Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot goedkeuring van de gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001

In het kort

Dit besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering keurt een gedeeltelijke wijziging goed van het gewestelijk bestemmingsplan (GBP) van 3 mei 2001, specifiek voor de Heizelvlakte. Deze wijziging is nodig na een vernietiging door de Raad van State van een eerder besluit over hetzelfde gebied.

Wat het reguleert

  • De gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan (GBP) van 3 mei 2001.
  • De bestemming van een deel van de Heizelvlakte.
  • De procedure voor gedeeltelijke wijziging van het GBP.
  • De gevolgen van een vernietiging van een eerder besluit door de Raad van State.

Wie het betreft

  • De Brusselse Hoofdstedelijke Regering.
  • De Heizelvlakte en de ontwikkeling ervan.

Kernpunten

  • Het besluit van 2 mei 2013 tot goedkeuring van de gedeeltelijke wijziging van het GBP voor het gebied van gewestelijk belang (GGB) nr. 15 - Heizel, inclusief stedenbouwkundig voorschrift 18, is vernietigd door de Raad van State op 7 december 2015.
  • Redenen voor de vernietiging waren onder andere dat de keuze voor de Heizelsite voorafging aan het milieueffectenrapport (MER), het MER geen nulalternatief onderzocht, het besluit geen rechtszekere oplossing bood voor mobiliteitseffecten, en het MER de effecten van wijziging van voorschrift 18 niet onderzocht.
  • Door de vernietiging heeft het betrokken deel van de Heizelvlakte opnieuw zijn vroegere bestemming als gebied voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten.
  • De Regering heeft een nieuw ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het GBP uitgewerkt, beperkt tot de Heizelvlakte, en heeft hiervoor een nieuw milieueffectenrapport laten opstellen.
Wettekst
Wettekst

6 JULI

  1. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot goedkeuring van de gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 werd goedgekeurd betreffende de Heizelvlakte De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, Gelet op artikel 39 van de Grondwet. Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen, inzonderheid op artikel 6, § 1, I, 1°. Gelet op de bijzondere wet van 12 januari 1989 betreffende de Brusselse instellingen. Gelet op het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening van 9 april 2004 (hierna het "BWRO" genoemd), inzonderheid op artikel 27 en zijn bijlage C. Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 12 september 2002 met betrekking tot het Gewestelijk Ontwikkelingsplan (GewOP); Gelet op het ontwerp van Gewestelijk Plan voor Duurzame Ontwikkeling (GPDO), goedgekeurd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op 18 oktober 2016; Gelet op het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 mei 2001Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 03/05/2001 pub. 16/06/2001 numac 2001031193 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende sommige bepalingen betreffende het personeel van Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid sluiten tot goedkeuring van het Gewestelijk Bestemmingsplan (hierna het "GBP" genoemd). Gelet op het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 9 september 2010Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 09/09/2010 pub. 18/10/2010 numac 2010031466 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot aanduiding van de adviesorganen die verzocht worden hun advies uit te brengen over het ontwerp van gewestelijke stedenbouwkundige verordening type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 09/09/2010 pub. 18/10/2010 numac 2010031467 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot aanduiding van de adviesorganen die verzocht worden hun advies uit te brengen over het ontwerp van gewestelijk bestemmingsplan en over het milieu-effectenrapport type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 09/09/2010 pub. 18/10/2010 numac 2010031469 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot aanduiding van de adviesorganen die verzocht worden hun advies uit te brengen over het ontwerp van gewestelijk ontwikkelingsplan en over het milieu-effectenrapport type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 09/09/2010 pub. 18/10/2010 numac 2010031468 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot aanduiding van de adviesorganen die verzocht worden hun advies uit te brengen over het ontwerp van gemeentelijk ontwikkelingsplan en over het milieu-effectenrapport sluiten tot aanduiding van de adviesorganen die verzocht worden hun advies uit te brengen over het ontwerp van bestemmingsplan en over het milieueffectenrapport. Gelet op het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 16 december 2010Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 16/12/2010 pub. 10/01/2011 numac 2010031603 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de toepassing van artikelen 35, § 3 en 48, § 5, van het Brussels Wetboek van de Ruimtelijk Ordening type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 16/12/2010 pub. 10/01/2011 numac 2010031604 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de toepassing van artikelen 18, § 6 en 25, § 6, van het Brussels Wetboek van de Ruimtelijk Ordening sluiten betreffende de toepassing van artikelen 18, § 6 en 25, § 6 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening. Gelet op het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 20 januari 2011Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 20/01/2011 pub. 03/03/2011 numac 2011031110 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot instelling van de procedure tot gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan sluiten tot instelling van de procedure tot gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan. Gelet op het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 maart 2012Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 29/03/2012 pub. 02/05/2012 numac 2012031212 bron brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende goedkeuring van het onteigeningsplan van de stad Brussel sluiten tot goedkeuring van het ontwerp tot gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan dat werd goedgekeurd op 3 mei
  2. Gelet op het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 mei 2013Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 02/05/2013 pub. 29/11/2013 numac 2013031894 bron brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot goedkeuring van het gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 werd opgesteld sluiten tot goedkeuring van de gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 werd goedgekeurd en op het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 7 november 2013 waarin de materiële fouten worden verbeterd die hierop inwerken. Gelet op het arrest nr. 233.147 van de Raad van State van 7 december 2015, dat voorziet in de "vernietiging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 mei 2013Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 02/05/2013 pub. 29/11/2013 numac 2013031894 bron brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot goedkeuring van het gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 werd opgesteld sluiten tot goedkeuring van de gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 werd goedgekeurd, waar dit betrekking heeft op het gebied van gewestelijk belang (GGB) nr. 15 - Heizel, met inbegrip van het stedenbouwkundig voorschrift 18, waar dit betrekking heeft op het voormelde GGB nr. 15 - Heizel". Gelet op de redenen voor deze vernietiging die luiden als volgt : -De keuze voor de Heizelsite om een aantal grote voorzieningen te ontwikkelen die noodzakelijk zijn voor de internationale uitstraling van Brussel is a priori gemaakt voorafgaand aan het milieueffectenrapport, dat niet voorziet in een analyse van mogelijke redelijke alternatieven; - Het milieueffectenrapport (hierna : "het MER") heeft de mogelijke evolutie van de Heizel bij ongewijzigd beleid (hypothese die gemeenzaam "nulalternatief" wordt genoemd) niet onderzocht; - Het besluit van 2 mei 2013 biedt geen rechtszekere oplossing voor de effecten op de mobiliteit vastgesteld door het MER; - Het MER heeft de effecten van de wijziging van voorschrift 18 van het GBP niet onderzocht. Overwegende dat ingevolge deze vernietiging van het GGB nr. 15 : - het betrokken deel van de Heizelvlakte opnieuw zijn vroegere bestemming heeft als gebied voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten; - de procedure tot gedeeltelijke wijziging van het GBP die werd opgestart door het besluit van de Regering van 20 januari 2011 nog steeds hangende is voor wat de Heizelvlakte betreft. Overwegende dat de redenen die de Regering er in 2011 toe hebben gebracht om in het GBP de bestemming van een deel van de Heizelvlakte te wijzigen, ook vandaag nog gelden. Overwegende dat de Regering derhalve heeft verkozen een nieuw ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het GBP uit te werken, beperkt tot de Heizelvlakte. Gelet op het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 mei 2016Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 26/05/2016 pub. 08/07/2016 numac 2016031409 bron brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 10 juni 2010 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 26/05/2016 pub. 09/06/2016 numac 2016031411 bron brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende goedkeuring van het bijzonder bestemmingsplan nr. XII/10 'Stockel' van de gemeente Sint-Pieters-Woluwe sluiten tot goedkeuring van het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 werd goedgekeurd betreffende de Heizelvlakte. Gelet op het milieueffectenrapport (hierna : het MER) dat is uitgewerkt naar aanleiding van dit ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het GBP. Gelet op het ministerieel besluit van 26 mei 2016Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 26/05/2016 pub. 09/06/2016 numac 2016031403 bron brussels hoofdstedelijk gewest Ministerieel besluit tot vaststelling van de aanwijzing van de beambten of personen belast met het geven van technische uitleg in het kader van het openbaar onderzoek over het ontwerp van gewestelijk bestemmingsplan houdende de gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan sluiten tot vaststelling van de aanwijzing van de beambten of personen belast met het geven van technische uitleg in het kader van het openbaar onderzoek over het ontwerp van gewestelijk bestemmingsplan houdende de gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan Gelet op de bezwaren en opmerkingen geformuleerd tijdens het openbaar onderzoek over het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan van 1 juni tot 31 juli
  3. Gelet op de adviezen van de gemeenten die tegelijk met het openbaar onderzoek zijn uitgebracht door de Gemeenteraden van -Stad Brussel op 27 juni 2016, - Etterbeek op 27 juni 2016, - Jette op 29 juni
  4. Gelet op de adviezen die tijdens het openbaar onderzoek werden uitgebracht door de gemeentebesturen en Burgemeester van de gemeenten : - Anderlecht op 6 juni 2016, - Sint-Agatha-Berchem op 19 juli 2016, - Elsene op 13 juni
  5. Gelet op het feit dat de andere gemeenten van het Gewest geen advies hebben uitgebracht binnen de toebedeelde termijn; Gelet op de adviezen van de geraadpleegde besturen en instanties, meegedeeld op de volgende data : - het Bestuur op 14 juli 2016, - het BIM op 22 juli 2016, - de Economische en Sociale Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op 7 juli 2016, - de Koninklijke Commissie van Monumenten en Landschappen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op 6 juli 2016 - de Raad van het Leefmilieu voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op 29 juni 2016, - de Gewestelijke Mobiliteitscommissie op 20 juni 2016, - De Adviesraad voor Huisvesting en Stadsvernieuwing op 17 juni 2016, Gelet op het advies van Ruimte Vlaanderen van 18 juli 2016, Gelet op het advies van Mobiliteit en Openbare werken Vlaanderen van 29 juli 2016, Gelet op het advies van de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie (hierna de "GOC" genoemd), uitgebracht op 10 november
  6. Gelet op de het evaluatieverslag op van de impact ervan op de respectieve situatie van vrouwen en mannen, " gendertest " genaamd, verplicht door het artikel 3, 2° van de ordonnantie van 29 maart 2012 houdende de integratie van de genderdimensie in de beleidslijnen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en door het artikel 13 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende de uitvoering van die ordonnantie, waarvan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering kennis heeft genomen op datum van 12 december 2016; Gelet op het advies van de Raad van State van 6 februari 2017; Gelet op het arrest van de Raad van State nr. 237.528 van 1 maart 2017 dat de artikelen 1, 10-1, 16 en 20 (omdat het verwijst naar de gedeeltelijke wijziging van de bijgaande bodembestemmingskaart onder nr. 27) van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 mei 2013Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 02/05/2013 pub. 29/11/2013 numac 2013031894 bron brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot goedkeuring van het gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 werd opgesteld sluiten tot goedkeuring van de gedeeltelijke wijziging van het op 3 mei 2001 vastgelegde Gewestelijk Bestemmingsplan vernietigt; Overwegende dat aangezien zij betrekking heeft op artikel 10-1 van het voormelde besluit, dat het vierde lid van voorschrift 18 wijzigt, de redenen voor de vernietiging er opnieuw in bestaan dat het MER dat naar aanleiding van deze wijziging van het GBP is uitgewerkt, geen beoordeling heeft gemaakt van de effecten van de wijziging van voorschrift 18 op het leefmilieu, terwijl deze effecten niet uitgesloten kunnen worden; Dat ingevolge deze vernietiging het vierde lid van voorschrift 18 van het GBP is hersteld in zijn versie zoals deze gold vóór de inwerkingtreding van het besluit van de Regering van 2 mei 2013, hetzij : « Zolang de inrichting van de gebieden van gewestelijk belang nrs. 6B, 8, 9, 10, niet werd vastgelegd overeenkomstig lid 2, kunnen de handelingen en werken voor de bijzondere bestemmingen die zijn bepaald in hun programma's, evenwel worden toegelaten nadat zij aan de speciale regelen van openbaarmaking onderworpen zullen zijn, en op voorwaarde dat de aanvraag om stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft op het ganse grondgebied van het Gebied van Gewestelijk Belang, gezien de kleine omvang van die gebieden ». Overwegende dat dit arrest van de Raad van State geen afbreuk doet aan de wil van de Regering om de bestemming van het GBP voor een deel van de Heizelvlakte te wijzigen en evenmin aan de redenen die hieraan ten grondslag liggen zoals deze zijn uitgedrukt in het besluit van 26 mei 2016; Dat dit besluit evenwel het vierde lid van voorschrift 18 zoals dit ondertussen door de Raad van State is vernietigd niet mag wijzigen en evenmin de wijziging van het GBP een grotere strekking geven dan deze waarvoor het nieuwe MER is opgemaakt en die aan een openbaar onderzoek en aan de raadplegingen bedoeld in artikel 25 van het BWRO is onderworpen; Dat voor het GGB nr. 15 derhalve artikel 1 van de beschikking van dit besluit aangepast dient te worden om met dit arrest rekening te houden; Gelet op het advies van de Raad van State van 31 mei 2017; ANTWOORDEN OP DE ADVIEZEN, OPMERKINGEN EN BEZWAREN UITGEBRACHT OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 25, §§ 4 EN 5, VAN HET BWRO
  7. ALGEMEEN EN ONDERBOUWING 1.
  8. Globale beoordeling Overwegende dat een reclamant van mening is dat de huidige inrichting harmonieus en kwaliteitsvol is en toeristen aantrekt, iets wat het nieuwe project zou tenietdoen; Overwegende dat de Stad Brussel voorstander is van het wijzigingsontwerp van het GBP; Overwegende dat de GOC ook van mening is dat er een gemengde wijk moet worden gebouwd; Dat de inrichting van een GGB haar in die zin gepast lijkt, voor zover het op het niveau van het programma innovatieve ontwikkelingen aankan en de Brusselse economie kan stimuleren; Dat ze akkoord gaat met de idee dat dit GGB gekenmerkt wordt door een specifieke activiteit met internationaal aanzien; Overwegende dat een van de belangrijkste doelen van de wijziging van het GBP voor de Heizelvlakte erin bestaat om zijn toeristische aantrekkingskracht te verhogen; dat overigens de beoordeling van de harmonie van de bestaande toestand hoe dan ook subjectief is en niet wordt gedeeld door de Regering, die integendeel van mening is dat de Heizelvlakte een meer coherente en meer harmonieuze inrichting verdient dan ze vandaag heeft; dat deze wijziging van het GBP dus geen afbraak doet aan de harmonie noch aan de toeristische aantrekkingskracht van het gebied, wel integendeel. 1.
  9. Architecturale eenheid Overwegende dat een reclamant van mening is dat het goed zou zijn voor de internationale uitstraling van Brussel om een architecturale eenheid uit te werken in lijn met de nieuwe buurt en het Atomium, symbool voor Brussel; Overwegende dat de GOC, met het oog op kwaliteit en uitmuntendheid, de overheden aanspoort om het instrument van de Bouwmeester te gebruiken. De Bouwmeester neemt immers deel aan de lopende procedures, zodat hij kan zorgen voor een globale visie op de ontwikkelingen, en volgens de Commissie is dat een garantie om te komen tot kwaliteitsvolle projecten die aansluiten bij de symbolische architectuur die op de Heizelvlakte reeds aanwezig is is. Overwegende dat dient opgemerkt te worden dat het GBP een bestemmingsplan is dat, vooral vanwege zijn gewestelijke schaal, geen architecturale voorschriften wil opleggen; dat deze materie moet worden behandeld in andere instrumenten (BBP, stedenbouwkundige verordening enz.). 1.
  10. Opwaarderen van het potentieel van de Heizelvlakte Overwegende dat het Bestuur (BSO) waardeert dat het GGB 15 probeert het bestaande (natuurlijke, landschappelijke, stedelijke en erfgoedgerelateerde) potentieel van de Heizelvlakte op te waarderen; Overwegende dat de GOC de idee verdedigt dat het gaat om de ontwikkeling van een duurzame voorbeeldwijk op deze site, temeer daar het de ambitie is om er een site met een internationale roeping van te maken; Dat ze van mening is dat een nieuwe wijk van een dergelijke omvang zich er niet toe kan beperken om verschillende functies gewoon naast elkaar te plaatsen. Het gaat erom de voorwaarden te creëren voor een woonomgeving of een leefbare wijk, een echt "stadsdeel" dat daarom in zijn complexiteit in beschouwing moet worden genomen. Overwegende dat de Regering het potentieel van de Heizelvlakte wil herwaarderen; Dat het GBP zich tot doel stelt om daarvoor de grote programmalijnen te schetsen; Dat de inhoud, onder meer op het vlak van kwaliteit, moet worden verfijnd in andere instrumenten (BBP, stedenbouwkundige verordening enz.). 1.
  11. Juridische complexiteit - Veroudering van het GBP - Concordantie met het GewOP - Niet goedgekeurd GPDO Overwegende dat de Gemeente Sint-Agatha-Berchem het betreurt dat deze wijzigingsprocedure en de bijhorende uitgaven het gevolg zijn van een slecht beheerde en verregaande juridische complexiteit; Dat deze wijziging niet ondersteund wordt door een reeds goedgekeurd GPDO; Dat de Gemeente vaststelt dat deze plaatselijke wijziging van het GBP volgt op een recente thematische wijziging van het GBP (het demografische GBP); Dat men zich dan ook vragen stelt bij de toenemende veroudering van het GBP, dat in 2001 werd goedgekeurd en waarbij het ontwerp en de algemene doelstellingen berusten op vaststellingen en noden van twintig jaar geleden; Dat de Gemeente van mening is dat het nuttig zou zijn, zowel voor de burgers, als voor de economische stakeholders en de besturen dat het Gewest werk maakt van een volledige herziening van het GBP, in plaats van af en toe wat op te lappen; Overwegende dat de Adviesraad voor Huisvesting betreurt dat de wijziging van het GGB 15 plaatsvindt vóór de goedkeuring van het nieuwe GPDO dat momenteel voorbereid wordt; Dat deze omkering binnen de procedure vragen oproept over de hiërarchie van de plannen en over het democratische besluitvormingsproces; Overwegende dat de GOC van mening is dat het debat over dit project niet op een goed moment komt. Het Masterplan dat werd uitgewerkt door KCAP en Consort werd immers nog niet voorgelegd aan het openbaar onderzoek, noch aan de adviesorganen. Overwegende dat deze gedeeltelijke wijziging van het GBP niet volgt op de goedkeuring van het "demografisch" GBP bij besluit van de Regering van 2 mei 2013, maar enkel de aanvulling van dit besluit beoogt nadat het gedeeltelijk is vernietigd door arrest nr. 233.147 van de Raad van State van 7 december 2015; Dat hoewel het GBP vijftien jaar geleden werd goedgekeurd, het nog geen tekenen van veroudering vertoont die een volledige herziening rechtvaardigen; dat het een zeer stabiel instrument betreft dat sinds zijn goedkeuring slechts één keer aanzienlijk werd gewijzigd; het "demografisch" GBP is een belangrijk element van rechtszekerheid dat zoveel mogelijk moet worden gevrijwaard. Overwegende dat, wat de overeenstemming GPDO/GBP betreft zoals werd uiteengezet in het besluit van 2 mei 2013 tot goedkeuring van de gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 werd goedgekeurd (zie de "niet-plaatsgebonden bezwaren" onder subtitel 1.
  12. Methodologie/alternatieven/ tekortkomingen"), de ordonnantie van 14 mei 2009 tot wijziging van de ordonnantie van 13 mei 2004 houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening artikel 27 van het Wetboek heeft gewijzigd om, volgens de memorie van toelichting van het ontwerp van ordonnantie "zonder discussie de herziening van het GBP toe te staan zonder dat die wijziging noodzakelijkerwijs moet worden voorzien door het GewOP (Parl. St., s.o. 2008/2009, nr. A-527/1, p. 4); Dat de memorie van toelichting er ook aan herinnert (Ibid., p. 12) dat de oude titel van artikel 27 aanleiding gaf tot discussie omdat "men zou kunnen interpreteren dat een wijziging in het gewestelijk bestemmingsplan slechts mogelijk zou zijn als ze voorzien wordt in het gewestelijk ontwikkelingsplan. Die interpretatie mag niet worden gevolgd omdat dit de procedure voor de wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan aanzienlijk zou verzwaren; bovendien strookt ze niet met de voorbereidende werkzaamheden van de eerder vermelde ordonnantie van 16 juli
  13. Die stipuleren integendeel dat het gewestelijk ontwikkelingsplan, niettegenstaande de louter indicatieve waarde die het voortaan heeft, desgevallend kan bepalen dat een specifiek punt van het gewestelijk bestemmingsplan moet worden gewijzigd, wat als gevolg heeft dat de Regering, in die hypothese, het ontwerp tot wijziging van het bestemmingsplan moet goedkeuren binnen de voorgeschreven termijn van twaalf maanden na de goedkeuring van het gewestelijk ontwikkelingsplan (Parl. St., s.o. 1997/1998, nr. A-263/2, p. 12) maar zonder dat dit de Regering belet om op eigen initiatief en te allen tijde een besluit te nemen tot wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan. (...) de twee hypotheses die zich kunnen voordoen, worden duidelijk geregeld : - ofwel beslist de Regering tot wijziging van het GBP. In dat geval is ze niet gebonden door enige termijn noch door enig bijzonder voorwerp, en beslist ze op eigen initiatief bij een met redenen omkleed besluit om de wijzigingsprocedure te starten; - ofwel geeft het GewOP aan dat het aangewezen is om het GBP te wijzigen. In dat geval moet de Regering het ontwerp tot wijziging van het GBP inzake de door het GewOP aangeduide voorwerpen goedkeuren binnen de twaalf maanden na de goedkeuring van het GewOP, waarbij de termijn net als in het verleden een termijn van orde is". Overwegende dat het GewOP van 2002 op de Heizelvlakte voorziet in een hefboomgebied; Overwegende dat een hefboomgebied als doel heeft de renovatie en de productie van woningen aan te moedigen, activiteiten te ontwikkelen die zich verhouden tot andere functies waaraan voorrang wordt verleend binnen het gebied en deze af te lijnen, maatregelen te nemen voor de aanleg van de openbare ruimten, de definiëring van projecten voor collectieve voorzieningen of infrastructuren en aan te leggen vervoersverbindingen, alsook de omschrijving van de hiërarchie van de wegen en de regels die hierop moeten worden toegepast; Overwegende dat de motivering van het besluit van de Regering van het besluit van de Regering van 12 september 2002 waarmee het Gewestelijk Bestemmingsplan wordt uitgevaardigd, bepaalt : « Overwegende dat het hefboomgebied Heizel vooral betrekking heeft op de rationele en globale aanleg van het volledige Heizelplateau waarbij de problemen van bereikbaarheid en parkeermogelijkheden en de relaties met de aangrenzende woonwijken niet uit het oog verloren mogen worden; Dat voor de ontwikkeling van het hefboomgebied Heizel het initiatief van verschillende gemeenten nodig is en dat er in dit gebied een supra-lokaal project loopt; dat dit hefboomgebied bovendien een communicatieknooppunt is;; Overwegende dat dit gebied een grote uitstraling heeft die moet worden behouden en moet worden gedynamiseerd waarbij een harmonieuze integratie van de andere randfuncties verzekerd moet worden; » Overwegende dat de doelstellingen die worden nagestreefd met de vaststelling van het nieuwe GGB 15, samengevat in het besluit van de Regering van 20 januari 2011 tot instelling van de procedure tot gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan en uitgewerkt in dit besluit, duidelijk passen binnen de oriënteringen aangereikt door het GewOP; Overwegende dat de vaststelling van een Gebied van Gewestelijk Belang op de Heizelvlakte betrekking heeft op de verwezenlijking van woningen, voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten, een minimumoppervlakte aan groene ruimten en op beperkende wijze kantoor-, handels- en hoteloppervlakten; Dat het programma van dit GGB inzonderheid een stedelijke compositie als doelstelling vaststelt die opnieuw voorziet in een gemengde wijk die sterk toegankelijk is voor fietsers en voetgangers; Dat hiermee deze wijziging van het GBP duidelijk aansluit bij de vijfde prioriteit van het GewOP die de uitvoering van een efficiënt ruimtelijke-ordeningsbeleid beoogt dat steunt op een planning inzake bodembestemming die beantwoordt aan zijn oriënteringen, en dan in het bijzonder voor de volgende prioriteiten van het GewOP : - prioriteit 1 die een versterkte attractiviteit van het wonen beoogt door een nieuw gebied in het leven te roepen waarin de woningbouw mogelijk is en aangemoedigd wordt; - prioriteit 2 die een nieuwe dynamiek nastreeft voor alle sectoren van de Brusselse economie met het oog op de ontwikkeling van de lokale tewerkstelling door middel van activiteiten die in harmonie zijn met het leefmilieu en de kwaliteit van het leven in de stad : dat het weerhouden programma, dat zich toespitst op recreatie, congressen en conventies en handel aansluit bij deze doelstelling, en dat de tewerkstelling die zal worden geboden, bovendien tegemoetkomt aan de behoefte om duurzame jobs te creëren, ook voor laaggeschoolden; - prioriteit 6 die streeft naar een verhoging van de commerciële, culturele en toeristische aantrekkingskracht van het Gewest; - de prioriteiten 8 en 9 die een stedelijke programmering beogen die de modal shift van de auto naar de andere vervoerswijzen bevordert en bijdraagt tot een beperking van het autoverkeer en de concentratie van gebouwen binnen eenzelfde ruimte in een benadering van spaarzame benutting van de bodem en maximaal gebruik van groene ruimten op schaal van de Heizelvlakte; Overwegende dat het BBP van de verstedelijking van de Heizelvlakte een totaalvisie moet ontwikkelen die verder reikt dan de perimeter van het GGB en van het Masterplan van het bureau KCAP en Consort; Dat dit BBP is onderworpen aan de openbare overlegprocedure. 1.
  14. Onderbouwing Overwegende dat een reclamant blij is met de wijziging voorgesteld door het nieuwe ontwerp van het GBP voor de site van de Heizel; Dat dit inderdaad de uitwerking mogelijk maakt van het NEO-project dat ondersteund wordt door de Stad Brussel en door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; Overwegende dat dezelfde reclamant van mening is dat in dit 2de ontwerp de Brusselse Hoofdstedelijke regering geen elementen aanreikt die in wezen aansluiting vinden bij de argumenten van de Raad van State die de eerste wijziging had geannuleerd en dat men zich niet voegt naar de adviezen van de raadgevende instanties; Dat de onderbouwing van het huidige besluit, ten opzichte van het besluit van 26 mei 2016, beter aangevuld zou worden om meer up-to-date te zijn; Dat men concreter, en dit over de beweegredenen van het Besluit van 26 mei 2016 heen, moet aangeven waarom de regering van mening is dat de overwegingen die in 2011 en 2013 geformuleerd werden nog steeds relevant zijn. Overwegende dat de gecumuleerde motivaties van : - het Besluit van de Regering van 20 januari 2011 tot instelling van de procedure tot gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan; - het Besluit van de Regering van 29 maart 2012 tot goedkeuring van het ontwerp tot gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 werd goedgekeurd;. - het Besluit van de Regering van 2 mei 2013 tot goedkeuring van de gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 werd goedgekeurd; - en van onderhavig besluit voldoende toelaten om te antwoorden op de bezwaren van de Raad van State en de adviezen van de geraadpleegde instanties en aan te tonen dat onderhavig besluit gebaseerd is op een actuele en relevante beoordeling van de toestand van het gebied en de naaste omgeving waarop de gedeeltelijke wijziging van het GBP betrekking heeft. 1.6 Schaal Overwegende dat de GOC vaststelt dat één van de wijzigingen van het GBP erin bestaat om een kleine oppervlakte van het parkgebied aan de kruising tussen de nieuwe verbindingsweg en de Keizerin Charlottelaan te bestemmen als weggebied. Dit wijzigingsvoorstel betreft een oppervlakte van 151 m², wat volgens de GOC niet onder het GBP valt Ze stelt zich vragen bij het feit dat de wijziging van een dergelijke kleine groene ruimte moet worden overwogen en vraagt zich af of dit element niet beter thuishoort in bijvoorbeeld het BBP. Overwegende dat de wijziging van de 151 m² parkgebied gerechtvaardigd is in het kader van de realisatie van een nieuwe verbindingsweg tussen de Keizerin Charlottelaan en parking C van de Heizel. Dat deze wijziging, die wordt aanbevolen door het MER, nodig is gezien het verkeer dat op deze nieuwe weg wordt verwacht. Dat er zo voorsorteerstroken kunnen worden voorzien voor het verkeer dat rechts- en linksaf slaat vanaf en naar de verbindingsweg.
  15. HUISVESTING 2.
  16. Oplossingen voor de huisvestingsproblemen Overwegende dat de Adviesraad voor Huisvesting van mening is dat het GBP niet het gepaste instrument is om in te spelen op de problemen die verband houden met de demografische groei gezien het GBP enerzijds niet toelaat om de dichtheden per gebied te bepalen en anderzijds ook niet toelaat om de soorten woningen te bepalen die gebouwd moeten worden om te voldoen aan de bestaande vraag; Overwegende dat de Adviesraad voor Huisvesting ervoor vreest dat niet voldaan wordt aan de reële woonbehoeften van de toekomstige bewoners; Dat het aanbod wellicht niet aansluit op de vraag, gezien enerzijds de lage inkomsten bij de nieuwe bewoners in het Gewest en anderzijds de grotere behoefte aan grotere woningen; Dat het essentieel is om het aanbod aan openbare huisvesting dat aangepast is aan gezinnen met een gemiddeld en laag inkomen uit te breiden (sociale huisvesting, huisvesting met een sociaal doel/kenmerk, huisvesting voor mensen met een gemiddeld inkomen, enz.), alsook dat het aanbod aangepast is op het vlak van omvang en kwaliteit aan de huidige en toekomstige samenstelling van gezinnen; Overwegende dat de stedenbouwkundige lasten of andere hefbomen zouden kunnen bijdragen tot de verhoging van het aanbod; Dat, aangezien de terreinen toebehoren aan de Stad, ze deze zou moeten bestemmen in functie van de noden, zoals openbare en sociale huisvesting, maar met een voldoende grote mix voor de meerderheid; Overwegende dat de GOC eraan herinnert dat de infrastructuren nodig voor het leven van een project (nutsleidingen, openbare ruimten, scholen enz.) moeten gefinancierd worden); Dat ze aangeeft dat daarvoor de stedenbouwkundige lasten in het leven werden geroepen; Dat zij bijgevolg voorstelt om daarmee de infrastructuren te financieren die nodig zijn voor het leven van de wijk. Overwegende dat de Regering, zoals al werd uitgelegd in het besluit van 2 mei 2013 tot goedkeuring van de gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 werd goedgekeurd, zich bewust is van het feit dat de gedeeltelijke wijziging van het GBP alleen niet zal volstaan om een compleet antwoord aan te reiken voor de geïdentificeerde dringende noden; Dat de relevantie van de wijziging van andere verordeningen die andere aspecten van het beleid van ruimtelijke ordening of zelfs van ander verbonden beleid betreffen (bijvoorbeeld : verdichting, verhoging van het bouwprofiel of beheer van leegstaande gebouwen), eveneens zal moeten worden onderzocht; Dat de gedeeltelijke wijziging van het GBP niettemin prioritair werd geacht, gezien : - de hiërarchische voorrang van het GBP; - het belang van het positieve effect op de geïdentificeerde dringende noden dat de gedeeltelijke wijziging van het GBP op zichzelf al zou kunnen hebben; Dat ook de Stad, in het kader van haar bevoegdheden en de ontwikkeling van de gronden waarvan ze eigenaar is, de maatregelen dient te nemen die zij gepast acht om de nagestreefde doelen te bereiken, onder meer door de gedeeltelijke wijziging van het GBP. 2.
  17. Woonfunctie Overwegende dat een reclamant van mening is dat de woonfunctie praktisch onverenigbaar is met het huidige programma van het GGB dat geluidsoverlast zal veroorzaken die de leefbaarheidsnormen van Leefmilieu Brussel (BIM) sterk overschrijdt (meer dan 65 dB(A) tijdens de dag op de verbinding Houba de Strooper bestemd om woningen in te planten) en dat zal leiden tot een luchtkwaliteit die te laag is voor een woonfunctie; Overwegende dat de Raad voor het Leefmilieu vraagt om de impact van de woonfunctie op de andere functies te bestuderen, om maatregelen te kunnen treffen die zorgen voor een harmonieus samengaan van deze functie met de andere functies in het gebied; Gelet op het advies van de GOC die eveneens wijst op de noodzaak om de kwestie van de moeilijke cohabitatie tussen bepaalde functies op te lossen; Dat zij van mening is dat de voorziene bestemmingen (voetbalstadion, handelscentrum en woonwijk) met elkaar in conflict zouden kunnen treden; Dat ze benadrukt dat het programma van GGB nr. 15 beter moet beantwoorden aan de noodzaak om een stedelijke wijk, een echte woonplaats, te creëren; Overwegende dat de Regering benadrukt dat het niet de taak van het GBP is om de bewoonbaarheidsvoorwaarden van het gebied te bepalen en dat deze belangrijke kwesties moeten worden onderzocht met behulp van gepaste instrumenten die het voorwerp zullen uitmaken van latere procedures; dat er op schaal van het GBP geen enkele reden is om te besluiten dat huisvesting niet zou kunnen samengaan met de andere toegelaten functies; dat het Gewest de woningen in zeer gediversifieerde omgevingen plaatst, van stadscentra tot platteland; dat deze vaststelling op zich al volstaat om te besluiten dat de talrijke aanwezigheid van andere functies in de onmiddellijke omgeving van de woningen niet volstaat om de bewoonbaarheid in vraag te stellen; dat er een aantal maatregelen kunnen worden genomen om de cohabitatie van deze functies te garanderen; dat deze maatregelen vallen onder hetzij andere administratieve verordeningen, hetzij andere niveaus van bestemmingsplannen, stedenbouwkundige verordeningen of vergunningen. Dat, in het domein van ruimtelijke ordening en stedenbouw, deze kwesties met name een antwoord vinden in het Bijzonder Bestemmingsplan (BBP), waarvan het Milieueffectenrapport (MER) de impact van de cohabitatie van functies nauwkeurig zal analyseren op basis van de precieze lokalisatie ervan door het BBP; maar ook in de aanvraagdossiers van de stedenbouwkundige vergunningen die zullen worden ingediend en zullen moeten aantonen dat de voorgestelde projecten kaderen in de opvatting van `goede plaatselijke aanleg' die de bevoegde overheden voorstaan en waarbij uiteraard ook rekening wordt gehouden met de bewoonbaarheid van de woningen. Dat er wat er ook gebeurt, het MER in zijn globale visie een element blijft waarmee zowel het BBP als de vergunningsaanvragen binnen de perimeter van het GGB rekening moeten houden. 2.
  18. Minimale woonoppervlakte en gemengdheid van de wijk Overwegende dat BSO het voorstel doet om de minimale oppervlakte te bepalen die toegewezen wordt aan huisvesting in een absolute waarde (75 000 m2) voor het volledige GGB; Dat de toevoeging van de woonfunctie een belangrijk onderdeel blijkt te zijn om ervoor te zorgen dat een gemengde stadswijk ontstaat die kadert binnen de voortzetting van de omringende wijken; Dat het Bestuur, opdat deze doelstelling realiteit zou worden, voorstelt om verduidelijkingen te geven rond het programma van het GGB, zoals het MER aanbeveelt, nl. de mix aan toekomstige ontwikkelingen zo uitdenken dat de woningen verbonden kunnen blijven met de naburige woonwijken; Overwegende dat de GOC dit verzoek steunt door de keuze te suggereren van een bevoorrechte plaats voor de woonfunctie, om de continuïteit van het stadsweefsel met de omgevende wijk te garanderen; Overwegende dat de GOC het nodig acht om voldoende woningen te voorzien; Dat zij meent dat, in het geval van het Koning Boudewijnstadion dat volledig zou verdwijnen, moet worden gegarandeerd dat aanvullende woonoppervlakte wordt bijgebouwd maar eveneens functies die hiermee complementair zijn; Dat zij benadrukt dat, waar het deel dat voor een woonfunctie bestemd is een kritische grens moet bereiken om er een volwaardige stadswijk van te kunnen maken, de ontwikkeling van dit nieuwe stadsdeel de woonkwaliteit van een wijk moet garanderen; Dat de GOC in dat opzicht vraagt om in het programma van het GGB rekening te houden met de evolutie van de levenswijze en de nieuwe vormen van wonen en gemengdheid in de tijd; Overwegende dat de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie vraagt om in het programma van het GGB of in het BBP het volgende te voorzien : - het creëren van een stads- en landschapsstructuur met open en groene ruimten Het vergroten van het aandeel bestemd voor huisvesting indien het Koning Boudewijnstadion volledig verdwijnt; Het uitkiezen van een bevoorrechte ligging voor de woonfunctie teneinde de continuïteit van het stedelijke weefsel met de aangrenzende wijk te garanderen; Het toestaan van aanvullende inrichtingen om de leefbaarheid van het ontwerp te garanderen; - Het tijdig voorzien van de nodige buurtvoorzieningen (scholen, kinderdagverblijven). Overwegende dat het voorschrift van GGB nr. 15 al een vloeroppervlakte bestemd voor woningen voorziet van minstens 75 000 m²; Dat dit niet belet om meer woningen te creëren dan 75.000 m²; Dat de programmatie inzake woningen onder meer in het BBP zal worden bepaald; Dat deze ontwikkelingen zullen afhangen van het feit of het Koning Boudewijnstadion al dan niet zal worden behouden; Dat deze ontwikkelingen enkel mogelijk zijn op middellange en lange termijn. Overwegende dat het GBP de ontwikkeling en de evenwichtige inplanting van de verschillende functies moet omkaderen. Dat deze gemengdheid de essentie vormt van het voorgestelde GGB en dat de relaties met de omgevende wijken door de voorgestelde bestemmingswijziging geenszins worden bedreigd.
  19. KANTOREN Overwegende dat een reclamant vraagt om alinea 3 te verduidelijken van het programma van het GGB 15 in ontwerp (art.2 van het Besluit), omdat deze alinea aanleiding kan geven tot interpretatieproblemen, wat de bovengrens (het plafond) betreft bij de oppervlakte bestemd voor kantoren die in overweging moet worden genomen; Dat inderdaad volgens alinea 2, het GGB bestemd kan worden voor kantoren "die de gebruikelijke aanvulling vormen op de hoofdfuncties van de zone"; Dat er in alinea 3 echter niet verduidelijkt wordt wat volgt, behalve de bestaande kantoren die allemaal meegeteld moeten worden, zijn het enkel de (nieuwe) kantoren die de gebruikelijke aanvulling vormen op de hoofdfuncties van het gebied die meegeteld moeten worden (omdat enkel zij toegelaten zijn). Dit punt zou verduidelijkt moeten worden; Overwegende dat de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie vaststelt dat het GBP enkel kantoren zou toestaan die de gebruikelijke aanvulling vormen van de hoofdfuncties van het gebied; Dat deze beperking in de bestemming niet is aangepast om de "nieuwe economie" te integreren; Dat ze vraagt om het GBP bij te werken door de definities aan te passen, de activiteitengebieden te definiëren waarbinnen deze activiteiten zijn toegestaan, door het begrip van multifunctionaliteit in te voeren. Overwegende dat de Regering de analyse van de reclamant niet deelt; dat de tekst van het 3e lid van het programma van GGB nr. 15 duidelijk is : het GGB mag niet meer dan 20.000 m² kantoorruimte omvatten en dit plafond houdt enerzijds rekening met de bestaande kantoren op de in het programma vermelde datum en anderzijds met de nieuwe kantooroppervlakten die zijn toegelaten na deze datum, waarvoor overigens de voorwaarde geldt dat ze voldoen aan het 2e lid van het programma, namelijk dat ze de gebruikelijke aanvulling vormen van de hoofdfuncties van het gebied. Overwegende dat het niet de taak is van de gedeeltelijke wijziging van het GBP betreffende de Heizel om het lexicon te wijzigen; Dat de multifunctionaliteit van zowel de wijk als de gebouwen wordt aangemoedigd door het GBP en ten uitvoer moeten worden gelegd door het BBP en de stedenbouwkundige vergunningen die zullen volgen.
  20. VOORZIENINGEN VAN COLLECTIEF BELANG OF VAN OPENBARE DIENSTEN 4.
  21. Behoud van het gebied voor voorzieningen Overwegende dat de reclamanten, waaronder de Raad voor het Leefmilieu, vragen dat het gebied behouden blijft als gebied voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten; Dat ze van mening zijn dat de huidige inrichting met Océade, de sportvelden en de bestaande groenzones de best mogelijke inrichting voor het gebied vormt; Dat dit het meest aangepast lijkt om het voortbestaan van de plaatsen te verzekeren; Overwegende dat de GOC van mening is dat dit gebied niet moet worden ontwikkeld door verschillende functies naast elkaar te plaatsen, maar door vooral rekening te houden met huisvesting, waarbij men zorgt voor alle nodige voorwaarden voor een harmonieuze ontwikkeling; Overwegende dat de Regering de beoordeling van de reclamanten niet deelt om de redenen die zijn vermeld in de besluiten van 20 januari 2011 tot instelling van de procedure tot gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan, van 29 maart 2012 tot goedkeuring van het ontwerp tot gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingplan dat op 3 mei 2001 werd goedgekeurd, van 2 mei 2013 tot goedkeuring van de gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 werd goedgekeurd en in onderhavig besluit; dat het niet de bedoeling is om het voortbestaan van de plaatsen te verzekeren maar de ontwikkeling ervan, in het belang van het hele Gewest; dat om de beoogde ontwikkelingen mogelijk te maken, de Regering van mening is dat de toekomstige bestemming als GGB beter gepast is dan de huidige bestemming als gebied voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten. 4.
  22. Evenwicht tussen de woonfuncties en de voorzieningen Overwegende dat de Adviesraad voor Huisvesting en voor Stadsvernieuwing voorstelt om het plan meer te kaderen in een evenwichtige verdeling van de functies; Dat men aanbeveelt om de bestaande voorzieningen te beschermen en de uitwerking vast te leggen van een minimumpercentage aan voorzieningen voor elk nieuw project; Dat de aangekondigde bevolkingstoename zal resulteren in een reeks andere behoeften dan de openbare voorzieningen; Overwegende dat de GOC vraagt om voldoende oppervlakte in te plannen voor toekomstige buurtvoorzieningen die nodig zijn voor de huisvesting; Dat bovendien de GOC specifiek vraagt om ook voor iedereen toegankelijke voorzieningen voor ouderen in te plannen; Overwegende dat voorzieningen behoren tot de hoofdbestemmingen van het nieuwe GGB; dat gezien de omvang van de bestaande voorzieningen in het gebied, de onzekerheid over het behoud of de afbraak van het Heizelstadion en de internationale rol die het gebied dient te vervullen, in het programma van het GGB geen minimumdrempel of globaal percentage van te behouden en/of te creëren voorzieningen wordt vastgesteld; dat voorzieningen overeenkomstig het algemeen voorschrift 0.7 van het GBP en middels de reserves waarin het voorziet, toegelaten zijn in alle gebieden, zodat hoe dan ook de voorzieningen zijn voorzien waarvan uit de ontwikkeling van het gebied zal blijken dat ze noodzakelijk zijn voor de bevolking. 4.
  23. Scholenbouw in het gebied Overwegende dat een reclamant vraagt om de mogelijkheid te onderzoeken om de bouw van scholen in het gebied te voorzien; Dat het MER gebaseerd is op het programma vermeld in de stads(her)vernieuwingsstudie van de Heizel die werd uitgevoerd door de Stad Brussel die geen scholenbouw plant; Dat de scholen gevestigd in de buurt van de Heizelvlakte overbevolkt zijn; Dat de maatschappelijke impact van de toekomstige ontwikkelingen en het specifieke karakter van deze wijk ten noorden van Brussel de aanleg van scholen vereist; Dat ze zullen bijdragen tot de aanleg van een echte stadswijk, dat ze de maatschappelijke, culturele en professionele integratie van mensen van buitenlandse origine in deze wijken zou bevorderen; Dat ze zullen toelaten om sociale uitsluiting te bestrijden; Dat buurtscholen de mogelijkheid zullen bieden om de verplaatsingen en de vervuiling te beperken en de veiligheid in de wijk te maximaliseren; Overwegende dat de GOC opmerkt dat het beoogde programma met behoud van het stadion geen lagere, noch middelbare school voorziet, terwijl het programma van het GGB voorziet in een vloeroppervlakte van minstens 75.000 m2 voor huisvesting. Deze oppervlaktes zullen nieuwe behoeften op het vlak van schoolvoorzieningen met zich meebrengen; Dat ze bijgevolg vraagt dat het programma van het GGB dit element opneemt en vermeldt om "geschikte schoolvoorzieningen te voorzien met het oog op de ontwikkeling van de site doorheen de tijd". Overwegende dat het niet de taak is van het GBP om de bouw van scholen te voorzien of op te leggen; dat schoolinstellingen voorzieningen zijn van collectief belang of van openbare diensten en daardoor zijn toegelaten in het gebied; dat de overheden bevoegd voor onderwijs, waartoe het Gewest niet behoort, het nodige dienen te doen om het schoolaanbod in overeenstemming te brengen met de vraag. 4.
  24. Architectuur en symbolische link met het Atomium Overwegende dat een reclamant vindt dat men zou moeten denken aan een architectuur die zorgt voor eenheid en het Atomium symbolisch verbindt; Overwegende dat het GBP niet gemachtigd is om de architecturale beschouwingen van de reclamant te regelen; dat deze kwesties in voorkomend geval moeten worden geregeld in andere instrumenten zoals de BBP en de stedenbouwkundige verordeningen.
  25. HANDEL 5.
  26. Bescherming van het aanbod aan bestaande handelszaken Overwegende dat de reclamanten van mening zijn dat de uitbouw van een winkelcentrum op de Heizel in tegenspraak is met het gewestelijke ondersteuningsbeleid van de bestaande handelskernen en dan vooral in de beneden- en bovenstad; Dat het bestaan van andere commerciële projecten in de buurt (Uplace, Docks, stadion) zal zorgen voor meer concurrentie en de leefbaarheid en rendabiliteit van deze 3 winkelcentra in gevaar zal brengen, alsook dat van de bestaande handelszaken, terwijl ze al steeds minder klanten hebben, zonder dan nog te spreken over de impact op de werkgelegenheid en de arbeidsomstandigheden; Dat zoals de GOC reeds had aangehaald in een vorig advies, deze reclamant ook van mening is dat een winkelcentrum de internationale aantrekkingskracht van Brussel niet zal versterken. Dat deze reclamant dit project van een winkelcentrum op de Heizel enkel kan zien als een financiële pijler voor het volledige ontwikkelingsprogramma, wat hem twijfelachtig, zelfs gevaarlijk, lijkt te zijn voor de goede ontwikkeling van de site; Dat dit het niet te verwaarlozen risico inhoudt dat deze ambities niet gerealiseerd worden; Dat deze reclamant het gebruik van de grond voor de bestemming van duizenden commerciële m2 in vraag stelt waarvan de economische en maatschappelijke behoefte tot op vandaag niet onderbouwd zijn. Overwegende dat het schema voor handelsontwikkeling uitgewerkt door het Overzicht van de Handel een tekortkomend handelsaanbod heeft vastgesteld in het noorden van Brussel; Dat het MER dat is uitgevoerd met het oog op de goedkeuring van het besluit van 2 mei 2013 bovendien een aanvulling heeft gekregen in een objectiveringsstudie van de behoefte aan handelsoppervlakten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en in het bijzonder in het noordwesten; dat deze de behoefte aan handelsaanbod bevestigt; Dat Brussel volgens deze studie onvoldoende uitgerust lijkt in vergelijking met de overige Belgische metropolen (Liège, Antwerpen en Gent); Dat deze studie het tekort aan handelsoppervlakte raamt op vrijwel 200 000 m² netto handelsoppervlakte; Overwegende dat het MER bevestigt dat een handelsstructuur haar plaats heeft in het noorden van Brussel, gezien het tekort dat er heerst; Dat de handelszaken die worden toegestaan door het programma van GGB nr. 15 hun plaats zullen vinden in het bestaand gewestelijk handelsweefsel. Dat gelet op de cijfers die blijken uit de voormelde objectiveringsstudie de ontplooiing van het Docks Bruxsel project en de eventuele ontwikkeling van UPlace project geen afbreuk doen aan deze vaststelling aangezien elk van deze projecten slechts ten dele de absorptiecapaciteit voor de geïdentificeerde nieuwe handelsoppervlakten en -infrastructuur invult; 5.
  27. Versterken van de productieactiviteit/huisvesting Overwegende dat een reclamant zich ertegen verzet om een groot deel van de bestemming van de grond op te offeren aan winkelcentra; Dat het eerst en vooral gaat om het versterken van elke productieve economische activiteit, evenals de huisvesting op het Brusselse grondgebied; Overwegende dat het Brusselse grondgebied uiteraard niet beperkt is tot de Heizelvlakte en dat de herzieningsprocedure van het "demografische" GBP, waar de bestemmingswijziging van de Heizelvlakte in kadert, zich met name tot doel stelde om "de vestiging van woningen (...) in de verschillende te bebouwen gebieden van het GBP te bevorderen en tegelijk de ruimten met een economische bestemming te vrijwaren", zoals blijkt uit de motivatie van het Besluit van de Regering van 20 januari 2011 tot instelling van de procedure tot gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan; Dat het besluit van de Regering van 2 mei 2013 tot goedkeuring van de gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 werd goedgekeurd met name tot gevolg had dat een nieuw gebied werd gecreëerd, namelijk het ondernemingsgebied in een stedelijke omgeving (OGSO) dat hoofdzakelijk bestemd is "voor productieactiviteiten en in ondernemingen geïntegreerde diensten, hetzij "business to business" diensten", en dat huisvesting toelaat als secundaire bestemming; Dat een groot deel van deze OGSO voormalige gebieden voor stedelijke industrie zijn die kampten met enerzijds een hoge leegstand en dus een lage tewerkstelling, en anderzijds geen woningen toelieten; Dat dit volstaat om aan te tonen dat de Regering bijzondere aandacht heeft besteed aan de versterking van de bestemmingen die de reclamant prioritair acht. 5.
  28. Initiatiefadvies ESRBHG - twijfels over het commerciële luik op de Heizel Overwegende dat de Economische en Sociale raad (ESRBHG) verdeeld blijft over het commerciële luik van de problematiek van het GBP betreffende de Heizelvlakte en waarbij de regering op de hoogte is van het standpunt van elk component (advies 2/07/2012 betreffende de gedeeltelijke wijziging van het GBP bepaald op 29 maart 2012); Dat de ESRBHG zich wijdt aan de opmaak van een initiatiefadvies t.a.v. de regering om een consensus te vinden en een visie betreffende het commerciële ontwikkelingsbeleid; Overwegende dat de Regering er akte van neemt. 5.
  29. Rekening houden door de regering met het advies van de raadgevende instanties Overwegende dat een reclamant aan de regering (evenals het intergewestelijke platform voor een duurzaam economisch beleid) vraagt om meer te luisteren naar haar eigen raadgevende instanties die wijzen op mogelijke struikelblokken bij de uitwerking van het huidige programma voor de Heizel; Overwegende dat de Regering de nodige aandacht heeft besteed aan alle adviezen die aan haar werden overgemaakt in het kader van onderhavige wijzigingsprocedure van het GBP; dat dit aangaande de bestemming van de Heizelvlakte des te meer het geval is aangezien de gedeeltelijke vernietiging van haar besluit van 2 mei 2013 ertoe leidde dat alle geraadpleegde instanties en alle betrokkenen een tweede advies konden uitbrengen dat dit keer uitsluitend gewijd was aan de bestemming van de Heizelvlakte; Dat de Regering evenwel een besluit dient te nemen, op basis van alle geformuleerde en in aanmerking genomen standpunten, en inzonderheid deze die de relevantie van het programma voor de Heizelvlakte in vraag stellen; Dat het feit dat een standpunt niet wordt gevolgd niet betekent dat het niet de nodige aandacht heeft genoten, zoals onder meer blijkt uit de motivatie van onderhavig besluit. 5.
  30. Rendabiliteit/leefbaarheid winkelcentra/werkgelegenheid Overwegende dat de reclamanten vrezen voor de rendabiliteit en de leefbaarheid van de bestaande en toekomstige winkelcentra, alsook voor de werkgelegenheid, temeer omdat het aanbieden van meer m2 aan commerciële gronden niet noodzakelijk leidt tot meer jobs; Temeer omdat er steeds minder mensen naar de winkelcentra trekken (wegens e-commerce en de inkrimping van de koopkracht); Dat deze site slecht bereikbaar is met het openbaar vervoer Dat de onderbouwing van het schema voor handelsontwikkeling niet voldoende kan zijn omdat het voorwaardelijk is; Overwegende dat de GOC vraagt om concrete maatregelen en voorwaarden te bepalen om het succes en de kwaliteit te garanderen van de ontwikkeling van deze nieuwe handelsprojecten; Overwegende dat de GOC vraagt om te verduidelijken welke specifieke kenmerken dit project een internationale aantrekkingskracht geven; Dat ze van oordeel is dat het programma, in het kader van een globale visie, de modaliteiten en bijzonderheden zou moeten preciseren die de kwalitatieve ontwikkeling van het project, de integratie en de complementariteit met de bestaande handel in het Gewest garanderen. Dat zij van mening is dat het aantal overnachtingen ter plaatse dient te worden vermeerderd door congrescentra te ontwikkelen die een internationaal zakenpubliek aantrekken, door activiteiten te ontwikkelen die dit type functies omkaderen. Overwegende dat de Regering in dit verband verwijst naar het antwoord op de bezwaren die zijn samengevat onder punt 5.1.; Dat ter aanvulling van dit antwoord moet worden gewezen op verschillende projecten voor de verbetering van de bediening door het openbaar vervoer : BrabantNet, uitbreiding van de lijnen 3 en 9 van de MIVB. 5.
  31. Rekening houden met de studies/effecten/huidige situatie Overwegende dat de reclamanten van mening zijn dat er rekening moet gehouden worden met verschillende uitgewerkte studies (Geoconsulting van de Stad Brussel; Idea Consult voor Vlaams-Brabant) die de negatieve impact aantonen voor de handelszaken in het centrum, alsook een verzadiging van de markt; Dat de aantrekkingskracht van Brussel minder is door de aanslagen en de daling van het aantal toeristen, de voetgangerszone in het stadscentrum, de sluiting van de tunnels; Dat het winkelcentrum geen internationale aantrekkingskracht zal uitoefenen zonder over een specifiek aanbod te beschikken; Overwegende dat een reclamant vindt dat de inplanting van een winkelcentrum een negatieve impact zal hebben op de internationale status van Brussel want als rivaal van de bestaande handel, zal het vooral leiden tot een verzwakking en meer leegstand van winkelpanden; Dat deze reclamant pleit voor het weglaten van het winkelcentrum NEO, wat de noodzaak om het GBP te wijzigen zou opheffen; Overwegende dat de reclamanten aanvoeren dat de verwijzing naar het plan voor de internationale ontwikkeling achterhaald is, dit kon, bij de opmaak ervan, geen rekening houden met de recente evoluties zoals de projecten "Docks Bruxsel" en "Uplace"; Dat de opname door het MER van de conclusie van het schema voor handelsontwikkeling waarbij het noorden van Brussel te maken zou krijgen met een deficit bij het handelsaanbod, niet correct is, dit schema gaf enkel mee dat er in het noorden van Brussel nog plaats zou zijn voor een nieuwe commerciële instelling; Dat het schema bovendien voorgesteld heeft dat er zich nieuwe projecten kunnen ontwikkelen rond bestaande kernen op voorwaarde dat ze voldoen aan bepaalde voorwaarden, en dat er uit het wijzigingsontwerp van het GBP niet blijkt dat de commerciële functies bepaald in het NEO-masterplan zouden beantwoorden aan of zouden moeten beantwoorden aan deze voorwaarden. Overwegende dat de GOC van mening is dat de steun aan de bestaande handelskernen in moeilijkheden, waarvan de teloorgang een impact zou hebben op de wijken, een prioriteit moet blijven. Overwegende dat de GOC er bij de Regering op aandringt om begeleidende maatregelen in te voeren, zoals nieuwe omkaderingsinstrumenten, die kunnen garanderen dat het nieuwe winkelcentrum compatibel is met de bestaande handelskernen; Overwegende dat de GOC vraagt om de al aanwezige activiteiten op de site te versterken; Overwegende dat de Regering in dit verband verwijst naar het antwoord op de bezwaren die zijn samengevat in punt 5.
  32. VOORSCHRIFT 18 - GGB 6.
  33. Wijzigingsperimeter Overwegende dat de klagers niet begrijpen waarom een dergelijke kleine perimeter weerhouden werd voor het GGB 15, terwijl de onderzochte effecten een grotere perimeter betreffen en dat de uitwerkingsprocedure van een BBP die opgestart werd, van toepassing is op een veel uitgestrektere perimeter; Overwegende dat de GOC is van mening dat de site in haar geheel moet worden ontwikkeld, rekening houdend met de interne evoluties van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de ontwikkelingen van de naburige wijken in het Vlaams Gewest, alsook de evolutie van de handels-, mobiliteits- en levenspraktijken; Dat de ontwikkeling moet kaderen in een harmonieuze en geïntegreerde visie van een breder gebied dat verder reikt dan de grenzen van het GGB, van de volledige Heizelvlakte en van de intergewestelijke invloedszone; Overwegende dat de Regering het GBP niet méér wil wijzigen dan strikt noodzakelijk is; Dat buiten de grenzen van GGB nr. 15 de beoogde ontwikkelingen die het GBP zal omkaderen geen wijziging van het GBP vereisen; dat, zoals de reclamant benadrukt, de mogelijke effecten van de gedeeltelijke wijzigingen van het GBP buiten de door de wijziging beoogde perimeter evenwel werden onderzocht; Dat de procedure dus regelmatig is verlopen. 6.
  34. Ontwikkeling van de site op basis van een globaal ontwerp Overwegende dat de reclamanten, waaronder de Economische en Sociale Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (ESRBHG), de Raad voor het Leefmilieu (RLBHG) en de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen(KCML), zich verzetten tegen de opname van het GGB nr. 15 als GGB die ingericht kan worden zonder BBP op basis van het enige programma bepaald in het GBP en specifieke publiciteitsmaatregelen; Dat ze van mening zijn dat de Heizelsite deel moet uitmaken van een algemeen ontwerp en dat men dus overgaat tot een BBP; Dat een BBP onontbeerlijk is, zelfs al is deze site al dan niet opgenomen in het GGB; Dat het ontbreken van de verplichting om gebruik te maken van de uitwerking van een BBP, voor de perimeter van het GGB, elk kader zou opheffen met regels voor de totaalvisie; Dat het "Masterplan" uitgewerkt door KCAP voor rekening van de Stad Brussel niet gezien kan worden als een richtschema omdat het niet dezelfde procedurele garanties biedt en omdat het niet kadert in een wetgevende tekst; Dat de voorgestelde wijziging voor voorschrift nr. 18 in het ontwerp dat aan het onderzoek is onderworpen nutteloos is en de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen van het Gewest dreigt te schaden; Overwegende dat meerdere reclamanten aangeven dat de link van het besluit ter ontwerp met het besluit van 3 april 2014 betreffende de uitwerking, door middel van het Bijzonder Bestemmingsplan, van het Gebied van Gewestelijk Belang nr. 15 - Heizel niet duidelijk is; Dat ze zich afvragen hoe beide parallelle planologische initiatieven met elkaar verenigbaar zullen zijn; Overwegende dat de GOC het nodig acht om een algemene ontwikkelingsvisie uit te werken voor deze site. Dat deze algemene visie er volgens haar baat bij heeft om niet vastgelegd te worden in een stedenbouwkundige vergunning maar bij BBP of RPA (richtplan van aanleg), waarin in principe wordt voorzien met de hervorming van het BWRO, met een verordenend luik. Overwegende dat de uitvoering van het programma van de GGB, zoals vastgesteld in het GGB, in beginsel wordt uitgevaardigd bij BBP; Overwegende evenwel dat de considerans van het besluit van 3 mei 2001 tot goedkeuring van het gewestelijk bestemmingsplan er reeds op wees dat de gebieden van gewestelijk belang zich prioritair moeten kunnen ontwikkelen en in staat moeten zijn plaats te bieden aan investeerders die er zich wensen te vestigen zonder dat deze verplicht zijn de uitwerking van een BBP af te wachten dat de bestemmingen waarin het programma voorziet, spreidt en vastlegt; dat de Regering als gevolg hiervan vanaf dit besluit van 3 mei 2001 voorzien heeft dat er in afwachting van de goedkeuring van dergelijke BBP handelingen en werken kunnen worden toegestaan met naleving van het programma van het betrokken GGB en van de voorschriften voor een sterk gemengd gebied; dat in het vierde lid van voorschrift 18 bovendien bepaald wordt dat bepaalde GGB ingevolge hun beperkte omvang niet hoeven te voldoen aan de voorschriften met betrekking tot het sterk gemengd gebied in afwachting van het BBP op voorwaarde dat met het oog op de uitvoering ervan de vergunningsaanvraag betrekking heeft op het hele GGB; Overwegende dat het besluit van 2 mei 2013 erin voorzag dat het stelsel van het vierde lid van voorschrift 18 op het GGB toepasbaar gemaakt zou worden nadat het gewijzigd is om hierin de vereiste te schrappen dat een globale vergunningsaanvraag moet worden ingediend; dat anders gesteld, niet enkel de « kleine GGB » die in 2001 zijn opgesomd, maar eveneens de nieuwe GGB « Heizel » en « Delta » ten uitvoer gebracht moesten kunnen worden in afwachting van een BBP zonder onderworpen te worden aan de beperkingen van de bijzondere voorschriften van het sterk gemengd gebied of aan de verplichting om een vergunningsaanvraag in te dienen die betrekking heeft op heel hun grondgebied; Overwegende dat de Raad van State met zijn voormelde arresten van 7 december 2015 en 1 maart 2017 deze wijziging van het vierde lid van voorschrift 18 heeft vernietigd, eerst enkel waar dit het GGB nr. 15 betreft en vervolgens helemaal, met als reden dat het MER niet de effecten op het leefmilieu heeft beoordeeld die niet konden worden uitgesloten; Dat bijgevolg het procedurestelsel voor de tenuitvoerlegging van de GGB opnieuw bestaat in de uitwerking in beginsel van één of meerdere BBP met betrekking tot hun ontwikkelingsperimeter en in afwachting van dat BBP de mogelijkheid tot ontwikkeling overeenkomstig het programma van het GGB en de voorschriften die van toepassing zijn op sterk gemengde gebieden; Dat voor het overige het afwijkingsstelsel van het vierde lid van voorschrift 18 hersteld is in zijn oorspronkelijke versie (verplichte globale vergunningsaanvraag) en daarmee enkel van toepassing is op de GGB van beperkte omvang die in de tekst staan opgesomd; Overwegende dat het nieuwe GGB nr. 15 echter aan een snelle ontwikkeling onderworpen moet kunnen worden zonder dat gewacht moet worden op de uitwerking van een BBP dat de bestemmingen die zijn vastgesteld in zijn programma spreidt en vaststelt gelet op de vordering van de ontwikkelingsprojecten die op het gebied betrekking hebben; Overwegende evenzeer dat ook al geldt doorgaans dat de voorschriften van het sterk gemengd gebied het best zijn afgestemd op de doelstelling van een prioritaire ontwikkeling van de GGB, dit niet het geval is voor het GGB nr. 15; Dat de toepassing van de regels die gelden voor het sterk gemengd gebied in dit geval immers aanzienlijke en ongewenste aanpassingen inhoudt aan de ambitie van de Regering voor de betrokken perimeter die hoofdzakelijk verband houdt met de verschillende drempels die gelden in het sterk gemengd gebied en die moeilijk te verzoenen zijn met de vestiging van een grote handelsoppervlakte en recreatievoorzieningen van een zekere omvang; Dat zoals hierboven is uiteengezet, het programma van het GGB nr. 15 immers is uitgewerkt om gedeeltelijk de vastgestelde en geobjectiveerde behoefte aan handelsaanbod aan de noordkant van het gewestelijk grondgebied op te vangen middels een handelsontwikkeling van een zekere omvang die zich niet leent tot een veelvuldige opdeling in projecten en gebouwen waartoe de toepassing van bijzonder voorschrift 4 van het Plan zou leiden; Dat de Regering desbetreffend bovendien benadrukt dat het Milieueffectenrapport de effecten van de alternatieve bestemming van de betrokken perimeter op het leefmilieu heeft onderzocht in sterk gemengd gebied met lint voor handelskernen (« alternatief 1 »); dat het rapport besluit dat de effecten van dit alternatief op de mobiliteit, op sociaaleconomisch vlak en op het fysisch leefmilieu equivalent of gelijkaardig zijn aan deze van de vastlegging van een GGB; Overwegende bovendien dat de Regering het niet nuttig en niet opportuun acht te eisen dat in afwachting van het BBP de verstedelijking van het hele nieuwe GGB nr. 15 het voorwerp uitmaakt van slechts één globale aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning; Overwegende immers dat gelet op het belang en de diversiteit van het programma van het GGB een dergelijke verplichting heel wat problemen zou stellen voor de uitvoering, inzonderheid bij de eventuele overdracht van bepaalde delen van het betrokken terrein door de globale vergunning of wanneer deze vergunning zou vervallen; Overwegende dat het onder die voorwaarden geboden is opnieuw, maar dan enkel voor het GGB nr. 15, een voorschrift uit te vaardigen dat gelijkaardig is aan dat van het vierde lid van het voorschrift dat door de Raad van State is vernietigd; Overwegende bovendien dat dit besluit niet als doel heeft de door het arrest van de Raad van State van 1 maart 2017 vernietigde bepalingen eventueel te herstellen omdat dit niet de plaats is om te onderzoeken of op de overige GGB die een specifiek procedurestelsel genieten in het licht van voorschrift 18, vierde lid, eveneens het procedurestelsel moet worden toegepast dat specifiek beoogd wordt in dit besluit met inoverwegingneming van de kenmerken van GGB nr. 15; Dat voor zover hieraan behoefte is de aandacht wordt gevestigd op het feit dat deze andere GGB (waarvan het door de Raad van State vernietigde GGB nr. 9 niet is hersteld als GGB) vandaag in elk geval in een feitelijke en juridische situatie verkeren die zo goed als ieder voorwerp onttrekt aan het vraagstuk van een eventuele toekomstige verlichting van het procedurestelsel verbonden aan hun ontwikkeling aangezien hierop hetzij reeds het voorwerp uitmaken van een ondertussen goedgekeurd BBP (GGB nr. 6B), hetzij reeds ten uitvoer zijn gebracht (GGB nr. 8 en 10); Overwegende bovendien dat het bestemmingsprogramma van GGB nr. 15 het voorwerp uitmaakt van een nieuw MER dat specifiek is opgesteld naar aanleiding van de vernieuwing hiervan om op een globale wijze de effecten van de uitvoering op het leefmilieu te beoordelen; dat dit MER niet enkel berust op het bestemmingsprogramma van het gebied, maar ook op de concrete en cijfermatige omzetting van dit programma op grond van de reeds uitgevoerde studies; dat het MER ingevolge deze benadering een groot aantal aanbevelingen kan formuleren die inzonderheid voorzien in de harmonische aanwezigheid en spreiding van de verschillende bestemmingen voorzien in het programma van het gebied; Dat men er derhalve van mag uitgaan dat de globale analyse van de effecten op de hele site tegemoetkomt aan de bezorgdheid van de wetgever, wat inhoudt dat zij inzicht verschaft in de hele ontwikkeling van het GGB; Dat deze toestand het specifieke stelsel verantwoordt dat wordt toegepast op de uitvoering van GGB nr. 15; Overwegende bovendien dat het MER in deel 5 een afdeling 11 wijdt aan het "Analyseren welke impact de wijziging van voorschrift 18 voor wat betreft het GGB 15 heeft op het milieu" (MER pp. 483 en volgende); Dat zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State het stelt in haar advies hierover van 6 februari 2017, de toestand geëvolueerd is sinds het MER dat dateert van vóór het besluit van de Regering van 2 mei 2013 en het besluit geen afbreuk doet aan het gezag van gewijsde van het arrest nr. 233.147.; Overwegende dat het enige niet-verwaarloosbare effect van deze wijziging dat in het MER wordt vastgesteld, betrekking heeft op het sociaal en economisch aspect en slaat op de beperkte termijnen voor de uitvoering van het GGB die hieruit voortvloeien; dat het een gunstig effect betreft aangezien de geproduceerde woningen, de gecreëerde arbeidsplaatsen, de geplande voorzieningen en de stedenbouwkundige uitvoering van de ambitie voor de onderzochte perimeter daarmee sneller concrete vorm kunnen aannemen om te beantwoorden aan de vastgestelde behoeften van het gebied en de ambitie geformuleerd door de Stad Brussel; Overwegende bovendien dat het MER twee andere, weliswaar onrechtstreekse effecten vaststelt van de beoogde wijziging van voorschrift 18 voor het GGB nr. 15 op de stedenbouw, het landschap, het erfgoed en de immateriële goederen; dat deze twee effecten enerzijds voortvloeien uit het ontbreken van een BBP en anderzijds uit de mogelijkheid tot het indienen van vergunningsaanvragen die geen betrekking hebben op de totale perimeter van het GGB; Overwegende dat de auteur van het MER in de eerste plaats opmerkt dat het ontbreken van een BBP zich uit in het ontbreken van verordenende beperkingen die toepassing kunnen vinden bij de uitwerking van dit instrument; Dat hierbij, zoals de considerans van het besluit van de Regering van 3 mei 2001 tot goedkeuring van het Gewestelijk Bestemmingsplan reeds aangaf het ontbreken van een BBP geenszins de beoordelingsbevoegdheid van de overheden die vergunningen en attesten uitreiken uitsluit; dat een vergunning of attest, ook als deze beantwoorden aan het programma van het GGB, enkel uitgereikt kunnen worden als voldaan is aan de vereisten voor een goede aanleg van de locatie en aan de andere gewestelijke en plaatselijke verordenende instrumenten die er van toepassing zijn; Dat de Regering zoals reeds vermeld werd in de verantwoording van haar besluit van 2 mei 2013 benadrukt dat het niet gewijzigde tweede lid van voorschrift 18 met betrekking tot het GGB bepaalt dat de aanleg van GGB wordt vastgesteld bij BBP en dat de daaropvolgende leden van dit voorschrift afwijkingsmechanismen inhouden die geenszins afbreuk doen aan deze princiepsregel; Dat in dit geval, zoals een reclamant opmerkt, de Regering de Stad heeft verzocht om voor de Heizelvlakte een bijzonder bestemmingsplan goed te keuren; Dat het feit dat de overeenstemming tussen de twee planniveaus moeilijk te begrijpen is het gevolg is van de vernietiging van het voormelde besluit van 2 mei 2013 door het eveneens voormelde arrest van de Raad van State van 7 december 2015 dat de Regering verplichtte om, voor de Heizelvlakte, de procedure tot gedeeltelijke wijziging van het GBP te herbeginnen vanaf de etappe van de procedure waarin de Raad van State een onregelmatigheid heeft vastgesteld (in het MER); dat de overeenstemming tussen het GBP en het toekomstige BBP deze is die is voorzien in artikel 41, 1e lid van het BWRO voor alle BBP (het BBP preciseert het GBP en vult het aan) en in voorschrift 18, 2e lid voor alle BBP tot uitvoering van een GGB (de inrichting van het GGB wordt vastgelegd in het BBP, overeenkomstig het programma van het GGB); Overwegende dat het MER in de tweede plaats benadrukt dat de mogelijkheid om vergunningsaanvragen in te dienen die niet gelden voor de hele perimeter van het GGB geen materiële weerslag heeft op de stedenbouw inzake ontwikkeling van het GGB maar wel leidt tot de samenstelling van vereenvoudigde aanvraagdossiers voor de vergunningen toegespitst op het voorwerp van de aanvraag en in voorkomend geval eveneens op een minder zware onderzoeksprocedure. Overwegende dat de strekking van deze onrechtstreekse effecten in verband met de mogelijkheid om gedeeltelijke vergunningsaanvragen in te dienen evenwel beperkt en zelfs onbestaand is; Dat het voorschrift 0.2, tweede lid, dat het behoud of de verwezenlijking van minstens 10% aan groene ruimten oplegt voor projecten met een grote grondinname niet geldt voor vergunningsaanvragen voor percelen vervat in het programma van de GGB, ongeacht de grondinname hiervan; dat de indiening van gedeeltelijke vergunningsaanvragen daarmee geen effect heeft op het feit of dit voorschrift 02 al dan niet wordt toegepast; dat afgezien daarvan de Regering erop wijst dat het programma van GGB nr. 15 bepaalt dat de oppervlakte bestemd voor groene ruimten niet kleiner mag zijn dan 7 ha; Dat deze wijziging er bovendien in voorziet dat de vergunningsaanvragen die worden ingediend in afwachting van de goedkeuring van het BBP onderworpen worden aan bijzondere regelen van bekendmaking, ook al hebben ze geen betrekking op een beplante eigendom van meer dan 3.000 m²; Dat daarnaast voor komende ontwikkelingen aanvragen voor stedenbouwkundige en milieuvergunningen moeten worden ingediend waarvoor de regels voor de beoordeling van effecten op het leefmilieu zullen gelden; dat de mogelijkheid om vergunningsaanvragen in te dienen die geen betrekking hebben op de volledige perimeter van het GGB geen afbreuk doet aan het verbod om kunstmatig een globaal project in meerdere vergunningsaanvragen op te delen om de toepassing van deze bepalingen te ontwijken; dat de bevoegde overheid bij gebrek aan een globaal project de perimeter mag bepalen (of perimeters, deze kunnen verschillen in functie van het behandelde thema) waarop de beoordeling betrekking moet hebben; Dat afgezien daarvan de gegroepeerde aanvragen van stedenbouwkundige en milieuattesten met betrekking tot het NEO 1 project momenteel aan een effectenstudie worden onderworpen; dat het ontwerpbestek opgesteld door het bestuur dat aan een openbaar onderzoek is onderworpen van 6 tot 20 januari 2017 de uiteenlopende geografische studiegebieden bepaalt die de perken van de aanvraag en van het GGB voor bepaalde weerhouden thema's overstijgen; Dat ten slotte de informatie en de aanbevelingen van het MER uitgevoerd naar aanleiding van de uitwerking van het voormelde GGB nr. 15 dienstig in aanmerking genomen kunnen worden voor het onderzoek van toekomstige aanvragen van vergunningen en attesten; 6.
  35. Formuleren van het goedkeuringsbesluit Overwegende dat een reclamant voorstelt om in de motivering van het goedkeuringsbesluit van de gedeeltelijke wijziging van het GBP betreffende de Heizelvlakte motieven te formuleren die reageren op het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State, om zo elke vorm van betwisting betreffende de bevoegdheid van de Regering om het specifieke voorschrift nr. 18 van het GBP te wijzigen, te vermijden; Dat de afdeling Wetgeving van de Raad van State in haar advies nr. 53097/4 van 17 april 2013 inderdaad de mogelijkheid van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering om voorschrift nr. 18 van het GBP te wijzigen in vraag gesteld heeft; Dat het besluit van de Regering van 20 januari 2011 die de wijzigingsprocedure van het GBP opent, specifiek steunt op dit voorschrift; Overwegende dat de reclamanten van mening zijn dat het besluit van 20 januari 2011 dat de wijzigingsprocedure van het GBP opende, geen betrekking had op voorschrift 18, kan deze bijgevolg niet gewijzigd worden; Dat het MER, voor wat dit aspect van het ontwerp betreft, slechts een herhaling zou zijn van het standpunt van de Regering waarbij de wijziging van voorschrift 18 enkel procedureel zou zijn; Overwegende dat aangaande de draagwijdte van de wijziging van voorschrift 18, het antwoord hiervoor werd gegeven onder de titel "Ontwikkeling van de site op basis van een globaal ontwerp"; Dat, aangaande het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State, de Regering : - vaststelt dat dit niet beweert dat de Regering voorschrift 18 enkel zou mogen wijzigen als dit is voorzien in haar besluit van 20 januari 2011; dat het enkel het volgende benadrukt : "De omstandigheid, waarvan op de pagina's 196 en 197 van de aanhef van het ontwerpbesluit gewag wordt gemaakt, volgens welke daardoor enkel de opheffing van een procedurele vereiste beoogd wordt, volstaat niet om te rechtvaardigen dat de Regering afwijkt van het kader opgelegd bij het besluit van 20 januari 2011"; - vaststelt dat de afdeling administratieve geschillen in haar arrest nr. 233.147 van 7 december 2015 tot opheffing van GGB nr. 15 en tot wijziging van voorschrift 18 aangaande het deel dat betrekking heeft op dit GGB, geen sanctie voorziet voor het feit dat deze wijziging de grenzen gesteld door het besluit van 20 januari 2011 zou overschrijden, maar enkel voor het feit dat deze wijziging niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een milieueffectenbeoordeling; - benadrukt dat onmiskenbaar vaststaat dat het besluit van 20 januari 2011 voorziet in de bestemmingswijziging van de Heizelvlakte; dat in dit kader eveneens onmiskenbaar vaststaat dat de Regering tot de conclusie kon en kan komen dat de inrichting van een nieuw GGB de gepaste bestemming is voor dit gebied; dat voorschrift 18 het tekstvoorschrift is waarop het regime van de GGB steunt; dat aangezien de wijziging die erin moet worden aangebracht erop gericht is de uitvoering van het nieuwe GGB Heizel te vereenvoudigen, er wel degelijk een verband bestaat tussen het besluit van 20 januari 2011 en de wijziging van dit voorschrift; dat de Regering het recht ontzeggen om over te gaan tot deze wijziging, haar bevoegdheid zou beperken om het regime dat op de Heizelvlakte van toepassing is te wijzigen, wat ronduit in tegenspraak zou zijn met de intentie die werd geformuleerd in het besluit van 20 januari 2011; - benadrukt dat de Raad van State in zijn arrest nr 237.528 van 1 maart 2017 naar aanleiding van de volledige vernietiging van de wijziging van het vierde lid van voorschrift 18 zoals ingevoerd door artikel 10-1 van het besluit van 2 mei 2013 vermeldt dat ook al was deze wijziging niet voorzien in het besluit van de Regering van 20 januari 2011 ze daarentegen wel vermeld staat in het besluit van 29 mei 2012 waarmee het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het GBP werd goedgekeurd en dat aan een openbaar onderzoek is onderworpen; dat uit deze considerans mag worden afgeleid dat de Raad van State in het arrest niet heeft geoordeeld dat wezenlijke formaliteiten zijn overtreden of dat de Regering haar bevoegdheid te buiten is gegaan om de wijziging van het voorschrift door te voeren in de voorliggende relevante vormcontext ; - besluit dat voorschrift 18 kan worden gewijzigd voor het deel dat betrekking heeft op het nieuwe GGB nr.
  36. Overwegende dat ingevolge het voormeld arrest van 1 maart 2017 derhalve de wijziging van voorschrift 18 moet worden aangepast zoals dit geformuleerd staat in de beschikking van het besluit van 26 mei 2016, rekening houdend met de vernietiging van de wijzigingen die zijn aangebracht aan voorschrift 18 door het besluit van 2 mei 2013; Dat dit besluit immers het vierde lid van voorschrift 18 van het GBP niet kon wijzigen omdat het ondertussen door de Raad van State was vernietigd; Dat derhalve het vierde lid van voorschrift nr. 18 niet mag worden gewijzigd maar dat veeleer na dit lid, zoals dit luidt ingevolge het arrest van 1 maart 2017, een nieuw en specifiek lid moet worden toegevoegd voor GGB nr. 15; Dat deze beschikkingswijziging geen weerslag heeft op de dienstige uitwerking van het openbaar onderzoek en op de raadplegingen die naar aanleiding van de gedeeltelijke wijziging van het GBP zijn verricht omdat deze enkel betrekking heeft op GGB nr. 15; 6.
  37. Berekening van het saldo aan bestaande kantoren Overwegende dat een reclamant vraagt om ervoor te zorgen dat de situatie van de bestaande kantoren die in rekening genomen worden voor de berekening van het saldo toelaatbare kantoren in het GGB, beoordeeld zou worden op het moment dat het wijzigingsbesluit dat het GGB nr. 15 opricht van kracht wordt; Dat er in het wijzigingsontwerp verwezen wordt naar "op de dag van de inwerkingtreding van de gedeeltelijke wijziging van het op 2 mei 2013 goedgekeurde GBP "; Dat er geen rekening mag gehouden worden met deze datum, gezien het arrest van de Raad van State dat het GBP annuleert voor wat het GGB nr. 15 betreft; Dat de datum van 2 mei 2013 dus overeenkomt met de datum van een besluit dat geacht wordt nooit bestaan te hebben; Overwegende dat de Raad van State het besluit van 2 mei 2013 slechts gedeeltelijk heeft vernietigd; dat, in tegenstelling tot wat de reclamant beweert, dit besluit dus niet geacht wordt nooit te hebben bestaan; Dat dit besluit enkel geacht wordt nooit betrekking te hebben gehad op de Heizelvlakte, maar dat dit effect van het vernietigingsarrest niet verhindert om de referentiedatum van 2 mei 2013 te behouden voor het bepalen van het saldo van toelaatbare kantoren; Dat de reclamant niet uitlegt en de Regering niet inziet waarom deze referentiedatum zou moeten worden verschoven naar de dag van de inwerkingtreding van dit besluit; Dat de vaststelling van een nieuwe referentiedatum door dit besluit zou kunnen leiden tot verwarring met de oorspronkelijk goedgekeurde datum; Dat de Regering er dus de voorkeur aan geeft om in het programma van het GGB de referentiedatum van 2 mei 2013 te behouden. 6.
  38. Duidelijkheid van alinea 4 Overwegende dat een reclamant vraagt om alinea 4 van voorschrift 18 meer te verduidelijken door het als volgt te formuleren : "In afwijking echter van de vorige alinea, zolang de inrichting van de gebieden..."; Dat dit zal toelaten om elke twijfel over de interpretatie en de draagwijdte van dit voorschrift weg te nemen; Overwegende dat de reclamanten aangeven dat de link tussen alinea's 3 en 4 niet duidelijk is. Een andere onduidelijkheid heeft te maken met het feit dat de formulering in alinea 4 enkel de specifieke bestemmingen vermeldt bepaald in de programma's van de GGB's zonder de andere elementen van deze programma's te beogen; Overwegende dat de Regering rekening houdend met het arrest van de Raad van State van 1 maart 2017 die opmerkingen bijtreedt en deze omzet in een nieuw vijfde lid van voorschrift 18; Dat zij inderdaad meent dat de weerhouden formulering elke twijfel over de interpretatie van dit lid kan wegnemen; Dat zij meent dat ook een einde gemaakt moet worden aan de onduidelijkheid die kan ontstaan doordat het vierde lid, zoals dit oorspronkelijk gesteld werd, enkel de bijzondere bestemmingen van de programma's voor de betrokken GGB's vermeldt, maar niet de andere elementen van die programma's; Dat het nooit de bedoeling geweest is, in afwachting van het (of de) uitvoerende BBP's voor het GGB, projecten toe te laten zonder rekening te houden met die andere elementen; Dat de Regering daarom beslist het vierde lid van voorschrift nr. 18 als volgt te wijzigen : "In afwijking van het derde lid mogen zo lang de aanleg van het gebied van gewestelijk belang nr. 15 niet gebeurd is overeenkomstig het tweede lid, de handelingen en werken die beantwoorden aan het programma dat hierop van toepassing is, toegestaan worden als deze eerst zijn onderworpen aan bijzondere regelen van openbaarmaking. »; 6.
  39. Programma van het GGB nr. 15 Overwegende dat Brussel Stedelijke Ontwikkeling (BSO) vaststelt dat het programma van het GGB nr. 15 ambitieus wenst te zijn en een bepaalde dichtheid voorstaat; Dat ze vraagt dat er verduidelijkt wordt "dat de levenskwaliteit van de (permanente of toevallige) gebruikers van de locatie op elk moment van de dag, de stedelijke integratie van de nieuwe gebouwen en de maatschappelijke link verzekerd zouden worden door een aangepaste, leefbare en performante stadsvorm"; Overwegende dat het niet opportuun is om deze doelstellingen specifiek te vermelden voor het GGB nr. 15, om niet te doen denken dat deze enkel op deze plaats zouden worden nagestreefd; dat het immers gaat om transversale principes van het Brussels recht inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw waarop de beoordeling van de goede plaatselijke aanleg altijd moet worden gebaseerd, zoals blijkt uit de artikelen 2 en 3 van het BWRO die met name verwijzen naar de sociale noden, het kwalitatieve beheer van het leefkader, de sociale en economische vooruitgang en de levenskwaliteit en het respect voor een harmonieuze inrichting. 6.
  40. Milieueffectenrapport Overwegende dat Leefmilieu Brussel van mening is dat het MER bij elk thema de impact had moeten bestuderen van de wijziging van de 4de alinea van voorschrift nr. 18 die niet langer een stedenbouwkundige vergunning verplicht voor het volledige gebied van het GGB; Dat het belangrijk is dat de milieueffectenstudie rond de ontwikkeling van het GGB rekening houdt met het volledige gebied; Dat het MER in dit opzicht zou moeten bekijken of de voorgestelde oplossing neerkomt op een algemene effectenstudie van de projecten voor het volledige GGB; Dat het MER zich ertoe beperkt om de nadruk te leggen op het procedurele aspect en enkel de aandacht vestigt op de impact van deze wijziging op de socio-economische aspecten; Overwegende dat de reclamanten aangeven dat het MER de effecten van de beoogde wijziging van voorschrift 18 niet ernstig onderzocht heeft; Overwegende dat de reclamanten niet concreet uitleggen in welk opzicht het MER de impact van de - ondertussen in een nieuw vijfde lid opgenomen - wijziging van het 4e lid van voorschrift 18 niet ernstig zou onderzoeken, terwijl de pagina's 483 tot 486 specifiek aan deze kwestie gewijd zijn waarin het achtereenvolgens de eventuele impact van deze wijziging onderzoekt op elk van de thema's die in een MER moet worden onderzocht (stedenbouw, landschap, erfgoed en materiële goederen; bevolking en sociaaleconomische aspecten; mobiliteit; lucht, energie en klimaatfactoren; geluids- en trillingsomgeving; bodem, water; biologische diversiteit, fauna en flora; gezondheid); Dat het feit dat het MER vaststelt dat, voor sommige van deze thema's, de wijziging van voorschrift 18, vierde lid geen enkele impact heeft, niet betekent dat de beoordeling niet correct zou zijn uitgevoerd, maar gewoon een vaststelling is gebaseerd op gezond verstand waarover het MER dus niet moest uitweiden (het feit dat geen vergunningsaanvraag wordt ingediend voor de hele perimeter van het GGB, heeft uiteraard geen impact op de geluids- en trillingsomgeving in het gebied, om slechts een voorbeeld te noemen); dat hetzelfde geldt voor het feit dat het MER geen aanbevelingen doet om de aanzienlijke effecten die volgens het MER onbestaande zijn te "vermijden, verminderen of compenseren". Overwegende hoe dan ook dat de Regering hierboven al heeft verwezen naar de reële draagwijdte van voorschrift 18 sinds de goedkeuring ervan in 2001 en naar de weerslag van de wijziging die dit besluit hieraan aanbrengt; dat in dit verband wordt verwezen naar het punt "Ontwikkeling van de site op basis van een globaal ontwerp"; Dat aangaande de studieperimeter van de milieueffecten, de Regering nogmaals benadrukt dat het tweede lid van voorschrift 18, dat niet wordt gewijzigd, oplegt dat de inrichting van GGB wordt vastgelegd bij BBP; dat bij de uitwerking van een BBP ook een milieueffectenrapport wordt uitgewerkt dat deze effecten globaal onderzoekt; Dat hierboven eveneens in herinnering is gebracht dat in afwachting van de goedkeuring van het vereiste BBP de toekomstige vergunningsaanvragen als het BWRO dit oplegt eveneens worden onderworpen aan een beoordeling van hun effecten;
  41. ERFGOED EN LANDSCHAPPEN Overwegende dat de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (KCML) opmerkt dat het belangrijk is om de patrimoniale, landschappelijke en stedenbouwkundige kenmerken mee te nemen in een globale denkoefening; Dat deze denkoefening gebeurt in samenwerking met de belangrijkste stakeholders zoals het Brusselse Gewest, het Vlaamse Gewest, de Stad Brussel, de MIVB en De Lijn; Overwegende dat de GOC vraagt dat de kwesties rond het erfgoed, het landschap en het wegennet aangekaart worden binnen de planningsinstrumenten die zullen volgen zoals bijvoorbeeld het BBP of een toekomstig RPA. Overwegende dat het bestaande GCHEWS, dat met name de Eeuwfeestlaan en haar naaste omgeving dekt, wordt behouden, met inbegrip van het deel dat gedeeltelijk het nieuwe GGB nr. 15 overlapt; Dat bovendien de integratie van de landschappelijke, stedenbouwkundige en erfgoeddimensie, met inbegrip van de grote assen die leiden naar het GGB zoals de Houba de Strooperlaan, niet moet gebeuren op schaal van het GBP maar eerder op schaal van het BBP dat moet worden goedgekeurd met het oog op de uitvoering van het programma van het GGB, hetzij op schaal van een stedenbouwkundige verordening; Dat dit eveneens het kader is waarbinnen vastgelegd moet worden welke betrokken actoren zullen worden geraadpleegd; 7.
  42. Patrimoniaal aspect Overwegende dat de KCML en het Bestuur zich kunnen vinden in de aanbevelingen geformuleerd door het MER voor wat de patrimoniale aspecten betreft; Dat dit zich voor de KCML zou moeten vertalen in een concrete formulering rond het behoud en de opwaardering van het bestaande erfgoed binnen de perimeter van het GGB : - het Koning Boudewijnstadion (de toegangspoort van het stadion dateert uit 1930, evenals het voorplein dat ook deel uitmaakte van het oorspronkelijke stadion, originele beeldhouwwerken, hedendaagse omkadering van Bob Van Reeth; - het Planetarium (volgens de typologie van het Alberteum uit 1935 - heropgebouwd in de jaren 70, afmetingen van de koepel, projector uit 1935); - het kinderdagverblijf Gabrielle Petit (realisatie R2D2 uit 1992); Dat het Bestuur vraagt om een totaalvisie uit te werken voor de elementen van patrimoniaal belang op de Heizelvlakte en om bij te dragen tot de opwaardering van de elementen van patrimoniaal belang in de onmiddellijke omgeving van de site; Overwegende dat het Bestuur ook vraagt dat deze aanbevelingen in rekening genomen worden bij de studie van het MER van het BBP van de Stad Brussel op de site van de Heizel Overwegende dat de Regering verwijst naar het antwoord op de algemene bezwaren die zijn samengevat onder titel 7 7.2.Landschapsstructuur Overwegende dat de KCLM vraagt dat het programma van het GGB gebaseerd zou worden op een landschapsstudie die deel uitmaakt van de studie voor de NEO-perimeter; Dat deze studie ontbreekt in het MER; Dat deze studie rekening zou moeten houden met de historische evolutie van de site, de bestaande en geplande reliëfs, de uitzichten die behouden moeten blijven, alsook het aspect van de beplanting en de bomen op de site; Overwegende dat de Commissie de vraag naar een algemene landschapsstudie voor het gebied onderschrijft; Dat ze net als het MER aanbeveelt om "de huidige elementen met symbolische of erfgoedwaarde op te waarderen : door middel van een samenhangend stedelijk weefsel rond de hoofdstructuur die volgt uit internationale tentoonstellingen en met oog voor het zicht en uitzicht op de waardevolle gebouwen". Overwegende dat de Regering verwijst naar het antwoord op de algemene bezwaren die zijn samengevat onder titel 7 7.
  43. Wegentracé Overwegende dat de specifieke morfologie van de Heizelvlakte grotendeels het gevolg is van de inrichtingen die uitgewerkt werden voor de Wereldtentoonstelling van 1935 en vervolgens voor die van 1958; Dat het wegennet op de Heizel historisch gezien opgebouwd werd op basis van de noord-zuid as van de Eeuwfeestlaan, alsook op basis van de 3 oost-west assen, de huidige Keizerin Charlottelaan/Miramarlaan, Atomiumlaan en Dikke Lindelaan; Dat in functie van het natuurlijke reliëf van het terrein, het vooral ging om relevante stedenbouwkundige verbindingen tussen de Meysselaan en de Houba de Strooperlaan; Dat ze in de loop der jaren gedeeltelijk vervaagden; Dat om de kwaliteitsvolle stedenbouw te garanderen, de KCML vraagt dat het programma van het GGB de belangrijkste structurerende assen bepaalt die deel uitmaken van het vroegere stedenbouwkundige erfgoed, alsook de bevoorrechte verbindingen; Dat deze assen de volgende zijn : - Herkwalificeren van de grote assen, nl. het Y-tracé gevormd door Keizerin Charlotte, Miramar, Eeuwfeest, alsook de Atomiumlaan en Dikke Lindelaan met de Houba de Strooperlaan; - Versterken van de verbinding tussen het voorplein voor het stadion en de Houba de Strooperlaan en het Palfijnplein; - Herstellen van een geschikte oversteekplaats bij de Houba de Strooperlaan; Overwegende het enorme potentieel van het wegennet voor de toekomstige stedelijke structuur van de Heizel en voor de verbinding met de naburige gebieden; Dat de KCLM vraagt dat de bijhorende aspecten, die nauw verbonden zijn met die van het reliëf van de site, aan een doorgedreven studie onderworpen worden; Dat deze studie bedoeld zal worden om de richtlijnen uit te tekenen voor de volledige vlakte; Dat deze elementen nauw verbonden zijn met de mobiliteitskwesties; Dat dit specifiek raakt aan de ontwikkeling van het tramnet en bijhorende technische installaties : Dat dit : - Voor de MIVB, de verlenging betreft van lijn 9 in opbouw vanaf Elisabeth met de aanleg van een oost-west as die de eindpunten van lijnen 7 (Heizel-station) en 3 (Esplanade) met elkaar verbindt, nl. de Keizerin Charlottelaan, de Miramarlaan en de Esplanade; - Voor De Lijn, de uitwerking betreft van 2 tramlijnen, in nauwe samenwerking met de MIVB, nl. een deel van de Romeinse steenweg; Overwegende dat de Regering verwijst naar het antwoord op de algemene bezwaren die zijn samengevat onder titel
  44. Dat, aanvullend, de ontwikkelingsprojecten voor het tramnet en de bijhorende technische installaties het voorwerp uitmaken van grondige effectenstudies.
  45. LEEFMILEU 8.
  46. Lucht, klimaat en energie Overwegende dat het GGB volgens een reclamant een zeer omvangrijk afbraak-opbouw proces met zich meebrengt, gezien het zich ontplooit op een site die reeds bebouwd is en waar de bestaande functies door andere vervangen worden; Dat men vraagt dat dit gegeven opgenomen zou worden in de koolstofbalans van het ontwerp; Overwegende dat het MER adviseert dat er een grote hoeveelheid aan zonnepanelen geplaatst wordt; Dat een reclamant opmerkt dat men zich er bewust moet van zijn dat de grotere afmetingen van de woningen zullen leiden tot zeer grote schaduwen die de absorptieoppervlakte van de panelen sterk dreigt te verminderen; Overwegende dat een reclamant aangeeft dat in het MER de gebruiksvoorschriften rond luchtthermografie niet gevolgd worden; Dat de interpretatielimieten zoals aangegeven niet enkel van toepassing zijn op het Koning Boudewijnstadion maar op alle paleizen; Dat de interpretatie nogal overhaast lijkt te zijn en eigenlijk rekening zou moeten houden met het feit of er al dan niet een beurs georganiseerd wordt op het moment van de thermografie; Dat dit ook zo is voor eventuele jaarlijkse sluitingsperiodes of specifieke weekends bijvoorbeeld, voor de kantoren en andere voorzieningen; Dat er opgemerkt moet worden dat het voorbehoud i.v.m. het gebruik zich niet beperkt tot het gedifferentieerde gebruik van de locatie maar verder gaat. Overwegende dat het MER van mening is, specifiek op pagina 431, dat de woningen, en ruimer gezien de gebouwen, jaarlijks aanleiding geven tot heel wat uitstoot van polluenten als gevolg van de verwarming; Dat de Brusselse EPB-regelgeving en andere Brusselse beleidsnormen al heel wat jaren deze situatie proberen aan te pakken; Dat specifiek sinds 2015, de wetgeving heel ambitieus is voor wat de nieuwbouw betreft en de gelijkgestelde renovaties, steunend op de verplichte norm rond Nearly Zero Energy Building; Dat volgens de reclamant, de bewering dat de woningen/gebouwen grote vervuilers zouden zijn een beetje te kort door de bocht is in een MER dat een bestaande situatie vergelijkt met een toekomstige situatie; Overwegende dat volgens een reclamant de luchtkwaliteit die reeds zeer middelmatig is gezien de nabijheid van de Ring nog verder zal verminderen wegens de uitstoot van fijn stof als gevolg van de verkeersstromen, bovenop het fijn stof afkomstig van de verwarming van de woningen; Dat volgens dezelfde reclamant de verspreiding van fijn stof minder zal worden wegens de dichtheid van de site; Overwegende dat verschillende reclamanten van mening zijn dat de inplanting van een nieuw winkelcentrum, de aanleg van de verbindingsweg, de optimalisering van de Ring en de transitparking, een impact zullen hebben op de luchtkwaliteit en op het klimaat; Dat deze nieuwe infrastructuur zal zorgen voor bijkomend verkeer; Dat het BHG reeds in overtreding is op de NOx; Dat transport verantwoordelijk is voor 27% van de broeikasgassen in het BHG; Dat het GBP niet in tegenspraak mag zijn met de gewestelijke verplichtingen; Overwegende dat de Regering het advies van de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie deelt waar zij van mening is dat de negatieve milieueffecten van de toekomstige ontwikkelingen, die onder meer zijn onderzocht door het MER, een antwoord moeten vinden in het BBP en in de verschillende bijzondere ontwerpen 8.
  47. Geluidsomgeving en trillingen Overwegende dat de reclamanten stellen dat ook al wordt de mogelijke impact op de gevoelige instellingen (kinderdagverblijven, scholen) vermeld in het MER, toch heeft de analyse de neiging om de blootstelling van mensen aan lawaai te minimaliseren; Dat het niveau aan weg- en luchtverkeerslawaai hoog is, zelfs zeer hoog; Dat bij gebrek aan objectieve metingen van de intensiteit van de hinder van het stadion, de geluidsniveaus beschouwd zouden kunnen worden als gelijk aan die van Paleis 12; Dat de uitgevoerde analyse ook zou moeten kijken naar de geluidsimpact op de bewoners tijdens de nacht (ten opzichte van de referentiewaarde van de WGO van 40 dB(A)) : de huidige niveaus (zowel weg-, als luchtverkeerslawaai) kunnen de slaap verstoren; Dat meer woningen automatisch ook meer mensen betekent die blootgesteld worden aan de negatieve risico's op de gezondheid, gezien de niveaus waarover men spreekt; Dat de reclamant vraagt om aan te dringen op de aanbevelingen betreffende de bepaling en op de nabijheid van de verschillende beoogde functies, alsook op de aanwezigheid van rustige gevels en een goede akoestische isolatie van de woningen en de gevoelige instellingen in het licht van de huidige geluidssituatie, de beoogde mix en de inplanting van nieuwe woningen; Overwegende dat de GOC van mening is dat er daadwerkelijk dient te worden nagedacht over de compatibiliteit van de functies die men wenst te integreren op de Heizelvlakte. Dat zij beklemtoont dat de impact van de projecten op de gezondheid in overweging moet worden genomen, in het bijzonder de impact met betrekking tot geluidsoverlast. Overwegende dat de aanbevelingen van het MER inzake geluidshinder vallen onder hetzij andere administratieve verordeningen (verkeerssnelheid verlagen, de werkingsuren aanpassen enz.), hetzij kenmerken van de toekomstige projecten (te bevoorrechten materialen, efficiënte geluidsisolatie, lokalisatie van de lawaaierige inrichtingen enz.), hetzij moeten worden gepreciseerd in het toekomstige BBP of een stedenbouwkundige verordening (wegenaanleg, nauwkeurige lokalisatie van de verschillende toegestane bestemmingen, te verwerken isolatie enz.); Dat, in het kader van de uitwerking van het BBP en de behandeling van de vergunningsaanvragen, de gegevens en aanbevelingen van het MER dat in het kader van de uitwerking van het GGB nr. 15 is gerealiseerd in aanmerking moeten worden genomen; dat dit de juiste niveaus zijn om de geluids- en trillingsproblematiek op gepaste wijze te omkaderen. 8.
  48. Circulaire economie - Resources - Afval Overwegende dat de reclamanten zeggen dat het nuttig en relevant zou zijn (cfr. de vermelding van de elementen die in rekening genomen moeten worden in bijlage C, 7° van het BWRO) om in het MER rekening te houden met de uitdagingen en de impact op het vlak van resources en afval; Dat men verder oog zou moeten hebben voor de socio-economische en milieu-impact van een aanpak die meer gericht is op de "circulaire economie" van het programma of van de varianten ten opzichte van de huidige situatie, maar ook van de toekomst van de geplande situatie; Dat de analyse rond de afschaffing van het stadion en van andere bouwelementen op de site of het volledige of gedeeltelijke behoud van deze gebouwen moest worden aangevat vanuit het standpunt van hergebruik en circulaire eigenschappen; Dat de toekomstige aanpasbaarheid en convertibiliteit van de nieuwe of hergebruikte gebouwen nodig voor de uitwerking van het programma van het GGB eveneens bekeken moesten worden in de effectenanalyse of ten minste in de aanbevelingen geformuleerd in het kader van het MER; Dat de reclamant vraagt dat het programma van het GGB en/of de aanbevelingen in het kader van het MER duidelijker zouden zijn voor wat de aanpasbaarheid betreft van de gebouwen vanuit stedenbouwkundig en architecturaal standpunt (hergebruik, uitbreiding, verdichting, convertibiliteit), alsook het belang en de voordelen van het programma vis-à-vis de ambities en de acties van het Gewestelijk Programma voor Circulaire Economie; Overwegende dat hoewel deze elementen behoren tot het planningsinstrumentarium van andere planvormen, is de GOC van mening dat ze eveneens onderdeel moeten uitmaken van de aanbevelingen van het BBP en de milieueffecten -studies van de projecten. Overwegende dat deze probleempunten niet moeten worden geregeld door het GBP, in toepassing van artikel 24 van het BWRO; dat hier hoofdzakelijk moet worden uitgemaakt welke bestemmingen zullen worden toegelaten in het gebied en dat meer nauwkeurige of meer gespecialiseerde instrumenten probleempunten moeten behandelen die zijn beschreven door de reclamant. 8.
  49. Groenzones, natuur en biodiversiteit Overwegende dat de reclamanten, waaronder Leefmilieu Brussel en de Raad voor het Leefmilieu, betreuren dat de groenzones voorzien in het programma van het GGB 15 tweederangselementen zijn bij dit ontwerp; Dat juridisch gezien, de Heizel uit het volgende bestaat : - 11,9 ha sportzones; - 6,8 ha park - 2,5 ha groenzones; Dat feitelijk gezien, de Heizel uit het volgende bestaat : - 2,51 ha sportzones; - 0,73 ha park - 4,3 ha groenzones; Dat het programma van het GGB plant dat « de oppervlakte bestemd voor groenzones niet minder dan 7 ha mag bedragen"; Dat een groot percentage van de oppervlaktes die momenteel ingenomen worden door bomen en beplanting terzijde geschoven wordt; Dat het programma plant om bepaalde groenzones te vervangen door groendaken; Dat het MER, op pagina 456, erkent dat de 7 ha groenzones vooral uitgevoerd zullen worden op het dak; Dat een zone op een plaat of dak niet gezien kan worden als gelijkwaardig aan een zone in volle grond; Dat het programma van het GGB plant dat de oppervlakte bestemd voor groenzones ook de gebieden voor sport- of vrijetijdsactiviteiten in de open lucht omvat; Dat het vervangen van parkzones, groenzones en groenzones met een hoge biologische waarde door gebieden voor sport- of vrijetijdsactiviteiten in de open lucht die in de plaats zouden komen, onaanvaardbaar is; Dat het MER, op pagina 321, aangeeft dat de gebieden voor sport- of vrijetijdsactiviteiten in de open lucht grotendeels verhard zouden kunnen worden; Dat de groenzones omgezet zullen worden in omzomingen van gebouwen of wegen; Dat het uiterst belangrijk is om het verschil te maken tussen de verschillende soorten groenzones; Dat een sportterrein met een artificiële ondergrond niet correct kan bijdragen tot het groene netwerk; Dat de 6 ha aan sportterreinen grotendeels verhard zullen zijn en dat de groendaken niet bijdragen aan de voortzetting van het groene netwerk of de biodiversiteit; Dat de aanwezigheid van parken in de omgeving van de Heizel niet rechtvaardigt om het groene netwerk op diezelfde Heizelsite in te perken; Dat de versnippering van het groene netwerk één van de belangrijkste oorzaken is voor de afname van de biodiversiteit; Dat in haar advies betreffende het demografische GBP in 2012, de GOC gevraagd had dat de groenzones niet opgedeeld zouden worden; Dat België vragende partij is binnen de strategie van de Europese Unie ten gunste van de biodiversiteit

(2011)die ernaar streeft om het verlies aan biodiversiteit tegen 2020 te beperken tot het niveau van 2010; Dat het Natuurplan uitgewerkt door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ernaar streeft om de natuur te behouden, specifiek om het gewestelijke groene netwerk te versterken; Dat het MER fout is wanneer het op pagina 31 vermeldt dat de wijziging van het GBP overeenstemt met het Natuurplan omdat het een grote groenzone omvat; Dat het duidelijk is dat het ontwerp in realiteit een duidelijke vermindering van de groenzones met zich meebrengt; Dat om het natuurlijke potentieel van de verschillende soorten groenzones of open zones goed te kunnen vergelijken, en om het natuurlijke potentieel te kunnen bestuderen dat van invloed is op de biodiversiteit alsook op de levenskwaliteit van de bewoners en de gebruikers, het gebruik van de Biotoop-oppervlaktefactor (BAF) aan te bevelen is; Dat voor het onderzoek van de milieueffecten van de verschillende scenario's, de BAF's van de verschillende soorten bodems afgewogen tegenover hun oppervlakte, vermeld worden in de onderstaande tabel : In vergelijking met de beplante zones in volle grond en met de waterpartijen met permanente beplanting, is elke andere oppervlakte met een natuurlijk potentieel / mindere biotoop enkel vergelijkbaar mits een specifieke weging; Type de surface Coefficients Soort oppervlakte BAF Surface imperméable (m²) 0 Ondoorlaatbare oppervlakte (m²) 0 Surface minérale semi-perméable (m²) 0.2 Verharde oppervlakte semidoorlaatbaar (m²) 0.2 Surface partiellement végétalisée (m²) 0.4 Gedeeltelijk beplante oppervlakte (m²) 0.4 Façade verte végétalisée avec plantes grimpantes (m²) 0.4 Groene gevel met klimplanten (m²) 0.4 Surface avec végétation sur couche de substrat fine (m²) 0.5 Oppervlakte met beplanting op een dunne substraatlaag (m²) 0.5 Surface avec végétation sur couche de substrat moyenne (m²) 0.6 Oppervlakte met beplanting op een gemiddelde substraatlaag (m²) 0.6 Surface avec végétation sur couche de substrat épaisse 0.8 Oppervlakte met beplanting op een dikke substraatlaag 0.8 Surface avec végétation en pleine terre 1 Oppervlakte met beplanting in volle grond 1 Plan d'eau minéralisé 0.3 Verharde waterpartij 0.3 Plan d'eau semi permanent 0.9 Semipermanente waterpartij 0.9 Plan d'eau permanent végétalisé 1 Permanent beplante waterpartij 1 Technologie innovante 0 Innovatieve technologie 0 Milieu sec et zone d'empierrement (m²) 0.6 Droge omgeving en grindzone (m²) 0.6 Biotoop-oppervlaktefactor (BAF) Dat op deze manier bijvoorbeeld, als de helft van de groenzones van het GGB 15 uitgewerkt wordt op platen op een dikke substraatlaag, dan men nog het volgende minimumaantal zou moeten voorzien aan groenzones in volle grond om het equivalent van de 7 bestaande ha te behouden : (7-(3.5 * 0.8)] = 4.2 ha; Dat het programma van het GGB zoals bepaald in het wijzigingsontwerp van het GBP dat ter advies voorligt dus waarschijnlijk een verlies inhoudt van natuurlijk potentieel/biotoop van groenzones in vergelijking met de bestaande situatie; Dat een dergelijk gevolg onaanvaardbaar is ten opzichte van prioriteit 9 van het GewOP waarin de ambitie bevestigd wordt om het groene karakter van het Gewest te versterken; Dat hefboom 2 van het ontwerp van het GPDO van 2013 enkel en alleen kijkt naar de versterking en de precisering van dit aspect van het vorige GewOP; Dat de reclamanten vragen om zoveel mogelijk de impact op de biodiversiteit te verminderen, zelfs om deze biodiversiteit te laten toenemen en om het ecologische beheer te verbeteren (bijvoorbeeld door middel van een zwemvijver); Dat een andere reclamant vraagt om de oppervlaktes gewijd aan de groenzones opnieuw naar boven toe te herzien; Dat andere reclamanten van mening zijn dat de huidige inrichting van de Heizelsite de best mogelijke inrichting voor het gebied vormt; Dat andere reclamanten, waaronder de Commissie voor Monumenten en Landschappen, vragen dat deze groenzones niet voorzien zouden worden als omzomingen van gebouwen of wegen; Dat andere reclamanten nog vragen dat de oppervlakte van de geplande groenzones ambitieuzer zou zijn en minder versnipperd; Dat de Commissie voor Monumenten en Landschappen aanraadt dat het programma van het GGB bepaalt dat de 7 ha bestemd worden als groenzones (op basis van voorschrift 10 van het GBP) of als parkzone (op basis van voorschrift 12 van het GBP); Dat een reclamant vraagt dat de gebieden voor sport- of vrijetijdsactiviteiten in de open lucht niet meegeteld zouden worden in de 7 ha aan groenzones die voorzien zijn in het programma van het GGB 15; Dat het Bestuur vraagt om binnen het programma van het GGB 15 te voorzien dat een deel van deze groenzone op een geïntegreerde manier ontworpen wordt, zodat ze zo voordelig mogelijk is voor de bestaande natuurlijke netwerken, als voor de toekomstige gebruikers door middel van een harmonieuze vergroening van de site; Dat de Commissie voor Monumenten en Landschappen vraagt dat de ontwikkeling van de groenzones zich focust op het gebied tussen de Eeuwfeestlaan en de Houba de Strooperlaan; Dat Leefmilieu Brussel vraagt dat er compensatiemaatregelen voorzien zouden worden om te kunnen inspelen op het mogelijke verlies aan natuurlijk potentieel/biotoop van de groenzones ten opzichte van de bestaande situatie; Dat het programma van het GGB 15 voorziet in de vervanging van bepaalde groenzones door middel van groendaken; Dat een reclamant zich vragen stelt bij de toegankelijkheid voor het publiek van deze oppervlakten; Overwegende dat de GOC van mening is dat de kwestie van de groene ruimten niet alleen binnen de perimeter van het GGB moet worden aangepakt, maar voor het hele Heizelgebied; Dat ze vraagt om via het GBP en het daarop volgende BBP de inrichting van hoogwaardige ruimten te garanderen; Dat ze vraagt om het programma van het GGB aan te vullen door er de volgende elementen in te integreren : - een definitie van een substantiële oppervlakte in volle grond in één geheel, buiten de sportzone; - verschillende types groene ruimte en groene oppervlakte; - de vastlegging van een minimumoppervlakte volle grond; - de ontwikkeling van groenzones waarvan de eigenschappen beantwoorden aan de biodiversiteitscriteria (als bedoeld in het MER dat de Biotoop-oppervlaktefactor (BAF) van 1 definieert als « oppervlakten met een gevarieerde beplanting in volle grond »); Dat zich aansluit bij de aanbevelingen van het MER en het daarin geformuleerde voorstel om groenzones te voorzien ten zuiden van het gebied, teneinde een ecologische oost-westverbinding te creëren tussen het Ossegempark en het Dielegempark. Overwegende dat de Regering het advies van de GOC deelt over het feit dat de kwestie van de groene ruimten niet beperkt is tot de perimeter van het GGB, maar over het geheel van de Heizelvlakte moet worden beschouwd; Overwegende dat het programma van het GGB voorziet om minstens 7 ha te bestemmen als groene ruimte; Dat deze bestemming de mogelijkheid biedt om verschillende gebieden voor groene ruimten te creëren, met strenge eisen aangaande hun kwaliteit en hun integratie in de toekomstige ontwikkelingen; Overwegende dat het MER (op pagina 470) met name benadrukt dat de percelen van de site bestemd voor gebieden voor groene ruimten momenteel zijn verdeeld in 6,01 ha gebied voor sport- en vrijetijdsactiviteiten in de open lucht en 1,21 ha in parkgebied, d.i. 7,22 ha in totaal"; dat de in de bezwaren genoemde cijfers van de bestaande rechtstoestand en feitelijke toestand lijken overeen te stemmen met de toestand van de volledige Heizelvlakte en niet met slechts het deel ervan waarop de wijziging van het GBP betrekking heeft; dat de bewering dat het project groengebieden en groengebieden met hoogbiologische waarde zou vervangen door gebieden voor sport- of vrijetijdsactiviteiten in de open lucht onjuist is, aangezien de perimeter waarop de wijziging betrekking heeft geen groengebieden of groengebieden met hoogbiologische waarde bevat; dat de bewering dat de gebieden voor groene ruimten het zwakke broertje zijn van de inrichting van het GGB nr. 15 dus niet klopt; Dat in dit opzicht, zoals blijkt uit het MER (nog steeds op pagina 470) : - de oprichting van het GGB garandeert dat de oppervlakte aan groene ruimten niet kleiner is dan 7 ha, in tegenstelling tot vandaag, aangezien de gebieden voor sport- of vrijetijdsactiviteiten in de open lucht (GSVOL) niet volledig moeten worden gedekt door ingegroende oppervlakte; - Het project is een opportuniteit om het groene netwerk te versterken en de Regering wil deze mogelijkheid benutten door de aanbeveling van het MER In dit verband te integreren (dit aspect zal hierna meer specifiek worden besproken); Dat de Regering dus bijzondere aandacht besteedt aan de gebieden voor groene ruimten in de betrokken perimeter. Overwegende bovendien dat de GSVOL - overeenkomstig voorschrift 13 van het GBP - moeten worden omgeven door beplantingen die rechtvaardigen dat ze worden gezien als gebieden voor groene ruimten; Dat uit de ervaring is gebleken dat de lage verhouding en het type toegelaten bebouwing in GSVOL de ecologische functie die deze gebieden naast hun sportieve functie moeten vervullen niet in het gedrang brengen; Dat naast groengebieden, groengebieden met hoogbiologische waarde, bosgebieden en landbouwgebieden, die de kern vormen van het groene netwerk, de GSVOL een belangrijke rol vervullen van aanvulling en relais, net als de parkgebieden, de begraafplaatsgebieden en de gebieden voor erfdienstbaarheden langs de randen van bossen en wouden; Dat de Regering dus niet instemt met het voorstel om de GSVOL niet op te nemen in het minimumquotum van groene ruimten dat is opgelegd door het programma van het GGB nr. 15; Dat voor het overige de aard en de nauwkeurige lokalisatie van de te behouden of in te richten groene ruimten in het GGB kunnen worden gepreciseerd in de eventuele BBP of stedenbouwkundige vergunningen die het programma van het GGB uitvoeren. Overwegende evenwel dat het MER en de GOC aanbevelen om groene ruimten te voorzien in het zuiden van het onderzochte gebied, om een ecologische oost-westverbinding te creëren tussen de parken van Ossegem en Dielegem; Dat een dergelijk inrichtingsprincipe gekaderd moet worden in het BBP; dat die verbindingen, om zinvol te zijn, over het geheel van de Heizelvlakte moeten worden beschouwd, over de grenzen van het GGB heen; Dat de BCO werd berekend voor de bestaande toestand en het MER besluit dat de waarde van de CBO globaal gezien "niet erg hoog" is en erg verschilt van gebied tot gebied; Dat de CBO rechtstreeks gekoppeld is aan de inrichting van het GGB; Dat het GBP niet de bedoeling heeft om de inrichtingen te preciseren, maar dat het de bestemmingen regelt en dus niet de verordening is die een CBO moet opleggen; Dat de CBO kan worden gepreciseerd in een BBP en/of in de aanvragen van stedenbouwkundige en milieuvergunningen van de projecten die zullen worden ontwikkeld in het GGB; Dat sommige elementen in de berekening van de coëfficiënt betwistbaar zijn en uiteindelijk tot gevolg hebben dat weinig performante projecten inzake ondoorlaatbaarheid van de grond een voldoende hoge BAF krijgen toegekend; Dat dit begrip doordacht moet worden gebruikt en niet mag worden beschouwd als het enige criterium om te komen tot een ecologisch performant project. Overwegende dat sommige vragen een concreet antwoord krijgen in andere instrumenten zoals het BBP of de stedenbouwkundige vergunning; dat dit het geval is voor de kwestie van de lokalisatie van de groengebieden tussen de Eeuwfeestlaan en de Houba de Strooperlaan of de bereikbaarheid van de groendaken voor het publiek. 8.5. Water, ondoorlaatbaarheid en overstromingen Overwegende dat voor tal van reclamanten, waaronder Leefmilieu Brussel en de Raad voor het Leefmilieu, het ontwerp van het GGB 15 zal bijdragen tot de toename van de ondoorlaatbaarheid binnen het GGB, alsook in de omliggende wijken; Dat het niet is door de laatste zones die niet buitensporig bebouwd zijn in de stad te verharden dat men efficiënt zal strijden tegen overstromingen; Dat er zich reeds overstromingen voordoen bij hevige regenbuien; Dat deze ondoorlaatbaarheid deze overstromingsverschijnselen dreigt te verergeren; Dat de vermindering van de doorlaatbare zones een significante impact zal hebben op het doorsijpelingspotentieel van het regenwater, zoals het MER beklemtoont; Dat voor het GGB zelf, alsook voor de naburige wijken, er een duidelijke incoherentie is tussen het feit dat de site meer ondoorlatend wordt en de conclusie van het MER (onderaan pagina 461) die vermeldt "wat het waterbeheer betreft, zal er een verbetering zijn ten opzichte van de bestaande situatie [...]". Dat dit niet het geval zal zijn als alle nieuwe verharde en/of ondoorlaatbare oppervlaktes niet 100% vergezeld worden van compensatiemaatregelen; Dat het MER zeer weinig oplossingen aanreikt voor dit probleem van ondoorlaatbaarheid, specifiek de aanleg van regentonnen op de daken; Dat geen enkel element garandeert dat er doorlaatbare zones gecreëerd worden die mogelijke overstromingsproblemen kunnen voorkomen; Dat de verschuiving van de groenzones naar de daken van de gebouwen een regressie betekent ten opzichte van de huidige situatie; Dat het gebruik van groendaken niet voor de meest bevredigende oplossing zorgt; Dat dit ingaat tegen de aanbevelingen van het Waterbeheerplan 2016-2021 (WBP 2021); Dat het afwateringsnetwerk momenteel onvoldoende is en de huizen in de Houba de Strooperlaan regelmatig overstromen; Dat de aanpassing van dit afwateringsnetwerk zeer veel zou kosten voor de overheden; Dat een reclamant vraagt dat de ondoorlaatbaarheid van de bodem, de gevolgen voor de overstromingen, gemeten zouden worden en dat er meer aandacht zou geschonken worden aan de oplossingen die toegepast moeten worden voor een beter beheer van het water in het GGB en de omgeving; Dat een andere reclamant vraagt om strikter toe te zien op het waterbeheer bij de percelen betrokken bij het programma, alsook bij de naburige percelen; Dat andere reclamanten, waaronder de Raad voor het Leefmilieu, vragen dat minstens hetzelfde percentage aan doorlaatbare oppervlaktes zou behouden blijven; Overwegende dat het beheer van het regenwater voor het volledige Gewest momenteel reeds kritiek is; Dat Lee

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.