Wet houdende sociale bepalingen
Kort samengevat
Deze wet wijzigt bestaande bepalingen over arbeidsongevallen en beroepsziekten, met name de financiële regelingen en de bevoegdheden van de Koning en het Fonds voor arbeidsongevallen. Het doel is om de sociale bescherming en de financiering van uitkeringen te verduidelijken en te optimaliseren.
Wat het reguleert
- De berekening en toekenning van bijslagen en kapitalen voor arbeidsongevallen.
- De financiering van lasten van gemachtigde verzekeraars en het Fonds voor arbeidsongevallen bij indexeringsverschillen.
- De voorwaarden voor het afsluiten van arbeidsongevallenverzekeringen door werkgevers.
- De adviesverlening en onderzoeken door het Fonds voor beroepsziekten met betrekking tot beroepsziekterisico's.
Wie het aanbelangt
- Getroffenen van arbeidsongevallen en beroepsziekten, en hun rechthebbenden.
- Werkgevers, gemachtigde verzekeraars en het Fonds voor arbeidsongevallen.
Kernpunten
- De Koning bepaalt het bedrag en de toekenningsmodaliteiten van bijzondere bijslagen voor arbeidsongevallen.
- Het kapitaal voor arbeidsongevallen wordt berekend op basis van een door de Koning vastgesteld tarief en de leeftijd van de getroffene of rechthebbende.
- Werkgevers moeten een verplichte ongevallenverzekering afsluiten bij een gemachtigde verzekeraar waarmee zij geen juridische of commerciële binding hebben.
- Bij een hoger indexeringsvoet dan de referentie-intrestvoet, neemt de Koning initiatieven om het evenwicht tussen lasten en opbrengsten van verzekeraars en het Fonds voor arbeidsongevallen te waarborgen.
Wettekst
Wet houdende sociale bepalingen (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL 1 Alge
« Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten » ingesteld, dat in de financiering van de personeels- en of werkingskosten kan tussenkomen van : 1° diensten die voor de opvang van kinderen van 2,5 tot 12 jaar buiten de normale schooluren instaan;2° diensten die voor de opvang van zieke kinderen tussen 0 en 12 jaar instaan;3° diensten die, buiten hun normale openingsuren, instaan voor de flexibele opvang van kinderen van 0 tot 12 jaar;4° diensten die instaan voor de noodopvang van kinderen tussen 0 en 3 jaar;5° tot 31 december 1997 : de diensten bedoeld in artikel 57bis, tweede lid, van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, ingevoegd bij artikel 11 van het koninklijk besluit van 27 januari 1997 houdende maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/08/1985 pub. 15/11/2000 numac 2000000832 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende fiscale en andere bepalingen . - hoofdstuk III, afdeling II. - Duitse vertaling sluiten1 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen. Het Fonds komt enkel tussen in de kosten gedaan voor kinderen die krachtens deze wetten recht geven op kinderbijslag. De Koning kan bij in Ministerraad overlegd besluit, de kring rechtgevende kinderen in de opvang waarvan het Fonds financieel tussenkomt, uitbreiden, in de mate dat, ter dekking van de bijkomende uitgaven hierdoor meegebracht, compenserende geldmiddelen aan het fonds worden toegewezen. Het Fonds wordt beheerd door het Beheerscomité van de Rijksdienst. §
- De Koning bepaalt, na het advies van het beheerscomité van de Rijksdienst; 1° de uitrustingen en diensten bedoeld in § 1 die het Fonds mag financieren;2° de wijze waarop en de voorwaarden waaronder die financiering mag gebeuren;3° de voordelen waarop aanspraak kan gemaakt worden ten laste van het Fonds, de toekenningsvoorwaarden en het bedrag van die voordelen. §
- Het beheerscomité van de Rijksdienst bepaalt in een bijzonder reglement alle andere toepassings-modaliteiten in verband met de werking van het Fonds. Dat reglement treedt in werking na goedkeuring door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft. Deze goedkeuring wordt verleend binnen de 3 maanden bij gebreke waarvan ze geacht wordt verleend te zijn geweest. §
- Het Fonds wordt gefinancierd met alle geldmiddelen die het wordt toegewezen door of krachtens een wet. Indien de globale uitgaven voor de in § 1 bedoelde diensten de globale geldmiddelen overschrijden, wordt de betoelaging van deze diensten verhoudingsgewijze verminderd. §
- De werkingskosten van het Fonds worden op dat Fonds aangerekend. §
- Het beheerscomité van de Rijksdienst geeft ieder jaar voor 31 maart, rekenschap aan de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft over het beheer van het Fonds. ». Art. 41 In artikel 120bis van dezelfde wetten, ingevoegd door het koninklijk besluit nr 68 van 10 november 1967, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « Het recht op terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen verjaart door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied.In geen geval is een terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen mogelijk na verloop van deze termijn. »; 2° het derde lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « Het eerste lid is niet toepasselijk indien de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen werden bekomen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen.». Art. 42 In artikel 1 van de wet van 20 juli 1971Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten2 tot instelling van de gewaarborgde gezinsbijslag, gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1980, het koninklijk besluit nr 242 van 31 december 1983, de wet van 20 juli 1991 en de wet van 29 april 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « Onverminderd de bepalingen van artikel 10, wordt gezinsbijslag toegekend, onder de bij of krachtens deze wet bepaalde voorwaarden, ten behoeve van het kind dat uitsluitend of hoofdzakelijk ten laste is van een natuurlijke persoon die in België verblijft.De Koning bepaalt welke kinderen als hoofdzakelijk ten laste aangezien worden. »; 2° het vijfde lid wordt aangevuld met de volgende bepaling : « 4° de bijzondere bijslag bedoeld in artikel 10;». Art. 43 In dezelfde wet
artikel 6bis, luidend als volgt, ingevoegd : « Art. 6bis.C De gewaarborgde gezinsbijslag die verschuldigd is ten behoeve van een kind dat uitsluitend of hoofdzakelijk ten laste is van een vluchteling bedoeld in artikel 1, derde lid, 3°, voor de periode die voorafgaat aan de datum waarop de aanvraag om deze bijslag werd ingediend en die ten vroegste aanvangt overeenkomstig artikel 7, tweede lid, wordt betaald : 1° aan de Staat ten belope van maximaal het bedrag van de verhoging bedoeld in artikel 2 van het ministerieel besluit van 30 januari 1995 tot regeling van de terugbetaling door de Staat van de kosten van de dienstverlening door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn toegekend aan een behoeftige die de Belgische nationaliteit niet bezit en die niet in het bevolkingsregister is ingeschreven, dat de Staat ten laste heeft genomen overeenkomstig de artikelen 5, § 1, 2° en 11, § 2, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor de bovenbedoelde periode;2° aan de persoon bedoeld in artikel 69 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, ten belope van het eventueel saldo. Indien de Staat niet is tussengekomen overeenkomstig het eerste lid, 1°, wordt het bedrag van de gewaarborgde gezinsbijslag volledig betaald aan de persoon bedoeld in het eerste lid, 2°. ». Art. 44 Artikel 9 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr 242 van 31 december 1983, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 9.C §
- Het recht op terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde bijslag verjaart door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied. In geen geval is een terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen mogelijk na verloop van deze termijn. Benevens de redenen bepaald in het Burgerlijk Wetboek, wordt de verjaring gestuit door het eisen van het onverschuldigd uitbetaalde, door middel van een ter post aangetekend aan de schuldenaar betekend schrijven. Het eerste lid is niet toepasselijk, indien de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen werden bekomen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen. §
- De Rijksdienst kan afzien van de terugvordering van de onrechtmatig betaalde bijslag indien : 1° de terugvordering om sociale redenen niet aangewezen is of technisch onmogelijk is;2° de terugvordering al te onzeker of te bezwarend blijkt, in verhouding tot het bedrag van de in te vorderen sommen.». Art. 45 Artikel 10 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr 6 van 11 oktober 1978, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 10.C §
- De gezinsbijslag bedoeld in deze wet is niet verschuldigd ten behoeve van een kind dat ten laste van een openbare overheid, geplaatst is in een instelling of bij een particulier. §
- In afwijking van § 1, kan de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft in behartigenswaardige gevallen of categorieën van gevallen, het kraamgeld toekennen voor een kind dat ten laste van een openbare overheid in een instelling of bij een particulier geplaatst is, aan de moeder die de voorwaarden vervult bedoeld in artikel 1, zelfs indien dat kind op het ogenblik van de geboorte niet uitsluitend of hoofdzakelijk ten laste is van deze persoon. Ingeval de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft de in het vorige lid bedoelde bevoegdheid aanwendt inzake categorieën van gevallen, wint hij vooraf het advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers in. §
- In afwijking van § 1, wanneer een kind is geplaatst in een instelling, ten laste van een openbare overheid,
forfaitaire bijzondere bijslag toegekend aan de persoon die krachtens deze wet de kinderbijslag genoot voor dat kind, onmiddellijk voorafgaand aan de genoemde maatregel, en die het kind gedeeltelijk blijft opvoeden in de zin van artikel 69 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, op voorwaarde dat de persoon die het kind vóór deze maatregel hoofdzakelijk ten laste had alle voorwaarden bedoeld in de artikelen 1 en 3 blijft vervullen, met uitzondering van de last, en dat het kind de voorwaarden bedoeld in artikel 2 blijft vervullen. ». Art. 46 Artikel 8 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot uitvoering van de wet van 20 juli 1971Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten2 tot instelling van de gewaarborgde gezinsbijslag, zoals tot op heden gewijzigd, wordt aangevuld met de volgende paragraaf : « § 5. Het kind dat gerechtigd is op kinderbijslag bij toepassing van de wet, heeft eveneens recht op de bijslagen bedoeld in de artikelen 47, § 1, en 56bis, § 1, van de samengeordende wetten, volgens de regels bepaald bij dezelfde gecoördineerde wetten. » Art. 47 De personeelsleden, waarvan de graden, rangen, niveaus en aantallen door het koninklijk besluit van 14 maart 1995 tot vaststelling van de personeelsformatie van de Bijzondere Verrekenkas voor gezinsvergoedingen ten bate van de arbeiders der diamantnijverheid zijn vastgelegd, worden aan het personeelsbestand van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers toegevoegd. Zij behouden hun graad en bezoldigingsregeling of verkrijgen een gelijkwaardige graad of bezoldigingsregeling. Het administratief en geldelijk statuut van de personeelsleden van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers is op de overgedragen personeelsleden van toepassing. Art. 48 De aangeslotenen bij de Bijzondere kas voor gezinsvergoedingen ten bate van de arbeiders der diamantnijverheid worden overgedragen naar de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers. Art. 49 Om de specifieke belangen van de werknemers van de diamantnijverheid te waarborgen wordt bij de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers, een Technisch Comité opgericht waarvan de samenstelling en de bevoegdheden door de Koning worden bepaald. Art. 50 Artikel 33, tweede lid, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, ingevoegd door het koninklijk besluit nr 65 van 10 november 1967 en gewijzigd door de wetten van 30 juni 1981 en 1 augustus 1985, wordt vervangen door het hierna volgende lid : « Zijn eveneens van rechtswege bij de Rijksdienst aangesloten : 1° de werkgevers, exploitanten van hotels, restaurants en drankhuizen;2° de werkgevers, reders;3° de werkgevers uit de diamantnijverheid;4° alleen ten behoeve van de hierna vermelde werknemers : a) de werkgevers van huisarbeiders;b) de werkgevers van handelsreizigers en handelsvertegenwoordigers die in dienst zijn van verscheidene werkgevers.». Art. 51 Artikel 31, zesde lid, van dezelfde wetten en het koninklijk besluit van 22 november 1932 houdende instelling en inrichting van een bijzondere kas voor gezinsvergoedingen ten bate van de arbeiders der diamantnijverheid, gewijzigd door het koninklijk besluit van 27 december 1937, het besluit van de Secretarissen-generaal van 23 mei 1941, het Regentsbesluit van 30 januari 1946 en de koninklijke besluiten van 4 juli 1952, 16 juni 1961 en 23 december 1969, worden opgeheven. Art. 52 Voor het jaar 1996
bedrag van 600 miljoen frank overgedragen van het reservefonds van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers, bedoeld in artikel 106 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, naar het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten bedoeld in artikel 107 van dezelfde wetten. Art. 53 Dit hoofdstuk treedt in werking op de eerste dag van het tweede trimester volgend op dat gedurende welke deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, met uitzondering van : 1° artikel 21 dat uitwerking heeft met ingang van 11 augustus 1991;2° artikel 25, 2°, 3° en 4°, dat uitwerking heeft met ingang van 9 januari 1990;3° artikelen 25, 5°, en 26 die uitwerking hebben met ingang van 1 juli 1987;4° artikelen 27, 35 en 38, 2° en 3°, die uitwerking hebben met ingang van 30 april 1996;5° artikel 28 die in werking treedt op de eerste dag van de maand volgend op de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad;6° artikelen 31 en 33 die uitwerking hebben met ingang van 1 oktober
- De bepalingen van artikel 60, § 3, tweede lid, en van artikel 64, § 2, A, laatste lid, van dezelfde wetten, zoals ingevoegd bij de artikelen 31 en 33, alsook deze van artikel 69, § 1, derde lid, van dezelfde wetten, zoals ingevoegd door het koninklijk besluit van 21 april 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/08/1985 pub. 15/11/2000 numac 2000000832 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende fiscale en andere bepalingen . - hoofdstuk III, afdeling II. - Duitse vertaling sluiten9, zijn van toepassing op de scheidingen die dateren vanaf 1 oktober
- Voor de scheidingen die dateren van vóór 1 oktober 1997 zijn deze bepalingen van toepassing : a) op 1 oktober 1997, wanneer het recht op kinderbijslag pas na die datum wordt gevestigd;b) op het ogenblik van elke wijziging van de ouderschapsregeling of van de gezinssituatie die aanleiding geeft tot een verandering van voorrangsgerechtigde rechthebbende of van bijslagtrekkende;c) op verzoek van één van de ouders, met uitwerking vanaf de eerste dag van de maand die volgt op dit verzoek;7° artikel 40 dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1997;8° artikel 43 dat in werking treedt op de datum bepaald door de Koning;9° de artikelen 47 tot 51 die in werking treden op 1 januari
- HOOFDSTUK IV Sociale Zekerheid Art. 54 In artikel 38 van de wet van 29 juni 1981Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten9 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, gewijzigd voor de laatste keer door het koninklijk besluit van 20 december 1996,
§ 3quinquies ingevoegd, luidend als volgt : « § 3quinquies.
Er wordt met ingang van 1 januari 1999 ten laste van de werkgever een bijdrage van 0,05 %, berekend op het loon van de werknemer, bedoeld in artikel 23, ingevoerd. De bijdrage wordt door de werkgever betaald aan de instelling belast met de inning van de sociale-zekerheidsbijdragen, binnen dezelfde termijnen en onder dezelfde voorwaarden als de sociale-zekerheidsbijdragen voor de werknemers. Deze bijdrage wordt toegewezen aan het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten, ingesteld bij de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers bij toepassing van artikel 107, § 1, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939. Deze bijdrage wordt gelijkgesteld met de sociale-zekerheidsbijdragen, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning en de invording van de bijdragen. ». Art. 55 Een artikel 57ter wordt ingevoegd in de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, gewijzigd door koninklijk besluit van 27 januari 1997 : « Art. 57ter.C Vanuit het reservefonds van de Rijksdienst voor Kinderbijslag bedoeld in artikel 106 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslagen voor loonarbeiders,
bedrag van 650 miljoen frank overgeheveld naar het Fonds voor Collectieve uitrustingen en diensten bedoeld in artikel 107 van dezelfde samengeordende wetten. Het gedeelte hiervan dat de reële uitgaven voor 1997 verbonden met de opdrachten bedoeld in artikel 57bis, lid 2 overstijgt, wordt naar aanleiding van de afsluiting van de rekeningen 1997 opnieuw overgeheveld naar het reservefonds volgens door de Minister te bepalen modaliteiten. ». Art. 56 In artikel 3 van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij, gewijzigd voor de laatste keer door het koninklijk besluit van 18 april 1997,
§ 3quater ingevoegd, luidend als volgt : « § 3quater.
Er wordt met ingang van 1 januari 1999 ten laste van de reder een bijdrage van 0,05 %, berekend op het loon van de zeeman, bedoeld in artikel 3, § 1, ingevoerd. Deze bijdrage wordt toegewezen aan het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten, ingesteld bij de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers bij toepassing van artikel 107, § 1, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939. De bijdrage wordt door de reder betaald aan de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden, binnen dezelfde termijnen en onder dezelfde voorwaarden als de sociale-zekerheidsbijdragen voor de zeelieden. Deze bijdrage wordt gelijkgesteld met de sociale-zekerheidsbijdragen, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden. ». Art. 57 In artikel 2, van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en er mee gelijkgestelden, gewijzigd voor de laatste keer door de wet van 26 juni 1992Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten8,
§ 3quater ingevoegd, luidend als volgt : « § 3quater.
Er wordt met ingang van 1 januari 1999 ten laste van de werkgever een bijdrage van 0,05 %, berekend op het loon van de arbeider, bedoeld in § 1, ingevoerd. Deze bijdrage wordt toegewezen aan het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten, ingesteld bij de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers bij toepassing van artikel 107, § 1, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939. De bijdrage wordt door de werkgever betaald aan de instelling belast met de inning van de bijdragen voor mijnwerkers, binnen dezelfde termijnen en onder dezelfde voorwaarden als de sociale-zekerheidsbijdragen voor de mijnwerkers. Deze bijdrage wordt gelijkgesteld met de sociale-zekerheidsbijdragen, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning van de bijdragen voor mijnwerkers. ». Art. 58 Artikel 14 van het koninklijk besluit van 27 januari 1997 houdende maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/08/1985 pub. 15/11/2000 numac 2000000832 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende fiscale en andere bepalingen . - hoofdstuk III, afdeling II. - Duitse vertaling sluiten1 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen wordt vervangen door de volgende bepaling : « In 1997
bedrag van 500 miljoen frank afgenomen van de opbrengst van de werkgeversbijdrage voor de bevordering van initiatieven inzake kinderopvang bedoeld in artikel 23 van de wet van 3 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten4 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling en toegewezen aan het stelsel van educatief verlof bedoeld in afdeling 6 van Hoofdstuk IV van de herstel wet van 22 januari 1985Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/08/1985 pub. 15/11/2000 numac 2000000832 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende fiscale en andere bepalingen . - hoofdstuk III, afdeling II. - Duitse vertaling sluiten3. In 1998
zelfde bedrag van 500 miljoen frank afgenomen van het reservefonds van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers bedoeld in artikel 106 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en toegewezen aan het stelsel van educatief verlof bedoeld in afdeling 6 van Hoofdstuk IV van de herstel wet van 22 januari 1985Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/08/1985 pub. 15/11/2000 numac 2000000832 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende fiscale en andere bepalingen . - hoofdstuk III, afdeling II. - Duitse vertaling sluiten3. De voorwaarden en nadere regelen van deze overdrachten worden door de Koning bepaald. ». Art. 59 Artikel 27 van de wet van 27 juni 1969Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten6 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt aangevuld met het volgende lid : « De Koning kan, aan de categorieën werkgevers die hij bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, een financiële tussenkomst toekennen in de aansluitingskosten bij een erkend sociaal secretariaat, waarvan Hij het bedrag, de voorwaarden en de nadere regelen van de toekenning bepaalt. ». Art. 60 Artikel 131 van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 131.C In de wet van 27 juni 1969Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten6 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders,
artikel 6bis ingevoegd, luidend als volgt : « Art. 6bis.C §
- De Rijksdienst voor sociale zekerheid wordt belast met de inning en de invordering van de bijdragen ingesteld in overeenstemming met de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden. §
- Voor de uitvoering van deze opdracht
administratieve cel samengesteld, bestaande uit personeel van het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers. Deze cel beschikt over een organiek en een taalkader, verschillend van dit van de Rijksdienst. § 3. Op voorstel van de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft, kan de Koning bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit beslissen dat deze cel ophoudt te bestaan en deze betrekkingen, voorzien in zijn bijzonder kader, integreren in het organiek kader van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. ». ». Art. 61 Artikel 134 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 134.C In artikel 2 van de wet van 29 juni 1981Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten9 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers,
§ 3bis ingevoegd, luidend als volgt : « § 3bis.
Onverminderd § 3 wordt het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers, bedoeld in artikel 3, § 1, van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de Mijnwerkers en ermee gelijkgestelden, afgeschaft. Zijn diensten, evenals zijn personeel, worden overgenomen door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering die het voortzetten zullen verzekeren respectievelijk van de opdrachten die tot op die datum door voornoemd Fonds werden vervuld betreffende de inning en de invordering van de bijdragen ingesteld in overeenstemming met de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden en de toepassing van de bepalingen betreffende het invaliditeitspensioen waarin voornoemde besluitwet voorziet. De passiva en activa, de rechten en verplichtingen van het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers worden door het Rijksinstituut voor Ziekte- en invaliditeitsverzekering overgenomen. De Koning bepaalt, bij in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden en de datum voor de overdracht van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde diensten en personeel. ». ». Art. 62 Artikel 135 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 135.C In de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994,
artikel 78bis ingevoegd, luidend als volgt : « Art. 78bis.C §
- De Dienst voor Uitkeringen wordt belast met de toepassing van de bepalingen betreffende het invaliditeitspensioen waarin voorzien door de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden. §
- Er
Beheerscomité opgericht met als naam « Beheerscomité voor de mijnwerkers ». Dit comité is samengesteld, in gelijk aantal, uit de vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van alle werknemers en werkgevers. De Koning stelt het aantal werkende en plaatsvervangende vertegenwoordigers vast en benoemt ze. Hij benoemt de voorzitter. Hij bepaalt de werkingsregelen van het Beheerscomité. Twee regeringscommissarissen, die de Koning benoemt respectievelijk op voordracht van de Minister die Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft en de Minister die Financien onder zijn bevoegdheid heeft, wonen de vergaderingen van het comité bij met raadgevende stem. De Administrateur-generaal bedoeld in § 4 wordt door de Koning benoemd en hij wordt onder het gezag van dit Beheerscomité geplaatst. § 3. Voor de uitvoering van de opdracht bedoeld in § 1
administratieve cel samengesteld, bestaande uit personeel van de centrale administratie van het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers en van de Voorzorgskassen. Deze cel beschikt over een personeelsformatie en taalkaders verschillend van die van de andere diensten van het instituut. § 4. Er
betrekking van administrateur-generaal gecreëerd om de leiding te verzekeren van de cel bedoeld in §
- ». ». Art. 63 In artikel 1 van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid der mijnwerkers worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden « het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers » vervangen door de woorden « de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid »;2° in het eerste lid, 2°, gewijzigd bij de wet van 28 april 1958Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten7, worden de woorden « zoals zij ingericht is door de statuten van het Nationaal Fonds » geschrapt;3° het eerste lid, 6°, wordt vervangen door de volgende bepaling : « 6° In te staan voor de betaling van het vakantiegeld voor mijnwerkers en ermee gelijkgestelden.». Art. 64 In artikel 2bis van dezelfde besluitwet, ingevoegd bij de wet van 2 januari 1960, worden de woorden « het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers » vervangen door de woorden « de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid ». Art. 65 In artikel 5 van dezelfde besluitwet, worden de woorden « van de door het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers » vervangen door de woorden « van de door de Rijksdienst voor sociale zekerheid ». Art. 66 In artikel 9 van dezelfde besluitwet worden de woorden « het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers » vervangen door de woorden « de Rijksdienst voor Pensioenen ». Art. 67 In dezelfde besluitwet worden opgeheven : 1° artikel 3, gewijzigd bij de wet van 10 oktober 1967Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/10/1967 pub. 10/09/1997 numac 1997000085 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende het Gerechtelijk Wetboek - Duitse vertaling van de artikelen 728 en 1017 sluiten, bij het koninklijk besluit nr 50 van 24 oktober 1967 en bij de wet van 6 augustus 1993Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/08/1993 pub. 18/12/1998 numac 1998015163 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Verdrag nr. 148 betreffende de bescherming van de werknemers tegen beroepsrisico's op de werkplaatsen als gevolg van luchtverontreiniging, lawaai en trillingen, aangenomen te Genève op 20 juni 1977 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar drieënzestigste zitting sluiten;2° artikel 4, gewijzigd bij de wet van 28 april 1958Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten7;3° artikel
- Art. 68 Artikel 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 18 juni 1976 tot uitvoering van artikel 46 van de wet van 30 maart 1976 betreffende de economische herstelmaatregelen, vervangen bij het koninklijk besluit nr 466 van 1 oktober 1986, wordt vervangen door het volgende lid : « Dit besluit is tevens van toepassing op de beoefenaars van vrije beroepen evenals op de vennootschappen die opgericht worden in het kader van de uitoefening van deze beroepen. ». Art. 69 Artikel 8, tweede lid van de wet van 3 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten4 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling, wordt aangevuld als volgt : « 6° de bepalingen van het koninklijk besluit nr 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces. ». Art. 70 Artikel 69 heeft uitwerking van 1 januari 1995 tot 31 december
- Art. 71 Artikel 107, 2°, van de wet van 30 maart 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/08/1993 pub. 18/12/1998 numac 1998015163 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Verdrag nr. 148 betreffende de bescherming van de werknemers tegen beroepsrisico's op de werkplaatsen als gevolg van luchtverontreiniging, lawaai en trillingen, aangenomen te Genève op 20 juni 1977 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar drieënzestigste zitting sluiten6 houdende sociale bepalingen, gewijzigd bij de wet van 10 april 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling : 2° « Gezinsinkomen » : het totale belastbare netto-inkomen vastgesteld overeenkomstig de artikelen 7 tot 116, 129 en 228 tot 242 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, hieronder niet begrepen de overeenkomstig artikel 171 van voormeld Wetboek afzonderlijk belaste inkomsten, verminderd met het bedrag van de in artikelen 34 en 228, § 2, 6°, van dat Wetboek vermelde pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen, de beroepsinkomsten bedoeld in de artikelen 155 en 156, 2°, van dat Wetboek, alsmede met het bedrag van de in artikel 23, § 1, 4°, van dat Wetboek vermelde bezoldigingen verkregen in Duitsland, Frankrijk en Nederland waarop respectievelijk de artikelen 15, § 3, 1°, en 21, 11, § 2, c, en 18, en 15, § 3, 1°, en 22, van de met die landen gesloten overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing zijn en die in die landen aan een sociale wetgeving gelijkaardig aan die vermeld in artikel 106, § 1, zijn onderworpen. Art. 72 §
- Artikel 71 heeft uitwerking met ingang van het aanslagjaar
- §
- Onverminderd artikel 371 van hetzelfde Wetboek, wordt de ontheffing van de belastingen die verbonden zijn aan de aanslagjaren 1995 en 1996 en die werden gevestigd in strijd met het artikel 69, toegekend ingevolge een bezwaarschrift ingediend binnen de zes maanden na de bekendmaking van deze wet bij de directeur der directe belastingen van de provincie of het gewest in wiens ambtsgebied de aanslag is gevestigd. Art. 73 Artikel 3, § 1, derde lid, van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij, vervangen door het koninklijk besluit van 18 april 1997, wordt aangevuld als volgt : « , ingevolge deze wet of andere wettelijke of reglementaire bepalingen. ». Art. 74 Artikel 73 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1997 en houdt op van kracht te zijn op 31 december
- HOOFDSTUK V Verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen Afdeling I Bewijskracht Art. 75 §
- In de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994,
artikel 9bis ingevoegd, luidend als volgt : « Art. 9bis.C De Koning kan de voorwaarden bepalen waaronder bewijskracht tot bewijs van het tegendeel kan worden verleend aan de in het raam van deze gecoördineerde wet en haar uitvoeringsbesluiten vereiste gegevens die door zorgverleners, verzekeringsinstellingen, het Nationaal intermutualistich college of het Instituut door middel van fotografische, optische, elektronische, magnetische of elke andere techniek worden opgeslagen, verwerkt of meegedeeld, alsmede aan de weergave van dergelijke gegevens op een papieren of andere leesbare informatiedrager. Het vorige lid is eveneens van toepassing op gegevens die door andere dan in dat lid bedoelde natuurlijke of rechtspersonen worden bijgehouden of overgemaakt met toepassing van deze gecoördineerde wet en haar uitvoeringsbesluiten. De Koning bepaalt de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, na advies van het Comité van de dienst voor administratieve controle, van het Comité van de dienst voor geneeskundige controle en van het Toezichtscomité van de Kruispuntbank van de sociale zekerheid. Daarenboven is het advies vereist van het Verzekeringscomité of van het Beheerscomité van de dienst voor uitkeringen wanneer deze voorwaarden respectievelijk gegevens betreffen met betrekking tot de verzekering voor geneeskundige verzorging of de uitkerings- en moederschapsverzekering. ». § 2. Artikel 53, negende lid, van dezelfde gecoördineerde wet gewijzigd bij de wet van 20 december 1995 wordt opgeheven. Afdeling II Verzekering voor geneeskundige verzorging A. Geneeskundige verstrekkingen en hun tegemoetkoming Art. 76 Artikel 34 van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd bij de wetten van 21 december 1994 en 20 december 1995, wordt aangevuld met het volgende lid : « De verzekering voor geneeskundige verzorging komt in het beginsel niet tussen in prestaties verricht met een esthetisch doel en in prestaties verricht in het kader van wetenschappelijk onderzoek of van klinische proefnemingen, tenzij onder de voorwaarden bepaald door de Koning, na advies van het Verzekeringscomité. ». Art. 77 Artikel 35, § 1, tweede lid, vierde zin, van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, wordt vervangen door de volgende zinnen : « Die aannemingscriteria wat de in artikel 34, eerste lid, 5° bedoelde verstrekkingen betreft, hebben betrekking op de prijzen, de geraamde volumes, de behandelingskost door de farmaceutische verstrekking, het al dan niet onder octrooi zijn van het voornaamste werkzaam bestanddeel, de elementen van geneeskundige, epidemiologische, therapeutische en sociale aard. Wat de verstrekkingen betreft die bedoeld zijn in artikel 34, eerste lid, 4°, voor zover het om implantaten gaat, en 20°, hebben die aannemingscriteria betrekking op de prijzen, op de kosten voor de verzekering en op de medische, therapeutische en sociale elementen. ». Art. 78 Artikel 48, § 2, tweede lid, van dezelfde gecoördineerde wet, wordt opgeheven. Art. 79 Artikel 49, § 3bis, van dezelfde gecoördineerde wet, ingevoegd door de wet van 20 december 1995, wordt aangevuld met het volgende lid : « De krachtens artikel 37, § 12, vastgestelde vermindering van de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging welke uit die opzegging voortvloeit, mag in geen geval door de betrokken zorgverlener worden teruggevorderd van de rechthebbenden. ». Art. 80 In artikel 64, eerste lid en tweede lid, van dezelfde gecoördineerde wet worden de woorden « medische diensten of medisch-technische diensten » vervangen door de woorden « medische diensten, medisch-technische diensten, afdelingen of functies ». B. Financiering van multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging Art. 81 In artikel 22 van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995 en bij de koninklijke besluiten van 13 april 1997 en 25 april 1997
6°ter ingevoegd, luidend als volgt : « 6°ter. sluit op voorstel van het College van geneesheren-directeurs met de multidisciplinaire begeleidingsequipes bedoeld in artikel 34, 21°, de in artikel 23, § 3bis bedoelde overeenkomsten. ». Art. 82 In artikel 23 van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1995 en 29 april 1996 en bij het koninklijk besluit van 25 april 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/02/1987 pub. 18/10/2004 numac 2004000528 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten Duitse vertaling sluiten2
§ 3bis ingevoegd, luidend als volgt : « § 3bis.
Het College van geneesheren-directeurs maakt met de multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging bedoeld in artikel 34, 21°, ontwerpen van met hen te sluiten overeenkomsten op en legt ze daartoe voor aan het Verzekeringscomité. De ontwerpen van deze overeenkomsten worden eveneens meegedeeld aan de Commissie voor begrotingscontrole. De Koning bepaalt, op gezamenlijke voordracht van de Ministers die respectievelijk Sociale Zaken en Volksgezondheid onder hun bevoegdheid hebben en op voorstel of na advies van het College van geneesheren-directeurs, de minimale criteria waaraan deze overeenkomsten moeten voldoen. ». Art. 83 Artikel 34 van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd bij de wetten van 21 december 1994 en 20 december 1995 wordt aangevuld met een 21°, luidend als volgt : « 21° de palliatieve verzorging verleend door een multidisciplinaire begeleidingsequipe. ». Art. 84 In artikel 37 van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995 en bij de koninklijke besluiten van 12 december 1996, 21 februari 1997 en 16 april 1997 worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° Paragraaf 11 wordt aangevuld met het volgende lid : « Die tegemoetkoming kan onder de door de Koning vastgestelde voorwaarden worden verminderd bij in Ministerraad overlegd besluit.». 2° Een § 14quater wordt ingevoegd, luidend als volgt : « § 14quater.Voor de in artikel 34, 21°, bedoelde verstrekkingen wordt de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging bepaald op 100 % van de honoraria en prijzen vastgesteld door de in artikel 22, 6°ter, bedoelde overeenkomsten. ». 3° Een § 16ter wordt ingevoegd, luidend als volgt : « § 16ter.De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, het persoonlijk aandeel betreffende de geneeskundige verstrekkingen die worden verleend aan rechthebbenden die palliatieve verzorging behoeven volledig of gedeeltelijk afschaffen. ». ». C. Overeenkomsten met de verpleegkundigen en de diensten thuisverpleging Art. 85 In artikel 42, eerste lid, van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, worden tussen de woorden « de verpleegkundigen » en « de kinesitherapeuten » de woorden « en de diensten thuisverpleging » ingevoegd. Art. 86 Het opschrift van Titel III, hoofdstuk V, afdeling I, B van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, wordt vervangen door het volgende opschrift : « B. Overeenkomsten met de vroedvrouwen, de verpleegkundigen en de diensten thuisverpleging, de kinesitherapeuten, de logopedisten en de verstrekkers van prothesen, toestellen en implantaten. ». Art. 87 In artikel 43 van dezelfde gecoördineerde wet, worden het eerste lid, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, en het tweede lid vervangen door de volgende leden : « Wanneer er op nationaal vlak geen overeenkomst bestaat met de vroedvrouwen, de verpleegkundigen en de diensten thuisverpleging, de kinesitherapeuten, de logopedisten en de verstrekkers van prothesen, toestellen en implantaten, omdat de overeenkomst niet opgemaakt, niet goedgekeurd of vervallen is, kunnen alle verzekeringsinstellingen samen en de betrokken beroepsorganisaties of representatieve organisaties van de diensten rechtstreeks over streekovereenkomsten onderhandelen en die sluiten. Deze overeenkomsten worden gesloten in streekcommissies, welke bestaan uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van, enerzijds, de verzekeringsinstellingen en, anderzijds, de organisaties welke in de beschouwde streek representatief zijn voor de belanghebbende beroepen of diensten. Voor de toepassing van het bepaalde in dit artikel kan de Koning omschrijven wat onder « streek » dient te worden verstaan. ». Art. 88 In artikel 44, § 1, eerste lid, van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, worden tussen de woorden « de verpleegkundigen » en « de kinesitherapeuten » de woorden « en de diensten thuisverpleging » ingevoegd. Art. 89 In artikel 211, § 2, van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd bij de wet van 29 april 1996, worden de woorden « of inrichtingen » vervangen door de woorden « of inrichtingen, diensten of instellingen ». Art. 90 In artikel 212 van dezelfde gecoördineerde wet, worden de woorden « of inrichtingen » vervangen door de woorden « of inrichtingen, diensten of instellingen ». D. Sociaal statuut van geneesheren, tandheelkundigen en apothekers Art. 91 In artikel 54, § 1, derde lid, van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, wordt de voorlaatste zin vervangen door de volgende tekst : « Die verplichting geldt niet voor de apothekers. Hun representatieve organisaties kunnen evenwel ook een, door de Koning, erkende pensioenkas oprichten volgens dezelfde voorwaarden. ». Art. 92 In artikel 54, § 1, van dezelfde gecoördineerde wet wordt tussen het vierde en het vijfde lid het volgende lid ingevoegd : « Wanneer een zorgverlener deze bijdrage aanwendt voor een rust- of overlijdensverzekering die het recht voorziet om zijn verzekeringscontract af te kopen of een voorschot te bekomen, mogen deze rechten niet slaan op het dankzij de voornoemde bijdrage gekapitaliseerd bedrag. Dit bedrag mag ook niet tot waarborg dienen. ». Art. 93 In artikel 54, § 1, vijfde lid, van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, wordt vervangen door het volgende lid : « De bijdragen gestort in het kader van een rust- en overlijdensverzekeringscontract gesloten met een krachtens het derde lid door de Koning erkende pensioenkas, worden, voor de toepassing van het Wetboek op de inkomstenbelastingen 1992, beschouwd als bijdragen die met toepassing van de sociale wetgeving verschuldigd zijn; die bijdragen mogen evenwel niet hoger zijn dan 115 % van het absoluut maximumbedrag van de bijdrage vastgesteld ter uitvoering van artikel 52bis, § 2 van het koninklijk besluit nr 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, ongeacht het belastbaar inkomen van de contractant. ». E. Klinische biologie Art. 94 In artikel 61 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In § 3, derde lid, worden de woorden : « De waarde van X wordt voor ieder dienstjaar afzonderlijk vastgesteld, » vervangen door de woorden : « De Koning stelt voor ieder dienstjaar afzonderlijk de waarde van X vast, ».2° In dezelfde § 3, wordt het laatste lid geschrapt.3° In § 5 wordt het laatste lid geschrapt.4° In § 12, derde lid, worden de woorden : « De waarde van X wordt voor ieder afzonderlijk dienstjaar vastgesteld, » vervangen door de woorden : « De Koning stelt voor ieder dienstjaar afzonderlijk de waarde van X vast, ».5° In dezelfde § 12, wordt het voorlaatste lid geschrapt.6° In § 14, wordt het voorlaatste lid geschrapt. F. Verplichtingen van de aanvragers in geval van afwijzing van de aanvraag tot schrapping van de farmaceutische specialiteiten van de lijst van de voor vergoeding aangenomen specialiteiten of van de aanvraag tot wijziging van de verbintenis die bij de hiervoren bedoelde aanvraag tot aanneming is aangegaan Art. 95 In artikel 72bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 20 december 1995, waarvan de huidige tekst § 1 wordt,
§ 2toegevoegd, luidend als volgt : « § 2.
De Minister kan, samen met de Minister van Economie, op grond van farmacotherapeutische en sociale criteria en binnen een termijn van 45 dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag tot schrapping van een farmaceutische specialiteit van de lijst van de voor vergoeding aangenomen specialiteiten of vanaf de aanvraag tot wijziging van de verbintenis die is aangegaan bij het aanvragen van de aanneming, de indiener van die aanvraag ertoe verplichten de specialiteit gedurende een jaar verder af te leveren aan apothekers onder de bestaande voorwaarden inzake prijs en vergoeding. Eens die termijn van 45 dagen verstreken, wordt de aanvraag verondersteld te zijn aanvaard. De Koning stelt de procedure vast die door de indiener van de aanvraag en door de bovenvermelde Ministers moet worden gevolgd, alsmede de wijze waarop de in artikel 27 bedoelde Technische raad voor farmaceutische specialiteiten bij die procedure wordt betrokken. Na het verstrijken van deze periode van één jaar, kan de aanvrager een aanvraag zoals bedoeld in het vorige lid opnieuw indienen. Tegen de aanvragers die de verplichtingen niet naleven die ze krachtens het eerste lid hebben, worden administratieve geldboeten uitgesproken die door de Koning zullen worden vastgesteld, overeenkomstig de procedure van artikel 168. Als de overtreder binnen drie jaar, te rekenen vanaf de dag waarop een administratieve geldboete is opgelegd, een overtreding begaat van dezelfde aard als deze die de toepassing van een administratieve geldboete tot gevolg heeft gehad, wordt de eerder opgelegde boete telkens verdubbeld. In geval van samenloop van overtredingen worden de geldboeten samengevoegd. ». G. Publiciteit Art. 96 Artikel 127, § 1,
- b)van dezelfde gecoördineerde wet wordt vervangen door de volgende bepaling : «
- b)tot iedere persoon die de in artikel 34, eerste lid, 1°, b), c), 4° en 7°bis, bedoelde verstrekkingen mag verlenen en is ingeschreven op de in artikel 22, 7°, bedoelde lijst;». H. Tariferingsdiensten Art. 97 In artikel 165, van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd door de wet van 20 december 1995, wordt het derde lid vervangen door de volgende bepalingen : « Die diensten zijn gemachtigd om onder de door de Koning te bepalen voorwaarden van de apothekers een tegemoetkoming in de tariferingskosten te vorderen. De apothekers en de geneesheren voor wie de tegemoetkoming gebeurt zoals vermeld in het eerste lid, zijn verplicht aangesloten bij een door hun gekozen tariferingsdienst. De Koning kan regels vaststellen betreffende : 1° die aansluiting, onder meer in verband met de opzegging van de aansluiting door de tariferingsdienst en met de intrekking van de aansluiting door de aangeslotene;2° de uitbesteding van de tarifering.». I. Honorariumsupplementen Art. 98 In artikel 90 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, wordt de laatste zin gewijzigd als volgt : « De Koning stelt de maximumbedragen vast die voor een verblijf in een kamer met één respectievelijk met twee bedden mogen worden aangerekend, na paritaire raadpleging van de verzekeringsinstellingen inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering en van de organen die de beheerders der ziekenhuizen vertegenwoordigen. ». Art. 99 Een artikel 50bis, luidend als volgt, wordt in de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingevoegd : « Art. 50bis.C § 1. Ongeacht of de geneesheer verbonden is door een akkoord bedoeld in artikel 50, vormen de tarieven die als grondslag dienen voor de berekening van de verzekeringstegemoetkoming, de maximumhonoraria die kunnen worden geëist, indien de verstrekkingen worden verleend :
- a)in het raam van een georganiseerde wachtdienst;
- b)in het raam van een opname in een dienst intensieve verzorging;
- c)aan patiënten die in een twee- of meerpersoonskamer zijn opgenomen, die een twee- of meerpersoonskamer hebben aangevraagd of die om medische redenen in een eenpersoonskamer zijn opgenomen;
- d)aan kinderen die samen met een begeleidende ouder in het ziekenhuis worden opgenomen. § 2. De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit, de maximum honoraria en de maximum honorariumsupplementen bepalen die door de al dan niet verbonden geneesheren kunnen geëist worden indien de verstrekkingen worden verleend aan patiënten die op hun uitdrukkelijk verzoek en zonder dat dit noodzakelijk is voor hun behandeling worden opgenomen in een eenpersoonskamer. Hij stelt op dezelfde wijze vast welke informatie door de geneesheer of door de ziekenhuisbeheerder aan de patiënten moeten worden gegeven en onder welke modaliteiten voornoemde informatie kan worden verstrekt. ». Art. 100 Artikel 99 treedt in werking op 1 december 1998. Art. 101 Artikel 138 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 138.C De Koning kan, volgens de modaliteiten die Hij bepaalt, de bepalingen van artikel 50bis van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, uitbreiden tot patiënten welke niet onder de toepassingssfeer van die wet vallen. ». J. Statuut ziekenhuisgeneesheer Art. 102 Een artikel 128bis wordt ingevoegd in de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, luidend als volgt : « Art. 128bis.C De Koning kan, overeenkomstig nader door Hem te bepalen regels, bepalen welke financiële of statistische gegevens door de beheerder moeten worden medegedeeld aan de Medische raad van een ziekenhuis. ». K. Chronische ziekten Art. 103 Artikel 34, 14° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, opgeheven bij de wet van 20 december 1995 wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing : « 14° de materialen en de verzorgingsproducten voor de verzorging ten huize van rechthebbenden die lijden aan een zware aandoening. ». Art. 104 Artikel 35, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, wordt aangevuld met het volgende lid : « De Koning omschrijft de in artikel 34, 14°, bedoelde verstrekkingen. ». Art. 105 In artikel 37 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : A) § 16bis, ingevoegd bij de wet van 20 december 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling : « § 16bis. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden die Hij bepaalt : 1° het persoonlijk aandeel betreffende de geneeskundige verstrekkingen die worden verleend aan rechthebbenden met een chronische ziekte, volledig of gedeeltelijk afschaffen;2° een forfaitaire toelage, waarvan Hij het bedrag bepaalt, instellen ten behoeve van voornoemde rechthebbenden als bijkomende tegemoetkoming in hun uitgaven voor geneeskundige verzorging. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, welke rechthebbenden voor de toepassing van het eerste lid moeten worden beschouwd als rechthebbenden met een chronische ziekte, waarbij deze rechthebbenden een of meer van de volgende voorwaarden dienen te vervullen : B lijden aan een ziekte die voorkomt op een door Hem vastgestelde lijst; B een door Hem te bepalen graad van zorgbehoevendheid bereiken; B gedurende een door Hem te bepalen periode een bedrag aan persoonlijke aandelen hebben betaald, dat een door Hem vastgesteld grensbedrag overschrijdt. Na advies van de bevoegde Technische Raad kan de Koning de geneeskundige verstrekkingen vaststellen waarop de bepaling van het eerste lid, 1°, wordt toegepast. Het advies van de Technische Raad wordt geacht te zijn gegeven indien het niet is geformuleerd binnen een termijn van twee maanden nadat hij daarom is verzocht. ». B) Het artikel wordt aangevuld met de volgende bepaling : « § 20. De Koning stelt, na advies van het Verzekeringscomité, de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging voor de in artikel 34, 14° bedoelde verstrekkingen vast, alsmede de voorwaarden van terugbetaling. Hij kan bepalen dat die tegemoetkoming wordt toegekend onder de vorm van een forfaitair bedrag of van een maximumbedrag voor een periode die Hij bepaalt. ». Afdeling III Uitkeringsverzekering Art. 106 Artikel 82, eerste lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt aangevuld met de volgende bepaling : « 4° stelt de algemene medische richtlijnen en criteria vast op voorstel van de Technische medische raad bedoeld in artikel 85. ». Art. 107 Artikel 85 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 85.C Bij de Dienst voor uitkeringen
Technische Medische Raad ingesteld die tot taak heeft : 1° op verzoek van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen, van de Geneeskundige Raad voor invaliditeit of op eigen initiatief, advies te verlenen over medische problemen aangaande de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid;2° algemene medische richtlijnen en criteria voor te stellen om beter de evaluatieproblemen aangaande de arbeidsongeschiktheid op te vangen; deze richtlijnen en criteria worden daarna vastgesteld door de Geneeskundige Raad voor invaliditeit; 3° aan de hand van statistische gegevens met betrekking tot de arbeidsongeschiktheid onderzoek te verrichten in verband met de werking van de uitkeringsverzekering en advies uit te brengen over problemen die hierbij rijzen. De samenstelling en werkingsregelen van deze Raad worden door de Koning bepaald die eveneens de voorzitter en de leden ervan benoemt. ». Art. 108 Artikel 90 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid : « De adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling spreekt zich tevens uit over de toepassing van de artikelen 101, eerste lid, en 102, eerste lid, in een tijdvak van primaire ongeschiktheid. ». Art. 109 Artikel 94 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid : « De Geneeskundige raad voor invaliditeit spreekt zich, overeenkomstig de bepalingen van artikel 82, tevens uit, over de toepassing van de artikelen 101, eerste lid, en 102, eerste lid, in een tijdvak van invaliditeit. ». Art. 110 Artikel 93 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/08/1996 pub. 08/06/2005 numac 2005015073 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Gabon tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend te Brussel op 14 januari 1993 sluiten, wordt aangevuld met het volgende lid : « De Koning kan voor de categorieën van invaliden die Hij bepaalt en onder de voorwaarden die Hij vaststelt, een forfaitaire tegemoetkoming voor hulp aan derden toekennen. ». Art. 111 Een artikel 104bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet, ingevoegd : « Art. 104bis.C De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder een gerechtigde aan de uitkeringen die hem worden toegekend kan verzaken. ». Afdeling IV Organisatie RIZIV Art. 112 In artikel 12 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het punt 3° wordt aangevuld met de volgende bepaling : « de tuchtstraffen die de ambtenaren van niveau 1 moeten worden opgelegd, worden evenwel door de Minister uitgesproken, behoudens hetgeen in de artikelen 155 en 161 is bepaald betreffende de geneesheren-inspecteurs, de apothekers-inspecteurs en de inspecteurs. »; 2° een punt 3°bis wordt ingevoegd, luidend als volgt : « 3°bis.wijst de bevoegde hiërarchische meerderen aan die de voorlopige voorstellen inzake tuchtstraffen formuleren. ». Art. 113 In artikel 155, tiende lid, van dezelfde gecoördineerde wet worden de woorden « of het algemeen belang » geschrapt. Art. 114 In artikel 161 van dezelfde gecoördineerde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid vormt een § 1;2° het tweede en derde lid vormen een § 2;3° de § 1 wordt aangevuld met een 12° en een 13°, luidend als volgt : « 12° kan aan de inspecteurs en de adjunct-inspecteurs bekleed met verschillende graden de in het statuut van het Rijkspersoneel vastgestelde tuchtstraffen opleggen, met uitzondering van de terugzetting in graad en de afzetting die, op voorstel van het Comité, door de Koning worden uitgesproken;13° stelt aan de Minister, telkens als het belang van de dienst zulks vereist, de schorsing van de inspecteurs en de adjunct-inspecteurs voor binnen de perken, voorwaarden en modaliteiten vastgesteld door de statutaire bepalingen die de schorsing in het belang van de dienst regelen.»; 4° in het eerste lid van § 2 worden de woorden « in het eerste lid, 1° en 10° » vervangen door de woorden « in § 1, 1°, 10°, 12° en 13° »;5° de § 2 wordt aangevuld met het volgende lid : « Wanneer het Comité de bevoegdheden uitoefent bedoeld in § 1, 12° en 13°, moet de inspecteur of de adjunct-inspecteur vooraf door het comité worden gehoord en mag hij zich laten bijstaan door een persoon die hij kiest.». Art. 115 In artikel 185, § 2, van dezelfde gecoördineerde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden « , op voorstel van de Comités van die Diensten, » geschrapt;2° het tweede lid, 2°, wordt vervangen door de volgende bepaling : « 2° de in artikel 162 bedoelde inspecteurs en adjunct-inspecteurs worden door de Koning benoemd, op voorstel of na advies van het Comité van de Dienst voor administratieve controle.De in artikel 160 bedoelde vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen hebben voor deze materie zitting met raadgevende stem. De voornoemde inspecteurs en adjunct-inspecteurs worden door de Koning ontslagen en afgezet. ». Art. 116 Artikel 213, § 2, van dezelfde gecoördineerde wet, wordt vervangen door de volgende paragraaf : « § 2. Behoudens afwijkende bepaling in deze gecoördineerde wet, zijn de artikelen 9 tot 12 van de wet van 25 april 1963Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/08/1985 pub. 15/11/2000 numac 2000000832 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende fiscale en andere bepalingen . - hoofdstuk III, afdeling II. - Duitse vertaling sluiten2 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg, van toepassing op de persoon belast met het dagelijks beheer en zijn adjunct. Het artikel 9 van dezelfde wet is bovendien van toepassing op de leidend ambtenaren. De Koning bepaalt, na advies van de Nationale Arbeidsraad, welke bepalingen van de voornoemde wet van 25 april 1963Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/08/1985 pub. 15/11/2000 numac 2000000832 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende fiscale en andere bepalingen . - hoofdstuk III, afdeling II. - Duitse vertaling sluiten2, van toepassing zijn op de bij deze gecoördineerde wet bedoelde raden, comités, commissies en colleges. ». Art. 117 In artikel 215, § 1, van dezelfde wet worden de woorden « 34, 1°, c, en 4° » vervangen door de woorden « 34, 1°, c, 4° en 7°bis ». Afdeling V Afschaffing van het Nationaal pensioenfonds voor Mijnwerkers Art. 118 In artikel 2 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° littera f) wordt vervangen door de volgende bepaling : « f) onder « Bijzondere diensten » de Diensten voor geneeskundige verzorging, voor uitkeringen, voor geneeskundige controle en voor administratieve controle en de Administratieve cel bedoeld bij artikel 78bis, § 3, van deze wet;»; 2° het artikel wordt aangevuld met de volgende bepaling : « r) door « Administrateur-generaal », de Administrateur-generaal van het Instituut behoudens een andere bepaling.». Art. 119 In punt 7° van artikel 12 van dezelfde gecoördineerde wet, vervangen door artikel 143 van de huidige wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « in artikel 191, eerste lid, 1°, 1°bis, 6° tot 9° en 12° tot 20° en 23° » worden vervangen door de woorden « in artikel 191, eerste lid, 1°, 1°bis a), 6° tot 9° en 12° tot 21° en 23° »;2° na de woorden « aan de tak uitkeringen » worden de woorden « en aan de tak invaliditeitspensioenen waarin voorzien door de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden » toegevoegd. Art. 120 In dezelfde gecoördineerde wet
artikel 80bis ingevoegd, luidend als volgt : « Het Beheerscomité voor de mijnwerkers : 1° is bevoegd voor de toepassing van de bepalingen betreffende het invaliditeitspensioen waarin voorzien door de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden;2° stelt de rekeningen vast en maakt de begroting op van het invaliditeitspensioen van de mijnwerkers;3° maakt een jaarverslag;4° beslist over de rechtsvorderingen in te stellen binnen zijn bevoegdheid. In geval van dringende noodzakelijkheid kan de leidend ambtenaar van de administratieve cel beslissen over het instellen van een rechtsvordering. Die vordering wordt ter goedkeuring aan het Beheerscomité bedoeld in artikel 78bis voorgelegd op zijn eerstvolgende vergadering. Indien die goedkeuring wordt geweigerd, dient van de ingestelde vordering afstand te worden gedaan; 5° stelt zijn huishoudelijk reglement op en legt het de Koning ter goedkeuring voor;6° stelt het Algemeen comité de begroting van de administratiekosten van de administratieve cel voor.». Art. 121 Artikel 177, eerste lid, van dezelfde gecoördineerde wet, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 177.C Met uitzondering van het personeel aangewezen bij de administratieve cel bedoeld bij artikel 78bis, § 3, staat het personeel van het Instituut onder de leiding van de Administrateur-generaal, bijgestaan door de Adjunct-administrateur-generaal. ». Art. 122 In artikel 181 van dezelfde gecoördineerde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « De administrateur-generaal, bijgestaan door de adjunct-administrateur-generaal, oefent de bevoegdheden inzake dagelijks beheer uit die hem door het Algemeen Comité en de beheersorganen van de bijzondere diensten in hun huishoudelijk reglement werden toevertrouwd.». 2° het derde lid wordt aangevuld door de woorden « van de bijzondere diensten »;3° in het zevende lid worden tussen de woorden « kunnen de beheersorganen » en « onder de voorwaarden » de woorden « van de bijzondere diensten » ingevoegd;4° het artikel wordt aangevuld met het volgende lid : « Volgens dit artikel bevatten de bijzondere diensten niet de administratieve cel bedoeld in artikel 78bis, § 3.». Art. 123 In dezelfde gecoördineerde wet
artikel 181bis ingevoegd, luidend als volgt : « Art. 181bis.C De administrateur-generaal van de administratieve cel bedoeld in artikel 78bis, § 3 oefent de bevoegdheden inzake dagelijks beheer die hem door het Algemeen Beheerscomité en het Beheerscomité voor de Mijnwerkers werden toevertrouwd. De administrateur-generaal van de administratieve cel woont de zittingen van het Algemeen Beheerscomité en het Beheerscomité voor de Mijnwerkers bij. Hij is belast met de uitvoering van de beslissingen van het Algemeen Comité voorzover zij betrekking hebben op de administratieve cel en van het Beheerscomité voor Mijnwerkers. Hij staat in voor het secretariaat van het Beheerscomité voor Mijnwerkers. De administrateur-generaal van de administratieve cel stelt de vorderingen bij de rechtscolleges in overeenkomstig de beslissingen genomen met toepassing van artikel 80bis, 4°. Hij gaat geen persoonlijke verbintenissen aan en is enkel verantwoordelijk voor de uitvoering van zijn opdracht. Ingeval de administrateur-generaal van de administratieve cel verhinderd is, worden zijn bevoegdheden uitgeoefend door een door het Algemeen Comité aangeduide ambtenaar op voordracht van het Beheerscomité voor Mijnwerkers. Voor een vlottere afhandeling van de zaken kunnen het Algemeen Beheerscomité en het Beheerscomité voor Mijnwerkers, onder de voorwaarden die zij vaststellen, de administrateur-generaal van de administratieve cel machtigen een gedeelte van zijn bevoegdheden over te dragen aan de ambtenaren bedoeld in artikel 78bis, §
- ». Art. 124 Artikel 186 van dezelfde gecoördineerde wet wordt aangevuld met het volgende lid : « In geval van overdrachten naar het Instituut die aanleiding geven tot de opstelling van afzonderlijke personeelsformaties en taalkaders, kan de Koning evenwel voor een duur die Hij bepaalt, tussen die formaties en kaders als overgangsmaatregel een afsluiting instellen in verband met overplaatsing, graadverandering en bevordering. ». Art. 125 Artikel 191, 1°bis, b), van dezelfde gecoördineerde wet wordt opgeheven. Afdeling VI Ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen Art. 126 Artikel 11 van de wet van 6 augustus 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten0 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, gewijzigd bij de wet van 20 juli 1991, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 11.C §
- De statuten, de lijst van de bestuurders, alsmede de wijzigingen aan deze statuten en aan deze lijst worden toegestuurd aan de Controledienst. De vorm der documenten bedoeld in het vorige lid en de inlichtingen tot staving van een aanvraag tot goedkeuring van statuten of hun wijzigingen, worden door de Controledienst vastgesteld en voorgeschreven op straffe van onontvankelijkheid. De Controledienst spreekt zich uit over de statuten en de wijzigingen ervan binnen een termijn van ten hoogste dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de datum waarop deze statuten of de wijzigingen ervan hem werden overgemaakt. Behoudens in geval van onontvankelijkheid, kan deze termijn op initiatief van de Controledienst worden verlengd met vijfenveertig kalenderdagen. Deze geeft hiervan kennis aan het ziekenfonds of de landsbond. Na het verstrijken van die termijn wordt de goedkeuring geacht verkregen te zijn. Het beroep ingesteld door de regeringscommissaris, met toepassing van artikel 10 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, bij de Minister van Sociale Zaken tegen de beslissing van de Controledienst schorst de termijn bedoeld in het vorig lid. §
- De statutaire bepalingen en hun wijzigingen worden slechts door de Controledienst goedgekeurd indien deze niet strijdig zijn met de wettelijke en reglementaire bepalingen en indien deze het financieel evenwicht van het ziekenfonds of van de landsbond of van de betrokken diensten niet in het gedrang brengen. §
- De weigeringsbeslissing van de Controledienst moet met redenen omkleed zijn en wordt binnen dertig kalenderdagen na de beslissing betekend aan het ziekenfonds of aan de landsbond. In geval zoals vermeld in § 1, vierde lid de regeringscommissaris beroep heeft ingesteld bij de Minister van Sociale Zaken dient de gemotiveerde beslissing aan het ziekenfonds of de landsbond te worden betekend binnen de dertig kalenderdagen vanaf de datum van het beroep. Bij gebrek aan notificatie binnen deze termijn worden de desbetreffende statutaire bepalingen geacht de goedkeuring te hebben verkregen. ». Art. 127 Artikel 12 van de wet van 6 augustus 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten0 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, gewijzigd door de wet van 26 juni 1992Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten8 wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 12.C §
- De ziekenfondsen en de landsbonden bezitten de rechtspersoonlijkheid vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de beslissing van de Minister of de Controledienst tot goedkeuring van hun statuten. Deze bekendmaking, waaraan de lijst van bestuurders wordt toegevoegd, geschiedt op initiatief van de Controledienst binnen een termijn van dertig kalenderdagen, te rekenen vanaf de datum waarop de statuten zijn goedgekeurd. De beslissing tot goedkeuring van de statutenwijzigingen wordt op dezelfde wijze bekendgemaakt. De wijzigingen aan de lijst van de bestuurders worden echter bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op initiatief van het ziekenfonds of van de landsbond. In geval van goedkeuring ingevolge het verstrijken van de in artikel 11 bepaalde termijnen, wordt de bekendmaking, bedoeld in het eerste lid, vervangen door de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, van een bericht waaruit blijkt dat ingevolge het verstrijken van de termijnen de goedkeuring geacht wordt te zijn verkregen. Deze bekendmaking, die gebeurt op initiatief van de Controledienst, heeft plaats binnen de dertig kalenderdagen na het verstrijken van deze termijnen. §
- Elkeen kan, ten maatschappelijke zetel of op de Controledienst kosteloos kennis nemen van de statuten en van de lijst van bestuurders en hiervan een kopie te krijgen. ». Art. 128 In artikel 44, § 2, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden « door de Minister » vervangen door de woorden « door de Controledienst ». Art. 129 Artikel 14, § 1, eerste lid van dezelfde wet, wordt vervangen door het volgende lid : « De algemene vergadering van een ziekenfonds is samengesteld uit vertegenwoordigers die worden verkozen in hun schoot voor een duur van zes jaar, door de leden en de personen te hunnen laste die meerderjarig of ontvoogd zijn en die hun woonplaats in België hebben. ». Art. 130 Een artikel 43bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd : « Art. 43bis.C §
- Ziekenfondsen die deel uitmaken van éénzelfde landsbond, kunnen voor de uitvoering van sommige taken bedoeld in artikel 3, en zonder afbreuk te doen van artikel 3, tweede lid, bepaalde diensten samen organiseren of groeperen in een nieuwe op te richten entiteit onder de vorm van een maatschappij van onderlinge bijstand. §
- Deze vorm van samenwerking maakt het voorwerp uit van een beraadslaging van de algemene vergadering van de betrokken ziekenfondsen, die hiertoe speciaal wordt bijeengeroepen. De bepalingen van de artikelen 10, 11 en 12, §§ 2 en 3, zijn hierop van toepassing. Het bericht van bijeenroeping vermeldt : 1° de redenen van de samenwerking;2° de rechten en verplichtingen van de betrokken ziekenfondsen, van hun leden en van de personen te hunnen laste;3° de bestemming van de maatschappelijke fondsen met betrekking tot de desbetreffende diensten;4° de statutenwijzigingen en de nieuwe statuten van de Maatschappij van Onderlinge Bijstand. §
- De oprichting van de Maatschappij van Onderlinge Bijstand ten gevolge van de groepering van diensten van ziekenfondsen treedt in werking vanaf 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op de goedkeuring van de statuten door de Controledienst. De groepering van diensten van ziekenfondsen moet tevens worden goedgekeurd door de algemene vergadering van de landsbond waartoe zij behoren. ». Art. 131 Een artikel 43ter, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd : « Art. 43ter.C Elk akkoord met een landsbond of een ziekenfonds dat tot voorwerp heeft de promotie, distributie of verkoop van een verzekeringsproduct, zoals bepaald in de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, alsook van een bankproduct, zoals bepaald in de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, is verboden, ook indien deze producten speciaal werden ontworpen voor of voorbehouden zijn aan leden van een ziekenfonds of een landsbond. Is eveneens verboden, elk akkoord dat tot voorwerp heeft de promotie, distributie of verkoop van een dienst, ingericht door een landsbond of een ziekenfonds zoals bepaald in de artikelen 3 en 7, § 4, van onderhavige wet, in het kader van beroepsactiviteiten die geheel of gedeeltelijk vallen binnen de werkingssfeer van de wet van 27 maart 1995Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/03/1995 pub. 24/08/2006 numac 2006000484 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen. - Duitse vertaling sluiten betreffende de verzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen of ressorteren onder de activiteiten van de banksector zoals bepaald in de wet van 22 maart 1993 betreffende het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen. De promotie, distributie of de verkoop van de produkten of diensten, bedoeld in het eerste en het tweede lid, worden op onweerlegbare wijze vermoed het gevolg te zijn van een geschreven of een stilzwijgend akkoord. Bestaande akkoorden, bedoeld in het eerste en het tweede lid, zijn zonder uitwerking vanaf de eerste dag van de vierde maand volgend op de inwerkingtreding van dit artikel. ». Art. 132 Artikel 70, § 2, van dezelfde wet, wordt aangevuld met het volgend lid : « Verkrijgt eveneens de hoedanigheid van « maatschappij van onderlinge bijstand » de entiteit die krachtens artikel 43bis van deze wet is ontstaan ingevolge een groepering van diensten en minstens één dienst zoals bedoeld in artikel 3, b, organiseert. ». Afdeling VII Over de heffing op de omzet van de farmaceutische produkten Art. 133 Artikel 191, 15°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 augustus 1984 en de wet van 20 december 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling : « 15° de opbrengst van een heffing op het omzetcijfer dat is verwezenlijkt op de Belgische markt van de geneesmiddelen die zijn ingeschreven op de lijsten die gevoegd zijn bij het koninklijk besluit van 2 september 1980 tot bepaling van de voorwaarden waaronder de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering tegemoetkomt in de kosten van de farmaceutische verstrekkingen en gelijkgestelde produkten. Die heffing is ten laste van de farmaceutische firma's welke die omzet hebben verwezenlijkt gedurende het jaar voorafgaand aan dat waarvoor de heffing is verschuldigd. Voor 1995, 1996 en 1998 worden de bedragen van die heffingen respectievelijk vastgesteld op 2, 3 en op 4 % van de omzet die respectievelijk in 1994, 1995 en 1997 is verwezenlijkt. Van de aangegeven totale omzet, berekend op basis van de prijs buiten-bedrijf of buiten-invoerder, moet een aangifte worden gedaan die is opgesplitst per publiekverpakking of, bij ontstentenis daarvan, per stukverpakking van de in het eerste lid beoogde geneesmiddelen. De voornoemde verklaringen dienen gedagtekend, ondertekend en waar en echt verklaard te worden en bij een ter post aangetekende brief te worden ingediend bij de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, Tervurenlaan 211, 1150 Brussel. Voor 1995, 1996 en 1998, dienen ze respectievelijk worden ingediend voor 1 februari 1996, 1 november 1996 en 1 februari
- Voor 1995, 1996 en 1998 dient de heffing respectievelijk gestort te worden voor 1 maart 1996, 1 december 1996 en 1 maart 1998 op rekening nr 001-1950023-11 van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met de vermelding « heffing omzet 1994 », « heffing omzet 1995 » of « heffing omzet 1997 ». De voornoemde Dienst zorgt voor het innen van de bovengenoemde heffing alsook voor het toezicht. De schuldenaar die de bovengenoemde heffing niet binnen de in het zesde lid vastgestelde termijnen stort, is een opslag ten belope van 10 % van die heffing verschuldigd, alsmede een op die heffing verrekende verwijlinterest die gelijk is aan de wettelijke rentevoet. De Algemene Raad kan aan de in het tweede lid bedoelde schuldenaar vrijstelling of vermindering van de opslag van de vergoeding of van de verwijlinterest toestaan op voorwaarde dat : C alle vroegere betalingen door de betrokken schuldenaar zijn verricht binnen de vastgestelde termijn; C de in derde lid bedoelde omzet binnen de vastgestelde termijn is meegedeeld op een wijze die het mogelijk maakt dat de verschuldigde bedragen worden gecontroleerd; C de schuldenaar deugdelijk kan verantwoorden dat het hem onmogelijk is geweest de verschuldigde som binnen de vastgestelde termijn te storten. De door de Algemene Raad toegekende vrijstelling kan slechts volledig zijn indien de schuldenaar : C ofwel het bewijs van een geval van overmacht levert, dit wil zeggen van een gebeurtenis die hem volledig vreemd en onafhankelijk van zijn wil is, redelijkerwijze niet te voorzien en menselijk onoverkomelijk is en die het hem volstrekt onmogelijk heeft gemaakt zijn verplichting binnen de vastgestelde termijn na te komen; bovendien mag de schuldenaar zich geen enkele fout te verwijten hebben in de gebeurtenissen, die aan het overkomen van die vreemde oorzaak zijn voorafgegaan, het hebben voorbereid of het hebben vergezeld; C ofwel bewijst dat hij op het ogenblik dat de storting eisbaar was, een vaste en eisbare schuldvordering bezat die hem niet toeliet zijn verplichting binnen de vastgestelde termijn na te komen en hij de Algemene Raad daarover heeft geïnformeerd; C ofwel behoorlijk aangetoonde dwingende redenen kan aanvoeren. In alle andere uitzonderlijke omstandigheden waarvoor de schuldenaar het bewijs kan leveren, kan de Algemene Raad een vermindering met de helft van de verschuldigde opslag en/of van de verwijlinterest toestaan. De verwijlinterest tegen de wettelijke rentevoet wordt toegepast op het bedrag dat niet binnen de vastgestelde termijn is betaald en wordt berekend naar rata van het aantal dagen dat is verstreken tussen de datum waarop de betaling had moeten verricht worden en de dag waarop ze effectief is uitgevoerd. De ontvangsten die volgen uit de voornoemde heffing zullen in de rekening van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging opgenomen worden in het boekjaar 1995 voor de heffing omzet 1994 en 1996 voor de heffing omzet
- ». Art. 134 In artikel 191 van dezelfde gecoördineerde wet
15°bis ingevoegd, luidend als volgt : « 15°bis. de opbrengst van een bijkomende heffing op de omzet die is verwezenlijkt op de Belgische markt van de geneesmiddelen, bedoeld in artikel 34, 5°, b) en c), ingeschreven op de lijsten van de vergoedbare farmaceutische verstrekkingen en afgeleverd door een ziekenhuisapotheek of een geneesmiddelendepot aan ter verpleging opgenomen rechthebbenden of aan niet ter verpleging opgenomen rechthebbenden. Die heffing is ten laste van de farmaceutische firma's welke die omzet hebben verwezenlijkt gedurende het jaar dat voorafgaat aan dat waarvoor de heffing is verschuldigd. Voor het jaar 1998 wordt het bedrag van de heffing vastgesteld op 4 pct van de omzet verwezenlijkt in het jaar
- De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van deze bepaling, meer bepaald met betrekking tot de aangifte, de controle en de inning, alsook met betrekking tot de verdeling van de opbrengst en het gedeelte ervan dat bestemd is voor de financiering van andere regelingen van verzekering voor geneeskundige verzorging. De schuldenaar die de verschuldigde heffing niet binnen de door de Koning vastgestelde termijn stort, in aan het Instituut een opslag en een verwijlinterest verschuldigd waarvan het bedrag en de toepassingsvoorwaarden worden vastgesteld door de Koning. De opslag mag evenwel niet meer bedragen dan 10 % van de verschuldigde heffing en de op deze heffing berekende verwijlinterest mag niet hoger zijn dan de wettelijke rentevoet. De Koning bepaalt tevens de voorwaarden waaronder het Instituut de schuldenaar bedoeld in het vorige lid, vrijstelling of vermindering mag verlenen van de opslag van de heffing en van de verwijlinterest. ». Art. 135 Artikel 134 treedt in werking op de datum bepaald door de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit. Art. 136 Het koninklijk besluit van 22 december 1995, waarbij voor het jaar 1995, de heffing op de omzet van sommige farmaceutische produkten nader wordt geregeld en het koninklijk besluit van 28 oktober 1996, waarbij voor het jaar 1996, de heffing op de omzet van sommige farmaceutische produkten nader wordt geregeld worden ingetrokken. Alle formaliteiten die in uitvoering van voornoemde besluiten werden vervuld, worden geacht te zijn vervuld in uitvoering van de bepalingen van de huidige afdeling. Alle sommen die in uitvoering van voornoemde besluiten werden betaald, blijven verworven op de datum waarop zij werden betaald. Art. 137 In artikel 6, eerste lid, van het koninklijk besluit van 4 februari 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/08/1985 pub. 15/11/2000 numac 2000000832 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende fiscale en andere bepalingen . - hoofdstuk III, afdeling II. - Duitse vertaling sluiten8 houdende de vaststelling voor het jaar 1997 van een heffing op de omzet van sommige farmaceutische producten, met toepassing van artikel 3, § 1, 2° en 4°, van de wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/08/1985 pub. 15/11/2000 numac 2000000832 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende fiscale en andere bepalingen . - hoofdstuk III, afdeling II. - Duitse vertaling sluiten1 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 april 1997, worden de woorden « 1 juni 1997 » vervangen door de woorden « 1 oktober 1997 ». Art. 138 Deze afdeling heeft uitwerking met ingang van 1 januari
- Afdeling VIII Financiële bepalingen Art. 139 In afwijking van de bepalingen van artikel 32, §§ 1 en 2 van het koninklijk besluit van 30 juli 1964 houden de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, tot de zelfstandigen wordt verruimd, en van de bepalingen van artikel 73, eerste lid, 3° en 4°, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandigen, worden de rijkstoelagen in de regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen voor de dienstjaren 1995 en 1996 vastgesteld als volgt : C geneeskundige verzorging : 7 663,3 miljoen frank; C uitkeringen : 2 317,0 miljoen frank. Art. 140 Een artikel 27bis, luidend als volgt, wordt in de wet van 6 augustus 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten0 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen ingevoegd : « Art. 27bis.C Er worden Rijkstoelagen toegekend aan de ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, die een dienst geneeskundige verzorging gedurende het jaar voorafgaand aan het betrokken begrotingsjaar hebben ingericht voor de zelfstandigen en de leden van de kloostergemeenschap- pen die vrijwillig zijn toegetreden tot deze dienst voor de andere geneeskundige verstrekkingen dan die voorzien bij de regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging welke op hen betrekking hebben. Deze toelagen zijn vanaf het begrotingsjaar 1998 vastgesteld op 2 023 000 000 frank. Dit bedrag wordt, met ingang van 1 januari 1998, gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer der prijzen bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van gs lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij artikel 90 van de wet van 30 maart 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/08/1993 pub. 18/12/1998 numac 1998015163 bron m