📄 Wettekst
22 FEBRUARI 1998. Wet houdende sociale bepalingen (1)
ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL 1 Algemene bepaling Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
TITEL 2 Sociale Zaken HOOFDSTUK I Arbeidsongevallen Art. 2 In artikel 27ter van de arbeidsongevallen
wet van 10 april 1971Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
01/08/1985
pub.
15/11/2000
numac
2000000832
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet houdende fiscale en andere bepalingen . - hoofdstuk III, afdeling II. - Duitse vertaling
sluiten5, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr 530 van 31 maart 1987, worden tussen de woorden « 27bis » en « ten laste » de woorden « en voor de ongevallen bedoeld bij artikel 45quater zijn de door de Koning bepaalde bijslagen » ingevoegd.
Art. 3 Artikel 2 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1994 voor de in artikel 45quater, eerste en tweede lid, bedoelde ongevallen en op 1 januari 1997 voor de in artikel 45quater, derde en vierde lid, bedoelde ongevallen.
Art. 4 Artikel 27quater, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de
wet van 29 december 1990Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/08/1993
pub.
18/12/1998
numac
1998015163
bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet houdende instemming met het Verdrag nr. 148 betreffende de bescherming van de werknemers tegen beroepsrisico's op de werkplaatsen als gevolg van luchtverontreiniging, lawaai en trillingen, aangenomen te Genève op 20 juni 1977 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar drieënzestigste zitting
sluiten5, wordt vervangen door de volgende bepaling : « De Koning bepaalt het bedrag en de toekenningsmodaliteiten van de bijzondere bijslag, alsmede de voorwaarden inzake de tegemoetkoming van het Fonds aan de gerechtigden op de bijzondere bijslag inzake de tenlasteneming van de periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, van de medische, heelkundige, farmaceutische en verplegingszorgen, alsook van de prothesen en orthopedische toestellen die ingevolge het ongeval nodig zijn. ».
Art. 5 Artikel 45, derde lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de
wet van 1 augustus 1985Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
01/08/1985
pub.
15/11/2000
numac
2000000832
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet houdende fiscale en andere bepalingen . - hoofdstuk III, afdeling II. - Duitse vertaling
sluiten wordt vervangen door het volgende lid : « Het kapitaal wordt berekend overeenkomstig het tarief vastgesteld door de Koning en in functie van de leeftijd van de getroffene of de rechthebbende opde eerste dag van het kwartaal dat volgt op de beslissing van de rechter. Vanaf deze datum is van rechtswege intrest verschuldigd op dit kapitaal. ».
Art. 6 Artikel 45bis, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr 530 van 31 maart 1987, wordt vervangen door het volgend lid : « Het kapitaal wordt berekend overeenkomstig het tarief vastgesteld door de Koning en in functie van de leeftijd van de getroffene op de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het verstrijken van de herzieningstermijn. Vanaf deze datum is van rechtswege intrest verschuldigd op dit kapitaal. ».
Art. 7 Artikel 49, derde lid van dezelfde wet, ingevoegd bij de
wet van 30 december 1992Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/08/1993
pub.
18/12/1998
numac
1998015163
bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet houdende instemming met het Verdrag nr. 148 betreffende de bescherming van de werknemers tegen beroepsrisico's op de werkplaatsen als gevolg van luchtverontreiniging, lawaai en trillingen, aangenomen te Genève op 20 juni 1977 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar drieënzestigste zitting
sluiten8, wordt aangevuld met de volgende bepaling : « Deze bepaling is niet van toepassing op de verzekeringsovereenkomsten waarvan de duur korter is dan één jaar. ».
Art. 8 In artikel 49, zesde lid van dezelfde wet, gewijzigd bij de
wet van 30 december 1992Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/08/1993
pub.
18/12/1998
numac
1998015163
bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet houdende instemming met het Verdrag nr. 148 betreffende de bescherming van de werknemers tegen beroepsrisico's op de werkplaatsen als gevolg van luchtverontreiniging, lawaai en trillingen, aangenomen te Genève op 20 juni 1977 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar drieënzestigste zitting
sluiten8, worden de woorden « ondernemingen die niet de voorwaarden vervullen van artikel 12 van de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen om hun jaarrekening volgens een verkort schema op te maken. » vervangen door de woorden « ondernemingen waarvan het jaargemiddelde van het personeelsbestand meer dan honderd bedraagt of die een loonvolume laten verzekeren van meer dan honderd maal het maximum basisjaarloon bedoeld bij artikel 39. ».
Art. 9 Artikel 49 van dezelfde wet, gewijzigd bij de
wet van 30 december 1992Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/08/1993
pub.
18/12/1998
numac
1998015163
bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet houdende instemming met het Verdrag nr. 148 betreffende de bescherming van de werknemers tegen beroepsrisico's op de werkplaatsen als gevolg van luchtverontreiniging, lawaai en trillingen, aangenomen te Genève op 20 juni 1977 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar drieënzestigste zitting
sluiten8, wordt aangevuld met het volgende lid : « De werkgever die tevens arbeidsongevallen verzekert, dient de verplichte ongevallenverzekering voor zijn werknemers af te sluiten bij een gemachtigde verzekeraar met wie hij juridisch of commercieel geen enkele binding heeft. ».
Art. 10 Artikel 9 treedt in werking op 1 januari 1998.
Art. 11 Artikel 56 van dezelfde wet vervangen bij het koninklijk besluit nr 530 van 31 maart 1987, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 56.C § 1. Wanneer voor een gegeven kalenderjaar de indexeringsvoet van de renten hoger ligt dan de referentie-intrestvoet, neemt de Koning, na advies van het Beheerscomité van het Fonds voor arbeidsongevallen, de nodige initiatieven om voor het bewuste kalenderjaar het evenwicht tussen de in artikel 27bis bedoelde lasten van de gemachtigde verzekeraars en van het Fonds voor arbeidsongevallen en hun opbrengsten te waarborgen.
Wanneer over de periode van de eerste acht maanden van een kalenderjaar de indexeringsvoet de referentie-intrestvoet overtreft, maakt het Beheerscomité ten behoeve van de minister die de sociale zekerheid onder zijn bevoegdheid heeft, een verslag op over de verwachte evolutie van de twee voeten en advieseert de minister wat betreft de te nemen initiatieven en maatregelen.
Onder referentie-intrestvoet verstaat men het gemiddelde over de laatste vijf jaren van de gemiddelde jaarlijkse intrestvoeten van de kasbons op vijf jaar van de openbare kredietinstellingen, die door de Nationale Bank worden vastgesteld.
Onder indexeringsvoet wordt verstaan de verhouding tussen een rente aangepast aan de evolutie van het indexcijfer overeenkomstig artikel 27bis op 31 december van het verstreken kalenderjaar, en die rente aangepast aan de evolutie van het indexcijfer overeenkomstig artikel 27bis op 31 december van het eraan voorafgaande kalenderjaar, verminderd met 1. § 2. Het aan te vullen negatieve saldo om het in § 1, eerste lid, bedoelde evenwicht te herstellen, is gelijk aan het bedrag op 31 december van het jaar voorafgaand aan het betrokken kalenderjaar van de reserves voor te regelen schadegevallen en van de voorlopige en definitieve wiskundige reserves gevestigd voor de in artikel 27bis bedoelde renten en vergoedingen van alle gemachtigde verzekeraars en van het Fonds voor Arbeidsongevallen, vermenigvuldigd met het verschil tussen de referentie-intrestvoet en de indexeringsvoet. § 3. De door de Koning te nemen initiatieven hebben tot doel, ofwel de lasten van de gemachtigde verzekeraars en van het Fonds voor Arbeidsongevallen te beperken ten belope van het in § 2 bepaalde negatieve saldo, ofwel hun opbrengsten te verhogen ten belope van dit negatieve saldo, ofwel in een combinatie van deze twee middelen te voorzien. Als één van deze middelen kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, een uitzonderlijke en tijdelijke bijdrage aan de werkgevers opleggen.
Bij gebrek aan door de Koning genomen initiatieven binnen de twee maanden na het verstrijken van het bewuste kalenderjaar, worden de in artikel 27bis bedoelde lasten van de gemachtigde verzekeraars gefinancieerd, bij wijze van bewarende en tijdelijke maatregel en hoogstens ten belope van het aan te vullen negatieve saldo, door middel van een beperking van de bijdragen bedoeld in de artikelen 59, 2°, en 59bis, 2°, en van de kapitalen bedoeld in artikel 59, 9°, totdat de Koning effectief de in § 1, eerste lid, bedoelde initiatieven zal hebben genomen. Het Fonds voor Arbeidsongevallen zal deze minderontvangst kunnen compenseren door een bijkomend beroep op de inkomsten bedoeld in artikel 59, 12°. § 4. Het bedrag van de bijdrage bedoeld in § 3, eerste lid, wordt bepaald door toepassing van een bijdragevoet op het totale bedrag van de verzekeringspremies of -bijdragen van en voor het bewuste kalenderjaar. De bijdragevoet is gelijk aan het gedeelte van het in § 2 bedoelde negatieve saldo dat door middel van de uitzonderlijke bijdrage moet worden gefinancierd, gedeeld door het totale bedrag van het incasso van en voor het kalenderjaar voorafgaand aan het betrokken kalenderjaar. De uitzonderlijke bijdrage wordt door de gemachtigde verzekeraars en het Fonds voor Arbeidsongevallen geïnd naar rato van de verzekeringspremies of -bijdragen van en voor het betrokken kalenderjaar. § 5. De door elke gemachtigde verzekeraar en het Fonds voor arbeidsongevallen geïnde uitzonderlijke bijdragen worden tussen de verzekeraars en het Fonds en voor hun rekening verdeeld door het Fonds. De regels van deze verrekening worden bij ministerieel besluit vastgesteld. § 6. Bij de inning van de uitzonderlijke bijdrage mogen geen belastingen worden geheven, noch commissielonen worden toegekend, noch beheerslasten worden aangerekend. ».
Art. 12 In artikel 58, § 1, 17°, van dezelfde wet, ingevoegd bij de
wet van 30 maart 1994Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/08/1993
pub.
18/12/1998
numac
1998015163
bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet houdende instemming met het Verdrag nr. 148 betreffende de bescherming van de werknemers tegen beroepsrisico's op de werkplaatsen als gevolg van luchtverontreiniging, lawaai en trillingen, aangenomen te Genève op 20 juni 1977 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar drieënzestigste zitting
sluiten6 en gewijzigd bij koninklijk besluit van 16 december 1996, worden tussen de woorden « renten » en « voor » de woorden « evenals de door de koning bepaalde bijslagen » ingevoegd.
Art. 13 Artikel 12 heeft uitwerking op 1 januari 1994 voor de in artikel 45quater, eerste en tweede lid, bedoelde ongevallen en op 1 januari 1997, voor de in artikel 45quater, derde en vierde lid, bedoelde ongevallen.
Art. 14 Artikel 60, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd door de
wet van 1 augustus 1985Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
01/08/1985
pub.
15/11/2000
numac
2000000832
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet houdende fiscale en andere bepalingen . - hoofdstuk III, afdeling II. - Duitse vertaling
sluiten, wordt aangevuld met volgende bepaling : « , en het gedeelte van de prestaties bedoeld in artikel 42bis, tweede lid. ».
Art. 15 Artikel 14 treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad. HOOFDSTUK II Beroepsziekten Art. 16 Artikel 6 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, gewijzigd bij de
wet van 26 juni 1992Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
07/08/1974
pub.
28/10/1998
numac
1998000076
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling
sluiten8, wordt aangevuld als volgt : « 7° op schriftelijk verzoek van de arbeidsgeneesheer of van het Comité voor preventie en bescherming op het werk, in de door de Koning te bepalen voorwaarden, advies te verstrekken in verband met de blootstelling op de werkplaatsen of arbeidsposten aan beroepsziekterisico's.
Hiertoe kan het : C onderzoeken voor risicobepalingen uitvoeren;
C in akkoord met de arbeidsgeneesheer de passende medische onderzoeken uitvoeren bij werknemers tewerkgesteld op de arbeidsposten waarin deze risico's aanwezig zijn.
De arbeidsgeneesheer, de werkgever en de bevoegde ambtenaren van het Fonds voor beroepsziekten nemen, vooraf en na gemeen overleg, alle nodige maatregelen opdat die onderzoeken in de beste voorwaarden zouden kunnen gebeuren, zowel wat de goede gang van het werk in het betrokken bedrijf als het nagestreefde doel betreft. ».
Art. 17 In artikel 35 van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 29 april 1996, wordt tussen het vierde en het vijfde lid, het volgende lid ingevoegd : « Wanneer een getroffene omwille van een beroepsziekte in een verplegings- of verzorgingsinstelling wordt opgenomen, kan hij, voor de periode van de opneming, vragen de hem voor deze ziekte toegekende graad van ongeschiktheid te brengen tot 100 % tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid naargelang de aard van de arbeidsongeschiktheid op het ogenblik van de opneming in de verplegings- of verzorgingsinstelling. Op het einde van de periode van opneming wordt, tenzij het Fonds voor beroepsziekten anders beslist, de graad van de ongeschiktheid van de getroffene teruggebracht tot deze die hem toegekend was op het ogenblik van de opneming in de verplegings- of verzorgingsinstelling. ».
Art. 18 In artikel 35bis van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 29 april 1996, wordt tussen het derde en het vierde lid het volgende lid ingevoegd : « De in vorig lid bedoelde getroffene heeft vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, recht op een verhoging van zijn graad van blijvende arbeidsongeschiktheid gelijk aan : 1 % bijkomende blijvende arbeidsongeschiktheid wanneer deze is vastgesteld op ten minste 36 % en ten hoogste op 50 %; 2 % bijkomende blijvende arbeidsongeschiktheid wanneer deze is vastgesteld op meer dan 50 % en ten hoogste op 65 %; 3 % bijkomende blijvende arbeidsongeschiktheid wanneer deze meer dan 65 % bedraagt zonder dat het totaal evenwel 100 % mag overschrijden. ».
Art. 19 Artikel 48ter van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 29 april 1996 wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 48ter.C De Koning kan voorzien, voor de beroepsziekten die Hij met name aanduidt, dat, wanneer een door een van deze beroepsziekten getroffene de in artikel 32 gestelde voorwaarden vervult en eveneens aan het beroepsrisico van deze ziekte is blootgesteld geweest gedurende een periode in de loop waarvan hij niet behoorde tot een der categorieën van personen bedoeld in artikel 2 of niet verzekerd was krachtens artikel 3, de vergoedingen en toelagen door het Fonds voor beroepsziekten worden toegekend op basis van de verhouding van de duur van de tijdvakken door Hem bepaald, en die berekend wordt en definitief vastgesteld wordt op de begindatum van de eerste vergoeding.
Het eerste lid is evenwel niet van toepassing op de personen bedoeld in artikel 48quater. ».
Art. 20 Artikel 18 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1997.
Het eerste lid van artikel 48ter van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, zoals gewijzigd bij artikel 19 van deze wet, heeft uitwerking met ingang van 2 december 1990.
Het tweede lid van artikel 48ter van dezelfde wetten, zoals ingevoegd bij artikel 19 van deze wet, heeft uitwerking met ingang van 30 april 1996. HOOFDSTUK III Gezinsbijslag Art. 21 Artikel 32, eerste lid, 8°, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gewijzigd bij de wet van 20 juli 1991, wordt vervangen door de volgende bepaling : « 8° de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie; ».
Art. 22 In artikel 32bis van dezelfde wetten, ingevoegd bij de
wet van 21 december 1994Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/08/1993
pub.
18/12/1998
numac
1998015163
bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet houdende instemming met het Verdrag nr. 148 betreffende de bescherming van de werknemers tegen beroepsrisico's op de werkplaatsen als gevolg van luchtverontreiniging, lawaai en trillingen, aangenomen te Genève op 20 juni 1977 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar drieënzestigste zitting
sluiten7, worden de woorden « artikelen 47, 62, § 3, » vervangen door de woorden « artikel 47 ».
Art. 23 In artikel 53 van dezelfde wetten wordt het 11°, opnieuw opgenomen bij de
wet van 22 december 1989Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
07/08/1974
pub.
28/10/1998
numac
1998000076
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling
sluiten1, vervangen door de volgende bepaling : « 11° de periodes waarvoor hij recht heeft op schadeloosstelling met toepassing van artikel 37 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970; ».
Art. 24 In artikel 55, vijfde lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 1 augustus 1985 en 22 december 1989, worden de woorden « of van de wet van 27 november 1891 tot beteugeling van de landloperij en de bedelarij » geschrapt.
Art. 25 In artikel 56 van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr 7 van 18 april 1967, de
wet van 27 juni 1969Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
07/08/1974
pub.
28/10/1998
numac
1998000076
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling
sluiten6, het koninklijk besluit van 23 januari 1976, het koninklijk besluit nr 29 van 15 december 1978, de wet van 30 juni 1981, het koninklijk besluit nr 282 van 31 maart 1984, de
wet van 1 augustus 1985Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
01/08/1985
pub.
15/11/2000
numac
2000000832
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet houdende fiscale en andere bepalingen . - hoofdstuk III, afdeling II. - Duitse vertaling
sluiten, het koninklijk besluit nr 534 van 31 maart 1987, het
koninklijk besluit van 28 januari 1988Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
27/02/1987
pub.
18/10/2004
numac
2004000528
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten Duitse vertaling
sluiten5, de
wet van 22 december 1989Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
07/08/1974
pub.
28/10/1998
numac
1998000076
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling
sluiten1 en de
wet van 29 december 1990Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/08/1993
pub.
18/12/1998
numac
1998015163
bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet houdende instemming met het Verdrag nr. 148 betreffende de bescherming van de werknemers tegen beroepsrisico's op de werkplaatsen als gevolg van luchtverontreiniging, lawaai en trillingen, aangenomen te Genève op 20 juni 1977 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar drieënzestigste zitting
sluiten5, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1, eerste lid, 1°, worden de woorden « artikel 76quater, § 2, van de wet van 9 augustus 1963 » vervangen door de woorden « artikel 136, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 »;2° § 1, eerste lid, 3°, wordt vervangen door de volgende bepaling : « 3° de niet onder 1° of 2° bedoelde zieke werknemer die tenminste 66 % arbeidsongeschikt is en de werkneemster in bevallingsrust die geen moederschapsuitkering geniet, en die in de loop van de twaalf maanden die het tijdstip van de arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 % of de bevallingsrust onmiddellijk voorafgaan, de voorwaarden hebben vervuld om aanspraak te maken op ten minste zes maandelijkse forfaitaire bijslagen krachtens deze wetten;»; 3° § 2, eerste lid, 1°, inleidende zin en a) worden vervangen door de volgende bepaling : « 1° de zieke of door ongeval getroffen werknemer of de werkneemster in bevallingsrust : a) die een in de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, bepaalde uitkering wegens arbeidsongeschiktheid of moederschap geniet vanaf de zevende maand van het tijdvak bestaande uit primaire ongeschiktheid en eventueel bevallingsrust of gedurende het tijdvak bestaande uit invaliditeit en eventueel bevallingsrust;deze bepaling is eveneens toepasselijk indien deze uitkering wordt toegekend krachtens artikel 136, § 2, van dezelfde wet; »; 4° § 2, eerste lid, 2°, wordt vervangen door de volgende bepaling : « 2° de in § 1, 2°, 3° en 4° bedoelde werknemer of werkneemster, vanaf de zevende maand van het tijdvak bestaande uit arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 pct.en eventueel bevallingsrust; »; 5° in § 2, eerste lid, 3°, worden de woorden « die behoort tot categorie II, III of IV wat betreft de graad van zelfredzaamheid » vervangen door de woorden « die getroffen is door een vermindering van zelfredzaamheid van minstens 9 punten ». Art. 26 In artikel 56quinquies, § 1, eerste lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij het
koninklijk besluit van 28 januari 1988Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
27/02/1987
pub.
18/10/2004
numac
2004000528
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten Duitse vertaling
sluiten5 en de
wet van 22 december 1989Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
07/08/1974
pub.
28/10/1998
numac
1998000076
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling
sluiten1, worden de woorden « een integratietegemoetkoming overeenstemmend met categorie II, III of IV geniet » vervangen door de woorden « een integratietegemoetkoming geniet die overeenstemt met een vermindering van zelfredzaamheid van ten minste 9 punten ».
Art. 27 In artikel 56sexies van dezelfde wetten, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1, gewijzigd bij de wetten van 1 augustus 1985 en 22 december 1989, wordt vervangen door de volgende bepaling : « § 1.Indien zij reeds ten minste vijf jaar werkelijk in België verblijven op de datum van de indiening van de aanvraag om kinderbijslag met toepassing van dit artikel, zijn de personen die verbonden zijn door een leerovereenkomst bedoeld bij de
wet van 19 juli 1983Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/08/1993
pub.
18/12/1998
numac
1998015163
bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet houdende instemming met het Verdrag nr. 148 betreffende de bescherming van de werknemers tegen beroepsrisico's op de werkplaatsen als gevolg van luchtverontreiniging, lawaai en trillingen, aangenomen te Genève op 20 juni 1977 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar drieënzestigste zitting
sluiten3 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door arbeiders in loondienst, alsmede de personen bedoeld in artikel 62, §§ 1, 2, 3, 4 en 5, zelfs wanneer zij niet voldoen aan de door of krachtens dit artikel gestelde voorwaarden inzake het verrichten van een winstgevende aktiviteit, toekenning van loon of genot van sociale uitkeringen, gerechtigd op kinderbijslag tegen de bij artikel 40 bedoelde bedragen, ten behoeve van de in artikel 51, § 3, 1°, 2° en 6° bedoelde kinderen die deel uitmaken van hetzelfde gezin. Dit recht heeft voorrang op het recht dat de personen bedoeld in artikel 62, §§ 1, 2, 3 en 4 eventueel verwerven als sociaal verzekerden of sociaal gerechtigden. »; 2° in § 4, gewijzigd bij de wetten van 1 augustus 1985 en 22 december 1989, worden de woorden « artikel 62, §§ 2, 4, 5 en 6 » vervangen door de woorden « artikel 62, §§ 2, 3, 4 en 5 ». Art. 28 Artikel 56octies, tweede lid, van dezelfde wetten, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 21 maart 1985 en gewijzigd bij het koninklijk besluit nr 534 van 31 maart 1987, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Kinderbijslag tegen de bij artikel 40 bepaalde bedragen wordt eveneens verworven door de militair die een onderbrekingstoelage geniet, bedoeld in artikel 3, § 3bis, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen. ».
Art. 29 In artikel 56decies, § 1, van dezelfde wetten, ingevoegd bij de programma
wet van 22 december 1989Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
07/08/1974
pub.
28/10/1998
numac
1998000076
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling
sluiten1, worden de woorden « of van de wet van 27 november 1891 tot beteugeling der landloperij en de bedelarij » geschrapt.
Art. 30 Artikel 58 van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr 534 van 31 maart 1987 en de
wet van 29 december 1990Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/08/1993
pub.
18/12/1998
numac
1998015163
bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet houdende instemming met het Verdrag nr. 148 betreffende de bescherming van de werknemers tegen beroepsrisico's op de werkplaatsen als gevolg van luchtverontreiniging, lawaai en trillingen, aangenomen te Genève op 20 juni 1977 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar drieënzestigste zitting
sluiten5, wordt aangevuld met het volgende lid : « Voor de toepassing van de artikelen 56bis en 56quater moet de afwezigverklaarde ouder of echtgenoot in de loop van de twaalf maanden die onmiddellijk voorafgaan aan de feitelijke afwezigheid vastgesteld in het getuigenverhoor bevolen bij toepassing van artikel 116 van het Burgerlijk Wetboek, de voorwaarden hebben vervuld om aanspraak te maken op minstens zes maandelijkse forfaitaire bijslagen krachtens deze wetten. ».
Art. 31 In artikel 60, § 3, van dezelfde wetten, gewijzigd door de
wet van 22 december 1989Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
07/08/1974
pub.
28/10/1998
numac
1998000076
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling
sluiten1 en het
koninklijk besluit van 21 april 1997Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
01/08/1985
pub.
15/11/2000
numac
2000000832
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet houdende fiscale en andere bepalingen . - hoofdstuk III, afdeling II. - Duitse vertaling
sluiten9, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het punt d) van het 3° wordt opgeheven;2° de paragraaf wordt aangevuld met het volgende lid : « Wanneer de twee ouders, die niet samenwonen, het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen in de zin van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek, over een kind dat deel uitmaakt van het gezin van één van hen, wordt dit kind geacht deel uit te maken van een gezin dat minstens samengesteld is uit zijn beide ouders, voor de toepassing van deze paragraaf.».
Art. 32 Artikel 63bis van dezelfde wetten, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr 534 van 31 maart 1987, wordt opgeheven.
Art. 33 In artikel 64 van dezelfde wetten, gewijzigd door het koninklijk besluit nr 122 van 30 december 1982, het koninklijk besluit nr 207 van 13 september 1983, het koninklijk besluit nr 534 van 31 maart 1987, de
wet van 22 december 1989Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
07/08/1974
pub.
28/10/1998
numac
1998000076
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling
sluiten1 en het
koninklijk besluit van 21 april 1997Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
01/08/1985
pub.
15/11/2000
numac
2000000832
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet houdende fiscale en andere bepalingen . - hoofdstuk III, afdeling II. - Duitse vertaling
sluiten9, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de § 1bis wordt opgeheven;2° in de § 2 worden de woorden « bedoeld in §§ 1 en 1bis » vervangen door de woorden « bedoeld in § 1 »;3° het punt A van de § 2 wordt aangevuld met het volgende lid : « Wanneer de twee ouders, die niet samenwonen, het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen in de zin van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek, over een kind dat bij één van hen wordt opgevoed, worden zij beiden geacht het kind bij zich op te voeden.Dit vermoeden blijft van toepassing wanneer het kind het gezin van één van de ouders verlaat, ten gevolge van een plaatsing in een instelling overeenkomstig artikel 70. Het blijft eveneens van toepassing indien de scheiding na een dergelijke plaatsing gebeurt, op voorwaarde dat het ouderlijk gezag gezamenlijk blijft.».
Art. 34 Artikel 71, § 1bis, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de
wet van 22 december 1989Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
07/08/1974
pub.
28/10/1998
numac
1998000076
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling
sluiten1, wordt aangevuld met het volgende lid : « Indien echter een kinderbijslaginstelling, bedoeld in de artikelen 18bis, 19, 31 en 33, te goeder trouw gezinsbijslag heeft betaald in plaats van een andere instelling bedoeld in die artikelen en die overeenkomstig het eerste lid bevoegd is, dient geen regularisatie van de rekeningen te worden doorgevoerd. ».
Art. 35 In artikel 73quinquies, eerste lid, 2°, van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 5 januari 1976 en gewijzigd bij de
wet van 22 december 1989Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
07/08/1974
pub.
28/10/1998
numac
1998000076
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling
sluiten1, worden tussen de woorden « 56decies » en « en 57 » de woorden « , 56undecies » ingevoegd.
Art. 36 Artikel 77, derde lid, a), van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 27 maart 1951, wordt vervangen door de volgende bepaling : « a) de dagen gedurende welke geen enkele arbeidsprestatie werd volbracht gedurende zes maanden wegens ziekte of ongeval; ».
Art. 37 In de Nederlandse tekst van artikel 91, § 2, c), van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr 28 van 15 december 1978, worden tussen de woorden « verwijlintresten » en « bedoeld » de woorden « betreffende de bijdragen » ingevoegd.
Art. 38 In artikel 101 van dezelfde wetten, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 oktober 1960, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Indien, binnen de termijn van artikel 34, geen gebruik werd gemaakt van de mogelijkheid voorzien in artikel 17, worden de toegelaten compensatiekassen van rechtswege bij de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers aangesloten.»; 2° in het zesde lid, gewijzigd bij de wetten van 21 december 1994 en 29 april 1996, worden de woorden « artikelen 47, 56septies, 62, § 3, » vervangen door de woorden « artikelen 47, 56septies, »;3° in het zevende lid, gewijzigd bij de wetten van 21 december 1994 en 29 april 1996, worden de woorden « derde lid, 2°, 3°, 4°, 7° en 8°.» vervangen door de woorden « de leden 3, 2°, 3°, 4°, 7° en 8°, 4 en 5. ».
Art. 39 Artikel 102, § 2, van dezelfde wetten, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 10 december 1996, wordt aangevuld met de volgende leden : « Niettemin is het recht op kinderbijslag dat de werkvrouwen en het huispersoneel krachtens het eerste lid bezitten, afhankelijk van het ontbreken van een recht op kinderbijslag bij toepassing van andere Belgische of buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regelen van toepassing op het personeel van een volkenrechtelijke instelling.
De Koning kan, op voorstel van het Beheerscomité van de Rijkdienst, categorieën van personen bedoeld in het eerste lid uitsluiten van het recht op kinderbijslag. De Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft kan, op voorstel van het Beheerscomité van de Rijkdienst, de toekenningsvoorwaarden bedoeld in het eerste lid wijzigen. ».
Art. 40 Artikel 107 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor werknemers wordt vervangen door volgende bepalingen : § 1. Bij de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor werknemers wordt een « Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten » ingesteld, dat in de financiering van de personeels- en of werkingskosten kan tussenkomen van : 1° diensten die voor de opvang van kinderen van 2,5 tot 12 jaar buiten de normale schooluren instaan;2° diensten die voor de opvang van zieke kinderen tussen 0 en 12 jaar instaan;3° diensten die, buiten hun normale openingsuren, instaan voor de flexibele opvang van kinderen van 0 tot 12 jaar;4° diensten die instaan voor de noodopvang van kinderen tussen 0 en 3 jaar;5° tot 31 december 1997 : de diensten bedoeld in artikel 57bis, tweede lid, van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, ingevoegd bij artikel 11 van het koninklijk besluit van 27 januari 1997 houdende maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid met toepassing van artikel 7, § 2, van de
wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
01/08/1985
pub.
15/11/2000
numac
2000000832
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet houdende fiscale en andere bepalingen . - hoofdstuk III, afdeling II. - Duitse vertaling
sluiten1 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen. Het Fonds komt enkel tussen in de kosten gedaan voor kinderen die krachtens deze wetten recht geven op kinderbijslag. De Koning kan bij in Ministerraad overlegd besluit, de kring rechtgevende kinderen in de opvang waarvan het Fonds financieel tussenkomt, uitbreiden, in de mate dat, ter dekking van de bijkomende uitgaven hierdoor meegebracht, compenserende geldmiddelen aan het fonds worden toegewezen.
Het Fonds wordt beheerd door het Beheerscomité van de Rijksdienst. § 2. De Koning bepaalt, na het advies van het beheerscomité van de Rijksdienst; 1° de uitrustingen en diensten bedoeld in § 1 die het Fonds mag financieren;2° de wijze waarop en de voorwaarden waaronder die financiering mag gebeuren;3° de voordelen waarop aanspraak kan gemaakt worden ten laste van het Fonds, de toekenningsvoorwaarden en het bedrag van die voordelen. § 3. Het beheerscomité van de Rijksdienst bepaalt in een bijzonder reglement alle andere toepassings-modaliteiten in verband met de werking van het Fonds. Dat reglement treedt in werking na goedkeuring door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft.
Deze goedkeuring wordt verleend binnen de 3 maanden bij gebreke waarvan ze geacht wordt verleend te zijn geweest. § 4. Het Fonds wordt gefinancierd met alle geldmiddelen die het wordt toegewezen door of krachtens een wet. Indien de globale uitgaven voor de in § 1 bedoelde diensten de globale geldmiddelen overschrijden, wordt de betoelaging van deze diensten verhoudingsgewijze verminderd. § 5. De werkingskosten van het Fonds worden op dat Fonds aangerekend. § 6. Het beheerscomité van de Rijksdienst geeft ieder jaar voor 31 maart, rekenschap aan de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft over het beheer van het Fonds. ».
Art. 41 In artikel 120bis van dezelfde wetten, ingevoegd door het koninklijk besluit nr 68 van 10 november 1967, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « Het recht op terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen verjaart door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied.In geen geval is een terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen mogelijk na verloop van deze termijn. »; 2° het derde lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « Het eerste lid is niet toepasselijk indien de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen werden bekomen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen.».
Art. 42 In artikel 1 van de
wet van 20 juli 1971Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
07/08/1974
pub.
28/10/1998
numac
1998000076
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling
sluiten2 tot instelling van de gewaarborgde gezinsbijslag, gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1980, het koninklijk besluit nr 242 van 31 december 1983, de wet van 20 juli 1991 en de wet van 29 april 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « Onverminderd de bepalingen van artikel 10, wordt gezinsbijslag toegekend, onder de bij of krachtens deze wet bepaalde voorwaarden, ten behoeve van het kind dat uitsluitend of hoofdzakelijk ten laste is van een natuurlijke persoon die in België verblijft.De Koning bepaalt welke kinderen als hoofdzakelijk ten laste aangezien worden. »; 2° het vijfde lid wordt aangevuld met de volgende bepaling : « 4° de bijzondere bijslag bedoeld in artikel 10;».
Art. 43 In dezelfde wet wordt een artikel 6bis, luidend als volgt, ingevoegd : « Art. 6bis.C De gewaarborgde gezinsbijslag die verschuldigd is ten behoeve van een kind dat uitsluitend of hoofdzakelijk ten laste is van een vluchteling bedoeld in artikel 1, derde lid, 3°, voor de periode die voorafgaat aan de datum waarop de aanvraag om deze bijslag werd ingediend en die ten vroegste aanvangt overeenkomstig artikel 7, tweede lid, wordt betaald : 1° aan de Staat ten belope van maximaal het bedrag van de verhoging bedoeld in artikel 2 van het ministerieel besluit van 30 januari 1995 tot regeling van de terugbetaling door de Staat van de kosten van de dienstverlening door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn toegekend aan een behoeftige die de Belgische nationaliteit niet bezit en die niet in het bevolkingsregister is ingeschreven, dat de Staat ten laste heeft genomen overeenkomstig de artikelen 5, § 1, 2° en 11, § 2, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor de bovenbedoelde periode;2° aan de persoon bedoeld in artikel 69 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, ten belope van het eventueel saldo. Indien de Staat niet is tussengekomen overeenkomstig het eerste lid, 1°, wordt het bedrag van de gewaarborgde gezinsbijslag volledig betaald aan de persoon bedoeld in het eerste lid, 2°. ».
Art. 44 Artikel 9 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr 242 van 31 december 1983, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 9.C § 1. Het recht op terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde bijslag verjaart door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied. In geen geval is een terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen mogelijk na verloop van deze termijn.
Benevens de redenen bepaald in het Burgerlijk Wetboek, wordt de verjaring gestuit door het eisen van het onverschuldigd uitbetaalde, door middel van een ter post aangetekend aan de schuldenaar betekend schrijven.
Het eerste lid is niet toepasselijk, indien de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen werden bekomen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen. § 2. De Rijksdienst kan afzien van de terugvordering van de onrechtmatig betaalde bijslag indien : 1° de terugvordering om sociale redenen niet aangewezen is of technisch onmogelijk is;2° de terugvordering al te onzeker of te bezwarend blijkt, in verhouding tot het bedrag van de in te vorderen sommen.».
Art. 45 Artikel 10 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr 6 van 11 oktober 1978, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 10.C § 1. De gezinsbijslag bedoeld in deze wet is niet verschuldigd ten behoeve van een kind dat ten laste van een openbare overheid, geplaatst is in een instelling of bij een particulier. § 2. In afwijking van § 1, kan de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft in behartigenswaardige gevallen of categorieën van gevallen, het kraamgeld toekennen voor een kind dat ten laste van een openbare overheid in een instelling of bij een particulier geplaatst is, aan de moeder die de voorwaarden vervult bedoeld in artikel 1, zelfs indien dat kind op het ogenblik van de geboorte niet uitsluitend of hoofdzakelijk ten laste is van deze persoon.
Ingeval de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft de in het vorige lid bedoelde bevoegdheid aanwendt inzake categorieën van gevallen, wint hij vooraf het advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers in. § 3. In afwijking van § 1, wanneer een kind is geplaatst in een instelling, ten laste van een openbare overheid, wordt een forfaitaire bijzondere bijslag toegekend aan de persoon die krachtens deze wet de kinderbijslag genoot voor dat kind, onmiddellijk voorafgaand aan de genoemde maatregel, en die het kind gedeeltelijk blijft opvoeden in de zin van artikel 69 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, op voorwaarde dat de persoon die het kind vóór deze maatregel hoofdzakelijk ten laste had alle voorwaarden bedoeld in de artikelen 1 en 3 blijft vervullen, met uitzondering van de last, en dat het kind de voorwaarden bedoeld in artikel 2 blijft vervullen. ».
Art. 46 Artikel 8 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot uitvoering van de
wet van 20 juli 1971Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
07/08/1974
pub.
28/10/1998
numac
1998000076
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling
sluiten2 tot instelling van de gewaarborgde gezinsbijslag, zoals tot op heden gewijzigd, wordt aangevuld met de volgende paragraaf : « § 5. Het kind dat gerechtigd is op kinderbijslag bij toepassing van de wet, heeft eveneens recht op de bijslagen bedoeld in de artikelen 47, § 1, en 56bis, § 1, van de samengeordende wetten, volgens de regels bepaald bij dezelfde gecoördineerde wetten. » Art. 47 De personeelsleden, waarvan de graden, rangen, niveaus en aantallen door het koninklijk besluit van 14 maart 1995 tot vaststelling van de personeelsformatie van de Bijzondere Verrekenkas voor gezinsvergoedingen ten bate van de arbeiders der diamantnijverheid zijn vastgelegd, worden aan het personeelsbestand van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers toegevoegd. Zij behouden hun graad en bezoldigingsregeling of verkrijgen een gelijkwaardige graad of bezoldigingsregeling.
Het administratief en geldelijk statuut van de personeelsleden van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers is op de overgedragen personeelsleden van toepassing.
Art. 48 De aangeslotenen bij de Bijzondere kas voor gezinsvergoedingen ten bate van de arbeiders der diamantnijverheid worden overgedragen naar de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers.
Art. 49 Om de specifieke belangen van de werknemers van de diamantnijverheid te waarborgen wordt bij de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers, een Technisch Comité opgericht waarvan de samenstelling en de bevoegdheden door de Koning worden bepaald.
Art. 50 Artikel 33, tweede lid, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, ingevoegd door het koninklijk besluit nr 65 van 10 november 1967 en gewijzigd door de wetten van 30 juni 1981 en 1 augustus 1985, wordt vervangen door het hierna volgende lid : « Zijn eveneens van rechtswege bij de Rijksdienst aangesloten : 1° de werkgevers, exploitanten van hotels, restaurants en drankhuizen;2° de werkgevers, reders;3° de werkgevers uit de diamantnijverheid;4° alleen ten behoeve van de hierna vermelde werknemers : a) de werkgevers van huisarbeiders;b) de werkgevers van handelsreizigers en handelsvertegenwoordigers die in dienst zijn van verscheidene werkgevers.».
Art. 51 Artikel 31, zesde lid, van dezelfde wetten en het koninklijk besluit van 22 november 1932 houdende instelling en inrichting van een bijzondere kas voor gezinsvergoedingen ten bate van de arbeiders der diamantnijverheid, gewijzigd door het koninklijk besluit van 27 december 1937, het besluit van de Secretarissen-generaal van 23 mei 1941, het Regentsbesluit van 30 januari 1946 en de koninklijke besluiten van 4 juli 1952, 16 juni 1961 en 23 december 1969, worden opgeheven.
Art. 52 Voor het jaar 1996 wordt een bedrag van 600 miljoen frank overgedragen van het reservefonds van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers, bedoeld in artikel 106 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, naar het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten bedoeld in artikel 107 van dezelfde wetten.
Art. 53 Dit hoofdstuk treedt in werking op de eerste dag van het tweede trimester volgend op dat gedurende welke deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, met uitzondering van : 1° artikel 21 dat uitwerking heeft met ingang van 11 augustus 1991;2° artikel 25, 2°, 3° en 4°, dat uitwerking heeft met ingang van 9 januari 1990;3° artikelen 25, 5°, en 26 die uitwerking hebben met ingang van 1 juli 1987;4° artikelen 27, 35 en 38, 2° en 3°, die uitwerking hebben met ingang van 30 april 1996;5° artikel 28 die in werking treedt op de eerste dag van de maand volgend op de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad;6° artikelen 31 en 33 die uitwerking hebben met ingang van 1 oktober 1997. De bepalingen van artikel 60, § 3, tweede lid, en van artikel 64, § 2, A, laatste lid, van dezelfde wetten, zoals ingevoegd bij de artikelen 31 en 33, alsook deze van artikel 69, § 1, derde lid, van dezelfde wetten, zoals ingevoegd door het
koninklijk besluit van 21 april 1997Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
01/08/1985
pub.
15/11/2000
numac
2000000832
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet houdende fiscale en andere bepalingen . - hoofdstuk III, afdeling II. - Duitse vertaling
sluiten9, zijn van toepassing op de scheidingen die dateren vanaf 1 oktober 1997.
Voor de scheidingen die dateren van vóór 1 oktober 1997 zijn deze bepalingen van toepassing : a) op 1 oktober 1997, wanneer het recht op kinderbijslag pas na die datum wordt gevestigd;b) op het ogenblik van elke wijziging van de ouderschapsregeling of van de gezinssituatie die aanleiding geeft tot een verandering van voorrangsgerechtigde rechthebbende of van bijslagtrekkende;c) op verzoek van één van de ouders, met uitwerking vanaf de eerste dag van de maand die volgt op dit verzoek;7° artikel 40 dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1997;8° artikel 43 dat in werking treedt op de datum bepaald door de Koning;9° de artikelen 47 tot 51 die in werking treden op 1 januari 1998. HOOFDSTUK IV Sociale Zekerheid Art. 54 In artikel 38 van de
wet van 29 juni 1981Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
07/08/1974
pub.
28/10/1998
numac
1998000076
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling
sluiten9 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, gewijzigd voor de laatste keer door het koninklijk besluit van 20 december 1996, wordt een § 3quinquies ingevoegd, luidend als volgt : « § 3quinquies. Er wordt met ingang van 1 januari 1999 ten laste van de werkgever een bijdrage van 0,05 %, berekend op het loon van de werknemer, bedoeld in artikel 23, ingevoerd.
De bijdrage wordt door de werkgever betaald aan de instelling belast met de inning van de sociale-zekerheidsbijdragen, binnen dezelfde termijnen en onder dezelfde voorwaarden als de sociale-zekerheidsbijdragen voor de werknemers.
Deze bijdrage wordt toegewezen aan het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten, ingesteld bij de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers bij toepassing van artikel 107, § 1, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939.
Deze bijdrage wordt gelijkgesteld met de sociale-zekerheidsbijdragen, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning en de invording van de bijdragen. ».
Art. 55 Een artikel 57ter wordt ingevoegd in de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, gewijzigd door koninklijk besluit van 27 januari 1997 : « Art. 57ter.C Vanuit het reservefonds van de Rijksdienst voor Kinderbijslag bedoeld in artikel 106 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslagen voor loonarbeiders, wordt een bedrag van 650 miljoen frank overgeheveld naar het Fonds voor Collectieve uitrustingen en diensten bedoeld in artikel 107 van dezelfde samengeordende wetten.
Het gedeelte hiervan dat de reële uitgaven voor 1997 verbonden met de opdrachten bedoeld in artikel 57bis, lid 2 overstijgt, wordt naar aanleiding van de afsluiting van de rekeningen 1997 opnieuw overgeheveld naar het reservefonds volgens door de Minister te bepalen modaliteiten. ».
Art. 56 In artikel 3 van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij, gewijzigd voor de laatste keer door het koninklijk besluit van 18 april 1997, wordt een § 3quater ingevoegd, luidend als volgt : « § 3quater. Er wordt met ingang van 1 januari 1999 ten laste van de reder een bijdrage van 0,05 %, berekend op het loon van de zeeman, bedoeld in artikel 3, § 1, ingevoerd.
Deze bijdrage wordt toegewezen aan het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten, ingesteld bij de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers bij toepassing van artikel 107, § 1, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939.
De bijdrage wordt door de reder betaald aan de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden, binnen dezelfde termijnen en onder dezelfde voorwaarden als de sociale-zekerheidsbijdragen voor de zeelieden.
Deze bijdrage wordt gelijkgesteld met de sociale-zekerheidsbijdragen, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden. ».
Art. 57 In artikel 2, van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en er mee gelijkgestelden, gewijzigd voor de laatste keer door de
wet van 26 juni 1992Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
07/08/1974
pub.
28/10/1998
numac
1998000076
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling
sluiten8, wordt een § 3quater ingevoegd, luidend als volgt : « § 3quater. Er wordt met ingang van 1 januari 1999 ten laste van de werkgever een bijdrage van 0,05 %, berekend op het loon van de arbeider, bedoeld in § 1, ingevoerd.
Deze bijdrage wordt toegewezen aan het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten, ingesteld bij de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers bij toepassing van artikel 107, § 1, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939.
De bijdrage wordt door de werkgever betaald aan de instelling belast met de inning van de bijdragen voor mijnwerkers, binnen dezelfde termijnen en onder dezelfde voorwaarden als de sociale-zekerheidsbijdragen voor de mijnwerkers.
Deze bijdrage wordt gelijkgesteld met de sociale-zekerheidsbijdragen, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning van de bijdragen voor mijnwerkers. ».
Art. 58 Artikel 14 van het koninklijk besluit van 27 januari 1997 houdende maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid met toepassing van artikel 7, § 2, van de
wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
01/08/1985
pub.
15/11/2000
numac
2000000832
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet houdende fiscale en andere bepalingen . - hoofdstuk III, afdeling II. - Duitse vertaling
sluiten1 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen wordt vervangen door de volgende bepaling : « In 1997 wordt een bedrag van 500 miljoen frank afgenomen van de opbrengst van de werkgeversbijdrage voor de bevordering van initiatieven inzake kinderopvang bedoeld in artikel 23 van de
wet van 3 april 1995Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
07/08/1974
pub.
28/10/1998
numac
1998000076
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling
sluiten4 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling en toegewezen aan het stelsel van educatief verlof bedoeld in afdeling 6 van Hoofdstuk IV van de herstel
wet van 22 januari 1985Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
01/08/1985
pub.
15/11/2000
numac
2000000832
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet houdende fiscale en andere bepalingen . - hoofdstuk III, afdeling II. - Duitse vertaling
sluiten3.
In 1998 wordt eenzelfde bedrag van 500 miljoen frank afgenomen van het reservefonds van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers bedoeld in artikel 106 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en toegewezen aan het stelsel van educatief verlof bedoeld in afdeling 6 van Hoofdstuk IV van de herstel
wet van 22 januari 1985Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
01/08/1985
pub.
15/11/2000
numac
2000000832
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet houdende fiscale en andere bepalingen . - hoofdstuk III, afdeling II. - Duitse vertaling
sluiten3.
De voorwaarden en nadere regelen van deze overdrachten worden door de Koning bepaald. ».
Art. 59 Artikel 27 van de
wet van 27 juni 1969Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
07/08/1974
pub.
28/10/1998
numac
1998000076
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling
sluiten6 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt aangevuld met het volgende lid : « De Koning kan, aan de categorieën werkgevers die hij bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, een financiële tussenkomst toekennen in de aansluitingskosten bij een erkend sociaal secretariaat, waarvan Hij het bedrag, de voorwaarden en de nadere regelen van de toekenning bepaalt. ».
Art. 60 Artikel 131 van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 131.C In de
wet van 27 juni 1969Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
07/08/1974
pub.
28/10/1998
numac
1998000076
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling
sluiten6 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt een artikel 6bis ingevoegd, luidend als volgt : « Art. 6bis.C § 1. De Rijksdienst voor sociale zekerheid wordt belast met de inning en de invordering van de bijdragen ingesteld in overeenstemming met de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden. § 2. Voor de uitvoering van deze opdracht wordt een administratieve cel samengesteld, bestaande uit personeel van het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers.
Deze cel beschikt over een organiek en een taalkader, verschillend van dit van de Rijksdienst. § 3. Op voorstel van de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft, kan de Koning bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit beslissen dat deze cel ophoudt te bestaan en deze betrekkingen, voorzien in zijn bijzonder kader, integreren in het organiek kader van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. ». ».
Art. 61 Artikel 134 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 134.C In artikel 2 van de
wet van 29 juni 1981Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
07/08/1974
pub.
28/10/1998
numac
1998000076
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling
sluiten9 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, wordt een § 3bis ingevoegd, luidend als volgt : « § 3bis. Onverminderd § 3 wordt het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers, bedoeld in artikel 3, § 1, van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de Mijnwerkers en ermee gelijkgestelden, afgeschaft.
Zijn diensten, evenals zijn personeel, worden overgenomen door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering die het voortzetten zullen verzekeren respectievelijk van de opdrachten die tot op die datum door voornoemd Fonds werden vervuld betreffende de inning en de invordering van de bijdragen ingesteld in overeenstemming met de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden en de toepassing van de bepalingen betreffende het invaliditeitspensioen waarin voornoemde besluitwet voorziet.
De passiva en activa, de rechten en verplichtingen van het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers worden door het Rijksinstituut voor Ziekte- en invaliditeitsverzekering overgenomen.
De Koning bepaalt, bij in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden en de datum voor de overdracht van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde diensten en personeel. ». ».
Art. 62 Artikel 135 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 135.C In de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt een artikel 78bis ingevoegd, luidend als volgt : « Art. 78bis.C § 1. De Dienst voor Uitkeringen wordt belast met de toepassing van de bepalingen betreffende het invaliditeitspensioen waarin voorzien door de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden. § 2. Er wordt een Beheerscomité opgericht met als naam « Beheerscomité voor de mijnwerkers ».
Dit comité is samengesteld, in gelijk aantal, uit de vertegenwoordigers van de representat …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.