← België

Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen

In het kort

Dit besluit regelt het administratief statuut en de bezoldiging van ambtenaren die werken bij instellingen van openbaar nut in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het doel is om een uniforme regeling te creëren voor deze ambtenaren.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

📄 Wettekst
26 SEPTEMBER 2002. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, Gelet op de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op de instellingen van openbaar nut, inzonderheid op artikel 11; Gelet op de wet van 21 augustus 1987 tot wijziging van de wet houdende organisatie van de agglomeraties en de federaties van gemeenten en houdende bepalingen betreffende het Brusselse Gewest, inzonderheid op artikel 27, § 3; Gelet op het koninklijk besluit van 8 maart 1989Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/03/1989 pub. 07/11/2014 numac 2014031896 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Koninklijk besluit tot oprichting van het Brussels Instituut voor Milieubeheer sluiten tot oprichting van het Brussels Instituut voor Milieubeheer, bekrachtigd door de wet van 16 juni 1989, inzonderheid op artikel 1, § 2; Gelet op artikel 8, tweede lid, van de ordonnantie van 19 juli 1990 houdende oprichting van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, inzonderheid op artikel 8, tweede lid; Gelet op het koninklijk besluit van 13 maart 1991 houdende coördinatie van de wetten van 28 december 1984 en van 26 juni 1990 betreffende de afschaffing en de herstructurering van instellingen van openbaar nut en andere overheidsdiensten, inzonderheid op artikelen 9 en 16; Gelet op de ordonnantie van 3 december 1992 betreffende de exploitatie en de ontwikkeling van het kanaal, de haven, de voorhaven en de aanhorigheden ervan in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, inzonderheid op artikel 14, vierde lid; Gelet op de ordonnantie van 18 januari 2001 houdende organisatie en werking van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling, inzonderheid de artikelen 23, 34 en 35; Gelet op het besluit van de Regent van 3 mei 1948 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder, in de door het statuut vastgelegde zin, tot Rijksambtenaar kunnen benoemd worden de leden en de gewezen leden van het personeel der kolonie, de leden van de rechterlijke macht, van de Raad van State en van het Rekenhof, de militairen en het administratief personeel van de griffies, de parketten, van de Raad van State en van het Rekenhof, opnieuw gepubliceerd als bijlage III van het koninklijk besluit van 16 maart 1964 en gewijzigd door de koninklijke besluiten van 18 april 1969, 17 september 1969 en 18 juni 1976; Gelet op het besluit van de Regent van 30 maart 1950 de toekenning regelend van toelagen wegens buitengewone prestaties, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 5 november 1951, 30 augustus 1954, 11 december 1970, 11 augustus 1976 en 30 november 1979; Gelet op het koninklijk besluit van 30 november 1950 betreffende de huisvesting van sommige categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel; Gelet op het koninklijk besluit van 10 april 1954 waarbij de rijksambtenaren die gemachtigd werden een openbaar ambt uit te oefenen in sommige Afrikaanse gebieden toen deze onder het gezag van België stonden, geheel of gedeeltelijk van sommige loopbaanexamens worden vrijgesteld, opnieuw gepubliceerd als bijlage V van het koninklijk besluit van 16 maart 1964 en gewijzigd bij het ministerieel besluit van 11 december 1970; Gelet op het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende sommige verloven toegestaan aan personeelsleden van de rijksbesturen betreffende de afwezigheid wegens persoonlijke aangelegenheden, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 mei 1968, 7 maart 1977, 24 november 1978, 22 januari 1979, 27 juli 1981, 16 november 1981, 30 maart 1983, 31 december 1984, 18 februari 1985, 3 juli 1985, 26 augustus 1987, 1 oktober 1987, 2 oktober 1989, 27 maart 1990, 19 juli 1990, 25 oktober 1990, 18 september 1991, 10 oktober 1991, 6 november 1991 en 14 februari 1992; Gelet op het koninklijk besluit van 1 juni 1964 houdende bijzondere bepalingen betreffende de stand van disponibiliteit van het rijkspersoneel, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 november 1967 en bij het koninklijk besluit van 14 december 1970; Gelet op het koninklijk besluit van 20 juli 1964 betreffende de hiërarchische indeling en de loopbaan van sommige personeelsleden van de rijksbesturen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 november 1969, 6 september 1971, 10 juli 1972, 29 juni 1973, 6 augustus 1974, 27 oktober 1975, 13 september 1976, 14 september 1976, 11 februari 1977, 22 mei 1978, 3 september 1979, 12 augustus 1981, 18 mei 1983, 19 maart 1985, 7 maart 1989, 18 december 1989, 21 december 1990 en 16 september 1991; Gelet op het koninklijk besluit van 24 december 1964 tot vaststelling van de vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan de leden van het personeel der ministeries, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 december 1970, 4 december 1990 en 4 maart 1993, de wet van 22 juli 1993, de koninklijke besluiten van 17 maart 1995 en 10 april 1995, met uitzondering van artikelen 1 tot 4; Gelet op het koninklijk besluit van 12 oktober 1964 tot vaststelling van de bezoldiging van hen die hun medewerking verlenen voor de vorming en de voortgezette opleiding van het rijkspersoneel; Gelet op het koninklijk besluit van 11 januari 1965 houdende vaststelling van de manier van aanwijzing van de groepsleiders in de typdiensten en van hun bezoldiging; Gelet op het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 december 1984 en bij het ministerieel besluit van 12 december 1984; Gelet op het koninklijk besluit van 26 maart 1965 houdende de algemene regeling van de vergoedingen en toelagen van alle aard toegekend aan het personeel der ministeries, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 6 februari 1967 en 2 maart 1989; Gelet op het koninklijk besluit van 29 april 1965 betreffende de valorisatie van de voordelen in natura toegekend aan de conciërges van de verschillende Ministeries en van de instellingen welke tot die Ministeries behoren, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 februari 1979; Gelet op het koninklijk besluit van 13 november 1967 tot vaststelling van de administratieve toestand van de rijksambtenaren die met een opdracht worden belast, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 2 december 1971, 2 april 1979 en 19 september 1991; Gelet op het koninklijk besluit van 14 februari 1968 houdende sommige administratieve en geldelijke bepalingen ten gunste van de personeelsleden der rijksbesturen die met de graden van conducteur, van technisch ingenieur of met sommige graden van het controle- en opzichterpersoneel van werken zijn bekleed, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 juni 1973, 12 september 1974 en 16 november 1979; Gelet op het koninklijk besluit van 21 augustus 1970 betreffende de toekenning van verlof en van een vergoeding van sociale promotie aan sommige categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 april 1976, 3 december 1987 en 6 november 1991; Gelet op het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 20 augustus 1973, 4 maart 1974, 30 september 1974, 17 september 1975, 23 december 1975, 8 maart 1976, 15 maart 1976, 10 mei 1976, 15 september 1976, 24 februari 1977, 10 mei 1977, 6 juni 1978, 3 oktober 1978, 13 september 1979, 2 oktober 1979, 16 november 1979,22 februari 1980, 30 juli 1981, 16 december 1981, 12 juli 1982, 6 oktober 1983, 26 januari 1984, 28 mei 1984, 3 september 1984, 14 juni 1985, 19 augustus 1985, 13 juli 1987, 4 februari 1988, 16 november 1988, 6 maart 1989, 8 mei 1989, 9 juni 1989, 23 oktober 1989, 6 juni 1991, en door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 13 februari 1992; Gelet op het koninklijk besluit van 8 januari 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 20 augustus 1973, 6 december 1974, 10 mei 1976, 8 augustus 1983 26 januari 1984, 21 januari 1991, 7 augustus 1991; Gelet op het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der ministeries, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 2 juni 1975, 5 december 1978 en 30 maart 1983, bij het koninklijk besluit nr. 279 van 30 maart 1984, bij de koninklijke besluiten van 27 juli 1989, 13 december 1989, 7 augustus 1991, 6 november 1991 en 18 november 1991 en bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 mei 1994; Gelet op het koninklijk besluit van 2 april 1975 betreffende het verlof dat aan sommige personeelsleden in overheidsdienst wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 januari 1981 en 16 april 1991; Gelet op het koninklijk besluit van 26 mei 1975 betreffende de afwezigheden van lange duur gewettigd door familiale redenen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 7 maart 1977, 27 juli 1981, 16 november 1981 en 25 oktober 1990; Gelet op het koninklijk besluit van 28 september 1976 tot instelling van een toelage voor sommige ambtenaren van de Rijksbesturen, die geslaagd zijn voor een vergelijkend examen voor overgang naar het hogere niveau, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 maart 1995; Gelet op het koninklijk besluit van 11 februari 1977 houdende bijzondere administratieve en geldelijke bepalingen betreffende sommige personeelsleden in de rijksbesturen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 september 1981, 7 augustus 1991 en 6 november 1991; Gelet op het koninklijk besluit van 11 februari 1977 betreffende de toekenning van de zogeheten "weddenschaal van geselecteerde" aan bepaalde personeelsleden van sommige ministeries; Gelet op het koninklijk besluit van 31 juli 1978 houdende toekenning van een toelage voor vervanging van de huisbewaarder tijdens het vakantieverlof, aan personen vreemd aan de Administratie; Gelet op het koninklijk besluit van 16 november 1979 tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen ten gunste van personeelsleden der rijksbesturen die met een graad van architect zijn bekleed; Gelet op het koninklijk besluit van 16 november 1979 tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen ten gunste van de personeelsleden der rijksbesturen die met een graad van industrieel ingenieur zijn bekleed, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 december 1984; Gelet op het koninklijk besluit van 8 augustus 1983 betreffende de uitoefening van een hoger ambt in de rijksbesturen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 februari 1989 en 6 november 1991; Gelet op het koninklijk besluit van 19 augustus 1985 tot vaststelling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij; Gelet op het koninklijk besluit van 13 maart 1989 tot bepaling van de rechtspositie en de graden van directeur-generaal en adjunct-directeur-generaal van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling; Gelet op het koninklijk besluit tot vaststelling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van het Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest; Gelet op het koninklijk besluit van 11 mei 1989 tot bepaling van de graden van de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend-ambtenaar van het Centrum voor Informatica voor het Brusselse Gewest, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 17 december 1992; Gelet op het koninklijk besluit van 11 mei 1989 betreffende de hiërarchische indeling van de graden waarvan de personeelsleden van het Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest titularis kunnen zijn, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 17 december 1992; Gelet op het koninklijk besluit van 9 juni 1989 tot vaststelling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van het Brussels Instituut voor Milieubeheer, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 5 december 1990; Gelet op het koninklijk besluit van 9 juni 1989 tot vaststelling van het statuut van leidend ambtenaar en adjunct leidend ambtenaar van het Brussels Instituut voor Milieubeheer. Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 25 juli 1991 tot toekenning van een premie voor tweetaligheid aan het personeel dat werkzaam is bij sommige instellingen van openbaar nut, gewijzigd door de besluiten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 10 juni 1993 en 14 maart 1998; Gelet op het koninklijk besluit van 8 augustus 1991 betreffende het onthaal en de opleiding van het rijkspersoneel; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 3 maart 1992 houdende reglement van het personeel van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juli 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/1935 pub. 11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 3 maart 1992 tot toekenning van een zogeheten weddenschaal van « geselecteerde » aan sommige personeelsleden van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 3 maart 1992 tot vaststelling van de weddeschalen van de bijzondere graden van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juli 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/1935 pub. 11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 3 maart 1992 betreffende de hiërarchische indeling van de graden waarvan de ambtenaren van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling titularis kunnen zijn, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juli 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/1935 pub. 11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 8 april 1993 betreffende het statuut van de ambtenaren van de Haven van Brussel; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijk Executieve van 8 april 1993 tot vaststelling van het statuut en de graden van de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar van de Haven van Brussel; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijk Executieve van 8 april 1993 tot vaststelling van de weddeschalen van de bijzondere graden van de Haven van Brussel, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 16 maart 2000; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 8 april 1993 tot bepaling van de hiërarchische rangschikking van de graden die door de personeelsleden van de Haven van Brussel kunnen worden bekleed; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 7 oktober 1993 houdende de rangschikking per niveau en per rang van de graden die de ambtenaren van het Brussels Instituut voor Milieubeheer kunnen bekleden; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 7 oktober 1993 tot vaststelling van het statuut van de opdrachthouders bij de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 14 oktober 1993 houdende de rangschikking per niveau en per rang van de graden die de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kunnen bekleden, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 mei 1994; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 oktober 1993 betreffende de loopbaan en de evaluatie van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gewijzigd door de besluiten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 24 februari en 26 mei 1994; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 oktober 1993 betreffende de hiërarchische indeling van de graden waarvan de personeelsleden van de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij titularis kunnen zijn; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 23 december 1993 tot vaststelling van de weddeschalen van de graden van niveau 3 en 4 van het Ministerie en van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 januari 1994 tot oprichting van een gemeenschappelijke Raad van Beroep voor de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en tot vaststelling van de samenstelling ervan, gewijzigd door de besluiten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 18 juli 1996 en 19 juni 1997; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 10 februari 1994 houdende het personeelsreglement van het Brussels Instituut voor Milieubeheer; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 mei 1994 tot vaststelling van de weddeschalen van de graden van niveau 1, 2+ en 2 van het Ministerie en de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 oktober 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/1935 pub. 11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 februari 1995 betreffende de hiërarchische rangschikking van de graden van het personeel van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 oktober 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/1935 pub. 11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 11 januari 1996 tot instelling van het politiek verlof voor de personeelsleden van de instellingen van openbaar nut die afhangen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 14 mei 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/1935 pub. 11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1 tot oprichting van een stagecommissie voor het Brussels Instituut voor Milieubeheer. Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 oktober 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/1935 pub. 11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2 tot aanvulling voor wat de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp betreft, van het besluit van 26 mei 1994 tot vaststelling van de weddeschalen van de graden van niveau 1, 2+ en 2 van het Ministerie en de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 november 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/1935 pub. 11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3 tot vaststelling van het administratief statuut van het personeel van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/1935 pub. 11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken Officieuze coördinatie in het Duits sluiten4 tot aanvulling voor wat de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp betreft, van het besluit van 21 oktober 1993 betreffende de loopbaan en de evaluatie van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 18 mei 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/1935 pub. 11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 tot wijziging van de samenstelling van de Directieraad van het Brussels Instituut voor Milieubeheer; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 19 juli 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/1935 pub. 11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken Officieuze coördinatie in het Duits sluiten6 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; Gelet op volgende formaliteiten waaraan voormeld besluit voorafgaandelijk werd onderworpen : - het protocol nr.104/3 van 8 december 1998 van het Gemeenschappelijk Comité voor alle overheidsdiensten; - de protocollen nr. 98/22 en n° 2000/15 van 9 november 1998 en van 28 juni 2000 van het Sectorcomité XV; - het advies van de Inspecteur van Financiën van 2 februari 1999; - de akkoordbevinding van de Minister bevoegd voor Begroting van 15 februari 1999; - de akkoordbevinding van de federale Minister van Pensioenen van 10 juli 2000; - het advies van het beheerscomité van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling van 28 april 2000; - het advies van de raad van bestuur van de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij van 23 mei 2000; - het advies van de raad van bestuur van de Gewestelijke Vennootschap van de Haven van Brussel van 26 mei 2000; - het besluit van de Regering over het verzoek om advies van de Raad van State binnen een termijn van één maand; - het advies 30.491/4 van de Raad van State, gegeven op 25 april 2001, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat het bovenvermeld besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 19 juli 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/1935 pub. 11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken Officieuze coördinatie in het Duits sluiten6 behalve de handtekening van de leden van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, de handtekening van de Staatssecretaris belast met Ambtenarenzaken draagt, terwijl volgens de jurisprudentie van de Raad van State het besluit enkel door de leden van de Regering kon worden voorgedragen en getekend en niet door een Staatssecretaris zoals in casu; Overwegende dat, dientengevolge, het voormeld besluit het risico loopt een vormfout te bevatten en het dient te worden ingetrokken gezien het risico tot nietigverklaring van alle feitelijke en rechtsbepalingen genomen op basis ervan; Overwegende, voorts, dat het noodzakelijk is voormeld besluit te herstellen en de bepalingen die het bevat opnieuw uit te vaardigen met uitwerking vanaf de dag van de aanvankelijke inwerkingtreding ervan; Overwegende dat het geheel van de statutaire bepalingen van de ambtenaren werden geintegreerd in een enkel besluit; Overwegende dat de bepalingen vervat in voormeld besluit reeds grotendeels in werking werden gesteld in de betrokken instellingen van openbaar nut, in het bijzonder deze betreffende de nieuwe organisatie, de nieuwe benaming der graden, de stage, de werving, de loopbaan, de verloven en ziekteverloven, de vorming, de tuchtregeling, de anciënniteiten, de nieuwe weddeschalen, de toelagen en vergoedingen, evenals de bepalingen betreffende de invoeging van de ambtenaren in de nieuwe graden en weddeschalen; Overwegende dat deze bepalingen een rechtstreekse uitwerking hebben op de administratieve en geldelijke toestand van de ambtenaren; Overwegende dat de werkomstandigheden en de bezoldigingsregeling die de ambtenaren genieten naar aanleiding van de invoering van de bepalingen vervat in voormeld besluit moeten worden heringevoerd op gevaar af afbreuk te doen aan hun rechten; Overwegende dat het opnieuw uitvaardigen met terugwerkende kracht van de ingetrokken bepalingen er aldus toe strekt de continuïteit, de doeltreffendheid en de goede werking van de diensten gepresteerd door de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut veilig te stellen; Overwegende dat, zodoende, de vereisten betreffende de rechtszekerheid en de individuele rechten voortvloeiend uit de toepassing van het nieuwe statuut van de instellingen van openbaar nut zullen worden geëerbiedigd; Gelet op het besluit van de Regering over het verzoek om advies van de Raad van State binnen een termijn van één maand; Gelet op het advies 33.931/2/V. van de Raad van State, gegeven op 28 augustus 2002, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op de voordracht van de Minister van Openbaar Ambt, Na beraadslaging, Besluit : BOEK I. - HET ADMINISTRATIEF STATUUT TITEL I. - Algemene bepalingen Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder : 1° de instellingen : de instellingen van openbaar nut van catégorie A en van categorie B van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;a) de instellingen van categorie A : de instellingen behorende tot categorie A volgens de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut;b) de instellingen van categorie B : de instellingen behorende tot categorie B volgens dezelfde wet;2° de Regering : de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;3° de minister : de Minister bevoegd voor Ambtenarenzaken;4° de functioneel bevoegde minister : de minister of staatssecretaris waarvan een instelling van openbaar nut afhangt krachtens de bevoegdheden die hij uitoefent;5° de benoemende overheid : 1.in de instellingen behorende tot categorie A : a) De Regering voor de graden van niveaus A en B;b) de functioneel bevoegde minister voor de graden van niveau C tot E;2. in de instellingen behorende tot categorie B : a) de Regering voor de graden van rangen A4, A4+ en A5;b) de raad van bestuur of het beheerscomité voor de graden van rangen A1, A2 en A3 alsook voor de graden van niveaus B tot E;6° vakorganisaties : de representatieve vakorganisaties die zetelen in Sectorcomité XV in uitvoering van artikel 8, § 1, van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. Art. 2.§ 1. Dit besluit is van toepassing voor de ambtenaren van de volgende instellingen : 1° Instellingen van categorie A : - Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest; - Brussels Instituut voor Milieubeheer; - Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp; 2° Instellingen van categorie B : - Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij; - Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling; - Gewestelijke vennootschap van de Haven van Brussel. § 2. Voor wat betreft de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, is dit besluit enkel van toepassing op de ambtenaren titularis van een van de graden bepaald door dit besluit TITEL II. - De organisatie van de instellingen van openbaar nut HOOFDSTUK I. - De ambtenaren Art. 3.Ambtenaar is elkeen die in vast dienstverband is in een instelling. De ambtenaar valt onder de bepalingen van dit statuut. Aan de statutaire toestand van de ambtenaar kan alleen een einde worden gemaakt in de gevallen voorzien door de statutaire bepalingen die op hem toepasselijk zijn. De rechten en plichten bepaald in de artikelen 4 tot 8 van het koninklijk besluit van 22 december 2000Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/12/2000 pub. 09/01/2001 numac 2000002114 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen sluiten tot vaststelling van de Algemene Principes, zijn op hem van toepassing. Art. 4.De ambtenaren van de instellingen worden benoemd in graden. HOOFDSTUK II. - De graden Art. 5.De graad is de titel op grond waarvan de ambtenaar met een rang bekleed is en waardoor hij gemachtigd is een betrekking in te nemen die met deze graad overeenstemt. De graden worden gerangschikt per niveau en per rang. Het niveau van een graad bepaalt de plaats van die graad in de hiërarchie volgens de kwalificatie van de vorming en de geschiktheid waarvan blijk moet gegeven opdat die graad kan worden toegekend. De rang bepaalt de betrekkelijke waarde van een graad in zijn niveau. Art. 6.Elke rang wordt aangeduid met een letter gevolg door een cijfer; de letter verwijst naar het niveau; het cijfer plaatst de rang binnen het niveau. Het hoogste cijfer stemt overeen met de hoogste rang. De rangen worden als volgt verdeeld onder de niveaus : 1° in niveau A, zes rangen, nl.de rangen A1, A2, A3, A4, A4+ en A5; 2° in niveau B, twee rangen, nl.de rangen B1 en B2; 3° in niveau C, twee rangen, nl.de rangen C1 en C2; 4° in niveau D, twee rangen, nl.de rangen D1 en D2; 5° in niveau E, twee rangen, nl.de rangen E1 en E2. Het niveau A is het hoogste niveau. Art. 7.De volgende graden worden gecreëerd : in rang A5 : directeur-generaal; in rang A4+ : adjunct-directeur-generaal; in rang A4 : directeur-diensthoofd; in rang A3 : directeur; wetenschappelijk directeur; ingenieur-directeur; in rang A2 : eerste attaché; eerste wetenschappelijk attaché; eerste ingenieur; havenkapitein; in rang A1 : attaché; wetenschappelijk attaché; ingenieur; geneesheer; in rang B2 : eerste assistent; in rang B1 : assistent; in rang C2 : eerste adjunct; in rang C1 : adjunct; in rang D2 : eerste klerk; in rang D1 : klerk; in rang E2 : eerste beambte; in rang E1 : beambte. HOOFDSTUK III. - De personeelsformatie Art. 8.De personeelsformatie drukt het aantal betrekkingen per niveau, rang en graad uit dat noodzakelijk wordt geacht om de permanente opdrachten van de instelling uit te voeren. Art. 9.De Regering stelt de personeelsformatie vast en verdeelt, op voorstel van de directieraad, de betrekkingen van eerste attaché van rang A2 in kaderbetrekkingen, expertbetrekkingen en expertbetrekkingen van hoog niveau In de instellingen van categorie B, brengt het beheerscomité of de raad van bestuur een advies uit omtrent het personeelskader en de verdeling bedoeld in het eerste lid. Voor de toepassing van dit artikel dient te worden verstaan onder : 1° kaderbetrekking : een betrekking waarbij de klemtoon ligt op het beheer van een onderdeel van de dienst waaraan de titularis wordt toegewezen;2° expertbetrekking : een betrekking waarbij de klemtoon ligt op de algemene kennis van de behandelde materie die vereist is voor het uitoefenen van de betrekking;3° expertbetrekking van hoog niveau : een betrekking waarbij de klemtoon ligt op de grondige gespecialiseerde kennis van de behandelde materie die vereist is voor het uitoefenen van de betrekking. Art. 10.De dienst belast met het "human resources management", afgekort als HRM stelt de functiebeschrijvingen op en legt ze ter goedkeuring voor aan de directieraad. Aan iedere functiebeschrijving worden de kwalificaties toegevoegd. Er dient onder kwalificaties te worden verstaan het geheel van kennis en vaardigheden die vereist zijn om de functie uit te oefenen. Art. 11.De directieraad stelt het organigram vast. Het organigram van de instelling, evenals elke wijziging die er wordt aan aangebracht, wordt bij wijze van dienstnota aan alle personeelsleden medegedeeld. HOOFDSTUK IV. - De leidende ambtenaren Art. 12.De leidende ambtenaren zijn de leidende ambtenaar en de adjunct-leidende ambtenaar die respectievelijk de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal zijn. Art. 13.De leidende ambtenaren kunnen binnen de perken van hun bevoegdheden voor de instellingen van categorie A of binnen de perken van hun organieke bepalingen voor de instellingen van categorie B, hun bevoegdheden geheel of gedeeltelijk delegeren aan de ambtenaren van niveau A en B die zij aanwijzen HOOFDSTUK V. - De directieraad Art. 14.De directieraad bestaat uit de leidende ambtenaren en de ambtenaren van rang A4; deze kan worden aangevuld door ambtenaren van rang A3 aangewezen door de benoemende overheid. De directieraad wordt voorgezeten door de directeur-generaal of, bij afwezigheid of verhindering, door de adjunct-directeur-generaal. Indien beiden afwezig of verhinderd zijn, wordt de directieraad voorgezeten door het lid aangewezen door de directeur-generaal of door de adjunct-directeur-generaal. Art. 15.De directieraad stelt zijn huishoudelijk reglement vast. Art. 16.De directieraad is belast met de opdrachten die dit statuut hem toekent. Bij de directieraad kan elke aangelegenheid die betrekking heeft op de organisatie van de instelling aanhangig gemaakt worden voor advies door één van haar leden. HOOFDSTUK VI. - De gemeenschappelijke commissie van beroep inzake ambtenarenzaken Afdeling 1. - Opdracht en samenstelling van de commissie Art. 17.Voor de instellingen wordt een gemeenschappelijke commissie van beroep opgericht. Art. 18.De commissie bedoeld in artikel 17 is bevoegd voor de beroepen inzake stage, evaluatie, afwezigheden, verloven, disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid. Art. 19.De commissie bestaat uit : 1° een effectieve en een plaatsvervangende voorzitter, magistraten of op rust gestelde magistraten, aangewezen door de Regering;2° per taalrol, drie leden gekozen onder de ambtenaren van ten minste rang A2 aangewezen door de Regering;3° per taalrol, drie leden die de vakorganisaties vertegenwoordigen door deze aangewezen. De plaatsvervangende leden worden op dezelfde wijze aangewezen : per taalrol drie ambtenaren van ten minste rang A2 en drie vertegenwoordigers van de vakorganisaties. De minister bepaalt de vergoeding toegekend aan de voorzitter of de plaatsvervangende voorzitter van de commissie bedoeld in artikel 17. Afdeling 2. - De werking van de commissie Art. 20.De commissie vergadert in afdelingen per taalrol. De Regering wijst onder de ambtenaren van de instellingen een secretaris en een plaatsvervangend secretaris aan voor elke afdeling. Art. 21.De verenigde afdelingen stellen een gemeenschappelijk huishoudelijk reglement op. Art. 22.Elke afdeling van de commissie beraadslaagt slechts geldig indien de meerderheid van de leden aanwezig is. Tijdens de stemming moet het aantal leden aangewezen door de Regering en aangewezen door de vakorganisaties gelijk zijn; in voorkomend geval, wordt de pariteit hersteld door uitschakeling van één of meerdere leden, na loting. Art. 23.Elk lid van de commissie, met inbegrip van de voorzitter, is stemgerechtigd. HOOFDSTUK VII De Hoge Raad voor Gewestelijke Ambtenarenzaken Art. 24.De Hoge Raad voor Gewestelijke Ambtenarenzaken, afgekort als de Hoge Raad, opgericht bij artikel 24 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is eveneens bevoegd ten overstaan van de ambtenaren onderworpen aan dit statuut. De Hoge Raad oefent de opdrachten uit die dit besluit hem toekent. De Regering kan hem met bijkomende bevoegdheden belasten. TITEL III. - De werving, de stage en de benoeming HOOFDSTUK I. - De werving Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 25.Een vacante betrekking wordt toegewezen aan een kandidaat van de interne mobiliteit, een laureaat van een vergelijkend overgangsexamen naar een hoger niveau of een laureaat van een vergelijkend wervingsexamen Art. 26.Vergelijkende wervingsexamens worden georganiseerd voor de graden van rang A1, B1, C1, D1 en E1 alsmede voor de graad van havenkapitein van rang A2. Worden beschouwd als wervingsgraden : in niveau A, Rang A2 : havenkapitein; Rang A1 : attaché; wetenschappelijk attaché; ingenieur; geneesheer; in niveau B, rang B1 : assistent; in niveau C, rang C1 : adjunct; in niveau D, rang D1 : klerk; in niveau E, rang E1 : beambte. Art. 27.In de instellingen van categorie A worden de vergelijkende wervingsexamens georganiseerd op aanvraag van de functioneel bevoegde minister. In de instellingen van categorie B worden de vergelijkende wervingsexamens georganiseerd op aanvraag van de benoemende overheid. Art. 28.De functioneel bevoegde minister, wat betreft de instellingen van categorie A, of de benoemende overheid wat betreft de instellingen van categorie B, bepaalt of er al dan niet een reserve van geslaagden wordt aangelegd. Als er een reserve aangelegd wordt, worden de laureaten die niet benoemd konden worden daarin opgenomen. De reserve heeft een geldigheidsduur van drie jaar. De functioneel bevoegde minister of de overheid bedoeld in het eerste lid kan na raadpleging van de afgevaardigde-bestuurder van SELOR - Selectiebureau van de federale overheid (afgekort : SELOR) een andere duur bepalen. Hij licht de kandidaten terzake in. De functioneel bevoegde minister of de overheid bedoeld in het eerste lid kan ook de duur van een bestaande reserve met telkens een jaar verlengen indien de behoeften van de diensten dit rechtvaardigen. Hij licht de laureaten terzake in. Art. 29.Na overleg met de afgevaardigde bestuurder van SELOR en met de functioneel bevoegde minister in de instellingen van categorie A of met de benoemende overheid in de instellingen van categorie B, bepaalt de minister : 1° de functiebeschrijving van de betrekking(en) overeenstemmend met de wervingsgraad en de vereiste kwalificatie van de te werven ambtenaren;2° het programma van het vergelijkende wervingsexamen. Eveneens na overleg met de afgevaardigde bestuurder van SELOR, kan de functioneel bevoegde minister of de overheid bedoeld in het eerste lid : 1° specifieke wervingsvoorwaarden opleggen wanneer de aard van het ambt het vereist;2° nader bepalen welke diploma's in het bijzonder toegang verlenen tot het ambt waarvoor een vergelijkend wervingsexamen wordt uitgeschreven. Art. 30.Wanneer een vacante betrekking bij een instelling van categorie A moet worden ingevuld door een laureaat van een vergelijkend wervingsexamen, richt de functioneel bevoegde minister of de ambtenaar die hij daartoe aanwijst, een verzoek in deze zin aan de afgevaardigde bestuurder van SELOR. De functioneel bevoegde minister of de ambtenaar die hij daartoe aanwijst, roept de aangewezen kandidaat in dienst uiterlijk de eerste dag van de tweede maand volgend op die waarin de afgevaardigde bestuurder van SELOR de geslaagde ter beschikking heeft gesteld van de instelling. In de instellingen van de categorie B wordt de bevoegdheid bedoeld in het eerste en tweede lid uitgeoefend door de benoemende overheid of door de ambtenaar die laatstgenoemde daartoe machtigt. Wanneer de geslaagde bij zijn werkgever een opzeggingstermijn moet eerbiedigen, wordt hij in dienst geroepen de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van deze termijn. Afdeling 2. - De werving van de leidende ambtenaar en van de adjunct-leidende ambtenaar Art. 31.De Regering kan conform de respectieve organieke bepalingen van de diverse instellingen de mandaten van de rangen A4+ en A5 openstellen voor elkeen die voorwaarden inzake vereiste diploma vervult om te worden aangeworven in een graad van niveau A. De Hoge Raad brengt een advies uit overeenkomstig het artikel 91. De Regering bepaalt de toewijzingsmodaliteiten tot het mandaat en kan bijkomende voorwaarden toevoegen. De Regering bepaalt eveneens de te volgen regels en de vergoedingen die toegekend worden ingeval het mandaat beëindigd wordt om ongeacht welke reden. HOOFDSTUK II. - De stage Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 32.De stagiair is geen ambtenaar in de zin van dit besluit. Overeenkomstig artikel 9, § 4, lid 3, van het koninklijk besluit van 22 december 2000Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/12/2000 pub. 09/01/2001 numac 2000002114 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen sluiten tot bepaling van de Algemene Principes, zijn op de stagiaire toepasselijk de volgende statutaire bepalingen : 1° de rechten, plichten, onverenigbaarheden en cumulatie van activiteiten;2° de tuchtregeling;3° de administratieve standen;4° de geldelijk statuut; 5° het ambtshalve verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en de definitieve ambtsneerlegging.; 6° de gemiddelde maximumarbeidsduur. De stagiair geniet van : 1° het jaarlijks vakantieverlof;2° de feestdagen;3° het omstandigheidsverlof;4° het bevallingsverlof;5° het verlof wegens ziekte;6° de disponibiliteit wegens ziekte;7° verloven om in geval van ernstige ziekte of ongeval een persoon bij te staan die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont;8° het verlof voor detachering bij een ministerieel kabinet;9° het verlof om een politiek mandaat uit te oefenen. Voor de toepassing van dit artikel wordt de stagiair geacht de graad te bezitten waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Art. 33.§ 1. De minister stelt de ambten en graden vast waarvoor er een bepaalde medische geschiktheid vereist is en geeft de gevergde geschiktheid nauwkeurig aan. § 2. In de gevallen waarin een onderzoek naar de lichamelijke geschiktheid is voorgeschreven volgens het koninklijk besluit van 13 mei 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 13/05/1999 pub. 14/07/1999 numac 1999002110 bron ministerie van ambtenarenzaken ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot regeling van het medisch toezicht op het personeel van sommige overheidsdiensten sluiten tot regeling van het medisch toezicht op het personeel van sommige overheidsdiensten, kan de geslaagde slechts tot benoeming worden toegelaten wanneer hij zich voor het onderzoek heeft aangemeld; de bedoeling daarvan is te bepalen of de betrokkene geschikt is om het ambt uit te oefenen waarvoor hij zich kandidaat gesteld heeft. Indien hij niet aan de geschiktheidsvoorwaarden voldoet, wordt hij ontslagen. Ten laatste op de datum van dit ontslag wordt met de betrokkene een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde duur afgesloten. Deze duur is gelijk aan de minimumduur die in zijn geval wordt opgelegd om het voordeel van werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Wanneer hij op de datum waarop deze overeenkomst begint te lopen arbeidsongeschikt is of wanneer hij dat wordt tijdens de uitvoering ervan, wordt hem in het eerste geval een wedde uitbetaald gedurende zes maanden en in het tweede geval gedurende de periode nodig om de wachttijd te dekken voor de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen. Art. 34.In de instellingen van categorie A laat de Regering de kandidaat voor een betrekking van niveau A of B toe tot de stage. De functioneel bevoegde minister of zijn gemachtigde laat de kandidaat voor een betrekking van niveau C, D of E tot de stage toe. In de instellingen van categorie B, laat de benoemende overheid de kandidaat voor een betrekking toe tot de stage. Art. 35.Wanneer de stagiair buiten de verloven bedoeld in artikel 32 derde lid, 1° tot 3° en 7°, tien werkdagen gewettigde afwezigheid overschrijdt, wordt de stage geschorst. Tijdens de schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair. Hij behoudt deze eveneens tot de datum waarop een definitieve beslissing omtrent zijn benoeming of afdanking wordt genomen. Art. 36.De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal wijzen de stagiair voorlopig aan voor een met zijn kwalificatie overeenstemmende vacante betrekking bij de dienst waar deze laatste zijn stage zal volbrengen. Zij kunnen deze aanwijzing veranderen : 1° in het belang van de dienst;2° op aanvraag van de stagiair. Art. 37.De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal wijzen de ambtenaren van ten minste rang A2 aan die de leiding van de stage uitoefenen, naargelang van de taalrol van de stagiair. Art. 38.De opleiding van de stagiair gebeurt onder de verantwoordelijkheid van de ambtenaar belast met de leiding van de stage, in samenwerking met de bevoegde hiërarchische meerdere en de dienst belast met de vorming. De bevoegde hiërarchische meerdere zorgt voor de opleiding in de materie die door zijn dienst wordt behandeld. In samenwerking met de dienst belast met de vorming leert hij de stagiair de activiteiten kennen van de andere diensten van de instelling. De dienst belast met de vorming bepaalt de vormingsactiviteiten waaraan de stagiair verplicht moet deelnemen. Art. 39.De ambtenaar belast met de leiding van de stage maakt de verslagen bedoeld in artikelen 42, 44 en 45 op en zendt ze naar de dienst belast met de vorming. Deze laatste kan in overleg met de ambtenaar belast met de leiding van de stage beslissen de stagiair bijkomende vormingsactiviteiten te laten volgen. De minister legt het model van het stageverslag vast. Afdeling 2. - De stagiairs van niveau A en B. Art. 40.De stage duurt één jaar. Zij kan ten hoogste met een jaar worden verlengd in het in artikel 51, 1°, bedoelde geval. Art. 41.Elke stagiair stelt een eindverhandeling op over een onderwerp dat in overleg met zijn bevoegde hiërarchische meerdere en de dienst belast met de vorming wordt vastgelegd. Art. 42.Elke maand gedurende het eerste trimester van de stage en vervolgens om de drie maanden organiseert de ambtenaar belast met de leiding van de stage een evaluatiegesprek over het verloop van de stage, inzonderheid over : 1° de vormingsactiviteiten en de resultaten ervan;2° de wijze waarop de stagiair zich in de dienst integreert;3° de uitvoering van zijn werkopdrachten. Het onderhoud heeft tot doel de vooruitgang te evalueren die de stagiair maakt en de nog te verbeteren punten aan te stippen. De conclusies van elk gesprek worden opgetekend in het stageverslag. Het verslag wordt meegedeeld aan de stagiair die er desgevallend zijn opmerkingen kan aan toevoegen. Afdeling 3. - De stagiairs van niveau C, D en E Art. 43.De stage duurt zes maanden. Zij kan ten hoogste met zes maanden worden verlengd in het in artikel 51, 1° bedoelde geval. Art. 44.De ambtenaar belast met de leiding van de stage stelt na de eerste, de derde en de zesde maand van de stage een stageverslag op. Het verslag wordt ter kennis gebracht van de stagiair, die er desgevallend zijn opmerkingen kan aan toevoegen. Het voormelde verslag wordt aan de dienst belast met de vorming toegezonden. Afdeling 4. - Het einde van de stage Art. 45.De ambtenaar belast met de leiding van de stage stelt het eindverslag van de stage op, in overleg met de dienst belast met de vorming. Hij voegt er een van de voorstellen bedoeld in artikel 47 aan toe. Hij deelt het eindverslag aan de stagiair mede, die over tien werkdagen beschikt om er zijn opmerkingen aan toe te voegen. Art. 46.De eindevaluatie houdt rekening met alle feiten, al dan niet ten goede, die in de loop van de stage werden vastgesteld, evenals met de tussentijdse evaluaties. Voor de stagiairs van niveau A en B wordt bovendien rekening gehouden met de eindverhandeling. Art. 47.De ambtenaar belast met de leiding van de stage overhandigt het eindverslag aan de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal.. Indien het eindverslag over het geheel van de stage gunstig is, stellen de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal de benoeming voor van de stagiair aan de benoemende overheid, bedoeld in artikel 54, tweede en derde lid. Indien het eindverslag ongunstig is of een voorbehoud uitdrukt wat het verloop van de stage betreft, kunnen de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal de afdanking wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij de instelling of de verlenging van de stage voorstellen. Afdeling 5. - De procedure van beroep Art. 48.In de gevallen bedoeld in artikel 47, derde lid, leggen de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal het dossier voor aan de commissie bedoeld in artikel 17. Zij voegen er het voorstel van beslissing aan toe. Zij betekenen dit aan de stagiair. De datum van de betekening doet de termijn lopen, bedoeld in artikel 51, tweede lid. Art. 49.De voorzitter van de commissie roept de stagiair op. Deze laatste kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art. 50.De ambtenaar belast met de leiding van de stage brengt verslag uit over het verloop van de stage. Het hoofd van de dienst belast met de vorming of zijn afgevaardigde evenals de ambtenaar belast met de leiding van de stage worden gehoord. Art. 51.De commissie kan beslissen : 1° de stage te verlengen, volgens de nadere regels die zij bepaalt, met inachtneming van de maximumtermijnen bedoeld in artikelen 40, tweede lid en 43, tweede lid.2° de benoeming voor te stellen aan de benoemende overheid;3° de afdanking wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij de instelling voor te stellen aan de benoemende overheid. De commissie beslist binnen drie maanden nadat het dossier bij haar werd ingediend. Bij ontstentenis, wordt de benoeming van de stagiair voorgesteld aan de benoemende overheid. Art. 52.In geval van verlenging van de stage wordt de stagiair geëvalueerd zoals tijdens de initiële stage. Artikel 47 is toepasselijk, met dien verstande dat de ambtenaar belast met de leiding van de stage geen tweede verlenging van de stage kan voorstellen. Art. 53.De opzeggingstermijn voor een stagiair die wordt afgedankt, bedraagt drie maanden. Ten laatste op de datum van de beslissing tot opzegging wordt met de betrokkene een arbeidsovereenkomst afgesloten waarvan de duur overeenstemt met de in het vorige lid bedoelde opzeggingstermijn. Bij zware fout wordt de stagiair zonder vooropzeg ontslagen. HOOFDSTUK III. - De benoeming Art. 54.De geschikt verklaarde stagiair wordt benoemd in de graad waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. In de instellingen van categorie A benoemt de Regering de stagiairs van niveau A en B en de functioneel bevoegde minister of zijn gemachtigde de stagiairs van niveau C, D en E. In de instellingen van categorie B benoemt de benoemende overheid de stagiairs. Art. 55.De hoedanigheid van ambtenaar wordt bekrachtigd door de eed die wordt afgelegd in de termen bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type decreet prom. 20/07/1831 pub. 26/07/2012 numac 2012000423 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Decreet « betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie ». - Officieuze coördinatie in het Duits type decreet prom. 20/07/1831 pub. 07/02/2013 numac 2013000079 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Decreet op de drukpers sluiten. In de instellingen van categorie A leggen de ambtenaren van niveau A en B de eed af in handen van de functioneel bevoegde minister. De andere ambtenaren leggen de eed af in handen van de functioneel bevoegde minister of de door hem aangewezen ambtenaar. In de instellingen van categorie B leggen de ambtenaren de eed af in handen van de directeur-generaal en van de adjunct-directeur-generaal. Art. 56.De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal wijzen de pas benoemde ambtenaar een betrekking van zijn graad toe. TITEL IV. - De loopbaan HOOFDSTUK I. - De hiërarchische loopbaan Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 57.De hiërarchische loopbaan is de loopbaan die de ambtenaar kan doorlopen door verhoging in graad of door bevordering in een expertbetrekking van hoog niveau overeenstemmend met dezelfde graad als degene die hij bekleedt. Art. 58.Iedere open betrekking wordt door de benoemende overheid vacant verklaard alvorens zij kan worden begeven. Art. 59.§ 1. De vacante betrekkingen worden per dienstnota ter kennis gebracht van de kandidaten van de instelling die de benoemingsvoorwaarden kunnen vervullen. De betrokkenen brengen hun visum aan op de dienstnota. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk van de dienst afwezig is, om welke reden ook, wordt de dienstnota bij aangetekend schrijven naar zijn woonplaats gezonden. De vacante betrekkingen bedoeld in artikel 64 van dit besluit worden ter kennis gebracht van de ambtenaren die niet tot de instelling behoren door middel van een oproep tot kandidaten in het Belgisch Staatsblad . § 2. Worden enkel in aanmerking genomen, de kandidaturen van de ambtenaren van de instelling die per aangetekend schrijven gericht zijn aan de voorzitter van de directieraad, binnen een termijn van vijftien werkdagen. Deze termijn gaat in ofwel de dag waarop de ambtenaar zijn visum aangebracht heeft op de dienstnota, ofwel de dag waarop het aangetekend schrijven met de dienstnota door de post werd aangeboden op de woonplaats van de ambtenaar. Voor de ambtenaren die niet tot de instelling behoren, begint de termijn bedoeld in het eerste lid te lopen daags na de publicatie van de oproep in het Belgisch Staatsblad . § 3. Elke kandidatuur voor een bevorderingsbetrekking dient een uiteenzetting te bevatten over de elementen die de kandidatuur staven. § 4. Het staat de ambtenaren vrij om voorafgaandelijk te dingen naar elke betrekking die eventueel vacant zou worden verklaard tijdens hun afwezigheid. De geldigheid van een dergelijke kandidatuur is beperkt tot twee maanden. Zij behoort met een aangetekend schrijven ingediend te worden bij de voorzitter van de directieraad. Art. 60.De bevorderingen in de hiërarchische loopbaan worden verleend : 1° in de instellingen van categorie A : - door de Regering wat betreft de graden van de rangen A3, A2 en B2; - door de functioneel bevoegde minister of de daartoe door hem aangewezen ambtenaar wat betreft de andere niveaus; 2° in de instellingen van categorie B, door de benoemende overheid. Afdeling 2. - De bevordering tot een graad van rang A2 of A3 Onderafdeling 1. - De voorwaarden inzake rang en anciënniteit Art. 61.De kaderbetrekkingen en de expertbetrekkingen van rang A2 staan open voor titularissen van de graad van attaché in rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. De betrekkingen van eerste wetenschappelijk attaché in rang A2 staan open voor titularissen van de graad van wetenschappelijk attaché in rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. De betrekkingen van eerste ingenieur in rang A2 staan open voor titularissen van de graad van ingenieur in rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. Bij gebrek aan kandidaten die de voorwaarden inzake anciënniteit vervullen, kan de functioneel bevoegde minister, wat betreft de instellingen van categorie A, of de benoemende overheid wat betreft de instellingen van categorie B, de vereiste anciënniteit met een derde verlagen. De beslissing tot verlaging van de vereiste anciënniteit wordt vermeld in de bekendmaking van de vacante betrekking en in de aanhef van het benoemingsbesluit. Art. 62.De betrekkingen van eerste attaché van rang A2, expert van hoog niveau staan open voor ambtenaren bekleed met de graad van attaché van rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen, evenals voor ambtenaren met de graad van eerste attaché van rang A2 die titularis zijn van een kader- of expertbetrekking. Art. 63.De betrekkingen van directeur in rang A3 staan open voor de titularissen van de graden van attaché in rang A1, van eerste attaché in rang A2 en van havenkapitein van rang A2 die ten minste negen jaar niveauanciënniteit tellen. De betrekkingen van ingenieur-directeur in rang A3 staan open voor de titularissen van de graden van ingenieur in rang A1 en van eerste ingenieur in rang A 2 die ten minste negen jaar niveauanciënniteit tellen De betrekkingen van wetenschappelijk directeur in rang A3 staan open voor titularissen van de graden van wetenschappelijk attaché in rang A1 en van eerste wetenschappelijk attaché in rang A2 die ten minste negen jaar niveauanciënniteit tellen. Art. 64.In de instellingen van categorie A kan de Regering een vacante betrekking van rang A 3 openstellen voor ambtenaren van een ministerie, van een instelling van openbaar nut of van een autonoom overheidsbedrijf waarvan het personeel wordt aangeworven via SELOR, van het Rijk, van een Gemeenschap of van een Gewest, die aan dezelfde bevorderingsvoorwaarden voldoen als degene welke voor de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelden. In de instellingen van categorie B, kan de procedure bedoeld in het eerste lid van dit artikel op dezelfde wijze door de raad van bestuur of door het beheerscomité gevolgd worden. Onderafdeling 2. - De voorwaarden inzake geschiktheid, opleiding en evaluatie Art. 65.Alleen houders van een managementbrevet dat overeenstemt met de vereisten van de uitoefening van de vacant verklaarde betrekking, kunnen zich kandidaat stellen voor een bevordering in een kaderbetrekking van rang A2 of voor een betrekking van rang A3. De Regering bepaalt de inhoud van de proeven en de nadere regels van de toekenning van het managementbrevet. Art. 66.De ambtenaar die zich kandidaat stelt voor een betrekking van rang A2 of rang A3 moet een evaluatie "voldoende" hebben. Onderafdeling 3. - De bevorderingsprocedure Art. 67.§ 1. Voor iedere bevordering brengt de directieraad een met redenen omkleed advies uit. De directieraad spreekt zich in zijn advies uit over iedere sollicitant die voldoet aan de vereisten om de te begeven betrekking te bekleden. Hij neemt hierbij in overweging : 1° de beschrijving van de functie en de vereiste kwalificatie van de kandidaat;2° de aanspraken en ervaringen die de sollicitant doet gelden voor een bevordering in de vacante betrekking;3° het evaluatiedossier van de kandidaat. …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.