Wet betreffende de elektronische communicatie
Kort samengevat
Deze wet regelt de elektronische communicatie in België en zet hiervoor verschillende Europese richtlijnen om in Belgisch recht. Het doel is een gemeenschappelijk regelgevingskader te bieden voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten.
Wat het reguleert
- De regels voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten.
- De machtiging voor het aanbieden van deze netwerken en diensten.
- De toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten.
- De universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten.
- De verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie.
- De mededinging op de markten voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten.
Wie het aanbelangt
- Operators die elektronische-communicatienetwerken en -diensten aanbieden.
- Gebruikers, eindgebruikers, consumenten en abonnees van openbare elektronische-communicatiediensten.
Kernpunten
- De wet definieert uitgebreid termen zoals "elektronische-communicatienetwerk", "elektronische-communicatiedienst", "verkeersgegeven" en "locatiegegeven".
- Het "Instituut" (Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie) speelt een rol als regulator.
- De wet omvat regels voor toegang tot en interconnectie van netwerken, inclusief "volledig ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk" en "gedeelde toegang tot het aansluitnetwerk".
- Er zijn specifieke bepalingen voor "radiogolven", "radiofrequenties", "radiospectrum" en "radiocommunicatie", inclusief de definitie van "schadelijke storing".
Wettekst
Wettekst
13 JUNI 2005. - Wet betreffende de elektronische communicatie
(1)ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt : TITEL I. - Definities en algemene principes HOOFDSTUK I. - Algemeen Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. Deze wet vormt de omzetting in Belgisch recht van : - Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (« Kaderrichtlijn ») (PbEG 24 april 2002, L 108/33); - Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (« Machtigingsrichtlijn ») (PbEG 24 april 2002, L 108/21); - Richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (« Toegangsrichtlijn ») (PbEG 24 april 2002, L 108/7); - Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en diensten (« Universeledienstrichtlijn ») (PbEG 24 april 2002, L 108/51); - Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (« Privacy- en elektronische communicatierichtlijn ») (PbEG 31 juli 2002, L 201/37); - en Richtlijn 2002/77/EG van de Commissie van 16 september 2002 betreffende de mededinging op de markten voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (« Mededingingsrichtlijn ») (PbEG 17 september 2002, L 249/21). Art. 2.Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder : 1° « Instituut » : Het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie zoals bedoeld in artikel 13 van de wet van 17 januari 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/01/2003 pub. 24/01/2003 numac 2003014010 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector type wet prom. 17/01/2003 pub. 24/01/2003 numac 2003014009 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector sluiten met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector;2° « minister » : de ministers of staatssecretaris die bevoegd zijn voor de aangelegenheden die de elektronische communicatie betreffen als bedoeld in deze wet;3° « elektronische-communicatienetwerk » : de actieve of passieve transmissiesystemen en, in voorkomend geval, de schakel- of routeringsapparatuur en andere middelen die het mogelijk maken signalen over te brengen via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische middelen, voorzover zij worden gebruikt voor de transmissie van andere signalen dan radio-omroep- en televisiesignalen;4° « aanbieden van een elektronische-communicatienetwerk » : het bouwen, exploiteren, toezicht houden op of beschikbaar stellen van een elektronisch-communicatienetwerk;5° « elektronische-communicatiedienst » : een gewoonlijk tegen vergoeding aangeboden dienst die geheel of hoofdzakelijk bestaat in het overbrengen, waaronder schakel- en routeringsverrichtingen, van signalen via elektronische-communicatienetwerken, met uitzondering van (
- a)de diensten waarbij met behulp van elektronische-communicatienetwerken en -diensten overgebrachte inhoud wordt geleverd of inhoudelijk wordt gecontroleerd, met uitzondering van (
- b)de diensten van de informatiemaatschappij zoals omschreven in artikel 2 van de wet van 11 maart 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/03/2003 pub. 17/03/2003 numac 2003011125 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij type wet prom. 11/03/2003 pub. 17/03/2003 numac 2003011126 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet sluiten betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, die niet geheel of hoofdzakelijk bestaan uit het overbrengen van signalen via elektronische-communicatienetwerken en met uitzondering van (
- c)radio-omroep en televisie;6° « verkeersgegeven » : gegeven dat wordt verwerkt voor het overbrengen van communicatie over een elektronische-communicatienetwerk of voor het factureren van een dergelijke communicatie;7° « locatiegegeven » : gegeven dat wordt verwerkt in een elektronische-communicatienetwerk waarmee de geografische positie van de eindapparatuur van een eindgebruiker van een voor het publiek beschikbare elektronische-communicatiedienst wordt weergegeven;8° « dienst met verkeersgegevens » : een dienst die een bijzondere behandeling van de verkeersgegevens vereist die verder gaat dan wat strikt noodzakelijk is voor het versturen of aanrekenen van de communicatie;9° « dienst met locatiegegevens » : een dienst die een bijzondere behandeling van de locatiegegevens vereist die verder gaat dan wat strikt noodzakelijk is voor het versturen of aanrekenen van de communicatie;10° « openbaar elektronische-communicatienetwerk » : een elektronische-communicatienetwerk dat geheel of hoofdzakelijk wordt gebruikt om elektronische-communicatiediensten toegankelijk te maken voor het publiek;11° « operator » : een persoon die een kennisgeving heeft ingediend overeenkomstig artikel 9;12° « gebruiker » : een natuurlijke of rechtspersoon die gebruik maakt van of verzoekt om een openbare elektronische-communicatiedienst;13° « eindgebruiker » : een gebruiker die geen openbaar elektronische-communicatienetwerk of openbare elektronische-communicatiediensten aanbiedt;14° « consument » : een natuurlijke persoon die gebruik maakt van of verzoekt om een openbare elektronische-communicatiedienst voor andere dan bedrijfs- of beroepsdoeleinden;15° « abonnee » : een natuurlijke of rechtspersoon die houder is van een nummer dat toegekend is door een operator voor de levering van elektronische-communicatiediensten en die gebruik maakt van een elektronische-communicatiedienst ingevolge een met een operator gesloten contract;16° « netwerkaansluitpunt » : het fysieke punt waarop een eindgebruiker de toegang tot een openbaar elektronische-communicatienetwerk wordt geboden;in het geval van netwerken met schakelings- of routeringsfuncties wordt het netwerkaansluitpunt bepaald door middel van een specifiek netwerkadres; 17° « bijbehorende faciliteiten » : de bij een elektronische-communicatienetwerk en/of een elektronische-communicatiedienst behorende faciliteiten die het aanbieden van diensten via dat netwerk of die dienst mogelijk maken of ondersteunen;18° « toegang » : het beschikbaar stellen aan een operator van netwerkonderdelen, bijbehorende faciliteiten of elektronische-communicatiediensten opdat de genoemde operator elektronische-communicatienetwerken of -diensten kan aanbieden;19° « interconnectie » : een specifieke vorm van toegang die bestaat uit het fysiek en logisch verbinden van openbare elektronische-communicatienetwerken die door eenzelfde of een andere operator worden gebruikt om het de gebruikers mogelijk te maken met elkaar te communiceren, of toegang te hebben tot diensten die door een andere operator worden aangeboden;20° « interface » : een netwerkaansluitpunt en/of een radio-interface en de bijhorende technische specificaties;21° « openbaar telefoonnetwerk » : een elektronische-communicatienetwerk dat wordt gebruikt om openbare telefoondiensten aan te bieden;het ondersteunt de overdracht tussen netwerkaansluitpunten van spraak en ook andere vormen van elektronische-communicatiediensten, zoals fax en datatransmissie; 22° « openbare telefoondienst » : een dienst die voor het publiek beschikbaar is voor uitgaande en binnenkomende nationale en internationale gesprekken alsook voor toegang tot hulpdiensten via een nummer of een aantal nummers in een nationaal of internationaal nummerplan, en die eventueel een of meer van de volgende diensten kan omvatten : bijstand door een telefonist, telefooninlichtingendiensten of telefoongidsen, verstrekking van openbare telefoons, verlening van diensten tegen bijzondere voorwaarden, beschikbaarstelling van speciale faciliteiten voor klanten met een handicap of bijzondere sociale behoeften, en/of verlening van niet-geografische diensten;23° « aansluitnetwerk » : fysiek circuit dat het netwerkaansluitpunt verbindt met de hoofdverdeler of een soortgelijke voorziening in het openbare telefoonnetwerk op een vaste locatie;24° « partieel aansluitnetwerk » : gedeelte van een aansluitnetwerk dat een netwerkaansluitpunt van een elektronische-communicatienetwerk verbindt met een concentratiepunt of een ander nader bepaald aansluitpunt gelegen tussen het netwerkaansluitpunt en de hoofdverdeler of een soortgelijke voorziening in een openbaar telefoonnetwerk op een vaste locatie;25° « volledig ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk » : het verlenen van toegang tot het aansluitnetwerk of het partieel aansluitnetwerk van een operator, waarbij toestemming wordt verleend voor het gebruik van het volledige frequentiespectrum;26° « toegang tot binair debiet » : toegang die bestaat uit het verlenen van digitale transmissiecapaciteit (bitsnelheid) naar een gebruiker waarbij de toegangsleverancier de interface bij de gebruiker vastlegt;27° « gedeelde toegang tot het aansluitnetwerk » : het verlenen van toegang tot het aansluitnetwerk of het partieel aansluitnetwerk van een operator, waarbij toestemming wordt verleend voor het gebruik van het buiten de spraakband liggende deel van het frequentiespectrum;28° « ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk » : het verlenen van volledig ontbundelde toegang of gedeelde toegang tot het aansluitnetwerk, wat geen verandering behelst in de eigendom van het aansluitnetwerk;29° « co-locatie » : het leveren van fysieke ruimte en technische faciliteiten, nodig om het installeren en aansluiten van apparatuur van een operator onder redelijke voorwaarden mogelijk te maken in het kader van een referentieaanbod;30° « huurlijn » : elektronische-communicatiedienst bestaande uit de levering van communicatiefaciliteiten met behulp waarvan transparante transmissiecapaciteit tussen netwerkaansluitpunten wordt geboden, met uitzondering van de schakeling op aanvraag;31° « radiogolven » of « hertzgolven » : elektromagnetische golven die zich in de ruimte voortplanten zonder kunstmatige geleider, en waarvan de frequentie onder 3000 GHz ligt;32° « radiofrequenties » : de frequenties van radiogolven;33° « radiospectrum » : het geheel van de radiofrequenties;34° « radiocommunicatie » : elke overbrenging, door middel van radiogolven, van inlichtingen van alle aard, in het bijzonder van klanken, teksten, beelden, overeengekomen tekens, numerieke of analoge uitdrukkingen, seinen voor afstandsbediening, seinen bestemd voor de opsporing of voor de bepaling van de plaats of de beweging van voorwerpen;35° « zendtoestel voor radiocommunicatie » : iedere generator van elektromagnetische trillingen gebouwd om radiocommunicatie uit te zenden;36° « zend- en ontvangtoestel voor radiocommunicatie » : iedere generator en ontvanger van elektromagnetische trillingen gebouwd om radiocommunicatie uit te zenden en te ontvangen;37° « ontvangtoestel voor radiocommunicatie » : iedere ontvanger van elektromagnetische trillingen gebouwd om radiocommunicatie te ontvangen met uitzondering van toestellen die uitsluitend voor de ontvangst van klank- en televisieomroepuitzendingen bestemd zijn;38° « radiostation » : het geheel samengesteld uit een zendtoestel, een zend- en ontvangtoestel of een ontvangtoestel voor radiocommunicatie, de ermee verbonden antennes alsook alle onderdelen die nodig zijn om het geheel te laten functioneren;39° « schadelijke storing » : storing die het functioneren van een radionavigatiedienst of van andere veiligheidsdiensten in gevaar brengt, of die een overeenkomstig de van toepassing zijnde voorschriften werkende radiocommunicatiedienst of elektronische-communicatiedienst ernstig doet achteruitgaan, hindert of herhaaldelijk onderbreekt;40° « versleuteling » : alle diensten die de beginselen, middelen en methodes voor de omzetting van gegevens aanwenden met de bedoeling de semantische inhoud ervan te verbergen, de authenticiteit ervan vast te stellen, te verhinderen dat zij onopgemerkt worden gewijzigd, te verhinderen dat zij worden verworpen en te verhinderen dat zij zonder toestemming worden gebruikt;41° « eindapparatuur » : een product of een relevant onderdeel ervan dat elektronische communicatie mogelijk maakt en dat bedoeld is voor directe of indirecte aansluiting op de interfaces van een openbaar elektronische-communicatienetwerk;42° « radioapparatuur » : een product of een relevant onderdeel ervan dat geschikt is voor elektronische communicatie door uitzending en/of ontvangst van radiogolven waarbij gebruik wordt gemaakt van het aan aarde/ruimtecommunicatie toegewezen radiospectrum, met uitzondering van toestellen die uitsluitend voor de ontvangst van radio- en televisieomroepuitzendingen bestemd zijn;43° « apparatuur » : alle producten die als radioapparatuur of als eindapparatuur, of als beide fungeren;44° « technische specificatie » : de omschrijving van de kenmerken van alle elektronische-communicatiediensten die via het netwerkaansluitpunt of de radiointerface verstrekt worden;45° « nummeringsruimte » : het geheel van nummers, adressen en namen die aangewend worden om operatoren of gebruikers te identificeren; 46 « geografisch nummer » : een nummer van het nationale nummerplan waarvan een deel van de cijferstructuur een geografische betekenis heeft die wordt gebruikt voor het routeren van gesprekken naar de fysieke locatie van het netwerkaansluitpunt; 47° « niet-geografisch nummer » : een nummer van het nationale nummerplan dat geen geografisch nummer is;het betreft hier onder meer nummers voor mobiele oproepen, nummers die gratis zijn voor de oproepers en betaalnummers; 48° « nummeroverdraagbaarheid » : de faciliteit die het de abonnees van een voor het publiek beschikbare dienst mogelijk maakt hun nummer te behouden, ongeacht de operator, binnen een welbepaald geografisch gebied in geval van een geografisch nummer en op ongeacht welke locatie in geval van andere dan geografische nummers;de faciliteit omvat niet de mogelijkheid om het nummer te behouden tussen een operator van openbare telefoondiensten aangeboden op een vaste locatie en een operator van openbare telefoondiensten aangeboden op een mobiel elektronisch communicatienetwerk; 49° « telefoongids » : boek, lijst of bestand dat of die hoofdzakelijk of uitsluitend gegevens bevat over de abonnees van een openbare telefoondienst en die beschikbaar wordt gesteld voor het publiek om uitsluitend of hoofdzakelijk de oproepnummers van de eindgebruikers te kunnen identificeren;50° « openbare telefoon » : een voor publiek gebruik beschikbaar telefoontoestel;51° « antenne » : een onderdeel van een apparaat of radiostation voor het uitstralen en/of opvangen van radiogolven;52° « basisstation » : een radiostation van een elektronische-communicatienetwerk opgesteld en gebruikt op een bepaalde plaats en bestemd voor radiodekking van een gegeven geografische zone;53° « steun » : structuur waarop antennes van basisstations kunnen worden geplaatst;54° « antennesite » : geheel van constructies dat ten minste één steun, één antenne en lokalen omvat voor de elektrische en elektronische apparatuur, dat de installatie en de exploitatie van een of meer basisstations mogelijk maakt;55° « nationale raming » : de mogelijkheid voor een operator om zijn klanten in staat te stellen in hetzelfde land toegang te krijgen tot de basisdiensten die verstrekt worden door een andere operator van een mobiel communicatienetwerk;56° « identificatie van de lijn » : nummer, teken of geheel van tekens dat aan een abonnee, eindgebruiker, gebruiker of eindapparaat is toegewezen, waarmee deze door andere abonnees, eindgebruikers of gebruikers van openbare elektronische-communicatienetwerken of -diensten kan worden bereikt;57° « identificatie van de oproeper » : elk gegeven, rechtstreeks of onrechtstreeks beschikbaar, in de netwerken en diensten van een operator, dat het oproepnummer van het eindapparaat, de naam van de abonnee en de plaats waar het eindtoestel zich bevindt op het ogenblik van de oproep bepaalt;58° « nooddienst » : een overheidsdienst of dienst van openbaar nut, erkend door de overheid overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 107, § 1, 1°;59° « noodnummer » : oproepnummer van een nooddienst, bepaald overeenkomstig de procedure in artikel 107, § 1, 2° van deze wet;60° « noodoproep » : een oproep naar een noodnummer in het kader van de verlening van bijstand of hulp;61° « beheerscentrale van noodoproepen » : de plaats waar noodoproepen naar een nooddienst binnen een werkingsgebied worden beheerd, hierna « beheerscentrale » genoemd;62° « werkingsgebied van een beheerscentrale » : geografisch gebied waarvoor de beheerscentrale alle oproepen naar de nooddienst beheert, hierna « werkingsgebied » genoemd;63° « erkend revisor » : bedrijfsrevisor ingeschreven op de rol van het Instituut voor Bedrijfsrevisoren;64° « ziekenhuizen » : de instellingen voor gezondheidszorg zoals bepaald in artikel 2 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987;65° « scholen » : alle instellingen van het secundair of hoger onderwijs die behoren tot het net van een Gemeenschap, van een provincie, van een gemeente of tot een vrij gesubsidieerd net;66° « openbare bibliotheken » : elke bibliotheek erkend door de federale Staat of door een Gemeenschap. Art. 3.De levering van elektronische-communicatienetwerken en -diensten is vrij, onder voorbehoud van de voorwaarden die door of krachtens de wet worden vastgesteld. Art. 4.§ 1. Wanneer de openbare veiligheid, de volksgezondheid, de openbare orde of de verdediging van het Rijk dit eisen, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, gedurende de termijn die Hij vaststelt geheel of gedeeltelijk verbieden : 1° elektronische-communicatienetwerken of -diensten aan te bieden;2° apparatuur te houden of te gebruiken. De Koning mag terzake alle maatregelen voorschrijven die Hij nuttig acht, inzonderheid de uitrustingen onder sekwester doen plaatsen of op een bepaalde plaats doen deponeren. De in dit artikel bedoelde maatregelen geven geen aanleiding tot de toekenning van enige vergoeding. § 2. In geval van een uitzonderlijke situatie die ofwel de buitendienststelling, ofwel een overbelasting van de burgerlijke of militaire elektronische-communicatiemiddelen tot gevolg heeft, die de normale werking ervan verhindert, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bij wijze van noodmaatregel iedere maatregel nemen die Hij nodig acht, met inbegrip van de volledige of gedeeltelijke opeising van de transmissiecapaciteit van de operatoren om die in te zetten voor het gebruik van nationale prioritaire diensten of oproepnummers. Indien die opeising een door Hemzelf vastgestelde duur overschrijdt, kan de Koning de nadere regels bepalen voor de eventuele schadeloosstelling van die opeising. HOOFDSTUK II. - Algemene opdrachten van het Instituut inzake elektronische communicatie Art. 5.Binnen het kader van het uitoefenen van zijn bevoegdheden treft het Instituut alle passende maatregelen om de in de artikelen 6 tot 8 genoemde doelstellingen te verwezenlijken. De maatregelen worden op de aard van het vastgestelde probleem gebaseerd, proportioneel toegepast en gerechtvaardigd. Ze dienen in evenredigheid te zijn met die doelstellingen en leven de beginselen van objectiviteit, transparantie, niet-discriminatie en technologische neutraliteit na. Art. 6.Bij de uitvoering van de taken die aan het Instituut krachtens deze wet zijn opgelegd, bevordert het de concurrentie bij de levering van elektronische-communicatienetwerken, van elektronische-communicatiediensten en van bijbehorende faciliteiten, op de volgende wijze : 1° het zorgt ervoor dat de gebruikers maximaal voordeel behalen wat betreft keuze, prijs en kwaliteit;2° het zorgt ervoor dat er in de sector van de elektronische communicatie geen verstoring of beperking van de concurrentie is;3° het bevordert efficiënte investeringen op het gebied van infrastructuur en steunt innovaties;4° het bevordert efficiënt gebruik en zorgt voor een efficiënt beheer van de radiofrequenties en de nummervoorraad. Art. 7.Bij de uitvoering van de taken die krachtens deze wet aan het Instituut zijn opgelegd, draagt het bij tot de ontwikkeling van een interne markt van elektronische-communicatienetwerken en -diensten, op de volgende wijze : 1° het moedigt het aanbieden van elektronische-communicatienetwerken en -diensten op Europees niveau aan;2° het moedigt het opzetten en ontwikkelen van trans-Europese netwerken en de interoperabiliteit van pan-Europese diensten en eind-tot-eindconnectiviteit aan;3° het zorgt ervoor dat er in vergelijkbare omstandigheden geen verschil in behandeling is van operatoren die elektronische-communicatienetwerken en -diensten aanbieden;4° het werkt met andere nationale regelgevende instanties en met de Europese Commissie op transparante wijze samen om te zorgen voor de ontwikkeling van consistente regelgevende praktijken op Europees niveau. Art. 8.Bij de uitvoering van de taken die krachtens deze wet aan het Instituut zijn opgelegd, waakt het over de belangen van de gebruikers, op de volgende wijze : 1° het controleert de naleving van de universeledienstverplichtingen zoals bepaald in deze wet;2° het waarborgt de consument een hoog niveau van bescherming bij zijn relaties met de leveranciers;3° het draagt bij tot het waarborgen van een hoog niveau van bescherming van de persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer;4° het bevordert de verstrekking van duidelijke informatie, met name door te verplichten tot transparantie ten aanzien van tarieven en de voorwaarden voor het gebruik van openbare elektronische-communicatiediensten;5° het houdt rekening met de behoeften van specifieke maatschappelijke groepen, met name gehandicapte eindgebruikers;6° het zorgt voor de integriteit en de veiligheid van de openbare elektronische-communicatienetwerken. TITEL II Het tot stand brengen van elektronische communicatie HOOFDSTUK I. - Netwerken en diensten Art. 9.§ 1. Het aanbieden of het doorverkopen in eigen naam en voor eigen rekening van elektronische-communicatiediensten of -netwerken kan, onverminderd de bepalingen van artikel 39, pas aangevat worden na een kennisgeving aan het Instituut die de volgende elementen bevat : 1° de naam, het adres, het BTW- en handelsregisternummer van de aanbieder of een vergelijkbaar identificatienummer dat deze gegevens op een rechtsgeldige manier bundelt;2° de contactpersoon met het Instituut;3° een bondige en precieze beschrijving van zijn dienst of netwerk;4° de datum waarop de activiteiten vermoedelijk van start gaan. De kennisgeving geschiedt per aangetekende zending. § 2. Door de kennisgeving kan de betreffende operator elektronische-communicatiediensten of -netwerken aanbieden en kan hij zijn aanvragen laten behandelen om faciliteiten overeenkomstig de artikelen 25 tot 28 te installeren. § 3. Iedere operator brengt het Instituut op de hoogte van : 1° iedere wijziging aan de elementen vermeld in § 1, behoudens in de gevallen waarbij een identificatienummer werd meegedeeld dat de bedoelde gegevens op een rechtsgeldige manier bundelt;2° de voorziene stopzetting van zijn activiteiten. § 4. Na ontvangst van de kennisgeving bezorgt het Instituut de operator een standaardverklaring waarin bevestigd wordt dat hij een kennisgeving heeft gedaan om elektronische-communicatiediensten of -netwerken aan te bieden en dat hij in voorkomend geval de mogelijkheid heeft om : 1° een aanvraag in te dienen met het oog op het installeren van faciliteiten;2° te onderhandelen over toegang;3° toegang te verkrijgen. Art. 10.Operatoren die voldoen aan de verplichtingen om openbare elektronische-communicatiediensten of -netwerken aan te bieden, kunnen : 1° in de hele Europese Unie onderhandelen over toegang met gemachtigde aanbieders van openbare elektronische-communicatiediensten of -netwerken;2° aangewezen worden om verschillende onderdelen van een universele dienst op het gehele grondgebied of een deel daarvan aan te bieden. Een operator die een verzoek om toegang ontvangt, kan dit verzoek niet afwijzen om de loutere reden dat de verzoeker nog geen kennisgeving heeft gedaan in België, wanneer deze verzoeker reeds in een andere lidstaat van de Europese Unie is gemachtigd om elektronische-communicatienetwerken of -diensten aan te bieden. Een machtiging in een andere lidstaat ontslaat de verzoeker evenwel niet van een kennisgeving overeenkomstig artikel 9 wanneer deze het aanbieden van elektronische-communicatiediensten of -netwerken op het oog heeft. Wanneer de verzoeker uit een andere lidstaat, die geen diensten aanbiedt en geen netwerk exploiteert, tot toegang of interconnectie verzoekt, hoeft hij niet gemachtigd te zijn om in België te opereren. De betrokken verzoeker dient over een aanspreekpunt te beschikken. HOOFDSTUK II. - Het gebruik van nummers en radiofrequenties Afdeling 1. - Nummers Art. 11.§ 1. Overeenkomstig de nadere regels vastgesteld door de Koning na advies van het Instituut is het Instituut belast met : 1° het beheer van de nationale nummeringsruimte, alsook de vaststelling en de wijziging van de nationale nummerplannen;2° de toewijzing en de intrekking van gebruiksrechten voor nummers en de tenuitvoerlegging van de betreffende procedures;3° de publicatie van de nationale nummerplannen alsook hun toevoegingen of wijzigingen tenzij die publicatie de nationale veiligheid in het gedrang zou brengen. § 2. Het Instituut waakt erover dat een operator waaraan een nummerreeks werd toegewezen, andere aanbieders van elektronische-communicatiediensten niet discrimineert wat de nummersequenties betreft die worden gebruikt om toegang te geven tot hun diensten. § 3. De voorwaarden voor het verkrijgen en uitoefenen van gebruiksrechten voor nummers worden door de minister vastgesteld en mogen enkel verband houden met : 1° de aanwijzing van de dienst waarvoor het nummer wordt gebruikt alsook alle vereisten met betrekking tot het verlenen van die dienst;2° het daadwerkelijk en efficiënt gebruik van toegekende nummers;3° het naleven van de eisen inzake nummeroverdraagbaarheid;4° het verstrekken van informatie aan de in de telefoongidsen en -inlichtingendiensten opgenomen abonnees;5° het respecteren van de maximumduur onder voorbehoud van wijzigingen van het nationale nummerplan;6° de betaling van de gebruiksheffingen overeenkomstig artikel 30;7° de naleving van alle toezeggingen die de onderneming die het gebruiksrecht heeft verkregen, in de loop van de selectieprocedure heeft gedaan;8° de naleving van alle relevante internationale overeenkomsten aangaande het gebruik van nummers. Wanneer het Instituut gebruiksrechten verleent voor een bepaalde termijn, is de duur aangepast aan de betrokken dienst. § 4.De toekenning van gebruiksrechten voor nummers duurt niet langer dan drie weken te rekenen vanaf de ontvangst van een volledige aanvraag. Het Instituut publiceert op zijn website de onderdelen waaruit een volledige aanvraag bestaat. § 5. Na een openbare raadpleging, overeenkomstig artikel 139, kan het Instituut beslissen de gebruiksrechten voor nummers met een bijzondere economische waarde via vergelijkende of op mededinging gebaseerde selectieprocedures te verlenen. In dit geval kan de in § 4 vermelde termijn door het Instituut met drie weken worden verlengd. § 6. De Koning bepaalt, na advies van het Instituut, de nadere regels volgens dewelke nummerblokoverdraagbaarheid tussen operatoren kan geschieden. § 7. De operatoren van openbare telefoondiensten bieden hun abonnees de faciliteit nummeroverdraagbaarheid aan. De Koning bepaalt na, advies van het Instituut, de nadere regels inzake nummeroverdraagbaarheid, de methodologie voor de vaststelling van de kosten voor de toepassing van deze faciliteit en de verdeling van die kosten tussen de betrokken partijen. Afdeling 2. - Radiofrequenties Onderafdeling 1 Principes van toepassing op alle radiofrequenties Art. 12.De artikelen 18 tot 24 zijn niet van toepassing op de specifieke frequenties voor radio-omroep en televisie. Art. 13.Het Instituut is belast met : 1° het beheer van het radiofrequentiespectrum;2° het onderzoek van de aanvragen voor het gebruik van het radiofrequentiespectrum, behoudens de aanvragen bestemd voor radio- en televisieomroep;3° de coördinatie van de radiofrequenties zowel op nationaal als op internationaal vlak;4° de controle op het gebruik van de radiofrequenties. Voor de toewijzing en de coördinatie van radiofrequenties houdt het Instituut rekening met onder meer de betreffende internationale, regionale of bijzondere overeenkomsten alsook met de Europese bepalingen inzake de harmonisatie van radiofrequenties. Art. 14.De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van het Instituut en na overleg met de Gemeenschappen, de technische voorschriften betreffende het gebruik van de radiofrequenties voor zover deze niet uitsluitend voor omroepsignalen zijn bestemd. Het Instituut verzekert de naleving ervan. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van het Instituut en na overleg met de Gemeenschappen, de technische voorschriften betreffende het toekennen van radiofrequenties die uitsluitend voor omroepsignalen zijn bestemd, die gemeenschappelijk moeten blijven voor het geheel van de radioberichtgeving, ongeacht hun bestemming. Het Instituut verzekert de naleving ervan. Art. 15.Het Instituut onderzoekt schadelijke storingen op eigen initiatief of na een klacht en legt de passende maatregelen op teneinde deze schadelijke storingen te doen ophouden. Wanneer de schadelijke storingen veroorzaakt worden door apparatuur of installaties, worden de kosten om de schadelijke storingen op te heffen en te voorkomen ten laste gelegd van de verantwoordelijke gebruiker van de betreffende apparatuur of installaties. Art. 16.De Koning bepaalt, na advies van het Instituut en de Gemeenschappen, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de algemene politieverordeningen van de radiogolven. Art. 17.De coördinatie van radiofrequenties voor radio-omroep wordt geregeld door een samenwerkingsakkoord met de Gemeenschappen, met toepassing van artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen. Onderafdeling 2. - Regels inzake de frequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor diensten aan het publiek Art. 18.§ 1. De voorwaarden voor het verkrijgen en uitoefenen van gebruiksrechten voor radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische- communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, worden door de Koning vastgesteld bij een besluit, genomen na advies van het Instituut en vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en mogen enkel verband houden met : 1° de betreffende dienst, het netwerk of de technologie waarvoor de gebruiksrechten voor de radiofrequentie zijn verleend, in voorkomend geval met inbegrip van het exclusieve gebruik van een radiofrequentie voor de doorgifte van specifieke inhoud of specifieke diensten;2° het daadwerkelijk en efficiënt gebruik van radiofrequenties overeenkomstig de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen;3° de technische en operationele voorwaarden ter voorkoming van schadelijke storingen en ter beperking van blootstelling van het publiek aan elektromagnetische velden;4° de maximumduur onder voorbehoud van wijzigingen van het nationale frequentieplan;5° de overdracht op initiatief van de houder van de rechten en de daarvoor geldende voorwaarden;6° de gebruiksheffingen overeenkomstig artikel 30;7° de toezeggingen die de operator die het gebruiksrecht inzake de radiofrequenties heeft verkregen, in de loop van de selectieprocedure heeft gedaan;8° de verplichtingen uit hoofde van de relevante internationale overeenkomsten aangaande het gebruik van radiofrequenties. § 2 Wanneer het Instituut gebruiksrechten voor radiofrequenties verleent voor een bepaalde termijn is de duur aangepast aan de betrokken dienst. § 3. Indien een frequentie waarvoor een gebruiksrecht werd verkregen, niet binnen een redelijke termijn in dienst wordt genomen, kan het Instituut, na de betrokkene gehoord te hebben, het gebruiksrecht intrekken. § 4. Indien uit het advies van het Instituut blijkt dat het gevaar op schadelijke storingen verwaarloosbaar is en dat dit verenigbaar is met de vereisten van een daadwerkelijk en efficiënt beheer van het radiofrequentiespectrum, kan de Koning besluiten bepaalde van de in § 1 voorziene voorwaarden niet op te leggen. Art. 19.Indien een operator gebruiksrechten wenst over te dragen voor radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische-communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, brengt hij daarvan het Instituut op de hoogte. Het Instituut stemt met de frequentieoverdracht in indien : 1° zij geen concurrentievervalsing teweeg kan brengen, en 2° zij in overeenstemming is met de vereisten van een daadwerkelijk en efficiënt beheer van het radiofrequentiespectrum. De overdracht van een frequentie waarvan het gebruik is geharmoniseerd, leidt in geen geval tot een verandering van het gebruik van die radiofrequentie. De Koning bepaalt, na advies van het Instituut, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels waaronder de overdracht van gebruiksrechten voor radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische-communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, kan plaatsvinden. Art. 20.§ 1. Het Instituut beperkt het aantal te verlenen gebruiksrechten voor radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische-communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, niet tenzij : 1° om schadelijke storingen te vermijden wanneer deze laatsten een gevolg zijn van onvoldoende beschikbare ruimte binnen het frequentiespectrum, mits de beperking evenredig is;2° om een efficiënt en rationeel gebruik van radiofrequenties te waarborgen. Na advies van het Instituut, bepaalt de Koning de procedure tot beperking van het aantal te verlenen gebruiksrechten voor radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische-communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden. § 2. Tijdens het verloop van de procedure tot beperking van het aantal gebruiksrechten voor radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische-communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, zorgt het Instituut ervoor dat : 1° alle belanghebbende partijen, met inbegrip van gebruikers en consumenten, zich in een openbare raadpleging overeenkomstig artikel 139 kunnen uitspreken over de voorgenomen beperking;2° elke beslissing tot beperking van het verlenen van gebruiksrechten met opgave van de redenen bekend wordt gemaakt;3° na de vaststelling van de selectieprocedure de belangstellenden uitgenodigd worden tot het indienen van aanvragen voor gebruiksrechten;4° de beperking met een redelijke regelmaat of ingevolge een redelijk verzoek van de betroffen ondernemingen wordt herzien. Art. 21.§ 1. Wanneer de verlening van het aantal gebruiksrechten voor radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische-communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, moet worden beperkt, verleent het Instituut die rechten op basis van objectieve, transparante, niet-discriminerende en evenredige selectiecriteria. § 2. Onverminderd artikel 18, § 1, duurt de procedure voor de toekenning van gebruiksrechten voor radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische-communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, die voor specifieke doeleinden zijn toegewezen binnen het nationale frequentieplan niet langer dan zes weken te rekenen vanaf de ontvangst van de volledige aanvraag. De in het vorige lid vermelde termijn kan overeenkomstig de bestaande internationale akkoorden terzake door het Instituut worden verlengd indien internationale frequentiecoördinatie noodzakelijk is. Het Instituut brengt de aanvrager hiervan onverwijld op de hoogte. § 3. Wanneer vergelijkende of op mededinging gebaseerde selectieprocedures worden toegepast voor het verlenen van gebruiksrechten voor radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische-communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, kan de in § 2 vermelde termijn door het Instituut met maximaal acht maanden worden verlengd. De procedure vermeld in artikel 20, § 2, is van toepassing op de vergelijkende of op mededinging gebaseerde selectieprocedures. Art. 22.Indien een operator vraagt om een gebruiksrecht te verkrijgen voor een deel van het radiofrequentiespectrum waarvoor niet in een procedure voor toekenning is voorzien, stelt het Instituut, binnen de zes weken na de ontvangst van een volledige aanvraag, de voorlopige voorwaarden vast volgens dewelke de aanvrager zijn activiteiten kan aanvangen of wijst het een dergelijke aanvraag op gemotiveerde wijze af. De in het vorige lid vermelde termijn kan overeenkomstig de bestaande internationale akkoorden terzake door het Instituut worden verlengd indien internationale frequentiecoördinatie noodzakelijk is. Het Instituut brengt de aanvrager hiervan onverwijld op de hoogte. Indien het Instituut het gebruik van een bepaalde radiofrequentie die geheel of gedeeltelijk gebruikt wordt voor elektronische-communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, heeft toegestaan op basis van voorlopige voorwaarden wordt het koninklijk besluit vermeld in artikel 18, § 1, hiermee in overeenstemming gebracht tenzij de Koning, na advies van het Instituut, van oordeel is dat het betreffende gebruiksrecht aan andere voorwaarden onderworpen moet worden. De voorwaarden van het voorlopige gebruiksrecht worden in voorkomend geval gewijzigd om in overeenstemming te worden gebracht met de bepalingen van voornoemd besluit. Art. 23.Wanneer het Instituut beslist dat er bijkomende rechten voor het gebruik van radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische-communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, kunnen worden verleend, maakt het dit bekend en doet het een uitnodiging tot het indienen van aanvragen voor deze rechten overeenkomstig de nadere regels bepaald door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van het Instituut. Art. 24.Wanneer het gebruik van radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische-communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, is geharmoniseerd, de voorwaarden en procedures voor toegang zijn overeengekomen en de operatoren waaraan de radiofrequenties zullen worden toegewezen, geselecteerd zijn overeenkomstig de internationale overeenkomsten en de communautaire voorschriften, verleent het Instituut dienovereenkomstig het recht om radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische-communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, te gebruiken. Wanneer in het geval van een gemeenschappelijke selectieprocedure aan alle voorwaarden inzake het gebruiksrecht van de betrokken radiofrequenties is voldaan, worden geen nadere voorwaarden, bijkomende criteria of procedures opgelegd die de correcte toepassing van de gemeenschappelijke toewijzing van voornoemde radiofrequenties beperken, wijzigen of uitstellen HOOFDSTUK III. - Het gedeeld gebruik van sites Afdeling 1. - Het gedeeld gebruik van antennesites Art. 25.§ 1. De operator stelt alles in het werk om, in de mate van het mogelijke, zijn antennes op reeds bestaande steunen te bevestigen, zoals daken van gebouwen, pylonen, gevels, zonder dat deze lijst beperkend is. § 2. Een operator die een steun in eigendom heeft, staat op redelijke en niet-discriminerende wijze gedeeld gebruik van de antennesite toe. § 3. Indien de steun van een antennesite eigendom is van een operator staat deze toe dat een andere operator zijn antenne bevestigt op de betreffende steun. Indien de bijhorende gebouwen eigendom zijn van een operator en de mogelijkheid bieden om de uitrustingen van verschillende operatoren in afzonderlijke lokalen te installeren, staat deze toe dat de verzoekende operator hiervan eveneens gebruik maakt om zijn basisstation te installeren. § 4. De vergoeding voor het gedeeld sitegebruik bestaat uit de globale kosten zijnde de directe verwervingskosten van het terrein alsook de werkelijke bouw- en onderhoudskosten, vermeerderd met een percentage dat gelijk is aan de gewogen gemiddelde kapitaalkosten van de operator die gedeeld sitegebruik verleent. Deze vergoeding wordt voorafgaandelijk door het Instituut goedgekeurd. De vergoeding wordt over alle operatoren verdeeld naar evenredigheid van hun daadwerkelijk gebruik of reservatie van de antennesite. Indien het gedeelde sitegebruik verstevigingswerken met zich meebrengt, worden de kosten van die werken gedragen door de operatoren die er de oorzaak van zijn. § 5. Iedere overeenkomst die gesloten wordt inzake gedeeld sitegebruik moet redelijk, proportioneel en niet-discriminerend zijn. § 6. De bepalingen van de §§ 1 tot 5 gelden tevens voor antennesites waarvan de steun eigendom is van : 1° een persoon die de antennesite ten behoeve van een operator beheert;2° een persoon waarop de operator rechtstreeks of indirect een overheersende invloed kan uitoefenen;3° een persoon die een overheersende invloed kan uitoefenen op de operator;4° een persoon die evenals de operator, onderworpen is aan de overheersende invloed van eenzelfde derde. De overheersende invloed wordt vermoed wanneer een persoon, rechtstreeks of indirect : 1° de meerderheid van het geplaatste kapitaal van de rechtspersoon bezit;2° beschikt over de meerderheid van de stemmen die verbonden zijn met de door de rechtspersoon uitgegeven aandelen, of 3° meer dan de helft van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de rechtspersoon kan aanwijzen. § 7. Indien een antennesite eigendom is van een derde, verzetten de operatoren die deze site exploiteren of gedeeld gebruiken, zich niet tegen een overeenkomst tussen de eigenaar en een operator waardoor deze laatste de mogelijkheid wordt geboden de betreffende site gedeeld te gebruiken. Art. 26.§ 1. Elke operator brengt minstens een maand voor hij bij de bevoegde overheid een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning indient voor een bepaalde antennesite of voor een deel van een site, de overige operatoren hiervan op de hoogte. Zij beschikken over een maand om de eerste operator om gedeeld sitegebruik te verzoeken. In voorkomend geval staat de eerste operator het gedeelde gebruik van de site toe op een redelijke en niet-discriminerende wijze. De betreffende stedenbouwkundige aanvraag wordt indien nodig aangepast aan het gedeeld gebruik en ingediend door de operatoren die van de site gebruik zullen maken. § 2. Het Instituut kan na gemotiveerd verzoek van een operator een afwijking toestaan van de in § 1 vermelde termijnen. Art. 27.§ 1. Er wordt een databank van antennesites gecreëerd die alle relevante informatie bevat om de evaluatie van sites, met het oog op het gedeeld gebruik ervan, te vergemakkelijken. § 2. Medewerking door de operatoren aan de uitbouw en het gebruik van de databank van antennesites is verplicht. § 3. De Koning, na advies van het Instituut, regelt het beheer van de databank van antennesites. § 4. De kosten van de databank van antennesites worden gedragen door alle betreffende operatoren op grond van een onderlinge overeenkomst. Indien deze overeenkomst niet aangepast wordt binnen drie maanden na het verzoek daartoe door een nieuwe operator, worden de kosten van de databank van antennesites en de verdeling per operator door het Instituut bepaald. § 5. Het Instituut ziet er op toe dat de databank van de antennesites in het algemeen belang wordt beheerd. Daartoe beschikt het Instituut over toegang tot de databank. Het Instituut kan de maatregelen opleggen die het nodig acht ter vrijwaring van het algemeen belang en om een vlotte uitwisseling van informatie inzake sites en hun gedeeld gebruik te bevorderen. Afdeling 2. - Het gedeeld gebruik van andere sites Art. 28.De Koning, na advies van het Instituut, bepaalt de regels die van toepassing zijn op het gedeeld gebruik van andere sites dan die vermeld in afdeling 1. Het Instituut laat zijn advies voorafgaan door een openbare raadpleging. HOOFDSTUK IV. - Administratieve bijdragen Art. 29.§ 1. De administratieve bijdragen die worden opgelegd aan de operatoren, onverminderd de bepalingen van de artikelen 43, 45, 46 en 47, dienen ter dekking van de kosten inzake : 1° het opstellen, het beheer, de controle en de toepassing van de wetgeving en van de gebruiksrechten;2° de specifieke opdrachten van het Instituut inzake toegang en universeledienstverlening;3° internationale samenwerking, harmonisatie en normering, marktanalyse, controle op de naleving en ander markttoezicht;4° het adviseren en handhaven van secundaire wetgeving en het nemen van administratieve beslissingen. Het Instituut int de administratieve bijdragen. § 2. De Koning, na advies van het Instituut, bepaalt het bedrag en de nadere regels inzake de administratieve bijdrage met het oog op een objectieve, transparante en evenredige verdeling. Art. 30.§ 1. De in de artikelen 11 en 18 bedoelde gebruiksrechten kunnen aan heffingen onderworpen worden teneinde een optimaal gebruik van deze middelen te waarborgen. De heffingen worden door het Instituut geïnd. § 2. De Koning, na advies van het Instituut, bepaalt het bedrag en de nadere regels inzake de in § 1 bedoelde heffingen. Art. 31.Het Instituut publiceert en actualiseert alle relevante informatie over rechten, voorwaarden, procedures, bijdragen en beslissingen betreffende kennisgevingen en gebruiksrechten op de website van het Instituut. HOOFDSTUK V. - Apparatuur Art. 32.§ 1. Apparatuur mag slechts gehouden of gecommercialiseerd worden indien zij voldoet aan de basisvereisten. De basisvereisten zijn de volgende : 1° de apparatuur levert geen enkel risico op voor de gezondheid en de veiligheid van gebruikers en derden en komt tegemoet aan de doelstelling van de reglementering inzake de veiligheidsgaranties met betrekking tot elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen, echter zonder toepassing van de spanningsgrens;2° de apparatuur voldoet aan de doelstelling van de regelgeving met betrekking tot elektromagnetische compatibiliteit;3° de apparatuur is zo geconstrueerd dat zij het toegewezen spectrum voor grond- en ruimtecommunicatie en de satellietcapaciteit efficiënt gebruikt zonder schadelijke storingen te veroorzaken. § 2. De Koning kan, na advies van het Instituut, voor bepaalde apparatuur bijkomende basisvereisten opleggen die kunnen betrekking hebben op : 1° het via netwerken onderling functioneren met andere apparatuur en de mogelijkheid om aan te sluiten op interfaces van hetzelfde type;2° het voorkomen van mogelijke beschadiging van het netwerk, misbruik van de netwerkmiddelen en het veroorzaken van een onaanvaardbare verslechtering van de dienst;3° de bescherming van de persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker en de abonnee;4° de fraudebestrijding;5° de toegang tot de nooddiensten;6° het vergemakkelijken van het gebruik door gebruikers met een handicap. § 3. Onverminderd de bepalingen van §§ 1 en 2, mag apparatuur slechts gehouden en gecommercialiseerd worden indien zij voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° de apparatuur wordt onderworpen aan een gepaste procedure waarbij de conformiteit van de apparatuur met de onder §§ 1 en 2 toepasselijke basisvereisten wordt vastgesteld;2° de apparatuur is voorzien van een CE-merkteken van conformiteit en van de andere van toepassing zijnde opschriften;3° bij de apparatuur wordt de nodige informatie gevoegd over de voorwaarden inzake de ingebruikname en de werking van de apparatuur. De Koning, na advies van het Instituut, bepaalt de nadere regels inzake voornoemde voorwaarden. § 4. Radioapparatuur die gebruik maakt van frequentiebanden waarvan het gebruik in de Europese Unie niet is geharmoniseerd, wordt voor het op de markt brengen aan het Instituut genotificeerd. De Koning, na advies van het Instituut, bepaalt de nadere regels. Art. 33.§ 1. Het is verboden de volgende apparatuur te houden, te commercialiseren of te gebruiken : 1° apparatuur waarvan het gebruik onverenigbaar is met één of meerdere van de volgende bepalingen :
- a)de artikelen 41 en 124;
- b)de artikelen 259bis en 314bis van het Strafwetboek;
- c)artikel 1, § 6, van de wet van 21 juni 1985Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/06/1985 pub. 15/02/2012 numac 2012000076 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen 2° radioapparatuur, met inbegrip van soorten radioapparatuur, die schadelijke storingen veroorzaakt. Indien het Instituut redelijkerwijze kan aannemen dat bepaalde radioapparatuur schadelijke storingen kan veroorzaken met bestaande of geplande diensten, neemt het alle nodige maatregelen teneinde die schadelijke storingen te vermijden, dit met inbegrip van een verbod op of een verwijdering van de markt van de betreffende radioapparatuur. § 2. De bepaling onder § 1, 2°, is niet van toepassing wanneer : 1° het een zendtoestel voor radiocommunicatie betreft dat uitsluitend wordt besteld, opgesteld en gebruikt om te verhinderen dat op het domein van penitentiaire instellingen radiocommunicatie mogelijk is. Dergelijk zendtoestel mag enkel gebruikt worden wanneer dit noodzakelijk is voor de openbare orde of de bestrijding van de criminaliteit, en 2° het een zendtoestel voor radiocommunicatie betreft dat is vergund overeenkomstig artikel 39, § 1;3° de indienststelling van het onder 1° vermelde zendtoestel ten minste 90 dagen vooraf wordt gemeld aan de operatoren van wie de dienstverlening zal worden verhinderd, en 4° de precieze datum van de indienststelling van het onder 1° vermelde zendtoestel voorafgaandelijk aan het Instituut wordt gemeld, en 5° bij de indienststelling door het Instituut wordt onderzocht of het betreffende zendtoestel buiten het domein van de penitentiaire inrichting schadelijke storingen veroorzaakt.Indien dit het geval zou zijn, wordt de indienststelling onmiddellijk stopgezet. De rechten van operatoren inzake het gebruik van frequenties worden beperkt ingeval van het gebruik van zendtoestellen die voldoen aan de voorwaarden die in deze paragraaf vervat zijn. Na de indienststelling overeenkomstig onderdeel 5°, onderzoekt het Instituut regelmatig, al dan niet op eigen initiatief en al dan niet aangekondigd, of het betreffende zendtoestel buiten het domein van de penitentiaire inrichtingen schadelijke storingen veroorzaakt. Indien dit het geval is, wordt hen onmiddellijk toegang verschaft tot de penitentiaire inrichting in kwestie en wordt het zendtoestel onder hun toezicht stilgelegd. Wederindienststelling moet overeenkomstig de bepalingen van § 2, 1°, 2°, 4° en 5° van dit artikel geschieden. Art. 34.Art. 40 is niet van toepassing op : 1° apparatuur die uitsluitend wordt gebruikt door de overheid bij activiteiten die betrekking hebben op de defensie, de openbare veiligheid en de staatsveiligheid; 2° de door radioamateurs gebruikte radioapparatuur indien die :
- a)overeenstemt met de apparatuur bedoeld in artikel 1, definitie 1.56 van het radioreglement van de Internationale Telecommunicatie Unie;
- b)niet in de handel verkrijgbaar is, in die zin dat zij door radioamateurs kan zijn geassembleerd uit bouwpakketten van losse onderdelen of kan bestaan uit apparatuur die in de handel verkrijgbaar is en die door radioamateurs voor eigen gebruik wordt omgebouwd;3° de door de Koning aangewezen apparatuur die uitsluitend wordt gebruikt voor de uitrusting van zeeschepen;4° de producten, uitrusting en elementen in de zin van artikel 2 van Verordening (EEG) nr.3922/91 van de Raad van 16 december 1991 inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart; 5° de door de Koning aangewezen apparatuur en systemen voor luchtverkeersafhandeling;6° apparatuur die op beurzen of soortgelijke exposities wordt vertoond op voorwaarde dat duidelijk zichtbaar wordt aangegeven dat die apparatuur niet op de markt mag worden gebracht noch mag worden gebruikt;7° apparatuur die uitsluitend bestemd is voor uitvoer, op voorwaarde dat ze het voorwerp heeft uitgemaakt van een voorafgaande machtiging door het Instituut. Art. 35.De gebruiker van apparatuur gebruikt die overeenkomstig de informatie vermeld in artikel 32, § 3, 3°. Art. 36.§ 1. Apparatuur die voldoet aan de wettelijke voorwaarden, mag worden aangesloten op de daartoe geschikte interfaces. Een operator van een openbaar elektronische-communicatienetwerk mag een dergelijke aansluiting niet om technische redenen weigeren. § 2. Het gebruik alsook de commercialisering van apparatuur die voldoet aan de wettelijke voorwaarden en toch schade toebrengt aan het netwerk, de werking ervan schaadt, of schadelijke storing veroorzaakt, kan overeenkomstig de nadere regels vastgesteld door de Koning, na advies van het Instituut, worden beperkt of verboden. Art. 37.Niettegenstaande de bepalingen van artikel 32 zijn het commercialiseren en het gebruik van apparatuur toegestaan indien deze apparatuur : 1° voldoet aan de bepalingen vermeld in het koninklijk besluit van 10 november 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/05/2002 pub. 31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten2 betreffende de goedkeuringen van eindapparaten voor telecommunicatie, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 september 1998, of aan de bepalingen vermeld in het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 november 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/05/2002 pub. 31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten2 en bij de ministeriële besluiten van 24 december 1982, 19 december 1986, 7 juli 1989, 22 juni 1992, 27 november 1992 en 19 oktober 1999, en 2° op de markt gebracht werd voor 8 april 2001, en 3° in overeenstemming is met het oorspronkelijk goedgekeurde type. De bepalingen van het voorgaande lid gelden niet voor de eindapparatuur vermeld in artikel 3, § 4, 2°, van het koninklijk besluit van 10 november 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/05/2002 pub. 31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten2 betreffende de goedkeuringen van eindapparaten voor telecommunicatie. Art. 38.Operatoren die openbare elektronische-communicatiediensten aanbieden, publiceren de exacte en passende technische specificaties van hun interfaces vooraleer de via deze interfaces verstrekte diensten voor het publiek beschikbaar zijn. De specificaties worden op eenvoudig verzoek aan iedere belangstellende bezorgd en zijn voldoende nauwkeurig om apparatuur te kunnen ontwerpen die voldoet aan de relevante voorwaarden van artikel 32, §§ 1 en 2, en waarmee alle diensten die via de betreffende interface worden verstrekt, kunnen worden gebruikt. De operatoren die openbare elektronische-communicatiediensten aanbieden werken deze specificaties regelmatig bij zodat ze steeds actueel blijven. Voorafgaand aan de publicatie bezorgen zij een kopie ervan aan het Instituut. HOOFDSTUK VI. - Bepalingen inzake het gebruik van radioapparatuur Art. 39.§ 1. Niemand mag in het Rijk noch aan boord van een zeeschip, een binnenschip, een luchtvaartuig of enige andere drager onderworpen aan het Belgisch recht, een zend- en/of ontvangtoestel voor radiocommunicatie houden, of een station of een niet-openbaar netwerk voor radiocommunicatie aanleggen en doen werken zonder schriftelijke vergunning van het Instituut. Die vergunning is persoonlijk en kan worden ingetrokken. § 2. De Koning bepaalt, na advies van het Instituut, de algemene regels inzake toekenning, schorsing en intrekking van de in § 1 bedoelde vergunningen. Hij kan bepalen in welke gevallen die vergunningen niet vereist zijn. § 3. Het Instituut bepaalt de verplichtingen van de houders van een vergunning en de voorwaarden waaraan de toegelaten stations en netten voor radiocommunicatie moeten voldoen. § 4. De in § 1 bedoelde vergunningen zijn niet vereist voor de stations voor radiocommunicatie die voor militaire doeleinden of met het oog op de openbare veiligheid aangelegd en gebruikt worden door de diensten die onder de minister van Landsverdediging ressorteren, door de Noord Atlantische Verdragsorganisatie en door de Geallieerde Strijdkrachten. Art. 40.Het Instituut is bevoegd voor het uitvaardigen van technische voorschriften betreffende het gebruik van de radioapparatuur. Art. 41.Behoudens de officieren van gerechtelijke politie vermeld in artikel 24 van de wet van 17 januari 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/01/2003 pub. 24/01/2003 numac 2003014010 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector type wet prom. 17/01/2003 pub. 24/01/2003 numac 2003014009 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector sluiten met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector voor wat betreft punt 2°, mag niemand in het Rijk, noch aan boord van een schip, een luchtvaartuig of enige andere drager onderworpen aan het Belgisch recht : 1° valse of bedrieglijke alarm-, spoed- of noodseinen of noodoproepen uitzenden of trachten uit te zenden;2° andere radiocommunicatie dan die bedoeld in artikel 314bis van het Strafwetboek en die niet voor hem bestemd is, opvangen of trachten op te vangen.Indien zulke verbindingen onopzettelijk worden ontvangen, mogen zij noch weergegeven, noch aan derden medegedeeld, noch voor enig ander doeleind worden gebruikt en zelfs aan hun bestaan mag geen bekendheid worden gegeven, behalve in de gevallen door de wet opgelegd of toegestaan. Art. 42.§ 1. Het is verboden een zend- en/of ontvangtoestel voor private radiocommunicatie te verkopen, te verhuren, in leen te geven of te schenken aan iemand die de in artikel 39, § 1, voorgeschreven vergunning voor het houden van een dergelijk toestel niet heeft verkregen. Het Instituut kan dit verbod opheffen voor toestellen die uitsluitend voor de uitvoer bestemd zijn. § 2. Iedere constructeur, verkoper of verhuurder van zendtoestellen of zend-ontvangtoestellen voor private radiocommunicatie en eenieder die, zelfs toevallig, een toestel of een stel van losse stukken waarmee een zodanig toestel gebouwd kan worden, verkoopt, verhuurt, in leen geeft of schenkt, moet daarvan aangifte doen bij het Instituut. § 3. De aangifte bevat : 1° de aard en de datum van de verrichting;2° de naam en voornamen of de firmanaam en het adres van de verkrijger;3° het nummer van de vergunning. § 4. De aangever moet zich van de juistheid van die inlichtingen vergewissen. Hij mag daartoe eisen dat de identiteitskaart van de verkrijger of enig ander bewijsstuk wordt overgelegd. § 5. De installateur draagt er zorg voor dat de installatie van de apparatuur gebeurt conform de vergunningsvoorwaarden. Indien de installatie niet conform is gebeurd, kan het Instituut de kosten van de controle en van het correct installeren ten laste leggen van de installateur. § 6. De Koning bepaalt, na advies van het Instituut, de nadere regels voor de toepassing van dit artikel en stelt de passende controlemaatregelen vast. § 7. Dit artikel is niet van toepassing op het radiomateriaal dat voor militaire doeleinden of met het oog op de openbare veiligheid werd besteld door de diensten die onder de minister van Landsverdediging ressorteren, door de Noord Atlantische Verdragsorganisatie en door de Geallieerde Strijdkrachten. Art. 43.De Koning stelt, na advies van het Instituut, het bedrag en de betalingswijze vast van de rechten die aan het Instituut moeten worden betaald door vergunninghouders om de uitgaven te dekken die voortvloeien uit de controle over de naleving van hun verplichtingen en van de aan hun stations en netten voor radiocommunicatie opgelegde voorwaarden alsmede voor het te hunner beschikking stellen van één of meer frequenties en het recht die te gebruiken. De Koning bepaalt, na advies van het Instituut, onder welke voorwaarden de vergunninghouder voor zijn kosten wordt vergoed wanneer hem, om redenen van openbaar belang, een technische wijziging van zijn zend- of ontvangtoestel voor radiocommunicatie opgelegd wordt. Art. 44.§ 1. Wanneer de openbare veiligheid of de verdediging van het Rijk het vergt, mag de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het houden of het gebruik van zend- en ontvangtoestellen voor radiocommunicatie geheel of gedeeltelijk verbieden gedurende de termijn die Hij vaststelt. Hij mag daartoe alle nuttige maatregelen voorschrijven, inzonderheid de toestellen onder sekwester doen plaatsen of op een bepaalde plaats doen deponeren. § 2. Deze maatregelen geven geen aanleiding tot enigerlei vergoeding. HOOFDSTUK VII. - Telefoongidsen, telefooninlichtingendiensten en de uitbating van voor het publiek beschikbare communicatiesystemen Art. 45.§ 1. Personen die een telefoongids wensen te vervaardigen, verkopen of verspreiden, brengen het Instituut hiervan voorafgaandelijk op de hoogte. De Koning bepaalt, na advies van het Instituut, de voorwaarden waaronder de telefoongidsen worden vervaardigd, verkocht of verspreid, de inhoud en de vorm van de voornoemde kennisgeving. § 2. De personen die openbare telefoondiensten aanbieden aan abonnees stellen de noodzakelijke abonneegegevens ter beschikking van de personen die een aangifte hebben gedaan in de zin van § 1, onder billijke, redelijke en niet-discriminerende, technische, financiële en commerciële voorwaarden. § 3. Zonder kosten voor de abonnees, houden de personen die aan abonnees openbare telefoondiensten aanbieden de gegevens apart met betrekking tot de abonnees die gevraagd hebben niet te worden opgenomen in een telefoongids, zodat die abonnees de telefoongids kunnen ontvangen zonder dat hun gegevens daarin vermeld staan. § 4. De personen die een aangifte hebben gedaan in de zin van § 1, mogen de gegevens die overeenkomstig § 2 zijn meegedeeld, slechts gebruiken met het oog op de levering van een telefoongids. § 5. Personen die telefoongidsen en openbare telefoondiensten aanbieden, nemen het beginsel van de niet-discriminatie in acht bij de behandeling van hun door andere ondernemingen verstrekte informatie. Art. 46.§ 1. Personen die een telefooninlichtingendienst wensen te verstrekken, moeten daarvan aangifte doen bij het Instituut. De Koning stelt, na advies van het Instituut, de voorwaarden vast waaronder de telefooninlichtingendienst wordt verstrekt alsook de inhoud en de vorm van de voormelde aangifte. § 2. Personen die aan abonnees openbare telefoondiensten aanbieden, stellen aan de personen die een aangifte hebben gedaan in de zin van § 1, de gegevens met betrekking tot die abonnees ter beschikking onder billijke, redelijke en niet-discriminerende, technische, financiële en commerciële voorwaarden. § 3. Zonder kosten voor de abonnees, laten de personen die aan abonnees openbare telefoondiensten aanbieden de gegevens weg met betrekking tot de abonnees die gevraagd hebben niet te worden vermeld in een telefooninlichtingendienst. § 4. De personen die een aangifte hebben gedaan in de zin van § 1, mogen de gegevens die overeenkomstig § 2 zijn meegedeeld, slechts gebruiken met het oog op de levering van een telefooninlichtingendienst. Art. 47.De Koning bepaalt, na advies van het Instituut, de categorieën van personen aan wie operatoren de commercialisering van hun diensten hebben toevertrouwd, die gehouden zijn een aangifte overeenkomstig artikel 9 te doen, alsook de nadere regels van deze aangifte en de verschuldigde rechten teneinde de kosten van het Instituut terzake te dekken. De Koning bepaalt eveneens de voorwaarden waaronder deze personen de betreffende diensten mogen commercialiseren. HOOFDSTUK VIII. - Versleuteling Art. 48.Het gebruik van versleuteling is vrij. De terbeschikkingstelling aan het publiek van versleutelingsdiensten aangewezen door de Koning, na advies van het Instituut, is onderworpen aan een voorafgaande kennisgeving aan het Instituut. De Koning legt na advies van het Instituut de inhoud en de vorm van die kennisgeving vast. HOOFDSTUK IX Overige activiteiten inzake elektronische communicatie Art. 49.§ 1. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van het Instituut, de voorwaarden die van toepassing zijn voor het aanbieden van andere activiteiten inzake elektronische communicatie. § 2. Het in § 1 bedoelde ontwerpbesluit wordt aan het met redenen omkleed advies van de Afdeling Wetgeving van de Raad van State onderworpen. Dit advies wordt, samen met het verslag aan de Koning en het koninklijk besluit waarop het betrekking heeft, bekendgemaakt. § 3. Het koninklijk besluit genomen krachtens § 1 van dit artikel wordt opgeheven wanneer het niet binnen vijftien maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad bij wet werd bekrachtigd. TITEL III. - Bepalingen met het oog op het waarborgen van een eerlijke mededinging HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. 50.Alle inlichtingen die in het kader van onderhandelingen over een toegangsovereenkomst door de ene operator aan de andere worden meegedeeld, zijn vertrouwelijk, onverminderd het recht van elke belanghebbende om deze vertrouwelijke inlichtingen mee te delen aan het Instituut of aan een andere administratieve of gerechtelijke instantie. Die inlichtingen worden uitsluitend verwerkt om dat akkoord te kunnen sluiten. Art. 51.§ 1. Indien tijdens onderhandelingen met betrekking tot toegang er geen overeenstemming kan worden bereikt tussen de partijen, kan het Instituut, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van één van de partijen, na ze gehoord te hebben, ingrijpen ter waarborging van de basisdoelstellingen bepaald in de artikelen 6 tot 8. § 2. Onverminderd de maatregelen van artikel 55, § 3, kan het Instituut aan operatoren die de toegang tot de eindgebruikers controleren, verplichtingen opleggen voor zover noodzakelijk om eind-tot-eindverbindingen te verzekeren. Het Instituut kan daarbij de voorwaarden inzake de te verstrekken toegang opleggen, die het passend acht, hetgeen in gevallen waarin zulks gerechtvaardigd is voor de operatoren ook de verplichting inhoudt om te zorgen voor interconnectie van hun netwerken waar dat nog niet gebeurd is. Art. 52.Elke operator die een openbaar elektronische-communicatienetwerk levert, is verplicht met elke operator die daarom verzoekt, te goeder trouw te onderhandelen over een interconnectieovereenkomst met het doel elektronische-communicatiediensten aan te bieden die voor het publiek beschikbaar zijn. Wanneer het Instituut, overeenkomstig de procedure van artikel 51, § 1, verplichtingen inzake interconnectie oplegt, kan het daarbij de voorwaarden inzake de te verstrekken toegang bepalen die het passend acht. Art. 53.De Koning stelt na advies van het Instituut de elementen vast die ten minste moeten worden geregeld in een interconnectieovereenkomst. Elke interconnectieovereenkomst wordt integraal aan het Instituut meegedeeld. HOOFDSTUK II. - Procedure voor de analyse van de relevante markten en bepaling van de operatoren met een sterke machtspositie Art. 54.Na elke publicatie door de Europese Commissie van haar « Aanbeveling betreffende relevante producten- en dienstenmarkten in de elektronische-communicatiesector », hierna ook de « Aanbeveling » genoemd, en op gezette tijden bepaalt het Instituut de relevante markten voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten, alsook hun respectieve geografische uitgestrektheid. Art. 55.§ 1. Overeenkomstig § 4 voert het Instituut minstens zo spoedig mogelijk na de aanneming van de Aanbeveling of een bijwerking daarvan een analyse van die relevante markten uit om te bepalen of zij daadwerkelijk concurrentieel zijn. De informatie-uitwisseling nodig voor die analyse gebeurt overeenkomstig artikel 137, § 2. § 2. Wanneer het Instituut overeenkomstig § 4 concludeert dat een relevante markt daadwerkelijk concurrentieel is, legt het de in artikelen 58 tot 65 bedoelde verplichtingen niet op en handhaaft het die ook niet. Als het Instituut beslist dat het een verplichting niet handhaaft overeenkomstig het eerste lid, brengt het de betrokken partijen daarvan op de hoogte in de loop van de maand die volgt op zijn beslissing. § 3. Wanneer het Instituut vaststelt dat een relevante markt niet daadwerkelijk concurrentieel is, identificeert het overeenkomstig § 4 elke operator die op die markt over een sterke machtspositie beschikt, en legt hem van de verplichtingen als beschreven in de artikelen 58 tot 65, diegene op die het gepast acht. Een operator wordt geacht een sterke machtspositie op een relevante markt te hebben, wanneer hij, alleen of samen met anderen, een aan machtspositie gelijkwaardige positie bezit, dit wil zeggen een economische kracht die hem in staat stelt zich in belangrijke mate onafhankelijk van zijn concurrenten, klanten of consumenten te gedragen. Als een operator wordt geacht een sterke machtspositie op een relevante markt te hebben, kan hij ook worden geacht een sterke machtspositie op een nauw verwante markt te hebben, als de koppelingen tussen beide markten van dien aard zijn dat de operator, via het hefboomeffect, op de ene markt de marktmacht kan gebruiken die hij op de andere heeft. In dat geval legt het Instituut op de verwante markt, van de verplichtingen als beschreven in de artikelen 58 tot 65, diegene op die het gepast acht. Voor elke relevante markt publiceert het Instituut in het Belgisch Staatsblad en op zijn website de lijst van de operatoren met een sterke machtspositie en, in voorkomend geval, van de operatoren met een sterke machtspositie op een nauw verwante markt, alsook de lijst van de verplichtingen die aan elk van die operatoren is opgelegd. § 4. Voor de beslissingen van het Instituut waarvoor naar deze paragraaf wordt verwezen pleegt het Instituut vooraf overleg met de Raad voor de Mededinging. De Raad voor de Mededinging geeft binnen 30 kalenderdagen, te rekenen vanaf de toezending van de ontwerpbeslissing door het Instituut, zijn advies. Zodra die termijn verstreken is, geldt het stilzwijgen van de Raad voor de Mededinging als goedkeuring van de voormelde ontwerpbeslissing. § 5. Het Instituut zendt zijn beslissingen waarvoor naar deze paragraaf wordt verwezen, vooraf aan de Raad voor de Mededinging, die binnen 30 kalenderdagen een bindend advies uitbrengt met betrekking tot de vraag of de beslissingen van het Instituut in overeenstemming zijn met de door het mededingingsrecht beoogde doelstellingen. Zodra die termijn verstreken is, geldt het stilzwijgen van de Raad voor de Mededinging als goedkeuring van de voormelde beslissing. Art. 56.§ 1. Onverminderd de noodzaak : 1° zich te schikken naar internationale verbintenissen;2° de bepalingen inzake co-locatie en gedeeld gebruik van faciliteiten te doen naleven;3° de bepalingen te doen naleven inzake toegang tot niet-geografische nummers, nummeroverdraagbaarheid alsook op het stuk van de Europese toegangscodes de oproepen te behandelen bestemd voor de Europese telefoonnummeringsruimte;4° de bepalingen van artikel 66 te doen naleven;5° de eind-tot-eindverbindingen te verzekeren;6° de toezeggingen te doen naleven die operatoren die het gebruiksrecht voor radiofrequenties hebben verkregen, in de loop van een op mededinging gebaseerde of vergelijkende selectieprocedure hebben gedaan;7° de bepalingen te doen naleven aangaande de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, waarvan sprake in Titel IV, legt het Instituut geen enkele van de in de artikelen 58 tot 62 vermelde verplichtingen op aan operatoren die niet aangewezen zijn als beschikkende over een sterke machtspositie op een relevante markt. § 2. Indien uitzonderlijke omstandigheden het rechtvaardigen, kan de Koning, na advies van het Instituut, operatoren met een aanmerkelijke marktmacht op een relevante markt andere verplichtingen inzake toegang opleggen dan diegene waarvan sprake in de artikelen 58 tot 62. In dat geval is de toestemming van de Europese Commissie vereist. HOOFDSTUK III. - Bepalingen van toepassing op operatoren met een sterke machtspostie op een relevante markt Art. 57.Om de verplichtingen te doen naleven die krachtens artikel 55, § 3, worden opgelegd, kan het Instituut een wijziging van de reeds gesloten toegangsovereenkomsten opleggen. Art. 58.Het Instituut kan, overeenkomstig artikel 55, §§ 3 en 4, verplichtingen inzake niet-discriminatie opleggen. Art. 59.§ 1. Het Instituut kan, overeenkomstig artikel 55, §§ 3 en 4, de verplichtingen inzake transparantie met betrekking tot toegang opleggen, op grond waarvan operatoren door het Instituut bepaalde informatie openbaar moeten maken. Het Instituut preciseert welke informatie beschikbaar moet worden gesteld, hoe gedetailleerd zij moet zijn en op welke wijze zij moet worden gepubliceerd. § 2. Wanneer voor een operator verplichtingen inzake niet-discriminatie gelden, kan het Instituut van die operator eisen dat hij een referentieaanbod publiceert dat voldoende gespecificeerd is om te garanderen dat de operatoren niet hoeven te betalen voor faciliteiten die voor de gewenste dienst niet nodig zijn. Daarin wordt een beschrijving gegeven van de betrokken aanbiedingen, uitgesplitst in diverse elementen naargelang van de marktbehoeften, en van de daaraan verbonden eisen en voorwaarden, met inbegrip van de tarieven. § 3. Onverminderd § 1 kan het Instituut de operatoren, die een verplichting hebben uit hoofde van artikel 61, § 1, lid 2, 1°, de verplichting opleggen om een referentieaanbod, zoals omschreven in § 2, te publiceren inzake interconnectie, volledig ontbundelde of gedeelde toegang tot het aansluitnetwerk of het partiële aansluitnetwerk, toegang tot een binair debiet, of een andere vorm van toegang, al naargelang van het type van toegang dat door de betreffende operator moet worden toegestaan. Indien het Instituut de verplichting oplegt om een referentieaanbod zoals omschreven in § 2 te publiceren inzake volledig ontbundelde of gedeelde toegang tot het aansluitnetwerk of het partiële aansluitnetwerk, bevat dit referentieaanbod minstens de elementen die bepaald worden door de Koning, na advies van het Instituut. § 4. Het Instituut kan de wijzigingen aan het referentieaanbod opleggen die het nodig acht teneinde de maatregelen op te leggen waarin deze wet voorziet. § 5. Elk referentieaanbod wordt, voordat het gepubliceerd wordt, door het Instituut goedgekeurd en is gratis elektronisch beschikbaar op een vrij consulteerbare website. De publicatie van een referentieaanbod vormt geen belemmering voor redelijke verzoeken om toegang waarin dat aanbod niet voorziet. § 6. Wanneer het Instituut aan een operator geen verplichtingen heeft opgelegd zoals bepaald in de §§ 1, 2 en/of 3 van dit artikel, kan het aan die operator die over een sterke machtspositie beschikt op een relevante markt, opleggen dat hij de referentietarieven inzake toegang die hij op de genoemde markt toepast, het op voorhand ter goedkeuring voorlegt. Daartoe deelt de betrokken operator aan het Instituut elk ontwerp van tarieven, zoals bedoeld in het eerste lid, mee, alsook alle elementen die nuttig zijn om de overeenstemming met de van toepassing zijnde wettelijke en reglementaire bepalingen te beoordelen. De beslissing van het Instituut wordt aan de betrokken operator bekendgemaakt binnen twintig werkdagen die volgen op de ontvangst van het ontwerp van tarieven en van alle elementen die het Instituut nuttig acht. Zodra die termijn verstreken is, geldt het stilzwijgen van het Instituut als goedkeuring van het voormelde ontwerp. Art. 60.§ 1. Het Instituut kan, volgens de nadere regels bepaald door de Koning, en overeenkomstig artikel 55, §§ 3 en 4, het voeren van gescheiden boekhoudingen voorschrijven met betrekking tot alle activiteiten die met toegang verband houden en waarvoor de operator over een sterke machtspositie beschikt. De Koning bepaalt, na advies van het Instituut, welk model en boekhoudkundige methode door het Instituut gehanteerd moeten worden. Het Instituut kan onder meer van een verticaal geïntegreerde onderneming eisen dat deze opening van zaken geeft over haar interne groothandelsprijzen en verrekenprijzen, onder andere om ervoor te zorgen dat van de niet-discriminatievoorschriften als bedoeld in artikel 58 nageleefd worden of om, zo nodig, onrechtmatige kruissubsidiëring te voorkomen. Een erkende bedrijfsrevisor, aangeduid door de operator, ziet op kosten van de operator toe op de naleving van het in de vorige alinea vermelde besluit. Op basis van de conclusie van het rapport van die bedrijfsrevisor, publiceert het Instituut ieder jaar een verklaring betreffende de inachtneming van het systeem. § 2. Wanneer het Instituut dit nodig acht, kan het, op gemotiveerde wijze, alle boekhoudkundige documenten, met inbegrip van gegevens over van derden ontvangen inkomsten, doen overleggen. Het Instituut bepaalt de termijn binnen dewelke de documenten moeten worden verstrekt. Het Instituut kan dergelijke informatie publiceren wanneer zij bijdraagt tot een open en concurrentiële markt, met inachtneming van de regels inzake vertrouwelijkheid van de bedrijfsgegevens. Art. 61.§ 1. Het Instituut kan, overeenkomstig artikel 55, §§ 3 en 4, de verplichting opleggen in te gaan op redelijke verzoeken om toegang tot en gebruik van door het Instituut bepaalde netwerkonderdelen en bijhorende faciliteiten. Aan operatoren kan onder andere worden opgelegd dat zij : 1° derden toegang verlenen tot bepaalde netwerkelementen en/of -faciliteiten, met inbegrip van ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk;2° te goeder trouw onderhandelen met operatoren die verzoeken om toegang;3° reeds verleende toegang tot faciliteiten niet intrekken;4° op groothandelsbasis bepaalde diensten aanbieden voor doorverkoop aan derden;5° open toegang verlenen tot technische interfaces, protocollen of andere kerntechnologieën die onmisbaar zijn voor de interoperabiliteit van diensten of virtuele netwerkdiensten;6° onverminderd de toepassing van de artikelen 25 tot 28 co-locatie of andere vormen van gedeeld gebruik van faciliteiten aanbieden, inclusief gedeeld gebruik van kabelgoten, gebouwen of masten;7° bepaalde diensten aanbieden die nodig zijn voor de interoperabiliteit van de aan gebruikers geleverde eind-tot-einddiensten, inclusief faciliteiten voor intelligente netwerkdiensten of roaming binnen mobiele netwerken;8° toegang verlenen tot operationele ondersteuningssystemen of vergelijkbare softwaresystemen die nodig zijn om billijke concurrentie bij het aanbieden van diensten te waarborgen;9° zorgen voor interconnectie van netwerken of netwerkfaciliteiten. Het Instituut kan de voorwaarden en nadere regels inzake billijkheid, redelijkheid en termijn vaststellen voor de uitvoering van de verplichtingen die overeenkomstig dit artikel worden opgelegd. § 2. Wanneer het Instituut overweegt de in § 1 genoemde verplichtingen op te leggen, betrekt het met name de volgende factoren in zijn overwegingen : 1° de technische en economische levensvatbaarheid van het gebruik of de installatie van concurrerende faciliteiten, in het licht van het tempo van de marktontwikkeling, rekening houdende met het type interconnectie en toegang;2° de graad van haalbaarheid van de voorgestelde toegangverlening, rekening houdende met de beschikbare capaciteit;3° de door de eigenaar van de faciliteit verrichte initiële investering, rekening houdende met de aan de investering verbonden risico's;4° de noodzaak om op lange termijn de concurrentie in stand te houden;5° in voorkomend geval, de terzake geldende intellectuele eigendomsrechten;6° het verlenen van pan-Europese diensten. § 3. Voorzover dat nodig is om de door het Instituut opgelegde verplichtingen ten uitvoer te brengen, onderhandelen de operatoren onderling over de gepaste overeenkomsten inzake de te verstrekken toegang. Indien tijdens onderhandelingen met betrekking tot de toegang er geen overeenstemming kan worden bereikt tussen de partijen, bepaalt het Instituut, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van één van de partijen, na de betrokken partijen gehoord te hebben, de voorwaarden inzake de te verstrekken toegang. Art. 62.§ 1. Het Instituut kan, overeenkomstig artikel 55, §§ 3 en 4, en wanneer bovendien uit een marktanalyse blijkt dat de betrokken operator de prijzen door het ontbreken van werkelijke concurrentie op een buitensporig peil kan handhaven of de marges kan uithollen ten nadele van de eindgebruikers, op het gebied van toegang verplichtingen inzake het terugverdienen van kosten opleggen, inclusief onder meer verplichtingen inzake kostenoriëntering van prijzen en kostentoerekeningssystemen inzake kosten van een efficiënte operator. Het Instituut kan op het gebied van toegang ook, overeenkomstig artikel 55, §§ 3 en 5, verplichtingen opleggen inzake prijscontrole. § 2. Iedere operator onderworpen aan een verplichting inzake kostenoriëntering van zijn tarieven, verstrekt aan het Instituut, wanneer dit erom verzoekt, het bewijs van de naleving van die verplichting. Wanneer voor een operator een verplichting inzake kostenoriëntering geldt, wordt rekening gehouden met de kosten verbonden aan efficiënte dienstverlening, met inbegrip van een redelijk investeringsrendement. Voor de berekening van de kosten verbonden aan efficiënte dienstverlening, kan het Instituut boekhoudkundige en kostenberekeningsmethoden gebruiken die los staan van de door de operator gebruikte methoden. § 3. Wanneer de invoering van een kostentoerekeningssysteem verplicht wordt gesteld, publiceert het Instituut een beschrijving van dit kostentoerekeningssysteem met daarin ten minste de hoofdcategorieën waarin de kosten worden ingedeeld en de voor de toerekening van de kosten toegepaste regels. § 4. Wanneer het door het Instituut toegepaste kostentoerekeningssysteem dit noodzakelijk maakt, ziet een door de operator aangeduide erkende bedrijfsrevisor op kosten van de operator toe op de inachtneming van het kostentoerekeningssysteem. Op basis van de conclusie van het rapport van die bedrijfsrevisor, publiceert het Instituut ieder jaar een verklaring betreffende de inachtneming van het systeem. Art. 63.De operatoren die, overeenkomstig artikel 55, §§ 3 en 4, door het Instituut zijn aangeduid als operatoren met een sterke machtspositie bij de aanbieding van toegang tot en het gebruik van openbare telefoonnetwerken op een vaste locatie, bieden hun abonnees de functies aan voor selectie van de operator per oproep en voor preselectie van de operator met de mogelijkheid tot afwijking van oproep tot oproep. Indien zulks gerechtvaardigd wordt door de belangen van de gebruikers, kan het Instituut, overeenkomstig artikel 55, § 3, verplichtingen in verband met het aanbieden van de in het eerste lid bedoelde functies op andere netwerken of op andere wijzen opleggen aan operatoren die aangeduid zijn als operatoren met een sterke machtspositie bij de aanbieding van toegang tot en het gebruik van elektronische-communicatienetwerken. De tarieven voor toegang die de in dit artikel bedoelde operatoren kunnen aanrekenen voor het aanbieden van de in dit artikel bedoelde functies zijn georiënteerd op de kosten. Art. 64.§ 1. Indien het Instituut vaststelt dat de verplichtingen die werden opgelegd krachtens de artikelen 58 tot 63 niet zouden leiden tot het verwezenlijken van de doelstellingen die zijn bepaald bij de artikelen 6 tot 8, kan het, overeenkomstig artikel 55, §§ 3 en 5, één of meer van de in het tweede lid genoemde verplichtingen opleggen aan operatoren die zijn aangeduid als operatoren met een sterke machtspositie op een gegeven eindgebruikersmarkt. De verplichtingen die het Instituut oplegt, hebben betrekking op het verbod om : 1° abnormaal hoge prijzen te hanteren;2° de toegang tot de markt te belemmeren;3° afbraakprijzen te hanteren die de mededinging beperken;4° ongegronde voorkeuren voor bepaalde eindgebruikers toe te passen;5° diensten op onredelijke wijze te bundelen. § 2. Indien het Instituut krachtens § 1 de eindgebruikerstarieven wenst te controleren, kan het de noodzakelijke en geëigende kostentoerekeningssystemen bepalen, die de geviseerde operator toepast. In geen geval kunnen de bevoegdheden die door het vorige lid aan het Instituut worden toegekend, de verplichting inhouden voor een operator met een sterke machtspositie op een bepaalde markt, om zijn retailtarieven vooraf ter goedkeuring aan het Instituut voor te leggen. Een erkende bedrijfsrevisor, aangeduid door de operator, ziet, op kosten van die operator, toe op de inachtneming van de kostentoerekeningssystemen. Het Instituut publiceert ieder jaar een verklaring betreffende de inachtneming van deze systemen. Art. 65.Indien het Instituut vaststelt dat er op de markt voor de aanbieding van een gedeelte van of het gehele minimumpakket van huurlijnen, zoals bepaald in de lijst van normen van het minimumpakket van huurlijnen met geharmoniseerde Europese kenmerken gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, geen daadwerkelijke mededinging bestaat, wijst het, overeenkomstig artikel 55, §§ 3 en 4, de operatoren aan die op het gehele grondgebied van het Rijk of op een gedeelte daarvan een sterke machtspositie hebben bij het aanbieden van de betrokken specifieke elementen van het minimumpakket van huurlijnen. De tarieven van de overeenkomstig het vorige lid aangeduide operator zijn kostengeoriënteerd. De overeenkomstig het eerste lid aangeduide operator : 1° past voor de vaststelling van zijn tarieven betreffende de aangeduide elementen van het minimumpakket een kostentoerekeningssysteem toe, dat voldoet aan de voorwaarden, bepaald door het Instituut;2° publiceert, in de vorm en volgens de voorwaarden bepaald door het Instituut, informatie over de technische kenmerken, de tarieven en de leveringsvoorwaarden van het betreffende type van huurlijnen. De overeenkomstig het eerste lid aangeduide operator discrimineert niet bij het betreffende aanbod van huurlijnen. De overeenkomstig het eerste lid aangeduide operator, die het naar aanleiding van een bepaald verzoek onredelijk acht een huurlijn in het minimumpakket tegen zijn gepubliceerde tarieven en leveringsvoorwaarden aan te bieden, mag zijn voorwaarden en tarieven slechts wijzigen met instemming van het Instituut. Wanneer zulks noodzakelijk is om de interoperabiliteit van diensten te waarborgen en de keuzevrijheid van de gebruikers te verbeteren, kan de Koning, na advies van het Instituut, bijkomende technische normen vaststellen, die van toepassing zijn op het aanbieden van bepaalde elementen van het minimumpakket van huurlijndiensten. HOOFDSTUK IV. - Bepalingen van toepassing op operatoren die beschikken over uitsluitende of bijzondere rechten in andere sectoren dan die van de elektronische communicatie Art. 66.§ 1. Een operator die openbare elektronische-communicatienetwerken of -diensten aanbiedt en die inzake andere activiteiten over uitsluitende of bijzondere rechten beschikt is verplicht : 1° ofwel voor het aanbieden van openbare elektronische-communicatienetwerken of -diensten een gescheiden boekhouding te voeren, in dezelfde mate als vereist zou zijn wanneer de betrokken activiteiten door juridisch onafhankelijke ondernemingen zouden worden verricht, teneinde alle kosten en inkomsten, met de daarvoor gebruikte berekeningsgrondslag en gedetailleerde toewijzingsmethoden, aan te geven die betrekking hebben op het aanbieden van openbare elektronische-communicatienetwerken of -diensten, met inbegrip van een puntsgewijs overzicht van de vaste activa en de structurele kosten;2° ofwel een structurele scheiding op te zetten voor de activiteiten in verband met het aanbieden van openbare elektronische-communicatienetwerken of -diensten. § 2. Overdrachten van middelen, met inbegrip van overdrachten van kapitaal en uitrusting vanuit activiteiten die aan uitsluitende of bijzondere rechten onderworpen zijn naar de activiteiten inzake openbare elektronische-communicatienetwerken of -diensten, geschieden op grond van de marktvoorwaarden. § 3. De Koning bepaalt, na advies van het Instituut, welk model en welke boekhoudkundige methodologie moeten worden gehanteerd met het oog op de invulling van de verplichtingen van dit artikel. De gescheiden boekhouding, bedoeld in § 1, 1°, wordt onderworpen aan een controle door een erkende bedrijfsrevisor aangeduid door en op kosten van de operator. Het Instituut bepaalt de wijze waarop de financiële verslaglegging in verband met de gescheiden boekhouding wordt gepubliceerd. Art. 67.Teneinde toe te zien op de naleving van artikel 66, kan het Instituut of zijn gevolmachtigden elke persoon horen die het wenst. Het Instituut of zijn gevolmachtigden kunnen zich alle documenten laten overleggen en alle inlichtingen vragen die zij nodig achten voor de verificatie van de naleving van artikel 66. TITEL IV. - De bescherming van de belangen van de maatschappij en van de gebruikers HOOFDSTUK I. - Universele dienst Afdeling 1. - Reikwijdte van de universele dienst Art. 68.De diensten die bij wijze van universele dienst worden verstrekt zijn : 1° het vaste geografische element van de universele dienst, zoals gedefinieerd in artikel 70;2° het sociale element van de universele dienst, zoals gedefinieerd in artikel 74;3° de beschikbaarstelling van openbare telefoons, zoals gedefinieerd in artikel 75;4° de universele inlichtingendienst zoals gedefinieerd in artikel 79;5° de beschikbaarstelling van de universele telefoongids zoals gedefinieerd in artikel 86. Art. 69.§ 1. De diensten die bij wijze van universele dienst worden verstrekt, zoals opgesomd in artikel 68, worden op het gehele nationale grondgebied verleend met een kwaliteits- en prijsniveau dat in de bijlage wordt bepaald. § 2. Wanneer de technologische evolutie of de marktvoorwaarden het rechtvaardigen, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de bepalingen van de bijlage opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen. § 3. Het in § 2 bedoelde ontwerpbesluit wordt aan het met redenen omkleed advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State onderworpen. Dit advies wordt, samen met het verslag aan de Koning en het koninklijk besluit waarop het betrekking heeft, bekendgemaakt. § 4. Het koninklijk besluit genomen krachtens § 2 van dit artikel wordt opgeheven wanneer het niet binnen vijftien maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad bij wet werd bekrachtigd. Afdeling 2. - Het vaste geografische element van de universele dienst Onderafdeling 1. - Definitie Art. 70.§ 1. Het vaste geografische element van de universele dienst bestaat uit de levering op het gehele grondgebied aan elke persoon die erom verzoekt, ongeacht diens geografische locatie : 1° van de basisdienst inzake openbare telefoondienst op een vaste locatie, zoals gedefinieerd in de bijlage;2° van een aansluiting op een openbaar telefoonnetwerk op een vaste locatie waarmee de eindgebruikers in staat zijn om :
- a)lokale, nationale en internationale telefonische oproepen te versturen en te ontvangen;
- b)berichten uit te wisselen via fax en datatransmissie;
- c)over een functionele internettoegang te beschikken;
- d)bij niet-betaling van de telefoonrekening, door een andere abonnee te worden opgebeld, met uitsluiting van oproepen met betaling van de gesprekskosten door de opgeroepene, en zelf de nooddiensten op te bellen;
- e)te beschikken over een technische helpdesk die voldoet aan de specificaties van artikel 116, tweede lid. § 2. Het vaste geografische element van de universele dienst wordt geacht te zijn geleverd wanneer de eindgebruiker reeds beschikt over de vaste basistelefoondienst via een aansluiting waarvan sprake in § 1, 2° hetzij van de universeledienstverlener, hetzij van een andere operator, al dan niet via een ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk. § 3. Het vaste geografische element van de universele dienst wordt geacht geleverd te zijn indien op het verzoek van de eindgebruiker werd ingegaan door middel van een economisch rendabelere oplossing. § 4. Het vaste geografische element van de universele dienst dient uitsluitend te worden geleverd op de hoofdverblijfplaats van de eindgebruikers. Onderafdeling 2. - Aanwijzing van de aanbieders Art. 71.§ 1. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van het Instituut, de periode van de in artikel 70 vermelde dienstverlening, uitgedrukt in volle kalenderjaren. § 2. Voor de aanwijzing van de aanbieder wordt een beroep gedaan op een open mechanisme, waarvan de nadere regels door de Koning worden vastgesteld, op voorstel van het Instituut. § 3. Indien na afloop van het in § 2 bedoelde open mechanisme geen enkele offerte in aanmerking is genomen, gaat de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, over tot een aanwijzing van ambtswege, waarbij de Koning de aanbieder aanwijst. Art. 72.Wanneer de aanbieder in gebreke blijft en dit door het Instituut wordt vastgesteld, wijst de Koning, op voorstel van het Instituut, een andere aanbieder aan ter vervanging van de in gebreke zijnde aanbieder, overeenkomstig artikel 71, § 2 of § 3. Onderafdeling 3. - Vergoeding van de aanbieders Art. 73.De dienstverlening wordt vergoed : 1° volgens de voorwaarden en de procedure die zijn vastgesteld in de artikelen 100 tot 102 voor elke aanbieder die overeenkomstig artikel 71, § 3, aangewezen is;2° ten belope van het bedrag dat na afloop van de open procedure voor aanwijzing wordt vastgesteld, voor elke aanbieder die overeenkomstig artikel 71, § 2, is aangewezen. Afdeling 3. - Het sociale element van de universele dienst Art. 74.Het sociale element van de universele dienst bestaat uit de levering door elke operator aan sommige categorieën van begunstigden van bijzondere tariefvoorwaarden. De in het eerste lid bedoelde categorieën van begunstigden en tariefvoorwaarden, alsook de werkwijzen om de voormelde tariefvoorwaarden te krijgen, worden bepaald in de bijlage. Het Instituut bezorgt de minister jaarlijks een verslag over de relatieve aandelen van de operatoren in het totale aantal sociale abonnees ten opzichte van hun marktaandelen op basis van hun omzet op de markt voor openbare telefonie. Er wordt een fonds voor de universeledienstverlening inzake sociale tarieven opgericht, bestemd om de aanbieders van sociale tarieven te vergoeden. Aan dit fonds wordt rechtspersoonlijkheid toegekend en het wordt beheerd door het Instituut. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van het Instituut, de nadere regels van de werking van dit mechanisme. Indien blijkt dat het door de operator toegestane aantal tariefverminderingen lager is dan het aantal tariefverminderingen dat beantwoordt aan zijn aandeel in de totale omzet van de markt van de openbare telefonie, dient deze operator dit verschil te compenseren. Indien blijkt dat het door de operator toegestane aantal tariefverminderingen hoger is dan het aantal tariefverminderingen dat beantwoordt aan zijn aandeel in de totale omzet op de markt van de openbare telefonie, dan zal deze operator ten bedrage van dit verschil een vergoeding ontvangen. De compensaties waarvan sprake in de vorige leden zijn onmiddellijk verschuldigd. De effectieve compensatie via het fonds zal plaatsvinden zodra het fonds operationeel is, ten laatste in de loop van het jaar volgend op de inwerkingtreding van dit artikel. Afdeling 4. - Beschikbaarstelling van openbare telefoons Onderafdeling 1. - Definitie Art. 75.De beschikbaarstelling van openbare telefoons bestaat uit de aanleg, het onderhoud en de werking van openbare telefoons volgens de voorwaarden die in de bijlage zijn vastgesteld. Onderafdeling 2. - Aanwijzing van de aanbieders Art. 76.§ 1. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van het Instituut, de periode van de in artikel 75 vermelde dienstverlening, uitgedrukt in volle kalenderjaren. § 2. Voor de aanwijzing van de aanbieder wordt een beroep gedaan op een open mechanisme, waarvan de nadere regels door de Koning worden vastgesteld, op voorstel van het Instituut. § 3. Indien na afloop van het in § 2 bedoelde open mechanisme, geen enkele offerte in aanmerking is genomen, gaat de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, over tot een aanwijzing van ambtswege, waarbij de Koning die aanbieder aanwijst. Art. 77.Wanneer de aanbieder in gebreke blijft en dit door het Instituut wordt vastgesteld, wijst de Koning, op voorstel van het Instituut, een andere aanbieder aan ter vervanging van de in gebreke zijnde aanbieder, overeenkomstig artikel 76, § 2 of § 3. Onderafdeling 3. - Vergoeding van de aanbieders Art. 78.De dienstverlening wordt vergoed : 1° volgens de voorwaarden en de procedure die zijn vastgesteld in de artikelen 100 tot 102 voor elke aanbieder die overeenkomstig artikel 76, § 3 aangewezen is;2° ten belope van het bedrag dat na afloop van de open procedure voor aanwijzing wordt vastgesteld, voor elke aanbieder die overeenkomstig artikel 76, § 2 is aangewezen. Afdeling 5. - De universele inlichtingendienst Onderafdeling 1. - Definitie Art. 79.De universele inlichtingendienst bestaat uit het ter beschikking stellen van een telefooninlichtingendienst op het gehele nationale grondgebied volgens de voorwaarden die in de bijlage zijn vastgelegd. Onderafdeling 2. - Aanwijzing van de aanbieder Art. 80.§ 1. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van het Instituut, de periode gedurende dewelke de universele inlichtingendienst moet worden verstrekt, uitgedrukt in volle kalenderjaren. § 2. De Koning wijst bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van het Instituut, een aanbieder aan die de taak heeft de universele inlichtingendienst te verstrekken. De Koning organiseert daartoe een open procedure voor de selectie van de aanbieder en wijst die na afloop van die procedure aan. § 3. Indien na afloop van de open selectieprocedure als bedoeld in § 2, tweede lid, geen enkele kandidatuur is ingediend of in aanmerking is genomen, wijst de Koning de aanbieder van ambtswege aan. Art. 81.Wanneer de aanbieder in gebreke blijft en dit door het Instituut wordt vastgesteld, wijst de Koning, op voorstel van het Instituut, een andere aanbieder aan ter vervanging van de in gebreke zijnde aanbieder, overeenkomstig artikel 80, § 2 of § 3. Onderafdeling 3. - Doorgifte van de oproepen en mededeling van de gegevens die bestemd zijn voor de aanbieder Art. 82.Personen die een openbare telefoondienst aanbieden, geven de oproepen naar de universele inlichtingendienst die op hun netwerk tot stand worden gebracht door naar het netwerk van de aanbieder van die dienst, en dit tegen een tarief dat op de kosten gebaseerd is. Art. 83.Personen die een openbare telefoondienst aanbieden, stellen de aanbieder van de universele inlichtingendienst tegen een op de kosten gebaseerde prijs de gegevens met betrekking tot de abonnees ter beschikking, volgens de voorwaarden die de Koning op voorstel van het Instituut heeft vastgesteld. Zonder dat dit de abonnee iets kost, delen de in het eerste lid bedoelde personen de gegevens niet mee met betrekking tot de abonnees die gevraagd hebben hun gegevens niet aan de universele inlichtingendienst mee te delen. De in het eerste lid bedoelde personen zijn verantwoordelijk voor de juistheid van de gegevens die zij krachtens het eerste lid meedelen. De abonnee is verantwoordelijk voor de juistheid van de gegevens die op hem betrekking hebben en die hij meedeelt aan de personen die een openbare telefoondienst aanbieden. Onderafdeling 4. - Gebruik en beschikbaarstelling door de aanbieder van de abonneegegevens Art. 84.De aanbieder mag slechts van de overeenkomstig artikel 83 meegedeelde gegevens gebruik maken om de universele inlichtingendienst te verstrekken. Onderafdeling 5. - Vergoeding van de aanbieder Art. 85.De dienstverlening wordt vergoed : 1° volgens de voorwaarden en de procedure die zijn vastgesteld in de artikelen 100 tot 102 voor elke aanbieder die overeenkomstig artikel 80, § 3, aangewezen is;2° ten belope van het bedrag dat na afloop van de open procedure voor aanwijzing wordt vastgesteld, voor elke aanbieder die overeenkomstig artikel 80, § 2, is aangewezen. Afdeling 6. - Universele telefoongids Onderafdeling 1. - Definitie Art. 86.De universele telefoongids is de telefoongids die beantwoordt aan de in de bijlage opgenomen voorwaarden inzake inhoud, vervaardiging, verspreiding en publicatie van reclame. Onderafdeling 2. - Aanwijzing van de aanbieders Art. 87.§ 1. De Koning wijst bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van het Instituut, een aanbieder aan die de taak heeft de universele telefoongids te verstrekken. § 2. De Koning organiseert daartoe een open procedure voor de selectie van de aanbieder en wijst die na afloop van die procedure aan. § 3. Indien na afloop van de open selectieprocedure als bedoeld in § 2, geen enkele kandidatuur is ingediend of in aanmerking is genomen, wijst de Koning de aanbieder van ambtswege aan. Art. 88.Wanneer de aanbieder in gebreke blijft en dit door het Instituut wordt vastgesteld, wijst de Koning, op voorstel van het Instituut, overeenkomstig artikel 87 een andere aanbieder aan ter vervanging van de aanbieder wiens verzuim is vastgesteld. Onderafdeling 3 Mededeling van de gegevens aan de aanbieders Art. 89.Personen die een openbare telefoondienst aanbieden, stellen de personen die op grond van artikel 87 zijn aangewezen, tegen een op de kosten gebaseerde prijs de gegevens met betrekking tot de abonnees ter beschikking, volgens de voorwaarden die de Koning op voorstel van het Instituut heeft vastgesteld. Bij het overzenden van de gegevens overeenkomstig het eerste lid houden de personen die abonnees een openbare telefoondienst aanbieden, de gegevens apart met betrekking tot de abonnees die gevraagd hebben niet te worden vermeld in een universele telefoongids, zodat die abonnees de universele telefoongids kunnen ontvangen, zonder dat hun gegevens daarin voorkomen. De in het eerste lid bedoelde personen zijn verantwoordelijk voor de juistheid van de gegevens die zij krachtens het eerste lid meedelen. De abonnee is verantwoordelijk voor de juistheid van de gegevens die op hem betrekking hebben en die hij meedeelt aan de personen die een openbare telefoondienst aanbieden. Onderafdeling 4. - Gebruik en beschikbaarstelling van de abonneegegevens door de aanbieders Art. 90.De personen die op grond van artikel 87 zijn aangewezen mogen slechts van de overeenkomstig artikel 89 meegedeelde gegevens gebruik maken om een universele telefoongids te verstrekken. Onderafdeling 5. - Vergoeding van de aanbieders Art. 91.De dienstverlening wordt vergoed : 1° volgens de voorwaarden en de procedure die zijn vastgesteld in de artikelen 100 tot 102 voor elke aanbieder die overeenkomstig artikel 87, § 3, aangewezen is;2° ten belope van het bedrag dat na afloop van de open procedure voor aanwijzing wordt vastgesteld, voor elke aanbieder die overeenkomstig artikel 87, § 2, is aangewezen. Afdeling 7. - Universeledienstfonds Onderafdeling 1. - Algemeen Art. 92.§ 1. De Koning stelt, na advies van het Instituut, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het statuut en de regeling vast van het fonds voor de universele dienst inzake elektronische communicatie, hierna « fonds » genoemd. Aan het fonds wordt rechtspersoonlijkheid toegekend en het wordt beheerd door het Instituut. § 2. Het fonds is bestemd om de aanbieders van de diensten die bij wijze van universele dienst worden verstrekt, te vergoeden. § 3. De jaarrekening, het jaarverslag en het verslag over het beheer van het fonds worden samen met de verslagen van het Instituut gepubliceerd. § 4. De beheerskosten van het fonds bestaan uit alle kosten die verband houden met de werking van het fonds. Dat bedrag wordt bepaald door het Instituut en verdeeld tussen de beheerskosten die overeenstemmen met de financiering van de activiteiten vermeld in artikel 68 van de wet en de andere beheerskosten. De Koning bepaalt het maximumbedrag van de beheerskosten van het fonds via een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De beheerskosten van het fonds van het beschouwde jaar worden gefinancierd door de operatoren bedoeld in artikel 96, pro rata van hun gewogen omzet exclusief lasten van het jaar voorafgaand aan het beschouwde jaar. Elk jaar bepaalt het Instituut het bedrag van de deelname in de beheerskosten van het fonds verschuldigd door elkeen van de operatoren bedoeld in het eerste lid. De deelname in de beheerskosten van het fonds wordt uiterlijk op 30 september van het betrokken jaar betaald op het rekeningnummer opgegeven door het Instituut. De facturen die niet binnen de vastgestelde termijn worden betaald zijn van rechtswege en zonder ingebrekestelling onderworpen aan de wettelijke interest vermeerderd met 2 %. Deze interest wordt berekend pro rata van het aantal kalenderdagen vertraging. Uiterlijk een maand voor de uiterste datum deelt het Instituut het bedrag van de verschuldigde bijdrage mee aan de bedrijven bedoeld in het tweede lid. § 5. De Koning stelt, na advies van het Instituut, de nadere regels vast met betrekking tot de storting van de bijdragen in het fonds en van de vergoedingen aan de aanbieders. Art. 93.Voor de toepassing van de volgende bepalingen wordt verstaan onder : 1° beschouwde jaar : het kalenderjaar waarin een universele dienstverrichting plaatsvindt;2° aanbieder : elke persoon die in de loop van het beschouwde jaar ten minste één element van de universele dienst verricht. Onderafdeling 2. - Stijven van het fonds Art. 94.Het fonds wordt gestijfd door bijdragen betaald door de gevestigde operatoren, vastgesteld op grond van hun omzet, overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling. Art. 95.§ 1. De omzet die in beschouwing wordt genomen stemt overeen met de retailomzet voor belastingen die behaald is met de levering van de openbare telefoondienst op het nationale grondgebied. § 2. Worden beschouwd als zijnde verricht op het nationale grondgebied, de activiteiten die aanleiding geven tot de inning van de belasting op de toegevoegde waarde in de zin van de wet van 3 juli 1969Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/05/2002 pub. 31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten1 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde. Afdeling 8. - Financiering van de universele dienst Onderafdeling 1. - Bijdrage Art. 96.Elke operator die op 1 september van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het beschouwde jaar een kennisgeving heeft gedaan overeenkomstig artikel 9, deelt overeenkomstig het ministerieel besluit op grond van artikel 137, § 2, aan het Instituut zijn omzet mee voor het beschouwde jaar, volgens de nadere regels die door het Instituut worden vastgesteld. Art. 97.De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van het Instituut, de schijven van de omzet, alsook een wegingscoëfficiënt bepalen waarmee de omzet die binnen een bepaalde schijf valt, dient te worden vermenigvuldigd ter bepaling van de gewogen omzet van de operator zoals bedoeld in artikel 98. Art. 98.Uiterlijk op 15 november van het kalenderjaar dat op het beschouwde jaar volgt, berekent en publiceert het Instituut de aanslagvoet voor het beschouwde jaar, overeenkomstig het tweede lid. De aanslagvoet is de verhouding tussen : 1° de som van de in artikel 102 bedoelde vergoedingen van de aanbieders voor het beschouwde jaar;2° en de som van de in artikel 96 bedoelde gewogen omzetcijfers. Wanneer een operator de in artikel 96 bedoelde informatie niet verstrekt binnen de door het Instituut voorgeschreven termijnen of die onvolledig verstrekt, wordt ter uitvoering van het tweede lid, 2°, de gewogen omzet van die operator door het Instituut bepaald op grond van alle inlichtingen die het relevant acht. Art. 99.De bijdrage stemt overeen met het product van de aanslagvoet en de gewogen omzet zoals berekend volgens artikel 97, of eventueel als bedoeld in artikel 98, derde lid. Onderafdeling 2. - Vergoeding Art. 100.Elke van ambtswege aangewezen aanbieder deelt aan het Instituut, volgens de nadere regels vastgesteld overeenkomstig artikel 137, § 2, uiterlijk 1 september van het kalenderjaar dat op het beschouwde jaar volgt, het geïndexeerde bedrag mee van de nettokosten voor het beschouwde jaar, berekend volgens de in de bijlage vastgelegde berekeningsmethode. Uiterlijk op 1 november van het kalenderjaar dat op het beschouwde jaar volgt, verifieert het Instituut de nettokosten van elke betrokken aanbieder overeenkomstig de in de bijlage vastgelegde berekeningsmethode. Daartoe kan het Instituut een onafhankelijke revisor aanwijzen en dit op kosten van het fonds. Voor elk van die aanbieders publiceert het Instituut de opsomming van de nettokosten met betrekking tot elk van de verrichte elementen, behoudens het sociale element, zoals het die heeft goedgekeurd. Als index wordt daarvoor de gezondheidsindex gebruikt. Art. 101.Voor elk element van de universele dienst behoudens het sociale element moet het fonds een vergoeding uitkeren aan de betrokken aanbieders. Het geïndexeerde bedrag van de vergoeding stemt overeen : 1° met de nettokosten die berekend zijn overeenkomstig de methode van de bijlage, zoals goedgekeurd door het Instituut, voor de aanbieders die van ambtswege aangewezen zijn, geïndexeerd aan de hand van de gezondheidsindex;2° met het bedrag dat is vastgesteld na afloop van de open procedure van aanwijzing, geïndexeerd aan de hand van de gezondheidsindex, voor elke aanbieder die aangewezen is volgens een open mechanisme van aanwijzing. Art. 102.Uiterlijk op 30 november van het kalenderjaar dat op het beschouwde jaar volgt, berekent en publiceert het Instituut voor elke betrokken aanbieder het bedrag dat overeenstemt met de som van de vergoedingen dat het fonds hem uiterlijk op diezelfde datum moet uitkeren voor het beschouwde jaar. Afdeling 9. - Controle Art. 103.Het Instituut is belast met de controle op de uitvoering van de universeledienstverplichtingen onder de in de bijlage vastgelegde technische en tarifaire voorwaarden. Daartoe kan het een onafhankelijke revisor aanwijzen, en dit op kosten van de betrokken aanbieder tenzij de aanbieder van ambtswege werd aangeduid, in welk geval de kosten ten laste van het fonds zijn. Het Instituut brengt jaarlijks uiterlijk tegen 31 december verslag uit aan de minister over mogelijke aanpassingen aan de universele dienstverplichtingen. Art. 104.De minister kan in geval van een door het Instituut vastgesteld verzuim van de aanbieder in de vervulling van de universeledienstverplichtingen onder de in de bijlage vastgelegde technische en tarifaire voorwaarden, de betrokken aanbieder een administratieve boete opleggen waarvan het bedrag niet groter mag zijn dan 1 % van de omzet van de betrokken aanbieder voor het beschouwde jaar, berekend volgens artikel 95. HOOFDSTUK Il. - Aanvullende diensten Art. 105.Onder de voorwaarden en volgens de nadere technische en financiële regels die de Koning na advies van het Instituut vaststelt, voldoen een of meer operatoren die na advies van het Instituut door de Koning worden aangewezen, aan alle redelijke verzoeken : 1° om toegang tot diensten voor gegevensschakeling;2° om toegang tot digitale netwerken op een vaste locatie, waaronder het digitale netwerk voor geïntegreerde diensten, alsook alle diensten die op die netwerken gebaseerd zijn;3° om toegang tot een telex- en telegrafiedienst; Die verzoeken blijven geldig tot op een datum vastgesteld door de Koning, na advies van het Instituut. Art. 106.§ 1. De Koning legt, na advies van het Instituut, de lijst van de operatoren vast die met de civiele bescherming meewerken, en de voorwaarden en nadere regels van deze medewerking. De Koning legt, na advies van het Instituut, de lijst van de operatoren vast die met de Gemengde Commissie voor telecommunicatie meewerken, en de voorwaarden en nadere regels van deze medewerking. De Koning legt, na advies van het Instituut, de lijst van de operatoren vast, alsook de nadere regels inzake beschikbaarstelling van de huurlijnen die worden gevraagd door de in artikel 151 bedoelde diensten. § 2. Onder de voorwaarden en volgens de nadere regels die de Koning na advies van het Instituut vaststelt, nemen de aangewezen operatoren de maatregelen, ook preventieve, die nodig zijn om in een uitzonderlijke situatie de continuïteit van de diensten te waarborgen, inbegrepen het overbrengen van verkeer dat Hij als prioritair vastlegt. § 3. Aan scholen, openbare bibliotheken en ziekenhuizen wordt op het gehele grondgebied van het Rijk tegen een betaalbare prijs, wat de aansluiting en het abonnement betreft, een lijn ter beschikking gesteld die toegang verleent tot het internet en die beantwoordt aan hun bijzondere noden. De in het eerste lid bedoelde tariefvoorwaarden, alsook de wijzen om de voormelde tariefvoorwaarden te krijgen, worden bepaald in de bijlage. De Koning bepaalt de technische en financiële voorwaarden voor het aanbieden van de in het eerste lid vermelde tariefvoorwaarden. Hiertoe kan een samenwerkingsakkoord worden gesloten. § 4. Eén of meer operatoren kunnen door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van het Instituut, worden belast met andere opdrachten die bedoeld zijn om het algemene belang te dienen. § 5. Onder de technische en financiële voorwaarden die na advies van het Instituut door de Koning worden vastgesteld, bieden een of meer operatoren een speciaal telefoontarief aan ten gunste van de politieke en algemeen informatieve dagbladen en weekbladen en van de in België gevestigde persagentschappen waarbij de meerderheid van de dagbladen die landelijk of in grote oplage in Belgïe worden verspreid, zich contractueel geabonneerd hebben. Art. 107.§ 1. De Koning stelt na advies van het Instituut de lijst vast van : 1° de Openbare diensten of diensten van algemeen belang, die als zodanig door de bevoegde overheid erkend zijn, die voor de toepassing van deze wet als nooddiensten worden beschouwd;2° de oproepnummers van de nooddiensten die voor de gebruikers gratis en zonder gebruik van enig betaalmiddel toegankelijk zijn;3° de noodoproepen waarvan de operatoren de kosten dragen voor de toegang van hun eindgebruikers tot hun netwerken en diensten, het transport over diezelfde netwerken en het gebruik van diezelfde netwerken en diensten voor de afwikkeling van deze noodoproepen. § 2. De beheerscentrales van de medische hulpdienst en van de politiediensten krijgen van de betrokken operatoren gratis de identificatiegegevens van de oproeper, voor zover deze beschikbaar zijn. De Koning stelt, na advies van het Instituut en na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de lijst vast van de overige nooddiensten waaraan de operatoren gratis de identificatiegegevens van de oproepende lijn verstrekken, voorzover ze beschikbaar zijn, voor oproepen naar de nummers van nooddiensten. Deze verplichting is eveneens van toepassing wanneer de beheerscentrales van de medische spoeddienst of de politiediensten geëxploiteerd worden door een organisatie die vanwege de overheid met deze opdracht is belast. § 3. De Koning stelt na advies van het Instituut de nadere regels vast inzake medewerking van de operatoren met de nooddiensten. HOOFDSTUK III. - Bescherming van de eindgebruikers Afdeling 1. - Algemeen Onderafdeling 1. - Informatieverstrekking aan de eindgebruikers Art. 108.§ 1. Ieder contract dat gesloten wordt tussen een abonnee en een operator, om een aansluiting en/of toegang tot het openbaar telefoonnetwerk te leveren wordt materieel ter beschikking gesteld van de abonnee, en bevat op zijn minst de volgende inlichtingen :
- a)de identiteit en het adres van de operator;
- b)de verstrekte diensten, de kwaliteitsniveaus van de geboden diensten en de wachttijd bij eerste aansluiting;
- c)de soorten onderhoudsservice die aangeboden worden;
- d)bijzonderheden van tarieven en de middelen voor het verkrijgen van actuele informatie over alle geldende tarieven en onderhoudskosten;
- e)de looptijd van het contract, de voorwaarden voor verlenging of beëindiging van de diensten en van het contract;
- f)de voorwaarden en de nadere regels voor schadevergoeding en terugbetaling die eventueel van toepassing zijn ingeval niet aan contractueel overeengekomen kwaliteitsniveaus van de dienst wordt voldaan;
- g)de wijze waarop geschillen kunnen worden beslecht, met inbegrip van het eventueel beroep aantekenen of het indienen van een klacht bij de ombudsdienst voor telecommunicatie. § 2. Onverminderd de toepassing van hoofdstuk V, afdeling 2 van de wet van 14 juni 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, hebben de abonnees het recht om bij kennisgeving van voorgestelde wijzigingen in de contractuele voorwaarden het contract zonder boete op te zeggen. De abonnees worden tijdig en ten minste één maand vooraf naar behoren individueel ter kennis gesteld van dergelijke wijzigingen en worden tegelijkertijd op de hoogte gesteld van hun recht om zonder boete het contract op te zeggen uiterlijk de laatste dag van de maand