Koninklijk besluit houdende het statuut van de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat. - Erratum
Kort samengevat
Dit koninklijk besluit is een erratum dat materiële fouten in nummering en vertaling van het oorspronkelijke besluit van 13 december 2006 corrigeert. Het stelt een eigen en coherent statuut vast voor de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat, afwijkend van het algemene statuut van Rijksambtenaren.
Wat het regelt
- Het corrigeert fouten in het koninklijk besluit van 13 december 2006 betreffende het statuut van ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat.
- Het voorziet in een autonoom administratief en geldelijk statuut voor deze ambtenaren.
- Het heft eerdere bepalingen op en verwijst naar bestaande regels waar mogelijk, zoals voor verloven en wedden.
- Het sluit ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat uit van het toepassingsveld van het statuut van het Rijkspersoneel.
Wie het aangaat
- Ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat.
- Het Rijkspersoneel, waarvan de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat worden uitgesloten.
Kernpunten
- De functies van deze ambtenaren vereisen speciale kwaliteiten en een bijzonder burgerlijk korps.
- Het statuut beoogt dezelfde statutaire garanties te bieden als ambtenaren onderworpen aan het koninklijk besluit van 2 oktober 1937.
- Het besluit hervormt het administratief en geldelijk statuut om de Veiligheid van de Staat te voorzien van operationeel renderend personeel.
- Het eerste deel van het besluit bevat regels voor het administratief statuut, inclusief aanwerving, stage en loopbaan.
Wettekst
13 DECEMBER 2006. - Koninklijk besluit houdende het statuut van de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat. - Erratum Met het oog op de verbetering van de materiële fouten op h
), bepaalt artikel 1 het toepassingsveld « ratione personae » van het statuut en bevat het noodzakelijke definities. De bepalingen die gemeenschappelijk worden gemaakt voor het geheel van het personeel zowel van de administratieve - als van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat hebben een organiek karakter en hebben geen gevolgen voor de juridische toestand en de verplichtingen van de ambtenaren : organisatie van de vormingsdienst en van de psychologische en sociale begeleiding, legitimatiekaart. Artikel 2 sluit de aanwerving uit van contractueel personeel en kent de hoedanigheid van Rijksambtenaar toe aan de leden van de buitendiensten. Het artikel 3 verdeelt de betrekkingen in drie niveaus. De artikelen 4 en 6 bepalen de graden vervat in elk niveau. Artikel 8 te lezen samen met de artikelen 182 en 188, past de traditionele afgrendeling aan tussen de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat en het departement van Justitie wanneer de ambtenaar zijn veiligheidsmachtiging verliest. Titel II betreffende de rechten en plichten bevat enkele bijzonderheden eigen aan de functie : recht van de ambtenaar te weigeren om een manifest onwettig bevel uit te voeren - artikel 9, § 2, dat zijn equivalent vindt in artikel III. II. 3 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 houdende de juridische stand van het personeel van de politiediensten : het is vanzelfsprekend dat, zoals de raad van State opmerkt, de bevestiging van het bevel, de ambtenaar die het zou uitvoeren van zijn verantwoordelijkheid niet ontheft -, de beperking inzake vrijheid van meningsuiting jegens feiten die de ambtenaren ter ore komen uit hoofde van hun functie, plicht van het beroepsgeheim overeenkomstig de voorschriften van de wet van 30 november 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/11/1998 pub. 18/12/1998 numac 1998007272 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst type wet prom. 30/11/1998 pub. 05/04/2016 numac 2016000213 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst. - Duitse vertaling. - Erratum type wet prom. 30/11/1998 pub. 02/02/1999 numac 1998003675 bron ministerie van financien Wet houdende elfde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 1998, Sectie 12, Ministerie van Justitie sluiten houdende regeling van de inlichtingen - en veiligheidsdiensten en de wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/12/1998 pub. 28/12/2023 numac 2023047806 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen (artikel 12, eerste en derde lid) en de bijzondere verplichting van terughoudendheid op politiek vlak (artikel 12, tweede lid), die als logisch gevolg hebben een strenger stelsel van onverenigbaarheden (artikel 18) en de uitsluiting van het recht op politiek verlof alsook van de verloven om een functie uit te oefenen in een ministerieel kabinet of bij de politieke groepen van de parlementaire vergaderingen (artikel 185). Deze rechten en plichten zullen nader bepaald worden in een deontologische code (artikel 17). Titel III regelt de aanwerving, stage en loopbaan. Artikel 20, derde lid moet het de minister mogelijk maken, wat de benoeming betreft voor de betrekkingen van inspecteur en commissaris, op elk ogenblik een juist evenwicht te verwezenlijken tussen de aanwerving en bevordering door toegang tot het hogere niveau. De onderste leeftijdslimiet van 21 en 25 jaar bij de respectievelijke aanwerving van inspecteurs en commissarissen werd niet gewijzigd in vergelijking met vorige bepalingen; de onderste leeftijdslimiet van 21 jaar voor de nieuwe graad van beschermingsassistent is gerechtvaardigd wegens de maturiteit die wordt vereist door de aard van de te vervullen beschermingsopdrachten (artikel 21). De bepalingen betreffende de organisatie van de aanwervings - (artikel 24) en de bevorderingsproeven (artikel 57) alsook betreffende samenstelling van de selectiejury's (artikelen 34 en 69) proberen een evenwicht tot stand te brengen tussen de noodzaak voor de Veiligheid van de Staat om de selectieparameters te beheersen en de noodzaak om de objectiviteit te doen waarborgen van de procedures door het selectiebureau van de federale administratie (SELOR). Het voorgesteld koninklijk besluit bevestigt de beleidslijn die gemaakt werd in de vorige statutaire bepalingen die zegt dat, voor wat betreft het personeel van de buitendiensten, de stage op een specifieke manier wordt geregeld. De verantwoordelijkheid van de uitgeoefende functies gebiedt een meer bestendige opvolging van de verwerving van de kennis, de bekwaamheden en het gepast gedrag in de opdrachten op het terrein, dan in een klassiek openbaar ambt. Daarom werd een stagecommissie ingevoerd, een permanent collegiaal orgaan dat bestaat uit ervaren leden die belast zijn met het permanent volgen van de evolutie van de stagiair, met zich een oordeel te vormen over zijn mogelijkheid om de adequate professionele bekwaamheden te integreren en met te remediëren aan eventueel door de naaste omkadering vastgestelde tekortkomingen op vlak van zijn gedrag. Deze commissie kan zich aldus, op het einde van de stage, op een meer oordeelkundige manier uitspreken over de beroepsbekwaamheid voor de uit te oefenen functie in al zijn componenten. Het feit dat de tuchtregeling niet van toepassing is op de stagairs is gewild en wordt gecompenseerd door nauwlettende aandacht en omkadering van inadequate gedragingen, die op dit niveau van uitoefening van de functie dikwijls de onervarenheid naar voor kunnen doen brengen en voor dewelke een ervaren hulp meer kan bijdragen dan een disciplinaire straf. De stagecommissie bevat, in tegenstelling met het statuut van de Rijksambtenaren, geen vertegenwoordigers van het personeel, maar de stagiair beschikt daarentegen over een recht van beroep voor de raad van beroep die paritair is samengesteld (artikel 47). De duur van de stage wordt geregeld afhankelijk van de technische aard van de oorspronkelijke vorming (artikel 49). De hoofdstukken III en IV betreffende respectievelijk de bevorderingen en de mandaten vormen de kern van de hervorming; de baremaopwaardering gaat gepaard met een wil van verhoogd professionalisme die zich vertalen in loopbaantrajecten die steunen op de vorming en de verificatie van de vooruitgang in het verwerven van de vereiste bekwaamheden voor de uitoefening van functies met een toenemende complexiteit. Het begrip mandaat onderscheidt zich van deze in de hervorming van de federale administratie. Het mandaat wordt zodoende toegekend aan de leden van de buitendiensten die, na verificatie, blijk hebben geven van ervaring in complex operationeel beheer en die in staat zijn om de strategische beleidslijnen van de Veiligheid van de Staat naar het operationele niveau te vertalen. De weging van de verschillende functies werd aan de expertise van de federale overheidsdienst Personeel en Organisatie onderworpen en opgenomen in de functiebeschrijvingen die werden uitgewerkt voor elk functieniveau : beschermingsassistent, inspecteur, commissaris. Deze beschrijvingen hebben de verschillende rollen voor elke functie geïnventariseerd en hebben het expertiseniveau, de complexiteit van het operationeel beheer en de vereiste verantwoordelijkheid duidelijk zichtbaar gemaakt; zij hebben tevens de algemene karakteristieken van deze functies gesystematiseerd. Bij wijze van voorbeeld : het permanent ter beschikking staan van de dienst, de verplichting tot geheimhouding, de blootstelling aan risico's. Deze beschrijvingen verantwoorden overigens het niveau van de voorgestelde weddenschalen. Dit ontwerp brengt een vernieuwing in de loopbaan van het personeel van de buitendiensten door het creëren van de functie van beschermingsassistent, die deel uitmaakt van het niveau C, noodzakelijk voor het uitvoeren van de beschermingsopdrachten die aan de Veiligheid van de Staat worden toegewezen door de organieke wet van 30 november 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/11/1998 pub. 18/12/1998 numac 1998007272 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst type wet prom. 30/11/1998 pub. 05/04/2016 numac 2016000213 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst. - Duitse vertaling. - Erratum type wet prom. 30/11/1998 pub. 02/02/1999 numac 1998003675 bron ministerie van financien Wet houdende elfde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 1998, Sectie 12, Ministerie van Justitie sluiten - de ambtenaren die voor deze opdrachten werden aangewezen mogen niet worden aangewend voor andere taken (art. 22 van de wet) - en die steeds talrijker worden gezien de ontwikkeling van de internationale en Europese rol van Brussel. Drie niveaus beantwoorden aan de noden van de dienst : niveau C beschermingsassistent : uitvoeren, onder toezicht van beschermings -en aanverwante opdrachten; niveau B inspecteur : pijler van de expertise op het vlak van een specifiek domein en van de techniek; niveau A commissaris : pijler van het operationeel beheer met een stijgende complexiteit. Elkeen van deze drie loopbanen wordt geconcretiseerd in een eigen traject. In het loopbaantraject worden de overgangen naar steeds complexere opdrachten gesystematiseerd. Deze opdrachten vereisen diepgaandere bekwaamheden en komen overeen met hogere weddenschalen of met hogere graden. Een financiële valorisatie van deze overgangen bekrachtigt het belang van de evolutie in de sleutelopdrachten en moedigt het personeel aan. De evolutie in de loopbaan gebeurt horizontaal en verticaal : horizontaal : overgang naar hogere weddenschalen door middel van tests of door het cumuleren van een aantal welbepaalde (drie of twee, naargelang van het geval) waardemetingen; verticaal : klassieke vooruitgang in de weddenschalen door anciënniteit en door het slagen in baremieke vormingen; de trajecten werden zodanig ontworpen zodat op elk moment een perspectief op vooruitgang of heroriëntering wordt gegeven. De drijfkrachten achter de evolutie binnen de loopbaantrajecten zijn : de vooruitgang van de expertise op het vlak de competentiedomeinen en de onderzoekstechnieken eigen aan een inlichtingen - en veiligheidsdienst via vorming en periodieke validatie (volgens verscheidene modaliteiten : controles of waardemetingen van de gevolgde vormingen); de vooruitgang op het vlak van operationeel beheer : test tot toegang tot hogere rangen zijnde de bevordering tot de graden afdelingsinspecteur, commissaris, afdelingscommissaris. Concreet worden de overgangen naar steeds complexere niveaus van opdrachten en competenties in de functies gevalideerd op de volgende wijze : meting van verworvenheden : nagaan van de verworven competenties, de kennis en de technische geschiktheid, de bekwaamheid om deze toe te passen in de uitoefening van de functie, op het einde van een verplicht leertraject gedurende de eerste jaren van de loopbaan en meer speciaal op het einde van de stageperiode; potentieeltest : een grondigere meting van de competenties, kennis en technische bekwaamheden en evaluatie van de beroepspraktijk voor de overgang van B2 naar B3 en van A2 naar A3; waardemeting : meting, te vergelijken met een competentiemeting in de federale overheidsdiensten, die toelaat een evaluatie te maken van de competenties die belangrijk zijn voor de uitoefening van de functie en die verworven werden tijdens een specifieke vorming die verband houdt met de doelstellingen van de dienst. Het gaat hier om de baremieke vormingen toepasselijk op de weddenschalen B3 en A3 alsook op de weddenschalen B4, B5 en A4; bekwaamheidsproef : meting, voor het betreffende niveau, van de bekwaamheid om operationele expertise en beheer te integreren (overgang op een kruispunt van expertise naar een leidinggevende functie); vergelijkende selectie voor de overgang naar niveau B en A; uitwerking van een opdrachtbrief voor de A5's met mandaat, verantwoordelijk voor een bijzondere eenheid; Selectie ad hoc voor de toegang tot de graad van commissaris-generaal. Titel IV tekent de krachtlijnen uit voor de vormingstrajecten en de organisatie van de vorming, die zullen worden uitgevoerd door een ministerieel besluit (art.140) : oprichten van een dienst vorming en ontwikkeling organiseren van de vorming in twee grote luiken zijnde de basisvorming en de veelvormige voortgezette vorming; instellen van een wetenschappelijke raad van en operationele raad, die de beleidslijnen inzake de vorming bepalen in overeenstemming met de richtlijnen van de directie-generaal, die de toepasselijkheid nagaan en de baremieke vormingen certificeren; instellen van een mechanisme van vrijstelling voor vorming die de specifieke noden van de vorming verzoent met de onregelmatige werktijdregeling. Rekening houdende met de impact van de verantwoordelijkheden, de psychologische en sociale lasten van de functies, wordt er bij titel V in de Veiligheid van de Staat een psychologisch en sociaal begeleidingsteam opgericht, samengesteld uit psychologen. Dit team biedt alle garanties tot discretie : het akkoord van de betrokken ambtenaar, beroepsgeheim, tussenkomst buiten elk personeelsdossier om en in anonimiteit, geen communicatie met de hiërarchie over de inhoud van de gesprekken behalve in geval van schriftelijke toestemming van het betrokken personeelslid. Het doel van het team is het welzijn van de personeelsleden te verzekeren en hen in staat te stellen om op optimale wijze te functioneren in zogenaamde zware omstandigheden (bijvoorbeeld : behandeling van menselijke bronnen, beschermingsopdrachten). Hun toepassingsveld ligt in de kritieke incidenten gedurende of volgend op het uitvoeren van een opdracht of bij een crisissituatie; de ondersteuning van de ambtenaar bij een emotioneel zware opdracht of bijzonder stresserende verantwoordelijkheden; de tussenkomst bij de leden van het personeel met zware problemen in hun privé-leven die een weerslag hebben op hun beroepsleven. Titel VI voert een specifiek evaluatiesysteem in dat zijn inspiratie vindt in het evaluatiesysteem dat van toepassing is op de federale ambtenaren terwijl het ook eenvoudiger wordt (hoofdstuk I); een bijzonder stelsel wordt voorzien voor de commissarissen bekleed met een mandaat (hoofdstuk II) dat gewettigd wordt door de aard van de toegewezen opdracht en de vertrouwensrelatie met de instelling die deze opdracht meebrengt. Titel VII is gewijd aan de administratieve standen : in vergelijking met het vorig statuut, vult hij een leemte op door het voorzien van de schorsing in het belang van de dienst en een mogelijkheid van hoger beroep tegen deze maatregel (hoofdstuk VI, dat de bepalingen overneemt van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende de schorsing in het belang van de dienst); hoofdstuk V bevestigt het principe van de toepassing, behalve uitdrukkelijke afwijking, van het koninklijk besluit van 19 november 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/11/1998 pub. 28/11/1998 numac 1998002123 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen type koninklijk besluit prom. 19/11/1998 pub. 14/02/2008 numac 2008000104 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type koninklijk besluit prom. 19/11/1998 pub. 08/09/1999 numac 1999022158 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot vaststelling van de Belgische bijdrage voor 1998 aan het « Trustfonds voor de financiering van de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag » type koninklijk besluit prom. 19/11/1998 pub. 22/06/1999 numac 1999022160 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot vaststelling van de Belgische bijdrage voor 1998 aan het « Trustfonds voor de financiering van de tenuitvoerlegging van het Protocol van Montréal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken » type koninklijk besluit prom. 19/11/1998 pub. 27/01/1999 numac 1998022752 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit houdende toekenning van een toelage van 2 086 364 BF aan de V.Z.W. Werklozenwerking type koninklijk besluit prom. 19/11/1998 pub. 27/01/1999 numac 1998022753 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit houdende toekenning van een toelage van 2 532 000 BF aan de v.z.w. Arbeid en Milieu sluiten betreffende de verloven en afwezigheden toegekend aan de personeelsleden van de overheidsbesturen. Ongeacht de dienstvrijstellingen die traditioneel worden toegekend, wordt de duur van het jaarlijks verlof vastgesteld op 32 dagen, waaraan vijf dagen worden toegevoegd als compensatie van de gepresteerde diensten tussen Kerstmis en Nieuwjaar, een periode gedurende dewelke de activiteiten van de operationele secties van een inlichtingendienst niet kunnen worden onderbroken, zelfs niet gevoelig worden verlaagd, zodat er geen dienstvrijstelling zal worden toegekend gedurende de deze dagen, in tegenstelling tot wat het geval is in de andere federale overheidsdiensten. De inlichtingendiensten dienen per definitie elk feit of elke gebeurtenis die een mogelijke dreiging kunnen vormen voor de binnenlandse of de buitenlandse veiligheid van de Staat, te analyseren. De periodes rond Kerstmis en Nieuwjaar kunnen geen verslapping van de waakzaamheid rechtvaardigen, want deze periodes zijn doorgaans kritiek met betrekking tot de veiligheid. Zoals op de meeste veiligheidsdiensten wordt op de Veiligheid van de Staat gedurende deze periodes nog meer een beroep gedaan. Bovendien staat dat de bijkomende verlofdagen die worden toegekend in functie van de leeftijd van de ambtenaar (artikel 10 van het voornoemd koninklijk besluit van 19 november 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/11/1998 pub. 28/11/1998 numac 1998002123 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen type koninklijk besluit prom. 19/11/1998 pub. 14/02/2008 numac 2008000104 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type koninklijk besluit prom. 19/11/1998 pub. 08/09/1999 numac 1999022158 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot vaststelling van de Belgische bijdrage voor 1998 aan het « Trustfonds voor de financiering van de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag » type koninklijk besluit prom. 19/11/1998 pub. 22/06/1999 numac 1999022160 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot vaststelling van de Belgische bijdrage voor 1998 aan het « Trustfonds voor de financiering van de tenuitvoerlegging van het Protocol van Montréal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken » type koninklijk besluit prom. 19/11/1998 pub. 27/01/1999 numac 1998022752 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit houdende toekenning van een toelage van 2 086 364 BF aan de V.Z.W. Werklozenwerking type koninklijk besluit prom. 19/11/1998 pub. 27/01/1999 numac 1998022753 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit houdende toekenning van een toelage van 2 532 000 BF aan de v.z.w. Arbeid en Milieu sluiten) niet worden toegepast in de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat. De overige afwijkingen bestaan uit de uitsluiting van het voordeel van de verloven van politieke aard of andere verloven die geacht worden weinig verenigbaar te zijn met de operationele behoeften (art. 185), de vervanging van het vormingsverlof door de vrijstelling wegens vorming (geregeld in titel IV), het bestaan van de regel van het verlof voor opdracht van algemeen nut (art.187); andere beperkingen zijn specifiek aan de afdelingscommissarissen en commissarissen die de leiding hebben van een territoriale of functionele eenheid (art.189), alsook aan de commissarissen bekleed met een mandaat (art. 103). Titel VIII bevat de nieuwe tuchtregeling, geïnspireerd door het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, die namelijk een paritaire kamer van beroep voorziet waarin de afgevaardigde van de representatieve vakbonden zetelen in de zin van de wet van 17 maart 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/03/2004 pub. 02/04/2004 numac 2004009247 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van het personeel van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van het personeel van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat. Drie bijzonderheden zijn aan te stippen : de tuchtrechtelijke verplaatsing is weggelaten uit de schaal van de straffen, de overheid die het definitieve voorstel van sanctie formuleert is de tuchtraad, emanatie van het directiecomité van de Veiligheid van de Staat, (artikel 204, in verband gebracht met artikel 1, tweede lid, 5°), en de tuchtregeling die niet van toepassing is op de stagiairs (artikel 38). Dit systeem betekent een aanzienlijke verbetering in vergelijking met het huidig systeem : verdediging wordt beter gegarandeerd, raad van beroep wordt voorgezeten door een magistraat, uitwissing van de straffen. De raad van beroep neemt eveneens kennis van de beroepen tegen de voorstellen tot afdanking voor beroepsonbekwaamheid of zware fout van de stagiairs, tegen de schorsing in het belang van de dienst en tegen een evaluatie onvoldoende' (art.210). Er dient te worden opgemerkt dat de beslissing die een einde maakt aan het mandaat voorzien in artikel 108 geen tuchtstraf is maar een maatregel eigen aan het stelsel van het mandaat dat van nature herroepbaar is. Daaruit volgt dat deze beslissing aan geen enkele controle kan worden onderworpen dan door het eenvoudig beroep bij de administratieve rechter. Het einde van het mandaat is een gevolg van een disciplinaire procedure. Titel IX gaat over de definitieve ambtsneerlegging. Titel X roept een legitimatiebewijs in 't leven voor alle personeelsleden van het bestuur Veiligheid van de Staat van de niveaus A, B en C; het vervangt de medaille van de ambtenaren van de buitendiensten. Dit legitimatiebewijs zal bestaan uit een kaart, zoals ze reeds bestaat voor de beschermingsofficieren ( ministerieel besluit van 5 februari 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/11/1998 pub. 18/12/1998 numac 1998007272 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst type wet prom. 30/11/1998 pub. 05/04/2016 numac 2016000213 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst. - Duitse vertaling. - Erratum type wet prom. 30/11/1998 pub. 02/02/1999 numac 1998003675 bron ministerie van financien Wet houdende elfde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 1998, Sectie 12, Ministerie van Justitie sluiten8 tot vaststelling van het model van het legitimatiebewijs dat de hoedanigheid aantoont van beschermingsofficier van de ambtenaren van de Veiligheid van de Staat geaffecteerd aan de opdrachten van persoonsbescherming) en voor de ambtenaren belast met het uitvoeren van de veiligheidsonderzoeken bedoeld in artikel 18 van de wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/12/1998 pub. 28/12/2023 numac 2023047806 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen (ministerieel besluit van 12 mei 2000 tot vastlegging van het model van legitimatiebewijs van de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat belast met het uitvoeren van de veiligheidsonderzoeken). Het tweede deel van het besluit bevat de regels van het geldelijk statuut. Titel I, betreffende de bezoldiging, bevat de specifieke weddenschalen die een passende beloning beogen van de expertise, de verantwoordelijkheden en de kenmerken van de verschillende functies (hoofdstuk I), de waarderingstoelagen die toegekend worden voor de geslaagde vormingen in het kader van de baremieke vorming (hoofdstuk II), de functietoelagen toegekend aan de afdelingscommissarissen bekleed met het mandaat van verantwoordelijke van een bijzondere eenheid en aan de commissaris - generaal bekleed met het mandaat van directeur van de operaties (hoofdstuk III), alsook de wachttoelagen en deze voor het uitoefenen van een hoger ambt (hoofdstukken IV en V). Titel II behoudt de huidige regeling van toelagen, vergoedingen en premies, die ofwel gemeenschappelijk zijn aan het geheel van de ambtenaren van de federale openbare diensten, ofwel eigen aan de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat (toelagen voor dienstprestaties uitgevoerd tijdens het weekend, een feestdag of tijdens de nacht, de forfaitaire maandelijkse telefoonvergoeding en dagvergoeding), zonder het bedrag of de wijze van berekening ervan te wijzigen. Meerbepaald, blijven de nacht- en weekendtoelagen verbonden aan de wedden van november 1993 (artikelen 243 en 246), omdat de verbinding aan de nieuwe wedden een budgettaire meerkost zou hebben meegebracht die de middelen, die voor deze hervorming werden uitgetrokken, zou overstijgen. De definitie van nachtdienst in artikel 245 heeft als enig doel de voorwaarden tot toekenning van de bijhorende toelage te bepalen, zonder afbreuk te doen aan de definitie die werd gegeven door de wet van 14 december 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/12/2000 pub. 05/01/2001 numac 2000002134 bron ministerie van ambtenarenzaken Wet tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in openbare sector sluiten tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector. Het derde deel bevat de overgangs-maatregelen. Elke ambtenaar wordt ingevoegd in een nieuwe weddenschaal B of A. De invoeging werd gedaan op basis van objectieve regels die rekening houden met de graden en dienstanciënniteit van het personeel dat nu in functie is, gegroepeerd in relevante categorieën, alsook met de valorisatie van de diensten en de verworven ervaring. Deze regels werden aangepast wegens het bestaan van structurele elementen die gebundeld en zonder correctie, de goede werking van de dienst zouden aantasten, zijnde de bijzondere situatie van het kader(breuk in de hiërarchische keten) en de leeftijdspiramide (een vertrek van een enorm aantal ambtenaren binnen de vijf jaar). Deze situatie maakte afwijkende regels op het loopbaantraject noodzakelijk meerbepaald wat betreft de overgang van weddenschalen en de evolutie binnen de weddenschalen : overgang van B2 naar B3 en van A1 naar A3 zonder potentieeltest; waardemetingen : afwijking van de voorziene tijdsduur onder normaal regime; inspecteur-stagiaires : op het moment van de inwerkingtreding, overgang van B1 naar B2 zonder meting van verworvenheden; weddenschalen A5bis en A6bis toegekend aan de A5 en A6 ten einde, in vergelijking met de andere personeelscategoriën, de procentuele verhoging in weddenschaal te behouden; openstellen van de eerste bekwaamheidsproef die georganiseerd wordt na de inwerkingtreding van het koninklijk besluit aan de titularissen van de weddenschaal A3 zonder andere voorwaarden (art 259 § 1). Wat de huidige directeur der operaties betreft, hij wordt benoemd tot commissaris - generaal (artikel 260, eerste lid) en behoudt zijn mandaat tot aan de eerste selectie georganiseerd in het tweede semester van 2008 (artikel 261); deze eerste selectie zal daarenboven open staan voor de commissarissen A4 en A5 zonder de voorwaarde van anciënniteit van vijf jaar in de schaal A5 (artikel 260, derde lid). De artikelen 274 en 275 tenslotte regelen de bijzondere vraagstukken betreffende de toepassing van het geldelijk statuut van de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat. Artikel 274 betreft de « leeftijdsklassen » : de bepaling volgens dewelke de ambtenaren de effectieve diensten die normaliter toelaatbaar zouden zijn voor de toekenning van tussentijdse verhogingen niet konden valoriseren, omdat ze gepresteerd werden op een leeftijd die lager lag dan vereist om benoemd te worden in hun huidige functie, die opgeheven werd in het geldelijk statuut van het personeel van de ministeries (artikel 7 van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 gewijzigd door artikel 78 van het koninklijk besluit van 14 september 1994), was gehandhaafd geweest wegens budgettaire redenen in de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat; ze blijft bestaan voor de ambtenaren in dienst, maar verdwijnt voor diegenen die aangeworven zullen worden na 1 januari 2007. Artikel 275 betreft de classificatie van de toelaatbare diensten voor de berekening van de geldelijke anciënniteit in diensten behorende tot de groep A, die overeenkomt met de huidige niveaus B, C en D, of met de groep B, die overeenkomt met niveau A (artikel 6 van voornoemd koninklijk besluit) : de titularissen van een schaal behorend bij groep B genieten van een geldelijke anciënniteit gelijk aan de som van het geheel der diensten toelaatbaar in de groep B, zogenaamd « gelijkwaardige diensten », en van twee derden van de toelaatbare diensten voorheen verworven in de groep A, zogenaamd « lagere diensten » (art. 25 van voornoemd koninklijk besluit). Artikel 275 beoogt geleidelijk de gevolgen van een verschillend rekening houden met de gelijkwaardige en lagere dienste te doen verdwijnen, gelijkaardige schikkingen worden getroffen ten gunste van de andere ambtenaren van het federale openbaar ambt. Deel vier van dit besluit bevat de opheffing - en slotbepalingen; ze sluit meer bepaald de toepassing uit voor de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat van de wet van 26 maart 1968 die de aanwerving vergemakkelijkt in de overheidsdiensten van personen die diensten hebben verricht in de samenwerking met de ontwikkelingslanden, omdat de functies uitgeoefend door de leden van de buitendiensten bijzondere medische en fysieke bekwaamheden en bijzondere hoedanigheden vergen die niet verenigbaar zijn met stelsel van voorrang voorzien door die wet. Wij hebben de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars, De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Binnenlandse Zaken, P.DEWAEL De Minister van Begroting en van Consumentenzaken, Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE De Minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, C. DUPONT De Minister van Leefmilieu en Pensioenen, B. TOBBACK 13 DECEMBER 2006. - Koninklijk besluit houdende het statuut van de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Gelet op artikelen 37 en 107, tweede lid, van de Grondwet; Gelet op de wet van 26 maart 1968 waarbij de aanwerving in openbare dienst wordt vergemakkelijkt van personen die bij de technische coöperatie met de ontwikkelingslanden diensten hebben gepresteerd, inzonderheid op artikel 6; Gelet op het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, houdende het statuut van het Rijkspersoneel, inzonderheid de artikelen 2, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 augustus 1967, 4 februari 1971, 4 maart 1993, 26 september 1994 en 19 juli 2001, en 116; Gelet op het koninklijk besluit van 29 april 1966 houdende het statuut van het personeel van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 27 november 1968, 26 april 1971, 22 december 1993, 18 juli 1997 en 22 augustus 1998; Gelet op het koninklijk besluit van 22 augustus 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/08/1998 pub. 27/08/1998 numac 1998009631 bron ministerie van justitie Koninklijk besluit houdende het statuut van het personeel van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat type koninklijk besluit prom. 22/08/1998 pub. 27/08/1998 numac 1998009632 bron ministerie van justitie Koninklijk besluit tot vaststelling van de nadere regels inzake bevordering door verhoging in weddeschaal en van de weddeschalen verbonden aan de graden van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat sluiten houdende het statuut van het personeel van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat, gewijzigd bij koninklijke besluiten van 19 februari 2003 en van 23 november 2006; Gelet op het koninklijk besluit van 22 augustus 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/08/1998 pub. 27/08/1998 numac 1998009631 bron ministerie van justitie Koninklijk besluit houdende het statuut van het personeel van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat type koninklijk besluit prom. 22/08/1998 pub. 27/08/1998 numac 1998009632 bron ministerie van justitie Koninklijk besluit tot vaststelling van de nadere regels inzake bevordering door verhoging in weddeschaal en van de weddeschalen verbonden aan de graden van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat sluiten tot vaststelling van de nadere regels inzake bevordering door verhoging in weddenschaal en van de weddenschalen verbonden aan de graden van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat; Gelet op het koninklijk besluit van 5 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/11/1998 pub. 18/12/1998 numac 1998007272 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst type wet prom. 30/11/1998 pub. 05/04/2016 numac 2016000213 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst. - Duitse vertaling. - Erratum type wet prom. 30/11/1998 pub. 02/02/1999 numac 1998003675 bron ministerie van financien Wet houdende elfde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 1998, Sectie 12, Ministerie van Justitie sluiten4 betreffende het algemeen bestuur en de ondersteuningscel van de Veiligheid van de Staat; Gelet op het ministerieel besluit van 23 juni 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/11/1998 pub. 18/12/1998 numac 1998007272 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst type wet prom. 30/11/1998 pub. 05/04/2016 numac 2016000213 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst. - Duitse vertaling. - Erratum type wet prom. 30/11/1998 pub. 02/02/1999 numac 1998003675 bron ministerie van financien Wet houdende elfde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 1998, Sectie 12, Ministerie van Justitie sluiten5 houdende toekenning van een toelage voor onregelmatige dienst aan de personeelsleden van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat; Gelet op het ministerieel besluit van 10 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/11/1998 pub. 18/12/1998 numac 1998007272 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst type wet prom. 30/11/1998 pub. 05/04/2016 numac 2016000213 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst. - Duitse vertaling. - Erratum type wet prom. 30/11/1998 pub. 02/02/1999 numac 1998003675 bron ministerie van financien Wet houdende elfde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 1998, Sectie 12, Ministerie van Justitie sluiten6 tot vaststelling van de algemene beginselen inzake de stage van de ambtenaren aangeworven in de hoedanigheid van commissaris of inspecteur van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat; Gelet op het ministerieel besluit van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/11/1998 pub. 18/12/1998 numac 1998007272 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst type wet prom. 30/11/1998 pub. 05/04/2016 numac 2016000213 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst. - Duitse vertaling. - Erratum type wet prom. 30/11/1998 pub. 02/02/1999 numac 1998003675 bron ministerie van financien Wet houdende elfde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 1998, Sectie 12, Ministerie van Justitie sluiten7 betreffende de vereisten inzake voortgezette opleiding voor de bevordering door verhoging in graad in de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat; Gelet op het ministerieel besluit van 23 december 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/11/1998 pub. 18/12/1998 numac 1998007272 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst type wet prom. 30/11/1998 pub. 05/04/2016 numac 2016000213 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst. - Duitse vertaling. - Erratum type wet prom. 30/11/1998 pub. 02/02/1999 numac 1998003675 bron ministerie van financien Wet houdende elfde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 1998, Sectie 12, Ministerie van Justitie sluiten9 betreffende de bekwaamheidsexamens voor de verhoging in weddenschaal in de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat; Overwegende dat de door de leden van de buitendiensten uitgeoefende ambten die bijzondere medische en fysische eigenschappen noodzaken en speciale kwalificaties vereisen, die geverifieerd worden bij de aanwervingsproeven en bijgevolg onverenigbaar zijn met de integratiebepalingen van de personen bedoeld in de wet van 26 maart 1968 waarbij de aanwerving in openbare dienst wordt vergemakkelijkt van personen die bij de technische coöperatie met de ontwikkelingslanden diensten hebben gepresteerd; Overwegende de aard van de opdrachten die bij wet worden toegewezen aan de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat, zijnde het inwinnen en analyseren van inlichtingen die betrekking hebben op zowel de binnenlandse als buitenlandse veiligheid van de Staat, het voortbestaan van de democratische orde en het vrijwaren van het wetenschappelijk en economisch potentieel van het land; Overwegende dat hieruit volgt dat de uitoefening van deze opdrachten bijzondere werkwijzen noodzaakt die deze ambtenaren onderscheiden van de andere Rijksambtenaren en die er een bijzonder burgerlijk korps binnen de federale overheidsdienst van maken; Overwegende dat de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat belast worden met beschermingsopdrachten van personen en dat hen hiervoor administratieve politiebevoegdheden werden toegekend gelijkaardig aan die van de politiediensten ten einde hen toe te laten over te gaan tot het gebruik van geweld wanneer het leven of de fysieke integriteit van de persoon wordt bedreigd; Overwegende dat het bijgevolg van belang is over een efficiënte inlichtingen- en veiligheidsdienst te beschikken door een gepast evenwicht te bewerkstelligen tussen de noden van de Staat met betrekking tot de veiligheid en de rechten en vrijheden die een democratisch land kenmerken; Overwegende dat de internationalisatie van de veiligheidsproblemen hoe langer hoe meer actueel is; Overwegende dat bijgevolg de functies van ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat onbetwistbaar specifieke kenmerken vertonen en kwaliteiten vereisen die beantwoorden aan de eigen noodwendigheden van de operationele werking en expertise van een inlichtingen- en veiligheidsdienst, Overwegende dat het derhalve raadzaam is aan deze ambtenaren bijzondere graden toe te kennen, dat de uitoefening van de functies versterkte rechten, plichten en onverenigbaarheden impliceert in vergelijking met deze van de andere Rijksambtenaren, dat de selectie en opvolging van nieuwe ambtenaren een bijzonder nauwlettende omkadering vereisen; Overwegende dat de loopbaantrajecten dienen te beantwoorden aan de vereisten van professionalisme en dienen te worden uitgewerkt door een geregelde en specifieke verificatie van de verworven kennis, de bekwaamheden, de operationele technieken en vaardigheden, evenals door de organisatie van een aangepaste vorming zowel naar inhoud als naar opvolgingsmodaliteiten; Overwegende dat de impact van de psychische en sociale druk een permanente en gespecialiseerde psychologische omkadering vereist; Overwegende dat het van belang is dat de operationele beheersfuncties worden toegekend door het mechanisme van de mandaten dat berust op de keuze van de ambtenaren omwille van hun ervaring terzake; Overwegende dat het aangewezen is de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat een eigen statuut toe te kennen, rekeninghoudende met de veelvuldige afwijkingen die voor dit personeel zouden moeten worden voorzien van het statuut van de Rijksambtenaren voor wat betreft het grootste gedeelte van haar bepalingen en dat het efficiënter is, om voor het personeelsbeheer, over een volledig en samenhangend regelgevend middel te beschikken; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën gegeven op 6 september 2006; Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Ambtenarenzaken, gegeven op 23 oktober 2006; Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting, gegeven op 27 oktober 2006; Gelet op het akkoord van het Ministerieel Comité voor Inlichting en Veiligheid, gegeven op 27 oktober 2006; Gelet op het besluit van de Ministerraad van 27 oktober 2006; Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 27 november 2006 bij toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wetten betreffende de Raad van State; Op voordracht van Onze Minister van Justitie en van Onze Minister van Binnenlandse Zaken evenals het advies van Onze Ministers die erover in de Ministerraad hebben beraadslaagd; Hebben Wij besloten en besluiten Wij : EERSTE DEEL. - ADMINISTRATIEF STATUUT TITEL I. -
Artikel 1
.Dit besluit is van toepassing op de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat; de artikelen 138 tot 144 en 226, zijn van toepassing op het voltallige personeel van de Veiligheid van de Staat. In dit besluit wordt verstaan onder : 1° « ambtenaar » : ieder vast benoemd lid van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat;2° « lid van het personeel van de Veiligheid van de Staat » : ieder vast benoemd of contractueel personeelslid dat zijn functie uitoefent binnen de Veiligheid van de Staat;3° « directie-generaal » : de administrateur-generaal en de adjunct administrateur-generaal of, in geval van belet, de administrateur-generaal of de adjunct administrateur-generaal;4° « ondersteuningscel » : een college van deskundigen, ingesteld door het koninklijk besluit betreffende het algemeen bestuur en de ondersteuningscel van de Veiligheid van de Staat van 5 december 2006, die deelnemen aan het beslissingsproces van de directie-generaal voor de materies die verband houden met hun domein van expertise;5° « directiecomité » : college opgericht binnen de Veiligheid van de Staat, door het koninklijk besluit betreffende het algemeen bestuur en de ondersteuningscel van de Veiligheid van de Staat van 5 december 2006 bestaande uit de administrateur-generaal, de adjunct -administrateur-generaal, de directeur van de analyse en de directeur van de operaties. Art. 2.Aan iedere ambtenaar van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat wordt de hoedanigheid van Rijksambtenaar toegekend. De ambtenaar van de buitendiensten bevindt zich in een rechtspositie die enkel in de gevallen voorzien in dit besluit kan beëindigd worden. De reglementaire bepalingen die betrekking hebben op de ambtenaren van de federale overheidsdiensten zijn niet van toepassing op de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat, behoudens uitdrukkelijk anders vermeld in dit besluit. Art. 3.De hiërarchische structuur van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat bestaat uit drie niveaus : niveau A, dat het hogere niveau is, en de niveaus B en C. Het niveau wordt bepaald door de vorming en de bekwaamheden waarvan een bewijs moet worden geleverd om een betrekking te kunnen bekleden. Elk niveau wordt onderverdeeld in graden; de graad is de titel die de ambtenaar machtigt tot het bekleden van een van de betrekkingen welke met die graad overeenstemt. Art. 4.Niveau A bevat drie graden die als volgt hiërarchisch gerangschikt zijn : 1° commissaris-generaal aan dewelke de weddenschaal A6 verbonden is;2° afdelingscommissaris aan dewelke de weddenschaal A5 verbonden is;3° commissaris aan dewelke de weddenschalen A1, A2, A3, A4a en A4b verbonden zijn. De weddenschalen bedoeld in het eerste lid worden hernomen in de bijlage Ia van dit besluit. Art. 5.Niveau B bevat twee graden die als volgt hiërarchisch gerangschikt zijn : 1° afdelingsinspecteur aan dewelke de weddenschalen B5 en B6 verbonden zijn;2° inspecteur aan dewelke de weddenschalen B1, B2, B3, B4a en B4b verbonden zijn. De weddenschalen bedoeld in het eerste lid worden hernomen in de bijlage Ib van dit besluit. Art. 6.Niveau C bevat de graad van beschermingsassistent aan dewelke de weddenschalen C1 en C2, zoals hernomen in de bijlage Ic van dit besluit, verbonden zijn. Art. 7.De Koning benoemt de graden van niveau A. De Minister van Justitie benoemt de graden van de niveaus B en C. Art. 8.Voor de affectaties, mutaties, bevorderingen, worden de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat afgegrendeld van de Federale Overheidsdienst Justitie. De afgrendeling voorzien in het eerste lid is niet van toepassing binnen de Veiligheid van de Staat inzake affectatie. De afgrendeling voorzien in het eerste lid wordt opgeheven wanneer aan de ambtenaar een intrekking van de veiligheidsmachtiging of een weigering tot vernieuwing van een veiligheidsmachtiging wordt genotificeerd. TITEL II. - Rechten en plichten Art. 9.§
- De ambtenaar oefent zijn ambt op loyale, zorgvuldige en integere wijze uit onder het gezag van zijn hiërarchische meerderen. Daartoe dient hij : 1° de van kracht zijnde wetten en reglementen alsmede de richtlijnen, waaronder de nadere gedragsregels inzake deontologie van de Veiligheid van de Staat na te leven;2° nauwgezet en correct zijn adviezen te formuleren en zijn verslagen op te stellen;3° de beslissingen, zorgvuldig en plichtsbewust uit te voeren. §
- Een manifest onwettig bevel mag echter niet worden uitgevoerd. De ambtenaar brengt de opdrachtgever onmiddellijk op de hoogte dat hij die opdracht niet kan uitvoeren. Op vraag van de ambtenaar moet de opdrachtgever dergelijk bevel schriftelijk bevestigen. §
- De ambtenaar heeft het recht om met waardigheid en hoffelijkheid te worden behandeld, zowel door zijn hiërarchische meerderen en zijn collega's als door zijn ondergeschikten. Hij dient elk verbaal of niet-verbaal gedrag dat deze waardigheid in het gedrang zou kunnen brengen te vermijden. Art. 10.§
- De ambtenaar behandelt de gebruikers van zijn dienst welwillend, onpartijdig en zonder enige discriminatie. §
- Buiten de uitoefening van zijn ambt vermijdt de ambtenaar elke handelswijze die het vertrouwen van het publiek in zijn dienst kan aantasten. Zelfs buiten zijn ambt doch ter oorzaken ervan, mag de ambtenaar rechtstreeks of bij tussenpersoon, geen giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen. Art. 11.Elke ambtenaar heeft het recht zijn persoonlijk dossier te raadplegen en er een kopie van te nemen. Art. 12.De ambtenaar heeft het recht op vrijheid van meningsuiting onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake het beroepsgeheim en de classificatie. De ambtenaar onthoudt zich in alle omstandigheden in het openbaar uiting te geven aan zijn politieke overtuiging en zich in het openbaar in te laten met politieke activiteiten. Het is hem bovendien verboden die feiten bekend te maken die betrekking hebben op 's lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten, het medisch geheim, de rechten en de vrijheden van de burger, en in het bijzonder op het recht op eerbied voor het privé-leven; dit verbod geldt bovendien voor de elementen die betrekking hebben op de voorbereiding van alle beslissingen zolang er nog geen eindbeslissing is genomen. De bepalingen van het eerste en derde lid gelden eveneens voor de ambtenaren die hun ambt hebben neergelegd. Art. 13.De ambtenaar is discreet over alles wat met de beroepsactiviteit te maken heeft, ook in zijn privé-leven. Art. 14.§
- De ambtenaar heeft recht op informatie wat alle aspecten betreft die nuttig zijn voor zijn taakvervulling. Elke hiërarchische meerdere verzekert de informatiedoorstroming naar zijn ondergeschikten toe. §
- De ambtenaar stelt zich permanent op de hoogte van de ontwikkeling van de technieken, reglementeringen en onderzoekingen in de materies waarmee hij beroepshalve belast is. De ambtenaar heeft recht op vorming die nuttig is voor zijn functioneren in zijn dienst. Art. 15.De vorming is een recht en een plicht. Elke ambtenaar is verantwoordelijk voor zijn eigen vorming en dient bij te dragen tot de ontwikkeling van de vaardigheden en kennis van zijn collega's. Het behoort tot de taken van elke hiërarchische meerdere om bij te dragen tot de ontwikkeling van de vaardigheden van zijn medewerkers. Art. 16.De ambtenaar kan binnen de buitendiensten aangewezen worden voor een andere betrekking die overeenstemt met zijn graad, volgens deze modaliteiten : 1° door een vrijwillige kandidaatstelling voor een aangekondigde vacante betrekking; 2° bij beslissing van de directie-generaal, genomen in het belang van de dienst en gemotiveerd door organisatorische en operationele redenen.; 3° bij beslissing van de directie-generaal indien de aanvraag tot wijziging van affectatie gerechtvaardigd is door afdoende gemotiveerde sociale redenen of door medische redenen. In het geval bedoeld in het eerste lid, 1°, wordt de betrekking toegekend aan de ambtenaar die voldoet aan de voorwaarden voorgeschreven in de functiebeschrijving en die zich bevindt in de vereiste voorwaarden inzake evaluatie en administratieve stand. In het geval bedoeld in eerste lid, 1° worden de kandidaten, die voldoen aan de voorgeschreven voorwaarden in de functiebeschrijving en die zich bevinden in de vereiste evaluatievoorwaarden en de administratieve stand, als volgt gerangschikt : 1° de kandidaat met de meeste graadanciënniteit;2° bij gelijke graadanciënniteit, de kandidaat met de meeste dienstanciënniteit in de schoot van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat; 3° bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste kandidaat;. Art. 17.De Minister van Justitie bepaalt, op voorstel van de directie-generaal, de deontologische code van het personeel van de Veiligheid van de Staat. Iedere ambtenaar ontvangt een kopie van de deontologische code en tekent voor ontvangst. Art. 18.Is onverenigbaar met de hoedanigheid van ambtenaar, welke ook zijn administratieve stand is : 1° iedere activiteit, bezigheid of mandaat, zelfs ten kostenloze titel, uitgeoefend door de ambtenaar zelf of via een tussenpersoon, in eender welke instelling, onderneming, vennootschap of vereniging, die kan aanleiding geven tot een belangenconflict met de activiteiten van de Veiligheid van de Staat;2° iedere activiteit die in strijd zou kunnen zijn met de waardigheid van de functie of die afbreuk zou kunnen doen aan de uitoefening van de plichten inherent aan de functie;3° een openbaar ambt, een openbare opdracht of een openbaar mandaat, evenals elke publieke politieke activiteit, betaald of niet. TITEL III. - Wijze van toekenning van de betrekkingen HOOFDSTUK I. -
Art. 19.De graad van beschermingsassistent wordt toegekend via aanwerving.
De graden van inspecteur en van commissaris worden toegekend via aanwerving of via bevordering. Wanneer op verschillende wijzen in een graad kan worden benoemd en geen enkel bepaling een welbepaalde wijze verplicht, kiest de Minister van Justitie, na advies van het directiecomité, de wijze van benoeming volgens welke iedere vacant geworden betrekking moet worden verleend. Art. 20.Men kan slechts aangeworven worden indien men geslaagd is voor een vergelijkende wervingselectie. HOOFDSTUK II. - Selectie, aanwerving en stage Afdeling 1. -
Art. 21
.De kandidaat voor de aanwerving als commissaris, inspecteur of beschermingsassistent, moet aan volgende voorwaarden voldoen : 1° Belg zijn en, in geval van meerdere nationaliteiten, vrijgesteld zijn van militaire of gelijkgestelde verplichtingen ten opzichte van derde landen;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking;4° aan de dienstplichtwetten voldaan hebben;5° op de dag dat de inschrijvingstermijn voor de vergelijkende selectie verstrijkt, ten minste 25 jaar zijn voor de betrekkingen van commissaris, en ten minste 21 jaar voor de betrekkingen van inspecteur en beschermingsassistent;6° houder zijn van een diploma, een studiegetuigschrift of van een titel die voorkomt in de bijlage aan het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, houdende het statuut van het Rijkspersoneel en dat toegang geeft in de Rijksbesturen tot de betrekkingen van niveau A voor wat betreft de betrekkingen van commissaris, tot de betrekkingen van niveau B voor wat betreft de betrekkingen van inspecteur en tot de betrekkingen van niveau C voor wat betreft de betrekkingen van beschermingsassistent. Afdeling
- - De vergelijkende wervingsselecties Art. 22.Een vergelijkende wervingsselectie is de selectie die door SELOR -het Selectiebureau van de Federale Overheid georganiseerd wordt op vraag van de administrateur-generaal en op basis van een functiebeschrijving en een competentieprofiel. Deze selectie leidt tot een rangschikking van geslaagden. Evenwel kan de Veiligheid van de Staat onder toezicht van SELOR, het geheel of een deel van de vergelijkende selecties organiseren. In dit geval worden de modaliteiten van de delegatie vastgelegd in een protocol. Voor de aanwerving moet de Minister of zijn gemachtigde de rangschikking respecteren. Art. 23.De afgevaardigd bestuurder van SELOR - het Selectiebureau van de Federale Overheid, maakt de organisatie van vergelijkende wervingsselecties bekend door ten minste een bericht in het Belgisch Staatsblad. Het bericht vermeldt ten minste de uiterste datum waarop men zich kandidaat kan stellen, en of er al dan niet een reserve van de geslaagden wordt aangelegd. De kandidaten beschikken over ten minste vijftien kalenderdagen om zich kandidaat te stellen. Art. 24.De directie-generaal stelt in samenspraak met de afgevaardigd bestuurder van SELOR - het Selectiebureau van de Federale Overheid, het reglement van inwendige orde aangaande de organisatie van de vergelijkende wervingsselectie op en bepaalt eveneens het programma op basis van de functiebeschrijving en van het competentieprofiel. Het programma voorziet noodzakelijkerwijs in psychotechnische testen. De afgevaardigd bestuurder van SELOR - het Selectiebureau van de Federale Overheid, publiceert het reglement van inwendige orde en het programma van de vergelijkende wervingsselectie. Hij verzekert ook de regelmatigheid van de selectie. Art. 25.De directie-generaal beslist of er een reserve van geslaagden wordt aangelegd en bepaalt de geldigheidsduur ervan. Art. 26.De afgevaardigd bestuurder van SELOR - het Selectiebureau van de Federale Overheid, stelt de datum vast waarop de kandidaten moeten voldoen aan de vereisten inzake diploma's of studiegetuigschriften. Art. 27.De afgevaardigd bestuurder van SELOR - het Selectiebureau van de Federale Overheid, verifieert de toelatingsvoorwaarden bedoeld in artikel
- Art. 28.Zodra de afgevaardigd bestuurder van SELOR - het Selectiebureau van de Federale Overheid, in de loop van een vergelijkende wervingsselectie, vaststelt dat een gegadigde niet voldoet of niet zal kunnen voldoen aan een van de vereisten zoals bedoeld in artikel 21, sluit hij deze van de vergelijkende selectie uit en geeft hij hem kennis van zijn beslissing en van de redenen ervan. Art. 29.Indien de afgevaardigd bestuurder van SELOR - het Selectiebureau van de Federale Overheid een groot aantal deelnemers aan een vergelijkende selectie verwacht, kan hij een voorafgaande schiftingsproef inlassen. De directie-generaal beslist in samenspraak met de afgevaardigd bestuurder van SELOR over de inhoud en de modaliteiten van deze proef. Art. 30.Na het afsluiten van het proces-verbaal van de vergelijkende selectie ontvangt iedere deelnemer bericht van zijn uitslag. Art. 31.De afgevaardigd bestuurder van SELOR - het Selectiebureau van de Federale Overheid, stelt de lijst op van de geslaagden van de vergelijkende wervingsselectie en verzendt deze lijst samen met de persoonsgegevens van de geslaagden aan de directie-generaal. Tezelfdertijd maakt hij de gedetailleerde resultaten van iedere geslaagde over. Art. 32.De administrateur-generaal roept de geslaagden in dienst volgens hun plaats in de rangschikking. De geslaagden die wegens persoonlijke aangelegenheden uitstel van indiensttreding vragen, verliezen het voordeel van hun plaats in de rangschikking in geval aan hun verzoek wordt voldaan. De geslaagden die, nadat zij een betrekking hebben aanvaard, weigeren om in dienst te treden, worden geschrapt van de lijst der geslaagden. Art. 33.Van de geslaagden van twee of meerdere vergelijkende selecties, hebben de geslaagden van de selectie waarvan het proces-verbaal op de vroegste datum werd gesloten, voorrang. Art. 34.Voor iedere vergelijkende wervingsselectie wordt een jury gevormd. De afgevaardigd bestuurder van SELOR - het Selectiebureau van de Federale Overheid, bepaalt in overleg met de directie-generaal de samenstelling van de jury. De jury wordt voorgezeten door de afgevaardigd bestuurder van SELOR - het Selectiebureau van de Federale Overheid, of door zijn gemachtigde. Indien de aard van bepaalde essentiële proeven van de vergelijkende selectie dit vereist, moet in elk geval twee derden van de juryleden ambtenaren van de buitendiensten zijn. Het secretariaat van de jury wordt verzekerd door SELOR - het Selectiebureau van de Federale Overheid. Afdeling
- - Stage Onderafdeling
- -
Art. 35
.Om door de administrateur-generaal toegelaten te worden tot de stage, moeten de geslaagden van de vergelijkende selecties : 1° geslaagd zijn voor de voorziene vergelijkende wervingsselectie;2° houder zijn van een veiligheidsmachtiging overeenkomstig de wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/12/1998 pub. 28/12/2023 numac 2023047806 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen;3° houder zijn van een Belgisch of Europees rijbewijs geldig voor het besturen van voertuigen van categorie B en houder zijn, na een medisch onderzoek afgelegd voor een geneesheer van de Sociaal -Medische Rijksdienst, van een bewijs voor groep 2 in toepassing van artikel 43, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/11/1998 pub. 18/12/1998 numac 1998007272 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst type wet prom. 30/11/1998 pub. 05/04/2016 numac 2016000213 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst. - Duitse vertaling. - Erratum type wet prom. 30/11/1998 pub. 02/02/1999 numac 1998003675 bron ministerie van financien Wet houdende elfde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 1998, Sectie 12, Ministerie van Justitie sluiten0 betreffende het rijbewijs;4° beantwoorden aan de vereisten van medische en lichamelijke geschiktheid voor de uitoefening van de functie, zoals vastgelegd door de Minister van Justitie. Art. 36.De geslaagden die zijn toegelaten tot de stage worden benoemd in hun hoedanigheid van stagiair door de Minister van Justitie of zijn gemachtigde, en worden in die hoedanigheid in dienst geroepen door de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat; zij worden aangewezen voor een betrekking, uiterlijk op de eerste dag van de derde maand na die waarin ze tot stagiair zijn benoemd. Het besluit tot benoeming in de hoedanigheid van stagiair vermeldt de identiteitsgegevens van de stagiair, de datum van de vergelijkende wervingsselectie en de door de geslaagde behaalde rangschikking. Wanneer een geslaagde een opzeggingstermijn dient in acht te nemen met toepassing van de wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1978 pub. 03/07/2008 numac 2008000527 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten type wet prom. 03/07/1978 pub. 12/03/2009 numac 2009000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten, wordt de in het eerste lid vastgestelde termijn verlengd tot de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de opzegging verstrijkt. Wanneer een geslaagde een opzeggingstermijn dient in acht te nemen met toepassing van de bepalingen die van kracht zijn in een staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of in de Zwitserse Bondstaat of bij een instelling van de Europese Gemeenschappen of een instelling die opgericht werd door of krachtens een van de verdragen welke ze regelen, wordt de in het eerste lid vastgestelde termijn verlengd tot de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de opzegging verstrijkt. Art. 37.Indien een zwaarwichtig feit noopt tot een actualisatie van het veiligheidsonderzoek, wordt het dossier voor beslissing voorgelegd aan de directie-generaal. Die kan beslissen om de stagiair in het belang van de dienst te schorsen gedurende de tijd die nodig is voor het veiligheidsonderzoek; de aldus geschorste stagiair wordt op de hoogte gebracht van deze beslissing. Art. 38.De stagiair heeft niet de hoedanigheid van ambtenaar van de buitendiensten in de zin van dit besluit. Niettemin zijn in dit deel op hem van toepassing : 1° titel I, met uitzondering van artikel 8;2° titel II, met uitzondering van artikel 16;3° titel III, met uitzondering van de hoofdstukken III en IV;4° titel IV, met uitzondering van hoofdstuk III;5° titel V;6° titel VII, met uitzondering van de artikelen 181 tot 183 en 187;7° titel VIII, hoofdstuk III;8° titel IX;9° titel X. Art. 39.De stage moet de stagiair in de mogelijkheid stellen om de kennis, technieken en bekwaamheden te verwerven, die vereist zijn voor de uitoefening van de functies verbonden aan de betrekking waaraan hij is toegewezen. De stage moet het ook mogelijk maken om te bepalen of de stagiair voldoet aan de vereisten voor de goede uitoefening van zijn functies. Art. 40.De directie-generaal organiseert de stage en stelt er het programma en de vormingsmethodes van vast. Art. 41.§
- Om de duur van de verrichte stage te berekenen worden alle perioden waarin de stagiair in actieve dienst is, in aanmerking genomen. Worden evenwel niet in aanmerking genomen de afwezigheden die zich voordoen nadat de stagiair reeds dertig werkdagen in één of verschillende malen afwezig is geweest, zelfs indien hij gedurende deze afwezigheden in actieve dienst is. Komen voor de berekening van deze dagen afwezigheid niet in aanmerking : 1° het jaarlijks vakantieverlof;2° de verloven toegestaan met toepassing van het artikel 50 van het koninklijk besluit van 2 oktober 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/11/1998 pub. 18/12/1998 numac 1998007272 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst type wet prom. 30/11/1998 pub. 05/04/2016 numac 2016000213 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst. - Duitse vertaling. - Erratum type wet prom. 30/11/1998 pub. 02/02/1999 numac 1998003675 bron ministerie van financien Wet houdende elfde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 1998, Sectie 12, Ministerie van Justitie sluiten3 tot uitvoering van de wet van 17 maart 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/03/2004 pub. 02/04/2004 numac 2004009247 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van het personeel van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van het personeel van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat;3° de verloven bedoeld in de artikelen 14, 15, 15bis en 20 van het koninklijk besluit van 19 november 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/11/1998 pub. 28/11/1998 numac 1998002123 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen type koninklijk besluit prom. 19/11/1998 pub. 14/02/2008 numac 2008000104 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type koninklijk besluit prom. 19/11/1998 pub. 08/09/1999 numac 1999022158 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot vaststelling van de Belgische bijdrage voor 1998 aan het « Trustfonds voor de financiering van de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag » type koninklijk besluit prom. 19/11/1998 pub. 22/06/1999 numac 1999022160 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot vaststelling van de Belgische bijdrage voor 1998 aan het « Trustfonds voor de financiering van de tenuitvoerlegging van het Protocol van Montréal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken » type koninklijk besluit prom. 19/11/1998 pub. 27/01/1999 numac 1998022752 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit houdende toekenning van een toelage van 2 086 364 BF aan de V.Z.W. Werklozenwerking type koninklijk besluit prom. 19/11/1998 pub. 27/01/1999 numac 1998022753 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit houdende toekenning van een toelage van 2 532 000 BF aan de v.z.w. Arbeid en Milieu sluiten betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de Rijksbesturen. §
- Behoudens de in § 1, derde lid, opgesomde gevallen, hebben de afwezigheden die zich voordoen nadat de stagiair gedurende dertig werkdagen in één of verschillende malen afwezig is geweest, schorsing van de stage tot gevolg. §
- In geval van schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair en zijn administratieve stand wordt vastgesteld overeenkomstig de reglementaire bepalingen die op hem van toepassing zijn. §
- Na het einde van een afwezigheidperiode die een schorsing van de stage tot gevolg heeft gehad, beslist de directie-generaal of er voor de betrokkene reden bestaat om zijn vorming voort te zetten. Gedurende de periode van verlenging van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair. Art. 42.De directie-generaal stelt de administratieve standplaats van de stagiair vast. Nadien, na advies van de directeur van de operaties, beslist zij over de affectaties in het belang van de dienst. Art. 43.De stagiair die door de directie-generaal geschikt wordt bevonden, wordt in de hoedanigheid van ambtenaar van de buitendiensten benoemd in de graad waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Voor de berekening van zijn geldelijke anciënniteit en voor zijn rangschikking, neemt hij rang in op de dag waarop zijn stage is begonnen. Art. 44.De stagiair kan door de Minister van Justitie op voorstel van de directie-generaal tijdens of op het einde van de stage afgedankt worden met een opzeggingstermijn van drie maanden, wegens beroepsongeschiktheid vastgesteld overeenkomstig artikel 47, §
- Voor elke zware fout die de stagiair heeft begaan gedurende of ter gelegenheid van de stage, kan hij zonder opzegging worden afgedankt door de Minister van Justitie, op voorstel van de directie-generaal. De betrokkene dient op voorhand gehoord te worden door de administrateur-generaal of zijn afgevaardigde. Het voorstel tot afdanking tijdens of op het einde van de stage wordt ter kennis gebracht van de betrokken stagiair. Deze kan, binnen de acht dagen na de kennisgeving, tegen dat voorstel beroep indienen bij de raad van beroep zoals bedoeld in Hoofdstuk III van Titel VIII van het eerste deel van dit besluit. Onderafdeling
- - De organisatie van de stage Art. 45.Tijdens de duur van de stage, wordt de stagiair geplaatst onder het gezag van de directeur van de dienst vorming en ontwikkeling zoals bedoeld in het artikel
- De directeur van de dienst vorming en ontwikkeling wordt bijgestaan door de stageverantwoordelijken voor wat betreft het onthaal, de vorming, de opvolging van de stagiair en het uitvoeren van de opgestelde programma's in overeenstemming met de vormingspolitiek die wordt gedefinieerd door de directie-generaal. De stage omvat een theoretisch en een praktisch gedeelte. Het praktische gedeelte bevat een of meerdere periodes van activiteit binnen de buitendiensten, evenals bij andere instanties die hiertoe zijn aangeduid door de directie-generaal. De stage, de stageverslagen, de tijdens de basisvorming te onderwijzen vakken, de modaliteiten van de evaluatie alsmede de activiteiten van de basisvorming waaraan de stagiairs moeten deelnemen, worden vastgesteld door onze Minister van Justitie op voorstel van de directie-generaal. De directie-generaal duidt de stageverantwoordelijken en de ambtenaren aan die belast worden met het opmaken van de stageverslagen. Art. 46.De stage wordt afgesloten met een gecertificeerde test, genoemd de « meting van verworvenheden » die tot doel heeft de door de stagiair verworven competenties en geschiktheid na te gaan evenals de bekwaamheid van de stagiair om deze toe te passen in de uitoefening van de functies die verbonden zijn aan de betrekking waaraan hij is toegewezen Het programma en de modaliteiten van deze gecertificeerde test worden vastgelegd door de Minister van Justitie op voorstel van de directie-generaal. Art. 47.§
- Er wordt een stagecommissie opgericht die wordt voorgezeten door de directeur van de operaties of zijn gemachtigde en samengesteld is uit de directeur van de dienst vorming en ontwikkeling en uit twee leden bekleed met ten minste de graad van commissaris, aangeduid door de directie-generaal, waarvan één uit de chefs van de territoriale eenheden, de andere uit de verantwoordelijken van een bijzondere eenheid. De directeur van de dienst vorming en ontwikkeling is niet stemgerechtigd. De stagecommissie wordt bijgestaan door een secretariaat dat toeziet op de bewaring, het beheer en de opvolging van de stagedossiers. De stagecommissie heeft als opdracht het toezicht op de opvolging van de stagiairs in samenwerking met de dienst vorming en ontwikkeling. Zij geeft eveneens, op basis van de stageverslagen en de « meting van verworvenheden », een advies over de geschiktheid van de stagiair om al dan niet vastbenoemd te worden. Zij kan de stagiair bovendien om opheldering vragen over iedere tekortkoming die in de stagerapporten is genoteerd. De stagecommissie komt minstens om de drie maanden samen en ook telkens de noodzaak dit rechtvaardigt. §
- Indien de stagecommissie, op basis van de stagerapporten en na de nodige informatie te hebben ingewonnen, vaststelt dat de stagiair niet geschikt is om zijn stage verder te zetten of om benoemd te worden in de graad waarvoor hij zich kandidaat gesteld heeft, wordt een met redenen omkleed afdankingvoorstel wegens beroepsongeschiktheid voorgelegd aan de directie-generaal. De stagecommissie hoort de stagiair voorafgaandelijk. De stagiair verschijnt in eigen persoon en kan zich laten bijstaan door de persoon van zijn keuze, titularis van een veiligheidsmachtiging indien nodig. Indien de persoon die de ambtenaar bijstaat de kwaliteit van advocaat heeft, wordt hij in kennis gesteld van de artikelen 36 en 37 van de wet van 30 november 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/11/1998 pub. 18/12/1998 numac 1998007272 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst type wet prom. 30/11/1998 pub. 05/04/2016 numac 2016000213 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst. - Duitse vertaling. - Erratum type wet prom. 30/11/1998 pub. 02/02/1999 numac 1998003675 bron ministerie van financien Wet houdende elfde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 1998, Sectie 12, Ministerie van Justitie sluiten houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, met betrekking tot het respect voor het beroepsgeheim. De persoon die de verdediging van de stagiair waarneemt mag in geen geval deel uitmaken van de commissie. Indien de stagiair of de persoon die zijn verdediging waarneemt zonder geldige reden niet verschijnt, ofschoon hij regelmatig werd opgeroepen, dan spreekt de commissie zich uit op basis van de stukken van het stagedossier. Hetzelfde geldt van zodra het dossier van de stagiair het voorwerp uitmaakt van een tweede zitting, zelfs indien de stagiair of de persoon die zijn verdediging waarneemt een geldige reden kan aanvoeren. Het afdankingvoorstel wordt ter kennis gebracht aan de stagiair. Deze kan, binnen de acht dagen die volgen op de kennisgeving, een beroep indienen bij de raad van beroep van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat zoals bedoeld in Hoofdstuk III van Titel VIII van het eerste deel van dit besluit. §
- - Indien de stagecommissie op basis van de stageverslagen en na alle nuttige informatie te hebben ingewonnen, besluit dat de stagiair geschikt is voor de benoeming tot de graad waarvoor hij zich kandidaat gesteld heeft, formuleert ze een gemotiveerd voorstel van benoeming aan de directie-generaal. Art. 48.Het stagedossier bevat : 1° de stageverslagen;2° de resultaten van de meting van verworvenheden;3° ieder feit of iedere vaststelling nuttig voor de beoordeling van de geschiktheden van de stagiair;4° het advies van de stagecommissie;5° het beroepsdossier. Art. 49.De duur van de stage van de beschermingsassistenten bedraagt een jaar. Om de twee maanden en op het einde van de stage wordt een stageverslag opgemaakt. De duur van de stage van de inspecteurs en de commissarissen bedraagt twee jaar. Om de drie maanden en op het einde van de stage wordt een stageverslag opgemaakt. Art. 50.Elk verslag wordt ter kennis gebracht van de stagiair, die er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegt, en wordt in zijn persoonlijk dossier opgenomen. De modellen van het stageverslag worden bepaald door de Minister van Justitie. Art. 51.De stage wordt afgesloten met een gunstig of een ongunstig advies van de stagecommissie. In geval van een gunstig advies wordt de stagiair toegelaten tot de benoeming als vastbenoemd ambtenaar van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat. In geval van een ongunstig advies, kan de stage door de directie-generaal verlengd worden met maximum vier maanden voor de beschermingsassistenten, en met maximum acht maanden voor de inspecteurs en de commissarissen. Onderafdeling
- - Indiensttreding als ambtenaar Art. 52.Kan slechts als ambtenaar van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat benoemd worden, hij die zijn stage met succes heeft afgerond en houder is van een veiligheidsmachtiging van het niveau « zeer geheim ». Art. 53.De stagiairs leggen de eed af wanneer zij benoemd worden als ambtenaar van de buitendiensten. Zij worden geacht in deze hoedanigheid in dienst te zijn getreden zodra zij de eed hebben afgelegd. Art. 54.De in artikel 53 bedoelde eed wordt afgelegd in de termen die zijn bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/12/2000 pub. 05/01/2001 numac 2000002134 bron ministerie van ambtenarenzaken Wet tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in openbare sector sluiten
- Art. 55.De beschermingsassistenten en de inspecteurs leggen de eed af in handen van de administrateur-generaal. De commissarissen leggen de eed af in handen van de Minister van Justitie. Art. 56.Indien zij weigeren de eed af te leggen, wordt hun benoeming als vastbenoemde ambtenaar met terugwerkende kracht vernietigd. HOOFDSTUK III. - Bevordering Afdeling
- -
Art. 57.§ 1.
De bevordering is ofwel de benoeming van een ambtenaar tot een graad van een hoger niveau of tot een hogere graad binnen hetzelfde niveau, ofwel de toekenning aan de ambtenaar in zijn graad, van de weddenschaal die hoger is dan die welke hij genoot. § 2. De benoeming tot een graad van een hoger niveau wordt een « bevordering door overgang naar het hogere niveau » genoemd; deze bevordering wordt verleend via een vergelijkende selectie georganiseerd in samenwerking met SELOR - Selectiebureau van de Federale Overheid. § 3. De benoeming tot een hogere graad binnen hetzelfde niveau wordt « bevordering door verhoging in graad » genoemd; deze is afhankelijk van een bekwaamheidsproef, behalve in het geval voorzien in artikel 99. § 4. De toekenning van de weddenschaal die hoger is dan die welke de ambtenaar genoot in zijn graad wordt « bevordering door verhoging in weddenschaal » genoemd; deze is, voor de niveaus A en B, afhankelijk van een potentieeltest of van waardemetingen. Art. 58.Titel II van het koninklijk besluit van 22 december 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/11/1998 pub. 18/12/1998 numac 1998007272 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst type wet prom. 30/11/1998 pub. 05/04/2016 numac 2016000213 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst. - Duitse vertaling. - Erratum type wet prom. 30/11/1998 pub. 02/02/1999 numac 1998003675 bron ministerie van financien Wet houdende elfde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 1998, Sectie 12, Ministerie van Justitie sluiten2 betreffende de selectie en de loopbaan van het Rijkspersoneel is van toepassing op de leden van de jury's die zijn samengesteld overeenkomstig de artikelen 22, 69, 78, 112 en 118 van dit besluit. Art. 59.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder : 1° potentieeltest : de meting van de competenties, kennis en technische vaardigheden;2° bekwaamheidsproef : de meting, voor het betreffende niveau, van de bekwaamheid om operationele expertise en beheer te integreren;3° waardemeting : de meting die toelaat een evaluatie te maken van de competenties die belangrijk zijn voor de uitoefening van de functie en die verworven zijn tijdens een specifieke vorming die verband houdt met de doelstellingen van de dienst. Art. 60.§ 1. De bevordering tot een graad van een hoger niveau en tot een hogere graad binnen hetzelfde niveau is alleen mogelijk wanneer een betrekking vacant is. De vacature wordt medegedeeld aan de benoembare ambtenaren door een bekendmaking van vacante betrekking. De bekendmaking van de vacante betrekking wordt ofwel ter kennis gebracht aan elk van de betrokken ambtenaren in ruil voor een door hen ondertekend ontvangstbewijs dat de datum van ontvangst der bekendmaking vermeldt, ofwel bij een ter post aangetekend schrijven gezonden aan het door de betrokkene laatst opgegeven adres. Wanneer de ambtenaar, om welke reden ook, tijdelijk uit de dienst verwijderd is, wordt hem de bekendmaking van vacante betrekking bij een ter post aangetekend schrijven gezonden aan het door hem laatst opgegeven adres. § 2. Er wordt alleen rekening gehouden met de titels van de ambtenaren die gesolliciteerd hebben binnen een termijn van vijftien kalenderdagen die ingaat op de eerste werkdag volgend op die waarop de bekendmaking van de vacante betrekking aan de betrokkene werd overhandigd of door de post is aangeboden. Wanneer de laatste dag van de termijn een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de volgende werkdag. Het is aan de ambtenaren toegelaten bij voorbaat naar elke betrekking te dingen die tijdens hun afwezigheid zou worden open verklaard. De geldigheid van die sollicitatie is vastgesteld op één maand. Art. 61.§ 1. Om deel te nemen aan een bekwaamheidsproef, een potentieeltest, een waardemeting of een vergelijkende selectie voor de overgang naar het hogere niveau, moet de ambtenaar zich bevinden in een administratieve stand waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan laten gelden. De ambtenaar die tijdens de selectiegedeelten niet langer de in het eerste lid bepaalde voorwaarden vervult, verliest het voordeel van zijn eventueel slagen voor de bekwaamheidsproef, potentieeltest, waardemeting of een vergelijkende selectie voor de overgang naar het hogere niveau. § 2. Om een bevordering te verkrijgen, moet de ambtenaar zich in een administratieve stand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan doen gelden. Bovendien mag hij geen vermelding « onvoldoende » hebben verkregen op het einde van zijn evaluatie. Afdeling 2. - Bevordering door verhoging in graad en door verhoging in weddenschaal Art. 62.Over elke bevordering door verhoging in graad of door verhoging in weddenschaal, wordt door de directie-generaal een gemotiveerd advies uitgebracht. Het door de directie-generaal uitgebrachte advies is gebaseerd op het evaluatiedossier en het tuchtdossier van de ambtenaar, evenals op het voorafgaand gemotiveerd advies van de directeur van de operaties. Art. 63.Het gemotiveerd advies van directie-generaal wordt afgesloten met de vermelding « gunstig » of « ongunstig ». Art. 64.Het gemotiveerd advies van de directie-generaal wordt ter kennis gebracht aan de ambtenaar die er binnen de tien werkdagen zijn opmerkingen aan kan toevoegen. Deze termijn gaat in op de eerste werkdag na de dag van de kennisgeving. De directie-generaal deelt aan de ambtenaar mee of hij het nodig acht om in te gaan op de geformuleerde opmerkingen. Het gemotiveerd advies en de eventuele opmerkingen worden door de administrateur-generaal overgemaakt aan de Minister van Justitie. Art. 65.De kandidaten die aan de voorwaarden voor bevordering in graad voldoen worden geklasseerd in de onderstaande volgorde : 1° de geslaagden van de bekwaamheidsproef waarvan het proces-verbaal op de vroegste datum is afgesloten;2° tussen geslaagden van dezelfde bekwaamheidsproef :
- a)de best gerangschikte kandidaat;
- b)bij gelijkheid in rangschikking, de kandidaat met de meeste graadanciënniteit;
- c)bij gelijke graadanciënniteit, de kandidaat met de meeste dienstanciënniteit in de schoot van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat;
- d)bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar. Art. 66.Voor het berekenen van de graad - en niveauanciënniteit komen alleen in aanmerking de werkelijke diensten die de ambtenaar als stagiair en als vastbenoemde ambtenaar verricht heeft binnen de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat en zonder vrijwillige onderbreking. De ambtenaar wordt geacht werkelijke diensten te verrichten, zolang hij zich bevindt in een administratieve stand op grond waarvan hij, krachtens zijn statuut, zijn activiteitswedde of bij gemis daarvan, zijn aanspraak op bevordering in zijn weddenschaal behoudt. Art. 67.§ 1. Voor het berekenen van de graadanciënniteit worden de in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop de ambtenaar is benoemd in de graden die door de toe te passen bepalingen in aanmerking worden genomen, of vanaf de datum waarop de ambtenaar voor bevordering is gerangschikt ten gevolge van de uitdrukkelijke terugwerking van zijn benoeming in die graden. § 2. Voor het berekenen van de niveauanciënniteit worden de in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop de ambtenaar is benoemd in een graad van het betreffende niveau of vanaf de datum waarop hij voor latere bevordering is gerangschikt tengevolge van de uitdrukkelijke terugwerking van zijn benoeming in zulke graad. § 3. Voor de berekening van de dienstanciënniteit komen in aanmerking, in de zin van artikel 66, tweede lid, de diensten die effectief door de ambtenaar werden gepresteerd, in welke hoedanigheid ook, zonder vrijwillige onderbreking, als lid van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat. § 4. De graad -, niveau - en de dienstanciënniteit zijn gelijk aan de som van de volle kalendermaanden tijdens de welke diensten zijn verricht die in aanmerking komen voor de berekening. Afdeling 3. - Bevordering door overgang naar het hogere niveau Art. 68.De vergelijkende selectie voor de overgang naar het hogere niveau wordt georganiseerd op basis van een functiebeschrijving en een competentieprofiel, opgesteld door de directie-generaal die de materies en de methodologie van de proeven bepaalt. De selectie meet de competenties en het potentieel dat noodzakelijk is voor de uitoefening van de functies die in verband staan met het hogere niveau dan dat waartoe de ambtenaar behoort. Art. 69.§ 1- Bij iedere vergelijkende selectie voor de overgang naar het hogere niveau, wordt een jury gevormd waarvan de samenstelling wordt bepaald door de directie-generaal in overleg met de afgevaardigd bestuurder van SELOR - het Selectiebureau van de Federale Overheid. De jury bestaat uit drie vaste leden en deskundigen. Het voorzitterschap van de jury wordt verzekerd door de afgevaardigd bestuurder van SELOR. § 2- De vaste leden van de jury zijn : 1° de administrateur-generaal of zijn gemachtigde;2° de directeur van de operaties of een andere ambtenaar die houder is van ten minste de graad van afdelingscommissaris en die aangeduid is door de administrateur-generaal;3° een vertegenwoordiger van de afgevaardigd bestuurder van SELOR - het Selectiebureau van de Federale Overheid. § 3 - De deskundigen worden aangeduid door de vaste juryleden voor de proeven die het beroep noodzakelijk maken op personen die bijzonder gekwalificeerd zijn omwille van hun deskundigheid of specialisatie. De deskundigen worden aangeduid bij meerderheid van stemmen van de vaste leden. Bij staking van stemmen, is de stem van de voorzitter doorslaggevend. § 4 - De directie-generaal duidt een ambtenaar aan die belast wordt met het secretariaat. § 5. - Een lid van de commissie die in zijn persoon een objectieve reden tot wraking ziet, onthoudt er zich van om deel te nemen aan de stemming. Art. 70.De vergelijkende selecties voor de overgang naar het hogere niveau worden meegedeeld volgens de procedure vastgesteld in artikel 60, via een bekendmaking van vacante betrekking die met name bepaalt : 1° de functieomschrijving en het competentieprofiel;2° de taal van de selectie; 3°de voorwaarde voor deelname en de datum waarop deze vervuld moeten zijn; 4° de selectieprocedure met hierin de aard van de selectieproeven;5° de uiterste inschrijvingsdatum. Art. 71.De aanvraag voor deelname aan een vergelijkende selectie wordt gericht aan de directeur van de operaties. Hij gaat na of de kandidaat voldoet aan de voorwaarden voor deelname. Art. 72.De kandidaten worden opgeroepen ten minste acht kalenderdagen voor de datum van elke proef van de vergelijkende selectie. Art. 73.Indien de vergelijkende selectie voor de overgang naar het hogere niveau uit verschillende proeven bestaat, worden de ambtenaren die voor één of meerdere proeven geslaagd zijn, op hun verzoek, vrijgesteld van deze proef of deze proeven als zij nadien opnieuw deelnemen aan één of meerdere vergelijkende selecties van hetzelfde niveau. Zij kunnen het voordeel van de vrijstelling voor één of meerdere betrokken proeven slechts tweemaal inroepen. Art. 74.De kandidaten die ten minste 60 % van de punten behaald hebben voor de volledige vergelijkende selectie, worden verklaard geslaagd te zijn. Zij behouden onbeperkt het voordeel van hun uitslag. Art. 75.De geslaagden voor een vergelijkende selectie worden gerangschikt volgens de behaalde punten. Ingeval de vergelijkende selectie is opgesplitst in verschillende proeven, worden zij gerangschikt volgens de voor de bijzondere proef of proeven behaalde punten, overeenkomstig het selectiereglement dat opgesteld wordt bij toepassing van artikel 68. Art. 76.De geslaagden worden in de volgorde van hun rangschikking bevorderd tot de graad waarnaar ze hebben medegedongen en worden voor een vacante betrekking van die graad aangewezen. Wanneer de geslaagden van verschillende vergelijkende selecties naar dezelfde bevordering dingen, worden zij gerangschikt volgens de datum van de processen-verbaal van afsluiting, te beginnen met de verst afgelegen datum, en, voor elke vergelijkende selectie, in de volgorde van hun rangschikking. Afdeling 4. - De loopbaan van de beschermingsassistenten Art. 77.Onverminderd de artikelen 61, § 2 en 62, bekomt de ambtenaar die gedurende ten minste vijf jaar bezoldigd is in de weddenschaal C1, de weddenschaal C2. Art. 78.De ambtenaar met de graad van beschermingsassistent die een graadanciënniteit van ten minste twaalf jaar heeft, kan voor de bevordering tot de graad van inspecteur deelnemen aan een vergelijkende selectie voor de overgang tot het hogere niveau. Art. 79.De bevordering door overgang naar het hogere niveau tot de graad van inspecteur, gebeurt in de weddenschaal B2 van deze graad. Afdeling 5. - De loopbaan van de inspecteurs Onderafdeling 1. - Waardemetingen Art. 80.§ 1. De loopbaan van de inspecteur bestaat uit zeven waardemetingen die genummerd zijn van 1 tot 7 die de baremieke vormingen valideren die ermee overeenstemmen. De waardemeting is vier jaar geldig. § 2. De geldigheidsduur van een waardemeting vangt aan op de eerste dag van de maand die volgt op de inschrijving van de ambtenaar voor deze meting en ten vroegste bij het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorgaande waardemeting. § 3. De inspecteur die mislukt, kan zich pas opnieuw inschrijven voor een nieuwe waardemeting, ten vroegste na het verstrijken van de twaalfde maand die volgt op de inschrijving voor de initiële waardemeting waarvoor hij mislukte. Art. 81.De inspecteur die slaagt voor een waardemeting, ontvangt gedurende vier jaar de toelage bedoeld in artikel 231. Art. 82.De inspecteur die een waarderingstoelage ontvangt en die dezelfde graad behoudt, kan zich ten vroegste twaalf maanden vóór het einde van de geldigheidsduur van de vorige waardemeting inschrijven om deel te nemen aan een nieuwe waardemeting. Art. 83.De inspecteur die een waarderingstoelage ontvangt en die bevorderd wordt tot de graad van afdelingsinspecteur, kan zich onmiddellijk inschrijven voor de waardemeting nr. 6. Hij ontvangt niet langer de toelage, waarvan hij genoot voor zijn bevordering tot afdelingsinspecteur, vanaf de eerste dag van de maand die volgt op zijn benoeming tot die graad. Onderafdeling 2. - Bevordering door verhoging in weddenschaal Art. 84.Onverminderd de artikelen 61, § 2 en 62, bekomt de inspecteur, die gedurende ten minste drie jaar bezoldigd is in de weddenschaal B2 en die met vrucht de vereiste vorming heeft gevolgd en geslaagd is voor de potentieeltest, de weddenschaal B3. De inspecteur die niet slaagt in de potentieeltest kan zich opnieuw aanmelden ten vroegste zes maanden nadat is vastgesteld dat hij niet geslaagd is. Hij moet slagen voor de potentieeltest binnen de vijf jaren te rekenen vanaf de eerste test. Art. 85.Onverminderd de artikelen 61, § 2 en 62 bekomt de inspecteur die bezoldigd is in de weddenschaal B3 en die gedurende vier jaar de toelage voor de waardemeting nr. 3 heeft ontvangen, de weddenschaal B4a. Art. 86.Onverminderd de artikelen 61, § 2 en 62 bekomt de inspecteur die bezoldigd is in de weddenschaal B4a en die gedurende vier jaar de toelage voor de waardemeting nr. 5 heeft ontvangen, de weddenschaal B4b. Art. 87.Onverminderd de artikelen 61, § 2 en 62, bekomt de inspecteur die bezoldigd is in de weddenschaal B5 en die gedurende vier jaar de toelage voor de waardemeting nr. 7 heeft ontvangen, de weddenschaal B6. Onderafdeling 3. - Bevordering door verhoging in graad Art. 88.Onverminderd de artikelen 61, § 2 en 62, worden de inspecteurs, die bezoldigd worden in de weddenschaal B4a of B4b en die geslaagd zijn voor de bekwaamheidsproef, evenals de inspecteurs die ten minste acht jaar bezoldigd zijn in de weddenschaal B3 en voor zover ze geslaagd zijn voor de waardemetingen nr. 1 en nr. 2 en voor de bekwaamheidsproef, binnen de perken van de vacante betrekkingen, bevorderd tot de graad van afdelingsinspecteur. De bevordering gebeurt in de weddenschaal B5. De inspecteurs ontvangen een wachttoelage indien ze aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid voldoen en er geen enkele betrekking vacant is. De inspecteur die geslaagd is voor de bekwaamheidsproef kan zich, in afwachting van zijn benoeming, inschrijven voor de waardemeting nr. 6. Onderafdeling 4. - Overgang naar het hogere niveau Art. 89.De ambtenaren die ten minste bezoldigd worden in de weddenschaal B3 kunnen, voor de bevordering tot de graad van commissaris, deelnemen aan een vergelijkende selectie voor de overgang naar het hogere niveau. De bevordering tot commissaris door overgang naar het hogere niveau gebeurt in de weddenschaal A2 van deze graad. Afdeling 6. - De loopbaan van de commissarissen Onderafdeling 1. - Waardemetingen Art. 90.§ 1. De loopbaan van commissaris bestaat uit vijf waardemetingen die genummerd zijn van 1 tot 5 die de baremieke vormingen valideren die ermee overeenstemmen. De waardemeting is vier jaar geldig. § 2. De geldigheidsduur van een waardemeting vangt aan op de eerste dag van de maand die volgt op de inschrijving van de ambtenaar voor deze meting en ten vroegste bij het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorgaande waardemeting. § 3. De commissaris die mislukt, kan zich pas opnieuw inschrijven voor een nieuwe waardemeting, ten vroegste na het verstrijken van de twaalfde maand die volgt op de inschrijving voor de initiële waardemeting waarvoor hij mislukte. Art. 91.De commissaris die slaagt voor de waardemeting, ontvangt gedurende vier jaar de toelage bedoeld in artikel 232. Art. 92.De commissaris die een waarderingstoelage ontvangt en die dezelfde graad behoudt, kan zich ten vroegste twaalf maanden vóór het einde van de geldigheidsduur van de vorige waardemeting inschrijven om deel te nemen aan een nieuwe waardemeting. De commissaris die geniet van een waardemeting en die bevorderd werd tot de graad van afdelingscommissaris, bekomt niet langer de toelage waarvan hij genoot, vanaf de eerste dag van de maand die volgt op zijn bevordering. Onderafdeling 2. - Bevordering door verhoging in weddenschaal Art. 93.Onverminderd de artikelen 61, § 2 en 62, bekomt de ambtenaar die gerekruteerd is in de graad van commissaris, die gedurende ten minste drie jaar bezoldigd is in de weddenschaal A2 en die met vrucht de vereiste vorming heeft gevolgd en geslaagd is voor de potentieeltest, de weddenschaal A3. Art. 94.Onverminderd de artikelen 61, § 2 en 62, bekomt de ambtenaar die bevorderd is tot de graad van commissaris, die gedurende ten minste één jaar bezoldigd is in de weddenschaal A2 en die met vrucht de vereiste vorming heeft gevolgd en geslaagd is voor de potentieeltest, de weddenschaal A3. Art. 95.Indien de commissaris niet slaagt voor de potentieeltest, behoudt hij zijn weddenschaal A2. Hij kan opnieuw deelnemen aan de potentieeltest ten vroegste zes maanden nadat is vastgesteld dat hij niet geslaagd is. Hij moet slagen voor de potentieeltest binnen de vijf jaar te rekenen vanaf de eerste test. Art. 96.Onverminderd de artikelen 61, § 2 en 62, bekomt de commissaris die bezoldigd is in de weddenschaal A3 en die gedurende vier jaar de toelage voor de waardemeting nr. 3 heeft ontvangen, binnen de perken van de vacante betrekkingen, de weddenschaal A4a. De commissarissen ontvangen een wachttoelage indien zij voldoen aan de voorwaarden tot het bekomen van de weddenschaal A4a bedoeld in het eerste lid lid 1, en er geen enkele betrekking vacant is. De commissarissen bedoeld in het eerste lid kunnen zich, in afwachting dat ze titularis van de weddenschaal A4a worden, inschrijven voor de waardemeting n° 4. Art. 97.Onverminderd de artikelen 61, § 2 en 62, bekomt de commissaris die bezoldigd is in de weddenschaal A4a en die gedurende vier jaar de toelage voor de waardemeting nr. 5 heeft ontvangen, de weddenschaal A4b. Onderafdeling 3. - Bevordering door verhoging in graad Art. 98.Onverminderd de artikelen 61, § 2 en 62, worden de commissarissen die bezoldigd zijn in de weddenschaal A4a of A4b en geslaagd zijn voor de bekwaamheidsproef, evenals de commissarissen die ten minste acht jaar bezoldigd zijn in de weddenschaal A3 en voorzover ze geslaagd zijn voor de waardemetingen nr. 1 en nr. 2 en voor de bekwaamheidsproef, binnen de perken van de vacante betrekkingen, bevorderd tot de graad van afdelingscommissaris. De bevordering gebeurt in de weddenschaal A5. De commissarissen ontvangen een wachttoelage, indien zij aan de voorwaarden tot bevordering in de graad van afdelingscommissaris bedoeld in het eerste lid voldoen en er geen enkele betrekking vacant is. Art. 99.Onverminderd de artikelen 61, § 2 en 62, wordt de afdelingscommissaris, die ten minste vijf jaar bezoldigd is in de weddenschaal A5 en die geslaagd is voor de selectie, bevorderd tot de graad van commissaris-generaal. De bevordering gebeurt in de weddenschaal A6. Afdeling 7. - De aanstelling tot een hoger ambt Art. 100.§ 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder hoger ambt verstaan elk ambt van niveau A voorzien in het personeelsplan en aangewezen door de Minister van Justitie. § 2. Het feit alleen dat een betrekking open staat of tijdelijk niet door haar titularis waargenomen wordt, is geen voldoende reden om die betrekking voorlopig te verlenen. De hoogdringendheid om erin te voorzien moet worden vastgesteld. § 3. Alleen een ambtenaar die voldoet aan de statutaire vereisten om tot de hogere graad of tot het hoger ambt te worden benoemd of om per mandaat te worden aangesteld in het hoger ambt, kan aangesteld worden voor de uitoefening van deze functie. Bij gebrek aan een ambtenaar die de statutaire voorwaarden vervult, kan een ander ambtenaar bij een met redenen omklede aanstellingsakte worden aangewezen. De ambtenaar die geschorst of in graad teruggezet is, mag niet aangesteld worden voor het uitoefenen van een hoger ambt vooraleer zijn straf uitgewist is. § 4. Een aanwijzing voor het uitoefenen van een hoger ambt om te voorzien in een definitieve openstaande betrekking kan slechts geschieden op voorwaarde dat de procedure tot definitieve toekenning van die betrekking wordt ingezet. § 5. De aanstelling geschiedt door de Minister van Justitie op voorstel van het directiecomité van de Veiligheid van de Staat. § 6. Er kan in een openstaande of in een tijdelijke niet waargenomen betrekking niet voor langer dan zes maanden worden voorzien door aanstelling voor het uitoefenen van een hoger ambt. Indien de betrekking niet definitief open staat, kan pas tot een verlenging of een nieuwe aanstelling worden beslist overeenkomstig § 5. De duur van de verlenging wordt bepaald volgens de behoeften van de dienst. Indien de betrekking definitief open staat, kan pas tot een verlenging of een nieuwe aanstelling worden beslist overeenkomstig § 5, nadat de Minister van Justitie vastgesteld heeft dat de procedure tot definitieve toekenning van de betrekking normaal verloopt. De duur van de verlenging of van de aanstelling mag zes maanden niet overschrijden. HOOFDSTUK IV. - De mandaten Afdeling 1. -
Art. 101
.Het mandaat is een tijdelijke aanwijzing voor vijf jaar in één van de in artikel 102 bedoelde ambten. Het mandaat kan éénmaal worden hernieuwd, voor zover de evaluatie van de ambtenaar niet geleid heeft tot een vermelding « onvoldoende » en voor zover er een gunstig gemotiveerd advies van de directie-generaal is. Art. 102.Binnen de buitendiensten worden volgende ambten bij mandaat toegewezen : 1° directeur van de operaties;2° afdelingscommissaris verantwoordelijk voor een bijzondere eenheid. Art. 103.Tijdens het mandaat oefenen de ambtenaren hun taken voltijds uit. Zij kunnen geen aanspraak maken op : 1° verlof voor loopbaanonderbreking, behalve indien dit een ouderschapsverlof betreft, de palliatieve verzorging en de zorgen in geval van ernstige ziekte;2° verlof voor een stage of een proefperiode in een andere betrekking van een overheidsdienst;3° vrijstelling voor vorming;4° verlof om mindervaliden en zieken te vergezellen en bij te staan;5° verlof voor opdracht van algemeen belang;6° de toelating om zijn functies uit te oefenen met verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheid;7° afwezigheid van lange duur voor persoonlijke aangelegenheden;8° het voordeel van de wet van 10 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1995 pub. 17/04/2013 numac 2013000222 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector. Art. 104.§
- Voor iedere aanwijzing voor een mandaat wordt een opdrachtbrief opgesteld. §
- Binnen de maand volgend op hun aanwijzing, maken de gemandateerde ambtenaren een ontwerp van opdrachtbrief over aan de directie-generaal. De opdrachtbrief bepaalt de te bereiken doelstellingen, rekening houdend met de ter beschikking gestelde middelen, en de te ondernemen acties. Binnen de maand volgend op de behoorlijk vastgestelde ontvangst van het ontwerp van opdrachtbrief, keurt de directie-generaal deze brief goed na overleg met de gemandateerde ambtenaar. §
- Indien nodig wordt de opdrachtbrief in onderlinge overeenstemming aangepast. Dit gebeurt op basis van een ontwerp tot aanpassing dat de gemandateerde ambtenaar opstelt binnen de maand die volgt op een functioneringsgesprek zoals bepaald bij artikel
- Het ontwerp tot aanpassing wordt voorgelegd aan de directie-generaal die het goedkeurt binnen de maand die volgt op de behoorlijk vastgestelde ontvangst van het ontwerp tot aanpassing. §
- De gemandateerde ambtenaar die geen opdrachtbrief heeft opgesteld binnen de voorgeschreven termijn of die geen ontwerp tot aanpassing heeft opgesteld binnen de voorgeschreven termijn, wordt verondersteld te verzaken aan zijn mandaat. Art. 105.Het mandaat wordt van rechtswege beëindigd na afloop van de termijnen zoals bedoeld in artikel 101 of wanneer de ambtenaar de leeftijd van 65 jaar bereikt heeft. Het mandaat kan verlengd worden met maximaal zes maanden tot de aanvang van het mandaat van zijn opvolger. Art. 106.Indien de gemandateerde ambtenaar vraagt om zijn mandaat te beëindigen, is een opzegging van zes maanden vereist. Deze opzegtermijn kan verkort worden in onderling akkoord met de Minister van Justitie en na advies van de directie-generaal. Art. 107.Indien de evaluatie van de gemandateerde ambtenaar leidt tot de vermelding « onvoldoende », wordt het mandaat beëindigd op de eerste dag van de maand volgend op deze waarin de vermelding werd toegekend. Art. 108.Het mandaat wordt beëindigd indien niet voldaan wordt aan de rechten en plichten bedoeld in titel II van het eerste deel van dit besluit, en bij feiten of handelingen die afbreuk doen aan de waardigheid van de functie, zelfs indien ze buiten de uitoefening van de functie gesteld worden. Afdeling
- - Toewijzing van het mandaat van afdelingscommissaris verantwoordelijk voor een bijzondere eenheid Art. 109.De directie-generaal maakt de vacante betrekking van afdelingscommissaris verantwoordelijk voor een bijzondere eenheid bekend via een bericht aan de ambtenaren. De directie-generaal bepaalt de functiebeschrijving, het competentieprofiel en de doelstellingen die tijdens het mandaat moeten worden verwezenlijkt conform het strategisch plan van de Veiligheid van de Staat. Het bericht bepaalt de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen bij de administrateur-generaal. Hij maakt de kandidaturen over aan de selectiecommissie. Art. 110.Om zich kandidaat te kunnen stellen, moeten de ambtenaren titularis zijn van de graad van afdelingscommissaris. Art. 111.In hun kandidaatstelling moeten de kandidaten hun titels en verdiensten voorleggen. Ook moeten zij een beschrijving geven van hun zienswijze op de doelstellingen van het mandaat die ze overeenkomstig het strategisch plan van de Veiligheid van de Staat moeten verwezenlijken. Art. 112.§
- Het dossier van de kandidaten wordt voorgelegd aan een selectie - en evaluatiecommissie. De leden van de commissie worden aangeduid door de Minister van Justitie op voorstel van de directie-generaal, zijnde : 1° de administrateur-generaal of de adjunct-administrateur-generaal of hun gemachtigde, voorzitter;2° de gemandateerde directeur van de operaties of, bij afwezigheid, een commissaris-generaal die het mandaat van directeur van de operaties heeft uitgeoefend;3° twee leden die niet behoren tot de Veiligheid van de Staat en die omwille van hun deskundigheid op het vlak van de inlichtingen gekozen zijn uit de leden van de wetenschappelijke raad van de dienst vorming en ontwikkeling, bedoeld in artikel 139, § 3;4° een plaatsvervanger voor elk van de effectieve leden;ze worden tezelfdertijd als de effectieve leden aangeduid. Binnen de categorie van de effectieve en de plaatsvervangende leden bedoeld in het eerste lid, 3°, wordt het taalevenwicht verzekerd. Tot welke taalgroep de leden behoren wordt bepaald door de taal van het certificaat of het diploma op het einde van de studies die in aanmerking worden genomen voor de beoordeling van de competenties die nodig zijn voor de taak van deskundige. De effectieve en plaatsvervangende leden bedoeld in het eerste lid, 2° behoren tot de andere taalgroep dan de effectieve en de plaatsvervangende leden bedoeld in het eerste lid, 1°; hun taalrol bepaalt tot welke taalgroep zij behoren. §
- Wanneer een betrekking van afdelingscommissaris verantwoordelijk voor een bijzondere eenheid vacant verklaard wordt voor kandidaten van beide taalrollen, dient de voorzitter van de commissie hetzij de kennis van de tweede taal bewezen te hebben overeenkomstig artikel 43, § 3, derde lid van de wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, hetzij te worden bijgestaan door een personeelslid die deze kennis heeft bewezen. §
- De commissie bestudeert de dossiers van de kandidaten die zijn toegelaten. Na een beoordeling van de titels en de verdiensten die betrekking hebben op de doelstellingen van het mandaat en na een onderhoud, worden de kandidaten ingedeeld ofwel in groep A, voor zij die geschikt zijn, ofwel in groep B, voor zij die niet geschikt zijn. In de groep A worden de kandidaten gerangschikt. De indeling in de groep A en B evenals de rangschikking in de groep A worden gemotiveerd. De indeling in groep A blijft zes jaar geldig. §
- De commissie kan slechts tot de deliberatie overgaan voor zover de meerderheid van de leden aanwezig is en elke taalgroep vertegenwoordigd is. Enkel de leden van de commissie die hebben deelgenomen aan het onderhoud met de kandidaten mogen deelnemen aan de deliberatie met het oog op het indelen van de kandidaten in de groepen A of B, of met het oog op hun rangschikking in de groep A. Geen enkel lid mag zich onthouden. Een lid van de commissie die in zijn persoon een objectieve reden tot wraking ziet, onthoudt er zich evenwel van om deel te nemen aan de stemming. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. Art. 113.De kandidaten worden ingelicht over hun indeling in groep A of B en hun rangschikking in groep A. Art. 114.De Minister van Justitie gaat over tot de aanwijzing voor het mandaat van afdelingscommissaris verantwoordelijk voor een bijzondere eenheid, volgens de rangschikking in groep A. Afdeling 3 - Toewijzing van het mandaat van directeur van de operaties Art. 115.De directeur van de operaties wordt door de Koning aangewezen op voorstel van de Minister van Justitie en na een gemotiveerd advies van de directie-generaal. Art. 116.Om te worden aangewezen voor het mandaat van directeur van de operaties, moet de kandidaat voldoen aan volgende voorwaarden : 1° titularis zijn van de graad van commissaris-generaal;2° geslaagd zijn voor de selectie ad hoc dat gericht is op de evaluatie van de geschiktheid om het geheel van de buitendiensten te leiden. De geslaagden voor de selectie bedoeld in het eerste lid, 2° behouden het voordeel van hun uitslag gedurende zes jaar. Art. 117.De Minister van Justitie maakt de vacante betrekking van directeur van de operaties bekend via een bericht aan de ambtenaren. De directie-generaal bepaalt de functiebeschrijving, het competentieprofiel en de doelstellingen die tijdens het mandaat moeten worden verwezenlijkt conform het strategisch plan. Het bericht bepaalt de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen bij de administrateur-generaal. Hij maakt de kandidaturen over aan de selectiecommissie. Art. 118.§
- De leden van de selectiecommissie worden aangewezen door de Minister van Justitie op voorstel van de directie-generaal, zijnde : 1° de afgevaardigd beheerder van SELOR of zijn afgevaardigde, voorzitter;2° de adjunct-administrateur-generaal of, bij afwezigheid, de administrateur-generaal of een oud -adjunct-administrateur-generaal;3° de gemandateerde directeur van de operaties die de hernieuwing van zijn mandaat niet heeft gevraagd of wiens tweede mandaat ten einde loopt, of, bij afwezigheid, de commissaris-generaal die de functies van directeur van de operaties heeft uitgeoefend of een ere -commissaris -generaal;4° twee deskundigen van de ondersteuningscel, in het bijzonder op het gebied van management en operationele strategie;5° een lid van de wetenschappelijke raad van de dienst vorming en ontwikkeling omwille van zijn deskundigheid op het vlak van de inlichtingen;6° een ambtenaar van SELOR- Selectiebureau van de Federale Overheid, aangewezen door zijn afgevaardigd bestuurder;7° De Minister van Justitie stelt tezelfdertijd en onder dezelfde voorwaarden voor elke categorie van effectieve leden een plaatsvervanger aan. §
- De selectiecommissie bedoeld in § 1 is samengesteld met eerbied voor de taalpariteit. Bij gebrek aan een taalrol, bepaalt de taal van het certificaat of het diploma op het einde van de studies die in aanmerking worden genomen voor de beoordeling van de competenties die nodig zijn voor de taak van deskundige, tot welke taalgroep men behoort. §
- De selectiecommissie kan slechts de proef bedoeld in artikel 116, eerste lid, 2° afnemen en delibereren voor zover de meerderheid van de leden aanwezig is en de taalpariteit gerespecteerd is. Art. 119.Aan het einde van de selectie worden de geschikte kandidaten ingedeeld in groep A en de ongeschikte kandidaten in groep B. Deze indeling wordt gemotiveerd. De selectiecommissie stelt een gemotiveerde rangschikking op van de kandidaten van groep A. Art. 120.Enkel de leden van de selectiecommissie die de selectie van de kandidaten hebben uitgevoerd, mogen deelnemen aan de deliberatie voor de indeling van de kandidaten in groep A of B met het oog op hun rangschikking in groep A. Geen enkel lid mag zich onthouden. Een lid van de commissie die in zijn persoon een objectieve reden tot wraking ziet, onthoudt er zich evenwel van om deel te nemen aan de stemming. Bij staking van stemmen is de stem