Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van Brussels Hoofds

Kort samengevat

Dit besluit regelt het administratief statuut en de bezoldigingsregeling voor ambtenaren van het Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap, opgericht om het parkeerbeleid te organiseren. Het legt de rechten, plichten, graden en organisatiestructuur van deze ambtenaren vast.

Wat het regelt

  • De rechten en plichten van de ambtenaren van het Parkeeragentschap.
  • De indeling van ambtenaren in graden en rangen, en de bijbehorende hiërarchie.
  • De personeelsformatie en de functiebeschrijvingen binnen het Parkeeragentschap.
  • De samenstelling en taken van de directieraad, selectiecommissies en de gemeenschappelijke commissie van beroep.

Wie het aanbelangt

  • Alle personen die in vast dienstverband tewerkgesteld zijn bij het Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap.
  • De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, de Minister bevoegd voor het Openbaar Ambt, en de functioneel bevoegde minister.

Kernpunten

  • Ambtenaren moeten hun ambt loyaal, zorgvuldig en integer uitoefenen, met respect voor wetten, reglementen en gedragsregels.
  • Het is ambtenaren verboden giften, beloningen of voordelen te vragen, eisen of aannemen, tenzij het symbolische geschenken van kleine waarde betreft tussen ambtenaren.
  • Ambtenaren mogen zich niet in een belangenconflict plaatsen en moeten dit melden aan hun hiërarchische meerdere.
  • De graden zijn verdeeld over vijf niveaus (A, B, C, D, E), waarbij niveau A het hoogste is, en elk niveau heeft specifieke rangen (bijv. A1 tot A5).
Wettekst
Wettekst
Obsah (7)Art. 36Art. 61Art. 79Art. 83Art. 94Art. 118Art. 142

2 MEI 2013. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap De Brusse

Art. 36.De stagiair is geen ambtenaar in de zin van dit besluit.

De volgende in dit besluit opgenomen bepalingen zijn op de stagiair van toepassing : 1° de rechten, plichten, onverenigbaarheden en cumulatie van activiteiten;2° de tuchtregeling;3° de administratieve standen;4° de geldelijk statuut; 5° het ambtshalve verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en de definitieve ambtsneerlegging.; 6° de gemiddelde maximum arbeidsduur. De stagiair geniet : 1° het jaarlijks vakantieverlof;2° de feestdagen;3° het omstandigheidsverlof;4° het bevallingsverlof;5° het verlof wegens ziekte;6° de disponibiliteit wegens ziekte;7° verloven om in geval van ernstige ziekte of ongeval een persoon bij te staan die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont;8° het verlof voor detachering bij een ministerieel kabinet;9° het verlof om een politiek mandaat uit te oefenen;10° verlof voor loopbaanonderbreking voor palliatieve verzorging en verlof voor loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof. Voor de toepassing van dit artikel wordt de stagiair geacht de graad te bezitten waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Art. 37.§

  1. De raad van bestuur stelt de ambten en graden vast waarvoor er een bepaalde medische geschiktheid vereist is en geeft de gevergde geschiktheid nauwkeurig aan. §
  2. In de gevallen waarin een onderzoek naar de lichamelijke geschiktheid is voorgeschreven volgens het koninklijk besluit van 13 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten0 tot regeling van het medisch toezicht op het personeel van sommige overheidsdiensten, kan de geslaagde slechts tot benoeming worden toegelaten wanneer hij zich voor het onderzoek heeft aangemeld; de bedoeling daarvan is te bepalen of de betrokkene geschikt is om het ambt uit te oefenen waarvoor hij zich kandidaat gesteld heeft. Indien hij niet aan de geschiktheidsvoorwaarden voldoet, wordt hij ontslagen. Ten laatste op de datum van dit ontslag wordt met de betrokkene een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde duur afgesloten. Deze duur is gelijk aan de minimumduur die in zijn geval wordt opgelegd om het voordeel van werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Wanneer hij op de datum waarop deze overeenkomst begint te lopen arbeidsongeschikt is of wanneer hij dat wordt tijdens de uitvoering ervan, wordt hem in het eerste geval een wedde uitbetaald gedurende zes maanden en in het tweede geval gedurende de periode nodig om de wachttijd te dekken voor de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen. Art. 38.Kandidaten voor een betrekking van niveau A of B worden tot de stage toegelaten door de raad van bestuur, kandidaten voor een betrekking van niveau C, D of E door de raad van bestuur of zijn gemachtigde;. Art. 39.Wanneer de stagiair buiten de verloven bedoeld in artikel 36 derde lid, 1° tot 3°, 7° en 8°, vijftien dagen gewettigde afwezigheid overschrijdt, wordt de stage geschorst. Tijdens de schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair. Hij behoudt deze eveneens tot de datum waarop een definitieve beslissing omtrent zijn benoeming of afdanking wordt genomen. Art. 40.De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal wijzen de stagiair voorlopig aan voor een met zijn kwalificatie overeenstemmende vacante betrekking bij de dienst waar deze laatste zijn stage zal volbrengen. Zij kunnen deze aanwijzing veranderen : 1° in het belang van de dienst; op aanvraag van de stagiair. Art. 41.De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal wijzen een hiërarchische meerdere aan die de leiding van de stage uitoefent, naargelang van de taalrol van de stagiair. Art. 42.De opleiding van de stagiair gebeurt onder de verantwoordelijkheid van de ambtenaar belast met de leiding van de stage, in samenwerking met de bevoegde hiërarchische meerdere en de dienst belast met de vorming. De bevoegde hiërarchische meerdere zorgt voor de opleiding in de materie die door zijn dienst wordt behandeld. In samenwerking met de dienst belast met de vorming leert hij de stagiair de activiteiten kennen van de andere diensten van het Parkeeragentschap. De dienst belast met de vorming bepaalt de vormingsactiviteiten waaraan de stagiair verplicht moet deelnemen. Art. 43.De ambtenaar belast met de leiding van de stage maakt de verslagen bedoeld in artikelen 46, 48 en 49 op en zendt ze naar het Human Ressource Management van het Parkeeragentschap, hieronder "HRM" genoemd. Deze laatste kan in overleg met de ambtenaar belast met de leiding van de stage beslissen de stagiair bijkomende vormingsactiviteiten te laten volgen. De raad van bestuur legt het model van het stageverslag vast. Afdeling
  3. - De stagiairs van niveau A en B. Art. 44.De stage duurt één jaar. Zij kan ten hoogste met een jaar worden verlengd in het in artikel 56, 1, bedoelde geval. Art. 45.Elke stagiair stelt een eindverhandeling op over een onderwerp dat in overleg met zijn bevoegde hiërarchische meerdere en het HRM wordt vastgelegd. Art. 46.Na de 1ste, 3de, 6de, 8ste, 10de en 12de maand van de stage, organiseert de ambtenaar belast met de leiding van de stage een evaluatiegesprek over het verloop van de stage. Wanneer hij het nodig acht, kan hij besluiten tot bijkomende gesprekken. Het onderhoud verloopt met name over: 1° de vormingsactiviteiten en de resultaten ervan;2° de wijze waarop de stagiair zich in de dienst integreert;3° de uitvoering van zijn werkopdrachten. Het onderhoud heeft tot doel de vooruitgang te evalueren die de stagiair maakt en de nog te verbeteren punten aan te stippen. Het beoogt eveneens de beoordeling mogelijk te maken van zowel de gunstige als de ongunstige feiten. Ingeval ongunstige feiten worden vastgesteld, geeft de ambtenaar belast met de leiding van de stage de stagiair een verwittiging. Bij een tweede verwittiging, licht hij de gemachtigde hiërarchische meerdere, evenals de HRM, hierover in. De conclusies van elk gesprek worden opgetekend in het stageverslag. Het verslag wordt meegedeeld aan de stagiair die er desgevallend zijn opmerkingen kan aan toevoegen. Afdeling
  4. - De stagiairs van niveau C, D en E Art. 47.De stage duurt zes maanden. Zij kan ten hoogste met zes maanden worden verlengd in het in artikel 56,1 bedoelde geval. Art. 48.De ambtenaar belast met de leiding van de stage stelt na de eerste, de derde en de zesde maand van de stage een stageverslag op. Het verslag wordt ter kennis gebracht van de stagiair, die er desgevallend zijn opmerkingen kan aan toevoegen. Ingeval ongunstige feiten worden vastgesteld, geeft de ambtenaar belast met de leiding van de stage de stagiair een verwittiging. Bij een tweede verwittiging, licht hij de gemachtigde hiërarchische meerdere hierover in, evenals de HRM. De tweede verwittiging mag alleen worden uitgesproken na een termijn van één maand die direct volgt op de eerste verwittiging. Het voormelde verslag wordt aan de dienst belast met de vorming toegezonden. Afdeling
  5. - Het einde van de stage Art. 49.De ambtenaar belast met de leiding van de stage stelt het eindverslag van de stage op, in overleg met de dienst belast met de vorming. Hij voegt er een van de voorstellen bedoeld in artikel 51 aan toe. Hij deelt het eindverslag aan de stagiair mede, die over vijftien dagen beschikt om er zijn opmerkingen aan toe te voegen. Art. 50.De eindevaluatie houdt rekening met alle feiten, al dan niet ten goede, die in de loop van de stage werden vastgesteld, evenals met de tussentijdse evaluaties. Voor de stagiairs van niveau A en B wordt bovendien rekening gehouden met de eindverhandeling. Art. 51.De ambtenaar belast met de leiding van de stage overhandigt het eindverslag aan de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal. Indien het eindverslag over het geheel van de stage gunstig is, stellen de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal de benoeming voor van de stagiair aan de raad van bestuur. Indien het eindverslag ongunstig is of een voorbehoud uitdrukt wat het verloop van de stage betreft, stellen de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal de afdanking voor wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij het Parkeeragentschap of de verlenging van de stage. Art. 52.Indien, in de loop van de stage, de stagiair twee verwittigingen heeft gekregen van de ambtenaar belast met de leiding van de stage, legt deze laatste onmiddellijk een ongunstig verslag voor aan de ambtenaren bedoeld in artikel 51 van dit besluit. Zij stellen het ontslag van de stagiair voor, wegens ongeschiktheid voor de uitoefening van de functie. Afdeling
  6. - De procedure van beroep Art. 53.In de gevallen bedoeld in artikel 51, derde lid en artikel 52, leggen de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal het dossier voor aan de commissie bedoeld in artikel
  7. Zij voegen er het voorstel van beslissing aan toe. Zij betekenen dit aan de stagiair. De datum van de betekening doet de termijn lopen, bedoeld in artikel 56, tweede lid. Art. 54.De voorzitter van de commissie roept de stagiair op. Deze laatste kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art. 55.De ambtenaar belast met de leiding van de stage brengt verslag uit over het verloop van de stage. Het hoofd van de dienst belast met de vorming of zijn afgevaardigde evenals de ambtenaar belast met de leiding van de stage worden gehoord. Art. 56.De commissie kan beslissen : 1° de stage te verlengen, volgens de nadere regels die zij bepaalt, met inachtneming van de maximumtermijnen bedoeld in artikelen 44, tweede lid en 47, tweede lid.2° de benoeming voor te stellen aan de benoemende overheid;3° de afdanking wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij het Parkeeragentschap voor te stellen aan de benoemende overheid. De commissie beslist binnen drie maanden nadat het dossier bij haar werd ingediend. Bij ontstentenis, wordt de benoeming van de stagiair voorgesteld aan de raad van bestuur. Art. 57.In geval van verlenging van de stage wordt de stagiair geëvalueerd zoals tijdens de initiële stage. Artikel 51 is toepasselijk, met dien verstande dat de ambtenaar belast met de leiding van de stage geen tweede verlenging van de stage kan voorstellen. Art. 58.De beslissing tot ontslag wegens beroepsongeschiktheid wordt door de raad van bestuur genomen. De stagiair geniet een opzeggingstermijn van drie maanden. Bij zware fout echter, wordt hij zonder opzeggingstermijn ontslagen. HOOFDSTUK
  8. - De benoeming Art. 59.De geschikt verklaarde stagiair wordt door de raad van bestuur benoemd in de graad waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. De hoedanigheid van ambtenaar wordt bekrachtigd door de eed die wordt afgelegd in de termen bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten
  9. De ambtenaren leggen de eed af in handen van de door de raad van bestuur aangewezen ambtenaar. Art. 60.De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal wijzen de pas benoemde ambtenaar een betrekking van zijn graad toe. TITEL
  10. - DE LOOPBAAN HOOFDSTUK I. - De hiërarchische loopbaan Afdeling
  11. -

Art. 61

.De hiërarchische loopbaan is de loopbaan die de ambtenaar kan doorlopen door verhoging in graad of door bevordering in een expertbetrekking van hoog niveau overeenstemmend met dezelfde graad als degene die hij bekleedt. Art. 62.Iedere open betrekking wordt door de raad van bestuur vacant verklaard alvorens zij kan worden begeven. Art. 63.§

  1. De vacante betrekkingen worden per dienstnota ter kennis gebracht van de kandidaten van het Parkeeragentschap die de benoemingsvoorwaarden kunnen vervullen. De betrokkenen brengen hun visum aan op de dienstnota. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk van de dienst afwezig is, om welke reden ook, wordt de dienstnota bij aangetekend schrijven naar zijn woonplaats gezonden. De vacante betrekkingen bedoeld in artikel 69 van dit besluit worden ter kennis gebracht van de ambtenaren die niet tot het Parkeeragentschap behoren door middel van een oproep tot kandidaten in het Belgisch Staatsblad. §
  2. Worden enkel in aanmerking genomen, de kandidaturen van de ambtenaren van het Parkeeragentschap die via de postoperator per aangetekend schrijven opgestuurd zijn aan de voorzitter van de directieraad, binnen een termijn van twintig dagen. Deze termijn gaat in ofwel de dag waarop de ambtenaar zijn visum aangebracht heeft op de dienstnota, ofwel de dag waarop het aangetekend schrijven met de dienstnota door de post werd aangeboden op de woonplaats van de ambtenaar. Voor de ambtenaren die niet tot het Parkeeragentschap behoren, begint de termijn bedoeld in het eerste lid te lopen daags na de publicatie van de oproep in het Belgisch Staatsblad. §
  3. Elke kandidatuur voor een bevorderingsbetrekking dient een uiteenzetting te bevatten over de elementen die de kandidatuur staven. §
  4. Het staat de ambtenaren vrij om voorafgaandelijk te dingen naar elke betrekking die eventueel vacant zou worden verklaard tijdens hun afwezigheid. De geldigheid van een dergelijke kandidatuur is beperkt tot twee maanden. Zij behoort met een aangetekend schrijven ingediend te worden bij de voorzitter van de directieraad. Art. 64.De bevorderingen in de hiërarchische loopbaan worden verleend door de Raad van Bestuur. Afdeling
  5. - De bevordering tot een graad van rang A2 of A3 Onderafdeling
  6. - De voorwaarden inzake rang en anciënniteit Art. 65.De betrekkingen van eerste attaché van rang A2 staan open voor titularissen van de graad van attaché in rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. De betrekkingen van eerste ingenieur in rang A2 staan open voor titularissen van de graad van ingenieur in rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. Bij gebrek aan kandidaten die de voorwaarden inzake anciënniteit vervullen, kan de raad van bestuur, de vereiste anciënniteit met een derde verlagen. De beslissing tot verlaging van de vereiste anciënniteit wordt vermeld in de bekendmaking van de vacante betrekking en in de aanhef van het benoemingsbesluit. Art. 66.De betrekkingen van eerste attaché van rang A2, expert van hoog niveau staan open voor ambtenaren bekleed met de graad van attaché van rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen, evenals voor andere titularissen van de graad van eerste attaché van rang A
  7. Art. 67.De betrekkingen van directeur in rang A 3 staan open voor de titularissen van de graden van attaché in rang A 1, van eerste attaché in rang A 2 die ten minste negen jaar niveauanciënniteit tellen. De betrekkingen van ingenieur-directeur in rang A 3 staan open voor de titularissen van de graden van ingenieur in rang A 1 en van eerste ingenieur in rang A 2 die ten minste negen jaar niveauanciënniteit tellen Art. 68.De raad van bestuur kan een vacante betrekking openstellen voor ambtenaren van een ministerie, van een instelling van openbaar nut of van een autonoom overheidsbedrijf waarvan het personeel wordt aangeworven via SELOR, van het Rijk, van een Gemeenschap of van een Gewest, die aan dezelfde bevorderingsvoorwaarden voldoen als degene welke voor de ambtenaren van het Parkeeragentschap. Onderafdeling
  8. - De voorwaarden inzake evaluatie Art. 69.De ambtenaar die zich kandidaat stelt voor een betrekking van rang A2 of rang A3 moet een evaluatie "gunstig" hebben. Onderafdeling
  9. - De bevorderingsprocedure Art. 70.§
  10. Voor iedere bevordering brengt de directieraad een met redenen omkleed advies uit. De directieraad spreekt zich in zijn advies uit over iedere sollicitant die voldoet aan de vereisten om de te begeven betrekking te bekleden. Hij neemt hierbij in overweging : 1° de beschrijving van de functie en de vereiste kwalificatie van de kandidaat;2° de aanspraken en ervaringen die de sollicitant doet gelden voor een bevordering in de vacante betrekking; het evaluatiedossier van de kandidaat. Art. 71.De directieraad formuleert een voorstel van benoeming dat ten hoogste zes namen van kandidaten per vacante betrekking bevat. De kandidaten worden geklasseerd in de volgorde waarin zij voor de benoeming in aanmerking komen. Art. 72.Van het voorstel wordt kennis gegeven per dienstnota aan de ambtenaren die zich kandidaat hebben gesteld voor de te begeven betrekking. De betrokkenen brengen hun visum aan op de dienstnota. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk van de dienst afwezig is, om welke reden ook, wordt de dienstnota bij aangetekend schrijven naar zijn woonplaats gezonden. De ambtenaar die zich benadeeld acht, kan binnen vijftien dagen bezwaar indienen bij de voorzitter van de directieraad. De betekeningen en de termijnen bedoeld in dit artikel worden geregeld volgens dezelfde bepalingen als die bedoeld in artikel 295 van dit besluit. De ambtenaar wordt op zijn verzoek door de directieraad gehoord. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art. 73.De raad van bestuur volgt het voorstel van definitieve volgorde indien het éénparig werd uitgebracht. Indien het voorstel van de directieraad niet eenparig wordt uitgebracht en de raad van bestuur niet instemt met de door de directieraad voorgestelde volgorde, moet zij haar beslissing omstandig met redenen omkleden. Afdeling
  11. - De bevordering tot een graad van rang B2, C2, D2 en E2 Onderafdeling
  12. - De voorwaarden inzake rang, anciënniteit en evaluatie Art. 74.De betrekkingen van rang B2, C2, D2 en E2 staan open voor ambtenaren van respectievelijk rang B1, C1, D1 en E1 die ten minste negen jaar graadanciënniteit tellen. De kandidaten moeten " gunstig " als evaluatie hebben. Onderafdeling
  13. - De bevorderingsprocedure Art. 75.Voor iedere bevordering brengt de directieraad een met redenen omkleed advies uit. De directieraad spreekt zich in zijn advies uit over iedere sollicitant die voldoet aan de vereisten om de te begeven betrekking te bekleden. Hij neemt hierbij in overweging : 1° de beschrijving van de functie en de vereiste kwalificatie van de kandidaat; het evaluatiedossier van de kandidaten. Art. 76.De directieraad formuleert een voorstel van benoeming dat ten hoogste zes namen van kandidaten per vacante betrekking bevat. De kandidaten worden geklasseerd in de volgorde waarin zij voor de benoeming in aanmerking komen. Bij gelijkheid van de kandidaturen, geeft hij de voorkeur aan de kandidaat met achtereenvolgens : 1° de grootste graadanciënniteit;2° de grootste dienstanciënniteit; de hoogste leeftijd. Art. 77.Van het voorstel wordt kennis gegeven per dienstnota aan de ambtenaren die zich kandidaat hebben gesteld voor de te begeven betrekking. De betrokkenen brengen hun visum aan op de dienstnota. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk van de dienst afwezig is, om welke reden ook, wordt de dienstnota bij aangetekend schrijven naar zijn woonplaats gezonden. De ambtenaar die zich benadeeld acht, kan binnen vijftien dagen bezwaar indienen bij de voorzitter van de directieraad. De betekeningen en de termijnen bedoeld in dit artikel worden geregeld volgens dezelfde bepalingen als die bedoeld in artikel 295 van dit besluit. De ambtenaar wordt op zijn verzoek door de directieraad gehoord. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art. 78.De raad van bestuur die de benoemingsbevoegdheid heeft, volgt het voorstel van definitieve volgorde indien het éénparig werd uitgebracht. Indien het voorstel van de directieraad niet eenparig wordt uitgebracht en de raad van bestuur niet instemt met de door de directieraad voorgestelde volgorde, moet zij haar beslissing omstandig met redenen omkleden. HOOFDSTUK
  14. - De functionele loopbaan Afdeling
  15. -

Art. 79

.De functionele loopbaan is voorbehouden aan de ambtenaren die titularis zijn van een wervingsgraad. Zij bestaat erin dat de ambtenaar, zonder in graad te verhogen, een of twee hogere weddenschalen geniet dan die welke zijn verbonden aan zijn graad, zolang hij voldoet aan de eisen die het statuut stelt inzake anciënniteit, evaluatie en vorming. Art. 80.De directieraad beheert het stelsel van de functionele loopbanen. Zij kent de hogere weddenschaal toe zodra een ambtenaar de voorwaarden inzake graadanciënniteit, evaluatie en vorming vervult. Afdeling

  1. - De gewone functionele loopbaan Art. 81.§
  2. Aan de wervingsgraden attaché, assistent, adjunct, klerk en beambte zijn de weddenschalen 101, 102 en 103 verbonden. Aan de wervingsgraden ingenieur zijn de weddenschalen 111, 112 en 113 verbonden. De weddenschaal 101 of 111, naargelang de graad, wordt toegekend vanaf de aanwerving of de overgang naar een hoger niveau. §
  3. De weddenschaal 102 of 112, naargelang de graad, wordt toegekend aan de ambtenaar die : 1° negen jaar graadanciënniteit telt;2° over een evaluatie "gunstig" beschikt;3° met goed gevolg de in artikel 279 bedoelde vorming heeft gevolgd. §
  4. De weddenschaal 103 of 113, naargelang de graad, wordt toegekend aan de ambtenaar zodra hij achttien jaar graadanciënniteit telt, onder dezelfde voorwaarden inzake evaluatie en vorming als diegenen bedoeld in §
  5. Afdeling
  6. - De versnelde functionele loopbaan Art. 82.De ambtenaar die beschikt over een evaluatie "gunstig", kan, alvorens hij de vereiste graadanciënniteit heeft bereikt, zijn functionele loopbaan versnellen door het succesvol afwerken van een programma in het kader van de vrijwillige beroepsvorming, bedoeld in artikel 281 van dit besluit. Die vorming moet een professioneel belang bevatten inzake de opdrachten van het Parkeeragentschap en door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal moet worden goedgekeurd op basis van een met redenen omkleed advies van de dienst belast met de vorming. Ingeval het in het tweede lid van dit artikel bedoeld professioneel belang wordt geweigerd, kan de ambtenaar beroep indienen bij de directieraad binnen een maand na de betekening van de beslissing tot weigering van de directeur-generaal en adjunct-directeur-generaal. De vorming moet beantwoorden aan de in artikel 285 § 2 bedoelde voorwaarden en de tijdsduur ervan bedraagt minstens: - 30 uur voor niveau E; - 75 uur voor niveau D; - 100 uur voor de overige niveaus. Onder de voorwaarde bepaald in het eerste lid van dit artikel, wordt de weddenschaal 103 of 113 naargelang de graad toegekend zodra hij zes jaar graadanciënniteit telt en de weddenschaal 104 of 114 naargelang de graad zodra hij twaalf jaar graadanciënniteit telt. De weddenschaal 103 of 113 naargelang de graad wordt nochtans alleen toegekend nadat de ambtenaar ten minste vier jaar zijn weddenschaal 102 of 112 naargelang de graad heeft genoten. HOOFDSTUK
  7. - Het mandaat Afdeling
  8. -

Art. 83

.De Regering kent de betrekkingen verbonden aan de graden van de rangen A4, A4+ en A5 bij mandaat toe. Iedere betrekking wordt door de Regering vacant verklaard alvorens zij kan worden begeven bij mandaat. Art. 84.Vóór elke toekenning van een mandaat legt de overheid de doeleinden vast die tijdens dit mandaat moeten bereikt worden. Onder overheid moet worden verstaan : 1° voor een mandaat van rang A4 : de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal van het Parkeeragentschap evenals de functioneel bevoegde minister;2° voor een mandaat van rang A4+ en A5: de Regering op voorstel van de functioneel bevoegde minister(s);bovendien wordt voorafgaand het advies van de Raad van bestuur gevraagd. Art. 85.De aangestelde ambtenaar oefent het mandaat daadwerkelijk uit. In geval de aangestelde ambtenaar het mandaat niet kan uitoefenen wegens langdurige ziekte of zwangerschapsverlof of schorsing in het belang van de dienst, kan de Regering de voortzetting ervan voor maximum zes maanden aan een andere ambtenaar toevertrouwen, conform de artikelen 111 en

  1. Art. 86.De graadanciënniteit van de mandaathouder is gelijk aan zijn anciënniteit in de graad die hij bekleedde voor zijn aanstelling. De duur van het mandaat wordt meegerekend in zijn dienst-, graad- en geldelijke anciënniteit De ambtenaar geniet de geldelijke rechten verbonden aan de graad die hem bij mandaat wordt toegekend. Art. 87.Het mandaat duurt vijf jaar. Onverminderd artikel 133, eindigt het na afloop van de vastgestelde duur, in geval van schorsing in het belang van de dienst gedurende meer dan zes maanden, in geval van ononderbroken afwezigheid wegens langdurige ziekte van meer dan zes maanden, in geval van terugzetting in graad of door het vrijwillig ontslag van de mandaathouder. De ambtenaar die zijn mandaat beëindigt, kan dit verlengen volgens de voorwaarden voorzien in artikel 133, §
  2. De ambtenaar wiens mandaat niet wordt verlengd, herkrijgt de graad die hij voor zijn mandaat bekleedde. Art. 88.De Regering stelt de mandaten open voor ambtenaren van het ministerie en van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Ze stelt de wijze vast waarop ambtenaren die niet behoren tot het Parkeeragentschap waarin de betrekking wordt geopend een mandaat kunnen opnemen in deze instelling. Afdeling
  3. - De procedure van toekenning van de mandaten Art. 89.De mandaten van rang A4, A4+ en A5 staan open voor ambtenaren van niveau A die ten minste twaalf jaar anciënniteit van niveau A hebben of ten minste zes jaar leidinggevende ervaring hebben. Onder leidinggevende ervaring wordt verstaan ervaring inzake het beheer in een overheidsdienst of in een organisatie uit de privé-sector. Elke kandidaat dient een beheersplan op te stellen waarin rekening gehouden wordt met de doelstellingen bedoeld in artikel 84, eerste lid. Art. 90.§
  4. De vacante mandaten worden ter kennis van de ambtenaren gebracht via een oproep tot de kandidaten in het Belgisch Staatsblad. In de oproep tot de kandidaten wordt voor elke vacant verklaarde mandaat het volgende vermeld : 1° de termijn bedoeld in § 2 van dit artikel waarbinnen de kandidatuur ingediend moet worden bij de voorzitter van de directieraad;2° de gegevens die de kandidatuur dient te bevatten bedoeld in § 3 van dit artikel;3° de adresgegevens van de personeelsdienst waar een functiebeschrijving van de te begeven betrekking en de omschrijving van de doeleinden bedoeld in artikel 84, eerste lid bekomen kunnen worden. §
  5. Worden enkel in aanmerking genomen de kandidaturen van de ambtenaren die per aangetekend schrijven gericht zijn aan de voorzitter van de directieraad, binnen een termijn van dertig dagen. Deze termijn gaat in de dag volgend op de bekendmaking van de oproep in het Belgisch Staatsblad. §
  6. Elke kandidatuur bevat : 1° een uiteenzetting van de aanspraken en ervaring die de kandidaat laat gelden om voor de betrekking te kandideren;2° het beheersplan bedoeld in artikel 89, derde lid De betrokkene dient een kandidatuur in te dienen voor elke betrekking waarvoor hij zich kandidaat stelt. §
  7. Het staat de ambtenaren vrij om voorafgaandelijk naar elke betrekking te dingen die eventueel vacant zou worden verklaard tijdens hun afwezigheid. De geldigheid van een dergelijke kandidatuur is beperkt tot twee maanden. Zij behoort met een aangetekend schrijven ingediend te worden bij de voorzitter van de directieraad Art. 91.§
  8. Het verzoek bedoeld in artikel 93, eerste lid wordt door de voorzitter van de directieraad bij de selectiecommissie ingediend. §
  9. In het verzoek om advies dient de termijn vermeld te worden waarbinnen de selectiecommissie zich dient uit te spreken. Deze termijn mag niet minder bedragen dan dertig dagen na ontvangst van het verzoek door de voorzitter van de selectiecommissie. §
  10. Het verzoek om advies bevat : 1° de kandidaatstellingen bedoeld in artikel 90 § 3;2° de doelstellingen bedoeld in artikel 84, eerste lid; de functiebeschrijving van de te begeven betrekking; Art. 92.§
  11. De selectiecommissie controleert de algemene en bijzondere toelatingsvoorwaarden van de kandidaten. De kandidaten die niet voldoen aan deze voorwaarden worden van de selectie uitgesloten door een gemotiveerde beslissing van de selectiecommissie. Deze beslissing wordt aan de uitgesloten kandidaten meegedeeld per aangetekend schrijven. Binnen de vijftien dagen die volgen op deze officiële kennisgeving kan de kandidaat bezwaar aantekenen per aangetekend schrijven aan de voorzitter van de selectiecommissie en kan hij vragen gehoord te worden. De kandidaat kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Na onderzoek van het bezwaar doet de selectiecommissie een uitspraak over de toelaatbaarheid en deelt haar beslissing mee per aangetekend schrijven. Wanneer de selectiecommissie een kandidaat uitsluit, begint de termijn voorzien om zijn advies te geven te lopen vanaf de dag waarop de commissie een uitspraak heeft gedaan over de toelatingsvoorwaarden. §
  12. De selectiecommissie nodigt de kandidaten uit voor een gesprek. Wat betreft de mandaatbetrekkingen van rang A4 hoort de selectiecommissie de mandaathouder van rang A4+ en A5, met betrekking tot de algemene competenties en het functieprofiel van de te begeven betrekking. De selectiecommissie geeft een gemotiveerd advies over de gelijkwaardigheidsgraad van de competenties, van de relationele en managementvaardigheden van iedere kandidaat met betrekking tot de elementen vervat in het verzoek om advies bedoeld in artikel 91 §
  13. Na een vergelijking van de diploma's en de verdiensten van de kandidaten, deelt de selectiecommissie de kandidaten in hetzij in groep A "geschikt", hetzij in groep B "niet geschikt". In de groep A worden de kandidaten gerangschikt. Als geoordeeld wordt dat ze gelijkwaardig zijn, worden ze ex aequo gerangschikt. Art. 93.De Regering duidt de mandaathouder aan onder de kandidaten van groep A. Ze motiveert haar beslissing. HOOFDSTUK
  14. - De bevordering door overgang naar een hoger niveau Afdeling
  15. -

Art. 94

.De overgang naar een hoger niveau wordt verleend bij wijze van een vergelijkend examen georganiseerd door de raad van bestuur, zo nodig via SELOR. Art. 95.De bevordering door overgang naar een hoger niveau is alleen mogelijk als er een betrekking in de wervingsgraad van dat niveau vacant is. Art. 96.§

  1. Om deel te nemen aan een vergelijkend examen voor overgang naar het hogere niveau dient een ambtenaar zich in een administratieve stand te bevinden waarbij hij op de bevordering aanspraak kan maken en de evaluatievermelding "gunstig" te hebben gekregen bij de laatste evaluatie. §
  2. Om deel te nemen aan een vergelijkend examen voor overgang naar niveau A dient een ambtenaar van niveau B of C bovendien in een van beide of in beide niveaus een niveauanciënniteit van ten minste 3 jaar te hebben. Om deel te nemen aan een vergelijkend examen voor overgang naar niveau B, C en D dient een ambtenaar in het niveau dat voorafgaat aan datgene waartoe de te verlenen graad behoort bovendien een niveauanciënniteit van ten minste 3 jaar te hebben. §
  3. De gestelde deelnemingsvoorwaarden bedoeld in §§ 1 en 2 van dit artikel dienen vervuld te zijn op de datum waarop de inschrijvingen voor de eerste proef worden afgesloten. §
  4. De inschrijvingen voor de eerste proef zijn onbeperkt. Art. 97.De vergelijkende examens worden georganiseerd voor zover er voldoende vacante betrekkingen in de personeelsformatie zijn. De raad van bestuur bepaalt, zo nodig in overleg met de afgevaardigde bestuurder van SELOR, de samenstelling van de examencommissies en wijst de voorzitter aan evenals de assessoren en hun plaatsvervangers. De regels betreffende de examencommissies, bedoeld in artikel 25, §§ 2 tot 3 van dit besluit, zijn van toepassing op dit hoofdstuk. Afdeling
  5. - Het vergelijkend examen voor overgang naar niveau A Art. 98.De overgang naar niveau A staat open voor ambtenaren van de niveaus B en C. Art. 99.Het vergelijkende examen voor overgang naar niveau A bestaat uit twee eerste schiftingsproeven gevolgd door drie brevetten en een mondelinge proef. Enkel de geslaagden voor de eerste proef kunnen deelnemen aan de tweede proef en de geslaagden voor de tweede proef kunnen de drie brevetten en de mondelinge proef afleggen. Om de mondelinge proef af te leggen, moeten de kandidaten bovendien slagen voor elk brevet. Om te slagen moeten de kandidaten ten minste 60% der punten behalen voor het geheel van de proeven en brevetten en ten minste 50% voor elke proef en elk brevet. De eerste twee schiftingsproeven, waarvoor de kandidaat ten minste 60 % van de punten heeft behaald zijn definitief verworven. Elk brevet waarvoor de kandidaat 50% van de punten heeft behaald is definitief verworven. Art. 100.De raad van bestuur bepaalt, zo nodig in overleg met de afgevaardigde bestuurder van SELOR, de aard en de materies van de proeven en de brevetten, bedoeld in artikel
  6. Art. 101.De geslaagden voor het vergelijkend examen worden gerangschikt volgens de punten behaald voor het geheel van de proeven, bedoeld in artikel
  7. Afdeling
  8. - De vergelijkende examens voor overgang naar niveau B, C en D Art. 102.De overgang naar niveaus B, C en D staat open voor de ambtenaren van respectievelijk niveaus C, D en E. Art. 103.Het vergelijkend examen voor overgang naar niveau B of C omvat een algemeen gedeelte en een bijzonder gedeelte. De raad van bestuur bepaalt, in overleg met de afgevaardigde bestuurder van SELOR, de aard en de materies van de proeven, bedoeld in het eerste lid. Art. 104.Alleen wie slaagt voor het algemene examengedeelte kan deelnemen aan het specifieke examengedeelte. Om te slagen moeten de kandidaten minstens 50% van de punten voor elk gedeelte behalen en 60% van de punten voor het geheel van het examen. Een kandidaat die 60% behaalde voor het eerste gedeelte maar niet voor het tweede, wordt vrijgesteld van het eerste gedeelte als hij nogmaals aan een vergelijkend examen voor overgang naar hetzelfde niveau deelneemt. De geslaagden worden gerangschikt volgens de in beide examengedeelten behaalde punten. Art. 105.Het vergelijkend examen voor overgang naar niveau D bestaat uit een eenmalige proef gebaseerd op de voor het hogere niveau vereiste kwalificaties en geschiktheden. De raad van bestuur bepaalt, in overleg met de afgevaardigde bestuurder van SELOR, de aard en de materies van de proef, bedoeld in het eerste lid. Om te slagen moeten de kandidaten 60 % van de punten behalen. De geslaagden worden gerangschikt volgens de behaalde punten. Afdeling
  9. - Aanvullende mondelinge proef Art. 106.Aan het einde van het vergelijkend examen, wordt een aanvullende mondelinge proef georganiseerd op basis van een beschrijving van bepaalde functies of typefuncties. De kandidaten voor een aanvullende proef worden opgeroepen in de volgorde van hun eerste rangschikking. De geslaagden die geschikt worden bevonden voor de uit te oefenen functie worden opgenomen in een bijzondere rangschikking, verschillend van de eerste rangschikking. Zij die niet geschikt werden bevonden voor de uit te oefenen functie behouden hun eerste rangschikking en kunnen deelnemen aan andere aanvullende proeven. De geslaagden worden in functie geroepen in de volgorde van hun bijzondere rangschikking. Afdeling
  10. - Proefperiode Art. 107.In geval van selectie van een geslaagde, wordt laatstgenoemde toegelaten tot een proefperiode van zes maanden vanaf zijn infunctietreding. De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal wijzen in hun diensten de ambtenaren met een hogere graad aan die de supervisie van de proefperiode waarnemen. Na de 1ste en 6de maand organiseren ze een evaluatiegesprek over het verloop van de proefperiode. Ze kunnen besluiten tot bijkomende gesprekken. Ze stellen de verslagen van deze gesprekken op en overhandigen ze aan de dienst HRM. Tijdens de proefperiode zijn de geslaagden van een overgangsexamen naar niveau A of B gehouden een activiteitenverslag op te stellen. Bij het verstrijken van de proefperiode wordt de kandidatuur van de ambtenaar definitief aanvaard of verworpen door de door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal gemachtigde ambtenaar. Hij betekent zijn beslissing aan de ambtenaar en motiveert zijn beslissing.. Zowel de ambtenaar als de gemachtigde ambtenaar kunnen de proefperiode voortijdig beëindigen. Laatstgenoemde kan dat enkel indien op grond van een gemotiveerd verslag is aangetoond dat de kandidaat niet voldoet aan de vereisten van het ambt, alsook bij tuchtstraffen. Tijdens de proefperiode, wordt de evaluatie van de ambtenaar opgeschort. Er kan geen melding worden gemaakt van de motivering die een einde maakt aan de proefperiode in het evaluatiedossier van de ambtenaar. De ambtenaren die niet slaagden voor hun proefperiode of die de betrekking opgeven, hernemen hun oorspronkelijke graad en behouden hun eerste rangschikking, evenals hun eventuele rangschikking op basis van een andere functiebeschrijving. Zij hernemen hun voormalige betrekking of een gelijkgestelde betrekking. Afdeling
  11. - De procedure inzake beroep tegen de beslissing van de gemachtigde ambtenaar Art. 108.De ambtenaar kan beroep indienen bij de commissie van beroep binnen acht dagen na de betekening van de beslissing van de gemachtigde ambtenaar. Het beroep is opschortend. De voorzitter van de commissie roept de ambtenaar op binnen vijftien dagen na de indiening van het beroep. Deze laatste kan zich laten bijstaan door een persoon naar keuze. De gemachtigde ambtenaar brengt verslag uit bij de commissie van beroep betreffende het verloop van de proefperiode en wordt gehoord door de commissie. De commissie beslist om de beslissing van de gemachtigde ambtenaar te bevestigen of te vernietigen. Deze beslissing wordt genomen binnen een termijn van een maand na de indiening van het beroep en wordt betekend aan de ambtenaar, de gemachtigde ambtenaar en de verantwoordelijke van het HRM. De betekeningen en de termijnen bedoeld in dit hoofdstuk worden geregeld volgens dezelfde bepalingen als die bedoeld in artikel 295 van dit besluit. HOOFDSTUK V. - De uitoefening van een hoger ambt Art. 109.Onverminderd artikel 86 vallen de ambten die bij mandaat worden uitgeoefend, niet onder de bepalingen van dit hoofdstuk. Art. 110.Onder hoger ambt wordt verstaan elk ambt dat overeenstemt met een in de personeelsformatie voorkomende betrekking van een graad van hogere rang dan die waarvan de ambtenaar titularis is. Art. 111.Een ambtenaar kan worden aangesteld in een hoger ambt voor een betrekking die tijdelijk onbezet is. Het feit alleen dat een betrekking tijdelijk onbezet is, is geen voldoende reden om die betrekking voorlopig te verlenen. Art. 112.Alleen een ambtenaar die voldoet aan alle statutaire vereisten om tot de met het hoger ambt overeenstemmende graad te worden benoemd, kan voor het uitoefenen van dat ambt worden aangesteld. Een ambtenaar die een tuchtstraf heeft opgelopen mag niet worden aangesteld alvorens zijn straf is doorgehaald. Art. 113.In een tijdelijk vacante betrekking kan een ambtenaar alleen worden aangesteld indien de titularis ten minste een maand afwezig is. Een hoger ambt kan alleen worden toegekend met ingang van de eerste dag van een maand. Art. 114.De raad van bestuur beslist over de toekenning van een hoger ambt op voorstel van de directieraad. Art. 115.De akte tot aanstelling vermeldt : 1° een omschrijving van het ambt dat tijdelijk vacant is, zijn huidige titularis en de reden van diens afwezigheid;2° een verantwoording van de noodzaak om een hoger ambt toe te kennen; een verantwoording van de keuze van de voorgestelde ambtenaar. Art. 116.Een ambtenaar die met een hoger ambt is belast, beschikt over alle aan dat ambt verbonden prerogatieven. Art. 117.De uitoefening van een hoger ambt verleent geen aanspraak op een benoeming in de graad van dat ambt. TITEL
  12. - DE EVALUATIE HOOFDSTUK I. -

Art. 118

.De evaluatie heeft tot doel het werk van de ambtenaar in de functie die hij vervult, aan de hand van de functiebeschrijving ervan, doorlopend te beoordelen. Art. 119.De ambtenaar wordt geëvalueerd door een gemachtigde hiërarchische meerdere met eerbiediging van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken. Indien hij niet tot dezelfde taalrol als de ambtenaar behoort, dient de hiërarchische meerdere een voldoende kennis van de taal van de geëvalueerde ambtenaar te bezitten, als ambtenaar behorend tot het tweetalig kader, die krachtens artikel 43, § 3, derde lid van dezelfde wetten het bewijs heeft geleverd de tweede taal voldoende te kennen, ofwel omdat hij in het bezit is van een taalbewijs waaruit de voldoende kennis van de andere taal blijkt dat uitgereikt is op grond van de artikelen 7, 12 of 11 en 9, § 1 van het koninklijk besluit van 8 maart 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten3 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van dezelfde wetten. De hiërarchische meerdere gemachtigd tot het uitvoeren van de evaluatie wordt aangewezen door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal. Een ambtenaar mag geen evaluatie uitvoeren zonder eerst een vorming te hebben genoten. Art. 120.De evaluatie gebeurt op basis van een evaluatiedossier. Dit dossier bevat met name : - de functiebeschrijving; - het verslag van het functiegesprek; - de documenten betreffende de vaststellingen en de gunstige of ongunstige beoordelingen bedoeld in artikel 124; - het verslag van het evaluatiegesprek. De ambtenaar krijgt een kopie van de documenten waarvan het model wordt opgesteld door het HRM. Het evaluatiedossier maakt deel uit van het persoonlijk dossier van de ambtenaar. HOOFDSTUK

  1. - Het verloop van de evaluatie Art. 121.De evaluatieperiode van de ambtenaar is de periode tussen het (of de) functiegesprek(ken) en het evaluatiegesprek. Deze periode heeft een tijdsduur van minstens zes maanden. Art. 122.In het begin van elke evaluatieperiode en bij elke benoeming of dienstaanwijzing van de ambtenaar heeft de gemachtigde hiërarchische meerdere een functiegesprek met hem, waarbij de te bereiken doelstellingen en de elementen waarop de ambtenaar zal worden geëvalueerd op basis van de functiebeschrijving, worden omschreven. Deze betreffen : * de kwaliteit van het werk; * het werkritme; * de toe te passen werkmethoden; de te verwerven werkattitudes. Art. 123.Binnen vijftien dagen na het gesprek stelt de gemachtigde hiërarchische meerdere een verslag op van het functiegesprek. Dit verslag wordt geviseerd door de ambtenaar. Als de ambtenaar het verslag van het functiegesprek niet tekent voor ontvangst, wordt het verslag hem aangetekend opgestuurd. De gemachtigde hiërarchische meerdere stuurt dit verslag naar het HRM binnen dertig dagen na het functiegesprek. Art. 124.In de loop van elke evaluatieperiode kan de gemachtigde hiërarchische meerdere gunstige of ongunstige vaststellingen op basis van de doelstellingen en de evaluatiecriteria bedoeld in artikel 123, aan het evaluatiedossier toevoegen. Deze vaststellingen worden ter kennis van de ambtenaar gebracht, die er zijn eventuele bemerkingen kan aan toevoegen. De ambtenaar kan de gemachtigde hiërarchische meerdere vragen een document met een gunstige beoordeling betreffende de uitvoering van zijn werk aan zijn evaluatiedossier toe te voegen. Art. 125.Op het einde van elke evaluatieperiode heeft de gemachtigde hiërarchische meerdere een evaluatiegesprek met de ambtenaar. Art. 126.Dit evaluatiegesprek heeft plaats om de twee jaar tussen 15 januari en 15 maart voor de ambtenaren van niveau A en B, het jaar daarop voor de ambtenaren van de andere niveaus. Als het evaluatiegesprek niet kan plaatshebben tussen 15 januari en 15 maart, kan het plaatshebben op een andere datum, voor zover de periode van effectieve prestaties van de geëvalueerde ambtenaar sinds het functiegesprek minstens zes maanden bedraagt. Dit evaluatiegesprek handelt over de verwezenlijking van de doelstellingen en de elementen bedoeld in artikel 123 opgesteld tijdens het functiegesprek. Bij toekenning van een vermelding "met voorbehoud" of "onvoldoende" moet een nieuwe evaluatie plaatshebben na een termijn van een jaar. Deze termijn kan op vraag van de ambtenaar tot zes maanden worden teruggebracht. Deze laatste evaluatie moet worden gevolgd door een nieuw functiegesprek; het nieuwe evaluatiegesprek kan plaatshebben tussen 15 januari en 15 maart aan het einde van de lopende evaluatieperiode voor zover de effectieve prestaties een periode van minstens zes maanden bestrijken. Art. 127.Binnen vijftien dagen na het evaluatiegesprek stelt de gemachtigde hiërarchische meerdere een evaluatieverslag en kent de vermelding "gunstig", "onder voorbehoud" of "onvoldoende" toe, voorzien van een motivering. Het evaluatieverslag wordt gedateerd en getekend binnen dezelfde termijn door de gemachtigde hiërarchische meerdere, het wordt voor ontvangst getekend door de geëvalueerde ambtenaar en onmiddellijk doorgestuurd naar het HRM. Indien de ambtenaar het evaluatieverslag niet tekent voor gezien, wordt het hem aangetekend opgestuurd. Art. 128.De gemachtigde hiërarchische meerdere die de ambtenaar niet onder zijn gezag heeft gehad gedurende de volledige evaluatieperiode, raadpleegt de vorige gemachtigde hiërarchische meerderen van de ambtenaar voor het evaluatiegesprek. Indien de gemachtigde hiërarchische meerdere niet de functionele meerdere van de ambtenaar is, dient hij de functionele meerdere te raadplegen voor de functie- en evaluatiegesprekken. Hij stuurt hem een afschrift van het verslag van het functiegesprek en het evaluatieverslag. Art. 129.Op het einde van het evaluatiegesprek heeft een nieuw functiegesprek plaats over de volgende evaluatieperiode conform artikel 123, hetzij op hetzelfde ogenblik, hetzij op een ander ogenblik maar niettemin tussen 15 januari en 15 maart van het jaar van het evaluatiegesprek. Art. 130.De ambtenaar die zijn prestaties niet effectief gedurende ten minste zes maanden heeft geleverd en die afwezig is, met verlof is, of zijn functie niet vervult, behoudt zijn laatste evaluatie. Buiten de gevallen, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, krijgt de ambtenaar die om welke reden dan ook niet werd geëvalueerd, een gunstige evaluatie, ongeacht de periode tijdens dewelke hij effectief zijn prestaties leverde, behalve als hij bewust weigerde geëvalueerd te worden. Na afloop van de stage, krijgt de benoemde ambtenaar van ambtswege een gunstige evaluatie. HOOFDSTUK
  2. - De evaluatie van de mandaathouders Art. 131.De evaluatie heeft tot doel na te gaan in welke mate de bij de toekenning van het mandaat overeengekomen doeleinden werden bereikt of op weg zijn om te worden bereikt. De mandaathouder stelt hiertoe op het einde van iedere evaluatieperiode een verslag op over zijn werkzaamheden als hoofd van de administratieve eenheid die hij leidt. Art. 132.De evaluatiecommissie evalueert de mandaathouder over de wijze waarop hij het mandaat heeft uitgeoefend. Ze neemt kennis van het verslag opgesteld door de mandaathouder en nodigt deze uit voor een evaluatiegesprek. De vermelding "gunstig" wordt toegekend aan de mandaathouder wanneer deze de doelstellingen die hem bij het begin van zijn mandaat werden opgedragen heeft bereikt. De vermelding "voldoende" wordt toegekend aan de mandaathouder wanneer hij de doelstellingen gedeeltelijk heeft bereikt. De vermelding "ongunstig" wordt toegekend aan de mandaathouder wanneer de doelstellingen niet of in zeer geringe mate zijn gerealiseerd. In zijn evaluatie moet de evaluatiecommissie rekening houden met onvoorziene omstandigheden of omstandigheden, die het geheel of gedeeltelijk realiseren van de vastgestelde objectieven onmogelijk hebben gemaakt. De evaluatie wordt aan de geëvalueerde meegedeeld bij aangetekend schrijven. Art. 133.§
  3. Een eerste evaluatie heeft plaats twee jaar na het begin van het mandaat. Indien bij deze evaluatie de vermelding "ongunstig" wordt weerhouden heeft een bijkomende evaluatie plaats zes maanden na deze eerste evaluatie. Als de bijkomende evaluatie van de mandaathouder eveneens ongunstig is wordt zijn mandaat definitief beëindigd en kan hij niet deelnemen aan een nieuwe toekenningsprocedure voor het mandaat dat hij bekleedt. §
  4. Een tweede evaluatie heeft plaats zes maanden voor het einde van het mandaat. Indien op het einde van deze tweede evaluatie de mandataris de vermelding "gunstig" bekomt, dan kan de Regering zijn mandaat verlengen zonder dat er wordt overgegaan tot een nieuwe toekenningsprocedure voor het mandaat dat hij bekleedt. De mandaathouder stelt, bij de hernieuwing van zijn mandaat, een beheersplan op zoals bedoeld in artikel 89, dat rekening houdt met de te bereiken doelstelling vastgelegd door de overheid. Indien de mandaathouder de vermelding "voldoende" bekomt, dan wordt zijn mandaat niet verlengd maar kan hij deelnemen aan een nieuwe toekenningsprocedure voor het mandaat dat hij bekleedt. Indien de mandaathouder de vermelding "ongunstig" bekomt, dan wordt zijn mandaat definitief beëindigd en kan hij niet deelnemen aan de nieuwe toekenningsprocedure voor het mandaat dat hij bekleedt. HOOFDSTUK
  5. - De beroepsprocedure Afdeling
  6. - De beroepsprocedure voor de mandaathouders Art. 134.De mandaathouder beschikt over vijftien dagen vanaf de betekening van zijn evaluatie om schriftelijk beroep in te dienen bij de Regering. De betekeningen en de termijnen bedoeld in dit artikel worden geregeld volgens dezelfde bepalingen als die bedoeld in artikel 295 van dit besluit. De Regering spreekt zich uit over het beroep van een mandaathouder. De gemeenschappelijke commissie van beroep bedoeld in artikel 17 is niet bevoegd om uitspraak te doen over het beroep van een mandaathouder. Art. 135.De Regering moet zich uitspreken binnen de maand na ontvangst van het verzoekschrift. De mandaathouder wordt op zijn verzoek gehoord. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Indien geen beslissing wordt genomen binnen de vereiste termijn, wordt ze gunstig geacht voor de mandaathouder. Afdeling
  7. - De beroepsprocedure voor de andere ambtenaren Art. 136.De ambtenaar die zijn goedkeuring niet kan hechten aan de vermelding "onvoldoende" of "onder voorbehoud" beschikt over een termijn van vijftien dagen om beroep in te dienen per aangetekend schrijven bij de commissie van beroep. Art. 137.Deze termijn is berekend volgens dezelfde bepalingen als die bedoeld in artikel 295 van dit besluit. Er wordt de ambtenaar een ontvangstbewijs van het beroep uitgereikt. Art. 138.Elk beroep dient te worden ingeschreven binnen een maand na de plaatsing op de agenda van de commissie van beroep. Art. 139.De commissie van beroep dient zich uit te spreken binnen drie maanden na ontvangst van het beroep en heeft een beslissende bevoegdheid. Onverminderd artikel 142 bevestigt de commissie de evaluatie van de hiërarchische meerdere of ze kent een van de andere vermeldingen uit artikel 128 toe. De ambtenaar wordt op eigen verzoek of wanneer de commissie dit nodig acht gehoord. De ambtenaar kan zich laten bijstaan door een persoon naar keuze. HOOFDSTUK
  8. - De gevolgen van de vermelding "met voorbehoud" of "onvoldoende" Art. 140.De periode gedurende dewelke de ambtenaar die bij zijn evaluatie de vermelding "met voorbehoud" of "onvoldoende" krijgt, wordt niet in aanmerking voor de berekening ban de graadanciënniteit vereist voor het bekomen van een hogere weddenschaal in toepassing van de gewone of de versnelde functionele loopbaan. Art. 141.§
  9. De vermelding "onvoldoende" kan slechts eenmaal worden toegekend. Indien na de toekenning van deze vermelding de ambtenaar geen van de andere vermeldingen bedoeld in artikel 128 wordt toegekend, wordt hij door de hiërarchische meerdere die de evaluatie heeft verricht beroepsongeschikt verklaard. §
  10. De ambtenaar die zijn goedkeuring niet kan hechten aan de verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid beschikt over een termijn van vijftien dagen om per aangetekend schrijven beroep in te dienen bij de commissie van beroep. Deze termijn is berekend volgens dezelfde bepalingen als die bedoeld in artikel 295 van dit besluit. Er wordt de ambtenaar een ontvangstbewijs van het beroep uitgereikt. De procedure bedoeld in artikelen 139 en 140 is van toepassing. De commissie brengt advies uit bij de raad van bestuur. Deze spreekt zich uit over de verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid. §
  11. In geval van bevestiging van de verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid, of indien de ambtenaar tegen de verklaring van beroepsongeschiktheid niet in beroep is gegaan, wordt de ambtenaar door de raad van bestuur ontslagen. Aan de wegens beroepsongeschiktheid ontslagen ambtenaar wordt een vergoeding wegens ontslag toegekend. Deze vergoeding is gelijk aan twaalf maal de laatste maandbezoldiging van de ambtenaar indien hij ten minste twintig jaar dienst heeft, aan acht maal of zes maal deze bezoldiging naargelang de ambtenaar tien jaar dienst of minder dan tien jaar dienst heeft. Voor de toepassing van dit artikel moet onder "bezoldiging" worden verstaan elke wedde, elk loon of elke vergoeding geldend als wedde of loon, rekening houdend met de verhogingen of verminderingen die te wijten zijn aan de schommelingen van de index der kleinhandelsprijzen. De in aanmerking te nemen bezoldiging is die welke verschuldigd is voor volledige prestaties, eventueel met inbegrip van de haard- of standplaatstoelage, rekening houdend met de verhogingen of verminderingen die te wijten zijn aan de schommelingen van de index der kleinhandelsprijzen. TITEL
  12. - DE INTERNE MOBILITEIT HOOFDSTUK I. -

Art. 142

.De interne mobiliteit heeft tot doel de ambtenaren efficiënter te maken, rekening houdend zowel met hun bekwaamheden, ervaring en motivatie als met de personeelsbehoeften van de diensten. Art. 143.De mutatie is de overgang van een ambtenaar naar een andere betrekking van zijn graad in dezelfde dienst of in andere dienst van het Parkeeragentschap. De mutatie kan slechts geschieden binnen de betrekkingen van rang A 2 in een betrekking van dezelfde categorie zoals bepaald in artikel

  1. Art. 144.De ambtenaar behoudt hoe dan ook zijn graad en de daaraan verbonden weddenschaal. Hij behoudt tevens de voordelen die hij in zijn functionele loopbaan heeft verkregen, met inachtneming van de bepalingen inzake vorming en evaluatie. Art. 145.De interne mobiliteit vindt plaats hetzij door vrijwillige mutatie op initiatief van de ambtenaar of naar aanleiding van een interne oproep, hetzij door ambtshalve mutatie, hetzij door herplaatsing. Art. 146.Het HRM beheert het stelsel van de interne mobiliteit met een gegevensbank waarin de mutatieaanbiedingen en -aanvragen worden opgenomen. De mutatieaanbiedingen zijn de door de verantwoordelijken van de directies ingediende werkaanbiedingen om te voorzien in vacante of tijdelijk onbezette betrekkingen door middel van interne overplaatsingen. Zij worden goedgekeurd door de directieraad en ter kennis van alle ambtenaren gebracht, namelijk met het informaticanetwerk intranet. De mutatieaanvragen zijn de aanvragen tot overplaatsing naar een andere betrekking van de instelling, ingediend op initiatief van de ambtenaren. De informatie betreffende deze aanvragen mogen enkel geraadpleegd worden door het HRM. HOOFDSTUK
  2. - De vrijwillige mutatie op initiatief van de ambtenaar Art. 147.Iedere ambtenaar kan op elk ogenblik uit eigen beweging een mutatieaanvraag indienen bij het HRM door middel van een formulier verstrekt door de genoemde dienst. Het HRM onderzoekt in welke mate aan het verzoek gevolg kan worden gegeven. Daartoe raadpleegt het de gegevensbank en vergelijkt het profiel van de aanvragers met de functiebeschrijvingen van de werkaanbiedingen die in de gegevensbank zijn opgenomen. Art. 148.Het HRM legt de verantwoordelijke van de directie een lijst met kandidaten voor waarvan het profiel overeenstemt met de functiebeschrijving van deze betrekking. Deze laatste, bijgestaan door het HRM, selecteert de kandidaat die het best beantwoordt aan de vereisten van het ambt en neemt een beslissing over de mutatie. Het HRM brengt de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal al naar gelang het geval op de hoogte. In geval van mutatie kan de verantwoordelijke van het oorspronkelijke bestuur of dienst van de ambtenaar een wachttijd van drie maanden opleggen voor het eigenlijke vertrek van deze laatste. Deze termijn kan worden verlengd tot maximum zes maanden op basis van het advies van de directieraad. De bij interne mobiliteit overgeplaatste ambtenaar is verplicht zijn nieuwe functie uit te oefenen gedurende een periode van minimaal drie jaar, behoudens afwijking door de directieraad. HOOFDSTUK
  3. - De vrijwillige mutatie door een interne oproep Art. 149.Een interne oproep kan worden gedaan door het HRM aan de ambtenaren van het Parkeeragentschap voor de betrekkingen opgenomen in de gegevensbank, met een dienstnota die het volgende vermeldt : 1° de functiebeschrijving;2° het gewenste profiel van de kandidaten; binnen welke termijn de ambtenaar zijn belangstelling voor de betrekking kan kenbaar maken. Art. 150.De kandidaturen worden ingediend bij het HRM. Het HRM onderzoekt in welke mate er gevolg kan worden gegeven aan de uit eigen beweging ingediende kandidaturen alsmede aan degene die het gevolg zijn van een interne oproep. Daartoe vergelijkt het HRM het profiel van de kandidaten met de functiebeschrijvingen waarvoor de interne oproep werd gedaan. De selectie wordt uitgevoerd volgens de procedure bedoeld in artikel 148, tweede tot vijfde lid. Indien blijkt dat geen enkele kandidaat beantwoordt aan de vereisten van het ambt brengt het HRM dit ter kennis van de ambtenaren die zich kandidaat hadden gesteld. HOOFDSTUK
  4. - De ambtshalve mutatie Art. 151.De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal kunnen over een ambtshalve mutatie beslissen als voor het bekleden van een betrekking bijzondere eisen inzake kennis of ervaring gelden en indien de betrekking niet kon worden bezet na een interne oproep. Zij raadplegen vooraf de betrokken ambtenaar en motiveren hun beslissing aan de hand van de functiebeschrijving en het gewenste profiel om betrekking te kunnen bekleden. Tot ambtshalve mutatie kan eveneens worden beslist indien zij gerechtvaardigd is door dienstbehoeften of -noodwendigheden. Art. 152.De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal kunnen beslissen over een ambtshalve mutatie ingeval de ambtenaar niet meer over de vereiste bekwaamheden beschikt om zijn betrekking te bekleden. Ze horen vooraf de betrokken ambtenaar. HOOFDSTUK
  5. - De herplaatsing Art. 153.De herplaatsing vindt plaats : 1° indien de opheffing of de wijziging van een opdracht van het Parkeeragentschap de afschaffing van een of meer betrekkingen met zich meebrengt; indien een ambtenaar medisch ongeschikt wordt bevonden voor de uitoefening van zijn ambt, maar opnieuw kan worden geplaatst in een betrekking die verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand. Art. 154.De herplaatsing van een ambtenaar gebeurt in een betrekking behorend tot dezelfde of een andere dienst van het Parkeeragentschap. De betrekking moet openstaan en beantwoorden aan een personeelsbehoefte bij de dienst waar de ambtenaar herplaatst wordt. Art. 155.De herplaatsing wordt beslist door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal. Een herplaatst ambtenaar behoudt zijn rechten inzake wedde en zijn aanspraken op bevordering; de herplaatsingsperiode wordt meegerekend voor de administratieve en de geldelijke anciënniteit. TITEL
  6. - DE ADMINISTRATIEVE STANDEN, DE AFWEZIGHEDEN EN DE VERLOVEN HOOFDSTUK I. - De administratieve standen Afdeling
  7. - De dienstactiviteit Art. 156.De dienstactiviteit is de gewone administratieve stand van de ambtenaar. Tenzij anders bepaald, heeft de ambtenaar in dienstactiviteit recht op wedde en op verhoging in zijn weddenschaal. Hij kan zijn aanspraken op bevordering, op toekenning van een mandaat of op een hogere weddenschaal in zijn functionele loopbaan doen gelden. Afdeling
  8. - De non-activiteit Art. 157.De ambtenaar kan, krachtens de bepalingen van dit besluit, van rechtswege of bij beslissing van de bevoegde overheid in non-activiteit worden geplaatst. Tenzij anders bepaald, heeft de ambtenaar in deze stand geen recht op wedde en op verhoging in zijn weddenschaal. Hij verliest zijn aanspraken op : 1° bevordering of toekenning van een mandaat; een hogere weddenschaal in zijn functionele loopbaan. Art. 158.Niemand kan in non-activiteit gesteld of gehouden worden wanneer hij aan de voorwaarden voldoet om te worden gepensioneerd. Afdeling
  9. - De disponibiliteit Onderafdeling
  10. - De disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst Art. 159.De ambtenaar kan, zonder opzegging, in disponibiliteit worden gesteld wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst wanneer hij een bepaald ambt niet kan uitoefenen en hij niet onmiddellijk in een beter geschikte betrekking wedertewerkgesteld kan worden. Op voorstel van de directieraad neemt de raad van bestuur een beslissing omtrent de indisponibiliteitstelling. De betrokkene wordt vooraf door de directieraad gehoord en kan worden bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art. 160.De ambtenaar in disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst heeft geen recht op wedde of op verhoging in zijn weddenschaal. Hij verliest zijn aanspraken op : 1° bevordering of toekenning van een mandaat;2° een hogere weddenschaal in zijn functionele loopbaan. Hij geniet het eerste jaar een wachtgeld gelijk aan zijn laatste activiteitswedde. Vanaf het tweede jaar is dit wachtgeld gelijk aan 1/60e van de laatste activiteitswedde per dienstjaar dat hij telt op de datum waarop hij in disponibiliteit is gesteld. Onderafdeling
  11. - De disponibiliteit wegens ziekte Art. 161.§
  12. Onverminderd artikel 235 is de ambtenaar die wegens ziekte afwezig is na het maximum aantal verlofdagen hem toegekend bij artikel 231, van rechtswege in disponibiliteit wegens ziekte. Hij behoudt zijn recht op bevordering en op bevordering in zijn weddenschaal. Artikel 239 is van toepassing op de ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte. §
  13. De ambtenaar die in disponibiliteit wegens ziekte is ontvangt een wachtgeld dat gelijk is aan 60 % van zijn laatste activiteitswedde. Het bedrag van dit wachtgeld mag echter in geen geval lager liggen dan : 1° de vergoedingen die de betrokkene in dezelfde toestand zou ontvangen indien de sociale-zekerheidsregeling op hem toepasselijk was geweest sinds het begin van zijn afwezigheid;2° het pensioen dat hij zou verkregen hebben indien hij, op de datum van zijn indisponibiliteitstelling, tot de vervroegde oppensioenstelling wegens lichamelijke ongeschiktheid was toegelaten. Het wachtgeld wordt vastgesteld op grondslag van de laatste activiteitswedde. In geval van cumulatie van betrekkingen wordt het wachtgeld slechts toegekend op grond van het hoofdambt. §
  14. De ambtenaar heeft recht op een maandelijks wachtgeld dat gelijk is aan het bedrag van zijn laatste activiteitswedde indien de kwaal waarvan hij lijdt door het Bestuur van de medische expertise van de Staat als een ernstige en langdurige ziekte wordt erkend. Dit recht heeft slechts uitwerking nadat de ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte werd gesteld voor een ononderbroken periode van ten minste drie maanden. Dit recht heeft een herziening van de toestand van de ambtenaar tot gevolg met geldelijke uitwerking op de dag waarop zijn disponibiliteit wegens ziekte een aanvang heeft genomen. §
  15. De disponibiliteit wegens ziekte maakt geen einde aan de stelsels van loopbaanonderbreking bedoeld in artikelen 168 tot 173, noch aan de stelsels van halftijdse vervroegde uittreding en van vrijwillige vierdagenweek zoals bedoeld in de wet van 10 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1995 pub. 17/04/2013 numac 2013000222 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende arbeidsverdeling in de openbare sector, noch aan verminderde prestaties om persoonlijke redenen bedoeld in de artikelen 179 tot
  16. Voor de toepassing van § 2 van dit artikel, is de laatste activiteitswedde deze, welke voor de verminderde prestaties verschuldigd was. Art. 162.De ambtenaar die in disponibiliteit werd gesteld wegens ziekte, wordt ieder jaar medisch onderzocht door de medische controledienst bedoeld in artikel 239, in de loop van de maand overeenstemmend met die waarin hij in disponibiliteit werd gesteld. Verschijnt de ambtenaar niet voor de medische controledienst bedoeld in artikel 239 op het tijdstip bepaald in het eerste lid, dan wordt de uitkering van zijn wachtgeld vanaf dat tijdstip geschorst tot hij verschijnt. Onderafdeling
  17. - Gemeenschappelijke bepalingen Art. 163.De raad van bestuur kan, op advies van de directieraad, de betrekking waarvan de in disponibiliteit gestelde ambtenaar titularis was, onmiddellijk vacant verklaren in geval van disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst. De vacantverklaring kan slechts worden beslist na verloop van een jaar in geval van disponibiliteit wegens ziekte. Art. 164.De raad van bestuur kan de in disponibiliteit gestelde ambtenaar in actieve dienst terugroepen indien hij de vereiste beroeps- en lichamelijke geschiktheid bezit. De ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte, wiens betrekking niet vacant werd verklaard, neemt haar opnieuw op wanneer hij zijn dienst hervat. De ambtenaar moet in ieder geval, binnen de door de raad van bestuur gestelde termijn, het aangewezen ambt opnemen. Indien hij zonder geldige reden weigert, wordt hij, na een afwezigheid van tien werkdagen, ambtshalve ontslagen. Art. 165.Niemand kan in disponibiliteit gesteld of gehouden worden wanneer hij voldoet aan de voorwaarden om gepensioneerd te worden. HOOFDSTUK
  18. - De afwezigheden Art. 166.De ambtenaar mag niet afwezig zijn zonder verlof of dienstvrijstelling te hebben gekregen. Onder dienstvrijstelling wordt verstaan de toestemming gegeven aan een ambtenaar om gedurende de diensturen afwezig te zijn voor een bepaalde duur met het behoud van al zijn rechten. Met uitzondering van de in dit besluit bepaalde gevallen worden de verloven en dienstvrijstellingen door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal of de door hen aangewezen ambtenaar toegekend. Art. 167.Met inachtname van artikel 18 van het koninklijk besluit van 22 december 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten2 tot bepaling van de algemene principes en onverminderd de eventuele toepassing van een tuchtstraf, bevindt de ambtenaar die zonder toestemming afwezig is of de duur van zijn verlof zonder geldige reden overschrijdt, zich van rechtswege in non-activiteit. Indien de ambtenaar zonder geldige reden meer dan tien werkdagen afwezig is, wordt hij ambtshalve ontslagen. HOOFDSTUK
  19. - De verloven van loopbaanonderbreking en van arbeidsherverdelende aard Afdeling
  20. - Het verlof voor loopbaanonderbreking Art. 168.§
  21. De ambtenaar krijgt verlof om zijn loopbaan te onderbreken volgens de herstel wet van 22 januari 1985Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/01/1985 pub. 12/08/2013 numac 2013000511 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Herstelwet houdende sociale bepalingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten onder het stelsel van het koninklijk besluit van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten1 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen alsmede van alle bepalingen die deze regeling mochten wijzigen of vervangen. §
  22. De ambtenaar kan verlof voor loopbaanonderbreking krijgen volgens de voorwaarden en modaliteiten van het koninklijk besluit bedoeld in de eerste alinea: 1° volledig;2° gedeeltelijk, naar rata van een vijfde of de helft van de duur van de dienstprestaties die normaal behoren te worden verricht;3° met het oog op hulpverlening aan of verzorging van een gezins- of familielid tot de tweede graad dat aan een ernstige kwaal lijdt;4° met het oog op palliatieve verzorging; in het kader van het ouderschapsverlof bij de geboorte of de adoptie van een kind. Art. 169.§
  23. Iedere ambtenaar heeft recht op de verloven voor loopbaanonderbreking voor palliatieve verzorging en in het kader van het ouderschapsverlof bedoeld in artikel 168 § 2, 4° en 5°. §
  24. De ambtenaren die houder zijn van een wervingsgraad hebben recht op de verloven voor volledige, gedeeltelijke loopbaanonderbreking en in het kader van de medische bijstand bedoeld in artikel 168, § 2, 1° tot 3°. De houders van een bevorderingsgraad kunnen deze verloven genieten, middels de toelating van de directeur-generaal en de adunct-directeur-generaal. De mandaathouders worden ervan uitgesloten. Art. 170.§
  25. Bij gedeeltelijke loopbaanonderbreking worden de dienstprestaties ofwel dagelijks ofwel volgens een andere indeling van de werkweek verricht. In afwijking van het eerste lid kan de directieraad beslissen voor sommige door hem bepaalde functies een indeling van de dienstprestaties per maand op te leggen. §
  26. Een ambtenaar kan zijn ambtsverrichtingen hervatten vooraleer de periode van loopbaanonderbreking verstreken is met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden die per aangetekend schrijven aan de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal ter kennis wordt gebracht, tenzij laatstgenoemden een kortere termijn aanvaarden. Art. 171.Een ambtenaar die de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt en die verlof verkrijgt tot loopbaanonderbreking overeenkomstig artikel 8 van het koninklijk besluit van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten1 bedoeld in artikel 168, § 1, is ertoe gehouden zich ertoe te verbinden zijn loopbaan gedeeltelijk tot aan de pensionering te onderbreken. Hij kan voor een andere regeling opteren, op voorwaarde dat de duur van de verrichte dienstprestaties wordt beperkt. Art. 172.De ambtenaar kan tijdens zijn verlof geen aanspraak maken op wedde. Een ambtenaar die zich voltijds in loopbaanonderbreking bevindt komt niet in aanmerking voor de versnelde functionele loopbaan. Een ambtenaar die zich in deeltijdse loopbaanonderbreking bevindt komt naar rata van de verrichte dienstprestaties in aanmerking voor de versnelde functionele loopbaan. Het verlof wordt bovendien gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Art. 173.Het verlof voor loopbaanonderbreking wordt in verlof voor persoonlijke redenen omgezet wanneer de ambtenaar een beroepsactiviteit uitoefent, uitgezonderd in de gevallen bedoeld in artikel 24, tweede lid, van het voormeld koninklijk besluit van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten1 of indien de ambtenaar een bijkomende beroepsactiviteit uitoefent als bezoldigd werknemer. Afdeling
  27. - Verlof in het kader van de arbeidsherverdeling Onderafdeling
  28. - Gemeenschappelijke bepalingen Art. 174.§
  29. Krachtens de wet van 10 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1995 pub. 17/04/2013 numac 2013000222 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector en het koninklijk besluit van 10 april 1995 ter uitvoering van de wet van 10 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1995 pub. 17/04/2013 numac 2013000222 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector alsmede van alle bepalingen die deze regeling mochten wijzigen of vervangen, kan de ambtenaar verlof krijgen onder het stelsel van de vrijwillige vierdagenweek en onder het stelsel van de halftijdse vervroegde uittreding. §
  30. De ambtenaren die houder zijn van een wervingsgraad hebben recht op de stelsels van de vrijwillige vierdagenweek of de halftijdse vervroegde uittreding. De houders van een bevorderingsgraad kunnen deze stelsels genieten, middels de toelating van de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal. De mandaathouders worden van deze stelsels uitgesloten. §
  31. Dit verlof is niet bezoldigd en wordt voor het overige gelijkgesteld met dienstactiviteit. Art. 175.De ambtenaar kan het verlof genieten overeenkomstig volgende regeling : 1° de ambtenaar die gebruik wenst te maken van dit verlof, dient daartoe bij zijn diensthoofd een aanvraag in;2° de aanvraag geschiedt minstens drie maanden vóór de aanvang van de periode van het verlof.Deze termijn kan in gemeenschappelijk overleg worden ingekort. Deze aanvraag bevat een voorstel van werkschema waarin bepaald wordt hoe de arbeidsprestaties worden geregeld; 3° de periode van het verlof neemt een aanvang op de eerste dag van de eerste maand van een trimester. Onderafdeling
  32. - Het stelsel van de vrijwillige vierdaagse werkweek Art. 176.De ambtenaar die voltijds werkt geniet de vrijwillige vierdaagse werkweek gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar. Art. 177.§
  33. Het door de ambtenaar voorgestelde werkschema wordt onderzocht rekening houdend met de werking van de dienst. §
  34. De ambtenaar kan een einde maken aan de regeling van de vrijwillige vierdaagse werkweek mits een opzegging van drie maanden die per aangetekend schrijven aan de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal ter kennis wordt gebracht, tenzij deze een kortere termijn aanvaardt. §
  35. De vervanging van de ambtenaar die het verlof geniet door een werkloze in de zin van voormelde wet van 10 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1995 pub. 17/04/2013 numac 2013000222 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten heeft ten vroegste plaats in de maand waarin het tweede personeelslid voor de vierdaagse werkweek kiest en uiterlijk in de maand waarin het vijfde personeelslid voor de vierdaagse werkweek kiest. Onderafdeling
  36. - De halftijdse vervroegde uittreding Art. 178.De halftijdse prestaties worden verricht op de volgende wijze : - ofwel elke dag; - ofwel volgens een andere verdeling over de week. In afwijking van het eerste lid kan de raad van bestuur beslissen om over te gaan tot een verdeling per maand voor bepaalde functies die hij vastlegt. Wanneer twee ambtenaren gebruik maken van het recht op halftijdse vervroegde uittreding, worden zij vervangen binnen een termijn van een maand die ingaat de dag dat het verlof voor halftijdse vervroegde uittreding van de tweede ambtenaar aanvangt. HOOFDSTUK 3bis. - Verminderde prestaties om persoonlijke redenen Art. 179.§
  37. De ambtenaren die houder zijn van een wervingsgraad hebben recht op de verminderde prestaties om persoonlijke redenen. De houders van een bevorderingsgraad kunnen deze verloven genieten, met toestemming van de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal. De mandaathouders worden van deze verloven uitgesloten. §
  38. De ambtenaar moet de helft, twee derden, drie vierden, vier vijfden of negen tienden van de prestaties volbrengen die hem normaal worden opgelegd. Deze prestaties worden ofwel elke dag ofwel volgens een andere vaste verdeling over de week verricht. In afwijking van het tweede lid kan de directieraad beslissen voor sommige door hem bepaalde ambten een indeling van de dienstprestaties per maand op te leggen. De verminderde prestaties moeten steeds een aanvang nemen bij het begin van de maand. §
  39. De machtiging om verminderde prestaties te leveren wordt toegekend voor een periode van ten minste drie en ten hoogste vierentwintig maanden. Verlengingen van minstens 3 maanden en maximum 24 maanden kunnen worden toegekend. Voor elke verlenging wordt een aanvraag van het betrokken personeelslid vereist. Zij moet ten minste een maand voor het verstrijken van het lopende verlof worden ingediend. §
  40. Het werkschema wordt op dezelfde wijze bepaald als geregeld in de artikelen 175, 2° en 177 §
  41. §
  42. De ambtenaar kan zijn ambt volledig hervatten voordat de toegestane periode verstrijkt met inachtneming van een opzegperiode van drie maanden tenzij de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal een kortere periode aanvaardt. Art. 180.§
  43. Tijdens de duur van afwezigheid is de ambtenaar die gebruik maakt van de regeling van verminderde prestaties om persoonlijke redenen op non-activiteit. Hij kan niettemin zijn aanspraken op bevordering doen gelden alsook op de versnelde functionele loopbaan, naar rata van de verrichte dienstprestaties. De bevordering tot een hogere graad maakt een einde aan de machtiging tot het uitoefenen van zijn ambt met verminderde prestaties. §
  44. De ambtenaar geniet de wedde die verschuldigd is voor de verminderde prestaties. Art. 181.De machtiging om verminderde prestaties te verrichten wordt opgeschort zodra de ambtenaar één van de volgende verloven bekomt : 1° het bevallingsverlof, vaderschapsverlof, ouderschapsverlof en opvangverlof;2° het verlof om dwingende redenen van familiaal belang;3° het verlof om een stage of een proefperiode te vervullen;4° het verlof om kandidaat te zijn voor de verkiezingen;5° het verlof om in vredestijd prestaties te verrichten bij het korps Civiele Bescherming;6° het verlof om een ambt uit te oefenen bij een ministerieel kabinet;7° het verlof voor opdracht;8° het verlof voor werkzaamheden bij een erkende politieke fractie in een federale wetgevende vergadering of een wetgevende vergadering van een Gemeenschap of een Gewest of bij de voorzitter van één van die groepen; het verlof bedoeld in artikel 77, § 1, van het koninklijk besluit van 28 september 1984 houdende de uitvoering van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. HOOFDSTUK
  45. - De verloven van korte duur Afdeling
  46. - De jaarlijkse vakantie Art. 182.De ambtenaar heeft jaarlijks recht op 35 werkdagen vakantie. Hij geniet een bijkomende jaarlijkse vakantie van : 1° één werkdag na vijf jaar dienstanciënniteit; twee werkdagen na tien jaar dienstanciënniteit. Art. 183.De vakantiedagen worden genomen naar keuze van de ambtenaar doch met inachtneming van de behoeften van de dienst. De ambtenaar heeft recht op een onafgebroken periode van ten minste tien werkdagen vakantie. Art. 184.De ambtenaar heeft het recht om binnen het aantal van 35 werkdagen, vier werkdagen verlof te nemen zonder dat het dienstbelang daar tegenover kan worden gesteld om in geval van ernstige ziekte of ongeval een persoon bij te staan die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont. Onder personen die onder hetzelfde dak wonen, worden verstaan : de echtgenoot, de persoon met wie hij samenleeft, een bloedverwant hetzij van de ambtenaar, hetzij van de echtgenoot of van de persoon met wie de ambtenaar samenleeft, een persoon opgenomen met het oog op adoptie of pleegvoogdij. De ambtenaar moet een medisch attest voorleggen ter staving van : 1° de ernst van de ziekte of het ongeval; de dwingende noodzakelijkheid van de aanwezigheid van de ambtenaar. Art. 185.Indien de ambtenaar de in artikel 184, eerste lid bedoelde vier werkdagen heeft opgebruikt of indien hij volledig de werkdagen waarin artikel 182 voorziet heeft opgebruikt, heeft hij recht op twee bijkomende werkdagen om dezelfde redenen en onder dezelfde voorwaarden als deze bepaald in artikel
  47. Art. 186.De jaarlijkse vakantie wordt opgenomen binnen het kalenderjaar, volgens de nadere regels door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal vastgelegd. De nadere regels van de overdracht van onbestede vakantiedagen worden vastgesteld door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal, na overleg met de representatieve vakorganisaties. Art. 187.In het Parkeeragentschap geldt een standaardwerktijdregeling met onderscheid tussen stamtijden, glijtijden en bereikbaarheid van de dienst waarvan de modaliteiten worden vastgesteld door de raad van bestuur. In afwijking van deze werktijdregeling kunnen de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal voor specifieke organisatorische eenheden of werkzaamheden een bijzondere werktijdregeling vaststellen. De aanwezigheid van de ambtenaar die onderworpen is aan het prikklokreglement wordt 's morgens, 's middags en 's avonds geregistreerd. De gepresteerde uren in meer worden geregulariseerd op de glijtijden. De maximum gemiddelde werktijd mag de 38 uren per week niet overschrijden. Art. 188.Elke periode van dienstactiviteit geeft recht op jaarlijkse vakantie. Deze laatste wordt in evenredige mate verminderd : 1° wanneer de ambtenaar in de loop van het jaar in dienst treedt of zijn ambt definitief neerlegt;2° wanneer hij tijdens het jaar verlof bekomt : * om een stage of een proefperiode te vervullen bij een overheidsdienst zoals bepaald in artikel 221; * om kandidaat te zijn voor de wetgevende, gemeenschaps-, gewests-, provinciale, gemeentelijke of Europese verkiezingen; * om dwingende redenen van familiaal belang; * wegens halftijdse vervroegde uittreding; * met toepassing van de vrijwillige vierdaagse werkweek; * voor onderbreking van de beroepsloopbaan; * om een opdracht uit te voeren zoals bepaald in artikel 223; De afwezigheden waarbij de ambtenaar in non-activiteit of disponibiliteit is geplaatst, geven eveneens aanleiding tot een evenredige vermindering van de vakantie. Het aldus berekende aantal dagen bedraagt steeds een hele of een halve dag. De afronding gebeurt naar de hogere halve of hele dag. Art. 189.De in deze afdeling bepaalde vakantiedagen worden opgeschort bij ziekte of bij disponibiliteit wegens ziekte voor zover de geneeskundige controle mogelijk is. Art. 190.De jaarlijkse vakantie wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Dit geldt eveneens voor de twee bijkomende dagen voorzien in artikel 185, eerste lid. Afdeling
  48. - De feestdagen Art. 191.§
  49. De ambtenaar heeft verlof op de wettelijke feestdagen, op 2 en 15 november en op 26 december. §
  50. De in § 1 vermelde verlofdagen die samenvallen met een zaterdag of een zondag, worden gecompenseerd door een verlof van 27 december tot en met 31 december. §
  51. De ambtenaar die krachtens de arbeidsregeling die op hem van toepassing is, of ten gevolge van de behoeften van de dienst verplicht is te werken op één van de dagen bedoeld in § 1 of gedurende de periode bedoeld in § 2, bekomt vervangende verlofdagen die genomen kunnen worden onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof. §
  52. De verloven bedoeld in dit artikel worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Afdeling
  53. - Het verlof om familiale redenen Onderafdeling
  54. - Het omstandigheidsverlof Art. 192.De ambtenaar bekomt verlof, binnen de hierna gestelde perken, naar aanleiding van de volgende gebeurtenissen : 1° het huwelijk van de ambtenaar : 4 werkdagen;2° de bevalling van de echtgenote of van de persoon met wie de ambtenaar op het tijdstip van de gebeurtenis samenleeft : 14 werkdagen;3° het overlijden van de echtgenoot of van de persoon met wie de ambtenaar samenleefde : 4 werkdagen;4° het overlijden van een bloedverwant in de eerste graad hetzij van de ambtenaar, hetzij van de echtgenoot of van de persoon met wie de ambtenaar samenleeft : 4 werkdagen;5° het huwelijk van een kind van de ambtenaar of van de persoon met wie de ambtenaar samenleeft : 2 werkdagen;6° het overlijden van een bloedverwant in om het even welke graad hetzij van de ambtenaar, hetzij van de echtgenoot of van de persoon met wie de ambtenaar samenleeft, maar onder hetzelfde dak wonend als de ambtenaar : 2 werkdagen;7° het overlijden van een bloedverwant in de tweede graad hetzij van de ambtenaar, hetzij van de echtgenoot of van de persoon met wie de ambtenaar samenleeft, maar niet onder hetzelfde dak wonend als de ambtenaar : 1 werkdag. Als het voorval zich voordoet tijdens een periode van deeltijdse arbeid wordt de duur van het verlof in evenredige mate verminderd. Art. 193.Het omstandigheidsverlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit. Onderafdeling
  55. - Het verlof wegens dwingende familiale redenen Art. 194.Met een maximum van vijfenveertig werkdagen per kalenderjaar, kan de ambtenaar verlof krijgen wegens : 1° ziekenhuisopname van een persoon die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont of van een bloed- of aanverwant in de eerste graad die niet met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont;2° opvang tijdens de periodes van schoolvakantie van zijn kinderen die niet de leeftijd van 15 jaar bereikt hebben. Indien het verlof wegens dwingende familiale redenen tijdens een periode van deeltijdse arbeid genomen wordt, wordt de duur van het verlof in evenredige mate verminderd. Art. 195.Dit verlof is niet bezoldigd. Het wordt voor het overige met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. Onderafdeling
  56. - Het ouderschapsverlof Art. 196.Aan de ambtenaar in dienstactiviteit wordt, bij de geboorte of de adoptie van een kind of de plaatsing van een kind

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.