📄 Wettekst
26 JUNI 2006 - Decreet houdende maatregelen inzake onderwijs 2006
Het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Wijziging van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs Artikel 1.Artikel 32, § 1, van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs wordt aangevuld met de volgende leden : « Indien twee of meerdere opeenvolgende tijdelijke aanstellingen of aanwervingen slechts door één of meerdere schoolvrije dagen onderbroken zijn, dan worden alle dagen, met inbegrip van de schoolvrije dagen, tot op het einde van de laatste aanstelling of aanwerving bezoldigd. Het aantal bezoldigde dagen mag in geen geval 300 per kalenderjaar overschrijden. Onder « schoolvrije dagen » dienen de dagen te worden verstaan die vermeld zijn in artikel 58 van het
decreet van 31 augustus 1998Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
31/08/1998
pub.
24/11/1998
numac
1998033100
bron
ministerie van de duitstalige gemeenschap
Decreet betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs
sluiten betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs.
De in het derde lid vermelde regeling is ook van toepassing wanneer twee opeenvolgende tijdelijke aanstellingen of aanwervingen uitsluitend door een ontspanningsverlof, de kerst- of paasvakantie onderbroken zijn. » HOOFDSTUK II - Wijziging van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving Art. 2.De wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving wordt gewijzigd als volgt : 1° in artikel 8, lid 2, gewijzigd bij het
decreet van 31 augustus 1998Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
31/08/1998
pub.
24/11/1998
numac
1998033100
bron
ministerie van de duitstalige gemeenschap
Decreet betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs
sluiten, wordt de eerste zin vervangen als volgt : « Onder godsdienstonderricht dient het onderricht in de katholieke, protestantse, orthodoxe, Israëlite, islamitische of anglicaanse godsdiensten te worden verstaan.»; 2° artikel 9, lid 4, wordt vervangen als volgt : « In de inrichtingen van het gemeenschapsonderwijs wordt de inspectie van het godsdienstonderricht door personeelsleden uitgevoerd die zijdens de Regering op de voordracht van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst, indien ze bestaat, een verlof in het belang van het onderwijs verkrijgen.»; 3° in hoofdstuk VI wordt een artikel 37bis ingevoegd, luidend als volgt : « Artikel 37bis - De inrichtende machten van het gesubsidieerd vrij onderwijs houden een volledige boekhouding volgens de dubbele methode overeenkomstig het minimaal rekeningenstelsel, zoals bepaald in artikel 4, lid 6, van de
wet van 17 juli 1975Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
17/07/1975
pub.
30/06/2010
numac
2010000387
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. De inrichtende machten kunnen een minimumindeling van het algemeen rekeningenstelsel uitwerken en aanwenden die meer geschikt is voor het onderwijs en door de Regering goedgekeurd is.
De Regering kan de jaarrekeningen ter plaatse controleren.
De jaarrekeningen worden aan de wettelijk bevoegde overlegorganen voorgelegd. » HOOFDSTUK III. - Wijziging van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs Art. 3.Artikel 4 van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs, vervangen bij het decreet van 17 februari 1992, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Artikel 4 - § 1 - Niemand kan in een wervingsambt vastbenoemd worden, als hij niet aan volgende voorwaarden voldoet : 1° burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger in de zin van § 2 zijn;de Regering kan een afwijking toestaan; 2° houder zijn van een bekwaamheidsbewijs in verhouding tot het ambt of over een overeenkomstig het decreet geregelde gelijkstelling beschikken. § 2 - In de zin van § 1 dient te worden verstaan onder : 1° burger van de Europese Unie : elke persoon die de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie bezit;2° familielid : a) de echtgeno(o)t(e);b) de met de Unieburger wettelijk samenwonende persoon in de zin van de artikelen 1475 en volgende van het Burgerlijk Wetboek;c) de verwanten in rechtstreeks afdalende lijn van de Unieburger en van zijn echtgeno(o)t(e) of van de met hem wettelijk samenwonende persoon in de zin van littera b), als ze de volle leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt of ten laste van de betrokken personen zijn;d) de verwanten in rechtstreeks opgaande lijn van de Unieburger en van zijn echtgeno(o)t(e) of van de met hem wettelijk samenwonende persoon in de zin van littera b), als ze ten laste van de betrokken personen zijn. Het familielid bewijst dat hij één van de voorafgaande voorwaarden vervult.
De definities gegeven in lid 1 dienen voor de omzetting van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG. HOOFDSTUK IV - Wijziging van het koninklijk besluit van 10 maart 1965 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der leergangen met beperkt leerplan afhangend van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur Art. 4.Artikel 25, § 1, van het koninklijk besluit van 10 maart 1965 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der leergangen met beperkt leerplan afhangend van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur wordt aangevuld met de volgende leden : « Indien twee of meerdere opeenvolgende tijdelijke aanstellingen of aanwervingen slechts door één of meerdere schoolvrije dagen onderbroken zijn, dan worden alle dagen, met inbegrip van de schoolvrije dagen, tot op het einde van de laatste aanstelling of aanwerving bezoldigd. Het aantal bezoldigde dagen mag in geen geval 300 per kalenderjaar overschrijden. Onder « schoolvrije dagen » dienen de dagen te worden verstaan die vermeld zijn in artikel 58 van het
decreet van 31 augustus 1998Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
31/08/1998
pub.
24/11/1998
numac
1998033100
bron
ministerie van de duitstalige gemeenschap
Decreet betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs
sluiten betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs.
De in het derde lid vermelde regeling is ook van toepassing, wanneer twee opéénvolgende aanstellingen of aanwervingen uitsluitend door een ontspanningsverlof, de kerst- of paasvakantie onderbroken zijn. » HOOFDSTUK V. - Wijziging van het koninklijk besluit van 29 augustus 1966 houdende het statuut van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs Art. 5.Artikel 12, 1°, van het koninklijk besluit van 29 augustus 1966 houdende het statuut van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs wordt vervangen als volgt : « 1° burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan; ». Art. 6.Hoofdstuk IX van hetzelfde koninklijk besluit en de artikelen 57 tot 84 dat het bevat, worden vervangen door de volgende bepaling : « HOOFDSTUK IX. - TUCHTREGELING Artikel 57 - De artikelen 122 tot 140 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen zijn van toepassing. » Art. 7.In hetzelfde koninklijk besluit wordt een hoofdstuk IXbis, dat artikel 58 bevat, ingevoegd, luidend als volgt : « HOOFDSTUK IXbis. - PREVENTIEVE SCHORSING Artikel 58 - De artikelen 141 tot 143 van het in artikel 57 vermeld koninklijk besluit zijn van toepassing. » HOOFDSTUK VI. - Wijziging van het koninklijk besluit van 19 juni 1967 tot vaststelling van de bekwaamheidsbewijzen vereist van de kandidaten voor de wervingsambten van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs Art. 8.In artikel 1 van het koninklijk besluit van 19 juni 1967 tot vaststelling van de bekwaamheidsbewijzen vereist van de kandidaten voor de wervingsambten van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs wordt punt 2bis, ingevoegd door het
decreet van 27 juni 2005Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
27/06/2005
pub.
25/10/2005
numac
2005033068
bron
ministerie van de duitstalige gemeenschap
Decreet houdende oprichting van een autonome hogeschool
sluiten houdende oprichting van een autonome hogeschool, vervangen als volgt : « 2bis. hoofdsecretaris : ten minste een studiegetuigschrift van het hoger onderwijs van het korte type ». HOOFDSTUK VII. - Wijziging van het koninklijk besluit van 8 december 1967 genomen ter uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak-en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs Art. 9.Artikel 19, lid 3, en artikel 26, lid 3, van het koninklijk besluit van 8 december 1967 genomen ter uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak-en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs worden respectievelijk vervangen als volgt : « Een personeelslid dat het lopende verlof wenst te verlengen, dient door de bemiddeling van het inrichtingshoofd of van de directeur ten laatste drie maanden vóór het einde van het verlof een schriftelijke aanvraag in bij de inrichtende macht. De inrichtende macht kan het verlof echter ook toestaan na afloop van de bepaalde aanvraagstermijn, voor zover het de goede werking van de dienst niet in het gedrang brengt. » HOOFDSTUK VIII. - Wijziging van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen Art. 10.In artikel 3bis van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen wordt het aantal « 39 » door « 40 » vervangen en wordt het aantal « 139 » geschrapt. Art. 11.Artikel 14 van hetzelfde koninklijk besluit wordt vervangen door de volgende bepaling : « Artikel 14 - De artikelen 5 tot 12 gelden ook voor de tijdelijk aangestelde personeelsleden. » Art. 12.In hoofdstuk III van hetzelfde koninklijk besluit worden het opschrift van het hoofdstuk, de afdelingen 1-3 alsmede de artikelen 15 tot 46 die ze bevatten, vervangen als volgt : « HOOFDSTUK III - WERVING Afdeling 1 - Algemene bepalingen
Artikel 15 - Princiep De wervingsambten mogen door tijdelijk aangestelde of vastbenoemde personeelsleden uitgeoefend worden. Afdeling 2 - Tijdelijke aanstelling
Artikel 16 - Voorwaarden m.b.t. de aanstelling Niemand kan door een inrichtende macht als tijdelijk personeelslid worden aangesteld, indien hij op het ogenblik van de aanstelling niet voldoet aan volgende voorwaarden : 1° burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs;de Regering kan een afwijking toestaan; 2° een gedrag hebben dat aan de vereisten van het ambt beantwoordt;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;4° aan de dienstplichtwetten hebben voldaan;5° houder zijn van het vereist bekwaamheidsbewijs overeenstemmend met het te begeven ambt, of tijdens drie schooljaren een in artikel 19, § 2, bepaalde afwijking verkregen hebben voor het toe te wijzen ambt, waarbij aan volgende voorwaarden moet worden voldaan : a) tussen de eerste en de derde afwijking zijn niet meer dan vijf schooljaren verstreken;b) elke van de drie afwijkingen beloopt ten minste vijftien weken vóór 30 april; c) op de beoordelingsstaat m.b.t. de derde afwijking staat ten minste de vermelding « voldoende » als eindconclusie; d) als het om een lid van het bestuurs- en onderwijzend personeel gaat, houder zijn van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs, uitgereikt ter bekrachtiging van een opleiding waarvan de wezenlijkste elementen door de Regering aan het Parlement ter goedkeuring worden voorgelegd;6° bij de indiensttreding een geneeskundige verklaring afgeven die van hoogstens zes maanden gedagtekend is en waaruit blijkt dat de kandidaat in zulke gezondheidstoestand verkeert dat hij die van de leerlingen of de studenten en van de andere personeelsleden niet in gevaar kan brengen;7° aan de wets- en reglementsbepalingen betreffende de taalregeling voldoen;8° de kandidatuur in de vorm en binnen de termijn ingediend hebben die bepaald zijn in de oproep tot de kandidaten. De inrichtende macht kan een tijdelijk personeelslid slechts na toepassing van de reglementering inzake reaffectatie, wedertewerkstelling of uurroosteraanvulling aanwijzen.
Voor aanstellingen m.b.t. een volledig schooljaar pleegt de inrichtende macht vooraf overleg met alle inrichtingshoofden van het betrokken niveau, behalve als het wegens overmacht niet mogelijk is.
Bovendien worden deze aanstellingen vooraf gediscussieerd in een tussenoverlegcomité bevoegd voor alle inrichtingen van het gemeenschapsonderwijs.
Artikel 17 - Voorrangsregel Voor een aanstelling als tijdelijk personeelslid in een vacante betrekking van een ambt of in een niet-vacante betrekking van een ambt waarvan de titularis of het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt voor een aanvankelijk ononderbroken periode van ten minste vijftien weken moet worden vervangen, heeft de kandidaat voorrang die aan volgende voorwaarden voldoet : 1° hij heeft zijn kandidatuur ingediend;2° hij voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 16, lid 1, 5°;3° hij kan bij deze inrichtende macht een dienstanciënniteit van ten minste 720 dagen in het betrokken ambt doen gelden;van deze 720 dagen moeten er 600 effectief zijn gepresteerd. Het bevallingsverlof en het voorbehoedend verlof worden ten belope van maximaal 210 dagen in aanmerking genomen bij de berekening van de effectief gepresteerde dienstdagen, voor zover deze verlofdagen binnen de aanwervingsperiode vallen; 4° hij heeft ten minste de vermelding « voldoende » gekregen voor de laatste in artikel 24 bedoelde beoordelingsstaat van het schooljaar waar hij vóór 30 april voor een ononderbroken periode van ten minste 15 weken in dienstactiviteit was;bij gebrek aan een beoordelingsstaat geldt deze voorwaarde als vervuld.
Als een kandidaat dienstdagen in een ander ambt heeft gepresteerd waarvoor hij houder is van het vereiste bekwaamheidsbewijs, dan worden deze dienstdagen bij de in lid 1, 3°, vermelde dagen gevoegd die in aanmerking komen om de voorrang te verlenen, voorzover hij ten minste 360 dienstdagen telt in het ambt waarvoor hij zijn voorrang wil doen gelden.
Artikel 18 - Berekening van de dienstanciënniteit i.v.m. de voorrangsregeling De dienstanciënniteit bedoeld in artikel 17 wordt op 30 april van het jaar van de aanvraag berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 40, waarbij de diensten gepresteerd in het kader van de afwijking bepaald in artikel 19, § 2, niet in aanmerking worden genomen.
Wordt er, met toepassing van de artikelen 26, 27 en 28, door afdanking of ontslagneming een einde gemaakt aan een aanstelling, dan worden de bij de inrichtende macht gepresteerd en tot deze aanstelling behorende dienstdagen niet in aanmerking genomen om de in lid 1 bedoelde dienstanciënniteit te berekenen, tenzij deze inrichtende macht het afgedankte personeelslid weer aanstelt of met toepassing van artikel 26, § 3, lid 4, de afdanking na advies van de raad van beroep niet bekrachtigt.
Artikel 19 - Afwijkingsbepaling § 1 - Na de lijst van de kandidaten te hebben uitgeput die aan alle in artikel 16, lid 1, vermelde voorwaarden voldoen, en vóór toepassing van § 2 kan de inrichtende macht een kandidaat aanstellen die aan alle voorwaarden vermeld in artikel 16, lid 1, met uitzondering van de voorwaarde bepaald onder 8°, voldoet. § 2 - Indien geen kandidaat aan de in artikel 16, lid 1, 5°, vermelde voorwaarde voldoet, dan kan de inrichtende macht in afwijking van artikel 16 een kandidaat tijdelijk aanstellen die zijn kandidatuur heeft ingediend op grond van de in artikel 16, lid 1, 8°, vermelde oproep tot de kandidaten, echter niet houder is van het bekwaamheidsbewijs vereist voor het toe te wijzen ambt.
Elke aanstelling op basis van het voorafgaande lid geldt voor een bepaalde termijn die echter ten laatste op 30 juni van het jaar eindigt waarin de aanstelling heeft plaatsgevonden. § 3 - In afwijking van artikel 16, lid 1, 5°, kan de inrichtende macht tussen een kandidaat die bij zijn laatste beoordelingsstaat resp. beide laatste evaluatieverslagen de vermelding « onvoldoende » heeft gekregen, en een andere kandidaat kiezen, ongeacht deze houder is of niet van het vereiste bekwaamheidsbewijs.
Artikel 20 - Titels, verdiensten en continuïteit Onverminderd artikel 17 vergelijkt de inrichtende macht vóór elke aanstelling steeds de titels en verdiensten van de kandidaten door middel van objectieve, pertinente en gepaste criteria in samenhang met het onderwijs of de uitoefening van het betrokken ambt. Daarbij wordt o.a. rekening gehouden met : 1° de beoordelingsstaten;2° de dienstanciënniteit bij de inrichtende macht of bij andere inrichtende machten alsmede de aanvullende beroepservaring;3° bijkomende opleidingen (aantal, duur en inhoud);4° voortgezette opleidingen (aantal, duur en inhoud). Wanneer de inrichtende macht haar beslissing neemt, houdt ze tegelijk rekening met de nodige continuïteit bij het schoolpersoneel.
Artikel 21 - Opstellen van een aanstellingsakte Voor elke aanstelling stelt de inrichtende macht een aanstellingsakte op waarvan een afschrift aan de betrokken school en aan het personeelslid wordt overhandigd.
Deze aanstellingsakte vermeldt ten minste : 1° de identiteit van de inrichtende macht;2° de identiteit van het personeelslid;3° de benaming van de scholen waar het personeelslid wordt geaffecteerd;4° het uit te oefenen ambt en de omvang van de opdracht;5° of de betrekking al dan niet vacant is en, als zij niet vacant is, de naam van de titularis ervan alsmede, desgevallend, de naam van het personeelslid dat de titularis tijdelijk vervangt;6° de datum van indiensttreding. Artikel 22 - Oproep tot de kandidaten en informatie inzake voorrang § 1 - Elk jaar tussen 1 en 20 april doet de inrichtende macht een oproep tot de kandidaten voor een tijdelijke aanstelling m.b.t. het daaropvolgende schooljaar. Deze oproep wordt in de pers bekendgemaakt, in de scholen door aanplakking alsmede in elke andere vorm die door de inrichtende macht als gepast wordt geacht.
De oproep vermeldt de vereiste voorwaarden vanwege de kandidaten alsmede alle gegevens over de vorm en de termijn waarin de kandidaturen moeten worden ingediend.
In de kandidatuur vermeldt de kandidaat o.a. de ambten waartoe de kandidatuur betrekking heeft. De kandidaat bewijst toereikende diensten door toevoeging van de in artikel 31 bedoelde dienstattesten die hij bezit. § 2 - Op gewoon verzoek van de kandidaten deelt hen de inrichtende macht de lijst van de personeelsleden mede die met toepassing van artikel 17 werden aangesteld.
Artikel 23 - Kandidatuur en verlies van de voorrang Elke kandidatuur geldt voor de duur van het schooljaar waarvoor ze wordt ingediend.
Behoudens overmacht mag de kandidaat die een betrekking niet aanvaardt die hem overeenkomstig de voorrangsregels aangeboden wordt, tijdens het lopende schooljaar zijn voorrangsrecht niet meer doen gelden.
Artikel 24 - Beoordelingsstaat en beroepsmogelijkheid § 1 - Een tijdelijk personeelslid wordt elk schooljaar waarin het voor een ononderbroken periode van ten minste 15 weken in dienstactiviteit was en effectieve diensten heeft gepresteerd, door het inrichtingshoofd beoordeeld.
In afwijking van lid 1 kan het inrichtingshoofd ook een personeel beoordelen die minder dan 15 weken in dienstactiviteit was en effectieve diensten heeft gepresteerd, waarbij het inrichtingshoofd erover waakt, dat de gepresteerde diensten een minimum aan continuïteit tonen.
De beoordeling wordt ten laatste op 30 april van het lopende schooljaar uitgevoerd.
In afwijking van lid 1 wordt een beoordeling om de twee schooljaren uitgevoerd voor de personeelsleden die overeenkomstig artikel 17 zijn aangesteld, tenzij ze bij een andere school zijn geaffecteerd.
Het personeelslid bedoeld in lid 1 kan ook zo'n beoordeling schriftelijk bij het inrichtingshoofd aanvragen. § 2 - De beoordeling geschiedt via een met redenen omklede beoordelingsstaat die o.a. gegevens omvat over het uitgeoefende ambt en de duur van de geleverde dienstprestaties, alsmede over de bekwaamheden, de prestaties en de mate waarin het personeelslid zich voor de school inzet. Er wordt inzonderheid naar de mate onderzocht waarin het personeelslid de opdracht resp. verplichtingen vervult die hem door wet, decreet, besluit, verordening en benoemingsakte worden opgelegd. Op de beoordelingsstaat kan de vermelding « zeer goed », « goed », « voldoende », « niet tevredenstellend » of « onvoldoende » als eindconclusie staan.
Het model van de beoordelingsstaat wordt door de Regering vastgelegd. § 3 - Het inrichtingshoofd overhandigt het personeelslid de beoordelingsstaat in tweevoud. Het personeelslid ondertekent beide exemplaren en behoudt er één van. § 4 - Staat op de beoordelingsstaat de vermelding « onvoldoende », « niet tevredenstellend », « voldoende » of « goed » als eindconclusie, dan kan het personeelslid deze onder voorbehoud ondertekenen en binnen 10 dagen na het afgeven ervan beroep aantekenen vóór de raad van beroep.
Binnen 45 dagen na de dag van ontvangst van het beroep stuurt de raad van beroep een met redenen omkleed advies aan de inrichtende macht.
Binnen 10 dagen na ontvangst van het advies overhandigt de inrichtende macht haar definitieve beslissing aan het personeelslid. In voorkomend geval vermeldt ze de redenen waarom zij het advies niet volgt.
Het beroep is opschortend.
Artikel 25 - Beëindiging van rechtswege Een tijdelijke aanstelling in een wervingsambt eindigt van rechtswege voor het geheel of een deel van de opdracht : 1° bij de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt;2° op het ogenblik dat de betrekking van het tijdelijk personeelslid geheel of gedeeltelijk aan een ander personeelslid wordt toegewezen a) door toepassing van de reglementering inzake reaffectatie, wedertewerkstelling of uurroosteraanvulling;b) ingevolge een mutatie;c) ingevolge een benoeming in vast verband;3° vanaf de dag waarop de betrekking die het tijdelijk personeelslid bekleedt, voor het geheel of voor een gedeelte ervan, niet meer kan worden gesubsidieerd om redenen die onafhankelijk zijn van de inrichtende macht;4° uiterlijk op de laatste dag van het schooljaar waartoe de aanstelling betrekking heeft. De inrichtende macht deelt de beëindiging schriftelijk mede aan het personeelslid.
Artikel 26 - Voortijdige afdanking en beroepsmogelijkheid § 1 - Een tijdelijk aangesteld personeelslid kan met inachtneming van een opzeggingstermijn van 15 dagen door de inrichtende macht voortijdig ontslagen worden. De afdanking moet met redenen omkleed worden. § 2 - Na overleg met de inrichtende macht en voorafgaand verhoor van het personeelslid overhandigt het inrichtingshoofd het personeelslid het schriftelijk voorstel tot afdanking in tweevoud. Het personeelslid dateert het voorstel, ondertekent het om te bekrachtigen dat het het voorstel ter kennis heeft genomen en geeft op dezelfde dag een exemplaar terug aan het inrichtingshoofd. Is het personeelslid het niet eens met het voorstel tot afdanking, dan vermeldt het er « ben er niet mee eens » op.
Op dezelfde dag laat het inrichtingshoofd dit voorstel aan de inrichtende macht toekomen die binnen 10 dagen het voorstel verwerpt of de afdanking aan het personeelslid per aangetekende brief betekent, welke uitwerking heeft op de derde werkdag na de verzendingsdatum ervan. § 3 - Het personeelslid aan wie de afdanking betekend is en wie met toepassing van artikel 17 tijdelijk aangesteld is, mag binnen tien dagen na de betekening een beroep bij de inrichtende macht aantekenen.
De inrichtende macht zendt het beroep onmiddellijk aan de bevoegde raad van beroep met een verzoek om een met redenen omkleed advies.
Het beroep is niet opschortend.
Binnen 45 dagen na de dag waarop de raad van beroep het beroep heeft ontvangen, betekent hij de inrichtende macht en het personeelslid zijn met redenen omkleed advies.
Binnen 15 dagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep deelt de inrichtende macht haar beslissing per aangetekende brief aan het personeelslid mede. De inrichtende macht vermeldt in voorkomend geval de redenen waarom zij het advies niet volgt. Ziet de inrichtende macht ervan af de afdanking te bekrachtigen, dan geldt het personeelslid met terugwerkende kracht tot de dag van de afdanking als opnieuw in dienst opgenomen.
Artikel 27 - Afdanking zonder opzegging wegens zware schuld § 1 - De inrichtende macht kan elk tijdelijk personeelslid, zonder opzegging, wegens zware schuld afdanken.
Onder zware schuld wordt elke tekortkoming verstaan die de professionele samenwerking tussen het personeelslid en de inrichtende macht onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. § 2 - Binnen een termijn van drie werkdagen na de dag waarop de inrichtende macht kennis heeft gekregen van feiten die een zware schuld kunnen uitmaken, roept ze het personeelslid per aangetekende brief op voor een verhoor dat ten vroegste vijf en ten laatste tien dagen na het opsturen van de oproepingsbrief moet plaatshebben. De oproepingsbrief vermeldt de feiten die het personeelslid als zware schuld ten last gelegd worden.
Tijdens het verhoor mag het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een afgevaardigde van een erkende vakorganisatie, door een advocaat of door een verdediger gekozen onder de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs die in dienstactiviteit, in terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaat of op rust gesteld zijn. § 3 - Indien de inrichtende macht na het verhoor van oordeel is dat voldoende feiten op de zware schuld wijzen, kan ze binnen de drie dagen na dit verhoor beslissen een einde te maken aan de aanstelling.
Op straffe van nietigheid wordt de beslissing aan het personeelslid betekend per aangetekende brief, welke uitwerking heeft op de derde werkdag na de verzendingsdatum ervan. De beslissing vermeldt de redenen die de inrichtende macht als zware schuld beschouwt. § 4 - In de volgende gevallen kan het personeelslid tijdens de periode bepaald in de § 2 en 3 zonder opzegging uit zijn ambt verwijderd worden : 1° bij zware schuld met ontdekking op heterdaad;2° wanneer de ten last gelegde feiten zo ernstig zijn dat zijn aanwezigheid in de school in het belang van de dienst of van het onderwijs niet wenselijk is. Het gaat om een administratieve maatregel. Tijdens de duur van de maatregel bevindt zich het personeelslid in dienstactiviteit.
Artikel 28 - Voortijdige ontslagneming van het personeelslid Een tijdelijk aangesteld personeelslid kan eenzijdig de aanstelling opzeggen met inachtneming van een opzeggingstermijn van 15 dagen.
Artikel 29 - Modaliteiten m.b.t. de opzegging Onder voorbehoud van de afdanking wegens zware schuld, zoals bepaald in artikel 27, moet de akte waarmee één van de partijen eenzijdig een einde aan de dienst maakt - op straffe van nietigheid - de duur van de opzeggingstermijn vermelden en aan de andere partij betekend worden, hetzij door een gerechtsdeurwaarderexploot, hetzij per aangetekende brief, welke uitwerking heeft op de derde werkdag na de verzendingsdatum ervan.
Artikel 30 - Beëindiging in onderlinge overeenstemming In onderlinge overeenstemming kan voortijdig een einde gemaakt worden aan de dienst en van de opzeggingstermijn bedoeld in de artikelen 26, § 1, en 28 afstand gedaan worden.
De onderlinge overeenstemming, het afstand doen van de opzeggingstermijn en de datum waarop het personeelslid zijn toestemming heeft gegeven, worden schriftelijk vastgesteld.
Artikel 31 - Dienstattest Op het einde van elke periode van dienstactiviteit levert de inrichtende macht het tijdelijk personeelslid een attest af met vermelding, voor elk uitgeoefend ambt, van de gepresteerde diensten, de begin- en einddatum ervan, de aard van het ambt en de omvang van de betrekking. Afdeling 3 - Permutatie, mutatie en vaste benoeming
Onderafdeling 1 - Permutatie Artikel 32 - Princiep De inrichtende macht kan twee personeelsleden die erom vragen een permutatie toekennen. De permutatie geschiedt voor hetzelfde ambt.
Het met redenen omkleed verzoek wordt door beide personeelsleden tot 15 maart bij de inrichtende macht per aangetekende brief of per brief tegen ontvangstbewijs ingediend.
De permutatie geschiedt zonder onderbreking op 1 september van het daarop volgende schooljaar.
De betrokken scholen en de betrokken personeelsleden verkrijgen een afschrift van de beslissing.
Onderafdeling 2 - Mutatie Artikel 33 - Princiep § 1 - De inrichtende macht die een vacante betrekking te begeven heeft en ze voor mutatie vrijmaakt, kan de mutatie toekennen aan een vastbenoemd personeelslid dat erom verzoekt, behalve als ze door de bepalingen inzake reaffectatie, wedertewerkstelling of uurroosteraanvulling verplicht is deze betrekking aan een personeelslid toe te wijzen dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld werd.
Een mutatie geschiedt steeds in hetzelfde ambt. Ze kan een personeelslid slechts worden toegekend, als de omvang van de betrokken betrekking ten minste gelijk is aan die van de vaste benoeming in het betrokken ambt.
Vóór een mutatie pleegt de inrichtende macht overleg met alle inrichtingshoofden van het betrokken niveau, behalve als het wegens overmacht niet mogelijk is.
Bovendien worden deze mutaties vooraf gediscussieerd in een tussenoverlegcomité bevoegd voor alle inrichtingen van het gemeenschapsonderwijs. § 2 - Overeenkomstig voorliggende bepalingen kunnen zich de personeelsleden die in het gesubsidieerd onderwijs vastbenoemd of definitief aangesteld zijn, kandidaat stellen voor een met het oog op een mutatie vrijgemaakte betrekking in het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap.
De diensten die in het gesubsidieerd onderwijs gepresteerd werden, worden met diensten in het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap gelijkgesteld en overeenkomstig voorliggende bepalingen berekend.
Artikel 34 - Titels, verdiensten en andere mutatiecriteria Vóór elke mutatie vergelijkt de inrichtende macht steeds de titels en verdiensten van de kandidaten door middel van objectieve, pertinente en gepaste criteria in samenhang met het onderwijs of de uitoefening van het betrokken ambt. Bij de mutatiebeslissing houdt de inrichtende macht ook rekening met geografische en socio-familiale aspecten in de situatie van de kandidaat alsmede met de nodige continuïteit bij het schoolpersoneel.
Bovendien houdt ze o.a. rekening met volgende criteria : 1° de evaluatieverslagen;2° de dienstanciënniteit bij de inrichtende macht of bij andere inrichtende machten alsmede de aanvullende beroepservaring;3° de bijkomende opleidingen (aantal, duur en inhoud);4° de voortgezette opleidingen (aantal, duur en inhoud). Artikel 35 - Opstellen van een akte van mutatie Voor elke mutatie stelt de inrichtende macht die het personeelslid opneemt een akte van mutatie op waarvan een afschrift aan de betrokken scholen en aan het personeelslid wordt overhandigd.
Deze akte van mutatie vermeldt ten minste : 1° de identiteit van de inrichtende macht;2° de identiteit van het personeelslid;3° de benaming van de school waar het personeelslid wordt gemuteerd;4° het ambt (met inbegrip van het aantal uren) waarin het personeelslid wordt gemuteerd. Artikel 36 - Oproep tot de kandidaten voor een mutatie Elk schooljaar in de tweede helft van de maand februari doet de inrichtende macht een oproep tot de kandidaten voor een mutatie. Deze oproep wordt in de pers bekendgemaakt, in de scholen door aanplakking alsmede in elke andere vorm die door de inrichtende macht als gepast wordt geacht.
De oproep bevat een lijst met de betrekkingen die op 1 oktober van het volgende schooljaar heel waarschijnlijk vacant zullen zijn en voor mutatie vrijgemaakt worden. De oproep omvat gegevens over de te begeven betrekkingen alsmede de vereiste voorwaarden vanwege de kandidaten en vermeldt de vorm en de termijn waarin de kandidaturen moeten worden ingediend.
Artikel 37 - Ogenblik van de mutatie De mutaties geschieden op 1 oktober, op voorwaarde dat de betrokken betrekking op dit ogenblik nog vacant is.
Onderafdeling 3 - Vaste benoeming Artikel 38 - Princiep De inrichtende macht benoemt een personeelslid definitief in een vacante betrekking van een wervingsambt, behalve als ze door de vigerende bepalingen inzake reaffectatie, wedertewerkstelling of uurroosteraanvulling verplicht is deze betrekking aan een personeelslid toe te wijzen dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld werd.
Onverminderd artikel 18 van het
decreet van 6 juni 2005Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
06/06/2005
pub.
13/09/2005
numac
2005033073
bron
ministerie van de duitstalige gemeenschap
Decreet houdende maatregelen inzake onderwijs 2005
sluiten houdende maatregelen inzake onderwijs - 2005 geschiedt in afwijking van het eerste lid een vaste benoeming in een vacante betrekking van een wervingsambt in het basisonderwijs slechts als het betrekkingenpakket tijdens de twee voorafgaande schooljaren vacant was voor de omvang van deze betrekking.
Vóór een benoeming pleegt de inrichtende macht overleg met alle inrichtingshoofden van het betrokken niveau, behalve als het wegens overmacht niet mogelijk is.
Bovendien wordt deze benoeming vooraf gediscussieerd in een tussenoverlegcomité bevoegd voor alle inrichtingen van het gemeenschapsonderwijs.
Artikel 39 - Voorwaarden m.b.t. de benoeming Niemand mag vastbenoemd worden, indien hij op het ogenblik van de benoeming niet aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs;de Regering kan een afwijking toestaan; 2° een gedrag hebben dat aan de vereisten van het ambt beantwoordt;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;4° aan de dienstplichtwetten hebben voldaan;5° houder zijn van het vereist bekwaamheidsbewijs overeenstemmend met het te begeven ambt, of tijdens drie schooljaren een in artikel 19, § 2, bepaalde afwijking verkregen hebben voor het toe te wijzen ambt, waarbij aan volgende voorwaarden moet worden voldaan : a) tussen de eerste en de derde afwijking zijn niet meer dan vijf schooljaren verstreken;b) elke van de drie afwijkingen beloopt ten minste vijftien weken vóór 30 april; c) op de beoordelingsstaat m.b.t. de derde afwijking staat ten minste de vermelding « voldoende » als eindconclusie; d) als het om een lid van het bestuurs- en onderwijzend personeel gaat, houder zijn van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs, uitgereikt ter bekrachtiging van een opleiding waarvan de wezenlijkste elementen door de Regering aan het Parlement ter goedkeuring worden voorgelegd;6° de vereiste lichamelijke geschiktheid bezitten;7° aan de wets- en reglementsbepalingen betreffende de taalregeling voldoen;8° bij deze inrichtende macht een dienstanciënniteit van ten minste 720 dagen in het betrokken ambt kunnen doen gelden;van deze 720 dagen moeten er 600 effectief zijn gepresteerd. Het bevallingsverlof, de moederschapsbescherming en het voorbehoedend verlof worden ten belope van maximaal 210 dagen in aanmerking genomen bij de berekening van de effectief gepresteerde dienstdagen, voor zover deze verlofdagen binnen de aanwervingsperiode vallen; 9° ten minste de vermelding « voldoende » hebben gekregen voor de laatste in artikel 24 bedoelde beoordelingsstaat;bij gebrek aan een beoordelingsstaat geldt deze voorwaarde als vervuld; 10° het ambt als hoofdambt uitoefenen;11° de kandidatuur in de vorm en binnen de termijn ingediend hebben die bepaald zijn in de oproep tot de kandidaten. Als een personeelslid dienstdagen in een ander ambt van de betrokken categorie heeft gepresteerd waarvoor het houder is van het vereist bekwaamheidsbewijs, dan worden deze dienstdagen bij de in lid 1, 8°, vermelde dagen gevoegd, op voorwaarde dat het ten minste 360 dienstdagen in het ambt telt waarin het wenst benoemd te worden.
Artikel 40 - Berekening van de dienstanciënniteit Voor de berekening van de dienstanciënniteit gelden volgende bepalingen : 1° slechts de tot 30 april in het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap als hoofdambt gepresteerde diensten worden in aanmerking genomen, voorzover de kandidaat aan de in artikel 16, 5°, bepaalde voorwaarde voldoet;2° de dagen gepresteerd als tijdelijk personeelslid of als gesubsidieerd contractueel personeelslid worden opgeteld van het begin tot het einde van de ononderbroken periode van dienstactiviteit, met inbegrip van het ontspanningsverlof en van de kerst- en paasvakantie, indien ze in deze periode vallen;dit aantal dagen wordt met 1,2 vermenigvuldigd; 3° de dagen gepresteerd als vastbenoemd personeelslid worden opgeteld van het begin tot het einde van een ononderbroken periode van dienstactiviteit, met inbegrip van de zomervakantie;4° de diensten die gepresteerd werden in een ambt met onvolledige prestaties en ten minste de helft van het aantal uren vereist voor het ambt met volledige prestaties omvatten, worden in aanmerking genomen zoals diensten gepresteerd in een ambt met volledige prestaties;5° het aantal dagen verworven in een ambt met onvolledige prestaties dat niet de helft van het aantal uren vereist voor het ambt met volledige prestaties omvat, wordt gehalveerd;6° het aantal dagen verworven in twee of meer gelijktijdig uitgeoefende ambten met volledige of onvolledige prestaties mag nooit het aantal dagen overschrijden dat in een gedurende dezelfde periode uitgeoefend ambt met volledige prestaties verworven is. Artikel 41 - Voorrang voor een uitbreiding van benoeming Indien één of meerdere personeelsleden in een ambt met onvolledige prestaties vastbenoemd worden, moet hen de inrichtende macht de voorrang geven voor een uitbreiding van hun benoeming in het betrokken ambt in de betrokken school.
Artikel 42 - Beperking m.b.t. de benoemingen in meerdere ambten Meerdere benoemingen in verschillende ambten worden slechts toegelaten als deze ambten te zamen niet meer dan een hoofdambt met volledige prestaties uitmaken.
Artikel 43 - Titels, verdiensten en continuïteit Vóór elke benoeming vergelijkt de inrichtende macht steeds de titels en verdiensten van de kandidaten door middel van objectieve, pertinente en gepaste criteria in samenhang met het onderwijs of de uitoefening van het betrokken ambt. Daarbij wordt o.a. rekening gehouden met : 1° de beoordelingsstaten;2° de dienstanciënniteit bij de inrichtende macht of bij andere inrichtende machten alsmede de aanvullende beroepservaring;3° de bijkomende opleidingen (aantal, duur en inhoud);4° de voortgezette opleidingen (aantal, duur en inhoud). Wanneer de inrichtende macht haar beslissing neemt, houdt ze tegelijk rekening met de nodige continuïteit bij het schoolpersoneel.
Artikel 44 - Opstellen van een benoemingsakte Voor elke benoeming in een ambt stelt de inrichtende macht een benoemingsakte op waarvan een afschrift aan de betrokken school en aan het personeelslid wordt overhandigd.
Deze benoemingsakte vermeldt ten minste : 1° de identiteit van de inrichtende macht;2° de identiteit van het personeelslid;3° de benaming van de school waar het personeelslid wordt benoemd;4° het ambt (met inbegrip van het aantal uren) waarin het personeelslid wordt benoemd;5° de benoemingsdatum. Artikel 45 - Oproep tot de kandidaten Elk jaar in de tweede helft van de maand april doet de inrichtende macht een oproep tot de kandidaten voor een uitbreiding van benoeming en voor een vaste benoeming. Deze oproep wordt in de scholen bekendgemaakt, door aanplakking alsmede in elke andere vorm die door de inrichtende macht als gepast wordt geacht.
De oproep bevat een lijst met de betrekkingen die op 1 oktober heel waarschijnlijk vacant zullen zijn en voor benoeming vrijgemaakt worden. De oproep omvat gegevens over de te begeven betrekkingen, de vereiste voorwaarden vanwege de kandidaten en de vorm en de termijn waarin de kandidaturen moeten worden ingediend.
Wie zich kandidaat stelt voor een vaste benoeming in meerdere ambten dient voor elk ambt een afzonderlijke kandidatuur in.
Artikel 46 - Ogenblik en omvang van de benoemingen De vaste benoemingen geschieden op 1 oktober in de betrekkingen vermeld in artikel 45, lid 2, die op dit ogenblik nog vacant zijn.
Het minimale aantal uren bij een eerste benoeming in een ambt en bij een uitbreiding van de benoeming in het betrokken ambt in een andere school beloopt telkens één vierde van het aantal uren vereist voor een voltijdse betrekking. » Art. 13.Hoofdstuk VI van hetzelfde koninklijk besluit en de artikelen 66 tot 75 dat het bevat worden vervangen door de volgende bepalingen : « HOOFDSTUK VI - EVALUATIEVERSLAG EN PERSOONLIJK DOSSIER Artikel 66 - Evaluatiemogelijkheid Elk vastbenoemd personeelslid, behalve het personeelslid dat een bevorderingsambt bekleedt, kan door het inrichtingshoofd worden geëvalueerd of om zo'n evaluatie schriftelijk vragen.
De evaluatie wordt ten laatste op 30 april van het lopende schooljaar uitgevoerd.
Artikel 67 - Verslag De evaluatie geschiedt via een met redenen omkleed evaluatieverslag dat o.a. gegevens omvat over het uitgeoefende ambt en de duur van de geleverde dienstprestaties alsook over de bekwaamheden, de prestaties en de mate waarin het personeelslid zich voor de onderwijsinrichting inzet. Er wordt inzonderheid naar de mate onderzocht waarin het personeelslid de opdracht resp. verplichtingen vervult die hem door wet, decreet, besluit, verordening en benoemingsakte worden opgelegd.
Op het verslag staat de vermelding « zeer goed », « goed », « voldoende », « niet tevredenstellend » of « onvoldoende » als eindconclusie.
Het model van het evaluatieverslag wordt door de Regering vastgelegd.
Artikel 68 - Beroepsmogelijkheid § 1 - Het inrichtingshoofd overhandigt het personeelslid het verslag in tweevoud. Het personeelslid ondertekent beide exemplaren en behoudt er één van. § 2 - Staat de vermelding « onvoldoende » op het evaluatieverslag, dan kan het personeelslid het verslag onder voorbehoud ondertekenen en binnen 10 dagen na de afgifte ervan een beroep vóór de raad van beroep aantekenen.
Binnen een termijn van 45 dagen te rekenen vanaf de dag waarop hij het beroep heeft ontvangen, zendt de raad van beroep een met redenen omkleed advies aan de inrichtende macht.
Binnen de 10 dagen na ontvangst van het advies overhandigt de inrichtende macht haar definitieve beslissing aan het personeelslid.
Ze vermeldt in voorkomend geval de redenen waarom ze het advies niet volgt.
Het beroep is opschortend. § 3 - Staat op het verslag de vermelding « onvoldoende » als eindconclusie, dan wordt het personeelslid in het daaropvolgende schooljaar opnieuw geëvalueerd.
Artikel 69 - Persoonlijk dossier § 1 - Voor elk vastbenoemd personeelslid wordt een persoonlijk dossier samengesteld, dat de aanstellingsakte, de vaste benoeming, de dienstattesten, de beoordelingsstaten en de evaluatieverslagen, alsmede de desgevallend opgelegde tuchtmaatregelen omvat. § 2 - Elk personeelslid heeft het recht van zijn persoonlijk dossier inzage te nemen. » Art. 14.Artikel 85, littera a), van hetzelfde koninklijk besluit van 22 maart 1969 wordt vervangen als volgt : « a) is de duur van de diensten gepresteerd als tijdelijk personeelslid in een ambt met volledige dienstprestaties gelijk aan het aantal dagen berekend vanaf de aanvang tot het einde van een ononderbroken periode van dienstactiviteit, met inbegrip van het ontspanningsverlof, van de kerst- en paasvakantie, van het moederschapsverlof, van het verlof voor opvang met het oog op adoptie of pleegvoogdij en van het uitzonderlijk verlof toegekend overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen, indien ze in deze periode vallen; het zo berekend aantal wordt met 1,2 vermenigvuldigd; » Art. 15.Hoofdstuk IX van hetzelfde koninklijk besluit en de artikelen 122 tot 157 dat het bevat, worden vervangen door de volgende bepalingen : « HOOFDSTUK IX - TUCHTREGELING EN PREVENTIEVE SCHORSING Afdeling 1 - Tuchtstraffen
Artikel 122 - Indien vastbenoemde personeelsleden hun plichten niet nakomen, kunnen zij één van de volgende straffen oplopen : 1° de terechtwijzing;2° de blaam;3° de inhouding van wedde;4° de schorsing bij tuchtmaatregel;5° de op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel;6° de terugzetting in graad;7° het ontslag van rechtswege. Artikel 123 - Een inhouding van wedde wordt opgelegd voor ten hoogste drie maanden en mag niet meer dan één vijfde van het brutobedrag van de laatste activiteitswedde of van het laatste wachtgeld bedragen.
Artikel 124 - De schorsing bij tuchtmaatregel wordt uitgesproken voor ten hoogste één jaar. Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd en geniet de helft van het brutobedrag van zijn laatste activiteitswedde of wachtgeld.
Artikel 125 - De op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel mag niet minder dan één jaar en niet meer dan 5 jaar duren.
Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd en geniet de eerste twee jaar een wachtgeld dat gelijk is aan de helft van zijn activiteitswedde. Zonder dat dit bedrag mag worden overschreden, wordt het wachtgeld vervolgens vastgelegd op het bedrag van het pensioen dat de betrokkene zou bekomen als hij voortijdig op pensioen was gesteld.
Na de helft van de duur van zijn straf mag het personeelslid erom vragen, opnieuw in het onderwijs te worden opgenomen.
Artikel 126 - Bij de terugzetting in graad wordt het personeelslid een weddeschaal toegekend die met zijn nieuw ambt overeenstemt.
Artikel 127 - De inhouding van wedde of de toekenning van een wachtgeld mag niet tot gevolg hebben dat de wedde van het personeelslid minder bedraagt dan de werkloosheidsuitkering waarop het recht zou hebben in het stelsel van de maatschappelijke zekerheid voor werknemers. Afdeling 2 - Tuchtprocedure
Artikel 128 - Voor de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, de inrichtingshoofden uitgezonderd, voor de leden van het opvoedend hulppersoneel, het paramedisch personeel, het psychologisch personeel en het sociaal personeel worden : 1° de terechtwijzing, de blaam en de afhouding van wedde door het inrichtingshoofd of de leidende ambtenaar van het Onderwijsbestuur voorgesteld en door de Regering uitgesproken;2° de andere straffen door het Ministerie voorgesteld en door de Regering uitgesproken. Indien de maatregel een inrichtingshoofd betreft, worden alle straffen door het Ministerie voorgesteld en door de Regering uitgesproken.
Artikel 129 - § 1 - Het inrichtingshoofd, de leidende ambtenaar van het Onderwijsbestuur of het Ministerie betekent aan het personeelslid, na hem gehoord te hebben, het voorstel tot tuchtstraf per aangetekende brief, welke uitwerking heeft op de derde werkdag na de verzendingsdatum ervan. Naast het voorstel bevat deze brief ook de tekst van het tweede lid.
Binnen twintig dagen na de betekening kan het personeelslid, vóór de bevoegde raad van beroep, een beroep schriftelijk aantekenen tegen het voorstel tot tuchtstraf. Heeft het personeelslid na afloop van deze termijn geen beroep aangetekend, dan worden het voorstel en het beoordelingsdossier van het betrokken personeelslid van rechtswege aan de Regering toegezonden.
Het beroep is opschortend. § 2 - In geval van beroep worden het voorstel tot tuchtstraf en het beoordelingsdossier van het betrokken personeelslid door het inrichtingshoofd, de leidende ambtenaar van het Onderwijsbestuur of het Ministerie binnen veertien dagen na ontvangst ervan aan de bevoegde raad van beroep toegezonden. § 3 - Behalve in geval van strafvervolging stuurt de kamer van beroep binnen negentig dagen na ontvangst van het door het personeelslid aangetekend beroep een met redenen omkleed advies aan het personeelslid en aan de Regering.
In spoedgeval kan de Regering een verkorting van deze termijn aanvragen zonder echter dat deze termijn minder dan één maand bedraagt. § 4 - Ten laatste dertig dagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep of na het verstrijken van de termijn om een beroep aan te tekenen, deelt de Regering het personeelslid haar beslissing mede ofwel bij een gerechtsdeurwaarderexploot ofwel bij een aangetekende brief, welke uitwerking heeft op de derde werkdag na de verzendingsdatum ervan.
Zij vermeldt in voorkomend geval de redenen waarom zij het advies niet volgt. § 5 - De uitgesproken straf wordt in het beoordelingsdossier van het personeelslid opgetekend.
Geen straf kan uitwerking hebben voor de periode die aan de uitspraak voorafgaat.
Artikel 130 - Een strafprocedure schorst de tuchtprocedure op die tot dezelfde feiten betrekking heeft.
De Regering beslist over de toepassing van een tuchtstraf, welk het resultaat van de strafprocedure ook mag zijn. Afdeling 3 - Doorhaling van een tuchtstraf
Artikel 131 - § 1 - De doorhaling van een tuchtstraf geschiedt van ambtswege na een termijn waarvan de duur is vastgelegd op : 1° één jaar voor de terechtwijzing en de blaam;2° drie jaar voor de inhouding van wedde;3° vijf jaar voor de schorsing bij tuchtmaatregel;4° zeven jaar voor de op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel. De termijn loopt vanaf de dag waarop de tuchtstraf is uitgesproken. § 2 - Onverminderd de uitvoering van de tuchtstraf heeft de doorhaling tot gevolg dat met de doorgehaalde tuchtstraf geen rekening meer mag worden gehouden, inzonderheid bij de aanspraak op een selectie- of bevorderingsambt. De doorgehaalde tuchtstraf wordt van het dossier van het personeelslid verwijderd. Afdeling 4 - Kamer van beroep
Onderafdeling 1 - Algemene bepalingen Artikel 132 - De Regering richt een raad van beroep voor het gemeenschapsonderwijs op.
Onderafdeling 2 - Organisatie Artikel 133 - De Regering wijst de voorzitter en twee plaatsvervangende voorzitters van de raad van beroep aan onder de magistraten in dienstactiviteit.
De Regering wijst ook een secretaris en een plaatsvervangende secretaris aan.
Artikel 134 - § 1 - De raad van beroep is samengesteld uit 1° de voorzitter of één van zijn plaatsvervangers;2° de secretaris of zijn plaatsvervanger;3° een gelijk aantal vertegenwoordigers van de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs die rechtstreeks door de Regering en op de voordracht van de representatieve vakorganisaties van het gemeenschapsonderwijs werden aangewezen.Voor elke categorie zijn er evenveel plaatsvervangers als werkende leden.
Ten minste één werkend of plaatsvervangend lid wordt uit de selectie- of bevorderingsambten aangewezen en één uit het paramedisch personeel.
Ten minste één plaatsvervangend lid wordt onder de personeelsleden aangewezen op wie het koninklijk besluit van 27 juli 1979 tot vaststelling van het statuut van de leden van het technisch personeel van de Rijks-psycho-medisch-sociale centra, van gespecialiseerde Rijks-psycho-medisch-sociale centra, van de Rijksvormingscentra en van de inspectiedienst belast met toezicht op de psycho-medisch-sociale centra, de diensten voor studie- en beroepsoriëntering en de gespecialiseerde psycho-medisch-sociale centra toepasselijk is.
De werkende en plaatsvervangende leden die de representatieve vakorganisaties vertegenwoordigen worden op de voordracht van deze organisaties door de Regering aangewezen. In geval van onenigheid in deze vakorganisaties kan de Regering beslissen.
De representatieve vakorganisaties worden bepaald met toepassing van de
wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
19/12/1974
pub.
05/10/2012
numac
2012000586
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de
wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
19/12/1974
pub.
05/10/2012
numac
2012000586
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten. § 2 - De Regering bepaalt het aantal leden van de raad van beroep en de duur van hun mandaat. De raad telt ten minste drie werkende leden die rechtstreeks en drie leden die op de voordracht van de representatieve vakorganisaties aangewezen worden.
Artikel 135 - De raad van beroep maakt zijn huishoudelijk reglement op, dat hij ter goedkeuring aan de Regering voorlegt.
Artikel 136 - Zodra een zaak bij de raad van beroep aanhangig wordt gemaakt, deelt de voorzitter aan het personeelslid de lijst mee van de werkende leden en plaatsvervangers. Binnen tien dagen na ontvangst van die lijst kunnen het personeelslid en de Regering de wraking van ten hoogste twee leden aanvragen. Zij mogen evenwel niet tegelijkertijd een werkend lid en zijn plaatsvervanger wraken.
Een lid mag om ontlasting verzoeken als het van oordeel is dat het ter zake morele belangen heeft of als het vreest dat zijn onpartijdigheid in twijfel kan worden getrokken. De voorzitter beslist of er al dan niet aan de aanvraag gevolg wordt gegeven. Hij kan ook een lid om dezelfde redenen ontlasten.
De voorzitter resp. de plaatsvervangende voorzitter, de werkende leden en de plaatsvervangers mogen geen zitting hebben in een zaak die betrekking heeft op hun echtgenoot of een bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad.
Artikel 137 - De werkingskosten van de raad van beroep vallen ten laste van de Gemeenschap.
De Regering bepaalt het presentiegeld waarop de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitters alsook de reiskostenvergoeding waarop de voorzitter, de secretaris en de overige leden aanspraak hebben. Afdeling 5 - Procedure
Artikel 138 - § 1 - Binnen twintig dagen na ontvangst van het beroep worden de partijen door de voorzitter opgeroepen.
Het personeelslid en de Regering worden door de raad van beroep gehoord.
Het personeelslid kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een afgevaardigde van een in artikel 134, § 1, lid 5, vermelde erkende vakorganisatie, door een advocaat of door een verdediger gekozen onder de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs die in dienstactiviteit, in terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaat of op rust gesteld zijn.
De instantie die de straf voorstelt kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of door een ambtenaar van het Ministerie. § 2 - De raad van beroep kan een aanvullend onderzoek bevelen en getuigen horen. § 3 - Het niet-verschijnen van het personeelslid resp. zijn vertegenwoordiger of van de betrokken instantie resp. de vertegenwoordiger ervan belet in geen geval de raad van beroep uitspraak te doen.
Artikel 139 - De raad van beroep mag slechts geldig beraadslagen, indien ten minste twee leden die de Regering vertegenwoordigen en twee leden die de vakorganisaties vertegenwoordigen, aanwezig zijn.
Aan de stemming moeten evenveel vertegenwoordigers van de Regering als vertegenwoordigers van de vakorganisaties deelnemen. In voorkomend geval wordt de pariteit hersteld door uitschakeling van één of meer bij loting aangewezen leden.
Als het in vorig lid bedoelde aanwezigheidsquorum niet bereikt wordt, roept de voorzitter binnen vijftien dagen een nieuwe vergadering bijeen. Op die vergadering kan beslist worden, ongeacht het aantal aanwezige leden van elke groep.
De personen vermeld in artikel 134, § 1, lid 1, 3°, zijn stemgerechtigd.
Het met redenen omkleed advies wordt uitgebracht na geheime stemming, bij gewone meerderheid van de stemmen. Bij staking van stemmen beslist de voorzitter.
Artikel 140 - Het met redenen omkleed advies wordt binnen vijf dagen na de vergadering waarop het advies werd uitgebracht per aangetekende brief aan de partijen medegedeeld. Het bevat het aantal voor en tegen uitgebrachte stemmen die tot dit advies hebben geleid. Afdeling 6 - De preventieve schorsing
Artikel 141 - § 1 - De preventieve schorsing is een administratieve maatregel zonder disciplinair karakter. Zij heeft de verwijdering uit het ambt tot gevolg.
In de volgende gevallen kan een personeelslid door de Regering preventief geschorst worden als het belang van de dienst of van het onderwijs dat vereist : 1° bij strafrechtelijke vervolgingen; …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.