Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de
Kort samengevat
Dit besluit regelt het administratief statuut en de bezoldiging van het operationeel personeel van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp (DBDMH). Het vult federale regels aan en past deze aan de specifieke Brusselse context aan.
Wat het regelt
- Het administratief statuut van het operationeel personeel van de DBDMH.
- De bezoldigingsregeling van dit personeel.
- De toepassing van algemene principes van het federaal statuut op de DBDMH.
- De aanpassing van deze principes aan de bijzonderheden van de DBDMH en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Wie het aanbelangt
- Het operationeel personeel van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp (DBDMH).
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering en de functioneel bevoegde minister.
Kernpunten
- De meeste algemene principes van het federaal statuut zijn zonder aanpassing overgenomen.
- Sommige principes zijn aangepast aan de DBDMH en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, bijvoorbeeld inzake opleiding, met inachtneming van de federale minima.
- Termijnen worden berekend in dagen, inclusief zaterdagen, zondagen en feestdagen, tenzij anders bepaald.
- Betekeningen kunnen via afgifte tegen ontvangstbewijs, aangetekende zending of andere bewijskrachtige dragers, inclusief elektronische procedures.
Wettekst
Wettekst
24 AUGUSTUS
- - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, Gelet op de ordonnantie van 19 juli 1990 houdende oprichting van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, artikel 8, tweede lid; Gelet op de ordonnantie van 9 juli 2015 tot wijziging van de ordonnantie van 19 juli 1990 houdende oprichting van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp artikel 9; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 juni 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/08/1992 pub. 21/10/1999 numac 1999015203 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol houdende wijziging van artikel 81 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958, opgemaakt te Brussel op 16 februari 1990 sluiten6 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de DBDMH; Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Ambtenarenzaken gegeven op 17 januari 2017; Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting gegeven op 17 januari 2017; Gelet op het protocol nr. 2017/02 van het Comité van sector XV van 20 maart 2017; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën gegeven op 29 maart 2017; Gelet op de betrokkenheid van de federale overheid in toepassing van artikel 16, tweede lid van het samenwerkingsakkoord tot uitvoering van artikel 306 § 2 van het koninklijk besluit van 19 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/08/1992 pub. 21/10/1999 numac 1999015203 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol houdende wijziging van artikel 81 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958, opgemaakt te Brussel op 16 februari 1990 sluiten3 houdende het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszones, verwezenlijkt op 1 juni
- Gelet op het advies nr. 61.330/2 van de Raad van State, gegeven op 26 juni 2017in toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Gelet op de neutraliteit van deze regelgeving voor de respectieve toestand van vrouwen en mannen die blijkt uit de beoordeling van de impact ervan, verwezenlijkt op 8 mei 2017 conform artikel 3 van de ordonnantie van 29 maart 2012 houdende de integratie van de genderdimensie in de beleidslijnen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; Overwegende dat de artikelen 17 en 106 van de wet van 15 mei 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/05/2007 pub. 31/07/2007 numac 2007000663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de civiele veiligheid sluiten betreffende de civiele veiligheid het koninklijk besluit van 19 april 2017 houdende het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszones (hierna "federaal statuut" gedeeltelijk als algemene principes van toepassing maken op de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp (hierna "DBDMH"); Overwegende dat het federaal statuut in haar artikel 306 de bepalingen vastlegt die als algemene principes van toepassing zijn op de DBDMH evenals de aangelegenheden die moeten worden opgenomen in een samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest om de toepassing ervan in Brussel te regelen; Overwegende dat het toekomt aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest om de algemene principes te aan te vullen, toe te passen of aan te passen door middel van de bevoegdheid die het bezit inzake het statuut dat van toepassing is op het personeel van de instellingen voor openbaar nut die het heeft gecreëerd; Overwegende dat de meeste algemene principes zonder aanpassing werd omgezet in voorliggend statuut; Overwegende dat sommige algemene principes van het federaal statuut aangepast zijn aan de bijzonderheden van de DBDMH en aan de specifieke eigenschappen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zonder echter afbreuk te doen aan de inhoud van de algemene principes. Dit is het geval wanneer de aanpassingen de bevoegde organen van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of van de DBDMH bepalen, wanneer de DBDMH hogere standaarden wenst te behoeden dan in de hulpverleningszones zoals inzake opleiding - met inachtneming van de minima van het federaal statuut - of nog wanneer de algemene principes de mogelijkheid voorzien om het geplande regime aan te vullen zoals inzake wedertewerkstelling; Overwegende dat een samenwerkingsakkoord tot uitvoering van artikel 306 § 2 van het koninklijk besluit van 19 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/08/1992 pub. 21/10/1999 numac 1999015203 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol houdende wijziging van artikel 81 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958, opgemaakt te Brussel op 16 februari 1990 sluiten3 houdende het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszones werd gesloten tussen de federale overheid en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest om de toepassing ervan in Brussel te regelen; Overwegende dat regelmatig wordt verwezen naar het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest om de samenhang met het Brussels openbaar ambt te handhaven; Op voorstel van de Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Economie, Tewerkstelling en Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp en Huisvesting; Na beraadslaging, Besluit : BOEK I. - HET ADMINISTRATIEF STATUUT TITEL I. - Algemene bepalingen. Artikel 1.§ 1er. Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder : 1° de DBDMH : de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp;2° de Regering : de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;3° de minister : de Minister of de Staatssecretaris bevoegd voor Ambtenarenzaken;4° de functioneel bevoegde minister : de minister of staatssecretaris waarvan de instelling van openbaar nut afhangt krachtens de bevoegdheden die hij uitoefent;5° de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal : de ambtenaren van rang A5+ en A5 voorzien in artikel 6 van de ordonnantie van 19 juli 1990 houdende oprichting van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp, die de functie van officier-dienstchef en officier-tweede in bevel uitoefenen;6° de benoemende overheid : 1.de functioneel bevoegde minister voor de graden van niveau A;
- de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal voor de graden van niveau C en D;7° de gewestelijke kamer van beroep : de gewestelijke kamer van beroep zoals voorzien in het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2017 tot vaststelling van het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de Instellingen van Openbaar Nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;8° vakorganisaties : de representatieve vakorganisaties die zetelen in Sectorcomité XV in uitvoering van artikel 8, § 1, van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;9° het algemeen statuut : het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of elke andere reglementaire bepaling die het zou vervangen;10° de wet van 15 mei 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/05/2007 pub. 31/07/2007 numac 2007000663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de civiele veiligheid sluiten : de wet van 15 mei 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/05/2007 pub. 31/07/2007 numac 2007000663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de civiele veiligheid sluiten betreffende de civiele veiligheid;11° het besluit tot vaststelling van de delegaties : het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 13 juli 2017 tot bepaling van, voor de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandbestrijding en Medische Hulp, de delegaties van bevoegdheden en de ondertekeningsvolmachten aan de directeur-generaal en aan de adjunct-directeur-generaal en de modaliteiten van het advies van de administratieve coördinator in de materies die onder zijn bevoegdheid vallen en houdende diverse bepalingen;12° HRM : dienst binnen de DBDMH belast met het personeelsbeheer;13° de HRM-verantwoordelijke : het personeelslid van rang A3 ten minste bevoegd voor het personeelsbeheer;14° operationeel HRM-verantwoordelijke : een operationeel personeelslid van het hoger kader belast met het beheer van het operationeel personeel bij de DBDMH 15° koninklijk besluit opleiding : het koninklijk besluit van 18 november 2015Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/08/1992 pub. 21/10/1999 numac 1999015203 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol houdende wijziging van artikel 81 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958, opgemaakt te Brussel op 16 februari 1990 sluiten4 betreffende de opleiding van de leden van de openbare hulpdiensten en tot wijziging van diverse koninklijke besluiten;16° het federaal statuut : het koninklijk besluit van 19 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/08/1992 pub. 21/10/1999 numac 1999015203 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol houdende wijziging van artikel 81 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958, opgemaakt te Brussel op 16 februari 1990 sluiten3 houdende het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszones.17° de badge DGH : het onderscheidingsteken voor dringende geneeskundige hulpverlening krachtens het koninklijk besluit van 13 februari 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 13/02/1998 pub. 28/03/1998 numac 1998022090 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit betreffende de opleidings- en vervolmakingscentra voor hulpverleners-ambulanciers sluiten betreffende de opleidings- en vervolmakingscentra voor hulpverleners-ambulanciers;18° het huishoudelijk reglement : het Huishoudelijk Reglement van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp;19° de werkdag : de weekdag van maandag tot vrijdag, met uitzondering van feestdagen : 20° de feestdagen : de feestdagen bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 april 1974 tot bepaling van de algemene wijze van uitvoering van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen;21° diploma van niveau A : diploma of getuigschrift dat toegang geeft tot functies van niveau A binnen de federale overheid zoals bedoeld in bijlage 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel. §
- Wanneer dit besluit voorziet in een termijn wordt deze berekend in dagen, tenzij anders voorzien. De termijn omvat alle dagen, zelfs zaterdagen, zondagen en de feestdagen. De vervaldag wordt inbegrepen in de termijn. Wanneer deze dag evenwel valt op een zaterdag, een zondag of een feestdag, wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag. Als deze dag valt tussen Kerstmis en Nieuwjaar, wordt hij verplaatst naar de eerstvolgende werkdag na Nieuwjaar. §
- Wanneer dit besluit voorziet in een betekening, dient te worden verstaan : 1° hetzij de afgifte van een stuk tegen een gedateerd en getekend ontvangstbewijs.In dit geval wordt de termijn berekend vanaf de dag volgend op de afgifte van het stuk, behoudens andersluidende bepalingen. 2° hetzij een aangetekende verzending.In dit geval word de termijn berekend vanaf de derde werkdag volgend op de aangetekende verzending, postdatum ter staving, behoudens tegenbewijs van de verzender. 3° hetzij elke andere drager met bewijskracht en vaste datum verstuurd aan het personeelslid.De verzending volgens een elektronische procedure die, op een weerlegbare wijze en aangepast aan de omstandigheden, de authenticiteit en de integriteit van de inhoud van de communicatie waarborgt, beschouwd als equivalent. Het gebruik van de elektronische identiteitskaart of de elektronische vreemdelingenkaart kan verplicht worden opgelegd. In dit geval wordt de termijn berekend vanaf de derde werkdag volgend op de verzending volgens een elektronische procedure, het moment waarop de communicatie het systeem voor gegevensverwerking gecontroleerd door de DBDMH verlaten heeft ter staving, behoudens tegenbewijs van de ontvanger. §
- Het gebruik in dit besluit van mannelijke woorden is gemeenslachtig met het oog op het waarborgen van de leesbaarheid van de tekst. Art. 2.§
- Dit besluit is van toepassing op de ambtenaren van het operationeel personeel van de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp. §
- Bovenop de operationele opdrachten die hem voorbehouden zijn en conform de functiebeschrijvingen, kan het personeelslid ertoe gehouden worden om administratieve of logistieke opdrachten overeenkomstig zijn competenties in het kader van artikel 11 van de wet van 15 mei 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/05/2007 pub. 31/07/2007 numac 2007000663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de civiele veiligheid sluiten uit te voeren. TITEL II. - De organisatie van de DBDMH. HOOFDSTUK I. - De ambtenaren. Art. 3.Voor het operationeel personeelslid gelden de bepalingen van het algemeen statuut inzake de definitie van het begrip ambtenaren. HOOFDSTUK II. - De graden. Art. 4.§
- De graad is de titel op grond waarvan de ambtenaar met een rang bekleed is en waardoor hij gemachtigd is een betrekking in te nemen die met deze graad overeenstemt. De graden worden gerangschikt per niveau en per rang. Het niveau van een graad bepaalt de plaats van die graad in de hiërarchie volgens de kwalificatie van de vorming en de geschiktheid waarvan blijk moet gegeven opdat die graad kan worden toegekend. De rang bepaalt de betrekkelijke waarde van een graad in zijn niveau. §
- De verschillende functies binnen de DBDMH worden ingevuld door het basiskader, het middenkader en het hoger kader : 1° Het hoger kader omvat de graden van niveau A;2° Het middenkader omvat de graden van niveau C;3° Het basiskader omvat de graden van niveau D. §
- Onverminderd de voorrechten van de mandaathouders, wordt, bij gelijkheid in graad, het gezag uitgeoefend door het personeelslid met de grootste anciënniteit in dezelfde graad. Art. 5.Elke rang wordt aangeduid met een letter gevolgd door een cijfer; de letter verwijst naar het niveau; het cijfer plaatst de rang binnen het niveau. Het hoogste cijfer stemt overeen met de hoogste rang. De rangen worden als volgt verdeeld onder de niveaus : 1° in niveau A, zes rangen, nl.de rangen A1, A2 en A3, A4, A5 en A5+; 2° in niveau C, twee rangen, nl.de rangen C1 en C2; 3° in niveau D, twee rangen, nl.de rangen D1 en D2; Het niveau A is het hoogste niveau. Art. 6.De volgende graden worden gecreëerd : in rang A3 : kolonel; in rang A2 : majoor; in rang A1 : kapitein, luitenant; in rang C2 : adjudant; in rang C1 : sergeant-majoor; sergeant; in rang D2 : korporaal; in rang D1 : eerste brandweerman; brandweerman. HOOFDSTUK III. - Het personeelsplan en het organigram. Art. 7.Voor het operationeel personeelslid gelden de bepalingen van het algemeen statuut inzake het personeelsplan en het organigram. HOOFDSTUK IV. - De leidende ambtenaren. Art. 8.§
- De officier-dienstchef, aangewezen bij mandaat overeenkomstig de bepalingen van Boek IV, is de leidend ambtenaar van de DBDMH. §
- De officier-tweede in bevel, aangewezen bij mandaat overeenkomstig de bepalingen van Boek IV, is de adjunct-leidend ambtenaar van de DBDMH. §
- De leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar zijn respectievelijk directeur-generaal en adjunct-directeur-generaal in de zin van de wet van 16 juni 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/06/1989 pub. 13/01/2022 numac 2021022412 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake samenwerking bij het bestrijden van de verontreiniging van de Noordzee door olie en andere schadelijke stoffen en van de Bijlage, opgemaakt te Bonn op 13 september 1983
(2)sluiten houdende diverse institutionele hervormingen, van het algemeen statuut, van het besluit tot vaststelling van de delegaties en van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014tot bepaling van de rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de contractuele personeelsleden van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest § 4. De bepalingen van het algemeen statuut betreffende de leidende ambtenaren zijn van toepassing op de leden van het operationeel personeel, met uitzondering voor boek IV van dit algemeen statuut, dat niet voor hen van toepassing is. § 5. De directeur-generaal kan alle beslissingen die hem door het algemeen statuut en dit statuut worden verleend delegeren aan de adjunct-directeur-generaal en aan de administratieve coördinator. In dat geval dient de bevoegdheidsdelegatie goedgekeurd te worden door de directieraad. Het einde van de delegatie dient opgetekend te worden door de directieraad. § 6. De officier-dienstchef van de DBDMH is de zonecommandant in de zin van de wet van 15 mei 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/05/2007 pub. 31/07/2007 numac 2007000663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de civiele veiligheid sluiten. HOOFDSTUK V. - De directieraad. Art. 9.Voor het operationeel personeelslid gelden de bepalingen van het algemeen statuut inzake de directieraad. Onverminderd artikel 23 van het algemeen statuut, maken eveneens deel uit van de directieraad de administratieve coördinator van rang A5 die stemgerechtigd is, de leidend-ambtenaar van "Brussel Preventie-Veiligheid" en de functioneel bevoegde Minister of zijn of haar vertegenwoordiger die elk een adviserende stem hebben. De directieraad oefent de bevoegdheden uit die het algemeen statuut en dit besluit hen toekennen. HOOFDSTUK VI. - De gewestelijke kamer van beroep. Art. 10.Voor het operationeel personeelslid gelden de bepalingen van het algemeen statuut inzake de gewestelijke kamer van beroep. TITEL III. - De aanwerving, de aanwervingsstage en de benoeming. HOOFDSTUK I. - De aanwerving. Afdeling I. - algemene bepaling Art. 11.De aanwerving van het personeel gebeurt hetzij in de graad van brandweerman, voor wat betreft het basiskader, hetzij in de graad van kapitein, voor wat betreft het hoger kader . Afdeling II. - Het federaal geschiktheidsattest Art. 12.§ 1. Het Opleidingscentrum van de Brandweer van Brussel organiseert, naargelang de noden van de DBDMH, specifieke geschiktheidsproeven voorafgaand aan de aanwerving, voor het basiskader en het hoger kader bedoeld in artikel 5 van het federaal statuut, op vraag van de functioneel bevoegde minister. De inhoud en de modaliteiten voor de organisatie van de specifieke geschiktheidsproeven wordt geregeld door het federaal statuut en de regelgeving genomen in toepassing hiervan. De DBDMH informeert de Minister van Binnenlandse Zaken van de organisatie van de specifieke geschiktheidsproeven ten minste en maand voor aanvang van de proeven. § 2. De organisatie van de specifieke proeven wordt bekendgemaakt, minstens in het Belgisch Staatsblad, via de website van de algemene directie civiele veiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken en via de website van ACTIRIS, ten laatste twintig dagen voor de uiterlijke inschrijvingsdatum. De bekendmaking vermeldt de te vervullen voorwaarden en de datum waarop ze moeten vervuld worden, de opgelegde proeven, de inhoud ervan en de uiterste datum voor de kandidaatstelling. Afdeling III. - De oproep tot kandidaten Art. 13.Bij een vacante betrekking in de graad van brandweerman of kapitein, richt de functioneel bevoegde minister een oproep tot kandidaten, of richt een oproep tot de geslaagde kandidaten van de wervingsreserve bedoeld in artikel 17, in de volgorde van rangschikking. De oproep wordt minstens bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, via de website van de Algemene Directie Civiele Veiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken en via de website van ACTIRIS. Deze bekendmakingen zijn verplicht op straffe van nietigheid van de procedure. De oproep vermeldt minstens een beknopt functieprofiel van de vacante betrekking, de te vervullen voorwaarden, en de dag waarop ze vervuld moeten worden, de opgelegde proeven, en de inhoud ervan, de uiterste datum voor de kandidaatstelling evenals de praktische modaliteiten voor de indiening ervan en de eventuele samenstelling van een reserve van geslaagden. In voorkomend geval wordt de duur en de omvang van deze reserve meegedeeld, alsook de mogelijkheid om het slagen in fysieke proeven vergelijkbaar met de specifieke geschiktheidsproeven voor de stagiairs die hun stage aanvangen na meer dan zes maanden reserve te vereisen. Afdeling IV. - De aanwerving van het personeel van het basiskader en van het hoger kader. Art. 14.§ 1. De kandidaten voor een betrekking van brandweerman voldoen aan de volgende voorwaarden - 1° Belg zijn of burger van een ander land behorende tot de Europese Economisch Ruimte of van Zwitserland;2° ten minste 18 jaar oud zijn;3° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking.De kandidaat bezorgt een uittreksel uit het strafregister bedoeld in artikel 596 tweede lid van het Wetboek van Strafvordering dat afgeleverd dient te zijn binnen een termijn van drie maanden voorafgaand aan de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen; 4° de burgerlijke en politieke rechten genieten;5° in orde zijn met de dienstplichtwetten;6° houder zijn van rijbewijs B;7° houder zijn van een federaal geschiktheidsattest voor het basiskader of het hoger kader, zoals bedoeld in artikel 35 van het federaal statuut. § 2. De kandidaten voor een betrekking van kapitein voldoen aan de volgende voorwaarden - 1° Belg zijn;2° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking.De kandidaat bezorgt een uittreksel uit het strafregister bedoeld in artikel 596 tweede lid van het Wetboek van Strafvordering dat afgeleverd dient te zijn binnen een termijn van drie maanden voorafgaand aan de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen; 3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;4° in orde zijn met de dienstplichtwetten;5° houder zijn van rijbewijs B;6° houder zijn van een diploma van niveau A 7° houder zijn van een federaal geschiktheidsattest voor het basiskader of het hoger kader, zoals bedoeld in artikel 35 van het federaal statuut. § 3. Het personeelslid van een hulpverleningszone van het basiskader of middenkader wordt geacht te hebben voldaan aan de in paragraaf 1, 7° bedoelde voorwaarde. Het personeelslid van een hulpverleningszone van het hoger kader wordt geacht te hebben voldaan aan de in paragraaf 2, 7° bedoelde voorwaarde. Het personeelslid van een hulpverleningszone doe geen officier is wordt vrijgesteld van de operationele handvaardigheidstest en de lichamelijke geschiktheidsproeven bedoeld in artikel 35, § 3, 2° en 3° van het federaal statuut in het kader van het behalen van het federaal geschiktheidsattest van het hoger kader Art. 15.De aanwerving is onderworpen aan het slagen in een vergelijkend wervingsexamen en een eliminerend medisch onderzoek, als vermeld in artikel 26 van het koninklijk besluit van 28 mei 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/08/1992 pub. 21/10/1999 numac 1999015203 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol houdende wijziging van artikel 81 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958, opgemaakt te Brussel op 16 februari 1990 sluiten2 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers. Art. 16.De inhoud en de modaliteiten van het vergelijkend examen, bedoeld om de motivatie, de inzetbaarheid en de overeenstemming van de kandidaat met de functiebeschrijving te testen, worden vastgelegd door de functioneel bevoegde minister. De praktische organisatie van het vergelijkend examen kan door de minister toevertrouwd worden aan het Opleidingscentrum van de Brussel Brandweer en/of aan SELOR en/of aan Gewestelijke Overheidsdienst Brussel - Brussel Openbaar Ambt. De kandidaten beschikken over ten minste twintig dagen vanaf de in artikel 13bedoelde bekendmakingen om zich kandidaat te stellen. Het resultaat van het examen wordt betekend aan de betrokkene. Art. 17.De functioneel bevoegde Minister bepaalt of er al dan niet een reserve van geslaagden wordt aangelegd. Als er een reserve aangelegd wordt, worden de laureaten die niet toegelaten konden daarin opgenomen. De reserve heeft een geldigheidsduur van twee jaar. Deze geldigheidsduur kan maximaal twee keer met twee jaar verlengd worden. De functioneel bevoegde minister brengt de kandidaten hiervan op de hoogte. Voorafgaand aan de vorming van een wervingsreserve, kan de functioneel bevoegde minister, op basis van het aantal voorzienbare vacante betrekkingen in de DBDMH het aantal toelaatbare geslaagden in deze reserve bepalen. HOOFDSTUK II. - De aanwervingsstage. Afdeling I. - Algemene bepalingen. Art. 18.De kandidaat voor een betrekking bij de DBDMH wordt door de officier-dienstchef tot de stage toegelaten in orde van rangschikking resulterend uit het vergelijkend wervingsexamen. Art. 19.De stagiair is geen ambtenaar in de zin van dit besluit. De volgende in dit besluit opgenomen bepalingen zijn op de stagiair van toepassing : 1. de rechten, plichten, onverenigbaarheden en cumulatie van activiteiten;2. de tuchtregeling;3. de administratieve standen;4. het geldelijk statuut;5. het ambtshalve verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en de definitieve ambtsneerlegging;6. de gemiddelde maximum arbeidsduur. De stagiair geniet van : 1° de jaarlijkse vakantie;2° de feestdagen;3° het omstandigheidsverlof;4° het verlof wegens ziekte of invaliditeit.5° het bevallingsverlof;6° de disponibiliteit wegens ziekte of gebrekkigheid, 7° verloven om in geval van ernstige ziekte of ongeval een persoon bij te staan die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont;8° het verlof voor detachering bij een ministerieel kabinet van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;9° het verlof om een politiek mandaat.10° verlof voor loopbaanonderbreking, voor palliatieve verzorging en verlof voor loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof;11° verlof voor een wederoproeping als reservist;12° verlof om deel uit te maken van de jury van het Hof van Assisen Voor de toepassing van dit artikel wordt de stagiair geacht de graad te bezitten waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld.13° verlof voor opdracht.Voor de toepassing van dit artikel wordt de stagiair geacht de graad te bezitten waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Art. 20.De directieraad kan fysieke proeven organiseren die vergelijkbaar zijn met de specifieke geschiktheidsproeven bedoeld in artikel 12 voor de stagairs die hun stage aanvangen na meer dan zes maanden in de reserve. Indien de stagiair niet aan de geschiktheidsvoorwaarden voldoet, wordt hij ambtshalve ontslagen. Ten laatste op de datum van dit ontslag van ambtswege wordt met de betrokkene een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde duur afgesloten. Deze duur is gelijk aan de minimumduur die in zijn geval wordt opgelegd om het voordeel van werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Wanneer hij op de datum waarop deze overeenkomst begint te lopen arbeidsongeschikt is of wanneer hij dat wordt tijdens de uitvoering ervan, wordt hem in het eerste geval een wedde uitbetaald gedurende zes maanden en in het tweede geval gedurende de periode nodig om de wachttijd te dekken voor de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen. Art. 21.§ 1. De aanwervingsstage begint de dag van de indiensttreding. Hij start met het volgen van de opleiding nodig voor het brevet bedoeld in artikel 39, derde lid van het federaal statuut en het behalen van de badge DGH. De aanwervingsstage eindigt één jaar na het behalen van het brevet bedoeld in artikel 39, derde lid, van het federaal statuut. Onverminderd paragraaf 3, kan de totale stageperiode niet langer zijn dan drie jaar beginnend vanaf de dag van indienststreding. § 2. Om de duur van de periode van de aanwervingsstage te berekenen, worden alle perioden waarin de beroepsstagiair in dienstactiviteit is, in aanmerking genomen § 3. De stage wordt opgeschort zodra de stagiair, behalve de verloven bedoeld in artikel 19, derde lid, 1° tot 3° en 7° en de afwezigheden voortvloeiend uit de artikelen 81, § 1 en 2, en 82 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, het equivalent van 10 werkdagen gewettigde afwezigheid. Tijdens de schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair. Hij behoudt deze eveneens tot de datum waarop een definitieve beslissing omtrent zijn benoeming of afdanking wordt genomen. Art. 22.§ 1. De directieraad bepaalt de theoretische en praktische opleiding gevolgd door de stagiair in de dienst. § 2. In ieder geval volgt de beroepsstagiair kandidaat voor een betrekking van brandweerman de opleiding nodig voor het behalen van het brevet B01, van de badge DGH en van het rijbewijs van type C, indien hij meer dan 21 jaar is, of C1, indien hij minder dan 21 jaar is. De DBDMH neemt de kosten voor de opleiding van de stagiair en voor het behalen van het rijbewijs C of C1 voor zijn rekening. § 3. In ieder geval volgt de beroepsstagiair kandidaat voor een betrekking van kapitein de opleiding nodig voor het behalen van het brevet OFF2 en van de badge DGH. De DBDMH neemt de kosten voor de opleiding van de stagiair voor zijn rekening. Art. 23.De opleiding van de stagiair gebeurt onder de verantwoordelijkheid van de stagemeester, in samenwerking met de bevoegde hiërarchische meerdere en de officier-dienstchef. Art. 24.§ 1. De officier-dienstchef wijst de stagiair voorlopig toe in een vacante betrekking bij de dienst waar deze laatste zijn stage zal volbrengen. Hij kan deze aanwijzing veranderen : 1° in het belang van de dienst;2° op aanvraag van de stagiair. § 2. De officier-dienstchef kan, in overeenstemming met de stagemeester, beslissen de stagiair bijkomende vormingsactiviteiten te laten volgen. § 3. Met het oog op zijn vorming, en op voorstel van de officier-dienstchef, kan de stagiair bij een hulpverleningszone worden gedetacheerd voor een duurtijd die in het geheel de twee maanden niet overschrijdt of kan hij een deel van zijn aanwervingsstage in een hulpverleningszone volbrengen mits het akkoord van de commandant van de zone waaraan de stagiair toegewezen is of zijn afgevaardigde. In dat geval wordt de stagiair geplaatst onder de verantwoordelijkheid van de commandant van de zone waaraan de stagiair werd toegewezen, of zijn afgevaardigde. Tijdens deze periode ziet de commandant van de zone waar de stagiair aan toegewezen is, of zijn afgevaardigde, erop toe dat de stagiair slechts deelneemt aan operaties voor zover zijn theoretische en praktische opleiding dit toelaat. Aan het einde van deze periode stelt de commandant van de zone waaraan de stagiair toegewezen is of diens afgevaardigde, een evaluatierapport op over de stagiair. Art. 25.§ 1. De stagemeester is een officier van ten minste rang A1, met minstens zes jaar anciënniteit, aangeduid door de officier-dienstchef, naargelang van de taalrol van de stagiair. § 2. De bevoegde hiërarchische meerdere zorgt voor de opleiding in de materie die door zijn dienst wordt behandeld. Hij leert de stagiair de activiteiten kennen van de andere diensten van de DBDMH. Hij noteert in een logboek de opmerkingen met betrekking tot het verloop van de stage. Afdeling II. - De evaluatie tijdens de aanwervingsstage. Art. 26.De evaluatie heeft tot doel de prestaties van de stagiair doorlopend te beoordelen in functie van zijn functiebeschrijving. Om zich ervan te vergewissen dat de stagiair de te behalen doelstellingen kent alsook de elementen waarop hij geëvalueerd zal worden tijdens de stage, begint de stage met een functiegesprek. Art. 27.§ 1. De stagemeester maakt stageverslagen op, na de nodige informatie te hebben ingewonnen en na een evaluatiegesprek met de stagiair over het verloop van de stage, met name betreffende : 1° de vormingsactiviteiten en de resultaten ervan;2° de wijze waarop de stagiair zich in de dienst integreert;3° de uitvoering van de opdrachten die hem worden toevertrouwd. § 2. De stageverslagen worden om de drie maanden en op het einde van de aanwervingsstage opgemaakt. Ze worden door de stagebegeleider ondertekend en na afloop van elke periode ter kennis gebracht van de stagiair, die ze ondertekent en er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegt. De verslagen worden toegevoegd aan het persoonlijk dossier van de stagiair. § 3. In de tussentijdse stageverslagen wordt de stagiair geëvalueerd door middel van een `zeer goed', `goed of `voldoende', `te verbeterend' of `onvoldoende'' beoordeling. Deze evaluatie wordt gemotiveerd aan de hand van concrete vaststellingen. In dit kader formuleert de stagebegeleider aandachtspunten en reikt mogelijke oplossingen aan. Afdeling III. - Het einde van de aanwervingsstage. Art. 28.Op het einde van de aanwervingsstage stelt de stagemeester na de stagiaire gehoord te hebben, het eindverslag van de stage op. Het verslag moet de diploma's en brevetten vermelden die de kandidaat tijdens de stageperiode heeft behaald, evenals een van de voorstellen zoals bedoeld in artikel 29. Het eindverslag wordt betekend aan de stagiair. De betrokkene beschikt over 14 dagen om zijn opmerkingen te betekenen. De directieraad legt het model van het stageverslag vast. Art. 29.De stagemeester deelt de verslagen van de stage mede aan de operationeel HRM-verantwoordelijke. Op basis van deze verslagen en van de eventuele opmerkingen van de stagiair, stelt de operationeel HRM-verantwoordelijke, afhankelijk van het geval voor om : 1° hetzij de stagiair te benoemen;2° hetzij de stage te verlengen voor een periode van ten hoogste één jaar;3° hetzij de stagiair te ontslaan. Het voorstel wordt betekend aan de stagiair. Indien de operationeel HRM-verantwoordelijke de benoeming van de stagiair voorstelt, wordt de beslissing voor verdere afhandeling medegedeeld aan de benoemende overheid. De beslissing van de benoemende overheid wordt betekend aan de stagiair. Afdeling IV. - De procedure van beroep. Art. 30.Binnen de DBDMH wordt een stagecommissie opgericht voor de beroepen met betrekking tot de evaluaties van de stagiairs. De stagecommissie bestaat uit : 1° een officier die ten minste rang A2 bekleedt, geen operationeel HRM-verantwoordelijke is en aangeduid is door de officier-dienstchef die de commissie voorzit;2° drie door de officier-dienstchef aangeduide personeelsleden bekleed met een graad die minstens gelijkwaardig is aan die van de stagiair en van dezelfde taalrol als de stagiair. Een afgevaardigde per representatieve syndicale organisatie in de DBDMH mag als waarnemer zetelen. Geen enkel lid van de commissie mag de echtgenoot, de ouder of een bloedverwant tot en met de derde graad zijn van een kandidaat. De stagemeester mag niet zetelen in de commissie. De commissie kan slechts een advies uitbrengen indien de meerderheid van zijn leden aanwezig is en beslist bij geheime stemming en bij gewone meerderheid van de stemmen. In geval van staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. Art. 31.Als de operationeel HRM-verantwoordelijke voorstelt om de stagiair te ontslaan of om de periode van de aanwervingsstage te verlengen, kan deze laatste het geval voorleggen aan de stagecommissie binnen de dertig dagen na de verzending van het voorstel door, per aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum, zich te richten tot de officier-dienstchef. Indien de stagiair dit niet voorlegt aan de stagecommissie binnen deze termijn, wordt het voorstel voor verdere afhandeling overgemaakt aan de benoemende overheid. De beslissing van de benoemende overheid wordt betekend aan de stagiair. Art. 32.De voorzitter van de commissie roept de stagiair op, minstens zeven dagen voor de hoorzitting per aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum. Deze laatste heeft toegang tot het dossier en verschijnt in persoon, hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Deze persoon mag geen deel uitmaken van de commissie. Indien, alhoewel regelmatig opgeroepen, de stagiair of zijn verdediger, zonder geldig excuus, niet verschijnt, formuleert de commissie een advies. Indien de stagiair een geldig excuus voorlegt, wordt de zitting uitgesteld en wordt de stagiair opgeroepen voor een tweede hoorzitting volgens de voorschriften van het eerste lid. De commissie brengt een advies uit op basis van het eindverslag van de stage, zelfs indien de stagiair een geldig excuus kan inroepen, zodra de zaak het voorwerp van de tweede zitting uitmaakt. Art. 33.De stagecommissie kan de stagemeester en de hiërarchische meerdere horen over het verloop van de stage. Art. 34.De commissie betekent een gemotiveerd advies aan de Directieraad binnen twee maanden na de hoorzitting of na de datum van de hoorzitting waarop de stagiair moest verschijnen. Bij gebrek aan een advies uitgebracht binnen deze termijn, wordt het advies van de commissie geacht positief te zijn. Art. 35.De directieraad beslist op basis van het verslag van de stagemeester en het advies van de stagecommissie, binnen een termijn van twee maanden na de ontvangst van het advies. Hij maakt vervolgens zijn voorstel voor verdere afhandeling over aan de benoemende overheid die het voorstel van de directieraad volgt. Bij gebrek aan een voorstel uitgebracht binnen deze termijn, wordt een voorstel van benoeming meegedeeld aan de benoemende overheid. Het voorstel wordt bijzonder gemotiveerd indien de directieraad afwijkt van het advies van de commissie. De beslissing van de benoemende overheid wordt ook betekend aan de betrokkene. Art. 36.In geval van verlenging van de stage wordt de stagiair geëvalueerd zoals tijdens de initiële stage. De artikelen 28 en 29 zijn toepasselijk, met dien verstande dat de operationeel HRM-verantwoordelijke geen tweede verlenging van de stage kan voorstellen. Art. 37.De afdanking wegens negatieve beoordeling gaat in op de datum van de betekening van de beslissing van de benoemende overheid. De stagiair die afgedankt werd wegens negatieve beoordeling geniet een beëindigingsvergoeding gelijk aan drie keer de gemiddelde maandelijkse bezoldiging van de twaalf laatste maanden. De diverse premies en toelagen worden niet in rekening gebracht voor berekening van de beëindigingsvergoeding. Afdeling V. - Voortijdige beëindiging van de stage. Art. 38.Na de twee tussentijdse stageverslagen die afgesloten worden met een ongunstige beoordeling, betekent de operationeel HRM-verantwoordelijke een voorstel tot afdanking aan de stagiair. De stagiair kan in beroep gaan tegen het voorstel tot afdanking volgens de termijnen en modaliteiten van afdeling IV van dit hoofdstuk. Indien de stagiair dit niet voorlegt aan de commissie binnen de gestelde termijn, wordt het voorstel tot afdanking voor verdere afhandeling medegedeeld aan de benoemende overheid. Art. 39.Indien, in de loop van de stage, de stagiair een zware fout begaat die elke beroepsmedewerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt tussen de overheid en de stagiair, roept de stagemeester, of in diens afwezigheid, de gemachtigde hiërarchische meerdere, binnen de vijf werkdagen binnen dewelke hij kennis neemt van de handeling die een ernstige tekortkoming uitmaakt, de stagiair om gehoord te worden over zijn middelen tot verdediging. De oproeping vermeldt de feiten die de stagiair ten laste worden gelegd, de normen waarop deze feiten inbreuk plegen, het feit dat overwogen wordt voortijdig zijn stage te beëindigen, het recht voor de stagiair om zich te laten bijstaan door een verdediger van zijn keuze, met uitzondering van elke persoon die gevraagd wordt zich uit te spreken over de ten laste gelegde feiten en het recht voor de stagiair om te verzoeken bijkomende onderzoeksmaatregelen te verrichten. Een proces-verbaal wordt opgesteld en ondertekend op tegenspraak. Na afloop van de hoorzitting stelt de stagemeester een verslag op. Dit verslag kan de voortijdige beëindiging van de stage voorstellen. Indien dit verslag betrekking heeft op een stagiair van niveau A, kan deze enkel opgesteld worden met toestemming van de officier-dienstchef of de officier-tweede in bevel. De definitieve beslissing komt toe aan de benoemende overheid. Deze moet binnen de vijf werkdagen na de hoorzitting een uitspraak doen. De stagiair kan in beroep gaan tegen de beslissing volgens de termijnen en modaliteiten van afdeling IV van dit hoofdstuk. In dat geval wordt dit opnieuw voorgelegd aan de benoemende overheid na het advies van de stagecommissie. Het beroep schort de beslissing niet op. HOOFDSTUK III. - De benoeming. Art. 40.De functioneel bevoegde minister benoemt de stagiairs van niveau A en officier-dienstchef de stagiairs van niveau D. Art. 41.Om in vast verband benoemd te worden tot de graad van brandweerman, moeten de stagiairs van niveau D houder zijn van : 1° het brevet BO1;2° de badge DGH;3° het rijbewijs type C, indien ze ouder zijn dan 21jaar, of C1, indien ze jonger zijn dan 21 jaar. Art. 42.Om in vast verband benoemd te worden tot de graad van kapitein, moeten de stagiairs van niveau A houder zijn van : 1° het brevet OFF2;2° de badge DGH. Art. 43.De hoedanigheid van ambtenaar wordt bekrachtigd door de eed die wordt afgelegd in de termen bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/08/1992 pub. 21/10/1999 numac 1999015203 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol houdende wijziging van artikel 81 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958, opgemaakt te Brussel op 16 februari 1990 sluiten5 betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie. De ambtenaren leggen de eed af in handen van de functioneel bevoegde minister of de door hem aangewezen ambtenaar. Art. 44.De officier-dienstchef wijst de pas benoemde ambtenaar een betrekking van zijn graad toe. TITEL IV. - De loopbaan. HOOFDSTUK I. - De hiërarchische loopbaan. Afdeling I. - Algemene bepalingen. Art. 45.De hiërarchische loopbaan is de loopbaan die de ambtenaar kan doorlopen door verhoging in graad. Iedere open betrekking wordt door de benoemende overheid vacant verklaard alvorens zij kan worden begeven. Art. 46.In afwijking van artikel 45, worden de bevorderingen binnen eenzelfde gecontingenteerde groep, toegekend zodra aan de bevorderingsvoorwaarden voldaan is, zonder expliciete vacantverklaring van betrekkingen. De volgende graden vormen telkens een gecontingenteerde groep : 1° brandweerman, eerste brandweerman;2° sergeant, sergeant-majoor. Art. 47.§ 1. Behalve voor de bevorderingen binnen eenzelfde gecontingenteerde groep en voor de bevorderingen waarvoor een bevorderingsreserve wordt samengesteld uit voldoende kandidaten, worden de vacante betrekkingen per dienstnota ter kennis gebracht van de ambtenaren van de DBDMH die de bevorderingsvoorwaarden kunnen vervullen. De betrokkenen bevestigen de ontvangst van de dienstnota binnen een termijn van 14 dagen. Een exemplaar van de nota wordt bij een ter post aangetekende brief gestuurd naar de woonplaats van de ambtenaar die binnen deze termijn zijn visum niet heeft aangebracht op deze nota of die om welke reden ook tijdelijk uit de dienst is verwijderd. § 2. Worden enkel in aanmerking genomen, de kandidaturen van de ambtenaren van de DBDMH die per aangetekend schrijven gericht zijn aan de voorzitter van de directieraad, binnen een termijn van 15 dagen. Deze termijn gaat in ofwel de dag waarop de ambtenaar zijn visum aangebracht heeft op de dienstnota, ofwel de dag waarop het aangetekend schrijven met de dienstnota door de post werd aangeboden op de woonplaats van de ambtenaar. § 3. Elke kandidatuur voor een bevorderingsbetrekking dient een uiteenzetting te bevatten over de elementen die de kandidatuur staven. § 4. Het staat de ambtenaren vrij om voorafgaandelijk te dingen naar elke betrekking die eventueel vacant zou worden verklaard tijdens hun afwezigheid. De geldigheid van een dergelijke kandidatuur is beperkt tot twee maanden. Zij behoort met een aangetekend schrijven ingediend te worden bij de voorzitter van de directieraad. Art. 48.De bevorderingen in de hiërarchische loopbaan worden verleend door de voor het niveau bevoegde benoemende overheid. Afdeling II. - De bevorderingsvoorwaarden. Art. 49.De voorwaarden die de ambtenaar moet vervullen om bevorderd te kunnen worden tot de graad van eerste brandweerman zijn de volgende : 1° ten minste 3 jaar anciënniteit in de graad van brandweerman tellen;2° houder zijn van de badge DGH;3° ten minste de evaluatievermelding "voldoende" hebben verkregen bij de laatste evaluatie;4° voldoen aan de opleidingsverplichtingen voorzien op basis van titel X;5° voldoen aan de tweejaarlijkse fysieke testen. Art. 50.§ 1. De voorwaarden die de ambtenaar moet vervullen om bevorderd te kunnen worden tot de graad van korporaal worden vastgelegd in artikel 56, 1° van het federaal statuut. Bovendien moet de ambtenaar, om bevorderd te worden tot de graad van korporaal, voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° ten minste drie jaar anciënniteit in de graad van brandweerman tellen;2° houder zijn van de badge DGH;3° voldoen aan de opleidingsverplichtingen voorzien op basis van titel X;4° voldoen aan de tweejaarlijkse fysieke testen. § 2. Bij gebrek aan kandidaten die beantwoorden aan de voorwaarden vastgesteld in de eerste paragraaf, stelt de directieraad de bevorderingsprocedure tot de graad van corporaal open voor de ambtenaren die enkel aan de voorwaarden van het artikel 56, 1° van het federaal statuut voldoen. In voorkomend geval kan de directieraad tegelijk een beroep doen op bevordering per mobiliteit. Art. 51.§ 1. De voorwaarden die de ambtenaar moet vervullen om bevorderd te worden tot de graad van sergeant worden vastgelegd in artikel 56, 2° van het federaal statuut. Bovendien moet de ambtenaar, om bevorderd te worden tot de graad van sergeant, voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° ten minste zes jaar dienstanciënniteit tellen;2° houder zijn van de badge DGH;3° voldoen aan de opleidingsverplichtingen voorzien op basis van titel X;4° voldoen aan de tweejaarlijkse fysieke testen. § 2. Bij gebrek aan kandidaten die beantwoorden aan de voorwaarden vastgesteld in de eerste paragraaf, stelt de directieraad de bevorderingsprocedure tot de graad van sergeant open voor de ambtenaren die enkel aan de voorwaarden van het artikel 56, 2° van het federaal statuut voldoen. In voorkomend geval kan de directieraad tegelijk een beroep doen op bevordering per mobiliteit. Art. 52.De voorwaarden die de ambtenaar moet vervullen om bevorderd te worden tot de graad van sergeant majoor zijn de volgende : 1° ten minste zes jaar anciënniteit in de graad van sergeant tellen;2° houder zijn van de badge DGH;3° ten minste de evaluatievermelding "voldoende" hebben verkregen bij de laatste evaluatie;4° voldoen aan de opleidingsverplichtingen voorzien op basis van titel X;5° voldoen aan de tweejaarlijkse fysieke testen. Art. 53.§ 1. De voorwaarden die de ambtenaar moet vervullen om bevorderd te kunnen worden tot de graad van adjudant worden vastgelegd in artikel 56, 3° van het federaal statuut. Bovendien, moet de ambtenaar, om bevorderd te kunnen worden tot de graad van adjudant, voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° ten minste drie jaar anciënniteit in de graad van sergeant tellen;2° voldoen aan de opleidingsverplichtingen voorzien op basis van titel X;3° voldoen aan de tweejaarlijkse fysieke testen. § 2. Bij gebrek aan kandidaten die beantwoorden aan de voorwaarden vastgesteld in de eerste paragraaf, stelt de directieraad de bevorderingsprocedure tot de graad van adjudant open voor de ambtenaren die enkel aan de voorwaarden van het artikel 56, 3° van het federaal statuut voldoen. In voorkomend geval kan de directieraad tegelijk een beroep doen op bevordering per mobiliteit. Art. 54.§ 1. De voorwaarden die de ambtenaar moet vervullen om bevorderd te kunnen worden tot de graad van luitenant worden vastgelegd in artikel 56, 4° van het federaal statuut. Bovendien moet de ambtenaar, om bevorderd te kunnen worden tot de graad van luitenant, voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° voldoen aan de opleidingsverplichtingen voorzien op basis van titel X;2° voldoen aan de tweejaarlijkse fysieke testen. § 2. Bij gebrek aan kandidaten die beantwoorden aan de voorwaarden vastgesteld in de eerste paragraaf, stelt de directieraad de bevorderingsprocedure tot de graad van luitenant open voor de ambtenaren die enkel aan de voorwaarden van het artikel 56, 4° van het federaal statuut voldoen. In voorkomend geval kan de directieraad tegelijk een beroep doen op bevordering per mobiliteit. Art. 55.§ 1. De voorwaarden die de ambtenaar moet vervullen om bevorderd te worden tot de graad van kapitein worden vastgelegd in artikel 56, 5° van het federaal statuut. Bovendien moet de ambtenaar, om bevorderd te worden tot de graad van kapitein, voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° ten minste drie jaar anciënniteit in de graad van luitenant tellen;2° voldoen aan de opleidingsverplichtingen voorzien op basis van titel X;3° voldoen aan de tweejaarlijkse fysieke testen. § 2. Bij gebrek aan kandidaten die beantwoorden aan de voorwaarden vastgesteld in de eerste paragraaf, stelt de directieraad de bevorderingsprocedure tot de graad van kapitein open voor de ambtenaren die enkel aan de voorwaarden van het artikel 56, 5° van het federaal statuut voldoen. In voorkomend geval kan de directieraad tegelijk een beroep doen op bevordering per mobiliteit. Art. 56.§ 1. De voorwaarden die de ambtenaar moet vervullen om bevorderd te worden tot de graad van majoor worden vastgelegd in artikel 56, 6° van het federaal statuut. Bovendien moet de ambtenaar, om bevorderd te worden tot de graad van majoor, voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° ten minste zes jaar anciënniteit hebben in het hoger kader;2° voldoen aan de opleidingsverplichtingen voorzien op basis van titel X;3° voldoen aan de tweejaarlijkse fysieke testen. § 2. Bij gebrek aan kandidaten die beantwoorden aan de voorwaarden vastgesteld in de eerste paragraaf, stelt de directieraad de bevorderingsprocedure tot de graad van majoor open voor de ambtenaren die enkel aan de voorwaarden van het artikel 56, 2° van het federaal statuut voldoen. In voorkomend geval kan de directieraad tegelijk een beroep doen op bevordering per mobiliteit. Art. 57.§ 1. De voorwaarden die de ambtenaar moet vervullen om te kunnen solliciteren voor een procedure voor de bevordering tot de graad van kolonel zijn vastgelegd in artikel 56, 7° van het federaal statuut. Bovendien moet de ambtenaar, om te kunnen solliciteren voor een procedure voor bevordering tot de graad van kolonel, voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° ten minste 9 jaar anciënniteit hebben in het hoger kader;2° voldoen aan de opleidingsverplichtingen voorzien op basis van titel X;3° voldoen aan de tweejaarlijkse fysieke testen. § 2. Bij gebrek aan kandidaten die beantwoorden aan de voorwaarden vastgesteld in de eerste paragraaf, stelt de directieraad de bevorderingsprocedure tot de graad van kolonel open voor de ambtenaren die enkel aan de voorwaarden van het artikel 56, 2° van het federaal statuut voldoen. In voorkomend geval kan de directieraad tegelijk een beroep doen op bevordering per mobiliteit. Art. 58.De bevorderingsproef bedoeld in artikel 57 van het federaal statuut wordt georganiseerd door het Opleidingscentrum van de Brandweer Brussel. Zij omvat geschiktheidstesten waaronder een praktische proef. De functioneel bevoegde minister bepaalt de inhoud en de modaliteiten van deze bevorderingsproeven zolang de minister van Binnenlandse Zaken de inhoud van de bevorderingsproeven van het federaal statuut zelf niet heeft vastgelegd. Enkel de personeelsleden die ten laatste op de dag van de proef voldoen aan de in dit hoofdstuk bedoelde bevorderingsvoorwaarden, mogen aan deze proef deelnemen. De directieraad duidt de personen aan die de examenjury uitmaken. De jury is voor minstens de helft samengesteld uit officieren die tot de DBDMH behoren. Deze officieren hebben minstens dezelfde graad als die van de vacant verklaarde betrekking. Geen enkel lid van de examenjury mag de echtgenoot, de ouder of een bloedverwant tot en met de derde graad zijn van een kandidaat. Een afgevaardigde per representatieve syndicale organisatie bij de DBDMH mag als waarnemer zetelen. De jury stelt een rangschikking van de kandidaten van de bevorderingsproef op. De kandidaten worden op de hoogte gebracht van hun resultaat bij aangetekend schrijven of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum. Afdeling 3. - De bevorderingsprocedure. Art. 59.Voor ieder voorstel van bevordering, brengt de directieraad een met redenen omkleed advies uit. Art. 60.Voor de bevordering tot een graad die behoort tot dezelfde gecontingenteerde groep als deze die de ambtenaar bekleedt, heeft dit advies betrekking op de controle van de bevorderingsvoorwaarden. De directieraad formuleert een voorstel van benoeming aan de benoemende overheid. Art. 61.Voor de bevordering tot een graad die niet behoort tot een gecontingenteerde groep, spreekt de directieraad zich in zijn advies uit over iedere kandidaat die voldoet aan de vereisten om de betrekking te bekleden. Het advies van de directieraad neemt vóór ieder ander beoordelingselement de rangschikking van de kandidaten voor de bevorderingsproef in overweging. Bij gelijkheid van de kandidaten in de bevorderingsproef, neemt het advies van de directieraad de niveauanciënniteit van de ambtenaar binnen het operationeel kader van de DBDMH in overweging en bij gelijke niveauanciënniteit, de dienstanciënniteit van de ambtenaar binnen het operationeel kader van de DBDMH. Bij gelijkheid in niveau- en dienstanciënniteit binnen het operationeel kader van de DBDMH geeft de directieraad in zijn advies de voorkeur aan de kandidatuur van de oudste ambtenaar. Het feit dat de ambtenaar binnen het operationeel kader van de DBDMH werd aangeworven op basis van een arbeidscontract heeft geen invloed op de berekening van de anciënniteit, die op dezelfde wijze wordt berekend als voor een ambtenaar die als statutair werd aangeworven. De directieraad rangschikt de kandidaturen in de aldus verkregen volgorde en formuleert een voorstel tot bevordering aan de benoemende overheid. Art. 62.De directieraad kan een bevorderingsreserve aanleggen waarvan de geldigheidsduur de twee jaar niet overschrijdt. De directieraad kan de geldigheid van de bevorderingsreserve maximum twee keer verlengen met 2 jaar. De ambtenaren worden in de bevorderingsreserve gerangschikt in de volgorde bepaald in artikel 61 en worden bevorderd volgens deze volgorde. Art. 63.De voorstellen bedoeld in de artikelen 60 en 61worden gedragen door de dienstnota ter kennis gegeven aan de ambtenaren die respectievelijk aan de bevorderingsvoorwaarden voldoen of zich kandidaat hebben gesteld voor de te begeven betrekking. of De betrokkenen bevestigen de ontvangst van de dienstnota binnen een termijn van 14 dagen. Een exemplaar van de nota wordt bij een ter post aangetekende brief gestuurd naar de woonplaats van de ambtenaar die binnen deze termijn zijn visum niet heeft aangebracht op deze nota of die om welke reden ook tijdelijk uit de dienst is verwijderd. De ambtenaar die zich benadeeld acht kan binnen 14 dagen na de kennisgeving bij aangetekende brief bezwaar indienen bij de voorzitter van de directieraad. Deze termijn gaat in ofwel de dag waarop de ambtenaar zijn visum aangebracht heeft op de dienstnota, ofwel de dag waarop het aangetekend schrijven met de dienstnota door de post werd aangeboden op de woonplaats van de ambtenaar. De ambtenaar wordt op zijn verzoek door de directieraad gehoord. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. De ambtenaar voor wie een andere tuchtstraf dan de terechtwijzing, de blaam of de inhouding van wedde werd uitgesproken, kan niet bevorderd worden zolang de tuchtstraf niet van zijn persoonlijk dossier werd geschrapt. Art. 64.De benoemende overheid volgt het voorstel van definitieve volgorde van de directieraad indien het éénparig werd uitgebracht. Indien het voorstel van de directieraad niet eenparig wordt uitgebracht en de benoemende overheid niet instemt met de door de directieraad voorgestelde volgorde, moet zij haar beslissing omstandig met redenen omkleden. Art. 65.De aanstellingen tot een betrekking van rang A4, A5 of A5+ worden geregeld door Boek IV. Afdeling IV. - De bevorderingsstage Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 66.§ 1. Het personeelslid dat een bevordering in de graad van sergeant of luitenant beoogt, voltooit een bevorderingsstage met een duur van zes maanden. De officier-dienstchef laat de kandidaat voor een bevordering in de graad van sergeant of luitenant toe tot de stage. § 2. Voor de berekening van de duur van de bevorderingsstage worden alle perioden waarin de stagiair in dienstactiviteit is, in aanmerking genomen. § 3. Wanneer de stagiair buiten de verloven bedoeld in artikel 19, derde lid, 1° tot 3° en 7° en de afwezigheden voortvloeiend uit de artikelen 81, §§ 1 en 2, en 82 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, het equivalent van 10 werkdagen gewettigde afwezigheid overschrijdt, wordt de stage geschorst. Art. 67.De officier-dienstchef wijst de stagiair voorlopig toe in een vacante betrekking bij de dienst waar deze laatste zijn stage zal volbrengen. Hij kan deze aanwijzing veranderen : 1° in het belang van de dienst;2° op aanvraag van de stagiair. Art. 68.De bevorderingsstage gebeurt onder de verantwoordelijkheid van een officier ten minste van rang A1, met minstens zes jaar anciënniteit, hierna stagemeester genoemd, aangeduid door de officier-dienstchef, volgens de taalrol van de stagiair. De stagemeester noteert in een logboek de opmerkingen met betrekking tot het verloop van de stage. Onderafdeling 2. - De evaluatie tijdens de bevorderingsstage. Art. 69.De evaluatie heeft tot doel de prestaties van de stagiair doorlopend te beoordelen in functie van zijn functiebeschrijving. Om zich ervan te vergewissen dat de stagiair de te behalen doelstellingen kent alsook de elementen waarop hij geëvalueerd zal worden tijdens de stage, begint de stage met een functiegesprek. Art. 70.§ 1. De stagemeester belast met de leiding van de stage maakt een tussentijds stageverslag op in het midden van de stage, na de nodige informatie te hebben ingewonnen en na een evaluatiegesprek met de stagiair over het verloop van de stage, met name betreffende : 1° de eventuele vormingsactiviteiten en de resultaten ervan;2° de wijze waarop de stagiair zich in de dienst integreert;3° de uitvoering van de opdrachten die hem worden toevertrouwd. § 2. Het tussentijds stageverslag wordt door de stagemeester ondertekend en betekend aan de stagiair, die ze ondertekent en er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegt. Het stageverslag wordt toegevoegd aan het persoonlijk dossier van de stagiair. Art. 71.In het tussentijdse stageverslag wordt de stagiair geëvalueerd door middel van een `zeer goed', `goed', `voldoende', `te verbeteren' of `onvoldoende' beoordeling. Deze beoordeling wordt gemotiveerd aan de hand van concrete vaststellingen. In dit kader formuleert de stagemeester aandachtspunten en reikt mogelijke oplossingen aan. Onderafdeling 3. - Einde van de bevorderingsstage. Art. 72.Op het einde van de bevorderingsstage stelt de stagemeester na de stagiaire gehoord te hebben, het eindverslag van de stage op. Het eindverslag wordt betekend aan de stagiair. De betrokkene beschikt over 14 dagen om zijn opmerkingen te betekenen. De minister legt het model van het stageverslag vast. Art. 73.De stagemeester maakt het eindverslag van de stage over aan de operationeel HRM-verantwoordelijke. Op basis van dit eindverslag van de stage en van de eventuele opmerkingen van de stagiair, stelt de operationeel HRM-verantwoordelijke, afhankelijk van het geval, voor om : 1° hetzij de stagiair te bevorderen;2° hetzij de stagiair niet te bevorderen;3° hetzij de stage te verlengen voor een periode van ten hoogste zes maand; Indien de operationeel HRM-verantwoordelijke de bevordering van de stagiair voorstelt, wordt de beslissing voor verdere afhandeling overgemaakt aan de benoemende overheid en betekend aan de stagiair. Onderafdeling 4. - De procedure van beroep. Art. 74.Als de operationeel HRM-verantwoordelijke voorstelt om de periode van de stage te verlengen of de bevordering van de stagiair niet te bevestigen, kan deze laatste het geval voorleggen aan de stagecommissie bedoeld in artikel 30 binnen de dertig dagen na de verzending van het voorstel door, per aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum, zich te richten tot de officier-dienstchef. Indien de stagiair dit niet voorlegt aan de stagecommissie binnen deze termijn, wordt de beslissing voor verdere afhandeling overgemaakt aan de benoemende overheid en betekend aan de stagiair. Art. 75.De voorzitter van de commissie roept de stagiair op minstens zeven dagen voor de hoorzitting per aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum.. Deze laatste heeft toegang tot het dossier en verschijnt in persoon, hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Deze persoon maakt geen deel uit van de commissie. Indien, alhoewel regelmatig opgeroepen, de stagiair of zijn verdediger, zonder geldig excuus, niet verschijnt, formuleert de commissie een advies Indien de stagiair een geldig excuus voorlegt, wordt de hoorzitting uitgesteld en wordt de stagiair opgeroepen voor een tweede zitting volgens de voorschriften van het eerste lid. De commissie brengt een advies uit, zelfs indien de stagiair een geldig excuus kan inroepen, zodra de zaak het voorwerp van de tweede zitting uitmaakt. Art. 76.De commissie kan de stagemeester horen over het verloop van de stage. De commissie betekent een gemotiveerd advies aan de Directieraad binnen de twee maanden na de hoorzitting of na de datum van de hoorzitting waarop de stagiair moest verschijnen. Bij gebrek aan een advies uitgebracht binnen deze termijn, wordt het advies van de commissie geacht positief te zijn. Art. 77.De directieraad beslist op basis van het verslag van de stagemeester en van het advies van de stagecommissie, binnen een termijn van twee maanden na de ontvangst van het advies. Hij maakt vervolgens zijn beslissing voor verdere afhandeling over aan de benoemende overheid die het voorstel van de directieraad volgt. .Bij gebrek aan een voorstel binnen deze termijn, wordt een voorstel van benoeming overgemaakt aan de benoemende overheid. Het voorstel wordt bijzonder gemotiveerd indien de directieraad afwijkt van het advies van de commissie. De beslissing van de benoemende overheid wordt ook betekend aan de betrokkene. Art. 78.In geval van verlenging van de stage wordt de stagiair geëvalueerd zoals tijdens de initiële stage. De artikelen 72 en 73 zijn toepasselijk, met dien verstande dat de operationeel HRM-verantwoordelijke geen tweede verlenging van de stage kan voorstellen. Art. 79.Als de benoemende overheid de bevordering van het personeelslid niet bevestigt, neemt het personeelslid opnieuw zijn functie op in de graad die het bekleedde voor de bevorderingsstage. HOOFDSTUK II. - De uitoefening van een hoger ambt. Art. 80.Voor het operationeel personeelslid gelden de bepalingen van het algemeen statuut inzake de uitoefening van een hoger ambt. HOOFDSTUK III. - Bijzondere bepalingen. Art. 81.Een operationele ambtenaar kan belast worden met de functie van preventieadviseur. Hij maakt dan deel uit van de Interne Dienst voor Preventie in de zin van het Koninklijk Besluit van 27 maart 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 27/03/1998 pub. 31/03/1998 numac 1998012229 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het Werk sluiten betreffende de Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk. Art. 82.Komen in aanmerking voor de functie van preventieadviseur, de ambtenaren van niveau A met ten minste 6 jaar niveau-anciënniteit en die over de vereiste competenties beschikken zoals deze blijken uit de respectievelijke functiebeschrijving en het functieprofiel die vastgesteld worden door de officier-dienstchef. De kandidaat dient eveneens de voorwaarden te vervullen die vermeld zijn in het artikel 22 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 27/03/1998 pub. 31/03/1998 numac 1998012229 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het Werk sluiten betreffende de Interne Dienst voor Preventie en bescherming op het Werk. Art. 83.De functioneel bevoegde minister duidt de preventieadviseur aan op voorstel van de officier-dienstchef. Het voorafgaandelijk akkoord van het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk is vereist. TITEL V. - De evaluatie. HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen. Art. 84.De evaluatie heeft tot doel de communicatie tussen de geëvalueerde en de evaluator te stimuleren, de ontwikkeling van de competenties van het personeelslid te bevorderen en de doelstellingen van de dienst te bereiken. Art. 85.De ambtenaar wordt geëvalueerd door een functionele meerdere, met eerbiediging van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken. Indien hij niet tot dezelfde taalrol als de ambtenaar behoort, dient de hiërarchische meerdere een voldoende kennis van de taal van de geëvalueerde ambtenaar te bezitten, ofwel omdat hij een ambtenaar behorend tot het tweetalig kader is, die krachtens artikel 43, § 3, derde lid, van dezelfde wetten het bewijs heeft geleverd de tweede taal voldoende te kennen, ofwel omdat hij in het bezit is van een taalbewijs waaruit de voldoende kennis van de andere taal blijkt dat uitgereikt is op grond van de artikelen 7, 12 of 11 en 9, § 1 van het koninklijk besluit van 8 maart 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/08/1992 pub. 21/10/1999 numac 1999015203 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol houdende wijziging van artikel 81 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958, opgemaakt te Brussel op 16 februari 1990 sluiten1 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van dezelfde wetten. Art. 86.De gemachtigde hiërarchische meerderen worden gekozen uit de ambtenaren van het hoger kader of de ambtenaren van wacht uit het middenkader, door de officier-dienstchef. Het huishoudelijk reglement beschrijft de procedure waarbij aan iedere gemachtigde hiërarchische meerdere ambtenaren wordt toegewezen van wie hij de beoordeling zal moeten doen. De beoordelaar moet een geschikte beoordeling hebben gevolgd vastgelegd in het vormingsplan en moet minstens een evaluatievermelding "voldoende" hebben gekregen. Art. 87.De evaluatie gebeurt op basis van een individueel evaluatiedossier. Dit dossier bevat met name : 1° de referentiefunctiebeschrijving;2° het verslag van het functiegesprek, vermeld in artikel 91;3° het eventuele verslag van het functioneringsgesprek;4° de documenten betreffende de vaststellingen en de gunstige of ongunstige beoordelingen, vermeld in artikel 92;5° het verslag van het evaluatiegesprek, vermeld in artikel 95 indien de ambtenaar al werd beoordeeld. Het personeelslid kan zijn dossier raadplegen en krijgt, op zijn vraag, een kopie ervan. Art. 88.Deze Titel is niet van toepassing op de mandaathouders en de stagiairs. HOOFDSTUK II. - Het verloop van de evaluatie Art. 89.De evaluatieperiode van het personeelslid is de periode tussen het functiegesprek en het evaluatiegesprek. Deze periode heeft een minimale duur van zes maanden. Art. 90.In het begin van elke evaluatieperiode vindt een functiegesprek plaats. Het functiegesprek heeft betrekking op de te bereiken doelstellingen en de elementen waarop het personeelslid zal worden geëvalueerd op basis van de functiebeschrijving. Art. 91.Binnen de veertien dagen na het functiegesprek stelt de gemachtigde hiërarchische meerdere hiervan een verslag op. Het personeelslid kan opmerkingen maken. Dit verslag wordt getekend door de gemachtigde hiërarchische meerdere en het geëvalueerde personeelslid dat hiervan een kopie kan ontvangen. Art. 92.In de loop van elke evaluatieperiode kan de gemachtigde hiërarchische gunstige of ongunstige vaststellingen en beoordelingen met betrekking tot de doelstellingen en de evaluatiecriteria vastgelegd in artikel 90 aan het evaluatiedossier toevoegen. Indien hij niet de gemachtigde meerdere is om de ambtenaar te beoordelen krachtens artikel 86, moet de rechtstreekse hiërarchische meerdere, namelijk het posthoofd van de beoordeelde ambtenaar, zo snel mogelijk aan de gemachtigde hiërarchische meerdere de beoordelingselementen melden die hij heeft vastgesteld opdat ze toegevoegd worden aan het dossier. Deze vaststellingen worden geviseerd door het personeelslid, dat er zijn eventuele bemerkingen kan aan toevoegen. Het personeelslid kan documenten met een beoordeling betreffende de uitvoering van zijn werk aan zijn evaluatiedossier toe voegen. Art. 93.Op vraag van de geëvalueerde of de evaluator, vindt er in de loop van de evaluatieperiode een functioneringsgesprek plaats tussen de geëvalueerde en de evaluator. Tijdens het functioneringsgesprek kunnen aan bod komen : 1° oplossingen voor problemen betreffende het functioneren van de geëvalueerde;2° oplossingen voor problemen die het bereiken van de afgesproken doelstellingen bemoeilijken;deze kunnen zowel betrekking hebben op de organisatie en het functioneren van de dienst en de begeleiding door de chef als op externe factoren; 3° de ontwikkeling van het personeelslid binnen zijn huidige functie;4° de loopbaanperspectieven en loopbaanverwachtingen van het personeelslid en de ontwikkeling van competenties die hiervoor wenselijk zijn. Ter gelegenheid van dit gesprek kunnen aanpassingen aangebracht worden aan de te bereiken doelstellingen. Art. 94.Op het einde van elke evaluatieperiode heeft de gemachtigde hiërarchische meerdere een evaluatiegesprek met het personeelslid. Het evaluatiegesprek handelt over de verwezenlijking van de doelstellingen en vindt plaats op basis van evaluatiecriteria bepaald in het evaluatieverslag besloten door de functioneel bevoegde minister. Het personeelslid evaluator wordt ook beoordeeld op zijn wijze van evalueren in het kader van zijn eigen beoordeling. Art. 95.§ 1. Het evaluatiegesprek vindt voor de eerste keer plaats minimaal achttien maanden en maximaal vierentwintig maanden na de benoeming van het personeelslid. Vervolgens vindt dit gesprek plaats hetzij na minimaal achttien maanden en maximaal vierentwintig maanden vanaf de laatste evaluatie in geval van een vermelding "zeer goed", "goed" of "voldoende", hetzij na minimaal negen maanden en maximaal twaalf maanden vanaf de laatste evaluatie in geval van een vermelding "te verbeteren" of "onvoldoende". § 2. Indien het personeelslid meer dan de helft van de minimale evaluatieperiode, zoals bepaald in paragraaf 1, afwezig is, stelt de gemachtigde hiërarchische meerdere vast dat er geen evaluatie kan gedaan worden. Het personeelslid behoudt het resultaat van zijn vorige evaluatie voor deze periode. Binnen de maand volgend op de terugkeer op het werk van het personeelslid wordt een nieuw functiegesprek georganiseerd. Art. 96.Binnen de veertien dagen na het evaluatiegesprek stelt de gemachtigde hiërarchische meerdere een evaluatieverslag op en kent de vermelding "zeer goed", "goed", "voldoende", "te verbeteren" of "onvoldoende" toe, voorzien van een motivering. Het personeelslid kan opmerkingen maken. Het evaluatieverslag wordt geviseerd door de gemachtigde hiërarchische meerdere en het geëvalueerde personeelslid dat hiervan een kopie kan ontvangen. Art. 97.Indien het personeelslid twee opeenvolgende "onvoldoende" vermeldingen krijgt in een periode van vier jaar, spreekt de benoemende overheid zijn ambtshalve ontslag uit. Art. 98.Op het einde van het evaluatiegesprek vindt een nieuw functiegesprek plaats over de volgende evaluatieperiode in overeenstemming met artikel 90. HOOFDSTUK III. - De procedure van beroep. Art. 99.De bepalingen van het algemeen statuut betreffende de beroepsprocedure naar aanleiding van de evaluatie zijn van toepassing op de leden van het operationeel personeel. TITEL VI. - De interne mobiliteit. HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen. Art. 100.De interne mobiliteit heeft tot doel de ambtenaren efficiënterte maken, rekening houdend zowel met hun bekwaamheden, ervaring en motivatie als met de personeelsbehoeften van de diensten. De interne mobiliteit wordt verwezenlijkt door vrijwillige mutatie, ambtshalve mutatie of herplaatsing. Art. 101.De mutatie is de overgang van een ambtenaar in zijn graad binnen de operationele dienst in een andere groep.. De mutatie kan betrekking hebben op : - de aanwijzing in een andere operationele groepering. Onder groepering verstaat men alle groepen of leden van het operationeel personeel die verbonden zijn aan een post, aan de stafkazerne of aan de dispatching; - en/of de aanwijzing in een andere compagnie. Onder compagnie verstaat men alle groepen of leden van het operationeel personeel die gelijktijdig van wacht zijn; - of de wijziging van activiteit. Art. 102.De beslissing tot mutatie wordt genomen door de officier-dienstchef. Art. 103.De ambtenaar behoudt zijn graad en de daaraan verbonden weddeschaal. Hij behoudt tevens de voordelen die hij in zijn functionele loopbaan heeft verkregen, met inachtneming van de bepalingen inzake vorming en evaluatie. HOOFDSTUK II. - De vrijwillige mutatie Art. 104.Iedere ambtenaar kan op elk ogenblik uit eigen beweging een mutatie aanvragen. Art. 105.De ambtenaar die een mutatie wenst, vult het formulier in dat de operationeel HRM-verantwoordelijke ter beschikking stelt en dient het bij deze laatste in. De aanvragen voor vrijwillige mutatie worden opgenomen in een databank die enkel dienstig is voor beslissingen inzake interne mobiliteit. Deze databank wordt geraadpleegd door de operationeel HRM-verantwoordelijke op verzoek van de officier-dienstchef. HOOFDSTUK III. - De ambtshalve mutatie Art. 106.De officier-dienstchef kan tot een ambtshalve mutatie beslissen als voor het bekleden van een betrekking bijzondere eisen inzake kennis of ervaring gelden of teneinde de werking van een compagnie of een operationele groepering te waarborgen. De officier-dienstchef raadpleegt vooraf de databank met aanvragen voor vrijwillige mutatie. Bij gebrek aan geschikte kandidaten in deze databank, wordt tot de ambtshalve mutatie beslist op basis van volgende criteria : - het vereiste profiel voor de functie; - de dienstanciënniteit zodanig dat de voorkeur wordt gegeven aan de ambtenaren met de laagste dienstanciënniteit; - de woonplaats van de ambtenaar; - de mutaties in het verleden. Hij raadpleegt vooraf de hiërarchische meerdere en de betrokken ambtenaar. HOOFDSTUK IV. - De wedertewerkstelling Afdeling I. - Algemene bepalingen. Art. 107.De wedertewerkstelling kan plaatsvinden in de volgende drie gevallen : 1° indien het personeelslid medisch ongeschikt wordt verklaard voor de uitoefening van zijn ambt, maar geschikt wordt verklaard om een ander ambt uit te oefenen dat verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand;2° op eigen verzoek van het personeelslid, dat :
- a)de leeftijd van zesenvijftig jaar bereikt heeft;
- b)beschikt over vijftien jaar anciënniteit als beroepspersoneelslid met een operationele graad.3° wegens beroepsongeschiktheid, zoals bepaald in het Huishoudelijk reglement, van het personeelslid. Art. 108.Binnen de DBDMH wordt een wedertewerkstellingscommissie opgericht die een advies uitbrengt over de aan het wedertewerkgestelde personeelslid toe te kennen betrekking. De wedertewerkstellingscommissie is samengesteld uit : 1° twee personeelsleden van een verschillende taalrol, aangeduid door de officier-dienstchef;2° de operationeel HRM-verantwoordelijke en de HRM-verantwoordelijke; Een lid per vakbondsorganisatie kan als waarnemer deelnemen. De commissie hoort de preventieadviseur bij de gevallen van wedertewerkstellingen om medische onbekwaamheid. De commissie kan de ambtenaar horen indien zij zulks nodig acht. Art. 109.De wedertewerkstelling wordt besloten door de directieraad, op advies van de wedertewerkstellingscommissie. Het personeelslid wordt wedertewerkgesteld behalve indien dit technisch of objectief niet mogelijk is of om gegronde redenen redelijkerwijze niet kan worden verlangd. Art. 110.De wedertewerkstelling in een betrekking gebeurt met inachtneming van de functiebeschrijving van die betrekking. De directieraad kan opleggen dat het personeelslid slaagt in een competentieproef en dat een bijscholing, al dan niet voorafgaand aan de wedertewerkstelling, gevolgd wordt. Art. 111.Het wedertewerkgestelde personeelslid behoudt zijn rechten inzake weddeschaal totdat hij een voordeligere weddeschaal geniet in de functie waarin hij wedertewerkgesteld is. Het personeelslid wedertewerkgesteld na een arbeidsongeval behoudt zijn premies en de toelagen waarop hij recht had tijdens zijn arbeidsregime voor zijn ongeval tot aan de vastgestelde datum van consolidatie van zijn statuut. De functioneel bevoegde minister bepaalt het percentage van de forfaitaire wachttoelage die de wedertewerkgestelde ambtenaren behouden volgens het arbeidsregime en de soort taken uitgeoefend door de wedertewerkgestelde ambtenaar, zonder dat dit percentage hoger mag liggen dan 75. Het wedertewerkgestelde personeelslid behoudt zijn aanspraken op bevordering. Hij kan worden vrijgesteld van de voorwaarde betreffende de tweejaarlijkse fysieke testen. De wedertewerkstellingsperiode wordt meegerekend voor de administratieve en de geldelijke anciënniteit. Art. 112.Het personeelslid dat wedertewerkgesteld wordt in een administratieve dienst blijft onderworpen aan dit statuut. Afdeling II. - Wedertewerkstelling om medische redenen. Art. 113.Voor zover mogelijk dient de directieraad het personeelslid wedertewerk te stellen, indien het personeelslid tijdelijk medisch ongeschikt wordt verklaard voor de uitoefening van zijn functie, maar wel geschikt verklaard wordt om gedurende die periode een ander ambt binnen de zone uit te oefenen dat verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand en zijn niveau. Afdeling III. - Wedertewerkstelling op eigen verzoek. Art. 114.De wedertewerkstelling gebeurt in één van volgende stelsels : 1° lichtere aangepaste operationele taken als personeelslid;2° administratieve taken. Art. 115.Het personeelslid dat wedertewerkgesteld wenst te worden, betekent een verzoek aan de directieraad en geeft aan in welk in artikel 114 bedoeld regime hij wedertewerkgesteld wenst te worden. De directieraad beschikt over een termijn van drie maanden vanaf de ontvangst van het verzoek, om het advies van de wedertewerkstellingscommissie te vragen en, om aan het personeelslid desgevallend de functiebeschrijving van de betrekking in wedertewerkstelling en de nodige inlichtingen inzake de manier waarop het geldelijk statuut van toepassing is op de voorgestelde positie te betekenen. Het personeelslid kan, hetzij : 1° de voorgestelde betrekking aanvaarden;2° hetzij beslissen zijn betrekking te behouden. Art. 116.§ 1. Het personeelslid dat wedertewerkgesteld wordt op eigen verzoek is verplicht zijn oppensioenstelling aan te vragen wanneer het de leeftijd bereikt waarop het de voorwaarden voor vervroegd pensioen vervult. § 2. In afwijking van § 1, indien het belang van de dienst zulks vereist, kan de directieraad de ambtenaar met zijn instemming in dienst houden. Art. 117.De wedertewerkstelling op vrijwillig verzoek kan slechts eenmaal toegekend worden en is definitief, onverminderd de mogelijkheid voor de directieraad tot het voorzien in een proefperiode. TITEL VII. - De externe mobiliteit. HOOFDSTUK I. - Gemeenschappelijke bepalingen. Art. 118.Bij de vervulling van een openstaande betrekking kan de directieraad een beroep doen op de ambtenaren van de hulpverleningszones, voor zover zij in vast verband benoemd zijn. Voor de toepassing van deze titel, staan de door mobiliteit toegankelijke betrekkingen binnen de DBDMH enkel open voor de beroepspersoneelsleden. Art. 119.De externe mobiliteit gebeurt enkel op vrijwillige basis. Art. 120.De bepalingen van hoofdstuk IV van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2004 tot vaststelling van het mobiliteitsregime in bepaalde instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn van toepassing op de leden van het operationeel personeel van de DBDMH. HOOFDSTUK II. - Mobiliteit in dezelfde graad. Afdeling I. - Algemene bepalingen. Art. 121.Mobiliteit in dezelfde graad is de overplaatsing van een personeelslid van een hulpverleningszone naar een vacant verklaarde betrekking van dezelfde graad binnen de DBDMH. Art. 122.Het personeelslid van een hulpverleningszone dat via mobiliteit naar de DBDMH in een andere betrekking in dezelfde graad wordt overgeplaatst is onderworpen aan dit statuut, behoudt zijn administratieve en geldelijke anciënniteit en kan deze doen gelden in de DBDMH. Art. 123.Voor elke betrekking die wordt opengesteld voor mobiliteit in dezelfde graad, wordt een oproep tot kandidaatstelling opgesteld door de directieraad. De oproep vermeldt de functiebeschrijving, de te vervullen voorwaarden, de opgelegde proeven, alsmede de praktische modaliteiten en de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen. De oproep tot kandidaatstelling wordt ten minste twintig werkdagen voor de uiterste datum voor de indiening van de kandidaturen gepubliceerd op de website van de Algemene Directie Civiele Veiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken. De oproep tot kandidaatstelling wordt binnen dezelfde termijn ter informatie overgemaakt aan alle andere zones die personeel van dezelfde taalrol tewerkstellen. Worden enkel in aanmerking genomen, de kandidaturen van de personeelsleden die ingediend zijn ten laatste op de uiterste datum voor indiening van de kandidaturen. Elke kandidatuur wordt gemotiveerd. Art. 124.Het operationeel personeelslid van een hulpverleningszone komt in aanmerking voor een mobiliteitsbetrekking in dezelfde graad binnen de DBDMH wanneer het aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° een beroepspersoneelslid zijn in een positie van dienstactiviteit en niet geschorst zijn bij wijze van tuchtmaatregel.De stagiairs komen niet in aanmerking voor een mobiliteitsbetrekking; 2° beantwoorden aan de functiebeschrijving;3° beschikken over een graadanciënniteit van minstens twee jaar in de functie die het personeelslid bezet, aanwervingsstage niet inbegrepen;4° beschikken over een vermelding " voldoende ", "goed" of "zeer goed" bij zijn laatste evaluatie. Art. 125.De directieraad organiseert de mobiliteitsproef. Deze proef test de motivatie, de activering, de beschikbaarheid en de overeenstemming van de kandidaat met de functiebeschrijving. De directieraad legt de inhoud van de proef en de samenstelling van de examenjury vast. De benoemende overheid beslist, na advies van de directieraad, welke van de geslaagde kandidaten de meest geschikte is voor het bezetten van de vacante functie. De benoemende overheid motiveert haar beslissing in functie van : 1° de kandidaturen;2° de functiebeschrijving;3° de evaluatie van de mobiliteitsproef. Art. 126.De beslissing van de benoemende overheid wordt betekend aan de geselecteerde kandidaat. Deze laatste beschikt over veertien dagen om aan de directieraad zijn beslissing over het aanvaarden van de betrekking kenbaar te maken via een aangetekende brief via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum. De niet-geselecteerde kandidaten worden via een aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum op de hoogte gebracht. Zij kunnen vragen om het dossier te mogen raadplegen binnen de veertien dagen vanaf de ontvangst van de beslissing. Afdeling II. - De mobiliteitsstage. Art. 127.De geselecteerde kandidaat begint binnen de drie maanden vanaf de ontvangst van de beslissing zijn mobiliteitsstage. Het begin van de mobiliteitsstage kan uitgesteld worden met drie maanden in geval van een akkoord tussen de oorspronkelijke zone en de DBDMH. De officier-dienstchef of tweede in bevel laat de kandidaat voor een betrekking bij de DBDMH toe tot de stage. Art. 128.§ 1. De mobiliteitsstage duurt drie maanden voor alle graden met uitzondering van de mobiliteitsstage voor de graden sergeant en luitenant, die zes maanden duurt. § 2. Om de duur van de periode van de mobiliteitsstage te berekenen, worden alle perioden waarin de beroepsstagiair in dienstactiviteit is, in aanmerking genomen. § 3. De stage wordt opgeschort zodra de stagiair, behalve de verloven bedoeld in artikel 15, derde lid, 1° tot 3° en 7° en de afwezigheden voortvloeiend uit de artikelen 81, § 1 en 2, en 82 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, het equivalent van 10 werkdagen gewettigde afwezigheid overschrijdt. Art. 129.§ 1. De officier-dienstchef wijst de stagiair voorlopig toe in een vacante betrekking bij de dienst waar deze laatste zijn stage zal volbrengen. Hij kan deze aanwijzing veranderen : 1° in het belang van de dienst;2° op aanvraag van de stagiair. § 2. De officier-dienstchef bepaalt de eventuele vormingsactiviteiten waaraan de stagiair verplicht moet deelnemen. Art. 130.De mobiliteitsstage gebeurt onder de verantwoordelijkheid van een officier van een graad ten minste gelijk aan die van de stagiair, met minstens zes jaar anciënniteit, hierna stagemeester genoemd, benoemd door de officier-dienstchef, naargelang van de taalrol van de stagiair. Art. 131.§ 2 De stagemeester zorgt voor de opleiding in de materie die door zijn dienst wordt behandeld. Hij leert de stagiair de activiteiten kennen van de andere diensten van de DBDMH. Hij noteert in een logboek de opmerkingen met betrekking tot het verloop van de stage. Afdeling III. - De evaluatie tijdens de mobiliteitsstage. Art. 132.De evaluatie heeft tot doel de prestaties van de stagiair doorlopend te beoordelen in functie van zijn functiebeschrijving. Om zich ervan te vergewissen dat de stagiair de te behalen doelstellingen kent alsook de elementen waarop hij geëvalueerd zal worden tijdens de stage, begint de stage met een functiegesprek. Art. 133.§ 1. Op vraag van de stagiair of op initiatief van de stagemeester, wordt een tussentijds stageverslag opgemaakt in de helft van de mobiliteitsstage, na de nodige informatie te hebben ingewonnen en na een evaluatiegesprek met de stagiair over het verloop van de stage, met name betreffende : 1° de eventuele vormingsactiviteiten en de resultaten ervan;2° de wijze waarop de stagiair zich in de dienst integreert;3° de uitvoering van de opdrachten die hem worden toevertrouwd. § 2. Het tussentijds stageverslag wordt door de stagebegeleider ondertekend en betekend aan de stagiair, die ze ondertekent en er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegt. Het stageverslag wordt toegevoegd bij het persoonlijk dossier van de stagiair. Art. 134.In het tussentijdse stageverslag wordt de stagiair geëvalueerd door middel van een `zeer goed', `goed', `voldoende', `te verbeteren' of `onvoldoende' beoordeling. Deze beoordeling wordt gemotiveerd aan de hand van concrete vaststellingen. In dit kader formuleert de stagemeester aandachtspunten en reikt mogelijke oplossingen aan. Afdeling IV. - Einde van de mobiliteitsstage. Art. 135.Op het einde van de mobiliteitsstage stelt de stagemeester na de nodige informatie te hebben verzameld en na overleg met de stagiaire, het eindverslag van de stage op. Het eindverslag wordt betekend aan de stagiair. De betrokkene beschikt over 14 dagen om er zijn opmerkingen te betekenen. De minister legt het model van het stageverslag vast. Art. 136.De stagemeester maakt het eindverslag van de stage over aan de operationeel HRM-verantwoordelijke. Op basis van dit eindverslag, stelt de operationeel HRM-verantwoordelijke, afhankelijk van het geval, voor om : 1° hetzij de stagiair te benoemen;2° hetzij de stagiair niet te benoemen;3° hetzij stage te verlengen voor een periode van ten hoogste drie maand; Indien de operationeel HRM-verantwoordelijke de benoeming van de stagiair voorstelt, wordt de beslissing voor verdere afhandeling overgemaakt aan de benoemende overheid en betekend aan de stagiair. Afdeling V. - Procedure van beroep. Art. 137.Indien de operationeel HRM-verantwoordelijke voorstelt om de periode van de stage te verlengen of de bevordering van de stagiair niet te bevestigen, kan deze laatste het geval voorleggen aan de stagecommissie bedoeld in artikel 30 binnen de dertig dagen na verzending van het voorstel door, per aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum, zich te richten tot de officier-dienstchef Art. 138.De voorzitter van de commissie roept de stagiair op minstens zeven dagen voor de hoorzitting per aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum. Deze laatste heeft toegang tot het dossier en verschijnt in persoon, hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Deze persoon mag geen deel uitmaken van de commissie. Indien, alhoewel regelmatig opgeroepen, de stagiair of zijn verdediger, zonder geldig excuus, niet verschijnt, formuleert de commissie een advies. Indien de stagiair een geldig excuus voorlegt, wordt de zitting uitgesteld en wordt de stagiair opgeroepen voor een tweede hoorzitting volgens de voorschriften van het eerste lid. De commissie brengt een advies uit zelfs indien de stagiair een geldig excuus kan inroepen, zodra de zaak het voorwerp van de tweede zitting uitmaakt. Art. 139.De commissie kan de stagemeester horen over het verloop van de stage. Art. 140.De commissie betekent haar gemotiveerd advies aan de Directieraad binnen de twee maanden na de hoorzitting of na de datum van de hoorzitting waarop de stagiair moest verschijnen. Bij gebrek aan een advies uitgebracht binnen deze termijn, wordt het advies van de commissie geacht positief te zijn. Art. 141.De directieraad beslist op basis van het verslag van de stagemeester en het advies van de stagecommissie, binnen een termijn van twee maanden na de ontvangst van het advies. Hij maakt vervolgens zijn beslissing voor verdere afhandeling over aan de benoemende overheid die het voorstel van de directieraad volgt. Bij gebrek aan een voorstel uitgebracht binnen deze termijn, wordt een voorstel van benoeming overgemaakt aan de benoemende overheid. Het voorstel wordt bijzonder gemotiveerd indien de directieraad afwijkt van het advies van de commissie. De beslissing van de benoemende overheid wordt ook aan de betrokkene betekend. Art. 142.In geval van verlenging van de stage wordt de stagiair geëvalueerd zoals tijdens de initiële stage. De artikelen 135 en 136 zijn toepasselijk, met dien verstande dat de operationeel HRM-verantwoordelijke geen tweede verlenging van de stage kan voorstellen. Art. 143.Als het personeelslid niet benoemd wordt binnen de DBDMH keert deze terug naar de oorspronkelijke zone in de graad die het bekleedde voor de mobiliteit. HOOFDSTUK III. - Bevordering door mobiliteit. Art. 144.De bevordering door mobiliteit is de overplaatsing van een operationeel personeelslid van een hulpverleningszone naar een vacant verklaarde betrekking bij de DBDMH in een hogere graad dan de graad waarin hij werd aangesteld. Art. 145.De directieraad kan pas besluiten om de functie open te stellen voor kandidaten van een zone indien er geen kandidaten voldoen aan de in artikelen 50 § 1, 51 § 1, 53 § 1, 54 § 1, 55 § 1, 56 § 1 en 57 § 1 bedoelde bevorderingsvoorwaarden binnen de DBDMH. Art. 146.Voor elke betrekking die wordt opengesteld voor mobiliteit in dezelfde graad, wordt een oproep tot kandidaatstelling gelanceerd. De oproep vermeldt de functiebeschrijving, de te vervullen voorwaarden, de opgelegde proeven, alsmede de praktische modaliteiten en de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen. Deze oproep tot kandidaatstelling wordt ten minste twintig werkdagen voor de uiterste datum voor de indiening van de kandidaturen gepubliceerd op de website van de Algemene Directie Civiele Veiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken. De oproep tot kandidaatstelling wordt binnen dezelfde termijn ter informatie overgemaakt aan alle andere zones die personeel van dezelfde taalrol tewerkstellen. Worden enkel in aanmerking genomen, de kandidaturen van de personeelsleden die ingediend zijn ten laatste op de uiterste datum voor indiening van de kandidaturen. Elke kandidatuur wordt gemotiveerd. Art. 147.Een personeelslid komt in aanmerking voor een mobiliteitsbetrekking in een hogere graad wanneer het aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° een beroepspersoneelslid zijn in een positie van dienstactiviteit en niet geschorst zijn bij wijze van tuchtmaatregel.De stagiairs komen niet in aanmerking voor een mobiliteitsbetrekking; 2° beschikken over een vermelding " voldoende " bij zijn laatste evaluatie.3° de toelatingsvoorwaarden voor de betrokken graad voorzien in artikel 56 van het federaal statuut vervullen. Art. 148.§ 1. Voor de via bevordering door mobiliteit vacant verklaarde betrekking van sergeant en luitenant zijn de artikelen 56 en 65 tot 79 van toepassing. De in artikel 65 bedoelde bevorderingsstage vangt aan begint binnen de drie maanden vanaf de datum van de beslissing. Het begin van de bevorderingsstage kan uitgesteld worden met drie maanden in geval van een akkoord tussen de oorspronkelijke zone en de DBDMH. In het in artikel 79 bedoelde geval keert het personeelslid terug naar zijn oorspronkelijke zone. § 2. Voor de via bevordering door mobiliteit vacant verklaarde betrekkingen van adjudant en luitenant-kolonel zijn artikel 58 en de artikelen 127 tot 143 van toepassing. TITEL VIII - Professionalisering binnen de DBDMH. Art. 149.Professionalisering binnen de DBDMH is de overgang van het vrijwillig personeelslid van een hulpverleningszone naar een vacant verklaarde betrekking van het beroepspersoneel in dezelfde graad binnen de DBDMH. Art. 150.Voor elke betrekking die wordt opengesteld voor professionalisering binnen de DBDMH, wordt een oproep tot kandidaatstelling gelanceerd volgens de modaliteiten in artikel 13, tweede en derde lid. Art. 151.Het vrijwillig personeelslid komt in aanmerking voor professionalisering in dezelfde graad wanneer hij aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° aangesteld zijn als vrijwillig personeelslid en niet geschorst zijn bij wijze van tuchtmaatregel;2° voldoen aan de voorwaarden vermeld in de functiebeschrijving;3° beschikken over een graadanciënniteit van twee jaar, aanwervingsstage niet inbegrepen;4° beschikken over de vermelding `voldoende', `goed', of `zeer goed' bij zijn laatste evaluatie;5° voor de professionalisering in de graad van sergeant, adjudant of luitenant, beschikken over het modulecertificaat "Competentiemanagement en Evaluatie" en van de certificaten PREV-1 en FOROP-1;6° voor de professionalisering in de graad van kapitein, majoor of kolonel, beschikken over het modulecertificaat "Competentiemanagement en evaluatie" en van de certificaten PREV-1, PREV-2, FOROP-1 en FOROP-2. In afwijking van het eerste lid, 2°, wanneer de functiebeschrijving als beroepspersoneelslid voorwaarden bevat inzake rijbewijs of brevet van ambulancier die niet vermeld worden in de functiebeschrijving van de vrijwillige kandidaat, moet aan deze voorwaarden voldaan worden ten laatste op het einde van de professionaliseringsstage. In dit geval kan de professionaliseringsstage bedoeld in artikel 152 drie keer verlengd worden met een periode van drie maanden om de stagiair toe te laten te voldoen aan deze nieuwe voorwaarden. Art. 152.§ 1. De raad organiseert de professionaliseringsproef volgens dezelfde modaliteiten als de mobiliteitsproef voorzien in de artikelen 125 en 126. § 2. Voor de door professionalisering vacant verklaarde betrekkingen binnen de DBDMH, wordt een professionaliseringsstage volbracht volgens dezelfde modaliteiten als de mobiliteitsstage voorzien in de artikelen 127 tot 143. TITEL IX. - De administratieve standen, de afwezigheden en de verloven. HOOFDSTUK I. - De administratieve standen. Afdeling I. - De dienstactiviteit. Art. 153.De dienstactiviteit is de gewone administratieve stand van de ambtenaar. Tenzij anders bepaald, heeft de ambtenaar in dienstactiviteit recht op wedde en op verhoging in zijn weddeschaal. Hij kan zijn aanspraken op bevordering, op toekenning van een mandaat of op een hogere weddeschaal in zijn functionele loopbaan doen gelden. Afdeling II. - De non-activiteit Art. 154.De ambtenaar kan, krachtens de bepalingen van dit besluit, van rechtswege of bij beslissing van de bevoegde overheid in non-activiteit worden geplaatst. Tenzij anders bepaald, heeft de ambtenaar in deze stand geen recht op wedde en op verhoging in zijn weddeschaal. Hij verliest zijn aanspraken op : 1° bevordering of toekenning van een mandaat;2° een hogere weddeschaal in zijn functionele loopbaan. Art. 155.Niemand kan in non-activiteit gesteld of gehouden worden wanneer hij aan de voorwaarden voldoet om te worden gepensioneerd. Afdeling III. - De disponibiliteit Onderafdeling 1. - De disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst Art. 156.De ambtenaar kan, zonder opzegging, in disponibiliteit worden gesteld wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst wanneer hij een bepaald ambt niet kan uitoefenen en hij niet onmiddellijk in een beter geschikte betrekking wederom tewerkgesteld kan worden. Op voorstel van de directieraad neemt de benoemende overheid een beslissing omtrent de indisponibiliteitstelling. De betrokkene wordt vooraf door de directieraad gehoord en kan worden bijgestaan door een persoon naar zijn keuze. Art. 157.De ambtenaar in disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst heeft geen recht op wedde of op verhoging in zijn weddeschaal. Hij verliest zijn aanspraken op : 1° bevordering of toekenning van een mandaat;2° een hogere weddeschaal in zijn functionele loopbaan. Hij geniet het eerste jaar een wachtgeld gelijk aan zijn laatste activiteitswedde. Vanaf het tweede jaar is dit wachtgeld gelijk aan 1/60e van de laatste activiteitswedde per dienstjaar dat hij telt op de datum waarop hij in disponibiliteit werd gesteld. Onderafdeling 2. - De disponibiliteit wegens ziekte Art. 158.§ 1. Onverminderd artikel 224 is de ambtenaar die wegens ziekte afwezig is na het maximaal aantal verlofdagen hem toegekend bij artikel 220, van rechtswege in disponibiliteit wegens ziekte. Hij behoudt zijn recht op bevordering en op bevordering in zijn weddeschaal. Artikel 225 is van toepassing op de ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte. § 2. De ambtenaar die in disponibiliteit wegens ziekte is, ontvangt een wachtgeld dat gelijk is aan 60 % van zijn laatste activiteitswedde. Het bedrag van dit wachtgeld mag echter in geen geval lager liggen dan : 1° de vergoedingen die de betrokkene in dezelfde toestand zou ontvangen indien de socialezekerheidsregeling op hem toepasselijk was geweest sinds het begin van zijn afwezigheid;2° het pensioen dat hij zou verkregen hebben indien hij, op de datum van zijn indisponibiliteitstelling, tot de vervroegde oppensioenstelling wegens lichamelijke ongeschiktheid was toegelaten. Het wachtgeld wordt vastgesteld op basis van de laatste activiteitswedde. In geval van cumulatie van betrekkingen wordt het wachtgeld slechts toegekend op grond van het hoofdambt. § 3. De ambtenaar heeft recht op een maandelijks wachtgeld dat gelijk is aan het bedrag van zijn laatste activiteitswedde indien de kwaal waaraan hij lijdt door het Bestuur van de medische expertise van de Staat als een ernstige en langdurige ziekte wordt erkend. Dit recht heeft slechts uitwerking nadat de ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte werd gesteld voor een ononderbroken periode van ten minste drie maanden. Dit recht heeft een herziening van de toestand van de ambtenaar tot gevolg met geldelijke uitwerking op de dag waarop zijn disponibiliteit wegens ziekte een aanvang heeft genomen. § 4. De disponibiliteit wegens ziekte maakt geen einde aan de stelsels van loopbaanonderbreking bedoeld in de artikelen 166 tot 171. Voor de toepassing van paragraaf 2 van dit artikel, is de laatste activiteitswedde deze welke voor de verminderde prestaties verschuldigd was. Art. 159.§ 1. De ambtenaar die in disponibiliteit werd gesteld wegens een ernstige ziekte van lange duur, wordt ieder jaar medisch onderzocht door de medische controledienst bedoeld in artikel 231 in de loop van de maand overeenstemmend met die waarin hij in disponibiliteit werd gesteld. § 2. De ambtenaar die in disponibiliteit werd gesteld wegens ziekte, wordt minstens ieder jaar medisch onderzocht door de medische controledienst bedoeld in artikel 227. § 3. Verschijnt de ambtenaar niet voor de medische controledienst bedoeld in artikel 227 op het tijdstip bepaald in het eerste lid, dan wordt de uitkering van zijn wachtgeld vanaf dat tijdstip geschorst tot hij verschijnt. Onderafdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen Art. 160.De directieraad kan de betrekking waarvan de in disponibiliteit gestelde ambtenaar titularis was, onmiddellijk vacant verklaren in geval van disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst. De vacantverklaring kan slechts worden beslist na verloop van een jaar in geval van disponibiliteit wegens ziekte. Komt in aanmerking voor de berekening van deze periode, de dienstactiviteit van minder dan een maand in het geval van werkhervatting. De ambtenaar in disponibiliteit wiens betrekking vacant werd verklaard blijft toegewezen aan de DBDMH. In de veronderstelling dat de ambtenaar de dienstactiviteit hervat, wordt er te werk gegaan overeenkomstig de titel met betrekking tot de wedertewerkstelling. . Art. 161.De directieraad kan de in disponibiliteit gestelde ambtenaar in actieve dienst terugroepen indien hij de vereiste beroepsgeschiktheid en lichamelijke geschiktheid bezit. De ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte, wiens betrekking niet vacant werd verklaard, neemt zijn betrekking opnieuw op wanneer hij zijn dienst hervat. De ambtenaar is in elk geval gehouden binnen de termijn bepaald door de directieraad, de betrekking te bekleden die hem werd toegewezen. De ambtenaar die dit zonder geldige reden weigert, wordt na tien werkdagen afwezigheid ambtshalve ontslagen. Art. 162.Niemand kan in disponibiliteit gesteld of gehouden worden wanneer hij voldoet aan de voorwaarden om gepensioneerd te worden. HOOFDSTUK II. - De afwezigheden Art. 163.Voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk, moet onder dag begrepen worden, de duur gelijk aan 7 u 36. Art. 164.De ambtenaar mag niet afwezig zijn zonder verlof of dienstvrijstelling te hebben gekregen. Onder dienstvrijstelling wordt verstaan de toestemming gegeven aan een ambtenaar om gedurende de diensturen afwezig te zijn voor een bepaalde duur met het behoud van al zijn rechten. Met uitzondering van de in dit besluit bepaalde gevallen worden de verloven en dienstvrijstellingen door officier-dienstchef of de door hem aangewezen ambtenaar toegekend. Art. 165.§ 1. Onverminderd de eventuele toepassing van een tuchtstraf, bevindt de ambtenaar die zonder toestemming afwezig is of de duur van zijn verlof zonder geldige reden overschrijdt, zich van rechtswege in non-activiteit. § 2. De deelname van een ambtenaar aan een overlegde werkstaking wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Hij heeft echter geen recht op zijn wedde. § 3. Indien de ambtenaar zonder geldige reden meer dan tien werkdagen afwezig is, wordt hij ambtshalve ontslagen. HOOFDSTUK III. - De verloven van loopbaanonderbreking Art. 166.Voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk, moet onder dag begrepen worden, de duur gelijk aan 7u 36. Art. 167.§ 1. De ambtenaar krijgt verlof om zijn loopbaan te onderbreken volgens de herstel wet van 22 januari 1985Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/01/1985 pub. 12/08/2013 numac 2013000511 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Herstelwet houdende sociale bepalingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten onder het stelsel van het Koninklijk Besluit van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/08/1992 pub. 21/10/1999 numac 1999015203 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol houdende wijziging van artikel 81 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958, opgemaakt te Brussel op 16 februari 1990 sluiten0 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen alsmede van alle bepalingen die deze regeling mochten wijzigen of vervangen. § 2. De ambtenaar kan verlof voor loopbaanonderbreking krijgen volgens de voorwaarden en modaliteiten van het Koninklijk Besluit bedoeld in de eerste paragraaf : 1° volledig;2° met het oog op hulpverlening aan of verzorging van een gezins- of familielid tot de tweede graad dat aan een ernstige kwaal lijdt;3° met het oog op palliatieve verzorging;4° in het kader van het ouderschapsverlof bij de geboorte of de adoptie van een kind. Art. 168.§ 1. Iedere ambtenaar heeft recht op de verloven voor loopbaanonderbreking voor palliatieve verzorging en in het kader van het ouderschapsverlof bedoeld in artikel 167, § 2, 3° en 4°. § 2. De ambtenaren van rang 1 hebben recht op de verloven voor volledige loopbaanonderbrekingen en voor loopbaanonderbrekingen in het kader van de medische bijstand bedoeld in artikel 167, § 2, 1° en 2°. De houders van een bevorderingsgraad kunnen deze verloven genieten, middels de toelating van de officier-dienstchef. De mandaathouders worden ervan uitgesloten. Art. 169.§ 1. Het verlof voor loopbaanonderbreking wordt voltijds genomen. In afwijking van het eerste lid kan een gedeeltelijke onderbreking worden toegekend voor de in artikel 167, § 2, 2°, 3°, 4° bedoelde gevallen. De officier-dienstchef of diens afgevaardigde beslist over de indeling van de prestaties. § 2. Een ambtenaar kan zijn ambtsverrichtingen hervatten vooraleer de periode van loopbaanonderbreking verstreken is met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden die per aangetekend schrijven aan de officier-dienstchef ter kennis wordt gebracht, tenzij laatstgenoemde een kortere termijn aanvaardt. Art. 170.De ambtenaar kan tijdens zijn verlof geen aanspraak maken op zijn wedde. Dit verlof wordt voor het overige gelijkgesteld aan een periode van dienstactiviteit. Art. 171.Het verlof voor loopbaanonderbreking wordt in verlof voor persoonlijke redenen omgezet wanneer de ambtenaar een beroepsactiviteit uitoefent, uitgezonderd in de gevallen bedoeld in artikel 24, tweede lid, van voormeld Koninklijk Besluit van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/08/1992 pub. 21/10/1999 numac 1999015203 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol houdende wijziging van artikel 81 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958, opgemaakt te Brussel op 16 februari 1990 sluiten0 of indien de ambtenaar een bijkomende beroepsactiviteit uitoefent als bezoldigd werknemer. HOOFDSTUK IV. - De verloven van korte duur Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepaling Art. 172.Voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk, moet onder dag begrepen worden, de duur gelijk aan 7,36 uren. Afdeling II. - De jaarlijkse vakantie Art. 173.De ambtenaar heeft jaarlijks recht op 35 werkdagen vakantie. Hij geniet een bijkomende jaarlijkse vakantie van : 1° één werkdag na vijf jaar dienstanciënniteit;2° twee werkdagen na tien jaar dienstanciënniteit. Art. 174.De vakantiedagen worden genomen naar keuze van de ambtenaar doch met inachtneming van de behoeften van de dienst. Ze worden toegekend door de functionele chef. De ambtenaar heeft recht op een onafgebroken periode van ten minste tien werkdagen vakantie. Art. 175.De ambtenaar heeft het recht om binnen het aantal van 35 werkdagen, vier werkdagen verlof te nemen zonder dat het dienstbelang daar tegenover kan worden gesteld om in geval van ziekte of ongeval een persoon bij te staan die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont. De persoon die onder hetzelfde dak woont dient bovendien te zijn : de echtgenoot, de persoon met wie hij samenleeft, een bloedverwant hetzij van de ambtenaar, hetzij van de echtgenoot of van de persoon met wie de ambtenaar samenleeft, een persoon opgenomen met het oog op adoptie of pleegvoogdij. De ambtenaar moet een medisch attest voorleggen ter staving van de noodzakelijkheid van zijn aanwezigheid bij de zieke persoon of de persoon die slachtoffer is van een ongeval. Art. 176.Indien de ambtenaar de in artikel 175, eerste lid bedoelde vier werkdagen heeft opgebruikt of indien hij volledig de werkdagen waarin artikel 173 voorziet heeft opgebruikt, heeft hij recht op twee bijkomende werkdagen om dezelfde redenen en onder dezelfde voorwaarden als deze bepaald in artikel 175. Art. 177.De niet-bestede vakantiedagen worden ambtshalve naar de volgende jaar overgedragen. De overdracht is maximum één jaar geldig. Als de ambtenaar het geheel of een deel van zijn vakantiedagen niet kon opnemen wegens een afwezigheid door ziekte, als gevolg van een werkongeval, een ongeval op weg naar het werk of een beroepsziekte, mag de overdracht de termijn van één jaar overschrijden. Bij terugkomst van de ambtenaar worden de jaarlijkse vakantiedagen naar keuze van de ambtenaar opgenomen, maar er moet evenwel rekening gehouden worden met de behoeften van de dienst. Art. 178.Elke periode van dienstactiviteit geeft recht op jaarlijkse vakantie. Deze laatste wordt in evenredige mate verminderd : 1° wanneer de ambtenaar in de loop van het jaar in dienst treedt of zijn ambt definitief neerlegt;2° wanneer hij tijdens het jaar verlof verkrijgt :
- a)om een stage of een proefperiode te vervullen bij een andere overheidsdienst, zoals bepaald in artikel 209; b)om kandidaat te zijn voor de parlements-, gewest-, provincie-, gemeente-, of Europese raadsverkiezingen zoals bepaald in artikel 235; - c)om dwingende redenen van familiaal belang zoals bepaald in artikel 184; -
- d)voor loopbaanonderbreking zoals bepaald in artikel 167; -
- e)om een opdracht uit te voeren zoals bepaald in artikel 211; -
- f)voor ouderschapsverlof behalve loopbaanonderbreking bedoeld in de artikelen 186 en 187. De afwezigheden waarbij de ambtenaar in non-activiteit of disponibiliteit is geplaatst, geven eveneens aanleiding tot een evenredige vermindering van de vakantie. Het aldus berekende aantal dagen wordt steeds uitgedrukt in uren. Art. 179.De in deze afdeling bepaalde vakantiedagen worden opgeschort bij ziekte voor zover de geneeskundige controle mogelijk is. Art. 180.De jaarlijkse vakantie wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Dit geldt eveneens voor de bijkomende dagen voorzien in de artikelen 175 en 176. Afdeling III. - De feestdagen Art. 181.§ 1. De ambtenaar heeft verlof op de wettelijke feestdagen, op 2 en 15 november en op 26 december. § 2. Ter vervanging van de feestdagen, vermeld in de eerste paragraaf, die samenvallen met een zaterdag of een zondag, krijgt het personeelslid aanvullende jaarlijkse verlofdagen. Voor elke prestatie geleverd op een feestdag ontvangt het personeelslid bijkomend vakantieverlof ten belope van het aantal werkelijk gepresteerde uren tussen nul en vierentwintig uur. § 3. De verloven bedoeld in dit artikel worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Indien een beroepspersoneelslid echter op een feestdag om een andere reden met verlof is, of in disponibiliteit of in non-activiteit is geplaatst, blijft zijn administratieve stand bepaald overeenkomstig de verordeningsbepalingen die op hem van toepassing zijn. Afdeling IV. - Het verlof om familiale redenen Onderafdeling 1. - Het omstandigheidsverlof Art. 182.De ambtenaar krijgt verlof, binnen de hierna gestelde perken, naar aanleiding van de volgende gebeurtenissen : 1° het huwelijk of de inschrijving in het bevolkingsregister van het samenlevingscontract van de ambtenaar : 4 werkdagen;2° de bevalling van de echtgenote of van de samenwonende partner van de ambtenaar, op het ogenblik van de gebeurtenis : 14 werkdagen;3° de geboorte van een kleinkind : 1 werkdag;4° het overlijden van de echtgenoot of van de samenwonende partner van de ambtenaar : 4 werkdagen;5° het overlijden van een bloedverwant in de eerste graad hetzij van de ambtenaar, hetzij van de echtgenoot of van de samenwonende partner van de ambtenaar : 4 werkdagen;6° het huwelijk of de inschrijving in het bevolkingsregister van het samenlevingscontract van een kind van de ambtenaar of van de samenwonende partner van de ambtenaar : 2 werkdagen;7° het overlijden van een bloedverwant in om het even welke graad hetzij van de ambtenaar, hetzij van de echtgenoot of van de samenwonende partner van de ambtenaar, onder hetzelfde dak wonend als de ambtenaar : 2 werkdagen;8° het overlijden van een bloedverwant in de tweede graad, hetzij van de ambtenaar, hetzij van de echtgeno(o)t(
- e)of van de samenwonende partner van de ambtenaar maar niet onder hetzelfde dak wonend als de ambtenaar : 2 werkdagen;9° het overlijden van een bloedverwant in de derde graad, hetzij van de ambtenaar, hetzij van de echtgeno(o)t(
- e)of van de samenwonende partner van de ambtenaar maar niet onder hetzelfde dak wonend als de ambtenaar : 1 werkdag; Als het voorval zich voordoet tijdens een periode van deeltijdse arbeid wordt de duur van het verlof in evenredige mate verminderd. Art. 183.Het omstandigheidsverlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit. Onderafdeling 2. - Het verlof wegens dwingende familiale redenen Art. 184.Met een maximum van vijfenveertig werkdagen per kalenderjaar, kan de ambtenaar verlof krijgen wegens : 1° ziekenhuisopname of autonomieverlies van een persoon die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont of van een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad die niet met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont;2° opvang van zijn kinderen en kleinkinderen die niet de leeftijd van 18 jaar bereikt hebben. Het verlof wordt genomen per dag of per wacht volgens het arbeidsregime van de ambtenaar. Het wordt toegekend door de functionele chef. Indien het verlof wegens dwingende familiale redenen tijdens een periode van deeltijdse arbeid genomen wordt, wordt de duur van het verlof in evenredige mate verminderd. Art. 185.Dit verlof is niet bezoldigd. Het wordt voor het overige met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. Onderafdeling 3. - Het ouderschapsverlof buiten de loopbaanonderbreking Art. 186.Aan de ambtenaar in dienstactiviteit wordt door de officier-dienstchef, na advies van de functionele chef, bij de geboorte of de adoptie van een kind of de plaatsing van een kind in een opvanggezin in het kader van de pleegzorg, maximaal drie maanden ouderschapsverlof buiten loopbaanonderbreking toegestaan. Dit verlof moet genomen worden vóór het kind de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt. Het verlof mag enkel gesplitst worden in maanden en kan genomen worden hetzij voltijds, hetzij deeltijds, volgens de organisatie van de dienst. De maximumduur van het adoptieverlof wordt verdubbeld en de leeftijdsgrens van het kind wordt vastgesteld op 21 jaar wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct. of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag. Na het ouderschapsverlof heeft de ambtenaar het recht zijn functie opnieuw uit te oefenen of, indien dat onmogelijk is, een gelijkwaardige of gelijkaardige functie te bekleden. Art. 187.Het ouderschapsverlof wordt niet vergoed. Het wordt voor het overige met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. Onderafdeling 4. - Adoptieverlof, het verlof voor de opvang met het oog op pleegvoogdij of plaatsing in een onthaalgezin naar aanleiding van een rechterlijke beslissing Art. 188.Een adoptieverlof wordt toegekend aan de ambtenaar die een kind van minder dan twaalf jaar adopteert. Het verlof bedraagt ten hoogste 6 weken. Het verlof kan gesplitst worden in weken en dient te worden genomen uiterlijk binnen de vier maanden die volgen op de inschrijving van het kind als deeluitmakend van het gezin van de ambtenaar in het bevolkingsregister of het register v