Koninklijk besluit betreffende het prudentiële toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening
Kort samengevat
Dit Koninklijk Besluit regelt het prudentieel toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBP's) en dient ter uitvoering van de wet van 27 oktober 2006 en de omzetting van een Europese Richtlijn. Het stelt regels vast voor de werking, het beheer en de solvabiliteit van deze instellingen.
Wat het regelt
- De regels voor de werking en het beheer van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.
- De samenstelling van de raad van bestuur van IBP's.
- De solvabiliteitsmarge voor IBP's.
- De regels voor het bepalen van de voorwaarden waaraan actuarissen moeten voldoen.
Wie het aanbelangt
- Instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBP's) van Belgisch recht, zowel voor hun activiteiten in België als daarbuiten.
- Bijdragende ondernemingen en aangeslotenen van IBP's.
Kernpunten
- Vertegenwoordigers van bijdragende ondernemingen en aangeslotenen moeten de meerderheid vormen in de raad van bestuur van een IBP.
- Statuten of overeenkomsten moeten de regels bepalen voor het vaststellen van het deel van elke onderneming in de IBP en het beheersen van mogelijke conflicten.
- De bepalingen over de solvabiliteitsmarge zijn grotendeels overgenomen uit het Koninklijk Besluit van 7 mei 2000.
- Het besluit herneemt bepalingen uit eerdere Koninklijke Besluiten betreffende de controle van verzekeringsondernemingen en de activiteiten van pensioenkassen en voorzorgsinstellingen.
Wettekst
FEDERALE OVERHEIDSDIENST ECONOMIE, K.M.O., MIDDENSTAND EN ENERGIE (Deze tekst annuleert en vervangt de tekst gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 23 januari 2007, op bladzijde 2972 tot en met 2983.) 12 JANUARI 2007. - Koninklijk besluit betreffende het prudentiële toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van koninklijk besluit dat wij de eer hebben voor te leggen aan Uwe Majesteit dient tot uitvoering van de wet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/10/2006 pub. 10/11/2006 numac 2006023149 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Wet betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen type wet prom. 27/10/2006 pub. 05/02/2014 numac 2014000030 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 27/10/2006 pub. 07/08/2015 numac 2015000406 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. Het is ook bedoeld om de omzetting te vervolledigen van de Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni betreffende de werkzaamheden van het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (hierna de richtlijn genoemd). Voorliggend besluit behelst de regels van prudentiële aard die op de IBP's van toepassing zullen zijn. Alhoewel het een nieuwe tekst is, herneemt hij een aantal bepalingen die nu in verschillende reglementaire teksten staan. In hoofdzaak gaat het over : - het koninklijk besluit van 22 november 1994 houdende uitvoering van artikel 40bis van de wet van 9 juli 1975Relevante gevonden documenten type wet prom. 09/07/1975 pub. 23/10/2015 numac 2015000557 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de controle der verzekeringsondernemingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 09/07/1975 pub. 24/12/2014 numac 2014000890 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de controle der verzekeringsondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de controle der verzekeringsondernemingen met betrekking tot het bepalen van de voorwaarden waaraan de actuarissen moeten voldoen; - het koninklijk besluit van van 5 april 1995 betreffende de activiteiten van de pensioenkassen bedoeld in artikel 2, § 3, 4°, van de wet van 9 juli 1975Relevante gevonden documenten type wet prom. 09/07/1975 pub. 23/10/2015 numac 2015000557 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de controle der verzekeringsondernemingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 09/07/1975 pub. 24/12/2014 numac 2014000890 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de controle der verzekeringsondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de controle der verzekeringsondernemingen; - het koninklijk besluit van 7 mei 2000Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 01/07/2000 numac 2000011238 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit betreffende de activiteiten van de voorzorgsinstellingen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 06/07/2000 numac 2000011237 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 mei 1985 tot toepassing op de private voorzorgsinstellingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 26/09/2000 numac 2000012370 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 3 maart 1999, gesloten in het Paritair Comité voor de scheikundige nijverheid, betreffende het minimumuurloon type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 08/09/2000 numac 2000012369 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 21 december 1998, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer, betreffende de invoering van educatief verlof in de verhuisondernemingen, meubelbewaring en hun aanverwante activiteiten type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 06/04/2001 numac 2000012372 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 4 mei 1999, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid, betreffende coördinatie van het statuut van de syndicale afvaardigingen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 05/09/2000 numac 2000012376 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 april 1999, gesloten in het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf, betreffende de organisatie van de arbeidsduurregeling van 39 uren per week type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 18/08/2000 numac 2000012373 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 december 1998, gesloten in het Paritair Comité voor het hotelbedrijf, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 1 van 25 juni 1997, gesloten in uitvoering van het protocolakkoord van 14 mei 1997 - invoering van een nieuwe functieclassificatie en tot vaststelling van de minimumlonen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 05/10/2000 numac 2000012374 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 26 mei 1997, gesloten in het Paritair Subcomité voor de haven van Antwerpen, "Nationaal Paritair Comité der haven van Antwerpen" genaamd, tot wijziging van de statuten van het "Compensatiefonds voor bestaanszekerheid, Haven van Antwerpen" type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 01/09/2000 numac 2000012371 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 juni 1999, gesloten in het Paritair Subcomité voor het bedrijf der marmergroeven en -zagerijen op het gehele grondgebied van het Rijk, tot verlenging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 7 mei 1984, betreffende de vermindering van de arbeidsduur in de ondernemingen der marmergroeven en -zagerijen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011236 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 105 tot 113 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 29/08/2000 numac 2000022431 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot goedkeuring van de statuten van het Fonds voor Dringende Geneeskundige Hulpverlening type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011234 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 19, 20, 28, 31, 34 en 74 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 23/06/2000 numac 2000007140 bron ministerie van landsverdediging Koninklijk besluit tot wijziging van diverse koninklijke besluiten betreffende de medische geschiktheid van de militairen voor bepaalde functies en hun medisch geschiktheidsprofiel type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011235 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 198, 199, 207, 210, 214, 239, 240, 242, 249 en 251 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011233 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 29, 30, 49, 50, 51, 62, 65, 66, 67, 86, 215, 221, 227, 233, 234 en 242 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties sluiten betreffende de activiteiten van de voorzorgsinstellingen; - het koninklijk besluit van 25 maart 2004Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 25/03/2004 pub. 26/04/2004 numac 2004011179 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit tot vaststelling van de nadere regels inzake het beheer en de werking van voorzorgsinstellingen die werden opgericht door meerdere private ondernemingen of meerdere publiekrechtelijke rechtspersonen of krachtens een sectorale collectieve arbeidsovereenkomst sluiten tot vaststelling van de nadere regels inzake het beheer en de werking van voorzorgsinstellingen die werden opgericht door meerdere private ondernemingen of meerdere publiekrechtelijke rechtspersonen of krachtens een sectorale collectieve arbeidsovereenkomst. Voorliggend besluit is enkel van toepassing op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening van Belgisch recht voor hun activiteiten zowel in België als buiten België. De voornaamste bepalingen zijn de volgende. Werkings- en beheersregels (Hoofdstuk II, artikelen 4 tot 7) Dit hoofdstuk herneemt de regels van het koninklijk besluit van 25 maart 2004Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 25/03/2004 pub. 26/04/2004 numac 2004011179 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit tot vaststelling van de nadere regels inzake het beheer en de werking van voorzorgsinstellingen die werden opgericht door meerdere private ondernemingen of meerdere publiekrechtelijke rechtspersonen of krachtens een sectorale collectieve arbeidsovereenkomst sluiten, het zogenaamde « KB meerdere werkgevers ». Het legt op dat de vertegenwoordigers van de bijdragende ondernemingen en de aangeslotenen de meerderheid vormen van de raad van bestuur van de IBP om te voorkomen dat deze zich zou omvormen tot een commerciële onderneming. Verder moeten de statuten of een overeenkomst tussen de IBP en de betrokken bijdragende ondernemingen verschillende regels bepalen die moeten toelaten het deel van elke onderneming in de IBP vast te stellen en verschillende mogelijke conflicten te beheersen die zouden kunnen ontstaan naar aanleiding van het beheer van de pensioenregelingen. Solvabiliteitsmarge (Hoofdstuk III, artikelen 8 tot 11) De bepalingen van het ontwep zijn voor de activiteiten van de vroegere voorzorgsinstellingen zonder veel wijzigingen overgenomen uit het koninklijk besluit van 7 mei 2000Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 01/07/2000 numac 2000011238 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit betreffende de activiteiten van de voorzorgsinstellingen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 06/07/2000 numac 2000011237 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 mei 1985 tot toepassing op de private voorzorgsinstellingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 26/09/2000 numac 2000012370 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 3 maart 1999, gesloten in het Paritair Comité voor de scheikundige nijverheid, betreffende het minimumuurloon type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 08/09/2000 numac 2000012369 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 21 december 1998, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer, betreffende de invoering van educatief verlof in de verhuisondernemingen, meubelbewaring en hun aanverwante activiteiten type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 06/04/2001 numac 2000012372 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 4 mei 1999, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid, betreffende coördinatie van het statuut van de syndicale afvaardigingen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 05/09/2000 numac 2000012376 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 april 1999, gesloten in het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf, betreffende de organisatie van de arbeidsduurregeling van 39 uren per week type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 18/08/2000 numac 2000012373 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 december 1998, gesloten in het Paritair Comité voor het hotelbedrijf, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 1 van 25 juni 1997, gesloten in uitvoering van het protocolakkoord van 14 mei 1997 - invoering van een nieuwe functieclassificatie en tot vaststelling van de minimumlonen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 05/10/2000 numac 2000012374 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 26 mei 1997, gesloten in het Paritair Subcomité voor de haven van Antwerpen, "Nationaal Paritair Comité der haven van Antwerpen" genaamd, tot wijziging van de statuten van het "Compensatiefonds voor bestaanszekerheid, Haven van Antwerpen" type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 01/09/2000 numac 2000012371 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 juni 1999, gesloten in het Paritair Subcomité voor het bedrijf der marmergroeven en -zagerijen op het gehele grondgebied van het Rijk, tot verlenging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 7 mei 1984, betreffende de vermindering van de arbeidsduur in de ondernemingen der marmergroeven en -zagerijen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011236 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 105 tot 113 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 29/08/2000 numac 2000022431 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot goedkeuring van de statuten van het Fonds voor Dringende Geneeskundige Hulpverlening type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011234 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 19, 20, 28, 31, 34 en 74 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 23/06/2000 numac 2000007140 bron ministerie van landsverdediging Koninklijk besluit tot wijziging van diverse koninklijke besluiten betreffende de medische geschiktheid van de militairen voor bepaalde functies en hun medisch geschiktheidsprofiel type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011235 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 198, 199, 207, 210, 214, 239, 240, 242, 249 en 251 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011233 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 29, 30, 49, 50, 51, 62, 65, 66, 67, 86, 215, 221, 227, 233, 234 en 242 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties sluiten. Voor de activiteiten van de vroegere pensioenkassen werd inspiratie gezocht in het koninklijk besluit van 5 april 1995 en in de bepalingen die op de verzekeringsondernemingen van toepassing zijn. De aandacht wordt erop gevestigd dat de solvabiliteitsmarge van IBP's met een resultaatsverbintenis niet langer gedefinieerd wordt door te verwijzen naar de bepalingen die van toepassing zijn voor de verzekeringsondernemingen maar rechtstreeks in dit besluit zijn ingeschreven (art. 11). In de praktijk zijn de vereisten gelijkaardig, met name voor wat betreft het absolute minimum van 3.200.000 euro. Technische voorzieningen (Hoofdstuk IV, artikelen 15 tot 19) In dit hoofdstuk worden de regels voor de technische voorzieningen in vergelijking met de voormelde besluiten van 5 april 1995 en 7 mei 2000 volledig herschreven om rekening te houden met de prudente toezichtsprincipes van de richtlijn. Hierbij staan eerder kwalitatieve dan kwantitatieve beperkingen centraal. Deze fundamentele wijziging van benadering zal niet zonder gevolgen blijven voor zowel de gecontroleerde instellingen als de toezichthouder. De instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening zullen aan de toezichthouder moeten aantonen dat zij niet enkel formele regels respecteren maar ook dat zij kwalitatief aan de nieuwe normen voldoen. De aandacht dient er niettemin op gevestigd te worden dat de sociale en arbeidswetgeving bepaalde grenzen kan opleggen, in het bijzonder voor wat betreft de berekening van de minimale voorzieningen. Aldus zullen de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening in België rekening moeten houden met de WAP en de WAPZ en hun uitvoeringsbesluiten voor de Belgische pensioenregelingen en met gelijkaardige bepalingen in de buitenlandse wetgeving voor de pensioenregelingen die aan een andere sociaal of arbeidsrecht dan het Belgische onderworpen zijn. Dekkingswaarden (Hoofdstuk V, artikelen 20 tot 41) Overeenkomstig de richtlijn en de wet moeten de beleggingen gebeuren met de nodige voorzichtigheid. Als gevolg van dat principe werd het merendeel van de kwantitatieve regels van het koninklijk besluit van 7 mei 2000Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 01/07/2000 numac 2000011238 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit betreffende de activiteiten van de voorzorgsinstellingen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 06/07/2000 numac 2000011237 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 mei 1985 tot toepassing op de private voorzorgsinstellingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 26/09/2000 numac 2000012370 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 3 maart 1999, gesloten in het Paritair Comité voor de scheikundige nijverheid, betreffende het minimumuurloon type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 08/09/2000 numac 2000012369 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 21 december 1998, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer, betreffende de invoering van educatief verlof in de verhuisondernemingen, meubelbewaring en hun aanverwante activiteiten type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 06/04/2001 numac 2000012372 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 4 mei 1999, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid, betreffende coördinatie van het statuut van de syndicale afvaardigingen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 05/09/2000 numac 2000012376 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 april 1999, gesloten in het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf, betreffende de organisatie van de arbeidsduurregeling van 39 uren per week type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 18/08/2000 numac 2000012373 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 december 1998, gesloten in het Paritair Comité voor het hotelbedrijf, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 1 van 25 juni 1997, gesloten in uitvoering van het protocolakkoord van 14 mei 1997 - invoering van een nieuwe functieclassificatie en tot vaststelling van de minimumlonen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 05/10/2000 numac 2000012374 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 26 mei 1997, gesloten in het Paritair Subcomité voor de haven van Antwerpen, "Nationaal Paritair Comité der haven van Antwerpen" genaamd, tot wijziging van de statuten van het "Compensatiefonds voor bestaanszekerheid, Haven van Antwerpen" type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 01/09/2000 numac 2000012371 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 juni 1999, gesloten in het Paritair Subcomité voor het bedrijf der marmergroeven en -zagerijen op het gehele grondgebied van het Rijk, tot verlenging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 7 mei 1984, betreffende de vermindering van de arbeidsduur in de ondernemingen der marmergroeven en -zagerijen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011236 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 105 tot 113 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 29/08/2000 numac 2000022431 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot goedkeuring van de statuten van het Fonds voor Dringende Geneeskundige Hulpverlening type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011234 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 19, 20, 28, 31, 34 en 74 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 23/06/2000 numac 2000007140 bron ministerie van landsverdediging Koninklijk besluit tot wijziging van diverse koninklijke besluiten betreffende de medische geschiktheid van de militairen voor bepaalde functies en hun medisch geschiktheidsprofiel type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011235 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 198, 199, 207, 210, 214, 239, 240, 242, 249 en 251 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011233 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 29, 30, 49, 50, 51, 62, 65, 66, 67, 86, 215, 221, 227, 233, 234 en 242 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties sluiten niet hernomen in voorliggend ontwerp, in tegenstelling tot regels betreffende andere materies (categorieën van activa, congruentie, waarderingsregels, spreiding...). Speciale aandacht werd besteed aan afgeleide producten waarvan het gebruik toegelaten is voorzover ze bijdragen aan een beter beheer of aan een vermindering van het risico. Aangewezen actuaris (Hoofdstuk VI, artikelen 42 tot 46) De bepalingen van dit hoofdstuk vinden hun bron in het koninklijk besluit van 22 november 1994 en de mededeling P. 31 van de Controledienst voor de Verzekeringen. Het spreekt voor zich dat de bepalingen van voorliggend besluit en die van dat van 22 november 1994 quasi identiek zijn. Deze tekst houdt rekening met de Bologna-hervorming voor het hoger onderwijs. In tegenstelling tot het koninklijk besluit van 7 mei 2000Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 01/07/2000 numac 2000011238 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit betreffende de activiteiten van de voorzorgsinstellingen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 06/07/2000 numac 2000011237 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 mei 1985 tot toepassing op de private voorzorgsinstellingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 26/09/2000 numac 2000012370 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 3 maart 1999, gesloten in het Paritair Comité voor de scheikundige nijverheid, betreffende het minimumuurloon type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 08/09/2000 numac 2000012369 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 21 december 1998, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer, betreffende de invoering van educatief verlof in de verhuisondernemingen, meubelbewaring en hun aanverwante activiteiten type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 06/04/2001 numac 2000012372 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 4 mei 1999, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid, betreffende coördinatie van het statuut van de syndicale afvaardigingen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 05/09/2000 numac 2000012376 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 april 1999, gesloten in het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf, betreffende de organisatie van de arbeidsduurregeling van 39 uren per week type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 18/08/2000 numac 2000012373 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 december 1998, gesloten in het Paritair Comité voor het hotelbedrijf, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 1 van 25 juni 1997, gesloten in uitvoering van het protocolakkoord van 14 mei 1997 - invoering van een nieuwe functieclassificatie en tot vaststelling van de minimumlonen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 05/10/2000 numac 2000012374 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 26 mei 1997, gesloten in het Paritair Subcomité voor de haven van Antwerpen, "Nationaal Paritair Comité der haven van Antwerpen" genaamd, tot wijziging van de statuten van het "Compensatiefonds voor bestaanszekerheid, Haven van Antwerpen" type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 01/09/2000 numac 2000012371 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 juni 1999, gesloten in het Paritair Subcomité voor het bedrijf der marmergroeven en -zagerijen op het gehele grondgebied van het Rijk, tot verlenging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 7 mei 1984, betreffende de vermindering van de arbeidsduur in de ondernemingen der marmergroeven en -zagerijen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011236 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 105 tot 113 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 29/08/2000 numac 2000022431 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot goedkeuring van de statuten van het Fonds voor Dringende Geneeskundige Hulpverlening type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011234 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 19, 20, 28, 31, 34 en 74 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 23/06/2000 numac 2000007140 bron ministerie van landsverdediging Koninklijk besluit tot wijziging van diverse koninklijke besluiten betreffende de medische geschiktheid van de militairen voor bepaalde functies en hun medisch geschiktheidsprofiel type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011235 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 198, 199, 207, 210, 214, 239, 240, 242, 249 en 251 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011233 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 29, 30, 49, 50, 51, 62, 65, 66, 67, 86, 215, 221, 227, 233, 234 en 242 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties sluiten wordt niet langer in een afzonderlijk hoofdstuk voor de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening met een resultaatsverbintenis voorzien. Dit aparte hoofdstuk had in hoofdzaak de bedoeling de reglementering voor de verzekeringsondernemingen op die voorzorgsinstellingen van toepassing te maken. De richtlijn vereist echter, in heel wat domeinen, zoals de technische voorzieningen en de beleggingsregels, specifieke regels. Daarom wordt nu in elk hoofdstuk telkens verduidelijkt welke regels van toepassing zijn op respectievelijk de instellingen die een resultaatsverbintenis aangaan en die welke een middelverbintenis aangaan. HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Artikel 1 Deze vermelding is opgelegd door artikel 22, § 1, van de richtlijn. Artikel 2 Dit artikel definieert enkele begrippen die gebruikt worden in het besluit. Die definities moeten worden toegevoegd aan de definities van artikel 2 van de wet waarnaar wordt verwezen onder meer voor wat betreft de begrippen Lidstaat en afzonderlijk vermogen. Artikel 3 Voorliggend besluit heeft enkel betrekking op de prudeniële aspecten van het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. In de logica van de wederzijdse erkenning van het toezicht op het niveau van de Europese Economische Ruimte, worden enkel de instellingen naar Belgisch recht bedoeld, of ze nu Belgische of buitenlandse pensioenregelingen beheren. Voorliggend besluit is niet van toepassing op instellingen die afkomstig zijn uit andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte, ook in het geval ze Belgische pensioenstelsels beheren. HOOFDSTUK II. - Werkings- en beheersregels Dit hoofdstuk bepaalt de werkings- en beheersregels, als bedoeld in artikel 79 van de wet, die de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening moet opnemen in haar statuten of in een met de bijdragende onderneming of bijdragende ondernemingen gesloten overeenkomst. Om een goede werking en een goed beheer van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening te verzekeren, wordt een minimaal kader opgelegd. Daarbij wordt aan de partijen de mogelijkheid gelaten om de inhoud van die regels zelf te bepalen. De partijen dienen dus voorafgaandelijk afspraken te maken over een aantal punten die essentieel worden geacht voor de goede werking en het goede beheer van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening. In de meeste gevallen gaat het om de werkings- en beheersregels die waren opgenomen in het voornoemde koninklijk besluit van 25 maart 2004Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 25/03/2004 pub. 26/04/2004 numac 2004011179 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit tot vaststelling van de nadere regels inzake het beheer en de werking van voorzorgsinstellingen die werden opgericht door meerdere private ondernemingen of meerdere publiekrechtelijke rechtspersonen of krachtens een sectorale collectieve arbeidsovereenkomst sluiten thans opgeheven bij voorliggend besluit. De regels van het koninklijk besluit van 25 maart 2004Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 25/03/2004 pub. 26/04/2004 numac 2004011179 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit tot vaststelling van de nadere regels inzake het beheer en de werking van voorzorgsinstellingen die werden opgericht door meerdere private ondernemingen of meerdere publiekrechtelijke rechtspersonen of krachtens een sectorale collectieve arbeidsovereenkomst sluiten die nu in de wet zijn vermeld : verplichting om lid te zijn van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening en samenstelling van de algemene vergadering (zie artikel 14 van de wet) zijn echter niet opgenomen in dit hoofdstuk. Wel werd het nodig geacht sommige van de bestaande beheersregels verder uit te werken en een aantal nieuwe beheersregels toe te voegen. Artikel 4 De bepalingen van dit hoofdstuk betreffen niet alle instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. De instellingen die enkel de activiteiten bedoeld in artikel 55, eerste lid, 2°, beheren, dwz de pensioenregelingen voor zelfstandigen, die nu beheerd worden door de pensioenkassen, zijn uitgesloten van het toepassingsgebied. Hoofdstuk II is dus van toepassing op de pensioenregelingen ten voordele van werknemers, in voorkomend geval de solidariteitsstelsels, bedoeld in artikel 74, § 1, 4° van de wet inbegrepen. Meer in het bijzonder zijn volgende activiteiten bedoeld : 1° het beheer van Belgische pensioenregelingen die bovenwettelijke voordelen inzake pensioen, overlijden, invaliditeit en arbeidsongeschiktheid opbouwen voor het personeel of de leiders van een onderneming (artikel 55, eerste lid, 1°, van de wet dat verwijst naar artikel 74, § 1, 1°, van de wet).2° het beheer van buitenlandse pensioenregelingen, gelijkaardig aan die vermeld onder 1° (artikel 55, eerste lid, 1°, van de wet);3° het beheer van solidariteitsstelsels bedoeld in artikelen 10 en 11 van de WAP (artikel 74, § 1, 4°, van de wet). Om volledig te zijn dient hieraan te worden toegevoegd dat omwille van de artikelen 134 tot 139 van de wet, dit artikel ook betrekking heeft op pensioenregelingen van bepaalde openbare besturen en overheidsbedrijven, het beheer van wettelijke pensioenen inbegrepen. De activiteiten van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening in het kader van pensioenregelingen voor zelfstandigen (artikel 55, eerste lid, 2°, van de wet) worden niet bedoeld, net zoals de instellingen die uitsluitend solidariteitsstelsels (artikel 3, § 2, 2°, van de wet) beheren. Doel van dit hoofdstuk is immers de minimale werkings- en beheersregels te bepalen die de verhoudingen moeten regelen tussen de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening en de bijdragende onderneming. Onder deze laatste term moet worden verstaan de « inrichter » van de pensioenregeling, in de zin van artikel 3, § 1, 5°, van de WAP. In het geval van pensioenregelingen voor zelfstandigen bestaat er echter geen dergelijke « inrichter ». Instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die tegelijkertijd pensioenregelingen voor werknemers en pensioenregelingen voor zelfstandigen beheren, zijn dus maar onderworpen aan de bepalingen van dit hoofdstuk voor wat betreft de activiteiten die zij verrichten in het kader van pensioenregelingen voor werknemers. In tegenstelling tot de bepalingen van het koninklijk besluit van 25 maart 2004Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 25/03/2004 pub. 26/04/2004 numac 2004011179 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit tot vaststelling van de nadere regels inzake het beheer en de werking van voorzorgsinstellingen die werden opgericht door meerdere private ondernemingen of meerdere publiekrechtelijke rechtspersonen of krachtens een sectorale collectieve arbeidsovereenkomst sluiten, die enkel van toepassing waren op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die uit meerdere ondernemingen bestaan (de zogenaamde « multiondernemingenfondsen »), zijn de bepalingen van dit hoofdstuk ook van toepassing op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die een of meer pensioenregelingen beheren voor dezelfde werkgever (de zogenaamde « mono-ondernemingfondsen »). Zoals het besluit van 25 maart 2004 gelden de bepalingen van dit hoofdstuk ook voor de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die belast zijn met het beheer van één of meer sectoriële pensioenregelingen. Dit hoofdstuk regelt de verhouding tussen de inrichter en de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, maar enkel op het stuk van het beheer en de werking van die laatste. Noch de relatie tussen de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening en de aangeslotenen bij de pensioenregeling, noch de relatie tussen de bijdragende ondernemingen en de aangeslotenen worden dus bedoeld. Artikel 5 Dit artikel sluit aan bij artikel 14, § 2, van de wet, dat bepaalt dat elke bijdragende onderneming lid moet zijn van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening. De wetgever heeft willen zorgen dat de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening een emanatie blijft van die bijdragende ondernemingen en willen vermijden dat er een commerciële onderneming van wordt gemaakt, te vergelijken met een verzekeringsonderneming. De aangeslotenen en begunstigden of hun vertegenwoordigers kunnen eveneens lid zijn van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening. In diezelfde geest vervolledigt dit artikel de wettelijke bepalingen voor wat de samenstelling van de raad van bestuur aangaat door het creëren van een nauwe band tussen dat orgaan en de bijdragende onderneming. Dit artikel bepaalt dat de meerderheid van de raad van bestuur van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening moet bestaan uit vertegenwoordigers van de bijdragende ondernemingen en vertegenwoordigers van de aangeslotenen. Dit betekent dat andere personen tot bestuurder kunnen worden benoemd, op voorwaarde dat ze in de minderheid blijven. Om volledig te zijn kan eraan worden herinnerd dat krachtens de artikelen 15 en 23 van de wet, rechtspersonen die zetelen in de algemene vergadering of de raad van bestuur, er vertegenwoordigers moeten aanduiden. De vertegenwoordigers van de aangeslotenen kunnen eveneens zetelen in de raad van bestuur in toepassing van artikel 4 van het ontwerp. Die regel moet in de statuten van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening zijn opgenomen. Artikel 6 Dit artikel betreft de minimale beheersregels die elke instelling voor bedrijfspensioenvoorziening - of het nu om een mono-onderneming-, multiondernemingen-, monosectorieel of multisectorieel fonds gaat - moet vastleggen. Die regels moeten worden vastgesteld in de statuten van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening of in een overeenkomst tussen de instelling en één of meer bijdragende ondernemingen, lid van de instelling. De regels in kwestie moeten minstens de volgende hierna toegelichte punten bevatten : 1° Het beheer van de activa Hier worden de regels bedoeld die de vorm van het beheer van de activa bepalen. De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening heeft de keuze tussen een globaal beheer (op het niveau van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening) en een gesplitst beheer (per bijdragende onderneming, per pensioenregeling, per afzonderlijk vermogen...). 2° Toerekening aan de afzonderlijk vermogens Het begrip afzonderlijk vermogen wordt gedefinieerd in artikel 2, eerste lid, 15°, van de wet, terwijl de verplichtingen aangaande hun instelling het voorwerp uitmaken van artikel 80 van de wet.Er kan in het bijzonder herinnerd worden aan de regel van artikel 80, § 3, van de wet, die oplegt dat elke verbintenis of verrichting ten aanzien van de tegenpartij op niet mis te verstane wijze wordt toegerekend aan een of meerdere afzonderlijke vermogens. Het punt 2° van artikel 6 vraagt dat de toerekeningsregels zouden beschreven worden in de statuten of de overeenkomst bedoeld in artikel 79 van de wet. Het spreekt voor zich dat wanneer een verrichting uitsluitend betrekking heeft op één van de afzonderlijke vermogens (b.v. het honorarium van de advocaat die het pensioenreglement van de pensioenregeling waarop het bedoelde afzonderlijk vermogen betrekking heeft), deze regel geen problemen stelt. Wanneer daarentegen de verrichting betrekking heeft op meerdere afzonderlijke vermogens (b.v. het ereloon van een erkend commissaris), zal de instelling in een regel moeten voorzien die toelaat die kosten te verdelen onder de betrokken afzonderlijke vermogens. Aan de instellingen wordt hier de grootste vrijheid geboden. 3° Financieringsverzuim Er wordt gevraagd de procedure en de maatregelen te bepalen die toegepast worden wanneer een bijdragende onderneming de bijdragen ter financiering van haar verbintenissen verzuimt te betalen. Er kan bijvoorbeeld een procedure van ingebrekestelling worden ingesteld, er kunnen nalatigheidsinteresten worden aangerekend... In het geval van « multiondernemingen » instellingen is het ook aangewezen te bepalen of de lasten van de in gebreke blijvende onderneming verdeeld worden onder de andere ondernemingen, leden van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening of dat enkel de pensioenregeling van de in gebreke blijvende onderneming de gevolgen van het tekort draagt. De regels waarvan sprake hebben enkel betrekking op de relatie tussen de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening en de bijdragende onderneming(en). De bepalingen m.b.t. de aangeslotenen en de begunstigden bevinden zich in de sociale wetgeving en reglementering. 4° Terugtrekking van een bijdragende onderneming Hier worden de regels bedoeld die moeten worden gevolgd wanneer een bijdragende onderneming de uitvoering van haar pensioenregeling(
- en)of van een deel ervan niet langer aan de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening toevertrouwt. In dit verband dient eraan herinnerd te worden dat artikel 14, § 2, van de wet bepaalt dat de bijdragende onderneming lid moet zijn van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening zolang zij belast is met het beheer van één van haar pensioenregelingen. De bijdragende onderneming kan voor de toekomst van financieringsinstrument veranderen maar het beheer van haar pensioenregeling voor het verleden aan de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening blijven overlaten. In dat geval, in toepassing van het voornoemde artikel 14, § 2, moet de onderneming lid van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening blijven maar er kan worden voorzien in een verlaging van de beheerskosten. De bijdragende onderneming kan ook van financieringsinstrument veranderen voor het verleden en de reserves overdragen naar een andere financieringsinstrument. In dat geval moet gepreciseerd worden of er een vergoeding is verschuldigd voor de kosten van desinvestering van de dekkingswaarden, of er boetes worden opgelegd en hoe die vergoeding en die boetes worden berekend. In dit verband dient eraan herinnerd te worden dat hoofdstuk VI van de WAP bepaalt dat geen enkele vergoeding of verlies van winstdelingen ten laste mag worden gelegd van de aangeslotenen, of van de op het ogenblik van de overdracht verworven reserves worden afgetrokken. Daarenboven dienen de in dat hoofdstuk voorschreven inspraakprocedures te worden gevolgd. 5° Betwistingen over de werkings- en beheersregels Om te vermijden dat het beheer van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening wordt lamgelegd, moet een procedure worden vastgesteld voor het geval er zich een geschil voordoet over de toepassing of de interpretatie van de beheersregels. De regels moeten met de nodige precisie worden beschreven om te vermijden dat ze zelf op het moment van hun toepassing het voorwerp van betwisting zouden uitmaken. Indien er b.v. in arbitrage wordt voorzien, moeten de wijze van benoeming van de arbiters, de termijnen, de beroepsmogelijkheden, enz. worden beschreven. 6° De wijziging of de opzegging van de beheersovereenkomst Wanneer de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening een overeenkomst heeft gesloten met de bijdragende onderneming of bijdragende ondernemingen, moet die overeenkomst vermelden welke procedure van toepassing is voor de wijziging ervan (bevoegd orgaan, na te leven formaliteiten, quorum... ). In het geval die regels in de statuten staan, volstaat een eenvoudige verwijzing ernaar. Nogmaals, om betwistingen te vermijden is het aan te bevelen dat die procedure zou nauwkeurig mogelijk wordt beschreven. Artikel 7 Dit artikel betreft de beheersregels die de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die uit verschillende bijdragende ondernemingen bestaan, moeten vaststellen naast de beheersregels die zijn opgesomd in artikel 6. Die regels moeten worden opgenomen in de statuten van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening of in een overeenkomst tussen de instelling en de bijdragende ondernemingen die lid zijn van de instelling of er lid van zullen worden. De regels waarvan sprake moeten minstens de hierna opgesomde en toegelichte punten beogen. 1° De omvang van de solidariteit tussen de bijdragende ondernemingen De statuten of de overeenkomst moeten vermelden of er al dan niet solidariteit is tussen de bijdragende ondernemingen, en indien wel, de omvang ervan. Hiermee wordt de solidariteit bedoeld in de zin van de artikelen 1200 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, en niet de solidariteit bedoeld in hoofdstuk IX van de WAP. Die solidariteit heeft enkel betrekking op de bijdragende ondernemingen in hun relatie met de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, voor wat betreft onder andere de financiering van de pensioenregelingen en de verdeling van de kosten, van welke aard ook. Ze heeft geen betrekking op de relatie tussen enerzijds de aangeslotenen en de begunstigden en anderzijds de instelling of de bijdragende ondernemingen. Indien er solidariteit is, dient uitdrukkelijk te worden vermeld in welke gevallen die solidariteit speelt (bijvoorbeeld wanneer een bijdragende onderneming verzuimt haar verbintenissen te financieren), op welk niveau zij speelt (bijvoorbeeld voor de solvabiliteitsmarge), en, in voorkomend geval, binnen welke grenzen zij speelt (bijvoorbeeld ten belope van een bepaald bedrag). Wanneer noch de statuten noch de beheersovereenkomst regels bevatten die de solidariteit tussen de bijdragende ondernemingen uitsluiten of beperken, mag men er volgens artikel 7, tweede lid, van uitgaan dat de solidariteit ten volle speelt. 2° Het deel van elke bijdragende onderneming in de IBP De regels die toelaten op elk ogenblik het deel van elke bijdragende onderneming in de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening te bepalen, moeten worden vastgesteld. Indien er een regel wordt vastgesteld die inhoudt dat de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening een beroep doet op de diensten van de aangewezen actuaris om het deel van elke bijdragende onderneming te bepalen, moeten de door de actuaris toe te passen regels op voorhand zijn vastgelegd in de statuten of in een overeenkomst. Het is noodzakelijk dat het deel van elke bijdragende onderneming in de gevormde voorzieningen en in de eventuele surplussen kan worden berekend. Dit houdt geen individualisering van de dekkingswaarden zelf in, zelfs al kan daarin worden voorzien. Overigens moet er bij het vaststellen van die regels rekening worden gehouden met het eventuele bestaan van een solvabiliteitsmarge (zie Hoofdstuk III). De beheersregels moeten zo zijn opgesteld dat ze garanderen dat de solvabiliteitsmarge op elk moment samengesteld is of blijft met naleving van de prudentiële regels terzake. 3° De verdeling van de beheers- en werkingskosten Er wordt gevraagd de regels vast te leggen voor de verdeling van de beheerskosten en de werkingskosten onder de verschillende bijdragende ondernemingen die lid zijn van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening. Hiermee worden onder meer bedoeld de kosten voor de oprichting van het organisme voor de financiering van pensioenen, de kosten voor het beheer van de activa, het ereloon van de actuaris en de bezoldiging van de erkende commissaris. In het geval van een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening die belast is met het beheer van multisectoriële pensioenregelingen, kunnen de beheers- en werkingskosten worden verdeeld onder de werkgevers of op een andere wijze worden betaald, bijvoorbeeld via een fonds voor bestaanszekerheid. HOOFDSTUK III. - Solvabiliteitsmarge Dit hoofdstuk bepaalt, in uitvoering van artikel 87 en 88 van de wet, de wijze van berekening van de solvabiliteitsmarge van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. Om na te gaan of een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening voldoet aan de wettelijke en reglementaire vereisten inzake solvabiliteitsmarge moet er een dubbele controle worden uitgevoerd. Eerst dient de marge berekend te worden waarover de instelling moet beschikken. Met deze eerste controle wordt een theoretisch bedrag bekomen, « de samen te stellen solvabiliteitsmarge » genaamd, en die afhankelijk is van het type van activiteiten, die de instelling uitoefent. Dit maakt het voorwerp uit van de de eerste afdeling van dit hoofdstuk. In een tweede fase dient nagekeken te worden of de instelling wel degelijk beschikt over wat « de samengestelde marge » wordt genoemd,d.w.z. over een bedrag dat minstens gelijk is aan datgene dat werd berekend tijdens de eerste controle. Dit is het voorwerp van Afdeling II van dit hoofdstuk. Voor de instellingen met een resultaatsverbintenis wordt ook het absoluut minimum bepaald. Afdeling I. - Samen te stellen solvabiliteitsmarge door de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die middelverbintenissen aangaan Deze Afdeling maakt, overeenkomstig de wet, een onderscheid tussen de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die pensioenstelsels beheren zoals bedoeld in artikel 55, eerste lid, respectievelijk 1° en 2° van de wet. Voor wat de activiteiten bedoeld in artikel 55, eerste lid, 1°, van de wet aangaat, te weten de activiteiten van de huidige voorzorgsinstellingen of pensioenfondsen, moeten de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die een middelverbintenis aangaan, enkel voor de risico's overlijden, invaliditeit en arbeidsongeschiktheid een solvabiliteitsmarge samenstellen. Die bepalingen bevinden zich in artikel 9. Voor wat de activiteiten bedoeld in artikel 55, eerste lid, 2°, van de wet aangaat, te weten de activiteiten van de huidige pensioenkassen, moeten de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die een middelverbintenis aangaan, een solvabiliteitsmarge voor het geheel van hun activiteiten samenstellen. Die bepalingen bevinden zich in artikelen 10 en 11. Artikel 8 Wanneer een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening tegelijk activiteiten van de huidige voorzorgsinstellingen en van de huidige pensioenkassen uitoefenen, is haar solvabiliteitsmarge gelijk aan de som van de bedragen die voortvloeien uit de gezamenlijke toepassing van de artikelen 9 tot 11. Artikel 9 Dit artikel bepaalt de berekening van de samen te stellen solvabiliteitsmarge door de instellingen die middelverbintenissen aangaan voor wat de pensioenregelingen als bedoeld in artikel 55, eerste lid 1°, van de wet betreft. Deze berekening ondergaat slechts kleine aanpassingen in vergelijking met de bepalingen van het koninklijk besluit van 7 mei 2000Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 01/07/2000 numac 2000011238 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit betreffende de activiteiten van de voorzorgsinstellingen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 06/07/2000 numac 2000011237 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 mei 1985 tot toepassing op de private voorzorgsinstellingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 26/09/2000 numac 2000012370 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 3 maart 1999, gesloten in het Paritair Comité voor de scheikundige nijverheid, betreffende het minimumuurloon type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 08/09/2000 numac 2000012369 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 21 december 1998, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer, betreffende de invoering van educatief verlof in de verhuisondernemingen, meubelbewaring en hun aanverwante activiteiten type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 06/04/2001 numac 2000012372 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 4 mei 1999, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid, betreffende coördinatie van het statuut van de syndicale afvaardigingen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 05/09/2000 numac 2000012376 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 april 1999, gesloten in het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf, betreffende de organisatie van de arbeidsduurregeling van 39 uren per week type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 18/08/2000 numac 2000012373 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 december 1998, gesloten in het Paritair Comité voor het hotelbedrijf, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 1 van 25 juni 1997, gesloten in uitvoering van het protocolakkoord van 14 mei 1997 - invoering van een nieuwe functieclassificatie en tot vaststelling van de minimumlonen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 05/10/2000 numac 2000012374 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 26 mei 1997, gesloten in het Paritair Subcomité voor de haven van Antwerpen, "Nationaal Paritair Comité der haven van Antwerpen" genaamd, tot wijziging van de statuten van het "Compensatiefonds voor bestaanszekerheid, Haven van Antwerpen" type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 01/09/2000 numac 2000012371 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 juni 1999, gesloten in het Paritair Subcomité voor het bedrijf der marmergroeven en -zagerijen op het gehele grondgebied van het Rijk, tot verlenging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 7 mei 1984, betreffende de vermindering van de arbeidsduur in de ondernemingen der marmergroeven en -zagerijen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011236 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 105 tot 113 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 29/08/2000 numac 2000022431 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot goedkeuring van de statuten van het Fonds voor Dringende Geneeskundige Hulpverlening type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011234 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 19, 20, 28, 31, 34 en 74 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 23/06/2000 numac 2000007140 bron ministerie van landsverdediging Koninklijk besluit tot wijziging van diverse koninklijke besluiten betreffende de medische geschiktheid van de militairen voor bepaalde functies en hun medisch geschiktheidsprofiel type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011235 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 198, 199, 207, 210, 214, 239, 240, 242, 249 en 251 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011233 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 29, 30, 49, 50, 51, 62, 65, 66, 67, 86, 215, 221, 227, 233, 234 en 242 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties sluiten betreffende de activiteiten van de voorzorgsinstellingen. Voor de activiteiten bedoeld in dit artikel wordt de berekening van de samen te stellen solvabiliteitsmarge in vier bewerkingen onderverdeeld, die het voorwerp van de eerste paragraaf uitmaken. De eerste bewerking bestaat erin dat de som van drie elementen wordt gemaakt.
- a)Het eerste element wordt bekomen door het hoogste onder de risico-, invaliditeits- en arbeidsongeschiktheidskapitalen van alle aangeslotenen, beperkt tot 30.000 euro, te vermenigvuldigigen met tien. In vergelijking met de huidige reglementering werd het hierboven bedoelde bedrag van 25.000 op 30.000 euro gebracht. Het bedrag was immers ongewijzigd gebleven sinds de invoering van het toezicht op de voorzorgsinstellingen in 1986.
- b)Het tweede element is de som van de vijf hoogste kapitalen onder de risico- en invaliditeits- en de arbeidsongeschiktheidskapitalen.In vergelijking met de huidige reglementering wordt verduidelijkt dat voor eenzelfde aangeslotene het hoogste onder zijn risico-, invaliditeits- en arbeidsongeschiktheidskapitaal in aanmerking wordt genomen. Deze werkwijze, die nu ook al werd aanvaard, steunt op het feit dat een aangeslotene zich slechts in één van de vermelde toestanden kan bevinden. Het volstaat dan ook het hoogste kapitaal te nemen.
- c)Voor het berekenen van het derde element neemt men eerst, voor elke aangeslotene afzonderlijk, het hoogste onder het risico-, het arbeidsongeschiktheids- en het invaliditeitskapitaal.Vervolgens maakt men de som van het hoogste kapitaal van elke aangeslotene en vermenigvuldigt men die som met 0,001 (één per duizend). Het resultaat van de tweede bewerking wordt op dezelfde wijze bekomen als onder punt
- c)van de eerste bewerking maar zonder de vermenigvuldiging. Bij de derde bewerking neemt men het kleinste resultaat van de eerste en tweede bewerking De vierde bewerking laat toe rekening te houden met de overdracht van risico's aan een verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Vergeleken met de vorige reglementering is het principe ongewijzigd gebleven : de samen te stellen marge moet maar berekend worden in verhouding tot de risico's die na verzekering of herverzekering ten laste van de instelling zijn gebleven. Het deel dat ten laste blijft van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening houdt rekening met drie regels die elk in een afzonderlijk punt van 4° worden behandeld. Als algemene regel (punt
- a)is de breuk de verhouding tussen de risico-, de invaliditeits- en de arbeidsongeschiktheidskapitalen waarvan de risico's zijn overgedragen naar een verzekeraar of herverzekeraar en het geheel van die bruto kapitalen, dwz zonder rekening te houden met de overdracht van risico's. In vergelijking met de huidige reglementering maakt het artikel een onderscheid tussen de risico's die worden overgedragen naar een verzekeraar in een verzekeringscontract en die afgestaan aan een herverzekeraar in een herverzekeringsovereenkomst. Zo houdt het artikel reeds rekening met de Richtlijn 2005/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2005 betreffende herverzekering en houdende wijziging van Richtlijnen 73/239/EEG en 92/49/EEG van de Raad en van Richtlijnen 98/78/EG en 2002/83/EG die in een prudentieel toezicht voorziet op de herverzekeraars die gevestigd zijn in de Europese Economische Ruimte. Punt
- b)heeft betrekking op niet-proportionele herverzekeringsovereenkomsten voor dewelke het niet mogelijk is een breuk zoals bedoeld in punt
- a)te berekenen. In zo'n geval kan de instelling ofwel geen rekening houden met die herverzekering, ofwel een breuk nemen die ze gerechtvaardigd acht rekening houdend met de afgestane en niet-afgestane risico's. De CBFA kan de voorgestelde breuk weigeren wanneer ze meent dat een voldoende verantwoording ontbreekt. Punt
- c)beperkt de breuk berekend overeenkomstig de punten
- a)en b). Zoals het geval is in de huidige reglementering, wordt die beperking vastgesteld op 0,50, d.w.z. het beroep doen op een verzekering of herverzekering kan de marge slechts voor de helft doen verminderen. Die beperking is evenwel niet van toepassing wanneer de verzekeraar of herverzekeraar toegelaten is in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte. In de huidige reglementering bestaat die mogelijkheid enkel voor de verzekeraars. Ze werd uitgebreid tot de herverzekeraars van de Europese Economische Ruimte om, zoals hierboven reeds werd aangegeven, rekening te houden met het prudentieel toezicht dat de Richtijn 2005/68/EG invoert. Die tweede mogelijkheid heeft echter pas uitwerking wanneer de herverzekeraars uit de Europese Economische Ruimte zullen kunnen worden toegelaten door de bevoegde autoriteiten van hun Lidstaat van herkomst (zie in dat verband de overgangsbepaling van artikel 50). De beslissing van de CBFA, bedoeld in § 2, tweede lid situeert zich binnen de normale rol van de CBFA als prudentieel toezichthouder. Het gaat over een toezicht op een technische materie, die daarenboven afhangt van de bijzondere situatie van elke IBP. Deze bepaling was ook al opgenomen in artikel 5 van het koninklijk besluit van 7 mei 2000Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 01/07/2000 numac 2000011238 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit betreffende de activiteiten van de voorzorgsinstellingen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 06/07/2000 numac 2000011237 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 mei 1985 tot toepassing op de private voorzorgsinstellingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 26/09/2000 numac 2000012370 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 3 maart 1999, gesloten in het Paritair Comité voor de scheikundige nijverheid, betreffende het minimumuurloon type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 08/09/2000 numac 2000012369 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 21 december 1998, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer, betreffende de invoering van educatief verlof in de verhuisondernemingen, meubelbewaring en hun aanverwante activiteiten type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 06/04/2001 numac 2000012372 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 4 mei 1999, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid, betreffende coördinatie van het statuut van de syndicale afvaardigingen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 05/09/2000 numac 2000012376 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 april 1999, gesloten in het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf, betreffende de organisatie van de arbeidsduurregeling van 39 uren per week type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 18/08/2000 numac 2000012373 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 december 1998, gesloten in het Paritair Comité voor het hotelbedrijf, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 1 van 25 juni 1997, gesloten in uitvoering van het protocolakkoord van 14 mei 1997 - invoering van een nieuwe functieclassificatie en tot vaststelling van de minimumlonen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 05/10/2000 numac 2000012374 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 26 mei 1997, gesloten in het Paritair Subcomité voor de haven van Antwerpen, "Nationaal Paritair Comité der haven van Antwerpen" genaamd, tot wijziging van de statuten van het "Compensatiefonds voor bestaanszekerheid, Haven van Antwerpen" type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 01/09/2000 numac 2000012371 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 juni 1999, gesloten in het Paritair Subcomité voor het bedrijf der marmergroeven en -zagerijen op het gehele grondgebied van het Rijk, tot verlenging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 7 mei 1984, betreffende de vermindering van de arbeidsduur in de ondernemingen der marmergroeven en -zagerijen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011236 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 105 tot 113 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 29/08/2000 numac 2000022431 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot goedkeuring van de statuten van het Fonds voor Dringende Geneeskundige Hulpverlening type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011234 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 19, 20, 28, 31, 34 en 74 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 23/06/2000 numac 2000007140 bron ministerie van landsverdediging Koninklijk besluit tot wijziging van diverse koninklijke besluiten betreffende de medische geschiktheid van de militairen voor bepaalde functies en hun medisch geschiktheidsprofiel type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011235 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 198, 199, 207, 210, 214, 239, 240, 242, 249 en 251 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011233 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 29, 30, 49, 50, 51, 62, 65, 66, 67, 86, 215, 221, 227, 233, 234 en 242 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties sluiten betreffende de activiteiten van de voorzorgsinstellingen. Artikel 10 De artikelen 10 en 11 bepalen de berekening van de samen te stellen marge voor de instellingen die de pensioenregelingen, bedoeld in artikel 55, eerste lid, 2°, van de wet, beheren in het kader van een middelverbintenis. Ook deze regels werden niet grondig gewijzigd tegenover het koninklijk besluit van 5 april 1995 tot toepassing van de wet van 9 juli 1975Relevante gevonden documenten type wet prom. 09/07/1975 pub. 23/10/2015 numac 2015000557 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de controle der verzekeringsondernemingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 09/07/1975 pub. 24/12/2014 numac 2014000890 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de controle der verzekeringsondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de controle der verzekeringsondernemingen op de pensioenkassen bedoeld in artikel 2, § 3, 4°, van de voormelde wet. Ze zijn gelijklopend aan de bepalingen inzake de berekeningswijze van de samen te stellen solvabiliteitsmarge voor een levensverzekeringsonderneming. De berekening van de samen te stellen marge maakt een onderscheid tussen enerzijds de uitkeringen bij pensioen en overlijden (artikel 10) en anderzijds de uitkeringen bij invaliditeit en arbeidsongeschiktheid (artikel 11).Het is evident dat de samen te stellen marge gelijk is aan de som van de berekeningen voorzien in die twee artikelen. De samen te stellen marge voor de uitkeringen inzake pensioen en overlijden is gelijk aan de som van twee elementen. Het eerste is een bedrag gelijk aan 4 % van de voorzieningen voor de uitkeringen bij pensionering. Zoals in het geval van artikel 9 wordt er rekening gehouden met de verzekering en herverzekering van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening door te bepalen dat het voormelde bedrag vermenigvuldigd wordt met de verhouding tussen de prestaties die ten laste blijven van de instelling na verzekering of herverzekering en de totale prestaties. Rekening houdend met het hogere risico inherent aan dit type verrichting, mag deze verhouding nooit kleiner zijn dan 85 %. Het tweede element is een bedrag gelijk aan 0,3 % van de niet negatieve risicokapitalen, vermenigvuldigd met de verhouding tussen de risicokapitalen na en voor de overdracht van de risico's aan de verzekeraars of herverzekeraars. Om dezelfde reden als hierboven mag de voormelde verhouding niet lager zijn dan 50 %. Artikel 11 Voor de risico's invaliditeit en arbeidsongeschiktheid wordt het bedrag van de samen te stellen marge bekomen na het uitvoeren van drie bewerkingen. De eerste bestaat erin het maximum te nemen van enerzijds de uitgegeven bijdragen, met inbegrip van bijkomende kosten maar na aftrek van de vernietigde bijdragen (verdwijnen van het risico), en van belastingen en andere sommen, geïnd voor rekening van derden en anderzijds van het bedrag van de verdiende bijdragen. De begrippen uitgegeven bijdragen en verdiende bijdragen komen voort uit de noties uitgegeven premies en verdiende premies, gebruikt in de verzekeringen. De uitgegeven bijdragen zijn die welke worden gefactureerd en, in principe, in de loop van een boekjaar worden geïnd. De verdiende bijdragen zijn die welke overeenstemmen met de risico's van het boekjaar. Die bijdragen worden bekomen door de uitgegeven bijdragen van een boekjaar op twee manieren aan te passen. Enerzijds trekt men er de gedurende het boekjaar geïnde bijdragen af die betrekking hebben op het risico van het volgende boekjaar. Anderzijds telt men er het gedeelte van de gedurende het vorige boekjaar geïnde bijdragen bij die betrekking hebben op het lopende risico. Bijvoorbeeld, wanneer een jaarlijkse bijdrage op 1 april wordt geïnd, wordt van de uitgegeven bijdrage van boekjaar n, 3/12 (dekking van de maanden januari tot maart van het boekjaar n+1) afgetrokken en wordt 3/12 van de tijdens het boekjaar n-1 (stemt overeen met de maanden januari tot maart van boekjaar
- n)bijgeteld. De tweede bewerking bestaat erin om enerzijds 18 % te nemen van de eerste schijf van het bedrag bekomen na de eerste bewerking, geplafonneerd tot 53,1 miljoen euro, en anderzijds 16 % van de schijf van datzelfde bedrag dat 53,1 miljoen euro overschrijdt. Zoals nu reeds voorzien voor de pensioenkassen en de verzekeringsmaatschappijen wordt het bedrag van 53, 1 miljoen euro volgens § 2, aangepast aan de evolutie van de Europese index van de consumptieprijzen. De derde verrichting is nogmaals bedoeld om rekening te houden met de aan verzekeraars en herverzekeraars overgedragen risico's. Men vermenigvuldigt het bedrag bekomen na de tweede operatie met de verhouding tussen enerzijds de prestaties (namelijk de jaarlijkse betalingen) die ten laste blijven van de instelling na overdracht van de risico's aan verzekeraars en herverzekeraars en anderzijds, de totale prestaties vóór die overdrachten. In geen geval mag die verhouding lager liggen dan 50 %. Afdeling II. - Samen te stellen solvabiliteitsmarge door de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die resultaatsverbintenissen aangaan Artikel 12 Artikel 12 bepaalt de berekeningsregels voor de samen te stellen marge voor de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, bedoeld in artikel 87 van de wet, te weten zij die een resultaatsverbintenis aangaan. In de praktijk gaat het over dezelfde regels als die van artikelen 10 en 11 voor de huidige pensioenkassen. Er wordt niettemin, in toepassing van artikel 87, tweede lid, 2°, van de wet, voorzien in een absoluut minimum van 3.200.000 euro. Dat bedrag wordt op dezelfde wijze vastgesteld en geïndexeerd als het absolute minimum voor het waarborgfonds voor de verzekeringsondernemingen (artikel 19, § 1, 2°, van het koninklijk besluit van 22 februari 1991Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/02/1991 pub. 08/09/2005 numac 2005000468 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen. - Duitse vertaling sluiten houdende algemeen reglement betreffende de controle der verzekeringsondernemingen). Afdeling III. - Samenstelling van de solvabiliteitsmarge Zoals hiervoor reeds aangegeven, bestaat het tweede deel van de controle van de solvabiliteitsmarge erin om na te kijken of de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening wel degelijk beschikt over de elementen die toegelaten worden voor de samenstelling van die marge. Deze regels betreffen zowel het passief van de balans (artikel 13) waarop de eigen middelen die overeenstemmen met de marge moeten worden ingeschreven, als het actief van de balans (artikel 14) waarop de activa die overeenstemmen met die eigen middelen worden ingeschreven. Artikel 13 Op het passief van de balans van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening wordt de solvabiliteitsmarge samengesteld door een bedrag dat, bovenop de technische voorzieningen, tot het eigen vermogen behoort. Deze bepaling vereist een aanpassing van de regels die vandaag zijn vastgelegd in het koninklijk besluit van 19 april 1991 betreffende de jaarrekening van de voorzorgsinstellingen onderworpen aan de wetgeving betreffende de controle der verzekeringsondernemingen. Artikel 14 De activa die in aanmerking kunnen worden genomen als tegenwaarde van het bedrag bedoeld in het vorige artikel, moeten voldoen aan de beleggingsregels voor de dekkingswaarden van de technische voorzieningen, bepaald in Hoofdstuk V. Deze bepaling is erop gericht om de activa die tegenover de solvabiliteitsmarge staan, te laten beantwoorden aan strikte criteria inzake veiligheid en kwaliteit. Het spreekt voor zich dat dezelfde activa niet tezelfdertijd kunnen dienen als dekkingswaarden en voor de solvabiliteitsmarge. Voor de activiteiten bedoeld in artikel 55, eerste lid, 1°, (activiteiten van het type « pensioenfonds ») kan de instelling ook een vordering op de bijdragende onderneming(
- en)in aanmerking nemen. Die vordering moet worden gewaarborgd door een gecontroleerde kredietinstelling of verzekeringsmaatschappij, d.w.z. toegelaten in een lidstaat, België inbegrepen, van de Europese Economische Ruimte of toegelaten in een land, dat geen lid is van de Europese Economische Ruimte op voorwaarde dat die vergunning door de CBFA als gelijkwaardig wordt beoordeeld. HOOFDSTUK IV. - Technische voorzieningen Afdeling I. - Bepaling die van toepassing is op alle pensioenregelingen In dit hoofdstuk worden de regels betreffende de berekening van de technische voorzieningen samengebracht in uitvoering van artikel 89 van de wet. Deze regels zijn van toepassing op zowel instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening met een resultaatsverbintenis als die met een middelverbintenis. Artikel 15 Artikel 89 van de wet verplicht de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening op het passief van hun balans technische voorzieningen samen te stellen, die overeenstemmen met de verbintenissen die voor hen voortvloeien uit de pensioenregelingen die ze beheren. De financiering van die technische voorzieningen, d.w.z. de samenstelling van dekkingswaarden op het actief van de balans, die minstens gelijk moeten zijn aan de technische voorzieningen, moet vooraf worden gepland door middel van een financieringsplan (artikel 86 van de wet). De bijdragende ondernemingen verbinden zich ertoe dat financieringsplan te volgen (behalve wanneer het gaat over zelfstandigen). Het spreekt dan ook voor zich dat de samenstelling van de technische voorzieningen en hun financiering nauw verbonden zijn en dat het niet mogelijk is een realistisch financieringsplan op te stellen zonder op een juiste manier de technische voorzieningen te berekenen en vice versa. Afdeling II. - Pensioenregelingen die dekking bieden tegen biometrische risico's of een beleggingsrendement of een hoogte van uitkeringen voorzien In overeenstemming met de richtlijn voorziet dit besluit in verschillende regels voor de aanleg van de technische voorzieningen naargelang de aard van de pensioenregeling. Afdeling II is van toepassing op de pensioenregelingen die dekking bieden tegen biometrische risico's (overlijden, invaliditeit, arbeidsongeschiktheid en levensverwachting) of in een beleggingsrendement of een hoogte van uitkeringen voorzien. Dit zijn dus pensioenstelsels van het type vaste prestatie, van het type vaste bijdragen met tarief of van het type cash balance. Afdeling III heeft betrekking op de overige pensioenregelingen, met name de stelsels van het type vaste bijdragen zonder tarief. De regels betreffende de technische voorzieningen voor de pensioenregelingen die dekking bieden tegen biometrische risico's of in een beleggingsrendement of een hoogte van uitkeringen voorzien, werden grondig vernieuwd. Deze vernieuwingen berusten op drie pijlers : 1° de opbouw van de technische voorzieningen in overeenstemming brengen met de bepalingen van de richtlijn; 2° een naadloze overgang bewerkstelligen t.a.v. de bestaande reglementering; 3° de principes van een degelijk prudentieel toezicht verenigen met een ruime mate van autonomie voor de instellingen, ondersteund door een verantwoord en degelijk bestuur dat zich loyaal opstelt ten aanzien van de aangeslotenen. Om de overeenstemming met de richtlijn zo goed mogelijk tot stand te brengen, werd ervoor gekozen om de bepalingen betreffende de opbouw van de technische voorzieningen zo nauw mogelijk te laten aansluiten bij artikel 15 van de richtlijn. Deze bepalingen werden overgenomen in artikel 89 van de wet en in de artikelen 16 en 17 van dit besluit. De nieuwe regels hoeven niet noodzakelijk te leiden tot drastische ingrepen in de wijze van financieren en berekenen van de technische voorzieningen. De instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening kunnen, in principe, hun huidige werkwijze voortzetten voorzover zij die rechtvaardigen en aftoetsen ten aanzien van enerzijds de duurzaamheid op lange termijn (artikel 16 van het besluit) en anderzijds ten aanzien van de verplichtingen bij stopzetting van de activiteiten van de instelling, met andere woorden, de duurzaamheid op korte termijn (artikel 17 van het besluit). De nieuwe toezichtsregels zullen er tegelijk voor zorgen dat de financiering en de opbouw van de technische voorzieningen van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening transparanter verloopt. Een groot aantal instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening maakt vandaag immers een onderscheid tussen de overeenkomstig hun financieringsplan opgebouwde voorzieningen en de door de reglementering vereiste minimumvoorziening. Zij zullen voortaan de volgens het financieringsplan werkelijk opgebouwde voorzieningen als technische voorzieningen moeten erkennen. Artikel 16 Dit artikel is gebaseerd op artikel 89 van de wet dat artikel 15 van de richtlijn omzet. Het bepaalt de wijze van berekening van de technische voorzieningen en legt de voorwaarden op waaraan de duurzaamheid op de lange termijn moet worden afgetoetst. De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening moet de technische voorzieningen berekenen die uit haar verplichtingen voortvloeien. Daarbij dient ze rekening te houden met : 1° de aard van alle verbintenissen inzake uitkeringen en bijdragen;2° de aard van de gelopen risico's;3° het verzekeren van de uitbetaling van de pensioenuitkeringen;4° het adequaat weerspiegelen van de verplichtingen die voorvloeien uit de opgebouwde pensioenrechten. De methode en grondslagen die de instelling hanteert blijven in principe van boekjaar tot boekjaar onveranderd tenzij een wijziging in de juridische, economische of demografische omgeving van de instelling een aanpassing noodzakelijk maakt. De tweede paragraaf van dit artikel legt de instelling op de gebruikte methode en technische grondslagen, zoals opgenomen in het financieringsplan, te rechtvaardigen. De instelling verantwoordt vanuit een prudente benadering, die moet bijdragen tot een gepaste financiering in het licht van de beoogde duurzaamheid, onder meer, de actuariële methode, de afschrijvingen, de rentepercentages, de biometrische tabellen en de beleggingspolitiek. De instelling waakt daarbij over zowel het samenhangend karakter als de deugdelijkheid van de gebruikte methode en de grondslagen voor de berekening van de technische voorzieningen. De instelling kan daarvoor een beroep te doen op risicoanalyses onder meer door het toepassen van beheersmethoden van activa en passiva (ALM). Wanneer de juridisch, demografische of economische omgeving verandert, dient de instelling zich in het bijzonder af te vragen of haar methode en grondslagen nog wel aangepast zijn en dient ze, indien nodig, deze te herzien. Overeenkomstig artikel 46 van dit besluit dient de aangewezen actuaris een advies te verstrekken over de gekozen methode, de gebruikte grondslagen en hypotheses en de rechtvaardiging van die keuzes. Het artikel voorziet in de mogelijkheid voor de CBFA om de technische voorwaarden te preciseren waaraan de rechtvaardiging dient te voldoen, in het bijzonder voor wat betreft de beschouwde tijdshorizon, de in aanmerking te nemen risicodrempel, alsook de omvang en de methode van de risicoanalyse. Artikel 17 Dit artikel bepaalt de absolute ondergrens voor de technische voorzieningen. Het toetst de korte termijnduurzaamheid. Dit betekent dat de technische voorzieningen moeten volstaan om aan alle verplichtingen te kunnen voldoen wanneer de instelling haar activiteiten zou stopzetten. De instelling moet dus haar technische voorzieningen overeenkomstig artikel 16 zo berekenen en verantwoorden dat ze nooit onder de ondergrens van artikel 17 liggen. Voor het bepalen van die ondergrens maakt dit artikel een onderscheid tussen de bedragen nodig voor, enerzijds, de aangeslotenen en, anderzijds, de begunstigden. Voor de aangeslotenen wordt als algemene regel de ondergrens bepaald als zijnde de som van de verworven reserves van elke aangeslotene, zoals bepaald in de pensioenregeling, met als absoluut minimum de verworven reserves zoals voorzien in de sociale en arbeidswetgeving, die op de regeling van toepassing is. Er kan aan herinnerd worden dat de WAP en haar uitvoeringsbesluit de minimale verworven reserves bepalen waarin Belgische pensioenregelingen voor werknemers moeten voorzien Op dezelfde wijze zullen pensioenregelingen die onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere lidstaat uit de Europese Economische Ruimte hun verworven reserves moeten bepalen met inachtname van de regels terzake in de sociale wetgeving van die lidstaat. Om de continuïteit met de huidige reglementering te verzekeren dienen de instellingen die Belgische pensioenregelingen voor werknemers beheren en waarop artikel 24, § 1, van de WAP van toepassing is, daarenboven steeds een technische voorziening samen te stellen die minstens gelijk is aan de som over alle aangeslotenen van de positieve verschillen tussen de bijdragegarantie, bepaald in voormeld artikel 24, § 1, en de verworven reserve. Dit betekent met andere woorden dat voor het bepalen van de ondergrens van de technische voorzieningen voor de aangeslotenen van die Belgische pensioenregelingen de vergelijking moeten worden gemaakt tussen de verworven reserves waarvan hierboven sprake en het bedrag van de garantie van artikel 24, § 1. Het spreekt voor zich dat voor de uitgetreden aangeslotenen die ervoor gekozen hebben om hun verworven reserves, overeenkomstig artikel 32, § 1, 3°, a), van de WAP, bij de pensioeninstelling te laten, het bedrag van de garantie op het ogenblik van de uittreding dient in aanmerking te worden genomen voor de vergelijking. Het hoogste van de twee bedragen dient in rekening gebracht te worden. Voor de Belgische pensioenregelingen voor zelfstandigen zoals bedoeld in artikel 55, eerste lid, 2°, van de wet legt de WAPZ, in tegenstelling tot de WAP geen minimum op voor het bedrag van de verworven reserves. Voor de begunstigen (de rentegenieters) neemt men als absolute ondergrens de actuele waarde van de lopende rentes. Die actuele waarde wordt bepaald volgens de actualisatieregels vermeld in het reglement en moeten op een prudente wijze worden gekozen en worden verantwoord in het financieringsplan. Net zoals nu viseert dit artikel enkel de verworven reserves ten laste van de instelling zelf in het geval de pensioenuitkering terzelfder tijd wordt samengesteld door zowel een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening als een groepsverzekering. Voor de bepaling van de absolute ondergrens voor de technische voorzieningen voorzien in dit artikel kunnen de betrokken pensioeninstellingen steeds het bedrag van de prudentiële vrijstellingen, voorzien in Hoofdstuk II van Titel V van de wet, in mindering brengen. Het spreekt voor zich dat de instellingen die hiervan gebruik maken, het wettelijk voorziene bedrag van de vrijstelling slechts in mindering mogen brengen voor zover dit bedrag niet reeds verrekend werd bij de bepaling van de verworven reserves. Wanneer bepaalde instellingen op dit ogenblik gebruik maken van een « verminderde » berekening van de minimum technische voorzieningen, bijvoorbeeld bij wijzigingen uit het verleden van de regels voor de berekening van de minimum technische voorzieningen, kan de nieuwe benadering als gevolg hebben dat deze instellingen zich in onderfinanciering bevinden waardoor zij beroep moeten doen op een herstelplan dat voldoet aan de bepalingen van artikel 48. Ook wanneer instellingen in de toekomst bij aanvangsregelingen een zogenaamde back-service toekennen, of wanneer zij hun plan verbeteren, zullen zij in geval van onderfinanciering eveneens een herstelplan moeten indienen. Afdeling III. - Pensioenregelingen die geen dekking bieden tegen biometrische risico's noch een beleggingsrendement of een hoogte van uitkeringen voorzien Afdeling III betreft enkel de regels voor de technische voorzieningen van pensioenregelingen die, de garantie bedoeld in artikel 24 van de WAP uitgezonderd, geen dekking bieden tegen biometrische risico's, noch een beleggingsrendement of een hoogte van uitkeringen voorzien. Het betreft dus enkel de regelingen van het type vaste bijdragen zonder tarief ook « pure DC regelingen » genaamd. Vanzelfsprekend dient de instelling de regels van Afdeling II of die van Afdeling III toe te passen naargelang de aard van pensioentoezegging. Zo zijn bijvoorbeeld de bepalingen van Afdeling III van toepassing voor een pensioenregeling van het type vaste bijdragen zonder tarief maar moet de instelling wel de regels van Afdeling II toepassen indien voorzien wordt in een overlijdensdekking met positieve risicokapitalen of wanneer de instelling zelf het beheer van rentes doet (b.v. in het kader van omzetting van kapitaal in rente bedoeld in artikel 28 van de WAP). Artikel 18 Artikel 18 is voor de regelingen bedoeld in afdeling III de tegenhanger van artikel 17. Ook hier wordt een onderscheid gemaakt tussen Belgische pensioenregelingen voor werknemers en pensioenregelingen onderworpen aan de sociale wetgeving van een andere lidstaat. Voor verdere toelichting wordt dan ook naar de commentaar bij artikel 17 verwezen. Artikel 19 Dit artikel behoudt het begrip rekening van de aangeslotene omdat het toelaat om op een eenvoudige wijze de evolutie van de bijdragen per aangeslotene bij te houden. Voor de Belgische regelingen dient het verschil tussen het bedrag dat overeenstemt met de waarborg bedoeld in artikel 24, § 1, en de verworven reserve, zich niet op de individuele rekeningen te bevinden. HOOFDSTUK V. - Dekkingswaarden Hoofdstuk V bepaalt de regels met betrekking tot de dekkingswaarden van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, en meer in het bijzonder de beleggingen van deze dekkingswaarden, die het algemeen prudentiebeginsel zoals vermeld in de wet en diverse andere regels dienen te respecteren (Afdeling I). Zo dienen de beleggingen deel uit te maken van de toegelaten categorieën (Afdeling II) en worden zij gewaardeerd volgens preciese regels (Afdeling III). Andere regels zoals de lokalisatie en de convertibiliteit zijn terug te vinden in Afdeling IV. Tot slot bevat Afdeling V diverse toezichtsmaatregelen. De bepalingen van Hoofdstuk V zijn van toepassing op de dekkingswaarden alsook, in uitvoering van artikel 14, op de activa die tegenover de solvabiliteitsmarge staan. De overige activa(de vrije reserves) zijn niet onderhevig aan de bepalingen van dit hoofdstuk, met uitzondering van deze van artikel 24, dat evenwel slechts op onrechtstreekse wijze van toepassing is op de dekkingswaarden. Dit is het geval indien verrichtingen op de overige activa, met name via afgeleide instrumenten, een gevaar kunnen betekenen voor de veiligheid of de liquiditeit van de dekkingswaarden of, over het algemeen, een negatieve invloed kunnen hebben op de globale solvabiliteit van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening. Artikel 116, eerste lid, 3°, van de wet laat immers aan de CBFA de mogelijkheid een herstelplan op te leggen in geval van globale insolvabiliteit van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening. De voornoemde bepalingen hebben tot doel zulks een globale insolvabiliteit te voorkomen en te vermijden dat er veelvuldig toevlucht genomen wordt tot herstelplannen. Afdeling I. - Algemene bepalingen Artikel 20 Het eerste lid verwijst naar het prudentiebeginsel zoals uiteengezet in artikel 18 van de Richtlijn, dat werd omgezet in artikel 91 van de wet. Het tweede lid herinnert aan de verplichting tot deskundigheid en toewijding met betrekking tot de beleggingen waarvan de instelling moet blijk geven. Deze beginselen hebben betrekking op alle dekkingswaarden. De coherentie tussen het financieringsplan en het beleggingsbeleid van de instelling enerzijds en de werkelijke beleggingen anderzijds is noodzakelijk om te kunnen garanderen dat de dekkingswaarden worden belegd op een wijze die strookt met de aard en de duur van de verwachte toekomstige pensioenuitkeringen. Het derde lid van artikel 20 gaat uit van het principe dat de werkelijke beleggingen, het financieringsplan (cf. art. 86 van de wet) en het beleggingsbeleid (cf. art. 95 van de wet) één geheel vormen. De beleggingen gebeuren in uitvoering van het financieringsplan en het beleggingsbeleid. In de praktijk zullen afwijkingen tegenover de strategische allocatie uiteraard niet te vermijden zijn, maar deze mogen niet van dien aard zijn dat zij het beleggingsprofiel, zoals vooropgezet in de verklaring inzake beleggingsbeginselen, significant wijzigt. De beleggingen moeten voorts in overeenstemming zijn met de technische en financiële elementen die ter rechtvaardiging van de berekening van de technische voorzieningen in het financieringsplan zijn aangehaald. Meer bepaald moeten de beleggingen gemiddeld genomen in staat zijn om de rendementen te behalen die vooropgesteld worden in het financeringsplan, waarbij de genomen risico's de vooropgestelde risicolimieten niet overschrijden. De wijze waarop de beleggingen geschieden, het gebruik of het vermijden van bepaalde beleggingsinstrumenten (in het bijzonder alternatieve beleggingsinstrumenten en afgeleide instrumenten) en de wijze waarop de risico's worden opgevolgd dienen in overeenstemming te zijn met de verklaring inzake beleggingsbeginselen. Artikel 21 Dit artikel verduidelijkt dat het gebruik van afgeleide instrumenten en beleggingen in instellingen voor collectieve belegging geen aanleiding mogen geven tot het ontwijken van de beleggingsregels. De posities in de onderliggende activa van een afgeleid instrument en de beleggingen die worden aangehouden via een instelling voor collectieve belegging dienen volgens het « doorkijkprincipe » daarom omgerekend te worden naar een geconsolideerde positie voor de globale beleggingsportefeuille, dewelke dan kan getoetst worden aan elk van de beleggingsregels. Dit doorkijkprincipe (« look-through ») bestaat erin te kijken doorheen alle tussenliggende lagen om slechts rekening te houden met de onderliggende activa. Artikel 22 Artikel 91, § 1, 6° van de wet legt beperkingen op aan de beleggingen die de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening heeft in de bijdragende onderneming of in de groep van deze onderneming omwille van de rol die de onderneming speelt als voornaamste garant van haar solvabiliteit. Dit artikel verduidelijkt de draagwijdte van artikel 91, § 1, 6°, van de wet voor wat betreft de andere activa dan de beleggingen sensu stricto, met name de leningen toegestaan door de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening aan de bijdragende onderneming, evenals de vorderingen die de instelling heeft op deze onderneming. Desalniettemin worden uitgesloten de nog te innen bijdragen waarvan de datum van opeisbaarheid ten hoogste één maand verstreken is (artikel 27, 6°) en de vorderingen die in het kader van een prudentiële vrijstelling als dekking dienen van de technische voorzieningen zoals bepaald in artikel 163, derde lid, van de wet. Artikel 23 Dit artikel heeft tot doel te vermijden dat eenzelfde actief gebruikt wordt voor meerdere doeleinden. Enkel activa die niet bezwaard zijn met een zakelijke zekerheid en die vrij zijn van enige verplichting tegenover derden kunnen aangewend worden als dekking van de pensioenverplichtingen. De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening dient op elk ogenblik te voldoen aan de vereisten inzake de solvabiliteitsmarge en de dekkingswaarden. Een tekort op het één of andere vlak brengt voor de instelling de verplichting met zich mee om een herstelplan voor te leggen. Het spreekt evenwel voor zich dat in geval van tekort, de activa die overeenstemmen met de marge, aangewend zullen worden om een eventueel tekort aan dekkingswaarden aan te vullen. Meer specifiek gaat het tweede lid over de behandeling van afgeleide intrumenten in dit opzicht. Naargelang soort afgeleid instrument (future, optie, swap...) dient de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening na te gaan of en in welke mate het afgeleid instrument, de eventuele waarborg en de onderliggende activa als dekkingswaarde kan aanvaard worden. Men kan bijvoorbeeld het geval van een aankoop of verkoop van futures illustreren. Bij aankoop of verkoop van een future moet een marge gestort worden bij de verrekeningsinstelling als waarborg voor de future. De initiële marge bedraagt slechts een percentage (b.v. 10 %) van de onderliggende activa. De benodigde marge zal schommelen met de evolutie van de marktwaarde van de onderliggende activa. In voorkomend geval dient er bijgestort te worden of zal er teruggestort worden. Daar de future een uitgestelde aan- of verkoop inhoudt kan men niet enkel de uitgestelde levering als dekkingswaarde aanvaarden, maar moet deze gecompenseerd worden met de uitgestelde betaling. Een andere mogelijkheid is enkel de gestorte marge als dekkingswaarde te aanvaarden, aangezien deze de latente meer- of minwaarde van de future weergeeft. Bovendien is er op de vervaldag van de future dikwijls geen uitwisseling plaats van de onderliggende activa tegen betaling maar wordt er meestal overgegaan tot het betalen of ontvangen van het verschil tussen de marktprijs en de futures prijs, hetgeen overeenstemt met de evolutie van de benodigde marge. Artikel 24 In het kader van het beleggingsbeheer is het niet toegelaten zodanige verbintenissen aan te gaan, zelfs voor wat betreft de vrije reserves, die een negatieve invloed kunnen hebben op de dekkingswaarden en de solvabiliteitsmarge. Hierbij dient voornamelijk gedacht te worden aan het gebruik van afgeleide instrumenten dewelke door hun aard een hefboomeffect kunnen creëren waarbij het mogelijke verlies groter kan zijn dan de vrije reserves en hierdoor dus de dekkingswaarden en de solvabiliteitsmarge in gevaar kan brengen. Artikel 25 Het prudentiebeginsel legt een grote verantwoordelijkheid bij het besturend orgaan van de instelling. Er wordt dan ook verwacht dat dit orgaan bij het bepalen en uitvoeren van de beleggingspolitiek beschikt over een voldoende kennis en ervaring over de materie en dat zij grondig doch voorzichtig tewerkgaat, waarbij de beleggingspolitiek en de uitvoering ervan continu getoetst wordt aan de bepalingen van het prudentiebeginsel. Aldus wordt er in dit artikel bepaald dat indien de instelling niet zelf beschikt over de nodige competenties om op professionele wijze het beleggingsbeleid te voeren, zij de hulp dient in te roepen van een extern deskundige. Het gaat hier over een toepassing van artikel 24 van de wet. De CBFA kan de instelling verplichten beroep te doen op een externe deskundige in toepassing van artikel 110 van de wet. Artikel 26 Het eerste lid bepaalt dat de beleggingsregels van toepassing zijn op elk afzonderlijk vermogen. Deze bepaling is een uitvloeisel van artikel 94 van de wet, die een voorrang invoert ten gunste van de aangeslotenen en de begunstigden op de dekkingswaarden van elk afzonderlijk vermogen, die bovendien afzonderlijk kunnen vereffend worden (artikel 41 van de wet). Deze bepaling voorkomt, bijvoorbeeld, dat de dekkingswaarden van een afzonderlijk vermogen grotendeels zouden belegd worden in aandelen van eenzelfde onderneming, zelfs indien het geheel van de beleggingen van de instelling het diversificatieprincipe respecteert. De tweede alinea betreft het beheer van de activa opgesplitst in verschillende beleggingscompartimenten. Bijvoorbeeld in het geval van een vaste bijdragestelsel waarbij de aangeslotenen de keuze hebben om hun bijdragen te beleggen in verschillende beleggingscompartimenten (b.v. laag beleggingsrisico - gematigd beleggingsrisico - hoog beleggingsrisico) dient elk van deze compartimenten de bepalingen van dit hoofdstuk te eerbiedigen. Afdeling II. - Beleggingscategorieën Artikel 27 Ten opzichte van de bepalingen van artikel 7 van het voornoemde koninklijk besluit van 7 mei 2000Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 01/07/2000 numac 2000011238 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit betreffende de activiteiten van de voorzorgsinstellingen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 06/07/2000 numac 2000011237 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 mei 1985 tot toepassing op de private voorzorgsinstellingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 26/09/2000 numac 2000012370 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 3 maart 1999, gesloten in het Paritair Comité voor de scheikundige nijverheid, betreffende het minimumuurloon type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 08/09/2000 numac 2000012369 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 21 december 1998, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer, betreffende de invoering van educatief verlof in de verhuisondernemingen, meubelbewaring en hun aanverwante activiteiten type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 06/04/2001 numac 2000012372 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 4 mei 1999, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid, betreffende coördinatie van het statuut van de syndicale afvaardigingen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 05/09/2000 numac 2000012376 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 april 1999, gesloten in het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf, betreffende de organisatie van de arbeidsduurregeling van 39 uren per week type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 18/08/2000 numac 2000012373 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 december 1998, gesloten in het Paritair Comité voor het hotelbedrijf, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 1 van 25 juni 1997, gesloten in uitvoering van het protocolakkoord van 14 mei 1997 - invoering van een nieuwe functieclassificatie en tot vaststelling van de minimumlonen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 05/10/2000 numac 2000012374 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 26 mei 1997, gesloten in het Paritair Subcomité voor de haven van Antwerpen, "Nationaal Paritair Comité der haven van Antwerpen" genaamd, tot wijziging van de statuten van het "Compensatiefonds voor bestaanszekerheid, Haven van Antwerpen" type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 01/09/2000 numac 2000012371 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 juni 1999, gesloten in het Paritair Subcomité voor het bedrijf der marmergroeven en -zagerijen op het gehele grondgebied van het Rijk, tot verlenging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 7 mei 1984, betreffende de vermindering van de arbeidsduur in de ondernemingen der marmergroeven en -zagerijen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011236 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 105 tot 113 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 29/08/2000 numac 2000022431 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot goedkeuring van de statuten van het Fonds voor Dringende Geneeskundige Hulpverlening type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011234 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 19, 20, 28, 31, 34 en 74 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 23/06/2000 numac 2000007140 bron ministerie van landsverdediging Koninklijk besluit tot wijziging van diverse koninklijke besluiten betreffende de medische geschiktheid van de militairen voor bepaalde functies en hun medisch geschiktheidsprofiel type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011235 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 198, 199, 207, 210, 214, 239, 240, 242, 249 en 251 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011233 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 29, 30, 49, 50, 51, 62, 65, 66, 67, 86, 215, 221, 227, 233, 234 en 242 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties sluiten werd de lijst van toegelaten beleggingscategorieën aangepast om zoveel als mogelijk rekening te houden met de evolutie op de financiële markten. Wat betreft de financiële instrumenten werd verkozen geen limitatieve opsomming op te nemen in dit artikel, maar te verwijzen naar de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 14/06/2018 numac 2018012337 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I sluiten betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, dit uit het oogpunt van de coherentie met andere financiële wetgeving. Er dient gepreciseerd te worden dat voor wat betreft ten 3°, de uitdrukking « leningen die voldoende waarborgen bieden » de leningen die gewaarborgd zijn door een zakelijk zekerheid, door een kredietinstelling of een verzekeringsonderneming beoogt, zoals bestond in artikel 8, eerste lid, 6° van het koninklijk besluit van 7 mei 2000Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 01/07/2000 numac 2000011238 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit betreffende de activiteiten van de voorzorgsinstellingen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 06/07/2000 numac 2000011237 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 mei 1985 tot toepassing op de private voorzorgsinstellingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 26/09/2000 numac 2000012370 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 3 maart 1999, gesloten in het Paritair Comité voor de scheikundige nijverheid, betreffende het minimumuurloon type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 08/09/2000 numac 2000012369 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 21 december 1998, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer, betreffende de invoering van educatief verlof in de verhuisondernemingen, meubelbewaring en hun aanverwante activiteiten type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 06/04/2001 numac 2000012372 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 4 mei 1999, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid, betreffende coördinatie van het statuut van de syndicale afvaardigingen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 05/09/2000 numac 2000012376 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 april 1999, gesloten in het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf, betreffende de organisatie van de arbeidsduurregeling van 39 uren per week type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 18/08/2000 numac 2000012373 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 december 1998, gesloten in het Paritair Comité voor het hotelbedrijf, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 1 van 25 juni 1997, gesloten in uitvoering van het protocolakkoord van 14 mei 1997 - invoering van een nieuwe functieclassificatie en tot vaststelling van de minimumlonen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 05/10/2000 numac 2000012374 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 26 mei 1997, gesloten in het Paritair Subcomité voor de haven van Antwerpen, "Nationaal Paritair Comité der haven van Antwerpen" genaamd, tot wijziging van de statuten van het "Compensatiefonds voor bestaanszekerheid, Haven van Antwerpen" type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 01/09/2000 numac 2000012371 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 juni 1999, gesloten in het Paritair Subcomité voor het bedrijf der marmergroeven en -zagerijen op het gehele grondgebied van het Rijk, tot verlenging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 7 mei 1984, betreffende de vermindering van de arbeidsduur in de ondernemingen der marmergroeven en -zagerijen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011236 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 105 tot 113 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 29/08/2000 numac 2000022431 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot goedkeuring van de statuten van het Fonds voor Dringende Geneeskundige Hulpverlening type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011234 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 19, 20, 28, 31, 34 en 74 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 23/06/2000 numac 2000007140 bron ministerie van landsverdediging Koninklijk besluit tot wijziging van diverse koninklijke besluiten betreffende de medische geschiktheid van de militairen voor bepaalde functies en hun medisch geschiktheidsprofiel type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011235 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 198, 199, 207, 210, 214, 239, 240, 242, 249 en 251 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011233 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 29, 30, 49, 50, 51, 62, 65, 66, 67, 86, 215, 221, 227, 233, 234 en 242 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties sluiten. In het huidig kader betreffen de niet-betwiste belastingsvorderingen (punt 7°) voornamelijk de voorheffingen evenals de betaalde en invorderbare BTW. Artikel 28 Artikel 28 is geïnspireerd op artikel 70 van het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging sluiten met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging en bevat veiligheidsmaatregelen om te vermijden dat de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening zich verbindt tot het verkopen vanuit een ongedekte positie (« short »-positie) die zij niet kan nakomen. Hiermee wordt bedoeld het rechtstreeks of onrechtstreeks verkopen van instrumenten zonder deze instrumenten in zijn bezit te hebben, waardoor de instelling het risico loopt hetzij om instrumenten te moeten verwerven aan een hogere prijs dan de leveringsprijs of hetzij om niet in staat te zijn de onderliggende instrumenten te leveren voor vereffening op vervaldag. Afgeleide instrumenten die een levering inhouden zijn slechts toegelaten onder de voorwaarden vastgelegd in dit artikel. Indien de instelling beschikt over de onderliggende activa ter dekking, en zich dus niet in ongedekte positie bevindt (1°), wordt er geen bijkomende voorwaarde voorzien. In punt 2° wordt de situatie beoogd waarbij de instelling de te leveren onderliggende activa niet heeft, maar wel beschikt over andere activa die makkelijk gebruikt kunnen worden om de te leveren activa te verwerven. Drie voorwaarden dienen vervuld te worden. Vooreerst moeten de activa waarover de instelling beschikt dezelfde risicokenmerken hebben dan de onderliggende activa om belangrijke afwijkingen in de evolutie in marktwaarde van beide activa te voorkomen. De tweede voorwaarde is een liquiditeitsvereiste voor zowel de activa die de instelling beschikt als de activa die ze dient te leveren. Deze notie van liquiditeit wordt uitvoerig gedefinieerd in het tweede lid. Als derde voorwaarde wordt opgelegd dat de instelling het bijkomend risico, te wijten aan het indeplaatsstellen van activa, behoorlijk meet en beheerst. In het geval van een ongedekte positie (« short »-positie), kan het risico waarvan sprake beperkt worden door het vermijden van de materiële levering door gebruik te maken van een centrale verrekeningsinstelling (« clearing house »), die zelf over voldoende garanties beschikt, en mits een systeem van « margin calls » en afwikkeling in contanten bestaat (punt 3°). De onderliggende activa of andere liquide activa die als dekking van het afgeleid instrument worden aangehouden, kunnen uiteraard niet meer toegewezen worden als dekkingswaarde. Artikel 29 Dit artikel is een herneming van artikel 10 van het voornoemde koninklijk besluit van 7 mei 2000Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 01/07/2000 numac 2000011238 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit betreffende de activiteiten van de voorzorgsinstellingen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 06/07/2000 numac 2000011237 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 mei 1985 tot toepassing op de private voorzorgsinstellingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 26/09/2000 numac 2000012370 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 3 maart 1999, gesloten in het Paritair Comité voor de scheikundige nijverheid, betreffende het minimumuurloon type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 08/09/2000 numac 2000012369 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 21 december 1998, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer, betreffende de invoering van educatief verlof in de verhuisondernemingen, meubelbewaring en hun aanverwante activiteiten type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 06/04/2001 numac 2000012372 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 4 mei 1999, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid, betreffende coördinatie van het statuut van de syndicale afvaardigingen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 05/09/2000 numac 2000012376 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 april 1999, gesloten in het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf, betreffende de organisatie van de arbeidsduurregeling van 39 uren per week type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 18/08/2000 numac 2000012373 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 december 1998, gesloten in het Paritair Comité voor het hotelbedrijf, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 1 van 25 juni 1997, gesloten in uitvoering van het protocolakkoord van 14 mei 1997 - invoering van een nieuwe functieclassificatie en tot vaststelling van de minimumlonen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 05/10/2000 numac 2000012374 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 26 mei 1997, gesloten in het Paritair Subcomité voor de haven van Antwerpen, "Nationaal Paritair Comité der haven van Antwerpen" genaamd, tot wijziging van de statuten van het "Compensatiefonds voor bestaanszekerheid, Haven van Antwerpen" type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 01/09/2000 numac 2000012371 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 juni 1999, gesloten in het Paritair Subcomité voor het bedrijf der marmergroeven en -zagerijen op het gehele grondgebied van het Rijk, tot verlenging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 7 mei 1984, betreffende de vermindering van de arbeidsduur in de ondernemingen der marmergroeven en -zagerijen type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 24/06/2000 numac 2000011236 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 105 tot 113 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 29/08/2000 numac 2000022431