Decreet tot vervanging van het Waalse Erfgoedwetboek en houdende diverse bepalingen
In het kort
Dit decreet vervangt het Waalse Erfgoedwetboek en regelt de bescherming, instandhouding, ontwikkeling en beheer van erfgoed in het Franstalig gebied van het Waals Gewest. Het definieert wat onder erfgoed valt en wie verantwoordelijk is voor de bescherming ervan.
Wat het reguleert
- De toepassing van het Waalse Erfgoedwetboek op erfgoed binnen het Franstalig gebied van het Waals Gewest.
- De definitie van "erfgoed" en de criteria voor de bescherming ervan.
- De verantwoordelijkheden van diverse actoren (overheden, privé-actoren, inwoners) bij erfgoedbescherming.
- De verplichting voor overheden om bij nieuwbouwplannen rekening te houden met erfgoed.
Wie het betreft
- Het Waals Gewest, de provincies, de gemeenten, openbare en privé-actoren en inwoners.
- De Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de Waalse Huisvestingsmaatschappij, publieke vastgoedmaatschappijen, kerkfabrieken en openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Kernpunten
- Erfgoed omvat goederen die een weerspiegeling zijn van evoluerende waarden, kennis, vaardigheden en tradities, belangrijk voor archeologie, geschiedenis, wetenschap, kunsten, maatschappij, techniek, herinnering, schoonheid, landschap of stedenbouw.
- Erfgoedbescherming omvat erkenning, geïntegreerde instandhouding, ontwikkeling en beheer, met als doel het doorgeven aan toekomstige generaties.
- Overheden moeten voorafgaand aan elke beslissing tot oprichting van een nieuw gebouw een studie overwegen om erfgoedgoederen toe te wijzen.
- De Regering bezorgt het Parlement om de drie jaar een verslag over de stand van zaken en de vooruitzichten inzake bescherming van het erfgoed.
Wettekst
Wettekst
28 SEPTEMBER 2023. - Decreet tot vervanging van het Waalse Erfgoedwetboek en houdende diverse bepalingen
(1)Het Waals Parlement heeft aangenomen en Wij, Waalse Regering, bekrachtigen hetgeen volgt: HOOFDSTUK 1 - Wijzigingsbepalingen Afdeling 1 - Vervanging van het Waalse Erfgoedwetboek Artikel 1.De volgende bepalingen vormen het decretale deel van het Waalse Erfgoedwetboek: "Waalse Erfgoedwetboek TITEL 1. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK I - Toepassingsgebied Artikel D.1. Het Waalse Erfgoedwetboek, hierna "het Wetboek" genoemd, is van toepassing op erfgoed dat valt onder de bevoegdheid van het Waals Gewest en dat zich bevindt in het Franstalig gebied in de zin van de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken Naar dit decreet wordt verwezen met de volgende benaming: "Waals(
- e)Erfgoedwetboek". Art. D.2. Onder het erfgoed vallen de gezamenlijke goederen bedoeld in artikel D.1 die een weerspiegeling en uitdrukking zijn en vormen van de voortdurend evoluerende waarden, geloofsbelijdenis, kennis, vaardigheden en tradities, waarvan de bescherming verantwoord is wegens met name hun belang voor archeologie, geschiedenis, wetenschap, kunsten, maatschappij, techniek, herinnering, schoonheid, landschap of stedenbouw, en waarbij rekening gehouden wordt met criteria inzake zeldzaamheid, authenticiteit, integriteit of representativiteit. Daartoe behoren ook alle aspecten van de omgeving die voortvloeien uit de interactie in de tijd tussen personen en plaatsen. Het Waalse Gewest, de provincies, de gemeenten, de openbare en privé-actoren en de inwoners dragen voor de erfgoedbescherming bij tot de erkenning, de geïntegreerde instandhouding, de ontwikkeling en het beheer van het erfgoed dat ze zullen doorgeven aan de komende generaties. Voorafgaand aan elke beslissing tot oprichting van een nieuw gebouw en om de geïntegreerde instandhouding van hun erfgoed te garanderen, moeten de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de Waalse Huisvestingsmaatschappij, de door deze laatste erkende publieke vastgoedmaatschappijen, de provincies, de gemeenten en de intercommunales, de kerkfabrieken en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn de studie overwegen om aan de activiteit waarvoor een stedenbouwkundige vergunning wordt aangevraagd, het goed of de goederen toe te wijzen die behoren tot het erfgoed waarvan zij de eigenaars zijn wanneer ze beschermd of gelijkgesteld zijn of opgenomen in de gewestelijke erfgoedinventaris. De Regering bezorgt het Parlement om de drie jaar een verslag over de stand van zaken en de vooruitzichten inzake bescherming van het erfgoed. HOOFDSTUK 2 - Begripsomschrijving Art. D.3. Voor de toepassing van het Wetboek wordt verstaan onder : 1° dringende bewarende handelingen en werken : omkeerbare handelingen en werken die worden uitgevoerd of gepland met het oog op de onmiddellijke bescherming van het geheel of een deel van een beschermd of daarmee gelijkgesteld goed dat bedreigd wordt door ongewone weersomstandigheden, een natuurramp of een toevallige gebeurtenis;2° de erfgoedadministratie : het "Agence wallonne du Patrimoine" in de zin van het decreet van 12 juli 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/06/1964 pub. 27/11/2009 numac 2009000776 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0 tot oprichting van het "Agence wallonne du Patrimoine" als administratieve dienst met een autonome boekhouding en houdende ontbinding van het "Institut du Patrimoine wallon";3° erfgoedvergunning: de administratieve handeling die voorafgaat aan de uitvoering van handelingen en werken of het uitvoeren van evenementen of activiteiten met betrekking tot een beschermd of daarmee gelijkgesteld goed en die een kader schept en de geplande ingrepen vastlegt om de criteria en belangen die de beschermingsmaatregel van het goed rechtvaardigden, te vrijwaren;4° archeologisch goed: alle materiële overblijfselen, van paleontologische aard of het spoor ervan inbegrepen, gelegen onder of boven de grond, onder het water, beschouwd als bewijs van de bedrijvigheid van de mens of van zijn leefmilieu, van verlopen tijdperken of beschavingen, ongeacht de kunstwaarde ervan;5° gelijkgesteld goed: goederen die op de beschermingslijst staan of die voorlopig aan de gevolgen van de bescherming zijn onderworpen; 6° beschermd goed: elk goed dat het voorwerp uitmaakt van een beschermingsmaatregel als monument, site, architectonisch geheel of archeologische site wegens zijn erfgoedwaarde met betrekking tot de criteria en belangen bedoeld in artikel D.2 om de bescherming ervan te verzekeren; 7° de archeologische kaart: het cartografisch instrument dat de omtrekken bepaalt die ieder geheel van al dan niet bebouwde onroerende goederen omvatten, die geheel of gedeeltelijk het voorwerp hebben uitgemaakt van een ontdekking van een of meerdere archeologische goederen of waarvan is vastgesteld dat zij archeologische goederen hebben verborgen, verbergen of vermoedelijk verbergen.8° het stedenbouwkundig attest nr.2 : het attest bedoeld in artikel D.IV.I, § 3, 2°, van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling; 9° "CoDT" : het Wetboek van Ruimtelijke ontwikkeling; 10° de Commissie : de Koninklijke Commissie van monumenten, landschappen en opgravingen, afgekort : "C.R.M.S.F."; 11° de gemeentelijke Commissie: de gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening en mobiliteit, afgekort "C.C.A.T.M.", bedoeld in artikel D.I.7 van het "CoDT"; 12° geïntegreerde instandhouding : met inachtneming van de kenmerken die de bescherming van een goed hebben gerechtvaardigd, het geheel van de maatregelen met als doel:
- a)te zorgen voor de duurzaamheid van het goed
- b)te zorgen voor de handhaving van het goed in het kader van een geschikte, bebouwde of onbebouwde omgeving;
- c)een gepaste bestemming van het goed te bepalen om het op duurzame wijze aan te passen aan de behoeften van de gemeenschap op sociaal, economisch, demografisch vlak, op vlak van energie, erfgoed, leefmilieu of toegankelijkheid;13° toevallige ontdekking : elke onvoorziene of louter toevallige blootlegging van één of meerdere archeologische goederen; 14° het architectonisch geheel: een groep gebouwen die een samenhangend geheel vormt, met inbegrip van de elementen die ze met elkaar verbinden, door hun integratie in het landschap en in de bestaande bebouwde en onbebouwde context, en die erfgoedwaarde heeft op het vlak van de criteria en belangen bedoeld in artikel D.2; 15° het onderhoud: alle preventieve of curatieve handelingen en werken, tijdelijk of permanent, die het uiterlijke of interne uitzicht, de materialen, de draagstructuren, het bebouwde volume of de kenmerken die de bescherming van een beschermd of daarmee gelijkgestelde eigendom rechtvaardigden, niet wijzigen;16° voorstudie: alle wetenschappelijke, technische, historische en documentaire studies die nodig zijn om een onderhouds- of restauratieproject op te stellen en die kunnen worden toegevoegd aan een documentatiefonds dat wordt beheerd door de dienst die door de Regering is aangeduid;17° de erfgoedfiche: het erfgoedbeoordelingsinstrument voor een erfgoedgoed, dat open is en wordt opgesteld door de dienst die door de Regering is aangeduid, en dat dient als hulpmiddel bij de besluitvorming in het kader van een inschrijving op de beschermingslijst, een aanvraag tot opname op de beschermingslijst, declassering of herkwalificatie, een aanvraag tot erfgoedvergunning of de opmaak van een operationeel erfgoedplan; 18° gemachtigd ambtenaar van de Stedenbouw : de ambtenaar bedoeld in artikel D.I.3 van het "CoDT"; 19° archeologische opgravingen: archeologische verrichtingen waarbij een eigendom of perceel wordt gewijzigd door het uitgraven, strippen of verwijderen van een of meer archeologische goederen, met als doel de kennis te verbeteren door het vastleggen en exploiteren van de verzamelde gegevens, met inbegrip van de volgende opgravingen:
- a)reddingsopgravingen :opgravingen met betrekking tot een archeologisch eigendom, terrein of plaats die geheel of gedeeltelijk vernield worden;
- b)preventieve opgravingen : de opgravingen betreffende archeologische sites die op korte termijn onomkeerbaar bedreigd zijn met gehele of gedeeltelijke vernieling, in het bijzonder als onderdeel van een ontwikkelings- of stedenbouwkundig project;
- c)geprogrammeerde opgravingen: de op lange termijn geplande opgravingen die nodig zijn voor de studie van een bepaald wetenschappelijk thema of van een archeologische vindplaats in haar geheel; 20° de gewestelijke inventaris van het erfgoed : het instrument voor de identificatie van het gebouwde en niet-gebouwde erfgoed dat onder de bevoegdheid van het Waalse Gewest valt en dat geheel of gedeeltelijk van erfgoedwaarde is met betrekking tot de in artikel D.2 bedoelde belangen en criteria; 21° beschermingslijst : de lijst van goederen die tijdelijk beschermd zijn omwille van een tijdelijke of definitieve dreiging van vernietiging, afbraak of wijziging en die in aanmerking komen om beschermd te worden;22° de minister : de minister bevoegd voor monumenten en sites in de zin van artikel 6, § 1, I, 7°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming van de instellingen; 23° monument: een geïsoleerde architecturale, sculpturale of plantaardige creatie, met inbegrip van de elementen die door inlijving of bestemming geïmmobiliseerd zijn en de roerende goederen die er integraal deel van uitmaken, in het bijzonder de aanvullende uitrusting en decoratieve elementen, en die erfgoedwaarde heeft in de zin van de criteria en belangen bedoeld in artikel D.2; 24° archeologische verrichtingen: alle werkzaamheden met betrekking tot prospectie, proefboringen, opgravingen en archeologische opvolgingen, met inbegrip van de opmaking van de desbetreffende verslagen en hun bekendmaking;25° uitzonderlijk erfgoed: alle beschermde goederen van groot regionaal erfgoedbelang, waarvan de lijst bij regeringsbesluit wordt vastgesteld;26° werelderfgoed: elk goed of groep van goederen waarvan de uitzonderlijke universele waarde erkend is door de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, afgekort UNESCO, in toepassing van de Overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk werelderfgoed;27° de milieuvergunning: de vergunning bedoeld in artikel 1, eerste lid, 1°, van het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning sluiten betreffende de milieuvergunning;28° de vergunning voor een handelsvestiging : de vergunning bedoeld in artikel 1, 4°, van het decreet van 5 februari 2015Relevante gevonden documenten type decreet prom. 05/02/2015 pub. 18/02/2015 numac 2015200758 bron waalse overheidsdienst Decreet betreffende de handelsvestigingen sluiten betreffende de handelsvestigingen ; 29° de bebouwingsvergunning: de vergunning bedoeld in artikel D.IV.2, § 1, van het "CoDT"; 30° de stedenbouwkundige vergunning: de vergunning bedoeld in artikel D.IV.4 van het "CoDT"; 31° de geïntegreerde vergunning : de vergunning bedoeld in artikel 1, 6°, van het decreet van 5 februari 2015Relevante gevonden documenten type decreet prom. 05/02/2015 pub. 18/02/2015 numac 2015200758 bron waalse overheidsdienst Decreet betreffende de handelsvestigingen sluiten betreffende de handelsvestigingen;32° de globale vergunning: de vergunning bedoeld in artikel 1, 12°, van het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning sluiten betreffende de milieuvergunning;33° klein Waals volkserfgoed: alle kleine erfgoedelementen, al dan niet beschermd, die onder categorieën vallen die erkend zijn door de Regering en die van erfgoed- en cultureel belang zijn, die zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte of toegankelijk zijn voor het publiek, die als referentie dienen voor een plaatselijke bevolking of die tot het samenhorigheidsgevoel bijdragen;34° het operationeel plan erfgoed: de administratieve handeling die voorafgaat aan de uitvoering van handelingen en werken waarvoor geen vergunning nodig is, die een terugkerend karakter hebben of die een fasering vereisen, evenals de organisatie van evenementen of activiteiten met een terugkerend karakter;35° de Beleidsgroep " Ruimtelijke Ordening": de beleidsgroep bedoeld in artikel 1 van het decreet van 6 november 2008Relevante gevonden documenten type decreet prom. 06/11/2008 pub. 18/12/2008 numac 2008204571 bron waalse overheidsdienst Decreet houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie type decreet prom. 06/11/2008 pub. 19/12/2008 numac 2008204572 bron waalse overheidsdienst Kaderdecreet houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet sluiten houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie;36° de eigenaar : elke publiekrechtelijke of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon die houder is van een zakelijk recht op een goed, mede-eigendom, vruchtgebruik, erfdienstbaarheid, erfpacht of recht van opstal op een goed;37° de prospectie : de handeling waarbij archeologische goederen of locaties gelokaliseerd worden zonder ze te wijzigen.38° herbestemming: de gedeeltelijke of volledige wijziging van de functie van een beschermd of gelijkgesteld goed, om te voorkomen dat het in verval raakt of wordt opgegeven of om het aan te passen aan de behoeften en vereisten van de nieuwe functie die eraan wordt toegekend, met behoud van de erfgoedkenmerken die de bescherming van het goed rechtvaardigden;39° restauratie: alle handelingen en werken, andere dan deze die betrekking hebben op het onderhoud bedoeld in 15°, uitgevoerd op een beschermd of gelijkgesteld goed met het oog op het behoud en de onthulling van de kenmerken die de bescherming ervan rechtvaardigden, het opfrissen ervan, het bewaren van de authenticiteit en de mogelijkheid tot toe-eigening door de gemeenschap, alsook de opwaardering en het eventuele hergebruik ervan; 40° de site: het natuurwerk of het gecombineerde werk van mens en natuur dat een gebied van erfgoedwaarde vormt met betrekking tot de criteria en belangen bedoeld in artikel D.2, dat voldoende karakteristiek en coherent is om het voorwerp uit te maken van een topografische afbakening; 41° de archeologische site: het terrein, de geologische of pedologische formatie, het gebouw, het geheel van gebouwen of site die daadwerkelijk of vermoedelijk archeologische goederen bevat;42° archeologische onderzoekingen : archeologische handelingen waarbij de staat van de ondergrond of de bebouwde omgeving wordt gewijzigd om de aanwezigheid van archeologische voorwerpen of het bestaan, de aard en de omvang van een archeologische vindplaats vast te stellen, met uitzondering van het gebruik van apparatuur voor het opsporen of zoeken naar metalen of ferromagnetische voorwerpen met het oog op het onttrekken ervan aan de bodem of het water overeenkomstig hoofdstuk 8 van titel 4;43° archeologische opvolging : de archeologische verrichting die bestaat in het toezicht, door de dienst aangeduid door de Regering, op de handelingen en werken uitgevoerd in het kader van de uitvoering van een bebouwingsvergunning, een stedenbouwkundige vergunning, een milieuvergunning, een globale vergunning, een handelsvestigingsvergunning of een geïntegreerde vergunning en in de mogelijkheid voor de dienst aangeduid door de Regering om voormelde handelingen en werken tijdelijk, plaatselijk of volledig, te onderbreken voor het uitvoeren van grafische en beschrijvende opnamen en desgevallend voor het uitvoeren van archeologische opgravingen; 44° de valorisatie: elke actie of maatregel die bestaat uit het bekendmaken en vergroten van de erkende kwaliteiten van een of meer erfgoedelementen die onder de bevoegdheid van het Gewest vallen, door de uitvoering van handelingen en werken, de implementatie van de elementen bedoeld in artikel D.131 of door de uitvoering van verschillende verspreidings- of promotieacties; 45° het beschermingsgebied : het gebied gelegen rondom een beschermd goed, en waarvan de omtrek is afgebakend al naar gelang de eisen voor de geïntegreerde instandhouding van dat goed;46° bufferzone: het gebied rondom een op de Werelderfgoedlijst opgenomen landgoed of groep objecten, waarvan het gebruik en de ontwikkeling onderworpen zijn aan speciale beperkingen om te zorgen voor extra bescherming van het landgoed of de groep objecten en om de uitzonderlijke universele waarde ervan te behouden. HOOFDSTUK 3. - Communicatiemethoden en berekening van termijnen Art. D.4. De Regering bepaalt voor welke in het Wetboek bedoelde mededelingen, verzendingen of ontvangsten een datum moet worden vastgesteld, ongeacht het gebruikte procédé. De Regering kan de lijst vaststellen van de procédés die zij aanvaardt om de mededeling, verzending en elke ontvangst van een vaste dagtekening te voorzien. De aangetekende elektronische berichten moeten in overeenstemming zijn met het decreet van 27 maart 2014Relevante gevonden documenten type decreet prom. 27/03/2014 pub. 15/04/2014 numac 2014202321 bron waalse overheidsdienst Decreet betreffende de communicaties via elektronische weg tussen de gebruikers en de Waalse openbare overheden type decreet prom. 27/03/2014 pub. 15/04/2014 numac 2014202320 bron waalse overheidsdienst Decreet betreffende de communicaties via elektronische weg tussen de gebruikers en de Waalse openbare overheden, voor de aangelegenheden bedoeld in artikel 138 van de Grondwet sluiten betreffende de communicaties via elektronische weg tussen de gebruikers en de Waalse openbare overheden en de uitvoeringsbesluiten ervan. Art. D.5. De dag van de mededeling, verzending of ontvangst van een document waarnaar in het Wetboek wordt verwezen en die het beginpunt van een termijn vormt, is niet inbegrepen in de termijn. De termijn gaat in op de dag nadat het document is meegedeeld, verzonden of ontvangen en omvat, tenzij anders aangegeven, alle dagen, inclusief zaterdagen, zondagen en feestdagen. De vervaldag is in de termijn inbegrepen. Indien die dag evenwel een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de vervaldag uitgesteld tot de volgende werkdag. Een werkdag is elke dag behalve zaterdag, zondag en feestdagen. De mededeling of verzending vindt uiterlijk plaats op de dag waarop de termijn verstrijkt. TITEL 2. - Bescherming van het erfgoed HOOFDSTUK I - Werelderfgoed Art. D.6. De Regering maakt de lijst van goederen of groepen van goederen die op de Werelderfgoedlijst staan bekend, inclusief, indien van toepassing, de omtrek van de bufferzones die ermee verbonden zijn, in het Belgisch Staatsblad en op de website van de dienst die ze aanwijst. De in lid 1 bedoelde publiciteitsmaatregelen zijn bedoeld om het publiek op de hoogte te brengen van de plaatsing van een goed of een groep goederen op de Werelderfgoedlijst en hebben geen betrekking op de identificatie van de eigenaar van het goed of de groep goederen. Alleen informatie met betrekking tot de identificatie van het object of de groep objecten en de reden voor plaatsing op de Werelderfgoedlijst wordt bekendgemaakt. Art. D.7. Elk goed of elke groep goederen dat op de Werelderfgoedlijst staat, kan een bufferzone hebben. De omtrek van de bufferzone wordt bepaald volgens de eisen van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde en kan de onmiddellijke omgeving van het goed omvatten, belangrijke uitzichten of andere gebieden die een belangrijke functionele rol spelen in de ondersteuning van het goed en de bescherming ervan. De in lid 2 bedoelde uitzonderlijke universele waarde duidt een cultureel of natuurlijk belang aan dat voldoende uitzonderlijk is om nationale grenzen te overschrijden en van gemeenschappelijke onschatbare waarde zijn voor de huidige en toekomstige generaties van de gehele mensheid. Art. D.8. § 1. Elk op de Werelderfgoedlijst ingeschreven goed of elke groep goederen dient een beheersplan te hebben dat in overeenstemming is met de bepalingen van de richtlijnen voor de uitvoering van de Overeenkomst, bedoeld in artikel D.3, 26°. De Regering legt de inhoud van het beheersplan bedoeld in het eerste lid vast. § 2 Elk beheersplan wordt voorbereid, uitgevoerd en bijgewerkt door een beheerscomité. De Regering stelt de samenstelling, de opdrachten en de werking van het beheerscomité vast. § 3. Indien nodig kan de Regering, om te voldoen aan de inhoud van het beheersplan dat is opgesteld krachtens de paragrafen 1 en 2, de volgorde wijzigen waarbij het goed of de groep goederen op de Werelderfgoedlijst is geplaatst, in overeenstemming met artikel D.17. Art. D.9. Wanneer een goed of een groep goederen op de Werelderfgoedlijst staat, houden de administratieve autoriteiten rekening met de noodzaak om de uitzonderlijke universele waarde te beschermen, evenals met het beheersplan voor het goed en de bufferzone die de doelstelling waarborgen, bij het onderzoeken van aanvragen voor individuele vergunningen die betrekking hebben op het goed of de groep goederen en die onder een ander administratief beleid vallen. D.10. § 1. Er wordt een Waals Werelderfgoedcomité opgericht. Het Comité bestaat uit: 1° de Minister van Erfgoed, die het comité voorzit ;2° de minister van Ruimtelijke Ordening;3° de minister bevoegd voor Internationale Betrekkingen ;4° de Minister van Toerisme;5° de inspecteur-generaal van de erfgoedadministratie;6° de voorzitter van de Commissie;7° de voorzitter van de afdeling Wallonië-Brussel van de "International Council on Monuments and Sites";8° de inspecteur-generaal van de dienst Ruimtelijke Ordening van de Waalse Overheidsdienst;9° de Administrateur-generaal van Wallonie-Bruxelles International;10° de Commissaris-generaal voor Toerisme;11° de directeur-generaal van "Wallonie Belgique Tourisme". De in lid 1 bedoelde personen kunnen zich laten vertegenwoordigen door een daartoe aangewezen persoon. Indien nodig kan het Waalse Werelderfgoedcomité deskundigen of specialisten uitnodigen. § 2 Het Waalse Werelderfgoedcomité stelt de Regering voor : 1° de omschrijving van een globale strategie in verband met de onroerende goederen van het werelderfgoed; 2° elk project m.b.t. een nieuwe inschrijving op de lijst van het werelderfgoed; 3° prioriteiten in termen van budget en programmering, op basis van de beheersplannen voor de verschillende goederen en groepen goederen. § 3. De Regering stelt de toepassingsmodaliteiten van dit artikel vast. HOOFDSTUK 2. - Het uitzonderlijke erfgoed van Wallonië Art. D.11. § 1. De Regering stelt een lijst op van beschermde goederen of delen van goederen waarvan ze het buitengewoon erfgoedbelang erkent. Ze informeert de eigenaars van de betrokken goederen. Vóór de goedkeuring wordt de ontwerplijst of de wijziging van de lijst voor advies voorgelegd aan de door de regering aangewezen dienst en aan de Commissie. De kennisgeving wordt verstuurd binnen zestig werkdagen nadat de aanvraag is verzonden. Bij gebrek aan ontvangst van het advies binnen de toegestane termijn wordt de procedure voortgezet. § 2. De Regering maakt de lijst bekend van beschermde goederen of delen van goederen waarvoor ze het uitzonderlijke erfgoedkarakter erkent, in het Belgisch Staatsblad en op de website van de dienst die ze aanwijst. De in lid 1 bedoelde publiciteitsmaatregelen zijn bedoeld om het publiek te informeren over de erkenning van de uitzonderlijke aard van een beschermd goed of een beschermd onderdeel en hebben geen betrekking op de identificatie van de eigenaar van het beschermde goed of het beschermde onderdeel. Alleen informatie met betrekking tot de identificatie van het onroerend goed of een deel ervan en de redenen voor de erkenning van het uitzonderlijke karakter van het onroerend goed worden bekendgemaakt. § 3. De Regering stelt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel vast. HOOFDSTUK 3. - Beschermd erfgoed Afdeling 1. - Klassering van een goed Art. D.12. De Regering kan elk goed dat onder het erfgoed valt, als beschermd goed erkennen in de zin van artikel D.2, eerste lid. Daartoe kan de Regering, op basis van een erfgoedfiche zoals bedoeld in artikel D.33, een klasseringsprocedure opstarten, hetzij : 1° op eigen initiatief;2° op verzoek van de eigenaar.3° op voorstel van de Commissie;4° op voorstel van het gemeentecollege;5° op voorstel van de gemeentelijke commissie;6° op verzoek van een of meer vennootschappen, verenigingen of stichtingen met rechtspersoonlijkheid, die tot doel of tot doel hebben het behoud van het erfgoed en waarvan de maatschappelijke zetel zich in het Franstalige Waalse Gewest bevindt;7° op verzoek van minstens driehonderd personen ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente waar het goed gelegen is indien de gemeente minder dan vijfduizend inwoners telt, van zeshonderd personen ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente waar het goed gelegen is indien de gemeente vijfduizend tot dertigduizend inwoners telt of duizend personen ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente waar het goed gelegen is voor een gemeente met meer dan dertigduizend inwoners. De erfgoedfiche wordt opgesteld door de dienst die door de overheid is aangeduid vóór de beslissing om al dan niet een klasseringsprocedure op te starten. Deze fiche wordt naar de Commissie gestuurd voor advies, dat binnen vijftien werkdagen na verzending van de adviesaanvraag wordt uitgebracht. De beslissing om de klasseringsprocedure al dan niet aan te vatten, wordt meegedeeld aan de erfgoedadministratie, de Commissie en, indien van toepassing, aan de personen bedoeld in lid 2, 2° tot 7°. De Regering stelt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel vast. Art. D.13. § 1. Wanneer de Regering beslist om een klasseringsprocedure op te starten voor een goed, zal ze het klasseringsproject opstellen op basis van de erfgoedfiche en alle andere documenten waarover ze beschikt. Het ontwerp tot klassering bepaalt, indien van toepassing, de beschermingszone die bij het goed hoort en de specifieke beschermings- en beheersvoorwaarden die worden overwogen. § 2. Het klasseringsproject wordt in het Belgisch Staatsblad en op de website van de dienst aangewezen door de Regering bekendgemaakt. Het klasseringsproject en de erfgoedfiche worden tegelijkertijd meegedeeld: 1° voor de organisatie van het openbaar onderzoek en een met redenen omkleed advies, aan het gemeentecollege;2° voor opmerkingen, aan de eigenaar van het goed;3° voor een met redenen omkleed advies :
- a)aan de Commissie;
- b)aan de gemeentelijke commissie of, bij gebrek, de beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening";
- c)aan administraties en diensten die de Regering het nodig acht te raadplegen;4° ter informatie, aan de stedenbouwkundige ambtenaar. De opmerkingen en adviezen, vermeld in het eerste lid, 2° en 3°, worden binnen negentig dagen na de mededeling van het klasseringsproject en de erfgoedfiche meegedeeld aan de dienst, aangeduid door de Regering. Bij gebrek aan mededeling van advies binnen de voorgeschreven termijnen kan de procedure voortgezet worden. § 3. Binnen twintig dagen na ontvangst van het klasseringsvoorstel en de erfgoedfiche moet de eigenaar de persoon die het goed in kwestie daadwerkelijk in gebruik heeft, op de hoogte brengen, evenals elke persoon die hij heeft belast met het uitvoeren van handelingen en werken aan het goed in kwestie of die hij daartoe heeft gemachtigd. De door de Regering aangewezen dienst brengt de eigenaar van het goed op de hoogte van de in lid 1 bedoelde verplichting. § 4. Binnen twintig dagen na de verzending bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, gaat het gemeentecollege over tot een openbaar onderzoek dat vijftien dagen duurt. De dossiers liggen ter inzage in het gemeentehuis op werkdagen en minstens één keer in de week tot 20 uur, of op zaterdagmorgen; Het openbaar onderzoek is aangekondigd: 1° door aanplakking op het gemeentehuis en op de plaatsen waar het indelingsproject gevolgen heeft;2° door een bericht in drie dagbladen die in de regio worden verspreid;3° op de website van de gemeente, indien beschikbaar;4° in een gemeentelijk informatieblad dat onder de bevolking wordt verspreid, indien dit bestaat, of, bij ontstentenis daarvan, in een advertentieblad dat gratis onder de bevolking wordt verspreid. De affiches en berichten bedoeld in het derde lid vermelden het onderwerp van het onderzoek en dat het dossier geraadpleegd kan worden op het gemeentehuis overeenkomstig de in de vorige paragraaf aangeduide beginselen. De adviezen moeten tijdens de hele duur van het openbaar onderzoek perfect zichtbaar en leesbaar blijven. Het openbare onderzoek wordt opgeschort tussen 16 juli en 15 augustus en tussen 24 december en 1 januari. Binnen vijftien dagen na de laatste dag van het openbaar onderzoek houdt het gemeentecollege, of een van zijn daartoe door het college gedelegeerde leden, een openbare vergadering waarop iedereen die wil worden gehoord, wordt gehoord. Aan het einde van die zitting wordt een proces-verbaal opgesteld waarbij het openbaar onderzoek gesloten wordt. De conclusies van het openbaar onderzoek worden bekendgemaakt op de website van de gemeente als die er een heeft. § 5. Binnen vijftien dagen na de afsluitende vergadering van het openbaar onderzoek maakt het gemeentecollege het dossier m.b.t. de opname op de monumentenlijst aan het gemeentecollege. Binnen zestig dagen na ontvangst van de aanvraag brengt de gemeenteraad een met redenen omkleed advies uit. Bij gebrek aan mededeling van advies binnen de voorgeschreven termijnen kan de procedure voortgezet worden. § 6. Binnen vijftien dagen na het verstrijken van de termijn van zestig dagen bedoeld in § 5, stuurt het gemeentecollege de volgende stukken aan de Dienst aangewezen door de Regering: 1° de opmerkingen gemaakt tijdens het openbaar onderzoek;2° de notulen van de sluiting van het openbaar onderzoek; 3° de beraadslaging van de gemeenteraad;4° zijn met redenen omkleed advies. Bij gebrek aan mededeling van één van de documenten bedoeld in het eerste lid binnen de voorgeschreven termijnen kan de procedure voortgezet worden. § 7. Elk verstek of uitstel vanwege de gemeente om over te gaan tot de in dit artikel bedoelde modaliteiten brengt de nietigheid van de procedure niet met zich mee en mag de verlenging van de in paragraaf 6 bedoelde termijn niet als gevolg hebben. § 8. De in dit artikel bedoelde publiciteitsmaatregelen zijn bedoeld om het publiek te informeren over de voorgestelde klassering van een goed en hebben geen betrekking op de identificatie van de eigenaar van het goed dat het voorwerp uitmaakt van de voorgestelde klassering. Alleen informatie met betrekking tot de identificatie van het goed en de redenen voor het klasseringsproject worden gepubliceerd. Art. D.14. Op basis van de opmerkingen, het openbaar onderzoek en de adviezen bedoeld in artikel D.13, § 2, kan de Regering beslissen het goed te klasseren of te weigeren het te klasseren. De Regering beslist over de klassering van het goed binnen de achttien maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de beslissing tot inleiding van de klasseringsprocedure. Als er binnen achttien maanden geen beslissing is genomen, wordt de klasseringsaanvraag geacht te zijn geweigerd. Indien een goed beoogd bij het klasseringsdossier gelegen is in de omtrek van een site erkend krachtens de wet van 12 juli 1973Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/07/1973 pub. 24/08/2010 numac 2010000473 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het natuurbehoud Duitse vertaling van de federale versie sluiten op het natuurbehoud houdt het besluit tot klassering van een goed rekening met de verplichtingen en het beheersplan bedoeld in deze wet. Wanneer het besluit tot klassering wijzigingen bevat die aan een in lid 2 bedoeld bijzonder beheersplan dienen te worden aangebracht, beslist de Regering of dat plan dient te worden herzien. In overeenstemming met artikel D.22 kan de Regering bijzondere voorwaarden opleggen voor de bescherming en het beheer van het goed in het klasseringsbesluit. Van deze voorwaarden kan enkel worden afgeweken door het verkrijgen van een erfgoedvergunning, op voorwaarde dat de erfgoedvergunning niet indruist tegen de substantiële erfgoedkenmerken die de klassering van het goed rechtvaardigden. Art. D.15. § 1. Het besluit tot klassering wordt in het Belgisch Staatsblad en op de website van de dienst aangewezen door de Regering bekendgemaakt. Het klasseringsbesluit wordt bekendgemaakt: 1° aan de eigenaar van het goed;2° aan het gemeentecollege;3° aan de Commissie;4° aan de gemeentelijke Commissie of, bij gebrek, aan de beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening"; 5° aan de personen, vermeld in artikel D.12, tweede lid, 2° tot en met 7°, waarop de aanvraag tot indeling is gebaseerd; 6° aan de gemachtigd ambtenaar van de Stedenbouw. Binnen vijftien dagen na de in lid 2 bedoelde kennisgeving moet de eigenaar een kopie van de kennisgeving sturen naar de persoon die het goed gebruikt, op straffe van hoofdelijke aansprakelijkheid in geval van schending van de bepalingen van het Wetboek of het CoDT waarvan de toepassing voortvloeit uit de klassering van het goed. Deze verplichting wordt vermeld in de kennisgeving aan de eigenaar. Binnen vijftien dagen na ontvangst van de kennisgeving maakt het gemeentecollege het besluit tot klassering bekend door aanplakking op het gemeentehuis en op de betrokken plaatsen gedurende minimum dertig dagen, alsook op de website van de gemeente als die er een heeft De autoriteiten en de in het tweede lid bedoelde personen zijn onderworpen aan het klasseringsbesluit vanaf zijn kennisgeving of vanaf zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad indien deze voorafgaat. De in dit paragraaf bedoelde publiciteitsmaatregelen zijn bedoeld om het publiek te informeren over de voorgestelde klassering van een goed en hebben geen betrekking op de identificatie van de eigenaar van het goed dat het voorwerp uitmaakt van het klasseringsbesluit. Alleen informatie met betrekking tot de identificatie van het goed en de redenen voor het klasseringsproject worden gepubliceerd. § 2. De beslissing om te weigeren het onroerend goed te klasseren wordt meegedeeld : 1° aan de eigenaar van het goed;2° aan het gemeentecollege;3° aan de Commissie; 4° aan de personen, vermeld in artikel D.12, tweede lid, 2° tot en met 7°, waarop de aanvraag tot klassering is gebaseerd; 5° aan de gemachtigd ambtenaar van de Stedenbouw. Afdeling 2. - Beschermingsgebied Art. D.16. § 1. In het besluit tot klassering van een goed kan een beschermingsgebied rond het betrokken goed worden ingesteld. § 2. Na de klassering van een goed kan de Regering een beschermingsgebied instellen of een bestaand beschermingsgebied wijzigen om het geïntegreerde instandhouding van het goed te verzekeren. De instelling van een beschermingsgebied of de wijziging van een bestaand beschermingsgebied gebeurt overeenkomstig de artikelen D.12 tot en met D.15. § 3. De Regering kan aanvullende procedures en regelingen vaststellen in verband met de instelling of wijziging van een beschermingsgebied. Afdeling 3. - Wijziging van het klasserings- of declasseringsbesluit Art. D.17. De Regering kan de procedure tot wijziging van een klasseringsbesluit of de procedure tot declassering van een beschermd goed inleiden op basis van : 1° de erfgoedfiche; 2° een onderzoek naar de adequaatheid van de genomen beschermingsmaatregel ten aanzien van de criteria en belangen bedoeld in artikel D.2 of indien wordt vastgesteld dat nieuwe omstandigheden die zich sinds de datum van het klasseringsbesluit hebben voorgedaan, tot gevolg hebben gehad dat de erfgoedwaarde van een goed ten aanzien van die criteria en belangen is verminderd of verdwenen. De wijziging van een klasseringsbesluit of de declassering van een beschermd goed wordt uitgevoerd in overeenstemming met artikel D.12 tot en met D.15. Afdeling 4. - Schilden en borden Art. D.18. Het beschermd goed wordt geïdentificeerd door het plaatsen van een schild of bord dat zijn statuut vermeldt. In afwijking van de artikelen D.21 en D.34, § 1, is voor het plaatsen van een schild op een beschermd goed of van een bord dat het statuut ervan vermeldt geen erfgoedvergunning vereist. De Regering bepaalt de grafische vormgeving, de afmetingen, de minimale inhoud en de plaats van de schilden en borden om de publieke opinie bewust te maken van de beschermingsmaatregelen die worden toegepast. HOOFDSTUK 4. - Beschermingslijst Art. D.19. § 1. De Waalse Regering kan elk eigendom dat beschermd kan worden en dat bedreigd wordt met vernietiging, afbraak of wijziging, tijdelijk of permanent, op de beschermingslijst plaatsen. Op basis van een erfgoedfiche die wordt opgesteld door de dienst die door de Regering is aangewezen, beslist de Regering of een goed op de beschermingslijst wordt geplaatst, d.w.z. : 1° op eigen initiatief;2° op verzoek van de eigenaar.3° op voorstel van de Commissie;4° op voorstel van het gemeentecollege;5° op voorstel van de gemeentelijke commissie;6° volgens de bepalingen vastgelegd door de Regering, op verzoek van een of meer vennootschappen, verenigingen of stichtingen met rechtspersoonlijkheid, die tot doel of tot doel hebben het behoud van het erfgoed en waarvan de maatschappelijke zetel zich in het Franstalige Waalse Gewest bevindt;7° op verzoek van minstens driehonderd personen ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente waar het goed gelegen is indien de gemeente minder dan vijfduizend inwoners telt, van zeshonderd personen ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente waar het goed gelegen is indien de gemeente vijfduizend tot dertigduizend inwoners telt of duizend personen ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente waar het goed gelegen is voor een gemeente met meer dan dertigduizend inwoners. De Regering kan de Commissie om advies vragen over de opname van een goed op de beschermingslijst. In dat geval brengt de Commissie binnen vijftien werkdagen na toezending van de aanvraag advies uit. Bij gebrek aan mededeling van advies binnen de voorgeschreven termijnen kan de procedure voortgezet worden. § 2. Het goed wordt op de beschermingslijst geplaatst voor een niet-hernieuwbare periode van zes maanden vanaf de dag waarop het besluit tot plaatsing op de beschermingslijst bindend wordt. Het besluit tot opname van het goed op de beschermingslijst wordt in het Belgisch Staatsblad en op de website van de dienst aangewezen door de Regering bekendgemaakt. Het besluit wordt bekendgemaakt aan : 1° de eigenaar;2° het gemeentecollege;3° de Commissie;4° de gemeentelijke Commissie of, bij gebrek, aan de beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening";5° de gemachtigd ambtenaar van de Stedenbouw. Het besluit tot opname van het goed op de beschermingslijst is bindend vanaf zijn bekendmaking of vanaf zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad indien deze aan eerstgenoemde bekendmaking voorafgaat. De in dit paragraaf bedoelde publiciteitsmaatregelen zijn bedoeld om het publiek te informeren over de opname van het goed op de beschermingslijst en hebben geen betrekking op de identificatie van de eigenaar van het goed dat het voorwerp uitmaakt van de opname op deze lijst. Alleen informatie met betrekking tot de identificatie van het goed en de reden voor de opname op de beschermingslijst wordt bekendgemaakt. § 3. Binnen de in het tweede paragraaf, eerste lid, bedoelde termijn en op basis van een erfgoedfiche kan de Regering beslissen een procedure te starten om het goed op de lijst van beschermde goederen in te delen overeenkomstig de artikelen D.12 tot en met D.15. De erfgoedfiche wordt opgesteld en naar de Regering gestuurd binnen een maximumtermijn van drie maanden vanaf de datum waarop het besluit tot opname van het goed op de beschermingslijst wettelijk bindend wordt. § 4. De Regering stelt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel vast. HOOFDSTUK 5. - De gevolgen van het statuut van beschermd of gelijkgesteld goed Art. D.20. De gevolgen van de klassering zijn van toepassing : 1° op de goederen die onder een klasseringsbesluit vallen; 2° op goederen die het voorwerp uitmaken van een klasseringsprocedure voor een periode van achttien maanden vanaf de datum van kennisgeving of bekendmaking van het ontwerp van klassering in het Belgisch Staatsblad, overeenkomstig artikel D.13, § 2, eerste lid, wanneer dit laatste vóór de kennisgeving gebeurt; 3° op de goederen die het voorwerp uitmaken van een opname op de beschermingslijst gedurende een periode van zes maanden vanaf de datum waarop het besluit tot opname op de beschermingslijst overeenkomstig artikel D.19, § 2, vierde lid, bindend wordt. Art. D.21. In overeenstemming met artikel D.34 mag niemand zonder voorafgaande erfgoedvergunning of operationeel erfgoedplan : 1° handelingen en werken uitvoeren op een beschermd of daarmee gelijkgesteld goed, met uitzondering van onderhoudshandelingen en -werken die niet het voorwerp uitmaken van een subsidieaanvraag;2° een evenement of activiteit organiseren of uitvoeren die de criteria en belangen die de maatregel ter bescherming van het goed rechtvaardigden, in gevaar kan brengen. Art. D.22. § 1. In het besluit tot klassering, het inleiden van de klasseringsprocedure of de registratie van een goed op de beschermingslijst kunnen bijzondere voorwaarden voor de bescherming en het beheer van het goed worden vastgesteld. Deze voorwaarden kunnen allerlei verboden en beperkingen op eigendomsrechten inhouden waaronder, het totaal of voorwaardelijk verbod op bouwen, ontwikkelen, planten of kappen van bomen of het plaatsen van omheiningen inbegrepen. Het besluit tot klassering, het inleiden van de klasseringsprocedure of de opname van een site of archeologische site op de beschermingslijst beperkt de vrijheid van de landbouwer(
- s)van de site niet op het vlak van beplanting en teelt, met uitzondering van hagen, bosjes, lanen, bossen, waterrijke gebieden, natuurlijke habitats Natura 2000, beschermde natuurgebieden en gebieden waar dier- of plantensoorten voorkomen die vallen onder de wet van 12 juli 1973Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/07/1973 pub. 24/08/2010 numac 2010000473 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het natuurbehoud Duitse vertaling van de federale versie sluiten op het natuurbehoud, evenals grond die archeologische vindplaatsen bedekt. De speciale beschermings- en beheersvoorwaarden kunnen elk gebruik of elke activiteit, zelfs tijdelijk, die een of meer van de kenmerken kunnen wijzigen die de opening van de klasseringsprocedure, de klassering of de opname op de beschermingslijst rechtvaardigden, wijzigen, beperken of verbieden. § 2. Van de in paragraaf 1 vermelde voorwaarden kan worden afgeweken door het verkrijgen van een erfgoedvergunning. De in lid 1 bedoelde afwijkingsmogelijkheid geldt voor alle klasseringsbesluiten, alle besluiten tot inleiding van de klasseringsprocedure en alle besluiten tot opname op de beschermingslijst, met inbegrip van besluiten die vóór de inwerkingtreding van het Wetboek zijn genomen. Art. D.23. De eigenaar van een beschermd of gelijkgesteld goed is verplicht om het goed in goede staat te houden door alle nodige handelingen en werken uit te voeren. Art. D.24. § 1. De eigenaar of bewoner van een beschermd of gelijkgesteld goed moet de door de regering aangewezen afdeling zo snel mogelijk op de hoogte brengen van verval of schade van het goed. § 2 Zodra het gemeentecollege op de hoogte is van het verval, de schade, vernieling of achterlating van een beschermd of gelijkgesteld goed op zijn grondgebied, brengt het de door de Regering aangeduide dienst op de hoogte. Art. D.25. Elke vernietiging of totale afbraak van een beschermd of gelijkgesteld goed is verboden, behalve in de omstandigheden beschreven in artikel D.27. Onverminderd de toepassing van artikel D.27 kan de vernietiging of gedeeltelijke afbraak van een beschermd of gelijkgesteld goed worden toegestaan mits een erfgoedvergunning, zonder dat het goed aan een declasseringsprocedure wordt onderworpen of van de beschermingslijst van goederen wordt geschrapt, op voorwaarde dat aan de volgende cumulatieve voorwaarden wordt voldaan: 1° de vernieling of gedeeltelijke afbraak heeft geen invloed op de kenmerken van het goed die de klassering ervan, de opname op de beschermingslijst of de beslissing om een klasseringsprocedure in te leiden, rechtvaardigden;2° de vernietiging of gedeeltelijke afbraak is het gevolg van een project voor herbestemming, herstel, geïntegreerde instandhouding of verbetering van het goed. Art. D.26. De permanente of tijdelijke verplaatsing van het geheel of een deel van een beschermd of gelijkgesteld goed is verboden, behalve in gevallen waarin de materiële vrijwaring van het goed bedreigd wordt. In dit geval is de verplaatsing onderworpen aan de voorafgaande toekenning van een erfgoedvergunning. De erfgoedvergunning bepaalt de voorwaarden voor het demonteren, verplaatsen, conserveren en wederopbouwen van het goed op een specifieke locatie. Art. D.27. In afwijking van de artikelen 133 en 135, § 2, tweede lid, 1°, van de nieuwe gemeentewet van 24 juni 1988 kan de burgemeester beslissen om bij besluit de volledige of gedeeltelijke vernietiging of afbraak te bevelen van een beschermd of gelijkgesteld goed, met inbegrip van natuurlijke of gebouwde elementen gelegen op een site of geklasseerde archeologische site, voor zover aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan: 1° het goed dat het voorwerp uitmaakt van de beslissing dreigt in te storten en kan de openbare orde of veiligheid in gevaar brengen;2° volledige of gedeeltelijke vernietiging of afbraak is de enige redelijke oplossing om de openbare orde en veiligheid te bewaren;3° extreme dringendheid is bewezen;4° de burgemeester brengt tegelijk met zijn besluit de Regering en de door de Regering aangewezen dienst op de hoogte van zijn besluit en van een toelichtend dossier. Binnen vijf dagen na ontvangst van de kennisgeving bedoeld in het eerste lid, 4°, bezoekt de door de Regering aangewezen dienst de plaats in aanwezigheid van de burgemeester of zijn vertegenwoordiger teneinde een verslag op te stellen. Indien zij dit nodig acht, kan de door de regering aangestelde dienst door een of meer specialisten worden vergezeld. Hij stelt een proces-verbaal op van het bezoek ter plaatse, dat wordt goedgekeurd door de burgemeester of zijn vertegenwoordiger. Hij stuurt zijn verslag en de notulen naar de Minister. Het besluit van de burgemeester is uitvoerbaar vanaf de veertiende dag na ontvangst van de kennisgeving door de Regering, op voorwaarde dat de Regering het tijdens deze periode niet heeft opgeschort of geannuleerd. Het besluit van de burgemeester, vermeld in het eerste lid, 4°, en de beslissing van de Regering, vermeld in het derde lid, worden aan de Commissie bezorgd. De Regering bepaalt de modaliteiten voor de uitvoering van dit artikel, de procedure voor de kennisgeving van het besluit van de burgemeester, de inhoud van het toelichtingsdossier en de inhoud van het proces-verbaal van het bezoek. Art. D.28. § 1. Met het oog op het behoud van de erfgoedwaarde van een beschermd goed, kan de door de Regering aangewezen dienst de Regering voorstellen : 1° over te gaan tot de onteigening in het algemeen belang van het goed of van elk ander goed waarvan de onteigening noodzakelijk is voor de instandhouding, het herstel of de valorisatie van een beschermd goed;2° het goed te verwerven voor rekening van het Waals Gewest;3° een recht van voorkoop ten gunste van het Waals Gewest uit te oefenen op het goed;4° voor rekening van de eigenaar dringende instandhoudings-, onderhouds- of herstelwerkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren om het goed in goede staat te houden. Het in het eerste lid, 1°, bedoelde herstel bestaat erin een deel van een goed te behouden en een ander deel in mindere of meerdere mate te bewerken. § 2. Wanneer de door de Regering aangewezen dienst de maatregel, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4°, wenst uit te voeren bij gebrek aan akkoord in het kader van een aanvraag- en minnelijke overlegfase met de geïdentificeerde eigenaar, vraagt hij aan de voorzitter van de territoriaal bevoegde rechtbank van eerste aanleg, in kort geding, de toelating om dringende instandhoudings-, onderhouds- of restauratiewerken uit te voeren of te laten uitvoeren voor rekening van de eigenaar van het goed. In afwijking van lid 1 is in het geval van dringende instandhoudingsmaatregelen en -werkzaamheden geen aanvraag en minnelijke overlegfase met de geïdentificeerde eigenaar vereist alvorens een verzoek tot de voorzitter van de territoriaal bevoegde rechtbank van eerste aanleg kan worden gericht. De aard en reikwijdte van de handelingen en werken waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, worden uiteengezet in de dagvaarding of de gezamenlijke aanvraag. De rechter onderzoekt de gegrondheid en evenredigheid van het verzoek van de door de Regering aangewezen dienst. De eigenaar is verplicht alle kosten te vergoeden die hij heeft gemaakt voor het uitvoeren van de handelingen en werken die door de rechter zijn toegestaan op vertoon van een verklaring die is belast en uitvoerbaar verklaard door de rechter die de handelingen en werken heeft toegestaan om te worden uitgevoerd. Het bedrag van deze kosten wordt verhoogd met een forfaitair bedrag voor toezichts- en beheerskosten gelijk aan tien procent van de totale kostprijs van het werk, met een maximum van 10.000 euro, ongeacht of de handelingen en werken worden uitgevoerd door de erfgoedadministratie of door een extern bedrijf. Art. D.29. § 1. De gevolgen van het statuut van beschermd of gelijkgesteld goed volgen het goed ongeacht in welk bezit het is. § 2 In het geval van een overdracht van een beschermd of gelijkgestelde goed moet de instrumenterende notaris de relevante informatie inwinnen bij het gemeentebestuur en deze overnemen in de authentieke akte. Bij het bekendmaken van elke overdracht van een goed zal de instrumenterende notaris het statuut van het beschermde of gelijkgestelde goed vermelden. De notaris moet de Administratie van het Erfgoed binnen de dertig dagen inlichten over de verandering van eigenaar van het goed of over de verandering van houder van een zakelijk recht over het beschermd of gelijkgesteld goed. § 3. De erfdienstbaarheden die voortvloeien uit de bepalingen van het Wetboek of van andere wetten, decreten en reglementen betreffende de wegen- en de bouwpolitie zijn niet van toepassing op de goederen, indien zij hun beschadiging of de wijziging van het aanzicht ervan als gevolg kunnen hebben. Art. D.30. Om de erfgoedwaarde van een goed en de staat ervan te onderzoeken, hebben personeelsleden van de dienst die door de Regering zijn aangesteld, toegang tot beschermde of gelijkgestelde goederen. De in lid 1 bedoelde personeelsleden mogen tussen 9.00 en 23.00 uur privéwoningen en bedrijfsgebouwen betreden met toestemming van de eigenaar en, in voorkomend geval, van degene die het goed daadwerkelijk in gebruik heeft, of met toestemming van de voorzitter van de territoriaal bevoegde rechtbank van eerste aanleg, die vooraf in kort geding is aangevraagd. De in lid 1 bedoelde personeelsleden kunnen foto's nemen van het beschermde of gelijkgestelde goed en van de staat waarin het zich bevindt, met inbegrip van het interieur, en alle soorten gegevens registreren die nodig zijn om de erfgoedwaarde van het goed te onderzoeken. De verzamelde foto's en gegevens worden enkel gebruikt door de dienst die door de Regering werd aangewezen om de erfgoedwaarde en de staat van het beschermde of gelijkgestelde goed te onderzoeken, tenzij de eigenaar en, indien van toepassing, de persoon die het goed effectief gebruikt, hiervoor uitdrukkelijk toestemming geven. De Regering bepaalt de wijze waarop de in lid 1 bedoelde personeelsleden worden aangewezen. Art. D.31. Tenzij anders bepaald in het klasseringsbesluit, vallen alle beschermde goederen onder het regime van hoofdstuk I van het Verdrag van Den Haag van 14 mei 1954 inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict. HOOFDSTUK 6. - Gewestelijke inventaris van het erfgoed Art. D.32. § 1. De gewestelijke inventaris van het erfgoed is een inventaris van het gebouwde en niet-gebouwde erfgoed van Wallonië dat, geheel of gedeeltelijk, van erfgoedwaarde is op lokaal niveau met betrekking tot de criteria en belangen waarnaar verwezen wordt in artikel D.2. De doelstellingen zijn de kennis, de bescherming en het beheer van de geïnventariseerde goederen, evenals de sensibilisering van het publiek voor deze goederen. § 2. De door de Regering aangewezen dienst stelt de lijst op van goederen die opgenomen zijn in de gewestelijke inventaris van het erfgoed. § 2. De door de Regering aangewezen dienst kan een goed met stippen opnemen dat opgenomen is in de gewestelijke inventaris van het erfgoed. De stip verwijst naar elk beschermd goed met een bijzondere erfgoedwaarde, ongeacht het type of de periode, die tot uiting komt door de concentratie van verschillende criteria en belangen waarnaar wordt verwezen in artikel D.2. Het gemeentecollege of de Commissie kan op eigen initiatief aan de door de Regering aangewezen dienst voorstellen om een goed op te nemen in of te verwijderen uit de gewestelijke inventaris van het erfgoed, of om een stip aan te brengen op of te verwijderen van een goed dat al is opgenomen in de gewestelijke inventaris van het erfgoed. Het voorstel om een goed of de stip te schrappen wordt gerechtvaardigd door het verdwijnen van het goed of de kenmerken die de opname ervan rechtvaardigden. § 3. De gewestelijke inventaris van het erfgoed en de bijgewerkte versies ervan worden op de website van de dienst aangewezen door de Regering bekendgemaakt. De lijst van goederen die met stippen zijn opgenomen in de gewestelijke inventaris van het erfgoed en de updates ervan worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en op de website van de dienst die door de Regering is aangewezen. De in lid 1 bedoelde bekendmakingsmaatregelen zijn bedoeld om het publiek te informeren over de opname van een goed in de gewestelijke inventaris van het erfgoed of over het aanbrengen van een stip op een goed dat in de gewestelijke inventaris van het erfgoed is opgenomen. Het identificeert de eigenaar van het goed niet. Alleen informatie met betrekking tot de identificatie van het goed en de redenen voor de opname in de gewestelijke inventaris van het erfgoed of het aanbrengen van de stip wordt bekendgemaakt. § 4 De Regering bepaalt de procedures voor het opstellen, updaten en bekendmaken van de regionale erfgoedinventaris en de "pastille". TITEL 3. - Hulpmiddelen voor de instandhouding van het erfgoed HOOFDSTUK I. - De erfgoedfiche Art. D.33. Een erfgoedfiche bevat minstens: 1° de erfgoedevaluatie van het goed, uitgevoerd op grond van de in artikel D.2 bedoelde belangen en criteria om zijn bescherming te rechtvaardigen; 2° de technische aanwijzingen in verband met de algemene fysieke staat en de instandhouding van het goed, vastgesteld op grond van een visuele erkenning van de ziektes die het goed treffen; De erfgoedfiche wordt opgesteld door de dienst die door de Regering is aangewezen. Het kan worden aangevuld, gewijzigd en bijgewerkt door de dienst die door de Regering is aangewezen. De Regering zal beslissen over een standaardmodel en eventuele aanvullende inhoud van de erfgoedfiche. HOOFDSTUK 2. - Erfgoedvergunning Afdeling 1. - Aanvraag voor erfgoedvergunning Art. D.34. § 1. Voorafgaande erfgoedvergunning is vereist voor alle werkzaamheden die worden uitgevoerd aan een beschermd of gelijkgesteld goed. In afwijking van lid 1 is voor het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan een beschermd of daarmee gelijkgesteld goed geen voorafgaande erfgoedvergunning vereist, tenzij deze onderhoudswerkzaamheden het voorwerp uitmaken van een subsidieaanvraag. Als voor het werk een stedenbouwkundige vergunning, een bebouwingsvergunning, een milieuvergunning, een globale vergunning, een vergunning voor een handelsvestiging of een geïntegreerde vergunning nodig is, is de erfgoedvergunning een voorwaarde voor de aanvraag van de vergunning. Het verkrijgen van een erfgoedvergunning is een voorwaarde voor het aanvragen van stedenbouwkundig attest nr. 2. § 2. De organisatie of de opvoering van evenementen of activiteiten die de criteria en belangen die de bescherming van het goed rechtvaardigden in gevaar kunnen brengen of die indruisen tegen de specifieke bepalingen van het klasseringsbesluit, is onderworpen aan een voorafgaande erfgoedvergunning. De organisatie of de opvoering van evenementen of activiteiten is onderworpen aan een voorafgaande erfgoedvergunning als aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan: 1° het evenement of de activiteit brengt ten minste tweehonderd mensen samen of zal waarschijnlijk ten minste tweehonderd mensen samenbrengen;2° het evenement of de activiteit is toegankelijk voor het publiek;3° het evenement of de activiteit zal waarschijnlijk inkomsten genereren. De beoordeling van de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, wordt overgelaten aan de door de Regering aangewezen dienst. § 3. Wanneer een project onderworpen is aan de voorafgaande toekenning van een erfgoedvergunning krachtens zowel paragraaf 1 als paragraaf 2, is het voorwerp van één globale aanvraag. § 4. In afwijking van de paragrafen 1 en 2 is voor het uitvoeren van handelingen en werken of het organiseren en uitvoeren van evenementen of activiteiten geen voorafgaande toekenning van een erfgoedvergunning vereist als ze het voorwerp uitmaken van een overeenkomstig artikel D.53 opgesteld operationeel erfgoedplan. Art. D.35. § 1. De aanvraag voor erfgoedvergunning bedoeld in artikel D.34 wordt ingediend bij de dienst die door de Regering is aangewezen, door middel van het daarvoor bestemde formulier. De Regering bepaalt het model van het in lid 1 bedoelde formulier, de inhoud van het dossier dat nodig is voor het onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het erfgoed en de procedures voor de indiening van de aanvraag tot erkenning van het erfgoed. § 2. In het geval van dringende vrijwaringswerkzaamheden moet de aanvrager dit in de aanvraag nader bepalen. Art. D.36. § 1. De door de Regering aangewezen dienst stuurt de aanvrager een bevestiging van ontvangst binnen twintig dagen na de datum van ontvangst van de aanvraag voor erfgoedvergunning. Als de aanvraag voor erfgoedvergunning volledig is, vermeldt de bevestiging van ontvangst: 1° de beschrijving van de procedure; 2° behalve in het geval bedoeld in artikel D.38, de samenstelling van het comité voor projectbegeleiding; 3° behalve in het geval bedoeld in artikel D.38, de datum, de plaats en de modaliteiten van de eerste erfgoedvergadering. Als de aanvraag voor erfgoedvergunning onvolledig is, vermeldt de bevestiging van ontvangst de ontbrekende stukken. De dienst die door de Regering is aangewezen, kan om aanvullende documenten vragen als deze onontbeerlijk zijn om het project te begrijpen. Aanvullende documenten die worden opgevraagd door de dienst die door de Regering is aangewezen, moeten door de aanvrager worden verstrekt binnen zestig dagen na de datum van ontvangst van het verzoek om aanvullende documenten. De door de Regering aangewezen dienst stuurt de aanvrager een bevestiging van ontvangst binnen twintig dagen te rekenen van de datum van ontvangst van de aanvullende stukken. § 2. De Regering bepaalt de procedures voor het bijeenroepen van het comité voor projectbegeleiding en voor het verspreiden van documenten. Art. D.37. Het comité voor projectbegeleiding bedoeld in artikel D.36, § 2, is samengesteld uit : 1° de aanvrager(
- s)en, indien van toepassing, de projectontwikkelaar;2° de erfgoedadministratie;3° de gemachtigd ambtenaar van de Stedenbouw;4° het gemeentecollege van de gemeente waar het ingedeelde of daarmee gelijkgestelde goed gelegen is;5° in voorkomend geval, één of meer specialisten, aangewezen door de dienst die door de Regering is aangewezen. Als de aanvrager van de erfgoedvergunning niet de eigenaar is van het eigendom dat het voorwerp uitmaakt van de aanvraag, kan de eigenaar van het eigendom op zijn of haar verzoek zetelen in het projectbegeleidingscomité. Het lid, of de leden, van de Commissie, daartoe aangewezen, nemen aan het projectbegeleidingscomité deel in de hoedanigheid van expert overeenkomstig artikel D.126. De adviezen die collegiaal door de Commissie worden ingediend in verband met het project dat het voorwerp van een aanvraag voor een erfgoedvergunning uitmaakt, worden door de dienst, aangewezen door de Regering, medegedeeld aan alle leden van het begeleidingscomité. De in leden 1 en 2 bedoelde personen of organen kunnen zich laten vertegenwoordigen door een daartoe aangewezen persoon. Art. D.38. Tenzij de door de Regering aangewezen dienst dit passend acht met het oog op de vermoedelijke impact van het project op de erfgoedwaarde van het goed, is de aanvraag voor een erfgoedvergunning niet onderworpen aan een erfgoedvergadering in de volgende gevallen: 1° als de aanvraag betrekking heeft op dringende instandhoudingsmaatregelen en -werken; 2° wanneer de aanvraag betrekking heeft op het uitvoeren van onderhoudshandelingen en -werken waarvoor een erfgoedvergunning nodig is overeenkomstig artikel D.34, § 1, lid 2; 3° wanneer de aanvraag betrekking heeft op het verrichten van handelingen en werken die niet preventief of curatief zijn, maar een geringe impact hebben op de kenmerken die de bescherming van het goed rechtvaardigden; 4° wanneer de aanvraag betrekking heeft op handelingen en werken die krachtens artikel D.IV.1, § 2, eerste lid, 1°, van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling zijn vrijgesteld van stedenbouwkundige vergunning; 5° wanneer de aanvraag betrekking heeft op handelingen en werken die identiek zijn aan handelingen en werken die al het voorwerp uitmaakten van een erfgoedvergunning;6° wanneer de aanvraag betrekking heeft op handelingen en werken die identiek zijn aan handelingen en werken die al het voorwerp uitmaakten van een reeds vervallen erfgoedvergunning; 7° wanneer de aanvraag wordt ingediend krachtens artikel D.52; 8° wanneer de aanvraag betrekking heeft op de organisatie van een evenement of activiteit die niet in strijd is met een specifieke beschermings- en beheersvoorwaarde opgenomen in het indelingsbesluit;9° wanneer de aanvraag betrekking heeft op de vernieuwing van een operationeel erfgoedplan. In de in lid 1 bedoelde gevallen beslist de door de Regering aangeduide dienst over het al dan niet verlenen van een erfgoedvergunning zonder voorafgaand overleg met een comité voor projectondersteuning. Indien hij dit nodig acht, wint de door de Regering aangewezen dienst eerst het advies in van de Commissie. Afdeling 2. - Erfgoedvergaderingen Onderafdeling 1. - De eerste erfgoedvergadering Art. D.39. De eerste erfgoedvergadering wordt gehouden binnen veertig dagen te rekenen van de datum van verzending van de ontvangstbevestiging van de volledige aanvraag bedoeld in artikel D.36. Behoudens buitengewone omstandigheden wordt, wanneer de aanvraag voor een erfgoedvergunning betrekking heeft op handelingen en werken die een stedenbouwkundige vergunning, een bebouwingsvergunning, een milieuvergunning, een bedrijfsvergunning, een vergunning voor een handelsvestiging of een geïntegreerde vergunning vereisen, de eerste vergadering van het projectbegeleidingscomité op de plaats gehouden waar het ingedeelde of gelijkgestelde goed zich bevindt. In de overige gevallen wordt de plaats of het communicatiemiddel voor het verloop van de eerste erfgoedvergadering ter beoordeling gelaten van de dienst aangewezen door de Regering. Art. D.40. § 1. Tijdens de eerste erfgoedvergadering zullen de leden van het projectbegeleidingscomité in voorkomend geval de volgende elementen onderzoeken: 1° de aard en de omvang van de handelingen en werken of evenementen en activiteiten die deel uitmaken van het project van de aanvrager;2° de verenigbaarheid van het project met de geïntegreerde instandhoudingsdoelstellingen;3° de noodzaak om voorbereidende studies uit te voeren; 4° de noodzaak om een erfgoedfiche op te maken;5° de noodzaak om de prioritaire werken te identificeren die moeten worden uitgevoerd om de eigendom in goede staat te houden;6° de wenselijkheid om een operationeel erfgoedplan op te stellen;7° de noodzaak om bijzondere uitvoeringsvoorwaarden op te leggen;8° de noodzaak om archeologische ingrepen op te leggen; 9° de noodzaak om één of meer aanvullende erfgoedvergaderingen te organiseren;10° de aspecten met betrekking tot duurzame ontwikkeling, in het bijzonder energieprestaties;11° de aspecten met betrekking tot de toegankelijkheid van de woning;12° de eventuele impact van de juridische toestand van het goed vanuit stedenbouwkundig oogpunt op het project van de aanvrager;13° elk ander punt dat door een lid van het comité ter ondersteuning van het project naar voren wordt gebracht. De leden van het projectbegeleidingscomité bepalen of er plannen, details of aanvullende informatie en ieder ander document nodig voor het inzicht in en de uitwerking van het project van de aanvrager door laatstgenoemde dienen te worden verstrekt tijdens een aanvullende erfgoedvergadering. Deze elementen worden in de notulen van de erfgoedvergadering vermeld. De vertegenwoordiger van de door de Regering aangewezen dienst informeert de aanvrager over de in titel 7 bedoelde eventuele steun die voor de geplande handelingen en werkzaamheden kan worden verleend, en over de verplichtingen die aan deze steun verbonden zijn. § 2. In geval van betwisting of onenigheid tussen de leden van het projectbegeleidingscomité op de eerste erfgoedvergadering is het de dienst aangewezen door de Regering die over deze betwisting of onenigheid dienst te beslissen rekening houdend met de verschillende adviezen, de omstandigheden eigen aan de aanvraag voor een erfgoedvergunning en in het belang van de bescherming en de geïntegreerde instandhouding van het goed. § 3. De dienst aangewezen door de Regering maakt de notulen op van de eerste erfgoedvergadering, overeenkomstig artikel D.43. Onderafdeling 2. - De aanvullende erfgoedvergaderingen Art. D.41. § 1. Als de leden van het projectbegeleidingscomité daartoe beslissen tijdens de erfgoedvergadering, worden één of meer bijkomende erfgoedvergaderingen georganiseerd. Onverminderd lid 1 beslist de door de Regering aangewezen dienst, als een lid van het projectbegeleidingscomité of de Commissie een aanvullende erfgoedvergadering aanvraagt als gevolg van de mededeling van de opmerkingen betreffende de notulen van de vorige erfgoedvergadering overeenkomstig artikel D.43, § 2, of deze georganiseerd wordt. Als dit wordt aangevraagd door een meerderheid van de leden van het projectbegeleidingscomité, wordt er een aanvullende erfgoedvergadering georganiseerd. § 2. De aanvullende erfgoedvergadering van het projectbegeleidingscomité wordt binnen een termijn van veertig dagen gehouden te rekenen van de ontvangst van de dienst, aangewezen door de Regering, van alle documenten en elementen vermeld in de definitieve notulering van de laatst georganiseerde vergadering. De plaats of het communicatiemiddel voor het verloop van de eerste erfgoedvergadering wordt ter beoordeling gelaten van de dienst aangewezen door de Regering. De Regering bepaalt de procedures voor het bijeenroepen van het comité voor projectbegeleiding en voor het verspreiden van de documenten. Art. D.42. § 1. Op de aanvullende erfgoedvergadering bespreekt het projectbegeleidingscomité de documenten en elementen die door de aanvrager werden ingediend en eventuele andere punten die door een lid van het projectbegeleidingscomité naar voren werden gebracht. De leden van het projectbegeleidingscomité bepalen of er plannen, details of aanvullende informatie en ieder ander document nodig voor het inzicht in en de uitwerking van het project van de aanvrager door laatstgenoemde dienen te worden verstrekt tijdens een aanvullende erfgoedvergadering. Deze elementen worden in de definitieve notulen van de aanvullende erfgoedvergadering vermeld. § 2. In geval van betwisting of onenigheid tussen de leden van het projectbegeleidingscomité op de erfgoedvergadering is het de dienst aangewezen door de Regering die over deze betwisting of onenigheid dienst te beslissen rekening houdend met de verschillende adviezen, de omstandigheden eigen aan de aanvraag voor een erfgoedvergunning en in het belang van de bescherming en de geïntegreerde instandhouding van het goed. § 3. De dienst aangewezen door de Regering maakt de notulen op van de eerste erfgoedvergadering, overeenkomstig artikel D.43. Onderafdeling 3. - Notulen Art. D.43. § 1. De door de Regering aangewezen dienst notuleert elke erfgoedvergadering en stuurt deze notulen binnen vijftien dagen na de datum van de erfgoedvergadering naar de leden van het projectbegeleidingscomité en naar de Commissie. Tijdens een erfgoedvergadering kan in onderling overleg worden besloten om deze termijn te verkorten, maar alleen als alle leden van het projectbegeleidingscomité aanwezig of vertegenwoordigd zijn. De notulen van de eerste erfgoedvergadering bevatten ten minste de volgende informatie: 1° de beslissingen van het projectbegeleidingscomité betreffende de elementen bedoeld in artikel D.40, § 1, eerste lid ; 2° de eventuele aanpassingen die aan de geplande handelingen en werken moeten worden aangebracht om ervoor te zorgen dat het project van de aanvrager beantwoordt aan de doelstellingen van de geïntegreerde instandhouding van het goed; 3° de elementen bedoeld in artikel D.40, § 1, tweede lid; 4° eventuele meningsverschillen binnen het projectbegeleidingscomité die zijn ontstaan tijdens de erfgoedvergadering en de beslissing van de door de Regering aangewezen dienst;5° de noodzaak om één of meer aanvullende erfgoedvergaderingen te organiseren;6° het eventuele advies van de Commissie; 7° elke definitieve overeenstemming of onenigheid binnen het projectbegeleidingscomité over de beoogde handelingen en werken en, in voorkomend geval, de definitieve documenten die moeten worden verstrekt. De notulen van de aanvullende erfgoedvergaderingen bevatten minstens de informatie bedoeld in lid 2, punten 2° tot 7°. § 2. Binnen vijftien dagen na de mededeling van de notulen kunnen de leden van het comité ter ondersteuning van het project en de Commissie hun opmerkingen en bezwaren of hun instemming meedelen aan de dienst die door de Regering is aangeduid. Als een van de leden van het projectbegeleidingscomité of de Commissie niet binnen de gestelde termijn reageert, wordt dit lid of de Commissie geacht te hebben ingestemd met de notulen. § 3. De notulen van een erfgoedvergadering zijn definitief als alle leden van het projectbegeleidingscomité hebben ingestemd of geacht worden te hebben ingestemd in overeenstemming met paragraaf 2. Bij bemerkingen of een betwisting van een lid van het projectbegeleidingscomité of van de Commissie met betrekking tot de notulen, kan de dienst aangewezen door de Regering beslissen om nieuwe notulen op te maken om de geopperde bemerkingen en betwisting in overweging te nemen. In dat geval maakt de door de Regering aangewezen dienst binnen vijftien dagen na het verstrijken van de in lid 2 bedoelde termijn nieuwe notulen op. De nieuwe notulen vormen de definitieve notulen van de erfgoedvergadering. De definitieve notulen worden binnen vijf dagen na het verstrijken van de in lid 2 bedoelde termijn aan de leden van het projectbegeleidingscomité en aan de Commissie toegezonden. § 4. De definitieve notulen van de eerste erfgoedvergadering, als dit de enige gehouden erfgoedvergadering is, of de definitieve notulen van de laatste aanvullende erfgoedvergadering, vormen de definitieve notulen van de procedure. In deze definitieve notulen staat vermeld of het projectbegeleidingscomité het eens of oneens is met de overwogen acties en werkzaamheden. Afdeling 3. - Toekenning of weigering van een erfgoedvergunning Onderafdeling 1. - Afsluiting van de procedure voor het onderzoeken van de aanvraag voor een erfgoedvergunning Art. D.44. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel D.38 wordt het project dat het voorwerp uitmaakt van de aanvraag voor een erfgoedvergunning geacht het eindproject te zijn wanneer de documenten die toelaten om de onderzoeksprocedure van de aanvraag af te sluiten, goedgekeurd worden door het projectbegeleidingscomité. De Regering stelt de in lid 1 bedoelde documenten vast. In geval van onenigheid binnen het projectbegeleidingscomité over een document als bedoeld in lid 1, ligt de eindbeslissing over dit document en de toekenning of weigering van de erfgoedvergunning bij de door de Regering aangewezen dienst. Art. D.45. De aanvrager zendt de door de Regering aangewezen dienst, de leden van het projectbegeleidingscomité en de Commissie de in artikel D.44 bedoelde einddocumenten. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel D.38 wint de door de Regering aangeduide dienst binnen vijftien dagen na de datum van ontvangst van de in lid 1 bedoelde einddocumenten het advies van de Commissie in over de aanvraag tot erfgoedvergunning. De Commissie beschikt over een termijn van dertig werkdagen vanaf de datum van verzending van het verzoek om advies om haar met redenen omkleed advies uit te brengen. Art. D.46. De erfgoedvergunningsprocedure wordt van ambtswege beëindigd, zonder dat een erfgoedvergunning wordt verleend: 1° wanneer de aanvrager aan de door de Regering aangewezen dienst meedeelt dat hij zijn aanvraag voor een erfgoedvergunning niet wenst te handhaven;2° wanneer de aanvrager niet reageert gedurende een periode van twee jaar vanaf de datum van het laatste verzoek dat hem is toegezonden. Onderafdeling 2. - De beslissing over de aanvraag voor een erfgoedvergunning Art. D.47. De door de Regering aangewezen dienst beslist over de toekenning of weigering van de aangevraagde erfgoedvergunning in het licht van de verenigbaarheid van het project met de kenmerken die de bescherming van het ingedeelde of gelijkgestelde goed rechtvaardigden, ofwel : 1° op basis van de aanvraag voor een erfgoedvergunning in het geval bedoeld in artikel D.38; 2° op basis van het eindontwerp, de definitieve documenten en het advies van de Commissie, wanneer ten minste één erfgoedvergadering is georganiseerd. In het in het eerste lid, 1°, bedoelde geval deelt de door de Regering aangewezen dienst zijn beslissing over de aanvraag voor een erfgoedvergunning mee aan de aanvrager binnen veertig dagen na de verzending van de ontvangstbevestiging van de volledige aanvraag. De door de Regering aangewezen dienst stuurt een afschrift van zijn beslissing naar de Commissie en naar de gemeente op het grondgebied waarvan het goed zich bevindt. In het geval bedoeld in lid 1, 2°, geeft de dienst aangewezen door de Regering kennis aan de aanvrager, aan de leden van het projectbegeleidingscomité en aan de Commissie zijn beslissing mee over de aanvraag voor een erfgoedvergunning binnen een termijn van dertig dagen te rekenen van de datum van verstrijken van de termijn waarin de Commissie haar advies uitbrengt, bedoeld in artikel D.45, lid 2. De Regering stelt de voorwaarden voor het toekennen of weigeren van een erfgoedvergunning vast. Art. D.48. § 1. De Regering stelt beslist over de vorm en inhoud van de erfgoedvergunning. De door de Regering aangewezen dienst kan voorwaarden verbinden aan de erfgoedvergunning die betrekking hebben op de uitvoering van de handelingen en werken en de kenmerken die de bescherming van het ingedeelde of gelijkgestelde goed hebben gerechtvaardigd. De Regering kan de reikwijdte en de beperkingen bepalen van de voorwaarden die kunnen worden verbonden aan de toekenning van een erfgoedvergunning. Wanneer de uitvoering van de handelingen en de werken bedoeld in het eindproject het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning, een bebouwingsvergunning, een milieuvergunning, een bedrijfsvergunning, een vergunning voor een handelsvestiging of een geïntegreerde vergunning vereist of het voorwerp uitmaakt van een aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. 2, worden de voorwaarden die opgenomen zijn in de erfgoedvergunning toegekend aan de aanvrager overeenkomstig lid 2, volledig overgenomen in de beslissing waarbij de vergunning wordt toegekend. § 2. De door de Regering aangewezen dienst kan eisen dat de uitvoering van een of meer archeologische verrichtingen in de erfgoedvergunning worden opgenomen. De archeologische verrichtingen worden uitgevoerd door de dienst aangewezen door de Regering voorafgaand aan of gelijktijdig met de uitvoering van de stedenbouwkundige vergunning, de bebouwingsvergunning, de milieuvergunning, de bedrijfsvergunning, de vergunning voor een handelsvestiging of de geïntegreerde vergunning. De artikelen D.68 tot en met D.70 zijn van toepassing op deze archeologische werkzaamheden . Art. D.49. De toekenning van een erfgoedvergunning stelt de houder van de erfgoedvergunning niet vrij van de verplichting om over eventuele andere administratieve vergunningen te beschikken, opgelegd andere administratieve handhavingsregels voor de uitvoering van handelingen en werken of evenementen en activiteiten bedoeld bij de erfgoedvergunning. De handelingen en werken of evenementen en activiteiten die onder de erfgoedvergunning vallen, worden pas uitgevoerd nadat deze eventuele andere administratieve toelatingen zijn toegekend. Art. D.50. De erfgoedvergunning wordt verleend onverminderd de burgerrechten van derden. Onderafdeling 3. - Geldigheidsduur en verval van de erfgoedvergunning Art. D.51. § 1. De toegekende erfgoedvergunning vervalt voor het resterende deel van de handelingen en werken die onder de vergunning vallen als ze niet volledig zijn voltooid binnen vijf jaar na de toekenning van de vergunning. Wanneer de uitvoering van de handelingen en werken die het voorwerp hebben uitgemaakt van de toegekende erfgoedvergunning het verkrijgen vereist van een stedenbouwkundige vergunning, van een bebouwingsvergunning, van een bedrijfsvergunning, van een vergunning voor een handelsvestiging of een geïntegreerde vergunning, wordt de vergunningsaanvraag ingediend binnen de twee jaren na de toekenning van de erfgoedvergunning. In afwijking van lid 1 is, indien de in lid 2 bedoelde vergunning is afgegeven, de erfgoedvergunning geldig tot de vervaldatum van de vergunning. § 2. De erfgoedvergunning verleend met het oog op de organisatie of de uitvoering van evenementen of activiteiten, als bedoeld in artikel D.34, § 2, is geldig gedurende twee jaar vanaf de datum waarop ze is toegekend of tot de laatste dag van het evenement of de activiteit, indien deze dag vroeger valt dan twee jaar voor de vergunning. § 3. Op aanvraag van de erfgoedvergunningsgerechtigde kan de geldigheidsduur van de erfgoedvergunning met twee jaar worden verlengd. Deze aanvraag wordt vijfenveertig dagen vóór het verstrijken van de in paragraaf 1 of 2 bedoelde termijn ingediend bij de door de Regering aangewezen dienst. De door de Regering aangewezen dienst stuurt een afschrift van zijn verlengingsbeslissing naar de gemeente op het grondgebied waarvan het goed zich bevindt. De Regering kan de nadere regels vaststellen voor de uitvoering van deze paragraaf. § 4. De geldigheidsduur van de erfgoedvergunning bedoeld in het eerste en tweede lid is van toepassing onder voorbehoud van een andere duurtijd die is vastgelegd in een operationeel erfgoedplan dat is opgesteld in overeenstemming met artikel D.53. § 5. De erfgoedvergunning vervalt van rechtswege. Deel 4. Wijzigingen in het project nadat de erfgoedvergunning is afgegeven Art. D.52. Er wordt een nieuwe erfgoedvergunning aangevraagd: 1° wanneer het project het voorwerp heeft uitgemaakt van een erfgoedvergunning en er geen stedenbouwkundige vergunning, bebouwingsvergunning, milieuvergunning, bedrijfsvergunning, vergunning voor een handelsvestiging of geïntegreerde vergunning is gewijzigd voorafgaandelijk aan of in de loop van de verwezenlijking van de handelingen en werken;2° wanneer het project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een erfgoedvergunning gewijzigd is voorafgaandelijk aan de indiening van een stedenbouwkundige vergunning, een bebouwingsvergunning, een milieuvergunning, een bedrijfsvergunning, een vergunning voor een handelsvestiging of geïntegreerde vergunning; 3° wanneer het project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een erfgoedvergunning wordt gewijzigd in de loop van een procedure voor de behandeling van een vergunningsaanvraag overeenkomstig de artikelen D.IV.42 en volgende van het Wetboek van Ruimtelijke Ordening, overeenkomstig artikel 93, § 3, van het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning sluiten betreffende de milieuvergunning of overeenkomstig artikel 97 van het decreet van 5 februari 2015Relevante gevonden documenten type decreet prom. 05/02/2015 pub. 18/02/2015 numac 2015200758 bron waalse overheidsdienst Decreet betreffende de handelsvestigingen sluiten betreffende de handelsvestigingen. In het geval bedoeld in lid 1, 2°, is de indiening van de vergunningsaanvraag verbonden aan de voorwaarde van het verkrijgen van de nieuwe erfgoedvergunning. In afwijking van lid 1 wordt geen nieuwe erfgoedvergunning aangevraagd als de wijziging van het project waarvoor een erfgoedvergunning werd verleend, geen gevolgen heeft : 1° op de ingedeelde delen van het goed;2° op de delen van het gelijkgestelde goed die opname op de bewaringslijst of het aanvatten van een classificatieprocedure rechtvaardigden. Deel 5. Het operationeel erfgoedplan Art. D.53. In het kader van het onderzoek van een aanvraag voor een erfgoedvergunning met betrekking tot een ingedeeld goed, kan de door de Regering aangewezen dienst een operationeel erfgoedplan opstellen met het oog op de vergunning van : 1° het uitvoeren van handelingen en werken van terugkerende aard of die een fasering vereisen en waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning, bebouwingsvergunning, milieuvergunning, bedrijfsvergunning, vergunning voor een handelsvestiging of geïntegreerde vergunning nodig is; 2° de organisatie van evenementen of activiteiten van terugkerende aard die geheel of gedeeltelijk plaatsvinden in een ingedeeld goed en waarvoor een erfgoedvergunning nodig is krachtens artikel D.34, § 2. Het opstellen van het operationele erfgoedplan wordt voortgezet in overeenstemming met artikelen D.39 tot en met D.47. Het operationeel erfgoedplan wordt verleend in plaats van de erfgoedvergunning en bepaalt nauwkeurig de aard en de uitvoeringsvoorwaarden van de in lid 1 bedoelde handelingen en werken of evenementen en activiteiten. Het operationeel erfgoedplan is maximaal tien jaar geldig. De Regering bepaalt de nadere regels voor het opstellen en vernieuwen van het operationele erfgoedplan en de minimale inhoud ervan. Art. D.54. Tijdens de geldigheidsduur van het operationeel erfgoedplan is de uitvoering van handelingen en werken of de organisatie van evenementen en activiteiten die onder het plan vallen niet langer onderworpen aan de voorafgaande erfgoedvergunning bedoeld in artikel D.34. Het operationeel erfgoedplan ontslaat de aanvrager niet van zijn verplichtingen met betrekking tot andere geldende wetten of voorschriften. Art. D.55. Als het operationeel erfgoedplan niet of niet volledig wordt nageleefd, kan de door de Regering aangeduide afdeling beslissen om het plan op te schorten of in te trekken. De door de Regering aangewezen dienst stuurt een afschrift van zijn beslissing bedoeld in lid 1 naar de gemeente op het grondgebied waarvan het goed zich bevindt. De Regering bepaalt de procedure en de nadere regels voor het opschorten en intrekken van het operationele erfgoedplan. Sectie 6. Beroepsprocedure Art. D.56. De aanvrager kan bij de Regering een gemotiveerd beroep indienen tegen de in artikel D.47 bedoelde beslissing of het in artikel D.53 bedoelde operationeel erfgoedplan binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing. Het beroep wordt ingesteld overeenkomstig de door de Regering vastgestelde procedures. Het bevat ten minste de volgende elementen: 1° een afschrift van de beslissing waartegen in beroep wordt gegaan; 2° een afschrift van de einddocumenten bedoeld in artikel D.44. Als het beroep volledig is, stuurt de Regering de aanvrager binnen vijftien dagen na de datum van ontvangst van het beroep een ontvangstbevestiging. Het ontvangstbewijs vermeldt de datum van een eventuele hoorzitting als bedoeld in artikel D.57. Als het beroep onvolledig is, vermeldt de ontvangstbevestiging welke documenten ontbreken. Art. D.57. Indien de aanvrager in zijn beroep hierom verzoekt, wordt hij gehoord door de persoon die door de Regering is aangewezen. Aanvragers mogen zich laten vergezellen of vertegenwoordigen door een persoon van hun keuze. De Commissie en de autoriteit waarvan de beslissing wordt aangevochten, kunnen worden uitgenodigd om deel te nemen aan de hoorzitting. In dit geval wordt de aanvrager daarover geïnformeerd. Art. D.58. Bij het onderzoeken van het beroep wordt door de Regering: 1° het advies van de Commissie ingewonnen;2° mogelijks het advies ingewonnen van het gemeentecollege van de gemeente op het grondgebied waarvan het project dat het voorwerp uitmaakt van het beroep zich bevindt;3° aan de aanvrager mogelijks alle inlichtingen of documenten opgevraagd die nuttig kunnen zijn voor het onderzoek van het beroep. De Regering stelt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel vast. Art. D.59. De Regering geeft de aanvrager kennis van haar beslissing binnen negentig dagen na de datum van verzending van de ontvangstbevestiging van het volledige beroep. De Regering stuurt tegelijkertijd een afschrift van haar beslissing naar de erfgoedadministratie en naar de personen en instanties bedoeld in artikel D.37. Als de aanvrager niet binnen de gestelde termijn in kennis wordt gesteld van de beslissing van de Regering, wordt de beslissing waartegen beroep is aangetekend, bevestigd. De Regering stelt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel vast. TITEL 4: - Archeologie HOOFDSTUK I - Archeologische kaart Art. D.60. De archeologische kaart is een cartografisch besluitvormingsinstrument dat door de Regering voor elke provincie wordt opgesteld, integraal wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en toegankelijk is op de website van de door de Regering aangewezen dienst. De Commissie wordt om advies gevraagd voordat de Regering de archeologische kaart goedkeurt. De Regering bepaalt de nadere regels voor het opstellen en bijwerken van de archeologische kaart. Deze nadere regels omvatten de identificatie van archeologische vindplaatsen en bijbehorende archeologische bufferzones. De archeologische bufferzones bedoeld in lid 3 zijn de beschermingszones die rond geïdentificeerde archeologische objecten worden getrokken en die bedoeld zijn om nog niet geïdentificeerde ondergrondse archeologische objecten te beschermen. HOOFDSTUK 2. - Aanvraag om archeologische informatie Art. D.61. Een aanvraag om archeologische informatie kan worden gericht aan de dienst aangewezen door de Regering. Binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvraag deelt de door de Regering aangewezen dienst de informatie mee en stuurt een afschrift naar het gemeentecollege en de gemachtigde ambtenaar stedenbouw. De Regering kan de uitvoeringsmodaliteiten van dit artikel nader bepalen. HOOFDSTUK 3. - Voorafgaand archeologisch advies bij grote projecten Art. D.62. § 1. Indien een erfgoedvergunning niet vereist is krachtens artikel D.34, § 1, wordt in de volgende gevallen het voorafgaand archeologisch advies van de door de Regering aangewezen dienst ingewonnen: 1° het project waarvan de oppervlakte van de bouw en van de inrichting van de nabije omgeving gelijk is aan of hoger is dan één hectare;2° het project heeft betrekking op de aanleg van rechte lijnen die gelegen zijn op minder dan veertig centimeter diepte dan het algemene grondniveau en die minstens tweeduizend vijfhonderd meter zijn lang zijn voor nieuwe tracés en minstens vijfduizend meter indien het de verlenging van bestaande tracés betreft;3° het project heeft betrekking op een bebouwingsvergunning met een wegopening binnen de omtrek van de archeologische kaart. De Regering kan specificeren wat tot de oppervlakte voor bouw en ontwikkeling in de omgeving wordt gerekend en kan bijkomende omstandigheden bepalen waarin een archeologisch advies vereist is. Wat betreft de rechte lijnen bedoeld in het eerste lid, 2°, gaat het om aaneengesloten ontwikkelingen, werken of installaties of het geheel ervan, die worden gekenmerkt door hun grote lengte. Is voor het project een stedenbouwkundige vergunning, een bebouwingsvergunning, een stedenbouwkundige attest nr. 2, een milieuvergunning, een bedrijfsvergunning, een vergunning voor een handelsvestiging of een geïntegreerde vergunning vereist, wordt het advies van de in lid 1 bedoelde dienst aangewezen door de Regering door de aanvrager ingewonnen vooraleer de vergunning of het attest worden aangevraagd. § 2. De door de Regering aangewezen dienst beschikt over een termijn van vijfenveertig dagen, te rekenen vanaf de datum van verzending van de adviesaanvraag, om zijn advies, bedoeld in paragraaf 1, uit te brengen. Indien niet binnen de gestelde termijn van het advies kennis wordt gegeven, kan de aanvrager een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2 als bedoeld in paragraaf 1, lid 4, indienen. Een afschrift van het advies van de door de Regering aangewezen dienst wordt gericht aan de overheid die bevoegd is om de vergunning af te geven. Het advies van de door de Regering aangewezen dienst heeft uitsluitend betrekking op de archeologische aspecten van het project. Bedoeld advies kan inhouden dat er een of meer archeologische verrichtingen uitgevoerd worden door de door de Regering aangewezen dienst vóór of tegelijk met de uitvoering van de vergunning. De artikelen D.68 tot en met D.70 zijn van toepassing op archeologische verrichtingen die op grond van het derde lid zijn opgelegd. § 3. Tegen de beslissing bedoeld in paragraaf 2 kan een gemotiveerd beroep worden ingediend bij de Regering volgens de nadere regels bepaald in artikel D.56. Op het beroep, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen D.57 tot en met D.59 van toepassing. § 4. De aanvrager beschikt over een termijn van twee jaar te rekenen van het uitbrengen van het voorafgaandelijk archeologisch advies om een aanvraag in te dienen voor een stedenbouwkundige vergunning, een bebouwingsvergunning, een stedenbouwkundig attest nr. 2, een milieuvergunning, een globale vergunning, een vergunning voor een handelsvestiging of een geïntegreerde vergunning. Na afloop van deze termijn is een nieuw archeologisch advies vereist voorafgaand aan de vergunningsaanvraag. § 5. De Regering stelt het model vast van het formulier voor het aanvragen van een advies, de inhoud van het dossier dat het advies moet vergezellen en de procedures voor de indiening en de behandeling ervan. Art. D.63. Er wordt een nieuw archeologisch advies aangevraagd: 1° wanneer het project dat het voorwerp uitmaakt van voorafgaandelijk archeologisch advies en waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning, bebouwingsvergunning, milieuvergunning, bedrijfsvergunning, vergunning voor een handelsvestiging of geïntegreerde vergunning is vereist voorafgaandelijk aan of in de loop van de verwezenlijking van de handelingen en werken;2° wanneer het project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van voorafgaandelijke archeologische advies gewijzigd wordt voorafgaandelijk aan de indiening van een stedenbouwkundige vergunning, een bebouwingsvergunning, een milieuvergunning, een bedrijfsvergunning, een vergunning voor een handelsvestiging of een geïntegreerde vergunning; 3° wanneer het project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een voorafgaandelijk archeologisch advies wordt gewijzigd in de loop van een procedure voor de behandeling van een vergunningsaanvraag overeenkomstig de artikelen D.IV.42 en volgende van het Wetboek van Ruimtelijke Ordening, overeenkomstig artikel 93, § 3, van het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning sluiten betreffende de milieuvergunning of overeenkomstig artikel 97 van het decreet van 5 februari 2015Relevante gevonden documenten type decreet prom. 05/02/2015 pub. 18/02/2015 numac 2015200758 bron waalse overheidsdienst Decreet betreffende de handelsvestigingen sluiten betreffende de handelsvestigingen. In het geval bedoeld in lid 1, 2°, is de indiening van de vergunningsaanvraag verbonden aan de voorwaarde van het verkrijgen van het nieuwe archeologisch advies. In afwijking van lid 1 is een nieuw archeologisch advies niet vereist als de wijziging van het project waarvoor een archeologisch advies is uitgebracht, de grondinneming of diepte van het project niet vergroot. HOOFDSTUK 4. - De archeologische verrichtingen Art. D.64. Onverminderd de artikelen D.48, § 2, D.62, § 2, D.66, § 1, D.67, § 2, D.74 en D.75, kan de Regering, volgens de modaliteiten die zij vastlegt, op eigen initiatief en te allen tijde beslissen archeologische verrichtingen uit te voeren, met inbegrip van de verrichtingen met gewestelijk statuut, en de dienst aangewezen door de Regering daartoe machtigen. De hypothese bedoeld in lid 1 stelt de door de Regering aangewezen dienst niet vrij van het beschikken over andere administratieve vergunningen die vereist zijn krachtens andere administratieve handhavingsregels om archeologische activiteiten uit te voeren. Art. D.65. § 1. Met uitzondering van prospectie mag niemand archeologische activiteiten uitvoeren zonder voorafgaande toestemming van de door de Regering aangewezen dienst. In afwijking van lid 1 is voor archeologische verrichtingen uitgevoerd door de door de Regering aangewezen dienst geen toekenning van een voorafgaande vergunning nodig. § 2. Het verlenen van een vergunning is ondergeschikt aan het aantonen van de volgende elementen: 1° het belang van de archeologische verrichtingen ;2° de bevoegdheid, de mankracht en de technische middelen waarover de aanvragers beschikken;3° een schriftelijke toestemming van de eigenaar van de grond waarop de archeologische verrichtingen gepland zijn en van de eventuele bewoner om archeologische verrichtingen uit te voeren en de grond te herstellen;4° een schriftelijke overeenkomst tussen de eigenaar van de grond waarop de archeologische verrichtingen worden gepland, de aanvrager van de vergunning en de opgravers betreffende de overdracht van eigendomsrechten met betrekking tot eventueel aangetroffen archeologische voorwerpen en de bewaring ervan;5° de verplichting om periodieke verslagen op te maken over de vorderingstaat van de werken en een eindverslag in te leveren binnen een bepaalde termijn;6° de verplichting om archeologische voorwerpen die worden ontdekt en de bijbehorende documentatie te verzamelen in erkende depots die toegankelijk zijn voor onderzoekers. De vergunning die door de door de Regering aangewezen dienst wordt afgegeven, moet ten minste de volgende informatie bevatten: 1° identificatie van de archeologische vindplaats of het terrein waarop archeologische activiteiten zijn toegestaan;2° het type toegestane archeologische verrichting;3° de identificatie van de personen die de toegelaten archeologische verrichtingen op de site zullen uitvoeren;4° de eventuele uitvoeringsvoorwaarden waaraan de toekenning van de machtiging onderworpen is;5° de duurtijd waarvoor de vergunning wordt toegekend;6° de termijnen waarbinnen de periodieke voortgangsverslagen en het eindverslag moeten worden ingediend; 7° de termijn waarbinnen de inventaris van de aangetroffen archeologische voorwerpen, met vermelding van ten minste de categorieën bedoeld in artikel D.76 en hun staat van bewaring, moet worden toegezonden aan de door de Regering aangewezen dienst. § 3. De door de Regering aangewezen dienst kan, op verzoek van de houder van de vergunning of op eigen initiatief, één of meer elementen van de afgegeven vergunning wijzigen. § 4. De door de Regering aangewezen dienst kan een vergunning wijzigen, schorsen of intrekken in de volgende gevallen: 1° wanneer de elementen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, niet langer vervuld of aangetoond zijn;2° indien blijkt dat de bevoegdheid, de mankracht of de materiële infrastructuur waarover de titularissen van de machtiging beschikken, duidelijk ontoereikend zijn wegens de omvang van de ontdekkingen;3° wanneer de houder van een vergunning de archeologische werkzaamheden niet overeenkomstig de afgegeven vergunning uitvoert. Het verlenen, het wijzigen of het intrekken van deze machtiging wordt aan het advies van de Commissie onderworpen. § 5. De Regering bepaalt de voorwaarden voor het verlenen en uitoefenen van de vergunning en de procedures voor het toekennen, wijzigen, opschorten en intrekken van de vergunning. Art. D.66. § 1. Wanneer door de dienst aangewezen door de Regering opgelegd in een erfgoedvergunning krachtens artikel D.48, § 2, in een voorafgaandelijk archeologisch advies krachtens artikel D.62, § 2, of in het eensluidend advies bedoeld in artikel D.IV.35 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling in het kader van de behandeling van een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning, bebouwingsvergunning, milieuvergunning, globale vergunning, vergunning voor een handelsvestiging of geïntegreerde vergunning, wordt door de bevoegde overheid voor het verstrekken van de vergunning de uitvoering van deze vergunning ondergeschikt gemaakt aan de uitvoering door de dienst, aangewezen door de Regering, van één of meerdere archeologische verrichtingen voorafgaandelijk aan of tegelijk met de uitvoering van bedoelde vergunning. De artikelen D.68 tot en met D.70 zijn van toepassing op de archeologische verrichtingen die op grond van het derde lid zijn opgelegd. § 2. Zodra de houder ervan ontvangst heeft gekregen van een stedenbouwkundige vergunning, bebouwingsvergunning, milieuvergunning, globale vergunning, vergunning voor een handelsvestiging of geïntegreerde vergunning waarvoor de uitvoering van één of meerdere archeologische verrichtingen wordt opgelegd in de gevallen bedoeld in paragraaf 1, lid 1, maakt de vergunninghouder alle informatie waarover hij in verbinding met de uitvoering van bedoelde vergunning beschikt, over aan de dienst aangewezen door de Regering. Art. D.67. § 1. Bij de indiening van een stedenbouwkundige vergunning, bebouwingsvergunning, milieuvergunning, globale vergunning, vergunning voor een handelsvestiging of geïntegreerde vergunning, maakt de overheid of de persoon belast met het versturen van een bevestiging van ontvangst of met het nemen van een beslissing over de volledigheid van de vergunningsaanvraag tegelijk een afschrift van de bevestiging van ontvangst of van de beslissing over de volledigheid van de aanvraag over aan de dienst aangewezen door de Regering wanneer volgende voorwaarden cumulatief zijn verenigd: 1° de handelingen en werken beoogd in de vergunningsaanvraag hebben geen voorwerp uitgemaakt van een erfgoedvergunning krachtens artikel D.34, § 1, of van een voorafgaand archeologisch advies overeenkomstig artikel D.62, § 1; 2° de handelingen en werken beoogd in de vergunningsaanvraag hebben betrekking op een goed dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen de omtrek van de archeologische kaart en betreffen handelingen en werken bedoeld in artikel D.IV.4, eerste lid, 1°, 5°, 9° en 10°, van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling; 3° de handelingen en werken beoogd in de vergunningsaanvraag hebben geen beperkte impact krachtens artikel D.IV.I, § 2, van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling; 4° de handelingen en werken beoogd in de vergunningsaanvraag vereisen de verplichte tussenkomst van een architect krachtens artikel D.IV.I, § 2, van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling. § 2. Binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de bevestiging van ontvangst bedoeld in paragraaf 1, kan de door de Regering aangewezen dienst beslissen om één of meer archeologische verrichtingen op te leggen voorafgaand aan of gelijktijdig met de uitvoering van de vergunning. Behoudens de toepassing van de artikelen D.73 tot en met D.75 mag de door de Regering aangewezen dienst na het verstrijken van deze termijn geen archeologische verrichtingen meer opleggen. De door de Regering aangewezen dienst geeft de aanvrager van de vergunning en de overheid bevoegd voor het afgeven van de vergunning kennis van zijn beslissing om een of meer archeologische verrichtingen door de afdeling te laten uitvoeren. § 3. Zodra de houder ervan ontvangst heeft gekregen van een stedenbouwkundige vergunning, bebouwingsvergunning, milieuvergunning, globale vergunning, vergunning voor een handelsvestiging of geïntegreerde vergunning en van de beslissing bedoeld in paragraaf 2, maakt de vergunninghouder alle informatie waarover hij in verbinding met de uitvoering van bedoelde vergunning beschikt, over aan de dienst aangewezen door de Regering. De artikelen D.68 tot en met D.70 zijn van toepassing op de archeologische verrichtingen die op grond van paragraaf 2 zijn opgelegd. § 4. Tegen de beslissing bedoeld in paragraaf 2 kan een gemotiveerd beroep worden ingediend bij de Regering volgens de nadere regels bepaald in artikel D.56. Op het beroep, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen D.57 tot en met D.59 van toepassing. Art. D.68. § 1. Onverminderd artikel D.75, worden de praktische en technische details van de archeologische verrichtingen vereist in de erfgoedvergunning, het voorafgaande archeologische advies, één van de adviezen bedoeld in artikel D.66, § 1, of de beslissing bedoeld in artikel D.67, § 2, bepaald door de dienst aangewezen door de Regering, na overleg met de aanvrager. Het in het eerste lid bedoelde overleg wordt uiterlijk georganiseerd binnen dertig dagen na de toezending van de in de artikelen D.66, § 2 en D.67, § 3 bedoelde informatie of van het door de aanvrager ingediende verzoek wanneer geen vergunning vereist is. De door de Regering aangewezen dienst stelt een verslag op over het in lid 1 bedoelde overleg en zendt dit binnen vijftien dagen na het overleg toe aan de aanvrager. Binnen vijftien dagen na ontvangst van het rapport kan de aanvrager zijn opmerkingen of instemming meedelen aan de door de Regering aangewezen dienst. Als er binnen de termijn geen reactie is ontvangen, wordt de aanvrager geacht te hebben ingestemd met bedoeld verslag. § 2. De dienst aangewezen door de Regering deelt de aanvrager de praktische en technische regels mee voor de archeologische verrichtingen, binnen een termijn van dertig dagen te rekenen van het overmaken door de aanvrager van zijn bemerkingen over of zijn instemming met het rapport opgemaakt door de dienst aangewezen door de Regering, overeenkomstig paragraaf 1, lid 3. De in lid 1 bedoelde praktische en technische regels omvatten de volgende elementen : 1° de aard en het doel van de uit te voeren archeologische verrichtingen;2° de minimale termijn die nodig is om de archeologische verrichtingen uit te voeren;3° de afbakening van een interventiezone waarbinnen archeologische verrichtingen worden uitgevoerd;4° de voorwaarden nodig om de archeologische verrichtingen uit te voeren. De voorwaarden bedoeld in lid 2, 4°, kunnen verband houden met de toegang tot de interventiezone, de interventiediensten werkzaam in de interventiezone of in de onmiddellijke nabijheid ervan, de verontreiniging of de besmetting van de interventiezone, de aanwezigheid van materiële elementen in de interventiezone of de terbeschikkingstelling van plannen of informatie. Indien de praktische en technische regels niet binnen de in lid 1 bedoelde termijn worden meegedeeld, kan de aanvrager de afgegeven vergunning uitvoeren of de handelingen en werkzaamheden uitvoeren zonder de voltooiing van de archeologische verrichtingen af te wachten. § 3. De Regering stelt de toepassingsmodaliteiten van dit artikel vast. Art. D.69. De dienst aangewezen door de Regering kan een schriftelijk attest uitreiken aan de houder van een stedenbouwkundige vergunning, een bebouwingsvergunning, een milieuvergunning, een bedrijfsvergunning, een vergunning voor een handelsvestiging of een bedrijfsvergunning waarbij de houder gemachtigd wordt om zijn vergunning uit te voeren zonder dat hij geheel of gedeeltelijk de archeologische verrichtingen opgelegd krachtens het Wetboek verwezenlijkt in buitengewone behoorlijk gemotiveerde omstandigheden of wanneer de dienst aangewezen door de Regering in de onmogelijkheid verkeert om deze archeologische verrichtingen uit te voeren of te laten uitvoeren. De afgifte van het in lid 1 bedoelde certificaat laat de toepassing van de bepalingen van de artikelen D.73 tot en met D.75 onverlet. De Regering stelt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel vast. Art. D.70. Na voltooiing van de archeologische verrichtingen, opgelegd krachtens het Wetboek, zal de door de Regering aangewezen dienst aan de vergunninghouder een attest afgeven waarin zijn opgegeven: 1° de datum waarop de verwezenlijking van de archeologische verrichtingen is aangevangen;2° de datum waarop de verwezenlijking van de archeologische verrichtingen is beëindigd; De Regering kan de bevoegde personen binnen de door de Regering aangewezen dienst aanwijzen om het in lid 1 bedoelde attest af te geven. Art. D.71. De Regering kan de lijst van de archeologische verrichtingen waarvan ze het gewestelijk statuut erkent, bepalen. De Regering legt de ontwerp-lijst ter advies voor aan de commissie. Het advies wordt binnen zestig dagen na de aanvraag verzonden. Bij gebrek aan mededeling van advies binnen de voorgeschreven termijnen kan de procedure voortgezet worden. Elke archeologische verrichting uitgevoerd op een goed opgenomen op de lijst van het uitzonderlijk erfgoed krijgt van ambtswege het gewestelijk statuut. Art. D.72. Voor een archeologische verrichting met gewestelijk statuut kan de in artikel D.65 bedoelde machtiging enkel toegekend worden aan een universiteit, een wetenschappelijke instelling of, in het kader van een overlegde onderzoeksactie, aan een vereniging van meerdere bovenvermelde instellingen of aan een of meerdere ervan in samenwerking met een of meerdere privéverenigingen. HOOFDSTUK 5. - Toevallige vondsten en de archeologische verrichtingen van algemeen belang Art. D.73. Eénieder die, anders dan bij gelegenheid van archeologische verrichtingen of een activiteit als detectorist, één of meerdere archeologische goederen ontdekt, licht daar de gemeente op wiens grondgebied de ontdekking heeft plaatsgevonden en de dienst aangewezen door de Regering binnen de drie werkdagen over deze ontdekking in. De dienst aangewezen door de Regering licht de eigenaar en de bezetter van de grond waarop het archeologisch goed of de archeologische goederen zijn ontdekt daar binnen de tien dagen over in als laatstgenoemden niet de ontdekkers zelf zijn. De ontdekte archeologische goederen en de omtrek waarin ze vervat zijn worden in stand gehouden, tegen schade beschermd en toegankelijk gemaakt door de eigenaar, de bezetter en de ontdekker voor het bezoek ter plaatse door de dienst aangewezen door de Regering, vanaf de ontdekking ervan tot en met de vijftiende dag te rekenen van de ontvangst van de informatie bedoeld in lid 2 door de dienst aangewezen door de Regering. De periode bedoeld in lid 3 kan ofwel ingekort ofwel verlengd worden bij gemotiveerde beslissing van de dienst aangewezen door de Regering. De Regering kan de toepassingsmodaliteiten van dit artikel en de algemene beschermingsvoorschriften, van toepassing op de archeologische goederen die toevallig werden ontdekt, bepalen. Art. D.74. Indien er een toevallige ontdekking wordt gedaan in het kader van de uitvoering van een stedenbouwkundige vergunning, een bebouwingsvergunning, een milieuvergunning, een bedrijfsvergunning, een vergunning door handelsvestiging of een geïntegreerde vergunning, kan de Regering beslissen dat het van openbaar nut is om ofwel: 1° de uitvoering van de vergunning op te schorten voor een periode van maximaal zestig dagen, dagen van slecht weer niet meegerekend, om archeologische verrichtingen te laten uitvoeren ;2° de vergunning in te trekken om archeologische verrichtingen te laten uitvoeren, de voorwaarden te bepalen die nodig zijn voor de vrijwaring van het betrokken onroerend goed en van de ontdekte archeologische goederen, of de voorwaarden te bepalen waaronder later een vergunning toegekend zou kunnen worden. De Regering stelt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel vast. Art. D.75. De Regering kan bepalen dat het in het algemeen belang is om een terrein te bezetten om archeologische werkzaamheden uit te voeren. Hiervoor is het advies van de Commissie vereist, behalve in dringende gevallen. De Commissie brengt binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvraag advies uit. Indien het advies niet binnen de gestelde termijn wordt uitgebracht, kan de Regering het in lid 1 bedoelde besluit nemen zonder het advies van de Commissie af te wachten. Het in lid 1 bedoelde regeringsbesluit : 1° wijst het goed of de groep onroerende goederen aan waarop de uit te voeren archeologische verrichtingen betrekking hebben en bakent het terrein of de ruimte af die noodzakelijkerwijs zal worden ingenomen, met inbegrip van de toegang vanaf de dichtstbijzijnde weg;2° stelt de voorwaarden vast waaronder archeologische verrichtingen worden uitgevoerd;3° wijst de personen aan die zij machtigt om de archeologische verrichtingen uit te voeren;4° vermeldt de datum van het begin van de archeologische verrichtingen en werken alsook de termijn waarbinnen ze voltooid moeten zijn. Het in lid 1 bedoelde regeringsbesluit wordt meegedeeld aan de eigenaar van het onroerend goed of de onroerende goederen, aan de Commissie en aan de personen die gemachtigd zijn om de archeologische verrichtingen uit te voeren. Binnen tien dagen na ontvangst van deze kennisgeving geeft de eigenaar de bezetter van het onroerend goed hieromtrent per aangetekend schrijven kennis van. De kennisgeving aan de eigenaar vermeldt deze verplichting. Behoudens schriftelijke machtiging, verleend door de eigenaar en de bezetter van het betrokken onroerend goed of de betrokken onroerende goederen, worden de peilingen of archeologische opgravingen bedoeld bij het besluit door de gemachtigde personen ondernomen enkel te rekenen van de vijftiende dag gerekend vanaf de kennisgeving van het besluit aan de betrokken eigenaar. Bij verstrijken van de bezettingstermijn bedoeld in lid 3, 4°, wordt het onroerend goed of de groep onroerende goederen door de dienst aangewezen door de Regering in de staat teruggeven waarin het zich bevond voor de uitvoering van de archeologische verrichtingen, tenzij er een procedure tot klassering van het goed of van de goederen of een onteigening om redenen van openbaar nut worden aangevat dan wel tenzij de eigenaar van het goed de dienst aangewezen door de Regering daarvan vrijstelt. De Regering stelt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel vast. HOOFDSTUK 6. - Categorieën van archeologische voorwerpen Art. D.76. De Regering bepaalt de categorieën van archeologische voorwerpen. HOOFDSTUK 7. - Erkende depots en het Gewestelijk Centrum voor het behoud en de studie van archeologisch materiaal Afdeling 1. - Erkende depots Art. D.77. Archeologische voorwerpen die worden ontdekt naar aanleiding van peilingen of archeologische opgravingen, van toevallige ontdekkingen of van een activiteit van detectorisme worden opgenomen in een depot erkend door de dienst aangewezen door de Regering. De verleende machtiging is van geldig voor een periode van vijf jaar te rekenen van de kennisgeving ervan aan de houder van de machtiging. De Regering bepaalt de voorwaarden voor het verlenen en het uitoefenen van de machtiging, en de procedures voor het verlenen, het instellen van beroep, het verlengen, het opschorten en het intrekken van de machtiging. In afwijking van lid 1 kunnen de archeologische voorwerpen die worden ontdekt naar aanleiding van archeologische peilingen, archeologische opgravingen, toevallige ontdekkingen of van een activiteit van een detectorist, middels een schriftelijke toelating van de dienst aangewezen door de Regering, afgeven bij een museum erkend door de Franse Gemeenschap van België. Art. D.78. De houder van een machtiging bedoeld in artikel D.77 : 1° deelt aan de dienst, aangewezen door de Regering, binnen de zes maanden na de kennisgeving van de erkenning, een inventaris mee van de archeologische voorwerpen die in het erkende depot aanwezig zijn, ten minste tot welke categorieën archeologische goederen zij behoren, de naam van de eigenaar ervan, de afkomst ervan en de staat van bewaring ervan;2° geeft de dienst aangewezen door de Regering, binnen de vijftien dagen na het voorvallen van het gegeven, kennis van iedere belangrijke wijziging van de erkenningsvoorwaarden, iedere wijziging in de rechtspositie van de houder van de erkenning of in verband met het gebouw dat het erkende depot vormt, iedere brand, iedere overstroming, iedere waterinfiltratie, iedere besmetting van het erkende depot door zwammen of houtetende insecten, iedere diefstal of daad van vandalisme, evenals van iedere afwijking van de temperatuur- of vochtigheidsnormen waargenomen over een duur van meer dan tien opeenvolgende dagen. In het geval, vermeld in het eerste lid, 1°, bezorgt de houder van de erkenning elk jaar tijdens de hele geldigheidsduur van de erkenning een bijgewerkte inventaris van de archeologische voorwerpen die aanwezig zijn in het erkende depot, aan de dienst aangewezen door de Regering. In de verleende erkenning kan een termijn worden vastgelegd voor het bijwerken van de inventaris van archeologische voorwerpen en kan worden gespecificeerd welke bijkomende informatie deze inventaris bevat. HOOFDSTUK 2. - Erkende depots en het Gewestelijk Centrum voor de bewaring en de studie van archeologisch materiaal Art. D.79. Volgens de nadere regels vastgesteld door de Regering, kan het Waals Gewest een Gewestelijk centrum voor de bewaring en de studie van archeologische goederen verplaatst van hun plaats van herkomst inrichten of laten inrichten HOOFDSTUK 8. - Detectorisme Art. D.80. § 1. Het gebruik van apparatuur om metalen of ferromagnetische voorwerpen op te sporen of te zoeken op het land, onder de grond of in het water is onder alle omstandigheden verboden voor alle personen, met uitzondering van : 1° de personeelsleden van de dienst die door de Regering in het kader van hun ambt zijn aangewezen; 2° houders van een vergunning als bedoeld in artikel D.65 met het oog op het uitvoeren van archeologische activiteiten in verband met die vergunning; 3° natuurlijke personen die een bezoldigde beroepsactiviteit uitoefenen waarvoor het gebruik van deze uitrusting vereist is, op voorwaarde dat deze activiteit niet rechtstreeks of onrechtstreeks verband houdt met het zoeken naar archeologische voorwerpen;4° natuurlijke personen die houder zijn van een detectorvergunning afgeleverd door de dienst aangewezen door de Regering. § 2. De vergunning voor detectorisme bedoeld in paragraaf 1, lid 1, 4°, is een vergunning voor de houder ervan om, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek en de bijzondere voorwaarden vervat in de vergunning, het materiaal te gebruiken waarmee het opsporen of opzoeken van metaalhoudende of ferromagnetische voorwerpen mogelijk te maken, de bodem te wijzigen of de opgespoorde metaal- of ferromagnetische voorwerpen weg te nemen. De vergunning voor detectorisme bevat minstens volgend gegevens: 1° de naam en voornaam van de natuurlijke persoon die houder is van de vergunning;2° de soorten toegelaten onderzoekingen; 3° de perimeter waarop de vergunning betrekking heeft;4° eventuele bijzondere voorwaarden verbonden aan de vergunning;5° de datum van geldigheid van de vergunning. Geen enkele vergunning mag worden verleend aan een aanvrager die op de datum van de aanvraag ervan jonger is dan achttien jaar. De vergunning voor is twaalf maanden geldig vanaf de datum waarop deze is verleend. De door de Regering aangewezen dienst kan een vergunning voor detectorisme wijzigen, schorsen of intrekken in de volgende gevallen: 1° als de houder de verboden en verplichtingen, vermeld in de artikelen D.81 en D.82, niet naleeft; 2° als de houder de specifieke voorwaarden van de vergunning niet naleeft. § 3. De Regering bepaalt de voorwaarden voor het verlenen en uitoefenen van de vergunning en de procedures voor het toekennen, wijzigen, opschorten en intrekken van de vergunning voor detectorisme. § 4. De Regering kan specifieke maatregelen vaststellen met betrekking tot het gebruik van apparatuur voor het opsporen van of zoeken naar metalen of ferromagnetische voorwerpen op het land, onder de grond of in het water, in het kader van bijeenkomsten. Art. D. 81. Uitgezonderd de personen bedoeld in artikel D.80, § 1, lid 1, 1° tot 3°, is het gebruik van materiaal dat de opsporing van en het zoeken naar metaalhoudende of ferromagnetische voorwerpen mogelijk maakt verboden: 1° op een geklasseerd of daarmee gelijkgesteld goed of in een beschermingsgebied voor een geklasseerd of daarmee gelijkgesteld goed;2° binnen de omtrekken van de archeologische kaart;3° op een terrein dat het voorwerp uitmaakt van een archeologische peiling of een archeologische opgraving, tenzij de door de Regering aangeduide dienst daar vooraf schriftelijk mee heeft ingestemd. Art. D.82. § 1. Volgens de door de Regering vastgestelde nadere regels moet de houder van een vergunning voor detectorisme: 1° de door de Regering aangewezen dienst ten minste drie werkdagen op voorhand op inlichten over elke activiteit inzake metaaldetectorisme;2° aangifte doen van de ontdekking van een archeologisch voorwerp aan de door de Regering aangewezen dienst binnen vijftien dagen na de ontdekking. § 2. De bezitter, houder of eigenaar van een archeologisch voorwerp ontdekt tijdens een activiteit inzake metaaldectorisme, ofwel : 1° garandeert de door de Regering aangewezen dienst toegang tot het aangetroffen archeologische object;2° ofwel deponeert het ontdekte archeologische voorwerp in een erkend depot of in een door de Franse Gemeenschap van België erkend museum dat voldoet aan de vereisten met betrekking tot de erkenning voor het depot van archeologische voorwerpen in metaal. § 3. Het is de houder van een vergunning voor metaaldetectorisme verboden om archeologische voorwerpen die tijdens een activiteit inzake metaaldetectorisme op het grondgebied van het Waalse Gewest worden ontdekt uit genoemd grondgebied te verwijderen. In afwijking van lid 1 kan de door de Regering aangewezen dienst een schriftelijke toelating afleveren om een archeologisch voorwerp dat op het grondgebied van het Waals Gewest is ontdekt, uit genoemd grondgebied te verwijderen. De Regering kan de nadere regels vaststellen voor de uitvoering van deze paragraaf. § 4. De houder van een vergunning voor metaaldetectorisme die een archeologisch voorwerp dat tijdens een prospectieactiviteit wordt ontdekt, wil verkopen of vervreemden,