← België

Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van Brussels Hoofds

Kort samengevat

Dit besluit regelt het administratief statuut en de bezoldigingsregeling voor ambtenaren van het Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap, opgericht om het parkeerbeleid te organiseren. Het legt de rechten, plichten, graden en organisatiestructuur van deze ambtenaren vast.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
2 MEI 2013. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, Gezien de ordonnantie van 22 januari 2009 houdende de organisatie van het parkeerbeleid en de oprichting van het Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap, inzonderheid artikel 28; Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën van 7 juli 2011; Gelet op de akkoordbevinding van de minister van Begroting, gegeven op 2 mei 2013; Gelet op het protocol nr. 2012/4 van Sectorcomité XV van 25 januari 2012; Gelet op het advies nr.51.255/4 van de Raad van State, gegeven op 11 juni 2012, in toepassing van artikel 84, § 1, 1° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het akkoord van de Minister van Pensioenen, gegeven op 18 februari 2013; Gelet op het akkoord van de Federale Ministerraad, gegeven op 19 april 2013; Op voorstel van de minister van Openbare werken en vervoer en van de minister van Openbaar Ambtenaar Na beraadslaging; Artikel 1.§ 1. Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder: 1° Parkeeragentschap: het Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap, opgericht bij artikel 25 van de ordonnantie van 22 januari 2009 houdende de organisatie van het parkeerbeleid en de oprichting van het Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap;2° De Regering: de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;3° De Minister: de Minister bevoegd voor het Openbaar Ambt;4° de functioneel bevoegde minister: de minister of staatssecretaris waarvan het Parkeeragentschap afhangt krachtens de bevoegdheden die hij uitoefent;5° Vakorganisaties: de representatieve vakorganisaties die zetelen in het bevoegde Sectorcomité in uitvoering van artikel 8, § 1, van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. BOEK I. - HET ADMINISTRATIEF STATUUT TITEL I. - DE ORGANISATIE VAN HET PARKEERAGENTSCHAP HOOFDSTUK 1. - De ambtenaren Art. 2.Ambtenaar is elkeen die in vast dienstverband in het Parkeeragentschap tewerkgesteld is. De ambtenaar valt onder de bepalingen van dit statuut. Aan de statutaire toestand van de ambtenaar kan alleen een einde worden gemaakt in de gevallen voorzien door de statutaire bepalingen die op hem toepasselijk zijn. HOOFDSTUK 2. - Rechten en plichten Art. 3.§ 1. De ambtenaar oefent zijn ambt op loyale, zorgvuldige en integere wijze uit onder het gezag van zijn hiërarchische meerderen. Hij dient daartoe : 1° de van kracht zijnde wetten en reglementeringen, alsmede de richtlijnen waaronder de gedragsregels inzake deontologie, van de overheid waartoe hij behoort, na te leven;2° nauwgezet en correct zijn adviezen te formuleren en zijn verslagen op te stellen;3° de beslissingen zorgvuldig en plichtsbewust uit te voeren. § 2. De ambtenaar heeft het recht om met waardigheid en hoffelijkheid te worden behandeld, zowel door zijn hiërarchische meerderen, door zijn collega's, als door zijn ondergeschikten. Hij dient zijn collega's, zijn hiërarchische meerderen en zijn ondergeschikten met waardigheid en hoffelijkheid te behandelen. Hij vermijdt elk woord, elke houding, elk voorkomen dat deze waardigheid en deze hoffelijkheid in het gedrang zou kunnen brengen of de goede werking van de dienst zou kunnen schaden. § 3. Onverminderd artikel 29 van het Wetboek van strafvordering stelt de ambtenaar zijn hiërarchische meerdere of, indien nodig, een hogere hiërarchische meerdere op de hoogte van elke onwettigheid of onregelmatigheid waarvan hij kennis heeft. § 4. De ambtenaar behandelt de gebruikers van zijn diensten met welwillendheid. In de manier waarop hij de vragen van de gebruikers beantwoordt of waarop hij de dossiers behandelt, eerbiedigt hij op een strikte manier de beginselen van neutraliteit, van gelijkheid in behandeling en van naleving van de wetten, de reglementen en de richtlijnen. Zelfs buiten de uitoefening van zijn ambt vermijdt de ambtenaar elk gedrag dat in strijd is met de waardigheid van zijn ambt. Hij vermijdt evenzeer elke toestand waarbij hij, zelfs door een tussenpersoon, in verband zou kunnen gebracht worden met bezigheden die in strijd zijn met de waardigheid van zijn ambt. § 5. De ambtenaar mag, noch rechtstreeks, noch door een tussenpersoon, zelfs buiten zijn ambtsuitoefening, maar op basis ervan, giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen. Dit slaat niet op symbolische geschenken van kleine waarde uitgewisseld tussen ambtenaren in de normale uitoefening van hun ambt. § 6. De ambtenaar plaatst zich niet en laat zich niet plaatsen in een toestand van belangenconflicten, dit wil zeggen in een toestand waarin hij door zichzelf of door een tussenpersoon een persoonlijk voordeel heeft dat van die aard is om de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn ambt te beïnvloeden of de gewettigde verdenking te doen ontstaan van zulke invloed. Wanneer een ambtenaar van oordeel is dat hij een belangenconflict heeft of vreest te hebben, brengt hij zijn hiërarchische meerdere hierover onmiddellijk op de hoogte. Deze verleent hem hiervan schriftelijk akte. In geval van een erkend belangenconflict, neemt de hiërarchische meerdere de passende maatregelen om er een einde aan te stellen. De ambtenaar kan schriftelijk om het advies van de voorzitter van de directieraad of van diens afgevaardigde, vragen over een toestand waarin hij zich bevindt, dit om te weten of deze de oorzaak is van een belangenconflict. § 7. De ambtenaar heeft het recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan hij kennis heeft uit hoofde van zijn ambt. Het is hem enkel verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op 's lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten, het medisch geheim, de rechten en de vrijheden van de burger, en in het bijzonder het recht op eerbied voor het privéleven; dit verbod geldt bovendien voor feiten die betrekking hebben op de voorbereiding van alle beslissingen zolang er nog geen eindbeslissing is genomen evenals voor feiten die, wanneer zij bekend worden gemaakt, de mededingingspositie van het organisme waarin de ambtenaar is tewerkgesteld, kunnen schaden. De bepalingen van de voorgaande leden gelden eveneens voor de ambtenaar die zijn ambt heeft neergelegd. § 8. De ambtenaar heeft recht op informatie wat alle aspecten betreft die nuttig zijn voor de taakvervulling. De ambtenaar houdt zich permanent op de hoogte van de ontwikkeling van de technieken, regelingen en onderzoekingen in de materies waarmee hij beroepshalve belast is. De ambtenaar neemt op actieve wijze deel aan de kennisdeling binnen de openbare dienst. § 9. De ambtenaar heeft recht op opleiding die nuttig is voor zijn functioneren in de organisatie. De overheid voorziet in die opleiding en waarborgt tevens de toegang tot de voortgezette opleiding onder meer met het oog op de uitbouw van de beroepsloopbaan. Periodes van afwezigheid gerechtvaardigd door deelname aan verplichte opleidingsactiviteiten worden in ieder opzicht gelijkgesteld met periodes van dienstactiviteit. § 10. Elke ambtenaar heeft het recht zijn persoonlijk dossier te raadplegen. HOOFDSTUK 3. - De graden Art. 4.De ambtenaren van het Parkeeragentschap worden benoemd in graden Art. 5.De graad is de titel op grond waarvan de ambtenaar met een rang bekleed is en waardoor hij gemachtigd is een betrekking in te nemen die met deze graad overeenstemt. De graden worden gerangschikt per niveau en per rang. Het niveau van een graad bepaalt de plaats van die graad in de hiërarchie volgens de kwalificatie van de vorming en de geschiktheid waarvan blijk moet gegeven opdat die graad kan worden toegekend. De rang bepaalt de betrekkelijke waarde van een graad in zijn niveau. Art. 6.Elke rang wordt aangeduid met een letter gevolg door een cijfer; de letter verwijst naar het niveau; het cijfer plaatst de rang binnen het niveau. Het hoogste cijfer stemt overeen met de hoogste rang. De rangen worden als volgt verdeeld onder de niveaus: 1° in niveau A, zes rangen, nl.De rangen A1, A2, A3, A4, A4+ en A5; 2° in niveau B, twee rangen, nl.de rangen B1 en B2; 3° in niveau C, twee rangen, nl.de rangen C1 en C2; 4° in niveau D, twee rangen, nl.de rangen D1 en D2; 5° in niveau E, twee rangen, nl.De rangen E1 en E2. Het niveau A is het hoogste niveau. Art. 7.De volgende graden worden gecreëerd : in rang A5: directeur-generaal; in rang A4+ : adjunct-directeur-generaal; in rang A4: directeur-diensthoofd; in rang A3 :directeur; ingenieur-directeur; in rang A2 :eerste attaché; eerste ingenieur; in rang A1 :attaché; ingenieur; in rang B2 : eerste assistent; in rang B1 : assistent; in rang C2: eerste adjunct; in rang C1: adjunct; in rang D2: eerste klerk; in rang D1 : klerk; in rang E2: eerste beambte; In rang E1: beambte. HOOFDSTUK 4. - De personeelsformatie Art. 8.De personeelsformatie drukt het aantal betrekkingen per niveau, rang en graad uit dat noodzakelijk wordt geacht om de permanente opdrachten van het Parkeeragentschap uit te voeren. Art. 9.De Regering stelt, op voordracht van de Raad van Bestuur, de personeelsformatie vast. Zij bepaalt, op voorstel van de directieraad, onder de betrekkingen van eerste attaché van rang A 2 het aantal expertbetrekkingen van hoog niveau. Voor de toepassing van dit artikel dient te worden verstaan onder expertbetrekking van hoog niveau, een betrekking waarbij de klemtoon ligt op de uitgebreide gespecialiseerde kennis van de behandelde aangelegenheden die worden vereist voor de uitoefening van de betrekking. Art. 10.De directieraad stelt de functiebeschrijvingen op. Aan iedere functiebeschrijving worden de kwalificaties toegevoegd. Er dient onder kwalificaties te worden verstaan het geheel van kennis en vaardigheden die vereist zijn om de functie uit te oefenen. Art. 11.De raad van bestuur stelt het organigram vast. Het organigram van het Parkeeragentschap, evenals elke wijziging die er wordt aan aangebracht, wordt bij wijze van dienstnota of onverschillig welk ander intern communicatiemiddel aan alle personeelsleden medegedeeld. HOOFDSTUK 5. - De leidende ambtenaren Art. 12.De leidende ambtenaren zijn de leidende ambtenaar en de adjunct-leidende ambtenaar die respectievelijk de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal zijn. Art. 13.De leidende ambtenaren kunnen binnen de perken van hun bevoegdheden, hun bevoegdheden geheel of gedeeltelijk delegeren aan de ambtenaren van niveau A en B die zij aanwijzen HOOFDSTUK 6. - De directieraad Art. 14.De directieraad bestaat uit de leidende ambtenaren en de ambtenaren van rang A4; deze kan worden aangevuld door ambtenaren van rang A3 aangewezen door de raad van bestuur. De directieraad wordt voorgezeten door de directeur-generaal of, bij afwezigheid of verhindering, door de adjunct-directeur-generaal. Indien beiden afwezig of verhinderd zijn, wordt de directieraad voorgezeten door het lid aangewezen door de directeur-generaal of door de adjunct-directeur-generaal. Art. 15.De directieraad stelt zijn huishoudelijk reglement vast. Art. 16.De directieraad is belast met de opdrachten die dit statuut hem toekent. Bij de directieraad kan elke aangelegenheid die betrekking heeft op de organisatie van het Parkeeragentschap aanhangig gemaakt worden voor advies door één van haar leden. HOOFDSTUK 7. - De gemeenschappelijke commissie van beroep inzake ambtenarenzaken Art. 17.§ 1 De gemeenschappelijke commissie van beroep inzake openbaar ambt ingesteld door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op 26 september 2002 houdende het administratief en geldelijk statuut van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is bevoegd voor beroepen inzake stage, evaluatie, afwezigheid, verlof, disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid volgens dezelfde regels inzake procedure en werking. § 2. Krachtens artikel 16, zullen de agenten van het Parkeeragentschap onderworpen worden aan de procedureregels voorzien in het besluit van 26 september 2002. HOOFDSTUK 8. - De selectiecommissies en de evaluatiecommissie Art. 18.Met het oog op de toekenning van de mandaatbetrekkingen bedoeld in artikel 84 worden er hiertoe bevoegde selectiecommissies opgericht. De selectiecommissies worden samengesteld in functie van de te begeven mandaatbetrekkingen en bestaan elk uit ten minste vijf en ten hoogste zeven leden. De Regering wijst op voordracht van de minister de leden van een selectiecommissie aan telkens als een mandaatbetrekking bedoeld in artikel 84 vacant wordt verklaard en duidt één onder hen aan als voorzitter. De leden van de selectiecommissies beschikken over expertise met betrekking tot de materies die ressorteren onder de te begeven mandaatbetrekking en/of met betrekking tot overheidsmanagement. De aanstelling van de leden van een selectiecommissie is beperkt tot de selectieprocedure waarvoor zij zijn aangesteld. Ten hoogste twee derden van de leden van een selectiecommissie behoort tot hetzelfde geslacht. De minister, voor het geheel van de selectiecommissies: 1° duidt twee effectieve en twee plaatsvervangende secretarissen aan die tot een verschillende taalrol behoren;2° bepaalt de vergoeding toegekend aan de voorzitter en de leden van de selectiecommissies; De Regering, op voorstel van de minister, stelt het huishoudelijk reglement van de selectiecommissies op. De selectiecommissies vervullen de opdrachten die hen worden toegewezen door dit besluit. De Regering kan, op voordracht van minister, een extern selectie- en assessmentbureau aanstellen dat de selectiecommissie ondersteunt in zijn werkzaamheden. Art. 19.Niemand kan worden aangeduid tot lid van een selectiecommissie die in welke hoedanigheid dan ook belang heeft bij de desbetreffende selectieprocedure. De leden van de selectiecommissies zijn gebonden tot geheimhouding omtrent de beraadslagingen en besluiten alsmede aangaande elke inlichting waarvan zij kennis zouden hebben gekregen bij het uitvoeren van hun opdracht. Art. 20.§ 1 Met het oog op de evaluatie van de mandaathouders bedoeld in artikel 132 wordt er een evaluatiecommissie opgericht. De evaluatiecommissie bestaat uit zeven leden die beschikken over expertise met betrekking tot overheidsmanagement en die niet behoren tot diensten die ressorteren onder het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. § 2. De Regering kan een vergoeding toekennen aan de leden van het evaluatiecomité. De Regering wijst op voordracht van de minister de leden van de evaluatiecommissie aan alsook de voorzitter onder hen. De Regering wijst eveneens op voordracht van de minister vier plaatsvervangende leden aan die beantwoorden aan dezelfde criteria als de effectieve leden. Wanneer één van de leden afwezig of verhinderd is, wijst de voorzitter het plaatsvervangend lid aan dat hem zal vervangen. Wanneer de voorzitter afwezig is, komt het voorzitterschap toe aan het oudste effectieve lid. De leden worden aangesteld voor een periode van vijf jaar. Hun aanstelling is hernieuwbaar. Ten hoogste twee derden van de leden van de evaluatiecommissie behoort tot hetzelfde geslacht. De minister duidt twee effectieve en twee plaatsvervangende secretarissen aan van verschillende taalrol om de evaluatiecommissie bij te staan. De Regering, op voorstel van de minister, stelt het huishoudelijk reglement van de evaluatiecommissies op. De evaluatiecommissie vervult de opdrachten die haar worden toegewezen door dit besluit. De Regering kan haar bijkomende bevoegdheden toewijzen. Leden van de evaluatiecommissie die in welke hoedanigheid dan ook bij een door de commissie onderzocht dossier betrokken zijn, onthouden zich van zitting. TITEL 3. - DE WERVING, DE STAGE EN DE BENOEMING HOOFDSTUK I. - De werving Afdeling 1. - Toekenningswijzen van de betrekkingen, de wervingsvoorwaarden en de wervingsgraden Art. 21.Een vacante betrekking wordt toegewezen aan een kandidaat van de interne mobiliteit, een laureaat van een vergelijkend overgangsexamen naar een hoger niveau of een laureaat van een vergelijkend wervingsexamen. De geslaagde van een vergelijkend overgangsexamen naar een hoger niveau heeft voorrang ten opzichte van een kandidaat voor de interne mobiliteit. Art. 22.§ 1. Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° de voor de te verlenen betrekking bepaalde toelaatbaarheidsvereisten vervullen;2° slagen voor het voorgeschreven vergelijkend wervingsexamen;3° met goed gevolg de stage volbrengen;4° bewijzen dat hij de eventuele vereiste medische geschiktheid voor het uit te oefenen ambt bezit. § 2. Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hiernavolgende algemene toelaatbaarheidsvereisten : 1° Belg zijn wanneer de uit te oefenen functies verband houden met de uitoefening van het openbaar gezag en ten doel hebben de algemene belangen van de Staat, van een Gemeenschap of van een Gewest te behartigen;2° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;4° houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat overeenkomt met het niveau van de te verlenen graad, volgens bijlage 2 van dit besluit.Hiervan kan, voorafgaand aan het vergelijkend wervingsexamen, door de raad van bestuur, bij gemotiveerde beslissing worden afgeweken in geval van schaarste op de arbeidsmarkt. Art. 23.Vergelijkende wervingsexamens worden georganiseerd voor de graden van rang A1, B1, C1, D1 en E1. Worden beschouwd als wervingsgraden: in niveau A, rang A1 :attaché; ingenieur; in niveau B, rang B1 : assistent; in niveau C, rang C1 : adjunct; in niveau D, rang D1 : klerk; in niveau E, rang E1 : beambte. Afdeling 2. - Organisatie van de wervingsexamens en samenstelling van de examenjury's Art. 24.De vergelijkende wervingsexamens worden georganiseerd door de raad van bestuur. De raad van bestuur kan echter onder zijn toezicht de organisatie van deze wervingsexamens geheel of gedeeltelijk opdragen aan SELOR. De raad van bestuur maakt de organisatie van de vergelijkende wervingsexamens bekend met op zijn minst een bericht in het Belgisch Staatsblad. Art. 25.§ 1. Wervingsexamenjury's worden samengesteld voor elk vergelijkend wervingsexamen. De jury's bestaan uit een voorzitter en ten minste twee assessoren of hun plaatsvervangers. De voorzitter en de assessoren of hun plaatsvervangers zijn stemgerechtigd. De beslissingen worden genomen bij meerderheid van stemmen. De raad van bestuur wijst de juryleden aan onder personen die, wegens hun bevoegdheid of hun specialisatie, bijzonder geschikt zijn. Een vergoeding kan worden toegekend aan de leden van de jury. De raad van bestuur bepaalt het bedrag van deze vergoeding. § 2. De afgevaardigden van de representatieve vakbondsorganisaties mogen de zittingen bijwonen. Zij mogen geen contact hebben met de kandidaten. Zij worden minstens acht dagen vóór de datum van elk gedeelte opgeroepen. Zij mogen de zitting pas verlaten na het verstrijken van de tijd vermeld in de uitnodiging of met de instemming van de voorzitter. Zij mogen niet aanwezig zijn tijdens de deliberatie. § 3. Indien beroep gedaan wordt op SELOR organiseert de afgevaardigde bestuurder van SELOR het verloop van de proeven in overeenstemming met de raad van bestuur. Art. 26.Bij het organiseren van een vergelijkend wervingsexamen stelt de raad van bestuur de datum vast waarop de kandidaten moeten voldoen aan de vereisten inzake diploma's of studiegetuigschriften en in voorkomend geval, aan de vereiste inzake minimumleeftijd of aan de bijzondere vereisten inzake beroepsbekwaamheid. Het bericht in het Staatsblad vermeldt ten minste de uiterste datum van de kandidaatstelling en of er eventueel een reserve van de geslaagden wordt aangelegd. In voorkomend geval wordt de duur en de omvang ervan meegedeeld. De kandidaten beschikken over ten minste veertien dagen om zich kandidaat te stellen. De raad van bestuur of in voorkomend geval de afgevaardigde bestuurder van SELOR of zijn afgevaardigde legt de datum en de plaats van het examen vast, stelt de lijst van de kandidaten vast en roept ze minstens acht dagen vóór de datum van elk selectiegedeelte op. Deze termijn begint vanaf de ontvangstdatum van de oproep. De ontvanger wordt verondersteld ervan kennis te hebben genomen drie werkdagen nadat de brief aan de postdienstoperator werd overhandigd, behoudens tegenbewijs van de ontvanger. De kandidaten die afwezig zijn, worden uitgesloten. Zodra in voorkomend geval de raad van bestuur of de afgevaardigde bestuurder van SELOR, tijdens een vergelijkend wervingsexamen, vaststelt dat een kandidaat niet voldoet of niet zal kunnen voldoen aan een van de algemene of bijzondere toelaatbaarheidsvereisten vereist voor de functie waarnaar de betrokkene mededingt, sluit hij deze van het vergelijkend wervingsexamen uit en brengt hem hiervan op de hoogte. Afdeling 3. - Vorming van de reserves van de geslaagden Art. 27.De raad van bestuur bepaalt voor elk wervingsexamen of er al dan niet een reserve van geslaagden, algemene reserve genaamd, wordt aangelegd. Zo hij beslist om bijkomende proeven te organiseren, zoals bedoeld in artikel 31 van dit besluit, beslist hij of er al dan niet een of meerdere reserves van de geslaagden, bijzondere reserves genaamd, moeten worden aangelegd. De reserve heeft een geldigheidsduur van twee jaar. De raad van bestuur kan een andere duur bepalen. Hij licht de kandidaten ter zake in. Hij kan ook de geldigheidsduur van een bestaande reserve met telkens een jaar verlengen indien de behoeften van de diensten dit rechtvaardigen. Hij licht de laureaten ter zake in. Voorafgaand aan de vorming van een wervingsreserve, kan hij het aantal toelaatbare geslaagden in deze reserve bepalen. Afdeling 4. - Functiebeschrijving, programma van het wervingsexamen en andere eventuele wervingsvoorwaarden Art. 28.De raad van bestuur bepaalt: 1° de functiebeschrijving van de betrekking(en) overeenstemmend met de wervingsgraad en de vereiste kwalificatie van de te werven ambtenaren;2° het programma van het vergelijkend wervingsexamen. De raad van bestuur kan: 1° bijzondere wervingsvoorwaarden opleggen wanneer de aard van het ambt het vereist;2° nader bepalen welke diploma's in het bijzonder toegang verlenen tot het ambt waarvoor een vergelijkend wervingsexamen wordt uitgeschreven;3° voor een bepaald vergelijkend wervingsexamen bijzondere eisen stellen inzake beroepsbekwaamheid verworven door het bezit van praktische kennis of de uitoefening van een vorige werkzaamheid, wanneer de aard van de te verlenen betrekkingen zodanige eisen wettigt;4° tot een bepaald examen de studenten toelaten die in het laatste jaar zitten van de studies voor het behalen van het vereiste diploma of getuigschrift wanneer de raad van bestuur vermoedt dat het aantal deelnemers niet groot genoeg zal zijn om voldoende kandidaten of geslaagden op te leveren;in dat geval worden zij die geslaagd zijn voor het examen van het voorlaatste jaar en verklaren dat zij het examen van het laatste jaar voor de examencommissie van hun Gemeenschap zullen afleggen ook tot dat wervingsexamen toegelaten. Voor hun benoeming kunnen de geslaagden van deze wervingsexamens zich slechts vanaf de dag waarop zij het vereiste diploma of studiegetuigschrift hebben voorgelegd, op hun rangschikking beroepen; 5° behalve de in artikel 21, § 2, 4°, vermelde diploma's en getuigschriften de volgende, door hem aan te wijzen diploma's en getuigschriften aanvaarden voor het wervingsexamen in een bepaalde graad en wanneer de vereisten van het uit te oefenen ambt dit toelaten: a) diploma's en getuigschriften van het onderwijs voor sociale promotie en van het kunstonderwijs voor socioculturele promotie;b) diploma's en getuigschriften van het technisch, kunst- of beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan;6° voor het vergelijkend wervingsexamen in bepaalde functies van de niveaus D en E het bezit van door hem aan te wijzen studie- of opleidingsdiploma's eisen als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van de uit te oefenen ambten;7° voor het vergelijkend wervingsexamen in bepaalde graden van de niveaus A, B en C de houders van door hem aan te wijzen vormingsdiploma's en vormingsgetuigschriften aanvaarden als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van het uit te oefenen ambt en voor zover de houders van die diploma's en getuigschriften eveneens houder zijn van één van de studiebewijzen vermeld in artikel 22, § 2, 4°. Afdeling 5. - Bepaling van de punten Art. 29.De raad van bestuur bepaalt: 1° het aantal punten dat aan het volledig examen, aan iedere proef en desgevallend aan de onderverdelingen ervan wordt toegekend, 2° het minimum aantal punten dat voor het volledig examen, voor iedere proef of voor elk vak afzonderlijk of voor iedere vakkengroep wordt vereist. Afdeling 6. - Organisatie van het wervingsexamen buiten de aanvullende proef en algemene rangschikking van de geslaagden Art. 30.§ 1. Indien voor eenzelfde vergelijkend examen, meerdere proeven worden georganiseerd buiten de aanvullende proef, bedoeld in artikel 31 van dit besluit, bepaalt de raad van bestuur: 1° het maximum aantal kandidaten bepalen dat, onder voorbehoud van het behalen van het vastgestelde minimumaantal punten, tot een volgende proef wordt toegelaten;2° de regels volgens dewelke de kandidaten worden toegelaten tot de volgende proef. § 2. Een rangschikking van de geslaagden, algemene rangschikking genaamd, wordt opgemaakt op basis van de door de geslaagden behaalde resultaten voor de proeven georganiseerd buiten de aanvullende proef bedoeld in artikel 31 van dit besluit. De raad van bestuur bepaalt voorafgaandelijk aan het vergelijkende examen, de proef of proeven die in aanmerking komen voor het opmaken van de algemene rangschikking. Afdeling 7. - Aanvullende proef en bijzondere rangschikking van de geslaagden Art. 31.§ 1. De raad van bestuur kan beslissen om een of meerdere aanvullende proeven te organiseren op basis van een bepaalde functiebeschrijving of typefuncties. De raad van bestuur bepaalt, rekening houdend met de volgorde van de algemene rangschikking bedoeld in artikel 30, het aantal geslaagden dat moet worden ingelicht over de betrekking waarvoor een aanvullende proef wordt georganiseerd. De geslaagden die werden ingelicht in overeenstemming met het voorgaande lid, betekenen hun belangstelling voor de betrekking met een aangetekende brief. De raad van bestuur bepaalt, rekening houdend met de volgorde van de algemene rangschikking bedoeld in artikel 30, het aantal geslaagden bedoeld in het voorgaande lid, dat mag deelnemen aan de aanvullende proef. Indien, na afloop van de aanvullende proef, die werd georganiseerd voor de in het vorige lid bedoelde geslaagden, geen enkele van deze laatsten geschikt wordt geacht voor de functie, bepaalt de raad van bestuur opnieuw het aantal geslaagden, volgend in de algemene rangschikking, die mogen deelnemen aan de genoemde proef. Hij herhaalt deze handeling, zoveel als nodig is, telkens met inachtneming van de volgorde van de rangschikking. De deelname aan de aanvullende proef is niet verplicht. De kandidaten voor de aanvullende proef worden door de raad van bestuur opgeroepen in de volgorde van de algemene rangschikking, bedoeld in artikel 30. Zij worden opgeroepen per brief minstens tien dagen voor de datum van de proef. Deze termijn begint vanaf de verzendingdatum van de oproep. De ontvanger wordt verondersteld ervan kennis te hebben genomen drie werkdagen nadat de brief aan de postdienstoperator werd overhandigd, behoudens tegenbewijs van de ontvanger. De afwezige kandidaten worden uitgesloten. § 2. De geslaagden voor de aanvullende proef die door de jury worden geschikt bevonden voor de uit te oefenen functie worden opgenomen in een bijzondere rangschikking, apart van de algemene rangschikking. De algemene rangschikking wordt gehandhaafd naast de op basis van de aanvullende proef opgestelde bijzondere rangschikking. § 3. Onverminderd de toepassing van artikel 27, vijfde lid, van dit besluit, indien de raad van bestuur beslist om een bijzondere reserve te vormen voor een aanvullende proef, worden de niet batig gerangschikte geslaagden van deze aanvullende proef daarin opgenomen. Zij behouden tegelijkertijd hun algemene rangschikking in de algemene reserve. De geslaagden voor een of meerdere aanvullende proeven kunnen deel uitmaken van een of meerdere bijzondere reserves en, tegelijkertijd, van de algemene reserve. De geslaagden voor een aanvullende proef, die niet geslaagd zijn voor deze proef of er niet aan deelgenomen hebben, behouden hun algemene rangschikking evenals hun bijzondere rangschikking vastgesteld op basis van andere aanvullende proeven waarvoor zij wel slaagden. Afdeling 8. - Regels voor de toelating van de geslaagden Art. 32.§ 1. De raad van bestuur stelt het proces-verbaal met de rangschikking van de kandidaten vast. Hij maakt ze bekend in het Belgisch Staatsblad, tenzij de lijst aan alle deelnemers aan het vergelijkend examen wordt medegedeeld. Elke geslaagde krijgt kennisgeving van zijn resultaat. Dit wordt in het individueel dossier opgenomen zodra hij tot ambtenaar wordt benoemd. § 2. De geslaagden kunnen vragen om tijdelijk niet meer geraadpleegd te worden. Op hun schriftelijk verzoek wordt met hun kandidatuur opnieuw rekening gehouden bij de eerstvolgende raadpleging. § 3. De geslaagden die een oproep om een betrekking te bekleden niet beantwoorden, worden van ambtswege geschorst en worden niet meer opgeroepen zolang zij het niet per aangetekend schrijven aanvragen. § 4. De geslaagden van de aanvullende proef kunnen een voorgestelde betrekking weigeren. Na de derde weigering worden ze niet meer opgeroepen en van ambtswege uit de algemene reserve en de bijzondere reserves geschrapt. Na vijf maal niet geslaagd te zijn voor aanvullende proeven voor eenzelfde vergelijkend examen wordt de geslaagde eveneens niet meer opgeroepen en van ambtswege uit de algemene reserve en de bijzondere reserves geschrapt. De geslaagden die een betrekking aanvaarden, verbinden er zich toe in dienst te treden. Zij die, na deze aanvaarding, weigeren in dienst te treden, worden niet meer opgeroepen en uit de genoemde reserves geschrapt. § 5. Onder geslaagden van twee of meer vergelijkende wervingsexamens, wordt voorrang verleend aan de geslaagden van het vergelijkend examen waarvan het proces-verbaal op de minst recente datum werd afgesloten. § 6. Na het afsluiten van het proces-verbaal van de aanvullende proef, worden de batig gerangschikte geslaagden die aan de gestelde eisen voldoen, in de orde van hun specifieke rangschikking, tot de stage toegelaten in de functie waarvoor zij hebben medegedongen. Zij worden voor een vacante vaste betrekking van die graad aangewezen. De geslaagden die voorlopig werden geweerd doch naderhand aan de gestelde eisen voldoen, worden tot de stage toegelaten in de graad waarvoor zij hebben medegedongen. Zij, die aan deze eisen niet voldoen, worden uitgesloten. Afdeling 9. - Oproep tot de reserves behorende tot andere overheden Art. 33.Middels het akkoord van de federale of de andere gefedereerde overheden, kan de raad van bestuur, voor een aanwerving in een betrekking bij het Parkeeragentschap, beroep doen op de reserves van de geslaagden die behoren tot deze overheden. Hij kan beslissen om een of meerdere aanvullende proeven te organiseren volgens de regels die in artikel 31 van dit besluit voorzien zijn. De Raad van Bestuur mag slechts beroep doen op een externe wervingsreserve indien de reserve van het Parkeeragentschap is uitgeput is of indien ze geen reserve heeft opgesteld voor de toe te kennen betrekkingen of verzameling betrekkingen. Afdeling 10. - Oproep tot indiensttreding van de geslaagden Art. 34.Wanneer een vacante betrekking moet worden ingevuld door een geslaagde van een vergelijkend wervingsexamen, roept de raad van bestuur of de ambtenaar die hij daartoe aanwijst, de geselecteerde kandidaat in dienst. Wanneer de geslaagde bij zijn werkgever een opzeggingstermijn moet eerbiedigen, wordt hij in dienst geroepen de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van deze termijn. HOOFDSTUK 2. - Toekenning van de mandaatbetrekkingen via een open procedure Art. 35.De mandaten van rang A4, A4+ en A5 worden vacant verklaard via een open procedure, waarbij gelijktijdig interne en externe kandidaten meedingen. Onder externe kandidaten dient te worden verstaan, alle andere kandidaten dan de statutaire personeelsleden van het Parkeeragentschap. Onverminderd de toepassing van de wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1978 pub. 03/07/2008 numac 2008000527 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten type wet prom. 03/07/1978 pub. 12/03/2009 numac 2009000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten sluiten op de arbeidsovereenkomsten bepaalt de Regering de modaliteiten volgens dewelke de externe kandidaten een mandaat kunnen opnemen bij het Parkeeragentschap. HOOFDSTUK 3. - De stage Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 36.De stagiair is geen ambtenaar in de zin van dit besluit. De volgende in dit besluit opgenomen bepalingen zijn op de stagiair van toepassing : 1° de rechten, plichten, onverenigbaarheden en cumulatie van activiteiten;2° de tuchtregeling;3° de administratieve standen;4° de geldelijk statuut; 5° het ambtshalve verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en de definitieve ambtsneerlegging.; 6° de gemiddelde maximum arbeidsduur. De stagiair geniet : 1° het jaarlijks vakantieverlof;2° de feestdagen;3° het omstandigheidsverlof;4° het bevallingsverlof;5° het verlof wegens ziekte;6° de disponibiliteit wegens ziekte;7° verloven om in geval van ernstige ziekte of ongeval een persoon bij te staan die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont;8° het verlof voor detachering bij een ministerieel kabinet;9° het verlof om een politiek mandaat uit te oefenen;10° verlof voor loopbaanonderbreking voor palliatieve verzorging en verlof voor loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof. Voor de toepassing van dit artikel wordt de stagiair geacht de graad te bezitten waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Art. 37.§ 1. De raad van bestuur stelt de ambten en graden vast waarvoor er een bepaalde medische geschiktheid vereist is en geeft de gevergde geschiktheid nauwkeurig aan. § 2. In de gevallen waarin een onderzoek naar de lichamelijke geschiktheid is voorgeschreven volgens het koninklijk besluit van 13 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten0 tot regeling van het medisch toezicht op het personeel van sommige overheidsdiensten, kan de geslaagde slechts tot benoeming worden toegelaten wanneer hij zich voor het onderzoek heeft aangemeld; de bedoeling daarvan is te bepalen of de betrokkene geschikt is om het ambt uit te oefenen waarvoor hij zich kandidaat gesteld heeft. Indien hij niet aan de geschiktheidsvoorwaarden voldoet, wordt hij ontslagen. Ten laatste op de datum van dit ontslag wordt met de betrokkene een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde duur afgesloten. Deze duur is gelijk aan de minimumduur die in zijn geval wordt opgelegd om het voordeel van werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Wanneer hij op de datum waarop deze overeenkomst begint te lopen arbeidsongeschikt is of wanneer hij dat wordt tijdens de uitvoering ervan, wordt hem in het eerste geval een wedde uitbetaald gedurende zes maanden en in het tweede geval gedurende de periode nodig om de wachttijd te dekken voor de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen. Art. 38.Kandidaten voor een betrekking van niveau A of B worden tot de stage toegelaten door de raad van bestuur, kandidaten voor een betrekking van niveau C, D of E door de raad van bestuur of zijn gemachtigde;. Art. 39.Wanneer de stagiair buiten de verloven bedoeld in artikel 36 derde lid, 1° tot 3°, 7° en 8°, vijftien dagen gewettigde afwezigheid overschrijdt, wordt de stage geschorst. Tijdens de schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair. Hij behoudt deze eveneens tot de datum waarop een definitieve beslissing omtrent zijn benoeming of afdanking wordt genomen. Art. 40.De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal wijzen de stagiair voorlopig aan voor een met zijn kwalificatie overeenstemmende vacante betrekking bij de dienst waar deze laatste zijn stage zal volbrengen. Zij kunnen deze aanwijzing veranderen : 1° in het belang van de dienst; op aanvraag van de stagiair. Art. 41.De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal wijzen een hiërarchische meerdere aan die de leiding van de stage uitoefent, naargelang van de taalrol van de stagiair. Art. 42.De opleiding van de stagiair gebeurt onder de verantwoordelijkheid van de ambtenaar belast met de leiding van de stage, in samenwerking met de bevoegde hiërarchische meerdere en de dienst belast met de vorming. De bevoegde hiërarchische meerdere zorgt voor de opleiding in de materie die door zijn dienst wordt behandeld. In samenwerking met de dienst belast met de vorming leert hij de stagiair de activiteiten kennen van de andere diensten van het Parkeeragentschap. De dienst belast met de vorming bepaalt de vormingsactiviteiten waaraan de stagiair verplicht moet deelnemen. Art. 43.De ambtenaar belast met de leiding van de stage maakt de verslagen bedoeld in artikelen 46, 48 en 49 op en zendt ze naar het Human Ressource Management van het Parkeeragentschap, hieronder "HRM" genoemd. Deze laatste kan in overleg met de ambtenaar belast met de leiding van de stage beslissen de stagiair bijkomende vormingsactiviteiten te laten volgen. De raad van bestuur legt het model van het stageverslag vast. Afdeling 2. - De stagiairs van niveau A en B. Art. 44.De stage duurt één jaar. Zij kan ten hoogste met een jaar worden verlengd in het in artikel 56, 1, bedoelde geval. Art. 45.Elke stagiair stelt een eindverhandeling op over een onderwerp dat in overleg met zijn bevoegde hiërarchische meerdere en het HRM wordt vastgelegd. Art. 46.Na de 1ste, 3de, 6de, 8ste, 10de en 12de maand van de stage, organiseert de ambtenaar belast met de leiding van de stage een evaluatiegesprek over het verloop van de stage. Wanneer hij het nodig acht, kan hij besluiten tot bijkomende gesprekken. Het onderhoud verloopt met name over: 1° de vormingsactiviteiten en de resultaten ervan;2° de wijze waarop de stagiair zich in de dienst integreert;3° de uitvoering van zijn werkopdrachten. Het onderhoud heeft tot doel de vooruitgang te evalueren die de stagiair maakt en de nog te verbeteren punten aan te stippen. Het beoogt eveneens de beoordeling mogelijk te maken van zowel de gunstige als de ongunstige feiten. Ingeval ongunstige feiten worden vastgesteld, geeft de ambtenaar belast met de leiding van de stage de stagiair een verwittiging. Bij een tweede verwittiging, licht hij de gemachtigde hiërarchische meerdere, evenals de HRM, hierover in. De conclusies van elk gesprek worden opgetekend in het stageverslag. Het verslag wordt meegedeeld aan de stagiair die er desgevallend zijn opmerkingen kan aan toevoegen. Afdeling 3. - De stagiairs van niveau C, D en E Art. 47.De stage duurt zes maanden. Zij kan ten hoogste met zes maanden worden verlengd in het in artikel 56,1 bedoelde geval. Art. 48.De ambtenaar belast met de leiding van de stage stelt na de eerste, de derde en de zesde maand van de stage een stageverslag op. Het verslag wordt ter kennis gebracht van de stagiair, die er desgevallend zijn opmerkingen kan aan toevoegen. Ingeval ongunstige feiten worden vastgesteld, geeft de ambtenaar belast met de leiding van de stage de stagiair een verwittiging. Bij een tweede verwittiging, licht hij de gemachtigde hiërarchische meerdere hierover in, evenals de HRM. De tweede verwittiging mag alleen worden uitgesproken na een termijn van één maand die direct volgt op de eerste verwittiging. Het voormelde verslag wordt aan de dienst belast met de vorming toegezonden. Afdeling 4. - Het einde van de stage Art. 49.De ambtenaar belast met de leiding van de stage stelt het eindverslag van de stage op, in overleg met de dienst belast met de vorming. Hij voegt er een van de voorstellen bedoeld in artikel 51 aan toe. Hij deelt het eindverslag aan de stagiair mede, die over vijftien dagen beschikt om er zijn opmerkingen aan toe te voegen. Art. 50.De eindevaluatie houdt rekening met alle feiten, al dan niet ten goede, die in de loop van de stage werden vastgesteld, evenals met de tussentijdse evaluaties. Voor de stagiairs van niveau A en B wordt bovendien rekening gehouden met de eindverhandeling. Art. 51.De ambtenaar belast met de leiding van de stage overhandigt het eindverslag aan de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal. Indien het eindverslag over het geheel van de stage gunstig is, stellen de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal de benoeming voor van de stagiair aan de raad van bestuur. Indien het eindverslag ongunstig is of een voorbehoud uitdrukt wat het verloop van de stage betreft, stellen de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal de afdanking voor wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij het Parkeeragentschap of de verlenging van de stage. Art. 52.Indien, in de loop van de stage, de stagiair twee verwittigingen heeft gekregen van de ambtenaar belast met de leiding van de stage, legt deze laatste onmiddellijk een ongunstig verslag voor aan de ambtenaren bedoeld in artikel 51 van dit besluit. Zij stellen het ontslag van de stagiair voor, wegens ongeschiktheid voor de uitoefening van de functie. Afdeling 5. - De procedure van beroep Art. 53.In de gevallen bedoeld in artikel 51, derde lid en artikel 52, leggen de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal het dossier voor aan de commissie bedoeld in artikel 17. Zij voegen er het voorstel van beslissing aan toe. Zij betekenen dit aan de stagiair. De datum van de betekening doet de termijn lopen, bedoeld in artikel 56, tweede lid. Art. 54.De voorzitter van de commissie roept de stagiair op. Deze laatste kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art. 55.De ambtenaar belast met de leiding van de stage brengt verslag uit over het verloop van de stage. Het hoofd van de dienst belast met de vorming of zijn afgevaardigde evenals de ambtenaar belast met de leiding van de stage worden gehoord. Art. 56.De commissie kan beslissen : 1° de stage te verlengen, volgens de nadere regels die zij bepaalt, met inachtneming van de maximumtermijnen bedoeld in artikelen 44, tweede lid en 47, tweede lid.2° de benoeming voor te stellen aan de benoemende overheid;3° de afdanking wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij het Parkeeragentschap voor te stellen aan de benoemende overheid. De commissie beslist binnen drie maanden nadat het dossier bij haar werd ingediend. Bij ontstentenis, wordt de benoeming van de stagiair voorgesteld aan de raad van bestuur. Art. 57.In geval van verlenging van de stage wordt de stagiair geëvalueerd zoals tijdens de initiële stage. Artikel 51 is toepasselijk, met dien verstande dat de ambtenaar belast met de leiding van de stage geen tweede verlenging van de stage kan voorstellen. Art. 58.De beslissing tot ontslag wegens beroepsongeschiktheid wordt door de raad van bestuur genomen. De stagiair geniet een opzeggingstermijn van drie maanden. Bij zware fout echter, wordt hij zonder opzeggingstermijn ontslagen. HOOFDSTUK 4. - De benoeming Art. 59.De geschikt verklaarde stagiair wordt door de raad van bestuur benoemd in de graad waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. De hoedanigheid van ambtenaar wordt bekrachtigd door de eed die wordt afgelegd in de termen bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten4. De ambtenaren leggen de eed af in handen van de door de raad van bestuur aangewezen ambtenaar. Art. 60.De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal wijzen de pas benoemde ambtenaar een betrekking van zijn graad toe. TITEL 4. - DE LOOPBAAN HOOFDSTUK I. - De hiërarchische loopbaan Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 61.De hiërarchische loopbaan is de loopbaan die de ambtenaar kan doorlopen door verhoging in graad of door bevordering in een expertbetrekking van hoog niveau overeenstemmend met dezelfde graad als degene die hij bekleedt. Art. 62.Iedere open betrekking wordt door de raad van bestuur vacant verklaard alvorens zij kan worden begeven. Art. 63.§ 1. De vacante betrekkingen worden per dienstnota ter kennis gebracht van de kandidaten van het Parkeeragentschap die de benoemingsvoorwaarden kunnen vervullen. De betrokkenen brengen hun visum aan op de dienstnota. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk van de dienst afwezig is, om welke reden ook, wordt de dienstnota bij aangetekend schrijven naar zijn woonplaats gezonden. De vacante betrekkingen bedoeld in artikel 69 van dit besluit worden ter kennis gebracht van de ambtenaren die niet tot het Parkeeragentschap behoren door middel van een oproep tot kandidaten in het Belgisch Staatsblad. § 2. Worden enkel in aanmerking genomen, de kandidaturen van de ambtenaren van het Parkeeragentschap die via de postoperator per aangetekend schrijven opgestuurd zijn aan de voorzitter van de directieraad, binnen een termijn van twintig dagen. Deze termijn gaat in ofwel de dag waarop de ambtenaar zijn visum aangebracht heeft op de dienstnota, ofwel de dag waarop het aangetekend schrijven met de dienstnota door de post werd aangeboden op de woonplaats van de ambtenaar. Voor de ambtenaren die niet tot het Parkeeragentschap behoren, begint de termijn bedoeld in het eerste lid te lopen daags na de publicatie van de oproep in het Belgisch Staatsblad. § 3. Elke kandidatuur voor een bevorderingsbetrekking dient een uiteenzetting te bevatten over de elementen die de kandidatuur staven. § 4. Het staat de ambtenaren vrij om voorafgaandelijk te dingen naar elke betrekking die eventueel vacant zou worden verklaard tijdens hun afwezigheid. De geldigheid van een dergelijke kandidatuur is beperkt tot twee maanden. Zij behoort met een aangetekend schrijven ingediend te worden bij de voorzitter van de directieraad. Art. 64.De bevorderingen in de hiërarchische loopbaan worden verleend door de Raad van Bestuur. Afdeling 2. - De bevordering tot een graad van rang A2 of A3 Onderafdeling 1. - De voorwaarden inzake rang en anciënniteit Art. 65.De betrekkingen van eerste attaché van rang A2 staan open voor titularissen van de graad van attaché in rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. De betrekkingen van eerste ingenieur in rang A2 staan open voor titularissen van de graad van ingenieur in rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. Bij gebrek aan kandidaten die de voorwaarden inzake anciënniteit vervullen, kan de raad van bestuur, de vereiste anciënniteit met een derde verlagen. De beslissing tot verlaging van de vereiste anciënniteit wordt vermeld in de bekendmaking van de vacante betrekking en in de aanhef van het benoemingsbesluit. Art. 66.De betrekkingen van eerste attaché van rang A2, expert van hoog niveau staan open voor ambtenaren bekleed met de graad van attaché van rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen, evenals voor andere titularissen van de graad van eerste attaché van rang A2. Art. 67.De betrekkingen van directeur in rang A 3 staan open voor de titularissen van de graden van attaché in rang A 1, van eerste attaché in rang A 2 die ten minste negen jaar niveauanciënniteit tellen. De betrekkingen van ingenieur-directeur in rang A 3 staan open voor de titularissen van de graden van ingenieur in rang A 1 en van eerste ingenieur in rang A 2 die ten minste negen jaar niveauanciënniteit tellen Art. 68.De raad van bestuur kan een vacante betrekking openstellen voor ambtenaren van een ministerie, van een instelling van openbaar nut of van een autonoom overheidsbedrijf waarvan het personeel wordt aangeworven via SELOR, van het Rijk, van een Gemeenschap of van een Gewest, die aan dezelfde bevorderingsvoorwaarden voldoen als degene welke voor de ambtenaren van het Parkeeragentschap. Onderafdeling 2. - De voorwaarden inzake evaluatie Art. 69.De ambtenaar die zich kandidaat stelt voor een betrekking van rang A2 of rang A3 moet een evaluatie "gunstig" hebben. Onderafdeling 3. - De bevorderingsprocedure Art. 70.§ 1. Voor iedere bevordering brengt de directieraad een met redenen omkleed advies uit. De directieraad spreekt zich in zijn advies uit over iedere sollicitant die voldoet aan de vereisten om de te begeven betrekking te bekleden. Hij neemt hierbij in overweging : 1° de beschrijving van de functie en de vereiste kwalificatie van de kandidaat;2° de aanspraken en ervaringen die de sollicitant doet gelden voor een bevordering in de vacante betrekking; het evaluatiedossier van de kandidaat. Art. 71.De directieraad formuleert een voorstel van benoeming dat ten hoogste zes namen van kandidaten per vacante betrekking bevat. De kandidaten worden geklasseerd in de volgorde waarin zij voor de benoeming in aanmerking komen. Art. 72.Van het voorstel wordt kennis gegeven per dienstnota aan de ambtenaren die zich kandidaat hebben gesteld voor de te begeven betrekking. De betrokkenen brengen hun visum aan op de dienstnota. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk van de dienst afwezig is, om welke reden ook, wordt de dienstnota bij aangetekend schrijven naar zijn woonplaats gezonden. De ambtenaar die zich benadeeld acht, kan binnen vijftien dagen bezwaar indienen bij de voorzitter van de directieraad. De betekeningen en de termijnen bedoeld in dit artikel worden geregeld volgens dezelfde bepalingen als die bedoeld in artikel 295 van dit besluit. De ambtenaar wordt op zijn verzoek door de directieraad gehoord. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art. 73.De raad van bestuur volgt het voorstel van definitieve volgorde indien het éénparig werd uitgebracht. Indien het voorstel van de directieraad niet eenparig wordt uitgebracht en de raad van bestuur niet instemt met de door de directieraad voorgestelde volgorde, moet zij haar beslissing omstandig met redenen omkleden. Afdeling 3. - De bevordering tot een graad van rang B2, C2, D2 en E2 Onderafdeling 1. - De voorwaarden inzake rang, anciënniteit en evaluatie Art. 74.De betrekkingen van rang B2, C2, D2 en E2 staan open voor ambtenaren van respectievelijk rang B1, C1, D1 en E1 die ten minste negen jaar graadanciënniteit tellen. De kandidaten moeten " gunstig " als evaluatie hebben. Onderafdeling 2. - De bevorderingsprocedure Art. 75.Voor iedere bevordering brengt de directieraad een met redenen omkleed advies uit. De directieraad spreekt zich in zijn advies uit over iedere sollicitant die voldoet aan de vereisten om de te begeven betrekking te bekleden. Hij neemt hierbij in overweging : 1° de beschrijving van de functie en de vereiste kwalificatie van de kandidaat; het evaluatiedossier van de kandidaten. Art. 76.De directieraad formuleert een voorstel van benoeming dat ten hoogste zes namen van kandidaten per vacante betrekking bevat. De kandidaten worden geklasseerd in de volgorde waarin zij voor de benoeming in aanmerking komen. Bij gelijkheid van de kandidaturen, geeft hij de voorkeur aan de kandidaat met achtereenvolgens : 1° de grootste graadanciënniteit;2° de grootste dienstanciënniteit; de hoogste leeftijd. Art. 77.Van het voorstel wordt kennis gegeven per dienstnota aan de ambtenaren die zich kandidaat hebben gesteld voor de te begeven betrekking. De betrokkenen brengen hun visum aan op de dienstnota. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk van de dienst afwezig is, om welke reden ook, wordt de dienstnota bij aangetekend schrijven naar zijn woonplaats gezonden. De ambtenaar die zich benadeeld acht, kan binnen vijftien dagen bezwaar indienen bij de voorzitter van de directieraad. De betekeningen en de termijnen bedoeld in dit artikel worden geregeld volgens dezelfde bepalingen als die bedoeld in artikel 295 van dit besluit. De ambtenaar wordt op zijn verzoek door de directieraad gehoord. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art. 78.De raad van bestuur die de benoemingsbevoegdheid heeft, volgt het voorstel van definitieve volgorde indien het éénparig werd uitgebracht. Indien het voorstel van de directieraad niet eenparig wordt uitgebracht en de raad van bestuur niet instemt met de door de directieraad voorgestelde volgorde, moet zij haar beslissing omstandig met redenen omkleden. HOOFDSTUK 2. - De functionele loopbaan Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 79.De functionele loopbaan is voorbehouden aan de ambtenaren die titularis zijn van een wervingsgraad. Zij bestaat erin dat de ambtenaar, zonder in graad te verhogen, een of twee hogere weddenschalen geniet dan die welke zijn verbonden aan zijn graad, zolang hij voldoet aan de eisen die het statuut stelt inzake anciënniteit, evaluatie en vorming. Art. 80.De directieraad beheert het stelsel van de functionele loopbanen. Zij kent de hogere weddenschaal toe zodra een ambtenaar de voorwaarden inzake graadanciënniteit, evaluatie en vorming vervult. Afdeling 2. - De gewone functionele loopbaan Art. 81.§ 1. Aan de wervingsgraden attaché, assistent, adjunct, klerk en beambte zijn de weddenschalen 101, 102 en 103 verbonden. Aan de wervingsgraden ingenieur zijn de weddenschalen 111, 112 en 113 verbonden. De weddenschaal 101 of 111, naargelang de graad, wordt toegekend vanaf de aanwerving of de overgang naar een hoger niveau. § 2. De weddenschaal 102 of 112, naargelang de graad, wordt toegekend aan de ambtenaar die : 1° negen jaar graadanciënniteit telt;2° over een evaluatie "gunstig" beschikt;3° met goed gevolg de in artikel 279 bedoelde vorming heeft gevolgd. § 3. De weddenschaal 103 of 113, naargelang de graad, wordt toegekend aan de ambtenaar zodra hij achttien jaar graadanciënniteit telt, onder dezelfde voorwaarden inzake evaluatie en vorming als diegenen bedoeld in § 2. Afdeling 3. - De versnelde functionele loopbaan Art. 82.De ambtenaar die beschikt over een evaluatie "gunstig", kan, alvorens hij de vereiste graadanciënniteit heeft bereikt, zijn functionele loopbaan versnellen door het succesvol afwerken van een programma in het kader van de vrijwillige beroepsvorming, bedoeld in artikel 281 van dit besluit. Die vorming moet een professioneel belang bevatten inzake de opdrachten van het Parkeeragentschap en door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal moet worden goedgekeurd op basis van een met redenen omkleed advies van de dienst belast met de vorming. Ingeval het in het tweede lid van dit artikel bedoeld professioneel belang wordt geweigerd, kan de ambtenaar beroep indienen bij de directieraad binnen een maand na de betekening van de beslissing tot weigering van de directeur-generaal en adjunct-directeur-generaal. De vorming moet beantwoorden aan de in artikel 285 § 2 bedoelde voorwaarden en de tijdsduur ervan bedraagt minstens: - 30 uur voor niveau E; - 75 uur voor niveau D; - 100 uur voor de overige niveaus. Onder de voorwaarde bepaald in het eerste lid van dit artikel, wordt de weddenschaal 103 of 113 naargelang de graad toegekend zodra hij zes jaar graadanciënniteit telt en de weddenschaal 104 of 114 naargelang de graad zodra hij twaalf jaar graadanciënniteit telt. De weddenschaal 103 of 113 naargelang de graad wordt nochtans alleen toegekend nadat de ambtenaar ten minste vier jaar zijn weddenschaal 102 of 112 naargelang de graad heeft genoten. HOOFDSTUK 3. - Het mandaat Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 83.De Regering kent de betrekkingen verbonden aan de graden van de rangen A4, A4+ en A5 bij mandaat toe. Iedere betrekking wordt door de Regering vacant verklaard alvorens zij kan worden begeven bij mandaat. Art. 84.Vóór elke toekenning van een mandaat legt de overheid de doeleinden vast die tijdens dit mandaat moeten bereikt worden. Onder overheid moet worden verstaan : 1° voor een mandaat van rang A4 : de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal van het Parkeeragentschap evenals de functioneel bevoegde minister;2° voor een mandaat van rang A4+ en A5: de Regering op voorstel van de functioneel bevoegde minister(s);bovendien wordt voorafgaand het advies van de Raad van bestuur gevraagd. Art. 85.De aangestelde ambtenaar oefent het mandaat daadwerkelijk uit. In geval de aangestelde ambtenaar het mandaat niet kan uitoefenen wegens langdurige ziekte of zwangerschapsverlof of schorsing in het belang van de dienst, kan de Regering de voortzetting ervan voor maximum zes maanden aan een andere ambtenaar toevertrouwen, conform de artikelen 111 en 112. Art. 86.De graadanciënniteit van de mandaathouder is gelijk aan zijn anciënniteit in de graad die hij bekleedde voor zijn aanstelling. De duur van het mandaat wordt meegerekend in zijn dienst-, graad- en geldelijke anciënniteit De ambtenaar geniet de geldelijke rechten verbonden aan de graad die hem bij mandaat wordt toegekend. Art. 87.Het mandaat duurt vijf jaar. Onverminderd artikel 133, eindigt het na afloop van de vastgestelde duur, in geval van schorsing in het belang van de dienst gedurende meer dan zes maanden, in geval van ononderbroken afwezigheid wegens langdurige ziekte van meer dan zes maanden, in geval van terugzetting in graad of door het vrijwillig ontslag van de mandaathouder. De ambtenaar die zijn mandaat beëindigt, kan dit verlengen volgens de voorwaarden voorzien in artikel 133, § 2. De ambtenaar wiens mandaat niet wordt verlengd, herkrijgt de graad die hij voor zijn mandaat bekleedde. Art. 88.De Regering stelt de mandaten open voor ambtenaren van het ministerie en van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Ze stelt de wijze vast waarop ambtenaren die niet behoren tot het Parkeeragentschap waarin de betrekking wordt geopend een mandaat kunnen opnemen in deze instelling. Afdeling 2. - De procedure van toekenning van de mandaten Art. 89.De mandaten van rang A4, A4+ en A5 staan open voor ambtenaren van niveau A die ten minste twaalf jaar anciënniteit van niveau A hebben of ten minste zes jaar leidinggevende ervaring hebben. Onder leidinggevende ervaring wordt verstaan ervaring inzake het beheer in een overheidsdienst of in een organisatie uit de privé-sector. Elke kandidaat dient een beheersplan op te stellen waarin rekening gehouden wordt met de doelstellingen bedoeld in artikel 84, eerste lid. Art. 90.§ 1. De vacante mandaten worden ter kennis van de ambtenaren gebracht via een oproep tot de kandidaten in het Belgisch Staatsblad. In de oproep tot de kandidaten wordt voor elke vacant verklaarde mandaat het volgende vermeld : 1° de termijn bedoeld in § 2 van dit artikel waarbinnen de kandidatuur ingediend moet worden bij de voorzitter van de directieraad;2° de gegevens die de kandidatuur dient te bevatten bedoeld in § 3 van dit artikel;3° de adresgegevens van de personeelsdienst waar een functiebeschrijving van de te begeven betrekking en de omschrijving van de doeleinden bedoeld in artikel 84, eerste lid bekomen kunnen worden. § 2. …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.