Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Besluit van de Vlaamse Regering ter uitvoering van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019

Kort samengevat

Dit besluit van de Vlaamse Regering regelt de overheidsfinanciën van de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse rechtspersonen, ter uitvoering van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019. Het bundelt en herziet bestaande regelgeving over begroting, rapportering en financiële operaties.

Wat het regelt

  • De voorbereiding en indiening van de meerjarenraming voor de Vlaamse Gemeenschap en Vlaamse rechtspersonen.
  • Het opstellen van beleids- en begrotingstoelichtingen, die beleids- en begrotingsinformatie integreren.
  • De verplichting voor alle entiteiten om een geüniformiseerd begrotingsplan te volgen voor de jaarlijkse begroting en rapportering.
  • De definities van "begrotingsakkoord" en "thema-overschrijdend inhoudelijk structuurelement".

Wie het aanbelangt

  • De Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse rechtspersonen.
  • De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het algemeen regeringsbeleid.

Kernpunten

  • Het besluit vervangt acht eerdere besluiten van de Vlaamse Regering, waaronder die over begrotingscontrole, centraal kasbeheer en subsidiëring.
  • Het voorziet in een inhoudelijk gerelateerde uitvoeringsbepaling voor artikel 8, eerste lid, van het decreet van 22 maart 2019 houdende een kader voor grote projecten en programma's.
  • Beleidskredieten moeten zoveel mogelijk worden toegewezen aan een specifiek inhoudelijk structuurelement (ISE); toewijzing aan een "thema-overschrijdend" ISE moet tot een minimum beperkt blijven.
  • Alle aan de codex onderworpen entiteiten moeten een geüniformiseerd begrotingsplan volgen, waarbij entiteiten zonder artikelstructuur dit via 'transformational accounting' in hun rapportering opnemen.
Wettekst
Wettekst

LAG AAN DE VLAAMSE REGERING Algemene inleiding Dit besluit van de Vlaamse Regering wordt genomen ter uitvoering de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019 (hierna: de codex). Het besluit vo

Artikel 1.De definities zoals opgenomen in de VCO werken allemaal door in dit besluit.

Daarnaast werden slechts twee extra inhoudelijke definities opgenomen, nl. voor begrotingsakkoord en thema-overschrijdend inhoudelijk structuurelement. 1° begrotingsakkoord Het begrotingsakkoord is het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, in het kader van zijn rol bij de ex ante controle van de uitvoering van de begroting.Deze definitie is vooral van belang voor de bepalingen inzake de controle door de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen (hoofdstuk 6, afdeling 1). 2° thema-overschrijdend inhoudelijk structuurelement In de mate dat beleidskredieten kunnen toegewezen worden aan één specifiek inhoudelijk structuurelement (ISE), dienen de uitgaven onder het desbetreffende ISE te worden opgenomen.Wanneer het niet mogelijk is om een uitgave voorafgaandelijk toe te wijzen aan één specifiek inhoudelijk structuurelement, kan het worden opgenomen bij een thema-overschrijdend ISE. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn voor uitgaven in het kader van wetenschappelijk onderzoek, waarbij op voorhand nog niet vaststaat welk thema het voorwerp zal uitmaken. De beleidskredieten die onder het inhoudelijk structuurelement `thema-overschrijdend' komen te staan, moeten beperkt blijven tot een minimum. Dit betekent dat er eerst nagegaan wordt in welke mate het mogelijk is om kredieten toe te wijzen aan een specifiek ISE. HOOFDSTUK 2. - Begroting Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen voor de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid Onderafdeling 1. -

over de meerjarenraming en de beleids- en begrotingsinformatie Art. 2.Dit artikel herneemt in grote mate artikel 3 van het BVR begroting en boekhouding Vlaamse rechtspersonen. Het bepaalt dat de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, de indiening van de meerjarenraming voorbereidt zowel voor de Vlaamse Gemeenschap als voor de Vlaamse rechtspersonen. Overeenkomstig het tweede lid, kan de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse rechtspersonen wel vragen om een ontwerp van meerjarenraming op te stellen of een gerichte insteek te leveren volgens de instructies en binnen de termijn die hij bepaalt. Art. 3.Dit artikel is nieuw. De beleids- en begrotingstoelichtingen worden geïnitieerd als nieuwe documenten waarin de beleids- en begrotingsinformatie die voorheen in de beleidsbrieven en in de memories van toelichting per beleidsdomein opgenomen werd, meer en beter geïntegreerd wordt. Het opstellen van de beleids- en begrotingstoelichtingen vraagt een nauwe samenwerking tussen de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, de Vlaamse minister, bevoegd voor het algemeen regeringsbeleid, en de inhoudelijk bevoegde minister(s). De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het algemeen regeringsbeleid, staan daar hoofdzakelijk in voor het bewaken van de uniformiteit tussen de verschillende beleids- en begrotingstoelichtingen. De inhoudelijk bevoegde minister zorgt dan weer voor de sectorgebonden uitwerking. Om het betrokken proces meer te duiden en te stroomlijnen kunnen de Vlaamse minister, bevoegd voor het algemeen regeringsbeleid, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begroting, samen een instructie uitvaardigen. Onderafdeling

  1. - Bepalingen over de jaarlijkse begroting Art. 4.Deze bepaling herneemt in grote mate artikel 5, § 1, van het BVR begrotingscontrole en artikel 4 van het BVR begroting en boekhouding Vlaamse rechtspersonen. Art. 5.Deze bepaling is nieuw. Ze legt aan alle aan de codex onderworpen entiteiten de verplichting op om een geüniformiseerd begrotingsplan te volgen. Waar de boekhouding reeds lang gevoerd wordt aan de hand van een boekhoudplan, is er nog geen soortgelijk sjabloon voor de begroting en begrotingsrapportering. Nochtans zijn er voor de begroting ook een aantal elementen waarover verplicht gerapporteerd moet worden. De internationale verplichtingen rond rapportering over overheidsschuld en vorderingensaldo zijn vervat in o.a. het ESR en COFOG. Daarnaast is met de invoering van een prestatie-geïnformeerde-begroting ook het inhoudelijk structuurelement (ISE) geïnitieerd. Het ISE zorgt voor een inhoudelijk zinvolle clustering van kredieten of deelbevoegdheden binnen een programma. Het is hét element dat de koppeling tussen beleid en begroting moet faciliteren en is om die reden een cruciaal rapporteringselement. De entiteiten die werken volgens een artikelstructuur nemen dit begrotingsplan integraal over. De entiteiten die niet volgens een artikelstructuur werken nemen de elementen uit het geuniformiseerd begrotingsplan via zogenaamde `transformational accounting' op in hun rapportering over de begroting. Deze laatste entiteiten zullen m.a.w. hun eigen vertrouwde begrotings- en boekhoudtools niet moeten verlaten. Op deze manier kan er over alle entiteiten heen op een uniforme manier worden gerapporteerd over de begroting. Afdeling
  2. - Specifieke bepalingen voor de begroting van de Vlaamse Gemeenschap Onderafdeling
  3. - Indiening en goedkeuring van de jaarlijkse begroting Art. 6.Dit artikel is nieuw, maar bevestigt de bestaande praktijk. Onderafdeling
  4. - Herverdelingen Art. 7.Deze onderafdeling regelt de wijze waarop een herverdeling van vastleggingskredieten en vereffeningskredieten kan worden uitgevoerd binnen de begroting van de Vlaamse Gemeenschap. In artikel 12 wordt de mogelijkheid tot herverdelen binnen de begrotingen van de Vlaamse rechtspersonen geregeld en in de artikelen 32 t.e.m. 35 en artikel 43, § 2, eerste lid, 2°, worden de controlevereisten geregeld. In het besluit wordt getracht om de verbetering van de herverdelingsregels verder te zetten. De bepalingen in het BVCO moeten steeds worden gelezen samen met de artikelen 21, 22, 23 en 27 van de codex die omschrijven welke herverdelingen überhaupt mogelijk zijn. In het geval van een ministerieel herverdelingsbesluit, moet dat besluit ondertekend worden door de minister bevoegd voor het begrotingsartikel van waaruit de kredieten vertrekken. Als de kredieten vertrekken van een begrotingsartikel waarvoor meerdere ministers bevoegd zijn, moeten alle bevoegde ministers het ministerieel besluit ondertekenen. Hierna volgt een overzicht van de nieuwe regels. Overzicht VAK VEK Vlaamse Gemeenschap (departementen, DAB's, IVA's zonder RPH) 1) binnen programma (als niet op de lijst van niet-toegestane herverdelingen): Binnen begrotingsartikel: managementbeslissing Over begrotingsartikel heen: MB, zonder IF en akkoord minister van begroting (BA) tenzij: *herverdeling over een ISE, m.u.v. herverdeling vertrekkende van een thema-overschrijdend ISE *tussen LO en andere ESR-aggregaten *herverdeling met ESR-impact, m.a.w. herverdeling m.b.t. kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds 2) over programma heen: opgenomen in uitgavenbegroting: MB met IF en BA provisies over programma heen: BVR met IF en BA Binnen en over programma's heen VO-breed: Binnen begrotingsartikel: managementbeslissing Over begrotingsartikel heen: MB zonder BA of IF, tenzij ESR impact, m.a.w. herverdeling m.b.t. kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds Rechtspersonen onder gezag VR: *IVA's met RPH *VOI's type A *Eigen Vermogens Binnen begroting (als niet op de lijst van niet-toegestane herverdelingen): Binnen begrotingsartikel: managementbeslissing Over begrotingsartikel heen

(1)MB, zonder IF en BA tenzij: *herverdeling over een ISE, m.u.v. herverdeling vertrekkende van een thema-overschrijdend ISE * tussen LO en andere ESR-aggregaten of economische code 11 en andere economische codes *herverdeling met ESR-impact, m.a.w. herverdeling m.b.t. kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds Binnen begroting: Binnen begrotingsartikel: managementbeslissing Over begrotingsartikel heen: MB zonder BA of IF, tenzij ESR impact, m.a.w. herverdeling m.b.t. kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds Rechtspersonen onder toezicht VR: alle andere rechtspersonen die onder Vlaamse deelstaatoverheid (S13.12) vallen Binnen begroting (als niet op de lijst van niet-toegestane herverdelingen): Beslissing beheersorgaan met voorafgaande meldingsplicht aan RC als: *herverdeling over een ISE, m.u.v. herverdeling vertrekkende van een thema-overschrijdend ISE *tussen LO en andere ESR-aggregaten of economische code 11 en andere economische codes *herverdeling met ESR-impact, m.a.w. herverdeling m.b.t. kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds Binnen begroting: Beslissing beheersorgaan met voorafgaande meldingsplicht aan RC als ESR impact, m.a.w. herverdeling m.b.t. kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds Deze tabel is een samenlezing van de artikelen 7, 8, 12, 32, 33, 34, 35, 43, § 2, eerste lid, 2°, 55 en 56 BVCO. Art. 8.Zie de toelichting bij artikel
  1. Dit artikel werd aangepast aan de louter vormelijke opmerking van de Raad van State (randnr. 7 van advies 64.851/1). Art. 9.Ingevolge artikel 24, tweede lid, van de codex hebben herverdelingsbesluiten pas uitwerking vanaf hun bekendmaking. Voorliggende nieuwe bepaling schrijft dan ook voor dat alle beslissingen tot herverdeling, m.u.v. de herverdelingen binnen een begrotingsartikel, zowel wanneer ze betrekking hebben op vastleggingskredieten als wanneer ze betrekking hebben op vereffeningskredieten onmiddellijk moeten worden bezorgd aan de instantie bevoegd voor de begroting met het oog op hun bekendmaking. Dit artikel voorziet in een indieningsplicht van de individuele entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid, niet in een verzamelplicht van de instantie bevoegd voor de begroting. Voor ministeriële besluiten is de datum van ondertekening, effectief de datum waarop de minister het document ondertekent en dateert, voor besluiten van de Vlaamse Regering is de datum van ondertekening de datum van goedkeuring op de Vlaamse Regering. Afdeling
  2. - Specifieke bepalingen voor de begroting van de Vlaamse rechtspersonen Art. 10.Dit artikel bepaalt wie verantwoordelijk is voor het opmaken van de begroting van de rechtspersonen die onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan en wie verantwoordelijk is voor de indiening in het Vlaams Parlement. De begrotingen worden conform de codex ook goedgekeurd door het Vlaams Parlement. Art. 11.Dit artikel bepaalt wie verantwoordelijk is voor het opmaken van de begroting van de rechtspersonen die niet onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan en wie verantwoordelijk is voor de indiening in het Vlaams Parlement. De begrotingen worden niet goedgekeurd door het Vlaams Parlement. Art. 12.Dit artikel regelt de wijze waarop de Vlaamse rechtspersonen een herverdeling tussen vastleggings- en vereffeningskredieten kunnen doorvoeren. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreekse gezag staan van de Vlaamse Regering (eerste lid) en de Vlaamse rechtspersonen die onder toezicht staan (tweede lid). De toegestane herverdelingen worden bepaald in artikel 27, § 1, van de codex. Een herverdeling van vastleggings- en vereffeningskredieten is mogelijk bij besluit van de inhoudelijk bevoegde minister voor de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreeks gezag staan van de Vlaamse Regering. De Vlaamse rechtspersonen die niet onder het rechtstreeks gezag van de Vlaamse Regering staan, kunnen voortaan beslissen tot herverdeling van vastleggings- en vereffeningskredieten via een beslissing van het beheersorgaan. Dergelijke beslissing moet niet worden voorgelegd aan de inhoudelijk bevoegde minister. Deze soepelheid past bij de autonomie waarover die Vlaamse rechtspersonen beschikken. Deze bepalingen moeten worden samengelezen met de artikelen die de controle op de herverdelingen regelen. Ook daar wordt een onderscheid gemaakt tussen de Vlaamse rechtspersonen die al dan niet onder het gezag van de Vlaamse Regering staan. De controle van de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, en de Inspectie van Financiën op de herverdelingen van vastleggings- en vereffeningskredieten, uitgevoerd door de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreeks gezag van de Vlaamse Regering staan, wordt geregeld in de artikelen 32 tot en met 35 resp. artikel 43, § 2, eerste lid, 2°. De controle van de regeringscommissaris op de herverdelingen van vastleggingskredieten en vereffeningskredieten, uitgevoerd door de Vlaamse rechtspersonen die enkel onder het toezicht van de Vlaamse Regering staan, wordt geregeld in de artikelen 55 en
  3. In de toelichting bij artikel 7 worden de regels schematisch weergegeven. Art. 13.In artikel 27 van de codex wordt, naast de mogelijkheid tot herverdelen, de verplichting opgenomen voor Vlaamse rechtspersonen om hun begroting aan te passen als hun toelage wijzigt of als hun oorspronkelijk geraamde ontvangsten wijzigen. Dit artikel bepaalt wie verantwoordelijk is om de begroting aan te passen. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreeks gezag staan van de Vlaamse Regering en de Vlaamse rechtspersonen die onder toezicht staan. Dit artikel moet worden gelezen samen met artikel 43, § 2, eerste lid, 2° juncto artikel 36, en artikel 57, die voorzien dat de aanpassingen van de begroting moeten worden voorgelegd aan de Inspectie van Financiën en de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, of de regeringscommissaris als de gewijzigde begroting een impact heeft op kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo of de spijzing van het reservefonds. Samengevat komt dit op het volgende neer: - Aanpassingen van de begroting indien onder rechtstreeks gezag: ministerieel besluit, zonder advies van de Inspectie van Financiën en begrotingsakkoord tenzij bij begrotingsaanpassingen met ESR-impact ingevolge kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds; - Aanpassingen van de begroting indien niet onder rechtstreeks gezag: beslissing beheersorgaan met voorafgaande meldingsplicht aan regeringscommissaris indien begrotingsaanpassingen met ESR-impact ingevolge kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds. Het is niet de bedoeling dat bij een aanpassing van een begroting n.a.v. een gewijzigde toelage of een herraming ook onmiddellijk een kredietherverdeling wordt doorgevoerd (waarvoor mogelijks andere regels van toepassing zijn). Art. 14.Voor deze nieuwe bepaling, die analoog is aan artikel 9, kan worden verwezen naar de toelichting bij artikel
  4. Dit artikel werd aangepast aan de opmerking van de Raad van State (randnr. 8 van advies 64.851/1 van 4 januari 2019). Daardoor is de materiële vergissing rechtgezet en blijkt uit deze bepalingen nu duidelijk dat niet alleen de herverdelingen maar ook de aanpassingen van de begrotingen van de rechtspersonen die onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan, bezorgd moeten worden voor bekendmaking op de website. HOOFDSTUK
  5. - Boekhouding Art. 15.Deze bepaling herneemt deels artikel 10 van het BVR begroting en boekhouding Vlaamse rechtspersonen, maar bevat tevens een uitbreiding tot de Vlaamse Gemeenschap. In de praktijk werd door de Vlaamse Gemeenschap ook reeds het minimum algemene rekeningenstelsel - het `MAR'- gebruikt. De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, kan het rekeningenstelsel aanvullen of verder indelen als dit nodig zou blijken. Het gebruik van het MAR als standaard biedt immers nog steeds het voordeel dat de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid zonder problemen gebruik kunnen blijven maken van de boekhoudsoftware die op de markt beschikbaar is voor private ondernemingen. Deze bepaling werd niet aangepast aan de opmerking van de Raad van State (randnr. 9 vanadvies 64.851/1 van 4 januari 2019). Voor de motivering daarvoor kan worden verwezen naar de toelichting hierboven onder de titel "Adviezen Raad van State en SERV". Art. 16.Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 29, tweede lid, van de codex en is nieuw. Courante boekhoudkundige technieken waarnaar in deze bepaling wordt verwezen, zijn bijvoorbeeld de volgende: 1° Het boeken van te ontvangen facturen, wat slaat op de boeking, onder journaalpost 444, van op balansdatum reeds geleverde goederen of diensten, maar die de leveranciers nog niet hebben gefactureerd. 2° Het maximaal gebruik van overlopende rekeningen, wat verwijst naar respectievelijk de "over te dragen kosten", "verkregen opbrengsten", "toe te rekenen kosten" en "over te dragen opbrengsten" (journaalposten 490 t.e.m. 493). 3° Het gebruik van beste schattingen als er geen definitieve cijfers beschikbaar zijn voor een bepaalde boeking, vb.voor de informatie rond federale operatoren die ten vroegste vier maand na de prestatie beschikbaar is. 4° Een snelle maand-, en kwartaalafsluiting, wat inhoudt dat men, naargelang het geval, voor elke maand en/of elk kwartaal, streeft naar een zo nauw mogelijke aansluiting van de rapportering bij de periode waarop deze betrekking heeft. Art. 17.Dit artikel herneemt artikel 11 van het BVR begroting en boekhouding Vlaamse rechtspersonen en artikel 3 van het BVR begroting en boekhouding ministeries en DAB's. Het feit dat beide artikelen worden geïntegreerd in één artikel en er slechts één boekhoudhandleiding is, impliceert niet dat geen onderscheid kan worden gemaakt tussen de regels voor de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse rechtspersonen. De handleiding verduidelijkt de regels die van toepassing zijn op de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid. Daarbij wordt ook getracht om de nodige linken te leggen tussen de bedrijfseconomische boekhouding en de begrotingsmatige aanrekening volgens het ESR. De aanpassingen aan de handleiding worden één keer per jaar ter kennisgeving meegedeeld aan de Vlaamse Regering. In het licht van de opmerking van de Raad van State in advies 64.851/1 van 4 januari 2019 (randnr. 3.3) kan worden bevestigd dat de handleiding beperkt blijft tot regels voor de aanrekening van ontvangsten en uitgaven. HOOFDSTUK
  6. - Aanrekening Art. 18.Dit artikel herneemt in gewijzigde vorm respectievelijk artikel 12 van het BVR begroting en boekhouding Vlaamse rechtspersonen en artikel 4, § 2 en § 3, van het BVR begroting en boekhouding ministeries en DAB's. Het artikel verduidelijkt welke verrichtingen begrotingsmatig moeten worden aangerekend. De wijzigingen hebben betrekking op terminologie en wijzigingen die voortvloeien uit decretale aanpassingen, vb. voor oninbare vorderingen. De materiële vergissing die in de redactie van dit artikel was geslopen, werd rechtgezet ingevolge de opmerking van de Raad van State in advies 64.851/1 van 4 januari 2019 (randnr. 10). Daardoor is nu duidelijk dat een toewijzing aan een reservefonds gepaard gaat met een aanrekening op een vastleggings- of vereffeningskrediet. Een opname uit een reservefonds gaat gepaard met een aanrekening als een ontvangst. Art. 19.Dit artikel verduidelijkt de budgettaire aanrekening van facturen die betrekking hebben op het afgelopen boekjaar, maar slechts ontvangen worden na afloop ervan en van interesten, huur en vergoedingen voor in de tijd gespreide prestaties die verschuldigd zijn of gevorderd worden. Het herneemt in gewijzigde vorm respectievelijk artikel 13 van het BVR begroting en boekhouding Vlaamse rechtspersonen en artikel 5 van het BVR begroting en boekhouding ministeries en DAB's. In tegenstelling tot voorheen wordt nu expliciet vereist dat een boekhoudkundige provisie voor `te ontvangen facturen' moet worden aangelegd voor de facturen die men verwacht na het boekjaar te ontvangen. Die provisie kan enkel facturen omvatten van goederen of diensten die men effectief in het betreffende boekjaar heeft ontvangen. Men moet dit kunnen aantonen. Deze werkwijze maakt het mogelijk om de boekhouding correct te kunnen afsluiten. Als het Instituut voor de Nationale Rekeningen oordeelt dat nog een correctie moet plaatsvinden op het geconsolideerde resultaat, dan kan dit nog steeds gebeuren, maar dit staat los van de boekhoudkundige verwerking in de systemen. Ingevolge de opmerking van de Raad van State in advies 64.851/1 van 4 januari 2019 (randnr. 11) wordt voor het minimumbedrag voor de proratering niet verwezen naar de federale drempel waaronder overheidsopdrachten via een aanvaarde factuur kunnen totstandkomen, maar wel naar een vaste drempel van 7000 euro. Zo worden moeilijkheden vermeden, met rechtsonzekerheid tot gevolg, als de federale wetgever die bepaling nadien zou wijzigen, vervangen of opheffen. Art. 20.Deze bepaling is nieuw en bevat nadere regels voor de aanrekening van subsidies. De eerste paragraaf gaat over de aanrekening op het vastleggingskrediet. De tweede en derde paragraaf handelen over de aanrekening op het vereffeningskrediet en geven (samen met de artikelen 35 tot en met 37 van de codex)uitvoering aan artikel 1,
  7. A) en artikel 2, 1 van de verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie. Het basisidee in paragraaf 1 is dat het volledige bedrag van een subsidie wordt vastgelegd in het jaar van het aangaan van het engagement tot het verstrekken van de subsidie. De jaarlijkse vastlegging is enkel mogelijk als in de meerjarige verbintenis voorwaarden worden ingebouwd, waardoor de uitgave jaarlijks opnieuw kan worden geëvalueerd en worden bijgesteld als de begunstigde de ingebouwde voorwaarden niet naleefde, of kan worden herzien naar aanleiding van begrotingsmaatregelen in het kader van het algemeen begrotingsbeleid. Inkomensoverdrachten worden overeenkomstig paragraaf 2 aangerekend op het vereffeningskrediet op het kalenderjaar waarop de gesubsidieerde activiteiten betrekking hebben. Als het kalenderjaar van de onderliggende activiteiten niet te bepalen is, wordt de subsidie aangerekend aan het jaar van toekenning. Subsidies die betrekking hebben op activiteiten van het voorgaande jaar, worden onmiddellijk en volledig ten laste genomen op het moment van toekenning. Als een subsidie verdeeld wordt over meerdere kalenderjaren wordt het bedrag geprorateerd op basis van het aantal maanden waarop de activiteit betrekking heeft. Bij een onvolledige begin- of eindmaand bepaalt de 16e dag van de maand of de maand al dan niet wordt meegeteld om de proratering te berekenen. Voor zover de subsidiërende entiteit geen jaarlijkse afrekening van het voorbije kalenderjaar van de gesubsidieerde entiteit ontvangt, is het voor de subsidiërende entiteit meestal niet mogelijk om het subsidiebedrag dat de gesubsidieerde entiteit als ontvangst heeft geboekt, in zijn eigen boekhouding als uitgave op te nemen. In die omstandigheden zal de subsidiërende entiteit zich voor de aanrekening van de jaarlijkse subsidiekost baseren op de door de gesubsidieerde entiteit initieel voor dat jaar verwachte uitgaven. Als de precieze kost van de subsidie bij het afsluiten van het kalenderjaar niet gekend is, dient op een consistente manier een inschatting gemaakt te worden op basis van bijvoorbeeld historische gegevens. In de mate dat uit de projectopvolging blijkt dat een project sneller dan wel trager wordt uitgevoerd dan gepland, zal dit zich ook vertalen naar het aan te rekenen bedrag in de boekhouding. De ontoereikendheid van het budget mag geen reden zijn om de subsidie niet te vereffenen conform bovenstaande regels. De subsidie dient aangerekend te worden op het correcte kalenderjaar. Kapitaaloverdrachten worden overeenkomstig paragraaf 3 aangerekend op het vereffeningskrediet op het moment dat er een verplichting tot betaling ontstaat ten opzichte van de gesubsidieerde, m.a.w. de gesubsidieerde kan de subsidie als verworven beschouwen volgens de subsidievoorwaarden. Voor zover in de subsidievoorwaarden enkel een vast percentage van de uitgaven is opgenomen, desgevallend beperkt tot een maximumbedrag, betekent dit een aanrekening in verhouding tot dat percentage van de effectieve subsidieerbare kosten. Voor zover de subsidiërende entiteit geen, geen volledige of geen tijdige afrekening van het voorbije kalenderjaar van de gesubsidieerde ontvangt, zal de subsidiërende entiteit zich in deze situatie baseren op de voor dat deel van het jaar verwachte uitgaven van de gesubsidieerde entiteit. Als het recht op subsidie voor de gesubsidieerde pas ontstaat nadat, volgens de subsidievoorwaarden, een bepaalde vooruitgang is geboekt, zal ook de aanrekening van de subsidie volgens die bepaalde vooruitgang gebeuren op het moment dat die aan de subsidiërende entiteit kenbaar wordt gemaakt. Eventuele gedane betalingen waarbij het duidelijk is dat die vooruit lopen op de volgens deze principes aan te rekenen subsidies, worden als voorschot behandeld. Een subsidie of delen van die subsidie die op het moment van toekenning betrekking hebben op reeds uitgevoerde investeringen, worden onmiddellijk en volledig ten laste genomen op het moment van toekenning. Subsidies onder opschortende voorwaarden worden niet aangerekend, zolang aan de opschortende voorwaarden niet is voldaan. Als de redelijke termijn voor het beoordelen van de realisatie van de opschortende voorwaarden is verstreken, wordt de subsidie onmiddellijk en voor het volledige bedrag van die subsidie aangerekend. Als in de regelgeving niet is voorzien binnen welke termijn de realisatie moet worden beoordeeld, kan 3 maanden als een redelijke termijn worden beschouwd. Gemotiveerde afwijkingen van deze termijn zijn mogelijk. Voorbeelden van opschortende voorwaarden zijn het verkrijgen van een omgevingsvergunning, de oprichting van een vennootschap of het behalen van bepaalde kwaliteitseisen. Het opleggen van een ex post verantwoording van de kosten wordt niet als opschortende voorwaarde beschouwd. De ontoereikendheid van het budget mag geen reden zijn om een reeds toegekende subsidie niet te vereffenen conform de bovenstaande regels. De subsidie dient aangerekend te worden op het correcte kalenderjaar. Art. 21.Om in aanmerking te komen als een recurrente verbintenis dient de uitgave te worden afgetoetst aan de criteria opgenomen in de definitie zoals opgenomen in artikel 2, 28°, van de codex. Deze criteria faciliteren in eerste instantie uitgaven die overeenstemmen met een periodiek terugkerende verplichting, recurrent van aard, op basis van een meerjarige of jaarlijks verlengbare overeenkomst. Dit impliceert dat, voor de duur van de overeenkomst, de contracterende partij - zonder aparte bestelopdracht(en) - automatisch het recht heeft om diensten of goederen te leveren, hetzij op basis van verbruik (nutsuitgaven, kantoorartikelen, verzendingskosten, abonnementen, internetkosten, ...), hetzij voor een vast gedeelte of een minimaal overeengekomen afname van het contractproduct of dienst in het laatste jaar van de overeenkomst, hetzij volgens specifieke contractuele bedingen (zoals wedden, verzekeringen, schoonmaak, bewaking, huur, leasing, licenties, onderhoudscontracten, ...). Bijkomende voorwaarde om in aanmerking te komen als recurrente uitgave is dat, ongeacht het bestaan van een mogelijke opzeggingsclausule, de overeenkomst gespreid over verschillende jaren budgettaire gevolgen heeft, en waarvan de aanrekening op het jaar waarin ze ontstaan, een last zou zijn die daarmee geen economische band heeft. Naast de opsomming van voorbeelden van recurrente verbintenissen in dit artikel vallen de volgende verbintenissen bij wijze van verdere illustratie eveneens onder de noemer "recurrente verbintenis": - salarissen, salaristoelagen, vergoedingen en sociale voordelen van personeelsleden; - toelagen, vergoedingen en presentiegelden voor de afgevaardigden van de Vlaamse Regering; - pensioenen; - huur en huurkosten; - abonnementen op publicaties (ongeacht het bedrag ervan); - uitgaven die een zekere analogie vertonen met de krachtens een abonnement uitgevoerde leveringen (of diensten) zoals verwarming, elektriciteit, gas en water, telefonie; - uitgaven op basis van een ten minste op jaarbasis juridisch afdwingbaar recht voor de levering van kantoorbenodigdheden en van volgende diensten: schoonmaak, bewakingskosten, verzekeringen, leasing, hosting van websites, de huur van servers, onderhoudsovereenkomsten. Deze bepaling over recurrente verbintenissen staat los van de mogelijkheid om courante uitgaven tegelijk op het vastleggings- en het vereffeningskrediet aan te rekenen. Art. 22.Deze bepaling is nieuw en bevat de nadere modaliteiten voor de annulering van vastleggingen. Het dienstencentrum boekhouding of, als een entiteit daarbij niet aangesloten is, de interne dienst die verantwoordelijk is voor de boekhouding, maken jaarlijks een lijst op van vastleggingen die acht jaar of ouder zijn en die nog niet volledig vereffend zijn. Die lijst wordt vervolgens aan de inhoudelijk bevoegde minister bezorgd. Die minister moet een aanvraag tot behoud van de vastlegging indienen bij de Inspectie van Financiën. De termijnen verbonden met die aanvraag tot behoud zijn gelijkaardig aan die voor een regulier advies van de Inspectie van Financiën. De aanvraag moet duidelijk motiveren waarom de vastlegging behouden moet blijven. Als de Inspectie van Financiën de motivering gunstig adviseert, blijft de vastlegging behouden. Als de Inspectie van Financiën de motivering niet gunstig adviseert, kan de inhoudelijk bevoegde minister hiertegen beroep indienen bij de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen of bij de Vlaamse Regering. Als het beroep wordt ingewilligd, kan de vastlegging behouden blijven. Als er geen beroep wordt ingediend of het beroep wordt verworpen, wordt de vastlegging geannuleerd en is het vastleggingskrediet definitief verloren. HOOFDSTUK
  8. - Rapportering Afdeling
  9. - Gemeenschappelijke bepalingen voor de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse rechtspersonen Art. 23.De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, stelt de regels en voorwaarden vast voor de jaarlijkse rekeningen van de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid. In artikel 14 en 15 van het BVR begroting en boekhouding Vlaamse rechtspersonen was voorzien dat de jaarrekening minstens de schema's van de jaarrekening van de privaatrechtelijke vennootschappen diende te omvatten, en dat één van de toegevoegde schema's een toelichting van de niet-recurrente meerjarige verbintenissen diende te omvatten. Deze vereisten werden in de praktijk vertaald in een sjabloon dat ter beschikking wordt gesteld. In dit sjabloon zitten nog meerdere elementen vervat, waardoor wordt geopteerd om de inhoud van de rekening door de minister te laten bepalen en dit zoals op heden het geval is via een sjabloon. Hier kunnen ook instructies worden bijgevoegd. In de toelichting bij de rekening zal nu ook bijkomend aandacht worden besteed aan de koppeling met de beleidsinformatie. De instructies voor dit aspect zullen steeds in samenspraak met de Vlaamse minister, bevoegd voor het algemeen regeringsbeleid, worden opgesteld. Art. 24.Dit artikel is nieuw en voorziet in een doordelegatie voor de uitvoering van artikel 45 van de codex. De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, kan instructies opstellen om de tussentijdse of bijkomende jaarlijkse rapportering te coördineren. Tussentijdse rapporteringen omvatten alle rapporteringen die op regelmatige basis worden opgevraagd. Het betreft onder meer monitoring, Europese rapporteringen via Algemene Gegevensbank, verwijlintresten, betaalgedrag, ... Afdeling
  10. - Specifieke bepalingen voor de Vlaamse Gemeenschap Art. 25.Dit artikel is nieuw, maar bevestigt de bestaande praktijk. Naar analogie met de artikelen bij de opmaak van de begroting, wordt hier verduidelijkt dat de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, instaat voor de opmaak van de rekening van de Vlaamse Gemeenschap. Hij kan hiervoor input opvragen van de inhoudelijk bevoegde ministers. Afdeling
  11. - Specifieke bepaling voor de Vlaamse rechtspersonen Art. 26.Dit artikel herneemt in gewijzigde vorm artikel 15/2, eerste lid, van het BVR begroting en boekhouding Vlaamse rechtspersonen. Het onderscheid dat in het BVR begroting en boekhouding Vlaamse rechtspersonen gekoppeld werd aan het hebben van een raad van bestuur is vervangen door het criterium van al dan niet onder rechtstreeks gezag van de Vlaamse Regering staan. Als een Vlaamse rechtspersoon onder het rechtstreekse gezag van Vlaamse Regering staat, is het de inhoudelijk bevoegde minister die instaat voor de opmaak van de rekening. De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, zorgt ervoor dat de rekeningen als bijlage worden gevoegd bij de rekening van de Vlaamse Gemeenschap. Deze rekeningen worden conform de codex ook goedgekeurd door het Vlaams Parlement. Art. 27.Deze bepaling herneemt in gewijzigde vorm artikel 15/1 en artikel 15/2, tweede lid, van het BVR begroting en boekhouding Vlaamse rechtspersonen. Als een Vlaamse rechtspersoon niet onder het rechtstreekse gezag staat van de Vlaamse Regering, is het beheersorgaan verantwoordelijk voor de opmaak van de rekening. Ook deze rekeningen voegt de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, als bijlage bij de rekening van de Vlaamse Gemeenschap. Deze bijlagen worden echter enkel informatief bijgevoegd. Deze worden niet goedgekeurd door het Vlaams Parlement. Het ontvangt de rekeningen enkel ter kennisneming. Art. 28.Deze bepaling herneemt deels artikel 15/1 en 15/2 van het BVR begroting en boekhouding Vlaamse rechtspersonen en artikel 46, § 1 en § 2, van het Rekendecreet. Alle rekeningen moeten ten laatste op 31 maart aan het Departement Financiën en Begroting worden bezorgd. Het Departement Financiën en Begroting zorgt ervoor dat alle rekeningen aan het Rekenhof worden bezorgd (overeenkomstig artikel 43, eerste lid, van de codex). HOOFDSTUK
  12. - Controle Afdeling
  13. - De Vlaamse Minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen Onderafdeling
  14. -

Art. 29

.Deze bepaling beschrijft de procedure voor de aanvraag tot verlening van het begrotingsakkoord. Het eerste lid van paragraaf 1 herneemt in gewijzigde vorm en herschikt artikel 6, § 1 en § 3, van het BVR begrotingscontrole. Het tweede lid van deze paragraaf is nieuw en voorziet in de mogelijkheid voor de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, om een modelformulier op te stellen dat voor de aanvraag van een advies van de Inspectie van Financiën of een aanvraag begrotingsakkoord gebruikt moet worden. Deze bepaling kadert in de digitalisering van de processtromen. Het modelformulier wordt ter kennisgeving aan de Vlaamse Regering voorgelegd. Het derde en vierde lid van deze paragraaf zijn ook nieuw, maar vertalen de huidige praktijk dat bij een onvolledigheid van het dossier de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, de aanvrager kan verzoeken het dossier te vervolledigen indien nodig. Als de onvolledigheden van het dossier het niet toelaten om het ten gronde te beoordelen, kan beslist worden om de termijn van 12 werkdagen te schorsen. De schorsing zal echter enkel worden ingeroepen als het dossier niet binnen een redelijke termijn vervolledigd wordt. In het besluit is dit geconcretiseerd door aan te geven dat het verzoek tot vervollediging moet gebeuren binnen een termijn van 6 werkdagen nadat de aanvraag van het begrotingsakkoord is ontvangen. De aanvrager beschikt vervolgens over een termijn van 3 werkdagen om het dossier te vervolledigen. Als de termijn van 12 werkdagen geschorst wordt, wordt dit ook meegedeeld aan de aanvrager van het begrotingsakkoord zodat er steeds voldoende rechtszekerheid is. De schorsing gaat in op de dag van het verzoek tot vervollediging van het dossier. De tweede paragraaf herneemt een deel van artikel 6, § 1, van het BVR begrotingscontrole dat stelt dat de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, 12 werkdagen heeft om te beslissen over de aanvraag tot begrotingsakkoord. Art. 30.Deze bepaling herneemt artikel 6, § 7, van het BVR begrotingscontrole. Als het begrotingsakkoord wordt geweigerd, kan de beslissing worden voorgelegd aan de Vlaamse Regering. Als geen beslissing van de Vlaamse Regering is vereist, heeft het niet verlenen van een begrotingsakkoord binnen de 12 werkdagen tot gevolg dat de beslissing kan worden uitgevoerd. Onderafdeling

  1. - Toezicht op de uitvoering van de begroting Art. 31.Deze bepaling beschrijft de gevallen waarvoor het begrotingsakkoord (zie definitie in art. 1, 1° ) vereist is. Deze bepaling herneemt in gewijzigde vorm en herschikt artikel 6, § 1 tot en met § 2quinquies, § 5 en § 6, van het BVR begrotingscontrole. Het basisprincipe (in paragraaf 1, eerste lid) is nog steeds dat elk voorstel waarover de Vlaamse Regering moet beslissen een begrotingsakkoord vereist. De band met het delegatiebesluit blijft behouden. Beslissingen die gedelegeerd zijn aan de inhoudelijk bevoegde minister moeten in principe niet voor begrotingsakkoord worden voorgelegd. Daarnaast is overeenkomstig paragraaf 1, tweede lid, ook een akkoord vereist voor: - de overschrijding van kredieten bij noodwendige of dringende uitgaven; - de erkenning van vorderingen als lasten uit het verleden, meer bepaald de verbintenissen die de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest moeten betalen, hoewel die verbintenissen dateren van vóór de bevoegdheidsoverdracht van de Federale Staat naar de gemeenschappen en de gewesten; - de beslissing waarbij een waarborg wordt verleend voor een gecumuleerd bedrag van meer dan 5 miljoen euro; - de verwerving van onroerende goederen van meer dan 750.000 euro; de diverse drempels met betrekking tot de verwerving van onroerende goederen werden omwille van de eenduidigheid samengebundeld onder één noemer. In paragraaf 2 zijn de gevallen opgesomd waar geen begrotingsakkoord is vereist. De reeds bestaande uitzonderingen worden hernomen, het gaat over beslissingen die aan de Vlaamse Regering moeten worden voorgelegd, maar waarvoor: - geen advies van de Inspectie van Financiën is vereist; - de Inspectie van Financiën heeft vastgesteld dat noch de uitgaven, noch de ontvangsten worden beïnvloed; - de Inspectie van Financiën gunstig heeft geadviseerd over de standpuntbepaling in het kader van de institutionele samenwerking tussen de federale staat en de gemeenschappen en gewesten; - de Inspectie van Financiën gunstig heeft geadviseerd over de toekenning van een subsidie die enkel een rechtsgrond heeft in het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap, behalve als de toekenning van de subsidie verbonden is aan de goedkeuring van een overeenkomst met meerjarige gevolgen. In de derde paragraaf is voorzien dat de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, in een ministerieel besluit bijkomende uitzonderingen kan voorzien waarbij zijn akkoord niet langer vereist is als er een gunstig advies is van de Inspectie van Financiën. Onderafdeling
  2. - Toezicht op de herverdelingen of aanpassingen van de begroting Art. 32.Deze bepaling bevat de regels om het begrotingsakkoord te bekomen voor de herverdeling van vastleggingskredieten binnen de begroting van de Vlaamse Gemeenschap. Dit artikel moet worden samengelezen met artikel 7, waarin beschreven is hoe een herverdeling kan gebeuren. Dit is bovendien enkel mogelijk binnen de herverdelingsmogelijkheden voorzien in de codex. De mogelijkheden, met de bijhorende controle-aspecten worden overzichtelijk weergegeven in de toelichting bij artikel
  3. In het tweede lid wordt - naar analogie met art. 2/2, § 1, eerste lid, 6°, BVR begroting en boekhouding ministeries en DAB's - ten slotte nog verduidelijkt dat het begrotingsakkoord altijd is vereist voor de herverdeling tussen de vastleggingskredieten over een programma heen. Art. 33.Deze bepaling bevat - naar analogie met art. 2/2, § 1, eerste lid, 2° en 5°, BVR begroting en boekhouding ministeries en DAB's - de regels om het begrotingsakkoord te bekomen voor de herverdeling van vereffeningskredieten binnen de begroting van de Vlaamse Gemeenschap. Er wordt voor geopteerd om herverdelingen van vereffeningskredieten mogelijk te maken via ministerieel besluit zonder controle van de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, behalve als er een ESR-impact is, m.a.w. herverdeling m.b.t. kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds. Dit zorgt voor minder administratieve last zowel voor het bevoegde beleidsdomein als voor de instantie bevoegd voor de begroting. Art. 34.Deze bepaling bevat de regels om het begrotingsakkoord te bekomen voor de herverdeling van vastleggingskredieten binnen de begroting van de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreeks gezag van de Vlaamse Regering staan. Deze adviesaanvraagprocedure is gelijkaardig aan de regeling voor het begrotingsakkoord bij herverdeling van vastleggingskredieten binnen de begroting van de Vlaamse Gemeenschap, vermeld in artikel
  4. Art. 35.Deze bepaling bevat de regels om het begrotingsakkoord te bekomen voor de herverdeling van vereffeningskredieten binnen de begroting van de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreeks gezag van de Vlaamse Regering staan. Deze adviesaanvraagprocedure is gelijkaardig aan de regeling voor het begrotingsakkoord bij herverdeling van vereffeningskredieten binnen de begroting van de Vlaamse Gemeenschap, vermeld in artikel
  5. Art. 36.Dit artikel legt de controlevereisten vast voor het geval een begroting moet worden aangepast, n.a.v. bvb. een gewijzigde ontvangen toelage of een herraming van de eigen ontvangsten. De aangepaste begroting moet het begrotingsakkoord, krijgen als er een ESR-impact is, m.a.w. aanpassing m.b.t. kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds. Afdeling
  6. - De Inspectie van Financiën Onderafdeling
  7. -

Art. 37.Dit artikel is nieuw.

Het eerste lid van paragraaf 1 bepaalt dat de beleidscoördinator wordt verkozen door de leden van de Inspectie van Financiën die geaccrediteerd zijn bij de Vlaamse Regering. Enkel de leden die in actief dienstverband werken voor de Vlaamse Regering kunnen deelnemen aan de stemming. Leden die bijgevolg gedetacheerd zijn of langdurig verlof hebben, kunnen niet deelnemen. De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, kan de stemmings- en aanstellingsprocedure bepalen. Conform het tweede lid van paragraaf 1 zal diezelfde minister ook aan de Vlaamse Regering meedelen welke kandidaat verkozen is. In het derde lid van paragraaf 1 wordt voorzien dat de beleidscoördinator een bijkomende vergoeding ontvangt voor zijn taken en in het vierde lid is de indexatie van deze vergoeding geregeld. Paragraaf 2 omschrijft uitvoerig de taken die de beleidscoördinator moet vervullen. Die taken worden steeds uitgevoerd onverminderd de federale wetgeving en principes die van toepassing zijn op de Inspectie van Financiën. Hun onafhankelijkheid in het uitoefenen van hun functie mag niet worden geschaad. Bovendien moet bij de toebedeelde taken aan de beleidscoördinator ook rekening worden gehouden met het reguliere delegatiekader. Zo mag de organisatie van de administratieve en logistieke ondersteuning of het bewaken van de middelen die voor de Inspectie van Financiën in de begroting zijn ingeschreven bijvoorbeeld niet de taken belemmeren die zijn toebedeeld aan het Departement Financiën en Begroting (of het hoofd ervan), zoals bv. budgethouderschap, aanduiding administratief personeel,... In het derde punt van deze paragraaf wordt expliciet het verband gelegd met de gevallen waarin de Inspectie van Financiën een advies moet geven. In het advies 65.906/1 van de Raad van State van 7 mei 2019 (randnr. 4) wordt deze werkwijze aanbevolen. De Raad van State vraagt het verband te leggen met artikel 43 van het BVCO. De gevallen waarin de Inspectie van Financiën een advies moet geven beperken zich evenwel niet tot artikel 43, maar zitten ook vervat in de artikelen 22, 42, 44 tot en met 50 en 71 van het BVCO. Om die reden wordt hier ook naar die artikelen verwezen. Paragraaf 3 bepaalt wat de beleidscoördinator minstens in de jaarplanning moet opnemen. Paragraaf 4 verplicht de beleidscoördinator om jaarlijks te rapporteren over de uitvoering van de jaarplanning, maar ook over de uitvoering van het plan aangaande de generieke kwaliteitsborging en over de naleving van de deontologische code. Ook de waargenomen risico's en mogelijke aanbevelingen tot verbetering van de risico's worden opgenomen in het jaarrapport. Die laatste aspecten worden opgenomen in het permanent dossier zodat ze ook ter beschikking zijn van mogelijke andere controleactoren die betrokken zijn bij die entiteit. Het jaarlijks rapport wordt ook steeds ter kennisgeving meegedeeld aan de Vlaamse Regering. Naast de verplichting van de Inspectie van Financiën om de juistheid van zijn vaststellingen in het kader van overheidsbrede en bijzondere analyses en evaluaties en analyses in het kader van de opvolging van overheidsopdrachten na te gaan via een overleg met de inhoudelijk bevoegde minister, wordt ook voorzien dat de inhoudelijk bevoegde minister een formele repliek kan toevoegen aan het rapport. De vijfde en laatste paragraaf voorziet dat een inbreuk op de deontologische code van het korps onmiddellijk moet gemeld worden aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen. Dit doet geen afbreuk aan de meldingsplicht aan de korpschef van de Inspectie zelf. Art. 38.Dit artikel herneemt artikel 4 van het BVR begrotingscontrole en voorziet dat de beleidscoördinator betrokken wordt bij de toewijzing van de beleidssectoren aan de inspecteurs en bij de beslissing om bepaalde inspecteurs met specifieke taken te belasten. Gelet op de opmerking van de Raad van State in advies 64.851/1 van 4 januari 2019 (randnr. 12), is dit artikel aangepast om te verduidelijken dat hiermee geen afbreuk zal worden gedaan aan de taken die zijn toebedeeld met toepassing van artikel 51 van bijzondere wet van 16 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/01/1989 pub. 06/11/2008 numac 2008000907 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. Uiteraard zal de Vlaamse Regering dit hogere rechtskader eerbiedigen. Art. 39.Dit artikel herneemt artikel 10, eerste lid, van het BVR begrotingscontrole. Een inspecteur van de Inspectie van Financiën kan zich in een advies enkel uitspreken over de volgende aspecten: - de wettigheid en regelmatigheid, vb. de naleving van de wetgeving op de overheidsopdrachten, de conformiteit van de voorgestelde beslissing met de reeds bestaande decretale regelgeving of met vorige beslissingen van de Vlaamse Regering; - de doelmatigheid in de ruime zin van het woord. Het mag echter niet gelezen worden als een controle op de bepaling van beleidsdoelstellingen, dit behoort immers tot het primaat van de politiek. Het heeft eerder betrekking op de toetsing aan de algemeen aanvaarde regels van doelmatig bestuur, vb. op welke wijze werden de maatschappelijke behoeften gedetecteerd, werden er alternatieven afgewogen in functie van de kosteneffectiviteit, hoe zullen prestaties en/of maatschappelijke effecten worden gemeten; - het budgettair kader, nl. het nagaan in hoeverre de budgettaire gevolgen van de voorstellen van beslissing budgettair juist en transparant zijn weergegeven en tevens inpasbaar zijn in de jaarlijkse begroting en de meerjarenraming. Art. 40.Dit artikel is nieuw en regelt de aanduiding van de aan de Vlaamse Regering ter beschikking gestelde inspecteurs van Financiën voor de Vlaamse Auditautoriteit inzake Europese Structuurfondsen. Dit artikel moet worden samengelezen met het Besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2007 houdende aanduiding van de Vlaamse Auditautoriteit voor de Europese Structuurfondsen, houdende aanduiding van de Vlaamse Auditinstantie voor het Europees fonds voor de integratie van onderdanen van derde landen en houdende oprichting van de Auditcel van de Auditautoriteit en geeft uitvoering aan artikel 123, (4,) en artikel 127 van de Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en

inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad. Onderafdeling

  1. - Analyses, evaluaties en audits Art. 41.Dit artikel verduidelijkt in het eerste lid, 1° en 2° dat de Inspectie van Financiën op eigen initiatief of op vraag van of de inhoudelijk bevoegde minister of de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, diverse analyses, evaluaties of onderzoeken kan opzetten. Punt 3° van de opsomming in het eerste lid, het tweede en het derde lid hernemen de essentie van artikel 25, vijfde lid, van het BVR begrotingscontrole inzake de bijzondere audits bij entiteiten die subsidies ontvangen van de Vlaamse deelstaatoverheid. In het eerste lid, 4°, wordt in uitvoering van artikel 8 van het decreet van 22 maart 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1 houdende een kader voor grote projecten en programma's bepaald dat de Inspectie van Financiën eveneens de totstandkoming van het zelfevaluatierapport en de zelfevaluatie kan faciliteren voor de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan. De Inspectie van Financiën dient de inhoudelijk bevoegde minister op hoogte te brengen van zijn plannen alvorens ze uit te voeren. Onderafdeling
  2. - Voorbereiding en bijsturing van de begroting Art. 42.Dit artikel herneemt in gewijzigde vorm artikel 12 van het BVR begrotingscontrole. De Inspectie van Financiën wordt steeds betrokken bij de begrotingsrondes in de voorbereidende fase. In tegenstelling tot voorheen wordt de Inspectie van Financiën nu verplicht om een advies op te maken over de begrotingsvoorstellen. Onderafdeling
  3. - Toezicht op de uitvoering van de begroting Art. 43.Deze bepaling herneemt in gewijzigde vorm artikel 15 van het BVR begrotingscontrole. Paragraaf 1 bepaalt dat een voorafgaand advies van de Inspectie van Financiën verplicht is voor ieder voorstel dat ter beslissing aan de Vlaamse Regering wordt voorgelegd. Ingevolge paragraaf 2 is ook een voorafgaand advies van de Inspectie van Financiën vereist voor de volgende voorstellen die worden geformuleerd door een entiteit van de Vlaamse Gemeenschap of een Vlaamse rechtspersoon die onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staat: - Elke ontwerp van reglementair ministerieel besluit of van omzendbrief, als ze een budgettaire weerslag hebben; - Alle voorstellen die een begrotingsakkoord vereisen, dus ook de herverdelingen en aanpassingen aan de begroting die overeenkomstig artikel 32 en volgende een begrotingsakkoord vereisen; - Ontwerpen van reorganisatie- en personeelsplannen en het eerste ondernemingsplan van een regeerperiode. De daarop volgende ondernemingsplannen moeten slechts ter kennisgeving worden voorgelegd; - Leningen en uitgifte van kredieten, en het aangaan van participaties, vanaf een bedrag groter dan 7000 euro, behalve als dat gebeurt ter uitvoering van een samenwerkingsovereenkomst die al voor advies werd voorgelegd aan de Inspectie van Financiën, of voor elke verrichting van financieel beheer in het algemeen belang die uitdrukkelijk gedelegeerd is aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, zoals het verstrekken van leningen of kredieten en het aangaan van participaties die kaderen in de directe financiering van te consolideren instellingen, alsook het stellen van de waarborg door de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest. In de derde paragraaf worden vervolgens de beslissingen hernomen waarvoor geen advies vereist is. De beslissingen over de aanwijzing, voordracht, benoeming of bevordering van personen werden hierbij aangevuld met de beslissingen over het verder in dienst houden van een ambtenaar na het einde van de maand waarin hij de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt. Art. 44.In artikel 18, § 5, van het BVR begrotingscontrole was voorzien dat een protocol kon worden afgesloten dat bepaalde vanaf welk bedrag of vanaf welk relatief aandeel een wijziging van een overheidsopdracht voor advies aan de Inspectie van Financiën moest worden voorgelegd. Als er geen protocol was, diende elke wijziging te worden voorgelegd. In artikel 44 wordt nu voorzien dat een protocol kan worden afgesloten, maar dit mag handelen over alle types van overeenkomsten die aan de Inspectie van Financiën moeten worden voorgelegd. Dit laat toe dat voor beleidsdomeinen die veel geconfronteerd worden met bijvoorbeeld overheidsopdrachten een protocol wordt afgesloten met de Inspectie van Financiën om specifieke elementen, vb. dossiers die routinematig terugkeren, te regelen. Op die manier kan administratieve vereenvoudiging worden gerealiseerd. Art. 45.Deze bepaling vervangt o.m. artikel 18 van het BVR begrotingscontrole. Het bepaalt de gevallen waarin voor overheidsopdrachten een advies van de Inspectie van Financiën moet worden gevraagd. In vergelijking met artikel 18 van het BVR begrotingscontrole, wordt deze regeling sterk vereenvoudigd, en meer in lijn gebracht met de gewijzigde overheidsopdrachtenreglementering. In paragraaf 1, eerste lid, worden een aantal opdrachten vrijgesteld van voorafgaand advies van de Inspectie van Financiën. Hierbij is rekening gehouden met de geraamde waarde van de betrokken opdracht, evenals de gekozen plaatsingswijze. De bedoeling is alvast om in enige vereenvoudiging en verlichting te voorzien inzake een sterk bij wet gereguleerd deelgebied zoals overheidsopdrachten. In het tweede lid wordt artikel 18, § 3, van het BVR begrotingscontrole hernomen dat voorziet dat een overheidsopdracht steeds moet worden voorgelegd als in de oorspronkelijke overheidsopdracht het enige gunningscriterium de prijs was, maar de opdracht toch niet aan de laagste inschrijver wordt toegewezen of elke overheidsopdracht die de raming met meer dan 20% overschrijdt. Verder wordt in paragraaf 2 ook bepaald welke onderdelen van de plaatsingsprocedure minstens het voorwerp moeten uitmaken van een advies van de Inspectie van Financiën. In punt 4° wordt voorzien dat alle wijzigingen een advies van de Inspectie van Financiën vergen, m.u.v. wijzigingen die volgens de federale wetgeving op overheidsopdrachten geen marktbevraging vereisen. Die wijzigingen zijn slechts mogelijk in specifieke situaties, zoals bv. voor werken of diensten die noodzakelijk zijn geworden en waarbij een verandering van opdrachtnemer niet mogelijk is omwille van economische of technische redenen of tot een aanzienlijk ongemak of kostenstijging zou leiden voor de aanbesteder. Verder wordt in paragraaf 3, eerste lid, ook bepaald dat bestellingen binnen een raamovereenkomst of een andere centrale aankooptechniek niet meer afzonderlijk ter advies worden voorgelegd, tenzij de Inspectie van Financiën in zijn advies over de raamovereenkomst heeft aangegeven dat elke bestelling gelijk aan of hoger dan 144.000 euro moet worden voorgelegd. Dit laat toe om dit raamovereenkomst per raamovereenkomst te beslissen. De Inspectie van Financiën heeft in adviezen die zij verleende over raamovereenkomsten die voorafgingen aan de inwerkingtreding van dit besluit uiteraard niet kunnen aangegeven dat de toekomstige bestellingen gelijk aan of hoger dan 144.000 euro, exclusief btw, alsnog voor advies moeten worden voorgelegd. Paragraaf 3, tweede lid, voorziet daarom in een overgangsbepaling die bestaat uit de verplichting om de bestellingen gelijk aan of hoger dan 144.000 euro, exclusief btw, op bestaande raamovereenkomsten voor advies aan de Inspectie van Financiën voor te leggen. In die adviezen kan de Inspectie wel aangeven dat bij toekomstige bestellingen die verplichting wegvalt. Paragraaf 4 bepaalt dat een aantal sleutelbeslissingen inzake overheidsopdrachten, waarvoor weliswaar geen verplicht voorafgaand advies nodig is, onverwijld ter beschikking worden gehouden van de Inspectie van Financiën zodat deze over een volledig beeld van de plaatsingsprocedure beschikt als ze dat wenst. Zoals ook voorzien in artikel 37, § 3, 2°, dient bij de opmaak van de jaarplanning extra aandacht te worden besteed aan onderzoeken naar overheidsopdrachten. Het overkoepelend kunnen beoordelen van overheidsopdrachten laat toe om de administratieve werklast te beperken voor entiteiten die gestructureerd en correct omgaan met uitgaven in het kader van overheidsopdrachten. Eventuele misbruiken van de wetgeving op de overheidsopdrachten worden via de jaarlijkse analyse ter kennis gebracht van de Vlaamse Regering, wat meer effect zal hebben, dan een louter negatief advies van de Inspectie van Financiën. In samenlezing met artikel 44, geldt deze regeling bij ontstentenis van andere afspraken met de Inspectie van Financiën die in een protocol worden vastgelegd. Dit artikel is ook van toepassing indien de entiteit van de Vlaamse deelstaatoverheid niet de overheidsopdracht zelf initieert, maar deelneemt aan een gezamenlijke opdracht. De opdracht moet voorgelegd worden van zodra de bijdrage van de entiteit de drempels vermeld in dit artikel overschrijdt. Art. 46.Deze bepaling vervangt artikel 21 van het BVR begrotingscontrole. Het bepaalt de gevallen waarin voor concessies van werken en diensten een advies van de Inspectie van Financiën moet worden gevraagd. Het drempelbedrag wordt op hetzelfde niveau gebracht als het basisdrempelbedrag voor andere overeenkomsten, nl. 144.000 euro. Voor wijzigingen aan concessies worden de principes zoals van toepassing op wijzigingen bij overheidsopdrachten herhaald. Het KB van 14 januari 2013 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten is niet van toepassing op concessies, maar als zich een wijziging van een concessie opdringt in een situatie zoals vermeld in het voormelde KB, moet niet opnieuw een advies van de Inspectie van Financiën worden aangevraagd. In samenlezing met artikel 44, geldt deze regeling geldt bij ontstentenis van andere afspraken met de Inspectie van Financiën die in een protocol worden vastgelegd. Art. 47.Deze bepaling herneemt artikel 21bis van het BVR begrotingscontrole. Net zoals voorheen moeten domeinconcessies met een eerder geringe concessievergoeding niet voor advies aan de Inspectie van Financiën worden voorgelegd. De drempel waaronder geen advies moet worden aangevraagd wordt niettemin verhoogd van 250.000 euro naar 750.000 euro. In samenlezing met artikel 44, geldt deze regeling bij ontstentenis van andere afspraken met de Inspectie van Financiën die in een protocol worden vastgelegd. Art. 48.Deze bepaling herneemt artikel 21ter van het BVR begrotingscontrole. Net zoals voorheen moeten dadingen met een eerder geringe waarde niet voor advies aan de Inspectie van Financiën worden voorgelegd. De drempel waaronder geen advies moet worden aangevraagd wordt niettemin verhoogd van 85.000 euro naar 144.000 euro. Voor een dading moet gekeken worden naar de waarde van het voorwerp van de dading zelf. In samenlezing met artikel 44, geldt deze regeling bij ontstentenis van andere afspraken met de Inspectie van Financiën die in een protocol worden vastgelegd. Art. 49.Deze bepaling herneemt artikel 22 van het BVR begrotingscontrole. Hier wordt een drempel voorzien van 1.250.000 euro in hoofdsom bij cumulatieve waarborgverlening, per natuurlijke persoon of per rechtspersoon. Enkel vanaf dit drempelbedrag is een advies van de Inspectie van Financiën vereist. In samenlezing met artikel 44, geldt deze regeling bij ontstentenis van andere afspraken met de Inspectie van Financiën die in een protocol worden vastgelegd. Art. 50.Deze bepaling herneemt artikel 24 van het BVR begrotingscontrole en voorziet in een zogenaamde catch-all regeling voor overeenkomsten. Dit artikel moet dus ruim worden gelezen en omvat ook overeenkomsten die vroeger een specifieke bepaling hadden, bijvoorbeeld overeenkomsten die door de wetgeving overheidsopdrachten niet als een overheidsopdracht worden gekwalificeerd of onteigeningen. Het betreft overeenkomsten die in tegenstelling tot overheidsopdrachten en concessies van werken en diensten niet in detail bij wet zijn gereguleerd. Hiervoor lijkt het opportuun om lagere drempels te blijven handhaven. De drempel waaronder geen advies moet worden aangevraagd, wordt niettemin verhoogd van 85.000 euro naar 144.000 euro. In samenlezing met artikel 44, geldt deze regeling bij ontstentenis van andere afspraken met de Inspectie van Financiën die in een protocol worden vastgelegd. Art. 51.Deze bepaling herneemt in gewijzigde vorm artikel 10bis van het BVR begrotingscontrole. De Inspectie van Financiën kan een negatief advies uitbrengen omwille van redenen zoals toegelicht bij artikel
  4. Een negatief advies moet wel steeds omstandig worden gemotiveerd. Art. 52.Deze bepaling herneemt in gewijzigde vorm artikel 10, derde tot en met zesde lid, van het BVR begrotingscontrole. Het omschrijft de procedure van een adviesaanvraag. De standaard behandeltermijn van een dossier is nog steeds 12 werkdagen. Een verkorte procedure heeft een behandeltermijn van 4 werkdagen. Eén wijziging wordt niettemin aangebracht. Als de Inspectie van Financiën geen advies heeft meegedeeld binnen de in deze bepaling vermelde termijnen, wordt het advies geacht gunstig te zijn, terwijl artikel 10, zesde lid, van het BVR begrotingscontrole nog bepaalde dat de adviesaanvraag aan de Inspectie van Financiën werd onttrokken. Art. 53.Deze bepaling is nieuw. Ze voorziet in een procedure om de herziening te vragen bij de Inspectie van Financiën van een ongunstig advies. Als de Inspectie van Financiën een ongunstig advies uitbrengt, kan de oorspronkelijke adviesaanvrager, mits aanvullende informatie beschikbaar is of wijzigingen zijn aangebracht aan het oorspronkelijk dossier een versnelde adviesprocedure genieten. De aanvullingen moeten wel gebeuren binnen de maand na het oorspronkelijke advies of na een termijn afgesproken met de Inspectie van Financiën. Het advies van de Inspectie van Financiën wordt dan binnen de 4 werkdagen afgeleverd nadat ze de aanvraag tot herziening heeft ontvangen waarin bijkomende informatie of een bijkomende argumentatie is opgenomen. Dat advies is niet meer voor herziening door de inspectie vatbaar. Indien geen nieuw advies wordt afgeleverd binnen de 4 werkdagen wordt het advies geacht gunstig te zijn. De herziening is enkel bedoeld voor de gevallen waarin, in vergelijking met het oorspronkelijke, ongunstige advies, bijkomende informatie en/of bijkomende argumentatie voorhanden is. Dit creëert bijgevolg geen recht om in alle andere gevallen de Inspectie van Financiën om een tweede advies te vragen. Een adviesaanvrager is ook niet verplicht om opnieuw advies aan te vragen bij de Inspectie van Financiën. Hij kan ook onmiddellijk het begrotingsakkoord aanvragen, als dit vereist is, of zich op de beroepsprocedure beroepen zoals beschreven in het volgende artikel. Art. 54.Deze bepaling herneemt in gewijzigde vorm artikel 7 van het BVR begrotingscontrole. Deze bepaling regelt de beroepsprocedure tegen een ongunstig advies op een voorstel waarvoor het begrotingsakkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, niet is vereist. In paragraaf 2 wordt gepreciseerd dat de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, enkel kan optreden als het ongunstige advies is uitgesproken ten gevolge van budgettaire inpasbaarheid op termijn of kostenefficiëntie. Ingevolge paragraaf 3, kan de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen beoordelen of het ongunstige advies is uitgesproken ten gevolge van andere redenen dan kostenefficiëntie of budgettaire inpasbaarheid op termijn (vb. inzake wettigheid en doelmatigheid). Als hij van oordeel is dat dat het geval is, kan hij het dossier aan de Vlaamse Regering voorleggen en zal enkel de Vlaamse Regering kunnen beslissen dat de inhoudelijk bevoegde minister het advies naast zich mag neerleggen en de beslissing mag uitvoeren. Hij kan eveneens beslissen het advies zelf te beoordelen conform paragraaf
  5. Als het ongunstig advies van de Inspectie van Financiën wordt bevestigd door de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, kan enkel de Vlaamse Regering beslissen dat de inhoudelijk bevoegde minister het advies naast zich mag neerleggen en de beslissing mag uitvoeren. Dit wordt geregeld in paragraaf
  6. Afdeling
  7. - De regeringscommissaris Art. 55.Deze bepaling bevat de nieuwe regels met betrekking tot de controle voor de herverdeling van vastleggingskredieten binnen de begroting van de Vlaamse rechtspersonen die niet onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan. Deze is gelijkaardig aan de regeling voor de Vlaamse rechtspersonen onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering, maar met het verschil dat de regeringscommissaris hier geen adviesverplichting heeft, maar er enkel een meldingsplicht is voorzien. Dit is te kaderen binnen het idee `management by exception'. Het overzicht over de mogelijkheden tot herverdeling voor de rechtspersonen is opgenomen bij de toelichting bij artikel
  8. De melding van de herverdeling moet steeds gebeuren alvorens de herverdeling wordt toegepast, aangezien enkel in dat geval de regeringscommissaris, als nodig de schorsingsprocedure kan in gang zetten door een melding bij de bevoegde minister. Art. 56.Deze bepaling bevat de nieuwe regels met betrekking tot de controle voor de herverdeling van vereffeningskredieten binnen de begroting van de Vlaamse rechtspersonen die niet onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan. Ook hier is een voorafgaande melding aan de regeringscommissaris vereist en dit in dezelfde gevallen als bij de rechtspersonen die onder het rechtstreekse gezag staan van de Vlaamse Regering. Art. 57.Naar analogie met artikel 36 wordt hier voor de Vlaamse rechtspersonen die niet onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan een controle voorzien voor het geval een begroting moet worden aangepast, n.a.v. bvb. een gewijzigde ontvangen toelage of een herraming van de eigen ontvangsten. Een ontwerp van aangepaste begroting moet worden voorgelegd aan de regeringscommissaris als er ESR-impact is, m.a.w. aanpassing m.b.t. kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds. Art. 58.Dit artikel is nieuw en bepaalt in uitvoering van artikel 8 van het decreet van 22 maart 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1 houdende een kader voor grote projecten en programma's dat de regeringscommissaris de totstandkoming faciliteert van het zelfevaluatierapport en de zelfevaluatie, vermeld in datzelfde artikel. Art. 59.Dit artikel herneemt artikel 15/3 van het BVR begroting en boekhouding Vlaamse rechtspersonen. De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, kan bijvoorbeeld een sjabloon voorzien waarin de regeringscommissarissen moeten rapporteren over het ontwerp van begroting of over de rekening. Ingevolge de opmerking van de Raad van State in advies 64.851/1 van 4 januari 2019 (randnr. 13) werd de verwijzing naar de codex aangepast zodat nu correct wordt verwezen naar artikel 54 van de codex. Afdeling
  9. - De bedrijfsrevisor Art. 60.Het eerste lid is nieuw en bepaalt dat de Vlaamse rechtspersonen bij de aanstelling van de bedrijfsrevisor gebruik moeten maken van het bestek dat de instantie bevoegd voor de rekeningen ter beschikking stelt. Het bestek zal uit twee delen bestaan: een verplicht te volgen deel en een deel dat de betrokken entiteit vrij kan aanvullen. Deze bepaling geldt voor alle Vlaamse rechtspersonen. De administratie coördineert dus niet langer de overheidsopdracht tot aanstelling van de bedrijfsrevisor. Het tweede lid herneemt artikel 9, § 6, van het BVR single audit. Ter certificering van de rekening moet de bedrijfsrevisor nakijken of de rapportering conform de ESR-verordening is opgesteld, en met name dan of de vertaling daarvan in bijvoorbeeld de economische classificatie wordt toegepast. In de rekening moet een aansluiting worden gemaakt tussen de bedrijfseconomische rekening en de ESR-rapportering. De bedrijfsrevisor moet nakijken of die aansluiting correct is verlopen. Tot slot moet ook de naleving op de codex worden gecontroleerd. Het derde lid herneemt artikel 9, § 7, van het BVR single audit. De taken van de bedrijfsrevisor die worden opgenomen in de paragrafen 1 tot en met 5 van het BVR single audit worden niet langer hernomen, aangezien deze worden bepaald in het gemeen boekhoudrecht, waarnaar wordt verwezen in artikel 59, tweede lid, van de codex. Afdeling
  10. - De samenwerking in het kader van single audit Deze afdeling is van toepassing op de controleactoren vermeld in artikel 50 van de codex. Art. 61.Deze bepaling herneemt artikel 3, § 1, van het BVR single audit. Enkel de terbeschikkingstelling van de entiteitgevoelige en vertrouwelijke informatie wordt nog in dit besluit geregeld. De algemene informatie wordt immers niet langer beheerd door de instantie bevoegd voor de rekeningen, maar opgenomen in `Wegwijs' dat wordt beheerd door de entiteit Informatie Vlaanderen en dient zodoende niet langer in dit besluit te worden opgenomen. Art. 62.Deze bepaling herneemt artikel 3, § 2, van het BVR single audit. Art. 63.Deze bepaling herneemt de tweede zin van artikel 3, § 3, van het BVR single audit. Art. 64.Deze bepaling herneemt artikel 4, tweede lid tot en met zesde lid, van het BVR single audit en omvat het basisidee achter `single audit', nl. het voortbouwen door één controleniveau op een voorgaande controle, met als doel de last voor de gecontroleerde te verminderen en de kwaliteit van de controle te verhogen. De onafhankelijkheid van de betrokken controleactoren wordt evenwel ten allen tijde gerespecteerd. HOOFDSTUK
  11. - De VABN In de codex werd de adviescommissie uitgebreid met een lid van het IAB. Die uitbreiding wordt ook doorgetrokken naar het BVR. Daarnaast werd in het verleden het INR verkeerdelijk uitgesloten van een presentievergoeding. Dit wordt hier rechtgezet. De toelichting van het BVR VABN wordt hier voor de volledigheid hernomen. Art. 65.Dit artikel herneemt artikel 2 van het BVR VABN. De adviescommissie is als volgt samengesteld: Organisatorisch, coördinerend en ondersteunend luik: - voorzitter: een vertegenwoordiger (+plaatsvervanger) aangeduid door de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, onder de leden van de commissie; - secretaris: een vertegenwoordiger van de instantie bevoegd voor de rekeningen (niet stemgerechtigd). Budgettair luik: - twee leden (+ plaatsvervangers) aangeduid onder de personeelsleden van de instantie bevoegd voor de begroting en de rekeningen; - een lid (+ plaatsvervanger) op voordracht van het Instituut voor de Nationale Rekeningen- INR; - een lid (+ plaatsvervanger) die wordt aangewezen onder de inspecteurs van Financiën geaccrediteerd bij de Vlaamse Regering op voordracht van de Inspectie van Financiën. Bedrijfseconomisch luik: - een lid (+ plaatsvervanger) op voordracht van het Instituut voor Bedrijfsrevisoren - IBR; - een lid (+ plaatsvervanger) op voordracht van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen - CBN; - een lid (+ plaatsvervanger) op voordracht van het Rekenhof; - een lid (+ plaatsvervanger) op voordracht van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten - IAB. Vlaamse Gemeenschap en Vlaamse rechtspersonen: - drie leden (+ plaatsvervangers), één lid met respectievelijk boekhoudkundige of financiële expertise op het vlak van de Vlaamse Gemeenschap en twee leden met respectievelijk boekhoudkundige of financiële expertise op het vlak van Vlaamse rechtspersonen op voordracht van het Strategisch Overleg Financiën. De commissie kan het advies van experten vragen, die op verzoek van de voorzitter kunnen deelnemen aan de vergaderingen. Dit wil zeggen dat de commissie zich op ad hoc basis kan laten bijstaan door experten als zij dit noodzakelijk zou achten. Art. 66.Dit artikel herneemt artikel 3 van het BVR VABN. Het secretariaat van de adviescommissie zal worden waargenomen door de instantie die bevoegd is voor de rekeningen. De bevoegde minister duidt een secretaris aan ter uitvoering van die functie. De functie van de secretaris staat los van de 2 stemgerechtigde leden die worden aangesteld op voordracht van de instantie bevoegd voor de begroting of de rekeningen. Art. 67.Dit artikel herneemt artikel 4 van het BVR VABN. De leden van de commissie worden aangesteld bij ministerieel besluit van de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen. De leden worden aangesteld voor een hernieuwbare periode van zes jaar. Art. 68.Dit artikel herneemt artikel 5 van het BVR VABN. De adviescommissie moet een huishoudelijk reglement opmaken dat dient goedgekeurd te worden door de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen. Art. 69.Dit artikel herneemt artikel 6 van het BVR VABN. De adviezen zullen in principe binnen de maand volgend op de ontvangst van de adviesaanvraag worden verstrekt, tenzij de bevoegde minister uitdrukkelijk een langere termijn voorziet. Art. 70.Dit artikel herneemt artikel 7 van het BVR VABN. In het eerste lid van paragraaf 1, wordt voorzien in een presentiegeld voor de leden en experten, die geen overheidspersoneel uitmaken. De vergoeding wordt vastgesteld op 100 euro per zitting, met een maximum vergoeding van 1000 euro per jaar. De Raad van State heeft in haar advies 58.020/1/3 van 28 september 2015 opgemerkt dat artikel 180 van de Grondwet toelaat dat een Gewest een bijkomende taak toekent aan het Rekenhof. In dat geval moet evenwel voorzien worden in een vergoeding aan het Rekenhof zelf en niet aan een lid ervan. Gelet op dit advies van de Raad van State, wordt in het tweede lid van dit artikel voorzien dat het presentiegeld voor het lid dat wordt voorgedragen door het Rekenhof toekomt aan het Rekenhof zelf in plaats van aan het lid zelf. Het derde lid regelt de terugbetaling van de verplaatsingskosten. HOOFDSTUK
  12. - Subsidies Dit hoofdstuk herneemt een aantal specifieke onderdelen van het BVR subsidies. In tegenstelling tot de regeling onder het BVR subsidies is ervoor geopteerd om de algemene regels inzake subsidiëring te verlichten. Niet alle bepalingen van voornoemd besluit zijn derhalve hernomen. Zo worden onder meer de begrippen werkings-, project-, investerings-, prijs-, en loonsubsidies verlaten in het licht van het overkoepelend onderscheid tussen kapitaal- en inkomensoverdrachten. Ook de begrippen gereglementeerde, semi-gereglementeerde en facultatieve subsidies worden niet langer gebruikt. Tot slot werd nagegaan, met het oog op duidelijke regelgeving, welke bepalingen nog nodig waren en welke bepalingen overbodig. Zo worden de bepalingen met betrekking tot de reservevorming slechts in beperkte mate weerhouden. De mogelijkheid tot het aanleggen van een reserve wordt nog steeds voorzien, maar er wordt niet langer aangegeven hoe dit juist moet gebeuren. Zo willen we een loskoppeling bekomen van de boekhoudkundige reserves, die hier immers los van gezien moeten worden. Ook niet hernomen is de bepaling over de mogelijkheid tot het terugvorderen van de subsidie als er meerdere subsidies werden ontvangen voor dezelfde activiteit. Afdeling
  13. - Bepalingen over de voorafgaande controle bij de toekenning van subsidies Art. 71.Deze bepaling bevat de regels over de voorafgaandelijke controle bij de toekenning van subsidies. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de subsidies die enkel een rechtsgrond hebben in het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap en de subsidies die een rechtsgrond hebben buiten het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap. De eerste categorie van subsidies, namelijk diegene die enkel een rechtsgrond hebben in het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap, wordt aan een strenger regime onderworpen in paragraaf
  14. De toekenningsbeslissing zelf gebeurt bij een ministerieel besluit. Vanaf het bedrag van 7000 euro moeten subsidies, zowel opgenomen in reglementaire als in niet-reglementaire ministeriële besluiten, ter advies worden voorgelegd aan de Inspectie van Financiën. Subsidies vanaf een bedrag van 250.000 euro worden door de Vlaamse Regering toegekend en niet bij een ministerieel besluit. Deze regels sluiten de toepassing van reeds bestaande delegatieregels niet uit. In het tweede lid van paragraaf 1 wordt voorzien dat als in het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap expliciet wordt opgenomen wie de begunstigde is en voor welk subsidiebedrag hij in aanmerking komt, de subsidie kan worden toegekend bij ministerieel besluit. De tweede categorie van subsidies, namelijk diegene die een rechtsgrond hebben buiten het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap, wordt in paragraaf 3 onderworpen aan de ex ante controle waarin de regelgeving voorziet. Als tijdens het beleids- en goedkeuringsproces van de inhoudelijke regelgeving reeds in een sterke onderbouwing van de budgettaire impact is voorzien, kan de inhoudelijke regelgeving bepalen dat de verdere ex ante controles op de individuele toekenningsbeslissingen worden uitgesloten. Deze uitsluiting zal tijdens het beleids- en goedkeuringsproces van de inhoudelijke regelgeving worden beoordeeld door de betrokkenheid van de Inspectie van Financiën, de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, de Vlaamse Regering en/of het Vlaams Parlement. De subsidies die automatisch worden toegekend a.d.h.v. bepaalde parameters die jaarlijks kunnen worden vastgelegd en vereffend, vereisen voor de individuele toekenningen nooit een controle. Er is immers geen steeds weerkerende individuele toekenningsbeslissing. Dit geldt enkel voor de subsidies die in de uitgavenbegroting zullen worden opgesomd in uitvoering van artikel 34, § 1, derde lid, van de codex. In het tweede lid van paragraaf 3 wordt in een overgangsbepaling voorzien voor de subsidies die nu reeds een inhoudelijke rechtsgrond hebben. Ter vervanging van het idee van het budgettair implementatieplan wordt nu voorzien dat een algemene adviesaanvraag kan worden ingediend bij de Inspectie van Financiën, waarbij een budgettaire inschatting wordt gemaakt van de jaarlijkse raming. In de vierde en laatste paragraaf wordt tot slot in een catch-all bepaling voorzien voor die gevallen waarin geen controles worden voorzien in de nieuwe inhoudelijk van toepassing zijnde regelgeving. In dat geval zijn de strenge controles zoals van toepassing op de subsidies die enkel een rechtsgrond hebben in het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van toepassing. Dit artikel is enkel van toepassing op subsidies aan entiteiten die niet behoren tot de Vlaamse deelstaatoverheid. De toelagen worden immers conform artikel 43, § 3, eerste lid, 6°, vrijgesteld van een advies van de Inspectie van Financiën en bijgevolg ook van een begrotingsakkoord. Afdeling
  15. - Bepalingen inzake de reservevorming bij subsidies Art. 72.In het BVR subsidies werd in een basis voorzien om reservevorming toe te laten bij subsidies. Ingevolge paragraaf 1 (en analoog aan artikel 5, § 3, BVR subsidies) blijft reservevorming mogelijk ten belope van maximum twintig procent van het subsidiebedrag of 50% gecumuleerd. Mits motivering door de subsidiërende overheid kan in het besluit tot toekenning van de subsidie worden afgeweken van dat maximumpercentage. De concrete modaliteiten rond de reservevorming dient de subsidieverstrekker zelf uit te werken en op te nemen. De motivatie om de concrete modaliteiten niet langer op te nemen is omdat ze sterk waren opgebouwd rond de logica van de boekhoudkundige reserves. Dit is echter niet nodig en maakt de modaliteiten zeer complex. Zo dient niets te worden bepaald over de mogelijkheid om met de eigen financiële middelen een reserve aan te leggen. Dit staat los van subsidies en wordt geregeld in de boekhoudwetgeving. Wat daarentegen wel nog steeds belangrijk is, is de bepaling in paragraaf 2 dat de aanwending van de reserve enkel mogelijk is voor de doelstelling waarvoor de initiële subsidie werd toegekend (analoog aan artikel 7, § 1, BVR subsidies). Dezelfde doelstelling vereist niet noodzakelijk volledig dezelfde activiteit. Een doelstelling moet breder worden gelezen. De aanwending van de reserves moet, zoals bij de reguliere aanwending van subsidies, worden verantwoord door de subsidieverstrekker. Afdeling
  16. - Bepalingen inzake de ex post controle na de toekenning van subsidies Art. 73.Dit artikel is nieuw en vertaalt het responsabiliseringsidee van de beleidsdomeinen, die zelf kunnen beoordelen welke verantwoordingsstukken nodig zijn. De entiteit zal voortaan zelf op basis van een eigen risicoanalyse subsidieprocessen moeten aanpassen. Dit moet ertoe leiden dat gesubsidieerde entiteiten, die goed georganiseerd zijn, waarmee nooit of bijna nooit problemen zijn bij een eindafrekening, minder gecontroleerd worden dan entiteiten waarbij vaker problemen opduiken. Goed georganiseerde gesubsidieerde entiteiten krijgen daarbij een incentive met een vlotte afhandeling van hun dossier. De achterliggende documenten (zoals facturen, personeelsfiches,...) moeten bijvoorbeeld niet worden aangeleverd, maar het volstaat in dat geval dat ze ter beschikking worden gehouden. Als niets specifiek inzake verantwoording is voorzien in de subsidiebeslissing of de rechtsgrond ervan, is het volgende artikel van toepassing. Art. 74.Het eerste lid herneemt artikel 9, § 1, van het BVR subsidies. Er wordt niet langer opgesomd welke stukken precies nodig zijn voor de functionele of financiële verantwoording, maar enkel nog aangegeven wat de functionele en financiële verantwoording inhoudelijk precies omvat. In praktijk zal hiervoor vaak een beroep kunnen worden gedaan op bijvoorbeeld de resultatenrekening van de begunstigde entiteit of een ander bewijs dat kosten werden gemaakt voor een ontvangen subsidie. Het tweede lid herneemt artikel 9, § 2, van het BVR subsidies. Art. 75.Dit artikel herneemt artikel 13 van het BVR subsidies inzake het opvragen van aanvullende gegevens voor de definitieve vaststelling van de verantwoorde subsidie. Afdeling
  17. - Bepalingen inzake sancties en onverenigbaarheden Normaal gezien geldt de volgende verplichting van art 13 van de Algemenebepalingenwet: Tot onmiddellijke terugbetaling van de subsidie is gehouden de begunstigde: 1° die de voorwaarden niet naleeft, waaronder de subsidie werd verleend;2° die de subsidie niet aanwendt voor de doeleinden, waarvoor zij werd verleend;3° die de in artikel 12 bedoelde controle verhindert. Blijft de begunstigde van de subsidie in gebreke de in artikel 11 bedoelde verantwoording te verstrekken, dan is hij gehouden tot terugbetaling ten belope van het deel dat niet werd verantwoord. Het feit dat een activiteit dubbel wordt gesubsidieerd, leidt op basis van bovenstaande bepaling tot de verplichting tot terugvordering van het bedrag. Dit betreft zelfs het volledige subsidiebedrag. Onderstaande bepalingen moeten worden gelezen in samenhang met deze bepaling uit de Algemenebepalingenwet. Art. 76.Deze bepaling herneemt artikel 18 van het BVR subsidies. Dit artikel werd aangepast aan de opmerking van de Raad van State in zijn advies nr. 64.851/1 van 4 januari 2019 (randnr. 15) om duidelijker te weerspiegelen dat de vermelding dat "eventueel uitbetaalde voorschotten worden teruggevorderd" de bevestiging vormt van artikel 13 van de Algemenebepalingenwet. Art. 77.Deze bepaling herneemt artikel 19 van het BVR subsidies. De Raad van State gaf in zijn advies nr. 64.851/1 van 4 januari 2019 (randnr. 3.2.) aan dat de in artikel 75 van het ontwerp van de VCO vervatte machtigingsbepaling "te weinig specifiek [lijkt] te zijn om erin een rechtsgrond te kunnen zien" voor dit artikel van het uitvoeringsbesluit. Om hieraan te remediëren werd aan artikel 75 van de codex toegevoegd dat de Vlaamse Regering "de regels [kan] bepalen om belangenvermenging tegen te gaan bij de aanwending of toekenning van subsidies". Het kan hierbij om verbodsbepalingen gaan maar ook over bepalingen die de rechtsgevolgen van de overtreding van de betrokken voorschriften instellen. HOOFDSTUK
  18. - Giften en prijzen Art. 78.Om analogie te houden met de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën op het niveau van de inhoudelijke hoofdstukken, werd in voorliggend besluit een leeg artikel `voorbehouden voor toekomstig gebruik' ingevoegd. HOOFDSTUK 1
  19. - Kas-, schuld-, waarborg- en verzekeringsbeheer Afdeling
  20. - Kasbeheer Art. 79.Dit artikel herneemt grotendeels artikel 1 en artikel 2, § 1,van het BVR CFO. Het verduidelijk dat het centraal kasbeheer gebeurt door een centrale cashpooling, maar dat het de entiteiten zelf zijn die een financiële rekening moeten openen bij een aangeduide kassier. De normale diensten bij een financiële rekening worden ook afgenomen bij de kassier. Art. 80.Dit artikel herneemt grotendeels artikel 3 van het BVR CFO. De cashpooling doet geen afbreuk aan de financiële autonomie die de entiteiten hebben. Het centraal beheer houdt bovendien enkel een inzagerecht in op het saldo van de verschillende financiële rekeningen, geenszins een in de plaatstreding voor het effectief uitvoeren van financiële transacties. Art. 81.Dit artikel herneemt grotendeels artikel 4 van het BVR CFO. Zonder afbreuk te doen aan de financiële autonomie van de entiteiten, beslist de instantie die het centraal beheer uitoefent over de vrijgave van de toelagen en dit in functie van de totale cashpooling en in subsidiaire orde in functie van de kastoestand van een individuele entiteit. Art. 82.Dit artikel herneemt grotendeels artikel 5 van BVR CFO. Art. 83.Dit artikel herneemt grotendeels artikel 6 van het BVR CFO. Het niet voorzien van een interestafrekening tussen de kassier en de entiteiten die deelnemen aan de cashpooling is zowel bij een positief als een negatief saldo van toepassing. Dit artikel moet worden samengelezen met de bepalingen rond het beleggingsbeheer. Het niet voorzien van een vergoeding voor de werkingsmiddelen zal een entiteit verplichten om een correct financieel management na te streven en een onderscheid te maken tussen zijn beschikbare middelen die hij op korte of lange termijn kan beleggen en zijn werkingsmiddelen. Art. 84.In tegenstelling tot in artikel 9 van het BVR CFO wordt de wekelijkse verplichte update van de kasverwachtingen van entiteiten opnieuw naar 5 weken gebracht, i.p.v. op 13 werken. Dit sluit nauwer aan bij de praktijk. De oorspronkelijke motivering voor de verlenging van de termijn, nl. de kasraming voor de monitoring, is niet meer van toepassing. De wekelijkse update moet gebeuren in de sjabloon dat daarvoor wordt aangereikt door de instantie bevoegd voor de financiële operaties - momenteel onderdeel van het Departement FB. Afdeling
  21. - Schuld- en beleggingsbeheer Art. 85.Dit artikel herneemt artikel 2 van het BVR financiële activa en bepaalt wie de taken inzake het schuld- en beleggingsbeheer uitoefent. Art. 86.Dit artikel voorziet in tegenstelling tot artikel 4 van het BVR financiële activa in een generieke minimumdrempel aan beschikbare gelden van 1 miljoen euro per Vlaamse rechtspersoon. Art. 87.Dit artikel herneemt artikel 3 van het BVR financiële activa. Deze bepaling moet ertoe bijdragen dat het agentschap voor de Vlaamse sociale bescherming, in functie van hun specifieke behoeften, maximaal 50% van hun beschikbare middelen kan beleggen in alternatieve financiële instrumenten gelinkt aan de rust of verzorgingssector. Art. 88.Dit is een nieuw artikel en voorziet in een doordelegatie van wat voorzien is in artikel 92, derde lid, van de VCO. Afdeling
  22. - Waarborgbeheer Art. 89.Dit is een nieuw artikel en voorziet dat elke waarborgverlening ter kennisgeving moet worden gebracht van de Vlaamse minister, bevoegd voor financiën en begrotingen. Art. 90.Dit artikel herneemt gedeeltelijk artikel 8 van het decreet van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 07/05/2004 pub. 16/07/2004 numac 2004036102 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende bepalingen inzake kas-, schuld- en waarborgbeheer van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest type decreet prom. 07/05/2004 pub. 25/05/2004 numac 2004035791 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende bekrachtiging van de stedenbouwkundige vergunningen verleend door de Vlaamse regering op 2 april 2004 in toepassing van het decreet van 14 december 2001 voor enkele bouwvergunningen waarvoor dwingende redenen van groot algemeen belang gelden type decreet prom. 07/05/2004 pub. 11/06/2004 numac 2004035914 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende wijziging van het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij type decreet prom. 07/05/2004 pub. 07/06/2004 numac 2004035865 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap « Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding » type decreet prom. 07/05/2004 pub. 07/06/2004 numac 2004035842 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap « Vlaams Agentschap voor Rekrutering en Selectie » en houdende wijziging van het decreet van 2 maart 1999 tot machtiging van de Vlaamse regering om een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid op te richten voor de uitvoering van opdrachten met betrekking tot de werving en selectie van overheidspersoneel type decreet prom. 07/05/2004 pub. 30/06/2004 numac 2004035939 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende regeling van de begrotingen, de boekhouding, de controle inzake subsidies, en de controle door het Rekenhof sluiten houdende bepalingen inzake kas-, schuld-, en waarborgbeheer van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest. Het geeft een basisformule die kan worden gebruikt om de bijdrage te berekenen als geen andere bijdragen worden bepaald. Het is bijgevolg suppletief van aard. Afdeling
  23. - Verzekeringsbeheer Art. 91.In dit artikel worden de risico's opgenomen waarvan de dekking gecentraliseerd zal gebeuren. Art. 92.Dit artikel voorziet dat de instantie bevoegd voor de financiële operaties - momenteel onderdeel van het Departement FB - de taken voor het verzekeringsbeheer op zich neemt. Afdeling
  24. - Rapportering Art. 93.Dit artikel herneemt artikel 5 van het BVR financiële activa. De jaarlijkse verplichte rapportering waarvan sprake is in het decreet, gebeurt via dezelfde verplichte rapportering aan het instituut voor de Nationale Rekeningen. Hiervoor wordt er dus geen nieuwe extra rapportering aan de entiteiten opgelegd. De instantie die bevoegd is voor de financiële operaties zal daarnaast ook een sjabloon voorzien waarin de entiteiten hun vooruitzichten en beschikbare gelden kunnen ingeven. De sjabloon moet jaarlijks tegen 10 november ingevuld aan die instantie bezorgd worden door de overheidsentiteit. Afdeling
  25. - Interne audit Art. 94.Dit artikel voorziet een doordelegatie voor het aanstellen van een interne auditor voor de controle op het KSW-beheer. Art. 95.De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, kan buiten de standaard opdrachten die een auditor moet uitoefenen ook andere audittaken opleggen aan de auditor. HOOFDSTUK 1
  26. - De Diensten met Afzonderlijk Beheer Art. 96.Dit artikel herneemt artikel 8/1 en 8/2 van het BVR begroting en boekhouding ministeries en DAB's. Art. 97.Dit artikel herneemt artikel 8/3, § 1 van het BVR begroting en boekhouding ministeries en DAB's. Art. 98.Dit artikel herneemt artikel 8/4 van het BVR begroting en boekhouding ministeries en DAB's. HOOFDSTUK 1
  27. - Sanctiebepaling Art. 99.Om analogie te houden met de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën op het niveau van de inhoudelijke hoofdstukken, werd in voorliggend besluit een leeg artikel `voorbehouden voor toekomstig gebruik' ingevoegd. HOOFDSTUK 1
  28. - Opheffings- en wijzigingsbepalingen Art. 100 t.e.m.
  29. Het gaat niet om beleidsinhoudelijke wijzigingen maar om juridisch-technische aanpassingen: de verwijzingen naar een van de besluiten die opgenomen werden in het Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën worden, met het oog op de leesbaarheid en rechtszekerheid, vervangen door een verwijzing naar dit besluit. Deze aanpassingen behoeven geen toelichting. HOOFDSTUK 1
  30. - Opgeheven besluiten Art. 136.In dit artikel worden de besluiten die worden gecodificeerd bij voorliggend besluit opgeheven. Daarnaast wordt ook het besluit betreffende de werking en het beheer van het Vlaams Egalisatie Rente Fonds opgeheven. De decretale basis voor dit fonds werd reeds opgeheven in
  31. Het besluit wordt nu ook formeel opgeheven. HOOFDSTUK 1
  32. - Overgangsbepalingen Art. 137.De codex en dit besluit zijn van toepassing voor het begrotingsjaar
  33. De rapportering die in 2020 geschiedt, maar nog betrekking heeft op gegevens van 2019, zal nog conform de oude regelgeving gebeuren. Art. 138.In diverse decreten en besluiten wordt verwezen naar het BVR subsidies, voornamelijk voor de reservevorming. Omdat in dit besluit de regelgeving tot de essentie is beperkt, zal de oude regelgeving nog van toepassing blijven tot 31 december
  34. Dit laat de bevoegde ministers toe om de nodige initiatieven te nemen om hun regelgeving aan te passen. Art. 139.Dit artikel moet worden gelezen in het kader van de uitbreiding van het toepassingsgebied van de cashpooling. HOOFDSTUK 1
  35. - Citeertitel Art. 140.Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. HOOFDSTUK 1
  36. - Inwerkingtreding Art. 141.De Vlaamse Regering is op basis van artikel 187 van de codex gemachtigd om de inwerkingtreding van de codex te bepalen. De codex en dit besluit treden in werking vanaf 1 januari
  37. In beginsel zijn de codex en dit besluit van toepassing voor het begrotingsjaar
  38. De begrotingsopmaak voor het begrotingsjaar 2020 zal dus geschieden volgens de regels van de codex en dit besluit. Voor wat de opmerking van de SERV over het overgangsjaar 2019 betreft in zijn advies van 26 november 2018 (randnr. 14), kan worden aangegeven dat de afsluiting van de begroting 2018 inderdaad volgens de oude procedure zal verlopen. Hetzelfde zou gelden voor aanpassingen van de begroting 2019, en de afsluiting van de begroting
  39. De Raad van State (advies 64.851/1 van 4 januari 2019, randnr. 16) merkte op dat de inwerkingtreding van het decreet "houdende de wijzigingen in diverse decreten naar aanleiding van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën" best geregeld werd in voorliggend artikel. Deze opmerking is evenwel zonder voorwerp geworden ingevolge de integratie van voornoemd decreet in de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart
  40. HOOFDSTUK 1
  41. - Uitvoering Art. 142.Deze bepaling behoeft geen toelichting. Brussel, 17 mei
  42. De Vlaamse minister van Begroting, Financiën en Energie, L. PEETERS _______ Nota

(1)Indien de entiteit geen artikelstructuur heeft, worden alle herverdelingen beschouwd als over begrotingsartikel heen. RAAD VAN STATE, AFDELING WETGEVING ADVIES 64.851/1 VAN 4 JANUARI 2019 OVER EEN ONTWERP VAN BESLUIT VAN DE VLAAMSE REGERING `TER UITVOERING VAN DE VLAAMSE CODEX OVERHEIDSFINANCIEN VAN [...]' Op 28 november 2018 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vlaamse minister van Begroting, Financiën en Energie verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering `ter uitvoering van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van [...]'. Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 18 december
  1. De kamer was samengesteld uit Marnix VAN DAMME, kamervoorzitter, Wilfried VAN VAERENBERGH en Chantal BAMPS, staatsraden, Michel TISON, assessor, en Annemie GOOSSENS, griffier. Het verslag is uitgebracht door Kristine BAMS, eerste auditeur-afdelingshoofd. Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 4 januari
  2. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. STREKKING EN RECHTSGROND VAN HET ONTWERP
  3. Het om advies voorgelegde ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering strekt ertoe uitvoering te geven aan bepalingen van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën die, in ontwerpvorm
(1), het voorwerp uitmaakt van advies 64.849/1 dat de Raad van State, afdeling Wetgeving, tegelijk met het voorliggende advies uitbrengt. De ontworpen regeling is bestemd om in de plaats te komen van de regeling die nu verspreid is over diverse besluiten waarvan in artikel 133 van het ontwerp de opheffing wordt beoogd en die met het voorliggende ontwerp wordt geïntegreerd in één enkel besluit. Deze integratie wordt tevens te baat genomen om de bepalingen van de voornoemde besluiten inhoudelijk aan te passen in het licht van de wijzigingen die voor de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse rechtspersonen op het vlak van de begroting, de rapportering en de financiële operaties voortvloeien uit de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën, en om de bestaande regelgeving te herschikken en te herschrijven met het oog op een verbetering van de leesbaarheid en de interne consistentie ervan. Het is de bedoeling dat de ontworpen regeling op dezelfde dag in werking treedt als de regeling die het voorwerp uitmaakt van het voornoemde advies 64.849/
  1. 3.
  2. De ontworpen regeling kan worden geacht rechtsgrond te vinden in de bepalingen waarnaar wordt verwezen in de eerste twee leden van de aanhef van het ontwerp, met dien verstande dat moet worden gewezen op wat volgt. 3.
  3. Voor één bepaling van het ontwerp ziet de Raad van State, afdeling Wetgeving, geen rechtsgrond. Dit is het geval voor artikel 76 van het ontwerp waarin wordt bepaald dat elk personeelslid, openbare gezagsdrager of andere persoon die belast is met een functie bij een entiteit die ressorteert onder de Vlaamse deelstaatoverheid of elke tussenpersoon als de subsidie onrechtstreeks wordt toegekend, verboden is een subsidie toe te kennen of de aanwending ervan goed te keuren zodra hij daardoor persoonlijk of via een tussenpersoon in een toestand van belangenvermenging zou kunnen terechtkomen en dat, bij niet naleving van dat voorschrift, de beslissing tot toekenning van een subsidie nietig is en de eventueel al uitgekeerde bedragen volledig worden teruggestort.
(2)3.
  1. In artikel 17 van het ontwerp wordt de bevoegde minister opgedragen om een handleiding op te stellen met een toelichting bij de boekhoudregels die van toepassing zijn op de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse rechtspersonen en om die handleiding en de aanpassingen eraan jaarlijks mee te delen aan de Vlaamse Regering. Deze bepaling kan worden geacht rechtsgrond te vinden in artikel 37 van de ontworpen Vlaamse Codex Overheidsfinanciën volgens hetwelk de Vlaamse Regering nadere regels kan uitvaardigen voor de aanrekening van ontvangsten en uitgaven, op voorwaarde dat de handleiding, bedoeld in artikel 17 van het ontwerp van besluit, beperkt blijft tot de voornoemde aanrekening. 3.
  2. Sommige bepalingen van het ontwerp moeten worden geacht rechtsgrond te vinden in onderdelen van artikelen van de ontworpen Vlaamse Codex Overheidsfinanciën waarnaar nochtans niet wordt verwezen in het tweede lid van de aanhef van het ontwerp. Zo wordt in artikel 3, eerste lid, van het ontwerp, bepaald dat de inhoudelijk bevoegde ministers de indiening van de beleids- en begrotingstoelichtingen voorbereiden, waarvoor rechtsgrond kan worden gevonden in artikel 11, § 1, eerste lid, van de ontworpen Vlaamse Codex Overheidsfinanciën. In artikel 6 van het ontwerp wordt de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, ermee belast om, in samenwerking met de inhoudelijk bevoegde ministers, het ontwerp van begroting of begrotingsaanpassing voor de Vlaamse Gemeenschap op te maken volgens de instructies en binnen de termijn die de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen bepaalt. Hiervoor kan mede rechtsgrond worden gevonden in artikel 17, § 1, van de ontworpen Vlaamse Codex Overheidsfinanciën. In artikel 10 van het ontwerp wordt bepaald dat de inhoudelijk bevoegde minister voor de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreeks gezag van de Vlaamse Regering staan het ontwerp van begroting of begrotingsaanpassing opmaakt volgens de instructies en binnen de termijn die de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen bepaalt. Tevens wordt de laatstgenoemde minister in het voornoemde artikel 10 van het ontwerp opgedragen om het desbetreffende ontwerp als bijlage bij de begrotingsdocumenten van de Vlaamse Gemeenschap te voegen voor hij beide ter goedkeuring voorlegt aan de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement. Voor deze bepaling kan mede rechtsgrond worden gevonden in artikel 26, § 1, eerste lid, van de ontworpen Vlaamse Codex Overheidsfinanciën, waarin de Vlaamse Regering meer specifiek wordt opgedragen om de begrotingen op te stellen van de Vlaamse rechtspersonen die rechtstreeks onderworpen zijn aan haar gezag. 3.
  3. Voor de artikelen 59 (betreffende de bedrijfsrevisor) en 83 (betreffende het uitvoeren van de taken inzake schuld- en beleggingsbeheer door de instantie die bevoegd is voor de financiële operaties) van het ontwerp wordt het best ook beroep gedaan op artikel 87 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten `tot hervorming der instellingen' betreffende "de diensten" van de gemeenschaps- en gewestregeringen. ALGEMENE OPMERKING
  4. Het merendeel van de bepalingen van het ontwerp beoogt uitvoering te geven aan bestaande decretale bepalingen die worden geïntegreerd in het meermaals genoemde ontwerp Vlaamse Codex Overheidsfinanciën. Daarnaast bevat het ontwerp evenwel een aantal artikelen die rechtsgrond vinden in bepalingen van het ontwerp Vlaamse Codex Overheidsfinanciën die geen bestaande decretale bepalingen overnemen, maar die nieuw zijn in vergelijking met de bestaande decreetgeving. Het gaat daarbij meer in het bijzonder om de artikelen 3, 16, 20, § 2, 22, 24, 37 en 86 van het ontwerp. De adviesaanvraag is derhalve, wat deze laatste artikelen betreft, niet ontvankelijk aangezien de rechtsgrond biedende bepalingen ervan nog niet op een definitieve wijze zijn tot stand gekomen. Het voorliggende advies moet met dat voorbehoud worden gelezen. ONDERZOEK VAN DE TEKST Aanhef
  5. De aanhef dient in overeenstemming te worden gebracht met hetgeen in dit advies is opgemerkt over de rechtsgrond van het ontwerp.Dat houdt in dat in het eerste lid tevens moet worden verwezen naar artikel 87 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten en dat in het tweede lid van de aanhef het best ook melding wordt gemaakt van de artikelen 11, § 1, eerste lid, 17, § 1, en 26, § 1, eerste lid, van de nog in voorbereiding zijnde Vlaamse Codex Overheidsfinanciën.
  6. Men redigere het lid van de aanhef waarin wordt verwezen naar het advies van de Raad van State als volgt: "Gelet op advies 64.851/1 van de Raad van State, gegeven op 4 juli 2019, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;". Artikel 8
  7. Artikel 8 van het ontwerp komt in ruime mate overeen met hetgeen wordt bepaald in artikel 22 van het ontwerp Vlaamse Codex Overheidsfinanciën.Het verdient derhalve aanbeveling om artikel 8 van het ontwerp te redigeren als volgt: "Vereffeningskredieten kunnen overeenkomstig artikel 22 van de codex binnen en over de programma's heen worden herverdeeld bij besluit van de inhoudelijk bevoegde minister." Artikel 14
  8. In artikel 14 van het ontwerp wordt melding gemaakt van "[a]lle beslissingen tot herverdeling als vermeld in artikel 12, eerste lid". Vraag is of die verwijzing niet te beperkt is en er niet tevens van de aanpassing van de begroting, bedoeld in artikel 13 van het ontwerp, melding moet worden gemaakt. Hierover om nadere toelichting verzocht, deelde de gemachtigde het volgende mee: "De kennisgeving van de herverdelingen of de aanpassingen aan de begroting verloopt door de bekendmaking van de besluiten/beslissingen op de website van het Departement FB (artikel 27 van het voorontwerp van de codex). Artikel 14 geeft concrete uitvoering aan artikel 27 door te bepalen wanneer entiteiten hun besluiten moeten overmaken aan het Departement FB voor die publicatie. Het niet opnemen van de besluiten tot aanpassingen van de begrotingen in artikel 14 is een materiële vergissing. Ook de aanpassingen van de begrotingen van de rechtspersonen die onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan moeten bezorgd worden voor bekendmaking op de website." De redactie van artikel 14 van het ontwerp zal moeten worden aangepast in het licht van de door de gemachtigde verstrekte toelichting. Artikel 15
  9. Met betrekking tot het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van het ontwerp, kan worden verwezen naar de opmerking die onder randnummer 10 van advies 64.849/1 van de Raad van State, afdeling Wetgeving, is gemaakt bij het bepaalde in artikel 28, tweede lid, van het voorontwerp van decreet `houdende de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën' en waarin er wordt op gewezen dat de Vlaamse overheid er in artikel 5, eerste lid, van de algemenebepalingenwet
(3)toe wordt verplicht om een algemene boekhouding te voeren op basis van een genormaliseerd boekhoudplan dat bij een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit wordt vastgesteld na advies van de regeringen van de betrokken deelentiteiten, en dat het bepaalde in artikel 28, tweede lid, van het voornoemde voorontwerp van decreet, hiermee niet in overeenstemming is. Artikel 18
  1. In artikel 18, § 2, tweede lid, van het ontwerp, wordt bepaald dat, in afwijking van paragraaf 1, tweede lid, 4°, van hetzelfde artikel, een toewijzing aan of een opname uit een reservefonds aangerekend wordt op een vastleggings- en vereffeningskrediet.Het is niet op het eerste gezicht duidelijk op welke wijze zowel een toewijzing aan als een opname uit een reservefonds kunnen leiden tot een aanrekening op kredieten die betrekking hebben op verbintenissen of uitgaven. Hierover om nadere uitleg verzocht, deelde de gemachtigde het volgende mee: "Het betreft hier inderdaad een materiële vergissing. Een toewijzing aan een reservefonds gaat gepaard met een aanrekening op een vastleggings- of vereffeningskrediet. Een opname uit een reservefonds gaat gepaard met een aanrekening als een ontvangst." De redactie van artikel 18, § 2, tweede lid, van het ontwerp, dient te worden gecorrigeerd in het licht van de door de gemachtigde verstrekte uitleg. Artikel 19
  2. Wat de verwijzing betreft naar "het bedrag, vermeld in artikel 92, eerste lid, van de wet van 17 juni 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/06/2016 pub. 14/07/2016 numac 2016021052 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet betreffende de concessieovereenkomsten type wet prom. 17/06/2016 pub. 14/07/2016 numac 2016021053 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet inzake overheidsopdrachten sluiten inzake overheidsopdrachten" in artikel 19, derde lid, van het ontwerp, wordt verwezen naar hetgeen in advies 64.849/1 onder randnummer 16 is opgemerkt bij een gelijkaardige verwijzing in artikel 77, eerste lid, van het ontwerp Vlaamse Codex Overheidsfinanciën. Artikel 38
  3. In artikel 38, tweede lid, van het ontwerp, wordt bepaald dat de Vlaamse Regering op voorstel van de beleidscoördinator kan beslissen een inspecteur van Financiën die deel uitmaakt van de ter beschikking gestelde leden tijdelijk te ontheffen van de opvolging van de hem toegewezen beleidssector om hem te belasten met "andere taken". In het verslag aan de Vlaamse Regering wordt met betrekking tot deze bepaling verduidelijkt dat het om een herneming gaat van hetgeen nu al is vervat in artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3 `houdende regeling van de begrotingscontrole en -opmaak'. In de laatstgenoemde bepaling wordt inderdaad in de mogelijkheid voorzien van een ontheffing van de toegewezen beleidssector, maar dit gebeurt om de betrokken inspecteur van Financiën te belasten "met andere taken in het kader van het algemeen begrotingsbeleid". Teneinde er geen twijfel over te laten bestaan dat het bepaalde in artikel 38, tweede lid, van het ontwerp, verenigbaar blijft met de regeling die met betrekking tot de inspecteurs van Financiën en hun opdrachten is vervat in artikel 51 van de bijzondere wet van 16 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/01

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.