← België

Koninklijk besluit houdende coördinatie van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging

In het kort

Deze wet coördineert eerdere wetten en besluiten ter bescherming van de economische mededinging. Het doel is om een eerlijke concurrentie op de Belgische markt te waarborgen door restrictieve praktijken en misbruik van machtsposities te verbieden.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

📄 Wettekst
1 JULI 1999. - Koninklijk besluit houdende coördinatie van de wet van 5 augustus 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/08/1991 pub. 10/08/2010 numac 2010000448 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de in-, uit- en doorvoer van en de bestrijding van illegale handel in wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot bescherming van de economische mededinging ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 5 augustus 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/08/1991 pub. 10/08/2010 numac 2010000448 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de in-, uit- en doorvoer van en de bestrijding van illegale handel in wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot bescherming van de economische mededinging, gewijzigd bij de wetten van 22 maart 1993, en van 26 april 1999 en bij de koninklijke besluiten van 31 maart 1995 en 14 juni 1999, inzonderheid op het artikel 56bis; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996; Gelet op de hoogdringendheid, gemotiveerd door de omstandigheid dat de wet van 26 april 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/04/1999 pub. 27/04/1999 numac 1999011129 bron ministerie van economische zaken Wet tot wijziging van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging type wet prom. 26/04/1999 pub. 27/04/1999 numac 1999011130 bron ministerie van economische zaken Wet tot wijziging van sommige artikelen van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging sluiten (artikel 77 van de Grondwet) tot wijziging van sommige artikelen van de wet van 5 augustus 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/08/1991 pub. 10/08/2010 numac 2010000448 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de in-, uit- en doorvoer van en de bestrijding van illegale handel in wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot de bescherming van de economische mededinging in voege is getreden op 27 april 1999; dat de wet van 5 augustus 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/08/1991 pub. 10/08/2010 numac 2010000448 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de in-, uit- en doorvoer van en de bestrijding van illegale handel in wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten eveneens werd gewijzigd door een andere wet van 26 april 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/04/1999 pub. 27/04/1999 numac 1999011129 bron ministerie van economische zaken Wet tot wijziging van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging type wet prom. 26/04/1999 pub. 27/04/1999 numac 1999011130 bron ministerie van economische zaken Wet tot wijziging van sommige artikelen van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging sluiten (artikel 78 van de Grondwet) en, wat betreft de drempels voor het aanmelden van de concentraties, door een koninklijk besluit van 14 juni 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 14/06/1999 pub. 31/07/1999 numac 1999011236 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot verhoging van de drempels bedoeld in artikel 11, § 1, van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging type koninklijk besluit prom. 14/06/1999 pub. 01/09/1999 numac 1999011258 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit houdende de inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 5, 7, 11 tot 14, 18, 25, 27, 30, 32, 34 tot 37, 40, 42 tot 44 en 47 van de wet van 26 april 1999 tot wijziging van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging type koninklijk besluit prom. 14/06/1999 pub. 15/10/1999 numac 1999022672 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies sluiten; dat het past de teksten te coördineren teneinde een samenhangende en geharmoniseerde toepassing van de nieuwe van kracht zijnde bepalingen toe te laten; Op de voordracht van Onze Minister van Economie, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1.De bepalingen van de wetten van 5 augustus 1991, 26 april 1999 (I) en 26 april 1999 (II), worden gecoördineerd volgens de bij dit besluit gevoegde tekst. Art. 2.Onze Minister die de Economische Zaken in zijn bevoegdheid heeft is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 1 juli 1999. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Economie, E. DI RUPO Bijlage I Wet tot bescherming van de economische mededinging, gecoördineerd op HOOFDSTUK I. - Definities Artikel 1.Voor de toepassing van deze wet dient er verstaan te worden onder : a) onderneming : alle natuurlijke of rechtspersonen, die op duurzame wijze een economisch doel nastreven;b) machtspositie : de positie die een onderneming in staat stelt om de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging te verhinderen en het haar mogelijk maakt zich, jegens haar concurrenten, afnemers of leveranciers, in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen;c) Minister : de Minister die de Economische Zaken in zijn bevoegdheid heeft. HOOFDSTUK II. - Mededingingspraktijken Afdeling 1. - Restrictieve mededingingspraktijken Art. 2.§ 1. Zijn verboden alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemingsverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Belgische betrokken markt of op een wezenlijk deel ervan merkbaar wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in : a) het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden;b) het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen;c) het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen;d) het ten opzichte van handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hen daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging;e) het afhankelijk stellen van het sluiten van overeenkomsten, van de aanvaarding door de handelspartners van bijkomende prestaties welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten. § 2. De krachtens dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten zijn van rechtswege nietig. § 3. De bepalingen van § 1 van dit artikel kunnen echter buiten toepassing worden verklaard : - voor elke overeenkomst of groep van overeenkomsten tussen ondernemingen, - voor elk besluit of groep van besluiten van ondernemingsverenigingen, en - voor elke onderling afgestemde feitelijke gedraging of groep van gedragingen die bijdragen tot verbetering van de productie of van de verdeling of tot verbetering van de technische of economische vooruitgang of die de kleine en middelgrote ondernemingen de mogelijkheid bieden om hun concurrentiepositie op de betrokken markt of op de internationale markt te verstevigen, mits een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, en zonder nochtans aan de betrokken ondernemingen : a) beperkingen op te leggen welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn;b) de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken producten de mededinging uit te schakelen. Art. 3.Het is verboden dat één of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de betrokken Belgische markt of op een wezenlijk deel daarvan. Dit misbruik kan met name bestaan in : a) het rechtstreeks of zijdelings opleggen van onbillijke aan- of verkoopprijzen of van andere onbillijke contractuele voorwaarden;b) het beperken van de productie, de afzet of de technische ontwikkeling ten nadele van de verbruikers;c) het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging;d) het feit dat het sluiten van overeenkomsten afhankelijk wordt gesteld van het aanvaarden door de handelspartners van bijkomende prestaties, welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten. Art. 4.De bij de artikel 2, § 1 en artikel 3 bedoelde praktijken worden hierna restrictieve mededingingspraktijken genoemd. Art. 5 (1). § 1. Met betrekking tot de in artikel 2, § 1, bedoelde praktijken is geen aanmelding als bedoeld in artikel 7 vereist wanneer de ondernemingen die er partij bij zijn, individueel de voorwaarden vervullen welke bij artikel 12, § 2, van de wet van 17 juli 1975Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1975 pub. 30/06/2010 numac 2010000387 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen worden voorgeschreven. § 2. In afwijking van § 1, wordt de voorwaarde die betrekking heeft op het jaarlijks zakencijfer zoals voorzien in artikel 12, § 2, van voornoemde wet niet weerhouden wat betreft de banken, de kredietinstellingen en de andere financiële instellingen. Art. 6.§ 1. Op verzoek van de betrokken ondernemingen of ondernemingsverenigingen kan de Raad voor de Mededinging vaststellen dat er, op grond van de gegevens die hem bekend zijn, voor hem geen aanleiding bestaat om tegen een overeenkomst, besluit of een onderling afgestemde feitelijke gedraging krachtens artikel 2, § 1, of artikel 3 van deze wet op te treden. § 2. De Koning bepaalt de modaliteiten volgens welke een verzoek om negatieve verklaring zoals bedoeld bij § 1 wordt ingediend. Art. 7 (2). § 1. Overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen bedoeld in artikel 2, § 1 van deze wet, en ten aanzien waarvan de betrokken ondernemingen een beroep willen doen op artikel 2, § 3, moeten bij de Raad voor de Mededinging worden aangemeld. Zolang deze aanmelding niet heeft plaatsgevonden, kan de verklaring bedoeld bij artikel 2, § 3, niet worden gedaan, behalve wanneer het een praktijk betreft, bedoeld in artikel 5, § 1. § 2. Paragraaf 1 van dit artikel is niet van toepassing op overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen voor zover : 1) hetzij bij deze overeenkomsten slechts twee ondernemingen partij zijn en zij uitsluitend ten gevolge hebben dat : a) de vrijheid van de ene partij tot het vaststellen van de prijzen en andere voorwaarden bij wederverkoop van goederen welke zij van de andere partij betrokken heeft, beperkt wordt of b) aan de verkrijger of de gebruiker van industriële eigendomsrechten - onder meer van octrooien, tekeningen en modellen, of merken - of aan degene die rechten ontleent aan overeenkomsten, houdende overdracht of het in gebruik geven van productiemethoden of van kennis met betrekking tot het gebruik of de toepassing van bedrijfstechnische vaardigheden, beperkingen worden opgelegd in de uitoefening van deze rechten;2) hetzij zij uitsluitend betreffen : a) de ontwikkeling of uniforme toepassing van normen en typen;b) een gemeenschappelijk onderzoek naar technische verbeteringen, mits het resultaat voor alle betrokkenen toegankelijk is en alle betrokkenen hiervan mogen profiteren. Deze overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen kunnen worden aangemeld. § 3. De Koning bepaalt de modaliteiten volgens welke een overeenkomst, besluit of onderling afgestemde feitelijke gedraging zoals bedoeld in § 1 wordt aangemeld. Art. 8.Zolang overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen een vrijstelling genieten op grond van artikel 85, § 3, van het Verdrag tot Oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, dienen zij niet aangemeld te worden. Afdeling 2. - Concentraties Art. 9(3). § 1. Voor de toepassing van deze wet komt een concentratie tot stand doordat : a) twee of meer voorheen onafhankelijke ondernemingen fuseren;b) - één of meer personen die reeds zeggenschap over ten minste één onderneming bezitten of - één of meer ondernemingen door de verwerving van deelnemingen of vermogensbestanddelen, bij overeenkomst of op elke andere wijze, rechtstreekse of onrechtstreekse zeggenschap over één of meer andere ondernemingen of delen daarvan verkrijgen. § 2. De oprichting van een gemeenschappelijke onderneming die duurzaam alle functies van een zelfstandige economische eenheid vervult, vormt een concentratie in de zin van § 1, b). § 3. Voor de toepassing van deze wet berust de zeggenschap op rechten, overeenkomsten of andere middelen die afzonderlijk of gezamenlijk met inachtname van alle feitelijke en juridische omstandigheden, het mogelijk maken een bepalende invloed uit te oefenen op de activiteiten van een onderneming, met name : 1. eigendoms- of gebruiksrechten op alle vermogensbestanddelen van een onderneming of delen daarvan;2. rechten of overeenkomsten die een bepalende invloed verschaffen op de samenstelling, het stemgedrag of de besluiten van de ondernemingsorganen. § 4. Zeggenschap wordt verkregen door de persoon/personen of de onderneming/ondernemingen : a) die zelf rechthebbenden zijn of aan deze overeenkomsten rechten ontlenen, of b) die, hoewel zij zelf geen rechthebbenden zijn, noch aan deze overeenkomsten rechten ontlenen, de bevoegdheid hebben de daaruit ontstane rechten uit te oefenen. § 5. Er is geen sprake van totstandkoming van een concentratiehandeling : a) indien kredietinstellingen, andere financiële instellingen, of verzekeringsmaatschappijen tot wier normale werkzaamheden de verhandeling van effecten voor eigen rekening of voor rekening van derden behoort, tijdelijke deelnemingen houden die zij in een onderneming hebben verworven ten einde deze deelnemingen weer te verkopen, mits zij de aan deze deelnemingen verbonden stemrechten niet uitoefenen om het concurrentiegedrag van deze onderneming te bepalen of mits zij deze stemrechten slechts uitoefenen om de verkoop van deze onderneming of van haar activa, geheel of gedeeltelijk, of de verkoop van deze deelnemingen voor te bereiden, en deze verkoop plaatsvindt binnen één jaar na de verwerving;deze termijn bedraagt twee jaar wanneer de deelnemingen verworven werden als bewijs van dubieuze of onbetaald gebleven vorderingen. b) indien de zeggenschap wordt verworven door een gerechtelijke of overheidsmandataris, op grond van een gerechtelijke beslissing of een andere procedure van gedwongen vereffening. Art. 10 (4). § 1. Voor de concentraties is de voorafgaande goedkeuring nodig van de Raad voor de Mededinging, die vaststelt of ze al of niet toelaatbaar zijn. § 2. Bij de in § 1 bedoelde beslissing houdt de Raad rekening met : a) de noodzaak een daadwerkelijke mededinging op de nationale markt te handhaven en te ontwikkelen in het licht van met name de structuur van alle betrokken markten en van de bestaande of potentiële mededinging van binnen of buiten het Koninkrijk gevestigde ondernemingen;b) de positie op de markt van de betrokken ondernemingen, hun economische en financiële macht, de keuzemogelijkheden en leveranciers en afnemers, hun toegang tot voorzieningsbronnen en afzetmarkten, het bestaan van juridische of feitelijke hinderpalen voor de toegang tot de markt, de ontwikkeling van vraag naar en aanbod van de betrokken producten en diensten, de belangen van de tussen- en eindverbruikers, alsmede de ontwikkeling van de technische en economische vooruitgang voor zover deze in het voordeel van de consument is en geen belemmering vormt voor de mededinging. § 3. Concentraties die geen machtspositie in het leven roepen of versterken die tot gevolg heeft dat een daadwerkelijke mededinging op de nationale markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd, moeten toelaatbaar verklaard worden. § 4. Concentraties die een machtspositie in het leven roepen of versterken die tot gevolg heeft dat een daadwerkelijke mededinging op de nationale markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd, moeten ontoelaatbaar verklaard worden. § 5. Indien de oprichting van een gemeenschappelijke onderneming die een concentratie vormt in de zin van artikel 9, de coördinatie beoogt of tot stand brengt van het concurrentiegedrag van ondernemingen die onafhankelijk blijven, dan wordt die coördinatie beoordeeld overeenkomstig de criteria van artikel 2, teneinde vast te stellen of de transactie al dan niet toelaatbaar is. Bij die beoordeling houdt de Raad voor de Mededinging onder meer rekening met : - het significant en gelijktijdig actief blijven van twee of meer oprichtende ondernemingen op dezelfde markt als die van de gemeenschappelijke onderneming, op een downstream- of upstreammarkt van laatstgenoemde markt of op een nauw met die markt verbonden aangrenzende markt; - de mogelijkheid die aan de betrokken ondernemingen wordt gegeven om, via de coördinatie die het rechtstreekse gevolg is van de oprichting van de gemeenschappelijke onderneming, de mededinging voor een wezenlijk deel van de betrokken producten en diensten uit te schakelen. § 6. Wanneer het algemeen belang dit rechtvaardigt, mag de Ministerraad ambtshalve of op verzoek van de partijen, de oprichting toestaan van een concentratie die door de Raad voor de Mededinging als onaanvaardbaar wordt beschouwd volgens de bepalingen vervat in artikel 34bis. Art. 11(5). § 1. De bepalingen van deze afdeling zijn slechts van toepassing wanneer de betrokken ondernemingen samen in België een omzet, bepaald volgens de in artikel 46 bedoelde criteria, van meer dan 40 miljoen euro of 1.613.596.000 frank totaliseren en minstens twee van de betrokken ondernemingen elk in België een omzet realiseren van minstens 15 miljoen euro of 605.098.500 frank. § 2. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, en na raadpleging van de Raad en de Commissie voor de Mededinging, de drempels bedoeld in § 1 verhogen. § 3. Om de drie jaar gaat de Raad voor de Mededinging over tot een toetsing van de drempels bedoeld in § 1, daarbij onder andere rekening houdende met de economische impact en de administratieve last voor de onderneming. Met het oog op deze toetsing brengt de Dienst voor de Mededinging aan de Raad een advies uit. Art. 12 (6). § 1. De concentraties bedoeld in deze wet moeten bij de Raad voor de Mededinging worden aangemeld binnen een termijn van één maand na de sluiting van de overeenkomst, de openbaarmaking van het aanbod tot aankoop of ruil, of de verwerving van een zeggenschapsdeelneming. De termijn vangt aan zodra één van deze handelingen plaatsgevonden heeft. De partijen kunnen echter een ontwerpovereenkomst aanmelden mits alle partijen uitdrukkelijk verklaren dat zij de intentie hebben om een overeenkomst te sluiten die op alle mededingingsrechtelijk relevante punten niet merkbaar verschilt van het aangemelde ontwerp. § 2. De concentraties die in een overeenkomst zijn vastgelegd moeten worden aangemeld door de samen handelende betrokkenen; in de andere gevallen moet de aanmelding plaatsvinden door de betrokkene die de concentratie heeft verwezenlijkt. § 3. De modaliteiten van de aanmeldingen bedoeld bij § 1 worden bepaald door de Koning. § 4. Tot de Raad voor de Mededinging een beslissing neemt betreffende de toelaatbaarheid van de concentratie, kunnen de betrokken ondernemingen slechts de uit de concentratie voortvloeiende maatregelen nemen welke de omkeerbaarheid van de concentratie niet belemmeren en de marktstructuur niet duurzaam wijzigen. § 5. Na de eerste periode van vijfenveertig dagen van onderzoek van de concentratie, kan de Raad voor de Mededinging zich behoudens het geval van aanmelding van een ontwerpovereenkomst, op verzoek van de ondernemingen die partij zijn bij de concentratie, uitspreken over het al dan niet omkeerbaar karakter of over het al dan niet duurzaam karakter van de wijziging van de marktstructuur, van één of meer met de concentratie verband houdende maatregelen, welke de bij de concentratie betrokken ondernemingen zouden willen doorvoeren. In dat geval vraagt de Raad voor de Mededinging dat de verslaggever binnen twee weken een verslag neerlegt, bevattende de appreciatie-elementen om tot de in deze paragraaf bedoelde besluitvorming te komen. De Raad kan zijn beslissing vergezeld laten gaan van bepaalde voorwaarden en lasten. Art. 13.De concentraties die onderworpen zijn aan het toezicht van de Commissie van de Europese Gemeenschappen zijn niet onderworpen aan het toezicht ingesteld door deze wet. HOOFDSTUK III. - Organen en procedure Afdeling 1. - Dienst voor de Mededinging en korps verslaggevers (7) Art. 14 (8). § 1er. De Dienst voor de Mededinging van het Ministerie van Economische Zaken is belast met de opsporing en het onderzoek van de bij hoofdstuk II bedoelde praktijken. Hij onderzoekt de op grond van deze wet ingediende zaken en hij waakt over de uitvoering van de getroffen beslissingen. Het Ministerie van Economische Zaken is eveneens belast met het secretariaat van de Raad voor de Mededinging alsook die van het korps verslaggevers. § 2. Bij de Dienst voor de Mededinging wordt een korps verslaggevers ingesteld. De verslaggevers worden gerecruteerd door middel van een vergelijkend examen. Zij moeten houder zijn van een diploma van doctor of licentiaat in de rechten, van handelsingenieur of van doctor of licentiaat in de economie. Zij moeten blijk geven van een nuttige ervaring van minstens drie jaar, zowel inzake mededinging als inzake procedurevoorschriften. De verslaggevers worden benoemd door de Koning. Zij hebben een administratief en geldelijk statuut dat hun onafhankelijkheid waarborgt. In tuchtzaken wordt de regeling overgenomen die van toepassing is op de inspecteur van Financiën. Het korps telt evenveel verslaggevers uit het Nederlandse als uit het Franse taalkader. Ten minste één verslaggever moet de kennis van de Duitse taal bewijzen. De verslaggevers zijn inzonderheid belast met : 1° het leiden en organiseren van het onderzoek;het korps verslaggevers bepaalt met name de volgorde waarin de dossiers behandeld worden; het verdeelt de dossiers waarnaar een onderzoek wordt ingesteld onder de verslaggevers; 2° het afgeven van de opdrachtsbevelen aan de personeelsleden van de Dienst, met inbegrip van de opdrachtsbevelen bedoeld in artikel 23 van deze wet;3° het opstellen en het indienen van het onderzoeksverslag bij de Raad voor de Mededinging. Zij kunnen geen enkel uitdrukkelijk bevel vragen of aanvaarden in verband met de behandeling van de krachtens artikel 23, § 1, a), b), c), d) en f) ingediende zaken. De verslaggevers wijzen in hun midden, bij meerderheid van stemmen, een korpschef aan voor een duur die drie jaar niet mag overschrijden. Dit mandaat kan worden hernieuwd. De korpschef zit de vergaderingen van het korps verslaggevers voor. In geval van afwezigheid of verhindering wordt de korpschef vervangen door de verslaggever met de meeste dienstjaren of, in geval van gelijke anciënniteit, door de oudste in jaren. De verslaggevers kunnen alle handelingen verrichten ter volbrenging van hun opdracht behalve wanneer de wet deze handelingen aan het korps verslaggevers voorbehoudt. In dat geval beraadslaagt het korps verslaggevers bij meerderheid van stemmen; bij gelijkheid van stemmen, is de stem van de korpschef beslissend. Het korps verslaggevers stelt zijn huishoudelijk reglement op, dat door de Koning wordt goedgekeurd. Art. 15 (9). De Koning neemt de noodzakelijke maatregelen om de organieke personeelsformatie van de Dienst voor de Mededinging alsook van het korps verslaggevers vast te stellen, om er de toegangsvoorwaarden voor vast te stellen en om de werking ervan te verzekeren, rekening houdend met de bijzondere noodzaak tot onafhankelijkheid van de verslaggevers die het in artikel 14, § 2, bedoelde korps vormen en tot stabiliteit, specialisatie en continuïteit van de dienst. De Koning bepaalt inzonderheid het statuut van de verslaggevers volgens de principes van een vlakke loopbaan. De Koning bepaalt het statuut van de leden van het secretariaat van de Raad voor de Mededinging. Afdeling 2. - Raad voor de Mededinging Art. 16.Er wordt een Raad voor de Mededinging bij het Ministerie van Economische Zaken ingesteld. Deze Raad is een administratief rechtscollege dat de bevoegdheid van beslissing, van voorstel en advies heeft, die hem door deze wet worden toegekend. Omtrent vraagstukken van algemeen mededingingsbeleid heeft hij bovendien algemene adviesbevoegdheid, die hij op eigen initiatief dan wel op verzoek van de Minister uitoefent. Art. 17(10). § 1. De Raad voor de Mededinging is samengesteld uit 20 leden, te weten : 1. een voorzitter en een ondervoorzitter die de voorzitter vervangt in geval van afwezigheid of verhindering, aangewezen onder de magistraten van de rechterlijke orde;2. acht leden aangewezen onder de magistraten van de rechterlijke orde, de advocaten die meer dan tien jaar ingeschreven staan op het tableau van de Orde van advocaten of de personen die belast zijn het recht te onderwijzen aan een Belgische universiteit of een universiteit gelegen in de Europese Unie.Van deze acht leden worden minstens vier leden aangewezen onder de magistraten van de rechterlijke orde; 3. tien leden aangewezen op grond van hun bevoegdheid inzake mededinging;onder hen mogen zich niet meer dan zes personen bevinden die beschouwd worden als deelnemend aan het bestuur van een handelsvennootschap in de zin van artikel 205 van het Gerechtelijk Wetboek. § 2. De voorzitter, de ondervoorzitter en de andere leden van de Raad voor de Mededinging worden benoemd bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. Hun mandaat heeft een duur van zes jaar. Het is hernieuwbaar. De leden van de Raad voor de Mededinging blijven hun functie uitoefenen bij het aflopen van hun mandaat zolang niet voorzien is in hun vervanging. § 3. De voorzitter en de ondervoorzitter moeten hun kennis van de Nederlandse en de Franse taal bewijzen. Ten minste een lid moet zijn kennis van de Duitse taal bewijzen. § 4. De voorzitter, de ondervoorzitter en twee leden door de Koning aangewezen onder de leden bedoeld in § 1, oefenen hun functie voltijds uit. De magistraten die in de Raad voor de Mededinging een voltijdse functie uitoefenen, zijn niet onderworpen aan artikel 293 van het Gerechtelijk Wetboek voor de duur van hun mandaat. Tijdens de hele duur van hun mandaat mogen de voorzitter, de ondervoorzitter en de twee leden die aangewezen zijn voor een voltijdse functie, geen enkele andere beroepsactiviteit uitoefenen. De Koning kan echter, op voorstel van de Minister, de uitoefening van een aanvullende en bijkomende beroepsactiviteit toestaan, voor zover die activiteit verenigbaar is met de uitoefening van een mandaat in de Raad voor de Mededinging. § 5. Er wordt onmiddellijk voorzien in de vervanging als magistraat door een benoeming in bovental, van de leden bedoeld in § 4 die aangewezen zijn onder de magistraten van de rechterlijke orde. Indien het om een korpschef gaat, wordt in zijn vervanging voorzien door een benoeming in bovental van een magistraat die er in rang onmiddellijk op volgt. De voorzitter en de ondervoorzitter van de Raad voor de Mededinging genieten een wedde die gelijk is aan die van een voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg waarvan het rechtsgebied minstens 500 000 inwoners telt, alsook de verhogingen en de voordelen die eraan verbonden zijn. Deze wedde kan echter niet lager liggen dan die waarop zij in de rechterlijke orde aanspraak maakten. De magistraat die een voltijdse functie uitoefent in de Raad voor de Mededinging, wordt op verlof gesteld voor de duur van zijn mandaat. Overeenkomstig artikel 315 van het Gerechtelijk Wetboek vindt de magistraat zijn plaats terug op de ranglijst bij het beëindigen van zijn mandaat. § 6. De in § 4 bedoelde leden, die niet als voorzitter of ondervoorzitter aangewezen zijn, ontvangen, bij het begin van hun eerste mandaat, een wedde die overeenkomt met de wedde van een ondervoorzitter van de rechtbank van eerste aanleg waarvan het rechtsgebied minstens 500 000 inwoners telt. § 7. De Raad voor de Mededinging kan opgesplitst worden in meerdere kamers. De kamers worden samengesteld uit een gelijk aantal leden. Elke kamer wordt voorgezeten door een magistraat van de rechterlijke orde en bestaat uit minstens drie leden. Telkens als een lid gewettigd verhinderd is, kan de voorzitter van de Raad een ander lid aanwijzen om hem te vervangen. Zo de voorzitter van de kamer verhinderd is, neemt het oudste lid van de kamer het voorzitterschap waar. § 8. De Koning bepaalt de benoemingsvoorwaarden en het statuut van de voorzitter, de ondervoorzitter en de andere leden van de Raad voor de Mededinging die hun functie voltijds uitoefenen. De wetten op de pensioenregeling voor de leden van het burgerlijk rijkspersoneel en voor hun rechtverkrijgenden zijn ook van toepassing op de leden van de Raad voor de Mededinging die niet het statuut van magistraat of rijksambtenaar hebben en die hun functie voltijds uitoefenen. § 9. De Raad voor de Mededinging wordt bijgestaan door een secretaris en een adjunct-secretaris die daartoe door de Minister of zijn gevolmachtigde worden aangewezen onder de ambtenaren van het Ministerie van Economische Zaken. De secretaris en de adjunct-secretaris behoren tot verschillende taalrollen. De Minister wijst op dezelfde wijze plaatsvervangende secretarissen aan. § 10. Met uitzondering van de personen die in de Raad voor de Mededinging een voltijdse functie uitoefenen, hebben de eremagistraten en de magistraten die toegelaten worden tot het emeritaat, eveneens de hoedanigheid van magistraat in de zin van de vorige paragrafen. Art. 18 (11). § 1. Elk lid van de Raad moet de voorzitter inlichten over de belangen die hij heeft of verwerft en over de functies die hij uitoefent in een economische activiteit. § 2. De leden van de Raad voor de Mededinging kunnen gewraakt worden om de redenen vermeld in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek. Daarenboven kunnen de leden van de Raad voor de Mededinging niet beraadslagen in een zaak waarin zij een belang hebben of indien zij een van de belanghebbende partijen vertegenwoordigen of vertegenwoordigd hebben. Bovendien mogen zij niet als raadsman van een partij optreden in een zaak die krachtens deze wet aanhangig is gemaakt. § 3. Indien de wraking betwist wordt, doet de Raad voor de Mededinging daarover uitspraak in afwezigheid van het betrokken lid. § 3bis. In het geval van betwisting van de wraking moet het betrokken lid gehoord worden. De beslissing van de Raad voor de Mededinging is niet vatbaar voor beroep. § 4. De Koning gaat, overeenkomstig artikel 17 § 3, over tot vervanging van een lid wanneer dit : - failliet verklaard of in concordaat gesteld is; - ontslagen is uit zijn functies bij tuchtmaatregel; - veroordeeld is tot een gevangenisstraf van meer dan zes maanden; - een reden tot wraking verzwegen heeft; - een sanctie heeft opgelopen voor een inbreuk gepleegd op deze wet. De Koning gaat eveneens over tot vervanging van een lid wanneer dit : - aangetast is door fysieke of mentale ongeschiktheid; - geen verblijfplaats op Belgisch grondgebied meer heeft; - lid van de Wetgevende Kamers, van een Gewest- of Gemeenschapsraad is. Art. 18bis (12). De leden van de Raad voor de Mededinging zijn gebonden door het beroepsgeheim en mogen de vertrouwelijke gegevens waarvan zij kennis hebben gekregen op grond van hun functie, aan geen enkele persoon of autoriteit bekendmaken, behalve wanneer zij worden opgeroepen om in rechte te getuigen. Overtredingen van dit artikel worden bestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek. De voorschriften van het eerste boek van het Strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn van toepassing op de overtredingen van dit artikel. Art. 19 (13). § 1. De Raad stelt zijn huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan de Koning. § 2. De Raad kan overgaan of laten overgaan tot alle nuttige onderzoeken. § 3. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. § 4. De Raad doet bij gemotiveerde beslissing uitspraak over alle zaken waarmede hij belast wordt, na de belanghebbende ondernemingen, alsook, op hun verzoek, de eventuele klagers of de raadgever van hun keuze in hun middelen gehoord te hebben. § 5. De Raad voor de Mededinging zendt jaarlijks een verslag over de toepassing van de wet aan de Minister en aan de Wetgevende Kamers. De Raad voor de Mededinging publiceert dit verslag. De beslissingen, voorstellen, adviezen van de Raad voor de Mededinging, de arresten van het Hof van beroep van Brussel en de beslissingen van de Ministerraad worden bij dit verslag gevoegd. Art. 20 (14). De Koning bepaalt het bedrag van de vergoedingen toegekend aan de leden van de Raad voor de Mededinging die hun functie niet voltijds uitoefenen, aan de deskundigen, alsook aan elke persoon die met de Raad dient samen te werken. Afdeling 3. - Commissie voor de Mededinging Art. 21 (15). Er wordt in de Centrale Raad voor het bedrijfsleven een paritaire commissie opgericht die Commissie voor de Mededinging genoemd wordt en die de opdracht heeft een advies te geven, op initiatief of op verzoek : a) van de Koning, over elk ontwerp van besluit genomen in uitvoering van deze wet en waarvoor deze de raadpleging van de Commissie voorschrijft;b) van de Minister, over alle vraagstukken van algemeen mededingingsbeleid en over elk voorontwerp tot wijziging van deze wet;c) van de Raad voor de Mededinging over alle vraagstukken van algemeen mededingingsbeleid alsmede in de gevallen bedoeld in artikel 28. Wanneer de Commissie voor de Mededinging een adviesaanvraag niet beantwoord heeft binnen de door de Minister vastgestelde termijn die ten minste vijftien werkdagen moet bedragen, is het advies niet meer vereist. Art. 22.De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van de Commissie voor de Mededinging alsook van haar secretariaat. Hij bepaalt eveneens het bedrag der vergoedingen toegekend aan de voorzitter en de leden van de Commissie alsook aan elke persoon die met de Commissie dient samen te werken. Afdeling 4. - Onderzoeksprocedure Art. 23 (16). § 1. Het onderzoek van de zaken door het korps verslaggevers gebeurt : a) op verzoek van de betrokken ondernemingen of ondernemingsverenigingen in het geval van een vraag om een negatieve verklaring op grond van artikel 6 of van een vraag om een individuele ontheffing op grond van artikel 2, § 3;b) op verzoek van de betrokkenen bedoeld bij artikel 12 in het geval van een aangemelde concentratie;c) ambtshalve of op verzoek van de Minister of de Raad voor de Mededinging wanneer daartoe ernstige aanwijzingen bestaan of na een klacht van een natuurlijke of rechtspersoon die aantoont daarbij een rechtstreeks en dadelijk belang te hebben, in het geval van een inbreuk op artikel 2, § 1, artikel 3, op artikel 12, § 1, of in geval van niet-naleving van een beslissing genomen op grond van artikel 12, § 5, van artikel 33 of van artikel 34;d) op verzoek van de Minister van Kleine en Middelgrote Ondernemingen, van een geëigende openbare instelling of ander overheidslichaam, belast met het toezicht of de controle op een economische sector in het geval van een inbreuk op artikel 2, § 1, op artikel 3 of op artikel 12, § 1;e) ambtshalve, op verzoek van de Minister of de Raad voor de met het oog op een koninklijk besluit tot groepsgewijze ontheffing van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen op grond van artikel 2, § 3;f) op verzoek van het Hof van Beroep te Brussel in geval van toepassing van artikel 42. § 2. 1. Ter vervulling van de hem opgedragen taken, kunnen de verslaggevers alle noodzakelijke inlichtingen inwinnen bij de ondernemingen en ondernemingsverenigingen. Zij bepalen de termijn binnen welke deze inlichtingen hen moeten worden medegedeeld. 2. Wanneer de verslaggevers tot een onderneming of een ondernemingsvereniging een verzoek om inlichtingen richten, duiden zij de rechtsgrond en het doel van hun verzoek aan.3. Indien een onderneming of vereniging van ondernemingen de gevraagde inlichtingen niet binnen de door de verslaggever gestelde termijn verstrekt of indien de verstrekte inlichtingen onvolledig, onjuist of verdraaid zijn, kan het korps verslaggevers de inlichtingen bij een met redenen omklede beslissing eisen. Deze beslissing omschrijft de gevraagde inlichtingen en bepaalt binnen welke termijn ze moeten worden verstrekt. Als de beslissing tot verzoek om inlichtingen gericht is tot een van de aanmeldende ondernemingen, schorst zij bovendien de in artikel 33 bedoelde termijn tot de dag waarop de inlichtingen worden verstrekt of uiterlijk tot de dag waarop de termijn, bepaald door het korps verslaggevers, verstrijkt. De beslissing wordt door het korps verslaggevers ter kennis gebracht van de ondernemingen van wie de inlichtingen worden geëist. § 3. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie zijn de verslaggevers en de personeelsleden van de Dienst voor de Mededinging, daartoe door de Minister aangewezen, bevoegd om overtredingen van deze wet op te sporen en om deze overtredingen vast te stellen bij processen-verbaal die gelden als bewijs tot het tegendeel is bewezen. De verslaggevers kunnen een beroep doen op de personeelsleden van het Bestuur Economische Inspectie van het Ministerie van Economische Zaken. Zij zijn eveneens bevoegd om alle inlichtingen op te sporen en om alle nuttige vaststellingen te doen met het oog op de toepassing van de artikelen 9 tot 13. Bij de uitvoering van de hun toevertrouwde opdrachten, zijn zij onderworpen aan het toezicht van de procureur-generaal. Zij verzamelen alle inlichtingen, nemen alle geschreven of mondelinge verklaringen of getuigenissen af, doen zich alle documenten of inlichtingen, wie ook de houder ervan is, mededelen, die zij nodig achten ter vervulling van hun opdracht en waarvan zij kopie mogen nemen, en doen ter plaatse de nodige vaststellingen. Zij mogen een huiszoeking verrichten : - in de woning van de ondernemingshoofden, bestuurders, zaakvoerders, directeurs, en andere personeelsleden alsook in de woning en in de lokalen die gebruikt worden voor professionele doeleinden van natuurlijke en rechtspersonen, intern of extern, belast met het commercieel, rekenplichtig, administratief, fiscaal en financieel beheer, en zulks tussen 5 en 21 uur, en met voorafgaande machtiging door een onderzoeksrechter; - in de lokalen, vervoermiddelen en andere plaatsen van de ondernemingen waar zij redelijkerwijze vermoeden bescheiden of gegevens te kunnen vinden, welke zij voor het vervullen van hun opdracht nodig achten en waarvan zij kopie mogen nemen. Bij het volbrengen van hun opdracht kunnen zij ter plaatse beslag leggen en verzegelen voor een tijdsduur die 48 uur niet mag overschrijden. Deze maatregelen worden vastgesteld in een proces-verbaal. Een kopie van dit proces-verbaal wordt bezorgd aan de persoon ten aanzien van wie deze maatregelen zijn genomen. Bij het volbrengen van hun opdracht kunnen zij een beroep doen op de openbare macht. Om over te gaan tot een huiszoeking, een beslaglegging of een verzegeling, moeten de in het eerste lid bedoelde personeelsleden bovendien houder zijn van een specifiek opdrachtsbevel afgegeven door het korps verslaggevers bedoeld in artikel 14, § 2. Dit bevel vermeldt het voorwerp en het doel van hun opdracht. De verslaggevers kunnen deskundigen aanstellen wier raadgevende opdracht zij bepalen. § 4. Onverminderd de bijzondere wetten, die de geheimhouding van de mededelingen waarborgen, moeten de openbare besturen de verslaggevers en de gemandateerde personeelsleden van de Dienst voor de Mededinging bij de uitvoering van hun opdracht behulpzaam zijn. § 5. Bij de uitoefening van hun onderzoeksbevoegdheid houden de verslaggevers en de personeelsleden van de Dienst voor de Mededinging zich : 1) voor het verhoor van personen aan de bepalingen van artikel 31, uitgezonderd lid 3, van de wet van 15 juni 1935Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/1935 pub. 11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende het gebruik der talen in rechtszaken;2) voor de opstelling van de oproepingen, processen-verbaal en rapporten, aan de bepalingen van artikel 11 van dezelfde wet.Wanneer meerdere personen het voorwerp uitmaken van het onderzoek, zal het rapport van de verslaggever bedoeld in artikel 24, § 4, opgesteld worden in de taal van de meerderheid rekening houdend met de bepalingen van voornoemd artikel 11. Wanneer er pariteit is zal er worden gebruik gemaakt van één der landstalen volgens de noodwendigheden van de zaak. Afdeling 4bis (17). - Specifieke onderzoeksregels betreffende restrictieve mededingingspraktijken Art. 24 (18).§ 1. De verzoeken en de klachten betreffende de restrictieve mededingingspraktijken worden ingediend bij de Raad voor de Mededinging, die ze voor onderzoek aan het korps verslaggevers overzendt. § 2. Indien de verslaggever tot het besluit komt dat de klachten of verzoeken niet ontvankelijk of ongegrond zijn, legt hij aan de Raad een gemotiveerd voorstel tot sepot voor. Indien de Raad het wenselijk acht, maakt de verslaggever zijn voorstel bekend aan de indiener van de klacht en deelt hij hem mee dat hij het dossier op het secretariaat kan raadplegen, tegen betaling een kopie ervan kan krijgen en schriftelijke opmerkingen kan neerleggen bij de Raad. De voorzitter van de Raad voor de Mededinging kan, op eigen initiatief of op verzoek van de belanghebbende ondernemingen, de mededeling van stukken weigeren indien dit het zakengeheim zou schenden. In dat geval worden deze stukken uit het dossier verwijderd. In afwijking van het vorige lid kan de voorzitter van de Raad beslissen het stuk niet uit het dossier te verwijderen indien hij meent dat het noodzakelijk is voor de beslissing en dat de mededeling ervan een kleiner nadeel met zich brengt dan het nadeel dat zou voortvloeien uit een aantasting van de mededinging. De weigering van de voorzitter van de Raad om stukken uit het dossier te verwijderen maakt het voorwerp uit van een met redenen omklede beslissing, waarin de voorzitter van de Raad uiteenzet waarom hij meent dat de stukken noodzakelijk zijn voor de beslissing, waarom de mededeling ervan een kleiner nadeel met zich brengt dan het nadeel dat zou voortvloeien uit een aantasting van de mededinging en waarom hij meent de vertrouwelijke aard van de stukken niet te moeten erkennen. Deze met redenen omklede beslissing wordt door de secretaris van de Raad ter kennis gebracht van de belanghebbende ondernemingen. De voorzitter van de Raad kan, in alle gevallen, aan de partijen of aan de verslaggevers een niet-vertrouwelijke versie vragen van de stukken waarvan de mededeling het zakengeheim zou schenden. De beslissing van de Raad voor de Mededinging over de grond van de zaak kan niet steunen op de stukken die uit het dossier zijn verwijderd. Indien de Raad het voorstel tot sepot volgt, seponeert hij het dossier. Indien de Raad het voorstel tot sepot niet volgt, stuurt hij het dossier terug naar de verslaggever, die het onderzoek voortzet. § 3. Op het einde van het onderzoek en vóór het opstellen van een gemotiveerd verslag delen de verslaggevers hun eventuele punten van bezwaar mede aan de betrokken ondernemingen en roepen deze op zodat zij hun opmerkingen kunnen voorleggen. § 4. De verslaggever legt zijn gemotiveerd verslag voor aan de Raad. Dit verslag omvat het onderzoeksverslag, een voorstel van opsomming van de punten van bezwaar en een voorstel tot beslissing. Het verslag omvat eveneens een gemotiveerd voorstel tot reglementering zoals bepaald in het tweede lid van artikel 28, § 1, indien de verslaggever meent dat de concrete feiten een algemene reglementering noodzaken. § 5. Indien de Raad van oordeel is dat andere punten van bezwaar dan die welke de verslaggever in aanmerking neemt moeten worden onderzocht, onderzoekt de verslaggever die en gaat hij, indien nodig, over tot een bijkomend onderzoek. Hij vult zijn verslag aan en legt het neer bij de Raad. Art. 25 (19). § 1. De Koning kan alle formaliteiten voorschrijven met het oog op de samenstelling en de indiening van de dossiers, alsook de modaliteiten van de procedure voor de Dienst voor de Mededinging en het korps verslaggevers vastleggen. § 2. Voor de economische sectoren die onder het toezicht of de controle van een geëigende openbare instelling of ander overheidslichaam zijn geplaatst, kan de Koning, na raadpleging van die instellingen of lichamen, de samenwerking tussen de Dienst voor de Mededinging en het korps verslaggevers en die instellingen of lichamen regelen, wat het onderzoek betreft. Art. 26 (20). De Dienst voor de Mededinging kan, ambtshalve of op verzoek van de Minister of van de voorzitter van de Raad voor de Mededinging, algemene of sectoriële onderzoeken instellen of doen instellen indien er ernstige aanwijzingen zijn van het bestaan van door de artikelen 2, § 1, en 3 verboden praktijken. De bepalingen van artikel 23 zijn van overeenkomstige toepassing, uitgezonderd het vijfde tot het achtste lid van § 3. Afdeling 5. - {dt}Beslissing{edt} inzake restrictieve praktijken (21) Art. 27 (22). § 1. Na het neerleggen van het in artikel 24, § 3 of § 4, bedoelde verslag, brengt de verslaggever de ondernemingen op wier activiteit het onderzoek betrekking had hiervan op de hoogte, alsook de indiener van de klacht zo de Raad dit aangewezen acht, en stuurt hen een kopie ten minste één maand vóór de datum van de zitting waarop de Raad de zaak zal onderzoeken. Hij brengt hen ter kennis dat zij op het secretariaat van de Raad voor de Mededinging inzage kunnen nemen van het dossier en tegen betaling een kopie ervan kunnen krijgen. De voorzitter van de Raad voor de Mededinging kan, op eigen initiatief of op verzoek van de belanghebbende ondernemingen, de mededeling van stukken weigeren indien dit het zakengeheim zou schenden. In dat geval worden deze stukken uit het dossier verwijderd. In afwijking van het vorige lid kan de voorzitter van de Raad beslissen het stuk niet uit het dossier te verwijderen indien hij meent dat het noodzakelijk is voor de beslissing en dat de mededeling ervan een kleiner nadeel met zich brengt dan het nadeel dat zou voortvloeien uit een aantasting van de mededinging. De voorzitter van de Raad kan, in alle gevallen, aan de partijen of aan de verslaggevers een niet-vertrouwelijke versie vragen van de stukken waarvan de mededeling het zakengeheim zou schenden. De beslissing van de Raad voor de Mededinging over de grond van de zaak kan niet steunen op de stukken die uit het dossier zijn verwijderd. De partijen dienen hun schriftelijke opmerkingen in bij de Raad. De Raad handelt op dezelfde wijze wanneer in het verslag het sepot van een dossier werd voorgesteld. De Raad brengt de Commissie voor de Mededinging op de hoogte van elke zaak die hem door een verslaggever wordt overgezonden, na ontvangst van het verslag van die verslaggever. Hij deelt haar bovendien de naam mede van de ondernemingen op wier activiteit of concentratie het onderzoek betrekking had evenals de bepalingen van de wet waarop het dossier gebaseerd is. § 2. De Raad behandelt elke zaak ter zitting. Hij hoort de ondernemingen, op wier activiteit het onderzoek betrekking had, alsook de klager, wanneer deze erom vraagt. Wanneer hij het nodig acht, kan de Raad elke natuurlijke of rechtspersoon horen. Indien natuurlijke of rechtspersonen, die blijk geven van een voldoende belang, vragen om gehoord te worden, wordt aan hun vraag tegemoet gekomen. Voor de economische sectoren die onder de controle of het toezicht van een openbare instelling of een andere geëigende overheidsinstelling zijn geplaatst, worden deze instellingen of overheidslichamen geacht een voldoende belang te hebben. In alle gevallen wordt de Minister geacht een voldoende belang te hebben. Het niet verschijnen van de opgeroepen partijen of van hun mandataris doet geen afbreuk aan de geldigheid van de procedure. De Raad voor de Mededinging kan de verslaggever vragen een bijkomend verslag in te dienen en verduidelijkt de elementen waarop dit verslag moet slaan. De verslaggever verricht daaromtrent, in voorkomend geval, een bijkomend onderzoek. Het verslag wordt aan de partijen meegedeeld door de verslaggever en ingediend bij de Raad voor de Mededinging. De verslaggever brengt zijn opmerkingen aan op de eventuele schriftelijke opmerkingen die door de partijen ingediend zijn na het indienen van het verslag. In elk geval moet er binnen zes maanden nadat het verslag bedoeld in artikel 24, § 3 of § 4, en in artikel 29 bij de Raad is ingediend, een beslissing of een ministerieel besluit worden genomen. Die termijn is ook toepasselijk als het verslag een voorstel tot sepot bevat. § 3. De Koning stelt de regels vast wat de procedure voor de Raad betreft alsook de voorwaarden voor het bekomen van kopies. Art. 28 (23). § 1. De Koning kan, na raadpleging van de Raad voor de Mededinging en van de Commissie voor de Mededinging, bij besluit verklaren dat artikel 2, § 1, niet van toepassing is op categorieën overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde praktijken. De Koning kan een dergelijk besluit ook uitvaardigen op verzoek van de Raad voor de Mededinging. De Raad doet dit onder meer bij ontvangst van een gemotiveerd voorstel tot reglementering van een verslaggever. De Koning vraagt de Raad voor de Mededinging om advies. De Dienst of, in het geval bedoeld in artikel 24, § 3, de verslaggever, legt, na afloop van het onderzoek, aan de Raad ter advies een verslag voor, dat het voorstel tot regeling bij koninklijk besluit bevat. Het besluit wordt met redenen omkleed. Er wordt overleg gepleegd in de Ministerraad, wanneer het afwijkt van het advies of het verzoek van de Raad voor de Mededinging. § 2. Het koninklijk besluit omschrijft de groepen van overeenkomsten, van besluiten en van onderling afgestemde feitelijke gedragingen waarop het van toepassing is en geeft met name aan : - de beperkingen of de bepalingen die er niet in mogen voorkomen; - de bepalingen die erin moeten voorkomen of de andere voorwaarden waaraan moet worden voldaan. Dit koninklijk besluit wordt voor een beperkte tijdsduur genomen. Het kan worden opgeheven of gewijzigd met betrekking tot een punt van wezenlijk belang voor zijn vaststelling; in dit geval wordt voorzien in een overgangsregeling voor de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen bedoeld door het voorafgaande besluit. Art. 29 (24). § 1. In geval van toepassing van artikel 2, § 3, kan de Raad voor de Mededinging, na ontvangst van het verslag van de verslaggevers, bij een met redenen omklede beslissing verklaren dat de overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen van het in artikel 2, § 1, bedoelde verbod individueel vrijgesteld zijn. § 2. Aan de bij § 1 bedoelde vrijstelling kunnen voorwaarden en verplichtingen verbonden zijn; zij wordt voor een bepaalde periode toegekend en kan op verzoek worden verlengd, indien de voorwaarden, bedoeld in artikel 2, § 3, vervuld blijven. De Raad kan de vrijstelling herroepen of wijzigen : a) indien de feitelijke toestand wordt gewijzigd ten opzichte van een essentieel bestanddeel van de beslissing;b) indien de betrokkenen een voorwaarde of een verplichting die aan de beslissing verbonden werd, niet naleven;c) indien de beslissing berust op onjuiste aanduidingen of op bedrieglijke wijze verkregen werd;d) indien de betrokkenen misbruik maken van de vrijstelling die hen werd toegekend. § 3. Wanneer de Raad een beslissing neemt tot toepassing van artikel 2, § 3, stelt hij de datum vast met ingang waarvan deze beslissing in werking treedt. Deze datum kan niet vroeger zijn dan die van de aanmelding. Art. 30 (25). In geval van toepassing van artikel 6, kan de Raad voor de Mededinging, na ontvangst van het verslag van de verslaggevers bij een met redenen omklede beslissing verklaren dat op grond van de gegevens die hem bekend zijn er voor hem geen aanleiding bestaat om op te treden. Art. 31 (26). Na ontvangst van het verslag van de verslaggevers kan de Raad voor de Mededinging, bij een met redenen omklede beslissing vaststellen : 1. dat er een restrictieve mededingingspraktijk bestaat en bevelen dat deze beëindigd wordt, indien nodig volgens de door hem voorgeschreven modaliteiten;2. dat er geen restrictieve mededingingspraktijk bestaat. Art. 32 (27). Indien de overeenkomst, het besluit of de onderling afgestemde feitelijke gedraging waarop het onderzoek betrekking had, het voorwerp uitmaakt van een vrijstelling op grond van artikel 85, § 3, van het Verdrag tot Oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, of krachtens deze wet stelt de Raad dit vast en seponeert hij het dossier. Afdeling 5bis (28). - Onderzoek inzake concentratie Art. 32bis (29). § 1. De Raad voor de Mededinging zendt de aanmeldingen van concentraties gedaan krachtens artikel 12 onverwijld voor onderzoek over aan het korps verslaggevers. De door het korps verslaggevers aangewezen verslaggever stelt het onderzoek van de zaak in zodra hij de aanmelding bedoeld in artikel 12 heeft ontvangen of, indien de te verstrekken inlichtingen onvolledig zijn, zodra hij de volledige inlichtingen heeft ontvangen. § 2. De verslaggever legt het dossier alsook zijn met redenen omkleed verslag voor aan de Raad voor de Mededinging. Het met redenen omkleed verslag omvat de relevante elementen om de Raad voor de Mededinging in staat te stellen een gemotiveerde beslissing te nemen. § 3. De verslaggever stuurt, ten minste 15 dagen vóór de datum van de zitting tijdens welke de Raad zal overgaan tot het onderzoek van de zaak, een kopie van zijn verslag aan de ondernemingen op wier concentratie het onderzoek betrekking had, alsmede aan de vertegenwoordigers van de meest representatieve organisaties van werknemers van deze ondernemingen of aan degenen die zij aanwijzen; hij brengt hen ter kennis dat zij op het secretariaat inzage kunnen nemen van het dossier en tegen betaling een kopie ervan kunnen krijgen. Art. 32ter (30) De voorzitter van de Raad voor de Mededinging kan, op eigen initiatief of op verzoek van de belanghebbende ondernemingen, de mededeling van de stukken weigeren indien dit het zakengeheim zou schenden. In dat geval worden deze stukken uit het dossier verwijderd. In afwijking van het vorige lid kan de voorzitter van de Raad beslissen het stuk niet uit het dossier te verwijderen indien hij meent dat het noodzakelijk is voor de beslissing en dat de mededeling ervan een kleiner nadeel met zich brengt dan het nadeel dat zou voortvloeien uit een aantasting van de mededinging. De weigering van de voorzitter van de Raad om stukken uit het dossier te verwijderen maakt het voorwerp uit van een met redenen omklede beslissing, waarin de voorzitter van de Raad uiteenzet waarom hij meent dat de stukken noodzakelijk zijn voor de beslissing, waarom de mededeling ervan een kleiner nadeel met zich brengt dan het nadeel dat zou voortvloeien uit een aantasting van de mededinging en waarom hij meent de vertrouwelijke aard van de stukken niet te moeten erkennen. Deze met redenen omklede beslissing wordt door de secretaris van de Raad ter kennis gebracht van de belanghebbende ondernemingen. De voorzitter van de Raad kan, in alle gevallen, aan de partijen of aan de verslaggevers een niet-vertrouwelijke versie vragen van de stukken waarvan de mededeling het zakengeheim zou schenden. De beslissing van de Raad voor de Mededinging over de grond van de zaak kan niet steunen op de stukken die uit het dossier zijn verwijderd. Afdeling 5ter (31). - Beslissing inzake concentratie Art. 32quater (32). § 1. De Raad behandelt elke zaak ter zitting. Hij hoort de ondernemingen die aan de concentratie deelnemen. Indien hij het nodig acht, hoort de Raad elke natuurlijke persoon of rechtspersoon. § 2. Indien natuurlijke personen of rechtspersonen, die een voldoende belang rechtvaardigen, vragen om gehoord te worden, wordt aan hun vraag tegemoet gekomen. Voor de economische sectoren die onder de controle of het toezicht van een geëigende openbare instelling of ander overheidslichaam zijn geplaatst, worden deze instellingen of overheidslichamen geacht een voldoende belang te hebben. De leden van de bestuursorganen of van de directieorganen van de ondernemingen die deelnemen aan de concentratie, alsook de vertegenwoordigers van de meest representatieve werknemersorganisaties van deze ondernemingen, of de personen die zij aanwijzen worden geacht een voldoende belang te hebben. In dat geval krijgen zij toegang tot het dossier overeenkomstig de bepalingen van artikel 32bis, § 3. De Minister kan aan de Raad een nota richten waarbij hij in de betrokken zaak de elementen aanduidt die het algemeen beleid aangaan, alsook die welke het algemeen beleid inzake economische mededinging kunnen beïnvloeden. Het indienen van deze nota verleent hem niet de hoedanigheid van partij in de zaak. Het niet-verschijnen van de opgeroepen partijen of van hun gemachtigde doet geen afbreuk aan de geldigheid van de procedure. § 3. De Koning bepaalt de regels van de procedure voor de Raad alsook de voorwaarden voor het verkrijgen van kopieën. Art. 33 (33). § 1. Indien het onderzoek betrekking had op een concentratie, kan de Raad voor de Mededinging, door een gemotiveerde beslissing, vaststellen dat : 1. de concentratie binnen het toepassingsgebied valt van deze wet;2. de concentratie niet binnen het toepassingsgebied valt van deze wet. § 2. 1. Als de concentratie binnen het toepassingsgebied van deze wet valt, kan de Raad voor de Mededinging door een gemotiveerde beslissing : a) hetzij beslissen dat de concentratie toelaatbaar wordt verklaard. De aanmeldende partijen kunnen, tot op het ogenblik dat de Raad voor de Mededinging een beslissing heeft genomen, de voorwaarden van de concentratie wijzigen. In dat geval slaat de beslissing van toelaatbaarheid op de aldus gewijzigde concentratie. Wanneer de betrokken ondernemingen samen minder dan 25 % van de betrokken markt controleren, wordt de concentratie toelaatbaar verklaard; b) hetzij vaststellen dat er ernstige twijfels bestaan omtrent de toelaatbaarheid van de concentratie en beslissen de procedure bepaald in artikel 34 in te zetten.2. De beslissingen van de Raad bedoeld in punt 1 hierboven, moeten overeenkomstig de bepalingen van artikel 32ter, § 1, binnen een maximumtermijn van vijfenveertig dagen verstrekt worden. De verslaggever dient zijn verslag in binnen een termijn van ten hoogste een maand. Deze termijnen lopen vanaf de dag volgend op de dag van de ontvangst van de aanmelding of, wanneer de inlichtingen die bij de aanmelding moeten worden verstrekt onvolledig zijn, vanaf de dag volgend op de dag van de ontvangst van de volledige inlichtingen. 3. De concentratie wordt toelaatbaar geacht wanneer de Raad voor de Mededinging binnen de termijn van 45 dagen …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.