← België

Besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de

Kort samengevat

Dit besluit regelt de administratieve status en de bezoldiging van ambtenaren en stagiairs van de bicommunautaire Dienst voor gezondheid, bijstand aan personen en gezinsbijslag van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad. Het legt de regels vast voor hun aanstelling, loopbaan en de organisatie van de Dienst.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
GEMEENSCHAPPELIJKE GEMEENSCHAPSCOMMISSIE VAN BRUSSEL-HOOFDSTAD 21 MAART 2018. - Besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de bicommunautaire Dienst voor gezondheid, bijstand aan personen en gezinsbijslag van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad Het Verenigd College, Gelet op de ordonnantie van 23 maart 2017 houdende de oprichting van de bicommunautaire Dienst voor gezondheid, bijstand aan personen en gezinsbijslag, artikelen 15, tweede lid en 37; Gelet op het protocol 2017/17 van Sectorcomité XV van 25 augustus 2017; Gelet op het akkoord van de Leden van het Verenigd College bevoegd voor de Begroting, gegeven op 7 september 2017; Gelet op het akkoord van de Leden van het Verenigd College bevoegd voor het Openbaar Ambt, gegeven op 7 september 2017; Gelet op het advies 62.209/3 van de Raad van State, gegeven op 30 november 2017, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende het artikel 43, 1ste lid, van de voormelde ordonnantie van 23 maart; Op voorstel van de Leden van het Verenigd College bevoegd voor het Openbaar ambt, Na beraadslaging, Besluit : BOEK I. - ALGEMEEN TITEL I. - Toepassingsgebied Artikel 1.Dit besluit is van toepassing op de ambtenaren van de bicommunautaire Dienst voor gezondheid, bijstand aan personen en gezinsbijslag van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad en, in de voorwaarden die het bepaalt, op de stagiairs. TITEL II. - Definities Art. 2.§ 1er. Voor de toepassing van dit besluit moet worden verstaan onder : 1° "Minister" : het Lid of de Leden van het Verenigd College, bevoegd voor het Openbaar Ambt;2° "Dienst" : de bicommunautaire Dienst voor gezondheid, bijstand aan personen en gezinsbijslag, opgericht bij de ordonnantie van 23 maart 2017;3° "Ordonnantie" : De ordonnantie van 23 maart houdende de oprichting van de bicommunautaire Dienst voor Gezondheid, Bijstand aan Personen en Gezinsbijslag;4° "Directie" : Een van de directies vastgesteld door het Algemaan Beheerscomité in toepassing van artikel 6 geleid door een mandaathouder of een ambtenaar A3;5° "Dienst van de Staat" : elke niet over afzonderlijke rechtspersoonlijkheid beschikkende dienst die ressorteert onder de wetgevende en uitvoerende machten van de Staat, van de Gemeenschappen en Gewesten, van de Gemeenschapscommissies of van de rechterlijke macht;6° "Andere openbare diensten dan de diensten van de Staat" : a) elke dienst met afzonderlijke rechtspersoonlijkheid die ressorteert onder de uitvoerende macht van de Staat, van de Gemeenschappen, van de Gewesten, van de Gemeenschapscommissies;b) elke dienst die ressorteert onder een provincie, een gemeente, een OCMW, een vereniging van gemeenten of een vereniging van OCMW's, een agglomeratie of die ressorteert onder een federatie van gemeenten, alsook elke dienst die ressorteert onder een aan een provincie of gemeente ondergeschikte instelling;c) elke andere instelling onder Belgisch recht, die voldoet aan collectieve noodwendigheden van algemeen of lokaal belang, en waarbij de openbare overheid bij de oprichting of de bijzondere leiding klaarblijkelijk een overwegend aandeel heeft;7° "Vakorganisaties" : de representatieve vakorganisaties die zetelen in Sectorcomité XV in uitvoering van artikel 8, § 1, van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;8° "Werkdagen" : het geheel van de kalenderdagen, met uitsluiting van de zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen alsmede 2 en 15 november en 26 december.9° "De functionele chef" : personeelslid dat de leiding of de dagelijkse controle heeft over het functioneren van een team ingevolge zijn functiebeschrijving;10° "De hiërarchische meerdere" : De ambtenaar aan wie de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde de verantwoordelijkheid heeft toegekend voor een dienst of een directie en die door dit feit een directe autoriteit uitoefent over de personeelsleden.11° "HRM" : de directie binnen de Dienst belast met het personeelsbeheer;12° het "Algemeen Beheerscomité" : het algemeen beheerscomité bepaald in artikel 9 van de Ordonnantie;13° "de kennisgeving" : Het gebruik van een van de volgende middelen om aan de ambtenaar of stagiair bijzondere informatie ter kennis te brengen : - ofwel door de afgifte aan de ambtenaar of stagiair tegen een gedateerd en getekend ontvangstbewijs; - ofwel door een aangetekende zending naar het laatste, door de ambtenaar of stagiair, meegedeelde adres; 14° "in kennis stellen van" : Overgaan tot een kennisgeving; § 2. Het begrip "ontwikkelingslanden" slaat terug op de lijst van landen geklasseerd door de OESO als "minst ontwikkelde landen", "landen met een laag inkomen" en "landen met een lager intermediar inkomen", ook DAC-lijst genoemd. § 3. Wanneer dit besluit een termijn voorziet die begint te lopen na een notificatie, wordt deze termijn berekend vanaf de dag volgend op de afgifte van het document of vanaf de derde dag volgend op de aangetekende zending ervan, postdatum ter staving, behoudens tegenbewijs van de verzender. De vervaldag is in de termijn inbegrepen. Wanneer deze dag evenwel valt op een zaterdag, een zondag of een in artikel 198 bedoelde feestdag, wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag. Als deze dag valt tussen Kerst en Nieuwjaar, wordt hij verplaatst naar de volgende werkdag na Nieuwjaar. § 4. Wanneer dit besluit voorziet in een termijn dan wordt deze, behoudens anderluidende bepalingen, gerekend in kalenderdagen. § 5. Het gebruik van de mannelijke benamingen in dit besluit is gemeenslachtig. Art. 3.Ambtenaar van de Dienst is elkeen die, in vast dienstverband, benoemd is bij de Dienst. Hij verkeert in een statutaire situatie waaraan in de bij dit besluit bepaalde gevallen een einde kan worden gesteld. Art. 4.Stagiair is elkeen die werd toegelaten tot een stage met het oog op een benoeming in vast dienstverband. BOEK II. - ADMINISTRATIEF STATUUT TITEL I. - Organisatie van de Dienst HOOFDSTUK I. - Het personeelsplan, generieke functiebeschrijvingen en het organogram Art. 5.§ 1. Het personeelsplan is een plan waarin per activiteitsdomein, per niveau, per rang en per graad het aantal personeelsleden, uitgedrukt in voltijds equivalenten, vastgelegd wordt dat noodzakelijk geacht wordt om de opdrachten, toegewezen aan de Dienst uit te oefenen. § 2. De directieraad bedoeld in artikel 13 bereidt een voorstel van personeelsplan voor. De directieraad bereidt minstens één personeelsplan per begrotingsjaar voor en legt het voor ten laatste op 1 februari van het lopend jaar. Het personeelsplan moet verenigbaar zijn met de beschikbare budgettaire middelen voor het betrokken begrotingsjaar. § 3. Het Algemeen Beheerscomité bepaalt het personeelsplan en legt het ter goedkeuring voor aan het Verenigd College, na overleg in het basisoverlegcomité. § 4. Bij gebrek aan goedkeuring van een personeelsplan door het Verenigd College, blijft het laatste bepaalde plan van toepassing. § 5. De goedkeuring van het personeelsplan houdt de toestemming in van de bezetting van de betrekkingen die door aanwerving, promotie, mobiliteit of indienstneming worden voorzien. § 6. Het personeelsplan, en alle wijzigingen ervan, worden meegedeeld aan alle personeelsleden en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Art. 6.Het organogram geeft de functionele, organisatorische en hiërarchische verbanden binnen de Dienst weer. De directieraad werkt een voorstel van organogram uit. Na advies van de Directieraad, stelt het Algemeen Beheerscomité het organogram van iedere Directie vast. Het organogram, evenals elke wijziging ervan, worden bij dienstnota of bij ieder ander intern communicatiemiddel aan de personeelsleden meegedeeld. Art. 7.Onverminderd het tweede lid, legt het Algemeen Beheerscomité, op de voordracht van de Directieraad, de functiebeschrijvingen vast. Het Verenigd College legt de functiebeschrijvingen van de mandaten vast. De vereiste kwalificaties worden aan iedere functiebeschrijving toegevoegd. Er dient onder kwalificaties te worden verstaan, het geheel van kennis en vaardigheden die vereist zijn om de functie uit te oefenen. HOOFDSTUK II. - Ambtenaren Afdeling 1. - Graden Art. 8.De ambtenaren worden benoemd in graden, hiërarchisch verdeeld in vier niveaus en in negen rangen, overeenkomstig artikel 9 van dit besluit. Art. 9.§ 1. Het niveau van een graad bepaalt de plaats van die graad in de hiërarchie volgens de kwalificatie van de opleiding en de geschiktheid waarvan blijk moet worden gegeven opdat die graad kan worden toegekend. § 2. De rang bepaalt de betrekkelijke waarde van een graad in zijn niveau. Elke rang wordt met een letter gevolgd door een cijfer aangeduid : de letter verwijst naar het niveau, het cijfer plaatst de rang binnen het niveau; het hoogste cijfer stemt overeen met de hoogste rang. De rangen worden verdeeld onder de niveaus als volgt : 1° in niveau A, zes rangen, namelijk A1, A2, A3, A4, A4+ en A5;2° in niveau B, één rang, namelijk B1;3° in niveau C, één rang, namelijk C1;4° in niveau D, één rang, namelijk D1. Het niveau A is het hoogste niveau. § 3. De graad is de titel die de ambtenaar in een rang situeert en hem machtigt tot het bekleden van een van de betrekkingen welke met die graad overeenstemmen. Volgende graden worden opgericht : 1° in rang A5 : leidend ambtenaar;2° in rang A4+ : adjunct-leidend ambtenaar;3° in rang A4 : directeur-diensthoofd;4° in rang A3 : directeur;5° in rang A2 : eerste attaché;eerste ingenieur deskundige, eerste geneesheer deskundige, eerste attaché deskundige; 6° in rang A1 : geneesheer;ingenieur; attaché; 7° in rang B1 : assistent;8° in rang C1 : adjunct;9° in rang D1 : klerk. Afdeling 2. - Opdrachten en taken van de Leidend ambtenaren Art. 10.De leidend ambtenaar, onverminderd de opdrachten en taken die hem bij dit besluit worden toevertrouwd, en overeenkomstig de Ordonnantie : 1° leidt de Dienst, onder het gezag en het toezicht van het Algemeen Beheerscomité, en zorgt voor de goede werking en de coördinatie van het geheel van de directies en diensten en van hun activiteiten;2° oefent het hoog gezag uit over al het personeel en is in het bijzonder belast met de handhaving van de tucht en de orde;3° oefent de dagelijkse beheersbevoegdheden uit die zijn omschreven in het huishoudelijk reglement;4° coördineert de opstelling van de begrotingen en ziet toe op de uitvoering ervan;5° coördineert de activiteiten van de directies en diensten;6° voert de opdrachten en taken uit die hem door het Algemeen Beheerscomité worden gedelegeerd. Art. 11.De leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar werken een billijke en evenwichtige verdeling van de verantwoordelijkheden uit; deze verdeling wordt ter goedkeuring aan het Verenigd College voorgelegd. De adjunct-leidend ambtenaar oefent bovendien de in artikel 10 bepaalde opdrachten en taken van de leidend ambtenaar uit, wanneer deze afwezig of verhinderd is. Art. 12.De leidende ambtenaren kunnen binnen de beperkingen van hun bevoegdheden, hun bevoegdheden geheel of gedeeltelijk delegeren aan de ambtenaren van niveau A en B die zij aanwijzen. De delegaties worden ter kennis van de personeelsleden gebracht. HOOFDSTUK III. - Directieraad Art. 13.Binnen de Dienst is er een directieraad. Deze bestaat uit de leidend ambtenaar, de adjunct-leidend ambtenaar en de ambtenaren van rang A4; deze kan worden aangevuld door ambtenaren van rang A3 aangewezen door het Algemeen Beheerscomité. Art. 14.Behalve de bevoegdheid die dit statuut hem met name toekent, neemt de directieraad kennis van alle vraagstukken met algemene strekking die verband houden met de toepassing van de statutaire regels. Hij oefent onder meer het hoog gezag uit over het verloop van de loopbaan van de ambtenaren. Bovendien beraadslaagt de directieraad over de algemene werking en de organisatie van de Dienst; hij kan ook beraadslagen over bevoegdheidsgeschillen binnen de Dienst. Elke aangelegenheid die betrekking heeft op de organisatie van de Dienst kan bij de directieraad door één van zijn leden worden aanhangig gemaakt. De directieraad wordt geraadpleegd voor de specifieke uitvoeringsmaatregelen van het statuut. Elk voorstel of elke individuele beslissing, door de directieraad genomen ten opzichte van een personeelslid, gebeurt bij geheime stemming. Tenzij één wettelijk tweetalig lid van de directieraad aanwezig is, is een lid van de directieraad van dezelfde taalrol als het personeelslid, aanwezig. Art. 15.De directieraad wordt voorgezeten door de leidend ambtenaar of, in geval van afwezigheid of van verhindering, door de adjunct-leidend ambtenaar. Een secretaris wordt aangeduid onder zijn leden. De directieraad stelt zijn reglement van inwendige orde op dat ten minste de frequentie van de vergaderingen, het vereiste aanwezigheidsquorum en de, voor de geldigheid van zijn beslissingen, vereiste meerderheid vastlegt. Dit wordt door het Algemeen Beheerscomité goedgekeurd en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. HOOFDSTUK IV. - Raad van beroep Art. 16.§ 1. De Raad van beroep gemeenschappelijk aan de Diensten van het Verenigd College en de instellingen van openbaar nut van de Ge-meenschappelijke Gemeenschapscommissie, opgericht en ingericht bij artikelen 18 tot 22 van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en sta-giairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschaps-commissie van Brussel-Hoofdstad, bevoegd voor de beroepen inzake stage, evaluatie, verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid, proefpe-riode, verloven, afwezigheden, disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en tuchtregeling, is ten opzichte van het personeel van de Dienst in deze zaken bevoegd. § 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk begrijpt men onder de woorden "het besluit van het ver-enigd college", het besluit van het Verenigd Col-lege van de Gemeenschappelijke Gemeen-schapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschap-pelijke Gemeenschaps-commissie van Brussel-Hoofdstad. § 3. Voor de toepassing van dit hoofdstuk begrijp men onder de woorden "huidige tekst", dit besluit. § 4. De regels begrepen onder artikelen 18 tot en met 22 van het besluit van het verenigd college worden voor de toepassing op de personeelsleden van de Dienst aangepast zoals aangegeven in artikelen 17 tot en met 21 van de huidige tekst. Art. 17.In artikel 19, § 7, derde lid van het besluit van het verenigd college, moeten de woorden "in artikel 171 bedoelde" gelezen worden als volgt : "in artikel 198 van de huidige tekst bedoelde". Art. 18.In artikel 20 van het besluit van het verenigd college : 1° in het eerste lid : a) moeten de woorden : "In de in artikel 62, § 3, eerste lid, bedoelde gevallen" gelezen worden als volgt : "In de in artikel 85, derde lid van de huidige tekst, bedoelde gevallen";b) moeten de woorden "krachtens artikel 56" gelezen worden als volgt : "Krachtens artikel 75, § 1 van de huidige tekst";c) moeten de woorden "krachtens artikel 72" gelezen worden als volgt : "krachtens artikel 94 van de huidige tekst".2° in het tweede lid : a) zijn de woorden "met inachtneming van de maximumtermijn bedoeld in artikel 60, § 2, tweede lid" niet van toepassing;b) zijn de woorden "Artikel 62 is van toepassing, met dien verstande dat de directieraad geen tweede verlenging van de stage kan voorstellen" niet van toepassing zijn.Hier geldt artikel 85 van de huidige tekst. Art. 19.In artikel 21 van het besluit van het ver-enigd college : 1° moeten de woorden "In de in artikelen 79, § 3" gelezen worden als volgt : "In de in de artikelen 101, § 3 van de huidige tekst";2° moeten de woorden "in artikel 77, § 3, vierde lid" gelezen worden als volgt : "in artikel 99, § 3, vierde lid van de huidige tekst"; 3° moeten de woorden " in artikel 80 § 3" gelezen worden als volgt : "in artikel 102, § 3 van de huidige tekst." Art. 20.In artikel 21/1 van het besluit van het verenigd college : 1° moeten de woorden "voorzien in artikel 96/1, vijfde lid" gelezen worden als volgt : als "voorzien in artikel 122, vijfde lid van de huidige tekst" 2° moeten de woorden "Dienst Human resources" gelezen worden als "HRM". Art. 21.In artikel 22 van het besluit van het ver-enigd college moeten de woorden "in de artikelen 164, eerste lid, en 213, eerste lid, bedoelde gevallen" gelezen worden als volgt : "In de artike-len 191, 1ste lid en 249, 1ste lid van de huidige tekst bedoelde gevallen. HOOFDSTUK V. - Werktijdregeling Art. 22.De gemiddelde wekelijkse arbeidsduur wordt op achtendertig uur maximum vastgesteld, gespreid over vijf werkdagen, wat een dagelijkse uurregeling van gemiddeld zeven uur en zesendertig minuten betekent. In afwijking van het vorige lid, kan het arbeidsreglement voor specifieke werkzaamheden een bijzondere werktijdregeling bepalen. De dagelijkse uurregeling wordt in glij- en stamtijden verdeeld. De toepassingsmodaliteiten van dit artikel worden door het arbeidsreglement van de Dienst vastgesteld. Deze bepalingen zijn van toepassing op de stagiairs. HOOFDSTUK VI. - De selectiecommissies en de evaluatiecommissie Art. 23.Met het oog op de toekenning van de mandaatbetrekkingen worden er hiertoe selectiecommissies opgericht. De selectiecommissies worden samengesteld in functie van de te begeven mandaatbetrekkingen en bestaan elk uit ten minste vijf en ten hoogste zeven leden. Het Verenigd College wijst op de voordracht van de Minister, de leden van een selectiecommissie aan telkens als een mandaatbetrekking vacant wordt verklaard en duidt één onder hen aan als voorzitter. De leden van de selectiecommissies beschikken over expertise met betrekking tot de materies die ressorteren onder de te begeven mandaatbetrekking en/of met betrekking tot overheidsmanagement. De aanstelling van de leden van een selectiecommissie is beperkt tot de selectieprocedure waarvoor zij zijn aangesteld. Ten hoogste twee derden van de leden van een selectiecommissie behoort tot hetzelfde geslacht. Wanneer een betrekking vacant wordt verklaard voor kandidaten van beide taalrollen, dient één lid van de selectiecommissie de kennis van de tweede taal bewezen te hebben overeenkomstig artikel 43, § 3, derde lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966. De Minister, voor het geheel van de selectiecommissies, duidt twee effectieve en twee plaatsvervangende secretarissen aan die tot een verschillende taalrol behoren. Het Verenigd College, op de voordracht van de Minister, stelt het huishoudelijk reglement van de selectiecommissies op en bepaalt de vergoeding toegekend aan de voorzitter en de leden van de selectiecommissies. Het Verenigd College kan, op de voordracht van de Minister, een extern selectie- en assessmentbureau aanstellen dat de selectiecommissie ondersteunt in zijn werkzaamheden. Art. 24.Niemand kan worden aangeduid tot lid van een selectiecommissie die in welke hoedanigheid dan ook belang heeft bij de desbetreffende selectieprocedure. De leden van de selectiecommissies zijn gebonden tot geheimhouding omtrent de beraadslagingen en besluiten alsmede aangaande elke inlichting waarvan zij kennis zouden hebben gekregen bij het uitvoeren van hun opdracht. Art. 25.Met het oog op de evaluatie van de mandaathouders bedoeld in artikel 105 wordt er een evaluatiecommissie opgericht. De evaluatiecommissie bestaat uit zeven leden die beschikken over expertise met betrekking tot overheidsmanagement en die niet behoren tot Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of tot de Dienst. Het Verenigd College, wijst op voordracht van de Minister, de leden van de evaluatiecommissie aan alsook de voorzitter onder hen. Het Verenigd College wijst eveneens op de voordracht van de Minister, vier plaatsvervangende leden aan die beantwoorden aan dezelfde criteria als de effectieve leden. Wanneer één van de leden afwezig of verhinderd is, wijst de voorzitter het plaatsvervangend lid aan dat hem zal vervangen. Wanneer de voorzitter afwezig is, komt het voorzitterschap toe aan het oudste effectieve lid. De leden worden aangesteld voor een periode van vijf jaar. Hun aanstelling is hernieuwbaar. Ten hoogste twee derden van de leden van de evaluatiecommissie behoort tot hetzelfde geslacht. De Minister duidt twee effectieve en twee plaatsvervangende secretarissen aan van verschillende taalrol om de evaluatiecommissie bij te staan. Het Verenigd College, op de voordracht van de Minister, stelt het huishoudelijk reglement van de evaluatiecommissie op. De evaluatiecommissie vervult de opdrachten die haar worden toegewezen door dit besluit. Het Verenigd College kan haar bijkomende bevoegdheden toewijzen. De leden van de evaluatiecommissie die in welke hoedanigheid dan ook bij een door de commissie onderzocht dossier betrokken zijn, onthouden zich van zitting. TITEL II. - Rechten en plichten Art. 26.De ambtenaren oefenen hun ambt op loyale, zorgvuldige en integere wijze uit onder het gezag van hun hiërarchische meerderen. Zij dienen daartoe : 1° de van kracht zijnde wetten, ordonnanties en reglementeringen alsmede de richtlijnen waaronder de gedragsregels inzake deontologie, van de overheid waartoe zij behoren na te leven;2° nauwgezet en correct hun adviezen te formuleren en hun verslagen op te stellen;3° de beslissingen zorgvuldig en plichtsbewust uit te voeren. Art. 27.De ambtenaren hebben het recht om met waardigheid en hoffelijkheid te worden behandeld, zowel door hun hiërarchische meerderen als door hun collega's en hun ondergeschikten. Zij dienen hun collega's, hiërarchische meerderen en ondergeschikten met waardigheid en hoffelijkheid te behandelen. Zij vermijden elk woord, houding en voorkomen die deze waardigheid en hoffelijkheid in het gedrang zouden kunnen brengen of de goede werking van de dienst zouden kunnen schaden. Art. 28.Onverminderd artikel 29 van het Wetboek van strafvordering, stellen de ambtenaren hun hiërarchische meerdere of, indien nodig, een hogere hiërarchische meerdere op de hoogte van elke onwettigheid of onregelmatigheid waarvan zij kennis hebben. Art. 29.De ambtenaren behandelen de gebruikers van hun dienst welwillend en zonder enige discriminatie. In de wijze waarop zij de vragen van de gebruikers beantwoorden of waarop zij de dossiers behandelen, eerbiedigen zij op een strikte wijze de beginselen van neutraliteit, van gelijkheid in behandeling en van naleving van de wetten, ordonnanties, reglementeringen en richtlijnen. Art. 30.Buiten de uitoefening van hun ambt vermijden de ambtenaren elke handelwijze die het vertrouwen van het publiek in hun dienst kan aantasten. Zij vermijden evenzeer elke toestand waarbij zij, zelfs door een tussenpersoon, in verband zouden kunnen worden gebracht met bezigheden die in strijd zijn met de waardigheid van hun ambt. Zelfs buiten hun ambt doch ter oorzake ervan, mogen de ambtenaren rechtstreeks of bij tussenpersoon, geen giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen. Dit slaat niet op symbolische geschenken van kleine waarde uitgewisseld tussen ambtenaren in de normale uitoefening van hun ambt. Art. 31.De ambtenaren plaatsen zich niet en laten zich niet plaatsen in een toestand van belangenconflicten, dit wil zeggen in een toestand waarin zij door henzelf of door een tussenpersoon een persoonlijk voordeel hebben dat van die aard is om de onpartijdige en objectieve uitoefening van hun ambt te beïnvloeden of de gewettigde verdenking te doen ontstaan van zulke invloed. Wanneer ambtenaren van oordeel zijn dat zij een belangenconflict hebben of vrezen te hebben, brengen zij hun hiërarchische meerdere hierover onmiddellijk op de hoogte. Deze verleent hen hiervan schriftelijk akte. In geval van een erkend belangenconflict, neemt de hiërarchische meerdere de passende maatregelen om er een einde aan te stellen. De ambtenaren kunnen schriftelijk om het advies van de voorzitter van de directieraad vragen over een toestand waarin zij zich bevinden, dit om te weten of deze de oorzaak is van een belangenconflict. Art. 32.De ambtenaren hebben het recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan zij kennis hebben uit hoofde van hun ambt. Het is hun enkel verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op 's lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten, het medisch geheim, de rechten en de vrijheden van de burger en in het bijzonder het recht op eerbied voor het privé-leven. Dit verbod geldt bovendien voor feiten die betrekking hebben op de voorbereiding van alle beslissingen zolang er nog geen eindbeslissing is genomen. De bepalingen van de voorgaande leden gelden eveneens voor de ambtenaren die hun ambt hebben neergelegd. Art. 33.De ambtenaren hebben recht op informatie wat alle aspecten betreft die nuttig zijn voor de taakvervulling. Art. 34.De ambtenaren houden zich permanent op de hoogte van de ontwikkeling van de technieken, regelingen en opzoekingen in de materies waarmee ze beroepshalve belast zijn. De ambtenaar heeft recht op opleiding die nuttig is voor zijn functioneren binnen de Dienst. De overheid voorziet in die opleiding en waarborgt tevens de toegang tot de voortgezette opleiding onder meer met het oog op de uitbouw van de beroepsloopbaan. Periodes van afwezigheid gerechtvaardigd door deelname aan verplichte opleidingsactiviteiten worden in ieder opzicht gelijkgesteld met periodes van dienstactiviteit. Art. 35.Elke ambtenaar heeft het recht zijn persoonlijk dossier te raadplegen. Art. 36.Elke overtreding van de artikelen 26 tot 32 wordt, naargelang het geval dit vereist, bestraft met een van de tuchtstraffen voorzien in artikel 157, onverminderd de toepassing van de strafwetten. Art. 37.De bepalingen van deze Titel zijn van toepassing op de stagiairs. TITEL III. - Onverenigbaarheden Art. 38.Met de hoedanigheid van ambtenaar is onverenigbaar elke bezigheid die, hetzij door de ambtenaar zelf, hetzij door een tussenpersoon verricht wordt, en die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt in strijd is. Art. 39.§ 1. De cumulatie van beroepsactiviteiten is verboden tenzij er toestemming voor werd gegeven. Onder beroepsactiviteit wordt verstaan elke bezigheid die een belastbaar beroepsinkomen verschaft en die niet inherent is aan de uitoefening van het ambt. Inherent aan het ambt is elke opdracht die, overeenkomstig een wettelijke of reglementaire bepaling, verbonden is aan het ambt of waarvoor de ambtenaar door de overheid waaronder hij ressorteert, wordt aangewezen. § 2. Een politiek mandaat wordt niet als een beroepsactiviteit beschouwd. De verkozen ambtenaar verwittigt hiervan de leidend ambtenaar. De uitoefening van een mandaat bedoeld in artikel 133 is onverenigbaar met een politiek mandaat. Art. 40.Van deze titel kan, op schriftelijk verzoek van de belanghebbende en op verslag van de directieraad, worden afgeweken door de Minister. De door een mandaathouder gevraagde afwijking om een politiek mandaat uit te oefenen, kan maar betrekking hebben op een niet-uitvoerend politiek mandaat bedoeld in artikel 215. Art. 41.Het in artikel 40 bedoelde schriftelijk verzoek wordt bij de leidend ambtenaar ingediend, door middel van een modelformulier dat door de HRM wordt verstrekt. De directeur van de dienst geeft vooraf in het vak dat op het formulier daartoe is voorzien, een gemotiveerd advies. De verzoeker wordt in kennis gesteld van de beslissing van de Minister. Art. 42.De bepalingen van deze Titel gelden eveneens voor de stagiairs. TITEL IV. - Werving, de stage en de benoeming HOOFDSTUK I. - De werving en de selectie Afdeling I. - Algemene bepaling Art. 43.Voor de aanwerving sluiten de Minister en de afgevaardigde bestuurder van SELOR een samenwerkingsprotocol af voor de Diensten van het Verenigd College en voor de Dienst. De Minister pleegt voorafgaandelijk overleg met de leidend ambtenaren van de voormelde instellingen. SELOR organiseert de selecties en speelt een beslissende rol in de uitvoering ervan. Afdeling 2. - De benoemings-, toelaatbaarheids- en wervingsvoorwaarden Art. 44.Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hiernavolgende voorwaarden : 1° Voldoen aan de opgelegde toelatingsvoorwaarden van de in te vullen betrekking;2° Slagen voor de voorziene vergelijkende proeven;3° met goed gevolg de stage volbrengen. Art. 45.Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hiernavolgende algemene toelaatbaarheidsvoorwaarden : 1° Belg zijn wanneer de uit te oefenen functies een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan het openbaar gezag inhouden of werkzaamheden omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de Staat of andere openbare instanties;2° gedrag vertonen in overeenstemming met de eisen van de beoogde betrekking;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;4° houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat overeenkomt met het niveau van de te verlenen graad, houder zijn van getuigschrift van vaardigheden die buiten het diploma verworven zijn en die toegang verlenen tot de functie waarvoor de selectie georganiseerd wordt, of slagen voor de instapkaartmodule, overeenkomstig de tabel in bijlage bij onderhavig besluit. Art. 46.Voor bepaalde selecties kunnen volgende bijzondere toelaatbaarheidsvoorwaarden voorzien worden : 1° het bezitten van een specifiek diploma dat in het bijzonder toegang verleent tot het ambt waarvoor de selectie georganiseerd wordt;2° relevante werkervaring wanneer de aard van de te verlenen betrekking zodanige eisen wettigt;3° het toelaten van studenten die in het laatste jaar zitten van de studies voor het behalen van het vereiste diploma of getuigschrift, wanneer de organisator van de selectie vermoedt dat het aantal deelnemers niet groot genoeg zal zijn om voldoende kandidaten of geslaagden te kunnen weerhouden;in welk geval zij die geslaagd zijn voor het examen van het voorlaatste jaar en verklaren dat zij het examen van het laatste jaar voor de examencommissie van hun Gemeenschap zullen afleggen, ook tot dat wervingsexamen worden toegelaten. Voor hun benoeming kunnen de geslaagden van deze selecties zich slechts vanaf de dag waarop zij aan de organisator van de selectie het vereiste diploma of studiegetuigschrift hebben voorgelegd, op hun rangschikking beroepen; 4° behalve de in artikel 45, 4° vermelde diploma's en getuigschriften, de volgende diploma's en getuigschriften aanvaarden voor de selectie in een bepaalde graad wanneer de vereisten van de uit te oefenen ambten dit toelaten : a) diploma's en getuigschriften van het onderwijs voor sociale promotie en van het kunstonderwijs voor socioculturele promotie;b) diploma's en getuigschriften van het technisch onderwijs, kunstonderwijs of beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan;5° voor de selectie van bepaalde functies van niveau D, het bezit van bepaalde diploma's, vormingsattesten of bevoegheidstitels als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van de uit te oefenen ambten;6° voor de selectie in bepaalde graden van de niveaus A, B en C, de vormingsdiploma's of vormingsgetuigschriften of competentie titels eisen als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van de uit te oefenen ambten en voor zover de houders van die diploma's en getuigschriften eveneens houder zijn van één van de studiebewijzen vermeld in artikel 45, 4°.7° medische geschiktheid voor het uit te oefenen ambt, indien de aard van het ambt dit vereist;8° andere voorwaarden vereist door de aard van het ambt. Afdeling 3. - Organisatie van de selecties en samenstelling van de selectiecommissies Art. 47.Op voorstel van de HRM kiest de leidend ambtenaar één of meerdere van de volgende mogelijkheden, en de rangschikking waarbinnen ze worden georganiseerd : 1° Overplaatsing zoals bepaald in artikel 150;2° Externe mutatie zoals bepaald in artikel 151;3° Mobiliteit zoals bepaald in artikel 130;4° Overgang tot een hoger niveau zoals bepaald in de artikelen 118 en volgende;5° Aanwerving. Art. 48.De vergelijkende selectieproeven worden georganiseerd voor de werving in de graden van de rangen A1, A2, B1, C1 en D1. Worden als wervingsgraden beschouwd : 1° in niveau A, a) rang A2 : eerste attaché-deskundige;eerste ingenieur deskundige, eerste geneesheer deskundige; b) rang A1 : geneesheer;ingenieur; attaché; 2° in niveau B, rang B1 : assistent;3° in niveau C, rang C1 : adjunct;4° in niveau D, rang D1 : klerk. Art. 49.§ 1. De afgevaardigd bestuurder van SELOR kondigt de vergelijkende selectie minstens aan door middel van publicatie in het Belgisch Staatsblad. Het bericht vermeldt minstens de laatste dag waarop kan worden gesolliciteerd en of er eventueel een wervingsreserve wordt aangelegd van de laureaten. Desgevallend wordt de geldigheidsduur van en het aantal laureaten dat opgenomen wordt in de wervingsreserve vermeldt. § 2. Wanneer een vergelijkend examen wordt georganiseerd, dan bepaalt de afgevaardigd bestuurder van SELOR de datum waarop de kandidaten moeten voldoen aan de diplomavoorwaarden of de voorwaarden met betrekking tot studiegetuigschriften, en in voorkomend geval, de datum waarop de kandidaten een minimumleeftijd bereikt moeten hebben of over specifieke professionele vaardigheden moeten beschikken. § 3. De afgevaardigd bestuurder van SELOR roept de kandidaten op die toegelaten worden, om deel te nemen aan de selectieproeven voorzien door het selectieprogramma. § 4. De afgevaardigd bestuurder van SELOR bepaalt de kandidatenlijst en verzekert zich ervan dat zij beantwoorden aan de algemene en specifieke toelaatbaarheidsvoorwaarden voor de functie waarnaar ze meedingen. Vanaf het moment dat de afgevaardigd bestuurder van SELOR vaststelt tijdens de vergelijkende selectieproeven, dat een kandidaat niet voldoet of niet kan voldoen aan één van de algemene voorwaarden of aan de bijzondere toelatingsvoorwaarden gesteld voor de functie waarvoor de kandidaat solliciteert, dan sluit hij de kandidaat uit en deelt hem zijn gemotiveerde beslissing mee. Art. 50.§ 1. Voor elke selectie stelt de afgevaardigd bestuurder van SELOR een selectiecommissie samen. De selectiecommissie bestaat uit : 1° de afgevaardigd bestuurder van SELOR of zijn/haar afgevaardigde, voorzitter;2° op voorstel van de betrokken leidend ambtenaar, ten minste twee bijzitters gekozen uit de personeelsleden van de Dienst die minstens een rang bekleden gelijk aan deze van de in te vullen functie, en die beschikken over een professionele kwalificatie of ervaring die verband houdt met de functiebeschrijving van de in te vullen betrekking of uit externe personen die wegens hun ervaring bijzonder gekwalificeerd zijn;3° ten minste één plaatsvervanger voor elk lid van de selectiecommissie.De plaatsvervangers wonen alle gesprekken met de kandidaten bij. Ten hoogste twee derden van de leden behoren tot hetzelfde geslacht. § 2. De beslissingen worden genomen bij meerderheid van stemmen. § 3. Een toelage kan worden toegekend aan de leden van de commissie bedoeld in paragraaf 1, 2°, als ze geen personeelslid van de Dienst zijn. De Minister bepaalt het bedrag van deze toelage. Afdeling 4. - Functiebeschrijving, programma en organisatie van de selectie Art. 51.De HRM stelt, in samenspraak met de leidend ambtenaren, de functiebeschrijvingen op. Deze functiebeschrijvingen worden bepaald overeenkomstig artikel 7 van dit besluit. Art. 52.Op basis van de functiebeschrijving die opgesteld en bepaald werd overeenkomstig de artikelen 7 en 51, legt de afgevaardigd bestuurder van SELOR het programma van de selectie vast en bepaalt hierin : 1° voor zover de aard van de betrekking het vereist, de bijzondere toelaatbaarheidsvoorwaarden, zoals omschreven in artikel 46;2° het selectieprogramma, vastgesteld overeenkomstig afdeling 5;3° het aantal punten dat aan de volledige selectie, aan iedere proef en desgevallend aan de onderdelen ervan wordt toegekend;4° het minimaal aantal punten dat voor het slagen van de selectie wordt vereist;5° de uiterste datum waarop de kandidaten geslaagd moeten zijn voor de instapkaartmodule om te mogen deelnemen aan de generieke module;6° de datum waarop de kandidaten geslaagd moeten zijn voor de generieke module om te mogen deelnemen aan de specifieke module;7° de datum waarop aan de toelatingsvoorwaarden moet worden voldaan;8° het aantal toelaatbare kandidaten voor de specifieke module van de selectie indien een tussenmodule wordt georganiseerd. Afdeling 5. - De selectieproeven Onderafdeling 1. - Algemene bepaling Art. 53.§ 1. De selectie omvat minstens een schriftelijke of computergestuurde generieke module waarbij de anonimiteit van de kandidaten is gewaarborgd, en een specifieke module die een tussentest kan omvatten. § 2. De inhoud van de generieke module wordt bepaald door SELOR. De inhoud van de specifieke modules wordt bepaald door SELOR in samenspraak met de HRM. § 3. Die proeven zijn eliminerend. Een kandidaat wordt pas toegelaten om een proef af te leggen op voorwaarde dat hij of zij geslaagd of vrijgesteld is voor de voorgaande proef. § 4. Indien het aantal ingeschreven kandidaten of de aard van de in te vullen functie het verantwoorden kunnen meerdere opeenvolgende selectieproeven worden georganiseerd. § 5. De HRM roept de kandidaten voor elke test op. Een afwezige kandidaat wordt van de selectie uitgesloten. Onderafdeling 2. - De instapkaartmodule Art. 54.§ 1. De instapkaartmodule is een module met proeven voor een kwalitatieve selectie die nagaat of de kandidaat over de basis- en cognitieve vaardigheden beschikt, die vereist worden op een hoger niveau dan datgene waar hij krachtens zijn graad, zijn diploma('s) of zijn studiegetuigschrift(en) aanspraak op kan maken. Het slagen geldt als getuigschrift voor vaardigheden die buiten het diploma verworven zijn en die toegang verlenen tot het niveau van de graad tot welke de functie behoort waarvoor de selectie georganiseerd wordt. De geldigheidsduur van dit getuigschrift wordt bepaald door de afgevaardigd bestuurder van SELOR. De instapkaartmodule wordt georganiseerd per niveau minstens om de twee jaar. § 2. Het certificaat voor vaardigheden of het getuigschrift dat door de Gemeenschappen of de Gemeenschapscommissies afgegeven wordt, heeft dezelfde waarde als de instapkaartmodule. § 3. De kandidaat die niet slaagt voor de instapkaartmodule van de vergelijkende selectie mag gedurende een periode van zes maanden geen proeven van dezelfde module afleggen. Deze periode van zes maanden gaat in op de dag dat de resultaten van de proef worden meegedeeld. Onderafdeling 3. - De generieke module Art. 55.De generieke module van de selectie omvat de proeven die dienen om een eerste kwalitatieve selectie te maken van de kandidaten op basis van de generieke vaardigheden die verbonden zijn aan een functieniveau. Indien meerdere selecties binnen eenzelfde niveau een generieke module gemeenschappelijk hebben, geeft de organisator van de selectie de geslaagden een vrijstelling voor de generieke module wanneer ze deelnemen aan een andere selectie. De afgevaardigde bestuurder van SELOR bepaalt de geldigheidsduur van de vrijstelling bij de mededeling van het resultaat. Elke ambtenaar benoemd door de federale staat of een andere gefedereerde entiteit van een bepaald niveau geniet een vrijstelling van de generieke module voor dit niveau. Art. 56.De kandidaat die niet slaagt voor de generieke module van een vergelijkende selectie, mag gedurende een periode van zes maanden geen proeven van dezelfde module afleggen. Deze periode van zes maanden gaat in op de dag dat de resultaten van de proef worden meegedeeld Onderafdeling 4. - De specifieke module en rangschikking van de geslaagden Art. 57.De specifieke module strekt ertoe de motivatie van de kandidaten te evalueren met betrekking tot de te bekleden functie, alsook de specifieke vaardigheden van de kandidaten. Deze module kan bestaan uit meerdere schriftelijke en/of mondelinge uitsluitingsproeven. Op het einde van elke test worden de kandidaten gerangschikt op basis van de behaalde resultaten. Art. 58.Indien het aantal kandidaten voor een betrekking, die geslaagd zijn voor de generieke module van de selectie, of die hiervoor zijn vrijgesteld, en die naar de betrekking in kwestie solliciteren, en indien de betrekking dit rechtvaardigt of als de complexiteit van het aan te werven profiel dit vereist, kan in de specifieke module een uitsluitingsproef georganiseerd worden De afgevaardigd bestuurder van SELOR bepaalt, in samenspraak met de HRM, de aard van de proef en de vaardigheden waarop de bijkomende proef betrekking zal hebben. Art. 59.§ 1. Er worden een of meerdere specifieke proeven georganiseerd voor een betrekking die ingevuld moet worden op basis van een bepaalde functiebeschrijving. § 2. Indien het aantal laureaten het rechtvaardigt, dan stelt de afgevaardigd bestuurder van SELOR, in samenspraak met de HRM het aantal laureaten vast die mogen deelnemen aan de specifieke module. Art. 60.De laureaten van de specifieke module die geschikt bevonden worden door de selectiecommissie voor de in te vullen functie, worden gerangschikt. De afgevaardigd bestuurder van SELOR of zijn afgevaardigde stelt een proces-verbaal op met de rangschikking van de laureaten. Onderafdeling 5 : - Over de samenstelling en de raadpleging van de wervingsreserve en van de wervingsreserve van de andere overheden Art. 61.§ 1. De laureaten van de generieke module worden opgenomen in een wervingsreserve. Een wervingsreserve is samengesteld uit laureaten van de specifieke module, vervolgens van elk van de specifieke proeven die in de loop van de selectieprocedure plaatsvonden, en desgevallend van de bijkomende proef. § 2. De geldigheidsduur van een wervingsreserve bedraagt twee jaar. De afgevaardigd bestuurder van SELOR, op vraag van de Minister, kan de geldigheidsduur van de wervingsreserve verlengen die op zijn initiatief werd samengesteld, telkens voor een periode van maximaal één jaar. § 3. De laureaten van een wervingsreserve kunnen uitgenodigd worden om deel te nemen aan de specifieke module georganiseerd overeenkomstig de artikelen 57 en volgende met het oog op een andere betrekking dan die waarvoor ze werden gerangschikt. Art. 62.De Minister kan voor een aanwerving waarvoor geen wervingsreserve is samengesteld, een beroep doen op de wervingsreserves die SELOR voor een andere overheid heeft samengesteld, op voorwaarde dat deze overheid daarvoor toestemming verleend heeft. In overleg met de gedelegeerd bestuurder van SELOR kan de Minister beslissen een specifieke module te organiseren volgens de regels in de artikelen 57 tot 60. Art. 63.Het Algemeen beheerscomité kan een andere instelling toestaan de wervingsreserve te consulteren. Onderafdeling 6. - Regels voor de toelating van de geslaagden Art. 64.§ 1. Elke geslaagde krijgt bericht van zijn resultaat en van zijn rangschikking. § 2. De geslaagden die een betrekking aanvaarden, verbinden er zich toe in dienst te treden. Zij die na deze aanvaarding weigeren in dienst te treden, worden ambtshalve uit de rangschikking geschrapt. Als de geslaagde de betrekking aanvaard heeft, vergewist de HRM zich ervan dat hij aan alle vereiste voorwaarden voldoet. Art. 65.Na het afsluiten van het proces-verbaal van de selectie, worden de batig gerangschikte geslaagden die aan de gestelde eisen voldoen, in de volgorde van hun rangschikking, tot de stage toegelaten in de functie waarvoor zij hebben meegedongen. Zij worden voor een vacante betrekking van die graad aangewezen. Onderafdeling 7. - Oproep tot indiensttreding van de geslaagden Art. 66.De HRM roept de geselecteerde kandidaat op tot indiensttreding. Indien de geslaagde de functie niet binnen een termijn van drie maanden kan invullen, kan de HRM de volgende gerangschikte oproepen. Wanneer de geslaagde nog gebonden is door een arbeidsovereenkomst houdt de HRM rekening met een eventuele opzegtermijn. HOOFDSTUK II. - Werving van personen met een handicap Art. 67.Voor de toepassing van dit hoofdstuk, wordt verstaan onder "erkenningsinstellingen" de zes volgende instellingen : 1° het Waals Agentschap voor een Kwaliteitsvol Leven, in het kort AViQ;2° de Dienst van de Duitstalige Gemeenschap voor personen met een handicap (Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Personen mit einer Behinderung);3° het Vlaams Agentschap voor Personen met een handicap, in het kort VAPH;4° de Brusselse Franstalige dienst voor mindervaliden;5° de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;6° de Algemene directie voor gehandicapte personen van de FOD Sociale Zekerheid. Art. 68.De Dienst moet personen met een handicap tewerkstellen a rato van twee percent van het personeelsplan. De betrekkingen die voor personen met een handicap bestemd zijn, kunnen bekleed worden door kandidaten die bij hun aanwerving ten minste één van de volgende voorwaarden vervullen : 1° ingeschreven zijn bij één van de erkenningsinstellingen bedoeld in artikel 67 of het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing tot tegemoetkoming vanwege één van deze instellingen en één van deze instellingen in kennis te hebben gesteld van elke beslissing betreffende maatregelen inzake hulp of sociale integratie of inschakeling in het arbeidsproces, die door de federale of gemeenschapsoverheid is genomen;2° het slachtoffer zijn geweest van een arbeidsongeval en een attest voorleggen van het Federaal Agentschap of van het Bestuur medische expertise waarbij een blijvende ongeschiktheid van ten minste 66 % wordt bevestigd;3° door een beroepsziekte zijn getroffen en een attest voorleggen van het Federaal Agentschap voor beroepsrisico's of van het Bestuur medische expertise waarbij een blijvende ongeschiktheid van ten minste 66 % wordt bevestigd;4° het slachtoffer zijn geweest van een gemeenrechtelijk ongeval en een door de griffie van de rechtbank afgeleverd afschrift van het vonnis voorleggen waarbij een handicap of een blijvende ongeschiktheid van ten minste 30 % wordt bevestigd;5° het slachtoffer zijn geweest van een thuis-ongeval en een afschrift van de beslissing van de verzekeringsinstelling voorleggen waarbij een blijvende ongeschiktheid van ten minste 66% wordt bevestigd;6° een inkomensvervangende of integratietegemoetkoming genieten krachtens de wet van 27 februari 1987Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/02/1987 pub. 18/10/2004 numac 2004000528 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten Duitse vertaling sluiten betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap. Art. 69.De leidend ambtenaar zendt de lijst van de vacante betrekkingen die door een persoon met een handicap bekleed kunnen worden naar de erkenningsinstellingen bedoeld in artikel 67, alsook naar Actiris, het FOREM en de VDAB. Hij voegt er een fiche bij met de functiebeschrijving, de vereiste kwalificaties en bekwaamheden voor elke betrekking. Art. 70.§ 1. Het Algemeen Beheerscomité richt zich tot de afgevaardigd bestuurder van SELOR om een persoon met een handicap aan te werven. De persoon met een handicap moet voldoen aan de wervingsvoorwaarden voor elke betrekking en slagen voor een wervingsexamen dat aangepast is aan de beperkingen opgelegd door zijn handicap en bestemd is om zijn bekwaamheid tot het bekleden van de betrekking na te gaan. Het Algemeen Beheerscomité duidt de kandidaten aan die naar zijn mening het beste profiel voor het bekleden van de betrekking bezitten. § 2. De leidend ambtenaar duidt een ambtenaar aan, belast met de begeleiding van de bij de Dienst tewerkgestelde personen met een handicap die dit wensen. HOOFDSTUK III. - De stage Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 71.De stagiair is geen ambtenaar in de zin van dit besluit. De bepalingen van dit besluit gelden voor hem slechts in zover zij uitdrukkelijk op hem toepasselijk zijn verklaard. Art. 72.Perioden van afwezigheid gedurende de stage hebben een verlenging van de stage tot gevolg zodra ze, buiten de verloven bedoeld in artikel 190, 1°, tien werkdagen gewettigde afwezigheid overschrijden, verspreid over één of meerdere malen, zelfs als de stagiair in dienstactiviteit is. Tijdens de schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair. Hij behoudt zijn hoedanigheid van stagiair eveneens tot de datum waarop een definitieve beslissing omtrent zijn benoeming of ontslag wordt genomen. Art. 73.De geslaagde die in dienst wordt geroepen, wordt tot de stage toegelaten door de leidend ambtenaar of de adjunct-leidend ambtenaar die hem voorlopig aanstelt in de betrekking waarvoor hij in dienst werd geroepen. Art. 74.De leidend ambtenaar of de adjunct-leidend ambtenaar kan de aanwijzing wijzigen : 1° in het belang van de dienst;2° op vraag van de stagiair. Afdeling 2. - De inhoud van de stage Art. 75.§ 1. De stage is bedoeld om de stagiair optimaal te integreren in zijn directie, in de Dienst en in het openbaar ambt in het algemeen. Daartoe duidt de leidend ambtenaar, in overleg met de functionele chef van de stagiair, het personeelslid aan dat, als hiërarchische meerdere, bevoegd is voor de stagebegeleiding, hierna de `stagebegeleider' genoemd, en dit volgens de taalrol van de stagiair. § 2. De HRM waakt eveneens over het goede verloop van de stage. Hiertoe kan hij deelnemen aan alle stagegesprekken. Als de stagebegeleider meer dan tien werkdagen afwezig is, brengt de HRM de leidend ambtenaar daarvan op de hoogte opdat hij een "vervangende stagebegeleider" zou kunnen aanstellen die de stagebegeleider tijdens diens afwezigheid vervangt. De vervangende stagebegeleider wordt aangeduid conform de daartoe voorziene modaliteiten voorzien in paragraaf 1. In dit kader beschikt hij over dezelfde bevoegdheden als de stagebegeleider. Afdeling 3. - Het verloop van de stage Art. 76.Aan het begin van de stage heeft de stagebegeleider een eerste gesprek met de stagiair waarbij de volgende punten verduidelijkt worden : 1° De verwachte resultaten en houdingen bij de verwezenlijking van de taken die overeenkomen met de functiebeschrijving van de stagiair;2° De opleidingsactiviteiten die de stagiair moet volgen;3° De andere middelen ter ontwikkeling van de vaardigheden zodat de inzetbaarheid van de stagiair vergroot wordt. Art. 77.Met het oog op de voorbereiding van dit eerste stagegesprek, pleegt de stagebegeleider vooraf overleg met de functionele chef van de stagiair en met de HRM. Art. 78.De stagebegeleider maakt de verslagen bedoeld in de artikelen 82, § 2 en 83 . De stagebegeleider kan, in overleg met de HRM en de functionele chef, en desgevallend met de vervangende stagebegeleider, beslissen dat bijkomende vormingsactiviteiten vereist zijn. De verantwoordelijke van de HRM legt het model van het stageverslag vast. Art. 79.De stage duurt één jaar voor de stagiairs van de niveaus A en B. Ze duurt 6 maanden voor de stagiairs van de niveaus C en D. Art. 80.De directieraad kan een vormingstraject per functietype vastleggen. Art. 81.Na het eerste stagegesprek organiseert de stagebegeleider tweemaandelijks een stagegesprek over het verloop van de stage. Wanneer hij het nodig acht, kunnen bijkomende gesprekken georganiseerd worden. Met het oog op de voorbereiding van de stagegesprekken pleegt de stagebegeleider vooraf overleg met de functionele chef van de stagiair en met de HRM. Art. 82.§ 1. Het stagegesprek gaat over : 1° de vormingsactiviteiten en de resultaten ervan voor de ontwikkeling van de vaardigheden van de stagiair;2° de wijze waarop de stagiair zich in de dienst integreert;3° de uitvoering van zijn werkopdrachten. Het gesprek heeft tot doel de vooruitgang te evalueren die de stagiair maakt en de nog te verbeteren punten aan te stippen. Het beoogt eveneens de beoordeling mogelijk te maken van zowel de gunstige als de ongunstige feiten. Ingeval ongunstige feiten worden vastgesteld, geeft de stagebegeleider een verwittiging aan de stagiair. § 2. De conclusies van elk gesprek worden opgetekend in het stageverslag. De stagiair wordt in kennis gesteld van het verslag en kan er desgevallend zijn opmerkingen aan toevoegen. Vervolgens wordt het overgemaakt aan de HRM. Bij afwezigheid van de stagebegeleider voert de vervangende stagebegeleider het stagegesprek en stelt hij het stageverslag op. In dat geval hebben het gesprek en het verslag betrekking op de periode waarin de vervangende stagebegeleider de stage heeft opgevolgd. Bij terugkeer van de stagebegeleider moet deze een verslag opstellen over de periode waarin hij de stage effectief opgevolgd heeft. Wat betreft de eerste tien werkdagen bedoeld in artikel 75, § 2, tweede lid, vraagt de vervangende stagebegeleider aan de officiële stagebegeleider of aan de hiërarchie de informatie die hij nodig heeft voor het opstellen van zijn stageverslag. Als er geen informatie beschikbaar is, dan geeft de in artikel 75, § 2, tweede lid bedoelde periode aanleiding tot een gunstige beoordeling van de stagiair. Wanneer de stagebegeleider de dienst hervat, stelt de vervangende stagebegeleider een verslag op over de periode waarin hij de stage opgevolgd heeft. Dit verslag beantwoordt aan de vereisten van § 1. De stagiair wordt in kennis gesteld van het verslag en kan er desgevallend zijn opmerkingen aan toevoegen. Vervolgens wordt het overgemaakt aan de HRM en aan de stagebegeleider. Laatstgenoemde houdt er rekening mee tijdens het volgende stagegesprek. Afdeling 4. - Het einde van de stage Art. 83.De stage wordt afgesloten met een laatste stagegesprek. De stagebegeleider stelt het eindverslag van de stage op, in overleg met de HRM en de functionele chef. Hij voegt er één van de voorstellen bedoeld in artikel 85 aan toe. Hij stelt de stagiair in kennis van het eindverslag, die over vijftien dagen beschikt om er zijn opmerkingen aan toe te voegen. Art. 84.De eindevaluatie houdt rekening met alle feiten, zowel gunstig als ongunstig, die in de loop van de stage werden vastgesteld, evenals met de tussentijdse evaluaties. Art. 85.De stagebegeleider overhandigt het eindverslag aan de leidend ambtenaar of adjunct-leidend ambtenaar. Indien het eindverslag over het geheel van de stage gunstig is, stelt de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar voor de benoeming van de stagiair voor te leggen aan het Algemeen Beheerscomité. Indien het eindverslag ongunstig is, legt de leidend ambtenaar het dossier voor aan de in artikel 16 bedoelde raad van beroep. Hij voegt er een voorstel van beslissing aan toe. Hij stelt de stagiair in kennis van deze voorlegging. De datum van kennisgeving doet de in artikel 19, § 6 van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Ge-meenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad bedoelde termijn lopen. HOOFDSTUK IV. - Benoeming als ambtenaar Art. 86.Onverminderd artikel 133 worden de ambtenaren benoemd door het Algemeen Beheerscomité. Art. 87.De stagiairs leggen de eed af wanneer zij tot ambtenaar worden benoemd. Zij worden geacht als ambtenaar in dienst te zijn getreden vanaf de aanvangsdatum van de stage. De ambtenaren leggen de eed af in handen van de leidend ambtenaar. Art. 88.De in het vorig artikel bedoelde eed wordt afgelegd in de termen, bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten3. Art. 89.Indien zij verzuimen de in artikel 88 bedoelde eed af te leggen, wordt hun benoeming met terugwerkende kracht vernietigd. TITEL V. - Het onthaal, de vorming en de voorlichting Art. 90.Onder onthaal dient elke maatregel te worden verstaan tot bevordering van de integratie van de nieuwe personeelsleden binnen de Dienst. Art. 91.Onder vorming dient elke activiteit te worden verstaan die tot doel heeft : 1° zich te vormen en te vervolmaken in het beroep;2° te voldoen aan de bevorderingscriteria;3° te voldoen aan de evaluatiecriteria. Tijdens de periodes van afwezigheid die gerechtvaardigd worden door deelname aan verplichte of toegelaten activiteiten georganiseerd in het kader van het eerste lid, is de ambtenaar in actieve dienst. Art. 92.Onder voorlichting dient elke maatregel te worden verstaan waarbij nuttige inlichtingen aan de ambtenaren worden verschaft. Art. 93.Het Algemeen Beheerscomité neemt, op voordracht van de Directieraad de algemene beginselen inzake onthaal en vorming aan. Met inachtneming van de algemene beginselen uitgevaardigd op grond van voorgaand lid, stelt de directieraad het onthaal- en vormingsprogramma vast dat aan de behoeften van het bestuur en zijn personeel beantwoordt. Hij kan in samenwerking met de erkenningsinstellingen bedoeld in artikel 67, het onthaal, de vorming en de inschakeling in het arbeidsproces van de personen met een handicap organiseren. Art. 94.De directeur HRM of zijn afgevaardigde is belast met de functies van verantwoordelijke voor de opleiding en voorlichting. Art. 95.De verantwoordelijke voor de opleiding en voorlichting of zijn afgevaardigde dient in het bezit te zijn van een bekwaamheidsattest, dat afgeleverd wordt na een opleidingscursus waarvan het Verenigd College de nadere regelen vaststelt. Art. 96.De verantwoordelijke voor de opleiding en voorlichting is belast met : 1° de uitvoering van de onthaalprogramma's;2° de opmaak van een jaarlijks opleidingsplan. Het plan wordt door het Algemeen Beheerscomité goedgekeurd, na overleg met de vakorganisaties. Dit plan bevat : a) de te bereiken algemene doelstellingen van de vorming, zowel kwalitatief als kwantitatief;b) de prioriteiten voor het komende jaar;c) de inhoud, de vorm en duur van de vormingen;d) het al dan niet verplicht karakter van de vormingen;e) de te voorziene begroting voor ieder van de vormingsdoelstellingen;f) na verloop van het eerste vormingsplan, een evaluatie van de mate waarin de doelstellingen werden verwezenlijkt.3° de organisatie van de voorgeschreven opleidingen voor de vergelijkende bevorderingsselecties;4° de organisatie van de opleidingen voor de ambtenaren die het voorstel inzake voorlopige globale vermelding en de vermelding van globale evaluatie dienen op te stellen;5° de organisatie van de noodzakelijke vervolmakingscursussen voor de ambtenaren;6° de opmaak van een strategisch plan voor de communicatie. TITEL VI. - Evaluatie HOOFDSTUK I. - Evaluatie van de ambtenaren zonder mandaat Art. 97.De evaluatie, uitgevoerd op basis van een in artikel 103 beschreven individueel evaluatiedossier, heeft tot doel het werk van de ambtenaar in de functie die hij vervult, aan de hand van de functiebeschrijving ervan, doorlopend te beoordelen. Ze is verplicht voor elke ambtenaar. Art. 98.§ 1. De evaluatie gebeurt door de hiërarchische meerdere van de ambtenaar, met eerbiediging van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken. Indien hij niet tot dezelfde taalrol als de ambtenaar behoort, dient de hiërarchische meerdere een voldoende kennis van de taal van de geëvalueerde ambtenaar te be …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.