← België

Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake

Kort samengevat

Dit besluit van de Vlaamse Regering wijzigt verschillende bestaande besluiten over milieuhygiëne, afvalbeheer en dierlijke bijproducten. Het doel is om regels te actualiseren, te verduidelijken en aan te passen aan nieuwe inzichten en Europese verordeningen.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
22 MAART 2019. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 12/12/2008 pub. 10/02/2009 numac 2009035107 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid sluiten tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 17/02/2012 pub. 23/05/2012 numac 2012035464 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen sluiten tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen en het besluit van de Vlaamse Regering van 21 juni 2013Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/12/2007 pub. 29/02/2008 numac 2008035341 bron vlaamse overheid Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI « Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen » type decreet prom. 21/12/2007 pub. 31/12/2007 numac 2007037369 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2008 type decreet prom. 21/12/2007 pub. 12/02/2008 numac 2008035231 bron vlaamse overheid Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XV Milieuschade, tot omzetting van de Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende de milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade sluiten0 betreffende dierlijke bijproducten en afgeleide producten VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING Betreft: Ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 12/12/2008 pub. 10/02/2009 numac 2009035107 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid sluiten tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 17/02/2012 pub. 23/05/2012 numac 2012035464 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen sluiten tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen en het besluit van de Vlaamse Regering van 21 juni 2013Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/12/2007 pub. 29/02/2008 numac 2008035341 bron vlaamse overheid Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI « Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen » type decreet prom. 21/12/2007 pub. 31/12/2007 numac 2007037369 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2008 type decreet prom. 21/12/2007 pub. 12/02/2008 numac 2008035231 bron vlaamse overheid Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XV Milieuschade, tot omzetting van de Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende de milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade sluiten0 betreffende dierlijke bijproducten en afgeleide producten Algemene toelichting Het ontwerp van besluit strekt er toe het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 17/02/2012 pub. 23/05/2012 numac 2012035464 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen sluiten tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA) en het besluit van de Vlaamse Regering van 21 juni 2013Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/12/2007 pub. 29/02/2008 numac 2008035341 bron vlaamse overheid Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI « Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen » type decreet prom. 21/12/2007 pub. 31/12/2007 numac 2007037369 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2008 type decreet prom. 21/12/2007 pub. 12/02/2008 numac 2008035231 bron vlaamse overheid Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XV Milieuschade, tot omzetting van de Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende de milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade sluiten0 betreffende dierlijke bijproducten en afgeleide producten op verschillende punten te wijzigen. Ook bijlage VIII van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 12/12/2008 pub. 10/02/2009 numac 2009035107 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid sluiten tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid wordt integraal vervangen. Deze wijzigingen hebben betrekking op: - de lijst met aanduiding van de milieu-inbreuken in het VLAREMA wordt geactualiseerd; - het aanvullen en corrigeren van de definitielijst; - het afstemmen van de normen voor het gebruik van afvalstoffen als bouwstoffen op de normen van het VLAREBO voor bouwkundig bodemgebruik; - het toevoegen van infraroodspectroscopie als testmethode voor pak's in asfaltgranulaat; - het vervangen van milieubeleidsovereenkomst en individueel afvalpreventie- en afvalbeheersplan door respectievelijk aanvaardingsplichtconvenant en individueel aanvaardingsplichtplan; - het duidelijker afbakenen van de verplichte gratis ophaling van batterijen bij verschillende specifieke inrichtingen in het kader van de aanvaardingsplicht batterijen; - het toevoegen van gevaarlijke eigenschap HP 14 ecotoxiciteit als uitvoering van de Verordening 2017/1997; - het aanpassen van de doelstellingen voor de verwerking van afvalolie ingezameld in uitvoering van de aanvaardingsplicht; - het invoeren van de verplichte selectieve inzameling van organisch-biologische afvalstromen bij middelgrote en grote afvalproducenten, met name "keukenafval en etensresten" en "voormalige voedingsresten" vanaf 1 januari 2021; - het uitbreiden van de selectieve inzameling van gft-afval met keukenafval bij huishoudens; - het aanpassen van de stort- en verbrandingsverboden; - het toevoegen van een bijkomende voorwaarde voor de erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen; - het beter afbakenen van de uitzondering op de erkenningsplicht voor centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen voor inrichtingen die op zeer kleine schaal afgedankte voertuigen demonteren; - het invoeren van een verbod op het gratis ter beschikking stellen van lichte plastic draagtassen voor eenmalig gebruik; - het toevoegen van voorwaarden voor het gebruik van cateringmateriaal; - het toevoegen van voorwaarden voor het gebruik van kunststoffen afvalzakken; - het toevoegen van voorwaarden voor het gebruik van stickers op groenten en fruit; - het toevoegen van een uitzondering op het identificatieformulier voor afvalproducenten die de eigen bedrijfsafvalstoffen afvoeren naar een vergund collectief inzamelpunt op het eigen bedrijventerrein; - het toevoegen van een uitzondering op de registratie als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar voor het kringloopcentrum en hergebruikscentrum dat een visuele voorselectie op AEEA heeft gedaan en dit afvoert naar een hergebruikscentrum voor AEEA met het oog op de voorbereiding voor hergebruik van dit AEEA; - het aanpassen van de voorwaarden voor de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar bij het inzamelen, handelen en makelen van bedrijfsrestafval; - het aanpassen van de bijkomende voorwaarden voor de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar gecombineerd met een aanpassing in VLAREM II door het toevoegen van een non-conformiteitsprocedure bij de aanvaarding van afval door een vergunde inrichting; - het digitaliseren van de werkprocessen bij de OVAM, evenals de communicatie met de OVAM, voor kennisgevingen in het kader van Verordening 1013/2006; - het corrigeren van de bepalingen voor de vervoerder van dierlijke bijproducten in het besluit dierlijke bijproducten; - een aantal kleine redactionele of inhoudelijke aanpassingen of verduidelijkingen. Artikelsgewijze bespreking Artikel 1 geeft aan welke richtlijnen in dit besluit (gedeeltelijk) worden omgezet. Artikel 2 wijzigt artikel 5.2.1.2, § 5, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne. Deze aanpassing komt er naar aanleiding van het nieuwe project `bron- en nasortering' en het daarbij georganiseerde sectoroverleg. Zowel de laatste sorteeranalyse op bedrijfsrestafval als verschillende handhavingsacties hebben aangetoond dat er nog veel afval door inzamelaars van restafval wordt meegenomen dat eigenlijk onder de sorteerplicht voor bedrijven valt. Verderop in de keten komt dit afval terecht bij de verbrandingsinstallaties. De invoering van de verplichting van een non-conformiteitsprocedure in VLAREM II moet samen gelezen worden met de aanpassingen in artikel 6.1.1.4 van het VLAREMA. Daarin worden de inzamelaars van bedrijfsrestafval bijkomend verplicht om een visuele controle uit te voeren van de restafvalcontainers van hun klanten en om een duidelijke non-conformiteitsprocedure te hebben waarbij de klant gewezen wordt op zijn sorteerfouten. Deze bijkomende bepalingen verduidelijken wat er precies verwacht wordt van de inzamelaars bij de acceptatie van restafval bij inzamelrondes. Het is evenwel belangrijk dat de acceptatie-vereisten bij de inzamelrondes bij de afvalstoffenproducenten enerzijds en de acceptatie-vereisten bij het aanvaarden van afval op vergunde inrichtingen anderzijds zoveel mogelijk samensporen. Daarom wordt in VLAREM II een non-conformiteitsprocedure verplicht. Artikel 3 vervangt integraal de bijlage VIII van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 12/12/2008 pub. 10/02/2009 numac 2009035107 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid sluiten tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Deze bijlage VIII bevat een oplijsting van alle milieu-inbreuken in het VLAREMA en wordt nu volledig geactualiseerd en ook in overeenstemming gebracht met de wijzigingen die met dit wijzigingsbesluit zullen doorgevoerd worden. Artikel 4 bevat een aanvulling van artikel 1.1.1, eerste lid, waarbij de richtlijnen die bij dit besluit worden omgezet, worden opgenomen. Artikel 5 bevat een aantal aanpassingen en correcties van de definities opgenomen in artikel 1.2.1, § 2. Het betreft onder meer: - de vervanging van de term "afgewerkte olie" door "afvalolie" omdat deze term duidelijker is en in de sector gehanteerd wordt. Inhoudelijk is de betekenis van beide termen hetzelfde; - de aanpassing van de definitie "bouwstof". Deze definitie wordt scherper gesteld en duidelijker afgebakend; - de vervanging van de term "containerpark" door "recyclagepark" omdat deze term ook gewijzigd wordt in VLAREM II, zoals vermeld in het ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu en landbouw zoals principieel goedgekeurd op 20 juli 2018. De term "recyclagepark" wordt ook gebruikt in het Uitvoeringsplan huishoudelijk afval en gelijkaardig bedrijfsafval; - de aanpassing van de definitie van gft-afval en de toevoeging van nieuwe definities voor "keukenafval en etensresten" en "organisch-biologisch bedrijfsafval" overeenkomstig het Uitvoeringsplan huishoudelijk afval en gelijkaardig bedrijfsafval. Dit gebeurt in uitvoering van de actie 32 waardoor gft-afval wordt uitgebreid met keukenafval. En in uitvoering van actie 34 worden de definities voor "keukenafval en etensresten", "organisch-biologisch bedrijfsafval" en "levensmiddelenafval" toegevoegd om de nieuwe verplicht selectief in te zamelen bedrijfsafvalstoffen duidelijk te definiëren; - de correctie van de verwijzingen in de definities "geneeskundige praktijk" en "instelling voor verzorging"; - de toevoeging van een nieuwe definitie voor "sorteerzeefpuin" als verduidelijking van de bepaling over de sorteerinrichtingen voor bouw- en sloopafval en om de bepaling af te stemmen op de terminologie gebruikt in het eenheidsreglement; - de toevoeging van een aantal paragrafen met definities omtrent cateringmateriaal, bereide levensmiddelen, draagtassen en afvalzakken. Artikel 6 stemt de normen voor het gebruik van afvalstoffen als bouwstoffen op de normen van het VLAREBO voor bouwkundig bodemgebruik en vervangt het derde lid van artikel 2.3.2.1, § 2. Met de aanpassing van de bestaande bepalingen in het derde lid van § 2 wordt het mogelijk om bij onduidelijke resultaten bij het gebruik van de pak-spray-test infraroodspectroscopie (IRS) toe te passen. Dit laat toe om op een eenvoudige en snelle manier de aanwezigheid van pak's vast te stellen. Als ook de infraroodspectroscopie onduidelijke resultaten zou opleveren dan is een gaschromatografische massaspectroscopie (GC-MS) door een VLAREL-erkend laboratorium alsnog vereist. De mogelijkheid wordt ook geboden om met IRS deze bepaling te doen zonder vooraf een pakspraytest toe te passen. Vanaf 1 mei 2019 zal het niet langer mogelijk zijn om pakhoudend asfaltgranulaat in hydraulische mengsels met cement aan te wenden in funderingen. Hierdoor is het belangrijk dat er testmethodes beschikbaar zijn die een vlotte detectie mogelijk maakt, zodat een beslissing over behandeling en afvoer van de afvalstoffen naar de juiste bestemming snel kan genomen worden op het terrein. Indien asfaltgranulaat pak's bevat kan dit materiaal afgevoerd worden voor thermische reiniging om het teer uit de materiaalketen te halen. Artikel 7 wijzigt artikel 2.3.2.2. De term "uitgesorteerd puin" wordt vervangen door "sorteerzeefpuin" waarvoor ook in artikel 1.2.1, § 2, een definitie is toegevoegd. Deze aanpassing is een verduidelijking van de gebruikte terminologie die geen inhoudelijke aanpassing inhoudt. Artikel 8 wijzigt artikel 2.4.2.4 door de woorden "aangetekende brief" te vervangen door "beveiligde zending". Artikel 9 wijzigt artikel 2.4.3.1 door de woorden "aangetekende brief" te vervangen door "beveiligde zending". Artikel 10 wijzigt artikel 3.1.1. De term "afgewerkte olie" wordt vervangen door "afvalolie" omdat deze term duidelijker is en in de sector gehanteerd wordt. Inhoudelijk is de betekenis van beide termen hetzelfde. Artikel 11 wijzigt artikel 3.2.1.1. "Milieubeleidsovereenkomst" en "individueel afvalpreventie- en afvalbeheerplan" worden vervangen door respectievelijk "aanvaardingsplichtconvenant" en "individueel aanvaardingsplichtplan". Uit de ervaringen sinds 1997 met de huidige wijze van verdere invulling van de aanvaardingsplicht via een milieubeleidsovereenkomst is gebleken dat de goedkeuringsprocedure voor een milieubeleidsovereenkomst vaak meer dan 2 jaar in beslag neemt (vanaf de startnota tot ondertekening) terwijl een milieubeleidsovereenkomst meestal slechts geldig is gedurende 5 jaar. Hierdoor bevindt men zich bijna permanent in een onderhandelingssituatie en de resultaten van de lopende milieubeleidsovereenkomst kunnen nauwelijks gevaloriseerd worden in de aanzet naar een volgende milieubeleidsovereenkomst. Vaak zijn er ook periodes zonder een milieubeleidsovereenkomst. Deze zware procedure voor milieubeleidsovereenkomst voor een collectief systeem staat niet in verhouding tot de procedure voor een individueel afvalpreventie- en afvalbeheerplan waarbij een bedrijf ervoor kiest om op individueel niveau aan de aanvaardingsplicht te voldoen. Het wettelijk kader van de milieubeleidsovereenkomsten is opgemaakt met het oog op situaties waarin beleidsinitiatieven genomen worden bij gebrek aan wettelijke regelingen inzake de spelregels en de doelstellingen. Precies om die reden is een uitgebreide procedure voorzien die de nadruk legt op inspraak en transparantie. In het kader van het beleid inzake de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid heeft de Vlaamse Regering de maatregelen echter reeds reglementair uitgewerkt. In dergelijke situatie moet het dan ook mogelijk zijn om via een convenant op een meer flexibele manier verder uitvoering te geven aan de door de Regering opgelegde maatregelen. In paragraaf 2 van artikel 3.2.1.1 wordt de term "containerpark" vervangen door de term "recyclagepark". Artikel 12 wijzigt artikel 3.2.1.2. In paragraaf 1 en 2 van artikel 3.2.1.2 worden de termen "milieubeleidsovereenkomst" en "individueel afvalpreventie- en afvalbeheerplan" vervangen door respectievelijk "aanvaardingsplichtconvenant" en "individuele aanvaardingsplichtplan" zonder wijziging aan de inhoud van de respectievelijke instrumenten. In paragraaf 2, eerste lid, 1°, worden ook maatregelen voor ecodesign en voor het hoogwaardig sluiten van de kringloop bovenop de vastgelegde inzamel- en verwerkingsdoelstellingen toegevoegd. Er wordt bovendien een paragraaf 1/1 in dit artikel ingevoegd dat de producent die onder de aanvaardingsplicht valt, duidelijk stelt hoe hij als producent kan voldoen aan de aanvaardingsplicht: door zelf te beschikken over een door de OVAM goedgekeurd aanvaardingsplichtplan of door aangesloten te zijn bij een beheersorganisme dat voldoet aan de verplichtingen in de wetgeving en in de afgesloten aanvaardingsplichtconvenant. Artikel 13 wijzigt artikel 3.2.1.3, § 1, door de termen "milieubeleidsovereenkomst" en "individueel afvalpreventie- en afvalbeheerplan" te vervangen door respectievelijk "aanvaardingsplichtconvenant" en "individuele aanvaardingsplichtplan". Artikel 14 wijzigt artikel 3.2.1.4, § 3, door de termen "milieubeleidsovereenkomst" en "individueel afvalpreventie- en afvalbeheerplan" te vervangen door respectievelijk "aanvaardingsplichtconvenant" en "individuele aanvaardingsplichtplan". Artikel 15 vervangt het opschrift van onderafdeling 3.2.2 door het opschrift "Onderafdeling 3.2.2. Collectieve invulling van de aanvaardingsplicht". Artikel 16 vervangt artikel 3.2.2.1. Dit artikel is inhoudelijk vergelijkbaar met de huidige inhoud van artikel 3.2.2.1. De eerste paragraaf legt opnieuw de link tussen de collectieve invulling van een aanvaardingsplicht en een beheersorganisme. De aanwijzing van één of meer beheersorganismen is een voorwaarde om een aanvaardingsplichtconvenant af te sluiten. Het beheersorganisme is een rechtspersoon die in naam van de aangesloten producenten uitvoering geeft aan hun aanvaardingsplicht. Paragraaf 2 legt een aantal voorwaarden op aan een beheersorganisme. Deze voorwaarden zijn vergelijkbaar met de voorwaarden die het Interregionaal Samenwerkingsakkoord oplegt aan erkende organismen voor verpakkingsafval en die ook in het Waalse en Brusselse Hoofdstedelijke Gewest worden opgelegd aan soortgelijke organismen. Een beheersorganisme moet aan volgende voorwaarden voldoen: - opgericht zijn conform de wet van 27 juni 1921Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/06/1921 pub. 19/08/2013 numac 2013000498 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen; - tot statutair doel hebben het ten laste nemen van de aanvaardingsplicht voor de aangesloten producenten; - de beheerders moeten hun burgerlijke en politieke rechten bezitten en mogen de laatste vijf jaar niet veroordeeld zijn voor een inbreuk op de milieuwetgeving; - over de nodige financiële, personele en technische middelen beschikken; - het grondgebied waarop hun leden actief zijn op homogene wijze bedienen. Paragraaf 3 wijzigt de datum voor het indienen van het jaarlijks actieplan van 1 oktober naar 15 november. De datum van 1 oktober was moeilijk haalbaar en een latere datum laat een betere inschatting toe van het komende jaar. Gezien de OVAM 30 dagen heeft om goedkeuring te verlenen kan dit nog het lopende jaar worden afgerond. Paragraaf 4 wijzigt om dezelfde redenen de datum voor voorleggen voor advies van het financieel plan naar 15 november. Bovendien wordt een opsomming gegeven van wat minstens moet worden opgenomen in het financieel plan: - het budget; - de berekening van eventuele bijdragen; - het beleid inzake reserves en provisies; - de financiering van eventuele verliezen; - de wijze van financiering van afgedankte producten waarvan de producent niet meer actief is of geïdentificeerd kan worden; - het beleggingsbeleid. Bij de wijze van financiering wordt verduidelijkt dat de verantwoordelijkheid van het beheersorganisme beperkt is tot de producten die bij het heersorganisme zijn aangegeven bij het op de markt brengen. Indien dit niet kan nagegaan worden, dan moet het beheersorganisme financieren in overeenstemming tot het marktaandeel dat het beheersorganisme vertegenwoordigt. Daarnaast wordt toegevoegd dat in het budget als apart onderdeel moet worden opgenomen welke middelen het beheersorganisme voorziet voor preventie en voor het hoogwaardig sluiten van de kringloop bovenop de wettelijk vastgelegde inzamel- en verwerkingsdoelstellingen. Van het beheersorganisme wordt verwacht dat het een proactieve rol speelt in het stimuleren van de circulaire economie. Door dit als apart onderdeel van het budget op te nemen maakt men hun engagement ter zake zichtbaar. In de aanvaardingsplichtconvenant wordt onderhandeld over de ondergrens van dit aandeel afhankelijk van de mogelijkheden in de specifieke materiaalketen. In paragraaf 5 wordt toegevoegd dat indien het beheersorganisme de inzameling en verwerking organiseert, dit moet gebeuren conform bepaalde principes. Onder organiseren wordt verstaan dat het beheersorganisme opdrachten toewijst aan bepaalde operatoren. De beheersorganismen vallen niet onder de wetgeving overheidsopdrachten, maar om een goede werking te garanderen is het wel aangewezen dat enkele belangrijke principes worden nageleefd. Hieronder wordt verstaan: een ruime verspreiding van het lastenboek en een gunningsbeslissing die gebaseerd is op de in het lastenboek vastgelegde criteria. In de meeste milieubeleidsovereenkomsten zijn dergelijke richtlijnen reeds opgenomen, maar voor de rechtszekerheid worden deze principes nu wettelijk verankerd. Er wordt wel voorzien in een mogelijkheid om af te wijken van de verplichting om toe te wijzen op basis van een lastenboek in een aanvaardingsplichtconvenant. Mogelijke afwijkingsgronden zijn opdrachten met een beperkte marktwaarde of opdrachten waarvoor het aantal aanbieders dermate beperkt is dat een goede marktwerking niet gegarandeerd is. Deze principes moeten toegepast worden in het kader van een collectief systeem met aanvaardingsplichtconvenant. Ze zijn niet van toepassing indien de inzameling en/of verwerking door individuele producenten of door andere actoren op contractuele basis georganiseerd wordt. In de paragrafen 6, 7 en 8 worden geen inhoudelijke aanpassingen aangebracht. Alleen het begrip `milieubeleidsovereenkomst' wordt vervangen door `aanvaardingsplichtconvenant'. Artikel 17 voegt een nieuw artikel 3.2.2.1/1 toe, met name de algemene bepalingen voor het instrument `aanvaardingsplichtconvenant'. De eerste paragraaf benoemt de partijen die de aanvaardingsplichtconvenant moeten afsluiten: de OVAM en een of meerdere organisaties van ondernemingen die producenten vertegenwoordigen waarop de aanvaardingsplicht van toepassing is. Op vraag van beide actoren kunnen ook andere partijen aansluiten bij de convenant. Het tweede lid legt enkele voorwaarden op aan de organisaties die de convenant afsluiten. De tweede paragraaf omschrijft dat een aanvaardingsplichtconvenant niet op een minder strenge manier invulling kan geven aan de vastgelegde verplichtingen in het VLAREMA. Een aanvaardingsplichtconvenant stelt de basisprincipes vast voor de verdere invulling van de aanvaardingsplicht door de producenten, zonder veel in detail te treden. De derde paragraaf stelt dat de aanvaardingsplichtconvenant verbindend is voor de partijen. Omdat er soms onduidelijkheid bestaat over de afdwingbaarheid van convenanten wordt dit hier letterlijk opgenomen. Verplichtingen in de aanvaardingsplichtconvenant voor individuele producenten zijn ook bindend. Er wordt wel voorzien in een uitzondering voor producenten die op een andere wijze uitvoering geven aan de aanvaardingsplicht. Producenten die lid zijn van een organisatie die de aanvaardingsplichtconvenant heeft ondertekend, maar die toch op individuele basis of via een andere aanvaardingsplichtconvenant invulling geven aan hun aanvaardingsplicht, zijn uiteraard niet gebonden. De vierde paragraaf stelt dat voor de ondertekening van de aanvaardingsplichtconvenant een consultatie moet georganiseerd worden waarbij de belanghebbende partijen actief betrokken worden en de mogelijkheid krijgen om hun standpunt over de aanvaardingsplichtconvenant kenbaar te maken. Tot de belanghebbende partijen behoren minstens de actoren die een rol spelen bij de inzameling en de verwerking van de afvalstoffen (o.a. Go4Circle, Coberec, Interafval, Comeos,...). Via de consultatie kunnen ze wegen op de aanvaardingsplichtconvenant zonder dat ze direct betrokken zijn bij de onderhandelingen. Hiertoe zal de OVAM hen tijdig en op verschillende momenten tijdens de onderhandelingen raadplegen. De vijfde paragraaf bepaalt dat de convenant wordt gepubliceerd op de website van de OVAM. De zesde paragraaf handelt over de looptijd van een convenant. De looptijd moet opgenomen worden in de aanvaardingsplichtconvenant. De looptijd wordt vastgesteld op maximum 8 jaar. De looptijd kan wel eenmalig met 2 jaar verlengd worden. Dit laat toe om een convenant te laten doorlopen indien er na 8 jaar nog geen noodzaak is om een nieuwe convenant te onderhandelen. Voor een verlenging wordt opnieuw een consultatie voor de belanghebbende partijen georganiseerd. Het Vlaamse Gewest heeft steeds de mogelijkheid om de wetgeving aan te passen om te vermijden dat men in een situatie zou komen waarbij de sector niet bereid zou zijn om een nieuwe convenant te onderhandelen. Paragraaf 7 voorziet de mogelijkheid om de convenant gedurende de looptijd te wijzigen indien beide partijen dit wensen. De wijzigingen worden bekendgemaakt op de website van de OVAM. Paragraaf 8 schetst de mogelijkheden tot opzegging. Elke partij kan de convenant opzeggen mits een beveiligde zending en het respecteren van de afgesproken opzeggingstermijn die maximaal 1 jaar bedraagt. Artikel 18 wijzigt artikel 3.2.2.2, § 1, door de term "milieubeleidsovereenkomst" te vervangen door "aanvaardingsplichtconvenant". Artikel 19 vervangt het opschrift van onderafdeling 3.2.3 door het opschrift "Onderafdeling 3.2.3. Individuele invulling van de aanvaardingsplicht". Artikel 20 wijzigt artikel 3.2.3.1. Enerzijds wordt de term "individueel afvalpreventie- en afvalbeheersplan" in dit artikel vervangen door "individueel aanvaardingsplichtplan". En anderzijds, wordt er in het eerste lid aan punt 2° een punt d) toegevoegd dat de opsomming van de elementen van een aanvaardingsplichtplan bevat. Meer bepaald moet de producent garanderen dat er geen kosten zullen worden afgewenteld op andere producenten. Dit zou zich kunnen voordoen indien de producent er niet in zou slagen om alle afgedankte producten in te zamelen afkomstig van de producten die hij op de markt heeft gebracht. Deze afgedankte producten kunnen dan bijvoorbeeld door de eindgebruiker bij een gratis inzamelpunt (bijvoorbeeld recyclagepark, supermarkt) van het collectief systeem worden afgegeven. Dergelijke situatie moet maximaal vermeden worden. Indien een producent een aanvaardingsplichtplan indient dat invulling geeft aan artikel 3.2.1.2, kan op basis hiervan het plan afgekeurd worden als er een reëel gevaar bestaat dat kosten worden afgewenteld op andere producenten. Met het oog op een faire mededinging wordt deze voorwaarde toegevoegd. Artikel 21 wijzigt artikel 3.2.3.2 door de term "individueel afvalpreventie- en afvalbeheersplan" in dit artikel te vervangen door "individueel aanvaardingsplichtplan" en de term "aangetekende brief" door "beveiligde zending". Daarnaast wordt een punt 5° toegevoegd dat bepaalt dat elk goedgekeurd individueel aanvaardingsplicht plan gepubliceerd wordt op de website van de OVAM. De regels in het kader van de openbaarheid van bestuur zijn van toepassing. Artikel 22 wijzigt artikel 3.2.3.3 door de woorden "aangetekende brief" te vervangen door "beveiligde zending". Artikel 23 wijzigt artikel 3.2.3.4 door de term "individueel afvalpreventie- en afvalbeheersplan" in dit artikel te vervangen door "individueel aanvaardingsplichtplan" en de term "aangetekende brief" door "beveiligde zending". Artikel 24 wijzigt artikel 3.2.3.5 door de term "individueel afvalpreventie- en afvalbeheersplan" in dit artikel te vervangen door "individueel aanvaardingsplichtplan". Artikel 25 wijzigt artikel 3.4.2.2., § 2, 2°, door de term "afgewerkte olie" te vervangen door "afvalolie". Artikel 26 wijzigt artikel 3.4.2.3 door de termen "individuele afvalpreventie- en afvalbeheerplan" en "milieubeleidsovereenkomst" te vervangen door "individuele aanvaardingsplichtplan" en "aanvaardingsplichtconvenant". Artikel 27 wijzigt artikel 3.4.3.3 door de termen "individuele afvalpreventie- en afvalbeheerplan" en "milieubeleidsovereenkomst" te vervangen door "individuele aanvaardingsplichtplan" en "aanvaardingsplichtconvenant". Artikel 28 vervangt het vierde lid van artikel 3.4.5.3. Artikel 3.4.5.3 bepaalt de ophaalplicht van batterijen door de producent die onder de aanvaardingsplicht valt bij een aantal specifieke inrichtingen. De wijziging van artikel 3.4.5.3 houdt in dat specifiek voor voertuigen van het type M1/N1 (personenwagens en lichte bestelwagens) expliciet wordt vermeld dat deze inrichtingen erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen moeten betreffen. De omzetting van de Europese richtlijn 2000/53 betreffende autowrakken bepaalt namelijk dat inrichtingen voor de ontmanteling van voertuigen van het type M1/N1 erkend moeten zijn als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen. Beschikken over een vergunning, zoals in het huidige artikel 3.4.5.3, is een van de voorwaarden om erkend te kunnen worden. Voor andere voertuigtypes geldt wel enkel de vergunningsplicht. Hiervoor blijft de ophaalplicht van de batterijen gelden conform de laatst genoemde inrichtingen, met name de "inrichtingen die vergund zijn voor de ontmanteling van andere gebruiksgoederen.". Artikel 29 wijzigt artikel 3.4.5.4 door de termen "individuele afvalpreventie- en afvalbeheerplan" en "milieubeleidsovereenkomst" te vervangen door "individuele aanvaardingsplichtplan" en "aanvaardingsplichtconvenant". Artikel 30 wijzigt het opschrift van onderafdeling 3.4.6 door het opschrift "Onderafdeling 3.4.6. Afvalolie". Artikel 31 wijzigt artikel 3.4.6.1 door de term "afgewerkte olie" te vervangen door "afvalolie". Artikel 32 wijzigt artikel 3.4.6.2. Enerzijds wordt de term "afgewerkte olie" te vervangen door "afvalolie" en anderzijds de vermelde doelstellingen voor herraffinage en verbranding met energieterugwinning aangepast. Op 25 mei 2018 keurde de Vlaamse Regering de startnota voor de nieuwe milieubeleidsovereenkomst (MBO) afgewerkte olie (afvalolie) goed. De onderhandelingen voor de nieuwe MBO zijn momenteel lopende. In de nieuwe MBO zal de verwerkingsdoelstelling voor afvalolie worden aangescherpt. De sector is akkoord met de strengere verwerkingsdoelstelling, evenwel alleen op voorwaarde dat de nieuwe doelstelling ook onmiddellijk algemeen van toepassing is via het VLAREMA. De nieuwe verwerkingsdoelstelling is in overeenstemming met de recent goedgekeurde wijzigingen aan de kaderrichtlijn afvalstoffen (Richtlijn (EU) 2 18/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen). Artikel 33 wijzigt artikel 3.4.6.3 door de termen "individuele afvalpreventie- en afvalbeheerplan", "milieubeleidsovereenkomst" en "afgewerkte olie" te vervangen door "individuele aanvaardingsplichtplan", "aanvaardingsplichtconvenant" en "afvalolie". Artikel 34 wijzigt artikel 3.4.6.4 door de term "afgewerkte olie" te vervangen door "afvalolie". Artikel 35 wijzigt artikel 4.1.2, 6° en 16°, g), door de term "afgewerkte olie" te vervangen door "afvalolie". Artikel 36 wijzigt het tweede lid van artikel 4.1.3 door de gevaarlijke eigenschap HP 14 "ecotoxisch" toe te voegen. Deze wijziging is de omzetting van de laatste gevaarlijke eigenschap als gevolg van de Verordening 2017/1997 van de Raad van 8 juni 2017 tot wijziging van bijlage III bij Richtlijn 2008/98/EG. Artikel 37 wijzigt artikel 4.1.4 door de woorden "aangetekende brief" te vervangen door "beveiligde zending". Artikel 38 wijzigt artikel 4.3.2. In punt 10° wordt de term "afgewerkte olie" vervangen door "afvalolie". Daarnaast wordt in uitvoering van actie 34 van het Uitvoeringsplan huishoudelijk afval en gelijkaardig bedrijfsafval een punt 23° keukenafval en etensresten en een punt 24° levensmiddelenafval toegevoegd als verplicht selectief in te zamelen bedrijfsafvalstoffen voor grote en middelgrote producenten van organisch-biologisch bedrijfsafval. Voor de duidelijkheid voor zowel de betrokken producenten als voor de inzamelaars en de toezichthoudende overheden is een opsomming toegevoegd voor welke bedrijven deze inzamelplicht geldt. Deze toevoeging zorgt ervoor dat deze afvalstromen van het organisch-biologisch bedrijfsafval (OBA) dat door deze bedrijven geproduceerd wordt, apart moeten gehouden worden en ook apart aangeboden moeten worden voor inzameling. De wijze van afbakening van de OBA-producenten is gebaseerd op criteria die onomstotelijk en objectief kunnen worden vastgesteld. De criteria werden berekend op basis van de gemiddelde OBA-productie in deze specifieke categorieën en getoetst aan de minimum hoeveelheid OBA die wekelijks vrijkomt om een rendabele inzameling te organiseren. Daarom is het ook niet de bedoeling om bedrijven en scholen die alleen soep aanbieden, onder deze regeling te laten vallen. Het criterium van geproduceerde hoeveelheid keuken- en levensmiddelenafval is niet gebruikt omdat dit niet controleerbaar is. De inwerkingtreding voor deze bijkomende verplicht selectief in te zamelen afvalstromen wordt voorzien op 1 januari 2021 om de betrokken bedrijven de mogelijkheid te bieden om zich hierop voor te bereiden. Producenten van levensmiddelenafval en keukenafval die niet vermeld worden in deze opsomming, zullen vanaf 31 december 2023 verplicht worden om deze fracties selectief in te zamelen, overeenkomstig artikel 22 van de kaderrichtlijn afval. De kaderrichtlijn geeft in artikel 10, lid 3, de mogelijkheid onder bepaalde voorwaarden af te wijken van deze verplichting. De OVAM zal dit ter voorbereiding van de implementatie van deze verplichting en uiterlijk tegen 31 december 2021 onderzoeken. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State wordt de indeling in categorieën verantwoord. Het gemeenschappelijk criterium over alle sectoren heen bestaat uit de minimale hoeveelheid OBA die wekelijks wordt geproduceerd. Deze werd vastgelegd op 80 kg/week (of ca. 4 ton op jaarbasis). Dit gemeenschappelijke criterium garandeert een gelijke behandeling van alle betrokken producenten. Op basis van kengetallen over de productie van keukenafval en etensresten in de betreffende sectoren werden objectieve en meetbare criteria vastgelegd per sector. De sectoren worden bijgevolg gelijkwaardig behandeld op basis van het gemeenschappelijke criterium van de minimale hoeveelheid OBA op weekbasis. De vertaling naar de voorliggende criteria werd reeds gemotiveerd in het Uitvoeringsplan huishoudelijk afval en vergelijkbaar bedrijfsafval 2016-2022 (bijlage 6). Bijkomend aan deze motivering wordt voor restaurants en hotels verduidelijkt dat het criterium van 50 maaltijden per dag gebaseerd is op onderzoek van de OVAM waaruit blijkt dat kleine restaurants (Om binnen elke sector een gelijke behandeling te garanderen werd de omschrijving van categorie `ziekenhuizen en psychiatrische ziekenhuizen' aangepast in die zin dat (psychiatrische) ziekenhuizen met minstens 25 erkende bedden onderworpen worden aan de selectieve inzamelplicht. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State wordt het criterium `werknemers' en de toepassing van de criteria op bedrijven verder verduidelijkt in dit verslag. Voor de berekening van het aantal werknemers worden patiënten, inwonenden (bijv. asielzoekers, gevangenen, gasten,...) mee in rekening genomen. In deze logica worden ook interimarbeiders als werknemers beschouwd aangezien zij ook gebruik kunnen maken van cateringfaciliteiten van een bedrijf. Bijkomend wordt verduidelijkt dat de criteria gelden per locatie waar het criterium voor selectieve inzameling wordt overschreden. Artikel 39 wijzigt artikel 4.3.3, § 1, eerste lid, 2°. Deze bepaling in § 1, 2° werd aangepast via het wijzigingsbesluit definitief goedgekeurd op 22 december 2017. De tekstcorrectie is bedoeld om te verduidelijken dat de vereisten voor de omgevingsvergunningsplichtige infrastructuurwerken pas geldt vanaf een volume groter dan 250 m3. De bedoeling van bepaling is duidelijk omschreven in het verslag bij dit wijzigingsbesluit van 22 december 2017, doch de formulering in het artikel laat interpretatie toe. Dit wordt nu rechtgezet. Artikel 40 wijzigt punt 16°, b) van artikel 4.3.4 via een tekstcorrectie van de gebruikte term door deze te vervangen door de term "sediment uit de ballastwatertanks". Artikel 41 bevat een tekstcorrectie van § 1 van artikel 4.3.6. De nummering van de opsomming wordt aangepast zonder een inhoudelijke wijziging. Artikel 42 wijzigt artikel 4.3.7 door de woorden "aangetekende brief" te vervangen door "beveiligde zending". Artikel 43 wijzigt artikel 4.3.8 door de woorden "aangetekende brief" te vervangen door "beveiligde zending". Artikel 44 wijzigt artikel 4.3.9 door de woorden "aangetekende brief" te vervangen door "beveiligde zending". Artikel 45 wijzigt artikel 4.3.10 door de woorden "aangetekende brief" te vervangen door "beveiligde zending". Artikel 46 vervangt de stortverboden in artikel 4.5.1. In uitvoering van actie 53 van het Uitvoeringsplan Huishoudelijk Afval en Gelijkaardig Bedrijfsafval werden de bestaande stortverboden en de eraan gekoppelde verbrandingsverboden geëvalueerd. Deze aanpassing moet ervoor zorgen dat de stortverboden duidelijker afgebakend zijn. De stortverboden zijn van toepassing op bijvoorbeeld alle brandbare afvalstoffen met uitzondering van deze brandbare afvalstoffen die opgenomen werden in het Materialendecreet waarop een verlaagde milieuheffing van toepassing is en zijn ook niet van toepassing op recyclageresidu's van fysicochemische grondreiniging zoals opgenomen in artikel 46, § 1, 6° tot en met 8°, van het Materialendecreet. Daarnaast blijven de stortverboden gelden voor oude en vervallen geneesmiddelen en voor afvalstoffen waarvoor een verbrandingsverbod geldt. De aanpassing van dit artikel zorgt voor een betere handhaafbaarheid. Artikel 47 wijzigt paragraaf 1 van artikel 4.5.2 en voegt een paragraaf 3 toe aan dit artikel. De lijst van de afvalstoffen in paragraaf 1, waarvoor een verbrandingsverbod geldt, wordt aangepast zodat de lijst rekening houdt met de huidige beleidsvisie en met het oog op een duidelijkere formulering en betere handhaafbaarheid van de verbrandingsverboden. Zo is het verboden om alle afvalstoffen die met oog op recyclage ervan afzonderlijk werden ingezameld en alle afvalstoffen die door hun aard, hoeveelheid of homogene samenstelling in aanmerking komen voor hergebruik of recyclage af te voeren voor verbranding. Ook het huishoudelijk restafval en het bedrijfsrestafval dat werd ingezameld zonder aan de verplichte selectieve inzameling te voldoen, waardoor het restafval nog afvalstoffen bevat die voor materiaalrecyclage in aanmerking komen, kan niet langer rechtstreeks afgevoerd voor verbranding. Hetzelfde geldt eveneens voor het grofvuil dat nog recycleerbare materialen bevat. Dit houdt in dat grofvuil moet nagesorteerd worden op homogene afvalstoffen die voor materiaalrecyclage in aanmerking komen. Dit houdt echter niet in dat samengestelde afvalstoffen moeten ontmanteld worden Voor het bedrijfsrestafval dat niet conform artikel 4.3.2 werd ingezameld, wordt wel aan de minister een delegatie gegeven om eventueel een code van goede praktijk op te stellen waarin een minimale wijze van inzameling en uitsorteren en resultaatsvoorschriften worden vastgelegd waarbij na naleving deze afvalstoffen alsnog verbrand zouden kunnen worden. Deze aanpassing komt er naar aanleiding van het project `bron- en nasortering' en het daarin georganiseerde sectoroverleg, alsook naar aanleiding van de handhavingsacties in het kader van kennisgevingen voor export van restafval en bij afvalverbrandingsinstallaties in Vlaanderen. Vandaag is er geen code van goede praktijk voor na te sorteren bedrijfsafval. De nieuwe bepaling zorgt voor een kapstok die dergelijke code wel mogelijk maakt. Er worden vandaag wel nasorteervoorwaarden (zowel middelen- als resultaatsverbintenissen) opgelegd bij kennisgevingen voor export van restafval. De sector geeft enerzijds aan dat deze voorwaarden mogelijk te streng zijn voor een aantal afvalstoffen, in het bijzonder PMD, en anderzijds er een onvoldoende gelijk speelveld zou zijn tussen geëxporteerd restafval (met strenge voorwaarden) en verbranding in Vlaanderen. De verbrandingsverboden zijn onverminderd de bepalingen van artikel 6.11.1 van VLAREM II van toepassing. Dit artikel uit VLAREM II laat toe om bepaalde afvalstoffen in open lucht te verbranden. De nieuw toegevoegde paragraaf 3 bevat een aantal uitzonderingen op de verbrandingsverboden uit paragraaf 1. Onbehandeld houtafval afkomstig van de houtverwerkende industrie dat in de eigen onderneming toegepast wordt als energiebron, en de houtige fractie afkomstig van het behandelen van plagsel en choppermateriaal vallen niet onder het verbrandingsverbod, evenals recyclageresidu's waarvoor overeenkomstig het Materialendecreet een verlaagde milieuheffing van toepassing is voor het verbranden of het meeverbranden ervan. Artikel 48 vervangt paragraaf 1 en 2 van artikel 4.5.3. Deze paragrafen bevatten de procedure voor het aanvragen en behandelen van individuele afwijkingen op de gelden de stort- en verbrandingsverboden. De procedure wordt duidelijker geformuleerd, evenals de gegevens die de aanvrager moet verstrekken. Deze gegevens hebben onder andere betrekking op de identificatie van de afvalstof die minstens de EURAL-code, de samenstelling, de oorsprong en het productieproces waarbij de afvalstof vrijkomt moet omvatten. Daarnaast moet een motivering van de afwijkingsaanvraag, evenals de periode waarvoor de afwijking gevraagd wordt opgegeven worden. De aanvraag wordt ingediend bij de OVAM die binnen de 45 kalenderdagen een advies over de afwijkingsaanvraag geeft aan de minister. De minister beslist binnen 90 kalenderdagen. Een afwijking kan voor maximaal 5 jaar verleend worden. Elke verleende afwijking wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en op de website van de OVAM. Artikel 49 vervangt in artikel 5.1.3. de term "containerpark" door de term "recyclagepark". Artikel 50 bepaalt dat de kringloopcentra geen activiteiten mogen ontwikkelen die marktverstorend zijn. Dit betekent bij voorbeeld dat de ingezamelde goederen in de kringwinkels in het eigen werkingsgebied moeten aangeboden worden. Het gericht verzamelen of bijhouden van voorwerpen om die op een externe kunst- of collectieveiling openbaar te verkopen kan bijvoorbeeld niet. Uitzondering daarop kan gemaakt worden voor herbruikbare goederen waarvoor in Vlaanderen geen afzet meer gevonden wordt, maar waarvoor wel in het buitenland een markt bestaat, of wanneer producten na verloop van normale tijd lokaal onverkoopbaar blijken te zijn. Een kringloopcentrum kan bijv. ook geen volledige inboedels inzamelen rekening houdend met de waarde of opkopen omdat hiervoor een regulier circuit bestaat. Dit zou trouwens ook tegenstrijdig zijn met de doelstelling in het Uitvoeringsplan huishoudelijk afval en gelijkaardig bedrijfsafval waarin bepaald is dat zij een hergebruikpercentage van minimaal 50% moeten behalen. Artikel 51 vervangt in artikel 5.2.2.3, § 3, de term "containerparken" door de term "recyclageparken". Artikel 52 vervangt in artikel 5.2.2.4, § 2, de term "containerpark" door de term "recyclagepark". Artikel 53 wijzigt artikel 5.2.3.8 door de woorden "aangetekende brief" te vervangen door "beveiligde zending". Artikel 54 past paragraaf 2 van artikel 5.2.4.1 aan. De voorwaarden waaraan voldaan moet zijn om onder de uitzondering te vallen van de erkenningsplicht als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietiging van afgedankte voertuigen worden uitgebreid met twee bijkomende voorwaarden. Deze bijkomende voorwaarden zijn noodzakelijk in functie van de handhaafbaarheid van deze uitzondering. Met de huidige voorwaarden zijn namelijk nog te veel mogelijkheden om exploitaties te voeren met een groter aantal afgedankte voertuigen en onderdelen ervan op te slaan waarbij bij controles duidelijk is dat men demontage op grotere schaal uitvoert, maar waarbij met de huidige voorwaarden de erkenningsplicht niet kan afgedwongen worden. Het doel van de aanpassing is om exploitaties die beperkte demontage uitvoeren uit te zonderen van de erkenningsplicht. Artikel 55 wijzigt artikel 5.2.4.3, § 6, door de woorden "in het kader van de milieubeleidsovereenkomst" op te heffen. Artikel 56 wijzigt artikel 5.2.4.4 door een punt 4° toe te voegen. Er wordt een bijkomende vereiste toegevoegd om een erkenning als centrum voor depollutie, ontmanteling en vernietiging te kunnen verkrijgen of behouden, met name een controle te laten uitvoeren op de conformiteit aan de wettelijke verplichtingen door een onafhankelijke keuringsinstelling geaccrediteerd volgens ISO17020. De voorwaarden waaraan deze controle op de conformiteit moet voldoen wordt nader bepaald door de minister. Artikel 57 wijzigt punt 5° van paragraaf 1 van artikel 5.2.4.5 door expliciet toe te voegen dat de voorwaarden voor de conformiteitsverklaring nader bepaald worden door de minister. Artikel 58 voegt in punt 2° en in punt 3° van paragraaf 2 in artikel 5.2.4.7 toe dat de voorwaarden voor de conformiteitsverklaring nader bepaald worden door de minister. In paragraaf 3 worden de woorden "aangetekende brief" vervangen door "beveiligde zending". Artikel 59 wijzigt artikel 5.2.4.8 door de woorden "aangetekende brief" te vervangen door "beveiligde zending". Artikel 60 wijzigt artikel 5.2.5.5 door de woorden "ter uitvoering van een milieubeleidsovereenkomst" op te heffen en de woorden "individueel afvalpreventie- en afvalbeheerplan" te vervangen door een "individueel aanvaardingsplichtplan". Artikel 61 wijzigt artikel 5.2.10.2 door een derde lid toe te voegen. Deze toevoeging zorgt voor de uitvoering van de verplichtingen opgenomen in artikel 5.1 van het Verdrag van 2004 voor de controle en het beheer van ballastwater en sedimenten van schepen, gedaan te Londen op 13 februari 2004. Hierin wordt bepaald dat de havenbeheerder moet voorzien in adequate ontvangstvoorzieningen voor de ontvangst van sedimenten afkomstig uit ballastwatertanks. Het Verdrag is van kracht sinds 8 september 2017. Artikel 62 wijzigt artikel 5.2.10.4 door de woorden "aangetekende brief" te vervangen door "beveiligde zending". Artikel 63 wijzigt artikel 5.2.11.5 door de woorden "aangetekende brief" te vervangen door "beveiligde zending". Artikel 64 stemt het gebruik van een bouwstof in ongebonden toestand in en op de bodem af met de lijst van toepassingen van bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik in het VLAREBO. Door de verwijzing naar de bestaande lijst van toepassingen voor het gebruik van bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik in het VLAREBO wordt een gelijk speelveld gecreëerd met het gebruik van potentiële bouwstoffen in ongebonden toestand. Op deze manier wordt het gebruik van een bouwstof in ongebonden toestand in of op de bodem afgestemd met het gebruik van bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik. Toepassingen die niet toegelaten zijn voor bodemmaterialen, mogen ook niet uitgevoerd worden met bouwstoffen in ongebonden toestand. Een bouwstof in ongebonden toestand is een korrelig materiaal dat niet gaat uitharden. Aan deze potentiële bouwstof zijn geen bindmiddelen of kalk toegevoegd. Artikel 65 voegt een nieuwe onderafdeling 5.3.11 toe met betrekking tot de voorwaarden voor het gratis ter beschikking stellen van lichte plastic draagtassen voor eenmalig gebruik. Tegen 27 november 2016 moest de Europese Richtlijn 2015/720 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 tot wijziging van Richtlijn 94/62/EG betreffende de vermindering van het verbruik van lichte plastic draagtassen, worden omgezet. Deze richtlijn beoogt het verminderen van het gebruik van "lichte plastic draagtasjes" voor eenmalig gebruik. Specifiek ligt de focus op draagtassen met een wanddikte van minder dan 50 micron en meer dan 15 micron. Deze draagtassen vertegenwoordigen de overgrote meerderheid van het totaal aantal in de Europese Unie verbruikte plastic draagtassen en worden ook minder vaak dan dikkere plastic draagtassen opnieuw gebruikt. Bijgevolg worden de lichte plastic draagtassen sneller afval en komen ze vanwege hun geringe gewicht vaker als zwerfvuil in het milieu terecht. De Richtlijn laat toe dat de lidstaten zelf de maatregelen kiezen om de verplichte doelstellingen te halen. De doelstellingen bestaan erin om het verbruik te beperken tot 90 draagtassen per persoon per jaar tegen 2019 en 40 draagtassen tegen 2025 en/of om gratis lichte plastic draagtassen te verbieden tegen 31 december 2018. Er bestaan nog geen gevalideerde cijfers voor het gebruik van lichte plastic draagtassen in Vlaanderen, maar voorlopige cijfers geven aan dat het huidige verbruik waarschijnlijk hoger ligt dan 90 draagtassen per persoon. Een gefaseerde afbouw van lichte plastic draagtassen door middel van een vrijwillig actieplan is moeilijk afdwingbaar en biedt geen zekerheid dat we de doelstelling van 2025 halen. Een bijkomend nadeel is dat niet alle verkooppunten gebonden zijn door zo'n actieplan. Met een verbod op het gratis uitdelen wordt daarentegen verzekerd dat ieder verkooppunt gebonden is aan dezelfde verplichting. Om in lijn te blijven met de andere gewesten, wordt voorgesteld om in Vlaanderen een totaalverbod op het gratis ter beschikking stellen van lichte plastic draagtassen in de distributie in te voeren. Zo sluiten we ook aan bij het verbod dat reeds in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en het Waalse Gewest is ingevoerd. Wanneer er toch lichte plastic draagtassen worden aangeboden, moet de bijdrage per draagtas die de consument daarvoor betaalt, zichtbaar gemaakt worden. Dit kan bijvoorbeeld door dit te vermelden op het kassaticket of de bijdrage duidelijk te afficheren in de verkoopsruimte. Aangezien het verbieden van lichtere zakjes (van minder dan 15 micron) leidt tot meer voorverpakkingen (wat niet beter is voor het milieu), wordt de scope van het verbod beperkt tot de lichte plastic draagtassen zoals gedefinieerd in de Europese Richtlijn. Een tijdelijke uitzondering op het verbod ten aanzien van het gratis ter beschikking stellen van de lichte plastic draagtassen kan bekomen worden indien aangetoond wordt dat omwille van milieuredenen of omwille van vereisten inzake hygiëne, behandeling of veiligheid van bepaalde producten er geen gepaste alternatieven beschikbaar zijn. De minister kan de eigenschappen en voorwaarden voor deze lichte plastic draagtassen vaststellen. Verder moet voldoende tijd gegeven worden aan de sector om zich voor te bereiden op de ingang van een verbod en eventuele voorraden weg te werken. Daarom dat in het nieuwe artikel 5.3.11.2 het gebruik van reeds aangekochte voorraden van lichte plastic draagtassen voor de inwerkingtreding van dit artikel nog toegelaten wordt tot 6 maanden na de inwerkingtreding van het verbod. Het blijft echter belangrijk te kiezen voor alternatieven die vanuit ecologisch oogpunt wenselijk zijn. Op dit moment wordt niet geopteerd om uitzonderingen op het verbod te voorzien. Gezien biobased of composteerbare zakjes het probleem van zwerfvuil niet zullen oplossen en er belangrijke aandachtspunten zijn wat betreft de sorteerboodschap, inzameling en eindverwerking, zijn uitzonderingen voor deze nog niet opportuun. Twee jaar na de invoering van dit verbod zal de impact ervan geëvalueerd worden. Hierbij wordt minstens nagegaan of er een effectieve daling is van het aantal eenmalige plastic draagtassen, of het gebruik van andere materialen (bijv. papier) gestegen is. Indien blijkt dat alternatieven voor eenmalig gebruik gestegen zijn, moet overwogen worden om ook voor deze draagtassen bijkomende maatregelen te nemen. Het is immers de bedoeling dat het gebruik van draagtassen voor eenmalig gebruik daalt ten voordele van herbruikbare draagtassen. Artikel 66 voegt een nieuwe onderafdeling 5.3.12 toe met betrekking tot de voorwaarden voor het gebruik van cateringmateriaal. De milieu-impact van evenementen is aanzienlijk. Jaarlijks vinden zo'n 400 muziekfestivals plaats in Vlaanderen, goed voor meer dan 7 miljoen bezoekers. Daarnaast worden in elke gemeente jeugdevenementen, sportwedstrijden, braderieën of stadsfeesten, cultuur- en kerstmarkten en fuiven georganiseerd. Het groeiend fenomeen van publieke activiteiten en evenementen, zowel indoor als outdoor, brengt op positieve wijze veel mensen bij elkaar, maar zorgt voor steeds meer milieudruk. Een belangrijke factor hierin wordt veroorzaakt door de toenemende mobiliteit. Vele mensen nemen de wagen om de evenementen te bereiken. En aangezien het om tijdelijke gebeurtenissen gaat, zijn vaak weinig vaste voorzieningen aanwezig waardoor heel veel moet aangevoerd worden over de weg (catering, toiletten, tenten, podia). Een ander deel van de milieudruk wordt veroorzaakt door de gebruikte cateringmaterialen die een heel korte gebruiksfase kennen vooraleer ze afval worden. Er wordt namelijk vooral geconsumeerd uit wegwerprecipiënten op evenementen. Dranken worden geserveerd in wegwerprecipiënten (bijv. wegwerpbekers, plastic flessen, drankblikjes,...), voedsel wordt vaak aangeboden in wegwerpbakjes of -bordjes, vergezeld van wegwerpbestek. Artikel 5.2.12.1 stelt vanaf 1 januari 2020 een verbod in om op evenementen drank te serveren in recipiënten voor eenmalig gebruik, tenzij de eventorganisator een systeem opzet dat garandeert dat minstens 90% van deze recipiënten op het event gescheiden worden ingezameld. Vanaf 1 januari 2022 wordt dit inzamelpercentage opgetrokken tot 95%. Het betreft hier zowel wegwerpbekertjes waarin drank wordt geserveerd, als drankverpakkingen, zoals eenmalige flessen, drankkartons en blikjes. Naast een lagere milieu-impact, minder afval en propere terreinen, zal het invoeren van een dergelijk verbod op evenementen ervoor zorgen dat er minder zwerfvuil wordt gegenereerd in de omgeving van het event zelf. Dit wordt nu namelijk als erg storend ervaren door omwonenden. Het verbod gaat in vanaf 1 januari 2020 zodat de overgangsfase ruim genoeg is om zich anders te organiseren. Artikel 5.3.12.2 stelt een verbod in voor het serveren van drank in recipiënten voor eenmalig gebruik in de eigen werking en op de door de Vlaamse overheden en lokale besturen georganiseerde evenementen. Het betreft de evenementen waar de overheden zelf bepalen hoe de catering verloopt, bijv. door een marktbevraging. Het betreft dus niet bijv. de handelaars die dranken en voedingsmiddelen verkopen op door de overheden georganiseerde markten en kermissen. Dit verbod wordt ingesteld vanaf 1 januari 2020. Dit verbod wordt uitgebreid tot het serveren van bereide voedingsmiddelen in cateringmateriaal voor eenmalig gebruik door Vlaamse overheden en lokale besturen in eigen werking of op door hen georganiseerde evenementen vanaf 1 januari 2022. De bereide voedingsmiddelen zijn voedingsmiddelen die ter plaatse worden klaargemaakt, samengesteld, geschikt, opgewarmd, geregenereerd of ontdooid, of voedingsmiddelen die daarmee vergelijkbaar zijn, maar in een centrale locatie zijn bereid, zoals broodjes, wraps, slaatjes,... Dit is een gekend begrip in het kader van de voedselveiligheid. Voorverpakte etenswaren, zoals een chocoladereep, een zakje chips, een ijsje,... vallen hier niet onder. We zien de laatste jaren bij Vlaamse overheden en lokale besturen een trend naar het omschakelen van herbruikbare naar wegwerprecipiënten bij het aanbieden van etenswaren en drank. Waar vroeger koffie werd gedronken in porseleinen tassen, staan nu wegwerpbekers voor eenmalig gebruik bij de automaten. Ook water of frisdranken worden steeds vaker in wegwerpbekertjes aangeboden. Aangezien de Vlaamse overheden en lokale besturen een voorbeeldfunctie hebben, willen we hen verbieden eenmalig cateringmateriaal te gebruiken in de eigen werking en op door hen georganiseerde evenementen. Zij hebben alle faciliteiten om te blijven kiezen voor herbruikbare producten. Aangezien politiereglementen het gebruik van glas op evenementen niet toelaten omwille van de veiligheid, kan het introduceren van herbruikbare bekers uit harde plastics een oplossing bieden voor het serveren van de dranken. Maaltijden en hapjes kunnen, afhankelijk van het soort evenement, aangeboden worden in porselein of herbruikbare harde plastics. Het is de bedoeling dat overheden hiermee ervaring opbouwen, zodat het gebruik van herbruikbaar cateringmateriaal op termijn kan worden uitgebreid naar alle evenementen, ook deze georganiseerd door niet-overheden. De minister kan, op basis van artikel 5.3.12.3, nadere bepalingen voorzien die toelaten dat er voor specifieke types cateringmateriaal in bepaalde gevallen wordt afgeweken van …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.