Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Besluit van de Waalse Regering tot uitvoering van het decreet van 5 juni 1997 betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarde

Kort samengevat

Dit besluit regelt de uitvoering van een decreet betreffende rustoorden, serviceflats en dagcentra voor bejaarden, en de oprichting van de "Conseil wallon du troisième âge" in het Franse taalgebied van België. Het stelt regels vast voor reclame, programmering en de procedures voor het verkrijgen van principiële akkoorden en erkenningen voor deze instellingen.

Wat het regelt

  • De informatie die verplicht moet worden opgenomen in reclame en schriftelijke inlichtingen voor rustoorden, serviceflats en dagcentra.
  • De programmering van het aantal bedden in rustoorden, woningen in serviceflats en opvangplaatsen in dagcentra per arrondissement in Wallonië.
  • De procedure voor het aanvragen en verkrijgen van een principieel akkoord voor de opening, uitbreiding of heropening van dergelijke instellingen.
  • De procedure en vereisten voor de erkenning en verlenging van de erkenning van rustoorden, serviceflats en dagcentra.

Wie het aanbelangt

  • Beheerders van rustoorden, serviceflats en dagcentra voor bejaarden in het Franse taalgebied.
  • Kandidaat-bewoners of hun vertegenwoordigers die informatie zoeken over deze instellingen.

Kernpunten

  • Reclame en schriftelijke inlichtingen moeten specifieke gegevens bevatten, zoals naam, adres, erkenningsnummer, rechtsvorm van de beheerder, aantal bedden/woningen/plaatsen, prijzen en eventuele supplementen.
  • Het programma voor rustoorden is vastgesteld op 6,8 bedden per 100 inwoners van 60 jaar of ouder voor heel Wallonië, met een verdeling per arrondissement van 6,3 bedden.
  • Minimaal 29% van de rustoordbedden is bestemd voor de publieke sector, minimaal 21% voor de niet-winstgevende particuliere sector en maximaal 50% voor de winstgevende particuliere sector.
  • Aanvragen voor een principieel akkoord en erkenning moeten een gedetailleerd dossier bevatten, inclusief een brandveiligheidsattest en getuigschriften van goed zedelijk gedrag van de directeur en beheerder.
Wettekst
Wettekst

23 DECEMBER 1998. - Besluit van de Waalse Regering tot uitvoering van het decreet van 5 juni 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 05/06/1997 pub. 26/06/1997 numac 1997027325 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de "Conseil wallon du troisième âge"

(1)sluiten betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de « Conseil wallon du troisième âge » (Waalse Raad voor de Derde Leeftijd) De Waalse Regering, Gelet op het decreet van 5 juni 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 05/06/1997 pub. 26/06/1997 numac 1997027325 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de "Conseil wallon du troisième âge"
(1)sluiten betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de « Conseil wallon du troisième âge »; Gelet op het koninklijk besluit van 2 mei 1972 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor het verkeer van toelagen voor het bouwen of het verbouwen van rustoorden voor bejaarden; Gelet op het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 10 juli 1984 tot vaststelling van de normen waaraan de rusthuizen voor bejaarden moeten beantwoorden, gewijzigd bij de besluiten van 6 december 1989 en 13 september 1991; Gelet op het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 10 juli 1984 tot vaststelling van de procedure betreffende de voorlopige werkingsmachtiging, tot erkenning, tot weigering en tot erkenningsintrekking en tot sluiting van de instellingen bedoeld bij artikel 1 van het decreet van 10 mei 1984 betreffende rusthuizen voor bejaarden, gewijzigd bij het besluit van 3 september 1990; Gelet op het besluit van Franse Gemeenschapsexecutieve van 24 april 1989 tot vaststelling van de veiligheidsnormen waaraan de rusthuizen voor bejaarden moeten voldoen, gewijzigd bij het besluit van 9 juli 1991; Gelet op het besluit van Franse Gemeenschapsexecutieve van 20 december 1990 betreffende het minimumpeil van nuttige kennis van het beheren van rusthuizen voor bejaarden; Gelet op het besluit van Franse Gemeenschapsexecutieve van 29 april 1991 tot regeling, bij wijze van proef, van de erkenning en de betoelaging van de diensten voor dagopvang van bejaarden; Gelet op het besluit van Franse Gemeenschapsexecutieve van 27 juli 1992 tot vaststelling van de modaliteiten voor het verlenen van het principieel akkoord bedoeld bij artikel 2bis van het decreet van 10 mei 1984 betreffende de rusthuizen voor bejaarden, gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 1 februari 1996; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 20 februari 1998; Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting, gegeven op 26 februari 1998; Gelet op het advies van de « Conseil consultatif du troisième âge » (Raad van Advies voor de Derde Leeftijd) van 16 april 1998; Gelet op het advies van de « Conseil supérieur des Villes, Communes et Provinces de la Région wallonne » (Hoge Raad voor Steden, Gemeenten en Provincies van het Waalse Gewest) van 21 april 1998; Gelet op de kennisgeving aan de Europese Commissie van de normen opgenomen in bijlage I bij dit besluit; Gelet op de beraadslaging van de Regering van het Waalse Gewest, op 9 juli 1998, over de aanvraag om advies van de Raad van State binnen één maand; Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 28 oktober 1998, op grond van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op de voordracht van de Minister van Sociale Actie, Huisvesting en Gezondheid, Besluit : Artikel 1.Dit besluit regelt, overeenkomstig artikel 138 van de Grondwet, een materie bedoeld in artikel 128, § 1, van de Grondwet. Het is van toepassing op het grondgebied van het Franse taalgebied. HOOFDSTUK I. - Begripsomschrijvingen Art. 2.In de zin van dit besluit wordt verstaan onder : - decreet : het decreet van 5 juni 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 05/06/1997 pub. 26/06/1997 numac 1997027325 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de "Conseil wallon du troisième âge"
(1)sluiten betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de « Conseil wallon du troisième âge »; - Minister : de Minister van Sociale Actie; - bestuur : het Directoraat-Generaal Sociale Actie en Gezondheid van het Ministerie van het Waalse Gewest; - afgevaardigd ambtenaar : de ambtenaar-generaal die door de Minister is aangesteld om de daden voorzien door het decreet en dit besluit te stellen. HOOFDSTUK II. - Reclame voor de rustoorden, serviceflats en dagcentra voor bejaarden Art. 3.In de reclame waarmee het publiek ingelicht wordt over een rustoord, een serviceflat of een dagcentrum moeten de volgende gegevens verplicht worden opgenomen : - de naam en het adres van de inrichting en het nummer van de erkenning of van de voorlopige, door het Waalse Gewest afgeleverde werkingsmachtiging; - de rechtsvorm, het adres en de juiste identiteit van de beheerder; - het aantal bedden als het om een rustoord gaat, het aantal woningen als het om een serviceflat gaat of het aantal plaatsen als het om een dagcentrum gaat. In de schriftelijke inlichtingen die aan de kandidaat-bewoner of aan diens vertegenwoordiger worden verstrekt, moeten de volgende gegevens verplicht worden opgenomen : - de naam, het adres van de inrichting en het nummer van de erkenning of van de voorlopige, door het Waalse Gewest afgeleverde werkingsmachtiging; - de rechtsvorm, het adres en de juiste identiteit van de beheerder. Bovendien moeten de volgende gegevens worden vermeld : - als het om een rustoord gaat : - het aantal bedden en de verdeling ervan per kamer; - de dag- of maandprijs volgens het type gekozen of aangeboden kamer; - de supplementen en de prijs ervan; - als het om een serviceflat gaat : - het aantal woningen; - de maandprijs volgens het type woning; - de aan de bejaarden aangeboden diensten en de prijs ervan; - de functionele band met de rustoorden, de rust- of verzorgingshuizen of elke andere dienst of inrichting. - als het om een dagcentrum gaat : - het aantal opvangplaatsen; - de opvangprijs per dag en de eventuele supplementen; - de praktische band met een rustoord of een rust- of verzorgingshuis; - de aan de bewoners voorgestelde activiteiten; - de openingsdagen en -uren van het centrum. Tegelijk met voorgaande inlichtingen worden aan de betrokken personen een afschrift van het huishoudelijk reglement, alsook een standaardexemplaar van de huisvestings- of opvangovereenkomst overhandigd. HOOFDSTUK III. - Programma i.v.m. de vestiging en de omvang van de rustoorden, serviceflats en dagcentra Art. 4.Het programma betreffende het aantal bedden in de rustoorden wordt voor het geheel van het Waalse Gewest vastgesteld op 6,8 bedden per 100 inwoners die ten minste 60 jaar oud zijn. De programmering gebeurt per arrondissement, zodat elk arrondissement over 6,3 bedden per 100 inwoners die ten minste 60 jaar oud zijn, kan beschikken. In dit programma worden ten minste 29 % van de bedden bestemd voor de publieke sector, ten minste 21 % voor de niet-winstgevende particuliere sector en ten hoogste 50 % voor de winstgevende particuliere sector. Art. 5.Het programma betreffende het aantal individuele woningen in de serviceflats wordt per arrondissement vastgesteld op twee woningen voor 100 bejaarden die ten minste 60 jaar oud zijn. Bovendien worden in dit programma 40 % van de woningen bestemd voor de publieke sector, 30 % voor de niet-winstgevende particuliere sector en 30 % voor de winstgevende particuliere sector. Art. 6.Het programma betreffende het aantal opvangplaatsen in de dagcentra wordt per arrondissement vastgesteld op 2 plaatsen voor 1000 bejaarden die ten minste 60 jaar oud zijn. Bovendien worden in dit programma 40 % van de plaatsen bestemd voor de publieke sector, 30 % voor de niet-winstgevende particuliere sector en 30 % voor de winstgevende particuliere sector. HOOFDSTUK IV. - Toekenning van het principieel akkoord met het oog op de opening en de heropening van een rustoord, een serviceflat of een dagcentrum Art. 7.Elke aanvraag om het verkrijgen van een principieel akkoord over een project tot opening van een rustoord, een serviceflat of een dagcentrum, of een uitbreiding ervan of een heropening nadat de uitbating onderbroken werd, wordt bij de Minister ingediend. Naast de in artikel 4, § 2, van het decreet bedoelde gegevens moet het aanvraagdossier ook de volgende gegevens bevatten : - de door het bestuur verstrekte identificatievragenlijst, behoorlijk ingevuld en ondertekend; - een omschrijving van het in het vooruitzicht gestelde bouwwerk en diens omgeving, van de opvangscapaciteit en van de mate waarin het voor gehandicapte bejaarden toegankelijk is; - een omschrijving van het opgezette levensproject van de inrichting als het om een rustoord gaat. Art. 8.Het bestuur behandelt de aanvraag en deelt het volledige dossier, voorzien van zijn opmerkingen, mee aan de « Conseil wallon du troisième âge » binnen een termijn van drie maanden. Die termijn gaat in zodra de ingediende aanvraag volledig is. Binnen twee maanden brengt de Raad advies uit aan de Minister, die binnen de maand beslist. Art. 9.Indien het bestuur aan de beheerder meedeelt dat het principieel akkoord geweigerd wordt, moet het die beheerder ook meedelen dat hij vanaf de dag waarop hij bovengenoemde mededeling gekregen heeft, over een maand beschikt om daartegen in beroep te gaan. Zo hij in beroep gaat, wordt het beroepsdossier door de afgevaardigd ambtenaar aangevuld met alle mogelijke nuttige gegevens en documenten. Binnen een termijn van vijftien dagen maakt hij het dossier aan de Minister over. Art. 10.Het beroep tegen een beslissing tot weigering om het principieel akkoord te geven wordt bij aangetekend schrijven bij de Minister ingediend. Daarvoor beschikt de indiener van het beroep over één maand vanaf de mededeling van de omstreden beslissing. De Minister legt het beroep aan de Regering voor. In het beroep moeten volgende gegevens worden vermeld : - de naam, hoedanigheid, woonplaats of zetel van de eisende partij; - het voorwerp van het beroep en een uiteenzetting van de feiten en middelen. Het beroep wordt aangevuld met een afschrift van de omstreden beslissing. De Regering beslist binnen een termijn van drie maanden na indiening van het beroep. De Minister deelt de beslissing van de Regering aan de beheerder mee. HOOFDSTUK V. - Erkenning van de rustoorden, serviceflats en dagcentra en voorlopige werkingsmachtiging Art. 11.De aanvraag om erkenning moet vóór de opening worden ingediend. De aanvraag om verlenging van erkenning moet uiterlijk zes maanden vóór de afloop van de lopende erkenning worden ingediend, in dezelfde vorm en volgens dezelfde procedure als de aanvraag om erkenning. Art. 12.Om ontvankelijk te zijn, moet de aanvraag om erkenning van een rustoord, een serviceflat of een dagcentrum aan de Minister worden gericht. Bij de aanvraag moeten de volgende documenten worden gevoegd : - een afschrift van de beslissing over het principieel akkoord behalve als het gaat om een aanvraag om verlenging van erkenning; - de door het bestuur verstrekte identificatievragenlijst, behoorlijk ingevuld en ondertekend, en, als de beheerder een privaatrechtelijk rechtspersoon is, moeten de statuten van de vennootschap of van de vereniging zonder winstoogmerk, evenals de lijst van de bestuurders daarbij worden gevoegd; - een plattegrond waarop, per verdieping, de verschillende lokalen, hun afmetingen en bestemming worden vermeld, alsook, per kamer, het aantal voor bejaarden bestemde bedden en, in voorkomend geval, de aangrenzende sanitaire installaties; - een brandveiligheidsattest dat afgeleverd wordt door de burgemeester van de gemeente waar de inrichting of elke site gelegen is, gebaseerd op een verslag van de territoriaal bevoegde brandweer, overeenkomstig het in aanhangsel 1 van bijlage I bedoelde model. Bij gebrek daaraan moet het bewijs worden geleverd dat sinds ten minste twee maanden een aanvraag is ingediend om een veiligheidsattest te krijgen; - de getuigschriften van goed zedelijk gedrag van de directeur en, als het om een natuurlijke persoon gaat, van de beheerder van het rustoord of de serviceflat. Bedoelde getuigschriften mogen ten hoogste zes maanden vóór indiening van de aanvraag zijn afgeleverd. Daarbij moet het bewijs worden gevoegd dat de directeur aan de opleidingsvoorwaarden voldoet die bepaald worden in hoofdstuk 4 van bijlage II bij dit besluit. - wanneer de beheerder een privaatrechtelijk rechtspersoon is, bevat het dossier ook het getuigschrift van goed zedelijk gedrag van de natuurlijke persoon die gemachtigd is om de privaatrechtelijke rechtspersoon te vertegenwoordigen. Art. 13.Om ontvankelijk te zijn moet de aanvraag om erkenning van een serviceflat bovendien de volgende documenten bevatten : - de lijst van de facultatief aan de bewoners aangeboden diensten en de voorwaarden voor het leveren van die diensten; - een afschrift van de overeenkomst waardoor de functionele band met een rustoord of een rust- of verzorgingshuis vastgesteld wordt, alsook het afschrift van de eventuele overeenkomst met elke andere dienst of inrichting; - de omschrijving van de wijze waarop in de dag- en nachtdienst wordt voorzien zodat in geval van nood bij de bewoners tussenbeide gekomen kan worden. In bedoelde omschrijving moet worden uitgelegd en vermeld, de wijze waarop de bewoners het dienstdoende personeel kunnen oproepen, de kwalificatie van het personeel, de plaats waar het personeelslid met dag- en nachtdienst verblijft en hoe lang het gemiddeld duurt vóór aan de oproep gevolg wordt gegeven. Art. 14.Uiterlijk binnen zes maanden na de aanvraag om erkenning van het rustoord, de serviceflat of het dagcentrum wordt bedoelde aanvraag aangevuld met : - de standaardovereenkomst voor de huisvesting of de opvang die met de bijlagen II, III of IV overeenstemt; - het huishoudelijk reglement dat met de bijlagen II, III of IV overeenstemt. Art. 15.Indien alle in de artikelen 12 en 13 bedoelde documenten of gegevens niet bij de aanvraag zijn gevoegd of als het dossier niet binnen de in artikel 14 bedoelde termijn is aangevuld, wordt de aanvrager daar binnen één maand van op de hoogte gebracht. Art. 16.De Minister verleent een voorlopige werkingsmachtiging aan het rustoord, de serviceflat of het dagcentrum die een ontvankelijke aanvraag om erkenning ingediend hebben en waarvoor : - na inspectie, een advies van het bestuur gegeven is; - een veiligheidsattest dat met het in aanhangsel 1 van bijlage I bedoelde model overeenstemt, door de burgemeester opgemaakt is. In de voorlopige werkingsmachtiging moeten de datum van inwerkingtreding ervan, de naam en het adres van het rustoord, de serviceflat of het dagcentrum of van de verschillende sites van het rustoord, de huisvestings- of opvangscapaciteit worden vermeld, met inbegrip van de verdiepingen en lokalen waarvoor de machtiging geldt, en de naam en het adres van de beheerder. Binnen vijftien dagen na het verlenen van de machtiging wordt de voorlopige werkingsmachtiging door het bestuur aan de beheerder meegedeeld. De voorlopige werkingsmachtiging geldt niet eerder dan op de datum waarop de brandweer een inspectiebezoek heeft afgelegd zoals vermeld in het proces-verbaal waarbij wordt vastgesteld dat de inrichting aan de veiligheidsnormen voldoet of dat de opgemerkte gebreken het opstarten van de activiteiten niet verhinderen, op voorwaarde dat op bedoelde datum aan alle andere voorwaarden i.v.m. de toekenning van de voorlopige werkingsmachtiging is voldaan. Art. 17.Voor rustoorden wordt een voorlopige werkingsmachtiging pas afgeleverd als aan de normen bedoeld in bijlage I en aan de normen bedoeld in hoofdstuk 2, afdelingen 1 en 2, en in de hoofdstukken 3, 4, 5, 6 en 8 van bijlage II is voldaan. Voor serviceflats wordt een voorlopige werkingsmachtiging pas afgeleverd als aan de normen bedoeld in bijlage I en aan de normen bedoeld in de hoofdstukken 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9, 10 en 11 van bijlage III is voldaan. Voor dagcentra wordt een voorlopige werkingsmachtiging pas afgeleverd als aan de normen bedoeld in bijlage I en aan de normen bedoeld in de hoofdstukken 1 en 2, afdelingen 1, 2 en 3 en in de hoofdstukken 3, 4, 5, 6 en 7 van bijlage IV is voldaan. Art. 18.In het geval bepaald in artikel 7, tweede lid, van het decreet kan de voorlopige werkingsmachtiging worden verlengd mits overlegging van een door de burgemeester afgeleverd veiligheidsattest dat overeenstemt met het model bedoeld in aanhangsel 1 van bijlage I. In dat in de tijd beperkte attest, dat pas gekregen kan worden mits overlegging van een bestek en mits opgave van een begin- en vermoedelijke einddatum voor de vereiste veiligheidswerken moet worden aangestipt dat bedoelde werken binnen de voorziene termijn zullen worden doorgevoerd. Art. 19.Wanneer het bestuur voorstelt de erkenning te weigeren, in te trekken, te schorsen of niet te verlengen, of de voorlopige werkingsmachtiging in te trekken, deelt het zijn voorstel aan de beheerder mee. Het bestuur licht hem er ook over in dat hij over een termijn van vijftien dagen na ontvangst van de mededeling beschikt om zijn opmerkingen schriftelijk over te maken. De afgevaardigd ambtenaar vult het dossier aan met de schriftelijke opmerkingen van de beheerder, met alle nuttige inlichtingen en documenten die hij inwint en met het proces-verbaal van verhoor van de beheerder. Daartoe wordt de beheerder opgeroepen bij ter post aangetekend schrijven of bij tegen ontvangstbewijs afgegeven schrijven, waarbij plaats en uur waarop het verhoor plaats zal vinden, worden aangegeven. In de oproepingsbrief wordt vermeld dat de beheerder zich mag laten bijstaan door een raadsman. De afgevaardigd ambtenaar maakt een verslag op en maakt het dossier binnen vijftien dagen over aan de « Conseil wallon du troisième âge », die advies uitbrengt. De weigering om te verschijnen of om zijn verdediging uiteen te zetten, wordt in het proces-verbaal van verhoor aangetekend. Binnen vijftien dagen nadat de « Conseil wallon du troisième âge » advies heeft uitgebracht, legt de afgevaardigd ambtenaar het volledige dossier ter beslissing aan de Minister voor. Art. 20.Het beroep tegen een beslissing om de erkenning te weigeren, in te trekken, te schorsen of niet te verlengen of de voorlopige werkingsmachtiging in te trekken, wordt binnen één maand na mededeling van de omstreden beslissing bij aangetekend schrijven bij de Minister ingediend. De Minister legt het beroep aan de Regering voor. In het beroep moeten volgende gegevens worden vermeld : - de naam, hoedanigheid, woonplaats of zetel van de eisende partij; - het voorwerp van het beroep en een uiteenzetting van de feiten en middelen. Het beroep wordt aangevuld met een afschrift van de omstreden beslissing. De Regering beslist binnen een termijn van drie maanden na indiening van het beroep. De Minister deelt de door de Regering getroffen beslissing aan de beheerder mee. Art. 21.In het erkenningsbesluit worden de naam en het adres van het rustoord, de serviceflat of het dagcentrum vermeld, evenals hun huisvestings- of opvangcapaciteit, met inbegrip van de verdiepingen en lokalen waarvoor de machtiging geldig is, naam en adres van de beheerder, de datum van inwerkingtreding en, als de erkenning voor zes jaar is toegekend, de datum waarop de erkenning afloopt. Bedoeld besluit wordt door het bestuur aan de beheerder meegedeeld binnen vijftien dagen nadat beslist werd de erkenning toe te kennen. HOOFDSTUK VI. - Sluiting om dringende redenen Art. 22.Wanneer het bestuur overeenkomstig artikel 22 van het decreet een voorstel tot sluiting om dringende redenen aan de Minister voorlegt, moet het hem tegelijkertijd een verslag overmaken waarin gewettigd wordt waarom een rustoord, een serviceflat of een dagcentrum om dringende redenen wordt gesloten, alsook een in recente tijd opgemaakt inspectieverslag en, in voorkomend geval, alle andere nuttige inlichtingen en documenten. De beslissing tot sluiting wordt onmiddellijk door de Minister aan de beheerder en aan de burgemeester meegedeeld. Art. 23.Het beroep tegen een beslissing tot sluiting om dringende redenen moet bij aangetekend schrijven bij de Minister worden ingesteld binnen een termijn van vijftien dagen nadat de omstreden beslissing werd meegedeeld. In het beroep moeten volgende gegevens worden vermeld : - de naam, hoedanigheid, woonplaats of zetel van de eisende partij; - het voorwerp van het beroep en een uiteenzetting van de feiten en middelen. Het beroep wordt aangevuld met een afschrift van de beslissing tot sluiting. De Regering beslist binnen een termijn van twee maanden na indiening van het beroep. Wanneer een beroep wordt ingesteld, roept de Minister de beheerder bij ter post aangetekend schrijven op, met opgave van plaats, datum en uur waarop de beheerder door de afgevaardigd ambtenaar zal worden gehoord. In de oproepingsbrief wordt vermeld dat de beheerder zich door een raadsman mag laten bijstaan. De weigering om te verschijnen of zijn verdediging uiteen te zetten, wordt in het proces-verbaal opgetekend. HOOFDSTUK VII. - Bepalingen gemeen aan de hoofdstukken IV, V, VI Art. 24.De aanvragen om het krijgen van een principieel akkoord, een erkenning of van een verlenging van de erkenning worden door de beheerder aan de Minister gericht bij ter post aangetekend schrijven met ontvangstbewijs of bij hem afgeleverd tegen ontvangstbewijs. Beslissingen getroffen door de Minister of de Regering in verband met een principieel akkoord, een erkenning, een voorlopige werkingsmachtiging of een sluiting worden bij aangetekend schrijven aan de beheerder gericht. Art. 25.Het bestuur deelt alle beslissingen betreffende de erkenning, de voorlopige werkingsmachtiging en de sluiting van de rusthuizen mee aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. HOOFDSTUK VIII. - Normen waaraan de rusthuizen, serviceflats en dagcentra voor bejaarden moeten voldoen Art. 26.De in de bijlagen II, III en IV vastgestelde normen zijn van toepassing respectievelijk op de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden. HOOFDSTUK IX. - Bepalingen betreffende de veiligheidsattesten Art. 27.De in bijlage I bedoelde normen betreffende de bescherming tegen brandgevaar en paniek zijn van toepassing op de rustoorden, serviceflats en dagcentra voor bejaarden. Indien de inrichting niet voldoende aan bovenbepaalde veiligheidsnormen beantwoordt, worden alle bepalingen van de reglementering waaraan niet voldaan wordt uitvoerig en nauwkeurig in het veiligheidsattest opgegeven. In alle gevallen voegt de burgemeester bij bovenvermeld attest een afschrift van het verslag van het inspectiebezoek van de territoriaal bevoegde brandweer. Behalve andersluidende en gemotiveerde beslissing blijft het attest zes jaar geldig. Art. 28.Om bovenbedoeld attest te krijgen, richt de beheerder van de inrichting bij ter post aangetekend schrijven een aanvraag aan de burgemeester van de gemeente waar de inrichting gelegen is. Deze aanvraag wordt door de burgemeester overgemaakt aan de territoriaal bevoegde brandweer. Op grond van het verslag dat hem door de brandweer overgemaakt wordt, moet de burgemeester de aanvrager het bovenbedoelde attest bezorgen uiterlijk binnen twee maanden na indiening van de aanvraag. Art. 29.Elke verbouwing van het gebouw, zoals bepaald in artikel 41, moet vooraf door de territoriaal bevoegde brandweer worden onderzocht en door middel van een attest van de burgemeester van de gemeente waar de inrichting gelegen is, worden goedgekeurd. Art. 30.§ 1. Op verzoek van de beheerder van een rustoord, een serviceflat of een dagcentrum voor bejaarden kan de Minister na advies van de Inspectie van de brandweerdiensten, opgericht bij artikel 9 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming toestaan dat van de normen bedoeld in bijlage I wordt afgeweken. Vóór die afwijking wordt toegestaan, kan er op initiatief van één der partijen overleg worden gepleegd tussen de beheerder en de directie van het rustoord, de serviceflat of het dagcentrum, het bestuur, de burgemeester en de territoriaal bevoegde brandweer. Deze afwijking kan slechts worden toegestaan als : - het feitelijk onmogelijk is de werken te verrichten die nodig zijn om de inrichting in overeenstemming te brengen met de vigerende normen; - de werken die voor de inachtneming van de normen nodig zouden zijn, kosten met zich zouden brengen die buiten elke verhouding zouden staan tot de mate waarin de veiligheid van het gebouw zou worden verhoogd. Bij bedoelde afwijking moet rekening worden gehouden met : - de specifieke omstandigheden; - eventuele alternatieve maatregelen waardoor het gebouw een veiligheidsniveau kan bereiken dat overeenstemt met het niveau bedoeld in bijlage I; - de toegangsmogelijkheden voor de voertuigen van de territoriaal bevoegde brandweer. § 2. Indien de uitbating wordt onderbroken, vervallen de afwijkingen die worden toegestaan krachtens dit artikel. HOOFDSTUK X. - Specifieke normen betreffende de opvang en de huisvesting van gedesoriënteerde bejaarden Art. 31.In de opvang en de huisvesting van gedesoriënteerde bejaarden wordt voorzien overeenkomstig de in hoofdstuk 7 van bijlage II bedoelde normen. HOOFDSTUK XI. - Aanvullende erkenningsnormen waaraan de op verschillende sites gelegen rusthuizen voor bejaarden moeten voldoen Art. 32.De in artikel 5, § 4, van het decreet bedoelde aanvullende erkenningsnormen waaraan het rusthuis moet voldoen dat op verschillende sites gelegen is, zijn de volgende : 1. Elke site die een eenheid op zich vormt, moet erkend worden of onder een voorlopige werkingsmachtiging vallen die op het tijdstip van de aanvraag om globale erkenning niet vervallen is, of inbegrepen zijn in een ontvankelijke aanvraag om erkenning.2. De verschillende sites moeten in dezelfde gemeente of in aangrenzende gemeenten gelegen zijn;de afstand tussen de sites mag over de rijweg ten hoogste 10 km bedragen. 3. De minimale huisvestingscapaciteit wordt vastgesteld op 10 bedden per site en op 40 bedden voor de sites samen.4. De maximale huisvestingscapaciteit wordt vastgesteld op 100 bedden per site en op 150 bedden voor de sites samen. 5. Op elke site moet 24 uur op 24 een verzorgend personeelslid zoals bedoeld onder punt 10.3 van bijlage II aanwezig zijn. 6. In de werking van het rustoord moet enerzijds worden vermeld hoe lang de directeur en de personeelsleden op elke site aanwezig zijn en anderzijds melding worden gemaakt van de wijze waarop in de dienstcontinuïteit wordt voorzien. 7. Op elke site wordt een oproepregister bijgehouden, waarin de aard van de oproep (oproep van bewoners, bezoekers, medisch of technisch spoedgeval,...), het juiste uur en de tussenkomststermijn voor elke oproep worden vermeld. HOOFDSTUK XII. - Subsidiëring van de dagcentra voor bejaarden Art. 33.Binnen de perken van de begrotingskredieten kunnen de dagcentra die beheerd worden door een publiekrechtelijk rechtspersoon of een privaatrechtelijk rechtspersoon zonder winstoogmerk en die voor ten minste acht en ten hoogste vijftien opvangplaatsen erkend zijn, een werkingstoelage genieten om de kosten voor personeel, animatie of coördinatie met andere diensten of de evaluatiekosten te dekken. Er wordt een op 100 frank vastgesteld forfaitair bedrag verleend per dag en per werkelijk aanwezige bewoner die aan de door de Minister bepaalde afhankelijkheidscriteria voldoet. Het aantal subsidiabele plaatsen wordt door de Minister in het erkenningsbesluit vastgesteld. De Minister is bevoegd om het forfaitaire bedrag bedoeld in het tweede lid te wijzigen. Art. 34.De toelage wordt aan het dagcentrum verleend op grond van een schriftelijke aanvraag overeenkomstig het model en binnen de termijnen die door de Minister vastgesteld zijn. Bij de aanvraag moeten de volgende documenten worden gevoegd : - de aanwezigheidslijst van de bewoners; - een activiteitenverslag over het afgelopen jaar; - de exploitatierekening van de dienst. De voorwaarden i.v.m. de vereffening van de toelage worden door de Minister vastgesteld. HOOFDSTUK XIII. - Opheffingsbepalingen Art. 35.Opgeheven worden : - het koninklijk besluit van 12 augstus 1967 tot vaststelling van de voorwaarden in verband met de brandbeveiliging, de verpleging, het geneeskundig toezicht en de beddencapaciteit, waaraan de rustoorden voor bejaarden moeten voldoen om voorlopig erkend te worden; - het koninklijk besluit van 22 maart 1968 betreffende de rechtspleging van erkenning en sluiting van de rustoorden voor bejaarden; - het koninklijk besluit van 20 augustus 1968 houdende aanwijzing van de ambtenaren of beambten van het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin die belast worden met de opdracht voorzien bij artikel 6 van de wet van 12 juli 1966, op de rustoorden voor bejaarden; - het koninklijk besluit van 2 mei 1972 tot vaststelling van de criteria voor het uitwerken van een nationaal programma van rustoorden voor bejaarden; - het koninklijk besluit van 5 november 1976 tot vaststelling van de regels die de onontbeerlijkheid van de brandbeveilingswerken in de rustoorden voor bejaarden bepalen; - het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 10 juli 1984 tot vaststelling van de normen waaraan de rusthuizen voor bejaarden moeten beantwoorden, gewijzigd bij de besluiten van de Executieve van 6 december 1989 en 13 september 1991; - het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 10 juli 1984 tot vaststelling van de procedure betreffende de voorlopige werkingsmachtiging, de erkenning, de weigering en de intrekking van de erkenning, en de sluiting van de inrichtingen bedoeld in artikel 1 van het decreet van 10 mei 1984 betreffende de rusthuizen voor bejaarden, gewijzigd bij de besluiten van 3 september 1990 en 27 juli 1992; - het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 24 april 1989 tot vaststelling van de veiligheidsnormen waaraan de rusthuizen voor bejaarden moeten voldoen, gewijzigd bij het besluit van 9 juli 1991; - het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 20 december 1990 betreffende het minimumpeil van nuttige kennis van het beheren van rusthuizen voor bejaarden; - het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 29 april 1991 tot regeling, bij wijze van proef, van de erkenning en de betoelaging van de diensten voor dagopvang van bejaarden; - het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 27 juli 1992 tot vaststelling van de modaliteiten voor het verlenen van het principieel akkoord bedoeld bij artikel 2bis van het decreet van 10 mei 1984 betreffende de rusthuizen voor bejaarden, gewijzigd bij het besluit van 1 februari 1996. HOOFDSTUK XIV. - Diverse en overgangsbepalingen Art. 36.Artikel 1, 3°, van het koninklijk besluit van 2 mei 1972 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor het verlenen van toelage voor het bouwen of het verbouwen van rustoorden voor bejaarden, gewijzigd door het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 27 juli 1992, wordt door de volgende tekst vervangen : « 3° het principieel akkoord bekomen hebben, bedoeld in artikel 4, § 2, van het decreet van 5 juni 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 05/06/1997 pub. 26/06/1997 numac 1997027325 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de "Conseil wallon du troisième âge"
(1)sluiten betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de « Conseil wallon du troisième âge » ». Art. 37.De aan rustoorden verleende werkingsmachtigingen die van toepassing zijn op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, komen niet in aanmerking voor de toepassing van artikel 7, tweede en derde lid van het decreet. Art. 38.Onverminderd de overgangsbepalingen betreffende het gebouw, beschikken de rustoorden die werkzaam zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit over een termijn van één jaar om de in bijlage II bij dit besluit vastgestelde normen over te nemen. Onverminderd de gunstigere bepalingen opgenomen in bijlage I, beschikken de rustoorden die erkend zijn of een voorlopige werkingsmachtiging genieten op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, over een termijn van twee jaar om de in bedoelde bijlage vastgestelde veiligheidsnormen over te nemen. Tijdens de overgangsperiode moeten de rustoorden de normen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit op hen van toepassing waren, naleven. Art. 39.De inrichtingen die beantwoorden aan de begripsomschrijving van de serviceflat of van het dagcentrum en die werkzaam zijn op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, beschikken over een termijn van één jaar vanaf de inwerkingtreding van dit besluit om de normen opgenomen in de bijlagen III en IV over te nemen. Art. 40.De in de artikelen 38 tot en met 40 bepaalde overgangsbepalingen betreffende het gebouw of de veiligheidsnormen zijn niet van toepassing op een uitbreiding van de capaciteit, een heropening of de verbouwing van bestaande gebouwen van een rustoord, een serviceflat of een dagcentrum. Onder verbouwing wordt verstaan elke verandering die de bestemming of de afmetingen van de lokalen wijzigt op grond waarvan de erkenning of de voorlopige werkingsmachtiging verleend is of die bestaan en werkzaam zijn bij de inwerkingtreding van dit besluit voor de serviceflats. HOOFDSTUK XV. - Inwerkingtreding Art. 41.Het decreet van 5 juni 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 05/06/1997 pub. 26/06/1997 numac 1997027325 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de "Conseil wallon du troisième âge"
(1)sluiten betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de « Conseil wallon du troisième âge » treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Art. 42.De Minister van Sociale Actie is belast met de uitvoering van dit besluit. Namen, 3 december 1998. De Minister-President van de Waalse Regering, belast met Economie, Buitenlandse Handel, KMO's, Toerisme en Patrimonium, R. COLLIGNON De Minister van Sociale Actie, Huisvesting en Gezondheid, W. TAMINIAUX Bijlage I. - Reglementering inzake bescherming tegen brandgevaar en paniek in rustoorden, serviceflats en dagcentra voor bejaarden HOOFDSTUK 1. - Algemene voorschriften 0. Algemene inleiding 0.1. Voorwerp van de reglementering In deze reglementering worden de voorwaarden bepaald waaraan het ontwerpen, de bouw en de aanleg van de inrichtingen of gedeelten daarvan die als rustoord, serviceflat of dagcentrum voor bejaarden worden gebruikt, moeten voldoen, de na te leven regels inzake de bewoning van die inrichtingen of gedeelten daarvan, alsook het onderhoud en het toezicht op hun installaties met het doel :
  1. a)het ontstaan, de ontwikkeling en de uitbreiding van een brand te voorkomen;
  2. b)te zorgen voor de veiligheid van de bewoners;
  3. c)het optreden van de brandweer te vergemakkelijken. 0.1.1. Nieuwe gebouwen in de zin van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing. Nieuwe gebouwen moeten voldoen aan : - de normen vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing (Belgisch Staatsblad van 26 april 1995), zoals aangepast en aangevuld bij koninklijk besluit van 19 december 1997 (Belgisch Staatsblad van 30 december 1997); - hoofdstuk 3 van deze bijlage, waarbij de normen voor het onderhoud, het toezicht en de bewoningsvoorschriften worden vastgesteld; - de normen vastgesteld in hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2 van deze bijlage voor zover nauwkeuriger zijn en ofwel dwingender zijn dan de basisnormen ofwel eigen zijn aan de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra. 0.1.2. Gebouwen die niet onder 0.1.1.vallen De normen die bij deze bijlage worden vastgesteld zijn in hun geheel van toepassing, onverminderd de overgangsbepalingen bedoeld in de hoofdstukken 4 en 5. 0.2. Rangschikking van de inrichtingen De inrichtingen worden gerangschikt in twee types : - type 1 : de inrichtingen waarvan de lokalen die voor de bewoners bestemd zijn, ten hoogste één verdieping gelegen zijn boven de evacuatieverdieping bedoeld in bijlage 1 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen; - type 2 : de inrichtingen waarvan de lokalen die voor de bewoners bestemd zijn, ten minste twee verdiepingen boven de evacuatieverdieping gelegen zijn. Wanneer een inrichting uit gebouwen van verschillende types bestaat, is deze reglementering van toepassing op ieder gebouw naargelang van hun type. 0.3. Terminologie 0.3.1. Algemene begripsomschrijvingen De algemene begripsomschrijvingen werden overgenomen van bijlage 1 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 december 1997. 0.3.2. Weerstand tegen brand De voorschriften van bijlage 1 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de erkenning « BENOR-ATG » en erkende plaatsers zijn enkel van toepassing op de deuren die geplaatst of vervangen zijn na de datum van bekendmaking van deze reglementering in het Belgisch Staatsblad. 0.3.3. Zelfsluitende deur : deur voorzien van een toestel waardoor deze in normale werkingsvoorwaarden dichtgehouden wordt. Zo'n deur moet in alle gevallen zonder buitengewone inspanning kunnen openen. Ze mag niet open geblokkeerd zijn. 0.3.4. Bij brand zelfsluitende deur : deur voorzien van een automatisch toestel dat, in geval van brand, het sluitingssysteem in werking stelt. In elk geval moet een dergelijke deur of een gedeelte ervan nog mits een normale inspanning kunnen openen. Het sluitingssysteem van de deur moet voorzien zijn van een rem of van een gelijkaardig toestel dat zorgt voor een trage beweging zodat het automatische sluiten van de deur geen gevaar inhoudt voor de bewoners. Aangeraden wordt om zulke deuren vooral daar te plaatsen waar veel mensen voorbijkomen. 0.3.5. Normale kunstverlichting : kunstmatige verlichting die gewoonlijk gebruikt wordt. 0.3.6. Positieve veiligheid : de apparatuur wordt beschouwd in positieve veiligheid te werken als de veiligheidsfunctie van die apparatuur of toestellen verzekerd blijft wanneer de energiebron en (
  4. of)de voedingsinrichting en (
  5. of)de aandrijvingsinrichting gebrekkig is (zijn). 0.3.7. Deuren met massieve kern : deuren die ontworpen en gelegd zijn overeenkomstig de grondregels van de bouwkunst en die bestaan uit : - hetzij houtspaanderplaten met een soortelijke massa van ten minste 600 kg/m3 en met dezelfde dichtheid als het raam, - hetzij hardhout met een soortelijke massa van ten minste 650 kg/m3 die bestaat uit één kozijn en panelen. De panelen vertonen overal een minimumdichtheid van 12 mm. 0.3.8. Keuken : lokaal waar spijzen worden bereid en gekookt. 0.4. Nummering van de verdiepingen - bewegwijzering 0.4.1. Een volgnummer wordt aan elke verdieping toegekend met inachtneming van volgende regels : - de verschillende verdiepingen vormen een ononderbroken opeenvolging; - één van de evacuatieverdiepingen heeft het nummer 0; - de verdiepingen onder verdieping 0 hebben een negatief volgnummer; - de verdiepingen boven verdieping 0 hebben een positief volgnummer. 0.4.2. Op elke verdieping moet het volgnummer : - op ten minste één wand voorkomen van de portalen van de trappenhuizen en van de portalen die toegang geven tot de liften, voor de personen die deze portalen gebruiken; - leesbaar zijn vanuit de cabine van de liften tijdens de stilstand. 0.4.3. In de liften staat het volgnummer van de verdiepingen te lezen naast de overeenstemmende bedieningsknop. Bovendien staan de woorden « uitgang » of « nooduitgang » naast de volgnummers van de verdiepingen die beschikken over uitgangen of nooduitgangen. 0.4.4. De plaats, alsook de richting van de uitgangen en nooduitgangen worden duidelijk vermeld door pictogrammen overeenkomstig de voorschriften van het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming ». 0.4.5. De adviezen betreffende de brandbescherming stemmen overeen met de in het vorige lid bedoelde voorschriften. 0.5. Wijzen van proef en rangschikking van produkten in een andere Lidstaat van de E.E.G. Als bewijsstukken vaststellen dat een produkt aan de vereisten van dit besluit voldoet overeenkomstig gelijkwaardige proef- en rangschikkingsmethodes die in een andere Lidstaat van de E.E.G. van kracht zijn, wordt dit produkt beschouwd als voldoend aan de in dit aanhangsel bedoelde technische voorschriften. HOOFDSTUK 2. - Inplanting, bouw en uitrusting 1. Inplanting en toegangswegen. 1.1. Toegang : De instelling is rechtstreeks en voortdurend toegankelijk voor de brandweervoertuigen, zodanig dat de brandbestrijding en de redding er normaal uitgevoerd kunnen worden. In het bijzonder worden het aantal toegangsweg(
  6. en)en de inplanting ervan vastgesteld in akkoord met de territoriaal bevoegde brandweer, hierbij rekening houdend met de oppervlakte van de betrokken instelling, het aantal bewoners, het aantal bewoonde verdiepingen en de inrichting van het(
  7. de)gebouw(en). 1.2. Kenmerken van de toegangswegen : Op voornoemde weg(
  8. en)wordt één strook steeds vrij gehouden, waar het parkeren verboden is, en die voldoet aan volgende vereisten : - minimale vrije breedte : 4 m; - minimale vrije hoogte : 4 m; - minimale draaistraal : 11 m aan de binnenkant en 15 m aan de buitenkant; maximale helling : 6 %, behoudens akkoord van de territoriaal bevoegde Brandweer naargelang van de plaatselijke omstandigheden; - draagvermogen : voldoende om voertuigen, waarvan het laadvermogen per wielas hoogstens 13 t bedraagt, op die weg(
  9. en)te laten rijden en stationeren zonder te blijven steken, zelfs al vervormen zij die weg(
  10. en)15 m aan de buitenkant; - de grond. Wanneer de toegangswegen doodlopende wegen zijn, wordt de wegbreedte gebracht op 8 m en dienen de kenmerken ervan over de gehele breedte overeen te stemmen met bovenvermelde vereisten; in dit geval moet de inrichting van het gebouw en zijn omgeving onderworpen worden aan het akkoord van de territoriaal bevoegde Brandweer. De vrije ruimten : hovingen, parken, binnenkoeren, voorportalen die dezelfde waarborgen vertonen als degene bedoeld in deze paragraaf en in § 1.1., mogen als toegangswegen beschouwd worden. Bijgebouwen, uitspringende daken, luifels, delen in uitkraging of andere dergelijke toevoegingen worden enkel toegelaten indien daardoor noch de evacuatie of de veiligheid van de bewoners, noch de bewegingsvrijheid van de brandweer in het gedrang gebracht worden. 1.3. Afstand tussen de gebouwen De horizontale afstand tussen elk gebouw van de instelling en elk naburig gebouw, waar geen brandbaar element ligt, bedraagt ten minste 8 m, behalve als de wanden waarbij die worden gescheiden, de volgende kenmerken vertonen : - voor gebouwen van het type 1 : weerstand tegen brand (Wb) 1 uur, - voor gebouwen van het type 2 : Wb 2 u. In deze wanden wordt een verbinding tussen de gebouwen toegelaten voor zover ze de volgende kenmerken vertoont : 1. niet uitkomen op een trappenhuis, 2.gesloten worden d.m.v. een zelfsluitende deur met de volgende kenmerken : - voor gebouwen van het type 1 : Wb 1/2 u, - voor gebouwen van het type 2 : Wb 1 u. 1.4. Overdekte en gesloten doorgangen Indien de onderscheiden gebouwen van een inrichting met elkaar verbonden zijn d.m.v. overdekte en gesloten doorgangen, worden zij van deze laatste gescheiden door Wb 1 u-wanden. De openingen in voorgenoemde wanden zijn voorzien van zelfsluitende of bij brand zelfsluitende Wb 1/2 u-deuren. 2. Grondbeginselen 2.1. Verdeling van de lokalen : 2.1.1. De verdiepingen van de gebouwen worden verdeeld in compartimenten van één verdieping hoog. De oppervlakte van een compartiment, die gemeten is tussen de binnenvlakten van de wanden die het omsluiten, is kleiner dan 1250 m2. 2.1.2. Elk geheel van 20 bedden die verdeeld zijn op hetzelfde niveau, wordt omsloten door binnenwanden die voldoen aan de volgende voorschriften : - voor gebouwen van het type 1 : Wb 1/2 u. - voor gebouwen van het type 2 : Wb 1 u. - De openingen in deze wanden zijn voorzien van zelfsluitende Wb 1/2 u-deuren. 2.1.3. In akkoord met de territoriaal bevoegde Brandweer, kunnen die voorschriften niet toegepast worden op gebouwen van het type 1 waarvan de totale bewoning kleiner is dan 20 personen. 2.2. Ligging van de lokalen die voor bewoners bestemd zijn : De lokalen die voor bewoners bestemd zijn, mogen niet hoger liggen dan 25 m boven de grond die het betrokken gebouw omringt. 2.3. Lokalen die onder de laagste evacuatieverdieping gelegen zijn : Onder de laagste evacuatieverdieping : - mag geen enkele individuele of collectieve slaapkamer liggen; - mogen enkel en alleen op de verdieping die het dichtst bij de evacuatieverdieping gelegen is, lokalen liggen die door de bewoners in de loop van de dag gebruikt worden. 2.4. Aantal trappenhuizen : Het aantal trappenhuizen wordt berekend met inachtneming van : - het aantal bewoners die zich kunnen bevinden boven de naaste evacuatieverdieping; - de voorschriften van lid 4.3.3. betreffende de maximale afstanden voor de toegang tot het naaste trappenhuis en eventueel tot een tweede trappenhuis. Op de evacuatieverdiepingen leiden de trappen naar een uitgang, hetzij rechtstreeks, hetzij langs een zo kort mogelijk evacuatieweg die voldoet aan de voorschriften van § 4.3. 3. Structurele elementen. 3.1. Structurele elementen : De structurele elementen, zoals zuilen, dragende muren, hoofdbalken en andere essentiële delen die het geraamte van het gebouw vormen, met uitzondering van de afgewerkte vloeren, hebben een weerstand tegen brand van ten minste twee uur in de gebouwen van het type 2; deze vereiste wordt herleid tot één uur wanneer het gaat om een gebouw van het type 1. In alle gevallen hebben de afgewerkte vloeren een weerstand tegen brand van ten minste één uur. 3.2. Gevelwanden : 3.2.1. Op elke verdieping bevatten de gevelwanden een bouwelement dat gedurende ten minste één uur voldoet aan het criterium van « vlamdichtheid ». Dit element wordt op één van de volgende manieren uitgevoerd (zie afbeeldingen in bijlage 2) :
  11. a)een doorlopend horizontaal overstek of uitkragend gedeelte met een breedte (
  12. a)die gelijk is aan of hoger is dan 0,60 m (zestig
  13. cm)en dat aan de vloer verbonden is;
  14. b)een geheel dat bestaat uit een doorlopend horizontaal overstek met een breedte (
  15. a)en dat aan de vloer verbonden is : - op de bovenverdieping door een doorlopende borstwering met een hoogte (b); - op de onderverdieping door een doorlopende latei met een hoogte (c). De som van de afmetingen a, b, c en d (dikte van de vloer) is gelijk aan of hoger dan 1 m; elke afmeting a, b of c mag eventueel nul zijn. 3.2.2. De uitwendige wandversieringen van de gevels moeten vervaardigd zijn uit materialen die behoren tot minstens klasse A2, overeenkomstig bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. Dit voorschrift betreft de schrijnwerkerij of de dichtingsvoegen niet. 3.2.3. De stijlen die het skelet van de gordijngevel (lichte gevel) vormen, worden aan elke verdieping aan het skelet van het gebouw vastgezet. De borstwering en de latei worden zodanig aan de vloerplaat vastgezet dat het geheel gedurende minstens één uur voldoet aan het criterium « vlamdichtheid ». Hetzelfde geldt voor de ondoorzichtige of geen licht doorlatende delen van de gevels die tussen de vensteropeningen gelegen zijn. 3.3. Verticale binnenwanden De verticale binnenwanden van een kamer of appartement moeten een weerstand tegen brand hebben van ten minste een half uur. Wat betreft de binnenwanden van de evacuatiewegen, zie lid 4.3.6. 3.4. Deuren De vleugels van alle glazen deuren hebben een merkteken waarbij hun aanwezigheid opvalt. De deuren die eventueel in de evacuatiewegen staan en die hetzij één of meer uitgangen, hetzij toegangen tot één of meer uitgangen verbinden, openen in beide richtingen. Draaibomen en draaideuren zijn verboden. De deuren van de evacuatiewegen alsook de deuren die toegang geven buiten het gebouw, moeten op elk ogenblik kunnen openen voor de evacuatie van de instelling. Die deuren mogen gegrendeld worden met inachtneming van de volgende voorwaarden : - Elektrische ontgrendeling vanaf een altijd toegankelijke plaats (wachtkantoor, onthaal, enz...) - Automatische ontgrendeling in geval van brand, alarm en stroomstoring - Installatie die uitgewerkt is overeenkomstig de beginselen van de positieve veiligheid 3.5. Plafonds en valse plafonds 3.5.1. De plafonds, de valse plafonds en hun bekleding zijn vervaardigd uit materialen waarvan de klasse van reactie bij brand vastgesteld is overeenkomstig bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. De kamers moeten behoren tot klasse 1. 3.5.2. De valse plafonds hebben een weerstand tegen brand van ten minste een half uur. De plafonds die ruimten afsluiten die bijzondere brandrisico's bieden, voldoen echter aan een criterium van weerstand tegen brand die aan deze risico's aangepast is. 3.5.3. De opgehangen gedeelten van toestellen en andere opgehangen voorwerpen (verlichtingsapparaten, luchtkokers, kanalisaties, enz.) zijn ontworpen om te weerstaan aan een omgevende temperatuur van minstens 100 °C. 3.5.4. De ruimte tussen het plafond en het valse plafond wordt gescheiden door de verlenging van alle verticale wanden die een weerstand tegen brand van minstens een half uur bieden. In ieder geval wordt deze ruimte onderbroken door verticale tussenschotten met een weerstand tegen brand van minstens een half uur, zodat compartimenten gevormd worden met een maximale lengte die lager is dan 25 m. 3.6. Niet vlottende bekledingsmaterialen die gebruikt worden als thermische of geluidsisolatie of als versiering. 3.6.1. De bekleding voor de verticale wanden is vervaardigd uit materialen waarvan de klasse van reactie bij brand vastgesteld is overeenkomstig bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. De klasse van reactie bij brand mag echter in geen geval A4 zijn. Voor de kamers wordt klasse A1 vereist. 3.6.2. De vloerbedekkingen zijn vervaardigd uit materialen waarvan de klasse van reactie bij brand vastgesteld is overeenkomstig bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. De klasse van reactie bij brand mag echter in geen geval A4 zijn. Voor de kamers wordt klasse A2 vereist. 3.6.3. Geen brandbaar materiaal mag voorkomen in de eventuele ruimte tussen bekledingsmaterialen en wanden. 3.7. Daken. In de gebouwen van type 2 zijn, bij gebrek aan afgewerkte vloeren, bouwelementen met een weerstand tegen brand van ten minste één uur aangebracht als isolatie tussen het dak en de voor de bewoners bestemde lokalen alsook de evacuatiewegen. Hetzelfde geldt voor de gebouwen van type 1 waar meer dan twintig bewoners worden ondergebracht. De waterdichte dakbedekking bestaat uit een materiaal dat ten minste tot klasse A1 behoort, overeenkomstig bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, of dat na verwerking op dit peil is gebracht. In akkoord met de territoriaal bevoegde Brandweer hoeven die voorschriften niet toegepast te worden op lichtschachten van klasse 1 die op het dak zijn gelegd en die gelegen zijn op minder dan 3 m van elke overhangende gevel. Die afstand is horizontaal gemeten. 4. Bouwvoorschriften betreffende de compartimenten en de doorgangen die bij evacuatie gebruikt moeten worden. 4.1. Compartimenten. De compartimenten waarvan sprake in § 2.1, zijn afgesloten door wanden die, met uitzondering van gevelwanden, een weerstand tegen brand van ten minste één uur hebben. De eventuele communicatie-openingen tussen twee compartimenten zijn voorzien van zelfsluitende deuren of van bij brand zelfsluitende deuren met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur. Wat de gevelwanden betreft, komen ze overeen met de voorschriften van §§ 3.2 en 1.3. 4.2 Trappenhuizen en trappen. 4.2.1. Aantal trappen. In elk geval moet iedere bewoonde verdieping beschikken over ten minste twee verschillende evacuatiewegen. In elk geval zijn de trappenhuizen zodanig en in zo'n hoeveelheid opgericht dat de voorschriften van leden 4.3.3. en 4.3.5. in acht worden genomen. In elk geval moeten de verdiepingen voorzien zijn van ten minste één binnentrap. Bijkomende trappen mogen buitentrappen zijn. In de gebouwen van type 2 moet een compartiment voorzien zijn van ten minste twee trappenhuizen. In de gebouwen van type 1, in akkoord met de territoriaal bevoegde Brandweer, mogen de verdiepingen waar minder dan 20 bewoners ondergebracht worden, alleen voorzien zijn van één trappenhuis voor zover een tweede evacuatieweg bestaat. 4.2.2. Inrichting van trappenhuizen. 4.2.2.1. De trappenhuizen komen verplicht uit op een normale evacuatieverdieping. 4.2.2.2. In de gebouwen van type 2 hebben de wanden van de trappenhuizen, behoudens de gevelwanden, een weerstand tegen brand van ten minste twee uur. Deze wanden mogen voorzien zijn van glas op voorwaarde dat elk punt daarvan ten minste 1 m gelegen is van elke opening of glazen gedeelte van de rest van het gebouw of van een ander gebouw. In de gebouwen van type 1, waar meer dan twintig bewoners ondergebracht kunnen worden, moeten de trappenhuizen afgesloten zijn. In dit geval hebben de wanden van de trappenhuizen een weerstand tegen brand van ten minste één uur. Deze wanden mogen echter voorzien zijn van glas op voorwaarde dat ze deel uitmaken van de gevel en voor zover elk punt daarvan ten minste 1 m gelegen is van elke opening of glazen gedeelte van de rest van het gebouw of van een ander gebouw. 4.2.2.3. De toegangen tot de trappenhuizen zijn voorzien van zelfsluitende deuren of van bij brand zelfsluitende deuren met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur die openen in de richting van de evacuatie en waarvan de minimale doorgangsbreedte 0,90 m bedraagt. De deuren van de kamers of appartementen die toegang geven tot de evacuatiewegen, mogen openen in de tegengestelde richting van de evacuatie en de minimumbreedte van de deurvleugel moet 0,90 m (negentig
  16. cm)bedragen. 4.2.2.4. Indien verscheidene compartimenten op horizontaal vlak met elkaar in verbinding staan, mogen ze voorzien zijn van een gemeenschappelijk trappenhuis op voorwaarde dat de toegangen voldoen aan de vereisten van lid 4.2.2.3. 4.2.2.5. De trappenhuizen die toegang geven tot de verdiepingen die gelegen zijn onder de evacuatieverdieping, mogen niet rechtstreeks in het verlengde liggen van degene die toegang geven tot de andere verdiepingen. Deze trappenhuizen mogen nochtans het ene boven het andere liggen, op voorwaarde dat ze gescheiden zijn door wanden met een weerstand tegen brand van ten minste twee uur als het gaat om een gebouw van type 2; deze vereiste wordt herleid tot één uur voor een gebouw van type 1. De doorgang van het ene naar het andere trappenhuis gebeurt langs een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur die opent in de richting van de evacuatie. 4.2.2.6. Met uitzondering van de brandblustoestellen, de natte leidingen voor de brandbestrijding, de leidingen voor de elektrische veiligheidsverlichting en de verlichtings- en verwarmingsapparaten, mag geen voorwerp voorkomen in de trappenhuizen, noch de toegang tot deze laatste verhinderen. Dit voorschrift is ook van toepassing op de installatie van hoogwerkers. 4.2.2.7. Buitentrappen. Als een buitentrap omringd wordt door wanden, moet ten minste één daarvan de vrije doorgang van de lucht toelaten. De communicatie tussen een buitentrap en het niveau dat daarvan voorzien is, wordt verzekerd door een deur met een automatische terugstelinrichting. De buitentrappen zijn vervaardigd uit materialen die behoren tot klasse A0 overeenkomstig bijlage 5 van het K.B. van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, en worden langs beide zijden voorzien van een veilig vastgehechte leuning die loopt langs de bordessen en de platte daken. De plekken waar een gevaar aan val bestaat zijn uitgerust met een koppelspant en een plint met een minimale hoogte van 10 cm. De helling van de trappen mag niet hoger zijn dan 75 % (maximale hellingshoek : 37°). Geen enkel punt van de buitentrappen mag gelegen zijn op minder dan 1 m van elke opening of glazen gedeelte van de gebouwen, behalve als deze trappen beschermd worden door ontbrandbare schutsels. De territoriaal bevoegde Brandweer kan echter verplichten dat onbrandbare deuren en schutsels worden aangebracht vóór elke opening of glazen gedeelte van de gebouwen als de warmtebelasting in de lokalen naast dit trappenhuis het vereist. De buitentrappen en de wegen die ernaartoe leiden, worden voorzien van de verkeers- en veiligheidsverlichting. 4.2.3. Verluchting van de binnentrappenhuizen. Het bovenste gedeelte van elk trappenhuis wordt voorzien van een opening die buiten uitloopt voor de gemakkelijke evacuatie van de rook. Die opening, die normaal kan worden gesloten, heeft een aërodynamische doorsnede van ten minste 1 m2. Die is uitgerust met een op een evacuatieverdieping gelegde handbediening. Dit openingstoestel is duidelijk zichtbaar in akkoord met de territoriaal bevoegde Brandweer. Het kan automatisch gedreven worden door de branddetector. 4.2.4. Binnentrappen. 4.2.4.1. Bouwvoorschriften. De trappen zijn vervaardigd uit materialen die behoren tot minstens klasse A0 overeenkomstig bijlage 5 van het K.B. van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. De vloerbedekkingen van de trappen behoren tot minstens klasse A2 van voornoemde bijlage 5. De trappen worden langs beide zijden voorzien van een veilig vastgehechte leuning die loopt langs de bordessen. Alle treden zijn uitgerust met een anti-slipneus. De plekken waar een gevaar aan val bestaat zijn uitgerust met een koppelspant en een plint met een minimale hoogte van 10 cm, of met een toestel dat een gelijkwaardige bescherming biedt. De helling van de trappen mag niet hoger zijn dan 75 % (maximale hellingshoek : 37°). De traparmen zijn recht maar de draai- of kromme trappen worden aanvaard indien zij een ononderbroken wegbeweging toelaten en indien de treden een minimale breedte van 24 cm op de ganglijn hebben, op voorwaarde dat de hierboven vermelde vereisten in acht worden genomen. Het aantal treden in elke traparm wordt beperkt tot 17. 4.2.4.2. Voor de nuttige breedte van traparmen en bordessen wordt de ruimte in acht genomen die tot een minimale hoogte van 2 m vrij is van elke blijvende hindernis. Hierbij dient geen rekening gehouden met het uitsteken van de handgrepen die langs de wanden van de trappen en bordessen gelegd zijn, op voorwaarde dat deze niet groter zijn dan 10 cm en dat ze niet hoger zijn dan 1 m boven de trapneuzen of de vloer van de bordessen. Hetzelfde geldt voor de plinten, de trapbomen en de steunmuur die langs deze wanden aangelegd zijn. De nuttige breedte van de traparmen en de bordessen is ten minste gelijk in centimeter aan het aantal personen die daar langs moeten gaan bij evacuatie, vermenigvuldigd met 1,25 of met 2, naargelang voorzien is dat deze personen langs bedoelde trap naar boven of naar beneden moeten gaan om een normale evacuatieverdieping te bereiken. Dit getal wordt afgerond tot het onmiddellijk hogere veelvoud van 60 cm. Onverminderd de voorafgaande voorschriften, bedraagt de minimale nuttige breedte van voornoemde doorgangen 1,2 m in de gebouwen van type 2 en 1 m in de gebouwen van type 1. 4.3. Evacuatiewegen. 4.3.1. De verbinding naar en tussen de trappenhuizen gebeurt langs evacuatiewegen. De hellende vlakken met een helling die lager is dan 10 % mogen worden beschouwd als evacuatiewegen. 4.3.2. De kamers, appartementen of andere lokalen die voor de bewoners bestemd zijn, worden voorzien van een deur die rechtstreeks uitloopt op de evacuatieweg van deze lokalen. De deurvleugels hebben een minimumbreedte van 0,90 m. 4.3.3. In de compartimenten gelegen op een niveau dat niet bestemd is voor de evacuatie, bedraagt de afstand tussen elk punt van de lokalen die bestemd zijn voor de bewoners en de toegang tot een trappenhuis, hoogstens 30 m. Bovendien, wanneer het betrokken compartiment over meer dan één trappenhuis beschikt, wordt de maximale afstand tussen deze punten en de toegang tot een ander trappenhuis als het naaste, beperkt tot 60 m. De toegangsweg tot een trappenhuis mag nochtans niet doorheen het bordes van een ander trappenhuis lopen. 4.3.4. De nuttige breedte van de evacuatiewegen wordt berekend als die van de traparmen en bordessen (zie lid 4.2.4.2.). De nuttige breedte van de traparmen en de bordessen is ten minste gelijk in centimeter aan het aantal personen die daar langs moeten gaan bij evacuatie om een trap of een doorgang naar buiten te bereiken. Dit getal wordt afgerond tot het onmiddellijk hogere veelvoud van 60 cm. Onverminderd de voorafgaande voorschriften, bedraagt de minimale nuttige breedte van voornoemde doorgangen 1,2 m. 4.3.5. De maximale lengte van de doodlopende gangdelen bedraagt 15 m. 4.3.6. De verticale binnenwanden van de evacuatiewegen hebben een weerstand tegen brand van ten minste één uur. De deuren die op deze wegen uitkomen zijn houten deuren met een massieve kern. Op de evacuatieverdiepingen zijn die voorschriften niet van toepassing op de evacuatiewegen die van de trappenhuizen naar buiten leiden en waarvoor de binnenwanden en de zelfsluitende binnendeuren dezelfde Wb-graad vertonen als degene die voorgeschreven zijn voor de overeenkomende elementen van die trappehuizen. 5. Bouwvoorschriften betreffende sommige lokalen en technische ruimten. 5.1. Linnenkamers van meer dan 2 m2, washokken, archiefdepots en werkplaatsen. Die lokalen zijn gelegen buiten de voor de bewoners toegankelijke compartimenten. Als het onmogelijk is, in akkoord met de territoriaal bevoegde Brandweer en met inachtneming van volgende voorschriften, mogen die lokalen gelegen zijn in de voor de bewoners toegankelijke compartimenten. Het betrokken lokaal wordt omringd door binnenwanden die aan volgende voorschriften voldoen : - Wb 1 u; - De openingen in die wanden worden gesloten door Wb 1/2 u-zelfsluitende deuren; - Als ze niet worden bewoond, worden die lokalen afgesloten. 5.2. Stookplaatsen en aanhorigheden. De stookplaatsen, uitgerust met warmte-generators die een lager vermogen hebben dan 70 KW, zijn, evenals hun aanhorigheden, afgescheiden van de andere gebouwen en lokalen door wanden met een weerstand tegen brand van ten minste één uur. Elke toegang tot de stookplaatsen waarvan sprake en tot hun aanhorigheden vanuit de andere lokalen van de gebouwen waarin deze gelegen zijn, gebeurt door een zelfsluitende deur met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur, die opent in de richting van de evacuatie. Deze stookplaatsen zijn uitgerust met een efficiënte hoge en een efficiënte lage ventilatie. De stookplaatsen, uitgerust met warmte-generators die een nuttig warmtevermogen hebben dat in totaal gelijk is aan of hoger is dan 70 KW, zijn, alsook hun aanhorigheden, conform de Belgische norm NBN B 61-001. 5.3. Transformatiekabines die aangesloten zijn op een hoogspanningsnet. 5.3.1. Algemene voorschriften. De transformatiekabines zijn gebouwd volgens de voorschriften van het « Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties » en volgens de Belgische norm NBN 449. Bovendien : - naargelang van het gebouw, waarin de transformatiekabine waarvan sprake gelegen is, tot het type 2 of 1 behoort, hebben de wanden van deze kabine, de gevelwanden uitgezonderd, een weerstand tegen brand van ten minste twee of één uur; - zijn er maatregelen getroffen opdat het waterpeil (van waar het water ook moge komen, met inbegrip van het bluswater van de brandbestrijding) beneden het peil van de vitale gedeelten van de elektrische installatie zou blijven. Indien, voor het geheel van de apparaten, de hoeveelheid brandbaar diëlectricum 50 L of meer bedraagt, zijn de voorschriften die bedoeld zijn in de Belgische norm NBN C18-200 van toepassing. 5.3.2. Ter plaatse gemonteerde kabine. De ter plaatse gemonteerde kabine is ingebouwd in een daartoe bestemd lokaal. Tenzij het een buiteningang is, is de toegang tot dit lokaal voorzien van een zelfsluitende deur met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur. De automatische uitschakelaars zijn van het droge type of hebben een geringe olie-inhoud. 5.3.3. Geprefabriceerde kabines. Een geprefabriceerde kabine vormt een volledig gepantserd blok, in overeenstemming met de voorschriften van het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming », en dient niet geïnstalleerd te worden in een daarvoor speciaal bestemd lokaal. Iedere toegang tot het lokaal waar de geprefabriceerde kabine ligt, voldoet aan de voorschriften van lid 5.2.2. 5.3.4. Transformatoren met P.C.B. De transformator wordt gelegd in een dichte kuip of in een lokaal dat een dichte kuip vormt. Het volume van de kuip is gelijk aan 1,2 keer het volume van P.C.B. dat opgesloten is in de transformator. 5.4. De binnenshuis gelegen garages en parkeerruimten. De binnenshuis gelegen garages en parkeerruimten zijn van de andere gebouwen en lokalen gescheiden door wanden met een weerstand tegen brand van minstens twee uur of één uur naargelang deze gebouwen en lokalen van het type 2 of 1 zijn. Elke toegang tot de binnenshuis gelegen garages en parkeerruimten vanuit de andere lokalen van de gebouwen waarin deze liggen, gebeurt door een opening die voorzien is van een zelfsluitende deur en die men slechts kan openen in de richting van de evacuatie, met een weerstand tegen brand van ten minste één uur, indien het gebouw waarvan sprake van het type 1 is; deze weerstand tegen brand moet slechts ten minste een half uur bedragen indien dit gebouw van het type 2 is. 5.5. Huisvuilstortmantelbuizen. Zijn verboden. 5.6. Mantelbuizen. 5.6.1. Verticale mantelbuizen. Behalve in de hierna bedoelde gevallen, hebben de wanden van de verticale mantelbuizen die leidingen bevatten, een weerstand tegen brand van ten minste één uur. De toegangspanelen en de toezichtdeurtjes hebben een weerstand tegen brand van ten minste een half uur. In de gebouwen van het type 2 zijn de bovenvermelde mantelbuizen, op het niveau van elke verdieping, in compartimenten verdeeld door horizontale schermen die vervaardigd zijn uit materialen van klasse A0, overeenkomstig bijlage 5 van het K.B. van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, die de door de leidingen vrij gelaten ruimte innemen. Wanneer de aard of de bestemming van de verticale mantelbuizen het aanbrengen van schermen op elk niveau onmogelijk maakt, dan hebben de wanden van deze mantelbuizen een weerstand tegen brand van ten minste twee uur; de wanden van de toegangspanelen en de toezichtdeurtjes moeten een weerstand tegen brand van ten minste één uur hebben. Dergelijke mantelbuizen zijn ruim verlucht aan hun bovenkant. De normale toegangen tot de mantelbuizen voor de afvoer van linnen en bordenliften zijn voorzien van luiken met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur. Deze luiken zijn uitgerust met een automatisch sluitingssysteem, waarbij die voortdurend gesloten zijn, zolang er geen gebruik van gemaakt wordt. De mantelbuizen waarvan de wanden overeenstemmen met voorgenoemde voorschriften wat betreft de weerstand tegen brand, mogen gelegd zijn in de bij evacuatie te gebruiken trappenhuizen maar mogen daar niet openen. Wat betreft de mantelbuizen die gebruikt worden als ventilatiepijpen of voor het op- en neergaan van de liften, wordt verwezen naar de voorschriften betreffende de betrokken uitrustingen. 5.6.2. Horizontale mantelbuizen. De wanden van de horizontale mantelbuizen hebben een graad van weerstand tegen brand die ten minste gelijk is aan de hoogste graad van de wanden waar ze door gaan. De horizontale mantelbuizen mogen de oorspronkelijke Wb-graad van de wanden waar ze door gaan, in geen geval verzwakken. Alle mantelbuizen zijn vervaardigd uit materialen van klasse A0 overeenkomstig bijlage 5 van het K.B. van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. 5.7. Gemeenschappelijke keukens. 5.7.1. De keukens en de keukens-restaurants die gelegen zijn in gebouwen die andere lokalen bestemd voor de bewoners bevatten, zijn van deze lokalen afgescheiden door wanden met een weerstand tegen brand van ten minste één uur. Tenzij deze openingen in de wanden rechtstreeks buiten uitkomen, zijn ze voorzien van zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren of luiken met een weerstand tegen brand van ten minste één uur. Voornoemde deuren moeten openen in de richting van de evacuatie. 5.7.2. Bakovens en vloeistofverwarmers zijn gelegd op draagsteunen van klasse A0 overeenkomstig bijlage 5 van het K.B. van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. Bovendien, als de wanden vlakbij die toestellen niet gebouwd of bekleed zijn met materialen van klasse A0, die slechte warmtegeleiders zijn, overeenkomstig voornoemde bijlage 5, dan zijn deze toestellen zo ver gelegen van de wanden dat de temperatuur van laatstgenoemde niet hoger kan zijn dan 90 °C. 5.7.3. Afvoerkanalen voor verbrandingsgassen en dampen. De afvoerkanalen voor verbrandingsgassen en dampen zijn vervaardigd uit materialen van klasse A0 overeenkomstig bijlage 5 van het K.B. van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. De dichtheid van deze kanalen wordt verzekerd tot een temperatuur van 800 °C. De verbrandingsgassen en dampen worden langs deze kanalen, die niet mogen verbonden zijn met andere leidingen, uit het gebouw gedreven. De niet-geïsoleerde kanalen liggen ten minste 45 cm van elk niet-afgeschermd brandbaar materiaal. De binnenzijde van de kanalen is glad en weerstaat aan de werking van scheikundige produkten die normaal in de af te voeren verbrandingsgassen en dampen aanwezig zijn. De kanalen moeten gemakkelijk kunnen worden gereinigd. Te dien einde zijn er eventueel openingen in aangebracht. Met uitzondering van de gemeenschappelijke keukens, zijn de kanalen die uit de keukens komen, ofwel aan de buitenkant van de gebouwen stevig vastgemaakt, hetzij in mantelbuizen gezet waarin geen andere leidingen lopen en waarvan de wanden een weerstand tegen brand hebben van ten minste twee uur. In dit laatste geval hebben de deurtjes of de toegangsdeuren voor het nazicht en de reiniging een weerstand tegen brand van ten minste één uur. 5.8. Opslagplaats voor huisvuil. Dit lokaal voldoet aan de volgende voorschriften : - het wordt ruim geventileerd door openingen die rechtstreeks naar buiten uitkomen; - de binnenwanden zijn Wb 1 u; - de binnendeuren zijn Wb 1/2 u en zijn zelfsluitend; - die lokaal is voorzien van een automatisch hydraulisch blussingssysteem. Die voorschriften mogen niet van toepassing zijn op de instellingen onder de volgende voorwaarden : - het huisvuil wordt opgeslagen in een metalen container met een zelfsluitend deksel; - de container wordt alleen te dien einde gebruikt en is gelegen op minstens 5 m van elke opening van ieder gebouw. 6. Uitrusting van de instellingen Algemene voorschriften betreffende de certificatie van uitrustingen en installaties : Gelet op de wet van 20 juli 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/1990 pub. 10/06/2010 numac 2010000325 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 20/07/1990 pub. 02/12/2010 numac 2010000669 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de voorlopige hechtenis Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 20/07/1990 pub. 26/05/2011 numac 2011000307 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de accreditatie van certificatie- en keuringsinstellingen, alsmede van beproevingslaboratoria en het koninklijk besluit van 6 september 1993 tot oprichting van een accreditatiesysteem van certificatie-instellingen en tot vaststelling van de accreditatieprocedures overeenkomstig de criteria van de normen van de reeks NBN-EN 45000 : Voor zover de certificatie van de betrokken installateurs, installaties et (
  17. of)materieel bestaat binnen een termijn van 2 jaar voorafgaande aan de aanleg van de installatie of het gebruik van het materieel : - De installaties en (
  18. of)het materieel dat in de instelling gebruikt of vervangen wordt, moeten gecertificeerd worden door een certificatie-instelling, die geaccrediteerd is als certificatie-instelling voor produkten, overeenkomstig het BELCERT-systeem of volgens een wijze van certificatie die in een ander Lidstaat van de Europese Unie gelijkwaardig is;bij gebrek aan certificatie moeten ze voldoen aan de algemene criteria opgenomen in de NBN EN 45011. - De installaties en (
  19. of)het materieel dat in de instelling gebruikt of vervangen wordt, moeten gelegd worden door installateurs gecertificeerd door een certificatie-instelling, die geaccrediteerd is als certificatie-instelling voor produkten, overeenkomstig het BELCERT-systeem of volgens een wijze van certificatie die in een ander Lidstaat van de Europese Unie gelijkwaardig is; bij gebrek aan certificatie moeten ze voldoen aan de algemene criteria die opgenomen zijn in de NBN EN 45013. 6.1. Liften en goederenliften. 6.1.1. Algemene voorschriften die toepasselijk zijn op liften en goederenliften : 6.1.1.1. De installaties, schachten en machinekamers zijn opgericht overeenkomstig de voorschriften van het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming ». Dit voorschrift wordt uitgebreid, ter aanvulling van de voorschriften van het artikel 28 van het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming », aan alle in dit besluit bedoelde instellingen, die al dan niet personeelsleden tewerkstellen. 6.1.1.2. Het geheel dat gevormd wordt door één of verschillende schacht(
  20. en)en door hun toegangsbordessen, die het sas moeten vormen, wordt omringd met wanden met een weerstand tegen brand van ten minste één uur. 6.1.1.3. De deuren naar de bordessen die het sas moeten afsluiten, zijn Wb 1/2 u en zelfsluitend. 6.1.1.4. De gehelen van portaaldeuren hebben een weerstand tegen brand van ten minste een half uur, overeenkomstig de norm NBN 713-020 en haar addendum, zonder rekening te houden van het criterium van thermische isolatie. 6.1.1.5. De portaaldeuren zijn voorzien van een zelfsluitend en veiligheidssysteem zodanig dat hun sluiting niet verhindert wordt door de aanwezigheid van rook. 6.1.1.6. Geen enkel blusapparaat mag in het schacht voorkomen. 6.1.1.7. De schacht moet behoorlijk geventileerd worden. Het mag niet gebruikt worden om andere lokalen te ventileren als degene die bestemd zijn voor de liftdienst. Het bovengedeelte van de schacht moet voorzien zijn van ventilatieopeningen naar buiten met een minimale oppervlakte van 1 % van de horizontale doorsnede van de schacht, hetzij rechtstreeks, hetzij door de machine- of riemschijfkamer. 6.1.1.8. In geval van alarm worden de liften automatisch teruggeroepen naar het evacuatieniveau en worden ze stopgezet. De deuren van de liften met een automatische opening worden opengehouden. 6.1.1.9. Indien zij voorzien zijn van branddetectors, moeten die aangepast worden aan het elektrisch materiaal, stabiel in de tijd zijn en degelijk beschermd zijn tegen toevallige stoten. 6.1.2. Algemene voorschriften betreffende de door de NBN E 52-014 bedoelde elektrische liften en de goederenliften met een opgehangen kooi : 6.1.2.1. De machinekamers liggen boven of naast de schachten of aan het bovenste gedeelte ervan. De wanden die deze kamers afzonderen van de andere lokalen hebben een weerstand tegen brand van ten minste één uur. 6.1.2.2. Indien men langs de deur of de valdeur van de machinekamer in het gebouw kan binnentreden, dan heeft zij een weerstand tegen brand van ten minste een half uur en is ze zelfsluitend. Zij is gewoonlijk vergrendeld. Een bakje met glazen ruit moet vlakbij liggen met de sleutel. 6.1.2.3. De machinekamers en de schachten moeten voorzien zijn van een natuurlijke ventilatie met een ventilatiegat voor buitenlucht. De ventilatieopeningen hebben een minimale doorsnede van 1 % van de horizontale doorsnede van de overeenstemmende schacht. 6.1.2.4. Wanneer de machinekamers op verschillende niveaus liggen, zijn de schachten die met elk niveau overeenstemmen, afgescheiden door wanden met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur. 6.1.3. Bijzondere voorschriften voor de door de norm NBN E 52-018 bedoelde hydraulische liften : 6.1.3.1. De machinekamer is afgezonderd van de schacht en ligt aan de onderkant daarvan (onderaan, zijdelings of achteraan). Haar wanden hebben een weerstand tegen brand van ten minste één uur. De toegang gebeurt langs een zelfsluitende deur met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur. Zij is gewoonlijk vergrendeld. Een bakje met glazen ruit moet vlakbij liggen met de sleutel. 6.1.3.2. De machinekamer moet voorzien zijn van een natuurlijke ventilatie met een ventilatiegat voor buitenlucht. De ventilatieopeningen hebben een minimale doorsnede van 1 % van de horizontale doorsnede van het lokaal. 6.1.3.3. De drempel van de deuren naar de machinekamer is verhoogd zodat de zo gevormde bak ten minste 1,2 maal de oliecapaciteit kan bevatten. 6.1.3.4. De elektrische apparatuur alsook de elektrische en hydraulische leidingen die door de machinekamer naar de schacht lopen, liggen hoger dan het niveau dat de in de machinekamer uitvloeiende olie kan bereiken. 6.1.3.5. De ruimte rond de opening waardoor deze leidingen lopen is afgestopt met een toestel dat ten minste dezelfde Wb heeft als de overeenstemmende wand. 6.1.3.6. Een thermo-onderbreking is voorzien in het oliebad en in de wikkelingen van de motor die de pomp aandrijft. Minimale kenmerken van de olie : - Bliksempunt in open vat : 190 °C. - Zelfontbrandingspunt : 350 °C. 6.1.3.7. Een onverplaatsbaar blusapparaat met een capaciteit in verhouding met de hoeveelheid gebruikte olie en met het volume van de machinekamer, is boven de machine gelegd. Het wordt in gang gebracht door een temperatuurvoeler. De informatie betreffende de uitschakeling van de installatie wordt overgebracht naar de branddetector. 6.1.4. Bijzondere voorschriften voor goederenliften : 6.1.4.1. De installatie van een sas is niet noodzakelijk als een Wb 1/2 u-zelfsluitende deur is gelegd tegen de opening die tegenover de portaaldeuren aangebracht is. 6.1.4.2. In akkoord met de territoriaal bevoegde Brandweer, zal kunnen afgeweken worden van de verplichting een ventilatiegat voor buitenlucht aan te brengen voor de ventilatie van de machineschachten- en kamers voor zover wordt voldaan aan de voorschriften van lid 6.1.1.2. als een ventilatiegat voor binnenlucht moet worden aangebracht. 6.2. Elektrische installaties voor drijfkracht, verlichting en signalisatie. 6.2.1. Algemene inleiding. 6.2.1.1. De installaties zijn opgericht overeenkomstig de voorschriften van het « Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties », alsook overeenkomstig de in § 6.2. opgenomen voorschriften. 6.2.1.2. De kunstmatige verlichting moet elektrisch zijn. 6.2.2. De leidingen die stroom leveren voor : - de veiligheidsverlichting (behoudens de autonome blokken); - de installaties voor meldingen, waarschuwingen en alarm; - de machinerie van de liften die prioritair worden opgeroepen; - de ontrookinrichtingen; - de pompen voor waterbevoorrading van de installaties voor brandbestrijding, zijn, zo mogelijk, zodanig gelegd dat het gevaar aan uitvallen verdeeld is. Bovendien zijn deze leidingen verwijderd van de lokalen die een bijzonder brandgevaar inhouden, zoals stookplaatsen, keukens, bergplaatsen, enz. De voornoemde leidingen zijn : - ofwel van klasse F3 volgens de Belgische norm NBN C 30-004; - ofwel beschermd om gedurende een half uur te voldoen aan de voorwaarden waaronder de weerstand tegen brand van de Belgische norm NBN 713-020 wordt bewezen; - ofwel gedurende een half uur conform het addendum nr. 3 van de norm NBN 713-020, d.w.z. dat gedurende een half uur ze voor de voorziening van de elektrische toestellen zorgen. In akkoord met de territoriaal bevoegde Brandweer mogen die voorschriften niet van toepassing zijn op de ontrookinstallaties die in positieve veiligheid werken. Die vereisten zijn niet van toepassing op de kabels waarbij de branddetectors en de eventuele drukknoppen zijn verbonden met een branddetectiecentrale. 6.2.3. Toestellen. 6.2.3.1. De apparatuur en de gebruikstoestellen moeten voldoende veiligheidswaarborgen bieden. Deze vereiste wordt als voldoende beschouwd wat betreft onder meer de apparatuur en de gebruikstoestellen die aan Belgische normen voldoen. 6.2.3.2. De toestellen die zorgen voor de normale kunstmatige verlichting van de bij evacuatie gebruikte ruimten, zijn vastgehecht. Als ze van een uurwerk afhangen, moet men zorgen voor een progressieve storing van de verlichting zodanig dat die opnieuw mag aangestoken worden zonder ooit in de duisternis te zijn. 6.2.4. Autonome stroombronnen. De veiligheidsverlichting, alsook de elektrische meldings- en alarminstallaties, worden gevoed door één of meerdere autonome stroombronnen, waarvan het vermogen groot genoeg is om al de erop aangesloten installaties gelijktijdig te laten werken. Zodra de normale voorziening in elektrische stroom uitvalt, moeten de autonome stroombronnen : - automatisch stroom leveren voor de erop aangesloten apparaten; - binnen de minuut volop kunnen werken, dit gedurende minstens één uur na de onderbreking van de normale stroomlevering. 6.2.5. Veiligheidsverlichting. De volgende plekken moeten voorzien zijn van veiligheidsverlichting : - de evacuatiewegen waar de signalisatie betreffende de evacuatie en de brandbestrijdingsmiddelen ook moet worden verlicht, - bordessen, - liftkooien en -machinerie, - grote gemeenschappelijke lokalen (refters, vergaderzalen, zalen voor de eredienst,...) - stookplaatsen, - keukens, - hoogspanningsstations, schakelborden voor de verdeling van de elektrische energie op elke verdieping en voor branddetectie, - lokalen waarin de autonome stroombronnen alsook de brandbestrijdingsinstallaties en -materieel liggen. De installatie en de inrichting van de toestellen stemmen overeen met de voorschriften van de norm NBN L 13-005 « Veiligheidsverlichting in de gebouwen : fotometrische en colorimetrische voorschriften », NBN C 71-100 « Onderhoudsmaatregelen en instructies voor controle en onderhoud ». Zodra de stroomlevering van het netwerk ontbreekt, zorgt(zorgen) de autonome stroombron(nen) automatisch en onmiddellijk voor de werking van bovenvermelde installaties gedurende één uur. De veiligheidsverlichting mag geleverd worden door autonome blokken als de volgende voorwaarden in acht worden genomen : - De autonome blokken zijn verbonden met het/de circuit(
  21. s)die het betrokken lokaal voorzien van verlichting. - De autonome blokken stemmen overeen met CEI EN 60598-2-22 « Autonome blokken voor veiligheidsverlichting ». 6.3. Installaties bevoorraad met brandbaar gas dat lichter is dan de lucht en dat langs leidingen wordt gevoerd. 6.3.1. De installaties stemmen overeen met : - het koninklijk besluit van 28 juni 1971 betreffende de te treffen veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en de exploitatie van installaties voor gasdistributie door middel van leidingen; - de Belgische norm NBN D 51-003 en D 51-004. Installaties bevoorraad in brandbaar gas dat lichter is dan de lucht en dat langs leidingen wordt gevoerd; - de Belgische norm NBN D 51-001. Lokalen voor opslagplaatsen van aardgas; - de voorschriften die in § 6.3. opgenomen zijn. 6.3.2. Aansluiting op het distributienet. Op elke buis waarbij de instelling aangesloten wordt op het distributienet, is een afsluitkraan gelegd buiten de gebouwen en buiten hun toegangen. De plaats waar deze kraan(kranen) ligt (liggen) is gemakkelijk te vinden. 6.3.3. Voeringen. De voeringen zijn onafgebroken en hebben een voldoende mechanische weerstand. Ze zijn verplicht voor alle buizen in de wanddoorvoering. Geen andere leiding mag de voering van een gasbuis gebruiken. 6.3.4. Gebruikstoestellen. De buisleiding van de gebruikstoestellen bestaat uitsluitend uit onbuigbare elementen. Zonder dat men daarom niet meer verplicht is een stopkraan op de aanvoerbuis van elk gebruiktoestel te plaatsen wanneer verschillende gebruikstoestellen in eenzelfde lokaal zijn geïnstalleerd, wordt een verdelingskraan gelegd op de buisleiding die het geheel van deze toestellen bevoorraadt. Deze gemakkelijk bereikbare kraan ligt op minder dan 15 m van het eerste bediende toestel. Alle noodzakelijke maatregelen zijn getroffen opdat deze kraan enkel in geval van noodzaak zou kunnen worden gebruikt. De toestellen stemmen overeen met het koninklijk besluit van 3 juli 1992 betreffende de veiligheid van gastoestellen. Alle verwarmings- en kooktoestellen die verbonden zijn met de gasinstallatie, zijn voorzien van veiligheidsthermoëlementen. 6.4. Installaties met vloeibaar gemaakte petroleumgassen. 6.4.1. Algemene inleiding. 6.4.1.1. De installaties met vloeibaar gemaakte petroleumgassen voldoen aan de desbetreffende voorschriften, normen, vakmanskunst, technische eisen en richtlijnen. 6.4.1.2. De hulpstukken zoals kranen, kleppen, deksels, veiligheidsventielen, ontspanners, enz., zijn geschikt voor het gebruik van vloeibaar gemaakte petroleumgassen. 6.4.1.3. Het gebruik van commerciële butaan in verplaatsbare flessen is verboden. 6.4.1.4. In de gebouwen bedraagt de maximaal toegelaten bedrijfsdruk 1,5 bar. 6.4.1.5. In de gebouwen is de installatie zodanig opgericht dat, zelfs per ongeluk, de druk in de leidingen de bedrijfsdruk niet overschrijdt met meer dan 50 %. 6.4.1.6. Een afsluitkraan ligt vlakbij de plaats waar de leiding het gebouw binnenkomt. Deze afsluitkraan moet buiten het gebouw en zijn ingangen liggen. De plaats waar deze kraan ligt is gemakkelijk te vinden. 6.4.1.7. De handelingen voor het plaatsen of vervangen van verplaatsbare recipiënten worden zo veilig mogelijk uitgevoerd. Na deze handelingen wordt de dichtheid van de buizen en koppelingen nagegaan. 6.4.2. Installaties die gas in vaste reservoirs gebruiken. 6.4.2.1. Ongeacht hun inhoud, voldoen de opslagplaatsen met vaste reservoirs voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen aan de voorschriften van het desbetreffende koninklijk besluit van 21 oktober 1968. 6.4.2.2. Op grond van het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming » wordt bovendien een machtiging vereist voor opslagplaatsen met vaste reservoirs met een inhoud van 300 liter en meer (gemeten in liter water). Onverminderd de voorschriften van voormelde paragraaf, moeten deze opslagplaatsen ook voldoen aan de eventuele vereisten van de machtigingsbesluiten. 6.4.2.3. De gebouwen met lokalen die bestemd zijn voor bewoners, zijn zowel verwijderd of gescheiden van de eventuele verdampingsinfiltraties als van andere gebouwen of door derden bewoonde lokalen. 6.4.3. Installaties die gas in verplaatsbare recipiënten gebruiken. 6.4.3.1. De verplaatsbare recipiënten voldoen aan de voorschriften van het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming ». 6.4.3.2. De opslagplaatsen met verplaatsbare recipiënten met een totale inhoud (in liter water) van 500 liter of meer moeten gemachtigd zijn overeenkomstig het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming » en moeten voldoen aan de eventuele vereisten van de machtigingsbesluiten. 6.4.3.3. Veiligheidsmaatregelen voor verplaatsbare recipiënten 6.4.3.3.1. De verplaatsbare recipiënten mogen niet in de gebouwen gelegd worden. Buiten de gebouwen zijn zij op minstens 1,5 m van vensters en 2,5 m van deuren gelegd. 6.4.3.3.2. De verplaatsbare recipiënten staan steeds rechtop, op een niveau dat niet lager ligt dan de omliggende grond, en op minstens 2,5 m afstand van elke kelderopening of ingang naar een ondergrondse plek. Zij moeten tegen omvallen beschermd zijn. 6.4.3.3.3. Gemakkelijk brandbare stoffen, met inbegrip van droog gras en onkruid, mogen niet opgestapeld worden op minder dan 2,5 m van de verplaatsbare recipiënten. 6.4.3.3.4. Verplaatsbare recipiënten met hun toestellen zijn beschermd tegen weer en wind. Elke schuilplaats of lokaal waarin ze eventueel geïnstalleerd zijn : - mogen enkel vervaardigd zijn uit ontbrandbare materialen; - zijn voorzien van een goede ventilatie, zowel onderaan als bovenaan. 6.4.3.3.5. Kopelling van de verplaatsbare recipiënten aan de distributieleiding. Ten einde het leeglopen van de leiding bij het vervangen van een leeg recipiënt door een vol te vermijden, is een afsluitsysteem aangebracht op de leiding van elke verplaatsbare recipiënt. Dit apparaat mag bestaan hetzij uit een klep of een terugslapklep, hetzij uit een omkeerklep als de voorziening langs twee recipiënten gebeurt. 6.4.4. Leidingen. 6.4.4.1. De leidingen zijn vervaardigd uit buizen van naadloos staal, koper of koperlegering, sterk genoeg om te weerstaan aan een bedrijfsdruk van 20 bar. De buisstukken waaruit de distributieleiding bestaat, zijn aan elkaar gezet door : - autogeenlassing; - een soldeernaad waarvan het smeltpunt van het mengsel op minstens 500 °C ligt. Nochtans wordt het gebruik toegelaten van mechanische koppelingen die bestemd zijn voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen, in hoeverre dit nodig is voor het demonteren en hermonteren. 6.4.4.2. De distributieleidingen moeten binnen de gebouwen zo gelegd zijn, dat zij over hun ganse lengte kunnen geïnspecteerd worden, behalve daar waar zij in voeringen moeten gelegd zijn, overeenkomstig lid 6.4.4.5.. Doeltreffende maatregelen zijn getroffen om deze leidingen te beschermen tegen corrosie. 6.4.4.3. De leidingen mogen niet gelegd zijn : - in de kanalen voor afvoer van rook of verbrandingsgassen, zelfs als deze niet gebruikt worden; - in de schachten van de liften, lasten- of bordenliften; - in de mantelbuizen voor het waslinnen; - in de ventilatie- of verwarmingsmantelbuizen. Zij mogen evenmin door voormelde kanalisaties of mantelbuizen lopen, noch door watergoten of rioolmonden. De distributieleidingen zijn gelegd op minstens 5 cm afstand van andere kanalisaties en mogen niet in verbinding staan met de afvoerkanalen voor rook en verbrandingsgassen. 6.4.4.4. De distributieleidingen mogen niet door ruimten lopen waar een lek bijzonder gevaarlijk kan zijn, hetzij door de bestemming van deze ruimte, hetzij door hun onvoldoende ventilatie. Indien dit nochtans niet kan vermeden worden, mogen de buizen van geen enkel mechanisch koppelstuk voorzien zijn over heel de lengte waarvan sprake. 6.4.4.5. Voeringen De voeringen zijn uit één stuk en hebben een voldoende mechanische weerstand. Zij zijn verplicht voor alle leidingen die door wanden steken. De voeringen voor de gasdistributie mogen geen andere leiding bevatten. 6.4.5. Gebruikstoestellen. 6.4.5.1. Voor de voorziening van de gebruikstoestellen worden enkel onbuigzame buizen gebruikt. Op de aanvoerleiding van elk gebruikstoestel staat een stopkraan. Deze kraan moet gemakkelijk bereikbaar zijn en ligt vlakbij het bediende toestel. Een verdeelkraan is op de algemene voedingsleiding gelegd, wanneer meerdere gebruiksapparaten in één lokaal gegroepeerd zijn. Deze kraan is gemakkelijk te bereiken en ligt op minder dan 15 m van het eerste toestel. De nodige maatregelen zijn getroffen opdat deze kraan enkel in geval van noodzaak zou kunnen gebruikt worden. 6.4.5.2. Elk gebruikstoestel is aangepast aan de aard en druk van het gas. De toestellen komen overeen met het koninklijk besluit van 3 juli 1992 betreffende de veiligheid van gastoestellen. Alle verwarmings- en kooktoestellen die zijn verbonden met de gasinstallatie, zijn voorzien van veiligheidsthermoëlementen. 6.4.5.3. In de lokalen waar één of meer toestellen zijn geïnstalleerd, zijn afdoende maatregelen getroffen, niet alleen voor een goede ventilatie, maar ook voor : - een voldoende aanvoer van verse lucht, om de lucht te vervangen die door de gasverbranding werd opgebruikt; - een voldoende afvoer van de verbrandingsgassen buiten de gebouwen. Afvoerleidingen zorgen voor het uitdrijven van de verbrandingsprodukten die voortkomen uit de in de keukens gebruikte toestellen. Deze leidingen voldoen aan de voorschriften van lid 5.6.3. 6.5. Installaties voor verwarming en klimaatregeling. 6.5.1. Algemene inleiding. 6.5.1.1. Terminologie. 6.5.1.1.1. Installatie van centrale verwarming : verwarmingsinstallatie waarvan de warmtebron(nen) de energie van een fluïdum opvoert, en deze vervolgens overbrengt naar de lokalen die moeten worden verwarmd. 6.5.1.1.2. Lokaal verwarmingsapparaat : toestel met een warmtebron dat geïnstalleerd is in het te verwarmen lokaal. 6.5.1.1.3. Centrale installatie voor klimaatregeling : regelingsinstallatie waarbij de verwerkte lucht vervoerd wordt naar de verschillende lokalen die moeten worden geklimatiseerd of verlucht. 6.5.1.2. De centrale verwarmings- of klimaatregelingsinstallaties voldoen aan de voorschriften, grondregels van de bouwkunst en technische richtlijnen betreffende de centrale verwarming, de ventilatie en de klimaatregeling, die op de datum van oprichting van de installaties van kracht zijn. 6.5.2. Centrale verwarmingsinstallaties. 6.5.2.1. De warmtebronnen zijn opgericht in stookplaatsen die voldoen aan de vereisten van § 5.2. 6.5.2.2. De warmtebronnen met automatische ontsteking waarin een vloeibare brandstof gebruikt wordt, zijn uitgerust met veiligheidstoestellen overeenkomstig de norm EN 230 « Verstuivingsstookoliebrander uit één stuk - veiligheids-, aandrijvings- en regelingsvoorschriften » en EN 264 « Veiligheidsvoorschriften voor verbrandingsinstallaties die vloeibare brandstoffen gebruiken - veiligheidsvereisten - proeven ». 6.5.2.3. De warmtebronnen met een automatische ontsteking die een brandbaar gas gebruiken, zijn uitgerust met een toestel : - dat de toevoer van brandstof naar de brander automatisch afsluit bij het stilvallen van de brander, bij oververhitting of overdruk in de wisselaar; - dat alle toevoer van brandstof afsluit bij toevallig uitdoven van de waakvlam. De toestellen stemmen overeen met het koninklijk besluit van 3 juli 1992 betreffende de veiligheid van gastoestellen. 6.5.2.4. Centrale verwarmingsinstallaties met warme lucht. 6.5.2.4.1. In de warmtebronnen heeft de lucht voortdurend een hogere druk dan het gas dat circuleert in de ketelhaard. 6.5.2.4.2. Niet toegelaten worden : - de verwarming met rechtstreekse verbranding in de rond te stuwen lucht; - de verwarming met een uitwisseling van warmte met een vloeistof of stoom waarvan de temperatuur hoger is dan 180°C. 6.5.3. Plaatselijke verwarmingstoestellen. De plaatselijke toestellen die zorgen voor bijkomende of aanvullende verwarming, werken elektrisch en voldoen aan volgende vereisten : - er mag geen enkel contact zijn, zelfs toevallig, tussen om het even welk voorwerp en de verwarmende weerstanden; - de temperatuur van de lucht aan de uitlaat mag niet hoger zijn dan 80 °C; - de temperatuur van de uitwendige en bereikbare delen van het toestel mag in geen geval hoger zijn dan 70 °C. 6.5.4. Centrale installaties voor klimaatregeling. De groepen voor de luchtbehandeling zijn geïnstalleerd in daarvoor bestemde lokalen en voldoen aan de voorschriften van § 5.2. Bovendien zijn maatregelen getroffen om te vermijden dat dampen van de koelvloeistof rechtstreeks of onrechtstreeks andere lokalen van de inrichting zouden doordringen. 6.5.5. Gemeenschappelijke voorschriften : Die voorschriften zijn van toepassing op de installaties voor verwarming door warme lucht en op de centrale klimaatregelingsinstallaties. 6.5.5.1. De leidingen voor de luchtcirculatie zijn vervaardigd uit materialen van klasse A0 overeenkomstig bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/07/1994 pub. 24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. 6.5.5.2. De gevoerde lucht mag niet voortkomen uit de stookplaatsen, noch uit lokalen waar bijzonder brandgevaar bestaat. 6.5.5.3. Om te vermijden dat, bij brand, de rook de nog niet door het vuur aangetaste lokalen zou doordringen langs de luchtleidingen, zijn aangepaste toestellen gelegd. 6.5.5.4. Waar de gebruikte leidingen de bediende lokalen doordringen, mag de temperatuur van de gevoerde lucht niet hoger zijn dan 80 °C. 6.5.5.5. Bij abnormale stijging van de temperatuur van het verwarmde fluïdum, legt een veiligheidstoestel de ventilatoren stil, en al naar gelang het geval : - dooft de warmtebron of zet de waakvlam aan van de warmtegeneratoren; - snijdt de elektrische stroom af van de groepen voor luchtbehandeling. Dit automatisch mechanisme is ontdubbeld door handbedieningen die oordeelkundig op ten minste twee plaatsen van de inrichting zijn gelegd. Deze handbedieningen zijn gelegd buiten de lokalen waar de stookplaats of de groep voor luchtbehandeling zijn geïnstalleerd. Bovendien is één van de handbedieningen opgericht in een lokaal of ruimte die rechtstreeks van buitenuit kan betreden worden. Panelen in het wit met rode letters of tekens : - duiden de plaats aan waar de voornoemde handbedieningen liggen; - verstrekken de nodige inlichtingen om deze handbedieningen te kunnen gebruiken en om eventueel andere acties te kunnen verrichten. 6.5.5.6. De gedeelten van de luchtomloop in « onderdruk », zoals filterkamers, schachten, enz., zijn voldoende dicht om de insijpeling van rook en gassen te voorkomen uit de lokalen waarlangs de omloop is geleid. 6.5.5.7. De elektrische motoren zijn gemakkelijk bereikbaar voor onderhoud. Wanneer een motor geïnstalleerd is in de luchtomloop, heeft hij ten minste een bescherming IP4 X (NBN C 20-001). Bovendien zijn de wikkelingen beschermd door een ingebouwde thermische beveiliging die de aanvoer van elektrische stroom naar de motor afsnijdt bij oververhitting. De ingebouwde thermische beveiliging is niet vereist voor motoren van 0,36 KW en minder. 6.5.5.8. De mondingen voor het aanzuigen of afvoeren van lucht naar buiten zijn zodanig gelegd dat geen vast brandbaar bestanddeel kan indringen en dat het brandgevaar van buiten vermeden wordt. Deze mondingen worden beschermd door tralies of corrosievrij maaswerk. 6.5.5.9. Verwarmingsmonden, luchtverspreiders of afzuigmonden zijn op minstens 0,08 m boven de afgewerkte vloer gelegd. Deze mondingen zijn op dezelfde wijze beschermd als bedoeld in lid 6.5.5.8. De bepalingen van het vorig lid zijn echter niet van toepassing op de monden die, in vergaderzalen, toneelzalen en conferencielokalen, enz., in de afgewerkte planken vloer kunnen worden gelegd. Die monden zijn dan niet alleen uitgerust met het hiervoor beschreven tralie- of maaswerk maar ook met een metalen korf met dezelfde oppervlakte als de beschermde monden. 6.6. Installaties voor branddetectie, melding, waarschuwing, alarm en brandblusmiddelen. 6.6.1. Algemene inleiding 6.6.1.1. Alle inrichtingen zijn uitgerust met een installatie voor detectie van brand alsook met toestellen of middelen voor melding, waarschuwing, alarm en brandblussing. 6.6.1.2. De detectie-installaties waarmee de inrichtingen zijn uitgerust, zijn veralgemeende installaties voor automatische branddetectie door punctuele voelers, die overeenstemmen met de Belgische norm NBN S 21-100. 6.6.1.3. Aantal, keuze en ligging van de toestellen en middelen voor brandmelding, waarschuwing, alarm en blussing 6.6.1.3.1. Het aantal en de keuze van de toestellen of middelen zijn onder meer bepaald door de inplanting van de inrichting, het aantal bewoonde niveaus, de afmetingen, de toestand en de bestemming van de inrichting, in akkoord met de territoriaal bevoegde Brandweer. De toestellen zijn zodanig verdeeld dat elk punt van de betrokken plaats kan worden bediend. 6.6.1.3.2. De toestellen en middelen waarvoor een menselijke handeling nodig is, zijn op zichtbare en gemakkelijk te vinden plaatsen gelegd, die in alle omstandigheden zonder moeite bereikbaar zijn. Ze zijn zodanig geïnstalleerd dat het verkeer niet gehinderd wordt en dat ze niet beschadigd of omgestoten kunnen worden. De toestellen en middelen die buiten gelegd of geïnstalleerd zijn, zijn zo nodig tegen weer en wind beschut. 6.6.2. Brandmelding. 6.6.2.1. Vanuit elk compartiment moet de ontdekking of de detectie van brand onverwijld aan de brandweer meegedeeld kunnen worden. 6.6.2.2. De nodige verbindingen zijn op elk ogenblik verzekerd door telefoon- of elektrische lijnen, of door elk ander systeem dat dezelfde werkingszekerheid en gebruiksfaciliteiten biedt. 6.6.2.3. Elk toestel waardoor de verbinding tot stand kan worden gebracht en waarvoor een menselijke tussenkomst nodig is, is voorzien van een bericht dat inlichtingen over zijn bestemming en gebruik bevat. Indien het om een telefoontoestel gaat, staat het oproepnummer vermeld, behalve als de verbinding rechtstreeks of automatisch is. 6.6.3. Waarschuwing De waarschuwingsberichten of -signalen zijn waarneembaar door elke betrokken persoon, onder meer door de leden van het waakpersoneel en het personeel van de eventuele inwendige veiligheidsdienst. Die signalen of berichten mogen geen verwarring veroorzaken met andere, in het bijzonder met de alarmsignalen of -berichten. 6.6.4. Alarm 6.6.4.1. De alarmsignalen of -berichten zijn waarneembaar door elke betrokken persoon. Die signalen of berichten mogen geen verwarring veroorzaken met andere, in het bijzonder met de waarschuwingssignalen of -berichten. In elk geval moten ze de bewoners kunnen wekken. 6.6.4.2. Vanwege de omvang van de inrichting, wordt het bevel waarbij die geheel of gedeeltelijk wordt geëvacueerd, gegeven door de alarminstallaties. 6.6.5. Blusmiddelen. 6.6.5.1. Algemene inleiding. 6.6.5.1.1. Het aantal en de keuze van blusmiddelen van elk type worden bepaald in akkoord met de territoriaal bevoegde Brandweer die, wat betreft de blus- en watervoorzieningsmiddelen, mag toelaten dat volgende voorschriften slechts gedeeltelijk uitgevoerd worden. 6.6.5.1.2. De apparaten en installaties bieden voldoende waarborgen voor een goede werking. Die vereiste wordt beschouwd als voldaan wat betreft, onder meer, de apparaten en installaties die overeenstemmen met een Belgische norm. 6.6.5.2. Blusapparaten. De blusapparaten stemmen overeen, volgens hun type en capaciteit, met één van de Belgische norme NBN S 21-011 tot 19. Een draagbare snelblusser is gelegd vlakbij elke haspel met axiale voeding, waarvan de installatie eventueel verplicht is. In alle gevallen moet elke verdieping beschikken over ten minste één draagbaar blusapparaat. Vanwege de bijzondere risico's die sommige lokalen, technische ruimten of installaties bieden, zoals stookplaatsen, hoogspanningskabines, machinekamers van liften, friteuses, enz., zijn een voldoende aantal blusapparaten gelegd of geïnstalleerd in oordeelkundig gekozen plaatsen. De capaciteit en het type van de in deze paragraaf bedoelde snelblussers zijn aangepast aan de betrokken risico. 6.6.5.3. Muurhaspels met axiale voeding en muurhydranten. 6.6.5.3.1. De toestellen waarvan sprake stemmen overeen met de betrokken norm, d.w.z. hetzij de Belgische norm NBN EN-671-1 m.b.t. muurhaspels met axiale voeding, hetzij de Belgische norm NBN 571 m.b.t. muurhydranten. 6.6.5.3.2. De eventuele muurhaspels met axiale voeding en muurhydranten zijn gegroepeerd en hebben een gemeenschappelijke watervoorziening. 6.6.5.3.3. De leiding die deze muurhaspels met water onder druk voedt, heeft een voldoende binnendiameter voor de debieten die bedoeld zijn in de norm aan de uitlaat van de minst begunstigde lans onder een druk van ten minste 2,5 bar. 6.6.5.3.4. De voedingsdruk is zodanig dat de resterende druk aan de uitlaat van de minst begunstigde lans ten minste 2,5 bar bedraagt wanneer het net 500 liter per minuut afgeeft in de ongunstigste voorwaarden. De installatie moet een minimaal uurdebiet afgeven van 30 m3 tijdens ten minste twee uur. 6.6.5.3.5. De toestellen worden zonder voorafgaaande handeling met water onder druk gevoed. De algemene afsluiters en alle tussenafsluiters zijn in de open stand verzegeld. De voedingskanalisaties zijn binnen het gebouw vervaardigd uit roestvast of gegalvaniseerd staal of uit koper. De kanalisaties zijn zorgvuldig beschermd tegen vorst. Om de gevaren en de hinder te voorkomen die hun breuk met zich zou brengen, zijn de leidingen voorzien van het strikt onontbeerlijk aantal afsluitkranen of aftapkranen. Aan de voet van elke verticale leiding zijn, vlakbij hun verbinding met de hoofdleiding, een afsluitkraan en een aftapkraan gelegd om die leiding desnoods te kunnen isoleren of ledigen. De aanduidingen in verband met de richting waarin de afsluit- en aftapkranen openen, zijn duidelijk vermeld op de handwielen of krukken die de werking van die toestellen bedienen. Ten einde de druk van het water op die twee punten van de installatie op elk ogenblik te kunnen meten, is een manometer met een controledriewegkraan gelegd vlakbij de algemene sluiter en een tweede voorbij het hoogste toestel ten opzichte van de vloer. Dank zij die manometers kunnen drukken gelezen worden tot 10 bar met een nauwkeurigheid van 0,2 bar. 6.6.5.4. Brandkranen of hydranten. 6.6.5.4.1. De brandkranen of hydranten worden gevoed door de openbare voorziening van water onder druk met een debiet van ten minste 800 liter per minuut. Indien de openbare voorziening aan dat debiet niet kan voldoen, dient men beroep te doen op andere voorzieningsbronnen waarvan de minimale capaciteit 100 m3 bedraagt. 6.6.5.4.2. Er is ten minste één brandkraan of hydrant vlabij elke inrichting. Het aantal en de ligging van de brandkranen of hydranten zijn zo dat de naaste brandkraan of hydrant ten minste 100 m ligt van de ingang van het gebouw. Er wordt gezorgd voor een signalisatie die overeenstemt met de omzendbrief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van 10.10.1975 betreffende de watervoorziening voor brandblussing. Bij gebrek daaraan zal een watervoorrad met een inhoud van 100 m3 beschikbaar zijn op minder dan 50 m van de inrichting. 6.6.5.4.3. De brandkranen of hydranten zijn geïnstalleerd in de voetpaden van de straten, pleinen, binnenplaatsen, enz., op plaatsen die gelegen zijn op minstens 0,60 m van de banen, wegen of doorgangen waarop autovoertuigen kunnen rijden en parkeren. 6.6.5.5. Vaste en automatische blusinstallaties. In de stookplaatsen waar één of verschillende warmtebronnen in gebruik zijn die met een vloeibare brandstof gevoed worden, zijn deze bronnen uitgerust met een automatisch blussysteem gekoppeld aan toestellen die, als zij in werking treden, de aanvoer van brandstof en elke energiebron uitschakelen in de stookplaats waar brand is uitgebroken. In keuken-restaurantcomplexen is elk vast frituurtoestel uitgerust met een vaste en automatische blusinstallatie die gekoppeld is aan een apparaat waarbij de voeding in warmte-energie van het frituurtoestel wordt onderbroken. De in dit artikel bedoelde automatische blussingsinstallaties zijn uitgerust met een waarschuwingssysteem dat gekoppeld is aan de branddetectie. HOOFDSTUK 3. - Onderhoud, controle en bewoning 7. Onderhoud en controle. 7.1. Algemene inleiding. 7.1.1. De technische uitrusting van de inrichting wordt in goede staat gehouden. 7.1.2. De Directie van de inrichting zorgt ervoor dat de in paragrafen 7 en 8 van hoofdstuk III bedoelde keuringen, bezoeken en controles uitgevoerd worden en dat proces-verbalen hiervan worden opgemaakt. Een exemplaar daarvan blijft in het bezit van de Directie, één wordt gestuurd aan de Minister die bevoegd is voor de erkenning van rusthuizen voor bejaarden, en één wordt gestuurd aan de burgemeester van de gemeente waar de instelling gevestigd is. 7.2. Liften en goederenliften. De liften en goederenliften zijn gekeurd en bezocht overeenkomstig de bepalingen van het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming ». Dit voorschrift betreft ook al de in dit besluit bedoelde instellingen, die al dan niet personeelsleden tewerkstellen, ter aanvulling van de bepalingen van artikel 28 van het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming ». 7.3. Elektrische installaties voor drijfkracht, verlichting en signalisatie. De elektrische installaties, met inbegrip van de installaties voor veiligheidsverlichting, zijn gekeurd en bezocht door een instelling die door het Ministerie van Economische Zaken erkend is, overeenkomstig de bepalingen bedoeld in het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming », het « Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties » en de bijzondere bepalingen die in voornoemde bijlage opgenomen zijn : - bij hun inbedrijfstelling, alsook wanneer belangrijke wijzigingen worden aangebracht; - één keer per jaar voor alle installaties. Die voorschriften betreffen ook al de in dit besluit bedoelde inrichtingen, die al dan niet personeelsleden tewerkstellen, ter aanvulling van de bepalingen van artikel 28 van het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming ». 7.4. Installaties met brandbaar gas dat langs openbare leidingen wordt gevoerd. 7.4.1. Vóór de inbedrijfstelling van een installatie of een gedeeltelijk vernieuwde installatie, wordt deze nagezien overeenkomstig de voorschriften van het koninklijk besluit van 28 juni 1971 betreffende de te nemen veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en bij de exploitatie van installaties voor gasdistributie door middel van leidingen. 7.4.2. Bovendien worden alle nieuwe installaties en alle belangrijke wijzigingen van een installatie onderworpen, alvorens de bestrijking en de schildering op het nieuwe gedeelte en/of het gewijzigde gedeelte aan te brengen, aan de volgende consecutieve controles : - een controle van de leidingen : nadat de verdeelmeters en de afsluitkranen zijn ontkoppeld, terwijl de buizen zijn dichtgestopt, worden de leidingen onderworpen aan een drukproef waarbij de druk minstens gelijk is aan tienmaal de maximaal toegelaten bedrijfsdruk, terwijl al de koppelingen, verbindingen, lasnaden, enz., ingesmeerd worden met een schuimend produkt. De proef wordt gunstig geacht als geen enkele luchtbel verschijnt en als geen enkele drukverlaging waargenomen wordt in de installatie. - een controle van de koppeling van de apparaten : de dichtheid van de terug aangekoppelde afsluitkranen en verdeelmeters wordt nagezien door een drukproef waarbij de druk minstens gelijk is aan de maximaal toegelaten bedrijfsdruk, terwijl deze kranen en koppelingen van de meters ingesmeerd worden met een schuimend produkt. De proef wordt gunstig geacht als geen enkele luchtbel verschijnt en als geen enkele drukverlaging waargenomen wordt in de installatie. In beide gevallen wordt de drukproef uitgevoerd d.m.v. een inert gas. Elke proef duurt minstens twintig minuten. - een onderzoek van de op de installatie aangekoppelde apparaten (overeenstemming met de veiligheidsvoorschriften, met name de voldoende ventilatie van het lokaal). Bovendien bevat het examen van de apparaten een proef van het afspannen van de thermo-elementen (sluitduur bij vlamonderbreking). - een onderzoek van de afvoerpijpen van de verbrande gassen van de apparaten : staat, trek, dichtheid, vastmaking, uitmonding in de open lucht in een depressiezone... De voormelde controles moeten uitgevoerd worden door een daartoe uitgerust organisme dat onafhankelijk van de installateur is. De uitslagen van alle uitgevoerde testen worden opgetekend in het proces-verbaal, opgesteld na de beëindiging van de proeven. 7.4.3. De nieuwe geplaatste verbruikstoestellen worden vóór hun ingebruikstelling getest door een bevoegde installateur die nagaat of ze goed werken. 7.4.4. Minstens één keer per jaar worden de installaties nagezien door een bevoegde installateur of een daartoe uitgerust organisme. Deze inspectie omvat o.m. : - het nazicht en de reiniging van de branders; - het nazicht van de beschermings- en regelingsinrichtingen; - het nazicht van de dichtheid van de installatie; - de inspectie en zo nodig de reiniging van de afvoerpijpen van de verbrandingsgassen. 7.4.5. Om de drie jaar wordt de dichtheid van de toestellen en leidingen nagezien door een daartoe uitgerust organisme dat onafhankelijk van de installateur is. Deze controle bestaat uit : - het onderzoek van de installatie : leidingen, afsluitkleppen, haspels en diverse onderdelen om na te gaan of de werken en de apparatuur uitgevoerd worden overeenkomstig het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming » en de normen NBN D 51-003 en D 51-004. - een dichtheidsproef op al de installatie, die bestaat uit : - een drukproef d.m.v. inert gas met een kraan voor het afsluiten van de gesloten apparaten. Deze drukproef wordt uitgevoerd met een druk die gelijk is aan tweemaal de bedrijfsdruk, zonder de maximale bedrijfsdruk te overschrijden die toegelaten is door sommige op de installatie bestaande sluitapparaten. De proef duurt minstens twintig minuten. Tijdens de proef worden alle koppelingen, afsluitkleppen en onderdelen van de installatie met zeepwater ingesmeerd om de plaats van een eventuele lekkage te bepalen. De proef wordt gunstig geacht als geen drukverlaging tijdens deze waargenomen wordt. -een drukproef d.m.v. inert gas met een kraan voor het afsluiten van de open apparaten. Deze drukproef wordt uitgevoerd met de bedrijfsdruk. De proef duurt minstens twintig minuten. Tijdens de proef worden alle koppelingen, afsluitkleppen en onderdelen, die stroomafwaarts van de afsluitkranen gelegen zijn, met zeepwater ingesmeerd om de plaats van een eventuele lekkage te bepalen. De proef wordt gunstig geacht als geen drukverlaging tijdens deze waargenomen wordt. - een onderzoek van de op de installatie aangekoppelde apparaten (overeenstemming met de veiligheidsvoorschriften, met name de voldoende ventilatie van het lokaal). Bovendien bevat het examen van de apparaten een proef van het afspannen van de thermo-elementen (sluitduur bij vlamonderbreking). - een onderzoek van de afvoerpijpen van de verbrande gassen van de apparaten : staat, trek, dichtheid, vastmaking, uitmonding in de open lucht in een depressiezone... 7.5. Installaties met vloeibaar gemaakte petroleumgassen. 7.5.1. Vooraleer de installatie in gebruik genomen wordt : - wordt de leiding aan een drukproef onderworpen waarbij de druk minstens gelijk is aan anderhalve keer de maximale bedrijfsdruk. De proefdruk mag in geen geval minder dan 3 bar zijn. Het onder druk zetten gebeurt uitsluitend d.m.v. inert gas. De proef duurt minstens twintig minuten. - Indien de proefdruk meer bedraagt dan de maximale druk die

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.