Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Koninklijk besluit betreffende de mededinging in het raam van de Europese Unie van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten in de secto

Kort samengevat

Dit Koninklijk besluit regelt de mededinging voor bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten binnen de sectoren water, energie, vervoer en postdiensten in het kader van de Europese Unie. Het voert titel IV van de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006 uit.

Wat het reguleert

  • De uitvoering van opdrachten door aanbestedende entiteiten in de sectoren water, energie, vervoer en postdiensten.
  • De raming van het opdrachtbedrag en de bekendmaking van opdrachten.
  • De indiening van aanvragen tot deelneming en offertes, inclusief termijnen en communicatiemiddelen.
  • De selectie van kandidaten en inschrijvers, inclusief toegangsrecht en kwalitatieve selectie.

Wie het aanbelangt

  • Aanbestedende entiteiten in de sectoren water, energie, vervoer en postdiensten.
  • Overheidsbedrijven die opdrachten plaatsen die niet gerelateerd zijn aan hun openbare diensttaken, maar wel onder Richtlijn 2004/17/EG vallen.

Kernpunten

  • Het besluit zorgt voor de omzetting van bepaalde bepalingen van Richtlijn 2004/17/EG.
  • Een marktverkenning is toegestaan vóór de gunningsprocedure, maar mag niet leiden tot vooronderhandelingen of concurrentievervalsing.
  • Communicatie, uitwisseling en opslag van informatie moeten de integriteit van gegevens en vertrouwelijkheid van offertes waarborgen.
  • Elk bedrag vermeld in het besluit is steeds zonder belasting over de toegevoegde waarde.
Wettekst
Wettekst

24 JUNI

  1. - Koninklijk besluit betreffende de mededinging in het raam van de Europese Unie van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten in de sectoren water, energie, vervoer en postdiensten VERSLAG AAN DE KONING Sire, De wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006, hierna « de wet » genoemd, heeft tot doel de gehele wetgeving te hervormen die tot op heden gebaseerd is op de wet van 24 december 1993 en op diverse koninklijke besluiten. Zoals opgemerkt tijdens de parlementaire voorbereiding, beoogt de nieuwe wet ook de omzetting van de meeste niet-dwingende bepalingen van de Europese Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG van 31 maart
  2. De dwingende bepalingen van de bedoelde richtlijn en werden reeds omgezet middels een aanpassing van de wet van 24 december 1993 en haar uitvoeringsbesluiten. Dit ontwerp van koninklijk besluit zorgt voor de uitvoering van titel IV van de wet, die van toepassing is op de opdrachten van de aanbestedende entiteiten in de sectoren water, energie, vervoer en postdiensten. Het handelt evenwel niet over de overheidsopdrachten van de aanbestedende overheden en van de overheidsbedrijven in dezelfde sectoren (uitgezonderd artikel 68 van dit ontwerp), noch de overheidsopdrachten en de concessies voor openbare werken in de klassieke sectoren, die het voorwerp uitmaken van afzonderlijke besluiten. Het ontwerp bevat evenmin de specifieke voorschriften die van toepassing zijn op de defensieopdrachten zoals bedoeld in Richtlijn 2009/81/EG van 13 juli 2009 en in de wet van 13 augustus 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/08/2011 pub. 01/02/2012 numac 2011021082 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied type wet prom. 13/08/2011 pub. 27/07/2012 numac 2012000427 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied. - Duitse vertaling sluiten. Dit ontwerp van koninklijk besluit beoogt een totale omvorming van het koninklijk besluit van 18 juni
  3. Hoofdstuk 1 bevat de algemene bepalingen, met name de definities van de in het besluit gebruikte termen, alsook bepalingen betreffende het toepassingsgebied, de marktverkenning, de communicatiemiddelen, de technische specificaties en normen, de varianten en de percelen, de verplichtingen inzake belastingen, milieubescherming, arbeidsbescherming en arbeidsvoorwaarden en prijsonderzoek. Hoofdstuk 2 is gewijd aan de regels omtrent de raming van de opdrachtbedrag. Hoofdstuk 3 groepeert alle bepalingen inzake bekendmaking. Hoofdstuk 4 omvat de regels inzake de indiening van de aanvragen tot deelneming en de offertes. Hoofdstuk 5 omvat de voorschriften inzake toegangsrecht en kwalitatieve selectie. Hoofdstuk 6 behandelt de gunning bij onderhandelingsprocedure. Hoofdstuk 7 groepeert de voorschriften betreffende de specifieke of aanvullende opdrachten en procedures, namelijk het dynamisch aankoopsysteem, de elektronische veiling en de ontwerpenwedstrijd. TITEL 3, die artikel 68 omvat, zorgt voor de uitvoering van artikel 72 van de wet, betreffende de activiteiten van overheidsbedrijven die geen betrekking hebben op hun taken van openbare dienst als bedoeld in een wet, een decreet of een ordonnantie maar wel bedoeld zijn in Richtlijn 2004/17/EG. Hetzelfde geldt voor de opdrachten van aanbestedende overheden die betrekking hebben op de productie van elektriciteit. TITEL 4 bevat de slotbepalingen. Ten slotte wordt erop gewezen dat met het woord « of » in dit ontwerp « en/of » wordt bedoeld. Voor een overzicht van de artikelen wordt verwezen naar de onderstaande inhoudstafel. Inhoudstafel TITEL 1 - Inleidende bepaling . . . . . Art. 1 TITEL 2 - Opdrachten geplaatst door privéondernemingen Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen Afdeling 1 - Definities . . . . . Art. 2 Afdeling 2 - Toepassingsgebied . . . . . Art. 3 Afdeling 3 - Marktverkenning . . . . . Art. 4 Afdeling 4 - Communicatiemiddelen . . . . . Art. 5 Afdeling 5 - Technische specificaties en normen . . . . . Art. 6 tot 8 Afdeling 6 - Varianten en percelen . . . . . Art. 9 en 10 Afdeling 7 - Beroep op draagkracht van derden . . . . . Art 11 Afdeling 8 - Verplichtingen inzake belastingen, milieubescherming, arbeidsbescherming en arbeidsvoorwaarden en prijsonderzoek . . . . . Art. 12 en 13 Hoofdstuk 2 - Raming opdrachtbedrag . . . . . Art. 14 tot 18 Hoofdstuk 3 - Bekendmaking Afdeling 1 - Algemene bekendmakingsregels . . . . . Art. 19 tot 21 Afdeling 2 - Europese drempels . . . . . Art. 22 en 23 Afdeling 3 - Europese bekendmaking . . . . . Art. 24 tot 31 Hoofdstuk 4 - Indiening aanvragen tot deelneming en offertes Afdeling 1 - Termijnen - Algemene bepalingen . . . . . Art. 32 tot 34 Afdeling 2 - Termijnen voor de bekendmaking . . . . . Art. 35 en 36 Afdeling 3 - Uitnodiging geselecteerden tot indiening offerte . . . . . Art. 37 Afdeling 4 - Indieningsrecht en -wijze aanvragen tot deelneming en offertes . . . . . Art. 38 tot 40 Hoofdstuk 5 - Selectie kandidaten en inschrijvers - Toegangsrecht en kwalitatieve selectie Afdeling 1 - Algemene bepalingen . . . . . Art. 41 en 42 Afdeling 2 - Toegangsrecht . . . . . Art. 43 en 44 Afdeling 3 - Kwalitatieve selectie . . . . . Art. 45 tot 47 Hoofdstuk 6 - Gunning bij onderhandelingsprocedure . . . . . Art. 48 tot 50 Hoofdstuk 7 - Specifieke of aanvullende opdrachten en procedures Afdeling 1 - Dynamisch aankoopsysteem . . . . . Art. 51 tot 55 Afdeling 2 - Elektronische veiling . . . . . Art. 56 tot 61 Afdeling 3 - Ontwerpenwedstrijd Onderafdeling 1 - Toepassingsvoorwaarden en jury . . . . . Art. 62 tot 64 Onderafdeling 2 - Raming en bekendmaking . . . . . Art. 65 tot 67 TITEL 3 - Opdrachten geplaatst door bepaalde overheidsbedrijven of inzake de productie van elektriciteit . . . . . Art. 68 TITEL 4 - Slotbepalingen . . . . . Art. 69 tot 72 In dit ontwerp is grotendeels gevolg geven aan de opmerkingen geformuleerd door de Raad van State in zijn advies 53.175/1 van 22 mei
  4. Wat betreft de opmerkingen van de Raad van State waaraan geen gevolg is gegeven, worden in de commentaar bij de kwestieuze artikelen telkens de beweegredenen hiervoor uiteengezet. Inzake de algemeen - terminologische - opmerking van de Raad van State, inzonderheid wat betreft de blijvende inconsequenties in het gebruik van de begrippen 'plaatsing', 'gunning' en 'sluiting' in de Nederlandse tekst en de overeenkomstige noties 'passation', 'attribution' en 'conclusion' in de Franse tekst, zijn de nodige bijkomende aanpassingen doorgevoerd. Evenwel, overeenkomstig de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006, zoals gewijzigd bij de wet van 5 augustus 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/08/2011 pub. 29/08/2011 numac 2011021079 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet tot wijziging van artikel 80 van de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006 type wet prom. 05/08/2011 pub. 29/08/2011 numac 2011021078 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet tot wijziging van de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006 sluiten, is ervoor geopteerd de bedoelde begrippenopdeling niet door te trekken naar de benaming van de procedures. Immers, de noties 'gunningsprocedure' en 'gunningswijze' zijn niet alleen sterk ingeburgerd, maar de koppeling van de noties 'gunning' en 'procedure' is ook logisch vanuit de optiek dat de verschillen tussen de procedures net liggen in de manier waarop de beslissing over de keuze van de offerte zal gebeuren, waarmee dus wordt verwezen naar de gunning van de opdracht. Wat betreft de opmerking in verband met de effectbeoordeling wordt het in de vrijstelling ingeroepen formeel karakter van de tekst bevestigd. TITEL
  5. - Inleidende bepaling Artikel 1.Artikel 1 verwijst naar de Richtlijn 2004/17/EG van 31 maart
  6. Het ontwerp zorgt voor de omzetting van sommige bepalingen van deze richtlijn, in de mate dat deze nog niet werden omgezet door de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/2006 pub. 15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten sluiten. TITEL
  7. - Opdrachten geplaatst door privéondernemingen HOOFDSTUK
  8. - Algemene bepalingen Afdeling
  9. - Definities Art. 2.Paragraaf 1 van dit artikel bevat de definities van in de wet en in dit ontwerp van koninklijk besluit gebruikte begrippen. Een dergelijk artikel is niet opgenomen in het koninklijk besluit van 18 juni
  10. De bepaling onder 2° verwijst voor het begrip « aanbestedende entiteit » naar artikel 2, 3°, van de wet. Het in de bepaling onder 3° omschreven begrip « opdracht » omvat alle soorten opdrachten, overeenkomsten en wedstrijden als bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de wet. Deze definitie heeft tot doel herhaalde opsommingen te vermijden die de tekst nodeloos zouden verzwaren. De bepaling onder 4° tot 8° definiëren de technische specificaties, de norm, de Europese technische goedkeuring, de gemeenschappelijke technische specificaties en het technisch referentiekader. Deze begrippen zijn terug te vinden in bijlage XXI van Richtlijn 2004/17/EG. Deze definities blijven ongewijzigd ten opzichte van deze vermeld in het koninklijk besluit van 18 juin
  11. De bepaling onder 9° verwijst naar Uitvoeringsverordening (EG) nr. 842/2011 van de Commissie van 19 augustus 2011 tot vaststelling van standaardformulieren voor de bekendmaking van aankondigingen op het gebied van overheidsopdrachten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1564/
  12. Er wordt dienaangaande verwezen naar de commentaar van artikel
  13. De bepalingen onder 10° (variante) en 11° (optie) zijn toegevoegd ingevolge de opmerking van punt 14 van het advies van de Raad van State. Paragraaf 2 van artikel 2 bepaalt dat elk bedrag vermeld in het ontwerp steeds zonder belasting over de toegevoegde waarde is. Deze verduidelijking heeft als bedoeling om de tekst van het besluit niet nodeloos te verzwaren. Afdeling
  14. - Toepassingsgebied Art. 3.Dit artikel bepaalt in zijn eerste lid het toepassingsveld ratione materiae van het ontwerp dat betrekking heeft op de opdrachten die onder titel IV van de wet vallen. Het tweede lid bevat een bepaling die vergelijkbaar is met die vervat in artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 juni
  15. De bijlage 1 van dit besluit vervat een niet-limitatieve lijst van aanbestedende entiteiten als bedoeld in artikel 2, 3°, van de wet. Zoals vermeld in de memorie van toelichting tracht deze lijst zo volledig mogelijk te zijn. Nochtans kan het voorkomen dat personen die beantwoorden aan de definitie van aanbestedende entiteit, niet in de lijst zijn opgenomen. Deze personen zijn niettemin aan de toepassing van de wetgeving onderworpen. Omgekeerd zal een persoon die in de lijst voorkomt maar die niet langer beantwoordt aan de definitie van aanbestedende entiteit, niet meer onderworpen zijn. Afdeling
  16. - Marktverkenning Art. 4.Artikel 4 van het ontwerp dat een marktverkenning toelaat, vormt een nieuwe bepaling waarvan het principe vermeld is in de overweging 15 van Richtlijn 2004/17/EG. Deze bepaling erkent de geldigheid van de praktijk waarbij de aanbestedende entiteiten de evolutie van de producten en technieken op de markt volgen. Deze marktverkenning moet plaatsvinden vóór het uitschrijven van de gunningsprocedure en mag ook niet leiden tot enige vorm van vooronderhandelingen met bepaalde ondernemingen. Een dergelijke marktverkenning mag bovendien niet tot een verhindering of vertekening van de mededinging leiden, wat met name het geval kan zijn indien de technische specificaties van een opdracht een fabrikaat of een techniek zouden vermelden welke specifiek betrekking heeft op een bepaalde onderneming, wat in strijd zou zijn met artikel 8, § 2, eerste lid, van het ontwerp. Afdeling
  17. - Communicatiemiddelen Art. 5.Artikel 5 zorgt voor de gedeeltelijke uitvoering van artikel 58 van de wet betreffende de communicatiemiddelen. Deze bepaling moet eveneens in verband worden gebracht met de definities van schriftelijk stuk en elektronisch middel vervat in de wet, alsook met de bepalingen van artikel 40 van dit ontwerp betreffende het gebruik van elektronische middelen voor het indienen van aanvragen tot deelneming of offertes. Artikel 5, § 1, bepaalt net zoals artikel 19ter van het koninklijk besluit van 18 juni 1996 en artikel
  18. 3, van Richtlijn 2004/17/EG verduidelijkt dat, ongeacht of elektronische middelen worden gebruikt, de mededeling, uitwisseling en opslag van informatie zodanig moeten plaatsvinden dat de integriteit van de gegevens en de vertrouwelijkheid van de offertes en van de aanvragen tot deelneming gewaarborgd worden en dat de aanbestedende entiteit pas bij het verstrijken van de voorziene termijn kennisneemt van de inhoud ervan. Paragraaf 2 van artikel 5 bepaalt vervolgens het gevolg dat moet worden gegeven aan een schriftelijk stuk dat met elektronische middelen is opgesteld en dat in de ontvangen versie een macro, een computervirus of een andere schadelijke instructie vertoont. Het is mogelijk dat de ontvangen versie door de bestemmeling in een veiligheidsarchief wordt opgenomen. Indien zulks technisch noodzakelijk is, wordt het document als niet ontvangen beschouwd en wordt de afzender van het schriftelijk stuk hiervan onmiddellijk op de hoogte gebracht. De bestemmeling kan eveneens beslissen het bewuste document te aanvaarden, indien hij meent het zonder risico te kunnen lezen of desinfecteren, teneinde niet enkel zijn computersysteem, maar ook de integriteit van dat document te vrijwaren. De bestemmeling die een dergelijke verrichting overweegt, moet zich ervan vergewissen dat hierdoor de inhoud van het document niet zal worden gewijzigd. De bestemmeling is verantwoordelijk voor de eindbeslissing en moet erop toezien dat het gelijkheidsbeginsel wordt nageleefd. Indien het document een aanvraag tot deelneming of een offerte is, is de aanpak evenwel anders. Indien zulks technisch noodzakelijk is, kan de aanvraag tot deelneming of de offerte geweerd worden overeenkomstig artikel 40, § 1, 2°. De selectie- of de gunningsbeslissing moet de verwerping motiveren. Wanneer het ontvangstsysteem van de offertes de macro of de infectie ontdekt, mag de aanbestedende entiteit de kandidaat of inschrijver hiervan niet onmiddellijk in kennis stellen. De kandidaten of inschrijvers in kwestie mogen immers niet de kans krijgen om alsnog een schriftelijk stuk in te dienen dat aan de voorschriften voldoet en hun aanvraag tot deelneming of offerte te regulariseren, aangezien de gelijke behandeling van de concurrenten die een papieren gegevensdrager of klassieke transmissietechnieken gebruiken, hierdoor in het gedrang zou komen. De informatie zal gebeuren volgens de op dat vlak toepasselijke bepalingen Paragraaf 3 bepaalt dat de aanbestedende entiteit het gebruik van elektronische middelen kan toestaan voor de verzending van andere schriftelijke stukken dan de aanvragen tot deelneming of de offertes, zoals bijvoorbeeld verduidelijkingen of prijsverantwoordingen. Dezelfde regel is toepasselijk voor de kandidaten of inschrijvers. Het tweede lid van paragraaf 3 voegt hieraan toe dat wanneer een bepaling van het besluit vermeldt dat een verzending aangetekend moet plaatsvinden of worden bevestigd, dit zowel met een fysieke aangetekende brief als met een elektronische aangetekende zending, zij het telkens met ontvangstmelding kan gebeuren. De aangetekende verzending moet een bewijs leveren van de volgende elementen : - de identiteit van afzender en bestemmeling; - het feit van de verzending van het bericht evenals de datum en het tijdstip van verzending; - de ontvangst van het bericht door de bestemmeling en de datum en het tijdstip van ontvangst; - de inhoud van het bericht in het geval van een elektronische aangetekende zending. Afdeling
  19. - Technische specificaties en normen Art. 6.Dit artikel heeft betrekking op de technische specificaties als bedoeld in artikel 71 van de wet en met name ook in de artikelen 20 et 21, §§ 1 tot 5, van het koninklijk besluit van 18 juni 1996 en in bijlage XXI van Richtlijn 2004/17/EG. Artikel 2, 4° tot 8°, van dit ontwerp bevat een definitie van deze specificaties. Zoals artikel 20, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 18 juni 1996, bepaalt paragraaf 1 van artikel 6 dat de aanbestedende entiteit de technische specificaties opneemt in de opdrachtdocumenten. Artikel 34.1, alsook overweging 42 van Richtlijn 2004/17/EG gaan nader in op een bekommernis die zeer ruim geformuleerd is op Europees niveau. Ze betreft het in overweging nemen van toegankelijkheidscriteria in de technische specificaties, teneinde rekening te houden met de behoeften van alle gebruikers, met inbegrip van personen met een handicap. De paragrafen 2 tot 5 behandelen de technische specificaties, de formulering ervan, het aantonen van de overeenstemming met de voorschriften van de technische specificaties, naargelang ze werden aangegeven door verwijzing naar normen of functionele eisen, en het voorschrijven van milieukenmerken. De overweging 42 van de richtlijn luidt als volgt : « De door aankopers opgestelde technische specificaties moeten de openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging mogelijk maken; daartoe moet het mogelijk zijn inschrijvingen in te dienen waarin de diversiteit van de technische oplossingen tot uiting komt. Te dien einde moeten enerzijds de technische specificaties kunnen worden opgesteld in termen van prestaties en functionele eisen en moeten anderzijds, bij verwijzing naar de Europese - of bij ontstentenis daarvan naar de nationale - norm, inschrijvingen op basis van andere gelijkwaardige oplossingen die voldoen aan de voorschriften van de aanbestedende diensten en die qua veiligheid gelijkwaardig zijn, door de aanbestedende diensten in overweging worden genomen. Om de gelijkwaardigheid aan te tonen, moeten de inschrijvers elk bewijsmiddel kunnen gebruiken. De aanbestedende diensten moeten iedere beslissing dat er geen sprake is van gelijkwaardigheid, kunnen motiveren. Aanbestedende diensten die in de technische specificatie van een bepaalde opdracht milieueisen wensen op te nemen, kunnen de milieukenmerken en/of het milieueffect van specifieke productgroepen of diensten voorschrijven. Zij kunnen, zonder dat daartoe een verplichting bestaat, de passende specificaties gebruiken die zijn omschreven in milieukeuren, zoals de Europese milieukeur, (pluri-)nationale milieukeuren of een andere milieukeur indien de vereisten voor de keur zijn ontwikkeld en aangenomen op grond van wetenschappelijke gegevens via een proces waaraan de betrokkenen, zoals regeringsinstanties, consumenten, fabrikanten, kleinhandel en milieuorganisaties, kunnen deelnemen en indien de keur toegankelijk en beschikbaar is voor alle betrokken partijen. De aanbestedende diensten moeten, indien mogelijk, technische specificaties vaststellen die rekening houden met de toegankelijkheidscriteria voor gehandicapten of een voor alle gebruikers geschikt ontwerp. De technische specificaties moeten duidelijk worden aangegeven, zodat alle inschrijvers weten waarop de door de aanbestedende dienst gestelde eisen betrekking hebben. » Een toepassingsvoorbeeld van dergelijke technische specificaties kan ondermeer worden gevonden in de omzendbrief P&O/DO/1 van 27 januari 2005 betreffende de implementatie van het duurzame ontwikkelingsbeleid bij de overheidsopdrachten van leveringen gelanceerd door aanbestedende overheden van de federale overheid die behoren tot de klassieke sectoren (Belgisch Staatsblad van 4 februari 2005). Art. 7.Dit artikel stemt overeen met artikel 22 van het koninklijk besluit van 18 juni 1996, betreffende de mededeling door de aanbestedende entiteit van de technische specificaties die in de regel bedoeld worden in haar opdrachten of waarnaar zij wil verwijzen in haar opdrachten. Art. 8.Paragraaf 1 van dit artikel stemt overeen met artikel 21, § 1, eerste lid van het koninklijk besluit van 18 juni 1996 en zorgt voor de omzetting van artikel 34, 2, van Richtlijn 2004/17/EG dat herinnert aan het principe dat de technische specificaties de inschrijvers gelijke toegang moeten bieden en niet tot ongerechtvaardigde belemmeringen voor de mededinging mogen leiden. Paragraaf 2 bevat in een aangepaste vorm, de bepalingen van artikel 21, § 6, van het koninklijk besluit van 18 juin 1996 en zorgt voor de omzetting van artikel 34, 8, van de Richtlijn 2004/17/EG. Deze bepaling verbiedt de invoering van technische specificaties die producten vermelden van een bepaald fabrikaat of een bepaalde herkomst of van een bijzondere werkwijze, of die verwijzen naar een merk, een octrooi, een bepaalde oorsprong of een bepaalde productie waardoor bepaalde ondernemingen kunnen worden bevoordeeld of geëlimineerd. Een dergelijke verwijzing is slechts uitzonderlijk toegestaan, hetzij wanneer het voorwerp van de opdracht dit rechtvaardigt (bijvoorbeeld voor de aankoop van wisselstukken die, om technische redenen, van een bepaald merk moeten zijn of in geval van een wereldmonopolie), hetzij wanneer een voldoende nauwkeurige en duidelijke beschrijving van het voorwerp van de opdracht conform artikel 6, §§ 2 en 3 niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de vermelding of verwijzing vergezeld gaan van de woorden « of gelijkwaardig » (cf. in dat verband m.n. het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 24 januari 1995, zaak C-359/93, Commissie van de Europese Gemeenschappen versus Koninkrijk der Nederlanden en de beschikking van het Hof van 3 december 2001, zaak C-59/00, Bent Mousten Vestergaard versus SpOttrup Boligslkab). In dit verband kan ook worden verwezen naar de omzendbrief van de Eerste Minister van 23 juni 2004 betreffende het verbod om in de bepalingen van een opdracht technische specificaties op te nemen die het gewone verloop van de mededinging beperken of uitsluiten (Belgisch Staatsblad van 25 juni 2004) alsook naar de omzendbrief van de Eerste Minister van 8 december 2006 betreffende de technische specificaties van microprocessoren in het kader van federale informaticaopdrachten (Belgisch Staatsblad van 15 december 2006). Afdeling
  20. - Varianten en percelen Art. 9.Het eerste lid van artikel 9 zorgt voor de omzetting van artikel 36,1, van Richtlijn 2004/17/EG. Wanneer de opdracht aan de economisch voordeligste offerte moet worden gegund, zijn er volgens dit lid twee voorwaarden om varianten in aanmerking te kunnen nemen. Enerzijds moet de aanbestedende entiteit in de aankondiging en eventueel in de andere opdrachtdocumenten vermelden of zij de indiening van varianten toestaat. Zo niet zijn ze niet toegestaan en moeten ze gewoon worden afgewezen, aangezien enkel de basisofferte in aanmerking wordt genomen. Anderzijds moet zij de minimumeisen bepalen waaraan deze varianten moeten voldoen (ze kan bijvoorbeeld vermelden dat een variante betrekking mag hebben op een bepaald technisch aspect van de geplande opdracht). Aan deze laatste voorwaarde kan worden voldaan door in het algemeen te verwijzen naar de minimumeisen in de opdrachtdocumenten. De aanbestedende entiteit kan beslissen een variante niet in aanmerking te nemen. Ze moet haar beslissing evenwel motiveren op basis van bijvoorbeeld technische elementen of andere factoren zoals de prijs, de financiële verplichtingen of de uitvoeringstermijnen. Het tweede lid bevat een bepaling die opgenomen is in artikel 36, 2, van Richtlijn 2004/17/EG, alsook in artikel 22, § 3, van het koninklijk besluit van 18 juni
  21. Volgens deze bepaling mag een variante niet worden afgewezen enkel omwille van het feit dat, indien de aanbestedende entiteit ze zou aanvaarden, een opdracht voor diensten een opdracht voor leveringen zou worden of omgekeerd. Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn voor een opdracht betreffende de ontwikkeling van software via een opdracht voor diensten, terwijl een concurrent als variante een softwarepakket zou indienen dat voldoet aan de eisen van de aanbestedende entiteit. Art. 10.Deze bepaling betreffende de opdrachten in percelen is nieuw. Ze vermeldt dat de opdrachtdocumenten de aard en het voorwerp van de percelen, de verdeling en de kenmerken ervan moeten bepalen. Deze verduidelijking moet de inschrijvers de mogelijkheid bieden om, met kennis van zaken, een of meer percelen te kiezen waarvoor ze een offerte wensen in te dienen. Afdeling
  22. - Beroep op draagkracht van derden Art. 11.Dit artikel voorziet in de omzetting van artikel 37 van Richtlijn 2004/17/EG. Krachtens paragraaf 1, eerste lid van dit artikel kan de inschrijver worden verzocht om in zijn offerte te vermelden voor welke gedeelte van de opdracht hij voornemens is een beroep te doen op de draagkracht van andere entiteiten als bedoeld in artikel 45 en welke entiteiten hij voorstelt. Aldus wordt een verband gelegd met artikel 45 betreffende de mogelijkheid om rekening te houden met de draagkracht van andere entiteiten in het kader van de kwalitatieve selectie. Deze mogelijkheid impliceert niet alleen dat deze entiteit zich ertoe verbindt haar draagkracht ter beschikking te stellen van de inschrijver maar ook dat de aanbestedende entiteit in rechte en in feite nagaat of deze draagkracht werkelijk voorhanden is. Het tweede lid van paragraaf 1 maakt een onderscheid tussen het geval waarin de procedure één enkele fase omvat en dat waarin ze twee fasen omvat. Paragraaf 2 is het logische gevolg van paragraaf 1, tweede lid, 2°. Hij bepaalt dat de aanbestedende entiteit, bij een procedure in twee fasen, opnieuw nagaat of de voorgestelde entiteiten nog over voldoende draagkracht beschikken. Afdeling
  23. - Verplichtingen inzake belastingen, milieubescherming, arbeidsbescherming en arbeidsvoorwaarden en prijsonderzoek Art. 12.Dit artikel bevat een bepaling die vergelijkbaar is met die vervat in artikel 22bis van het koninklijk besluit van 18 juni 1996, die artikel 39 van Richtlijn 2004/17/EG omzet en die de verplichtingen inzake fiscaliteit, milieubescherming, arbeidsbescherming en arbeidsvoorwaarden betreft. Art. 13.Dit artikel betreffende het prijsonderzoek herneemt de voorschriften van artikel 16 van het koninklijk besluit van 18 juni
  24. Krachtens het eerste lid van dit artikel moeten de inschrijvers op verzoek van de aanbestedende entiteit alle nodige inlichtingen verstrekken om het prijsonderzoek mogelijk te maken, en dit ongeacht de gunningsprocedure. Hierbij moet worden opgemerkt dat het niet-limitatief karakter van de in het derde lid opgesomde verantwoordingen die in aanmerking kunnen worden genomen om het normale karakter van een prijs aan te tonen, thans wordt bevestigd door de woorden met name'. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (arrest van 27 november 2001, C-286/99, Sciaudone) en de Raad van State (RvS, arrest nr. 100.084 van 23 oktober 2001) hebben evenwel geoordeeld dat de verantwoordingen in de reglementering niet limitatief zijn. Teneinde te vermijden dat de inschrijvers ongegronde verantwoordingen zouden indienen, kan de aanbestedende entiteit overeenkomstig het eerste lid steeds een prijsanalyse eisen om het normale karakter van de prijs te beoordelen. Ten slotte kan de inschrijver zich ter verantwoording van zijn prijs niet beperken tot een verwijzing naar de prijs van een onderaannemer, vermeerderd met een winstmarge. In dat geval dient de inschrijver de prijs van de onderaannemer te verantwoorden. Indien de aanbestedende entiteit voor een bepaalde prijs reeds over de nodige inlichtingen beschikt op grond van het eerste lid, dient ze het derde lid vanzelfsprekend niet meer na te leven voor de prijs in kwestie. Het vijfde lid neemt in gewijzigde vorm de tekst over van paragraaf 2 van artikel 16 van het koninklijk besluit van 18 juni
  25. De nieuwe bepaling heeft een minder ruime toepassing doordat ze voortaan de opdrachten voor diensten van de bijlage II, B, van de wet niet meer omvat en dit ongeacht de gevolgde gunningswijze. HOOFDSTUK
  26. - Raming opdrachtbedrag Art. 14.Dit artikel betreffende de raming van het opdrachtbedrag, groepeert enkele bepalingen van artikel 17 van Richtlijn 2004/17/EG en van artikel 3 van het koninklijk besluit van 18 juni
  27. Het eerste lid van artikel 14 herinnert aan een algemene regel volgens dewelke de raming van het opdrachtbedrag gebaseerd is op de totale duur en waarde van de opdracht. Hierin zijn begrepen alle verplichte opties, percelen, herhalingen als bedoeld in artikel 66, § 2, 3°, van de wet en alle gedeelten. Wanneer voor de oorspronkelijke opdracht is voorzien in één of meer verlengingen, zal de totale geraamde duur van de opdracht in principe maximaal 4 jaar kunnen bedragen. In dat geval geldt immers de regel dat de duur van opdracht beperkt dient te blijven tot vier jaar na het sluiten van de opdracht. Moeten eveneens in aanmerking worden genomen, alle voor de totale duur van een raamovereenkomst of dynamisch aankoopsysteem geplande opdrachten, alsook het prijzengeld en de betalingen aan de deelnemers. Bijgevolg moet de raming rekening houden met alle elementen die de waarde van het ontwerp kunnen beïnvloeden. Het tweede lid bevat een nieuwe verduidelijking betreffende het tijdstip waarop de raming wordt gemaakt : dit moet gebeuren op het tijdstip van de verzending van de bekend te maken aankondiging of, wanneer deze aankondiging gezien de gunningswijze niet noodzakelijk is, op het tijdstip waarop de procedure wordt aangevat, namelijk bij de verzending van de uitnodigingen om een aanvraag tot deelneming of een offerte in te dienen. Het derde lid herinnert aan het principe dat vervat is in artikel
  28. 2, van Richtlijn 2004/17/EG, alsook in 3, § 6, van het koninklijk besluit van 18 juni
  29. Volgens dit principe mag geen enkele opdracht worden gesplitst teneinde die aan de bekendmakingsregels te onttrekken. Indien bijvoorbeeld percelen of gedeelten van werken of bouwwerken toegestaan zijn, mogen deze modaliteiten niet tot gevolg hebben dat de percelen of gedeelten onttrokken worden aan de mededinging via een bekendmaking op Europees niveau. Betreffende de opmerking in punt 20 van het advies van de Raad van State wordt verwezen naar de bepaling van artikel 2, § 2, van het ontwerp. Art. 15.Onverminderd de bepalingen van artikel 14 van dit ontwerp, bevat het onderhavige artikel, dat overeenstemt met artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 18 juni 1996, twee verduidelijkingen voor de berekening van de geraamde waarde van een opdracht voor werken: 1° enerzijds dient rekening te worden gehouden met alle geplande werken.Wanneer het een bouwwerk betreft als bedoeld in de artikelen 3, 2°, en 4, 2°, van de wet, zoals uiteengezet in de memorie van toelichting, d.w.z. het product van een geheel van bouwkundige of civieltechnische werken dat ertoe bestemd is als zodanig een economische of technische functie te vervullen, moet de waarde van de verschillende opdrachten worden samengeteld om de op elke afzonderlijke opdracht toepasselijke bekendmakingsregels te bepalen op grond van de regel vermeld in artikel 14, derde lid; 2° anderzijds moet ook rekening worden gehouden met de geraamde waarde van de leveringen of diensten die nodig zijn voor de uitvoering van de werken of van het bouwwerk en die de aanbestedende entiteit ter beschikking stelt van de aannemer, zoals bijvoorbeeld de ter beschikkingstelling van een partij straatstenen of andere materialen;3° aangezien de Europese drempels voor de werken, leveringen en diensten verschillend zijn, betekent dit a contrario dat de waarde van de leveringen of diensten die niet nodig zijn voor de uitvoering van een opdracht voor werken, niet mag worden toegevoegd aan de waarde van de werken met de bedoeling ze te onttrekken aan de mededinging op Europees niveau. Art. 16.Dit artikel bevat specifieke berekeningsmodaliteiten voor sommige opdrachten voor leveringen die vervat zijn in artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 18 juni
  30. 1° Conform het eerste lid, moet bij opdrachten voor leveringen die een zekere regelmaat vertonen of bestemd zijn om in de loop van een bepaalde periode te worden hernieuwd, worden uitgegaan van de totale geraamde waarde van de opeenvolgende opdrachten over twaalf maanden volgend op de eerste levering of, indien de looptijd van de opdracht meer bedraagt dan twaalf maanden, over de volledige looptijd ervan. Artikel 17.7, van Richtlijn 2004/17/EG voorziet in twee verschillende ramingswijzen voor dit soort opdrachten. In dit ontwerp wordt gekozen voor de meest strenge ramingswijze om foutieve interpretaties te voorkomen. Ingevolge de opmerking in punt 6.2 van de Raad van State wordt verduidelijkt dat het woord « periode » verkozen werd boven het woord « boekjaar » in de veronderstelling dat het om meer dan twaalf maanden gaat. De tekst van artikel 17.7, b, van de richtlijn is immers niet zeer coherent aangezien hij verwijst naar « het boekjaar, indien het zich over meer dan twaalf maanden uitstrekt », zonder evenwel de draagwijdte van het woord te verduidelijken terwijl de bepaling betrekking heeft op opdrachten voor leveringen en diensten die met name bestemd zijn om in de loop van een bepaalde periode te worden hernieuwd. De formulering « opdrachten voor leveringen die een zekere regelmaat vertonen » heeft betrekking op de aankoop van leveringen van dezelfde aard via afzonderlijke opdrachten die gegund worden tijdens dezelfde referentieperiode, meer bepaald het begrotingsjaar of boekjaar. De formulering « die bestemd zijn om te worden hernieuwd » heeft betrekking op steeds wederkerende behoeften van de aanbestedende entiteit. 2° Overeenkomstig het tweede lid, zijn specifieke berekeningsmodaliteiten van toepassing wanneer de opdrachten gegund worden in de vorm van huur, huurkoop, leasing of in een vergelijkbare vorm.Bij een opdracht met een bepaalde duur, wordt rekening gehouden met de geraamde totale waarde van de opdracht voor de gehele looptijd ervan. Wanneer deze bepaalde duur meer dan twaalf maanden bedraagt, moet de restwaarde van de leveringen op het einde van de overeenkomst in de raming worden opgenomen. Bij opdrachten van onbepaalde duur, of waarvan de looptijd niet kan worden bepaald, moet het geraamde maandelijkse bedrag van de opdracht vermenigvuldigd worden met achtenveertig. Hier worden bijvoorbeeld de opdrachten met een clausule tot jaarlijkse verlenging bedoeld. Daarentegen moet een opdracht met een maximale looptijd van vijf jaar die een clausule tot jaarlijkse opzegging bevat, beschouwd worden als een opdracht met een bepaalde duur van vijf jaar. In dat geval zullen de vijf jaar in aanmerking worden genomen om de geraamde waarde van de opdracht te bepalen. Ten slotte wordt hier nog herinnerd aan de bepaling van artikelen 3, 3°, en 4, 2°, van de wet die betrekking heeft op de hypothese van een gemengde opdracht voor leveringen en werken. Meer bepaald gaat het om de regel volgens dewelke een opdracht die betrekking heeft op het leveren van producten en in bijkomende orde op plaatsing- en installatiewerkzaamheden als een opdracht voor leveringen moet worden beschouwd. Art. 17.Dit artikel bevat sommige berekeningsmodaliteiten die specifiek betrekking hebben op de opdrachten voor diensten die vervat zijn in artikel 3, § 3, van het koninklijk besluit van 18 juni
  31. Paragraaf 1 herinnert aan het principe volgens hetwelk de waarde van de opdracht de geraamde totale vergoeding van de dienstverlener bevat. Vervolgens licht de tekst dit principe toe voor drie categorieën van diensten. De paragrafen 2 en 3 bevatten twee verduidelijkingen over de berekeningswijze van de geraamde waarde van sommige opdrachten voor diensten. Bij een opdracht met een bepaalde duur die niet meer bedraagt dan achtenveertig maanden, moet rekening worden gehouden met de totale geraamde waarde van de opdracht voor de gehele looptijd ervan. Bij een opdracht van onbepaalde duur of waarvan de bepaalde duur meer bedraagt dan achtenveertig maanden, is de berekening daarentegen gebaseerd op de geraamde maandelijkse waarde vermenigvuldigd met achtenveertig. Bij opdrachten voor diensten die een zekere regelmaat vertonen of bestemd zijn om in de loop van een bepaalde periode te worden hernieuwd, wordt uitgegaan van de totale geraamde waarde van de opeenvolgende opdrachten over twaalf maanden volgend op de eerste prestatie of, indien de looptijd van de opdracht meer bedraagt dan twaalf maanden, over de volledige looptijd ervan. Paragraaf 4 bepaalt dat bij opdrachten die diensten van zowel bijlage II, A, als bijlage II, B, van de wet omvatten, moet worden bepaald welke van deze beide categorieën de grootste waarde vertegenwoordigt teneinde de toepasselijke regels te bepalen. Paragraaf 5 handelt over de raming van de waarde van de opdrachten die zowel leveringen als diensten omvatten en eventueel ook plaatsing en installatie. Art. 18.Dit artikel preciseert dat de raming van het opdrachtbedrag bij de aanvang van de procedure bepaalt welke voorschriften erop van toepassing zijn tijdens het volledige verloop ervan tot aan de sluiting van de opdracht. Zo zal bijvoorbeeld een opdracht waarvoor volgens de raming een bekendmaking op Europees niveau vereist is, onderworpen zijn aan de voorschriften die toepasselijk zijn op die opdrachtcategorie, zelfs indien het goed te keuren offertebedrag lager is dan de Europese drempel. Omgekeerd zal een opdracht waarvan het geraamde bedrag beneden de Europese drempel lag, maar waarvan het bedrag van de goed te keuren offerte deze drempel komt te overschrijden, niet aan dit besluit onderworpen worden. De bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en eventueel in het Bulletin der Aanbestedingen van een aankondiging betreffende een opdracht waarvoor een dergelijke bekendmaking niet verplicht is, heeft daarentegen geen enkele invloed op het op die opdracht toepasselijke stelsel, uitgaande van zijn geraamde waarde. HOOFDSTUK
  32. - Bekendmaking Afdeling
  33. - Algemene bekendmakingsregels Art. 19.Dit artikel stemt overeen met de bepalingen betreffende de bekendmaking die verspreid zijn over de artikelen 6 e.v. van het koninklijk besluit van 18 juni
  34. Het bepaalt dat voor de opdrachten die onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking, de aankondigingen bekendgemaakt worden in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze aankondiging kan ook worden bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen wanneer de aanbestedende entiteit dit beslist. De aankondiging bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen moet inhoudelijk overeenstemmen met die bestemd voor het Publicatieblad en de bekendmaking ervan mag niet plaatsvinden vóór de datum waarop de aankondiging naar het Bureau voor Publicaties van de Europese Unie wordt verzonden. Volgens paragraaf 2 geldt enkel de aankondiging bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en eventueel in het Bulletin der Aanbestedingen, als officiële bekendmaking. Geen enkele andere bekendmaking mag plaatsvinden vóór de verzendingsdatum van de aankondiging. Ze mag geen andere informatie bevatten dan die vervat in die aankondiging. De bepaling vermeldt ten slotte dat het verboden is om vóór de verzendingsdatum van de aankondiging met het oog op een bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie de in de aankondiging vermelde informatie te bekend te maken of te verspreiden. Dit verbod heeft hoofdzakelijk betrekking op de elektronische en automatische verspreiding van de informatie vervat in de aankondiging naar geïnteresseerde personen en dit vóór de verzendingsdatum van de aankondiging. De bedoeling hiervan is te vermijden dat sommige ondernemingen op die manier een tijdsvoordeel zouden bekomen omdat zij vóór de bekendmaking op de hoogte zijn gebracht. Om dezelfde reden mag de inhoud van de niet-officiële bekendmaking niet verschillen van die van de officiële bekendmaking, zodat het niet toegestaan is om langs die weg bijkomende informatie mee te delen. Art. 20.Dit artikel vormt een nieuwe bepaling. Wanneer de aanbestedende entiteit sommige reeds officieel bekendgemaakte gegevens wenst te verbeteren of aan te vullen, kan zij hetzij een volledig nieuwe aankondiging bekendmaken, hetzij een rechtzettingsbericht bekendmaken volgens het model van aankondiging beschikbaar op de webapplicatie van de Europese Unie (http://simap.europa.eu/buyer/forms-standard/index_nl.htm ). Dankzij dit model kan worden vermeden dat een volledig nieuwe aankondiging moet worden bekendgemaakt, wat een soepeler oplossing biedt wanneer de verbeteringen of wijzigingen eerder beperkt zijn. In geval van de bekendmaking van een volledig nieuwe aankondiging is het wenselijk om daarop de aandacht te vestigen in het veld VI.3 « Andere inlichtingen », teneinde een link te leggen met de eerder bekendgemaakte aankondiging(en). De aanbestedende entiteit dient evenwel rekening te houden met de eventuele impact van de aangebrachte verbeteringen of aanvullingen op de ontvangsttermijn voor de aanvragen tot deelneming of de offertes, zoals vermeld in de oorspronkelijke aankondiging. Doorgaans zal zij een verlenging ervan moeten toestaan. Deze dient eventueel te worden verlengd in functie van het belang van de verbeteringen of aanvullingen, opdat de kandidaten of inschrijvers nog over een voldoende termijn zouden beschikken om met het bericht rekening te kunnen houden. Art. 21.Het eerste lid van dit artikel bevat een nieuwe bepaling die de bewijslast van de verzending van de aankondiging van opdracht bij de aanbestedende entiteit legt. Het tweede lid bevat ook een nieuwe bepaling volgens dewelke de bevestiging van de verzending van de inlichtingen als bewijs geldt voor de bekendmaking van de aankondiging. Afdeling
  35. - Europese drempels Art. 22.Dit artikel vermeldt de Europese drempelbedragen. Het stemt overeen met artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 juni
  36. De opdrachten waarvan de geraamde waarde de in dit artikel vastgelegde bedragen bereikt of overschrijdt, zijn onderworpen aan de Europese bekendmaking. Overeenkomstig artikel 2, § 2, van dit ontwerp, gaat het om bedragen zonder belasting over de toegevoegde waarde. Naargelang de aard van de opdracht, zijn de volgende drempels van toepassing vanaf 1 januari 2012 : 1° voor de werken, 5.000.000 euro. Het begrip « werken » omvat ook de bouwwerken, zoals uiteengezet in de memorie van toelichting van artikel 3, 2°, van de wet; 2° voor de leveringen en de diensten bedoeld in bijlage II van de wet 400.000 euro. Hierbij moet worden opgemerkt dat, in tegenstelling tot de diensten bedoeld in bijlage II, A, van de wet, de diensten bedoeld in bijlage II, B, als niet-prioritair worden beschouwd voor de voltooiing van de interne markt en enkel verplicht onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking in het stadium waarin de resultaten van de opdracht worden medegedeeld, en dit ongeacht de procedure, conform artikel 31, §
  37. Tot nader order worden deze diensten, anders dan die van de bijlage II, A, van de wet, minder belangrijk geacht voor de mededinging binnen de interne markt. Dat is ook de reden waarom ze niet het voorwerp moeten uitmaken van een voorafgaande Europese bekendmaking. De Europese Commissie kan het bedrag van de Europese drempels herzien overeenkomstig artikel 69 van Richtlijn 2004/17/EG. Dit is de reden waarom de Eerste Minister, op grond van artikel 75, § 2, van de wet belast is met de aanpassing van de bedragen van dit besluit op basis van de door de Europese Commissie verrichte herzieningen. Art. 23.Dit artikel betreffende de opdrachten in percelen, herneemt de bepalingen van artikel 3, § 5, van het koninklijk besluit van 18 juni 1996 en verruimt ze tot de homogene leveringen en de diensten. Onder homogene leveringen moeten leveringen worden verstaan van dezelfde aard en met dezelfde of een vergelijkbare bestemming : bijvoorbeeld fotokopieerpapier ongeacht het vereiste formaat, kantoormeubelen die een harmonisch geheel moeten vormen of nog voedingsmiddelen van een bepaald assortiment. In dat geval moeten de bedragen van alle percelen worden samengevoegd teneinde te bepalen of de Europese drempel is bereikt. Als dat zo is, zijn alle percelen onderworpen aan de Europese bekendmaking. De aanbestedende entiteit kan nochtans gebruik maken van de in dit artikel vermelde mogelijkheid om percelen waarvan het individuele bedrag kleiner is dan 1.000.000 euro voor werken en 80.000 euro voor homogene leveringen en voor diensten aan de Europese bekendmaking te onttrekken. Hiervoor geldt evenwel als voorwaarde dat het samengevoegde bedrag van de onttrokken percelen niet meer bedraagt dan twintig percent van het bedrag van het geheel van alle percelen. Een dergelijke bepaling maakt het mogelijk deze percelen met een beperkte waarde op Europees niveau niet bekend te maken, daar deze immers vooral interessant zijn voor kleine en middelgrote ondernemingen. De waarde van deze percelen wordt niettemin in aanmerking genomen voor de raming van de opdracht overeenkomstig de artikelen 14 tot
  38. Een voorbeeld zou kunnen zijn, een bouwwerk met een geraamd bedrag van 5,5 miljoen euro en verdeeld in vier percelen van respectievelijk: - perceel « ruwbouw » = 4 miljoen euro - perceel « speciale technieken » = 0,7 miljoen euro - perceel « schrijnwerk » = 0,5 miljoen euro - perceel « afwerking » = 0,3 miljoen euro. De aanbestedende entiteit mag de percelen « speciale technieken » en « schrijnwerk » niet onttrekken aan de Europese bekendmaking. Alhoewel de individuele waarde van deze verschillende percelen inderdaad minder bedraagt dan 1 miljoen euro, is hun samengevoegd bedrag evenwel hoger dan 20 % van het opdrachtbedrag, zijnde 1,1 miljoen euro. De percelen « schrijnwerk » en « afwerking » kunnen daarentegen aan de Europese bekendmaking worden onttrokken, omdat de individuele waarde van deze verschillende percelen minder bedraagt dan 1 miljoen euro en hun samengevoegd bedrag lager is dan 20 % van het opdrachtbedrag, zijnde 1,1 miljoen euro. Hetzelfde zou gelden voor het perceel « speciale technieken ». In deze gevallen dienen de andere percelen vanzelfsprekend te worden bekendgemaakt op Europees niveau, zelfs indien de totale waarde van die percelen de Europese drempel niet bereikt. In het eerst geciteerde voorbeeld vertegenwoordigen de percelen « ruwbouw » en « speciale technieken » slechts een bedrag van 4,7 miljoen euro. Niettemin moeten ze worden bekendgemaakt omdat rekening moet worden gehouden met de geraamde waarde van de onttrokken percelen bij het bepalen van de globale waarde van de opdracht (rekening houdend met de huidige Europese drempel van 5 miljoen euro). Dit besluit is niet van toepassing op de plaatsing van de onttrokken percelen. Afdeling
  39. - Europese bekendmaking Art. 24.Dit nieuwe artikel bepaalt dat deze afdeling van toepassing is op de opdrachten onder de tweeledige voorwaarde dat ze de Europese drempels bereiken en onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking. Art. 25.Dit nieuwe artikel somt de aankondigingen op die vorm geven aan de Europese bekendmaking, namelijk de periodieke indicatieve aankondiging, de aankondiging van opdracht, de aankondiging betreffende de instelling van een kwalificatiesysteem en de aankondiging van gegunde opdracht. Er wordt verwezen naar de commentaar van de artikelen 26 en volgende. Art. 26.Dit artikel herneemt dit bepalingen betreffende de bekendmaking van de periodieke indicatieve aankondiging en de inhoud ervan opgenomen in artikel 6 van het koninklijk besluit van 18 juni
  40. De bedoelde werken en bouwwerken zijn die waarvan de geraamde waarde minimum 5.000.000 euro bedraagt. Wat de leveringen betreft, heeft de vooraankondiging betrekking op alle opdrachten met een totale waarde van minimum 750.000 euro die individueel waarschijnlijk de drempel voor de Europese bekendmaking bereiken en ingedeeld zijn per productgroep. De « productgroepen » worden aangeduid met de drie eerste cijfers van de basiswoordenlijst van de CPV-nomenclatuur (gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten), goedgekeurd bij verordening (EG) nr. 213/2008 van de Commissie van 28 november 2007 tot wijziging van verordening (EG) nr. 2195/2002 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten (CPV) en tot wijziging van de Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten, in verband met de herziening van de CPV (PBEU L-74 van 15 maart 2008). Zo hebben de drie eerste cijfers 031 bijvoorbeeld betrekking op land- en tuinbouwproducten, de cijfers 302 op computeruitrusting en -benodigdheden, de cijfers 325 op telecommunicatiebenodigdheden en de cijfers 341 op motorvoertuigen. Het is overigens nuttig eraan te herinneren dat de raamovereenkomst valt onder het begrip opdracht als bedoeld in dit ontwerp. Wat de diensten betreft, is de indeling voor hetzelfde totaalbedrag van 750.000 euro gebaseerd op de categorieën van bijlage II, A, van de wet. Artikel 26 bevat een nieuwe verduidelijking. De bekendmaking van een dergelijke aankondiging is slechts verplicht wanneer de aanbestedende entiteit de termijn voor de ontvangst van de offertes wenst in te korten ten gevolge van deze bekendmaking. Indien dit niet in haar bedoeling ligt, is de bekendmaking facultatief, maar laat deze geen inkorting van de termijnen toe. Nochtans dient men zich bewust te zijn van het belang dat deze informatie over mogelijke geplande opdrachten voor de ondernemingen kan hebben. Bepaalde opdrachten voor leveringen en voor diensten kunnen de drempel voor de Europese bekendmaking bereiken (vandaag 400.000 euro) zonder individueel of samen de drempel van 750.000 euro te bereiken. In dat geval is de inkorting van de termijn ingevolge de bekendmaking van een periodieke indicatieve aankondiging eveneens mogelijk. De bekendmaking van een periodieke indicatieve aankondiging maakt het immers mogelijk dat de ondernemers zich voorbereiden op de deelname aan de aldus aangekondigde procedures en dat de aanbestedende entiteiten voordeel kunnen halen uit een eventuele verruiming van de mededinging. Dit is de reden waarom paragraaf 3 bepaalt dat de bekendmaking van een dergelijke aankondiging zo vlug mogelijk moet gebeuren na het begin van het begrotingsjaar of, voor de werken, na de beslissing tot goedkeuring van het programma waarin de werken of de raamovereenkomsten zijn opgenomen. In die omstandigheden zal een vooraankondiging immers het meest nuttig zijn. Dit belet evenwel niet dat later in de loop van het begrotingsjaar een bekendmaking kan plaatsvinden indien, bijvoorbeeld, nieuwe opdrachten worden uitgeschreven. Paragraaf 2 is een nieuwe bepaling dat artikel 41, § 2, van de richtlijn omzet. Volgens deze bepaling kunnen voor belangrijk projecten verscheidene periodieke indicatieve aankondigingen worden bekengemaakt, zonder in eerdere aankondigingen vervatte inlichtingen te herhalen, mits vermeld wordt dat deze aankondigingen een aanvulling zijn. Bovendien wordt de bepaling vervat in artikel
  41. 1, van Richtlijn 2004/17/EG vooralsnog niet omgezet in dit ontwerp. Volgens deze bepaling kan de aanbestedende entiteit de periodieke indicatieve aankondiging, via haar kopersprofiel, bekendmaken op een website. Een dergelijke bepaling is immers complex omdat de aanbestedende entiteit zelfs in dat geval de Europese Commissie moet informeren over deze bekendmaking via haar kopersprofiel. Bovendien zou het overaanbod van dergelijke websites de ondernemingen minder transparante informatie bieden dan de officiële bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en eventueel in het Bulletin der Aanbestedingen. Art. 27.Dit artikel herneemt de bepalingen van artikel 7 van het koninklijk besluit van 18 juni 1996 en somt de aankondigingen op die vorm geven aan de inmededingingstelling. Artikel 27, alsook de artikelen 28 tot 30, zijn niet van toepassing op de opdrachten voor diensten bedoeld in bijlage II, B, van de wet, want deze zijn niet verplicht onderworpen aan een voorafgaande Europese bekendmaking. Art. 28.Dit artikel herneemt bepalingen van artikel 8 van het koninklijk besluit van 18 juni
  42. Het betreft de inmededingingstelling via een aankondiging van opdracht. Art. 29.Dit artikel herneemt bepalingen van artikel 9 van het koninklijk besluit van 18 juni
  43. Het betreft de inmededingingstelling via een periodieke indicative aankondiging en de hiervoor toepasselijke voorwaarden. Art. 30.Dit artikel neemt bepalingen over van artikel 10 van het koninklijk besluit van 18 juni 1996, toepasselijk bij de invoering en het beheer van een kwalificatiesysteem. Met name worden de punten 5° en 6° toegevoegd die overeenstemmen met artikel
  44. 7 en 9, van Richtlijn 2004/17/EG. Volgens de bepaling onder 5° moet een lijst van aanvragers worden bijgehouden die in categorieën kan worden ingedeeld volgens het opdrachttype waarvoor de kwalificatie geldt. De bepaling onder 6° verduidelijkt dat de aanbestedende entiteit, naar aanleiding van een bepaalde opdracht, kan overgaan tot een eventuele aanvullende selectie onder de gekwalificeerde aanvragers. Het spreekt vanzelf dat deze selectie op de oorspronkelijke kwalificatiecriteria moet steunen waarbij de beoordeling eventueel gerichter of strenger gebeurt. Art. 31.Dit artikel stemt overeen met artikel 12 van het koninklijk besluit van 18 juni 1996, behalve wat de toelichting over het dynamisch aankoopsysteem betreft. Deze modaliteit bestaat heden niet. Ongeacht de gebruikte procedure en dus ook in geval van onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure als bedoeld in artikel 66, § 2, van de wet, wordt een aankondiging van gegunde opdracht bekendgemaakt conform het model opgenomen in de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 842/
  45. Overeenkomstig paragraaf 1, moet deze aankondiging worden verzonden binnen een termijn van twee maanden na de sluiting van de opdracht. Voor de opdrachten gebaseerd op een dynamisch aankoopsysteem, mogen de resultaten nochtans per trimester worden gegroepeerd. Deze aankondiging bevat informatie over de resultaten van de procedure. In dat geval mogen de resultaten van de tijdens een trimester toegewezen opdrachten dus worden gegroepeerd en, indien nodig, het voorwerp uitmaken van diverse afzonderlijke aankondigingen, volgens de betrokken leveringen of diensten voor courant gebruik. Deze aankondiging is bestemd voor bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en eventueel in het Bulletin der Aanbestedingen. Een aankondiging van gegunde opdracht is evenwel niet vereist bij de sluiting van elk van de opdrachten die op een raamovereenkomst gebaseerd zijn. Volgens paragraaf 2 moet de aanbestedende entiteit, wanneer de opdracht betrekking heeft op de diensten zoals vermeld in bijlage II, B, van de wet waarvan het geraamde bedrag de Europese drempel bereikt evenwel vermelden of zij de bekendmaking van de aankondiging in het Officiële Publicatieblad van de Europese Unie aanvaardt. Indien zij die weigert, wordt de aankondiging van gegunde opdracht niet naar het Bulletin der Aanbestedingen verzonden. In tegenstelling tot de Europese Commissie heeft de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie immers geen bevoegdheid inzake toezicht op de overheidsopdrachten, en die informatie, die niet bestemd is voor publicatie, zou geenszins nuttig zijn voor haar. Paragraaf 3 is een nieuwe bepaling die gewijd is aan het specifieke geval van de opdrachten voor onderzoek en ontwikkeling en de niet-bekendmaking van bepaalde gegevens voor die opdrachten. Volgens paragraaf 4 mag de aanbestedende entiteit bepaalde gegevens niet bekendmaken indien de openbaarmaking ervan de toepassing van een wet zou belemmeren, in strijd zou zijn met het algemeen belang, nadelig zou zijn voor de rechtmatige commerciële belangen van ondernemingen of de eerlijke mededinging tussen hen zou kunnen schaden. Deze bepaling wordt onder meer geïllustreerd door de volgende rechtspraak: Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest van 14 februari 2008, zaak C-450/06, Varec; Raad van State, arrest nr. 164.028 van 24 oktober 2006; Grondwettelijk Hof, arrest nr. 118/2007 van 19 september
  46. HOOFDSTUK
  47. - Indiening aanvragen tot deelneming en offertes Afdeling
  48. - Termijnen - Algemene bepalingen Art. 32.Het eerste lid van dit artikel, herinnert aan het algemeen principe volgens hetwelk de termijnen als bedoeld in de artikelen 35 en 36, minimumtermijnen zijn, die moeten worden bepaald rekening houdend met de complexiteit van de opdracht en met de nodige voorbereidingstijd. Hierbij moet worden opgemerkt dat overeenkomstig artikel 72bis van de wet alle termijnen worden uitgedrukt in kalenderdagen. Ze worden berekend vanaf de verzending van de aankondiging van opdracht of de uitnodiging tot het indienen van een offerte, naargelang het geval, overeenkomstig de modaliteiten van het Gemeenschapsrecht houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden als bedoeld in de verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden. Volgens artikel 3 van deze verordening : - gaat een in dagen omschreven termijn in bij de aanvang van het eerste uur van de eerste dag ervan en loopt deze af bij het einde van het laatste uur van de laatste dag ervan; - zijn feestdagen, zondagen en zaterdagen in de termijnen begrepen, behalve indien deze dagen daarvan uitdrukkelijk zijn uitgesloten of indien de termijnen in werkdagen zijn omschreven; - geldt dat, indien de laatste dag van een anders dan in uren omschreven termijn een feestdag, een zaterdag of een zondag is, deze termijn afloopt bij het einde van het laatste uur van de daaropvolgende werkdag. Deze laatste bepaling is niet van toepassing op termijnen die met terugwerkende kracht vanaf een bepaalde datum of gebeurtenis worden berekend, wat hier niet het geval is. Wanneer bijvoorbeeld in het kader van een opdracht te plaatsen via een open procedure, waarvoor een bekendmakingstermijn van 52 dagen geldt, de aankondiging is verzonden op 1 maart, begint de termijn te lopen op 2 maart en eindigt deze ten vroegste op 22 april middernacht. De uiterste datum voor de ontvangst van de offertes zal dan niet kunnen vastgesteld worden op 22 april, maar wel op 23 april. Indien 22 april echter op een zaterdag valt, zal de uiterste datum ten vroegste kunnen vastgesteld worden bij het verstrijken van de eerstvolgende werkdag (dit is maandag 24 om middernacht), d.w.z. op dinsdag 25 april. Het tweede lid handelt over bepaalde omstandigheden die een rol spelen bij de vaststelling van de termijn. Het derde en vierde lid die overeenstemmen met artikel 11, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 18 juni 1996, preciseren de omstandigheden waarin de proceduretermijnen moeten worden aangepast. Het laatste lid bevat een nieuwe bepaling ingeval de artikelen 35 en 36 geen termijnen vaststellen, bijvoorbeeld voor de ontvangst van de offertes bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking. In dat geval bepaalt de aanbestedende entiteit een passende en redelijke termijn, rekening houdend met de complexiteit van de opdracht. Art. 33.Dit artikel stemt gedeeltelijk overeen met artikel 11, § 1, van het koninklijk besluit van 18 juni
  49. Het bepaalt dat bij open procedure de opdrachtdocumenten door de aanbestedende entiteit worden verstrekt binnen zes dagen na ontvangst van de aanvraag. Een nieuwe bepaling vermeldt evenwel dat dit voorschrift niet van toepassing is indien de aanbestedende entiteit via het aangeduid internetadres vrije, rechtstreekse, onmiddellijke en volledige toegang biedt tot de opdrachtdocumenten. Art. 34.Dit artikel stemt gedeeltelijk overeen met artikel 11, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 18 juni
  50. Het bepaalt binnen welke termijn de aanvullende inlichtingen over de opdrachtdocumenten moeten worden verstrekt. Deze kunnen worden meegedeeld tijdens een bij voorkeur in de opdrachtdocumenten aangekondigde informatiesessie georganiseerd door de aanbestedende entiteit. Afdeling
  51. - Termijnen voor de bekendmaking Art. 35.Het eerste lid van paragraaf 1 van dit artikel neemt de bepalingen over van artikel 8, § 3, van het koninklijk besluit van 18 juni
  52. Het bepaalt voor de open procedure, de minimumtermijn voor de ontvangst van de offertes. Voor het bepalen van het vertrekpunt van de termijn dient te worden herinnerd aan de regel volgens dewelke de datum van verzending van de aankondiging van het Bureau voor Publicaties van de Europese Unie in aanmerking moet worden genomen en niet de datum van de eventuele verzending naar de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie. Er dient te worden opgemerkt dat de inkorting van de termijn ten gevolge van de bekendmaking van een periodieke indicatieve aankondiging geen formele motivering vereist. Paragraaf 2 is nieuw. Hieruit blijkt dat de termijn voor de ontvangst van de offertes, eventueel ingekort overeenkomstig paragraaf 1, bijkomend met zeven dagen kan worden ingekort indien de aankondiging online wordt opgesteld en met elektronische middelen wordt verzonden conform het formaat en op de wijze bepaald in paragraaf 2, 1°. Een bijkomende inkorting met vijf dagen is mogelijk indien de aanbestedende entiteit vrije, rechtstreekse, onmiddellijke en volledige toegang biedt tot alle opdrachtdocumenten via een internetadres. Deze verschillende termijninkortingen zijn cumuleerbaar binnen de perken van het tweede lid van paragraaf
  53. Art. 36.Paragraaf 1 van dit artikel neemt de bepalingen over van artikel 8, § 4, van het koninklijk besluit van 18 juni
  54. Hij bepaalt voor de beperkte procedures of de onderhandelingsprocedure met bekendmaking de minimumtermijn voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming. Het tweede en derde lid zijn nieuwe bepalingen die een inkorting van de ontvangsttermijn van de aanvragen tot deelneming mogelijk maken wanneer de aankondiging online wordt opgesteld en via elektronische middelen wordt verzonden, conform het formaat en de verzendingswijze bepaald door het Bureau voor Publicaties van de Europese Unie. Volgens het tweede lid kan de termijn met zeven dagen worden ingekort wanneer de aankondiging via elektronische middelen wordt verzonden. Het derde lid bepaalt dat de ontvangsttermijn voor de aanvragen tot deelneming mag worden ingekort tot een minimumtermijn van vijftien dagen vanaf de verzendingsdatum van de aankondiging wanneer de aankondiging via elektronische middelen wordt verzonden, conform het formaat en de voormelde modaliteiten, of per telefax en tot tweeëntwintig dagen wanneer andere middelen worden gebruikt. De rechtvaardiging van het gebruik van deze laatste inkorting, is verschillend van de dwingende spoed die voortvloeit uit onvoorziene gebeurtenissen die niet te wijten zijn aan de aanbestedende entiteit als bedoeld in artikel 66, § 1, 1°, a, van de wet. Deze laatste omstandigheden zouden immers het gebruik van een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking rechtvaardigen. Het spoedeisend karakter waarvan hier sprake is, vloeit voort uit een rechts- of feitelijke toestand, binnen de aanbestedende entiteit of daarbuiten, die een inkorting van de gewone minimumtermijn noodzakelijk maakt in dit stadium van de procedure. In de volgende voorbeelden is de verantwoording in principe aanvaardbaar : - de dienstverlening aan de gebruikers moet worden voortgezet ondanks de onverwachte stopzetting van de activiteiten van de opdrachtnemer; - de onvoorziene toename van de bestellingen van apparatuur die het voorwerp uitmaakt van de opdracht op internationaal niveau leidt tot een verlenging van de productietermijnen; - de Europese kredieten of subsidies moeten verplicht binnen een bepaalde termijn worden gebruikt; - de continuïteit en permanentie van een strategisch communicatieplan dienen te worden gewaarborgd, terwijl de omschrijving van de behoeften van de aanbestedende entiteit afhankelijk was van haar beheersovereenkomst die te laat werd goedgekeurd; - de werken moeten snel worden opgestart teneinde de betaling van een dwangsom of het verstrijken van de bouwvergunning te vermijden; - de prijs van de betrokken producten is onderhevig aan grote schommelingen op de internationale markt, zodat de leveranciers geen verbintenis kunnen aangaan anders dan op zeer korte termijn. Vormen daarentegen geen aanvaardbare verantwoording, de loutere vermelding dat : - de aankondiging werd verstuurd via elektronische middelen; - de prestaties enkel door personen die een bepaald beroep uitoefenen, mogen worden uitgevoerd; - de gewone termijn niet haalbaar is; - een bepaald artikel van de reglementering betreffende de inkorting van de termijn van toepassing is. Geen van de bovenstaande voorbeeldenlijsten zijn limitatief te interpreteren. Paragraaf 2 van artikel 36 bevat de bepalingen van artikel 8, § 5, van het koninklijk besluit van 18 juni
  55. Hij verduidelijkt dat de termijn voor de ontvangst van de offertes gezamenlijk kan worden bepaald door de aanbestedende entiteit en de geselecteerden. Indien het onmogelijk is om tot een akkoord te komen, dient de aanbestedende entiteit een termijn te bepalen die doorgaans niet minder dan vierentwintig dagen. Volgens een nieuwe bepaling in het derde lid kan de termijn worden ingekort wanneer de aankondiging van opdracht via elektronische middelen online wordt opgesteld en verzonden of wanneer een vrije, rechtstreekse, onmiddellijke en volledige toegang tot de opdrachtdocumenten gewaarborgd wordt. In antwoord op de opmerking in punt 6.3 van het advies van de Raad van State, wordt erop gewezen dat de mogelijkheid tot inkorting van de termijn voor de indiening van de offertes met zeven dagen voortvloeit uit de samenlezing van artikel 45.5 en artikel 45.8, tweede alinea. Het vierde lid bepaalt de toepasselijke minimumtermijn in geval van samenspel van inkortingen. Afdeling
  56. - Uitnodiging geselecteerden tot indiening offerte Art. 37.Dit artikel bevat bepalingen die vergelijkbaar zijn met die van artikel 8, § 5, tweede lid, van het koninklijk besluit van 18 juni
  57. Het eerste lid bepaalt dat bij beperkte procedure en onderhandelingsprocedure met bekendmaking, de kandidaten gelijktijdig en schriftelijk worden uitgenodigd om een offerte in te dienen. Het tweede lid preciseert de documenten en inlichtingen die de uitnodiging tot het indienen van een offerte moet bevatten. Wat de in de uitnodiging te vermelden gegevens betreft, moet worden gewezen op de volgende bepalingen : - in 1°, a, de mogelijkheid om met elektronische middelen vrije, rechtstreekse, onmiddellijke en volledige toegang te bieden tot de opdrachtdocumenten; - in 1°, b, de vermelding van de kostprijs van de opdrachtdocumenten wanneer hun afgifte betalend is. De kostprijs mag enkel de kosten voor het kopiëren van de documenten en eventueel de frankeerkosten omvatten; - in 3°, a, de uiterste datum en uur voor ontvangst van de offertes; - in 5°, de vermelding « al naargelang » met betrekking tot de weging van de gunningscriteria, dat eraan herinnert de algemene wegingsregel. Afdeling
  58. - Indieningsrecht en -wijze aanvragen tot deelneming en offertes Art. 38.Dit artikel gaat nader in op de indieningswijze van de aanvragen tot deelneming en de offertes. Paragraaf 1, die gedeeltelijk overeenstemt met paragraaf 3 van artikel 11 van het koninklijk besluit van 18 juni 1996, bepaalt de indieningsregels van de aanvragen tot deelneming. Het vervolg van de paragraaf verduidelijkt eveneens zoals artikel 11, § 3, van het koninklijk besluit van 18 juni 1996 dat indien de aanvraag tot deelneming per telefax of via een elektronisch middel gebeurt, met het oog op een juridisch bewijs een schriftelijke bevestiging kan worden geëist. Wat de elektronisch middel betreft, is deze bevestiging evenwel enkel vereist wanneer dat middel niet voldoet aan de voorschriften van artikel 40, §
  59. Een schriftelijke bevestiging is daarentegen verplicht ingeval van een telefonische aanvraag tot deelneming. Behalve voor de documenten waarvan het origineel moet worden voorgelegd, dient de bevestiging de reeds per telefax ingediende aanvraag niet volledig over te nemen, maar betrekking te hebben op de indiening zelf. Aangezien de aanvraag moet worden ondertekend, een vereiste waaraan niet kan worden voldaan bij een verzending per telefax, moet de bevestiging geldig ondertekend zijn. De aanvraag tot deelneming moet worden ondertekend door de persoon of personen die bevoegd of gemachtigd zijn om de kandidaat te verbinden. De woorden « in voorkomend geval » hebben betrekking op de indieningsmodaliteiten. De aanvraag kan immers niet worden ondertekend wanneer ze telefonisch, per telefax, e-mail of SMS werd ingediend. Onder « ondertekening » wordt begrepen : - de ondertekening door de kandidaat-natuurlijke persoon; - de ondertekening door de natuurlijke persoon die bevoegd is om de kandidaat-rechtspersoon te verbinden krachtens de wetgeving vennootschappen of andere wettelijke of reglementaire bepalingen en de toepasselijke statutaire bepalingen; - de ondertekening door een natuurlijke of rechtspersoon, die gemachtigd is de kandidaat-natuurlijke of rechtspersoon te verbinden. Dit voorschrift geldt eveneens voor alle personen die samen een aanvraag tot deelneming indienen en de intentie hebben om na hun selectie een combinatie zonder rechtspersoonlijkheid op te richten. Paragraaf 2, die toepasselijk is voor alle gunningsprocedures, met uitzondering van de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, behandelt de indienings- en ondertekeningswijzen van de offertes. De offerte wordt schriftelijk ingediend. Wat de ondertekening van de offerte betreft, zijn dezelfde voorschriften van toepassing als die van paragraaf
  60. Art. 39.Dit artikel betreffende de onderaanneming voorziet in de omzetting van artikel 37 van Richtlijn 2004/17/EG. Krachtens het eerste lid van dit artikel kan de inschrijver worden verzocht om in zijn offerte het in onderaanneming gegeven gedeelte van de opdracht en de identiteit van de onderaannemers te vermelden. Deze bepaling is toepasselijk op de opdrachten voor werken, leveringen en diensten. Bij een procedure in twee fasen, wanneer de inschrijver geselecteerd werd rekening houdend met de draagkracht van zijn onderaannemers, moet de offerte voortaan het in onderaanneming gegeven gedeelte van de opdracht en de identiteit van de onderaannemers vermelden. Dit blijkt uit artikel
  61. Art. 40.Dit artikel betreffende het gebruik van elektronische middelen voor het indienen van aanvragen tot deelneming of offertes neemt bepalingen van artikel 19quater van het koninklijk besluit van 18 juni 1996 over. Paragraaf 1 van dit artikel bepaalt vervolgens de na te leven minimumvoorwaarden wanneer elektronische middelen worden gebruikt. Deze voorwaarden stemmen inhoudelijk overeen met die van artikel 19quater van het koninklijk besluit van 18 juni
  62. Wat de opgesomde voorwaarden betreft, zijn enkel die vermeld in 1°, betreffende de elektronische handtekening, de te nemen maatregelen in geval van ontdekking van een computervirus (punt 2° ) alsook die betreffende de automatische vaststelling van het precieze tijdstip van ontvangst (punt 3° ) en tegelijk van toepassing op de kandidaten of inschrijvers, en op de aanbestedende entiteit. De overige voorwaarden zijn enkel van toepassing op de aanbestedende entiteit. De tekst verduidelijkt in het laatste lid dat de voorwaarden van 3° tot 8° niet toepasselijk zijn op de met elektronische middelen opgestelde offertes die niet via deze middelen worden overgelegd. Het is immers mogelijk dat een schriftelijk stuk wordt opgesteld via elektronische middelen en via andere middelen wordt verzonden. Zo bijvoorbeeld wanneer het wordt weggeschreven naar een materiële informaticadrager (hardware) zoals CD, DVD, USB-apparaat,.... In dit geval zijn de regels voor de verzending per brief of per drager van toepassing. Volgens punt 1°, moet de handtekening een geavanceerde elektronische handtekening met een gekwalificeerd certificaat zijn, zoals bedoeld in de Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor de elektronische handtekeningen en zoals bedoeld in de wet van 25 maart 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/03/2003 pub. 28/03/2003 numac 2003000234 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen sluiten tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen. Hieruit vloeit voort dat een kandidatuur of offerte die werd ondertekend via een anoniem certificaat, moet worden verworpen. De geavanceerde elektronische handtekening garandeert o.a. de authenticiteit van de handtekening zelf maar ook de integriteit van de inhoud ervan. Zij laat bovendien perfect toe na te gaan of de offerte werd geopend of gewijzigd. Eén van de voorwaarden is dat de handtekening wordt gerealiseerd via een veilig middel voor het aanmaken van een handtekening. Volgens bijlage III van de wet van 9 juli 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 09/07/2001 pub. 29/09/2001 numac 2001011298 bron ministerie van economische zaken Wet houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten sluiten houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten, die Richtlijn 1999/93/EG omzet, moet een dergelijk middel, via passende technieken en procedures, ten minste waarborgen dat : - de gebruikte gegevens voor het aanmaken van een handtekening in de praktijk slechts éénmaal kunnen voorkomen en dat de vertrouwelijkheid ervan op redelijke wijze verzekerd is; - men redelijke zekerheid heeft dat de gebruikte gegevens voor het aanmaken van de handtekening niet door deductie kunnen worden achterhaald en dat de handtekening met de op dit ogenblik beschikbare technische middelen beschermd is tegen vervalsing; - de voor het aanmaken van de handtekening gebruikte gegevens door de legitieme ondertekenaar op betrouwbare wijze kunnen worden beschermd tegen het gebruik door anderen. Bovendien mogen de veilige middelen voor het aanmaken van een handtekening noch de te ondertekenen gegevens wijzigen, noch verhinderen dat die gegevens vóór het ondertekeningsproces aan de ondertekenaar worden voorgelegd. De bepalingen van Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt, zijn ook van toepassing op de verzending via elektronische middelen. Bovendien heeft de wet van 20 oktober 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/10/2000 pub. 22/12/2000 numac 2000010017 bron ministerie van justitie Wet tot invoering van het gebruik van telecommunicatiemiddelen en van de elektronische handtekening in de gerechtelijke en de buitengerechtelijke procedure sluiten, het gebruik van telecommunicatiemiddelen en van de elektronische handtekening in de gerechtelijke en de buitengerechtelijke procedure ingevoerd. Volgens punt 2° moet de integriteit van de inhoud van de verzending worden gewaarborgd. Zoals hierboven werd opgemerkt, is deze bepaling niet enkel van toepassing op de aanbestedende entiteit, maar ook op de kandidaten of inschrijvers. Hieruit vloeit voort dat een aanvraag tot deelneming of offerte die een macro-opdracht bevat die het document kan wijzigen, zal worden geweerd. Er wordt verwezen voor dit punt naar het commentaar van artikel 5, §
  63. Volgens punt 3° moet, wanneer een verzending via elektronische middelen gebeurt, het tijdstip van ontvangst van het document kunnen worden bewezen door overlegging van een ontvangstbewijs dat automatisch door de bestemmeling aan de afzender wordt verstrekt. Op technisch niveau dienen de automatisch verzonden ontvangstbewijzen ten minste de datum en het uur van ontvangst te vermelden, alsook een refertenummer en het aantal en de naam van de elementen waaruit het bericht bestaat, m.a.w. de bijlagen. Het is niet nodig een kopie van het ontvangen bericht als bijlage toe te voegen. Volgens de bepalingen onder 4° en 5° wordt het vertrouwelijk karakter van de aanvragen tot deelneming en de gewaarborgd door een systeem dat redelijkerwijs verzekert dat de overgemaakte gegevens voor niemand toegankelijk zijn vóór de uiterste datum en dat elke inbreuk zal worden opgespoord. Het is de bedoeling om via deze vereiste een waarborg te bieden die minstens gelijkwaardig is aan die geboden door de vormvereiste van de definitief gesloten envelopen de verzending onder gewone of dubbele envelop in geval van overhandiging door een bode of verzending per brief. Volgens de punten 6° en 7° mogen enkel de aangestelde personen die handelen in naam van de aanbestedende entiteit, de data van opening van de overgelegde gegevens vastleggen of wijzigen en kunnen ze, door hun gelijktijdig optreden, toegang verlenen tot deze gegevens op de vastgelegde uiterste datum en uur. De overgemaakte gegevens betreffen zowel de aanvragen tot deelneming als de offertes, de wijzigingen en intrekkingen van offertes, alsook de plannen en ontwerpen bij een ontwerpenwedstrijd. Deze bepalingen zijn daarentegen niet van toepassing op het onderzoek van de elektronische aanvragen tot deelneming of offertes en evenmin op de procedures van interne controle bij de aanbestedende entiteit. Volgens punt 8° zijn die vertrouwelijke gegevens, zowel in het geval van een aanvraag tot deelneming als van een offerte, na de opening ervan alleen toegankelijk voor de tot inzage aangestelde personen. Volgens 9° mogen de te gebruiken hulpmiddelen niet discriminerend zijn. Ze moeten beschikbaar zijn voor alle betrokkenen. Ze worden beschreven in de opdrachtdocumenten. Bijgevolg worden aanvragen tot deelneming of offertes die niet in overeenstemming zijn met de bepalingen die deze voorwaarden bevatten geweerd. Dit zal het geval zijn wanneer een offerte wordt ingediend op een materiële informaticadrager (hardware) zoals CD, DVD, USB-apparaat,... en die niet compatibel is met de door de aanbestedende entiteit in de opdrachtdocumenten aangeduide middelen. Paragraaf 2 laat het daarentegen aan de aanbestedende entiteit over om voor elke opdracht waarvoor geen beroep wordt gedaan op het dynamisch aankoopsysteem of de elektronische veiling, te beslissen of het gebruik van elektronische middelen voor de indiening van de aanvragen tot deelneming of de offertes wordt opgelegd, toegestaan of verboden. Deze beslissing alsook, eventueel, het te gebruiken elektronisch adres worden vermeld in de opdrachtdocumenten. Indien deze vermeldingen ontbreken, is het gebruik van elektronische middelen verboden. Deze laatste oplossing is verschillend van de oplossing waarvoor geopteerd werd in het koninklijk besluit van 18 juni
  64. In dit besluit wordt immers bepaald dat zelfs indien de aanbestedende entiteit het gebruik van elektronische middelen toestaat, de kandidaten en de inschrijvers hun aanvragen tot deelneming of offertes op papier mogen opstellen, of gedeeltelijk via elektronische middelen en gedeeltelijk op papier. Het tweede en derde lid van paragraaf 2 zorgen evenwel voor een versoepeling aangezien het onmogelijk of zeer moeilijk kan zijn om sommige documenten elektronisch beschikbaar te maken. In dat geval mogen de kandidaten en inschrijvers, indien de aanbestedende entiteit het gebruik van elektronische middelen heeft toegestaan, deze documenten op papier bezorgen. Indien elektronische middelen verplicht zijn, dient de aanbestedende entiteit zich vooraf akkoord te verklaren met het gebruik van papieren documenten. Het vierde lid van paragraaf 2 stemt overeen met de inhoud van artikel 19quater, § 2, laatste lid, van het koninklijk besluit van 18 juni
  65. Uit deze bepaling blijkt dat de kandidaat of inschrijver die zijn aanvraag tot deelneming of offerte volledig of gedeeltelijk via elektronische middelen indient, aanvaardt dat bepaalde gegevens door de werking zelf van het ontvangstsysteem worden geregistreerd.Een dergelijke bepaling is vereist om reden dat de registratie van de activiteiten (logging) inzake ontvangst van de aanvragen tot deelneming of offertes absoluut noodzakelijk blijkt te zijn. Deze bepaling komt met name tegemoet aan de voorschriften van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Paragraaf 3 die handelt over de dubbele verzending en de veiligheidskopie stemt overeen met artikel 19quater, § 3, van het koninklijk besluit van 18 juni
  66. In de praktijk kan het gebeuren dat de vastgestelde termijn voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming of de offertes om diverse technische redenen wordt overschreden : de server van de aanbestedende entiteit is overbelast omdat omvangrijke documenten gelijktijdig zijn binnengekomen, tijdelijke onbeschikbaarheid van de server die te wijten is aan de internetprovider van de kandidaat of de inschrijver, foute inschatting van de downloadtermijnen door de inschrijver, enz. In dat geval is slechts een deel van de offerte tijdig « toegekomen ». De gekozen concrete oplossing bestaat erin dat enkel een vereenvoudigd document mag worden ingediend op het uiterste ogenblik van de ontvangst van de aanvragen tot deelneming of de offertes. Dit document bevat hun identiteit, de elektronische handtekening van hun volledige aanvraag tot deelneming of offerte en, in voorkomend geval, het bedrag van hun offerte. De elektronische handtekening op de vereenvoudigde zending moet dus verplicht betrekking hebben op de volledige aanvraag tot deelneming of offerte. Via deze elektronische handtekening wordt de integriteit gewaarborgd van de inhoud van het document dat later wordt verzonden. Ook dit vereenvoudigd document moet elektronisch worden ondertekend omdat het geldt als aanvraag tot deelneming of offerte. Het downloaden van de volledige offerte binnen de daaropvolgende vierentwintig uur biedt een oplossing voor dit technisch probleem. Vanzelfsprekend mag de periode van vierentwintig uur enkel volgen op het uiterste ogenblik van de ontvangst van de offerte en er niet aan voorafgaan. Zoniet zal hetzelfde probleem opduiken na afloop van deze periode. Na de opening mag niets meer worden gewijzigd aan de offerte. De elektronische handtekening op de vereenvoudigde offerte authentificeert de inschrijver. Via de elektronische handtekening op de vereenvoudigde offerte wordt de integriteit nagegaan van de volledige offerte die later wordt verzonden. Bovendien, om eventuele technische moeilijkheden van allerlei aard te verhelpen die deze overlegging nog zouden kunnen verstoren, met name indien de over te leggen offertes zeer omvangrijk zijn, kunnen de kandidaten of inschrijvers hun offerte bovendien overleggen via een dubbele zending met een « veiligheidskopie ». Deze veiligheidskopie bevat de volledige inhoud van de oorspronkelijke offerte die aan de aanbestedende entiteit werd overgemaakt. Ze kan worden overgelegd op een elektronische fysieke drager (CD-Rom, DVD-Rom, USB-sleutel...) of op een papieren drager. Ze wordt gericht aan de aanbestedende entiteit, gelijktijdig met de verzending van de oorspronkelijke offerte, onder gesloten omslag en met de verplichte vermelding : « Veiligheidskopie ». De documenten die deze drager bevat, moeten met de hand worden ondertekend indien het om een papieren drager gaat of elektronisch worden ondertekend indien het om een elektronische drager gaat. Deze veiligheidskopie mag slechts worden geopend in geval van een tekortkoming bij de overlegging, de ontvangst of de opening van de aanvraag tot deelneming of van de offerte die via elektronische middelen wordt overgelegd. Eens geopend, vervangt deze kopie definitief het document dat ze heeft bewaard. Op de veiligheidskopie van een offerte zijn voor het overige alle regels toepasselijk die gelden voor offertes, zowel vóór als na de opening ervan. HOOFDSTUK
  67. - Selectie kandidaten en inschrijvers Toegangsrecht en kwalitatieve selectie Afdeling
  68. - Algemene bepalingen Art. 41.Dit artikel stemt gedeeltelijk overeen met artikel 13 van het koninklijk besluit van 18 juni
  69. Volgens paragraaf 1 gebeurt de selectie op basis van, enerzijds, de bepalingen betreffende het toegangsrecht die vervat zijn in de artikelen 43 en 44 en, anderzijds, van de kwalitatieve selectiecriteria als bedoeld in de artikelen 45 tot
  70. In 2° wordt bepaald dat de kwalitatieve selectiecriteria van financiële, economische, technische aard of inzake beroepsbekwaamheid verband moeten houden met en in verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht. De aanbestedende entiteit moet tevens het vereiste niveau bepalen van deze criteria. Zo moet in het kader van procedures die één enkele fase omvatten, de aanbestedende entiteit alle inschrijvers selecteren die aan haar minimale eisen voldoen, zonder hierbij onder hen te mogen kiezen. Volgens de nieuwe bepaling van paragraaf 2, gebaseerd op bijlage XIII, C, punt 15, van de richtlijn, kan de aanbestedende entiteit, indien het gebruik van een onderhandelingsprocedure met bekendmaking gerechtvaardigd is, kandidaten in aanmerking nemen die geselecteerd waren tijdens een vorige procedure waaraan ze geen gevolg heeft gegeven. De vorige procedure kan een onderhandelingsprocedure zijn, maar ook een open of beperkte procedure die zonder resultaat is gebleven. Wanneer voor de opdracht een voorafgaande Europese bekendmaking verplicht is, bevat de aankondiging van opdracht de namen en adressen van de betrokken geselecteerden. Paragraaf 3 van hetzelfde artikel herformuleert een bepaling van artikel 13 van het koninklijk besluit van 18 juni
  71. Om de essentie van een procedure die gepaard gaat met een voorafgaande selectie optimaal te benutten, kan de aanbestedende entiteit op wettige wijze en op grond van een objectief gemotiveerde keuze steunende op de selectiecriteria, het aantal kandidaten beperken dat zij uiteindelijk kiest en aan dewelke zij zal vragen een offerte in te dienen. Zo kan de aanbestedende entiteit, wanneer bijvoorbeeld vijftien kandidaten in verschillende mate zouden voldoen aan de gestelde voorwaarden, beslissen dit aantal zodanig te verminderen dat enkel de meest geschikte kandidaten overblijven, rekening houdend met de moeilijkheidsgraad van de betrokken opdracht, alsook met de mogelijkheden waarover de aanbestedende entiteit beschikt voor het onderzoek van een groot aantal offertes. In de loop van eenzelfde procedure mag de aanbestedende entiteit geen andere belangstellenden opnemen die niet om deelname hebben gevraagd. Indien de aanbestedende entiteit een minimumaantal kandidaten vaststelt dat ze wenst te selecteren via een beperkte procedure en een onderhandelingsprocedure met bekendmaking, moet dit aantal enkel worden gerespecteerd voorzover er zich een voldoende aantal geschikte kandidaten aandienen. Dit wordt bevestigd door het Hof van Justitie (HJEG, arrest van 15 oktober 2009, C-138/08, Hochtief en Linde). Daarentegen is de aanbestedende entiteit gebonden door het maximumaantal kandidaten dat zij eventueel heeft aangegeven. Uitzonderlijk kan de aanbestedende entiteit evenwel een groter aantal kandidaten selecteren, voor zover zij niet in staat is tussen een aantal onder hen een keuze te maken. In elk geval moet het aantal kandidaten dat uiteindelijk wordt geselecteerd, voldoende groot zijn om een werkelijke mededinging te garanderen. Paragraaf 4 bevat een nieuwe bepaling betreffende de kwalitatieve selectie bij opdrachten in percelen. In geval van percelen moet de aanbestedende entiteit de mogelijkheid hebben om over te gaan tot de kwalitatieve selectie van de kandidaten of inschrijvers in twee fasen. De aanbestedende entiteit kan kwalitatieve selectiecriteria bepalen volgens dewelke de kandidaten of de inschrijvers moeten voldoen aan de minimumeisen inzake draagkracht voor elk van de percelen waarvoor ze een aanvraag tot deelneming of een offerte hebben ingediend, aangezien elk perceel afzonderlijk kan worden gegund. De aanbestedende entiteit kan bovendien ook minimumeisen opleggen indien meerdere percelen worden gegund aan dezelfde inschrijver, doorgaans met het oog op een gelijktijdige uitvoering. Het is immers mogelijk dat de financiële en economische draagkracht van de inschrijver (met name in het licht van de eventueel noodzakelijke investeringen) of diens technische en beroepsbekwaamheid (bijvoorbeeld wat het beschikbare personeelsbestand betreft) beperkt is tot de uitvoering van een gering aantal percelen ten opzichte van alle percelen die hem kunnen worden gegund. Enkel in het stadium van de gunning van de opdracht kan worden nagegaan of aan deze laatste eisen is voldaan, wanneer de rangschikking van de verschillende offertes voor de betrokken percelen gekend is. Paragraaf 5 bevat eveneens een nieuwe bepaling over de mogelijkheid tot herziening van de selectie. Eens over de selectie is beslist, worden de geselecteerden geacht zich niet in een toestand van uitsluiting te bevinden, en in staat te zijn de opdracht uit te voeren. Dit vermoeden vervalt echter wanneer de aanbestedende entiteit na de selectie, maar vóór de gunning vaststelt dat één van de geselecteerden of inschrijvers zich in een toestand van uitsluiting bevindt. Tevens bestaat het risico dat de toestand van een geselecteerde verslechtert, met name wanneer de gunningsprocedure veel tijd in beslag neemt. Dat is bijvoorbeeld het geval voor een beperkte procedure wanneer een vrij lange termijn verloopt tussen de indiening van de aanvragen tot deelneming en de verzending naar de geselecteerden van de uitnodiging tot het indienen van een offerte. Dit kan eveneens het geval zijn voor offertes die betrekking hebben op technisch ingewikkelde opdrachten. Hetzelfde geldt bij gebruik van een kwalificatiesysteem overeenkomstig artikel 30 Het is dan ook mogelijk dat een geselecteerde in een beperkte procedure of een onderhandelingsprocedure met bekendmaking, of een inschrijver die op basis van de verkregen inlichtingen en documenten voor selectie in aanmerking komt in een open procedure, bijvoorbeeld zijn financiële en economische draagkracht ongunstig ziet evolueren zonder daarom in een toestand van uitsluiting te belanden. De aanbestedende entiteit kan bijgevolg op basis van nieuwe elementen, haar beoordeling inzake de selectie van de onderneming herzien. De regel is immers dat een opdracht maar kan worden gegund aan een onderneming met voldoende draagkracht. Deze herziening mag in geen geval leiden tot de regularisering van een kandidaat of inschrijver die zich wat betreft de voor de selectie in aanmerking te nemen referentieperiode niet in de voorwaarden voor selectie bevond. Dit betekent ook dat een niet-geselecteerde in een later stadium niet meer kan worden opgevist om de plaats in te nemen van een weggevallen geselecteerde. Art. 42.Dit artikel voegt nieuwe bepalingen samen die betrekking hebben op de informatie en de aanvullende inlichtingen die de kandidaten of inschrijvers op verzoek van de aanbestedende entiteit verstrekken. Krachtens 1° kunnen de kandidaten of inschrijvers verzocht worden de ingediende inlichtingen en documenten in het kader van de kwalitatieve selectie aan te vullen of toe te lichten. De mogelijkheid waarover de aanbestedende entiteit beschikt om aanvullende inlichtingen te vragen, betekent niet dat de kandidaten en inschrijvers in dit verband rechten kunnen doen gelden. Het kan de aanbestedende entiteit dus niet kwalijk worden genomen dat zij geen aanvullingen heeft gevraagd. Het gebeurt immers dat kandidaten of inschrijvers bepaalde inlichtingen of documenten niet meedelen, of zelfs helemaal niets meedelen, terwijl de aanbestedende entiteit die nodig heeft om hun bekwaamheid te kunnen beoordelen. Indien geen enkele inlichting of document werd meegedeeld of bepaalde inlichtingen of documenten ontbreken, kan de aanbestedende entiteit tot de niet-selectie van de kandidaten of inschrijvers besluiten. Het komt evenwel vaker voor dat enkel een bepaalde inlichting of document niet werd meegedeeld, dubbelzinnig of onvolledig is. In dat geval moet de aanbestedende entiteit een beslissing nemen, rekening houdend met de grondbeginselen inzake mededinging, behoorlijk bestuur en gelijkheid. Zodoende zal de aanbestedende entiteit : - wat de financiële en economische draagkracht betreft, moeten nagaan of de kandidaat of inschrijver aangetoond heeft dat hij niet in staat was de gevraagde referenties als bewijs van zijn draagkracht voor te leggen en gevraagd heeft of hij die mag bewijzen met een ander door de aanbestedende entiteit daartoe geschikt geacht document; - wat de uitsluitingsgronden en de financiële en economische draagkracht, alsook de technische en beroepsbekwaamheid betreft, de kandidaten of inschrijvers kunnen vragen om de niet meegedeelde inlichtingen of documenten en deze die reeds in haar bezit zijn, te vervolledigen of te verduidelijken, teneinde de mededinging uit te breiden. Een dergelijke vraag of uitnodiging moet gebeuren ten aanzien van alle kandidaten of inschrijvers die zich in een gelijkaardige situatie bevinden. In een open procedure tast dit geenszins het onveranderlijk karakter van de offertes aan. Weliswaar mogen geen bijkomende eisen worden gesteld dan deze waarin oorspronkelijk was voorzien. Indien inlichtingen of documenten uitgaande van een overheidsinstantie opgesteld zijn in een andere taal dan één van de officiële Belgische talen, kan de aanbestedende entiteit de kandidaten of inschrijvers een vertaling vragen, indien zij dit nodig acht. Volgens 2° kan de aanbestedende entiteit, in eender welk stadium van de procedure en met alle middelen die zij nuttig acht inlichtingen inwinnen over de situatie van de kandidaat of inschrijver. Een dergelijke bepaling is tot op heden enkel uitdrukkelijk opgenomen voor het toezicht op de naleving door de kandidaten en inschrijvers van hun verplichtingen inzake sociale zekerheid. De bepaling onder 3° is een nieuwe bepaling betreffende de overlegging door de rechtspersonen van hun statuten of vennootschapsakten en van de eventuele vertaling ervan. Ingevolge de opmerking in punt 37 van het advies van de Raad van State is een analoge bepaling opgenomen als die van artikel 65, § 1, van het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten speciale sectoren van 16 juli
  72. Het betreft de bepaling die de kandidaten of inschrijvers vrijstelt van de mededeling van inlichtingen en documenten waartoe de aanbestedende entiteit kosteloos toegang heeft via elektronische middelen. Afdeling
  73. - Toegangsrecht Art. 43.Paragraaf 1 van dit artikel geeft uitvoering aan artikel 63 van de wet. Het stemt overeen met artikel 15, § 1, van het koninklijk besluit van 18 juni
  74. De vier opgesomde gevallen geven aanleiding tot de verplichte uitsluiting van de toegang tot de opdracht. Van dit voorschrift mag slechts worden afgeweken om dwingende redenen van algemeen belang. Deze gevallen, waarmee rekening dient te worden gehouden in eender welk stadium van de procedure, werden uiteengezet in de memorie van toelichting bij de wet, waarnaar wordt verwezen. Paragraaf 2 vermeldt de gevallen waarin een kandidaat of inschrijver kan worden uitgesloten van de toegang tot de opdracht. Deze gevallen stemmen overeen met die opgenomen in artikel 15, § 2, van het koninklijk besluit van 18 juni
  75. Ter herinnering: de aanbestedende entiteit is niet verplicht alle in paragraaf 2 vermelde uitsluitingsgronden toe te passen. Voor de in deze bepaling opgesomde gevallen is de aanbestedende entiteit dus a priori niet verplicht de kandidaat of inschrijver van deelname aan de opdracht uit te sluiten. Niettemin moet rekening worden gehouden met de mogelijke risico's bij het sluiten van een overeenkomst met een kandidaat of inschrijver die zich in die toestand bevindt. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie in het arrest van 16 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/10/2000 pub. 22/12/2000 numac 2000010017 bron ministerie van justitie Wet tot invoering van het gebruik van telecommunicatiemiddelen en van de elektronische handtekening in de gerechtelijke en de buitengerechtelijke procedure sluiten3, C-213/07, Michaniki, dient deze bepaling aldus te worden uitgelegd dat ze een limitatieve opsomming bevat van de uitsluitingsgronden voor de deelname aan een overheidsopdracht voor werken, die gebaseerd zijn op criteria inzake beroepsbekwaamheid. Ze belet een lidstaat evenwel niet om, overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, andere uitsluitingsmaatregelen te bepalen om de transparantie en de gelijke behandeling van de inschrijvers te waarborgen. Aangaande 1° en 2° die met name de gerechtelijke reorganisatie en elke vergelijkbare situatie beogen wordt opgemerkt dat de aanbestedende entiteit elk geval zorgvuldig dient te onderzoeken teneinde een te strakke toepassing van de bepaling van paragraaf 2 te vermijden, rekening houdend met de bijzonderheden van de wetgeving die van toepassing is op de gerechtelijk reorganisatie, met name op Belgisch niveau. De paragrafen 3 en 4 gaan nader in op de bewijsstukken die in aanmerking kunnen worden genomen en bevatten bepalingen die gedeeltelijk overeenstemmen met die van de bovengenoemde artikelen van het koninklijk besluit van 18 juni
  76. In het eerste lid van paragraaf 3 worden de documenten of getuigschriften vermeld op basis waarvan de verificatie van de toestand inzake de in de paragraphen 1 en 2 vermelde uitsluitingsgronden gebeurt. Het tweede lid voorziet in alternatieve bewijsmiddelen voor het geval de in het eerste lid bedoelde documenten of getuigschriften niet worden uitgereikt in het betrokken land of daarin niet alle in § 1 en in § 2, 1°, 2° of 3°, bedoelde gevallen worden vermeld. Het gaat meer bepaald om de verklaring onder eed en de plechtige verklaring. Wanneer de voormelde documenten of getuigschriften in het betrokken land niet worden uitgereikt of niet toereikend zijn, dient in eerste instantie een beroep te worden gedaan op de verklaring onder eed, en staat de mogelijkheid van de plechtige verklaring enkel open wanneer in het betrokken land niet in een eed is voorzien. Hierbij dient te worden onderstreept dat de verklaring onder eed niet mag worden verward met de verklaring op erewoord zoals bedoeld in paragraaf 4 hierna. Met de verklaring onder eed wordt verwezen naar een specifiek systeem dat in sommige landen bestaat en waarbij via een bevoegde instantie aan verklaringen bewijskracht wordt verleend. Zo wordt in Groot-Brittannië de verklaring onder eed inzake sociale schulden afgelegd voor een « commissionner of oath ». Om de gelijkwaardigheid met de verklaring onder eed - waar het formeel karakter wordt verondersteld - te garanderen, wordt voor de plechtige verklaring expliciet vermeld dat ze moet worden afgelegd voor een gerechtelijke of overheidsinstantie, een notaris of een bevoegde beroepsorganisatie van het land van oorsprong of herkomst. Paragraaf 4, tweede lid, vormt een nieuwe bepaling die aansluit bij de maatregelen inzake administratieve vereenvoudiging. Voor zover de aanbestedende entiteit de in deze bepaling vermelde mogelijkheid aanwendt, volstaat een verklaring op erewoord van de kandidaten of inschrijvers waaruit blijkt dat zij zich niet in een uitsluitingstoestand bevinden als bedoeld in artikel 43, §§ 1 en
  77. Deze verklaring kan expliciet zijn, wat betekent dat een gedateerd en ondertekend document bij de aanvraag tot deelneming of offerte moet worden gevoegd. Ze kan ook impliciet voortvloeien uit een bepaling in de aankondiging van opdracht of de andere opdrachtdocumenten dat door het loutere feit van de indiening van zijn aanvraag tot deelneming of offerte, de kandidaat of inschrijver verklaart zich niet in één van de daarin vermelde uitsluitingstoestanden te bevinden. Bij de meeste procedures in twee fasen zal het instrument van de verklaring op erewoord niet nuttig zijn gezien, enerzijds, de korte tijdspanne die er doorgaans ligt tussen de indiening van de aanvragen tot deelneming en de selectiebeslissing en, anderzijds, het soms beperkt aantal afgewezen aanvragen tot deelneming. De verklaring op erewoord mag niet worden gelijkgesteld met een bewijsmiddel. De aanbestedende entiteit zal immers nog de echtheid van de verklaring op erewoord moeten onderzoeken. Daartoe verzoekt zij de kandidaten of inschrijvers die voor de selectie of de gunning van de opdracht in aanmerking komen de relevante inlichtingen of documenten voor te leggen alvorens de selectie- respectievelijk gunningsbeslissing te nemen. Ten slotte kan eraan worden herinnerd dat voor het verkrijgen van de nodige inlichtingen in toepassing van de paragrafen 3 en 4, desgevallend een beroep zal moeten worden gedaan op buitenlandse overheden. Wat de lidstaten van de Europese Unie betreft, bevat de website van de Europese Commissie informatie over de bewijsmiddelen en de nationale instanties die bevoegd zijn voor de afgifte van attesten. Art. 44.Deze nieuwe bepaling strekt ertoe de situatie te verduidelijken van de combinaties zonder rechtspersoonlijkheid, meer bepaald in België de feitelijke verenigingen en de tijdelijke handelsvennootschappen. Met het oog op de terminologische coherentie is evenwel geopteerd voor de term « combinatie » die gebruikt wordt in Richtlijn 2004/17/EG. Afdeling
  78. - Kwalitatieve selectie Afdeling 3 herschikt de voorschriften inzake kwalitatieve selectie die tot doel hebben de draagkracht van de kandidaten of inschrijvers te beoordelen. Het komt toe aan de aanbestedende entiteit om in de opdrachtdocumenten eenduidig de referenties te bepalen die zij wenst te ontvangen, alsook de niveaus die de ondernemingen moeten bereiken om voor de selectie in aanmerking te worden genomen. Bij de procedures die gepaard gaan met de bekendmaking van een aankondiging van opdracht, moeten de belangstellende kandidaten of inschrijvers in de aankondiging zelf kennis kunnen nemen van de gevraagde referenties en bewijsstukken. Eventueel kan bijkomend, doch niet uitsluitend, worden verwezen naar de bepalingen van andere documenten die beschikbaar zijn bij de aanbestedende entiteit (bestek of selectieleidraad), waartoe vrije, rechtstreekse, onmiddellijke en volledige toegang wordt verschaft via elektronische middelen. De aanbestedende entiteit moet haar vraag afstemmen op het voorwerp van de opdracht en op wat haar noodzakelijk of nuttig lijkt om haar beslissing inzake selectie te nemen, en om deze beslissing te kunnen motiveren. Bijgevolg dient de aanbestedende entiteit te vermijden gegevens op te vragen wanneer zij niet over de nodige interne of externe deskundigheid beschikt om deze te kunnen interpreteren. Art. 45.Dit artikel neemt bepalingen van artikel 13bis van het koninklijk besluit van 18 juni 1996 over. De tekst verduidelijkt dat een kandidaat of een inschrijver kan zich voor welbepaalde opdrachten, beroepen op de draagkracht van andere entiteiten, ongeacht de juridische aard van zijn band met die entiteiten. Hij moet de aanbestedende entiteit evenwel het bewijs leveren dat hij werkelijk over de voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijke middelen zal beschikken die deze entiteiten ter beschikking stellen. Daartoe moet de kandidaat of inschrijver de aanbestedende entiteit het schriftelijk bewijs voorleggen dat hij, indien dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de opdracht, een beroep kan doen op de diensten van de entiteiten waarnaar hij verwijst, en dat deze entiteiten, rekening houdend met de vermelde referenties, een passend deel van de uitvoering voor hun rekening zullen nemen. Op deze entiteiten is artikel 43 van het ontwerp inzake toegangsrecht toepasselijk. Dezelfde bepaling is van toepassing op de combinaties van kandidaten of inschrijvers voor de draagkracht van de deelnemers aan de combinatie en van andere entiteiten die daarvan geen deel uitmaken. Het laatste lid preciseert dat de aanbestedende entiteit in de opdrachtdocumenten voor een kandidaat of een inschrijver de mogelijkheid kan beperken om zich te beroepen op de draagkracht van andere entiteiten wanneer aan deze laatste het toegangsrecht is ontzegd op grond van artikel 64 van de wet. De bedoeling van deze bepaling is te vermijden dat artikel 64 van de wet zou worden omzeild, onder meer via een beroep op de onderaanneming. Art. 46.Dit artikel stemt overeen met artikel 14 van het koninklijk besluit van 18 juni
  79. Het bevat een voorschrift betreffende de overeenstemming met bepaalde kwaliteitsnormen. Art. 47.Dit artikel stemt overeen met artikel 14bis van het koninklijk besluit van 18 juni
  80. In de gepaste gevallen, wanneer de aard van de werken of diensten rechtvaardigt dat bij de uitvoering van de opdracht milieubeheermaatregelen of -systemen worden toegepast, kan de toepassing van dergelijke maatregelen of systemen worden verlangd. Milieubeheersystemen kunnen, onafhankelijk van hun registratie overeenkomstig de communautaire instrumenten zoals de verordening (EG) nr. 761/2001 (EMAS) het bewijs leveren van de technische bekwaamheid van de aannemer of dienstverlener om de opdracht uit te voeren. Informatie over EMAS is onder meer te vinden op de website van de Europese Commissie. Bovendien moet een beschrijving van de door de aannemer of de dienstverlener toegepaste maatregelen om hetzelfde niveau inzake milieubescherming te waarborgen, als alternatief bewijsmiddel voor geregistreerde milieubeheersystemen, worden aanvaard. HOOFDSTUK
  81. - Gunning bij onderhandelingsprocedure Art. 48.Dit artikel is een nieuwe bepaling. Ze neemt de bepalingen over die niet toepasselijk zijn op de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten. Het gaat in de eerste plaats om de artikelen 5, 38 en 40 van het ontwerp. De artikelen 5 et 38 bevatten de na te leven voorschriften wanneer elektronische middelen worden gebruikt. Het is immers de bedoeling om, in het kader van deze niet-geformaliseerde procedure, het gebruik van de meest soepele communicatiemiddelen, met name e-mail en telefax, toe te staan. Artikel 40 bevat modaliteiten voor de indiening van de aanvragen tot deelneming en de offertes waarvan de strikte toepassing niet vereist is bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking. Met het oog op het vermijden van elk overdreven formalisme wordt eveneens hoofdstuk 5 uitgesloten dat betrekking heeft op het toegangsrecht en de kwalitatieve selectie, met uitzondering evenwel van artikel 43, §§ 1 en 2, 5°. Artikel 43, § 1, handelt over de uitsluitingsgevallen die van toepassing zijn op alle gunningsprocedures. Uiteraard zijn andere bepalingen van het ontwerp betreffende bijvoorbeeld het dynamisch aankoopsysteem of de prijsvraag voor ontwerpen, niet toepasselijk op de onderhandelingsprocedure vermits ze enkel andere procedures beogen. Daarnaast moet worden opgemerkt dat de aanbestedende entiteit in het kader van een onderhandelingsprocedure in principe onderhandelt. In sommige gevallen zal een onderhandelingsfase evenwel niet nuttig zijn, bijvoorbeeld wanneer de ingediende offertes aan de behoeften beantwoorden en van bij de aanvang voldoende interessant blijken vanuit het standpunt van de aanbestedende entiteit, rekening houdende met de specifieke vereisten en de in het geding zijnde belangen. Art. 49.Het eerste lid van dit artikel voorziet de verplichting van de weging in wanneer er meerdere gunningscriteria zijn voor de opdrachten gegund bij onderhandelingsprocedure met of zonder bekendmaking. Hij overeenstemt met artikel 16bis van het koninklijk besluit van 18 juni
  82. In dit verband wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 25 van de memorie van toelichting van de wet. Het tweede lid is een nieuwe bepaling dat daarop twee uitzonderingen vermeldt. De eerste betreft de opdrachten voor diensten bedoeld in bijlage II, B, van de wet. De tweede betreft de diverse gevallen van onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking waarin slechts één aannemer, leverancier of dienstverlener kan worden geraadpleegd, waardoor de weging in die gevallen geen zin heeft. Art. 50.Dit artikel is een nieuwe bepaling volgens dewelke de onderhandelingen over de ingediende offertes tot doel hebben de beste offerte te kiezen vanuit het oogpunt van de aanbestedende entiteit. Hierbij moet worden opgemerkt dat, in tegenstelling tot wat bepaald is in artikel
  83. 2, van Richtlijn 2004/18/EG, Richtlijn 2004/17/EG, die toepasselijk is in de hier bedoelde sectoren, de mogelijkheid om over de voorwaarden van de opdracht te onderhandelen niet beperkt tot de inhoud van de offertes bij een onderhandelingsprocedure met bekendmaking waarvoor. Zelfs in dat geval kunnen de vooraf bepaalde voorwaarden van de opdracht in de loop van de onderhandelingen worden aangepast overeenkomstig de beginselen vermeld in artikel 56 van de wet. HOOFDSTUK 7 - Specifieke of aanvullende opdrachten en procedures Afdeling
  84. - Dynamisch aankoopsysteem De artikelen 51 tot 55 van het ontwerp zijn nieuw. Ze hebben betrekking op het dynamisch aankoopsysteem als bedoeld in de artikelen 3, 13°, 4, 6°, en 67bis van de wet. Bijgevolg wordt ook verwezen naar de memorie van toelichting betreffende artikel 67bis van de wet. Het dynamisch aankoopsysteem is een elektronisch proces dat een open procedure begeleidt. Het is beperkt in de tijd en uitsluitend bestemd voor leveringen en diensten voor courant gebruik. Het kan bijvoorbeeld gaan om de aankoop van werkkledij, werfschoenen, voertuigen,..., maar ook om schoonmaakdiensten, drukkerijdiensten of onderhoud van voertuigen,.... In algemene zin gaat het om goederen of diensten die kunnen voorkomen in catalogi. Art. 51.Dit artikel beschrijft de werkwijze bij het opzetten van een dynamisch aankoopsysteem Deze betreft achtereenvolgens de bekendmaking van een aankondiging van opdracht, de vermelding van verschillende gegevens in de opdrachtdocumenten en de toegang tot deze laatste. Art. 52.Volgens dit artikel kan elke leverancier of dienstverlener op elk ogenblik een indicatieve offerte indienen teneinde tot het systeem te worden toegelaten. Dit artikel bepaalt ook de beoordelingstermijn van de indicatieve offertes en staat de verlenging ervan toe, op voorwaarde dat de opdracht op dat ogenblik nog niet in mededinging is gesteld. De beoordeling van de offerte omvat de controle van de selectievoorwaarden en het onderzoek van de conformiteit met de voorwaarden van de opdracht. De aanvaarding of afwijzing van een indicatieve offerte maakt het voorwerp uit van een gemotiveerde beslissing. De aanbestedende entiteit brengt de deelnemer hiervan zo vlug mogelijk op de hoogte. De kennisgeving aan de deelnemer gebeurt via elektronische middelen overeenkomstig artikel 5 van het ontwerp. Het gaat hier immers niet om een gunningsbeslissing van opdracht. Art. 53.Dit artikel bepaalt dat een vereenvoudigde aankondiging van opdracht moet worden bekendgemaakt alvorens de mededinging te raadplegen overeenkomstig artikel
  85. Indien de bekendmaking van een vereenvoudigde aankondiging overeenkomstig het model opgenomen in de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 842/2011 tot de indiening van nieuwe indicatieve offertes leidt, mag de aanbestedende entiteit de deelnemers slechts raadplegen nadat ze de selectie van de nieuwkomers heeft doorgevoerd en al deze indicatieve offertes heeft beoordeeld. Het is de bedoeling deze bijkomende deelnemers de mogelijkheid te bieden om deel te nemen aan de gunning van de betrokken opdracht. De indicatieve offertes blijven geldig onverminderd de mogelijkheid, voor de reeds tot het systeem toegelaten deelnemers, om hun indicatieve offerte eventueel te wijzigen. Art. 54.Dit artikel bepaalt dat de aanbestedende entiteit de mededinging raadpleegt voor elke specifieke opdracht. Hierbij verzoekt ze alle tot het systeem toegelaten deelnemers een definitieve offerte in te dienen en dit binnen een voldoende lange termijn. De gunning vindt plaats op basis van een of meer criteria die vermeld zijn in de aankondiging van opdracht voor de invoering van het systeem, zoals eventueel gepreciseerd in de uitnodiging tot het indienen van een offerte. Om nutteloze herhalingen te vermijden, kan een definitieve offerte geheel of deels verwijzen naar een reeds ingediende indicatieve offerte, tenzij de opdrachtdocumenten anders zouden bepalen. Het dynamisch aankoopsysteem wordt toegepast binnen een open procedure. Art. 55.Volgens dit artikel mag de looptijd van een dynamisch aankoopsysteem niet meer dan vier jaar bedragen vanaf de eerste inmededingingstelling overeenkomstig artikel 54, behalve in behoorlijk gemotiveerde uitzonderingsgevallen die vermeld zijn in de opdrachtdocumenten, overeenkomstig artikel 51, 2°. Een verlenging in de loop of op het einde van het systeem is niet geoorloofd. Een aanbestedende entiteit kan het systeem evenwel vroeger beëindigen. Bovendien wordt bepaald dat aan de leveranciers of dienstverleners, in welk stadium van het systeem dan ook, geen administratiekosten mogen worden aangerekend. Afdeling
  86. - Elektronische veiling De artikelen 56 tot 61 van het ontwerp zijn nieuw. Ze gaan nader in op de elektronische veiling als bedoeld in de artikelen 3, 14°, 4, 6°, en 67ter van de wet. De aanbestedende entiteiten dienen erover te waken om de specificaties van de opdracht nauwkeurig te bepalen, zoals opgelegd door artikel 71 van de wet, en bijgevolg geen te zwakke kwaliteitseisen te formuleren naar aanleiding van een dergelijke veiling. Het streven naar de laagste prijs mag immers niet leiden tot de aankoop van goedkope producten die van mindere of zelfs onvoldoende kwaliteit zijn. De aanbestedende entiteiten dienen bijgevolg het eventueel gebruik van de veiling vooraf goed te overwegen. Art. 56.Dit artikel staat het gebruik van de elektronische veiling enkel toe in het kader van procedures waarbij de prijs het enige gunningscriterium is. De veiling laat zich immers optimaal inpassen in dit soort procedures. Hoewel artikel 67ter van de wet in de mogelijkheid voorziet om de veiling ook in geval van meerdere gunningscriteria te regelen, is hiervoor vooralsnog niet geopteerd omwille van de ingewikkeldheid van de daartoe noodzakelijke bepalingen. Bijgevolg worden de open of beperkte procedure bedoeld wanneer de opdracht gegund wordt aan de inschrijver die de laagste prijs heeft geboden en, overeenkomstig artikel 67ter van de wet en voorzover de prijs het enige gunningscriterium is, de met bekendmaking. Onder dezelfde voorwaarde, kan een veiling worden gebruikt voor het opnieuw tot mededinging oproepen van de deelnemers aan een raamovereenkomst en voor de opdrachten die in het kader van een dynamisch aankoopsysteem worden geplaatst. Het uitsluiten van de andere dan de voormelde onderhandelingsprocedures, steunt op het feit dat het instrument van de veiling daarvoor normaal gezien niet passend is. Art. 57.Volgens dit artikel moet de aanbestedende entiteit die gebruik wenst te maken van een elektronische veiling, dit vermelden in de oorspronkelijke aankondiging van opdracht. Het tweede lid van hetzelfde artikel bepaalt welke gegevens de opdrachtdocumenten, onder meer, moeten bevatten. Deze hebben met name betrekking op de informatie die tijdens de veiling ter beschikking zal worden gesteld, op de informatie betreffende het verloop ervan en op het gebruikte elektronisch systeem. Wanneer bij de toepassing van het tweede lid, 3°, het vereiste minimumverschil niet wordt gerespecteerd, zal het systeem de inschrijver verwittigen dat zijn bod niet wordt aanvaard. Art. 58.Dit artikel regelt de keuze van de deelnemers aan de veiling en de vermeldingen die de uitnodiging moet bevatten. Enkel de inschrijvers die voldoen aan de eisen inzake kwalitatieve selectie en die een regelmatige offerte hebben ingediend, worden uitgenodigd om deel te nemen aan de veiling en dit uiteraard tegelijkertijd. In verband met de mogelijkheid om de procedure in verschillende, opeenvolgende fases te laten verlopen, dient benadrukt te worden dat dit nuttig kan zijn voor de deelnemers, omdat ze dan tussen de fases in over de nodige tijd beschikken om hun leveranciers te raadplegen en een nieuwe aangepaste bieding op te stellen. Ook de aanbestedende entiteit kan deze tijdspanne voor het prijsonderzoek van de biedingen. Indien de procedure meerdere fasen omvat, kan de aanbestedende entiteit bovendien interessantere offertes ontvangen. Art. 59.Paragraaf 1 van dit artikel behandelt de wijze van indiening van de biedingen. Het werd niet opportuun geacht om de elektronische handtekening voor elke bieding verplicht te stellen. Die zou immers kunnen leiden tot technische moeilijkheden, waardoor de inschrijvers niet meer op snelle wijze een nieuwe bieding zouden kunnen indienen. Daarom is bepaald dat de inschrijver gebonden is door zijn biedingen indien ze worden ingediend op de wijze bepaald in de opdrachtdocumenten en eventueel in de uitnodiging. Paragraaf 2 beschrijft het verloop van de veiling. Tijdens de hele duur van de veiling, alsook tijdens elke fase dient de aanbestedende entiteit de inschrijvers onmiddellijk en bestendig over hun rangschikking te informeren. Onder dezelfde voorwaarden kan zij het aantal inschrijvers meedelen dat aan een bepaalde fase van de veiling deelneemt, zonder evenwel hun identiteit bekend te maken. Wanneer de opdrachtdocumenten daarin voorzien, kan de aanbestedende entiteit eveneens informatie over de ingediende prijzen meedelen. Het behoort tot de essentie zelf van een zich herhalend proces dat een deelnemer diverse keren na elkaar een bod kan doen in de loop van dezelfde fase. Het verbod om biedingen in te trekken is bepaald om elke speculatie van de kant van de inschrijver te voorkomen. Art. 60.Dit artikel bevat de drie modaliteiten voor het afsluiten van de veiling. Dit gebeurt op een vooraf vastgestelde datum en uur, of wanneer geen nieuwe prijzen meer worden ingediend die beantwoorden aan de vereiste minimumverschillen binnen een vooraf vermelde termijn, of nadat de vooraf vastgelegde fasen afgehandeld zijn. Deze modaliteiten kunnen worden gecombineerd. Bijgevolg is de aanbestedende entiteit niet verplicht om alle oorspronkelijk geplande fasen uit te voeren indien ze, na afloop van een lager aantal fasen, van mening is dat de latere fasen geen lagere biedingen meer zullen opleveren. Dit laatste geldt evenwel slechts op voorwaarde dat dit in de uitnodiging tot de veiling wordt vermeld en dat hierbij in een laatste biedingstermijn wordt voorzien vóór het definitieve afsluiten. Analoog met andere lidstaten (Groot-Brittannië, Denemarken, ...) en bijvoorbeeld ook Noorwegen kan de aanbestedende entiteit eveneens de mogelijkheid voorzien de termijn van de veiling automatisch te verlengen met een door de aanbestedende entiteit vooraf bepaalde termijn (t1, bijvoorbeeld 120 seconden), indien gedurende een bepaalde termijn onmiddellijk voor het afsluiten van de veiling (t2, bijvoorbeeld 180 seconden), een winnend bod wordt ingediend. Deze

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.