← België

Besluit van de Vlaamse Regering ter uitvoering van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019

Kort samengevat

Dit besluit van de Vlaamse Regering regelt de overheidsfinanciën van de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse rechtspersonen, ter uitvoering van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019. Het bundelt en herziet bestaande regelgeving over begroting, rapportering en financiële operaties.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
17 MEI 2019. - Besluit van de Vlaamse Regering ter uitvoering van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019 VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING Algemene inleiding Dit besluit van de Vlaamse Regering wordt genomen ter uitvoering de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019 (hierna: de codex). Het besluit voorziet daarnaast ook in een inhoudelijk gerelateerde uitvoeringsbepaling voor artikel 8, eerste lid, van het decreet van 22 maart 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1 houdende een kader voor grote projecten en programma's. Dit besluit komt in de plaats van: 1. het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3 houdende regeling van de begrotingscontrole en -opmaak (hierna: BVR begrotingscontrole);2. het besluit van de Vlaamse Regering van 3 februari 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten4 houdende de modaliteiten tot invoering van het centraal kasbeheer voor de Vlaamse verzelfstandigde agentschappen opgericht ingevolge het decreet bestuurlijk beleid van 18 juli 2003 (hierna: BVR CFO);3. het besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten9 betreffende de begroting en de boekhouding van de Vlaamse rechtspersonen (hierna: BVR begroting en boekhouding Vlaamse rechtspersonen);4. het besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten9 betreffende de boekhoudregels en de aanrekeningsregels die van toepassing zijn op de Vlaamse ministeries en de diensten met afzonderlijk beheer en betreffende de controle op de vastleggingskredieten (hierna: BVR begroting en boekhouding ministeries en DAB's);5. het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/01/1989 pub. 06/11/2008 numac 2008000907 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0 betreffende controle en single audit (hierna: BVR single audit);6. het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/01/1989 pub. 06/11/2008 numac 2008000907 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2 betreffende de algemene regels inzake subsidiëring (hierna: BVR subsidies);7. het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/01/1989 pub. 06/11/2008 numac 2008000907 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten7 tot oprichting van de Vlaamse adviescommissie boekhoudkundige normen van toepassing op de Vlaamse ministeries, diensten met afzonderlijk beheer en Vlaamse rechtspersonen (hierna: BVR VABN);8. het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2018Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/03/1977 pub. 05/03/2009 numac 2009000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1 houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0 betreffende de optimalisatie van het beheer van de financiële activa van de Vlaamse overheidsentiteiten (hierna: BVR financiële activa). Het besluit voegt de algemene regels inzake de begroting, de rapportering en de financiële operaties van de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse rechtspersonen samen in één enkel uitvoeringsbesluit. Dit besluit beperkt er zich niet toe de voornoemde regelgeving te hernemen en te integreren, maar gaat gepaard met: 1° een herschikking en een herschrijving van de voornoemde regelgeving, met het oog op een verbetering van haar leesbaarheid en interne consistentie.2° het verleggen van beleidsmatige klemtonen ten opzichte van de voornoemde regelgeving.De verhouding tot de voornoemde regelgeving wordt in dit verslag verduidelijkt, en ook de vernieuwingen ten opzichte van de voornoemde regelgeving worden opgenomen. Adviezen Raad van State en SERV De opmerkingen van de Raad van State advies 64.851/1 van 4 januari 2019 werden grotendeels verwerkt, wat hierna in dit verslag ook zal worden verduidelijkt (bij de aanhef en in de artikelsgewijze bespreking). Toch kon niet met alle opmerkingen worden ingestemd. Zo kan niet worden ingestemd met de zienswijze van de Raad van State over de verplichting om een boekhouding te voeren op basis van het federaal bepaalde genormaliseerd boekhoudplan (randnr. 9 van het advies). In de memorie van toelichting bij de codex werd omstandig aangegeven waarom die zienswijze niet kan worden gevolgd. Aangezien dit besluit in artikel 15 louter de rechtsgrond uit artikel 28, tweede lid, van de codex uitvoert, kan dan ook naar die omstandige motivering worden verwezen. Voor wat de opmerkingen in het advies over de VABN betreft (randnr. 14 m.b.t. de artikelen 64 tot en met 69 van het ontwerp zoals in eerste lezing principieel goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 16 november 2018 (artikelen 65 tot en met 70 van voorliggend ontwerp), kan eveneens worden verwezen naar de omstandige toelichting in de memorie van toelichting bij de codex (de algemene repliek op het advies van de Raad van State vooraan en de artikelsgewijze toelichting bij artikel 70 van de codex). De opmerkingen van de Raad van State in het advies 65.906/1 van 7 mei 2019 werden gevolgd. Dit betekent dat zowel de aanhef werd gewijzigd alsook dat het verband werd verduidelijkt tussen artikel 37, § 2, 3° en de artikelen waarin het advies van de Inspectie van Financiën verplicht wordt opgelegd. De Raad van State verwijst in het advies enkel naar artikel 43 maar ook in andere artikelen van het besluit worden verplichte adviesaanvragen ingesteld. Om die reden zijn ook die andere artikelen vermeld in artikel 37, § 2, 3°. De opmerkingen van de SERV in zijn advies van 26 november 2018 gaven geen aanleiding tot een aanpassing van het ontwerp van besluit. Wel kan worden verwezen naar de toelichting bij artikel 141 aangaande de in het advies gesignaleerde vragen over het overgangsjaar 2019. Aanhef De aanhef werd aangevuld met de rechtsgronden die werden aangereikt door de Raad van State (randnrs. 3.4, 3.5 en 5 van advies 64.851/1), evenals de recente rechtsgrond in artikel 8, eerste lid, van het decreet van 22 maart 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1 houdende een kader voor grote projecten en programma's. Ook het lid waarin wordt verwezen naar het advies Raad van State werd aangevuld (randnr. 6 van advies 64.851/1), evenals de verwijzing naar het advies 65.906/1 van de Raad van State, gegeven op 7 mei 2019 (randnr. 3 van advies 65.906/1). Artikelsgewijze toelichting HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen Artikel 1.De definities zoals opgenomen in de VCO werken allemaal door in dit besluit. Daarnaast werden slechts twee extra inhoudelijke definities opgenomen, nl. voor begrotingsakkoord en thema-overschrijdend inhoudelijk structuurelement. 1° begrotingsakkoord Het begrotingsakkoord is het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, in het kader van zijn rol bij de ex ante controle van de uitvoering van de begroting.Deze definitie is vooral van belang voor de bepalingen inzake de controle door de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen (hoofdstuk 6, afdeling 1). 2° thema-overschrijdend inhoudelijk structuurelement In de mate dat beleidskredieten kunnen toegewezen worden aan één specifiek inhoudelijk structuurelement (ISE), dienen de uitgaven onder het desbetreffende ISE te worden opgenomen.Wanneer het niet mogelijk is om een uitgave voorafgaandelijk toe te wijzen aan één specifiek inhoudelijk structuurelement, kan het worden opgenomen bij een thema-overschrijdend ISE. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn voor uitgaven in het kader van wetenschappelijk onderzoek, waarbij op voorhand nog niet vaststaat welk thema het voorwerp zal uitmaken. De beleidskredieten die onder het inhoudelijk structuurelement `thema-overschrijdend' komen te staan, moeten beperkt blijven tot een minimum. Dit betekent dat er eerst nagegaan wordt in welke mate het mogelijk is om kredieten toe te wijzen aan een specifiek ISE. HOOFDSTUK 2. - Begroting Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen voor de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen over de meerjarenraming en de beleids- en begrotingsinformatie Art. 2.Dit artikel herneemt in grote mate artikel 3 van het BVR begroting en boekhouding Vlaamse rechtspersonen. Het bepaalt dat de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, de indiening van de meerjarenraming voorbereidt zowel voor de Vlaamse Gemeenschap als voor de Vlaamse rechtspersonen. Overeenkomstig het tweede lid, kan de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse rechtspersonen wel vragen om een ontwerp van meerjarenraming op te stellen of een gerichte insteek te leveren volgens de instructies en binnen de termijn die hij bepaalt. Art. 3.Dit artikel is nieuw. De beleids- en begrotingstoelichtingen worden geïnitieerd als nieuwe documenten waarin de beleids- en begrotingsinformatie die voorheen in de beleidsbrieven en in de memories van toelichting per beleidsdomein opgenomen werd, meer en beter geïntegreerd wordt. Het opstellen van de beleids- en begrotingstoelichtingen vraagt een nauwe samenwerking tussen de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, de Vlaamse minister, bevoegd voor het algemeen regeringsbeleid, en de inhoudelijk bevoegde minister(s). De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het algemeen regeringsbeleid, staan daar hoofdzakelijk in voor het bewaken van de uniformiteit tussen de verschillende beleids- en begrotingstoelichtingen. De inhoudelijk bevoegde minister zorgt dan weer voor de sectorgebonden uitwerking. Om het betrokken proces meer te duiden en te stroomlijnen kunnen de Vlaamse minister, bevoegd voor het algemeen regeringsbeleid, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begroting, samen een instructie uitvaardigen. Onderafdeling 2. - Bepalingen over de jaarlijkse begroting Art. 4.Deze bepaling herneemt in grote mate artikel 5, § 1, van het BVR begrotingscontrole en artikel 4 van het BVR begroting en boekhouding Vlaamse rechtspersonen. Art. 5.Deze bepaling is nieuw. Ze legt aan alle aan de codex onderworpen entiteiten de verplichting op om een geüniformiseerd begrotingsplan te volgen. Waar de boekhouding reeds lang gevoerd wordt aan de hand van een boekhoudplan, is er nog geen soortgelijk sjabloon voor de begroting en begrotingsrapportering. Nochtans zijn er voor de begroting ook een aantal elementen waarover verplicht gerapporteerd moet worden. De internationale verplichtingen rond rapportering over overheidsschuld en vorderingensaldo zijn vervat in o.a. het ESR en COFOG. Daarnaast is met de invoering van een prestatie-geïnformeerde-begroting ook het inhoudelijk structuurelement (ISE) geïnitieerd. Het ISE zorgt voor een inhoudelijk zinvolle clustering van kredieten of deelbevoegdheden binnen een programma. Het is hét element dat de koppeling tussen beleid en begroting moet faciliteren en is om die reden een cruciaal rapporteringselement. De entiteiten die werken volgens een artikelstructuur nemen dit begrotingsplan integraal over. De entiteiten die niet volgens een artikelstructuur werken nemen de elementen uit het geuniformiseerd begrotingsplan via zogenaamde `transformational accounting' op in hun rapportering over de begroting. Deze laatste entiteiten zullen m.a.w. hun eigen vertrouwde begrotings- en boekhoudtools niet moeten verlaten. Op deze manier kan er over alle entiteiten heen op een uniforme manier worden gerapporteerd over de begroting. Afdeling 2. - Specifieke bepalingen voor de begroting van de Vlaamse Gemeenschap Onderafdeling 1. - Indiening en goedkeuring van de jaarlijkse begroting Art. 6.Dit artikel is nieuw, maar bevestigt de bestaande praktijk. Onderafdeling 2. - Herverdelingen Art. 7.Deze onderafdeling regelt de wijze waarop een herverdeling van vastleggingskredieten en vereffeningskredieten kan worden uitgevoerd binnen de begroting van de Vlaamse Gemeenschap. In artikel 12 wordt de mogelijkheid tot herverdelen binnen de begrotingen van de Vlaamse rechtspersonen geregeld en in de artikelen 32 t.e.m. 35 en artikel 43, § 2, eerste lid, 2°, worden de controlevereisten geregeld. In het besluit wordt getracht om de verbetering van de herverdelingsregels verder te zetten. De bepalingen in het BVCO moeten steeds worden gelezen samen met de artikelen 21, 22, 23 en 27 van de codex die omschrijven welke herverdelingen überhaupt mogelijk zijn. In het geval van een ministerieel herverdelingsbesluit, moet dat besluit ondertekend worden door de minister bevoegd voor het begrotingsartikel van waaruit de kredieten vertrekken. Als de kredieten vertrekken van een begrotingsartikel waarvoor meerdere ministers bevoegd zijn, moeten alle bevoegde ministers het ministerieel besluit ondertekenen. Hierna volgt een overzicht van de nieuwe regels. Overzicht VAK VEK Vlaamse Gemeenschap (departementen, DAB's, IVA's zonder RPH) 1) binnen programma (als niet op de lijst van niet-toegestane herverdelingen): Binnen begrotingsartikel: managementbeslissing Over begrotingsartikel heen: MB, zonder IF en akkoord minister van begroting (BA) tenzij: *herverdeling over een ISE, m.u.v. herverdeling vertrekkende van een thema-overschrijdend ISE *tussen LO en andere ESR-aggregaten *herverdeling met ESR-impact, m.a.w. herverdeling m.b.t. kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds 2) over programma heen: opgenomen in uitgavenbegroting: MB met IF en BA provisies over programma heen: BVR met IF en BA Binnen en over programma's heen VO-breed: Binnen begrotingsartikel: managementbeslissing Over begrotingsartikel heen: MB zonder BA of IF, tenzij ESR impact, m.a.w. herverdeling m.b.t. kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds Rechtspersonen onder gezag VR: *IVA's met RPH *VOI's type A *Eigen Vermogens Binnen begroting (als niet op de lijst van niet-toegestane herverdelingen): Binnen begrotingsartikel: managementbeslissing Over begrotingsartikel heen (1) MB, zonder IF en BA tenzij: *herverdeling over een ISE, m.u.v. herverdeling vertrekkende van een thema-overschrijdend ISE * tussen LO en andere ESR-aggregaten of economische code 11 en andere economische codes *herverdeling met ESR-impact, m.a.w. herverdeling m.b.t. kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds Binnen begroting: Binnen begrotingsartikel: managementbeslissing Over begrotingsartikel heen: MB zonder BA of IF, tenzij ESR impact, m.a.w. herverdeling m.b.t. kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds Rechtspersonen onder toezicht VR: alle andere rechtspersonen die onder Vlaamse deelstaatoverheid (S13.12) vallen Binnen begroting (als niet op de lijst van niet-toegestane herverdelingen): Beslissing beheersorgaan met voorafgaande meldingsplicht aan RC als: *herverdeling over een ISE, m.u.v. herverdeling vertrekkende van een thema-overschrijdend ISE *tussen LO en andere ESR-aggregaten of economische code 11 en andere economische codes *herverdeling met ESR-impact, m.a.w. herverdeling m.b.t. kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds Binnen begroting: Beslissing beheersorgaan met voorafgaande meldingsplicht aan RC als ESR impact, m.a.w. herverdeling m.b.t. kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds Deze tabel is een samenlezing van de artikelen 7, 8, 12, 32, 33, 34, 35, 43, § 2, eerste lid, 2°, 55 en 56 BVCO. Art. 8.Zie de toelichting bij artikel 7. Dit artikel werd aangepast aan de louter vormelijke opmerking van de Raad van State (randnr. 7 van advies 64.851/1). Art. 9.Ingevolge artikel 24, tweede lid, van de codex hebben herverdelingsbesluiten pas uitwerking vanaf hun bekendmaking. Voorliggende nieuwe bepaling schrijft dan ook voor dat alle beslissingen tot herverdeling, m.u.v. de herverdelingen binnen een begrotingsartikel, zowel wanneer ze betrekking hebben op vastleggingskredieten als wanneer ze betrekking hebben op vereffeningskredieten onmiddellijk moeten worden bezorgd aan de instantie bevoegd voor de begroting met het oog op hun bekendmaking. Dit artikel voorziet in een indieningsplicht van de individuele entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid, niet in een verzamelplicht van de instantie bevoegd voor de begroting. Voor ministeriële besluiten is de datum van ondertekening, effectief de datum waarop de minister het document ondertekent en dateert, voor besluiten van de Vlaamse Regering is de datum van ondertekening de datum van goedkeuring op de Vlaamse Regering. Afdeling 3. - Specifieke bepalingen voor de begroting van de Vlaamse rechtspersonen Art. 10.Dit artikel bepaalt wie verantwoordelijk is voor het opmaken van de begroting van de rechtspersonen die onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan en wie verantwoordelijk is voor de indiening in het Vlaams Parlement. De begrotingen worden conform de codex ook goedgekeurd door het Vlaams Parlement. Art. 11.Dit artikel bepaalt wie verantwoordelijk is voor het opmaken van de begroting van de rechtspersonen die niet onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan en wie verantwoordelijk is voor de indiening in het Vlaams Parlement. De begrotingen worden niet goedgekeurd door het Vlaams Parlement. Art. 12.Dit artikel regelt de wijze waarop de Vlaamse rechtspersonen een herverdeling tussen vastleggings- en vereffeningskredieten kunnen doorvoeren. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreekse gezag staan van de Vlaamse Regering (eerste lid) en de Vlaamse rechtspersonen die onder toezicht staan (tweede lid). De toegestane herverdelingen worden bepaald in artikel 27, § 1, van de codex. Een herverdeling van vastleggings- en vereffeningskredieten is mogelijk bij besluit van de inhoudelijk bevoegde minister voor de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreeks gezag staan van de Vlaamse Regering. De Vlaamse rechtspersonen die niet onder het rechtstreeks gezag van de Vlaamse Regering staan, kunnen voortaan beslissen tot herverdeling van vastleggings- en vereffeningskredieten via een beslissing van het beheersorgaan. Dergelijke beslissing moet niet worden voorgelegd aan de inhoudelijk bevoegde minister. Deze soepelheid past bij de autonomie waarover die Vlaamse rechtspersonen beschikken. Deze bepalingen moeten worden samengelezen met de artikelen die de controle op de herverdelingen regelen. Ook daar wordt een onderscheid gemaakt tussen de Vlaamse rechtspersonen die al dan niet onder het gezag van de Vlaamse Regering staan. De controle van de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, en de Inspectie van Financiën op de herverdelingen van vastleggings- en vereffeningskredieten, uitgevoerd door de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreeks gezag van de Vlaamse Regering staan, wordt geregeld in de artikelen 32 tot en met 35 resp. artikel 43, § 2, eerste lid, 2°. De controle van de regeringscommissaris op de herverdelingen van vastleggingskredieten en vereffeningskredieten, uitgevoerd door de Vlaamse rechtspersonen die enkel onder het toezicht van de Vlaamse Regering staan, wordt geregeld in de artikelen 55 en 56. In de toelichting bij artikel 7 worden de regels schematisch weergegeven. Art. 13.In artikel 27 van de codex wordt, naast de mogelijkheid tot herverdelen, de verplichting opgenomen voor Vlaamse rechtspersonen om hun begroting aan te passen als hun toelage wijzigt of als hun oorspronkelijk geraamde ontvangsten wijzigen. Dit artikel bepaalt wie verantwoordelijk is om de begroting aan te passen. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreeks gezag staan van de Vlaamse Regering en de Vlaamse rechtspersonen die onder toezicht staan. Dit artikel moet worden gelezen samen met artikel 43, § 2, eerste lid, 2° juncto artikel 36, en artikel 57, die voorzien dat de aanpassingen van de begroting moeten worden voorgelegd aan de Inspectie van Financiën en de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, of de regeringscommissaris als de gewijzigde begroting een impact heeft op kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo of de spijzing van het reservefonds. Samengevat komt dit op het volgende neer: - Aanpassingen van de begroting indien onder rechtstreeks gezag: ministerieel besluit, zonder advies van de Inspectie van Financiën en begrotingsakkoord tenzij bij begrotingsaanpassingen met ESR-impact ingevolge kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds; - Aanpassingen van de begroting indien niet onder rechtstreeks gezag: beslissing beheersorgaan met voorafgaande meldingsplicht aan regeringscommissaris indien begrotingsaanpassingen met ESR-impact ingevolge kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds. Het is niet de bedoeling dat bij een aanpassing van een begroting n.a.v. een gewijzigde toelage of een herraming ook onmiddellijk een kredietherverdeling wordt doorgevoerd (waarvoor mogelijks andere regels van toepassing zijn). Art. 14.Voor deze nieuwe bepaling, die analoog is aan artikel 9, kan worden verwezen naar de toelichting bij artikel 9. Dit artikel werd aangepast aan de opmerking van de Raad van State (randnr. 8 van advies 64.851/1 van 4 januari 2019). Daardoor is de materiële vergissing rechtgezet en blijkt uit deze bepalingen nu duidelijk dat niet alleen de herverdelingen maar ook de aanpassingen van de begrotingen van de rechtspersonen die onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan, bezorgd moeten worden voor bekendmaking op de website. HOOFDSTUK 3. - Boekhouding Art. 15.Deze bepaling herneemt deels artikel 10 van het BVR begroting en boekhouding Vlaamse rechtspersonen, maar bevat tevens een uitbreiding tot de Vlaamse Gemeenschap. In de praktijk werd door de Vlaamse Gemeenschap ook reeds het minimum algemene rekeningenstelsel - het `MAR'- gebruikt. De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, kan het rekeningenstelsel aanvullen of verder indelen als dit nodig zou blijken. Het gebruik van het MAR als standaard biedt immers nog steeds het voordeel dat de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid zonder problemen gebruik kunnen blijven maken van de boekhoudsoftware die op de markt beschikbaar is voor private ondernemingen. Deze bepaling werd niet aangepast aan de opmerking van de Raad van State (randnr. 9 vanadvies 64.851/1 van 4 januari 2019). Voor de motivering daarvoor kan worden verwezen naar de toelichting hierboven onder de titel "Adviezen Raad van State en SERV". Art. 16.Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 29, tweede lid, van de codex en is nieuw. Courante boekhoudkundige technieken waarnaar in deze bepaling wordt verwezen, zijn bijvoorbeeld de volgende: 1° Het boeken van te ontvangen facturen, wat slaat op de boeking, onder journaalpost 444, van op balansdatum reeds geleverde goederen of diensten, maar die de leveranciers nog niet hebben gefactureerd. 2° Het maximaal gebruik van overlopende rekeningen, wat verwijst naar respectievelijk de "over te dragen kosten", "verkregen opbrengsten", "toe te rekenen kosten" en "over te dragen opbrengsten" (journaalposten 490 t.e.m. 493). 3° Het gebruik van beste schattingen als er geen definitieve cijfers beschikbaar zijn voor een bepaalde boeking, vb.voor de informatie rond federale operatoren die ten vroegste vier maand na de prestatie beschikbaar is. 4° Een snelle maand-, en kwartaalafsluiting, wat inhoudt dat men, naargelang het geval, voor elke maand en/of elk kwartaal, streeft naar een zo nauw mogelijke aansluiting van de rapportering bij de periode waarop deze betrekking heeft. Art. 17.Dit artikel herneemt artikel 11 van het BVR begroting en boekhouding Vlaamse rechtspersonen en artikel 3 van het BVR begroting en boekhouding ministeries en DAB's. Het feit dat beide artikelen worden geïntegreerd in één artikel en er slechts één boekhoudhandleiding is, impliceert niet dat geen onderscheid kan worden gemaakt tussen de regels voor de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse rechtspersonen. De handleiding verduidelijkt de regels die van toepassing zijn op de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid. Daarbij wordt ook getracht om de nodige linken te leggen tussen de bedrijfseconomische boekhouding en de begrotingsmatige aanrekening volgens het ESR. De aanpassingen aan de handleiding worden één keer per jaar ter kennisgeving meegedeeld aan de Vlaamse Regering. In het licht van de opmerking van de Raad van State in advies 64.851/1 van 4 januari 2019 (randnr. 3.3) kan worden bevestigd dat de handleiding beperkt blijft tot regels voor de aanrekening van ontvangsten en uitgaven. HOOFDSTUK 4. - Aanrekening Art. 18.Dit artikel herneemt in gewijzigde vorm respectievelijk artikel 12 van het BVR begroting en boekhouding Vlaamse rechtspersonen en artikel 4, § 2 en § 3, van het BVR begroting en boekhouding ministeries en DAB's. Het artikel verduidelijkt welke verrichtingen begrotingsmatig moeten worden aangerekend. De wijzigingen hebben betrekking op terminologie en wijzigingen die voortvloeien uit decretale aanpassingen, vb. voor oninbare vorderingen. De materiële vergissing die in de redactie van dit artikel was geslopen, werd rechtgezet ingevolge de opmerking van de Raad van State in advies 64.851/1 van 4 januari 2019 (randnr. 10). Daardoor is nu duidelijk dat een toewijzing aan een reservefonds gepaard gaat met een aanrekening op een vastleggings- of vereffeningskrediet. Een opname uit een reservefonds gaat gepaard met een aanrekening als een ontvangst. Art. 19.Dit artikel verduidelijkt de budgettaire aanrekening van facturen die betrekking hebben op het afgelopen boekjaar, maar slechts ontvangen worden na afloop ervan en van interesten, huur en vergoedingen voor in de tijd gespreide prestaties die verschuldigd zijn of gevorderd worden. Het herneemt in gewijzigde vorm respectievelijk artikel 13 van het BVR begroting en boekhouding Vlaamse rechtspersonen en artikel 5 van het BVR begroting en boekhouding ministeries en DAB's. In tegenstelling tot voorheen wordt nu expliciet vereist dat een boekhoudkundige provisie voor `te ontvangen facturen' moet worden aangelegd voor de facturen die men verwacht na het boekjaar te ontvangen. Die provisie kan enkel facturen omvatten van goederen of diensten die men effectief in het betreffende boekjaar heeft ontvangen. Men moet dit kunnen aantonen. Deze werkwijze maakt het mogelijk om de boekhouding correct te kunnen afsluiten. Als het Instituut voor de Nationale Rekeningen oordeelt dat nog een correctie moet plaatsvinden op het geconsolideerde resultaat, dan kan dit nog steeds gebeuren, maar dit staat los van de boekhoudkundige verwerking in de systemen. Ingevolge de opmerking van de Raad van State in advies 64.851/1 van 4 januari 2019 (randnr. 11) wordt voor het minimumbedrag voor de proratering niet verwezen naar de federale drempel waaronder overheidsopdrachten via een aanvaarde factuur kunnen totstandkomen, maar wel naar een vaste drempel van 7000 euro. Zo worden moeilijkheden vermeden, met rechtsonzekerheid tot gevolg, als de federale wetgever die bepaling nadien zou wijzigen, vervangen of opheffen. Art. 20.Deze bepaling is nieuw en bevat nadere regels voor de aanrekening van subsidies. De eerste paragraaf gaat over de aanrekening op het vastleggingskrediet. De tweede en derde paragraaf handelen over de aanrekening op het vereffeningskrediet en geven (samen met de artikelen 35 tot en met 37 van de codex)uitvoering aan artikel 1, 2. A) en artikel 2, 1 van de verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie. Het basisidee in paragraaf 1 is dat het volledige bedrag van een subsidie wordt vastgelegd in het jaar van het aangaan van het engagement tot het verstrekken van de subsidie. De jaarlijkse vastlegging is enkel mogelijk als in de meerjarige verbintenis voorwaarden worden ingebouwd, waardoor de uitgave jaarlijks opnieuw kan worden geëvalueerd en worden bijgesteld als de begunstigde de ingebouwde voorwaarden niet naleefde, of kan worden herzien naar aanleiding van begrotingsmaatregelen in het kader van het algemeen begrotingsbeleid. Inkomensoverdrachten worden overeenkomstig paragraaf 2 aangerekend op het vereffeningskrediet op het kalenderjaar waarop de gesubsidieerde activiteiten betrekking hebben. Als het kalenderjaar van de onderliggende activiteiten niet te bepalen is, wordt de subsidie aangerekend aan het jaar van toekenning. Subsidies die betrekking hebben op activiteiten van het voorgaande jaar, worden onmiddellijk en volledig ten laste genomen op het moment van toekenning. Als een subsidie verdeeld wordt over meerdere kalenderjaren wordt het bedrag geprorateerd op basis van het aantal maanden waarop de activiteit betrekking heeft. Bij een onvolledige begin- of eindmaand bepaalt de 16e dag van de maand of de maand al dan niet wordt meegeteld om de proratering te berekenen. Voor zover de subsidiërende entiteit geen jaarlijkse afrekening van het voorbije kalenderjaar van de gesubsidieerde entiteit ontvangt, is het voor de subsidiërende entiteit meestal niet mogelijk om het subsidiebedrag dat de gesubsidieerde entiteit als ontvangst heeft geboekt, in zijn eigen boekhouding als uitgave op te nemen. In die omstandigheden zal de subsidiërende entiteit zich voor de aanrekening van de jaarlijkse subsidiekost baseren op de door de gesubsidieerde entiteit initieel voor dat jaar verwachte uitgaven. Als de precieze kost van de subsidie bij het afsluiten van het kalenderjaar niet gekend is, dient op een consistente manier een inschatting gemaakt te worden op basis van bijvoorbeeld historische gegevens. In de mate dat uit de projectopvolging blijkt dat een project sneller dan wel trager wordt uitgevoerd dan gepland, zal dit zich ook vertalen naar het aan te rekenen bedrag in de boekhouding. De ontoereikendheid van het budget mag geen reden zijn om de subsidie niet te vereffenen conform bovenstaande regels. De subsidie dient aangerekend te worden op het correcte kalenderjaar. Kapitaaloverdrachten worden overeenkomstig paragraaf 3 aangerekend op het vereffeningskrediet op het moment dat er een verplichting tot betaling ontstaat ten opzichte van de gesubsidieerde, m.a.w. de gesubsidieerde kan de subsidie als verworven beschouwen volgens de subsidievoorwaarden. Voor zover in de subsidievoorwaarden enkel een vast percentage van de uitgaven is opgenomen, desgevallend beperkt tot een maximumbedrag, betekent dit een aanrekening in verhouding tot dat percentage van de effectieve subsidieerbare kosten. Voor zover de subsidiërende entiteit geen, geen volledige of geen tijdige afrekening van het voorbije kalenderjaar van de gesubsidieerde ontvangt, zal de subsidiërende entiteit zich in deze situatie baseren op de voor dat deel van het jaar verwachte uitgaven van de gesubsidieerde entiteit. Als het recht op subsidie voor de gesubsidieerde pas ontstaat nadat, volgens de subsidievoorwaarden, een bepaalde vooruitgang is geboekt, zal ook de aanrekening van de subsidie volgens die bepaalde vooruitgang gebeuren op het moment dat die aan de subsidiërende entiteit kenbaar wordt gemaakt. Eventuele gedane betalingen waarbij het duidelijk is dat die vooruit lopen op de volgens deze principes aan te rekenen subsidies, worden als voorschot behandeld. Een subsidie of delen van die subsidie die op het moment van toekenning betrekking hebben op reeds uitgevoerde investeringen, worden onmiddellijk en volledig ten laste genomen op het moment van toekenning. Subsidies onder opschortende voorwaarden worden niet aangerekend, zolang aan de opschortende voorwaarden niet is voldaan. Als de redelijke termijn voor het beoordelen van de realisatie van de opschortende voorwaarden is verstreken, wordt de subsidie onmiddellijk en voor het volledige bedrag van die subsidie aangerekend. Als in de regelgeving niet is voorzien binnen welke termijn de realisatie moet worden beoordeeld, kan 3 maanden als een redelijke termijn worden beschouwd. Gemotiveerde afwijkingen van deze termijn zijn mogelijk. Voorbeelden van opschortende voorwaarden zijn het verkrijgen van een omgevingsvergunning, de oprichting van een vennootschap of het behalen van bepaalde kwaliteitseisen. Het opleggen van een ex post verantwoording van de kosten wordt niet als opschortende voorwaarde beschouwd. De ontoereikendheid van het budget mag geen reden zijn om een reeds toegekende subsidie niet te vereffenen conform de bovenstaande regels. De subsidie dient aangerekend te worden op het correcte kalenderjaar. Art. 21.Om in aanmerking te komen als een recurrente verbintenis dient de uitgave te worden afgetoetst aan de criteria opgenomen in de definitie zoals opgenomen in artikel 2, 28°, van de codex. Deze criteria faciliteren in eerste instantie uitgaven die overeenstemmen met een periodiek terugkerende verplichting, recurrent van aard, op basis van een meerjarige of jaarlijks verlengbare overeenkomst. Dit impliceert dat, voor de duur van de overeenkomst, de contracterende partij - zonder aparte bestelopdracht(en) - automatisch het recht heeft om diensten of goederen te leveren, hetzij op basis van verbruik (nutsuitgaven, kantoorartikelen, verzendingskosten, abonnementen, internetkosten, ...), hetzij voor een vast gedeelte of een minimaal overeengekomen afname van het contractproduct of dienst in het laatste jaar van de overeenkomst, hetzij volgens specifieke contractuele bedingen (zoals wedden, verzekeringen, schoonmaak, bewaking, huur, leasing, licenties, onderhoudscontracten, ...). Bijkomende voorwaarde om in aanmerking te komen als recurrente uitgave is dat, ongeacht het bestaan van een mogelijke opzeggingsclausule, de overeenkomst gespreid over verschillende jaren budgettaire gevolgen heeft, en waarvan de aanrekening op het jaar waarin ze ontstaan, een last zou zijn die daarmee geen economische band heeft. Naast de opsomming van voorbeelden van recurrente verbintenissen in dit artikel vallen de volgende verbintenissen bij wijze van verdere illustratie eveneens onder de noemer "recurrente verbintenis": - salarissen, salaristoelagen, vergoedingen en sociale voordelen van personeelsleden; - toelagen, vergoedingen en presentiegelden voor de afgevaardigden van de Vlaamse Regering; - pensioenen; - huur en huurkosten; - abonnementen op publicaties (ongeacht het bedrag ervan); - uitgaven die een zekere analogie vertonen met de krachtens een abonnement uitgevoerde leveringen (of diensten) zoals verwarming, elektriciteit, gas en water, telefonie; - uitgaven op basis van een ten minste op jaarbasis juridisch afdwingbaar recht voor de levering van kantoorbenodigdheden en van volgende diensten: schoonmaak, bewakingskosten, verzekeringen, leasing, hosting van websites, de huur van servers, onderhoudsovereenkomsten. Deze bepaling over recurrente verbintenissen staat los van de mogelijkheid om courante uitgaven tegelijk op het vastleggings- en het vereffeningskrediet aan te rekenen. Art. 22.Deze bepaling is nieuw en bevat de nadere modaliteiten voor de annulering van vastleggingen. Het dienstencentrum boekhouding of, als een entiteit daarbij niet aangesloten is, de interne dienst die verantwoordelijk is voor de boekhouding, maken jaarlijks een lijst op van vastleggingen die acht jaar of ouder zijn en die nog niet volledig vereffend zijn. Die lijst wordt vervolgens aan de inhoudelijk bevoegde minister bezorgd. Die minister moet een aanvraag tot behoud van de vastlegging indienen bij de Inspectie van Financiën. De termijnen verbonden met die aanvraag tot behoud zijn gelijkaardig aan die voor een regulier advies van de Inspectie van Financiën. De aanvraag moet duidelijk motiveren waarom de vastlegging behouden moet blijven. Als de Inspectie van Financiën de motivering gunstig adviseert, blijft de vastlegging behouden. Als de Inspectie van Financiën de motivering niet gunstig adviseert, kan de inhoudelijk bevoegde minister hiertegen beroep indienen bij de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen of bij de Vlaamse Regering. Als het beroep wordt ingewilligd, kan de vastlegging behouden blijven. Als er geen beroep wordt ingediend of het beroep wordt verworpen, wordt de vastlegging geannuleerd en is het vastleggingskrediet definitief verloren. HOOFDSTUK 5. - Rapportering Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen voor de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse rechtspersonen Art. 23.De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, stelt de regels en voorwaarden vast voor de jaarlijkse rekeningen van de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid. In artikel 14 en 15 van het BVR begroting en boekhouding Vlaamse rechtspersonen was voorzien dat de jaarrekening minstens de schema's van de jaarrekening van de privaatrechtelijke vennootschappen diende te omvatten, en dat één van de toegevoegde schema's een toelichting van de niet-recurrente meerjarige verbintenissen diende te omvatten. Deze vereisten werden in de praktijk vertaald in een sjabloon dat ter beschikking wordt gesteld. In dit sjabloon zitten nog meerdere elementen vervat, waardoor wordt geopteerd om de inhoud van de rekening door de minister te laten bepalen en dit zoals op heden het geval is via een sjabloon. Hier kunnen ook instructies worden bijgevoegd. In de toelichting bij de rekening zal nu ook bijkomend aandacht worden besteed aan de koppeling met de beleidsinformatie. De instructies voor dit aspect zullen steeds in samenspraak met de Vlaamse minister, bevoegd voor het algemeen regeringsbeleid, worden opgesteld. Art. 24.Dit artikel is nieuw en voorziet in een doordelegatie voor de uitvoering van artikel 45 van de codex. De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, kan instructies opstellen om de tussentijdse of bijkomende jaarlijkse rapportering te coördineren. Tussentijdse rapporteringen omvatten alle rapporteringen die op regelmatige basis worden opgevraagd. Het betreft onder meer monitoring, Europese rapporteringen via Algemene Gegevensbank, verwijlintresten, betaalgedrag, ... Afdeling 2. - Specifieke bepalingen voor de Vlaamse Gemeenschap Art. 25.Dit artikel is nieuw, maar bevestigt de bestaande praktijk. Naar analogie met de artikelen bij de opmaak van de begroting, wordt hier verduidelijkt dat de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, instaat voor de opmaak van de rekening van de Vlaamse Gemeenschap. Hij kan hiervoor input opvragen van de inhoudelijk bevoegde ministers. Afdeling 3. - Specifieke bepaling voor de Vlaamse rechtspersonen Art. 26.Dit artikel herneemt in gewijzigde vorm artikel 15/2, eerste lid, van het BVR begroting en boekhouding Vlaamse rechtspersonen. Het onderscheid dat in het BVR begroting en boekhouding Vlaamse rechtspersonen gekoppeld werd aan het hebben van een raad van bestuur is vervangen door het criterium van al dan niet onder rechtstreeks gezag van de Vlaamse Regering staan. Als een Vlaamse rechtspersoon onder het rechtstreekse gezag van Vlaamse Regering staat, is het de inhoudelijk bevoegde minister die instaat voor de opmaak van de rekening. De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, zorgt ervoor dat de rekeningen als bijlage worden gevoegd bij de rekening van de Vlaamse Gemeenschap. Deze rekeningen worden conform de codex ook goedgekeurd door het Vlaams Parlement. Art. 27.Deze bepaling herneemt in gewijzigde vorm artikel 15/1 en artikel 15/2, tweede lid, van het BVR begroting en boekhouding Vlaamse rechtspersonen. Als een Vlaamse rechtspersoon niet onder het rechtstreekse gezag staat van de Vlaamse Regering, is het beheersorgaan verantwoordelijk voor de opmaak van de rekening. Ook deze rekeningen voegt de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, als bijlage bij de rekening van de Vlaamse Gemeenschap. Deze bijlagen worden echter enkel informatief bijgevoegd. Deze worden niet goedgekeurd door het Vlaams Parlement. Het ontvangt de rekeningen enkel ter kennisneming. Art. 28.Deze bepaling herneemt deels artikel 15/1 en 15/2 van het BVR begroting en boekhouding Vlaamse rechtspersonen en artikel 46, § 1 en § 2, van het Rekendecreet. Alle rekeningen moeten ten laatste op 31 maart aan het Departement Financiën en Begroting worden bezorgd. Het Departement Financiën en Begroting zorgt ervoor dat alle rekeningen aan het Rekenhof worden bezorgd (overeenkomstig artikel 43, eerste lid, van de codex). HOOFDSTUK 6. - Controle Afdeling 1. - De Vlaamse Minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 29.Deze bepaling beschrijft de procedure voor de aanvraag tot verlening van het begrotingsakkoord. Het eerste lid van paragraaf 1 herneemt in gewijzigde vorm en herschikt artikel 6, § 1 en § 3, van het BVR begrotingscontrole. Het tweede lid van deze paragraaf is nieuw en voorziet in de mogelijkheid voor de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, om een modelformulier op te stellen dat voor de aanvraag van een advies van de Inspectie van Financiën of een aanvraag begrotingsakkoord gebruikt moet worden. Deze bepaling kadert in de digitalisering van de processtromen. Het modelformulier wordt ter kennisgeving aan de Vlaamse Regering voorgelegd. Het derde en vierde lid van deze paragraaf zijn ook nieuw, maar vertalen de huidige praktijk dat bij een onvolledigheid van het dossier de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, de aanvrager kan verzoeken het dossier te vervolledigen indien nodig. Als de onvolledigheden van het dossier het niet toelaten om het ten gronde te beoordelen, kan beslist worden om de termijn van 12 werkdagen te schorsen. De schorsing zal echter enkel worden ingeroepen als het dossier niet binnen een redelijke termijn vervolledigd wordt. In het besluit is dit geconcretiseerd door aan te geven dat het verzoek tot vervollediging moet gebeuren binnen een termijn van 6 werkdagen nadat de aanvraag van het begrotingsakkoord is ontvangen. De aanvrager beschikt vervolgens over een termijn van 3 werkdagen om het dossier te vervolledigen. Als de termijn van 12 werkdagen geschorst wordt, wordt dit ook meegedeeld aan de aanvrager van het begrotingsakkoord zodat er steeds voldoende rechtszekerheid is. De schorsing gaat in op de dag van het verzoek tot vervollediging van het dossier. De tweede paragraaf herneemt een deel van artikel 6, § 1, van het BVR begrotingscontrole dat stelt dat de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, 12 werkdagen heeft om te beslissen over de aanvraag tot begrotingsakkoord. Art. 30.Deze bepaling herneemt artikel 6, § 7, van het BVR begrotingscontrole. Als het begrotingsakkoord wordt geweigerd, kan de beslissing worden voorgelegd aan de Vlaamse Regering. Als geen beslissing van de Vlaamse Regering is vereist, heeft het niet verlenen van een begrotingsakkoord binnen de 12 werkdagen tot gevolg dat de beslissing kan worden uitgevoerd. Onderafdeling 2. - Toezicht op de uitvoering van de begroting Art. 31.Deze bepaling beschrijft de gevallen waarvoor het begrotingsakkoord (zie definitie in art. 1, 1° ) vereist is. Deze bepaling herneemt in gewijzigde vorm en herschikt artikel 6, § 1 tot en met § 2quinquies, § 5 en § 6, van het BVR begrotingscontrole. Het basisprincipe (in paragraaf 1, eerste lid) is nog steeds dat elk voorstel waarover de Vlaamse Regering moet beslissen een begrotingsakkoord vereist. De band met het delegatiebesluit blijft behouden. Beslissingen die gedelegeerd zijn aan de inhoudelijk bevoegde minister moeten in principe niet voor begrotingsakkoord worden voorgelegd. Daarnaast is overeenkomstig paragraaf 1, tweede lid, ook een akkoord vereist voor: - de overschrijding van kredieten bij noodwendige of dringende uitgaven; - de erkenning van vorderingen als lasten uit het verleden, meer bepaald de verbintenissen die de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest moeten betalen, hoewel die verbintenissen dateren van vóór de bevoegdheidsoverdracht van de Federale Staat naar de gemeenschappen en de gewesten; - de beslissing waarbij een waarborg wordt verleend voor een gecumuleerd bedrag van meer dan 5 miljoen euro; - de verwerving van onroerende goederen van meer dan 750.000 euro; de diverse drempels met betrekking tot de verwerving van onroerende goederen werden omwille van de eenduidigheid samengebundeld onder één noemer. In paragraaf 2 zijn de gevallen opgesomd waar geen begrotingsakkoord is vereist. De reeds bestaande uitzonderingen worden hernomen, het gaat over beslissingen die aan de Vlaamse Regering moeten worden voorgelegd, maar waarvoor: - geen advies van de Inspectie van Financiën is vereist; - de Inspectie van Financiën heeft vastgesteld dat noch de uitgaven, noch de ontvangsten worden beïnvloed; - de Inspectie van Financiën gunstig heeft geadviseerd over de standpuntbepaling in het kader van de institutionele samenwerking tussen de federale staat en de gemeenschappen en gewesten; - de Inspectie van Financiën gunstig heeft geadviseerd over de toekenning van een subsidie die enkel een rechtsgrond heeft in het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap, behalve als de toekenning van de subsidie verbonden is aan de goedkeuring van een overeenkomst met meerjarige gevolgen. In de derde paragraaf is voorzien dat de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, in een ministerieel besluit bijkomende uitzonderingen kan voorzien waarbij zijn akkoord niet langer vereist is als er een gunstig advies is van de Inspectie van Financiën. Onderafdeling 3. - Toezicht op de herverdelingen of aanpassingen van de begroting Art. 32.Deze bepaling bevat de regels om het begrotingsakkoord te bekomen voor de herverdeling van vastleggingskredieten binnen de begroting van de Vlaamse Gemeenschap. Dit artikel moet worden samengelezen met artikel 7, waarin beschreven is hoe een herverdeling kan gebeuren. Dit is bovendien enkel mogelijk binnen de herverdelingsmogelijkheden voorzien in de codex. De mogelijkheden, met de bijhorende controle-aspecten worden overzichtelijk weergegeven in de toelichting bij artikel 7. In het tweede lid wordt - naar analogie met art. 2/2, § 1, eerste lid, 6°, BVR begroting en boekhouding ministeries en DAB's - ten slotte nog verduidelijkt dat het begrotingsakkoord altijd is vereist voor de herverdeling tussen de vastleggingskredieten over een programma heen. Art. 33.Deze bepaling bevat - naar analogie met art. 2/2, § 1, eerste lid, 2° en 5°, BVR begroting en boekhouding ministeries en DAB's - de regels om het begrotingsakkoord te bekomen voor de herverdeling van vereffeningskredieten binnen de begroting van de Vlaamse Gemeenschap. Er wordt voor geopteerd om herverdelingen van vereffeningskredieten mogelijk te maken via ministerieel besluit zonder controle van de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, behalve als er een ESR-impact is, m.a.w. herverdeling m.b.t. kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds. Dit zorgt voor minder administratieve last zowel voor het bevoegde beleidsdomein als voor de instantie bevoegd voor de begroting. Art. 34.Deze bepaling bevat de regels om het begrotingsakkoord te bekomen voor de herverdeling van vastleggingskredieten binnen de begroting van de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreeks gezag van de Vlaamse Regering staan. Deze adviesaanvraagprocedure is gelijkaardig aan de regeling voor het begrotingsakkoord bij herverdeling van vastleggingskredieten binnen de begroting van de Vlaamse Gemeenschap, vermeld in artikel 32. Art. 35.Deze bepaling bevat de regels om het begrotingsakkoord te bekomen voor de herverdeling van vereffeningskredieten binnen de begroting van de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreeks gezag van de Vlaamse Regering staan. Deze adviesaanvraagprocedure is gelijkaardig aan de regeling voor het begrotingsakkoord bij herverdeling van vereffeningskredieten binnen de begroting van de Vlaamse Gemeenschap, vermeld in artikel 33. Art. 36.Dit artikel legt de controlevereisten vast voor het geval een begroting moet worden aangepast, n.a.v. bvb. een gewijzigde ontvangen toelage of een herraming van de eigen ontvangsten. De aangepaste begroting moet het begrotingsakkoord, krijgen als er een ESR-impact is, m.a.w. aanpassing m.b.t. kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds. Afdeling 2. - De Inspectie van Financiën Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 37.Dit artikel is nieuw. Het eerste lid van paragraaf 1 bepaalt dat de beleidscoördinator wordt verkozen door de leden van de Inspectie van Financiën die geaccrediteerd zijn bij de Vlaamse Regering. Enkel de leden die in actief dienstverband werken voor de Vlaamse Regering kunnen deelnemen aan de stemming. Leden die bijgevolg gedetacheerd zijn of langdurig verlof hebben, kunnen niet deelnemen. De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, kan de stemmings- en aanstellingsprocedure bepalen. Conform het tweede lid van paragraaf 1 zal diezelfde minister ook aan de Vlaamse Regering meedelen welke kandidaat verkozen is. In het derde lid van paragraaf 1 wordt voorzien dat de beleidscoördinator een bijkomende vergoeding ontvangt voor zijn taken en in het vierde lid is de indexatie van deze vergoeding geregeld. Paragraaf 2 omschrijft uitvoerig de taken die de beleidscoördinator moet vervullen. Die taken worden steeds uitgevoerd onverminderd de federale wetgeving en principes die van toepassing zijn op de Inspectie van Financiën. Hun onafhankelijkheid in het uitoefenen van hun functie mag niet worden geschaad. Bovendien moet bij de toebedeelde taken aan de beleidscoördinator ook rekening worden gehouden met het reguliere delegatiekader. Zo mag de organisatie van de administratieve en logistieke ondersteuning of het bewaken van de middelen die voor de Inspectie van Financiën in de begroting zijn ingeschreven bijvoorbeeld niet de taken belemmeren die zijn toebedeeld aan het Departement Financiën en Begroting (of het hoofd ervan), zoals bv. budgethouderschap, aanduiding administratief personeel,... In het derde punt van deze paragraaf wordt expliciet het verband gelegd met de gevallen waarin de Inspectie van Financiën een advies moet geven. In het advies 65.906/1 van de Raad van State van 7 mei 2019 (randnr. 4) wordt deze werkwijze aanbevolen. De Raad van State vraagt het verband te leggen met artikel 43 van het BVCO. De gevallen waarin de Inspectie van Financiën een advies moet geven beperken zich evenwel niet tot artikel 43, maar zitten ook vervat in de artikelen 22, 42, 44 tot en met 50 en 71 van het BVCO. Om die reden wordt hier ook naar die artikelen verwezen. Paragraaf 3 bepaalt wat de beleidscoördinator minstens in de jaarplanning moet opnemen. Paragraaf 4 verplicht de beleidscoördinator om jaarlijks te rapporteren over de uitvoering van de jaarplanning, maar ook over de uitvoering van het plan aangaande de generieke kwaliteitsborging en over de naleving van de deontologische code. Ook de waargenomen risico's en mogelijke aanbevelingen tot verbetering van de risico's worden opgenomen in het jaarrapport. Die laatste aspecten worden opgenomen in het permanent dossier zodat ze ook ter beschikking zijn van mogelijke andere controleactoren die betrokken zijn bij die entiteit. Het jaarlijks rapport wordt ook steeds ter kennisgeving meegedeeld aan de Vlaamse Regering. Naast de verplichting van de Inspectie van Financiën om de juistheid van zijn vaststellingen in het kader van overheidsbrede en bijzondere analyses en evaluaties en analyses in het kader van de opvolging van overheidsopdrachten na te gaan via een overleg met de inhoudelijk bevoegde minister, wordt ook voorzien dat de inhoudelijk bevoegde minister een formele repliek kan toevoegen aan het rapport. De vijfde en laatste paragraaf voorziet dat een inbreuk op de deontologische code van het korps onmiddellijk moet gemeld worden aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen. Dit doet geen afbreuk aan de meldingsplicht aan de korpschef van de Inspectie zelf. Art. 38.Dit artikel herneemt artikel 4 van het BVR begrotingscontrole en voorziet dat de beleidscoördinator betrokken wordt bij de toewijzing van de beleidssectoren aan de inspecteurs en bij de beslissing om bepaalde inspecteurs met specifieke taken te belasten. Gelet op de opmerking van de Raad van State in advies 64.851/1 van 4 januari 2019 (randnr. 12), is dit artikel aangepast om te verduidelijken dat hiermee geen afbreuk zal worden gedaan aan de taken die zijn toebedeeld met toepassing van artikel 51 van bijzondere wet van 16 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/01/1989 pub. 06/11/2008 numac 2008000907 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. Uiteraard zal de Vlaamse Regering dit hogere rechtskader eerbiedigen. Art. 39.Dit artikel herneemt artikel 10, eerste lid, van het BVR begrotingscontrole. Een inspecteur van de Inspectie van Financiën kan zich in een advies enkel uitspreken over de volgende aspecten: - de wettigheid en regelmatigheid, vb. de naleving van de wetgeving op de overheidsopdrachten, de conformiteit van de voorgestelde beslissing met de reeds bestaande decretale regelgeving of met vorige beslissingen van de Vlaamse Regering; - de doelmatigheid in de ruime zin van het woord. Het mag echter niet gelezen worden als een controle op de bepaling van beleidsdoelstellingen, dit behoort immers tot het primaat van de politiek. Het heeft eerder betrekking op de toetsing aan de algemeen aanvaarde regels van doelmatig bestuur, vb. op welke wijze werden de maatschappelijke behoeften gedetecteerd, werden er alternatieven afgewogen in functie van de kosteneffectiviteit, hoe zullen prestaties en/of maatschappelijke effecten worden gemeten; - het budgettair kader, nl. het nagaan in hoeverre de budgettaire gevolgen van de voorstellen van beslissing budgettair juist en transparant zijn weergegeven en tevens inpasbaar zijn in de jaarlijkse begroting en de meerjarenraming. Art. 40.Dit artikel is nieuw en regelt de aanduiding van de aan de Vlaamse Regering ter beschikking gestelde inspecteurs van Financiën voor de Vlaamse Auditautoriteit inzake Europese Structuurfondsen. Dit artikel moet worden samengelezen met het Besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2007 houdende aanduiding van de Vlaamse Auditautoriteit voor de Europese Structuurfondsen, houdende aanduiding van de Vlaamse Auditinstantie voor het Europees fonds voor de integratie van onderdanen van derde landen en houdende oprichting van de Auditcel van de Auditautoriteit en geeft uitvoering aan artikel 123, (4,) en artikel 127 van de Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad. Onderafdeling 2. - Analyses, evaluaties en audits Art. 41.Dit artikel verduidelijkt in het eerste lid, 1° en 2° dat de Inspectie van Financiën op eigen initiatief of op vraag van of de inhoudelijk bevoegde minister of de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, diverse analyses, evaluaties of onderzoeken kan opzetten. Punt 3° van de opsomming in het eerste lid, het tweede en het derde lid hernemen de essentie van artikel 25, vijfde lid, van het BVR begrotingscontrole inzake de bijzondere audits bij entiteiten die subsidies ontvangen van de Vlaamse deelstaatoverheid. In het eerste lid, 4°, wordt in uitvoering van artikel 8 van het decreet van 22 maart 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1 houdende een kader voor grote projecten en programma's bepaald dat de Inspectie van Financiën eveneens de totstandkoming van het zelfevaluatierapport en de zelfevaluatie kan faciliteren voor de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan. De Inspectie van Financiën dient de inhoudelijk bevoegde minister op hoogte te brengen van zijn plannen alvorens ze uit te voeren. Onderafdeling 3. - Voorbereiding en bijsturing van de begroting Art. 42.Dit artikel herneemt in gewijzigde vorm artikel 12 van het BVR begrotingscontrole. De Inspectie van Financiën wordt steeds betrokken bij de begrotingsrondes in de voorbereidende fase. In tegenstelling tot voorheen wordt de Inspectie van Financiën nu verplicht om een advies op te maken over de begrotingsvoorstellen. Onderafdeling 4. - Toezi …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.