdeling 3. - Europese bekendmaking Art. 24.Dit nieuwe artikel bepaalt dat deze afdeling van toepassing is op de opdrachten onder de tweeledige voorwaarde dat ze de Europese drempels bereiken en onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking. Art. 25.Dit nieuwe artikel somt de aankondigingen op die vorm geven aan de Europese bekendmaking, namelijk de periodieke indicatieve aankondiging, de aankondiging van opdracht, de aankondiging betreffende de instelling van een kwalificatiesysteem en de aankondiging van gegunde opdracht. Er wordt verwezen naar de commentaar van de artikelen 26 en volgende. Art. 26.Dit artikel herneemt dit bepalingen betreffende de bekendmaking van de periodieke indicatieve aankondiging en de inhoud ervan opgenomen in artikel 6 van het koninklijk besluit van 18 juni 1996. De bedoelde werken en bouwwerken zijn die waarvan de geraamde waarde minimum 5.000.000 euro bedraagt. Wat de leveringen betreft, heeft de vooraankondiging betrekking op alle opdrachten met een totale waarde van minimum 750.000 euro die individueel waarschijnlijk de drempel voor de Europese bekendmaking bereiken en ingedeeld zijn per productgroep. De « productgroepen » worden aangeduid met de drie eerste cijfers van de basiswoordenlijst van de CPV-nomenclatuur (gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten), goedgekeurd bij verordening (EG) nr. 213/2008 van de Commissie van 28 november 2007 tot wijziging van verordening (EG) nr. 2195/2002 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten (CPV) en tot wijziging van de Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten, in verband met de herziening van de CPV (PBEU L-74 van 15 maart 2008). Zo hebben de drie eerste cijfers 031 bijvoorbeeld betrekking op land- en tuinbouwproducten, de cijfers 302 op computeruitrusting en -benodigdheden, de cijfers 325 op telecommunicatiebenodigdheden en de cijfers 341 op motorvoertuigen. Het is overigens nuttig eraan te herinneren dat de raamovereenkomst valt onder het begrip opdracht als bedoeld in dit ontwerp. Wat de diensten betreft, is de indeling voor hetzelfde totaalbedrag van 750.000 euro gebaseerd op de categorieën van bijlage II, A, van de wet. Artikel 26 bevat een nieuwe verduidelijking. De bekendmaking van een dergelijke aankondiging is slechts verplicht wanneer de aanbestedende entiteit de termijn voor de ontvangst van de offertes wenst in te korten ten gevolge van deze bekendmaking. Indien dit niet in haar bedoeling ligt, is de bekendmaking facultatief, maar laat deze geen inkorting van de termijnen toe. Nochtans dient men zich bewust te zijn van het belang dat deze informatie over mogelijke geplande opdrachten voor de ondernemingen kan hebben. Bepaalde opdrachten voor leveringen en voor diensten kunnen de drempel voor de Europese bekendmaking bereiken (vandaag 400.000 euro) zonder individueel of samen de drempel van 750.000 euro te bereiken. In dat geval is de inkorting van de termijn ingevolge de bekendmaking van een periodieke indicatieve aankondiging eveneens mogelijk. De bekendmaking van een periodieke indicatieve aankondiging maakt het immers mogelijk dat de ondernemers zich voorbereiden op de deelname aan de aldus aangekondigde procedures en dat de aanbestedende entiteiten voordeel kunnen halen uit een eventuele verruiming van de mededinging. Dit is de reden waarom paragraaf 3 bepaalt dat de bekendmaking van een dergelijke aankondiging zo vlug mogelijk moet gebeuren na het begin van het begrotingsjaar of, voor de werken, na de beslissing tot goedkeuring van het programma waarin de werken of de raamovereenkomsten zijn opgenomen. In die omstandigheden zal een vooraankondiging immers het meest nuttig zijn. Dit belet evenwel niet dat later in de loop van het begrotingsjaar een bekendmaking kan plaatsvinden indien, bijvoorbeeld, nieuwe opdrachten worden uitgeschreven. Paragraaf 2 is een nieuwe bepaling dat artikel 41, § 2, van de richtlijn omzet. Volgens deze bepaling kunnen voor belangrijk projecten verscheidene periodieke indicatieve aankondigingen worden bekengemaakt, zonder in eerdere aankondigingen vervatte inlichtingen te herhalen, mits vermeld wordt dat deze aankondigingen een aanvulling zijn. Bovendien wordt de bepaling vervat in artikel 41. 1, van Richtlijn 2004/17/EG vooralsnog niet omgezet in dit ontwerp. Volgens deze bepaling kan de aanbestedende entiteit de periodieke indicatieve aankondiging, via haar kopersprofiel, bekendmaken op een website. Een dergelijke bepaling is immers complex omdat de aanbestedende entiteit zelfs in dat geval de Europese Commissie moet informeren over deze bekendmaking via haar kopersprofiel. Bovendien zou het overaanbod van dergelijke websites de ondernemingen minder transparante informatie bieden dan de officiële bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en eventueel in het Bulletin der Aanbestedingen. Art. 27.Dit artikel herneemt de bepalingen van artikel 7 van het koninklijk besluit van 18 juni 1996 en somt de aankondigingen op die vorm geven aan de inmededingingstelling. Artikel 27, alsook de artikelen 28 tot 30, zijn niet van toepassing op de opdrachten voor diensten bedoeld in bijlage II, B, van de wet, want deze zijn niet verplicht onderworpen aan een voorafgaande Europese bekendmaking. Art. 28.Dit artikel herneemt bepalingen van artikel 8 van het koninklijk besluit van 18 juni 1996. Het betreft de inmededingingstelling via een aankondiging van opdracht. Art. 29.Dit artikel herneemt bepalingen van artikel 9 van het koninklijk besluit van 18 juni 1996. Het betreft de inmededingingstelling via een periodieke indicative aankondiging en de hiervoor toepasselijke voorwaarden. Art. 30.Dit artikel neemt bepalingen over van artikel 10 van het koninklijk besluit van 18 juni 1996, toepasselijk bij de invoering en het beheer van een kwalificatiesysteem. Met name worden de punten 5° en 6° toegevoegd die overeenstemmen met artikel 53. 7 en 9, van Richtlijn 2004/17/EG. Volgens de bepaling onder 5° moet een lijst van aanvragers worden bijgehouden die in categorieën kan worden ingedeeld volgens het opdrachttype waarvoor de kwalificatie geldt. De bepaling onder 6° verduidelijkt dat de aanbestedende entiteit, naar aanleiding van een bepaalde opdracht, kan overgaan tot een eventuele aanvullende selectie onder de gekwalificeerde aanvragers. Het spreekt vanzelf dat deze selectie op de oorspronkelijke kwalificatiecriteria moet steunen waarbij de beoordeling eventueel gerichter of strenger gebeurt. Art. 31.Dit artikel stemt overeen met artikel 12 van het koninklijk besluit van 18 juni 1996, behalve wat de toelichting over het dynamisch aankoopsysteem betreft. Deze modaliteit bestaat heden niet. Ongeacht de gebruikte procedure en dus ook in geval van onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure als bedoeld in artikel 66, § 2, van de wet, wordt een aankondiging van gegunde opdracht bekendgemaakt conform het model opgenomen in de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 842/2011. Overeenkomstig paragraaf 1, moet deze aankondiging worden verzonden binnen een termijn van twee maanden na de sluiting van de opdracht. Voor de opdrachten gebaseerd op een dynamisch aankoopsysteem, mogen de resultaten nochtans per trimester worden gegroepeerd. Deze aankondiging bevat informatie over de resultaten van de procedure. In dat geval mogen de resultaten van de tijdens een trimester toegewezen opdrachten dus worden gegroepeerd en, indien nodig, het voorwerp uitmaken van diverse afzonderlijke aankondigingen, volgens de betrokken leveringen of diensten voor courant gebruik. Deze aankondiging is bestemd voor bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en eventueel in het Bulletin der Aanbestedingen. Een aankondiging van gegunde opdracht is evenwel niet vereist bij de sluiting van elk van de opdrachten die op een raamovereenkomst gebaseerd zijn. Volgens paragraaf 2 moet de aanbestedende entiteit, wanneer de opdracht betrekking heeft op de diensten zoals vermeld in bijlage II, B, van de wet waarvan het geraamde bedrag de Europese drempel bereikt evenwel vermelden of zij de bekendmaking van de aankondiging in het Officiële Publicatieblad van de Europese Unie aanvaardt. Indien zij die weigert, wordt de aankondiging van gegunde opdracht niet naar het Bulletin der Aanbestedingen verzonden. In tegenstelling tot de Europese Commissie heeft de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie immers geen bevoegdheid inzake toezicht op de overheidsopdrachten, en die informatie, die niet bestemd is voor publicatie, zou geenszins nuttig zijn voor haar. Paragraaf 3 is een nieuwe bepaling die gewijd is aan het specifieke geval van de opdrachten voor onderzoek en ontwikkeling en de niet-bekendmaking van bepaalde gegevens voor die opdrachten. Volgens paragraaf 4 mag de aanbestedende entiteit bepaalde gegevens niet bekendmaken indien de openbaarmaking ervan de toepassing van een wet zou belemmeren, in strijd zou zijn met het algemeen belang, nadelig zou zijn voor de rechtmatige commerciële belangen van ondernemingen of de eerlijke mededinging tussen hen zou kunnen schaden. Deze bepaling wordt onder meer geïllustreerd door de volgende rechtspraak: Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest van 14 februari 2008, zaak C-450/06, Varec; Raad van State, arrest nr. 164.028 van 24 oktober 2006; Grondwettelijk Hof, arrest nr. 118/2007 van 19 september 2007. HOOFDSTUK 4. - Indiening aanvragen tot deelneming en offertes Afdeling 1. - Termijnen - Algemene bepalingen Art. 32.Het eerste lid van dit artikel, herinnert aan het algemeen principe volgens hetwelk de termijnen als bedoeld in de artikelen 35 en 36, minimumtermijnen zijn, die moeten worden bepaald rekening houdend met de complexiteit van de opdracht en met de nodige voorbereidingstijd. Hierbij moet worden opgemerkt dat overeenkomstig artikel 72bis van de wet alle termijnen worden uitgedrukt in kalenderdagen. Ze worden berekend vanaf de verzending van de aankondiging van opdracht of de uitnodiging tot het indienen van een offerte, naargelang het geval, overeenkomstig de modaliteiten van het Gemeenschapsrecht houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden als bedoeld in de verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden. Volgens artikel 3 van deze verordening : - gaat een in dagen omschreven termijn in bij de aanvang van het eerste uur van de eerste dag ervan en loopt deze af bij het einde van het laatste uur van de laatste dag ervan; - zijn feestdagen, zondagen en zaterdagen in de termijnen begrepen, behalve indien deze dagen daarvan uitdrukkelijk zijn uitgesloten of indien de termijnen in werkdagen zijn omschreven; - geldt dat, indien de laatste dag van een anders dan in uren omschreven termijn een feestdag, een zaterdag of een zondag is, deze termijn afloopt bij het einde van het laatste uur van de daaropvolgende werkdag. Deze laatste bepaling is niet van toepassing op termijnen die met terugwerkende kracht vanaf een bepaalde datum of gebeurtenis worden berekend, wat hier niet het geval is. Wanneer bijvoorbeeld in het kader van een opdracht te plaatsen via een open procedure, waarvoor een bekendmakingstermijn van 52 dagen geldt, de aankondiging is verzonden op 1 maart, begint de termijn te lopen op 2 maart en eindigt deze ten vroegste op 22 april middernacht. De uiterste datum voor de ontvangst van de offertes zal dan niet kunnen vastgesteld worden op 22 april, maar wel op 23 april. Indien 22 april echter op een zaterdag valt, zal de uiterste datum ten vroegste kunnen vastgesteld worden bij het verstrijken van de eerstvolgende werkdag (dit is maandag 24 om middernacht), d.w.z. op dinsdag 25 april. Het tweede lid handelt over bepaalde omstandigheden die een rol spelen bij de vaststelling van de termijn. Het derde en vierde lid die overeenstemmen met artikel 11, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 18 juni 1996, preciseren de omstandigheden waarin de proceduretermijnen moeten worden aangepast. Het laatste lid bevat een nieuwe bepaling ingeval de artikelen 35 en 36 geen termijnen vaststellen, bijvoorbeeld voor de ontvangst van de offertes bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking. In dat geval bepaalt de aanbestedende entiteit een passende en redelijke termijn, rekening houdend met de complexiteit van de opdracht. Art. 33.Dit artikel stemt gedeeltelijk overeen met artikel 11, § 1, van het koninklijk besluit van 18 juni 1996. Het bepaalt dat bij open procedure de opdrachtdocumenten door de aanbestedende entiteit worden verstrekt binnen zes dagen na ontvangst van de aanvraag. Een nieuwe bepaling vermeldt evenwel dat dit voorschrift niet van toepassing is indien de …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.