← België

Wet betreffende de elektronische communicatie

Kort samengevat

Deze wet regelt de elektronische communicatie in België en zet hiervoor verschillende Europese richtlijnen om in Belgisch recht. Het doel is een gemeenschappelijk regelgevingskader te bieden voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
13 JUNI 2005. - Wet betreffende de elektronische communicatie (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt : TITEL I. - Definities en algemene principes HOOFDSTUK I. - Algemeen Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. Deze wet vormt de omzetting in Belgisch recht van : - Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (« Kaderrichtlijn ») (PbEG 24 april 2002, L 108/33); - Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (« Machtigingsrichtlijn ») (PbEG 24 april 2002, L 108/21); - Richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (« Toegangsrichtlijn ») (PbEG 24 april 2002, L 108/7); - Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en diensten (« Universeledienstrichtlijn ») (PbEG 24 april 2002, L 108/51); - Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (« Privacy- en elektronische communicatierichtlijn ») (PbEG 31 juli 2002, L 201/37); - en Richtlijn 2002/77/EG van de Commissie van 16 september 2002 betreffende de mededinging op de markten voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (« Mededingingsrichtlijn ») (PbEG 17 september 2002, L 249/21). Art. 2.Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder : 1° « Instituut » : Het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie zoals bedoeld in artikel 13 van de wet van 17 januari 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/01/2003 pub. 24/01/2003 numac 2003014010 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector type wet prom. 17/01/2003 pub. 24/01/2003 numac 2003014009 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector sluiten met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector;2° « minister » : de ministers of staatssecretaris die bevoegd zijn voor de aangelegenheden die de elektronische communicatie betreffen als bedoeld in deze wet;3° « elektronische-communicatienetwerk » : de actieve of passieve transmissiesystemen en, in voorkomend geval, de schakel- of routeringsapparatuur en andere middelen die het mogelijk maken signalen over te brengen via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische middelen, voorzover zij worden gebruikt voor de transmissie van andere signalen dan radio-omroep- en televisiesignalen;4° « aanbieden van een elektronische-communicatienetwerk » : het bouwen, exploiteren, toezicht houden op of beschikbaar stellen van een elektronisch-communicatienetwerk;5° « elektronische-communicatiedienst » : een gewoonlijk tegen vergoeding aangeboden dienst die geheel of hoofdzakelijk bestaat in het overbrengen, waaronder schakel- en routeringsverrichtingen, van signalen via elektronische-communicatienetwerken, met uitzondering van (a) de diensten waarbij met behulp van elektronische-communicatienetwerken en -diensten overgebrachte inhoud wordt geleverd of inhoudelijk wordt gecontroleerd, met uitzondering van (b) de diensten van de informatiemaatschappij zoals omschreven in artikel 2 van de wet van 11 maart 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/03/2003 pub. 17/03/2003 numac 2003011125 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij type wet prom. 11/03/2003 pub. 17/03/2003 numac 2003011126 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet sluiten betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, die niet geheel of hoofdzakelijk bestaan uit het overbrengen van signalen via elektronische-communicatienetwerken en met uitzondering van (c) radio-omroep en televisie;6° « verkeersgegeven » : gegeven dat wordt verwerkt voor het overbrengen van communicatie over een elektronische-communicatienetwerk of voor het factureren van een dergelijke communicatie;7° « locatiegegeven » : gegeven dat wordt verwerkt in een elektronische-communicatienetwerk waarmee de geografische positie van de eindapparatuur van een eindgebruiker van een voor het publiek beschikbare elektronische-communicatiedienst wordt weergegeven;8° « dienst met verkeersgegevens » : een dienst die een bijzondere behandeling van de verkeersgegevens vereist die verder gaat dan wat strikt noodzakelijk is voor het versturen of aanrekenen van de communicatie;9° « dienst met locatiegegevens » : een dienst die een bijzondere behandeling van de locatiegegevens vereist die verder gaat dan wat strikt noodzakelijk is voor het versturen of aanrekenen van de communicatie;10° « openbaar elektronische-communicatienetwerk » : een elektronische-communicatienetwerk dat geheel of hoofdzakelijk wordt gebruikt om elektronische-communicatiediensten toegankelijk te maken voor het publiek;11° « operator » : een persoon die een kennisgeving heeft ingediend overeenkomstig artikel 9;12° « gebruiker » : een natuurlijke of rechtspersoon die gebruik maakt van of verzoekt om een openbare elektronische-communicatiedienst;13° « eindgebruiker » : een gebruiker die geen openbaar elektronische-communicatienetwerk of openbare elektronische-communicatiediensten aanbiedt;14° « consument » : een natuurlijke persoon die gebruik maakt van of verzoekt om een openbare elektronische-communicatiedienst voor andere dan bedrijfs- of beroepsdoeleinden;15° « abonnee » : een natuurlijke of rechtspersoon die houder is van een nummer dat toegekend is door een operator voor de levering van elektronische-communicatiediensten en die gebruik maakt van een elektronische-communicatiedienst ingevolge een met een operator gesloten contract;16° « netwerkaansluitpunt » : het fysieke punt waarop een eindgebruiker de toegang tot een openbaar elektronische-communicatienetwerk wordt geboden;in het geval van netwerken met schakelings- of routeringsfuncties wordt het netwerkaansluitpunt bepaald door middel van een specifiek netwerkadres; 17° « bijbehorende faciliteiten » : de bij een elektronische-communicatienetwerk en/of een elektronische-communicatiedienst behorende faciliteiten die het aanbieden van diensten via dat netwerk of die dienst mogelijk maken of ondersteunen;18° « toegang » : het beschikbaar stellen aan een operator van netwerkonderdelen, bijbehorende faciliteiten of elektronische-communicatiediensten opdat de genoemde operator elektronische-communicatienetwerken of -diensten kan aanbieden;19° « interconnectie » : een specifieke vorm van toegang die bestaat uit het fysiek en logisch verbinden van openbare elektronische-communicatienetwerken die door eenzelfde of een andere operator worden gebruikt om het de gebruikers mogelijk te maken met elkaar te communiceren, of toegang te hebben tot diensten die door een andere operator worden aangeboden;20° « interface » : een netwerkaansluitpunt en/of een radio-interface en de bijhorende technische specificaties;21° « openbaar telefoonnetwerk » : een elektronische-communicatienetwerk dat wordt gebruikt om openbare telefoondiensten aan te bieden;het ondersteunt de overdracht tussen netwerkaansluitpunten van spraak en ook andere vormen van elektronische-communicatiediensten, zoals fax en datatransmissie; 22° « openbare telefoondienst » : een dienst die voor het publiek beschikbaar is voor uitgaande en binnenkomende nationale en internationale gesprekken alsook voor toegang tot hulpdiensten via een nummer of een aantal nummers in een nationaal of internationaal nummerplan, en die eventueel een of meer van de volgende diensten kan omvatten : bijstand door een telefonist, telefooninlichtingendiensten of telefoongidsen, verstrekking van openbare telefoons, verlening van diensten tegen bijzondere voorwaarden, beschikbaarstelling van speciale faciliteiten voor klanten met een handicap of bijzondere sociale behoeften, en/of verlening van niet-geografische diensten;23° « aansluitnetwerk » : fysiek circuit dat het netwerkaansluitpunt verbindt met de hoofdverdeler of een soortgelijke voorziening in het openbare telefoonnetwerk op een vaste locatie;24° « partieel aansluitnetwerk » : gedeelte van een aansluitnetwerk dat een netwerkaansluitpunt van een elektronische-communicatienetwerk verbindt met een concentratiepunt of een ander nader bepaald aansluitpunt gelegen tussen het netwerkaansluitpunt en de hoofdverdeler of een soortgelijke voorziening in een openbaar telefoonnetwerk op een vaste locatie;25° « volledig ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk » : het verlenen van toegang tot het aansluitnetwerk of het partieel aansluitnetwerk van een operator, waarbij toestemming wordt verleend voor het gebruik van het volledige frequentiespectrum;26° « toegang tot binair debiet » : toegang die bestaat uit het verlenen van digitale transmissiecapaciteit (bitsnelheid) naar een gebruiker waarbij de toegangsleverancier de interface bij de gebruiker vastlegt;27° « gedeelde toegang tot het aansluitnetwerk » : het verlenen van toegang tot het aansluitnetwerk of het partieel aansluitnetwerk van een operator, waarbij toestemming wordt verleend voor het gebruik van het buiten de spraakband liggende deel van het frequentiespectrum;28° « ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk » : het verlenen van volledig ontbundelde toegang of gedeelde toegang tot het aansluitnetwerk, wat geen verandering behelst in de eigendom van het aansluitnetwerk;29° « co-locatie » : het leveren van fysieke ruimte en technische faciliteiten, nodig om het installeren en aansluiten van apparatuur van een operator onder redelijke voorwaarden mogelijk te maken in het kader van een referentieaanbod;30° « huurlijn » : elektronische-communicatiedienst bestaande uit de levering van communicatiefaciliteiten met behulp waarvan transparante transmissiecapaciteit tussen netwerkaansluitpunten wordt geboden, met uitzondering van de schakeling op aanvraag;31° « radiogolven » of « hertzgolven » : elektromagnetische golven die zich in de ruimte voortplanten zonder kunstmatige geleider, en waarvan de frequentie onder 3000 GHz ligt;32° « radiofrequenties » : de frequenties van radiogolven;33° « radiospectrum » : het geheel van de radiofrequenties;34° « radiocommunicatie » : elke overbrenging, door middel van radiogolven, van inlichtingen van alle aard, in het bijzonder van klanken, teksten, beelden, overeengekomen tekens, numerieke of analoge uitdrukkingen, seinen voor afstandsbediening, seinen bestemd voor de opsporing of voor de bepaling van de plaats of de beweging van voorwerpen;35° « zendtoestel voor radiocommunicatie » : iedere generator van elektromagnetische trillingen gebouwd om radiocommunicatie uit te zenden;36° « zend- en ontvangtoestel voor radiocommunicatie » : iedere generator en ontvanger van elektromagnetische trillingen gebouwd om radiocommunicatie uit te zenden en te ontvangen;37° « ontvangtoestel voor radiocommunicatie » : iedere ontvanger van elektromagnetische trillingen gebouwd om radiocommunicatie te ontvangen met uitzondering van toestellen die uitsluitend voor de ontvangst van klank- en televisieomroepuitzendingen bestemd zijn;38° « radiostation » : het geheel samengesteld uit een zendtoestel, een zend- en ontvangtoestel of een ontvangtoestel voor radiocommunicatie, de ermee verbonden antennes alsook alle onderdelen die nodig zijn om het geheel te laten functioneren;39° « schadelijke storing » : storing die het functioneren van een radionavigatiedienst of van andere veiligheidsdiensten in gevaar brengt, of die een overeenkomstig de van toepassing zijnde voorschriften werkende radiocommunicatiedienst of elektronische-communicatiedienst ernstig doet achteruitgaan, hindert of herhaaldelijk onderbreekt;40° « versleuteling » : alle diensten die de beginselen, middelen en methodes voor de omzetting van gegevens aanwenden met de bedoeling de semantische inhoud ervan te verbergen, de authenticiteit ervan vast te stellen, te verhinderen dat zij onopgemerkt worden gewijzigd, te verhinderen dat zij worden verworpen en te verhinderen dat zij zonder toestemming worden gebruikt;41° « eindapparatuur » : een product of een relevant onderdeel ervan dat elektronische communicatie mogelijk maakt en dat bedoeld is voor directe of indirecte aansluiting op de interfaces van een openbaar elektronische-communicatienetwerk;42° « radioapparatuur » : een product of een relevant onderdeel ervan dat geschikt is voor elektronische communicatie door uitzending en/of ontvangst van radiogolven waarbij gebruik wordt gemaakt van het aan aarde/ruimtecommunicatie toegewezen radiospectrum, met uitzondering van toestellen die uitsluitend voor de ontvangst van radio- en televisieomroepuitzendingen bestemd zijn;43° « apparatuur » : alle producten die als radioapparatuur of als eindapparatuur, of als beide fungeren;44° « technische specificatie » : de omschrijving van de kenmerken van alle elektronische-communicatiediensten die via het netwerkaansluitpunt of de radiointerface verstrekt worden;45° « nummeringsruimte » : het geheel van nummers, adressen en namen die aangewend worden om operatoren of gebruikers te identificeren; 46 « geografisch nummer » : een nummer van het nationale nummerplan waarvan een deel van de cijferstructuur een geografische betekenis heeft die wordt gebruikt voor het routeren van gesprekken naar de fysieke locatie van het netwerkaansluitpunt; 47° « niet-geografisch nummer » : een nummer van het nationale nummerplan dat geen geografisch nummer is;het betreft hier onder meer nummers voor mobiele oproepen, nummers die gratis zijn voor de oproepers en betaalnummers; 48° « nummeroverdraagbaarheid » : de faciliteit die het de abonnees van een voor het publiek beschikbare dienst mogelijk maakt hun nummer te behouden, ongeacht de operator, binnen een welbepaald geografisch gebied in geval van een geografisch nummer en op ongeacht welke locatie in geval van andere dan geografische nummers;de faciliteit omvat niet de mogelijkheid om het nummer te behouden tussen een operator van openbare telefoondiensten aangeboden op een vaste locatie en een operator van openbare telefoondiensten aangeboden op een mobiel elektronisch communicatienetwerk; 49° « telefoongids » : boek, lijst of bestand dat of die hoofdzakelijk of uitsluitend gegevens bevat over de abonnees van een openbare telefoondienst en die beschikbaar wordt gesteld voor het publiek om uitsluitend of hoofdzakelijk de oproepnummers van de eindgebruikers te kunnen identificeren;50° « openbare telefoon » : een voor publiek gebruik beschikbaar telefoontoestel;51° « antenne » : een onderdeel van een apparaat of radiostation voor het uitstralen en/of opvangen van radiogolven;52° « basisstation » : een radiostation van een elektronische-communicatienetwerk opgesteld en gebruikt op een bepaalde plaats en bestemd voor radiodekking van een gegeven geografische zone;53° « steun » : structuur waarop antennes van basisstations kunnen worden geplaatst;54° « antennesite » : geheel van constructies dat ten minste één steun, één antenne en lokalen omvat voor de elektrische en elektronische apparatuur, dat de installatie en de exploitatie van een of meer basisstations mogelijk maakt;55° « nationale raming » : de mogelijkheid voor een operator om zijn klanten in staat te stellen in hetzelfde land toegang te krijgen tot de basisdiensten die verstrekt worden door een andere operator van een mobiel communicatienetwerk;56° « identificatie van de lijn » : nummer, teken of geheel van tekens dat aan een abonnee, eindgebruiker, gebruiker of eindapparaat is toegewezen, waarmee deze door andere abonnees, eindgebruikers of gebruikers van openbare elektronische-communicatienetwerken of -diensten kan worden bereikt;57° « identificatie van de oproeper » : elk gegeven, rechtstreeks of onrechtstreeks beschikbaar, in de netwerken en diensten van een operator, dat het oproepnummer van het eindapparaat, de naam van de abonnee en de plaats waar het eindtoestel zich bevindt op het ogenblik van de oproep bepaalt;58° « nooddienst » : een overheidsdienst of dienst van openbaar nut, erkend door de overheid overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 107, § 1, 1°;59° « noodnummer » : oproepnummer van een nooddienst, bepaald overeenkomstig de procedure in artikel 107, § 1, 2° van deze wet;60° « noodoproep » : een oproep naar een noodnummer in het kader van de verlening van bijstand of hulp;61° « beheerscentrale van noodoproepen » : de plaats waar noodoproepen naar een nooddienst binnen een werkingsgebied worden beheerd, hierna « beheerscentrale » genoemd;62° « werkingsgebied van een beheerscentrale » : geografisch gebied waarvoor de beheerscentrale alle oproepen naar de nooddienst beheert, hierna « werkingsgebied » genoemd;63° « erkend revisor » : bedrijfsrevisor ingeschreven op de rol van het Instituut voor Bedrijfsrevisoren;64° « ziekenhuizen » : de instellingen voor gezondheidszorg zoals bepaald in artikel 2 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987;65° « scholen » : alle instellingen van het secundair of hoger onderwijs die behoren tot het net van een Gemeenschap, van een provincie, van een gemeente of tot een vrij gesubsidieerd net;66° « openbare bibliotheken » : elke bibliotheek erkend door de federale Staat of door een Gemeenschap. Art. 3.De levering van elektronische-communicatienetwerken en -diensten is vrij, onder voorbehoud van de voorwaarden die door of krachtens de wet worden vastgesteld. Art. 4.§ 1. Wanneer de openbare veiligheid, de volksgezondheid, de openbare orde of de verdediging van het Rijk dit eisen, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, gedurende de termijn die Hij vaststelt geheel of gedeeltelijk verbieden : 1° elektronische-communicatienetwerken of -diensten aan te bieden;2° apparatuur te houden of te gebruiken. De Koning mag terzake alle maatregelen voorschrijven die Hij nuttig acht, inzonderheid de uitrustingen onder sekwester doen plaatsen of op een bepaalde plaats doen deponeren. De in dit artikel bedoelde maatregelen geven geen aanleiding tot de toekenning van enige vergoeding. § 2. In geval van een uitzonderlijke situatie die ofwel de buitendienststelling, ofwel een overbelasting van de burgerlijke of militaire elektronische-communicatiemiddelen tot gevolg heeft, die de normale werking ervan verhindert, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bij wijze van noodmaatregel iedere maatregel nemen die Hij nodig acht, met inbegrip van de volledige of gedeeltelijke opeising van de transmissiecapaciteit van de operatoren om die in te zetten voor het gebruik van nationale prioritaire diensten of oproepnummers. Indien die opeising een door Hemzelf vastgestelde duur overschrijdt, kan de Koning de nadere regels bepalen voor de eventuele schadeloosstelling van die opeising. HOOFDSTUK II. - Algemene opdrachten van het Instituut inzake elektronische communicatie Art. 5.Binnen het kader van het uitoefenen van zijn bevoegdheden treft het Instituut alle passende maatregelen om de in de artikelen 6 tot 8 genoemde doelstellingen te verwezenlijken. De maatregelen worden op de aard van het vastgestelde probleem gebaseerd, proportioneel toegepast en gerechtvaardigd. Ze dienen in evenredigheid te zijn met die doelstellingen en leven de beginselen van objectiviteit, transparantie, niet-discriminatie en technologische neutraliteit na. Art. 6.Bij de uitvoering van de taken die aan het Instituut krachtens deze wet zijn opgelegd, bevordert het de concurrentie bij de levering van elektronische-communicatienetwerken, van elektronische-communicatiediensten en van bijbehorende faciliteiten, op de volgende wijze : 1° het zorgt ervoor dat de gebruikers maximaal voordeel behalen wat betreft keuze, prijs en kwaliteit;2° het zorgt ervoor dat er in de sector van de elektronische communicatie geen verstoring of beperking van de concurrentie is;3° het bevordert efficiënte investeringen op het gebied van infrastructuur en steunt innovaties;4° het bevordert efficiënt gebruik en zorgt voor een efficiënt beheer van de radiofrequenties en de nummervoorraad. Art. 7.Bij de uitvoering van de taken die krachtens deze wet aan het Instituut zijn opgelegd, draagt het bij tot de ontwikkeling van een interne markt van elektronische-communicatienetwerken en -diensten, op de volgende wijze : 1° het moedigt het aanbieden van elektronische-communicatienetwerken en -diensten op Europees niveau aan;2° het moedigt het opzetten en ontwikkelen van trans-Europese netwerken en de interoperabiliteit van pan-Europese diensten en eind-tot-eindconnectiviteit aan;3° het zorgt ervoor dat er in vergelijkbare omstandigheden geen verschil in behandeling is van operatoren die elektronische-communicatienetwerken en -diensten aanbieden;4° het werkt met andere nationale regelgevende instanties en met de Europese Commissie op transparante wijze samen om te zorgen voor de ontwikkeling van consistente regelgevende praktijken op Europees niveau. Art. 8.Bij de uitvoering van de taken die krachtens deze wet aan het Instituut zijn opgelegd, waakt het over de belangen van de gebruikers, op de volgende wijze : 1° het controleert de naleving van de universeledienstverplichtingen zoals bepaald in deze wet;2° het waarborgt de consument een hoog niveau van bescherming bij zijn relaties met de leveranciers;3° het draagt bij tot het waarborgen van een hoog niveau van bescherming van de persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer;4° het bevordert de verstrekking van duidelijke informatie, met name door te verplichten tot transparantie ten aanzien van tarieven en de voorwaarden voor het gebruik van openbare elektronische-communicatiediensten;5° het houdt rekening met de behoeften van specifieke maatschappelijke groepen, met name gehandicapte eindgebruikers;6° het zorgt voor de integriteit en de veiligheid van de openbare elektronische-communicatienetwerken. TITEL II Het tot stand brengen van elektronische communicatie HOOFDSTUK I. - Netwerken en diensten Art. 9.§ 1. Het aanbieden of het doorverkopen in eigen naam en voor eigen rekening van elektronische-communicatiediensten of -netwerken kan, onverminderd de bepalingen van artikel 39, pas aangevat worden na een kennisgeving aan het Instituut die de volgende elementen bevat : 1° de naam, het adres, het BTW- en handelsregisternummer van de aanbieder of een vergelijkbaar identificatienummer dat deze gegevens op een rechtsgeldige manier bundelt;2° de contactpersoon met het Instituut;3° een bondige en precieze beschrijving van zijn dienst of netwerk;4° de datum waarop de activiteiten vermoedelijk van start gaan. De kennisgeving geschiedt per aangetekende zending. § 2. Door de kennisgeving kan de betreffende operator elektronische-communicatiediensten of -netwerken aanbieden en kan hij zijn aanvragen laten behandelen om faciliteiten overeenkomstig de artikelen 25 tot 28 te installeren. § 3. Iedere operator brengt het Instituut op de hoogte van : 1° iedere wijziging aan de elementen vermeld in § 1, behoudens in de gevallen waarbij een identificatienummer werd meegedeeld dat de bedoelde gegevens op een rechtsgeldige manier bundelt;2° de voorziene stopzetting van zijn activiteiten. § 4. Na ontvangst van de kennisgeving bezorgt het Instituut de operator een standaardverklaring waarin bevestigd wordt dat hij een kennisgeving heeft gedaan om elektronische-communicatiediensten of -netwerken aan te bieden en dat hij in voorkomend geval de mogelijkheid heeft om : 1° een aanvraag in te dienen met het oog op het installeren van faciliteiten;2° te onderhandelen over toegang;3° toegang te verkrijgen. Art. 10.Operatoren die voldoen aan de verplichtingen om openbare elektronische-communicatiediensten of -netwerken aan te bieden, kunnen : 1° in de hele Europese Unie onderhandelen over toegang met gemachtigde aanbieders van openbare elektronische-communicatiediensten of -netwerken;2° aangewezen worden om verschillende onderdelen van een universele dienst op het gehele grondgebied of een deel daarvan aan te bieden. Een operator die een verzoek om toegang ontvangt, kan dit verzoek niet afwijzen om de loutere reden dat de verzoeker nog geen kennisgeving heeft gedaan in België, wanneer deze verzoeker reeds in een andere lidstaat van de Europese Unie is gemachtigd om elektronische-communicatienetwerken of -diensten aan te bieden. Een machtiging in een andere lidstaat ontslaat de verzoeker evenwel niet van een kennisgeving overeenkomstig artikel 9 wanneer deze het aanbieden van elektronische-communicatiediensten of -netwerken op het oog heeft. Wanneer de verzoeker uit een andere lidstaat, die geen diensten aanbiedt en geen netwerk exploiteert, tot toegang of interconnectie verzoekt, hoeft hij niet gemachtigd te zijn om in België te opereren. De betrokken verzoeker dient over een aanspreekpunt te beschikken. HOOFDSTUK II. - Het gebruik van nummers en radiofrequenties Afdeling 1. - Nummers Art. 11.§ 1. Overeenkomstig de nadere regels vastgesteld door de Koning na advies van het Instituut is het Instituut belast met : 1° het beheer van de nationale nummeringsruimte, alsook de vaststelling en de wijziging van de nationale nummerplannen;2° de toewijzing en de intrekking van gebruiksrechten voor nummers en de tenuitvoerlegging van de betreffende procedures;3° de publicatie van de nationale nummerplannen alsook hun toevoegingen of wijzigingen tenzij die publicatie de nationale veiligheid in het gedrang zou brengen. § 2. Het Instituut waakt erover dat een operator waaraan een nummerreeks werd toegewezen, andere aanbieders van elektronische-communicatiediensten niet discrimineert wat de nummersequenties betreft die worden gebruikt om toegang te geven tot hun diensten. § 3. De voorwaarden voor het verkrijgen en uitoefenen van gebruiksrechten voor nummers worden door de minister vastgesteld en mogen enkel verband houden met : 1° de aanwijzing van de dienst waarvoor het nummer wordt gebruikt alsook alle vereisten met betrekking tot het verlenen van die dienst;2° het daadwerkelijk en efficiënt gebruik van toegekende nummers;3° het naleven van de eisen inzake nummeroverdraagbaarheid;4° het verstrekken van informatie aan de in de telefoongidsen en -inlichtingendiensten opgenomen abonnees;5° het respecteren van de maximumduur onder voorbehoud van wijzigingen van het nationale nummerplan;6° de betaling van de gebruiksheffingen overeenkomstig artikel 30;7° de naleving van alle toezeggingen die de onderneming die het gebruiksrecht heeft verkregen, in de loop van de selectieprocedure heeft gedaan;8° de naleving van alle relevante internationale overeenkomsten aangaande het gebruik van nummers. Wanneer het Instituut gebruiksrechten verleent voor een bepaalde termijn, is de duur aangepast aan de betrokken dienst. § 4.De toekenning van gebruiksrechten voor nummers duurt niet langer dan drie weken te rekenen vanaf de ontvangst van een volledige aanvraag. Het Instituut publiceert op zijn website de onderdelen waaruit een volledige aanvraag bestaat. § 5. Na een openbare raadpleging, overeenkomstig artikel 139, kan het Instituut beslissen de gebruiksrechten voor nummers met een bijzondere economische waarde via vergelijkende of op mededinging gebaseerde selectieprocedures te verlenen. In dit geval kan de in § 4 vermelde termijn door het Instituut met drie weken worden verlengd. § 6. De Koning bepaalt, na advies van het Instituut, de nadere regels volgens dewelke nummerblokoverdraagbaarheid tussen operatoren kan geschieden. § 7. De operatoren van openbare telefoondiensten bieden hun abonnees de faciliteit nummeroverdraagbaarheid aan. De Koning bepaalt na, advies van het Instituut, de nadere regels inzake nummeroverdraagbaarheid, de methodologie voor de vaststelling van de kosten voor de toepassing van deze faciliteit en de verdeling van die kosten tussen de betrokken partijen. Afdeling 2. - Radiofrequenties Onderafdeling 1 Principes van toepassing op alle radiofrequenties Art. 12.De artikelen 18 tot 24 zijn niet van toepassing op de specifieke frequenties voor radio-omroep en televisie. Art. 13.Het Instituut is belast met : 1° het beheer van het radiofrequentiespectrum;2° het onderzoek van de aanvragen voor het gebruik van het radiofrequentiespectrum, behoudens de aanvragen bestemd voor radio- en televisieomroep;3° de coördinatie van de radiofrequenties zowel op nationaal als op internationaal vlak;4° de controle op het gebruik van de radiofrequenties. Voor de toewijzing en de coördinatie van radiofrequenties houdt het Instituut rekening met onder meer de betreffende internationale, regionale of bijzondere overeenkomsten alsook met de Europese bepalingen inzake de harmonisatie van radiofrequenties. Art. 14.De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van het Instituut en na overleg met de Gemeenschappen, de technische voorschriften betreffende het gebruik van de radiofrequenties voor zover deze niet uitsluitend voor omroepsignalen zijn bestemd. Het Instituut verzekert de naleving ervan. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van het Instituut en na overleg met de Gemeenschappen, de technische voorschriften betreffende het toekennen van radiofrequenties die uitsluitend voor omroepsignalen zijn bestemd, die gemeenschappelijk moeten blijven voor het geheel van de radioberichtgeving, ongeacht hun bestemming. Het Instituut verzekert de naleving ervan. Art. 15.Het Instituut onderzoekt schadelijke storingen op eigen initiatief of na een klacht en legt de passende maatregelen op teneinde deze schadelijke storingen te doen ophouden. Wanneer de schadelijke storingen veroorzaakt worden door apparatuur of installaties, worden de kosten om de schadelijke storingen op te heffen en te voorkomen ten laste gelegd van de verantwoordelijke gebruiker van de betreffende apparatuur of installaties. Art. 16.De Koning bepaalt, na advies van het Instituut en de Gemeenschappen, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de algemene politieverordeningen van de radiogolven. Art. 17.De coördinatie van radiofrequenties voor radio-omroep wordt geregeld door een samenwerkingsakkoord met de Gemeenschappen, met toepassing van artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen. Onderafdeling 2. - Regels inzake de frequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor diensten aan het publiek Art. 18.§ 1. De voorwaarden voor het verkrijgen en uitoefenen van gebruiksrechten voor radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische- communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, worden door de Koning vastgesteld bij een besluit, genomen na advies van het Instituut en vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en mogen enkel verband houden met : 1° de betreffende dienst, het netwerk of de technologie waarvoor de gebruiksrechten voor de radiofrequentie zijn verleend, in voorkomend geval met inbegrip van het exclusieve gebruik van een radiofrequentie voor de doorgifte van specifieke inhoud of specifieke diensten;2° het daadwerkelijk en efficiënt gebruik van radiofrequenties overeenkomstig de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen;3° de technische en operationele voorwaarden ter voorkoming van schadelijke storingen en ter beperking van blootstelling van het publiek aan elektromagnetische velden;4° de maximumduur onder voorbehoud van wijzigingen van het nationale frequentieplan;5° de overdracht op initiatief van de houder van de rechten en de daarvoor geldende voorwaarden;6° de gebruiksheffingen overeenkomstig artikel 30;7° de toezeggingen die de operator die het gebruiksrecht inzake de radiofrequenties heeft verkregen, in de loop van de selectieprocedure heeft gedaan;8° de verplichtingen uit hoofde van de relevante internationale overeenkomsten aangaande het gebruik van radiofrequenties. § 2 Wanneer het Instituut gebruiksrechten voor radiofrequenties verleent voor een bepaalde termijn is de duur aangepast aan de betrokken dienst. § 3. Indien een frequentie waarvoor een gebruiksrecht werd verkregen, niet binnen een redelijke termijn in dienst wordt genomen, kan het Instituut, na de betrokkene gehoord te hebben, het gebruiksrecht intrekken. § 4. Indien uit het advies van het Instituut blijkt dat het gevaar op schadelijke storingen verwaarloosbaar is en dat dit verenigbaar is met de vereisten van een daadwerkelijk en efficiënt beheer van het radiofrequentiespectrum, kan de Koning besluiten bepaalde van de in § 1 voorziene voorwaarden niet op te leggen. Art. 19.Indien een operator gebruiksrechten wenst over te dragen voor radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische-communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, brengt hij daarvan het Instituut op de hoogte. Het Instituut stemt met de frequentieoverdracht in indien : 1° zij geen concurrentievervalsing teweeg kan brengen, en 2° zij in overeenstemming is met de vereisten van een daadwerkelijk en efficiënt beheer van het radiofrequentiespectrum. De overdracht van een frequentie waarvan het gebruik is geharmoniseerd, leidt in geen geval tot een verandering van het gebruik van die radiofrequentie. De Koning bepaalt, na advies van het Instituut, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels waaronder de overdracht van gebruiksrechten voor radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische-communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, kan plaatsvinden. Art. 20.§ 1. Het Instituut beperkt het aantal te verlenen gebruiksrechten voor radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische-communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, niet tenzij : 1° om schadelijke storingen te vermijden wanneer deze laatsten een gevolg zijn van onvoldoende beschikbare ruimte binnen het frequentiespectrum, mits de beperking evenredig is;2° om een efficiënt en rationeel gebruik van radiofrequenties te waarborgen. Na advies van het Instituut, bepaalt de Koning de procedure tot beperking van het aantal te verlenen gebruiksrechten voor radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische-communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden. § 2. Tijdens het verloop van de procedure tot beperking van het aantal gebruiksrechten voor radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische-communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, zorgt het Instituut ervoor dat : 1° alle belanghebbende partijen, met inbegrip van gebruikers en consumenten, zich in een openbare raadpleging overeenkomstig artikel 139 kunnen uitspreken over de voorgenomen beperking;2° elke beslissing tot beperking van het verlenen van gebruiksrechten met opgave van de redenen bekend wordt gemaakt;3° na de vaststelling van de selectieprocedure de belangstellenden uitgenodigd worden tot het indienen van aanvragen voor gebruiksrechten;4° de beperking met een redelijke regelmaat of ingevolge een redelijk verzoek van de betroffen ondernemingen wordt herzien. Art. 21.§ 1. Wanneer de verlening van het aantal gebruiksrechten voor radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische-communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, moet worden beperkt, verleent het Instituut die rechten op basis van objectieve, transparante, niet-discriminerende en evenredige selectiecriteria. § 2. Onverminderd artikel 18, § 1, duurt de procedure voor de toekenning van gebruiksrechten voor radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische-communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, die voor specifieke doeleinden zijn toegewezen binnen het nationale frequentieplan niet langer dan zes weken te rekenen vanaf de ontvangst van de volledige aanvraag. De in het vorige lid vermelde termijn kan overeenkomstig de bestaande internationale akkoorden terzake door het Instituut worden verlengd indien internationale frequentiecoördinatie noodzakelijk is. Het Instituut brengt de aanvrager hiervan onverwijld op de hoogte. § 3. Wanneer vergelijkende of op mededinging gebaseerde selectieprocedures worden toegepast voor het verlenen van gebruiksrechten voor radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische-communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, kan de in § 2 vermelde termijn door het Instituut met maximaal acht maanden worden verlengd. De procedure vermeld in artikel 20, § 2, is van toepassing op de vergelijkende of op mededinging gebaseerde selectieprocedures. Art. 22.Indien een operator vraagt om een gebruiksrecht te verkrijgen voor een deel van het radiofrequentiespectrum waarvoor niet in een procedure voor toekenning is voorzien, stelt het Instituut, binnen de zes weken na de ontvangst van een volledige aanvraag, de voorlopige voorwaarden vast volgens dewelke de aanvrager zijn activiteiten kan aanvangen of wijst het een dergelijke aanvraag op gemotiveerde wijze af. De in het vorige lid vermelde termijn kan overeenkomstig de bestaande internationale akkoorden terzake door het Instituut worden verlengd indien internationale frequentiecoördinatie noodzakelijk is. Het Instituut brengt de aanvrager hiervan onverwijld op de hoogte. Indien het Instituut het gebruik van een bepaalde radiofrequentie die geheel of gedeeltelijk gebruikt wordt voor elektronische-communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, heeft toegestaan op basis van voorlopige voorwaarden wordt het koninklijk besluit vermeld in artikel 18, § 1, hiermee in overeenstemming gebracht tenzij de Koning, na advies van het Instituut, van oordeel is dat het betreffende gebruiksrecht aan andere voorwaarden onderworpen moet worden. De voorwaarden van het voorlopige gebruiksrecht worden in voorkomend geval gewijzigd om in overeenstemming te worden gebracht met de bepalingen van voornoemd besluit. Art. 23.Wanneer het Instituut beslist dat er bijkomende rechten voor het gebruik van radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische-communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, kunnen worden verleend, maakt het dit bekend en doet het een uitnodiging tot het indienen van aanvragen voor deze rechten overeenkomstig de nadere regels bepaald door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van het Instituut. Art. 24.Wanneer het gebruik van radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische-communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, is geharmoniseerd, de voorwaarden en procedures voor toegang zijn overeengekomen en de operatoren waaraan de radiofrequenties zullen worden toegewezen, geselecteerd zijn overeenkomstig de internationale overeenkomsten en de communautaire voorschriften, verleent het Instituut dienovereenkomstig het recht om radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische-communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, te gebruiken. Wanneer in het geval van een gemeenschappelijke selectieprocedure aan alle voorwaarden inzake het gebruiksrecht van de betrokken radiofrequenties is voldaan, worden geen nadere voorwaarden, bijkomende criteria of procedures opgelegd die de correcte toepassing van de gemeenschappelijke toewijzing van voornoemde radiofrequenties beperken, wijzigen of uitstellen HOOFDSTUK III. - Het gedeeld gebruik van sites Afdeling 1. - Het gedeeld gebruik van antennesites Art. 25.§ 1. De operator stelt alles in het werk om, in de mate van het mogelijke, zijn antennes op reeds bestaande steunen te bevestigen, zoals daken van gebouwen, pylonen, gevels, zonder dat deze lijst beperkend is. § 2. Een operator die een steun in eigendom heeft, staat op redelijke en niet-discriminerende wijze gedeeld gebruik van de antennesite toe. § 3. Indien de steun van een antennesite eigendom is van een operator staat deze toe dat een andere operator zijn antenne bevestigt op de betreffende steun. Indien de bijhorende gebouwen eigendom zijn van een operator en de mogelijkheid bieden om de uitrustingen van verschillende operatoren in afzonderlijke lokalen te installeren, staat deze toe dat de verzoekende operator hiervan eveneens gebruik maakt om zijn basisstation te installeren. § 4. De vergoeding voor het gedeeld sitegebruik bestaat uit de globale kosten zijnde de directe verwervingskosten van het terrein alsook de werkelijke bouw- en onderhoudskosten, vermeerderd met een percentage dat gelijk is aan de gewogen gemiddelde kapitaalkosten van de operator die gedeeld sitegebruik verleent. Deze vergoeding wordt voorafgaandelijk door het Instituut goedgekeurd. De vergoeding wordt over alle operatoren verdeeld naar evenredigheid van hun daadwerkelijk gebruik of reservatie van de antennesite. Indien het gedeelde sitegebruik verstevigingswerken met zich meebrengt, worden de kosten van die werken gedragen door de operatoren die er de oorzaak van zijn. § 5. Iedere overeenkomst die gesloten wordt inzake gedeeld sitegebruik moet redelijk, proportioneel en niet-discriminerend zijn. § 6. De bepalingen van de §§ 1 tot 5 gelden tevens voor antennesites waarvan de steun eigendom is van : 1° een persoon die de antennesite ten behoeve van een operator beheert;2° een persoon waarop de operator rechtstreeks of indirect een overheersende invloed kan uitoefenen;3° een persoon die een overheersende invloed kan uitoefenen op de operator;4° een persoon die evenals de operator, onderworpen is aan de overheersende invloed van eenzelfde derde. De overheersende invloed wordt vermoed wanneer een persoon, rechtstreeks of indirect : 1° de meerderheid van het geplaatste kapitaal van de rechtspersoon bezit;2° beschikt over de meerderheid van de stemmen die verbonden zijn met de door de rechtspersoon uitgegeven aandelen, of 3° meer dan de helft van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de rechtspersoon kan aanwijzen. § 7. Indien een antennesite eigendom is van een derde, verzetten de operatoren die deze site exploiteren of gedeeld gebruiken, zich niet tegen een overeenkomst tussen de eigenaar en een operator waardoor deze laatste de mogelijkheid wordt geboden de betreffende site gedeeld te gebruiken. Art. 26.§ 1. Elke operator brengt minstens een maand voor hij bij de bevoegde overheid een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning indient voor een bepaalde antennesite of voor een deel van een site, de overige operatoren hiervan op de hoogte. Zij beschikken over een maand om de eerste operator om gedeeld sitegebruik te verzoeken. In voorkomend geval staat de eerste operator het gedeelde gebruik van de site toe op een redelijke en niet-discriminerende wijze. De betreffende stedenbouwkundige aanvraag wordt indien nodig aangepast aan het gedeeld gebruik en ingediend door de operatoren die van de site gebruik zullen maken. § 2. Het Instituut kan na gemotiveerd verzoek van een operator een afwijking toestaan van de in § 1 vermelde termijnen. Art. 27.§ 1. Er wordt een databank van antennesites gecreëerd die alle relevante informatie bevat om de evaluatie van sites, met het oog op het gedeeld gebruik ervan, te vergemakkelijken. § 2. Medewerking door de operatoren aan de uitbouw en het gebruik van de databank van antennesites is verplicht. § 3. De Koning, na advies van het Instituut, regelt het beheer van de databank van antennesites. § 4. De kosten van de databank van antennesites worden gedragen door alle betreffende operatoren op grond van een onderlinge overeenkomst. Indien deze overeenkomst niet aangepast wordt binnen drie maanden na het verzoek daartoe door een nieuwe operator, worden de kosten van de databank van antennesites en de verdeling per operator door het Instituut bepaald. § 5. Het Instituut ziet er op toe dat de databank van de antennesites in het algemeen belang wordt beheerd. Daartoe beschikt het Instituut over toegang tot de databank. Het Instituut kan de maatregelen opleggen die het nodig acht ter vrijwaring van het algemeen belang en om een vlotte uitwisseling van informatie inzake sites en hun gedeeld gebruik te bevorderen. Afdeling 2. - Het gedeeld gebruik van andere sites Art. 28.De Koning, na advies van het Instituut, bepaalt de regels die van toepassing zijn op het gedeeld gebruik van andere sites dan die vermeld in afdeling 1. Het Instituut laat zijn advies voorafgaan door een openbare raadpleging. HOOFDSTUK IV. - Administratieve bijdragen Art. 29.§ 1. De administratieve bijdragen die worden opgelegd aan de operatoren, onverminderd de bepalingen van de artikelen 43, 45, 46 en 47, dienen ter dekking van de kosten inzake : 1° het opstellen, het beheer, de controle en de toepassing van de wetgeving en van de gebruiksrechten;2° de specifieke opdrachten van het Instituut inzake toegang en universeledienstverlening;3° internationale samenwerking, harmonisatie en normering, marktanalyse, controle op de naleving en ander markttoezicht;4° het adviseren en handhaven van secundaire wetgeving en het nemen van administratieve beslissingen. Het Instituut int de administratieve bijdragen. § 2. De Koning, na advies van het Instituut, bepaalt het bedrag en de nadere regels inzake de administratieve bijdrage met het oog op een objectieve, transparante en evenredige verdeling. Art. 30.§ 1. De in de artikelen 11 en 18 bedoelde gebruiksrechten kunnen aan heffingen onderworpen worden teneinde een optimaal gebruik van deze middelen te waarborgen. De heffingen worden door het Instituut geïnd. § 2. De Koning, na advies van het Instituut, bepaalt het bedrag en de nadere regels inzake de in § 1 bedoelde heffingen. Art. 31.Het Instituut publiceert en actualiseert alle relevante informatie over rechten, voorwaarden, procedures, bijdragen en beslissingen betreffende kennisgevingen en gebruiksrechten op de website van het Instituut. HOOFDSTUK V. - Apparatuur Art. 32.§ 1. Apparatuur mag slechts gehouden of gecommercialiseerd worden indien zij voldoet aan de basisvereisten. De basisvereisten zijn de volgende : 1° de apparatuur levert geen enkel risico op voor de gezondheid en de veiligheid van gebruikers en derden en komt tegemoet aan de doelstelling van de reglementering inzake de veiligheidsgaranties met betrekking tot elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen, echter zonder toepassing van de spanningsgrens;2° de apparatuur voldoet aan de doelstelling van de regelgeving met betrekking tot elektromagnetische compatibiliteit;3° de apparatuur is zo geconstrueerd dat zij het toegewezen spectrum voor grond- en ruimtecommunicatie en de satellietcapaciteit efficiënt gebruikt zonder schadelijke storingen te veroorzaken. § 2. De Koning kan, na advies van het Instituut, voor bepaalde apparatuur bijkomende basisvereisten opleggen die kunnen betrekking hebben op : 1° het via netwerken onderling functioneren met andere apparatuur en de mogelijkheid om aan te sluiten op interfaces van hetzelfde type;2° het voorkomen van mogelijke beschadiging van het netwerk, misbruik van de netwerkmiddelen en het veroorzaken van een onaanvaardbare verslechtering van de dienst;3° de bescherming van de persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker en de abonnee;4° de fraudebestrijding;5° de toegang tot de nooddiensten;6° het vergemakkelijken van het gebruik door gebruikers met een handicap. § 3. Onverminderd de bepalingen van §§ 1 en 2, mag apparatuur slechts gehouden en gecommercialiseerd worden indien zij voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° de apparatuur wordt onderworpen aan een gepaste procedure waarbij de conformiteit van de apparatuur met de onder §§ 1 en 2 toepasselijke basisvereisten wordt vastgesteld;2° de apparatuur is voorzien van een CE-merkteken van conformiteit en van de andere van toepassing zijnde opschriften;3° bij de apparatuur wordt de nodige informatie gevoegd over de voorwaarden inzake de ingebruikname en de werking van de apparatuur. De Koning, na advies van het Instituut, bepaalt de nadere regels inzake voornoemde voorwaarden. § 4. Radioapparatuur die gebruik maakt van frequentiebanden waarvan het gebruik in de Europese Unie niet is geharmoniseerd, wordt voor het op de markt brengen aan het Instituut genotificeerd. De Koning, na advies van het Instituut, bepaalt de nadere regels. Art. 33.§ 1. Het is verboden de volgende apparatuur te houden, te commercialiseren of te gebruiken : 1° apparatuur waarvan het gebruik onverenigbaar is met één of meerdere van de volgende bepalingen : a) de artikelen 41 en 124;b) de artikelen 259bis en 314bis van het Strafwetboek;c) artikel 1, § 6, van de wet van 21 juni 1985Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/06/1985 pub. 15/02/2012 numac 2012000076 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen 2° radioapparatuur, met inbegrip van soorten radioapparatuur, die schadelijke storingen veroorzaakt. Indien het Instituut redelijkerwijze kan aannemen dat bepaalde radioapparatuur schadelijke storingen kan veroorzaken met bestaande of geplande diensten, neemt het alle nodige maatregelen teneinde die schadelijke storingen te vermijden, dit met inbegrip van een verbod op of een verwijdering van de markt van de betreffende radioapparatuur. § 2. De bepaling onder § 1, 2°, is niet van toepassing wanneer : 1° het een zendtoestel voor radiocommunicatie betreft dat uitsluitend wordt besteld, opgesteld en gebruikt om te verhinderen dat op het domein van penitentiaire instellingen radiocommunicatie mogelijk is. Dergelijk zendtoestel mag enkel gebruikt worden wanneer dit noodzakelijk is voor de openbare orde of de bestrijding van de criminaliteit, en 2° het een zendtoestel voor radiocommunicatie betreft dat is vergund overeenkomstig artikel 39, § 1;3° de indienststelling van het onder 1° vermelde zendtoestel ten minste 90 dagen vooraf wordt gemeld aan de operatoren van wie de dienstverlening zal worden verhinderd, en 4° de precieze datum van de indienststelling van het onder 1° vermelde zendtoestel voorafgaandelijk aan het Instituut wordt gemeld, en 5° bij de indienststelling door het Instituut wordt onderzocht of het betreffende zendtoestel buiten het domein van de penitentiaire inrichting schadelijke storingen veroorzaakt.Indien dit het geval zou zijn, wordt de indienststelling onmiddellijk stopgezet. De rechten van operatoren inzake het gebruik van frequenties worden beperkt ingeval van het gebruik van zendtoestellen die voldoen aan de voorwaarden die in deze paragraaf vervat zijn. Na de indienststelling overeenkomstig onderdeel 5°, onderzoekt het Instituut regelmatig, al dan niet op eigen initiatief en al dan niet aangekondigd, of het betreffende zendtoestel buiten het domein van de penitentiaire inrichtingen schadelijke storingen veroorzaakt. Indien dit het geval is, wordt hen onmiddellijk toegang verschaft tot de penitentiaire inrichting in kwestie en wordt het zendtoestel onder hun toezicht stilgelegd. Wederindienststelling moet overeenkomstig de bepalingen van § 2, 1°, 2°, 4° en 5° van dit artikel geschieden. Art. 34.Art. 40 is niet van toepassing op : 1° apparatuur die uitsluitend wordt gebruikt door de overheid bij activiteiten die betrekking hebben op de defensie, de openbare veiligheid en de staatsveiligheid; 2° de door radioamateurs gebruikte radioapparatuur indien die : a) overeenstemt met de apparatuur bedoeld in artikel 1, definitie 1.56 van het radioreglement van de Internationale Telecommunicatie Unie; b) niet in de handel verkrijgbaar is, in die zin dat zij door radioamateurs kan zijn geassembleerd uit bouwpakketten van losse onderdelen of kan bestaan uit apparatuur die in de handel verkrijgbaar is en die door radioamateurs voor eigen gebruik wordt omgebouwd;3° de door de Koning aangewezen apparatuur die uitsluitend wordt gebruikt voor de uitrusting van zeeschepen;4° de producten, uitrusting en elementen in de zin van artikel 2 van Verordening (EEG) nr.3922/91 van de Raad van 16 december 1991 inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart; 5° de door de Koning aangewezen apparatuur en systemen voor luchtverkeersafhandeling;6° apparatuur die op beurzen of soortgelijke exposities wordt vertoond op voorwaarde dat duidelijk zichtbaar wordt aangegeven dat die apparatuur niet op de markt mag worden gebracht noch mag worden gebruikt;7° apparatuur die uitsluitend bestemd is voor uitvoer, op voorwaarde dat ze het voorwerp heeft uitgemaakt van een voorafgaande machtiging door het Instituut. Art. 35.De gebruiker van apparatuur gebruikt die overeenkomstig de informatie vermeld in artikel 32, § 3, 3°. Art. 36.§ 1. Apparatuur die voldoet aan de wettelijke voorwaarden, mag worden aangesloten op de daartoe geschikte interfaces. Een operator van een openbaar elektronische-communicatienetwerk mag een dergelijke aansluiting niet om technische redenen weigeren. § 2. Het gebruik alsook de commercialisering van apparatuur die voldoet aan de wettelijke voorwaarden en toch schade toebrengt aan het netwerk, de werking ervan schaadt, of schadelijke storing veroorzaakt, kan overeenkomstig de nadere regels vastgesteld door de Koning, na advies van het Instituut, worden beperkt of verboden. Art. 37.Niettegenstaande de bepalingen van artikel 32 zijn het commercialiseren en het gebruik van apparatuur toegestaan indien deze apparatuur : 1° voldoet aan de bepalingen vermeld in het koninklijk besluit van 10 november 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/05/2002 pub. 31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten2 betreffende de goedkeuringen van eindapparaten voor telecommunicatie, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 september 1998, of aan de bepalingen vermeld in het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 november 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/05/2002 pub. 31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten2 en bij de ministeriële besluiten van 24 december 1982, 19 december 1986, 7 juli 1989, 22 juni 1992, 27 november 1992 en 19 oktober 1999, en 2° op de markt gebracht werd voor 8 april 2001, en 3° in overeenstemming is met het oorspronkelijk goedgekeurde type. De bepalingen van het voorgaande lid gelden niet voor de eindapparatuur vermeld in artikel 3, § 4, 2°, van het koninklijk besluit van 10 november 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/05/2002 pub. 31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten2 betreffende de goedkeuringen van eindapparaten voor telecommunicatie. Art. 38.Operatoren die openbare elektronische-communicatiediensten aanbieden, publiceren de exacte en passende technische specificaties van hun interfaces vooraleer de via deze interfaces verstrekte diensten voor het publiek beschikbaar zijn. De specificaties worden op eenvoudig verzoek aan iedere belangstellende bezorgd en zijn voldoende nauwkeurig om apparatuur te kunnen ontwerpen die voldoet aan de relevante voorwaarden van artikel 32, §§ 1 en 2, en waarmee alle diensten die via de betreffende interface worden verstrekt, kunnen worden gebruikt. De operatoren die openbare elektronische-communicatiediensten aanbieden werken deze specificaties regelmatig bij zodat ze steeds actueel blijven. Voorafgaand aan de publicatie bezorgen zij een kopie ervan aan het Instituut. HOOFDSTUK VI. - Bepalingen inzake het gebruik van radioapparatuur Art. 39.§ 1. Niemand mag in het Rijk noch aan boord van een zeeschip, een binnenschip, een luchtvaartuig of enige andere drager onderworpen aan het Belgisch recht, een zend- en/of ontvangtoestel voor radiocommunicatie houden, of een station of een niet-openbaar netwerk voor radiocommunicatie aanleggen en doen werken zonder schriftelijke vergunning van het Instituut. Die vergunning is persoonlijk en kan worden ingetrokken. § 2. De Koning bepaalt, na advies van het Instituut, de algemene regels inzake toekenning, schorsing en intrekking van de in § 1 bedoelde vergunningen. Hij kan bepalen in welke gevallen die vergunningen niet vereist zijn. § 3. Het Instituut bepaalt de verplichtingen van de houders van een vergunning en de voorwaarden waaraan de toegelaten stations en netten voor radiocommunicatie moeten voldoen. § 4. De in § 1 bedoelde vergunningen zijn niet vereist voor de stations voor radiocommunicatie die voor militaire doeleinden of met het oog op de openbare veiligheid aangelegd en gebruikt worden door de diensten die onder de minister van Landsverdediging ressorteren, door de Noord Atlantische Verdragsorganisatie en door de Geallieerde Strijdkrachten. Art. 40.Het Instituut is bevoegd voor het uitvaardigen van technische voorschriften betreffende het gebruik van de radioapparatuur. Art. 41.Behoudens de officieren van gerechtelijke politie vermeld in artikel 24 van de wet van 17 januari 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/01/2003 pub. 24/01/2003 numac 2003014010 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector type wet prom. 17/01/2003 pub. 24/01/2003 numac 2003014009 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector sluiten met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector voor wat betreft punt 2°, mag niemand in het Rijk, noch aan boord van een schip, een luchtvaartuig of enige andere drager onderworpen aan het Belgisch recht : 1° valse of bedrieglijke alarm-, spoed- of noodseinen of noodoproepen uitzenden of trachten uit te zenden;2° andere radiocommunicatie dan die bedoeld in artikel 314bis van het Strafwetboek en die niet voor hem bestemd is, opvangen of trachten op te vangen.In …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.