Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen

In het kort

Dit besluit regelt het administratief statuut en de bezoldiging van ambtenaren die werken bij instellingen van openbaar nut in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het doel is om een uniforme regeling te creëren voor deze ambtenaren.

Wat het reguleert

  • Het administratief statuut van ambtenaren.
  • De bezoldigingsregeling van ambtenaren.
  • De voorwaarden voor het toekennen van toelagen en vergoedingen.
  • Bepalingen over verloven en afwezigheden.

Wie het betreft

  • Ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  • Personeelsleden die werkzaam zijn bij specifieke Brusselse instellingen zoals het Brussels Instituut voor Milieubeheer en de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling.

Kernpunten

  • Het besluit is gebaseerd op diverse wetten en koninklijke besluiten, waaronder de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op instellingen van openbaar nut.
  • Het omvat regels voor toelagen wegens buitengewone prestaties en vergoedingen voor verblijfskosten.
  • Er zijn bepalingen voor verloven wegens persoonlijke aangelegenheden en afwezigheden van lange duur om familiale redenen.
  • Het regelt de bezoldiging en het statuut van personeel van onder andere het Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest en de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij.
Wettekst
Wettekst
Obsah (9)Artikel 1Art. 25Art. 32Art. 57Art. 77Art. 81Art. 97Art. 119Art. 143

26 SEPTEMBER 2002. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Bru

Artikel 1

.Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder : 1° de instellingen : de instellingen van openbaar nut van catégorie A en van categorie B van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;

  1. a)de instellingen van categorie A : de instellingen behorende tot categorie A volgens de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut;
  2. b)de instellingen van categorie B : de instellingen behorende tot categorie B volgens dezelfde wet;2° de Regering : de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;3° de minister : de Minister bevoegd voor Ambtenarenzaken;4° de functioneel bevoegde minister : de minister of staatssecretaris waarvan een instelling van openbaar nut afhangt krachtens de bevoegdheden die hij uitoefent;5° de benoemende overheid : 1.in de instellingen behorende tot categorie A :
  3. a)De Regering voor de graden van niveaus A en B;
  4. b)de functioneel bevoegde minister voor de graden van niveau C tot E;2. in de instellingen behorende tot categorie B :
  5. a)de Regering voor de graden van rangen A4, A4+ en A5;
  6. b)de raad van bestuur of het beheerscomité voor de graden van rangen A1, A2 en A3 alsook voor de graden van niveaus B tot E;6° vakorganisaties : de representatieve vakorganisaties die zetelen in Sectorcomité XV in uitvoering van artikel 8, § 1, van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. Art. 2.§ 1. Dit besluit is van toepassing voor de ambtenaren van de volgende instellingen : 1° Instellingen van categorie A : - Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest; - Brussels Instituut voor Milieubeheer; - Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp; 2° Instellingen van categorie B : - Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij; - Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling; - Gewestelijke vennootschap van de Haven van Brussel. § 2. Voor wat betreft de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, is dit besluit enkel van toepassing op de ambtenaren titularis van een van de graden bepaald door dit besluit TITEL II. - De organisatie van de instellingen van openbaar nut HOOFDSTUK I. - De ambtenaren Art. 3.Ambtenaar is elkeen die in vast dienstverband is in een instelling. De ambtenaar valt onder de bepalingen van dit statuut. Aan de statutaire toestand van de ambtenaar kan alleen een einde worden gemaakt in de gevallen voorzien door de statutaire bepalingen die op hem toepasselijk zijn. De rechten en plichten bepaald in de artikelen 4 tot 8 van het koninklijk besluit van 22 december 2000Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/12/2000 pub. 09/01/2001 numac 2000002114 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen sluiten tot vaststelling van de Algemene Principes, zijn op hem van toepassing. Art. 4.De ambtenaren van de instellingen worden benoemd in graden. HOOFDSTUK II. - De graden Art. 5.De graad is de titel op grond waarvan de ambtenaar met een rang bekleed is en waardoor hij gemachtigd is een betrekking in te nemen die met deze graad overeenstemt. De graden worden gerangschikt per niveau en per rang. Het niveau van een graad bepaalt de plaats van die graad in de hiërarchie volgens de kwalificatie van de vorming en de geschiktheid waarvan blijk moet gegeven opdat die graad kan worden toegekend. De rang bepaalt de betrekkelijke waarde van een graad in zijn niveau. Art. 6.Elke rang wordt aangeduid met een letter gevolg door een cijfer; de letter verwijst naar het niveau; het cijfer plaatst de rang binnen het niveau. Het hoogste cijfer stemt overeen met de hoogste rang. De rangen worden als volgt verdeeld onder de niveaus : 1° in niveau A, zes rangen, nl.de rangen A1, A2, A3, A4, A4+ en A5; 2° in niveau B, twee rangen, nl.de rangen B1 en B2; 3° in niveau C, twee rangen, nl.de rangen C1 en C2; 4° in niveau D, twee rangen, nl.de rangen D1 en D2; 5° in niveau E, twee rangen, nl.de rangen E1 en E2. Het niveau A is het hoogste niveau. Art. 7.De volgende graden worden gecreëerd : in rang A5 : directeur-generaal; in rang A4+ : adjunct-directeur-generaal; in rang A4 : directeur-diensthoofd; in rang A3 : directeur; wetenschappelijk directeur; ingenieur-directeur; in rang A2 : eerste attaché; eerste wetenschappelijk attaché; eerste ingenieur; havenkapitein; in rang A1 : attaché; wetenschappelijk attaché; ingenieur; geneesheer; in rang B2 : eerste assistent; in rang B1 : assistent; in rang C2 : eerste adjunct; in rang C1 : adjunct; in rang D2 : eerste klerk; in rang D1 : klerk; in rang E2 : eerste beambte; in rang E1 : beambte. HOOFDSTUK III. - De personeelsformatie Art. 8.De personeelsformatie drukt het aantal betrekkingen per niveau, rang en graad uit dat noodzakelijk wordt geacht om de permanente opdrachten van de instelling uit te voeren. Art. 9.De Regering stelt de personeelsformatie vast en verdeelt, op voorstel van de directieraad, de betrekkingen van eerste attaché van rang A2 in kaderbetrekkingen, expertbetrekkingen en expertbetrekkingen van hoog niveau In de instellingen van categorie B, brengt het beheerscomité of de raad van bestuur een advies uit omtrent het personeelskader en de verdeling bedoeld in het eerste lid. Voor de toepassing van dit artikel dient te worden verstaan onder : 1° kaderbetrekking : een betrekking waarbij de klemtoon ligt op het beheer van een onderdeel van de dienst waaraan de titularis wordt toegewezen;2° expertbetrekking : een betrekking waarbij de klemtoon ligt op de algemene kennis van de behandelde materie die vereist is voor het uitoefenen van de betrekking;3° expertbetrekking van hoog niveau : een betrekking waarbij de klemtoon ligt op de grondige gespecialiseerde kennis van de behandelde materie die vereist is voor het uitoefenen van de betrekking. Art. 10.De dienst belast met het "human resources management", afgekort als HRM stelt de functiebeschrijvingen op en legt ze ter goedkeuring voor aan de directieraad. Aan iedere functiebeschrijving worden de kwalificaties toegevoegd. Er dient onder kwalificaties te worden verstaan het geheel van kennis en vaardigheden die vereist zijn om de functie uit te oefenen. Art. 11.De directieraad stelt het organigram vast. Het organigram van de instelling, evenals elke wijziging die er wordt aan aangebracht, wordt bij wijze van dienstnota aan alle personeelsleden medegedeeld. HOOFDSTUK IV. - De leidende ambtenaren Art. 12.De leidende ambtenaren zijn de leidende ambtenaar en de adjunct-leidende ambtenaar die respectievelijk de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal zijn. Art. 13.De leidende ambtenaren kunnen binnen de perken van hun bevoegdheden voor de instellingen van categorie A of binnen de perken van hun organieke bepalingen voor de instellingen van categorie B, hun bevoegdheden geheel of gedeeltelijk delegeren aan de ambtenaren van niveau A en B die zij aanwijzen HOOFDSTUK V. - De directieraad Art. 14.De directieraad bestaat uit de leidende ambtenaren en de ambtenaren van rang A4; deze kan worden aangevuld door ambtenaren van rang A3 aangewezen door de benoemende overheid. De directieraad wordt voorgezeten door de directeur-generaal of, bij afwezigheid of verhindering, door de adjunct-directeur-generaal. Indien beiden afwezig of verhinderd zijn, wordt de directieraad voorgezeten door het lid aangewezen door de directeur-generaal of door de adjunct-directeur-generaal. Art. 15.De directieraad stelt zijn huishoudelijk reglement vast. Art. 16.De directieraad is belast met de opdrachten die dit statuut hem toekent. Bij de directieraad kan elke aangelegenheid die betrekking heeft op de organisatie van de instelling aanhangig gemaakt worden voor advies door één van haar leden. HOOFDSTUK VI. - De gemeenschappelijke commissie van beroep inzake ambtenarenzaken Afdeling 1. - Opdracht en samenstelling van de commissie Art. 17.Voor de instellingen wordt een gemeenschappelijke commissie van beroep opgericht. Art. 18.De commissie bedoeld in artikel 17 is bevoegd voor de beroepen inzake stage, evaluatie, afwezigheden, verloven, disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid. Art. 19.De commissie bestaat uit : 1° een effectieve en een plaatsvervangende voorzitter, magistraten of op rust gestelde magistraten, aangewezen door de Regering;2° per taalrol, drie leden gekozen onder de ambtenaren van ten minste rang A2 aangewezen door de Regering;3° per taalrol, drie leden die de vakorganisaties vertegenwoordigen door deze aangewezen. De plaatsvervangende leden worden op dezelfde wijze aangewezen : per taalrol drie ambtenaren van ten minste rang A2 en drie vertegenwoordigers van de vakorganisaties. De minister bepaalt de vergoeding toegekend aan de voorzitter of de plaatsvervangende voorzitter van de commissie bedoeld in artikel 17. Afdeling 2. - De werking van de commissie Art. 20.De commissie vergadert in afdelingen per taalrol. De Regering wijst onder de ambtenaren van de instellingen een secretaris en een plaatsvervangend secretaris aan voor elke afdeling. Art. 21.De verenigde afdelingen stellen een gemeenschappelijk huishoudelijk reglement op. Art. 22.Elke afdeling van de commissie beraadslaagt slechts geldig indien de meerderheid van de leden aanwezig is. Tijdens de stemming moet het aantal leden aangewezen door de Regering en aangewezen door de vakorganisaties gelijk zijn; in voorkomend geval, wordt de pariteit hersteld door uitschakeling van één of meerdere leden, na loting. Art. 23.Elk lid van de commissie, met inbegrip van de voorzitter, is stemgerechtigd. HOOFDSTUK VII De Hoge Raad voor Gewestelijke Ambtenarenzaken Art. 24.De Hoge Raad voor Gewestelijke Ambtenarenzaken, afgekort als de Hoge Raad, opgericht bij artikel 24 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is eveneens bevoegd ten overstaan van de ambtenaren onderworpen aan dit statuut. De Hoge Raad oefent de opdrachten uit die dit besluit hem toekent. De Regering kan hem met bijkomende bevoegdheden belasten. TITEL III. - De werving, de stage en de benoeming HOOFDSTUK I. - De werving Afdeling 1. -

Art. 25

.Een vacante betrekking wordt toegewezen aan een kandidaat van de interne mobiliteit, een laureaat van een vergelijkend overgangsexamen naar een hoger niveau of een laureaat van een vergelijkend wervingsexamen Art. 26.Vergelijkende wervingsexamens worden georganiseerd voor de graden van rang A1, B1, C1, D1 en E1 alsmede voor de graad van havenkapitein van rang A

  1. Worden beschouwd als wervingsgraden : in niveau A, Rang A2 : havenkapitein; Rang A1 : attaché; wetenschappelijk attaché; ingenieur; geneesheer; in niveau B, rang B1 : assistent; in niveau C, rang C1 : adjunct; in niveau D, rang D1 : klerk; in niveau E, rang E1 : beambte. Art. 27.In de instellingen van categorie A worden de vergelijkende wervingsexamens georganiseerd op aanvraag van de functioneel bevoegde minister. In de instellingen van categorie B worden de vergelijkende wervingsexamens georganiseerd op aanvraag van de benoemende overheid. Art. 28.De functioneel bevoegde minister, wat betreft de instellingen van categorie A, of de benoemende overheid wat betreft de instellingen van categorie B, bepaalt of er al dan niet een reserve van geslaagden wordt aangelegd. Als er een reserve aangelegd wordt, worden de laureaten die niet benoemd konden worden daarin opgenomen. De reserve heeft een geldigheidsduur van drie jaar. De functioneel bevoegde minister of de overheid bedoeld in het eerste lid kan na raadpleging van de afgevaardigde-bestuurder van SELOR - Selectiebureau van de federale overheid (afgekort : SELOR) een andere duur bepalen. Hij licht de kandidaten terzake in. De functioneel bevoegde minister of de overheid bedoeld in het eerste lid kan ook de duur van een bestaande reserve met telkens een jaar verlengen indien de behoeften van de diensten dit rechtvaardigen. Hij licht de laureaten terzake in. Art. 29.Na overleg met de afgevaardigde bestuurder van SELOR en met de functioneel bevoegde minister in de instellingen van categorie A of met de benoemende overheid in de instellingen van categorie B, bepaalt de minister : 1° de functiebeschrijving van de betrekking(en) overeenstemmend met de wervingsgraad en de vereiste kwalificatie van de te werven ambtenaren;2° het programma van het vergelijkende wervingsexamen. Eveneens na overleg met de afgevaardigde bestuurder van SELOR, kan de functioneel bevoegde minister of de overheid bedoeld in het eerste lid : 1° specifieke wervingsvoorwaarden opleggen wanneer de aard van het ambt het vereist;2° nader bepalen welke diploma's in het bijzonder toegang verlenen tot het ambt waarvoor een vergelijkend wervingsexamen wordt uitgeschreven. Art. 30.Wanneer een vacante betrekking bij een instelling van categorie A moet worden ingevuld door een laureaat van een vergelijkend wervingsexamen, richt de functioneel bevoegde minister of de ambtenaar die hij daartoe aanwijst, een verzoek in deze zin aan de afgevaardigde bestuurder van SELOR. De functioneel bevoegde minister of de ambtenaar die hij daartoe aanwijst, roept de aangewezen kandidaat in dienst uiterlijk de eerste dag van de tweede maand volgend op die waarin de afgevaardigde bestuurder van SELOR de geslaagde ter beschikking heeft gesteld van de instelling. In de instellingen van de categorie B wordt de bevoegdheid bedoeld in het eerste en tweede lid uitgeoefend door de benoemende overheid of door de ambtenaar die laatstgenoemde daartoe machtigt. Wanneer de geslaagde bij zijn werkgever een opzeggingstermijn moet eerbiedigen, wordt hij in dienst geroepen de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van deze termijn. Afdeling
  2. - De werving van de leidende ambtenaar en van de adjunct-leidende ambtenaar Art. 31.De Regering kan conform de respectieve organieke bepalingen van de diverse instellingen de mandaten van de rangen A4+ en A5 openstellen voor elkeen die voorwaarden inzake vereiste diploma vervult om te worden aangeworven in een graad van niveau A. De Hoge Raad brengt een advies uit overeenkomstig het artikel
  3. De Regering bepaalt de toewijzingsmodaliteiten tot het mandaat en kan bijkomende voorwaarden toevoegen. De Regering bepaalt eveneens de te volgen regels en de vergoedingen die toegekend worden ingeval het mandaat beëindigd wordt om ongeacht welke reden. HOOFDSTUK II. - De stage Afdeling
  4. -

Art. 32.De stagiair is geen ambtenaar in de zin van dit besluit.

Overeenkomstig artikel 9, § 4, lid 3, van het koninklijk besluit van 22 december 2000Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/12/2000 pub. 09/01/2001 numac 2000002114 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen sluiten tot bepaling van de Algemene Principes, zijn op de stagiaire toepasselijk de volgende statutaire bepalingen : 1° de rechten, plichten, onverenigbaarheden en cumulatie van activiteiten;2° de tuchtregeling;3° de administratieve standen;4° de geldelijk statuut; 5° het ambtshalve verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en de definitieve ambtsneerlegging.; 6° de gemiddelde maximumarbeidsduur. De stagiair geniet van : 1° het jaarlijks vakantieverlof;2° de feestdagen;3° het omstandigheidsverlof;4° het bevallingsverlof;5° het verlof wegens ziekte;6° de disponibiliteit wegens ziekte;7° verloven om in geval van ernstige ziekte of ongeval een persoon bij te staan die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont;8° het verlof voor detachering bij een ministerieel kabinet;9° het verlof om een politiek mandaat uit te oefenen. Voor de toepassing van dit artikel wordt de stagiair geacht de graad te bezitten waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Art. 33.§

  1. De minister stelt de ambten en graden vast waarvoor er een bepaalde medische geschiktheid vereist is en geeft de gevergde geschiktheid nauwkeurig aan. §
  2. In de gevallen waarin een onderzoek naar de lichamelijke geschiktheid is voorgeschreven volgens het koninklijk besluit van 13 mei 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 13/05/1999 pub. 14/07/1999 numac 1999002110 bron ministerie van ambtenarenzaken ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot regeling van het medisch toezicht op het personeel van sommige overheidsdiensten sluiten tot regeling van het medisch toezicht op het personeel van sommige overheidsdiensten, kan de geslaagde slechts tot benoeming worden toegelaten wanneer hij zich voor het onderzoek heeft aangemeld; de bedoeling daarvan is te bepalen of de betrokkene geschikt is om het ambt uit te oefenen waarvoor hij zich kandidaat gesteld heeft. Indien hij niet aan de geschiktheidsvoorwaarden voldoet, wordt hij ontslagen. Ten laatste op de datum van dit ontslag wordt met de betrokkene een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde duur afgesloten. Deze duur is gelijk aan de minimumduur die in zijn geval wordt opgelegd om het voordeel van werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Wanneer hij op de datum waarop deze overeenkomst begint te lopen arbeidsongeschikt is of wanneer hij dat wordt tijdens de uitvoering ervan, wordt hem in het eerste geval een wedde uitbetaald gedurende zes maanden en in het tweede geval gedurende de periode nodig om de wachttijd te dekken voor de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen. Art. 34.In de instellingen van categorie A laat de Regering de kandidaat voor een betrekking van niveau A of B toe tot de stage. De functioneel bevoegde minister of zijn gemachtigde laat de kandidaat voor een betrekking van niveau C, D of E tot de stage toe. In de instellingen van categorie B, laat de benoemende overheid de kandidaat voor een betrekking toe tot de stage. Art. 35.Wanneer de stagiair buiten de verloven bedoeld in artikel 32 derde lid, 1° tot 3° en 7°, tien werkdagen gewettigde afwezigheid overschrijdt, wordt de stage geschorst. Tijdens de schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair. Hij behoudt deze eveneens tot de datum waarop een definitieve beslissing omtrent zijn benoeming of afdanking wordt genomen. Art. 36.De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal wijzen de stagiair voorlopig aan voor een met zijn kwalificatie overeenstemmende vacante betrekking bij de dienst waar deze laatste zijn stage zal volbrengen. Zij kunnen deze aanwijzing veranderen : 1° in het belang van de dienst;2° op aanvraag van de stagiair. Art. 37.De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal wijzen de ambtenaren van ten minste rang A2 aan die de leiding van de stage uitoefenen, naargelang van de taalrol van de stagiair. Art. 38.De opleiding van de stagiair gebeurt onder de verantwoordelijkheid van de ambtenaar belast met de leiding van de stage, in samenwerking met de bevoegde hiërarchische meerdere en de dienst belast met de vorming. De bevoegde hiërarchische meerdere zorgt voor de opleiding in de materie die door zijn dienst wordt behandeld. In samenwerking met de dienst belast met de vorming leert hij de stagiair de activiteiten kennen van de andere diensten van de instelling. De dienst belast met de vorming bepaalt de vormingsactiviteiten waaraan de stagiair verplicht moet deelnemen. Art. 39.De ambtenaar belast met de leiding van de stage maakt de verslagen bedoeld in artikelen 42, 44 en 45 op en zendt ze naar de dienst belast met de vorming. Deze laatste kan in overleg met de ambtenaar belast met de leiding van de stage beslissen de stagiair bijkomende vormingsactiviteiten te laten volgen. De minister legt het model van het stageverslag vast. Afdeling
  3. - De stagiairs van niveau A en B. Art. 40.De stage duurt één jaar. Zij kan ten hoogste met een jaar worden verlengd in het in artikel 51, 1°, bedoelde geval. Art. 41.Elke stagiair stelt een eindverhandeling op over een onderwerp dat in overleg met zijn bevoegde hiërarchische meerdere en de dienst belast met de vorming wordt vastgelegd. Art. 42.Elke maand gedurende het eerste trimester van de stage en vervolgens om de drie maanden organiseert de ambtenaar belast met de leiding van de stage een evaluatiegesprek over het verloop van de stage, inzonderheid over : 1° de vormingsactiviteiten en de resultaten ervan;2° de wijze waarop de stagiair zich in de dienst integreert;3° de uitvoering van zijn werkopdrachten. Het onderhoud heeft tot doel de vooruitgang te evalueren die de stagiair maakt en de nog te verbeteren punten aan te stippen. De conclusies van elk gesprek worden opgetekend in het stageverslag. Het verslag wordt meegedeeld aan de stagiair die er desgevallend zijn opmerkingen kan aan toevoegen. Afdeling
  4. - De stagiairs van niveau C, D en E Art. 43.De stage duurt zes maanden. Zij kan ten hoogste met zes maanden worden verlengd in het in artikel 51, 1° bedoelde geval. Art. 44.De ambtenaar belast met de leiding van de stage stelt na de eerste, de derde en de zesde maand van de stage een stageverslag op. Het verslag wordt ter kennis gebracht van de stagiair, die er desgevallend zijn opmerkingen kan aan toevoegen. Het voormelde verslag wordt aan de dienst belast met de vorming toegezonden. Afdeling
  5. - Het einde van de stage Art. 45.De ambtenaar belast met de leiding van de stage stelt het eindverslag van de stage op, in overleg met de dienst belast met de vorming. Hij voegt er een van de voorstellen bedoeld in artikel 47 aan toe. Hij deelt het eindverslag aan de stagiair mede, die over tien werkdagen beschikt om er zijn opmerkingen aan toe te voegen. Art. 46.De eindevaluatie houdt rekening met alle feiten, al dan niet ten goede, die in de loop van de stage werden vastgesteld, evenals met de tussentijdse evaluaties. Voor de stagiairs van niveau A en B wordt bovendien rekening gehouden met de eindverhandeling. Art. 47.De ambtenaar belast met de leiding van de stage overhandigt het eindverslag aan de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal.. Indien het eindverslag over het geheel van de stage gunstig is, stellen de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal de benoeming voor van de stagiair aan de benoemende overheid, bedoeld in artikel 54, tweede en derde lid. Indien het eindverslag ongunstig is of een voorbehoud uitdrukt wat het verloop van de stage betreft, kunnen de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal de afdanking wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij de instelling of de verlenging van de stage voorstellen. Afdeling
  6. - De procedure van beroep Art. 48.In de gevallen bedoeld in artikel 47, derde lid, leggen de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal het dossier voor aan de commissie bedoeld in artikel
  7. Zij voegen er het voorstel van beslissing aan toe. Zij betekenen dit aan de stagiair. De datum van de betekening doet de termijn lopen, bedoeld in artikel 51, tweede lid. Art. 49.De voorzitter van de commissie roept de stagiair op. Deze laatste kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art. 50.De ambtenaar belast met de leiding van de stage brengt verslag uit over het verloop van de stage. Het hoofd van de dienst belast met de vorming of zijn afgevaardigde evenals de ambtenaar belast met de leiding van de stage worden gehoord. Art. 51.De commissie kan beslissen : 1° de stage te verlengen, volgens de nadere regels die zij bepaalt, met inachtneming van de maximumtermijnen bedoeld in artikelen 40, tweede lid en 43, tweede lid.2° de benoeming voor te stellen aan de benoemende overheid;3° de afdanking wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij de instelling voor te stellen aan de benoemende overheid. De commissie beslist binnen drie maanden nadat het dossier bij haar werd ingediend. Bij ontstentenis, wordt de benoeming van de stagiair voorgesteld aan de benoemende overheid. Art. 52.In geval van verlenging van de stage wordt de stagiair geëvalueerd zoals tijdens de initiële stage. Artikel 47 is toepasselijk, met dien verstande dat de ambtenaar belast met de leiding van de stage geen tweede verlenging van de stage kan voorstellen. Art. 53.De opzeggingstermijn voor een stagiair die wordt afgedankt, bedraagt drie maanden. Ten laatste op de datum van de beslissing tot opzegging wordt met de betrokkene een arbeidsovereenkomst afgesloten waarvan de duur overeenstemt met de in het vorige lid bedoelde opzeggingstermijn. Bij zware fout wordt de stagiair zonder vooropzeg ontslagen. HOOFDSTUK III. - De benoeming Art. 54.De geschikt verklaarde stagiair wordt benoemd in de graad waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. In de instellingen van categorie A benoemt de Regering de stagiairs van niveau A en B en de functioneel bevoegde minister of zijn gemachtigde de stagiairs van niveau C, D en E. In de instellingen van categorie B benoemt de benoemende overheid de stagiairs. Art. 55.De hoedanigheid van ambtenaar wordt bekrachtigd door de eed die wordt afgelegd in de termen bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type decreet prom. 20/07/1831 pub. 26/07/2012 numac 2012000423 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Decreet « betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie ». - Officieuze coördinatie in het Duits type decreet prom. 20/07/1831 pub. 07/02/2013 numac 2013000079 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Decreet op de drukpers sluiten. In de instellingen van categorie A leggen de ambtenaren van niveau A en B de eed af in handen van de functioneel bevoegde minister. De andere ambtenaren leggen de eed af in handen van de functioneel bevoegde minister of de door hem aangewezen ambtenaar. In de instellingen van categorie B leggen de ambtenaren de eed af in handen van de directeur-generaal en van de adjunct-directeur-generaal. Art. 56.De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal wijzen de pas benoemde ambtenaar een betrekking van zijn graad toe. TITEL IV. - De loopbaan HOOFDSTUK I. - De hiërarchische loopbaan Afdeling
  8. -

Art. 57

.De hiërarchische loopbaan is de loopbaan die de ambtenaar kan doorlopen door verhoging in graad of door bevordering in een expertbetrekking van hoog niveau overeenstemmend met dezelfde graad als degene die hij bekleedt. Art. 58.Iedere open betrekking wordt door de benoemende overheid vacant verklaard alvorens zij kan worden begeven. Art. 59.§

  1. De vacante betrekkingen worden per dienstnota ter kennis gebracht van de kandidaten van de instelling die de benoemingsvoorwaarden kunnen vervullen. De betrokkenen brengen hun visum aan op de dienstnota. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk van de dienst afwezig is, om welke reden ook, wordt de dienstnota bij aangetekend schrijven naar zijn woonplaats gezonden. De vacante betrekkingen bedoeld in artikel 64 van dit besluit worden ter kennis gebracht van de ambtenaren die niet tot de instelling behoren door middel van een oproep tot kandidaten in het Belgisch Staatsblad . §
  2. Worden enkel in aanmerking genomen, de kandidaturen van de ambtenaren van de instelling die per aangetekend schrijven gericht zijn aan de voorzitter van de directieraad, binnen een termijn van vijftien werkdagen. Deze termijn gaat in ofwel de dag waarop de ambtenaar zijn visum aangebracht heeft op de dienstnota, ofwel de dag waarop het aangetekend schrijven met de dienstnota door de post werd aangeboden op de woonplaats van de ambtenaar. Voor de ambtenaren die niet tot de instelling behoren, begint de termijn bedoeld in het eerste lid te lopen daags na de publicatie van de oproep in het Belgisch Staatsblad . §
  3. Elke kandidatuur voor een bevorderingsbetrekking dient een uiteenzetting te bevatten over de elementen die de kandidatuur staven. §
  4. Het staat de ambtenaren vrij om voorafgaandelijk te dingen naar elke betrekking die eventueel vacant zou worden verklaard tijdens hun afwezigheid. De geldigheid van een dergelijke kandidatuur is beperkt tot twee maanden. Zij behoort met een aangetekend schrijven ingediend te worden bij de voorzitter van de directieraad. Art. 60.De bevorderingen in de hiërarchische loopbaan worden verleend : 1° in de instellingen van categorie A : - door de Regering wat betreft de graden van de rangen A3, A2 en B2; - door de functioneel bevoegde minister of de daartoe door hem aangewezen ambtenaar wat betreft de andere niveaus; 2° in de instellingen van categorie B, door de benoemende overheid. Afdeling
  5. - De bevordering tot een graad van rang A2 of A3 Onderafdeling
  6. - De voorwaarden inzake rang en anciënniteit Art. 61.De kaderbetrekkingen en de expertbetrekkingen van rang A2 staan open voor titularissen van de graad van attaché in rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. De betrekkingen van eerste wetenschappelijk attaché in rang A2 staan open voor titularissen van de graad van wetenschappelijk attaché in rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. De betrekkingen van eerste ingenieur in rang A2 staan open voor titularissen van de graad van ingenieur in rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. Bij gebrek aan kandidaten die de voorwaarden inzake anciënniteit vervullen, kan de functioneel bevoegde minister, wat betreft de instellingen van categorie A, of de benoemende overheid wat betreft de instellingen van categorie B, de vereiste anciënniteit met een derde verlagen. De beslissing tot verlaging van de vereiste anciënniteit wordt vermeld in de bekendmaking van de vacante betrekking en in de aanhef van het benoemingsbesluit. Art. 62.De betrekkingen van eerste attaché van rang A2, expert van hoog niveau staan open voor ambtenaren bekleed met de graad van attaché van rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen, evenals voor ambtenaren met de graad van eerste attaché van rang A2 die titularis zijn van een kader- of expertbetrekking. Art. 63.De betrekkingen van directeur in rang A3 staan open voor de titularissen van de graden van attaché in rang A1, van eerste attaché in rang A2 en van havenkapitein van rang A2 die ten minste negen jaar niveauanciënniteit tellen. De betrekkingen van ingenieur-directeur in rang A3 staan open voor de titularissen van de graden van ingenieur in rang A1 en van eerste ingenieur in rang A 2 die ten minste negen jaar niveauanciënniteit tellen De betrekkingen van wetenschappelijk directeur in rang A3 staan open voor titularissen van de graden van wetenschappelijk attaché in rang A1 en van eerste wetenschappelijk attaché in rang A2 die ten minste negen jaar niveauanciënniteit tellen. Art. 64.In de instellingen van categorie A kan de Regering een vacante betrekking van rang A 3 openstellen voor ambtenaren van een ministerie, van een instelling van openbaar nut of van een autonoom overheidsbedrijf waarvan het personeel wordt aangeworven via SELOR, van het Rijk, van een Gemeenschap of van een Gewest, die aan dezelfde bevorderingsvoorwaarden voldoen als degene welke voor de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelden. In de instellingen van categorie B, kan de procedure bedoeld in het eerste lid van dit artikel op dezelfde wijze door de raad van bestuur of door het beheerscomité gevolgd worden. Onderafdeling
  7. - De voorwaarden inzake geschiktheid, opleiding en evaluatie Art. 65.Alleen houders van een managementbrevet dat overeenstemt met de vereisten van de uitoefening van de vacant verklaarde betrekking, kunnen zich kandidaat stellen voor een bevordering in een kaderbetrekking van rang A2 of voor een betrekking van rang A
  8. De Regering bepaalt de inhoud van de proeven en de nadere regels van de toekenning van het managementbrevet. Art. 66.De ambtenaar die zich kandidaat stelt voor een betrekking van rang A2 of rang A3 moet een evaluatie "voldoende" hebben. Onderafdeling
  9. - De bevorderingsprocedure Art. 67.§
  10. Voor iedere bevordering brengt de directieraad een met redenen omkleed advies uit. De directieraad spreekt zich in zijn advies uit over iedere sollicitant die voldoet aan de vereisten om de te begeven betrekking te bekleden. Hij neemt hierbij in overweging : 1° de beschrijving van de functie en de vereiste kwalificatie van de kandidaat;2° de aanspraken en ervaringen die de sollicitant doet gelden voor een bevordering in de vacante betrekking;3° het evaluatiedossier van de kandidaat. §
  11. Voor elke bevordering tot een betrekking in een wetenschappelijke graad, brengt het begeleidingscomité van het Laboratorium voor Milieu-Onderzoek ingesteld bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 18 juli 1996 tot de oprichting van een wetenschappelijke dienst binnen het Brussels Instituut voor Milieubeheer : het Laboratorium voor Milieu-onderzoek, een gemotiveerd advies uit. Art. 68.De directieraad formuleert een voorstel van benoeming dat ten hoogste zes namen van kandidaten per vacante betrekking bevat. De kandidaten worden geklasseerd in de volgorde waarin zij voor de benoeming in aanmerking komen. Art. 69.Van het voorstel wordt kennis gegeven per dienstnota aan de ambtenaren die zich kandidaat hebben gesteld voor de te begeven betrekking. De betrokkenen brengen hun visum aan op de dienstnota. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk van de dienst afwezig is, om welke reden ook, wordt de dienstnota bij aangetekend schrijven naar zijn woonplaats gezonden. De ambtenaar die zich benadeeld acht kan binnen tien werkdagen bezwaar indienen bij de voorzitter van de directieraad. Deze termijn gaat in ofwel de dag waarop de ambtenaar zijn visum aangebracht heeft op de dienstnota, ofwel de dag waarop het aangetekend schrijven met de dienstnota door de post werd aangeboden op de woonplaats van de ambtenaar. De ambtenaar wordt op zijn verzoek door de directieraad gehoord. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art. 70.De benoemende overheid volgt het voorstel van definitieve volgorde indien het eenparig werd uitgebracht. Indien het voorstel van de directieraad niet eenparig wordt uitgebracht en de benoemende overheid niet instemt met de door de directieraad voorgestelde volgorde, moet zij haar beslissing omstandig met redenen omkleden. Afdeling
  12. - De bevordering tot een graad van rang B2, C2, D2 en E
  13. Onderafdeling
  14. - De voorwaarden inzake rang, anciënniteit, geschiktheid en evaluatie Art. 71.De betrekkingen van rang B2, C2, D2 en E2 staan open voor ambtenaren van respectievelijk rang B1, C1, D1 en E1 die ten minste negen jaar graadanciënniteit tellen. De kandidaten moeten "voldoende" als evaluatie hebben. Art. 72.Alleen de houders van een brevet bedoeld in het tweede lid, kunnen zich kandidaat stellen voor een bevordering door verhoging in graad. De Regering bepaalt de inhoud van de proeven en de nadere regels van de toekenning van het brevet. Onderafdeling
  15. - De bevorderingsprocedure Art. 73.Voor iedere bevordering brengt de directieraad een met redenen omkleed advies uit. De directieraad spreekt zich in zijn advies uit over iedere sollicitant die voldoet aan de vereisten om de te begeven betrekking te bekleden. Hij neemt hierbij in overweging : 1° de beschrijving van de functie en de vereiste kwalificatie van de kandidaat;2° het evaluatiedossier van de kandidaten. Art. 74.De directieraad formuleert een voorstel van benoeming dat ten hoogste zes namen van kandidaten per vacante betrekking bevat. De kandidaten worden geklasseerd in de volgorde waarin zij voor de benoeming in aanmerking komen. Bij gelijkheid van de kandidaturen, geeft hij de voorkeur aan de kandidaat met achtereenvolgens : 1° de grootste graadanciënniteit;2° de grootste dienstanciënniteit;3° de hoogste leeftijd. Art. 75.Van het voorstel wordt kennis gegeven per dienstnota aan de ambtenaren die zich kandidaat hebben gesteld voor de te begeven betrekking. De betrokkenen brengen hun visum aan op de dienstnota. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk van de dienst afwezig is, om welke reden ook, wordt de dienstnota bij aangetekend schrijven naar zijn woonplaats gezonden. De ambtenaar die zich benadeeld acht, kan binnen tien werkdagen bezwaar indienen bij de voorzitter van de directieraad. Deze termijn gaat in ofwel de dag waarop de ambtenaar zijn visum aangebracht heeft op de dienstnota, ofwel de dag waarop het aangetekend schrijven met de dienstnota door de post werd aangeboden op de woonplaats van de ambtenaar. De ambtenaar wordt op zijn verzoek door de directieraad gehoord. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art. 76.De benoemende overheid volgt het voorstel van definitieve volgorde indien het eenparig werd uitgebracht. Indien het voorstel van de directieraad niet eenparig wordt uitgebracht en de benoemende overheid niet instemt met de door de directieraad voorgestelde volgorde, moet zij haar beslissing omstandig met redenen omkleden. HOOFDSTUK II. - De functionele loopbaan Afdeling
  16. -

Art. 77

.De functionele loopbaan is voorbehouden aan de ambtenaren die titularis zijn van een wervingsgraad. Zij bestaat erin dat de ambtenaar, zonder in graad te verhogen, een of twee hogere weddenschalen geniet dan die welke zijn verbonden aan zijn graad, zolang hij voldoet aan de eisen die het statuut stelt inzake anciënniteit, evaluatie en vorming. Art. 78.De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal of de door hen aangewezen ambtenaar beheren het stelsel van de functionele loopbanen. Zij kennen de hogere weddenschaal toe zodra een ambtenaar de voorwaarden inzake graadanciënniteit, evaluatie en vorming vervult. Afdeling

  1. - De gewone functionele loopbaan Art. 79.§
  2. Aan de wervingsgraden attaché, assistent, adjunct, klerk en beambte zijn de weddenschalen 101, 102 en 103 verbonden. Aan de wervingsgraden ingenieur, wetenschappelijk attaché en geneesheer zijn de weddenschalen 111, 112 en 113 verbonden. De weddenschaal 101 of 111, naargelang de graad, wordt toegekend vanaf de aanwerving of de overgang naar een hoger niveau. §
  3. De weddenschaal 102 of 112, naargelang de graad, wordt toegekend aan de ambtenaar die : 1° negen jaar graadanciënniteit telt;2° over een evaluatie "voldoende" beschikt;3° met goed gevolg de in artikel 265 bedoelde vorming heeft gevolgd. In afwijking van § 2, eerste lid, van dit artikel wordt de weddenschaal 112 toegekend aan de ambtenaar titularis van de graad van geneesheer zodra hij zes jaar graadanciënniteit telt, onder dezelfde voorwaarden inzake evaluatie en vorming. §
  4. De weddenschaal 103 of 113, naargelang de graad, wordt toegekend aan de ambtenaar zodra hij achttien jaar graadanciënniteit telt, onder dezelfde voorwaarden inzake evaluatie en vorming. In afwijking van § 3, eerste lid, van dit artikel wordt de weddenschaal 113 toegekend aan de ambtenaar titularis van de graad van geneesheer zodra hij twaalf jaar graadanciënniteit telt, onder dezelfde voorwaarden inzake evaluatie en vorming. Afdeling
  5. - De versnelde functionele loopbaan Art. 80.De ambtenaar die beschikt over een evaluatie "voldoende" kan zijn functionele loopbaan versnellen door één of meerdere programma's inzake vrijwillige beroepsvorming overeenstemmend met zijn niveau met goed gevolg af te werken nog vóór hij de vereiste graadanciënniteit telt. Onder vrijwillige beroepsvorming dient te worden verstaan de vorming bedoeld in artikel
  6. Onder de voorwaarde bepaald in het eerste lid van dit artikel, wordt de weddenschaal 102 of 112 naargelang de graad toegekend zodra hij zes jaar graadanciënniteit telt en de weddenschaal 103 of 113 naargelang de graad zodra hij twaalf jaar graadanciënniteit telt. In afwijking van het derde lid en onder de voorwaarde bepaald in het eerste lid van dit artikel, wordt de weddenschaal 112 toegekend aan de ambtenaar titularis van de graad van geneesheer zodra hij vier jaar graadanciënniteit telt en de weddenschaal 113 zodra hij acht jaar graadanciënniteit telt. De weddenschaal 103 of 113 naargelang de graad wordt nochtans alleen toegekend nadat de ambtenaar ten minste vier jaar zijn weddenschaal 102 of 112 naargelang de graad heeft genoten. HOOFDSTUK III. - Het mandaat Afdeling
  7. -

Art. 81

.De Regering kent de betrekkingen verbonden aan de graden van de rangen A4, A4+ en A5 bij mandaat toe. Iedere betrekking wordt door de Regering vacant verklaard alvorens zij kan worden begeven bij mandaat. Art. 82.Onverminderd de bijzondere voorwaarden die worden gesteld, kunnen alleen ambtenaren die een managementbrevet hebben behaald dat overeenstemt met de vereisten van de uitoefening van de vacant verklaarde betrekking, zich kandidaat stellen voor een mandaat. De Regering bepaalt de nadere regels van de toekenning van het managementbrevet. Art. 83.Vóór elke toekenning van een mandaat legt de overheid de doeleinden vast die tijdens dit mandaat moeten bereikt worden. Onder overheid moet worden verstaan : 1° voor een mandaat van rang A4 : de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal van de instelling waartoe de mandaathouder behoort evenals de functioneel bevoegde minister;2° voor een mandaat van rang A4+ en A5 : de functioneel bevoegde minister;bovendien wordt in de instellingen van categorie B voorafgaand het advies van de Raad van bestuur of van het Beheerscomité gevraagd. Art. 84.De aangestelde ambtenaar oefent het mandaat daadwerkelijk uit. In geval de aangestelde ambtenaar het mandaat niet kan uitoefenen wegens langdurige ziekte of zwangerschapsverlof of schorsing in het belang van de dienst, kan de Regering de voortzetting ervan voor maximum zes maanden aan een andere ambtenaar toevertrouwen, conform de artikelen 112 en

  1. Art. 85.De graadanciënniteit van de mandaathouder is gelijk aan zijn anciënniteit in de graad die hij bekleedde voor zijn aanstelling. De duur van het mandaat wordt meegerekend in zijn dienst-, graad- en geldelijke anciënniteit De ambtenaar geniet de geldelijke rechten verbonden aan de graad die hem bij mandaat wordt toegekend. Art. 86.Het mandaat duurt vijf jaar. Onverminderd artikel 134, eindigt het na afloop van de vastgestelde duur, in geval van schorsing in het belang van de dienst gedurende meer dan zes maanden, in geval van ononderbroken afwezigheid wegens langdurige ziekte van meer dan zes maanden, in geval van terugzetting in graad of door het vrijwillig ontslag van de mandaathouder. De ambtenaar die zijn mandaat beëindigt, kan zich kandidaat stellen voor een verlenging ervan. De ambtenaar wiens mandaat niet wordt verlengd, herkrijgt de graad die hij voor zijn mandaat bekleedde. Art. 87.De Regering stelt de mandaten open voor ambtenaren van het ministerie en van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Ze stelt de wijze vast waarop ambtenaren die niet behoren tot de instelling waarin de betrekking wordt geopend een mandaat kunnen opnemen in deze instelling. Afdeling
  2. - De procedure van toekenning van de mandaten Art. 88.De mandaten van de rangen A4, A4+ en A5 staan open voor ambtenaren van ten minste rang A3 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. De bedoelde mandaten staan eveneens open voor ambtenaren van rang A2 die deel uitmaken van het personeel van het Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest en die sinds minstens drie jaar de tweede schaal bedoeld in artikel 333 genieten. Elke kandidaat dient een beheersplan op te stellen waarin rekening gehouden wordt met de doelstellingen bedoeld in artikel 83, eerste lid. Art. 89.§
  3. De vacante betrekkingen worden ter kennis van de ambtenaren gebracht via een oproep tot de kandidaten in het Belgisch Staatsblad . In de oproep tot de kandidaten wordt voor elke vacant verklaarde betrekking het volgende vermeld : 1° de termijn bedoeld in § 2 van dit artikel waarbinnen de kandidatuur ingediend moet worden bij de voorzitter van de directieraad;2° de gegevens die de kandidatuur dient te bevatten bedoeld in § 3 van dit artikel;3° de adresgegevens van de personeelsdienst waar een functiebeschrijving van de te begeven betrekking en de omschrijving van de doeleinden bedoeld in artikel 83, eerste lid, bekomen kunnen worden. §
  4. Worden enkel in aanmerking genomen de kandidaturen van de ambtenaren die per aangetekend schrijven gericht zijn aan de voorzitter van de directieraad, binnen een termijn van twintig werkdagen. Deze termijn gaat in de dag volgend op de bekendmaking van de oproep in het Belgisch Staatsblad . §
  5. Elke kandidatuur bevat : 1° een uiteenzetting van de aanspraken en ervaring die de kandidaat laat gelden om voor de betrekking te kandideren;2° het beheersplan bedoeld in artikel 88, derde lid De betrokkene dient een kandidatuur in te dienen voor elke betrekking waarvoor hij zich kandidaat stelt. §
  6. Het staat de ambtenaren vrij om voorafgaandelijk naar elke betrekking te dingen die eventueel vacant zou worden verklaard tijdens hun afwezigheid. De geldigheid van een dergelijke kandidatuur is beperkt tot twee maanden. Zij behoort met een aangetekend schrijven ingediend te worden bij de voorzitter van de directieraad Art. 90.§
  7. Het verzoek bedoeld in artikel 91, eerste lid, wordt door de voorzitter van de directieraad bij de Hoge Raad ingediend. §
  8. In het verzoek om advies dient de termijn vermeld te worden waarbinnen de Hoge Raad zich dient uit te spreken. Deze termijn mag niet minder bedragen dan twintig werkdagen na ontvangst van het verzoek door de voorzitter van de Hoge Raad. §
  9. Het verzoek om advies bevat : 1° de kandidatuur bedoeld in artikel 89, § 3;2° de doelstellingen bedoeld in artikel 83, eerste lid;3° de functiebeschrijving van de te begeven betrekking;4° het evaluatiedossier van de betrokkene. Art. 91.De Hoge Raad geeft een advies over de visie die de kandidaat ontwikkelt op de uitoefening van het mandaat evenals over zijn managementbekwaamheden. Hij geeft dit advies onder de vorm van een beschrijvende beoordeling. Hij kan de kandidaten uitnodigen voor een gesprek. Art. 92.De directieraad geeft een met redenen omkleed advies over iedere kandidaat die voldoet aan de vereisten. Hij neemt hierbij in overweging : 1° de beschrijving van de functie en de vereiste kwalificatie;2° de aanspraken en ervaringen die de sollicitant doet gelden op de bij mandaat te begeven betrekking zoals het beheersplan bedoeld in artikel 88, derde lid;3° het evaluatiedossier van de kandidaat;4° het advies uitgebracht door de Hoge Raad. In geval meer dan één kandidaat dezelfde of gelijkwaardige aanspraken en ervaringen laten gelden, wordt de voorkeur gegeven aan de ambtenaar die conform de artikelen 129 en 130 de meest positieve waardering heeft gekregen. Art. 93.De directieraad formuleert een voorstel van toekenning dat ten hoogste zes namen van kandidaten per vacante betrekking bevat. De kandidaten worden geklasseerd in de volgorde waarin zij in aanmerking komen. De ambtenaren die zich kandidaat hebben gesteld om een te begeven betrekking te bekleden, worden van het voorstel op de hoogte gebracht door een dienstnota. De betrokkenen brengen hun visum aan op de dienstnota. De dienstnota wordt bij aangetekend schrijven naar zijn woonplaats gezonden, indien de betrokken ambtenaar, om welke reden ook, tijdelijk in de dienst afwezig is, of indien hij geen ambtenaar van de instelling is. Art. 94.De ambtenaar die zich benadeeld acht kan binnen tien werkdagen bezwaar indienen bij de voorzitter van de directieraad. Hij wordt op zijn verzoek door de directieraad gehoord. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. De termijn van tien werkdagen gaat in ofwel de dag waarop de ambtenaar zijn visum aangebracht heeft op de dienstnota, ofwel de dag waarop het aangetekend schrijven met de dienstnota door de post werd aangeboden op de woonplaats van de ambtenaar. Art. 95.De Regering volgt het voorstel van definitieve volgorde indien het eenparig werd uitgebracht. Indien het voorstel van de directieraad niet eenparig wordt uitgebracht en de Regering niet instemt met de door de directieraad voorgestelde volgorde, moet zij haar beslissing omstandig met redenen omkleden. Art. 96.De bepalingen van artikel 92 tot 95 zijn niet toepasselijk op de toekenning van een mandaat in de graden van directeur-generaal en adjunct-directeur-generaal. HOOFDSTUK IV. - De bevordering door overgang naar een hoger niveau Afdeling
  10. -

Art. 97

.De overgang naar een hoger niveau wordt verleend bij wijze van een vergelijkend examen georganiseerd door SELOR. Art. 98.De bevordering door overgang naar een hoger niveau is alleen mogelijk als er een betrekking in de wervingsgraad van dat niveau vacant is. Art. 99.§

  1. Om deel te nemen aan een vergelijkend examen voor overgang naar het hogere niveau dient een ambtenaar zich in een administratieve stand te bevinden waarbij hij op de bevordering aanspraak kan maken en de evaluatie "voldoende" te hebben. §
  2. Om deel te nemen aan een vergelijkend examen voor overgang naar niveau A behoort een ambtenaar van niveau B of C bovendien in een van beide of in beide niveaus ten minste drie jaar niveau-anciënniteit te hebben. Om deel te nemen aan een vergelijkend examen voor overgang naar niveau B, C en D dient een ambtenaar in het niveau dat voorafgaat aan datgene waartoe de te verlenen graad behoort bovendien een niveauanciënniteit van ten minste drie jaar te hebben. Art. 100.De op grond van artikel 99 gestelde deelnemingsvoorwaarden dienen vervuld te zijn op de datum waarop de inschrijvingen worden afgesloten. Art. 101.De vergelijkende examens worden om de twee jaar georganiseerd, in overleg met SELOR. Afdeling
  3. - Het vergelijkend examen voor overgang naar niveau A. Art. 102.De overgang naar niveau A staat open voor ambtenaren van de niveaus B en C. Art. 103.Het vergelijkende examen voor overgang naar niveau A bestaat uit een gesprek uitgaande van een praktijkgeval dat verband houdt met het ambt. Om te slagen moeten de kandidaten ten minste 60 % der punten behalen. Art. 104.Om tot het vergelijkend examen te worden toegelaten, moeten de kandidaten in het bezit zijn van vijf brevetten : een brevet waaruit blijkt dat zij geslaagd zijn in een proef van algemene vorming voorbereidend op een vergelijkend examen voor overgang naar niveau A; vier brevetten waaruit blijkt dat zij geslaagd zijn in een proef over de vakken vastgesteld door SELOR. De kandidaat die in het bezit is van het brevet bedoeld onder 1° mag deelnemen aan de proeven bedoeld onder 2°. Om te slagen moeten de kandidaten ten minste 50 % voor iedere proef en ten minste 60 % der punten behalen over het geheel van de proeven bedoeld onder 1° en 2°. Een brevet dat behaald werd met 60 % der punten is definitief verkregen. Een brevet dat behaald werd met ten minste 50 tot 60 % geldt zes jaar. Art. 105.De geslaagden in het vergelijkend examen worden gerangschikt volgens de punten behaald in de proef bedoeld in artikel
  4. Afdeling
  5. - De vergelijkende examens voor overgang naar niveau B, C en D Art. 106.De overgang naar niveaus B, C en D staat open voor de ambtenaren van respectievelijk niveaus C, D en E. Art. 107.Het vergelijkend examen voor overgang naar niveau B of C omvat een algemeen gedeelte en een bijzonder gedeelte. Het algemeen gedeelte bestaat ofwel uit een synthese met commentaar van een tekst ofwel uit het opstellen van een rapport over een probleem in verband met het niveau dat het vergelijkend examen beoogt. Het bijzonder gedeelte bestaat uit een meerkeuzeproef over materies die vastgesteld worden in overleg met SELOR en die betrekking hebben op het niveau dat het vergelijkend examen beoogt. Art. 108.Alleen wie slaagt in het algemeen examengedeelte kan deelnemen aan het specifieke examengedeelte. Om te slagen moeten de kandidaten minstens 50 % van de punten voor elk gedeelte behalen en 60 % van de punten voor het geheel van het examen. Op zijn vraag kan een kandidaat die 60 % behaalde voor het eerste gedeelte maar niet voor het tweede, vrijgesteld worden van het eerste gedeelte als hij nogmaals aan een vergelijkend examen voor overgang naar hetzelfde niveau deelneemt. De geslaagden worden gerangschikt volgens de in beide examengedeelten behaalde punten. Art. 109.Het vergelijkend examen voor overgang naar niveau D bestaat uit een eenmalige proef gebaseerd op de voor het hogere niveau vereiste kwalificaties en geschiktheden. Om te slagen moeten de kandidaten 60 % van de punten behalen. De geslaagden worden gerangschikt volgens de behaalde punten. HOOFDSTUK V. - De uitoefening van een hoger ambt Art. 110.Onverminderd artikel 84 vallen de ambten die bij mandaat worden uitgeoefend, niet onder de bepalingen van dit hoofdstuk. Art. 111.Onder hoger ambt wordt verstaan elk ambt dat overeenstemt met een in de personeelsformatie voorkomende betrekking van een graad van hogere rang dan die waarvan de ambtenaar titularis is. Art. 112.Een ambtenaar kan worden aangesteld in een hoger ambt voor een betrekking die tijdelijk onbezet is. Het feit alleen dat een betrekking tijdelijk onbezet is, is geen voldoende reden om die betrekking voorlopig te verlenen. Art. 113.Alleen een ambtenaar die voldoet aan alle statutaire vereisten om tot de met het hoger ambt overeenstemmende graad te worden benoemd, kan voor het uitoefenen van dat ambt worden aangesteld. Een ambtenaar die een tuchtstraf heeft opgelopen mag niet worden aangesteld alvorens zijn straf is doorgehaald. Art. 114.In een tijdelijk vacante betrekking kan een ambtenaar alleen worden aangesteld indien de titularis ten minste een maand afwezig is. Een hoger ambt kan alleen worden toegekend met ingang van de eerste dag van een maand. Art. 115.De benoemende overheid of de ambtenaar die hij hiertoe aanwijst, beslist over de toekenning van een hoger ambt op voorstel van de directieraad. Art. 116.De akte tot aanstelling vermeldt : 1° een omschrijving van het ambt dat tijdelijk vacant is, zijn huidige titularis en de reden van diens afwezigheid;2° een verantwoording van de noodzaak om een hoger ambt toe te kennen;3° een verantwoording van de keuze van de voorgestelde ambtenaar. Art. 117.Een ambtenaar die met een hoger ambt is belast, beschikt over alle aan dat ambt verbonden prerogatieven. Art. 118.De uitoefening van een hoger ambt verleent geen aanspraak op een benoeming in de graad van dat ambt. TITEL V. - De evaluatie HOOFDSTUK I. -

Art. 119

.De evaluatie wordt gedaan door twee hiërarchische meerderen van dezelfde taalrol als de geëvalueerde en waarvan ten minste één van rang A1 of hoger. De graad en de rang van de ambtenaren die bevoegd zijn om als hiërarchische meerdere de evaluatie te doen worden bepaald : - in de instellingen van categorie A, door de functioneel bevoegde minister; - in de instellingen van categorie B, door de benoemende overheid. Art. 120.Geen enkele ambtenaar kan een evaluatie doen zonder hiertoe vooraf een aangepaste opleiding te hebben gevolgd. Art. 121.De evaluatie gebeurt met behulp van een evaluatieblad. De minister stelt het model van het evaluatieblad vast. Het blad maakt deel uit van het persoonlijk dossier van de ambtenaar. Art. 122.De evaluatie heeft plaats om de twee jaar tussen 15 oktober en 15 december, het ene jaar voor de ambtenaren van niveau A en B, het volgende jaar voor die van de andere niveaus. De individuele evaluatiebladen moeten vóór het einde van het jaar waarin de evaluatie plaats vindt, worden ingediend bij de dienst belast met HRM. De evaluatie is geldig voor de twee volgende kalenderjaren. Art. 123.In afwijking van artikel 122, eerste lid heeft een tussentijdse evaluatie plaats : 1° één jaar na het toekennen van een nieuw ambt;2° twee jaar na de benoeming van de ambtenaar of na de overgang naar een hoger niveau;3° één jaar na de toekenning van een vermelding "met voorbehoud" of "onvoldoende" die definitief is geworden. Op vraag van de betrokkene kan deze laatste tussentijdse evaluatie nochtans plaatsvinden vanaf zes maanden na de datum waarop de vorige evaluatie definitief werd. Art. 124.In de loop van iedere evaluatieperiode kan de bevoegde hiërarchische meerdere gunstige of ongunstige bevindingen in verband met de criteria opgesomd in artikel 129 aan het evaluatiedossier toevoegen. Iedere notering wordt ter kennis gebracht van de ambtenaar die er eventueel zijn opmerkingen kan aan toevoegen. De ambtenaar kan de bevoegde hiërarchische meerdere vragen een voor hem gunstig stuk in verband met de uitvoering van zijn werk aan zijn evaluatiedossier toe te voegen. Geen aanbeveling, van welke aard ook, mag in het evaluatiedossier voorkomen. Art. 125.De bevoegde hiërarchische meerdere die minder dan drie maanden de leiding heeft over de ambtenaar, raadpleegt de vorige bevoegde hiërarchische meerderen van de ambtenaar vóór het gesprek bedoeld in artikel 127, §

  1. Art. 126.De ambtenaar die om gelijk welke reden afwezig is of zijn ambt niet uitoefent en die zich in een administratieve stand bevindt waarin hij zijn aanspraken op bevordering behoudt, behoudt zijn laatste evaluatie tot wanneer hij zijn ambt wederopneemt. Gedurende het jaar volgend op zijn diensthervatting kan hij een herziening van zijn evaluatie vragen. HOOFDSTUK II. - De evaluatieprocedure en -criteria Art. 127.§
  2. Bij het begin van de evaluatieperiode en telkens wanneer een ambtenaar een nieuwe functie gaat bekleden heeft de daartoe gemachtigde hiërarchische meerdere met de betrokkene een onderhoud tijdens hetwelk hij voor de ambtenaar de aspecten verduidelijkt die de basis van zijn evaluatie zullen vormen §
  3. Alvorens het evaluatieblad in te vullen, heeft de bevoegde hiërarchische meerdere een gesprek met de ambtenaar die hij evalueert. Het gesprek slaat op : 1° het tijdens de evaluatieperiode kwantitatief en kwalitatief gepresteerde werk;2° de eventuele bijsturingen inzake werkmethoden en werkattitudes of de noodzaak van bijscholing;3° de doelstellingen die tijdens de volgende evaluatieperiode zullen worden nagestreefd. De bevoegde hiërarchische meerdere vermeldt op het evaluatieblad, de datum van het gesprek, de punten waarover het ging en tot welke conclusies het heeft geleid. Hij voegt er een voorstel van evaluatie aan toe, gericht aan de tweede evaluator. Art. 128.De tweede evaluator neemt het evaluatieblad met de bevoegde hiërarchische meerdere door. Zij vergelijken desgevallend de lopende evaluatie met de vorige. Beide evaluatoren kennen in overleg de vermelding "voldoende", "met voorbehoud" of "onvoldoende" toe. Alvorens zij een vermelding "met voorbehoud" of "onvoldoende" kunnen toekennen, hebben zij een tweede gesprek met de geëvalueerde. Art. 129.De evaluatie bedoeld in artikel 128, derde lid, heeft tot doel de bekwaamheid en het gepresteerde werk van de ambtenaar in zijn huidige functie te waarderen. Zij slaat op de volgende criteria : 1° de kennis van de behandelde materie;2° de kwaliteit van het werk;3° het werktempo, de hoeveelheid werk rekening houdend met de moeilijkheidsgraad;4° de zin voor nauwkeurigheid, orde en stiptheid;5° de zin voor medewerking;6° de bereidheid tot aanpassing;7° de zin voor initiatief;8° de klantgerichtheid Art.
  4. Op een aanvullende wijze schatten beide chefs de mogelijkheden van de ambtenaar in die de vermelding "voldoende" heeft gekregen om door te groeien naar grotere verantwoordelijkheden. Deze inschatting mondt uit in een beschrijving van zijn geschiktheid, bekwaamheid en motivatie. Bij de evaluatie van de doorgroeimogelijkheden gelden als criteria : 1° het plannings- en organisatievermogen;2° de communicatievaardigheid;3° de aanleg om anderen te motiveren. Art. 131.Het evaluatieblad wordt aan de ambtenaar overhandigd tegen ondertekening voor ontvangst. HOOFDSTUK III. - De evaluatie van de mandaathouders Art. 132.De evaluatie heeft tot doel na te gaan in welke mate de bij de toekenning van het mandaat overeengekomen doeleinden werden bereikt of op weg zijn om te worden bereikt. De mandaathouder stelt hiertoe op het einde van iedere evaluatieperiode een verslag op over zijn werkzaamheden als hoofd van de administratieve eenheid die hij leidt. Art. 133.De Hoge Raad evalueert de mandaathouder over de wijze waarop hij het mandaat heeft uitgeoefend. Hij neemt kennis van het verslag opgesteld door de mandaathouder en nodigt deze uit voor een evaluatiegesprek. Indien de evaluatie negatief is, vermeldt de Hoge Raad dit uitdrukkelijk. De evaluatie wordt overhandigd aan de directeur-generaal en aan de adjunct-directeur-generaal voor de mandaten van de rang A4 en aan de Regering voor de mandaten van de rangen A4+ en A
  5. De evaluatie wordt aan de geëvalueerde betekend. Art. 134.De evaluatie heeft plaats om de twee jaar, behalve na een negatieve evaluatie. In dat geval heeft een nieuwe evaluatie plaats na zes maanden. Na een tweede negatieve evaluatie komt er aan het mandaat een einde. HOOFDSTUK IV. - De beroepsprocedure Afdeling
  6. - De beroepsprocedure voor de mandaathouders Art. 135.De mandaathouder beschikt over tien werkdagen vanaf de betekening van zijn evaluatie om schriftelijk beroep in te dienen bij de bevoegde instantie. De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal spreken zich uit over het beroep van een mandaathouder van rang A
  7. De Regering spreekt zich uit over het beroep van een mandaathouder van rang A4+ of A
  8. De gemeenschappelijke commissie van beroep bedoeld in artikel 17 is niet bevoegd om uitspraak te doen over het beroep van een mandaathouder. Art. 136.De beroepsinstantie bedoeld in artikel 135 moet zich uitspreken binnen de maand na ontvangst van het verzoekschrift. De mandaathouder wordt op zijn verzoek gehoord. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Indien geen beslissing wordt genomen binnen de vereiste termijn, wordt ze gunstig geacht voor de mandaathouder. Afdeling
  9. - De beroepsprocedure voor de andere ambtenaren Art. 137.De ambtenaar beschikt over tien werkdagen vanaf de ondertekening voor ontvangst van zijn evaluatieblad om schriftelijk beroep in te dienen bij de bevoegde instantie. Er wordt hem een ontvangstbewijs afgegeven van zijn verzoekschrift. Art. 138.De ambtenaar, die niet akkoord kan gaan met de hem medegedeelde vermelding "onvoldoende" of "met voorbehoud", kan in beroep gaan bij de commissie bedoeld in artikel
  10. De ambtenaar die oordeelt dat een vormfout werd begaan, kan in beroep gaan bij dezelfde commissie. De commissie van beroep heeft een beslissende bevoegdheid wanneer zij zich moet uitspreken over de grond van de zaak. Indien het geschil een vormgebrek betreft, kan de commissie beslissen waar de procedure moet worden hernomen door de evaluatoren. Art. 139.De ambtenaar die de inschatting aanvecht bedoeld in artikel 130, kan, wat de grond betreft, in beroep gaan bij de directieraad. De beslissing van de directieraad is definitief. Art. 140.Op zijn verzoek wordt de ambtenaar gehoord. Hij mag zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Ieder verzoekschrift moet binnen de maand op de agenda worden geplaatst van de directieraad of van de commissie van beroep, naargelang van het geval. De directieraad of de commissie van beroep spreekt zich uit binnen de drie maanden na ontvangst van het verzoekschrift. HOOFDSTUK V. - De gevolgen van de vermelding "met voorbehoud" of "onvoldoende" Art. 141.De periode gedurende dewelke de ambtenaar die bij zijn evaluatie de vermelding "met voorbehoud" of "onvoldoende" krijgt, wordt niet in aanmerking voor de berekening ban de graadanciënniteit vereist voor het bekomen van een hogere weddenschaal in toepassing van de gewone of de versnelde functionele loopbaan. Art. 142.Na twee opeenvolgende vermeldingen "onvoldoende" die in voorkomend geval in beroep zijn bevestigd, leggen de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal het dossier voor aan de Regering, wat betreft instellingen van categorie A, of aan de benoemende overheid, wat betreft instellingen van categorie B. De Regering of de benoemende overheid kunnen beslissen tot definitieve vaststelling van de beroepsongeschiktheid. De ambtenaar heeft recht op beroep bij de commissie bedoeld in artikel
  11. De Commissie brengt advies aan de Regering wat betreft de instellingen van categorie A, of aan de benoemende overheid, wat betreft instellingen van categorie B.Indien de Regering of de benoemende overheid het advies niet volgen, omkleden zij hun beslissingen met redenen. TITEL VI. - De interne mobiliteit HOOFDSTUK I. -

Art. 143

.De interne mobiliteit heeft tot doel de ambtenaren efficiënter te maken, rekening houdend zowel met hun bekwaamheden, ervaring en motivatie als met de personeelsbehoeften van de diensten. De interne mobiliteit wordt verwezenlijkt door vrijwillige mutatie na interne oproep, ambtshalve mutatie of herplaatsing. Art. 144.De mutatie is de overgang van een ambtenaar naar een andere betrekking van zijn graad binnen de instelling. Art. 145.De beslissing tot mutatie wordt genomen door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal op advies van de bevoegde hiërarchische meerderen. Art. 146.De ambtenaar behoudt hoe dan ook zijn graad en de daaraan verbonden weddenschaal. Hij behoudt tevens de voordelen die hij in zijn functionele loopbaan heeft verkregen, met inachtneming van de bepalingen inzake vorming en evaluatie. Art. 147.De dienst belast met HRM beheert het stelsel van de interne mobiliteit. HOOFDSTUK II. - De vrijwillige mutatie Art. 148.Iedere ambtenaar kan op elk ogenblik uit eigen beweging een mutatie aanvragen. Art. 149.De ambtenaar die een mutatie wenst, vult het formulier in dat de dienst belast met HRM ter beschikking stelt en dient het bij deze laatste in. Hij overhandigt tevens een kopie voor advies aan zijn hiërarchische meerdere. De dienst belast met HRM onderzoekt in welke mate aan het verzoek gevolg kan worden gegeven. Indien dit het geval is, doet hij een voorstel van mutatie aan de overheid bedoeld in artikel

  1. Indien er op het mutatieverzoek niet kan worden ingegaan, licht de dienst belast met HRM de ambtenaar hierover in en houdt het dossier in beraad. HOOFDSTUK III. - De interne oproep Art. 150.Een interne oproep kan voor de openstaande betrekkingen worden gericht aan de ambtenaren van de instelling. De oproep gebeurt via een dienstnota en vermeldt : 1° de functiebeschrijving;2° het gewenste profiel van de kandidaten;3° binnen welke termijn de ambtenaar zijn belangstelling voor de betrekking kan kenbaar maken. Art. 151.De kandidaturen worden ingediend bij de dienst belast met HRM. Deze dienst bereidt het mutatiedossier voor en legt gemotiveerde voorstellen voor aan de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal. HOOFDSTUK IV. - De ambtshalve mutatie Art. 152.De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal kunnen tot een ambtshalve mutatie beslissen als voor het bekleden van een betrekking bijzondere eisen inzake kennis of ervaring gelden en indien de betrekking niet kon worden bezet na een interne oproep. Zij raadplegen vooraf de hiërarchische meerderen en de betrokken ambtenaar en motiveren hun beslissing aan de hand van de functiebeschrijving en het gewenste profiel om het ambt te kunnen opnemen. HOOFDSTUK V. - De herplaatsing Art. 153.De herplaatsing vindt plaats : 1° indien de opheffing of de wijziging van een opdracht van de instelling de afschaffing van één of meer betrekkingen met zich meebrengt;2° indien een ambtenaar medisch ongeschikt wordt bevonden voor de uitoefening van zijn ambt, maar opnieuw kan worden geplaatst in een betrekking die verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand. Art. 154.De herplaatsing van een ambtenaar gebeurt in een betrekking behorend tot dezelfde of een andere dienst van de instelling. De betrekking moet openstaan en beantwoorden aan een personeelsbehoefte bij de dienst waar de ambtenaar herplaatst wordt. Art. 155.De herplaatsing wordt beslist door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal. Een herplaatst ambtenaar behoudt zijn rechten inzake wedde en zijn aanspraken op bevordering; de herplaatsingsperiode wordt meegerekend voor de administratieve en de geldelijke anciënniteit. TITEL VII. - De administratieve standen, de afwezigheden en de verloven HOOFDSTUK I. - De administratieve standen Afdeling
  2. - De dienstactiviteit Art. 156.De dienstactiviteit is de gewone administratieve stand van de ambtenaar. Tenzij anders bepaald, heeft de ambtenaar in dienstactiviteit recht op wedde en op verhoging in zijn weddenschaal. Hij kan zijn aanspraken op bevordering, op toekenning van een mandaat of op een hogere weddenschaal in zijn functionele loopbaan doen gelden. Afdeling
  3. - De non-activiteit Art. 157.De ambtenaar kan, krachtens de bepalingen van dit besluit, van rechtswege of bij beslissing van de bevoegde overheid in non-activiteit worden geplaatst. Tenzij anders bepaald, heeft de ambtenaar in deze stand geen recht op wedde en op verhoging in zijn weddenschaal. Hij verliest zijn aanspraken op : bevordering of toekenning van een mandaat; een hogere weddenschaal in zijn functionele loopbaan. Art. 158.Niemand kan in non-activiteit gesteld of gehouden worden wanneer hij aan de voorwaarden voldoet om te worden gepensioneerd. Afdeling
  4. - De disponibiliteit Onderafdeling
  5. - De disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst Art. 159.De ambtenaar kan, zonder opzegging, in disponibiliteit worden gesteld wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst wanneer hij een bepaald ambt niet kan uitoefenen en hij niet onmiddellijk in een beter geschikte betrekking wedertewerkgesteld kan worden. Op voorstel van de directieraad neemt de benoemende overheid een beslissing omtrent de indisponibiliteitstelling. De betrokkene wordt vooraf door de directieraad gehoord en kan worden bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art. 160.De ambtenaar in disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst heeft geen recht op wedde of op verhoging in zijn weddenschaal. Hij verliest zijn aanspraken op : 1° bevordering of toekenning van een mandaat;2° een hogere weddenschaal in zijn functionele loopbaan. Hij geniet het eerste jaar een wachtgeld gelijk aan zijn laatste activiteitswedde. Vanaf het tweede jaar is dit wachtgeld gelijk aan 1/60e van de laatste activiteitswedde per dienstjaar dat hij telt op de datum waarop hij in disponibiliteit is gesteld. Onderafdeling
  6. - De disponibiliteit wegens ziekte Art. 161.§ 1er. Onverminderd artikel 224 is de ambtenaar die wegens ziekte afwezig is na het maximum aantal verlofdagen hem toegekend bij artikel 220, van rechtswege in disponibiliteit wegens ziekte. Hij behoudt zijn recht op bevordering en op bevordering in zijn weddenschaal. Artikel 225 is van toepassing op de ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte. §
  7. De ambtenaar die in disponibiliteit wegens ziekte is ontvangt een wachtgeld dat gelijk is aan 60 % van zijn laatste activiteitswedde. Het bedrag van dit wachtgeld mag echter in geen geval lager liggen dan : 1° de vergoedingen die de betrokkene in dezelfde toestand zou ontvangen indien de sociale-zekerheidsregeling op hem toepasselijk was geweest sinds het begin van zijn afwezigheid;2° het pensioen dat hij zou verkregen hebben indien hij, op de datum van zijn indisponibiliteitstelling, tot de vervroegde oppensioenstelling wegens lichamelijke ongeschiktheid was toegelaten. §
  8. De ambtenaar heeft recht op een maandelijks wachtgeld dat gelijk is aan het bedrag van zijn laatste activiteitswedde indien de kwaal waarvan hij lijdt door de Sociaal-medische rijksdienst als een ernstige en langdurige ziekte wordt erkend. Dit recht heeft slechts uitwerking nadat de ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte werd gesteld voor een ononderbroken periode van ten minste drie maanden. Dit recht heeft een herziening van de toestand van de ambtenaar tot gevolg met geldelijke uitwerking op de dag waarop zijn disponibiliteit wegens ziekte een aanvang heeft genomen. §
  9. De disponibiliteit wegens ziekte maakt geen einde aan de stelsels van loopbaanonderbreking bedoeld in artikelen 168 tot 172, noch aan de stelsels van halftijdse vervroegde uittreding en van vrijwillige vierdagenweek zoals bedoeld in de wet van 10 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1995 pub. 17/04/2013 numac 2013000222 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende arbeidsverdeling in de openbare sector. Voor de toepassing van § 2 van dit artikel, is de laatste activiteitswedde deze, welke voor de verminderde prestaties verschuldigd was. Art. 162.De ambtenaar die in disponibiliteit werd gesteld wegens ziekte, wordt ieder jaar medisch onderzocht door de medische controledienst bedoeld in artikel 227, in de loop van de maand overeenstemmend met die waarin hij in disponibiliteit werd gesteld. Onderafdeling
  10. - Gemeenschappelijke bepalingen Art. 163.De benoemende overheid kan, op advies van de directieraad, de betrekking waarvan de in disponibiliteit gestelde ambtenaar titularis was, onmiddellijk vacant verklaren in geval van disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst. De vacantverklaring kan slechts worden beslist na verloop van een jaar in geval van disponibiliteit wegens ziekte. Art. 164.De benoemende overheid kan de in disponibiliteit gestelde ambtenaar in actieve dienst terugroepen indien hij de vereiste beroeps- en lichamelijke geschiktheid bezit. De ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte, wiens betrekking niet vacant werd verklaard, neemt haar opnieuw op wanneer hij zijn dienst hervat. De ambtenaar moet in ieder geval, binnen de door de benoemende overheid gestelde termijn, het aangewezen ambt opnemen. Indien hij zonder geldige reden weigert, wordt hij, na een afwezigheid van tien werkdagen, ambtshalve ontslagen. Art. 165.Niemand kan in disponibiliteit gesteld of gehouden worden wanneer hij voldoet aan de voorwaarden om gepensioneerd te worden. HOOFDSTUK II. - De afwezigheden Art. 166.De ambtenaar mag niet afwezig zijn zonder verlof of dienstvrijstelling te hebben gekregen. Art. 167.Met inachtname van artikel 18 van het koninklijk besluit van 22 december 2000Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/12/2000 pub. 09/01/2001 numac 2000002114 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen sluiten tot bepaling van de algemene principes en onverminderd de eventuele toepassing van een tuchtstraf, bevindt de ambtenaar die zonder toestemming afwezig is of de duur van zijn verlof zonder geldige reden overschrijdt, zich van rechtswege in non-activiteit. Indien de ambtenaar zonder geldige reden meer dan tien werkdagen afwezig is, wordt hij ambtshalve ontslagen. HOOFDSTUK III. - De verloven van arbeidsherverdelende aard Afdeling
  11. - Het verlof voor loopbaanonderbreking Art. 168.De ambtenaar krijgt verlof om zijn loopbaan voltijds, halftijds of deeltijds te onderbreken onder het stelsel van de herstel wet van 22 januari 1985Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/01/1985 pub. 12/08/2013 numac 2013000511 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Herstelwet houdende sociale bepalingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten houdende sociale bepalingen en haar uitvoeringsbesluiten. Art. 169.De loopbaanonderbreking is een recht van de ambtenaar die titularis is van een wervingsgraad. De directieraad kan aan de titularissen van een bevorderingsgraad toestaan hun loopbaan te onderbreken indien de goede werking van de dienst niet wordt verstoord. Art. 170.Tenzij anders bepaald, bedraagt de duur van een loopbaanonderbreking ten minste zes en ten hoogste twaalf maanden. Mits hij per aangetekende brief een opzegging van twee maanden betekent, kan de ambtenaar zijn ambt hervatten vóór zijn loopbaanonderbreking is afgelopen. Art. 171.Voor iedere van de loopbaanonderbrekingen is de totale duur van al dan niet op elkaar volgende onderbrekingen, telkens beperkt tot 72 maanden voor de hele loopbaan. Art. 172.Het verlof voor loopbaanonderbreking is niet bezoldigd. De ambtenaar behoudt zijn aanspraken op bevordering in graad en verhoging in weddenschaal. De ambtenaar die een voltijdse loopbaanonderbreking geniet, kan geen aanspraak maken op een versnelde functionele loopbaan. De ambtenaar die een halftijdse of een deeltijdse loopbaanonderbreking geniet, heeft recht op een versnelde functionele loopbaan in verhouding tot de door hem gepresteerde diensten. Dit verlof wordt voor het overige gelijkgesteld met dienstactiviteit. Afdeling
  12. - Het verlof onder het stelsel van de vrijwillige vierdaagse werkweek Art. 173.De ambtenaar krijgt verlof om onder het wettelijke stelsel van de vrijwillige vierdagenweek een dag per week afwezig te zijn, volgens de modaliteiten bepaald door de Regering. Art. 174.De vrijwillige vierdagenweek is een recht voor de ambtenaar die titularis is van een wervingsgraad. De directieraad kan aan de titularissen van een bevorderingsgraad het voordeel van de vrijwillige vierdagenweek toestaan, indien de goede werking van de dienst niet wordt verstoord. Art. 175.Het verlof onder het wettelijke stelsel van de vrijwillige vierdaagse werkweek is niet bezoldigd. Dit verlof wordt voor het overige gelijkgesteld met dienstactiviteit. Afdeling
  13. - Het verlof onder het stelsel van de halftijdse vervroegde uittreding Art. 176.De ambtenaar krijgt verlof om gedurende een ononderbroken periode van maximaal vijf jaar voorafgaand aan de datum van zijn al dan niet vervroegde pensionering halftijds te werken. Art. 177.De halftijdse vervroegde uittreding is een recht van de ambtenaar die titularis is van een wervingsgraad. De directieraad kan aan de titularissen van een bevorderingsgraad het voordeel van de halftijdse vervroegde uittreding toestaan, indien de goede werking van de dienst niet wordt verstoord. Art. 178.Het verlof onder het stelsel van de halftijdse vervroegde uittreding is niet bezoldigd. De ambtenaar behoudt zijn aanspraken op bevordering in graad maar kan geen aanspraak maken op de toekenning van een mandaat. Dit verlof wordt voor het overige gelijkgesteld met dienstactiviteit. HOOFDSTUK IV. - De verloven van korte duur Afdeling
  14. - De jaarlijkse vakantie Art. 179.De ambtenaar heeft jaarlijks recht op 35 werkdagen vakantie. Hij geniet een bijkomende jaarlijkse vakantie van : 1° één werkdag na vijf jaar dienstanciënniteit;2° twee werkdagen na tien jaar dienstanciënniteit. Art. 180.De vakantiedagen worden genomen naar keuze van de ambtenaar doch met inachtneming van de behoeften van de dienst. De ambtenaar heeft recht op een onafgebroken periode van ten minste tien werkdagen vakantie. Art. 181.De ambtenaar heeft het recht om binnen het aantal van 35 werkdagen, vier werkdagen verlof te nemen zonder dat het dienstbelang daar tegenover kan worden gesteld om in geval van ernstige ziekte of ongeval een persoon bij te staan die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont. Onder personen die onder hetzelfde dak wonen, worden verstaan : de echtgenoot, de persoon met wie hij samenleeft, een bloed- of aanverwant, een persoon opgenomen met het oog op adoptie of pleegvoogdij. De ambtenaar moet een medisch attest voorleggen ter staving van : 1° De ernst van de ziekte of het ongeval;2° De dwingende noodzakelijkheid van de aanwezigheid van de ambtenaar. Art. 182.Indien de ambtenaar de vier in het artikel 181, eerste lid, bedoelde werkdagen heeft opgebruikt, heeft hij uitzonderlijk recht op twee bijkomende werkdagen buiten de 35 werkdagen vakantie, voor dezelfde redenen en onder dezelfde voorwaarden. De medische controledienst bedoeld in artikel 227 kan toezien op de gegrondheid van de aanvraag van deze laatste twee dagen. Art. 183.De jaarlijkse vakantie wordt opgenomen binnen het kalenderjaar, volgens de nadere regels door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal vastgelegd. De nadere regels van de overdracht van onbestede vakantiedagen worden vastgesteld door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal, na overleg met de representatieve vakorganisaties. Art. 184.In de instelling geldt een standaardwerktijdregeling met onderscheid tussen stamtijden, glijtijden en bereikbaarheid van de dienst. In afwijking van deze werktijdregeling kunnen de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal voor specifieke organisatorische eenheden of werkzaamheden een bijzondere werktijdregeling vaststellen. De aanwezigheid van de ambtenaar die onderworpen is aan het prikklokreglement wordt 's morgens, 's middags en 's avonds geregistreerd. De gepresteerde uren in meer worden geregulariseerd op de glijtijden. Art. 185.Elke periode van dienstactiviteit geeft recht op jaarlijkse vakantie. Deze laatste wordt in evenredige mate verminderd : 1° wanneer de ambtenaar in de loop van het jaar in dienst treedt of zijn ambt definitief neerlegt;2° wanneer hij tijdens het jaar verlof bekomt : - om een stage of een proefperiode te vervullen bij een overheidsdienst zoals bepaald in artikel 209; - om kandidaat te zijn voor de wetgevende, gemeenschaps-, gewest-, provinciale, gemeentelijke of Europese verkiezingen; - om dwingende redenen van familiaal belang; - wegens halftijdse vervroegde uittreding; - met toepassing van de vrijwillige vierdaagse werkweek; - voor onderbreking van de beroepsloopbaan; - om een opdracht uit te voeren zoals bepaald in artikel 211; De afwezigheden waarbij de ambtenaar in non-activiteit of disponibiliteit is geplaatst, geven eveneens aanleiding tot een evenredige vermindering van de vakantie. Het aldus berekende aantal dagen bedraagt steeds een hele of een halve dag. De afronding gebeurt naar de hogere halve of hele dag. Art. 186.De in deze afdeling bepaalde vakantiedagen worden opgeschort bij ziekte of bij disponibiliteit wegens ziekte voorzover de geneeskundige controle mogelijk is. Art. 187.De jaarlijkse vakantie wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Dit geldt eveneens voor de twee bijkomende dagen voorzien in artikel 182, eerste lid. Afdeling
  15. - De feestdagen Art. 188.§
  16. De ambtenaar heeft verlof op de wettelijke feestdagen, op 2 en 15 november en op 26 december. §
  17. De in § 1 vermelde verlofdagen die samenvallen met een zaterdag of een zondag, worden gecompenseerd door een verlof van 27 december tot en met 31 december. §
  18. De ambtenaar die krachtens de arbeidsregeling die op hem van toepassing is, of ten gevolge van de behoeften van de dienst verplicht is te werken op één van de dagen bedoeld in § 1 of gedurende de periode bedoeld in § 2, bekomt vervangende verlofdagen die genomen kunnen worden onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof. Afdeling
  19. - Het verlof om familiale redenen Onderafdeling
  20. - Het omstandigheidsverlof Art. 189.De ambtenaar bekomt verlof binnen de hierna gestelde perken naar aanleiding van : 1° zijn huwelijk : vier werkdagen;2° de bevalling van de echtgenote of van de samenwonende partner : vier werkdagen;3° het overlijden van de echtgenoot, van de samenwonende partner of van een bloed- of aanverwant in de eerste graad : vier werkdagen;4° het huwelijk van een kind : twee werkdagen;5° het overlijden van een bloed- of aanverwant in om het even welke graad maar onder hetzelfde dak wonend als de ambtenaar : twee werkdagen;6° het overlijden van een bloed- of aanverwant in de tweede graad maar niet onder hetzelfde dak wonend als de ambtenaar : één werkdag. Indien de gebeurtenis zich voordoet tijdens een periode van deeltijdse arbeid, wordt de duur van het verlof in evenredige mate verminderd. Art. 190.Het omstandigheidsverlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit. Onderafdeling
  21. - Het verlof wegens dwingende familiale redenen Art. 191.Met een maximum van vijfenveertig werkdagen per kalenderjaar, kan de ambtenaar verlof krijgen wegens : 1° ziekenhuisopname van een persoon die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont of van een bloed- of aanverwant in de eerste graad die niet met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont;2° opvang tijdens de periodes van schoolvakantie van zijn kinderen die niet de leeftijd van 15 jaar bereikt hebben. Art. 192.Dit verlof is niet bezoldigd. Het wordt voor het overige met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. Onderafdeling
  22. - Het ouderschapsverlof Art. 193.Aan de ambtenaar in dienstactiviteit wordt, bij de geboorte of de adoptie van een kind, maximum drie maanden ouderschapsverlof toegestaan. Dit verlof moet genomen worden voor het kind de leeftijd van 10 jaar heeft bereikt. Het verlof mag enkel gesplitst worden in maanden en genomen worden met volledige dagen. Art. 194.Het ouderschapsverlof wordt niet vergoed. Het wordt voor het overige met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. Onderafdeling
  23. - Het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij Art. 195.De ambtenaar kan verlof krijgen wanneer een kind beneden tien jaar in zijn gezin wordt opgenomen met het oog op adoptie of pleegvoogdij. De maximumduur van het verlof bedraagt vier weken indien het opgenomen kind ouder is dan drie jaar en zes weken indien het die leeftijd nog niet heeft bereikt. De maximumduur wordt verdubbeld wanneer het opgenomen kind mindervalide is en aan de voorwaarden voldoet om kinderbijslag te genieten overeenkomstig artikel 47 van de gecoördineerde wetten betreffende de kindertoeslagen voor de loonarbeiders of artikel 26 van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslagen ten voordele van de zelfstandigen. Art. 196.Het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij wordt bezoldigd en gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Afdeling
  24. - Het bevallingsverlof Art. 197.De ambtenaar van het vrouwelijk geslacht geniet voor de moederschapsbescherming van de voordelen bedoeld in artikel 17, 2°, van het koninklijk besluit van 22 december 2000Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/12/2000 pub. 09/01/2001 numac 2000002114 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen sluiten tot bepaling van de algemene principes. Afdeling
  25. - Het verlof om medische of humanitaire redenen Art. 198.De vrouwelijke ambtenaar kan dienstvrijstelling krijgen om naar prenatale medische onderzoeken te gaan die niet buiten de diensturen kunnen plaatsvinden. De aanvraag moet worden gestaafd door een medisch attest. Art. 199.De ambtenaar krijgt verlof voor het afstaan van : 1° bloed : a rato van een dag;2° bloedplasma : a rato van een halve dag. Dit verlof kan worden genomen hetzij de dag zelf, hetzij de dag nadien, met een maximum van vier werkdagen per jaar. De ambtenaar moet het bewijs leveren dat hij bloed of plasma heeft gegeven. Art. 200.Met een maximum van vier werkdagen, krijgt de ambtenaar verlof voor het afstaan van beenmerg. Dit verlof neemt een aanvang op de dag waarop het beenmerg in het ziekenhuis wordt afgenomen. De ambtenaar krijgt eveneens verlof voor het afstaan van organen of weefsel. De duur van dit verlof is die van de ziekenhuisopname en het vereiste herstel. De tijd noodzakelijk voor de voorafgaande medische onderzoeken kan eveneens in aanmerking komen. De aanvraag moet worden gestaafd door een medisch attest. Art. 201.De ambtenaar heeft recht op voorbehoedend verlof wanneer een inwonend familielid aangetast is door een besmettelijke ziekte, in de omstandigheden en volgens de nadere bepalingen die vastgesteld worden door het Algemeen Reglement van de Administratieve Gezondheidsdienst. Art. 202.De ambtenaar kan verlof krijgen om : 1° de cursussen bij te wonen van de school van het korps voor civiele bescherming;2° in vredestijd prestaties te verrichten als vrijwilliger bij dit korps. Art. 203.Met een maximum van vijf werkdagen per jaar en voorzover het belang van de dienst er zich niet tegen verzet, kan de ambtenaar verlof krijgen om mindervalide en zieken te vergezellen of om andere humanitaire zendingen te vervullen tijdens verblijven en reizen in binnen- of buitenland. Deze verblijven of reizen moeten georganiseerd zijn door een openbare instelling of een vereniging die de zorg voor mindervalide en zieken of de humanitaire zendingen als opdracht heeft. De instelling of vereniging moet erkend zijn door de Belgische Staat of een van haar gefedereerde entiteiten. De aanvraag moet worden gestaafd met een attest waarbij de vereniging of instelling verklaart dat de reis of het verblijf onder haar verantwoordelijkheid gebeurt. Art. 204.De verloven om medische of humanitaire redenen zijn bezoldigd en worden gelijkgesteld met dienstactiviteit. HOOFDSTUK V. - De verloven van lange duur Afdeling
  26. - Het verlof om persoonlijke redenen Art. 205.Indien het belang van de dienst er zich niet tegen verzet, kan de ambtenaar verlof om persoonlijke redenen krijgen. Art. 206.Het verlof om persoonlijke redenen wordt enkel voltijds en voor ten hoogste zes maanden toegekend. Het kan verlengd worden of na een onderbreking opnieuw worden aangevraagd. Behoudens afwijking toegestaan door de functioneel bevoegde minister voor de instellingen van categorie A of de benoemende overheid voor de instellingen van categorie B en op gunstig advies van de directieraad, mag dit verlof niet meer bedragen dan 24 maanden over de gehele loopbaan. Iedere vraag tot verlenging moet ten minste één maand vóór het verstrijken van het lopende verlof worden aangevraagd. Art. 207.Het verlof om persoonlijke redenen is niet bezoldigd en wordt gelijkgesteld met een periode van non-activiteit. Art. 208.Met ziekten of ongevallen opgelopen gedurende deze verlofperiode wordt geen rekening gehouden. Afdeling
  27. - Het verlof om een stage te doen in een overheidsdienst Art. 209.De ambtenaar kan verlof krijgen om een stage of proefperiode te doen in een betrekking bij een overheidsdienst. Een betrekking in het gesubsidieerd of het universitair onderwijs wordt gelijkgesteld met een betrekking in een overheidsdienst. Het verlof wordt toegestaan voor een periode die overeenstemt met de duur van de stage of van de proefperiode. Art. 210.Dit verlof is niet bezoldigd en wordt voor het overige gelijkgesteld met dienstactiviteit. Afdeling
  28. - Het verlof wegens opdracht Art. 211.De Regering, voor de instellingen van categorie A of de benoemende overheid, voor de instellingen van categorie B kan een ambtenaar, met zijn instemming, belasten met een opdracht. Iedere ambtenaar kan eveneens met instemming hetzij van de Regering van de benoemende overheid naargelang van het geval, een opdracht aanvaarden : 1° bij van een andere instelling van openbaar nut die afhangt van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;2° bij een ministerie of een instelling van openbaar nut die afhangt van de federale overheid, van een ander gewest, van een gemeenschap of van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;3° bij een buitenlandse Regering of bij een internationale instelling.4° die uitgeoefend wordt in het kader van een beschikking genomen door de Commissie van de Europese Gemeenschappen op 26 juli 1988 tot vaststelling van de regeling die geldt voor nationale deskundigen die bij de diensten van de commissie gedetacheerd zijn, alsmede in het kader van de programma's van de Europese Unie. Art. 212.De Regering, voor de instellingen van categorie A of de benoemende overheid, voor de instellingen van categorie B verleent de opdracht voor ten hoogste twee jaar. Zij kunnen haar verlengen voor telkens maximum dezelfde duur. Art. 213.Het verlof wegens opdracht is onbezoldigd. Het verlof wegens opdracht wordt bovendien gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Art. 214.Het verlof wordt evenwel bezoldigd wanneer de ambtenaar wordt aangewezen als nationale deskundige krachtens de beschikking van 26 juli 1988 van de Commissie van de Europe

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.