Besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de
Kort samengevat
Dit besluit regelt de administratieve status en de bezoldiging van ambtenaren en stagiairs van de bicommunautaire Dienst voor gezondheid, bijstand aan personen en gezinsbijslag van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad. Het legt de regels vast voor hun aanstelling, loopbaan en de organisatie van de Dienst.
Wat het regelt
- De administratieve status van ambtenaren en stagiairs.
- De bezoldigingsregeling voor deze ambtenaren en stagiairs.
- De organisatie van de Dienst, inclusief personeelsplan, organogram en functiebeschrijvingen.
- De hiërarchische indeling van graden en rangen binnen de Dienst.
Wie het aanbelangt
- Ambtenaren die in vast dienstverband zijn benoemd bij de bicommunautaire Dienst voor gezondheid, bijstand aan personen en gezinsbijslag.
- Stagiairs die zijn toegelaten tot een stage met het oog op een vaste benoeming bij deze Dienst.
Kernpunten
- De Dienst kent vier hiërarchische niveaus (A, B, C, D) en negen rangen (A1 t/m A5, B1, C1, D1). Niveau A is het hoogste.
- Het Algemeen Beheerscomité stelt het personeelsplan en het organogram vast, na voorbereiding door de directieraad en goedkeuring door het Verenigd College.
- De leidend ambtenaar leidt de Dienst, oefent hoog gezag uit over het personeel en coördineert de activiteiten.
- De directieraad, bestaande uit de leidend ambtenaar, adjunct-leidend ambtenaar en ambtenaren van rang A4 (eventueel aangevuld met A3), behandelt algemene vraagstukken en beraadslaagt over de werking van de Dienst.
Wettekst
lege van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de bicommunautaire Dienst voor gezondheid, bijsta
Art. 43
.Voor de aanwerving sluiten de Minister en de afgevaardigde bestuurder van SELOR een samenwerkingsprotocol af voor de Diensten van het Verenigd College en voor de Dienst. De Minister pleegt voorafgaandelijk overleg met de leidend ambtenaren van de voormelde instellingen. SELOR organiseert de selecties en speelt een beslissende rol in de uitvoering ervan. Afdeling 2. - De benoemings-, toelaatbaarheids- en wervingsvoorwaarden Art. 44.Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hiernavolgende voorwaarden : 1° Voldoen aan de opgelegde toelatingsvoorwaarden van de in te vullen betrekking;2° Slagen voor de voorziene vergelijkende proeven;3° met goed gevolg de stage volbrengen. Art. 45.Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hiernavolgende algemene toelaatbaarheidsvoorwaarden : 1° Belg zijn wanneer de uit te oefenen functies een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan het openbaar gezag inhouden of werkzaamheden omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de Staat of andere openbare instanties;2° gedrag vertonen in overeenstemming met de eisen van de beoogde betrekking;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;4° houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat overeenkomt met het niveau van de te verlenen graad, houder zijn van getuigschrift van vaardigheden die buiten het diploma verworven zijn en die toegang verlenen tot de functie waarvoor de selectie georganiseerd wordt, of slagen voor de instapkaartmodule, overeenkomstig de tabel in bijlage bij onderhavig besluit. Art. 46.Voor bepaalde selecties kunnen volgende bijzondere toelaatbaarheidsvoorwaarden voorzien worden : 1° het bezitten van een specifiek diploma dat in het bijzonder toegang verleent tot het ambt waarvoor de selectie georganiseerd wordt;2° relevante werkervaring wanneer de aard van de te verlenen betrekking zodanige eisen wettigt;3° het toelaten van studenten die in het laatste jaar zitten van de studies voor het behalen van het vereiste diploma of getuigschrift, wanneer de organisator van de selectie vermoedt dat het aantal deelnemers niet groot genoeg zal zijn om voldoende kandidaten of geslaagden te kunnen weerhouden;in welk geval zij die geslaagd zijn voor het examen van het voorlaatste jaar en verklaren dat zij het examen van het laatste jaar voor de examencommissie van hun Gemeenschap zullen afleggen, ook tot dat wervingsexamen worden toegelaten. Voor hun benoeming kunnen de geslaagden van deze selecties zich slechts vanaf de dag waarop zij aan de organisator van de selectie het vereiste diploma of studiegetuigschrift hebben voorgelegd, op hun rangschikking beroepen; 4° behalve de in artikel 45, 4° vermelde diploma's en getuigschriften, de volgende diploma's en getuigschriften aanvaarden voor de selectie in een bepaalde graad wanneer de vereisten van de uit te oefenen ambten dit toelaten :
- a)diploma's en getuigschriften van het onderwijs voor sociale promotie en van het kunstonderwijs voor socioculturele promotie;
- b)diploma's en getuigschriften van het technisch onderwijs, kunstonderwijs of beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan;5° voor de selectie van bepaalde functies van niveau D, het bezit van bepaalde diploma's, vormingsattesten of bevoegheidstitels als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van de uit te oefenen ambten;6° voor de selectie in bepaalde graden van de niveaus A, B en C, de vormingsdiploma's of vormingsgetuigschriften of competentie titels eisen als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van de uit te oefenen ambten en voor zover de houders van die diploma's en getuigschriften eveneens houder zijn van één van de studiebewijzen vermeld in artikel 45, 4°.7° medische geschiktheid voor het uit te oefenen ambt, indien de aard van het ambt dit vereist;8° andere voorwaarden vereist door de aard van het ambt. Afdeling 3. - Organisatie van de selecties en samenstelling van de selectiecommissies Art. 47.Op voorstel van de HRM kiest de leidend ambtenaar één of meerdere van de volgende mogelijkheden, en de rangschikking waarbinnen ze worden georganiseerd : 1° Overplaatsing zoals bepaald in artikel 150;2° Externe mutatie zoals bepaald in artikel 151;3° Mobiliteit zoals bepaald in artikel 130;4° Overgang tot een hoger niveau zoals bepaald in de artikelen 118 en volgende;5° Aanwerving. Art. 48.De vergelijkende selectieproeven worden georganiseerd voor de werving in de graden van de rangen A1, A2, B1, C1 en D1. Worden als wervingsgraden beschouwd : 1° in niveau A,
- a)rang A2 : eerste attaché-deskundige;eerste ingenieur deskundige, eerste geneesheer deskundige;
- b)rang A1 : geneesheer;ingenieur; attaché; 2° in niveau B, rang B1 : assistent;3° in niveau C, rang C1 : adjunct;4° in niveau D, rang D1 : klerk. Art. 49.§ 1. De afgevaardigd bestuurder van SELOR kondigt de vergelijkende selectie minstens aan door middel van publicatie in het Belgisch Staatsblad. Het bericht vermeldt minstens de laatste dag waarop kan worden gesolliciteerd en of er eventueel een wervingsreserve wordt aangelegd van de laureaten. Desgevallend wordt de geldigheidsduur van en het aantal laureaten dat opgenomen wordt in de wervingsreserve vermeldt. § 2. Wanneer een vergelijkend examen wordt georganiseerd, dan bepaalt de afgevaardigd bestuurder van SELOR de datum waarop de kandidaten moeten voldoen aan de diplomavoorwaarden of de voorwaarden met betrekking tot studiegetuigschriften, en in voorkomend geval, de datum waarop de kandidaten een minimumleeftijd bereikt moeten hebben of over specifieke professionele vaardigheden moeten beschikken. § 3. De afgevaardigd bestuurder van SELOR roept de kandidaten op die toegelaten worden, om deel te nemen aan de selectieproeven voorzien door het selectieprogramma. § 4. De afgevaardigd bestuurder van SELOR bepaalt de kandidatenlijst en verzekert zich ervan dat zij beantwoorden aan de algemene en specifieke toelaatbaarheidsvoorwaarden voor de functie waarnaar ze meedingen. Vanaf het moment dat de afgevaardigd bestuurder van SELOR vaststelt tijdens de vergelijkende selectieproeven, dat een kandidaat niet voldoet of niet kan voldoen aan één van de algemene voorwaarden of aan de bijzondere toelatingsvoorwaarden gesteld voor de functie waarvoor de kandidaat solliciteert, dan sluit hij de kandidaat uit en deelt hem zijn gemotiveerde beslissing mee. Art. 50.§ 1. Voor elke selectie stelt de afgevaardigd bestuurder van SELOR een selectiecommissie samen. De selectiecommissie bestaat uit : 1° de afgevaardigd bestuurder van SELOR of zijn/haar afgevaardigde, voorzitter;2° op voorstel van de betrokken leidend ambtenaar, ten minste twee bijzitters gekozen uit de personeelsleden van de Dienst die minstens een rang bekleden gelijk aan deze van de in te vullen functie, en die beschikken over een professionele kwalificatie of ervaring die verband houdt met de functiebeschrijving van de in te vullen betrekking of uit externe personen die wegens hun ervaring bijzonder gekwalificeerd zijn;3° ten minste één plaatsvervanger voor elk lid van de selectiecommissie.De plaatsvervangers wonen alle gesprekken met de kandidaten bij. Ten hoogste twee derden van de leden behoren tot hetzelfde geslacht. § 2. De beslissingen worden genomen bij meerderheid van stemmen. § 3. Een toelage kan worden toegekend aan de leden van de commissie bedoeld in paragraaf 1, 2°, als ze geen personeelslid van de Dienst zijn. De Minister bepaalt het bedrag van deze toelage. Afdeling 4. - Functiebeschrijving, programma en organisatie van de selectie Art. 51.De HRM stelt, in samenspraak met de leidend ambtenaren, de functiebeschrijvingen op. Deze functiebeschrijvingen worden bepaald overeenkomstig artikel 7 van dit besluit. Art. 52.Op basis van de functiebeschrijving die opgesteld en bepaald werd overeenkomstig de artikelen 7 en 51, legt de afgevaardigd bestuurder van SELOR het programma van de selectie vast en bepaalt hierin : 1° voor zover de aard van de betrekking het vereist, de bijzondere toelaatbaarheidsvoorwaarden, zoals omschreven in artikel 46;2° het selectieprogramma, vastgesteld overeenkomstig afdeling 5;3° het aantal punten dat aan de volledige selectie, aan iedere proef en desgevallend aan de onderdelen ervan wordt toegekend;4° het minimaal aantal punten dat voor het slagen van de selectie wordt vereist;5° de uiterste datum waarop de kandidaten geslaagd moeten zijn voor de instapkaartmodule om te mogen deelnemen aan de generieke module;6° de datum waarop de kandidaten geslaagd moeten zijn voor de generieke module om te mogen deelnemen aan de specifieke module;7° de datum waarop aan de toelatingsvoorwaarden moet worden voldaan;8° het aantal toelaatbare kandidaten voor de specifieke module van de selectie indien een tussenmodule wordt georganiseerd. Afdeling 5. - De selectieproeven Onderafdeling 1. -
Art. 53.§ 1.
De selectie omvat minstens een schriftelijke of computergestuurde generieke module waarbij de anonimiteit van de kandidaten is gewaarborgd, en een specifieke module die een tussentest kan omvatten. § 2. De inhoud van de generieke module wordt bepaald door SELOR. De inhoud van de specifieke modules wordt bepaald door SELOR in samenspraak met de HRM. § 3. Die proeven zijn eliminerend. Een kandidaat wordt pas toegelaten om een proef af te leggen op voorwaarde dat hij of zij geslaagd of vrijgesteld is voor de voorgaande proef. § 4. Indien het aantal ingeschreven kandidaten of de aard van de in te vullen functie het verantwoorden kunnen meerdere opeenvolgende selectieproeven worden georganiseerd. § 5. De HRM roept de kandidaten voor elke test op. Een afwezige kandidaat wordt van de selectie uitgesloten. Onderafdeling 2. - De instapkaartmodule Art. 54.§ 1. De instapkaartmodule is een module met proeven voor een kwalitatieve selectie die nagaat of de kandidaat over de basis- en cognitieve vaardigheden beschikt, die vereist worden op een hoger niveau dan datgene waar hij krachtens zijn graad, zijn diploma('
- s)of zijn studiegetuigschrift(
- en)aanspraak op kan maken. Het slagen geldt als getuigschrift voor vaardigheden die buiten het diploma verworven zijn en die toegang verlenen tot het niveau van de graad tot welke de functie behoort waarvoor de selectie georganiseerd wordt. De geldigheidsduur van dit getuigschrift wordt bepaald door de afgevaardigd bestuurder van SELOR. De instapkaartmodule wordt georganiseerd per niveau minstens om de twee jaar. § 2. Het certificaat voor vaardigheden of het getuigschrift dat door de Gemeenschappen of de Gemeenschapscommissies afgegeven wordt, heeft dezelfde waarde als de instapkaartmodule. § 3. De kandidaat die niet slaagt voor de instapkaartmodule van de vergelijkende selectie mag gedurende een periode van zes maanden geen proeven van dezelfde module afleggen. Deze periode van zes maanden gaat in op de dag dat de resultaten van de proef worden meegedeeld. Onderafdeling 3. - De generieke module Art. 55.De generieke module van de selectie omvat de proeven die dienen om een eerste kwalitatieve selectie te maken van de kandidaten op basis van de generieke vaardigheden die verbonden zijn aan een functieniveau. Indien meerdere selecties binnen eenzelfde niveau een generieke module gemeenschappelijk hebben, geeft de organisator van de selectie de geslaagden een vrijstelling voor de generieke module wanneer ze deelnemen aan een andere selectie. De afgevaardigde bestuurder van SELOR bepaalt de geldigheidsduur van de vrijstelling bij de mededeling van het resultaat. Elke ambtenaar benoemd door de federale staat of een andere gefedereerde entiteit van een bepaald niveau geniet een vrijstelling van de generieke module voor dit niveau. Art. 56.De kandidaat die niet slaagt voor de generieke module van een vergelijkende selectie, mag gedurende een periode van zes maanden geen proeven van dezelfde module afleggen. Deze periode van zes maanden gaat in op de dag dat de resultaten van de proef worden meegedeeld Onderafdeling 4. - De specifieke module en rangschikking van de geslaagden Art. 57.De specifieke module strekt ertoe de motivatie van de kandidaten te evalueren met betrekking tot de te bekleden functie, alsook de specifieke vaardigheden van de kandidaten. Deze module kan bestaan uit meerdere schriftelijke en/of mondelinge uitsluitingsproeven. Op het einde van elke test worden de kandidaten gerangschikt op basis van de behaalde resultaten. Art. 58.Indien het aantal kandidaten voor een betrekking, die geslaagd zijn voor de generieke module van de selectie, of die hiervoor zijn vrijgesteld, en die naar de betrekking in kwestie solliciteren, en indien de betrekking dit rechtvaardigt of als de complexiteit van het aan te werven profiel dit vereist, kan in de specifieke module een uitsluitingsproef georganiseerd worden De afgevaardigd bestuurder van SELOR bepaalt, in samenspraak met de HRM, de aard van de proef en de vaardigheden waarop de bijkomende proef betrekking zal hebben. Art. 59.§ 1. Er worden een of meerdere specifieke proeven georganiseerd voor een betrekking die ingevuld moet worden op basis van een bepaalde functiebeschrijving. § 2. Indien het aantal laureaten het rechtvaardigt, dan stelt de afgevaardigd bestuurder van SELOR, in samenspraak met de HRM het aantal laureaten vast die mogen deelnemen aan de specifieke module. Art. 60.De laureaten van de specifieke module die geschikt bevonden worden door de selectiecommissie voor de in te vullen functie, worden gerangschikt. De afgevaardigd bestuurder van SELOR of zijn afgevaardigde stelt een proces-verbaal op met de rangschikking van de laureaten. Onderafdeling 5 : - Over de samenstelling en de raadpleging van de wervingsreserve en van de wervingsreserve van de andere overheden Art. 61.§ 1. De laureaten van de generieke module worden opgenomen in een wervingsreserve. Een wervingsreserve is samengesteld uit laureaten van de specifieke module, vervolgens van elk van de specifieke proeven die in de loop van de selectieprocedure plaatsvonden, en desgevallend van de bijkomende proef. § 2. De geldigheidsduur van een wervingsreserve bedraagt twee jaar. De afgevaardigd bestuurder van SELOR, op vraag van de Minister, kan de geldigheidsduur van de wervingsreserve verlengen die op zijn initiatief werd samengesteld, telkens voor een periode van maximaal één jaar. § 3. De laureaten van een wervingsreserve kunnen uitgenodigd worden om deel te nemen aan de specifieke module georganiseerd overeenkomstig de artikelen 57 en volgende met het oog op een andere betrekking dan die waarvoor ze werden gerangschikt. Art. 62.De Minister kan voor een aanwerving waarvoor geen wervingsreserve is samengesteld, een beroep doen op de wervingsreserves die SELOR voor een andere overheid heeft samengesteld, op voorwaarde dat deze overheid daarvoor toestemming verleend heeft. In overleg met de gedelegeerd bestuurder van SELOR kan de Minister beslissen een specifieke module te organiseren volgens de regels in de artikelen 57 tot 60. Art. 63.Het Algemeen beheerscomité kan een andere instelling toestaan de wervingsreserve te consulteren. Onderafdeling 6. - Regels voor de toelating van de geslaagden Art. 64.§ 1. Elke geslaagde krijgt bericht van zijn resultaat en van zijn rangschikking. § 2. De geslaagden die een betrekking aanvaarden, verbinden er zich toe in dienst te treden. Zij die na deze aanvaarding weigeren in dienst te treden, worden ambtshalve uit de rangschikking geschrapt. Als de geslaagde de betrekking aanvaard heeft, vergewist de HRM zich ervan dat hij aan alle vereiste voorwaarden voldoet. Art. 65.Na het afsluiten van het proces-verbaal van de selectie, worden de batig gerangschikte geslaagden die aan de gestelde eisen voldoen, in de volgorde van hun rangschikking, tot de stage toegelaten in de functie waarvoor zij hebben meegedongen. Zij worden voor een vacante betrekking van die graad aangewezen. Onderafdeling 7. - Oproep tot indiensttreding van de geslaagden Art. 66.De HRM roept de geselecteerde kandidaat op tot indiensttreding. Indien de geslaagde de functie niet binnen een termijn van drie maanden kan invullen, kan de HRM de volgende gerangschikte oproepen. Wanneer de geslaagde nog gebonden is door een arbeidsovereenkomst houdt de HRM rekening met een eventuele opzegtermijn. HOOFDSTUK II. - Werving van personen met een handicap Art. 67.Voor de toepassing van dit hoofdstuk, wordt verstaan onder "erkenningsinstellingen" de zes volgende instellingen : 1° het Waals Agentschap voor een Kwaliteitsvol Leven, in het kort AViQ;2° de Dienst van de Duitstalige Gemeenschap voor personen met een handicap (Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Personen mit einer Behinderung);3° het Vlaams Agentschap voor Personen met een handicap, in het kort VAPH;4° de Brusselse Franstalige dienst voor mindervaliden;5° de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;6° de Algemene directie voor gehandicapte personen van de FOD Sociale Zekerheid. Art. 68.De Dienst moet personen met een handicap tewerkstellen a rato van twee percent van het personeelsplan. De betrekkingen die voor personen met een handicap bestemd zijn, kunnen bekleed worden door kandidaten die bij hun aanwerving ten minste één van de volgende voorwaarden vervullen : 1° ingeschreven zijn bij één van de erkenningsinstellingen bedoeld in artikel 67 of het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing tot tegemoetkoming vanwege één van deze instellingen en één van deze instellingen in kennis te hebben gesteld van elke beslissing betreffende maatregelen inzake hulp of sociale integratie of inschakeling in het arbeidsproces, die door de federale of gemeenschapsoverheid is genomen;2° het slachtoffer zijn geweest van een arbeidsongeval en een attest voorleggen van het Federaal Agentschap of van het Bestuur medische expertise waarbij een blijvende ongeschiktheid van ten minste 66 % wordt bevestigd;3° door een beroepsziekte zijn getroffen en een attest voorleggen van het Federaal Agentschap voor beroepsrisico's of van het Bestuur medische expertise waarbij een blijvende ongeschiktheid van ten minste 66 % wordt bevestigd;4° het slachtoffer zijn geweest van een gemeenrechtelijk ongeval en een door de griffie van de rechtbank afgeleverd afschrift van het vonnis voorleggen waarbij een handicap of een blijvende ongeschiktheid van ten minste 30 % wordt bevestigd;5° het slachtoffer zijn geweest van een thuis-ongeval en een afschrift van de beslissing van de verzekeringsinstelling voorleggen waarbij een blijvende ongeschiktheid van ten minste 66% wordt bevestigd;6° een inkomensvervangende of integratietegemoetkoming genieten krachtens de wet van 27 februari 1987Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/02/1987 pub. 18/10/2004 numac 2004000528 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten Duitse vertaling sluiten betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap. Art. 69.De leidend ambtenaar zendt de lijst van de vacante betrekkingen die door een persoon met een handicap bekleed kunnen worden naar de erkenningsinstellingen bedoeld in artikel 67, alsook naar Actiris, het FOREM en de VDAB. Hij voegt er een fiche bij met de functiebeschrijving, de vereiste kwalificaties en bekwaamheden voor elke betrekking. Art. 70.§ 1. Het Algemeen Beheerscomité richt zich tot de afgevaardigd bestuurder van SELOR om een persoon met een handicap aan te werven. De persoon met een handicap moet voldoen aan de wervingsvoorwaarden voor elke betrekking en slagen voor een wervingsexamen dat aangepast is aan de beperkingen opgelegd door zijn handicap en bestemd is om zijn bekwaamheid tot het bekleden van de betrekking na te gaan. Het Algemeen Beheerscomité duidt de kandidaten aan die naar zijn mening het beste profiel voor het bekleden van de betrekking bezitten. § 2. De leidend ambtenaar duidt een ambtenaar aan, belast met de begeleiding van de bij de Dienst tewerkgestelde personen met een handicap die dit wensen. HOOFDSTUK III. - De stage Afdeling 1. -
en Art. 71.De stagiair is geen ambtenaar in de zin van dit besluit. De bepalingen van dit besluit gelden voor hem slechts in zover zij uitdrukkelijk op hem toepasselijk zijn verklaard. Art. 72.Perioden van afwezigheid gedurende de stage hebben een verlenging van de stage tot gevolg zodra ze, buiten de verloven bedoeld in artikel 190, 1°, tien werkdagen gewettigde afwezigheid overschrijden, verspreid over één of meerdere malen, zelfs als de stagiair in dienstactiviteit is. Tijdens de schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair. Hij behoudt zijn hoedanigheid van stagiair eveneens tot de datum waarop een definitieve beslissing omtrent zijn benoeming of ontslag wordt genomen. Art. 73.De geslaagde die in dienst wordt geroepen, wordt tot de stage toegelaten door de leidend ambtenaar of de adjunct-leidend ambtenaar die hem voorlopig aanstelt in de betrekking waarvoor hij in dienst werd geroepen. Art. 74.De leidend ambtenaar of de adjunct-leidend ambtenaar kan de aanwijzing wijzigen : 1° in het belang van de dienst;2° op vraag van de stagiair. Afdeling 2. - De inhoud van de stage Art. 75.§ 1. De stage is bedoeld om de stagiair optimaal te integreren in zijn directie, in de Dienst en in het openbaar ambt in het algemeen. Daartoe duidt de leidend ambtenaar, in overleg met de functionele chef van de stagiair, het personeelslid aan dat, als hiërarchische meerdere, bevoegd is voor de stagebegeleiding, hierna de `stagebegeleider' genoemd, en dit volgens de taalrol van de stagiair. § 2. De HRM waakt eveneens over het goede verloop van de stage. Hiertoe kan hij deelnemen aan alle stagegesprekken. Als de stagebegeleider meer dan tien werkdagen afwezig is, brengt de HRM de leidend ambtenaar daarvan op de hoogte opdat hij een "vervangende stagebegeleider" zou kunnen aanstellen die de stagebegeleider tijdens diens afwezigheid vervangt. De vervangende stagebegeleider wordt aangeduid conform de daartoe voorziene modaliteiten voorzien in paragraaf 1. In dit kader beschikt hij over dezelfde bevoegdheden als de stagebegeleider. Afdeling 3. - Het verloop van de stage Art. 76.Aan het begin van de stage heeft de stagebegeleider een eerste gesprek met de stagiair waarbij de volgende punten verduidelijkt worden : 1° De verwachte resultaten en houdingen bij de verwezenlijking van de taken die overeenkomen met de functiebeschrijving van de stagiair;2° De opleidingsactiviteiten die de stagiair moet volgen;3° De andere middelen ter ontwikkeling van de vaardigheden zodat de inzetbaarheid van de stagiair vergroot wordt. Art. 77.Met het oog op de voorbereiding van dit eerste stagegesprek, pleegt de stagebegeleider vooraf overleg met de functionele chef van de stagiair en met de HRM. Art. 78.De stagebegeleider maakt de verslagen bedoeld in de artikelen 82, § 2 en 83 . De stagebegeleider kan, in overleg met de HRM en de functionele chef, en desgevallend met de vervangende stagebegeleider, beslissen dat bijkomende vormingsactiviteiten vereist zijn. De verantwoordelijke van de HRM legt het model van het stageverslag vast. Art. 79.De stage duurt één jaar voor de stagiairs van de niveaus A en B. Ze duurt 6 maanden voor de stagiairs van de niveaus C en D. Art. 80.De directieraad kan een vormingstraject per functietype vastleggen. Art. 81.Na het eerste stagegesprek organiseert de stagebegeleider tweemaandelijks een stagegesprek over het verloop van de stage. Wanneer hij het nodig acht, kunnen bijkomende gesprekken georganiseerd worden. Met het oog op de voorbereiding van de stagegesprekken pleegt de stagebegeleider vooraf overleg met de functionele chef van de stagiair en met de HRM. Art. 82.§ 1. Het stagegesprek gaat over : 1° de vormingsactiviteiten en de resultaten ervan voor de ontwikkeling van de vaardigheden van de stagiair;2° de wijze waarop de stagiair zich in de dienst integreert;3° de uitvoering van zijn werkopdrachten. Het gesprek heeft tot doel de vooruitgang te evalueren die de stagiair maakt en de nog te verbeteren punten aan te stippen. Het beoogt eveneens de beoordeling mogelijk te maken van zowel de gunstige als de ongunstige feiten. Ingeval ongunstige feiten worden vastgesteld, geeft de stagebegeleider een verwittiging aan de stagiair. § 2. De conclusies van elk gesprek worden opgetekend in het stageverslag. De stagiair wordt in kennis gesteld van het verslag en kan er desgevallend zijn opmerkingen aan toevoegen. Vervolgens wordt het overgemaakt aan de HRM. Bij afwezigheid van de stagebegeleider voert de vervangende stagebegeleider het stagegesprek en stelt hij het stageverslag op. In dat geval hebben het gesprek en het verslag betrekking op de periode waarin de vervangende stagebegeleider de stage heeft opgevolgd. Bij terugkeer van de stagebegeleider moet deze een verslag opstellen over de periode waarin hij de stage effectief opgevolgd heeft. Wat betreft de eerste tien werkdagen bedoeld in artikel 75, § 2, tweede lid, vraagt de vervangende stagebegeleider aan de officiële stagebegeleider of aan de hiërarchie de informatie die hij nodig heeft voor het opstellen van zijn stageverslag. Als er geen informatie beschikbaar is, dan geeft de in artikel 75, § 2, tweede lid bedoelde periode aanleiding tot een gunstige beoordeling van de stagiair. Wanneer de stagebegeleider de dienst hervat, stelt de vervangende stagebegeleider een verslag op over de periode waarin hij de stage opgevolgd heeft. Dit verslag beantwoordt aan de vereisten van § 1. De stagiair wordt in kennis gesteld van het verslag en kan er desgevallend zijn opmerkingen aan toevoegen. Vervolgens wordt het overgemaakt aan de HRM en aan de stagebegeleider. Laatstgenoemde houdt er rekening mee tijdens het volgende stagegesprek. Afdeling 4. - Het einde van de stage Art. 83.De stage wordt afgesloten met een laatste stagegesprek. De stagebegeleider stelt het eindverslag van de stage op, in overleg met de HRM en de functionele chef. Hij voegt er één van de voorstellen bedoeld in artikel 85 aan toe. Hij stelt de stagiair in kennis van het eindverslag, die over vijftien dagen beschikt om er zijn opmerkingen aan toe te voegen. Art. 84.De eindevaluatie houdt rekening met alle feiten, zowel gunstig als ongunstig, die in de loop van de stage werden vastgesteld, evenals met de tussentijdse evaluaties. Art. 85.De stagebegeleider overhandigt het eindverslag aan de leidend ambtenaar of adjunct-leidend ambtenaar. Indien het eindverslag over het geheel van de stage gunstig is, stelt de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar voor de benoeming van de stagiair voor te leggen aan het Algemeen Beheerscomité. Indien het eindverslag ongunstig is, legt de leidend ambtenaar het dossier voor aan de in artikel 16 bedoelde raad van beroep. Hij voegt er een voorstel van beslissing aan toe. Hij stelt de stagiair in kennis van deze voorlegging. De datum van kennisgeving doet de in artikel 19, § 6 van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Ge-meenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad bedoelde termijn lopen. HOOFDSTUK IV. - Benoeming als ambtenaar Art. 86.Onverminderd artikel 133 worden de ambtenaren benoemd door het Algemeen Beheerscomité. Art. 87.De stagiairs leggen de eed af wanneer zij tot ambtenaar worden benoemd. Zij worden geacht als ambtenaar in dienst te zijn getreden vanaf de aanvangsdatum van de stage. De ambtenaren leggen de eed af in handen van de leidend ambtenaar. Art. 88.De in het vorig artikel bedoelde eed wordt afgelegd in de termen, bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten3. Art. 89.Indien zij verzuimen de in artikel 88 bedoelde eed af te leggen, wordt hun benoeming met terugwerkende kracht vernietigd. TITEL V. - Het onthaal, de vorming en de voorlichting Art. 90.Onder onthaal dient elke maatregel te worden verstaan tot bevordering van de integratie van de nieuwe personeelsleden binnen de Dienst. Art. 91.Onder vorming dient elke activiteit te worden verstaan die tot doel heeft : 1° zich te vormen en te vervolmaken in het beroep;2° te voldoen aan de bevorderingscriteria;3° te voldoen aan de evaluatiecriteria. Tijdens de periodes van afwezigheid die gerechtvaardigd worden door deelname aan verplichte of toegelaten activiteiten georganiseerd in het kader van het eerste lid, is de ambtenaar in actieve dienst. Art. 92.Onder voorlichting dient elke maatregel te worden verstaan waarbij nuttige inlichtingen aan de ambtenaren worden verschaft. Art. 93.Het Algemeen Beheerscomité neemt, op voordracht van de Directieraad de algemene beginselen inzake onthaal en vorming aan. Met inachtneming van de algemene beginselen uitgevaardigd op grond van voorgaand lid, stelt de directieraad het onthaal- en vormingsprogramma vast dat aan de behoeften van het bestuur en zijn personeel beantwoordt. Hij kan in samenwerking met de erkenningsinstellingen bedoeld in artikel 67, het onthaal, de vorming en de inschakeling in het arbeidsproces van de personen met een handicap organiseren. Art. 94.De directeur HRM of zijn afgevaardigde is belast met de functies van verantwoordelijke voor de opleiding en voorlichting. Art. 95.De verantwoordelijke voor de opleiding en voorlichting of zijn afgevaardigde dient in het bezit te zijn van een bekwaamheidsattest, dat afgeleverd wordt na een opleidingscursus waarvan het Verenigd College de nadere regelen vaststelt. Art. 96.De verantwoordelijke voor de opleiding en voorlichting is belast met : 1° de uitvoering van de onthaalprogramma's;2° de opmaak van een jaarlijks opleidingsplan. Het plan wordt door het Algemeen Beheerscomité goedgekeurd, na overleg met de vakorganisaties. Dit plan bevat :
- a)de te bereiken algemene doelstellingen van de vorming, zowel kwalitatief als kwantitatief;
- b)de prioriteiten voor het komende jaar;
- c)de inhoud, de vorm en duur van de vormingen;
- d)het al dan niet verplicht karakter van de vormingen;
- e)de te voorziene begroting voor ieder van de vormingsdoelstellingen;
- f)na verloop van het eerste vormingsplan, een evaluatie van de mate waarin de doelstellingen werden verwezenlijkt.3° de organisatie van de voorgeschreven opleidingen voor de vergelijkende bevorderingsselecties;4° de organisatie van de opleidingen voor de ambtenaren die het voorstel inzake voorlopige globale vermelding en de vermelding van globale evaluatie dienen op te stellen;5° de organisatie van de noodzakelijke vervolmakingscursussen voor de ambtenaren;6° de opmaak van een strategisch plan voor de communicatie. TITEL VI. - Evaluatie HOOFDSTUK I. - Evaluatie van de ambtenaren zonder mandaat Art. 97.De evaluatie, uitgevoerd op basis van een in artikel 103 beschreven individueel evaluatiedossier, heeft tot doel het werk van de ambtenaar in de functie die hij vervult, aan de hand van de functiebeschrijving ervan, doorlopend te beoordelen. Ze is verplicht voor elke ambtenaar. Art. 98.§ 1. De evaluatie gebeurt door de hiërarchische meerdere van de ambtenaar, met eerbiediging van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken. Indien hij niet tot dezelfde taalrol als de ambtenaar behoort, dient de hiërarchische meerdere een voldoende kennis van de taal van de geëvalueerde ambtenaar te bezitten, als ambtenaar behorend tot het tweetalig kader, die krachtens artikel 43, § 3, derde lid van dezelfde wetten het bewijs heeft geleverd de tweede taal voldoende te kennen, ofwel omdat hij in het bezit is van een taalbewijs waaruit de voldoende kennis van de andere taal blijkt dat uitgereikt is op grond van de artikelen 7, 11 of 12 van het koninklijk besluit van 8 maart 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten1 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van dezelfde wetten. Indien de hiërarchische meerdere niet voldoet aan de in het vorige lid bepaalde vereiste, wijst de leidend ambtenaar de gemachtigde ambtenaar aan. Een hiërarchische meerdere mag geen evaluatie uitvoeren zonder eerst een aangepaste vorming te hebben genoten. § 2. Voor de evaluatie van de ambtenaren van de niveaus B, C en D is de hiërarchische meerdere met ten minste een hogere graad. Voor de graden van rang A1 en A2 is dit de directeur of de directeur-diensthoofd waarvan de geëvalueerde ambtenaar afhangt. Voor de graden van de rang A3 zijn dit de directeurs-diensthoofden of de leidend ambtenaar of zijn adjunct naargelang waarvan de geëvalueerde ambtenaar afhangt. De hiërarchische meerdere die de ambtenaar niet onder zijn gezag heeft gehad gedurende de volledige evaluatieperiode, raadpleegt de vorige rechtstreekse hiërarchische meerderen van de ambtenaar voor het evaluatiegesprek. Indien de hiërarchische meerdere niet de functionele chef van de ambtenaar is, dient hij deze functionele chef te raadplegen voor de evaluatiegesprekken. Een ambtenaar daan wie de globale evaluatievermelding "met voorbehoud" of onvoldoende" werd toegekend, kan niet belast worden met evaluaties. Art. 99.§ 1. De evaluatieperiode van de ambtenaar is de periode tussen het functiegesprek en het evaluatiegesprek. Deze periode heeft een tijdsduur van minstens zes maanden. § 2. In het begin van elke evaluatieperiode en bij elke benoeming of dienstaanstelling van de ambtenaar heeft de in artikel 98, § 1, bedoelde hiërarchische meerdere een functiegesprek met hem, waarbij de te bereiken doelen en de elementen waarop de ambtenaar zal worden geëvalueerd op basis van de functiebeschrijving, worden omschreven. Voornoemde elementen betreffen : 1° de kwaliteit van het werk;2° het werkritme;3° de toe te passen werkmethoden;4° de te verwerven werkattitudes. De voornoemde hiërarchische meerdere stelt een verslag op van het functiegesprek. Dit wordt door de ambtenaar geviseerd en naar de HRM gestuurd en in het in artikel 103 bedoelde individueel evaluatiedossier opgenomen. Als de ambtenaar het verslag van het functiegesprek niet tekent voor ontvangst, wordt het hem aangetekend opgestuurd. § 3. Op het einde van elke evaluatieperiode heeft de in artikel 98, § 1, bedoelde hiërarchische meerdere een evaluatiegesprek met de ambtenaar. Dit gesprek heeft, in beginsel, om de twee jaar plaats tussen 15 januari en 15 maart, het ene jaar voor de ambtenaren van de niveaus A en B, het volgende jaar voor die van de andere niveaus. Als het gesprek niet kan plaatshebben tussen 15 januari en 15 maart, heeft het plaats op een andere datum, voor zover de periode van effectieve prestaties van de geëvalueerde ambtenaar sinds het functiegesprek minstens zes maanden bedraagt. Het evaluatiegesprek handelt over de verwezenlijking van de tijdens het functiegesprek opgestelde doelen en over de in § 2, tweede lid, bedoelde elementen. De ambtenaar krijgt één van de drie volgende globale evaluatievermeldingen : 1° gunstig;2° onder voorbehoud;3° onvoldoende. Wanneer een vermelding " onder voorbehoud " of " onvoldoende " toegekend is, heeft een nieuwe evaluatie plaats na een termijn van één jaar, welke termijn op verzoek van de ambtenaar ingekort kan worden tot zes maanden. Deze laatste evaluatie moet worden gevolgd door een nieuw functiegesprek; het nieuwe functiegesprek kan plaatshebben tussen 15 januari en 15 maart aan het einde van de lopende evaluatieperiode, voor zover de effectieve prestaties een periode van minstens zes maanden bestrijken. § 4. De ambtenaar die zijn prestaties niet effectief gedurende ten minste zes maanden heeft geleverd en die afwezig is, met verlof is, of zijn functie niet vervult, behoudt zijn laatste evaluatie. Buiten de in het eerste lid bedoelde gevallen, krijgt de ambtenaar die om welke reden dan ook niet werd geëvalueerd, een gunstige evaluatie, ongeacht de periode tijdens dewelke hij effectief zijn prestaties leverde, behalve als hij bewust weigerde geëvalueerd te worden. Na afloop van zijn stage, krijgt de stagiair die als ambtenaar wordt benoemd van ambtswege een gunstige evaluatie. Art. 100.De ambtenaar wordt in kennis gesteld van het verslag van het evaluatiegesprek.Deze kan zijn bemerkingen neerschrijven binnen de twintig dagen die volgen op de communicatie van dit verslag en deze overmaken aan de in artikel 98, § 1, bedoelde hiërarchische meerdere. Als de ambtenaar het evaluatieverslag niet tekent voor ontvangst, wordt het hem aangetekend opgestuurd. Dit verslag, in voorkomend geval, vergezeld van de opmerkingen van de ambtenaar, wordt in het in artikel 103 bedoelde individueel evaluatiedossier opgenomen. Art. 101.§ 1. De evaluatie vindt plaats op zijn minst eens om de twee jaar en op zijn minst één jaar na een bevordering of een vaste benoeming; ze wordt persoonlijk aan de ambtenaar betekend. Als de ambtenaar het evaluatieverslag niet tekent voor ontvangst, wordt het hem aangetekend opgestuurd. § 2. Wanneer de globale evaluatievermelding "gunstig" opnieuw wordt toegekend, bevestigt, in voorkomend geval, het bestuur de kennisgeving van de reeds bestaande vermelding. Wanneer de globale evaluatievermelding "onder voorbehoud" wordt toegekend, kan op verzoek van de ambtenaar worden overgegaan tot een nieuwe evaluatie één jaar na de toekenning van die vermelding. Wanneer de globale evaluatievermelding "onvoldoende" wordt toegekend, wordt ambtshalve overgegaan tot een nieuwe evaluatie zes maanden na de toekenning van deze vermelding. Wanneer de globale evaluatievermelding "onvoldoende" wordt toegekend, stelt de directieraad een specifieke opleiding voor en onderzoekt hij de mogelijkheden om van functie te veranderen. Alvorens enige beslissing te nemen hoort de directieraad de ambtenaar die een globale evaluatie "onvoldoende" heeft gekregen. Hiervoor roept de directieraad de ambtenaar minstens tien dagen voor de hoorzitting op, doormiddel van een kennisgeving. Tijdens deze periode heeft hij toegang tot de stukken van het dossier. Voor deze hoorzitting kan de ambtenaar zich laten vergezellen door een door hem gekozen persoon. § 3. Indien de ambtenaar niet kan instemmen met de globale vermelding " onder voorbehoud " of " onvoldoende " waarvan hem kennis werd gegeven, kan hij binnen de vijftien dagen die volgen op de kennisgeving zich per aangetekend schrijven wenden tot de in artikel 16 bedoelde raad. Deze termijn is berekend volgens dezelfde regels als die bedoeld in artikel 19, § 7, tweede en derde lid van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad. Er wordt de ambtenaar een ontvangstbewijs van het beroep uitgereikt. Art. 102.§ 1. Wanneer de globale evaluatievermelding "onvoldoende" tweemaal achter elkaar wordt toegekend, verklaart de directieraad de ambtenaar beroepsongeschikt. § 2. Indien de ambtenaar niet kan instemmen met de verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid, kan hij binnen de vijftien dagen die volgen op de kennisgeving zich per aangetekend schrijven wenden tot de in artikel 16 bedoelde raad. Artikel 101, § 3, tweede lid, is toepasselijk. § 3. Na advies van de in artikel 16 bedoelde raad van beroep, spreekt de overheid die overeenkomstig artikel 86 bevoegd is voor de benoeming, zich uit over de definitieve ambtsneerlegging door de vaststelling van de definitieve beroepsongeschiktheid. De ambtenaar die wegens beroepsongeschiktheid wordt afgedankt geniet een vergoeding wegens ontslag. Deze vergoeding is gelijk aan twaalf maal de laatste maandbezoldiging van de ambtenaar, indien hij ten minste twintig jaar dienst heeft, aan acht maal of zes maal deze bezoldiging naargelang de ambtenaar tien jaar dienst of minder dan tien jaar dienst heeft. Voor de toepassing van het derde lid moet onder " bezoldiging " worden verstaan elke wedde, loon of vergoeding geldend als wedde of loon, rekening houdend met de verhogingen of verminderingen die te wijten zijn aan de schommelingen van de spilindex van de consumptieprijzen. De in aanmerking te nemen bezoldiging is die welke verschuldigd is voor volledige prestaties, eventueel met inbegrip van de haard- of standplaatstoelage, rekening houdend met de verhogingen of verminderingen die te wijten zijn aan de schommelingen van de spilindex van de consumptieprijzen. Art. 103.Het individueel evaluatiedossier omvat : 1° een identificatiefiche (naam, voornaam, adres);2° een loopbaanfiche (verloop van de administratieve loopbaan);3° een opleidingsfiche;4° in voorkomend geval, een individuele fiche met de feiten of vaststellingen betreffende de uitoefening van de functie, opgetekend door de hiërarchische meerderen die bevoegd zijn voor de evaluatie;ze dienen naar behoren te zijn geviseerd of geannoteerd door de betrokken ambtenaar; deze kan de gemachtigde hiërarchische meerdere vragen een document met een gunstige beoordeling betreffende de uitvoering van zijn werk toe te voegen; 5° de omschrijving van de functie;6° het verslag van het functiegesprek;7° het verslag van het evaluatiegesprek;8° het evaluatierapport. De Minister bepaalt het model van de elementen van het individuele evaluatiedossier bedoeld in het eerste lid. Art. 104.Het in artikel 103 bedoelde individueel evaluatiedossier wordt in het persoonlijk dossier opgenomen en wordt bewaard op de HRM die de geheimhouding omtrent de inhoud ervan dient te bewaren. HOOFDSTUK II. - Evaluatie van de mandaathouders Art. 105.De evaluatie heeft tot doel na te gaan in welke mate de bij de toekenning van het mandaat overeengekomen doeleinden werden bereikt of op weg zijn om te worden bereikt. De mandaathouder stelt hiertoe op het einde van iedere evaluatieperiode een verslag op over zijn werkzaamheden als hoofd van de administratieve eenheid die hij leidt. Art. 106.De evaluatiecommissie, bedoeld in artikel 25, evalueert de mandaathouder over de wijze waarop hij het mandaat heeft uitgeoefend. Ze neemt kennis van het verslag opgesteld door de mandaathouder en nodigt deze uit voor een evaluatiegesprek. De vermelding "gunstig" wordt toegekend aan de mandaathouder wanneer deze de doelstellingen die hem bij het begin van zijn mandaat werden opgedragen heeft bereikt. De vermelding "voldoende" wordt toegekend aan de mandaathouder wanneer hij de doelstellingen gedeeltelijk heeft bereikt. De vermelding "ongunstig" wordt toegekend aan de mandaathouder wanneer de doelstellingen niet of in zeer geringe mate zijn gerealiseerd. In zijn evaluatie moet de evaluatiecommissie rekening houden met onvoorziene omstandigheden of omstandigheden, die het geheel of gedeeltelijk realiseren van de vastgestelde objectieven onmogelijk hebben gemaakt. De evaluatie wordt aan de geëvalueerde meegedeeld bij aangetekend schrijven. Art. 107.§ 1. Een eerste evaluatie heeft plaats twee jaar na het begin van het mandaat. Indien bij deze evaluatie de vermelding "ongunstig" wordt weerhouden heeft een bijkomende evaluatie plaats zes maanden na deze eerste evaluatie. Als de bijkomende evaluatie van de mandaathouder eveneens ongunstig is wordt zijn mandaat definitief beëindigd en kan hij niet deelnemen aan een nieuwe toekenningsprocedure voor het mandaat dat hij bekleedt. § 2. Een tweede evaluatie heeft plaats zes maanden voor het einde van het mandaat. Indien op het einde van deze tweede evaluatie de mandaathouder de vermelding "gunstig" bekomt, dan kan het Verenigd College zijn mandaat verlengen zonder dat er wordt overgegaan tot een nieuwe toekenningsprocedure voor het mandaat dat hij bekleedt. De mandaathouder stelt, bij de hernieuwing van zijn mandaat, een beheersplan op zoals bedoeld in artikel 142, tweede lid, dat rekening houdt met de te bereiken doelstelling vastgelegd door de overheid. Indien de mandaathouder de vermelding "voldoende" bekomt, dan wordt zijn mandaat niet verlengd maar kan hij deelnemen aan een nieuwe toekenningsprocedure voor het mandaat dat hij bekleedt. Indien de mandaathouder de vermelding "ongunstig" bekomt, dan wordt zijn mandaat definitief beëindigd en kan hij niet deelnemen aan de nieuwe toekenningsprocedure voor het mandaat dat hij bekleedt. Art. 108.De mandaathouder beschikt over vijftien dagen vanaf de kennisgeving van zijn evaluatie om schriftelijk beroep in te dienen bij het Verenigd College. Het Verenigd College spreekt zich, met uitsluiting van de in artikel 16 bedoelde raad van beroep, uit over het beroep van een mandaathouder. Het Verenigd College moet zich uitspreken binnen de maand na ontvangst van het verzoekschrift, indien de mandaathouder niet vraagt om gehoord te worden, ofwel in de maand die volgt op het verhoor. De mandaathouder wordt op zijn verzoek gehoord door het Verenigd College of door zijn door hem aangeduide Leden. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze en moet, vóór zijn verhoor, toegang tot alle stukken van het dossier hebben gekregen. Zijn hoorzitting vindt plaats ten vroegste tien dagen na de vraag van de mandaathouder. Indien geen beslissing wordt genomen binnen de vereiste termijn, wordt ze gunstig geacht voor de mandaathouder. TITEL VII. - Anciënniteit Art. 109.§ 1. Voor het berekenen van de graad- en niveauanciënniteit, komen enkel in aanmerking de werkelijke diensten die de ambtenaar als stagiair en als ambtenaar zonder vrijwillige onderbreking heeft verricht als lid van het personeel van een ministerie of van een overheidsinstelling die afhangt van de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de Gemeenschapscommissies, een provincie of een plaatselijk bestuur of, op voorwaarde dat de Minister beslist over de toelaatbaarheid ervan, in een overheidsdienst die vergelijkbaar is met één van die welke hiervoor zijn opgesomd, van een Staat van de Europese Unie als onderdaan van een van de lidstaten, en als titularis van een ambt met volledige of onvolledige prestaties. Wat de vrijwillige onderbreking betreft, dient de onderbreking in de tijd ten minste één dag te omvatten. Voor de deeltijdse prestaties gebeurt de berekening van de anciënniteit a rato van de verrichte prestaties. § 2. Voor de graadanciënniteit, worden de in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop de ambtenaar benoemd is in de graden die door de toe te passen bepalingen in aanmerking worden genomen, of vanaf de datum waarop de ambtenaar voor latere bevordering is gerangschikt ingevolge de terugwerking van zijn benoeming in zulke graden. § 3. Voor de niveauanciënniteit worden de in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop de ambtenaar is benoemd in de graden die door de toe te passen bepalingen in aanmerking worden genomen of vanaf de datum waarop de ambtenaar voor latere bevordering is gerangschikt ingevolge de terugwerking van zijn benoeming in zulke graad. Art. 110.Voor de berekening van de dienstanciënniteit komen in aanmerking de werkelijke diensten welke de ambtenaar in enigerlei hoedanigheid zonder vrijwillige onderbreking heeft verricht als lid van het personeel van een ministerie of van een overheidsinstelling die afhangt van de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de Gemeenschapscommissies, een provincie of een plaatselijk bestuur of, op voorwaarde dat de Minister beslist over de toelaatbaarheid ervan, in een overheidsdienst die vergelijkbaar is met één van die welke hiervoor zijn opgesomd, van een Staat van de Europese Unie als onderdaan van een van de lidstaten, en als titularis van een ambt met volledige of onvolledige prestaties. Voor de deeltijdse prestaties gebeurt de berekening van de anciënniteit a rato van de verrichte prestaties. Art. 111.De werkelijke diensten zijn de diensten die zijn geleverd in een administratieve stand, die bij de geldende bepalingen, een activiteitswedde garanderen of bij ontstentenis daarvan, het behoud van de aanspraak op bevordering tot een hogere wedde. Vrijwillig is de onderbreking van ten minste één dag die door de daad of de schuld van de ambtenaar is veroorzaakt. Volledig zijn de prestaties waarvan de uurregeling een normale beroepsactiviteit volledig in beslag neemt. Art. 112.§ 1. De in aanmerking komende diensten die in volle kalendermaanden berekend zijn, worden rechtstreeks gevaloriseerd in de graad-, niveau- en dienstanciënniteit. § 2. De deeltijdse prestaties van 1.976 uren worden voor twaalf volle kalendermaanden geteld. De deeltijdse prestaties van een twaalfde van 1.976 uren worden voor één volle kalendermaand geteld, waarbij elk uurgedeelte wordt verwaarloosd. TITEL VIII. - Loopbaan van de ambtenaren HOOFDSTUK I. - Algemene regels inzake de loopbaan en de bevordering Art. 113.Onverminderd de bepalingen betreffende de mobiliteit, kunnen de bevorderingen worden toegekend door verhoging in graad of door overgang naar het hogere niveau. Art. 114.Iedere open betrekking, buiten de mandaatbetrekkingen, of die binnen de eerstvolgende zes maanden vrijkomt, wordt door het Algemeen Beheerscomité vacant verklaard, alvorens zij kan worden begeven bij wege van bevordering door verhoging in graad. De vacantverklaring bepaalt de plaats van de betrekking in het personeelsplan, de plaats van tewerkstelling die de betrokkene wordt opgelegd en de vereiste geschiktheid. Art. 115.Van de vacature van betrekking wordt kennis gegeven aan de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren. Het bericht vermeldt ten minste de vacante betrekking, de overheid waarbij en de termijn waarbinnen de kandidaatstelling dient te worden ingediend alsook de algemene voorwaarden. Het omvat ook een functiebeschrijving die de te begeven betrekking betreft en verzoekt de kandidaten hun kwaliteiten te vermelden. In aanmerking komen alleen de aanspraken van de ambtenaren die binnen twintig dagen vanaf de eerste werkdag die volgt op die van de kennisgeving van de vacature, ter post een aangetekende brief hebben afgegeven waarmee hun sollicitatie ter kennis van de leidend ambtenaar wordt gebracht. De vervaldag is in de termijn begrepen. Het is de ambtenaren toegestaan, bij voorbaat en bij een aangetekende brief aan de leidend ambtenaar, naar elke betrekking te dingen die tijdens hun jaarlijkse vakantie vacant zou worden verklaard. Deze sollicitatie is niet langer dan twee maanden geldig. Art. 116.Voor iedere bevordering brengt de directieraad een met redenen omkleed advies uit. De directieraad spreekt zich in zijn advies uit over iedere kandidaat die voldoet aan de vereisten om de te begeven betrekking te bekleden. Hij weegt hierbij de beschrijving van de functie en de algemene en bijzondere voorwaarden af tegenover de aanspraken en ervaringen die de kandidaat kan laten gelden voor een benoeming in de vacante betrekking. Hij neemt bovendien het evaluatiedossier van de kandidaten in overweging. De directieraad formuleert een gemotiveerd voorstel van benoeming dat ten hoogste zes kandidaten per vacante betrekking bevat. Zij worden gerangschikt in de volgorde waarin zij voor de benoeming in aanmerking komen. Van het voorstel wordt kennis gegeven aan de ambtenaren die zich kandidaat hebben gesteld voor de te begeven betrekking. De ambtenaar die zich benadeeld acht kan, binnen vijftien dagen na de in het vorige lid bedoelde kennisgeving, bezwaar indienen bij de directieraad. De in het vierde lid bedoelde kennisgeving en termijn worden geregeld volgens de regels bedoeld in artikel 2, § 1, 13° en § 3. De ambtenaar wordt op zijn verzoek door de directieraad gehoord. Art. 117.Het Algemeen Beheerscomité volgt de definitieve rangschikking die eenparig wordt uitgebracht. Indien het voorstel van de directieraad niet eenparig wordt uitgebracht en het Algemeen Beheerscomité niet instemt met de door de directieraad voorgestelde volgorde, moet het zijn beslissing omstandig met redenen omkleden. Art. 118.De bevordering door overgang naar het hoger niveau wordt verleend bij wege van een door het SELOR georganiseerde vergelijkende selectie. Art. 119.§ 1. De vergelijkende selecties voor overgang naar het hogere niveau worden georganiseerd voor de bevordering naar de graden die in rang A1 als attaché, in rang B1 als assistent of in rang C1 als adjunct zijn gerangschikt. De bevordering door overgang naar een hoger niveau is alleen mogelijk als er een betrekking in de in het eerste lid bedoelde wervingsgraad van dat niveau vacant is. § 2. Om deel te nemen aan een vergelijkende selectie voor overgang naar het hogere niveau dient de ambtenaar zich in een administratieve stand te bevinden waarbij hij op de bevordering aanspraak kan maken en moet hij, als laatste evaluatie, de evaluatie "gunstig" hebben gekregen. § 3. De vergelijkende selectie voor overgang naar het hogere niveau staat open : 1° voor bevordering tot de graad van rang A1, voor alle ambtenaren van de niveaus B en C die ten minste drie jaar anciënniteit hebben in één van beide of in beide niveaus;2° voor bevordering tot de graad van rang B1, voor alle ambtenaren van niveau C die tenminste drie jaar anciënniteit tellen in dit niveau;3° voor bevordering tot de graad van rang C1, voor alle ambtenaren van niveau D die tenminste drie jaar anciënniteit tellen in dit niveau. § 4. De deelnemingsvoorwaarden bepaald krachtens §§ 2 en 3 moeten vervuld zijn op de door de afgevaardigd beheerder van het SELOR bepaalde datum. Als na afsluiting van de vergelijkende selectie blijkt dat een kandidaat die voor bedoelde selectie geslaagd is, op welk ogenblik ook tijdens de vergelijkende selectie niet langer voldeed aan een van de deelnemingsvoorwaarden die vervuld moeten zijn om eraan te kunnen deelnemen, dan verliest hij het voordeel van zijn slagen voor deze selectie. Art. 120.De vergelijkende selectie voor overgang naar niveau A bestaat uit twee eerste schiftingsproeven gevolgd door drie brevetten en een mondelinge proef. Enkel de geslaagden voor de eerste proef kunnen deelnemen aan de tweede proef en de geslaagden voor de tweede proef kunnen de drie brevetten en de mondelinge proef afleggen. Om de mondelinge proef af te leggen, moeten de kandidaten bovendien slagen voor elk brevet. Om te slagen moeten de kandidaten ten minste 60 % der punten behalen voor het geheel van de proeven en brevetten en ten minste 50 % voor elke proef, elk brevet en voor de mondelinge proef. De eerste twee schiftingsproeven, waarvoor de kandidaat ten minste 60 % der punten heeft behaald zijn definitief verkregen. Elk brevet waarvoor de kandidaat 50 % der punten heeft behaald is definitief verkregen. De laureaten worden gerangschikt volgens de in het geheel van de proeven behaalde punten en volgens de door deze rangschikking bepaalde volgorde benoemd. Art. 121.§ 1. De vergelijkende selecties voor overgang naar de niveaus B of C omvatten een algemeen gedeelte en een bijzonder gedeelte. § 2. Alleen de kandidaat die voor het algemeen gedeelte slaagt kan aan het bijzonder gedeelte deelnemen. § 3. Om te slagen moeten de kandidaten ten minste 50 % der punten voor elk gedeelte en ten minste 60 % der punten over het geheel van de selectie behalen. Een kandidaat die 60 % behaalde voor de eerste proef maar niet voor de tweede, wordt vrijgesteld van deze eerste proef als hij nogmaals aan een vergelijkende selectie voor overgang naar hetzelfde niveau deelneemt. De geslaagden worden volgens de in beide proeven behaalde punten gerangschikt en volgens de door deze rangschikking bepaalde volgorde benoemd. Art. 122.In geval van selectie van een geslaagde voor een vergelijkende selectie voor overgang naar een hoger niveau, wordt laatstgenoemde onderworpen, vanaf zijn indiensttreding, aan een proefperiode van zes maanden voltijdse prestaties. De leidend ambtenaar wijst de ambtenaar van een hogere graad aan die, naargelang van de taalrol van de geslaagde, de supervisie van de proefperiode uitoefent. Na de eerste en de zesde maand organiseert de ambtenaar belast met de supervisie van de proefperiode een evaluatiegesprek over het verloop van de proefperiode. Hij kan besluiten tot bijkomende gesprekken. Hij stelt de verslagen van deze gesprekken op en maakt deze over aan de HRM. Tijdens de proefperiode is de geslaagde voor een vergelijkende selectie voor overgang naar niveau A of B gehouden een activiteitenverslag op te stellen. Zowel de geslaagde als de ambtenaar belast met de supervisie van de proefperiode kunnen de proefperiode voortijdig beëindigen. Laatstgenoemde kan dat enkel indien op grond van een gemotiveerd verslag is aangetoond dat de kandidaat niet voldoet aan de vereisten van het ambt alsook bij tuchtstraffen. De ambtenaar wordt van deze beslissing in kennis gesteld. Tijdens de proefperiode wordt de evaluatie van de geslaagde opgeschort. Bij het verstrijken van de proefperiode wordt de kandidatuur van de geslaagde definitief aanvaard of verworpen door de ambtenaar belast met de supervisie van de proefperiode. Hij stelt de geslaagde in kennis van zijn beslissing. De geslaagde kan beroep indienen tegen deze beslissingen bedoeld in het het vijfde en zesde lid bij de in artikel 16 bedoelde raad, binnen acht dagen na haarkennisgeving. Dit beroep is opschortend. De in het vijfde en zesde lid bedoelde kennisgeving en termijn worden geregeld volgens de zelfde regels als die bedoeld in artikel 19, § 7 van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad. Er kan in zijn evaluatiedossier geen melding worden gemaakt van de motivering die een einde maakt aan de proefperiode in zijn evaluatiedossier. De geslaagde die niet slaagde voor zijn proefperiode of die de betrekking opgeeft, herneemt zijn oorspronkelijke graad en behoudt zijn eerste rangschikking. Hij herneemt zijn voormalige betrekking of een gelijkgestelde betrekking. Art. 123.De bevorderingen door verhoging in graad en door overgang naar het hoger niveau worden verleend door het Algemeen Beheerscomité. HOOFDSTUK II. - Functionele loopbaan Afdeling 1. -
en Art. 124.De functionele loopbaan wordt toegepast op alle graden behalve deze die worden toegekend bij mandaat. Zij bestaat erin dat de ambtenaar, zonder in graad te verhogen, één, twee of drie hogere weddenschalen geniet, volgens de graad, dan die welke zijn verbonden aan zijn graad, zolang hij voldoet aan de eisen die dit statuut stelt inzake anciënniteit en evaluatie. Art. 125.De leidend ambtenaar beheert het stelsel van de functionele loopbanen. Hij kent de hogere weddeschaal toe zodra een ambtenaar de voorwaarden inzake anciënniteit en evaluatie vervult. Afdeling
- - De verschillende functionele loopbanen Art. 126.Aan de graad van attaché zijn de weddeschalen 101, 102 en 103 verbonden. Aan de graden van geneesheer en ingenieur zijn de weddenschalen 111, 112, 113 en 310 verbonden. Aan de graden van assistent, adjunct en klerk zijn de weddenschalen 101, 102, 103 en 200 verbonden. Aan de graad van eerste attaché zijn de weddeschalen 200, 210 en 220 verbonden. Aan de graden van eerste attaché deskundige zijn de weddeschalen 220 en 230 verbonden. Aan de graden van eerste ingenieur deskundige en eerste geneesheer deskundige zijn de weddeschalen 220, 230 en 310 verbonden. Aan de graad van directeur zijn de weddeschalen 300 en 310 verbonden. De weddeschaal 102, 112, 210, 230 of 310, naargelang van de graad, wordt toegekend aan de ambtenaar die zes jaar graadanciënniteit telt en die over een evaluatie " gunstig " beschikt. De weddeschaal 103, 113, 220 of 310, naargelang van de graad, wordt aan de ambtenaar toegekend zodra hij twaalf jaar graadanciënniteit telt en over een evaluatie " gunstig " beschikt. De weddeschaal 200 of 310, naargelang van de graad, wordt aan de ambtenaar toegekend zodra hij achttien jaar graadanciënniteit telt en over een evaluatie " gunstig " beschikt. HOOFDSTUK III. - Bevordering tot de graden van de rangen A2 en A
- Art. 127.Kunnen worden bevorderd door het Algemeen Beheerscomité tot de graad van directeur van rang A3, de ambtenaren titularis van de graden van attaché van rang A1, van eerste attaché en van eerste attaché deskundige van de rang A2, zodra hun niveauanciënniteit ten minste zes jaar bedraagt Art. 128.Kunnen worden bevorderd door het Algemeen Beheerscomité tot de graad van eerste attaché deskundige A2, de attachés van rang A1 die minstens zes jaar graadanciënniteit hebben en de eerste attachés van rang A2 die minstens drie jaar graadanciënniteit hebben. Kunnen worden bevorderd door het Algemeen Beheerscomité tot de graad van eerste attaché van de rang A2, de attachés van rang A1 die minstens drie jaar graadanciënniteit hebben. Art. 129.De ambtenaar die zich kandidaat stelt voor een betrekking van rang A2 of A3 moet een evaluatie met vermelding "gunstig" hebben, moet zich in een administratieve positie bevinden waarin hij zijn bevorderingstitels kan laten gelden en mag niet onderworpen zijn aan een definitieve tuchtstraf. De ambtenaar die een tuchtstraf heeft gekregen kan niet worden bevorderd alvorens zijn straf is doorgehaald in overeenstemming met artikel 171 of met de bepalingen van het statuut dat op hem van toepassing is. Art. 130.Onverminderd de artikelen 127 en 128 en in de in artikel 114 bedoelde gevallen, kan het Algemeen Beheerscomité de vacante betrekking openstellen via mobiliteit voor ambtenaren van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, van de Federale Staat, van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, van de Vlaamse, Franse en Duitstalige Gemeenschappen, van de Gemeenschapscommissies en van het Waalse Gewest, van de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen waarvan het personeel via SELOR wordt aangeworven, die aan dezelfde bevorderingsvoorwaarden voldoen als degene welke voor de ambtenaren van de Dienst gelden. De beslissing van het Algemeen Beheerscomité verduidelijkt, voor iedere vacante betrekking, van welke instellingen onder deze bepaald in het eerste lid, de ambtenaren die zich kandidaat mogen stellen, moeten voortkomen. In afwijking van artikel 115, eerste lid, wordt de vacature van een te verlenen betrekking ter kennis gebracht van de voor benoeming in aanmerking komende ambtenaren door middel van een bericht dat in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Zij bevat de te vervullen functiebeschrijving, de vereiste ervaring en kennis en de termijn binnen dewelke de ambtenaar zijn kandidatuur kan indienen. Art. 131.Wanneer een betrekking openstaat overeenkomstig artikel 130, is het vereist dat de ambtenaren van een andere instelling de gelijkwaardige bevorderingsvoorwaarden bedoeld in de artikelen 127 en 128 vervullen. Art. 132.§
- Wanneer er beroep wordt gedaan op artikel 130, neemt het Algemeen Beheerscomité een individueel besluit tot overdracht dat bij uittreksel gepubliceerd wordt in het Belgisch Staatsblad. Een kopie wordt ter informatie overgemaakt aan de overheid die de benoemingsbevoegdheid heeft in de instelling van herkomst van de ambtenaar. §
- De overdracht houdt de benoeming in de graad van tewerkstelling naar dewelke de ambtenaar is overgeplaatst van rechtswege in. De ambtenaar behoudt zijn administratieve anciënniteit die hij verworven heeft voor zijn overplaatsing. §
- De overgedragen ambtenaar is niet langer onderworpen aan de statutaire bepalingen die op hem van toepassing waren binnen zijn instelling van herkomst. §
- Indien, in zijn instelling van herkomst, de graad van de ambtenaar duidelijk verschilt van de bij de Dienst bestaande graad, wordt de gelijkwaardigheid bepaald door de Minister. HOOFDSTUK IV. - Het mandaat Art. 133.Het Verenigd College kent de betrekkingen verbonden aan de graden van rang A4, A4+ en A5 bij mandaat toe. Iedere betrekking wordt door het Verenigd College vacant verklaard alvorens zij kan worden begeven bij mandaat. De mandaten van rang A4, A4+ en A5 worden vacant verklaard via een open procedure, waarbij gelijktijdig interne en externe kandidaten meedingen. Onder externe kandidaten dient te worden verstaan, alle andere kandidaten dan de ambtenaren van de Dienst. Onder mandaathouder niet-ambtenaar dient te worden verstaan, alle mandaathouders die, op het moment van hun aanwijzing tot een mandaat bij de Dienst, geen ambtenaar zijn van de Dienst, de openbare diensten van het federaal administratief openbaar ambt of van een openbare dienst van een Gewest of van een Gemeenschap of van een Gemeenschapscommissie of van een instelling van openbaar nut die ervan afhangt. De mandaathouders niet ambtenaar tekenen een arbeidscontract dat onderworpen is aan de wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1978 pub. 03/07/2008 numac 2008000527 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten type wet prom. 03/07/1978 pub. 12/03/2009 numac 2009000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten sluiten op de arbeidsovereenkomsten. Telkens wanneer er in dit besluit het woord "ambtenaar" wordt gebruikt, wordt ook de mandaathouder bedoeld behoudens anders luidende bepaling. Art. 134.Vóór elke toekenning van een mandaat legt het Verenigd College, na advies van het Algemeen Beheerscomité, de doelstellingen vast die tijdens dit mandaat moeten bereikt worden. Art. 135.§
- De aangestelde ambtenaar oefent het mandaat daadwerkelijk uit. §
- In geval hij het mandaat niet kan uitoefenen wegens overlijden, langdurige ziekte, zwangerschapsverlof, schorsing in het belang van de dienst, ontslag of enige andere reden die hem verhindert zijn mandaat uit te oefenen, kan het Verenigd College het mandaat tijdelijk toekennen aan een ander personeelslid voor maximaal zes maanden. §
- De mandaathouder oefent zijn taak voltijds uit. Tijdens zijn mandaat kan hij : 1° geen verlof voor loopbaanonderbreking krijgen, uitgezonderd als dit het ouderschapsverlof, de palliatieve verzorging en de zorgen in geval van ernstige ziekte betreft;2° geen verlof krijgen om zich kandidaat te stellen voor verkiezingen, om een ambt uit te oefenen in het kabinet van een minister of om een functie uit te oefenen bij een erkende politieke fractie;3° geen politiek verlof krijgen;4° geen verlof krijgen voor een stage of een proefperiode in een andere betrekking van een overheidsdienst;5° geen verlof krijgen voor opleiding;6° geen verlof krijgen om in vredestijd prestaties te verrichten bij het Korps burgerlijke veiligheid als vrijwilliger bij dit korps of om cursussen bij te wonen van de school van het korps voor civiele bescherming;7° geen verlof voor opdracht van algemeen belang krijgen;8° geen toelating verkrijgen om zijn functies uit te oefenen met verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheden, in het kader van de vierdagenweek en in het kader van een halftijds werk vanaf 50 of 55 jaar;9° geen verlof krijgen voor persoonlijke aangelegenheden;10° geen verlof krijgen om ter beschikking gesteld te worden van de Koning of de Prinsen en Prinsessen van België;11° geen ouderschapsverlof krijgen buiten de loopbaanonderbreking. Art. 136.De graadanciënniteit van de mandaathouder is gelijk aan zijn anciënniteit in de graad die hij bekleedde voor zijn aanstelling. De duur van het mandaat wordt meegerekend in zijn dienst, graad- en geldelijke anciënniteit. De ambtenaar geniet de geldelijke rechten verbonden aan de graad die hem bij mandaat wordt toegekend. Art. 137.Het mandaat duurt vijf jaar. Art. 138.Met inachtneming van artikel 44 tot en met 46 staan de mandaten van rang A4, A4+ en A5 open voor ambtenaren van niveau A die ten minste negen jaar anciënniteit van niveau A hebben of ten minste zes jaar leidinggevende ervaring hebben. Met inachtneming van artikel 44 tot en met 46 staan de mandaten van rang A4, A4+ en A5 open voor personen die kunnen deelnemen aan een vergelijkende selectie van niveau A hebben die ten minste zes jaar leidinggevende ervaring hebben. Onder leidinggevende ervaring wordt verstaan ervaring inzake het beheer in een overheidsdienst of in een organisatie uit de privésector. Elke betrekking die overeenkomt met de graden van de rangen A4, A4+ en A5 omvat een al dan niet rechtstreekse deelneming aan de uitoefening van openbaar gezag en aan werkzaamheden strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de staat of van andere openbare lichamen. Art. 139.§
- De vacante betrekkingen maken het voorwerp uit van een oproep tot de kandidaten die ten minste in het Belgisch Staatsblad wordt gepubliceerd. In de oproep tot de kandidaten wordt voor elke vacant verklaarde betrekking het volgende vermeld : 1° de termijn bedoeld in § 2 waarbinnen de kandidatuur ingediend moet worden bij de voorzitter van de directieraad;2° de gegevens die de kandidatuur dient te bevatten bedoeld in § 3;3° de adresgegevens van de personeelsdienst waar een functiebeschrijving van de te begeven betrekking en de omschrijving van de doelstellingen bedoeld in artikel 134 bekomen kunnen worden. §
- Worden enkel in aanmerking genomen de kandidaturen van de ambtenaren die per aangetekend schrijven gericht zijn aan de voorzitter van de directieraad, binnen een termijn van dertig dagen. Deze termijn gaat in de dag volgend op de bekendmaking van de oproep in het Belgisch Staatsblad. §
- Elke kandidatuur bevat een uiteenzetting van de aanspraken en ervaring die de kandidaat laat gelden om voor de betrekking te kandideren. De betrokkene dient een kandidatuur in te dienen voor elke betrekking waarvoor hij zich kandidaat stelt. §
- Het staat de ambtenaren vrij om voorafgaandelijk naar elke betrekking te dingen die eventueel vacant zou worden verklaard tijdens hun afwezigheid. De geldigheid van een dergelijke kandidatuur is beperkt tot twee maanden. Zij behoort met een aangetekend schrijven ingediend te worden bij de voorzitter van de directieraad. Art. 140.§
- Binnen de vijftien dagen volgend op de uiterlijke datum bedoeld in artikel 139, § 2, wordt het verzoek om advies bedoeld in artikel 141 door de voorzitter van de directieraad bij de selectiecommissie ingediend. §
- In het verzoek om advies dient de termijn vermeld te worden waarbinnen de selectiecommissie zich dient uit te spreken. Deze termijn mag niet minder bedragen dan dertig dagen na ontvangst van het verzoek door de voorzitter van de selectiecommissie. §
- Het verzoek om advies bevat : 1° de kandidaturen bedoeld in artikel 139, § 3;2° de doelstellingen bedoeld in artikel 134;3° de functiebeschrijving van de te begeven betrekking. Art. 141.§
- De selectiecommissie controleert de algemene en bijzondere toelatingsvoorwaarden van de kandidaten. De kandidaten die niet voldoen aan deze voorwaarden worden van de selectie uitgesloten. Deze beslissing wordt aan de uitgesloten kandidaten meegedeeld per aangetekend schrijven. Binnen de vijftien dagen die volgen op deze officiële kennisgeving kan de kandidaat bezwaar aantekenen per aangetekend schrijven aan de voorzitter van de selectiecommissie en kan hij vragen gehoord te worden. In deze hypothese, wordt de kandidaat ten minste tien dagen voor de hoorzitting opgeroepen, doormiddel van een kennisgeving, en moet hij tijdens deze termijn toegang hebben tot de stukken van het dossier. De kandidaat kan zich bij de hoorzitting laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Na onderzoek van het bezwaar doet de selectiecommissie een uitspraak over de toelaatbaarheid en deelt haar beslissing mee per aangetekend schrijven. Wanneer de selectiecommissie een kandidaat uitsluit, begint de termijn voorzien om zijn advies te geven te lopen vanaf de dag waarop de commissie een definitieve uitspraak heeft gedaan over de toelatingsvoorwaarden. §
- De selectiecommissie nodigt de kandidaten uit voor een gesprek. De selectiecommissie geeft een gemotiveerd advies over de gelijkwaardigheidsgraad van de competenties, van de relationele en managementvaardigheden van iedere kandidaat met betrekking tot de elementen vervat in het verzoek om advies bedoeld in artikel
- Na een vergelijking van de diploma's en de verdiensten van de kandidaten, deelt de selectiecommissie de kandidaten in hetzij in groep A " geschikt ", hetzij in groep B " niet geschikt ". In de groep A worden de kandidaten gerangschikt. Als geoordeeld wordt dat ze gelijkwaardig zijn, worden ze ex aequo gerangschikt. Art. 142.Het Verenigd College duidt de mandaathouder aan onder de kandidaten van groep A. De mandaathouder stelt, binnen zes maanden vanaf de opname van zijn functie, een beheersplan op, rekening houdend met de doelstellingen bedoeld in art. 134, en stelt het voor aan het Verenigd College of aan de afgevaardigden ervan. HOOFDSTUK V. - Uitoefening van een hogere functie. Art. 143.De ambten die bij mandaat worden uitgeoefend vallen niet onder de bepalingen van dit hoofdstuk Art. 144.Onder hoger ambt wordt verstaan elk ambt dat overeenstemt met een in het personeelsplan voorkomende betrekking van een graad van hogere rang dan die waarvan de ambtenaar titularis is. Art. 145.§
- Het feit alleen dat een betrekking definitief open staat of tijdelijk onbezet is, is geen voldoende reden om die betrekking voorlopig te verlenen. Het Algemeen Beheerscomité beslist over de noodzaak om een hogere functie toe te kennen, volgens de behoeften van de dienst. Indien de betrekking definitief open staat, zet zij vooraf de procedure tot definitieve toekenning van die betrekking in. §
- Er kan in een ofwel definitief openstaande ofwel tijdelijk niet waargenomen betrekking niet voor langer dan zes maanden worden voorzien door aanstelling voor het uitoefenen van een hoger ambt. Indien de betrekking niet definitief open staat kan de in het vorige lid bepaalde termijn op gunstig advies van de Directieraad worden verlengd. De duur van de verlenging wordt bepaald volgens de behoeften van de dienst. Indien de betrekking definitief open staat kan de in het eerste lid bedoelde termijn op gunstig advies van de Directieraad met een nieuwe en laatste periode van zes maanden worden verlengd. Art. 146.Alleen een ambtenaar die voldoet aan de statutaire vereisten om tot het hoger ambt overeenstemmende graad te worden benoemd, kan voor het uitoefenen van dat ambt worden aangesteld. De ambtenaar die tuchtrechtelijk geschorst of in graad teruggezet is, mag niet aangesteld worden voor het uitoefenen van een hoger ambt vooraleer zijn straf uitgewist is. Art. 147.De ambtenaar die met een hoger ambt is belast, oefent alle aan dat ambt verbonden prerogatieven uit. Art. 148.Uitoefening van een hoger ambt verleent geen aanspraak op vaste benoeming in de graad van dat ambt. TITEL IX. - Dienstaanwijzing, overplaatsing, externe mutatie, wedertewerkstelling en wedertewerkstelling na afschaffing van de betrekking Art. 149.De dienstaanwijzing van een ambtenaar preciseert de betrekking in het personeelsplan waarin hij ingedeeld werd. De dienstaanwijzing van de stagiairs en de ambtenaren gebeurt door het Algemeen Beheerscomité. Art. 150.§
- De overplaatsing is de overheveling van een personeelslid naar een ander ambt van zijn graad voorzien in het personeelsplan en dat deel uitmaakt van een andere Directie. De overplaatsing vindt plaats hetzij door vrijwillige overplaatsing op initiatief van de ambtenaar of naar aanleiding van een interne oproep, hetzij door ambtshalve overplaatsing. §
- De ambtenaar kan op elk ogenblik op zijn verzoek, via overplaatsing worden ingedeeld in een betrekking van zijn graad die in een andere Directie vacant is of vatbaar voor overplaatsiing. De aanvraag tot overplaatsing moet schriftelijk worden ingediend bij de leidend ambtenaar. Een afschrift ervan wordt tegelijktertijd toegestuurd aan de directeur-diensthoofd van de Algemene diensten en aan de directeurs-diensthoofden van de diensten waar een betrekking via overplaatsing te begeven is. De HRM onderzoekt in welke mate aan het verzoek gevolg kan worden gegeven; daartoe vergelijkt hij het profiel van de aanvrager met de functiebeschrijvingen van de vacante betrekkingen en legt de mandaathouders van de betrokken diensten een lijst voor met kandidaten waarvan het profiel met de functiebeschrijving van deze betrekkingen overeenstemt. De mandaathouders van de betrokken diensten, bijgestaan door de HRM, selecteren de kandidaat die het best aan de vereisten van het ambt beantwoordt en stellen de overplaatsing van de weerhouden kandidaat voor aan het Algemeen Beheerscomité. De vrijwillig overgeplaatste ambtenaar is verplicht zijn nieuwe functies gedurende een periode van minimaal drie jaar uit te oefenen, behoudens afwijking vanwege de directieraad. §
- Een interne oproep kan worden gedaan door de HRM aan de ambtenaren van de Dienst voor de vacante betrekking, met een dienstnota die het volgende vermeldt : 1° de functiebeschrijving;2° het gewenste profiel van de kandidaten;3° binnen welke termijn de ambtenaar zijn belangstelling voor de betrekking kan kenbaar maken. De kandidaturen moeten schriftelijk worden ingediend bij de leidend ambtenaar. Een afschrift ervan wordt tegelijkertijd toegestuurd aan de directeur-diensthoofd van de Algemene diensten en aan de directeurs-diensthoofden van de diensten waar een betrekking vacant is. De HRM onderzoekt in welke mate aan de, overeenkomstig § 2, uit eigen beweging ingediende kandidaturen, aan degene die het gevolg zijn van een interne oproep en desgevallend van een externe oproep, gevolg kan worden gegeven; daartoe vergelijkt hij het profiel van de kandidaat met de functiebeschrijvingen van de vacante betrekkingen en legt de mandaathouders van de betrokken diensten een lijst voor met kandidaten waarvan het profiel met de functiebeschrijving van deze betrekking overeenstemt. De mandaathouders van de betrokken diensten, bijgestaan door de HRM, selecteren de kandidaat die het best aan de vereisten van het ambt beantwoordt en stellen de overplaatsing van de weerhouden kandidaat voor aan het Algemeen Beheerscomité. §
- De ambtenaar kan ambtshalve overgeplaatst worden als voor het bekleden van een betrekking bijzondere eisen inzake kennis of ervaring gelden en indien de betrekking niet kon worden bezet na een vergelijkende selectieproef. De ambtshalve overplaatsing kan eveneens worden beslist door het Algemeen Beheerscomité indien zij gerechtvaardigd is door dienstbehoeften of -noodwendigheden. De overplaatsingsbeslissing wordt gemotiveerd aan de hand van de functiebeschrijving en het gewenste profiel om de betrekking te kunnen bezetten. Voorafgaand aan de beslissing, wordt de ambtenaar gehoord en kan hij zich laten bijstaan door de persoon van zijn keuze. Hij moet minstens tien dagen voor de hoorzitting worden opgeroepen, doormiddel van een kennisgeving en tijdens deze termijn toegang hebben tot de stukken van het dossier. Art. 151.§
- De externe mutatie is de overplaatsing van een ambtenaar die niet tot de Dienst behoort naar een vacante betrekking van zijn graad of van een gelijkwaardige graad voorzien in het personeelsplan van de Dienst. §
- Het Algemeen Beheerscomité kan beslissen een oproep te lanceren ten aanzien van de ambtenaren van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, de federale Staat, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, het Waals Gewest, de Franse, Vlaamse en Duitstalige Gemeenschappen en de Gemeenschapscommissies, de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen waarvan het personeel via SELOR wordt aangeworven, die aan dezelfde voorwaarden voldoen als degene welke voor de ambtenaren van de Dienst gelden. De beslissing van het Algemeen Beheerscomité specifieert voor iedere openstaande betrekking, tot welke instellingen bedoeld in het eerste lid de ambtenaren dienen te behoren opdat ze zich kandidaat kunnen stellen. De ambtenaar die zich kandidaat stelt voor een openstaande betrekking middels een externe mutatie moet een « gunstige » evaluatie genieten, moet zich in een administratieve positie bevinden waarin hij zijn bevorderingstitels kan laten gelden en niet vallen onder een nog niet geschrapte definitieve tuchtstraf overeenkomstig de bepalingen van het statuut dat op hem van toepassing is. §
- In afwijking van artikel 115, eerste lid, worden de ambtenaren die vatbaar zijn voor een benoeming in kennis gebracht van de openstelling van de betrekking, middels een bericht dat gepubliceerd wordt in het Belgisch Staatsblad. Het in het Belgisch Staatsblad gepubliceerde bericht bevat de vacante functieomschrijving, de vereiste ervaring en kennis van de kandidaten en de termijn waarbinnen de ambtenaar zijn kandidatuur kan indienen. Artikel 150, § 3, tweede en derde lid zijn van toepassing. Art. 152.§
- Wanneer er beroep wordt gedaan op artikel 151, neemt het Algemeen Beheerscomité een individueel besluit tot overplaatsing dat bij uittreksel wordt bekendgemaaktin het Belgisch Staatsblad. Een kopie wordt ter informatie overgemaakt aan de overheid die de benoemingsbevoegdheid heeft in de instelling van herkomst van de ambtenaar. §
- De overplaatsing houdt de benoeming in de graad van tewerkstelling naar dewelke de ambtenaar is overgeplaatst van rechtswege in. De ambtenaar behoudt zijn administratieve anciënniteit die hij verworven heeft voor zijn overplaatsing. §
- De overgeplaatste ambtenaar is niet langer onderworpen aan de statutaire bepalingen die op hem van toepassing waren binnen zijn instelling van herkomst. §
- Indien, in zijn instelling van herkomst, de graad van de ambtenaar duidelijk verschilt van de bij de Dienst bestaande graad, wordt de gelijkwaardigheid bepaald door de Minister. Art. 153.Wedertewerkstelling is de aanwijzing van een ambtenaar in een ambt van zijn graad in een andere Directie dan die waar hij oorspronkelijk tewerkgesteld werd, indien één of meerdere betrekkingen binnen deze Directie worden afgeschaft of de ambtenaar medisch ongeschikt wordt voor de uitoefening van zijn ambt. Zij wordt verricht door het Algemeen Beheerscomité. De ambtenaren van de Diensten van het Verenigd College kunnen worden wedertewerkgesteld in de Dienst op basis van een beslissing genomen door het Verenigd College, na advies van het Algemeen Beheerscomité, gegeven binnen de maand waarin zij werd gevat. Na verloop van deze termijn wordt het advies als gunstig beschouwd. Art. 154.De afschaffing van de betrekking die een ambtenaar bekleedt, kan geen aanleiding geven tot het verlies van de hoedanigheid van ambtenaar of tot ontslag. De ambtenaar wordt herplaatst en bevindt zich in de administratieve stand activiteit. Art. 155.Het advies van de arbeidsgeneesheer kan vereist worden om de bekwaamheid van een persoon met een handicap tot het bekleden van de nieuwe betrekking na te gaan. TITEL X. - De tuchtregeling HOOFDSTUK I. -
Art. 156.De bepalingen van deze titel zijn ook van toepassing op de stagiairs.
HOOFDSTUK II. - Tuchtstraffen Art. 157.De volgende tuchtstraffen kunnen tegen ambtenaren worden uitgesproken. 1° de terechtwijzing;2° de inhouding van wedde;3° de verplaatsing bij tuchtmaatregel;4° de tuchtschorsing;5° de lagere inschaling;6° de terugzetting in graad;7° het ontslag van ambtswege;8° de afzetting. Art. 158.De inhouding van de wedde wordt toegepast gedurende ten hoogste drie maanden. Onverminderd artikel 23 van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/04/1965 pub. 08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten betreffende de bescherming van het loon der werknemers, mag ze niet meer dan twintig procent van de brutowedde bedragen. De ambtenaar die inhouding van wedde als tuchtstraf opgelegd krijgt, krijgt een gewaarborgde maandelijkse wedde waarvan het nettobedrag minstens gelijk is aan het leefloon zoals bepaald krachtens de wet van 26 mei 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/05/2002 pub. 31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Als de ambtenaar deeltijds werkt, wordt het gewaarborgd bedrag vastgelegd naar rato van de duur van zijn prestaties. Art. 159.De bij tuchtmaatregel verplaatste ambtenaar kan op zijn verzoek geen nieuwe aanwijzing noch overplaatsing bekomen gedurende de termijn die voor de uitwissing van zijn tuchtstraf is bepaald. Art. 160.Tuchtschorsing wordt uitgesproken voor ten hoogste drie maanden. De bestrafte ambtenaar krijgt een gewaarborgde maandelijkse wedde waarvan het nettobedrag minstens gelijk is aan het leefloon zoals bepaald krachtens de wet van 26 mei 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/05/2002 pub. 31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Als de ambtenaar deeltijds werkt, wordt het gewaarborgd bedrag vastgelegd naar rato van de duur van zijn prestaties. Art. 161.De lagere inschaling bestaat in de toekenning : 1° ofwel van een lagere weddeschaal ingedeeld in dezelfde graad;2° ofwel van een graad van dezelfde rang met een lagere weddeschaal. Art. 162.De terugzetting in graad bestaat in de toekenning : 1° ofwel van een graad van een lagere rang die in hetzelfde niveau is ingedeeld, wanneer de ambtenaar titularis is van een bevorderingsgraad;2° ofwel van een graad van het rechtstreeks lager niveau, wanneer de ambtenaar titularis is van een wervingsgraad. In ieder geval moet de graad waarin de terugzetting plaatsvindt, voorkomen in het personeelsplan. De ambtenaar neemt in de nieuwe graad rang in op de datum waarop de in het eerste lid bedoelde toekenning van een graad uitwerking heeft. Art. 163.Elke tuchtstraf wordt in het persoonlijk dossier van de betrokken ambtenaar opgenomen. HOOFDSTUK III. - Principes in verband met de tuchtprocedure Art. 164.De tuchtprocedure kan slechts slaan op feiten die zich hebben voorgedaan of die werden vastgesteld binnen de zes maanden voorafgaand aan de datum waarop de procedure aanvangt. Art. 165.§
- Behoudens nieuwe elementen die de heropening van het dossier rechtvaardigen, kan niemand het voorwerp van een tuchtvordering zijn voor reeds bestrafte feiten. §
- Wanneer in de loop van een tuchtprocedure een nieuw feit ten laste van de ambtenaar wordt gelegd, kan dit tot een nieuwe procedure aanleiding geven, zonder dat de lopende procedure wordt onderbroken. Art. 166.§
- De overheid die bevoegd is om de tuchtstraf uit te spreken, kan geen zwaardere straf opleggen dan die welke werd voorgesteld en mag slechts rekening houden met de feiten die de tuchtprocedure gerechtvaardigd hebben. De straf mag geen uitwerking hebben vóór de uitspraak ervan. §
- De overheid die bevoegd is om de tuchtstraf uit te spreken, motiveert elke beslissing die niet overeenstemt met het voorstel dat haar werd gedaan. Art. 167.Elk voorstel tot tuchtstraf wordt schriftelijk geformuleerd, gemotiveerd en aan de betrokken ambtenaar ter kennis gebracht. De ambtenaar wordt vooraf ondervraagd over de feiten. Hij mag, voor zijn verdediging, zijn dossier raadplegen en zich laten bijstaan door een persoon naar eigen keuze. Na de kennisgeving van het voorlopige of definitieve voorstel heeft de ambtenaar twintig dagen de tijd om zijn eventuele bezwaren schriftelijk uiteen te zetten. Zijn bij aangetekende zending toegestuurd bezwaarschrift wordt bij het dossier gevoegd. Art. 168.De kennisgevingswijzen die in deze Titel bedoeld worden, komen overeen met deze bedoeld in artikel 19, § 7 van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad. HOOFDSTUK IV. - De procedures Afdeling 1 - Voorstel van tuchtstraf Art. 169.Het Algemeen Beheerscomité stelt het voorstel op voor de mandaathouders. De leidende en adjunct-leidende ambtenaren stellen het voorstel op voor de andere ambtenaren. Het voorstel wordt tegelijkertijd aan de betrokken ambtenaar en aan de krachtens artikel 170 bevoegde overheid overgemaakt om de tuchtstraf uit te spreken. Afdeling
- - Uitspraak van de tuchtstraf Art. 170.De tuchtstraf wordt uitgesproken door het Verenigd College voor de mandaathouders. De tuchtstraf wordt uitgesproken door het Algemeen Beheerscomité voor de andere ambtenaren. De overheid bevoegd om de tuchtstraf uit te spreken betekent haar beslissing aan de betrokken ambtenaar binnen de maand vanaf de dag waarop ze het voorstel ontving, zoniet wordt ze geacht van de tuchtstraf af te zien. Deze termijn wordt met een maand verlengd wanneer de gerechtelijke vakanties tijdens deze termijn lopen. HOOFDSTUK V. - Uitwissing van de tuchtstraf Art. 171.§
- Elke tuchtstraf, behalve het ontslag van ambtswege en de afzetting, wordt in het persoonlijk dossier van de ambtenaar uitgewist onder de in § 2 bepaalde voorwaarden. Onverminderd de uitvoering van de straf, heeft de uitwissing tot gevolg dat met de uitgewiste tuchtstraf geen rekening meer mag worden gehouden, inzonderheid bij de aanspraken op bevordering van de ambtenaar, noch bij de toekenning van de evaluatie. Met de uitwissing wordt elke vermelding van of verwijzing naar de tuchtstraf in het dossier geschrapt. §
- De uitwissing van de tuchtstraffen geschiedt van ambtswege na een termijn waarvan de duur is vastgesteld op : 1° zes maanden voor de terechtwijzing;2° één jaar voor de inhouding van de wedde;3° achttien maanden voor de verplaatsing bij tuchtmaatregel;4° twee jaar voor de tuchtschorsing;5° drie jaar voor de lagere inschaling en de terugzetting in graad. De termijn gaat in vanaf de kennisgeving van de straf. HOOFDSTUK VI. - Beroep Afdeling 1 -
en Art. 172.De ambtenaar tegen wie een tuchtstraf wordt voorgesteld, kan hiertegen, binnen een termijn van twintig dagen te rekenen na de kennisgeving van het voorstel, hetzij persoonlijk, hetzij door een persoon naar keuze, beroep aantekenen bij de in artikel 16 bedoelde raad van beroep. Het beroep wordt verstuurd naar het adres van het secretariaat van de raad van beroep, overeenkomstig de bepalingen in artikel 19, § 7 van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Ge-meenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad. Het beroep is opschortend. Afdeling 2. - Beroepsprocedure Art. 173.Een ambtenaar van de Diensten van het Verenigd College of van de betrokken instelling van openbaar nut, of een raadsman, wordt in elke zaak aangeduid door de Directieraad waarvan de stagiair of de ambtenaar afhangt om de bestreden straf te verdedigen. Deze ambtenaar of deze raadsman mag niet deelnemen aan de beraadslagingen. De in artikel 176 bedoelde beslissing vermeldt dat dit verbod werd geëerbiedigd. Art. 174.De raad van beroep kan aanvullende onderzoeken beve