📄 Wettekst
23 DECEMBER 1998. - Besluit van de Waalse Regering tot uitvoering van het
decreet van 5 juni 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
05/06/1997
pub.
26/06/1997
numac
1997027325
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de "Conseil wallon du troisième âge" (1)
sluiten betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de « Conseil wallon du troisième âge » (Waalse Raad voor de Derde Leeftijd)
De Waalse Regering, Gelet op het
decreet van 5 juni 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
05/06/1997
pub.
26/06/1997
numac
1997027325
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de "Conseil wallon du troisième âge" (1)
sluiten betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de « Conseil wallon du troisième âge »;
Gelet op het koninklijk besluit van 2 mei 1972 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor het verkeer van toelagen voor het bouwen of het verbouwen van rustoorden voor bejaarden;
Gelet op het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 10 juli 1984 tot vaststelling van de normen waaraan de rusthuizen voor bejaarden moeten beantwoorden, gewijzigd bij de besluiten van 6 december 1989 en 13 september 1991;
Gelet op het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 10 juli 1984 tot vaststelling van de procedure betreffende de voorlopige werkingsmachtiging, tot erkenning, tot weigering en tot erkenningsintrekking en tot sluiting van de instellingen bedoeld bij artikel 1 van het decreet van 10 mei 1984 betreffende rusthuizen voor bejaarden, gewijzigd bij het besluit van 3 september 1990;
Gelet op het besluit van Franse Gemeenschapsexecutieve van 24 april 1989 tot vaststelling van de veiligheidsnormen waaraan de rusthuizen voor bejaarden moeten voldoen, gewijzigd bij het besluit van 9 juli 1991;
Gelet op het besluit van Franse Gemeenschapsexecutieve van 20 december 1990 betreffende het minimumpeil van nuttige kennis van het beheren van rusthuizen voor bejaarden;
Gelet op het besluit van Franse Gemeenschapsexecutieve van 29 april 1991 tot regeling, bij wijze van proef, van de erkenning en de betoelaging van de diensten voor dagopvang van bejaarden;
Gelet op het besluit van Franse Gemeenschapsexecutieve van 27 juli 1992 tot vaststelling van de modaliteiten voor het verlenen van het principieel akkoord bedoeld bij artikel 2bis van het decreet van 10 mei 1984 betreffende de rusthuizen voor bejaarden, gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 1 februari 1996;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 20 februari 1998;
Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting, gegeven op 26 februari 1998;
Gelet op het advies van de « Conseil consultatif du troisième âge » (Raad van Advies voor de Derde Leeftijd) van 16 april 1998;
Gelet op het advies van de « Conseil supérieur des Villes, Communes et Provinces de la Région wallonne » (Hoge Raad voor Steden, Gemeenten en Provincies van het Waalse Gewest) van 21 april 1998;
Gelet op de kennisgeving aan de Europese Commissie van de normen opgenomen in bijlage I bij dit besluit;
Gelet op de beraadslaging van de Regering van het Waalse Gewest, op 9 juli 1998, over de aanvraag om advies van de Raad van State binnen één maand;
Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 28 oktober 1998, op grond van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van de Minister van Sociale Actie, Huisvesting en Gezondheid, Besluit : Artikel 1.Dit besluit regelt, overeenkomstig artikel 138 van de Grondwet, een materie bedoeld in artikel 128, § 1, van de Grondwet.
Het is van toepassing op het grondgebied van het Franse taalgebied. HOOFDSTUK I. - Begripsomschrijvingen Art. 2.In de zin van dit besluit wordt verstaan onder : - decreet : het
decreet van 5 juni 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
05/06/1997
pub.
26/06/1997
numac
1997027325
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de "Conseil wallon du troisième âge" (1)
sluiten betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de « Conseil wallon du troisième âge »; - Minister : de Minister van Sociale Actie; - bestuur : het Directoraat-Generaal Sociale Actie en Gezondheid van het Ministerie van het Waalse Gewest; - afgevaardigd ambtenaar : de ambtenaar-generaal die door de Minister is aangesteld om de daden voorzien door het decreet en dit besluit te stellen. HOOFDSTUK II. - Reclame voor de rustoorden, serviceflats en dagcentra voor bejaarden Art. 3.In de reclame waarmee het publiek ingelicht wordt over een rustoord, een serviceflat of een dagcentrum moeten de volgende gegevens verplicht worden opgenomen : - de naam en het adres van de inrichting en het nummer van de erkenning of van de voorlopige, door het Waalse Gewest afgeleverde werkingsmachtiging; - de rechtsvorm, het adres en de juiste identiteit van de beheerder; - het aantal bedden als het om een rustoord gaat, het aantal woningen als het om een serviceflat gaat of het aantal plaatsen als het om een dagcentrum gaat.
In de schriftelijke inlichtingen die aan de kandidaat-bewoner of aan diens vertegenwoordiger worden verstrekt, moeten de volgende gegevens verplicht worden opgenomen : - de naam, het adres van de inrichting en het nummer van de erkenning of van de voorlopige, door het Waalse Gewest afgeleverde werkingsmachtiging; - de rechtsvorm, het adres en de juiste identiteit van de beheerder.
Bovendien moeten de volgende gegevens worden vermeld : - als het om een rustoord gaat : - het aantal bedden en de verdeling ervan per kamer; - de dag- of maandprijs volgens het type gekozen of aangeboden kamer; - de supplementen en de prijs ervan; - als het om een serviceflat gaat : - het aantal woningen; - de maandprijs volgens het type woning; - de aan de bejaarden aangeboden diensten en de prijs ervan; - de functionele band met de rustoorden, de rust- of verzorgingshuizen of elke andere dienst of inrichting. - als het om een dagcentrum gaat : - het aantal opvangplaatsen; - de opvangprijs per dag en de eventuele supplementen; - de praktische band met een rustoord of een rust- of verzorgingshuis; - de aan de bewoners voorgestelde activiteiten; - de openingsdagen en -uren van het centrum.
Tegelijk met voorgaande inlichtingen worden aan de betrokken personen een afschrift van het huishoudelijk reglement, alsook een standaardexemplaar van de huisvestings- of opvangovereenkomst overhandigd. HOOFDSTUK III. - Programma i.v.m. de vestiging en de omvang van de rustoorden, serviceflats en dagcentra Art. 4.Het programma betreffende het aantal bedden in de rustoorden wordt voor het geheel van het Waalse Gewest vastgesteld op 6,8 bedden per 100 inwoners die ten minste 60 jaar oud zijn.
De programmering gebeurt per arrondissement, zodat elk arrondissement over 6,3 bedden per 100 inwoners die ten minste 60 jaar oud zijn, kan beschikken.
In dit programma worden ten minste 29 % van de bedden bestemd voor de publieke sector, ten minste 21 % voor de niet-winstgevende particuliere sector en ten hoogste 50 % voor de winstgevende particuliere sector. Art. 5.Het programma betreffende het aantal individuele woningen in de serviceflats wordt per arrondissement vastgesteld op twee woningen voor 100 bejaarden die ten minste 60 jaar oud zijn.
Bovendien worden in dit programma 40 % van de woningen bestemd voor de publieke sector, 30 % voor de niet-winstgevende particuliere sector en 30 % voor de winstgevende particuliere sector. Art. 6.Het programma betreffende het aantal opvangplaatsen in de dagcentra wordt per arrondissement vastgesteld op 2 plaatsen voor 1000 bejaarden die ten minste 60 jaar oud zijn.
Bovendien worden in dit programma 40 % van de plaatsen bestemd voor de publieke sector, 30 % voor de niet-winstgevende particuliere sector en 30 % voor de winstgevende particuliere sector. HOOFDSTUK IV. - Toekenning van het principieel akkoord met het oog op de opening en de heropening van een rustoord, een serviceflat of een dagcentrum Art. 7.Elke aanvraag om het verkrijgen van een principieel akkoord over een project tot opening van een rustoord, een serviceflat of een dagcentrum, of een uitbreiding ervan of een heropening nadat de uitbating onderbroken werd, wordt bij de Minister ingediend. Naast de in artikel 4, § 2, van het decreet bedoelde gegevens moet het aanvraagdossier ook de volgende gegevens bevatten : - de door het bestuur verstrekte identificatievragenlijst, behoorlijk ingevuld en ondertekend; - een omschrijving van het in het vooruitzicht gestelde bouwwerk en diens omgeving, van de opvangscapaciteit en van de mate waarin het voor gehandicapte bejaarden toegankelijk is; - een omschrijving van het opgezette levensproject van de inrichting als het om een rustoord gaat. Art. 8.Het bestuur behandelt de aanvraag en deelt het volledige dossier, voorzien van zijn opmerkingen, mee aan de « Conseil wallon du troisième âge » binnen een termijn van drie maanden. Die termijn gaat in zodra de ingediende aanvraag volledig is. Binnen twee maanden brengt de Raad advies uit aan de Minister, die binnen de maand beslist. Art. 9.Indien het bestuur aan de beheerder meedeelt dat het principieel akkoord geweigerd wordt, moet het die beheerder ook meedelen dat hij vanaf de dag waarop hij bovengenoemde mededeling gekregen heeft, over een maand beschikt om daartegen in beroep te gaan.
Zo hij in beroep gaat, wordt het beroepsdossier door de afgevaardigd ambtenaar aangevuld met alle mogelijke nuttige gegevens en documenten.
Binnen een termijn van vijftien dagen maakt hij het dossier aan de Minister over. Art. 10.Het beroep tegen een beslissing tot weigering om het principieel akkoord te geven wordt bij aangetekend schrijven bij de Minister ingediend. Daarvoor beschikt de indiener van het beroep over één maand vanaf de mededeling van de omstreden beslissing. De Minister legt het beroep aan de Regering voor.
In het beroep moeten volgende gegevens worden vermeld : - de naam, hoedanigheid, woonplaats of zetel van de eisende partij; - het voorwerp van het beroep en een uiteenzetting van de feiten en middelen.
Het beroep wordt aangevuld met een afschrift van de omstreden beslissing.
De Regering beslist binnen een termijn van drie maanden na indiening van het beroep. De Minister deelt de beslissing van de Regering aan de beheerder mee. HOOFDSTUK V. - Erkenning van de rustoorden, serviceflats en dagcentra en voorlopige werkingsmachtiging Art. 11.De aanvraag om erkenning moet vóór de opening worden ingediend. De aanvraag om verlenging van erkenning moet uiterlijk zes maanden vóór de afloop van de lopende erkenning worden ingediend, in dezelfde vorm en volgens dezelfde procedure als de aanvraag om erkenning. Art. 12.Om ontvankelijk te zijn, moet de aanvraag om erkenning van een rustoord, een serviceflat of een dagcentrum aan de Minister worden gericht. Bij de aanvraag moeten de volgende documenten worden gevoegd : - een afschrift van de beslissing over het principieel akkoord behalve als het gaat om een aanvraag om verlenging van erkenning; - de door het bestuur verstrekte identificatievragenlijst, behoorlijk ingevuld en ondertekend, en, als de beheerder een privaatrechtelijk rechtspersoon is, moeten de statuten van de vennootschap of van de vereniging zonder winstoogmerk, evenals de lijst van de bestuurders daarbij worden gevoegd; - een plattegrond waarop, per verdieping, de verschillende lokalen, hun afmetingen en bestemming worden vermeld, alsook, per kamer, het aantal voor bejaarden bestemde bedden en, in voorkomend geval, de aangrenzende sanitaire installaties; - een brandveiligheidsattest dat afgeleverd wordt door de burgemeester van de gemeente waar de inrichting of elke site gelegen is, gebaseerd op een verslag van de territoriaal bevoegde brandweer, overeenkomstig het in aanhangsel 1 van bijlage I bedoelde model. Bij gebrek daaraan moet het bewijs worden geleverd dat sinds ten minste twee maanden een aanvraag is ingediend om een veiligheidsattest te krijgen; - de getuigschriften van goed zedelijk gedrag van de directeur en, als het om een natuurlijke persoon gaat, van de beheerder van het rustoord of de serviceflat. Bedoelde getuigschriften mogen ten hoogste zes maanden vóór indiening van de aanvraag zijn afgeleverd. Daarbij moet het bewijs worden gevoegd dat de directeur aan de opleidingsvoorwaarden voldoet die bepaald worden in hoofdstuk 4 van bijlage II bij dit besluit. - wanneer de beheerder een privaatrechtelijk rechtspersoon is, bevat het dossier ook het getuigschrift van goed zedelijk gedrag van de natuurlijke persoon die gemachtigd is om de privaatrechtelijke rechtspersoon te vertegenwoordigen. Art. 13.Om ontvankelijk te zijn moet de aanvraag om erkenning van een serviceflat bovendien de volgende documenten bevatten : - de lijst van de facultatief aan de bewoners aangeboden diensten en de voorwaarden voor het leveren van die diensten; - een afschrift van de overeenkomst waardoor de functionele band met een rustoord of een rust- of verzorgingshuis vastgesteld wordt, alsook het afschrift van de eventuele overeenkomst met elke andere dienst of inrichting; - de omschrijving van de wijze waarop in de dag- en nachtdienst wordt voorzien zodat in geval van nood bij de bewoners tussenbeide gekomen kan worden. In bedoelde omschrijving moet worden uitgelegd en vermeld, de wijze waarop de bewoners het dienstdoende personeel kunnen oproepen, de kwalificatie van het personeel, de plaats waar het personeelslid met dag- en nachtdienst verblijft en hoe lang het gemiddeld duurt vóór aan de oproep gevolg wordt gegeven. Art. 14.Uiterlijk binnen zes maanden na de aanvraag om erkenning van het rustoord, de serviceflat of het dagcentrum wordt bedoelde aanvraag aangevuld met : - de standaardovereenkomst voor de huisvesting of de opvang die met de bijlagen II, III of IV overeenstemt; - het huishoudelijk reglement dat met de bijlagen II, III of IV overeenstemt. Art. 15.Indien alle in de artikelen 12 en 13 bedoelde documenten of gegevens niet bij de aanvraag zijn gevoegd of als het dossier niet binnen de in artikel 14 bedoelde termijn is aangevuld, wordt de aanvrager daar binnen één maand van op de hoogte gebracht. Art. 16.De Minister verleent een voorlopige werkingsmachtiging aan het rustoord, de serviceflat of het dagcentrum die een ontvankelijke aanvraag om erkenning ingediend hebben en waarvoor : - na inspectie, een advies van het bestuur gegeven is; - een veiligheidsattest dat met het in aanhangsel 1 van bijlage I bedoelde model overeenstemt, door de burgemeester opgemaakt is.
In de voorlopige werkingsmachtiging moeten de datum van inwerkingtreding ervan, de naam en het adres van het rustoord, de serviceflat of het dagcentrum of van de verschillende sites van het rustoord, de huisvestings- of opvangscapaciteit worden vermeld, met inbegrip van de verdiepingen en lokalen waarvoor de machtiging geldt, en de naam en het adres van de beheerder. Binnen vijftien dagen na het verlenen van de machtiging wordt de voorlopige werkingsmachtiging door het bestuur aan de beheerder meegedeeld.
De voorlopige werkingsmachtiging geldt niet eerder dan op de datum waarop de brandweer een inspectiebezoek heeft afgelegd zoals vermeld in het proces-verbaal waarbij wordt vastgesteld dat de inrichting aan de veiligheidsnormen voldoet of dat de opgemerkte gebreken het opstarten van de activiteiten niet verhinderen, op voorwaarde dat op bedoelde datum aan alle andere voorwaarden i.v.m. de toekenning van de voorlopige werkingsmachtiging is voldaan. Art. 17.Voor rustoorden wordt een voorlopige werkingsmachtiging pas afgeleverd als aan de normen bedoeld in bijlage I en aan de normen bedoeld in hoofdstuk 2, afdelingen 1 en 2, en in de hoofdstukken 3, 4, 5, 6 en 8 van bijlage II is voldaan.
Voor serviceflats wordt een voorlopige werkingsmachtiging pas afgeleverd als aan de normen bedoeld in bijlage I en aan de normen bedoeld in de hoofdstukken 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9, 10 en 11 van bijlage III is voldaan.
Voor dagcentra wordt een voorlopige werkingsmachtiging pas afgeleverd als aan de normen bedoeld in bijlage I en aan de normen bedoeld in de hoofdstukken 1 en 2, afdelingen 1, 2 en 3 en in de hoofdstukken 3, 4, 5, 6 en 7 van bijlage IV is voldaan. Art. 18.In het geval bepaald in artikel 7, tweede lid, van het decreet kan de voorlopige werkingsmachtiging worden verlengd mits overlegging van een door de burgemeester afgeleverd veiligheidsattest dat overeenstemt met het model bedoeld in aanhangsel 1 van bijlage I. In dat in de tijd beperkte attest, dat pas gekregen kan worden mits overlegging van een bestek en mits opgave van een begin- en vermoedelijke einddatum voor de vereiste veiligheidswerken moet worden aangestipt dat bedoelde werken binnen de voorziene termijn zullen worden doorgevoerd. Art. 19.Wanneer het bestuur voorstelt de erkenning te weigeren, in te trekken, te schorsen of niet te verlengen, of de voorlopige werkingsmachtiging in te trekken, deelt het zijn voorstel aan de beheerder mee.
Het bestuur licht hem er ook over in dat hij over een termijn van vijftien dagen na ontvangst van de mededeling beschikt om zijn opmerkingen schriftelijk over te maken.
De afgevaardigd ambtenaar vult het dossier aan met de schriftelijke opmerkingen van de beheerder, met alle nuttige inlichtingen en documenten die hij inwint en met het proces-verbaal van verhoor van de beheerder.
Daartoe wordt de beheerder opgeroepen bij ter post aangetekend schrijven of bij tegen ontvangstbewijs afgegeven schrijven, waarbij plaats en uur waarop het verhoor plaats zal vinden, worden aangegeven.
In de oproepingsbrief wordt vermeld dat de beheerder zich mag laten bijstaan door een raadsman.
De afgevaardigd ambtenaar maakt een verslag op en maakt het dossier binnen vijftien dagen over aan de « Conseil wallon du troisième âge », die advies uitbrengt.
De weigering om te verschijnen of om zijn verdediging uiteen te zetten, wordt in het proces-verbaal van verhoor aangetekend.
Binnen vijftien dagen nadat de « Conseil wallon du troisième âge » advies heeft uitgebracht, legt de afgevaardigd ambtenaar het volledige dossier ter beslissing aan de Minister voor. Art. 20.Het beroep tegen een beslissing om de erkenning te weigeren, in te trekken, te schorsen of niet te verlengen of de voorlopige werkingsmachtiging in te trekken, wordt binnen één maand na mededeling van de omstreden beslissing bij aangetekend schrijven bij de Minister ingediend. De Minister legt het beroep aan de Regering voor.
In het beroep moeten volgende gegevens worden vermeld : - de naam, hoedanigheid, woonplaats of zetel van de eisende partij; - het voorwerp van het beroep en een uiteenzetting van de feiten en middelen.
Het beroep wordt aangevuld met een afschrift van de omstreden beslissing.
De Regering beslist binnen een termijn van drie maanden na indiening van het beroep. De Minister deelt de door de Regering getroffen beslissing aan de beheerder mee. Art. 21.In het erkenningsbesluit worden de naam en het adres van het rustoord, de serviceflat of het dagcentrum vermeld, evenals hun huisvestings- of opvangcapaciteit, met inbegrip van de verdiepingen en lokalen waarvoor de machtiging geldig is, naam en adres van de beheerder, de datum van inwerkingtreding en, als de erkenning voor zes jaar is toegekend, de datum waarop de erkenning afloopt.
Bedoeld besluit wordt door het bestuur aan de beheerder meegedeeld binnen vijftien dagen nadat beslist werd de erkenning toe te kennen. HOOFDSTUK VI. - Sluiting om dringende redenen Art. 22.Wanneer het bestuur overeenkomstig artikel 22 van het decreet een voorstel tot sluiting om dringende redenen aan de Minister voorlegt, moet het hem tegelijkertijd een verslag overmaken waarin gewettigd wordt waarom een rustoord, een serviceflat of een dagcentrum om dringende redenen wordt gesloten, alsook een in recente tijd opgemaakt inspectieverslag en, in voorkomend geval, alle andere nuttige inlichtingen en documenten.
De beslissing tot sluiting wordt onmiddellijk door de Minister aan de beheerder en aan de burgemeester meegedeeld. Art. 23.Het beroep tegen een beslissing tot sluiting om dringende redenen moet bij aangetekend schrijven bij de Minister worden ingesteld binnen een termijn van vijftien dagen nadat de omstreden beslissing werd meegedeeld.
In het beroep moeten volgende gegevens worden vermeld : - de naam, hoedanigheid, woonplaats of zetel van de eisende partij; - het voorwerp van het beroep en een uiteenzetting van de feiten en middelen.
Het beroep wordt aangevuld met een afschrift van de beslissing tot sluiting.
De Regering beslist binnen een termijn van twee maanden na indiening van het beroep.
Wanneer een beroep wordt ingesteld, roept de Minister de beheerder bij ter post aangetekend schrijven op, met opgave van plaats, datum en uur waarop de beheerder door de afgevaardigd ambtenaar zal worden gehoord.
In de oproepingsbrief wordt vermeld dat de beheerder zich door een raadsman mag laten bijstaan.
De weigering om te verschijnen of zijn verdediging uiteen te zetten, wordt in het proces-verbaal opgetekend. HOOFDSTUK VII. - Bepalingen gemeen aan de hoofdstukken IV, V, VI Art. 24.De aanvragen om het krijgen van een principieel akkoord, een erkenning of van een verlenging van de erkenning worden door de beheerder aan de Minister gericht bij ter post aangetekend schrijven met ontvangstbewijs of bij hem afgeleverd tegen ontvangstbewijs.
Beslissingen getroffen door de Minister of de Regering in verband met een principieel akkoord, een erkenning, een voorlopige werkingsmachtiging of een sluiting worden bij aangetekend schrijven aan de beheerder gericht. Art. 25.Het bestuur deelt alle beslissingen betreffende de erkenning, de voorlopige werkingsmachtiging en de sluiting van de rusthuizen mee aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. HOOFDSTUK VIII. - Normen waaraan de rusthuizen, serviceflats en dagcentra voor bejaarden moeten voldoen Art. 26.De in de bijlagen II, III en IV vastgestelde normen zijn van toepassing respectievelijk op de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden. HOOFDSTUK IX. - Bepalingen betreffende de veiligheidsattesten Art. 27.De in bijlage I bedoelde normen betreffende de bescherming tegen brandgevaar en paniek zijn van toepassing op de rustoorden, serviceflats en dagcentra voor bejaarden.
Indien de inrichting niet voldoende aan bovenbepaalde veiligheidsnormen beantwoordt, worden alle bepalingen van de reglementering waaraan niet voldaan wordt uitvoerig en nauwkeurig in het veiligheidsattest opgegeven. In alle gevallen voegt de burgemeester bij bovenvermeld attest een afschrift van het verslag van het inspectiebezoek van de territoriaal bevoegde brandweer.
Behalve andersluidende en gemotiveerde beslissing blijft het attest zes jaar geldig. Art. 28.Om bovenbedoeld attest te krijgen, richt de beheerder van de inrichting bij ter post aangetekend schrijven een aanvraag aan de burgemeester van de gemeente waar de inrichting gelegen is. Deze aanvraag wordt door de burgemeester overgemaakt aan de territoriaal bevoegde brandweer.
Op grond van het verslag dat hem door de brandweer overgemaakt wordt, moet de burgemeester de aanvrager het bovenbedoelde attest bezorgen uiterlijk binnen twee maanden na indiening van de aanvraag. Art. 29.Elke verbouwing van het gebouw, zoals bepaald in artikel 41, moet vooraf door de territoriaal bevoegde brandweer worden onderzocht en door middel van een attest van de burgemeester van de gemeente waar de inrichting gelegen is, worden goedgekeurd. Art. 30.§ 1. Op verzoek van de beheerder van een rustoord, een serviceflat of een dagcentrum voor bejaarden kan de Minister na advies van de Inspectie van de brandweerdiensten, opgericht bij artikel 9 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming toestaan dat van de normen bedoeld in bijlage I wordt afgeweken. Vóór die afwijking wordt toegestaan, kan er op initiatief van één der partijen overleg worden gepleegd tussen de beheerder en de directie van het rustoord, de serviceflat of het dagcentrum, het bestuur, de burgemeester en de territoriaal bevoegde brandweer.
Deze afwijking kan slechts worden toegestaan als : - het feitelijk onmogelijk is de werken te verrichten die nodig zijn om de inrichting in overeenstemming te brengen met de vigerende normen; - de werken die voor de inachtneming van de normen nodig zouden zijn, kosten met zich zouden brengen die buiten elke verhouding zouden staan tot de mate waarin de veiligheid van het gebouw zou worden verhoogd.
Bij bedoelde afwijking moet rekening worden gehouden met : - de specifieke omstandigheden; - eventuele alternatieve maatregelen waardoor het gebouw een veiligheidsniveau kan bereiken dat overeenstemt met het niveau bedoeld in bijlage I; - de toegangsmogelijkheden voor de voertuigen van de territoriaal bevoegde brandweer. § 2. Indien de uitbating wordt onderbroken, vervallen de afwijkingen die worden toegestaan krachtens dit artikel. HOOFDSTUK X. - Specifieke normen betreffende de opvang en de huisvesting van gedesoriënteerde bejaarden Art. 31.In de opvang en de huisvesting van gedesoriënteerde bejaarden wordt voorzien overeenkomstig de in hoofdstuk 7 van bijlage II bedoelde normen. HOOFDSTUK XI. - Aanvullende erkenningsnormen waaraan de op verschillende sites gelegen rusthuizen voor bejaarden moeten voldoen Art. 32.De in artikel 5, § 4, van het decreet bedoelde aanvullende erkenningsnormen waaraan het rusthuis moet voldoen dat op verschillende sites gelegen is, zijn de volgende : 1. Elke site die een eenheid op zich vormt, moet erkend worden of onder een voorlopige werkingsmachtiging vallen die op het tijdstip van de aanvraag om globale erkenning niet vervallen is, of inbegrepen zijn in een ontvankelijke aanvraag om erkenning.2. De verschillende sites moeten in dezelfde gemeente of in aangrenzende gemeenten gelegen zijn;de afstand tussen de sites mag over de rijweg ten hoogste 10 km bedragen. 3. De minimale huisvestingscapaciteit wordt vastgesteld op 10 bedden per site en op 40 bedden voor de sites samen.4. De maximale huisvestingscapaciteit wordt vastgesteld op 100 bedden per site en op 150 bedden voor de sites samen. 5. Op elke site moet 24 uur op 24 een verzorgend personeelslid zoals bedoeld onder punt 10.3 van bijlage II aanwezig zijn. 6. In de werking van het rustoord moet enerzijds worden vermeld hoe lang de directeur en de personeelsleden op elke site aanwezig zijn en anderzijds melding worden gemaakt van de wijze waarop in de dienstcontinuïteit wordt voorzien. 7. Op elke site wordt een oproepregister bijgehouden, waarin de aard van de oproep (oproep van bewoners, bezoekers, medisch of technisch spoedgeval,...), het juiste uur en de tussenkomststermijn voor elke oproep worden vermeld. HOOFDSTUK XII. - Subsidiëring van de dagcentra voor bejaarden Art. 33.Binnen de perken van de begrotingskredieten kunnen de dagcentra die beheerd worden door een publiekrechtelijk rechtspersoon of een privaatrechtelijk rechtspersoon zonder winstoogmerk en die voor ten minste acht en ten hoogste vijftien opvangplaatsen erkend zijn, een werkingstoelage genieten om de kosten voor personeel, animatie of coördinatie met andere diensten of de evaluatiekosten te dekken.
Er wordt een op 100 frank vastgesteld forfaitair bedrag verleend per dag en per werkelijk aanwezige bewoner die aan de door de Minister bepaalde afhankelijkheidscriteria voldoet.
Het aantal subsidiabele plaatsen wordt door de Minister in het erkenningsbesluit vastgesteld.
De Minister is bevoegd om het forfaitaire bedrag bedoeld in het tweede lid te wijzigen. Art. 34.De toelage wordt aan het dagcentrum verleend op grond van een schriftelijke aanvraag overeenkomstig het model en binnen de termijnen die door de Minister vastgesteld zijn.
Bij de aanvraag moeten de volgende documenten worden gevoegd : - de aanwezigheidslijst van de bewoners; - een activiteitenverslag over het afgelopen jaar; - de exploitatierekening van de dienst.
De voorwaarden i.v.m. de vereffening van de toelage worden door de Minister vastgesteld. HOOFDSTUK XIII. - Opheffingsbepalingen Art. 35.Opgeheven worden : - het koninklijk besluit van 12 augstus 1967 tot vaststelling van de voorwaarden in verband met de brandbeveiliging, de verpleging, het geneeskundig toezicht en de beddencapaciteit, waaraan de rustoorden voor bejaarden moeten voldoen om voorlopig erkend te worden; - het koninklijk besluit van 22 maart 1968 betreffende de rechtspleging van erkenning en sluiting van de rustoorden voor bejaarden; - het koninklijk besluit van 20 augustus 1968 houdende aanwijzing van de ambtenaren of beambten van het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin die belast worden met de opdracht voorzien bij artikel 6 van de wet van 12 juli 1966, op de rustoorden voor bejaarden; - het koninklijk besluit van 2 mei 1972 tot vaststelling van de criteria voor het uitwerken van een nationaal programma van rustoorden voor bejaarden; - het koninklijk besluit van 5 november 1976 tot vaststelling van de regels die de onontbeerlijkheid van de brandbeveilingswerken in de rustoorden voor bejaarden bepalen; - het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 10 juli 1984 tot vaststelling van de normen waaraan de rusthuizen voor bejaarden moeten beantwoorden, gewijzigd bij de besluiten van de Executieve van 6 december 1989 en 13 september 1991; - het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 10 juli 1984 tot vaststelling van de procedure betreffende de voorlopige werkingsmachtiging, de erkenning, de weigering en de intrekking van de erkenning, en de sluiting van de inrichtingen bedoeld in artikel 1 van het decreet van 10 mei 1984 betreffende de rusthuizen voor bejaarden, gewijzigd bij de besluiten van 3 september 1990 en 27 juli 1992; - het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 24 april 1989 tot vaststelling van de veiligheidsnormen waaraan de rusthuizen voor bejaarden moeten voldoen, gewijzigd bij het besluit van 9 juli 1991; - het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 20 december 1990 betreffende het minimumpeil van nuttige kennis van het beheren van rusthuizen voor bejaarden; - het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 29 april 1991 tot regeling, bij wijze van proef, van de erkenning en de betoelaging van de diensten voor dagopvang van bejaarden; - het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 27 juli 1992 tot vaststelling van de modaliteiten voor het verlenen van het principieel akkoord bedoeld bij artikel 2bis van het decreet van 10 mei 1984 betreffende de rusthuizen voor bejaarden, gewijzigd bij het besluit van 1 februari 1996. HOOFDSTUK XIV. - Diverse en overgangsbepalingen Art. 36.Artikel 1, 3°, van het koninklijk besluit van 2 mei 1972 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor het verlenen van toelage voor het bouwen of het verbouwen van rustoorden voor bejaarden, gewijzigd door het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 27 juli 1992, wordt door de volgende tekst vervangen : « 3° het principieel akkoord bekomen hebben, bedoeld in artikel 4, § 2, van het
decreet van 5 juni 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
05/06/1997
pub.
26/06/1997
numac
1997027325
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de "Conseil wallon du troisième âge" (1)
sluiten betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de « Conseil wallon du troisième âge » ». Art. 37.De aan rustoorden verleende werkingsmachtigingen die van toepassing zijn op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, komen niet in aanmerking voor de toepassing van artikel 7, tweede en derde lid van het decreet. Art. 38.Onverminderd de overgangsbepalingen betreffende het gebouw, beschikken de rustoorden die werkzaam zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit over een termijn van één jaar om de in bijlage II bij dit besluit vastgestelde normen over te nemen.
Onverminderd de gunstigere bepalingen opgenomen in bijlage I, beschikken de rustoorden die erkend zijn of een voorlopige werkingsmachtiging genieten op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, over een termijn van twee jaar om de in bedoelde bijlage vastgestelde veiligheidsnormen over te nemen.
Tijdens de overgangsperiode moeten de rustoorden de normen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit op hen van toepassing waren, naleven. Art. 39.De inrichtingen die beantwoorden aan de begripsomschrijving van de serviceflat of van het dagcentrum en die werkzaam zijn op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, beschikken over een termijn van één jaar vanaf de inwerkingtreding van dit besluit om de normen opgenomen in de bijlagen III en IV over te nemen. Art. 40.De in de artikelen 38 tot en met 40 bepaalde overgangsbepalingen betreffende het gebouw of de veiligheidsnormen zijn niet van toepassing op een uitbreiding van de capaciteit, een heropening of de verbouwing van bestaande gebouwen van een rustoord, een serviceflat of een dagcentrum.
Onder verbouwing wordt verstaan elke verandering die de bestemming of de afmetingen van de lokalen wijzigt op grond waarvan de erkenning of de voorlopige werkingsmachtiging verleend is of die bestaan en werkzaam zijn bij de inwerkingtreding van dit besluit voor de serviceflats. HOOFDSTUK XV. - Inwerkingtreding Art. 41.Het
decreet van 5 juni 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
05/06/1997
pub.
26/06/1997
numac
1997027325
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de "Conseil wallon du troisième âge" (1)
sluiten betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de « Conseil wallon du troisième âge » treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Art. 42.De Minister van Sociale Actie is belast met de uitvoering van dit besluit.
Namen, 3 december 1998.
De Minister-President van de Waalse Regering, belast met Economie, Buitenlandse Handel, KMO's, Toerisme en Patrimonium, R. COLLIGNON De Minister van Sociale Actie, Huisvesting en Gezondheid, W. TAMINIAUX
Bijlage I. - Reglementering inzake bescherming tegen brandgevaar en paniek in rustoorden, serviceflats en dagcentra voor bejaarden HOOFDSTUK 1. - Algemene voorschriften 0. Algemene inleiding 0.1. Voorwerp van de reglementering In deze reglementering worden de voorwaarden bepaald waaraan het ontwerpen, de bouw en de aanleg van de inrichtingen of gedeelten daarvan die als rustoord, serviceflat of dagcentrum voor bejaarden worden gebruikt, moeten voldoen, de na te leven regels inzake de bewoning van die inrichtingen of gedeelten daarvan, alsook het onderhoud en het toezicht op hun installaties met het doel : a) het ontstaan, de ontwikkeling en de uitbreiding van een brand te voorkomen;b) te zorgen voor de veiligheid van de bewoners;c) het optreden van de brandweer te vergemakkelijken. 0.1.1. Nieuwe gebouwen in de zin van het
koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/07/1994
pub.
24/03/2023
numac
2023040927
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing.
Nieuwe gebouwen moeten voldoen aan : - de normen vastgesteld bij
koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/07/1994
pub.
24/03/2023
numac
2023040927
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing (Belgisch Staatsblad van 26 april 1995), zoals aangepast en aangevuld bij koninklijk besluit van 19 december 1997 (Belgisch Staatsblad van 30 december 1997); - hoofdstuk 3 van deze bijlage, waarbij de normen voor het onderhoud, het toezicht en de bewoningsvoorschriften worden vastgesteld; - de normen vastgesteld in hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2 van deze bijlage voor zover nauwkeuriger zijn en ofwel dwingender zijn dan de basisnormen ofwel eigen zijn aan de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra. 0.1.2. Gebouwen die niet onder 0.1.1.vallen De normen die bij deze bijlage worden vastgesteld zijn in hun geheel van toepassing, onverminderd de overgangsbepalingen bedoeld in de hoofdstukken 4 en 5. 0.2. Rangschikking van de inrichtingen De inrichtingen worden gerangschikt in twee types : - type 1 : de inrichtingen waarvan de lokalen die voor de bewoners bestemd zijn, ten hoogste één verdieping gelegen zijn boven de evacuatieverdieping bedoeld in bijlage 1 van het
koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/07/1994
pub.
24/03/2023
numac
2023040927
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen; - type 2 : de inrichtingen waarvan de lokalen die voor de bewoners bestemd zijn, ten minste twee verdiepingen boven de evacuatieverdieping gelegen zijn.
Wanneer een inrichting uit gebouwen van verschillende types bestaat, is deze reglementering van toepassing op ieder gebouw naargelang van hun type. 0.3. Terminologie 0.3.1. Algemene begripsomschrijvingen De algemene begripsomschrijvingen werden overgenomen van bijlage 1 van het
koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/07/1994
pub.
24/03/2023
numac
2023040927
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 december 1997. 0.3.2. Weerstand tegen brand De voorschriften van bijlage 1 van het
koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/07/1994
pub.
24/03/2023
numac
2023040927
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de erkenning « BENOR-ATG » en erkende plaatsers zijn enkel van toepassing op de deuren die geplaatst of vervangen zijn na de datum van bekendmaking van deze reglementering in het Belgisch Staatsblad. 0.3.3. Zelfsluitende deur : deur voorzien van een toestel waardoor deze in normale werkingsvoorwaarden dichtgehouden wordt. Zo'n deur moet in alle gevallen zonder buitengewone inspanning kunnen openen. Ze mag niet open geblokkeerd zijn. 0.3.4. Bij brand zelfsluitende deur : deur voorzien van een automatisch toestel dat, in geval van brand, het sluitingssysteem in werking stelt. In elk geval moet een dergelijke deur of een gedeelte ervan nog mits een normale inspanning kunnen openen. Het sluitingssysteem van de deur moet voorzien zijn van een rem of van een gelijkaardig toestel dat zorgt voor een trage beweging zodat het automatische sluiten van de deur geen gevaar inhoudt voor de bewoners.
Aangeraden wordt om zulke deuren vooral daar te plaatsen waar veel mensen voorbijkomen. 0.3.5. Normale kunstverlichting : kunstmatige verlichting die gewoonlijk gebruikt wordt. 0.3.6. Positieve veiligheid : de apparatuur wordt beschouwd in positieve veiligheid te werken als de veiligheidsfunctie van die apparatuur of toestellen verzekerd blijft wanneer de energiebron en (of) de voedingsinrichting en (of) de aandrijvingsinrichting gebrekkig is (zijn). 0.3.7. Deuren met massieve kern : deuren die ontworpen en gelegd zijn overeenkomstig de grondregels van de bouwkunst en die bestaan uit : - hetzij houtspaanderplaten met een soortelijke massa van ten minste 600 kg/m3 en met dezelfde dichtheid als het raam, - hetzij hardhout met een soortelijke massa van ten minste 650 kg/m3 die bestaat uit één kozijn en panelen. De panelen vertonen overal een minimumdichtheid van 12 mm. 0.3.8. Keuken : lokaal waar spijzen worden bereid en gekookt. 0.4. Nummering van de verdiepingen - bewegwijzering 0.4.1. Een volgnummer wordt aan elke verdieping toegekend met inachtneming van volgende regels : - de verschillende verdiepingen vormen een ononderbroken opeenvolging; - één van de evacuatieverdiepingen heeft het nummer 0; - de verdiepingen onder verdieping 0 hebben een negatief volgnummer; - de verdiepingen boven verdieping 0 hebben een positief volgnummer. 0.4.2. Op elke verdieping moet het volgnummer : - op ten minste één wand voorkomen van de portalen van de trappenhuizen en van de portalen die toegang geven tot de liften, voor de personen die deze portalen gebruiken; - leesbaar zijn vanuit de cabine van de liften tijdens de stilstand. 0.4.3. In de liften staat het volgnummer van de verdiepingen te lezen naast de overeenstemmende bedieningsknop. Bovendien staan de woorden « uitgang » of « nooduitgang » naast de volgnummers van de verdiepingen die beschikken over uitgangen of nooduitgangen. 0.4.4. De plaats, alsook de richting van de uitgangen en nooduitgangen worden duidelijk vermeld door pictogrammen overeenkomstig de voorschriften van het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming ». 0.4.5. De adviezen betreffende de brandbescherming stemmen overeen met de in het vorige lid bedoelde voorschriften. 0.5. Wijzen van proef en rangschikking van produkten in een andere Lidstaat van de E.E.G. Als bewijsstukken vaststellen dat een produkt aan de vereisten van dit besluit voldoet overeenkomstig gelijkwaardige proef- en rangschikkingsmethodes die in een andere Lidstaat van de E.E.G. van kracht zijn, wordt dit produkt beschouwd als voldoend aan de in dit aanhangsel bedoelde technische voorschriften. HOOFDSTUK 2. - Inplanting, bouw en uitrusting 1. Inplanting en toegangswegen. 1.1. Toegang : De instelling is rechtstreeks en voortdurend toegankelijk voor de brandweervoertuigen, zodanig dat de brandbestrijding en de redding er normaal uitgevoerd kunnen worden.
In het bijzonder worden het aantal toegangsweg(en) en de inplanting ervan vastgesteld in akkoord met de territoriaal bevoegde brandweer, hierbij rekening houdend met de oppervlakte van de betrokken instelling, het aantal bewoners, het aantal bewoonde verdiepingen en de inrichting van het(de) gebouw(en). 1.2. Kenmerken van de toegangswegen : Op voornoemde weg(en) wordt één strook steeds vrij gehouden, waar het parkeren verboden is, en die voldoet aan volgende vereisten : - minimale vrije breedte : 4 m; - minimale vrije hoogte : 4 m; - minimale draaistraal : 11 m aan de binnenkant en 15 m aan de buitenkant; maximale helling : 6 %, behoudens akkoord van de territoriaal bevoegde Brandweer naargelang van de plaatselijke omstandigheden; - draagvermogen : voldoende om voertuigen, waarvan het laadvermogen per wielas hoogstens 13 t bedraagt, op die weg(en) te laten rijden en stationeren zonder te blijven steken, zelfs al vervormen zij die weg(en) 15 m aan de buitenkant; - de grond.
Wanneer de toegangswegen doodlopende wegen zijn, wordt de wegbreedte gebracht op 8 m en dienen de kenmerken ervan over de gehele breedte overeen te stemmen met bovenvermelde vereisten; in dit geval moet de inrichting van het gebouw en zijn omgeving onderworpen worden aan het akkoord van de territoriaal bevoegde Brandweer.
De vrije ruimten : hovingen, parken, binnenkoeren, voorportalen die dezelfde waarborgen vertonen als degene bedoeld in deze paragraaf en in § 1.1., mogen als toegangswegen beschouwd worden.
Bijgebouwen, uitspringende daken, luifels, delen in uitkraging of andere dergelijke toevoegingen worden enkel toegelaten indien daardoor noch de evacuatie of de veiligheid van de bewoners, noch de bewegingsvrijheid van de brandweer in het gedrang gebracht worden. 1.3. Afstand tussen de gebouwen De horizontale afstand tussen elk gebouw van de instelling en elk naburig gebouw, waar geen brandbaar element ligt, bedraagt ten minste 8 m, behalve als de wanden waarbij die worden gescheiden, de volgende kenmerken vertonen : - voor gebouwen van het type 1 : weerstand tegen brand (Wb) 1 uur, - voor gebouwen van het type 2 : Wb 2 u.
In deze wanden wordt een verbinding tussen de gebouwen toegelaten voor zover ze de volgende kenmerken vertoont : 1. niet uitkomen op een trappenhuis, 2.gesloten worden d.m.v. een zelfsluitende deur met de volgende kenmerken : - voor gebouwen van het type 1 : Wb 1/2 u, - voor gebouwen van het type 2 : Wb 1 u. 1.4. Overdekte en gesloten doorgangen Indien de onderscheiden gebouwen van een inrichting met elkaar verbonden zijn d.m.v. overdekte en gesloten doorgangen, worden zij van deze laatste gescheiden door Wb 1 u-wanden. De openingen in voorgenoemde wanden zijn voorzien van zelfsluitende of bij brand zelfsluitende Wb 1/2 u-deuren. 2. Grondbeginselen 2.1. Verdeling van de lokalen : 2.1.1. De verdiepingen van de gebouwen worden verdeeld in compartimenten van één verdieping hoog. De oppervlakte van een compartiment, die gemeten is tussen de binnenvlakten van de wanden die het omsluiten, is kleiner dan 1250 m2. 2.1.2. Elk geheel van 20 bedden die verdeeld zijn op hetzelfde niveau, wordt omsloten door binnenwanden die voldoen aan de volgende voorschriften : - voor gebouwen van het type 1 : Wb 1/2 u. - voor gebouwen van het type 2 : Wb 1 u. - De openingen in deze wanden zijn voorzien van zelfsluitende Wb 1/2 u-deuren. 2.1.3. In akkoord met de territoriaal bevoegde Brandweer, kunnen die voorschriften niet toegepast worden op gebouwen van het type 1 waarvan de totale bewoning kleiner is dan 20 personen. 2.2. Ligging van de lokalen die voor bewoners bestemd zijn : De lokalen die voor bewoners bestemd zijn, mogen niet hoger liggen dan 25 m boven de grond die het betrokken gebouw omringt. 2.3. Lokalen die onder de laagste evacuatieverdieping gelegen zijn : Onder de laagste evacuatieverdieping : - mag geen enkele individuele of collectieve slaapkamer liggen; - mogen enkel en alleen op de verdieping die het dichtst bij de evacuatieverdieping gelegen is, lokalen liggen die door de bewoners in de loop van de dag gebruikt worden. 2.4. Aantal trappenhuizen : Het aantal trappenhuizen wordt berekend met inachtneming van : - het aantal bewoners die zich kunnen bevinden boven de naaste evacuatieverdieping; - de voorschriften van lid 4.3.3. betreffende de maximale afstanden voor de toegang tot het naaste trappenhuis en eventueel tot een tweede trappenhuis.
Op de evacuatieverdiepingen leiden de trappen naar een uitgang, hetzij rechtstreeks, hetzij langs een zo kort mogelijk evacuatieweg die voldoet aan de voorschriften van § 4.3. 3. Structurele elementen. 3.1. Structurele elementen : De structurele elementen, zoals zuilen, dragende muren, hoofdbalken en andere essentiële delen die het geraamte van het gebouw vormen, met uitzondering van de afgewerkte vloeren, hebben een weerstand tegen brand van ten minste twee uur in de gebouwen van het type 2; deze vereiste wordt herleid tot één uur wanneer het gaat om een gebouw van het type 1.
In alle gevallen hebben de afgewerkte vloeren een weerstand tegen brand van ten minste één uur. 3.2. Gevelwanden : 3.2.1. Op elke verdieping bevatten de gevelwanden een bouwelement dat gedurende ten minste één uur voldoet aan het criterium van « vlamdichtheid ». Dit element wordt op één van de volgende manieren uitgevoerd (zie afbeeldingen in bijlage 2) : a) een doorlopend horizontaal overstek of uitkragend gedeelte met een breedte (a) die gelijk is aan of hoger is dan 0,60 m (zestig cm) en dat aan de vloer verbonden is;b) een geheel dat bestaat uit een doorlopend horizontaal overstek met een breedte (a) en dat aan de vloer verbonden is : - op de bovenverdieping door een doorlopende borstwering met een hoogte (b); - op de onderverdieping door een doorlopende latei met een hoogte (c).
De som van de afmetingen a, b, c en d (dikte van de vloer) is gelijk aan of hoger dan 1 m; elke afmeting a, b of c mag eventueel nul zijn. 3.2.2. De uitwendige wandversieringen van de gevels moeten vervaardigd zijn uit materialen die behoren tot minstens klasse A2, overeenkomstig bijlage 5 van het
koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/07/1994
pub.
24/03/2023
numac
2023040927
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. Dit voorschrift betreft de schrijnwerkerij of de dichtingsvoegen niet. 3.2.3. De stijlen die het skelet van de gordijngevel (lichte gevel) vormen, worden aan elke verdieping aan het skelet van het gebouw vastgezet. De borstwering en de latei worden zodanig aan de vloerplaat vastgezet dat het geheel gedurende minstens één uur voldoet aan het criterium « vlamdichtheid ». Hetzelfde geldt voor de ondoorzichtige of geen licht doorlatende delen van de gevels die tussen de vensteropeningen gelegen zijn. 3.3. Verticale binnenwanden De verticale binnenwanden van een kamer of appartement moeten een weerstand tegen brand hebben van ten minste een half uur.
Wat betreft de binnenwanden van de evacuatiewegen, zie lid 4.3.6. 3.4. Deuren De vleugels van alle glazen deuren hebben een merkteken waarbij hun aanwezigheid opvalt. De deuren die eventueel in de evacuatiewegen staan en die hetzij één of meer uitgangen, hetzij toegangen tot één of meer uitgangen verbinden, openen in beide richtingen.
Draaibomen en draaideuren zijn verboden.
De deuren van de evacuatiewegen alsook de deuren die toegang geven buiten het gebouw, moeten op elk ogenblik kunnen openen voor de evacuatie van de instelling.
Die deuren mogen gegrendeld worden met inachtneming van de volgende voorwaarden : - Elektrische ontgrendeling vanaf een altijd toegankelijke plaats (wachtkantoor, onthaal, enz...) - Automatische ontgrendeling in geval van brand, alarm en stroomstoring - Installatie die uitgewerkt is overeenkomstig de beginselen van de positieve veiligheid 3.5. Plafonds en valse plafonds 3.5.1. De plafonds, de valse plafonds en hun bekleding zijn vervaardigd uit materialen waarvan de klasse van reactie bij brand vastgesteld is overeenkomstig bijlage 5 van het
koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/07/1994
pub.
24/03/2023
numac
2023040927
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. De kamers moeten behoren tot klasse 1. 3.5.2. De valse plafonds hebben een weerstand tegen brand van ten minste een half uur. De plafonds die ruimten afsluiten die bijzondere brandrisico's bieden, voldoen echter aan een criterium van weerstand tegen brand die aan deze risico's aangepast is. 3.5.3. De opgehangen gedeelten van toestellen en andere opgehangen voorwerpen (verlichtingsapparaten, luchtkokers, kanalisaties, enz.) zijn ontworpen om te weerstaan aan een omgevende temperatuur van minstens 100 °C. 3.5.4. De ruimte tussen het plafond en het valse plafond wordt gescheiden door de verlenging van alle verticale wanden die een weerstand tegen brand van minstens een half uur bieden. In ieder geval wordt deze ruimte onderbroken door verticale tussenschotten met een weerstand tegen brand van minstens een half uur, zodat compartimenten gevormd worden met een maximale lengte die lager is dan 25 m. 3.6. Niet vlottende bekledingsmaterialen die gebruikt worden als thermische of geluidsisolatie of als versiering. 3.6.1. De bekleding voor de verticale wanden is vervaardigd uit materialen waarvan de klasse van reactie bij brand vastgesteld is overeenkomstig bijlage 5 van het
koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/07/1994
pub.
24/03/2023
numac
2023040927
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. De klasse van reactie bij brand mag echter in geen geval A4 zijn. Voor de kamers wordt klasse A1 vereist. 3.6.2. De vloerbedekkingen zijn vervaardigd uit materialen waarvan de klasse van reactie bij brand vastgesteld is overeenkomstig bijlage 5 van het
koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/07/1994
pub.
24/03/2023
numac
2023040927
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. De klasse van reactie bij brand mag echter in geen geval A4 zijn. Voor de kamers wordt klasse A2 vereist. 3.6.3. Geen brandbaar materiaal mag voorkomen in de eventuele ruimte tussen bekledingsmaterialen en wanden. 3.7. Daken.
In de gebouwen van type 2 zijn, bij gebrek aan afgewerkte vloeren, bouwelementen met een weerstand tegen brand van ten minste één uur aangebracht als isolatie tussen het dak en de voor de bewoners bestemde lokalen alsook de evacuatiewegen. Hetzelfde geldt voor de gebouwen van type 1 waar meer dan twintig bewoners worden ondergebracht.
De waterdichte dakbedekking bestaat uit een materiaal dat ten minste tot klasse A1 behoort, overeenkomstig bijlage 5 van het
koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/07/1994
pub.
24/03/2023
numac
2023040927
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, of dat na verwerking op dit peil is gebracht.
In akkoord met de territoriaal bevoegde Brandweer hoeven die voorschriften niet toegepast te worden op lichtschachten van klasse 1 die op het dak zijn gelegd en die gelegen zijn op minder dan 3 m van elke overhangende gevel. Die afstand is horizontaal gemeten. 4. Bouwvoorschriften betreffende de compartimenten en de doorgangen die bij evacuatie gebruikt moeten worden. 4.1. Compartimenten.
De compartimenten waarvan sprake in § 2.1, zijn afgesloten door wanden die, met uitzondering van gevelwanden, een weerstand tegen brand van ten minste één uur hebben.
De eventuele communicatie-openingen tussen twee compartimenten zijn voorzien van zelfsluitende deuren of van bij brand zelfsluitende deuren met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur.
Wat de gevelwanden betreft, komen ze overeen met de voorschriften van §§ 3.2 en 1.3. 4.2 Trappenhuizen en trappen. 4.2.1. Aantal trappen.
In elk geval moet iedere bewoonde verdieping beschikken over ten minste twee verschillende evacuatiewegen.
In elk geval zijn de trappenhuizen zodanig en in zo'n hoeveelheid opgericht dat de voorschriften van leden 4.3.3. en 4.3.5. in acht worden genomen.
In elk geval moeten de verdiepingen voorzien zijn van ten minste één binnentrap. Bijkomende trappen mogen buitentrappen zijn.
In de gebouwen van type 2 moet een compartiment voorzien zijn van ten minste twee trappenhuizen.
In de gebouwen van type 1, in akkoord met de territoriaal bevoegde Brandweer, mogen de verdiepingen waar minder dan 20 bewoners ondergebracht worden, alleen voorzien zijn van één trappenhuis voor zover een tweede evacuatieweg bestaat. 4.2.2. Inrichting van trappenhuizen. 4.2.2.1. De trappenhuizen komen verplicht uit op een normale evacuatieverdieping. 4.2.2.2. In de gebouwen van type 2 hebben de wanden van de trappenhuizen, behoudens de gevelwanden, een weerstand tegen brand van ten minste twee uur.
Deze wanden mogen voorzien zijn van glas op voorwaarde dat elk punt daarvan ten minste 1 m gelegen is van elke opening of glazen gedeelte van de rest van het gebouw of van een ander gebouw.
In de gebouwen van type 1, waar meer dan twintig bewoners ondergebracht kunnen worden, moeten de trappenhuizen afgesloten zijn.
In dit geval hebben de wanden van de trappenhuizen een weerstand tegen brand van ten minste één uur. Deze wanden mogen echter voorzien zijn van glas op voorwaarde dat ze deel uitmaken van de gevel en voor zover elk punt daarvan ten minste 1 m gelegen is van elke opening of glazen gedeelte van de rest van het gebouw of van een ander gebouw. 4.2.2.3. De toegangen tot de trappenhuizen zijn voorzien van zelfsluitende deuren of van bij brand zelfsluitende deuren met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur die openen in de richting van de evacuatie en waarvan de minimale doorgangsbreedte 0,90 m bedraagt.
De deuren van de kamers of appartementen die toegang geven tot de evacuatiewegen, mogen openen in de tegengestelde richting van de evacuatie en de minimumbreedte van de deurvleugel moet 0,90 m (negentig cm) bedragen. 4.2.2.4. Indien verscheidene compartimenten op horizontaal vlak met elkaar in verbinding staan, mogen ze voorzien zijn van een gemeenschappelijk trappenhuis op voorwaarde dat de toegangen voldoen aan de vereisten van lid 4.2.2.3. 4.2.2.5. De trappenhuizen die toegang geven tot de verdiepingen die gelegen zijn onder de evacuatieverdieping, mogen niet rechtstreeks in het verlengde liggen van degene die toegang geven tot de andere verdiepingen. Deze trappenhuizen mogen nochtans het ene boven het andere liggen, op voorwaarde dat ze gescheiden zijn door wanden met een weerstand tegen brand van ten minste twee uur als het gaat om een gebouw van type 2; deze vereiste wordt herleid tot één uur voor een gebouw van type 1. De doorgang van het ene naar het andere trappenhuis gebeurt langs een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur die opent in de richting van de evacuatie. 4.2.2.6. Met uitzondering van de brandblustoestellen, de natte leidingen voor de brandbestrijding, de leidingen voor de elektrische veiligheidsverlichting en de verlichtings- en verwarmingsapparaten, mag geen voorwerp voorkomen in de trappenhuizen, noch de toegang tot deze laatste verhinderen.
Dit voorschrift is …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.