📄 Wettekst
24 AUGUSTUS 2017. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp
De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, Gelet op de ordonnantie van 19 juli 1990 houdende oprichting van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, artikel 8, tweede lid;
Gelet op de ordonnantie van 9 juli 2015 tot wijziging van de ordonnantie van 19 juli 1990 houdende oprichting van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp artikel 9;
Gelet op het
besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 juni 2002Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
05/08/1992
pub.
21/10/1999
numac
1999015203
bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking
Wet houdende instemming met het Protocol houdende wijziging van artikel 81 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958, opgemaakt te Brussel op 16 februari 1990
sluiten6 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de DBDMH;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Ambtenarenzaken gegeven op 17 januari 2017;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting gegeven op 17 januari 2017;
Gelet op het protocol nr. 2017/02 van het Comité van sector XV van 20 maart 2017;
Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën gegeven op 29 maart 2017;
Gelet op de betrokkenheid van de federale overheid in toepassing van artikel 16, tweede lid van het samenwerkingsakkoord tot uitvoering van artikel 306 § 2 van het
koninklijk besluit van 19 april 2014Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
05/08/1992
pub.
21/10/1999
numac
1999015203
bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking
Wet houdende instemming met het Protocol houdende wijziging van artikel 81 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958, opgemaakt te Brussel op 16 februari 1990
sluiten3 houdende het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszones, verwezenlijkt op 1 juni 2017.
Gelet op het advies nr. 61.330/2 van de Raad van State, gegeven op 26 juni 2017in toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Gelet op de neutraliteit van deze regelgeving voor de respectieve toestand van vrouwen en mannen die blijkt uit de beoordeling van de impact ervan, verwezenlijkt op 8 mei 2017 conform artikel 3 van de ordonnantie van 29 maart 2012 houdende de integratie van de genderdimensie in de beleidslijnen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
Overwegende dat de artikelen 17 en 106 van de
wet van 15 mei 2007Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/05/2007
pub.
31/07/2007
numac
2007000663
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de civiele veiligheid
sluiten betreffende de civiele veiligheid het koninklijk besluit van 19 april 2017 houdende het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszones (hierna "federaal statuut" gedeeltelijk als algemene principes van toepassing maken op de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp (hierna "DBDMH");
Overwegende dat het federaal statuut in haar artikel 306 de bepalingen vastlegt die als algemene principes van toepassing zijn op de DBDMH evenals de aangelegenheden die moeten worden opgenomen in een samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest om de toepassing ervan in Brussel te regelen;
Overwegende dat het toekomt aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest om de algemene principes te aan te vullen, toe te passen of aan te passen door middel van de bevoegdheid die het bezit inzake het statuut dat van toepassing is op het personeel van de instellingen voor openbaar nut die het heeft gecreëerd;
Overwegende dat de meeste algemene principes zonder aanpassing werd omgezet in voorliggend statuut;
Overwegende dat sommige algemene principes van het federaal statuut aangepast zijn aan de bijzonderheden van de DBDMH en aan de specifieke eigenschappen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zonder echter afbreuk te doen aan de inhoud van de algemene principes. Dit is het geval wanneer de aanpassingen de bevoegde organen van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of van de DBDMH bepalen, wanneer de DBDMH hogere standaarden wenst te behoeden dan in de hulpverleningszones zoals inzake opleiding - met inachtneming van de minima van het federaal statuut - of nog wanneer de algemene principes de mogelijkheid voorzien om het geplande regime aan te vullen zoals inzake wedertewerkstelling;
Overwegende dat een samenwerkingsakkoord tot uitvoering van artikel 306 § 2 van het
koninklijk besluit van 19 april 2014Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
05/08/1992
pub.
21/10/1999
numac
1999015203
bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking
Wet houdende instemming met het Protocol houdende wijziging van artikel 81 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958, opgemaakt te Brussel op 16 februari 1990
sluiten3 houdende het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszones werd gesloten tussen de federale overheid en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest om de toepassing ervan in Brussel te regelen;
Overwegende dat regelmatig wordt verwezen naar het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest om de samenhang met het Brussels openbaar ambt te handhaven;
Op voorstel van de Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Economie, Tewerkstelling en Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp en Huisvesting;
Na beraadslaging, Besluit : BOEK I. - HET ADMINISTRATIEF STATUUT TITEL I. - Algemene bepalingen. Artikel 1.§ 1er. Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder : 1° de DBDMH : de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp;2° de Regering : de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;3° de minister : de Minister of de Staatssecretaris bevoegd voor Ambtenarenzaken;4° de functioneel bevoegde minister : de minister of staatssecretaris waarvan de instelling van openbaar nut afhangt krachtens de bevoegdheden die hij uitoefent;5° de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal : de ambtenaren van rang A5+ en A5 voorzien in artikel 6 van de ordonnantie van 19 juli 1990 houdende oprichting van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp, die de functie van officier-dienstchef en officier-tweede in bevel uitoefenen;6° de benoemende overheid : 1.de functioneel bevoegde minister voor de graden van niveau A; 2. de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal voor de graden van niveau C en D;7° de gewestelijke kamer van beroep : de gewestelijke kamer van beroep zoals voorzien in het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2017 tot vaststelling van het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de Instellingen van Openbaar Nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;8° vakorganisaties : de representatieve vakorganisaties die zetelen in Sectorcomité XV in uitvoering van artikel 8, § 1, van de
wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
19/12/1974
pub.
05/10/2012
numac
2012000586
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;9° het algemeen statuut : het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of elke andere reglementaire bepaling die het zou vervangen;10° de
wet van 15 mei 2007Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/05/2007
pub.
31/07/2007
numac
2007000663
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de civiele veiligheid
sluiten : de
wet van 15 mei 2007Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/05/2007
pub.
31/07/2007
numac
2007000663
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de civiele veiligheid
sluiten betreffende de civiele veiligheid;11° het besluit tot vaststelling van de delegaties : het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 13 juli 2017 tot bepaling van, voor de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandbestrijding en Medische Hulp, de delegaties van bevoegdheden en de ondertekeningsvolmachten aan de directeur-generaal en aan de adjunct-directeur-generaal en de modaliteiten van het advies van de administratieve coördinator in de materies die onder zijn bevoegdheid vallen en houdende diverse bepalingen;12° HRM : dienst binnen de DBDMH belast met het personeelsbeheer;13° de HRM-verantwoordelijke : het personeelslid van rang A3 ten minste bevoegd voor het personeelsbeheer;14° operationeel HRM-verantwoordelijke : een operationeel personeelslid van het hoger kader belast met het beheer van het operationeel personeel bij de DBDMH 15° koninklijk besluit opleiding : het
koninklijk besluit van 18 november 2015Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
05/08/1992
pub.
21/10/1999
numac
1999015203
bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking
Wet houdende instemming met het Protocol houdende wijziging van artikel 81 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958, opgemaakt te Brussel op 16 februari 1990
sluiten4 betreffende de opleiding van de leden van de openbare hulpdiensten en tot wijziging van diverse koninklijke besluiten;16° het federaal statuut : het
koninklijk besluit van 19 april 2014Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
05/08/1992
pub.
21/10/1999
numac
1999015203
bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking
Wet houdende instemming met het Protocol houdende wijziging van artikel 81 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958, opgemaakt te Brussel op 16 februari 1990
sluiten3 houdende het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszones.17° de badge DGH : het onderscheidingsteken voor dringende geneeskundige hulpverlening krachtens het
koninklijk besluit van 13 februari 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/02/1998
pub.
28/03/1998
numac
1998022090
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Koninklijk besluit betreffende de opleidings- en vervolmakingscentra voor hulpverleners-ambulanciers
sluiten betreffende de opleidings- en vervolmakingscentra voor hulpverleners-ambulanciers;18° het huishoudelijk reglement : het Huishoudelijk Reglement van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp;19° de werkdag : de weekdag van maandag tot vrijdag, met uitzondering van feestdagen : 20° de feestdagen : de feestdagen bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 april 1974 tot bepaling van de algemene wijze van uitvoering van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen;21° diploma van niveau A : diploma of getuigschrift dat toegang geeft tot functies van niveau A binnen de federale overheid zoals bedoeld in bijlage 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel. § 2. Wanneer dit besluit voorziet in een termijn wordt deze berekend in dagen, tenzij anders voorzien.
De termijn omvat alle dagen, zelfs zaterdagen, zondagen en de feestdagen.
De vervaldag wordt inbegrepen in de termijn. Wanneer deze dag evenwel valt op een zaterdag, een zondag of een feestdag, wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag. Als deze dag valt tussen Kerstmis en Nieuwjaar, wordt hij verplaatst naar de eerstvolgende werkdag na Nieuwjaar. § 3. Wanneer dit besluit voorziet in een betekening, dient te worden verstaan : 1° hetzij de afgifte van een stuk tegen een gedateerd en getekend ontvangstbewijs.In dit geval wordt de termijn berekend vanaf de dag volgend op de afgifte van het stuk, behoudens andersluidende bepalingen. 2° hetzij een aangetekende verzending.In dit geval word de termijn berekend vanaf de derde werkdag volgend op de aangetekende verzending, postdatum ter staving, behoudens tegenbewijs van de verzender. 3° hetzij elke andere drager met bewijskracht en vaste datum verstuurd aan het personeelslid.De verzending volgens een elektronische procedure die, op een weerlegbare wijze en aangepast aan de omstandigheden, de authenticiteit en de integriteit van de inhoud van de communicatie waarborgt, beschouwd als equivalent. Het gebruik van de elektronische identiteitskaart of de elektronische vreemdelingenkaart kan verplicht worden opgelegd. In dit geval wordt de termijn berekend vanaf de derde werkdag volgend op de verzending volgens een elektronische procedure, het moment waarop de communicatie het systeem voor gegevensverwerking gecontroleerd door de DBDMH verlaten heeft ter staving, behoudens tegenbewijs van de ontvanger. § 3. Het gebruik in dit besluit van mannelijke woorden is gemeenslachtig met het oog op het waarborgen van de leesbaarheid van de tekst. Art. 2.§ 1. Dit besluit is van toepassing op de ambtenaren van het operationeel personeel van de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp. § 2. Bovenop de operationele opdrachten die hem voorbehouden zijn en conform de functiebeschrijvingen, kan het personeelslid ertoe gehouden worden om administratieve of logistieke opdrachten overeenkomstig zijn competenties in het kader van artikel 11 van de
wet van 15 mei 2007Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/05/2007
pub.
31/07/2007
numac
2007000663
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de civiele veiligheid
sluiten uit te voeren.
TITEL II. - De organisatie van de DBDMH. HOOFDSTUK I. - De ambtenaren. Art. 3.Voor het operationeel personeelslid gelden de bepalingen van het algemeen statuut inzake de definitie van het begrip ambtenaren. HOOFDSTUK II. - De graden. Art. 4.§ 1. De graad is de titel op grond waarvan de ambtenaar met een rang bekleed is en waardoor hij gemachtigd is een betrekking in te nemen die met deze graad overeenstemt.
De graden worden gerangschikt per niveau en per rang.
Het niveau van een graad bepaalt de plaats van die graad in de hiërarchie volgens de kwalificatie van de vorming en de geschiktheid waarvan blijk moet gegeven opdat die graad kan worden toegekend.
De rang bepaalt de betrekkelijke waarde van een graad in zijn niveau. § 2. De verschillende functies binnen de DBDMH worden ingevuld door het basiskader, het middenkader en het hoger kader : 1° Het hoger kader omvat de graden van niveau A;2° Het middenkader omvat de graden van niveau C;3° Het basiskader omvat de graden van niveau D. § 3. Onverminderd de voorrechten van de mandaathouders, wordt, bij gelijkheid in graad, het gezag uitgeoefend door het personeelslid met de grootste anciënniteit in dezelfde graad. Art. 5.Elke rang wordt aangeduid met een letter gevolgd door een cijfer; de letter verwijst naar het niveau; het cijfer plaatst de rang binnen het niveau. Het hoogste cijfer stemt overeen met de hoogste rang.
De rangen worden als volgt verdeeld onder de niveaus : 1° in niveau A, zes rangen, nl.de rangen A1, A2 en A3, A4, A5 en A5+; 2° in niveau C, twee rangen, nl.de rangen C1 en C2; 3° in niveau D, twee rangen, nl.de rangen D1 en D2;
Het niveau A is het hoogste niveau. Art. 6.De volgende graden worden gecreëerd : in rang A3 : kolonel; in rang A2 : majoor; in rang A1 : kapitein, luitenant; in rang C2 : adjudant; in rang C1 : sergeant-majoor; sergeant; in rang D2 : korporaal; in rang D1 : eerste brandweerman; brandweerman. HOOFDSTUK III. - Het personeelsplan en het organigram. Art. 7.Voor het operationeel personeelslid gelden de bepalingen van het algemeen statuut inzake het personeelsplan en het organigram. HOOFDSTUK IV. - De leidende ambtenaren. Art. 8.§ 1. De officier-dienstchef, aangewezen bij mandaat overeenkomstig de bepalingen van Boek IV, is de leidend ambtenaar van de DBDMH. § 2. De officier-tweede in bevel, aangewezen bij mandaat overeenkomstig de bepalingen van Boek IV, is de adjunct-leidend ambtenaar van de DBDMH. § 3. De leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar zijn respectievelijk directeur-generaal en adjunct-directeur-generaal in de zin van de
wet van 16 juni 1989Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/06/1989
pub.
13/01/2022
numac
2021022412
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake samenwerking bij het bestrijden van de verontreiniging van de Noordzee door olie en andere schadelijke stoffen en van de Bijlage, opgemaakt te Bonn op 13 september 1983 (2)
sluiten houdende diverse institutionele hervormingen, van het algemeen statuut, van het besluit tot vaststelling van de delegaties en van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014tot bepaling van de rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de contractuele personeelsleden van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest § 4. De bepalingen van het algemeen statuut betreffende de leidende ambtenaren zijn van toepassing op de leden van het operationeel personeel, met uitzondering voor boek IV van dit algemeen statuut, dat niet voor hen van toepassing is. § 5. De directeur-generaal kan alle beslissingen die hem door het algemeen statuut en dit statuut worden verleend delegeren aan de adjunct-directeur-generaal en aan de administratieve coördinator. In dat geval dient de bevoegdheidsdelegatie goedgekeurd te worden door de directieraad. Het einde van de delegatie dient opgetekend te worden door de directieraad. § 6. De officier-dienstchef van de DBDMH is de zonecommandant in de zin van de
wet van 15 mei 2007Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/05/2007
pub.
31/07/2007
numac
2007000663
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de civiele veiligheid
sluiten. HOOFDSTUK V. - De directieraad. Art. 9.Voor het operationeel personeelslid gelden de bepalingen van het algemeen statuut inzake de directieraad.
Onverminderd artikel 23 van het algemeen statuut, maken eveneens deel uit van de directieraad de administratieve coördinator van rang A5 die stemgerechtigd is, de leidend-ambtenaar van "Brussel Preventie-Veiligheid" en de functioneel bevoegde Minister of zijn of haar vertegenwoordiger die elk een adviserende stem hebben.
De directieraad oefent de bevoegdheden uit die het algemeen statuut en dit besluit hen toekennen. HOOFDSTUK VI. - De gewestelijke kamer van beroep. Art. 10.Voor het operationeel personeelslid gelden de bepalingen van het algemeen statuut inzake de gewestelijke kamer van beroep.
TITEL III. - De aanwerving, de aanwervingsstage en de benoeming. HOOFDSTUK I. - De aanwerving. Afdeling I. - algemene bepaling
Art. 11.De aanwerving van het personeel gebeurt hetzij in de graad van brandweerman, voor wat betreft het basiskader, hetzij in de graad van kapitein, voor wat betreft het hoger kader . Afdeling II. - Het federaal geschiktheidsattest
Art. 12.§ 1. Het Opleidingscentrum van de Brandweer van Brussel organiseert, naargelang de noden van de DBDMH, specifieke geschiktheidsproeven voorafgaand aan de aanwerving, voor het basiskader en het hoger kader bedoeld in artikel 5 van het federaal statuut, op vraag van de functioneel bevoegde minister.
De inhoud en de modaliteiten voor de organisatie van de specifieke geschiktheidsproeven wordt geregeld door het federaal statuut en de regelgeving genomen in toepassing hiervan.
De DBDMH informeert de Minister van Binnenlandse Zaken van de organisatie van de specifieke geschiktheidsproeven ten minste en maand voor aanvang van de proeven. § 2. De organisatie van de specifieke proeven wordt bekendgemaakt, minstens in het Belgisch Staatsblad, via de website van de algemene directie civiele veiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken en via de website van ACTIRIS, ten laatste twintig dagen voor de uiterlijke inschrijvingsdatum.
De bekendmaking vermeldt de te vervullen voorwaarden en de datum waarop ze moeten vervuld worden, de opgelegde proeven, de inhoud ervan en de uiterste datum voor de kandidaatstelling. Afdeling III. - De oproep tot kandidaten
Art. 13.Bij een vacante betrekking in de graad van brandweerman of kapitein, richt de functioneel bevoegde minister een oproep tot kandidaten, of richt een oproep tot de geslaagde kandidaten van de wervingsreserve bedoeld in artikel 17, in de volgorde van rangschikking.
De oproep wordt minstens bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, via de website van de Algemene Directie Civiele Veiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken en via de website van ACTIRIS. Deze bekendmakingen zijn verplicht op straffe van nietigheid van de procedure.
De oproep vermeldt minstens een beknopt functieprofiel van de vacante betrekking, de te vervullen voorwaarden, en de dag waarop ze vervuld moeten worden, de opgelegde proeven, en de inhoud ervan, de uiterste datum voor de kandidaatstelling evenals de praktische modaliteiten voor de indiening ervan en de eventuele samenstelling van een reserve van geslaagden. In voorkomend geval wordt de duur en de omvang van deze reserve meegedeeld, alsook de mogelijkheid om het slagen in fysieke proeven vergelijkbaar met de specifieke geschiktheidsproeven voor de stagiairs die hun stage aanvangen na meer dan zes maanden reserve te vereisen. Afdeling IV. - De aanwerving van het personeel van het basiskader en
van het hoger kader. Art. 14.§ 1. De kandidaten voor een betrekking van brandweerman voldoen aan de volgende voorwaarden - 1° Belg zijn of burger van een ander land behorende tot de Europese Economisch Ruimte of van Zwitserland;2° ten minste 18 jaar oud zijn;3° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking.De kandidaat bezorgt een uittreksel uit het strafregister bedoeld in artikel 596 tweede lid van het Wetboek van Strafvordering dat afgeleverd dient te zijn binnen een termijn van drie maanden voorafgaand aan de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen; 4° de burgerlijke en politieke rechten genieten;5° in orde zijn met de dienstplichtwetten;6° houder zijn van rijbewijs B;7° houder zijn van een federaal geschiktheidsattest voor het basiskader of het hoger kader, zoals bedoeld in artikel 35 van het federaal statuut. § 2. De kandidaten voor een betrekking van kapitein voldoen aan de volgende voorwaarden - 1° Belg zijn;2° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking.De kandidaat bezorgt een uittreksel uit het strafregister bedoeld in artikel 596 tweede lid van het Wetboek van Strafvordering dat afgeleverd dient te zijn binnen een termijn van drie maanden voorafgaand aan de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen; 3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;4° in orde zijn met de dienstplichtwetten;5° houder zijn van rijbewijs B;6° houder zijn van een diploma van niveau A 7° houder zijn van een federaal geschiktheidsattest voor het basiskader of het hoger kader, zoals bedoeld in artikel 35 van het federaal statuut. § 3. Het personeelslid van een hulpverleningszone van het basiskader of middenkader wordt geacht te hebben voldaan aan de in paragraaf 1, 7° bedoelde voorwaarde. Het personeelslid van een hulpverleningszone van het hoger kader wordt geacht te hebben voldaan aan de in paragraaf 2, 7° bedoelde voorwaarde.
Het personeelslid van een hulpverleningszone doe geen officier is wordt vrijgesteld van de operationele handvaardigheidstest en de lichamelijke geschiktheidsproeven bedoeld in artikel 35, § 3, 2° en 3° van het federaal statuut in het kader van het behalen van het federaal geschiktheidsattest van het hoger kader Art. 15.De aanwerving is onderworpen aan het slagen in een vergelijkend wervingsexamen en een eliminerend medisch onderzoek, als vermeld in artikel 26 van het
koninklijk besluit van 28 mei 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
05/08/1992
pub.
21/10/1999
numac
1999015203
bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking
Wet houdende instemming met het Protocol houdende wijziging van artikel 81 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958, opgemaakt te Brussel op 16 februari 1990
sluiten2 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers. Art. 16.De inhoud en de modaliteiten van het vergelijkend examen, bedoeld om de motivatie, de inzetbaarheid en de overeenstemming van de kandidaat met de functiebeschrijving te testen, worden vastgelegd door de functioneel bevoegde minister. De praktische organisatie van het vergelijkend examen kan door de minister toevertrouwd worden aan het Opleidingscentrum van de Brussel Brandweer en/of aan SELOR en/of aan Gewestelijke Overheidsdienst Brussel - Brussel Openbaar Ambt.
De kandidaten beschikken over ten minste twintig dagen vanaf de in artikel 13bedoelde bekendmakingen om zich kandidaat te stellen.
Het resultaat van het examen wordt betekend aan de betrokkene. Art. 17.De functioneel bevoegde Minister bepaalt of er al dan niet een reserve van geslaagden wordt aangelegd.
Als er een reserve aangelegd wordt, worden de laureaten die niet toegelaten konden daarin opgenomen.
De reserve heeft een geldigheidsduur van twee jaar. Deze geldigheidsduur kan maximaal twee keer met twee jaar verlengd worden.
De functioneel bevoegde minister brengt de kandidaten hiervan op de hoogte. Voorafgaand aan de vorming van een wervingsreserve, kan de functioneel bevoegde minister, op basis van het aantal voorzienbare vacante betrekkingen in de DBDMH het aantal toelaatbare geslaagden in deze reserve bepalen. HOOFDSTUK II. - De aanwervingsstage. Afdeling I. - Algemene bepalingen.
Art. 18.De kandidaat voor een betrekking bij de DBDMH wordt door de officier-dienstchef tot de stage toegelaten in orde van rangschikking resulterend uit het vergelijkend wervingsexamen. Art. 19.De stagiair is geen ambtenaar in de zin van dit besluit.
De volgende in dit besluit opgenomen bepalingen zijn op de stagiair van toepassing : 1. de rechten, plichten, onverenigbaarheden en cumulatie van activiteiten;2. de tuchtregeling;3. de administratieve standen;4. het geldelijk statuut;5. het ambtshalve verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en de definitieve ambtsneerlegging;6. de gemiddelde maximum arbeidsduur. De stagiair geniet van : 1° de jaarlijkse vakantie;2° de feestdagen;3° het omstandigheidsverlof;4° het verlof wegens ziekte of invaliditeit.5° het bevallingsverlof;6° de disponibiliteit wegens ziekte of gebrekkigheid, 7° verloven om in geval van ernstige ziekte of ongeval een persoon bij te staan die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont;8° het verlof voor detachering bij een ministerieel kabinet van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;9° het verlof om een politiek mandaat.10° verlof voor loopbaanonderbreking, voor palliatieve verzorging en verlof voor loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof;11° verlof voor een wederoproeping als reservist;12° verlof om deel uit te maken van de jury van het Hof van Assisen Voor de toepassing van dit artikel wordt de stagiair geacht de graad te bezitten waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld.13° verlof voor opdracht.Voor de toepassing van dit artikel wordt de stagiair geacht de graad te bezitten waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Art. 20.De directieraad kan fysieke proeven organiseren die vergelijkbaar zijn met de specifieke geschiktheidsproeven bedoeld in artikel 12 voor de stagairs die hun stage aanvangen na meer dan zes maanden in de reserve. Indien de stagiair niet aan de geschiktheidsvoorwaarden voldoet, wordt hij ambtshalve ontslagen. Ten laatste op de datum van dit ontslag van ambtswege wordt met de betrokkene een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde duur afgesloten.
Deze duur is gelijk aan de minimumduur die in zijn geval wordt opgelegd om het voordeel van werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Wanneer hij op de datum waarop deze overeenkomst begint te lopen arbeidsongeschikt is of wanneer hij dat wordt tijdens de uitvoering ervan, wordt hem in het eerste geval een wedde uitbetaald gedurende zes maanden en in het tweede geval gedurende de periode nodig om de wachttijd te dekken voor de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen. Art. 21.§ 1. De aanwervingsstage begint de dag van de indiensttreding. Hij start met het volgen van de opleiding nodig voor het brevet bedoeld in artikel 39, derde lid van het federaal statuut en het behalen van de badge DGH. De aanwervingsstage eindigt één jaar na het behalen van het brevet bedoeld in artikel 39, derde lid, van het federaal statuut.
Onverminderd paragraaf 3, kan de totale stageperiode niet langer zijn dan drie jaar beginnend vanaf de dag van indienststreding. § 2. Om de duur van de periode van de aanwervingsstage te berekenen, worden alle perioden waarin de beroepsstagiair in dienstactiviteit is, in aanmerking genomen § 3. De stage wordt opgeschort zodra de stagiair, behalve de verloven bedoeld in artikel 19, derde lid, 1° tot 3° en 7° en de afwezigheden voortvloeiend uit de artikelen 81, § 1 en 2, en 82 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de
wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
19/12/1974
pub.
05/10/2012
numac
2012000586
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, het equivalent van 10 werkdagen gewettigde afwezigheid.
Tijdens de schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair.
Hij behoudt deze eveneens tot de datum waarop een definitieve beslissing omtrent zijn benoeming of afdanking wordt genomen. Art. 22.§ 1. De directieraad bepaalt de theoretische en praktische opleiding gevolgd door de stagiair in de dienst. § 2. In ieder geval volgt de beroepsstagiair kandidaat voor een betrekking van brandweerman de opleiding nodig voor het behalen van het brevet B01, van de badge DGH en van het rijbewijs van type C, indien hij meer dan 21 jaar is, of C1, indien hij minder dan 21 jaar is. De DBDMH neemt de kosten voor de opleiding van de stagiair en voor het behalen van het rijbewijs C of C1 voor zijn rekening. § 3. In ieder geval volgt de beroepsstagiair kandidaat voor een betrekking van kapitein de opleiding nodig voor het behalen van het brevet OFF2 en van de badge DGH. De DBDMH neemt de kosten voor de opleiding van de stagiair voor zijn rekening. Art. 23.De opleiding van de stagiair gebeurt onder de verantwoordelijkheid van de stagemeester, in samenwerking met de bevoegde hiërarchische meerdere en de officier-dienstchef. Art. 24.§ 1. De officier-dienstchef wijst de stagiair voorlopig toe in een vacante betrekking bij de dienst waar deze laatste zijn stage zal volbrengen.
Hij kan deze aanwijzing veranderen : 1° in het belang van de dienst;2° op aanvraag van de stagiair. § 2. De officier-dienstchef kan, in overeenstemming met de stagemeester, beslissen de stagiair bijkomende vormingsactiviteiten te laten volgen. § 3. Met het oog op zijn vorming, en op voorstel van de officier-dienstchef, kan de stagiair bij een hulpverleningszone worden gedetacheerd voor een duurtijd die in het geheel de twee maanden niet overschrijdt of kan hij een deel van zijn aanwervingsstage in een hulpverleningszone volbrengen mits het akkoord van de commandant van de zone waaraan de stagiair toegewezen is of zijn afgevaardigde. In dat geval wordt de stagiair geplaatst onder de verantwoordelijkheid van de commandant van de zone waaraan de stagiair werd toegewezen, of zijn afgevaardigde.
Tijdens deze periode ziet de commandant van de zone waar de stagiair aan toegewezen is, of zijn afgevaardigde, erop toe dat de stagiair slechts deelneemt aan operaties voor zover zijn theoretische en praktische opleiding dit toelaat. Aan het einde van deze periode stelt de commandant van de zone waaraan de stagiair toegewezen is of diens afgevaardigde, een evaluatierapport op over de stagiair. Art. 25.§ 1. De stagemeester is een officier van ten minste rang A1, met minstens zes jaar anciënniteit, aangeduid door de officier-dienstchef, naargelang van de taalrol van de stagiair. § 2. De bevoegde hiërarchische meerdere zorgt voor de opleiding in de materie die door zijn dienst wordt behandeld. Hij leert de stagiair de activiteiten kennen van de andere diensten van de DBDMH. Hij noteert in een logboek de opmerkingen met betrekking tot het verloop van de stage. Afdeling II. - De evaluatie tijdens de aanwervingsstage.
Art. 26.De evaluatie heeft tot doel de prestaties van de stagiair doorlopend te beoordelen in functie van zijn functiebeschrijving. Om zich ervan te vergewissen dat de stagiair de te behalen doelstellingen kent alsook de elementen waarop hij geëvalueerd zal worden tijdens de stage, begint de stage met een functiegesprek. Art. 27.§ 1. De stagemeester maakt stageverslagen op, na de nodige informatie te hebben ingewonnen en na een evaluatiegesprek met de stagiair over het verloop van de stage, met name betreffende : 1° de vormingsactiviteiten en de resultaten ervan;2° de wijze waarop de stagiair zich in de dienst integreert;3° de uitvoering van de opdrachten die hem worden toevertrouwd. § 2. De stageverslagen worden om de drie maanden en op het einde van de aanwervingsstage opgemaakt. Ze worden door de stagebegeleider ondertekend en na afloop van elke periode ter kennis gebracht van de stagiair, die ze ondertekent en er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegt.
De verslagen worden toegevoegd aan het persoonlijk dossier van de stagiair. § 3. In de tussentijdse stageverslagen wordt de stagiair geëvalueerd door middel van een `zeer goed', `goed of `voldoende', `te verbeterend' of `onvoldoende'' beoordeling. Deze evaluatie wordt gemotiveerd aan de hand van concrete vaststellingen. In dit kader formuleert de stagebegeleider aandachtspunten en reikt mogelijke oplossingen aan. Afdeling III. - Het einde van de aanwervingsstage.
Art. 28.Op het einde van de aanwervingsstage stelt de stagemeester na de stagiaire gehoord te hebben, het eindverslag van de stage op.
Het verslag moet de diploma's en brevetten vermelden die de kandidaat tijdens de stageperiode heeft behaald, evenals een van de voorstellen zoals bedoeld in artikel 29.
Het eindverslag wordt betekend aan de stagiair. De betrokkene beschikt over 14 dagen om zijn opmerkingen te betekenen.
De directieraad legt het model van het stageverslag vast. Art. 29.De stagemeester deelt de verslagen van de stage mede aan de operationeel HRM-verantwoordelijke. Op basis van deze verslagen en van de eventuele opmerkingen van de stagiair, stelt de operationeel HRM-verantwoordelijke, afhankelijk van het geval voor om : 1° hetzij de stagiair te benoemen;2° hetzij de stage te verlengen voor een periode van ten hoogste één jaar;3° hetzij de stagiair te ontslaan. Het voorstel wordt betekend aan de stagiair.
Indien de operationeel HRM-verantwoordelijke de benoeming van de stagiair voorstelt, wordt de beslissing voor verdere afhandeling medegedeeld aan de benoemende overheid. De beslissing van de benoemende overheid wordt betekend aan de stagiair. Afdeling IV. - De procedure van beroep.
Art. 30.Binnen de DBDMH wordt een stagecommissie opgericht voor de beroepen met betrekking tot de evaluaties van de stagiairs.
De stagecommissie bestaat uit : 1° een officier die ten minste rang A2 bekleedt, geen operationeel HRM-verantwoordelijke is en aangeduid is door de officier-dienstchef die de commissie voorzit;2° drie door de officier-dienstchef aangeduide personeelsleden bekleed met een graad die minstens gelijkwaardig is aan die van de stagiair en van dezelfde taalrol als de stagiair. Een afgevaardigde per representatieve syndicale organisatie in de DBDMH mag als waarnemer zetelen.
Geen enkel lid van de commissie mag de echtgenoot, de ouder of een bloedverwant tot en met de derde graad zijn van een kandidaat.
De stagemeester mag niet zetelen in de commissie.
De commissie kan slechts een advies uitbrengen indien de meerderheid van zijn leden aanwezig is en beslist bij geheime stemming en bij gewone meerderheid van de stemmen. In geval van staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. Art. 31.Als de operationeel HRM-verantwoordelijke voorstelt om de stagiair te ontslaan of om de periode van de aanwervingsstage te verlengen, kan deze laatste het geval voorleggen aan de stagecommissie binnen de dertig dagen na de verzending van het voorstel door, per aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum, zich te richten tot de officier-dienstchef.
Indien de stagiair dit niet voorlegt aan de stagecommissie binnen deze termijn, wordt het voorstel voor verdere afhandeling overgemaakt aan de benoemende overheid. De beslissing van de benoemende overheid wordt betekend aan de stagiair. Art. 32.De voorzitter van de commissie roept de stagiair op, minstens zeven dagen voor de hoorzitting per aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum. Deze laatste heeft toegang tot het dossier en verschijnt in persoon, hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Deze persoon mag geen deel uitmaken van de commissie.
Indien, alhoewel regelmatig opgeroepen, de stagiair of zijn verdediger, zonder geldig excuus, niet verschijnt, formuleert de commissie een advies.
Indien de stagiair een geldig excuus voorlegt, wordt de zitting uitgesteld en wordt de stagiair opgeroepen voor een tweede hoorzitting volgens de voorschriften van het eerste lid.
De commissie brengt een advies uit op basis van het eindverslag van de stage, zelfs indien de stagiair een geldig excuus kan inroepen, zodra de zaak het voorwerp van de tweede zitting uitmaakt. Art. 33.De stagecommissie kan de stagemeester en de hiërarchische meerdere horen over het verloop van de stage. Art. 34.De commissie betekent een gemotiveerd advies aan de Directieraad binnen twee maanden na de hoorzitting of na de datum van de hoorzitting waarop de stagiair moest verschijnen. Bij gebrek aan een advies uitgebracht binnen deze termijn, wordt het advies van de commissie geacht positief te zijn. Art. 35.De directieraad beslist op basis van het verslag van de stagemeester en het advies van de stagecommissie, binnen een termijn van twee maanden na de ontvangst van het advies. Hij maakt vervolgens zijn voorstel voor verdere afhandeling over aan de benoemende overheid die het voorstel van de directieraad volgt.
Bij gebrek aan een voorstel uitgebracht binnen deze termijn, wordt een voorstel van benoeming meegedeeld aan de benoemende overheid.
Het voorstel wordt bijzonder gemotiveerd indien de directieraad afwijkt van het advies van de commissie.
De beslissing van de benoemende overheid wordt ook betekend aan de betrokkene. Art. 36.In geval van verlenging van de stage wordt de stagiair geëvalueerd zoals tijdens de initiële stage.
De artikelen 28 en 29 zijn toepasselijk, met dien verstande dat de operationeel HRM-verantwoordelijke geen tweede verlenging van de stage kan voorstellen. Art. 37.De afdanking wegens negatieve beoordeling gaat in op de datum van de betekening van de beslissing van de benoemende overheid. De stagiair die afgedankt werd wegens negatieve beoordeling geniet een beëindigingsvergoeding gelijk aan drie keer de gemiddelde maandelijkse bezoldiging van de twaalf laatste maanden. De diverse premies en toelagen worden niet in rekening gebracht voor berekening van de beëindigingsvergoeding. Afdeling V. - Voortijdige beëindiging van de stage.
Art. 38.Na de twee tussentijdse stageverslagen die afgesloten worden met een ongunstige beoordeling, betekent de operationeel HRM-verantwoordelijke een voorstel tot afdanking aan de stagiair.
De stagiair kan in beroep gaan tegen het voorstel tot afdanking volgens de termijnen en modaliteiten van afdeling IV van dit hoofdstuk.
Indien de stagiair dit niet voorlegt aan de commissie binnen de gestelde termijn, wordt het voorstel tot afdanking voor verdere afhandeling medegedeeld aan de benoemende overheid. Art. 39.Indien, in de loop van de stage, de stagiair een zware fout begaat die elke beroepsmedewerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt tussen de overheid en de stagiair, roept de stagemeester, of in diens afwezigheid, de gemachtigde hiërarchische meerdere, binnen de vijf werkdagen binnen dewelke hij kennis neemt van de handeling die een ernstige tekortkoming uitmaakt, de stagiair om gehoord te worden over zijn middelen tot verdediging.
De oproeping vermeldt de feiten die de stagiair ten laste worden gelegd, de normen waarop deze feiten inbreuk plegen, het feit dat overwogen wordt voortijdig zijn stage te beëindigen, het recht voor de stagiair om zich te laten bijstaan door een verdediger van zijn keuze, met uitzondering van elke persoon die gevraagd wordt zich uit te spreken over de ten laste gelegde feiten en het recht voor de stagiair om te verzoeken bijkomende onderzoeksmaatregelen te verrichten.
Een proces-verbaal wordt opgesteld en ondertekend op tegenspraak.
Na afloop van de hoorzitting stelt de stagemeester een verslag op. Dit verslag kan de voortijdige beëindiging van de stage voorstellen.
Indien dit verslag betrekking heeft op een stagiair van niveau A, kan deze enkel opgesteld worden met toestemming van de officier-dienstchef of de officier-tweede in bevel.
De definitieve beslissing komt toe aan de benoemende overheid. Deze moet binnen de vijf werkdagen na de hoorzitting een uitspraak doen.
De stagiair kan in beroep gaan tegen de beslissing volgens de termijnen en modaliteiten van afdeling IV van dit hoofdstuk.
In dat geval wordt dit opnieuw voorgelegd aan de benoemende overheid na het advies van de stagecommissie.
Het beroep schort de beslissing niet op. HOOFDSTUK III. - De benoeming. Art. 40.De functioneel bevoegde minister benoemt de stagiairs van niveau A en officier-dienstchef de stagiairs van niveau D. Art. 41.Om in vast verband benoemd te worden tot de graad van brandweerman, moeten de stagiairs van niveau D houder zijn van : 1° het brevet BO1;2° de badge DGH;3° het rijbewijs type C, indien ze ouder zijn dan 21jaar, of C1, indien ze jonger zijn dan 21 jaar. Art. 42.Om in vast verband benoemd te worden tot de graad van kapitein, moeten de stagiairs van niveau A houder zijn van : 1° het brevet OFF2;2° de badge DGH. Art. 43.De hoedanigheid van ambtenaar wordt bekrachtigd door de eed die wordt afgelegd in de termen bepaald bij artikel 2 van het
decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
05/08/1992
pub.
21/10/1999
numac
1999015203
bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking
Wet houdende instemming met het Protocol houdende wijziging van artikel 81 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958, opgemaakt te Brussel op 16 februari 1990
sluiten5 betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie.
De ambtenaren leggen de eed af in handen van de functioneel bevoegde minister of de door hem aangewezen ambtenaar. Art. 44.De officier-dienstchef wijst de pas benoemde ambtenaar een betrekking van zijn graad toe.
TITEL IV. - De loopbaan. HOOFDSTUK I. - De hiërarchische loopbaan. Afdeling I. - Algemene bepalingen.
Art. 45.De hiërarchische loopbaan is de loopbaan die de ambtenaar kan doorlopen door verhoging in graad.
Iedere open betrekking wordt door de benoemende overheid vacant verklaard alvorens zij kan worden begeven. Art. 46.In afwijking van artikel 45, worden de bevorderingen binnen eenzelfde gecontingenteerde groep, toegekend zodra aan de bevorderingsvoorwaarden voldaan is, zonder expliciete vacantverklaring van betrekkingen.
De volgende graden vormen telkens een gecontingenteerde groep : 1° brandweerman, eerste brandweerman;2° sergeant, sergeant-majoor. Art. 47.§ 1. Behalve voor de bevorderingen binnen eenzelfde gecontingenteerde groep en voor de bevorderingen waarvoor een bevorderingsreserve wordt samengesteld uit voldoende kandidaten, worden de vacante betrekkingen per dienstnota ter kennis gebracht van de ambtenaren van de DBDMH die de bevorderingsvoorwaarden kunnen vervullen.
De betrokkenen bevestigen de ontvangst van de dienstnota binnen een termijn van 14 dagen. Een exemplaar van de nota wordt bij een ter post aangetekende brief gestuurd naar de woonplaats van de ambtenaar die binnen deze termijn zijn visum niet heeft aangebracht op deze nota of die om welke reden ook tijdelijk uit de dienst is verwijderd. § 2. Worden enkel in aanmerking genomen, de kandidaturen van de ambtenaren van de DBDMH die per aangetekend schrijven gericht zijn aan de voorzitter van de directieraad, binnen een termijn van 15 dagen.
Deze termijn gaat in ofwel de dag waarop de ambtenaar zijn visum aangebracht heeft op de dienstnota, ofwel de dag waarop het aangetekend schrijven met de dienstnota door de post werd aangeboden op de woonplaats van de ambtenaar. § 3. Elke kandidatuur voor een bevorderingsbetrekking dient een uiteenzetting te bevatten over de elementen die de kandidatuur staven. § 4. Het staat de ambtenaren vrij om voorafgaandelijk te dingen naar elke betrekking die eventueel vacant zou worden verklaard tijdens hun afwezigheid. De geldigheid van een dergelijke kandidatuur is beperkt tot twee maanden. Zij behoort met een aangetekend schrijven ingediend te worden bij de voorzitter van de directieraad. Art. 48.De bevorderingen in de hiërarchische loopbaan worden verleend door de voor het niveau bevoegde benoemende overheid. Afdeling II. - De bevorderingsvoorwaarden.
Art. 49.De voorwaarden die de ambtenaar moet vervullen om bevorderd te kunnen worden tot de graad van eerste brandweerman zijn de volgende : 1° ten minste 3 jaar anciënniteit in de graad van brandweerman tellen;2° houder zijn van de badge DGH;3° ten minste de evaluatievermelding "voldoende" hebben verkregen bij de laatste evaluatie;4° voldoen aan de opleidingsverplichtingen voorzien op basis van titel X;5° voldoen aan de tweejaarlijkse fysieke testen. Art. 50.§ 1. De voorwaarden die de ambtenaar moet vervullen om bevorderd te kunnen worden tot de graad van korporaal worden vastgelegd in artikel 56, 1° van het federaal statuut.
Bovendien moet de ambtenaar, om bevorderd te worden tot de graad van korporaal, voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° ten minste drie jaar anciënniteit in de graad van brandweerman tellen;2° houder zijn van de badge DGH;3° voldoen aan de opleidingsverplichtingen voorzien op basis van titel X;4° voldoen aan de tweejaarlijkse fysieke testen. § 2. Bij gebrek aan kandidaten die beantwoorden aan de voorwaarden vastgesteld in de eerste paragraaf, stelt de directieraad de bevorderingsprocedure tot de graad van corporaal open voor de ambtenaren die enkel aan de voorwaarden van het artikel 56, 1° van het federaal statuut voldoen. In voorkomend geval kan de directieraad tegelijk een beroep doen op bevordering per mobiliteit. Art. 51.§ 1. De voorwaarden die de ambtenaar moet vervullen om bevorderd te worden tot de graad van sergeant worden vastgelegd in artikel 56, 2° van het federaal statuut.
Bovendien moet de ambtenaar, om bevorderd te worden tot de graad van sergeant, voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° ten minste zes jaar dienstanciënniteit tellen;2° houder zijn van de badge DGH;3° voldoen aan de opleidingsverplichtingen voorzien op basis van titel X;4° voldoen aan de tweejaarlijkse fysieke testen. § 2. Bij gebrek aan kandidaten die beantwoorden aan de voorwaarden vastgesteld in de eerste paragraaf, stelt de directieraad de bevorderingsprocedure tot de graad van sergeant open voor de ambtenaren die enkel aan de voorwaarden van het artikel 56, 2° van het federaal statuut voldoen. In voorkomend geval kan de directieraad tegelijk een beroep doen op bevordering per mobiliteit. Art. 52.De voorwaarden die de ambtenaar moet vervullen om bevorderd te worden tot de graad van sergeant majoor zijn de volgende : 1° ten minste zes jaar anciënniteit in de graad van sergeant tellen;2° houder zijn van de badge DGH;3° ten minste de evaluatievermelding "voldoende" hebben verkregen bij de laatste evaluatie;4° voldoen aan de opleidingsverplichtingen voorzien op basis van titel X;5° voldoen aan de tweejaarlijkse fysieke testen. Art. 53.§ 1. De voorwaarden die de ambtenaar moet vervullen om bevorderd te kunnen worden tot de graad van adjudant worden vastgelegd in artikel 56, 3° van het federaal statuut.
Bovendien, moet de ambtenaar, om bevorderd te kunnen worden tot de graad van adjudant, voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° ten minste drie jaar anciënniteit in de graad van sergeant tellen;2° voldoen aan de opleidingsverplichtingen voorzien op basis van titel X;3° voldoen aan de tweejaarlijkse fysieke testen. § 2. Bij gebrek aan kandidaten die beantwoorden aan de voorwaarden vastgesteld in de eerste paragraaf, stelt de directieraad de bevorderingsprocedure tot de graad van adjudant open voor de ambtenaren die enkel aan de voorwaarden van het artikel 56, 3° van het federaal statuut voldoen. In voorkomend geval kan de directieraad tegelijk een beroep doen op bevordering per mobiliteit. Art. 54.§ 1. De voorwaarden die de ambtenaar moet vervullen om bevorderd te kunnen worden tot de graad van luitenant worden vastgelegd in artikel 56, 4° van het federaal statuut.
Bovendien moet de ambtenaar, om bevorderd te kunnen worden tot de graad van luitenant, voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° voldoen aan de opleidingsverplichtingen voorzien op basis van titel X;2° voldoen aan de tweejaarlijkse fysieke testen. § 2. Bij gebrek aan kandidaten die beantwoorden aan de voorwaarden vastgesteld in de eerste paragraaf, stelt de directieraad de bevorderingsprocedure tot de graad van luitenant open voor de ambtenaren die enkel aan de voorwaarden van het artikel 56, 4° van het federaal statuut voldoen. In voorkomend geval kan de directieraad tegelijk een beroep doen op bevordering per mobiliteit. Art. 55.§ 1. De voorwaarden die de ambtenaar moet vervullen om bevorderd te worden tot de graad van kapitein worden vastgelegd in artikel 56, 5° van het federaal statuut.
Bovendien moet de ambtenaar, om bevorderd te worden tot de graad van kapitein, voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° ten minste drie jaar anciënniteit in de graad van luitenant tellen;2° voldoen aan de opleidingsverplichtingen voorzien op basis van titel X;3° voldoen aan de tweejaarlijkse fysieke testen. § 2. Bij gebrek aan kandidaten die beantwoorden aan de voorwaarden vastgesteld in de eerste paragraaf, stelt de directieraad de bevorderingsprocedure tot de graad van kapitein open voor de ambtenaren die enkel aan de voorwaarden van het artikel 56, 5° van het federaal statuut voldoen. In voorkomend geval kan de directieraad tegelijk een beroep doen op bevordering per mobiliteit. Art. 56.§ 1. De voorwaarden die de ambtenaar moet vervullen om bevorderd te worden tot de graad van majoor worden vastgelegd in artikel 56, 6° van het federaal statuut.
Bovendien moet de ambtenaar, om bevorderd te worden tot de graad van majoor, voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° ten minste zes jaar anciënniteit hebben in het hoger kader;2° voldoen aan de opleidingsverplichtingen voorzien op basis van titel X;3° voldoen aan de tweejaarlijkse fysieke testen. § 2. Bij gebrek aan kandidaten die beantwoorden aan de voorwaarden vastgesteld in de eerste paragraaf, stelt de directieraad de bevorderingsprocedure tot de graad van majoor open voor de ambtenaren die enkel aan de voorwaarden van het artikel 56, 2° van het federaal statuut voldoen. In voorkomend geval kan de directieraad tegelijk een beroep doen op bevordering per mobiliteit. Art. 57.§ 1. De voorwaarden die de ambtenaar moet vervullen om te kunnen solliciteren voor een procedure voor de bevordering tot de graad van kolonel zijn vastgelegd in artikel 56, 7° van het federaal statuut.
Bovendien moet de ambtenaar, om te kunnen solliciteren voor een procedure voor bevordering tot de graad van kolonel, voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° ten minste 9 jaar anciënniteit hebben in het hoger kader;2° voldoen aan de opleidingsverplichtingen voorzien op basis van titel X;3° voldoen aan de tweejaarlijkse fysieke testen. § 2. Bij gebrek aan kandidaten die beantwoorden aan de voorwaarden vastgesteld in de eerste paragraaf, stelt de directieraad de bevorderingsprocedure tot de graad van kolonel open voor de ambtenaren die enkel aan de voorwaarden van het artikel 56, 2° van het federaal statuut voldoen. In voorkomend geval kan de directieraad tegelijk een beroep doen op bevordering per mobiliteit. Art. 58.De bevorderingsproef bedoeld in artikel 57 van het federaal statuut wordt georganiseerd door het Opleidingscentrum van de Brandweer Brussel. Zij omvat geschiktheidstesten waaronder een praktische proef. De functioneel bevoegde minister bepaalt de inhoud en de modaliteiten van deze bevorderingsproeven zolang de minister van Binnenlandse Zaken de inhoud van de bevorderingsproeven van het federaal statuut zelf niet heeft vastgelegd.
Enkel de personeelsleden die ten laatste op de dag van de proef voldoen aan de in dit hoofdstuk bedoelde bevorderingsvoorwaarden, mogen aan deze proef deelnemen.
De directieraad duidt de personen aan die de examenjury uitmaken.
De jury is voor minstens de helft samengesteld uit officieren die tot de DBDMH behoren. Deze officieren hebben minstens dezelfde graad als die van de vacant verklaarde betrekking. Geen enkel lid van de examenjury mag de echtgenoot, de ouder of een bloedverwant tot en met de derde graad zijn van een kandidaat.
Een afgevaardigde per representatieve syndicale organisatie bij de DBDMH mag als waarnemer zetelen.
De jury stelt een rangschikking van de kandidaten van de bevorderingsproef op.
De kandidaten worden op de hoogte gebracht van hun resultaat bij aangetekend schrijven of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum. Afdeling 3. - De bevorderingsprocedure.
Art. 59.Voor ieder voorstel van bevordering, brengt de directieraad een met redenen omkleed advies uit. Art. 60.Voor de bevordering tot een graad die behoort tot dezelfde gecontingenteerde groep als deze die de ambtenaar bekleedt, heeft dit advies betrekking op de controle van de bevorderingsvoorwaarden.
De directieraad formuleert een voorstel van benoeming aan de benoemende overheid. Art. 61.Voor de bevordering tot een graad die niet behoort tot een gecontingenteerde groep, spreekt de directieraad zich in zijn advies uit over iedere kandidaat die voldoet aan de vereisten om de betrekking te bekleden.
Het advies van de directieraad neemt vóór ieder ander beoordelingselement de rangschikking van de kandidaten voor de bevorderingsproef in overweging.
Bij gelijkheid van de kandidaten in de bevorderingsproef, neemt het advies van de directieraad de niveauanciënniteit van de ambtenaar binnen het operationeel kader van de DBDMH in overweging en bij gelijke niveauanciënniteit, de dienstanciënniteit van de ambtenaar binnen het operationeel kader van de DBDMH. Bij gelijkheid in niveau- en dienstanciënniteit binnen het operationeel kader van de DBDMH geeft de directieraad in zijn advies de voorkeur aan de kandidatuur van de oudste ambtenaar.
Het feit dat de ambtenaar binnen het operationeel kader van de DBDMH werd aangeworven op basis van een arbeidscontract heeft geen invloed op de berekening van de anciënniteit, die op dezelfde wijze wordt berekend als voor een ambtenaar die als statutair werd aangeworven.
De directieraad rangschikt de kandidaturen in de aldus verkregen volgorde en formuleert een voorstel tot bevordering aan de benoemende overheid. Art. 62.De directieraad kan een bevorderingsreserve aanleggen waarvan de geldigheidsduur de twee jaar niet overschrijdt.
De directieraad kan de geldigheid van de bevorderingsreserve maximum twee keer verlengen met 2 jaar.
De ambtenaren worden in de bevorderingsreserve gerangschikt in de volgorde bepaald in artikel 61 en worden bevorderd volgens deze volgorde. Art. 63.De voorstellen bedoeld in de artikelen 60 en 61worden gedragen door de dienstnota ter kennis gegeven aan de ambtenaren die respectievelijk aan de bevorderingsvoorwaarden voldoen of zich kandidaat hebben gesteld voor de te begeven betrekking. of De betrokkenen bevestigen de ontvangst van de dienstnota binnen een termijn van 14 dagen. Een exemplaar van de nota wordt bij een ter post aangetekende brief gestuurd naar de woonplaats van de ambtenaar die binnen deze termijn zijn visum niet heeft aangebracht op deze nota of die om welke reden ook tijdelijk uit de dienst is verwijderd.
De ambtenaar die zich benadeeld acht kan binnen 14 dagen na de kennisgeving bij aangetekende brief bezwaar indienen bij de voorzitter van de directieraad.
Deze termijn gaat in ofwel de dag waarop de ambtenaar zijn visum aangebracht heeft op de dienstnota, ofwel de dag waarop het aangetekend schrijven met de dienstnota door de post werd aangeboden op de woonplaats van de ambtenaar.
De ambtenaar wordt op zijn verzoek door de directieraad gehoord. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.
De ambtenaar voor wie een andere tuchtstraf dan de terechtwijzing, de blaam of de inhouding van wedde werd uitgesproken, kan niet bevorderd worden zolang de tuchtstraf niet van zijn persoonlijk dossier werd geschrapt. Art. 64.De benoemende overheid volgt het voorstel van definitieve volgorde van de directieraad indien het éénparig werd uitgebracht.
Indien het voorstel van de directieraad niet eenparig wordt uitgebracht en de benoemende overheid niet instemt met de door de directieraad voorgestelde volgorde, moet zij haar beslissing omstandig met redenen omkleden. Art. 65.De aanstellingen tot een betrekking van rang A4, A5 of A5+ worden geregeld door Boek IV. Afdeling IV. - De bevorderingsstage
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 66.§ 1. Het personeelslid dat een bevordering in de graad van sergeant of luitenant beoogt, voltooit een bevorderingsstage met een duur van zes maanden. De officier-dienstchef laat de kandidaat voor een bevordering in de graad van sergeant of luitenant toe tot de stage. § 2. Voor de berekening van de duur van de bevorderingsstage worden alle perioden waarin de stagiair in dienstactiviteit is, in aanmerking genomen. § 3. Wanneer de stagiair buiten de verloven bedoeld in artikel 19, derde lid, 1° tot 3° en 7° en de afwezigheden voortvloeiend uit de artikelen 81, §§ 1 en 2, en 82 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de
wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
19/12/1974
pub.
05/10/2012
numac
2012000586
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, het equivalent van 10 werkdagen gewettigde afwezigheid overschrijdt, wordt d …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.