📄 Wettekst
15 SEPTEMBER 2022. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende wijziging van het
besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 mei 2013Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
27/02/1987
pub.
18/10/2004
numac
2004000528
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten Duitse vertaling
sluiten1 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap
Gelet op de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, inzonderheid op het artikel 40, § 1, gewijzigd door de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur;
Gelet op de Ordonnantie houdende de organisatie van het parkeerbeleid en de oprichting van het Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap, inzonderheid op de artikelen 27 en 28 ;
Gelet op het
besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
27/02/1987
pub.
18/10/2004
numac
2004000528
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten Duitse vertaling
sluiten2 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, inzonderheid op de artikelen 488, § 2, en 536 ;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën van 23 september 2021;
Gelet op de Gelijke kansentest ;
Gelet op de akkoordbevindingen van de Minister van Begroting, gegeven op 27 oktober 2021;
Gelet op het protocol nr. 2022/15 van 28 juni 2022 van het Sectorcomité XV ;
Gelet op de adviesaanvraag binnen 30 dagen, die op 14 juli bij de Raad van State is ingediend, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2/, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Overwegende dat het advies niet is meegedeeld binnen die termijn;
Gelet op artikel 84, § 4, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op voorstel van de Minister bevoegd voor Mobiliteit, Openbaar Ambt en Verkeersveiligheid ;
Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Wijzigingen aan het
besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 mei 2013Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
27/02/1987
pub.
18/10/2004
numac
2004000528
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten Duitse vertaling
sluiten1 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap. Artikel 1.Artikel 1 van het
besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 mei 2013Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
27/02/1987
pub.
18/10/2004
numac
2004000528
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten Duitse vertaling
sluiten1 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap wordt vervangen als volgt: « Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder: 1° Parkeeragentschap: het Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap, opgericht bij artikel 25 van de ordonnantie van 22 januari 2009 houdende de organisatie van het parkeerbeleid en de oprichting van het Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap;2° De Regering: de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;3° De Minister: de Minister bevoegd voor het Openbaar Ambt;4° de functioneel bevoegde minister: de minister of staatssecretaris waarvan het Parkeeragentschap afhangt krachtens de bevoegdheden die hij uitoefent;5° Vakorganisaties: de representatieve vakorganisaties die zetelen in het bevoegde Sectorcomité in uitvoering van artikel 8, § 1, van de
wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
19/12/1974
pub.
05/10/2012
numac
2012000586
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.6° steward : personeelslid belast met het controleren van het parkeren op straat;7° steward teamleider: ambtenaar belast met het toezicht op een team van stewards;8° steward antenneleider: ambtenaar belast met het toezicht op meerdere teams van stewards op het niveau van een antenne. Art. 2.In hetzelfde besluit, wordt een nieuw artikel 1/1 ingevoegd, luiden als volgt: « 1/1. § 1. De kennisgeving of de betekening van een stuk in dit besluit geschiedt, behoudens uitzondering: Hetzij middels de afgifte tegen een gedateerd en getekend ontvangstbewijs;
Hetzij middels aangetekende zending;
Hetzij middels aangetekende zending met ontvangstbewijs. § 2. Elke termijn wordt berekend, behoudens uitzondering: Wanneer de kennisgeving is gebeurd bij afgifte tegen een getekend en gedateerd ontvangstbewijs, de dag volgend op de afgifte, en deze dag is inbegrepen in de termijn;
Wanneer de kennisgeving is gebeurd bij aangetekende zending, vanaf de derde werkdag die volgt op de verzending van de brief, en is die dag inbegrepen in de termijn;
Wanneer de kennisgeving is gebeurd bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, vanaf de eerste dag die volgt op deze waarop de brief aangeboden werd, en deze eerste dag is inbegrepen in de termijn.
Het postmerk geldt als bewijs, zowel voor de verzending als voor de ontvangst of de weigering.
Wanneer dit besluit voorziet in een termijn, wordt deze berekend in kalenderdagen, met inbegrip van zaterdagen, zondagen en de feestdagen bepaald in artikel 161, § 1.
Wanneer dit besluit voorziet in een termijn uitgedrukt in werkdagen, dan omvat deze termijn alle dagen van de week behalve zaterdagen, zondagen en feestdagen bepaald in artikel 161, § 1.
De termijn omvat de vervaldag. Wanneer de vervaldag evenwel een zaterdag, een zondag of een feestdag is, zoals bedoeld in artikel 161, § 1, wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag. Als deze dag valt tussen 25 december en 1 januari, wordt hij verplaatst naar de eerst volgende werkdag na 1 januari.
Indien dit besluit voorziet in de versturing via aangetekende zending met of zonder ontvangstbewijs wordt het versturen via een elektronische procedure, die op een aantoonbare wijze en aangepast aan de omstandigheden, de authenticiteit en de integriteit van de inhoud van de communicatie waarborgt, beschouwd als equivalent. Het gebruik van de elektronische identiteitskaart of de elektronische vreemdelingenkaart kan verplicht worden opgelegd. » Art. 3.Artikel 3, paragraaf 10, van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt: « § 10. Elke ambtenaar heeft het recht zijn persoonlijk dossier te raadplegen en hiervan een kopie te krijgen. » Art. 4.Artikel 4 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « De ambtenaren van het Parkeeragentschap worden benoemd in graden. » Art. 5.Artikel 6, tweede lid, 5°, van hetzelfde besluit, wordt geschrapt. Art. 6.In artikel 7 van hetzelfde besluit, worden de twee laatste zinnen geschrapt en de puntkomma na de termen « D1 : klerk » wordt vervangen met een punt. Art. 7.Het opschrift van hoofdstuk 4 van titel 1 van boek 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « Het personeelsplan en het organogram » Art. 8.Artikel 8 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « Om het werk te organiseren, werkt de directieraad het personeelsplan en organogrammen uit. Het personeelsplan is een plan waarin per bestuur, per niveau, per rang en per graad het aantal personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, vastgelegd wordt dat noodzakelijk geacht wordt om de opdrachten, toegewezen aan de instelling, uit te oefenen. » Art. 9.Artikel 9 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « § 1. De directieraad werkt een voorstel van personeelsplan uit.
De directieraad bereidt minstens één personeelsplan per begrotingsjaar voor en legt het voor ten laatste op 28 februari van het jaar waarin het plan wordt uitgevoerd.
Het personeelsplan moet verenigbaar zijn met de beschikbare budgettaire middelen voor het betrokken begrotingsjaar.
De raad van bestuur keurt het personeelsplan goed middels een positief advies van de commissarissen van de Regering met betrekking tot het voldoen van het plan aan de budgettaire, wettelijke en reglementaire bepalingen en aan de bepalingen van het beheerscontract.
Bij gebrek aan dit advies binnen de termijn van een maand, te rekenen vanaf de verzending aan de commissarissen van de Regering, wordt het advies als positief beschouwd.
Bij gebrek aan positief advies van één of meerdere commissaris(sen) van de Regering, kan de functioneel bevoegde Minister het personeelsplan goedkeuren via een akkoord van de ministers die begroting en openbaar ambt onder hun bevoegdheid hebben.
Bij gebrek aan akkoord van een van deze laatste, zal de bevoegde minister het plan ter goedkeuring voorleggen aan de Regering. § 2. Bij gebreke van een vastlegging van het personeelsplan, blijft het laatste bepaalde plan van toepassing. § 3. De vaststelling van het personeelsplan, houdt de toestemming in van de invulling van de daarin voorziene betrekkingen door aanwerving, promotie, mobiliteit of indienstneming. § 4. Het personeelsplan, en alle wijzigingen ervan, worden meegedeeld aan alle personeelsleden en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. » Art. 10.Artikel 11 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « Het organogram geeft de functionele, organisatorische en hiërarchische verbanden binnen het Parkeeragentschap.
De raad van bestuur stelt het organigram vast.
Het organigram van het Parkeeragentschap, evenals elke wijziging die er wordt aan aangebracht, wordt bij wijze van dienstnota of onverschillig welk ander intern communicatiemiddel aan alle personeelsleden medegedeeld. » Art. 11.Het opschrift van hoofdstuk 7 van titel 1 van boek 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « De gewestelijke kamer van beroep » Art. 12.Artikel 17 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « § 1. De gewestelijke kamer van beroep ingesteld door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief en geldelijk statuut van de ambtenaren van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel is bevoegd voor beroepen inzake stage, evaluatie, afwezigheden, verloven, disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en verklaring van definitieve arbeidsongeschiktheid volgens dezelfde regels inzake procedure en werking. § 2. De ambtenaren van het Parkeeragentschap zullen onderworpen worden aan de procedureregels voorzien in het besluit van 21 maart 2018, behoudens specifieke bepalingen voorzien in dit besluit. » Art. 13.Hoofdstuk 8 van titel 1 van boek 1 van hetzelfde besluit wordt opgeheven. Art. 14.Titel 3 van boek 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt: « TITEL 3. - DE WERVING, DE STAGE EN DE BENOEMING HOOFDSTUK 1. - De werving en de selectie Afdeling 1. - Toekenningswijzen van de betrekkingen, de benoemings-,
toelaatbaarheids- en wervingsvoorwaarden Art. 18.Op voorstel van het HRM kiest de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal één of meerdere van de volgende mogelijkheden : - Interne mutatie ; - Intraregionale mobiliteit ; - Externe mobiliteit ; - Overgang tot een hoger niveau ; - Aanwerving. Art. 19.§ 1. Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hiernavolgende voorwaarden : 1° Voldoen aan de opgelegde toelatingsvoorwaarden van de in te vullen betrekking;2° Slagen voor de voorziene vergelijkende proeven;3° Met goed gevolg de stage volbrengen, behalve in geval van vrijstelling zoals bepaald in artikel 38ter; § 2. Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hiernavolgende algemene toelaatbaarheidsvereisten. 1° Belg zijn wanneer de uit te oefenen functies verband houden met de uitoefening van het openbaar gezag en ten doel hebben de algemene belangen van de Staat, van een Gemeenschap of van een Gewest te behartigen;2° gedrag vertonen in overeenstemming met de eisen van de beoogde betrekking;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten.4° houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat overeenkomt met het niveau van de te verlenen graad, volgens bijlage 2 van dit besluit.Voorafgaand aan de voorziene vergelijkende selectie kan door de raad van bestuur, bij gemotiveerde beslissing, worden afgeweken van de diplomavereiste in geval van schaarste op de arbeidsmarkt. § 3. Voor bepaalde selecties kunnen volgende bijzondere toelaatbaarheidsvoorwaarden voorzien worden : 1° het bezitten van een specifiek diploma dat in het bijzonder toegang verleent tot de functie waarvoor de selectie georganiseerd wordt;2° relevante werkervaring wanneer de aard van de te verlenen betrekking zodanige eisen wettigt;3° het toelaten van studenten die in het laatste jaar zitten van de studies voor het behalen van het vereiste diploma of getuigschrift, wanneer de organisator van de selectie vermoedt dat het aantal deelnemers niet groot genoeg zal zijn om voldoende kandidaten of geslaagden te kunnen weerhouden;in welk geval zij die geslaagd zijn voor het examen van het voorlaatste jaar en verklaren dat zij het examen van het laatste jaar voor de examencommissie van hun Gemeenschap zullen afleggen, ook tot dat wervingsexamen worden toegelaten. Voor hun benoeming kunnen de geslaagden van deze selecties zich slechts vanaf de dag waarop zij aan de organisator van de selectie het vereiste diploma of studiegetuigschrift hebben voorgelegd, op hun rangschikking beroepen; 4° behalve de in paragraaf 2, 4° vermelde diploma's en getuigschriften, de volgende diploma's en getuigschriften aanvaarden voor de selectie in een bepaalde graad wanneer de vereisten van de uit te oefenen functies dit toelaten : a) diploma's en getuigschriften van het onderwijs voor sociale promotie en van het kunstonderwijs voor socioculturele promotie;b) diploma's en getuigschriften van het technisch onderwijs, kunstonderwijs of beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan;5° voor de selectie van bepaalde functies van niveaus D, het bezit van bepaalde diploma's, vormingsattesten of bevoegheidstitels als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van de uit te oefenen functies;6° voor de selectie in bepaalde graden van de niveaus A, B en C de vormingsdiploma's of vormingsgetuigschriften of competentie titels eisen als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van de uit te oefenen functies en voor zover de houders van die diploma's en getuigschriften eveneens houder zijn van één van de studiebewijzen vermeld in paragraaf 2, 4°.7° medische geschiktheid voor de uit te oefenen functie, indien de aard van de functie dit vereist;8° andere voorwaarden vereist door de aard van het ambt. Afdeling 2. - Organisatie van de vergelijkende selecties en
samenstelling van de selectiecommissies Art. 20.Er kunnen vergelijkende selecties georganiseerd worden voor alle graden, behalve voor de graden die bij mandaat verleend moeten worden. Art. 21.§ 1. De vergelijkende selecties worden door het HRM georganiseerd, bij besluit en overeenkomstig de richtlijnen van de raad van bestuur. § 2. Voor elke vergelijkende selectie worden selectiecomités samengesteld.
In de selectiecomités zetelen een voorzitter en minstens twee bijzitters of hun plaatsvervangers. De voorzitter en de bijzitters of hun plaatsvervangers hebben stemrecht. De besluitvorming gebeurt via meerderheid van stemmen.
De raad van bestuur benoemt de leden van het comité onder de personen die specifiek geschikt zijn omwille van hun competentie.
De leden van de jury kunnen een toelage ontvangen. Het bedrag van deze toelage wordt bepaald door de raad van bestuur.
Afgevaardigden van de vakbondsorganisaties mogen deelnemen aan deze sessies. Ze mogen geen contact hebben met de kandidaten. Minstens acht dagen voor elke proef worden ze hiervoor uitgenodigd.
Ze mogen de sessie slechts verlaten na het verstrijken van de aangeduide tijd of na akkoord van de voorzitter. Ze mogen niet deelnemen aan de deliberaties. § 3. In afwijking van de paragrafen 1 en 2 kan de raad van bestuur de volledige of gedeeltelijke organisatie van een vergelijkende selectie toevertrouwen aan Brussel Openbaar Ambt.
Als beroep gedaan wordt op Brussel Openbaar Ambt stellen de directeur-generaal of adjunct-directeur-generaal van het Agentschap enerzijds en de leidend ambtenaar van Brussel Openbaar Ambt anderzijds een samenwerkingsprotocol op. Art. 22.§ 1. De vergelijkende selectie wordt minstens door middel van publicatie in het Belgisch Staatsblad aankondigd.
Het bericht vermeldt minstens de laatste dag waarop kan worden gesolliciteerd en of er eventueel een wervingsreserve wordt aangelegd van de laureaten. Desgevallend wordt de geldigheidsduur van en het aantal laureaten dat opgenomen wordt in de wervingsreserve vermeld. § 2. Wanneer een vergelijkende selectie wordt georganiseerd, wordt de datum bepaald waarop de kandidaten moeten voldoen aan de diplomavoorwaarden of de voorwaarden met betrekking tot studiegetuigschriften, en in voorkomend geval, de datum waarop de kandidaten een minimumleeftijd bereikt moeten hebben of over specifieke professionele vaardigheden moeten beschikken. § 3. Het HRM, Brussel Openbaar Ambt roept op de kandidaten die toegelaten worden om deel te nemen aan de selectieproeven voorzien door het selectieprogramma. § 4. Het HRM, Brussel Openbaar Ambt controleert de algemene en specifieke toelaatbaarheidsvoorwaarden voor de betrekking waarnaar de kandidaten meedingen.
Vanaf het moment dat vastgesteld wordt dat een kandidaat niet voldoet of niet kan voldoen aan één van de algemene voorwaarden of aan de bijzondere toelatingsvoorwaarden gesteld voor de betrekking waarvoor de kandidaat solliciteert, dan wordt de kandidaat uitgesloten van de vergelijkende selectie en de beslissing en de redenen hiertoe worden hem meegedeeld. HOOFDSTUK 2 - Vergelijkende selecties Afdeling 1. - De selectieproeven, over de samenstelling en de
raadpleging van de wervingsreserve en van de wervingsreserve van de andere overheden. Art. 23.§ 1. Een vergelijkende selectie is een selectie die leidt tot een rangschikking van de geslaagden op basis van een functiebeschrijving.
De functiebeschrijving wordt voorafgaandelijk aan de organisatie van de vergelijkende selectie opgesteld door de HRM. De raad van bestuur is gehouden door de rangschikking van de geslaagden. § 2. Een vergelijkende selectie kan meerdere opeenvolgende modules van proeven omvatten waarbij de kandidaat enkel tot de volgende module wordt toegelaten op voorwaarde dat hij geslaagd is voor de vorige. In dit geval wordt de rangschikking enkel vastgelegd op basis van de resultaten van de laatste module.
Indien meerdere vergelijkende selecties binnen eenzelfde niveau een module gemeenschappelijk hebben, worden de geslaagden vrijgesteld voor deze module wanneer ze deelnemen aan een andere vergelijkende selectie. De geldigheidsduur van de vrijstelling wordt bepaald bij de betekening van het resultaat. Deze bedraagt minimaal twee jaar.
Een kandidaat die niet geslaagd is voor een module van een vergelijkende selectie wordt gedurende een periode van zes maanden, te rekenen vanaf de datum van het afleggen van deze proef, uitgesloten van het opnieuw afleggen van dezelfde module. § 3. Een bijkomende vergelijkende proef kan worden georganiseerd op beslissing van het HRM, indien de aard van de te betrekken functie dit vereist en op basis van een functiebeschrijving. Deze proef leidt, voor deze functie, tot een aparte rangschikking van de geslaagden.
De deelname aan de bijkomende vergelijkende proef is niet verplicht.
Een maximum aantal deelnemers wordt voor deze proef bepaald, rekening houdend met de rangschikking.
De geslaagden voor deze proef, evenals de kandidaten die niet geslaagd zijn, behouden de rangschikking bedoeld in § 2. § 4. De vergelijkende selecties worden georganiseerd voor de benoeming in de rangen A1 tot A3 en in de niveaus B, C en D. Art. 24.§ 1. Voor de vergelijkende selecties, georganiseerd op basis van artikel 22, kan een reserve van de geslaagden worden aangelegd. § 2. Het aantal geslaagden dat in deze reserve wordt opgenomen, wordt bepaald op basis van het aantal verwachte betrekkingen. § 3. De geldigheidsduur van een wervingsreserve wordt bepaald op maximum twee jaar.
De directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal kan de termijn van de aangelegde reserves verlengen, telkens met een periode van maximum een jaar. Art. 25.De geslaagden van een wervingsreserve worden uitgenodigd om deel te nemen aan een complementaire vergelijkende selectie zoals geviseerd door artikel 22 § 3 met het oog op het invullen van een andere betrekking dan degene waarvoor de kandidaten werden gerangschikt. Afdeling 2. - Regels voor de toelating van de geslaagden
Art. 26.§ 1. Elke geslaagde krijgt bericht van zijn resultaat en zijn rangschikking. § 2. De geslaagden die een betrekking aanvaarden, verbinden er zich toe in dienst te treden. Zij die na deze aanvaarding weigeren in dienst te treden, worden ambtshalve uit de reserve geschrapt, behalve in een met redenen omkleed geval van overmacht.
Als de geslaagde de betrekking aanvaard heeft, vergewist het HRM zich ervan dat hij aan alle vereiste voorwaarden voldoet. Art. 27.Na het afsluiten van het proces-verbaal van de selectie, worden de batig gerangschikte geslaagden die aan de gestelde eisen voldoen, in de volgorde van hun rangschikking, tot de stage toegelaten in de functie waarvoor zij hebben meegedongen.
Zij worden voor een vacante betrekking van die graad aangewezen. Afdeling 3. - Oproep tot indiensttreding van de geslaagden
Art. 28.Het HRM roept de geselecteerde kandidaat op tot indiensttreding. Het HRM stelt een maximumtermijn vast voor zijn indiensttreding.
Wanneer de geslaagde nog gebonden is door een arbeidsovereenkomst houdt het HRM rekening met een eventuele opzegtermijn.
Indien de geslaagde de betrekking niet binnen de gestelde termijn kan invullen, roept het HRM de volgende gerangschikte op. HOOFDSTUK 3. - De stage Art. 29.De stagiair is geen ambtenaar in de zin van dit besluit.
De volgende in dit besluit opgenomen bepalingen zijn op de stagiair van toepassing : 1° de rechten, plichten, onverenigbaarheden en cumulatie van activiteiten;2° de tuchtregeling;3° de administratieve standen;4° de geldelijk statuut; 5° het ambtshalve verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en de definitieve ambtsneerlegging.; 6° de gemiddelde maximum arbeidsduur. De stagiair geniet : 1° het jaarlijks vakantieverlof;2° de feestdagen;3° het omstandigheidsverlof;4° het bevallingsverlof;5° het verlof wegens ziekte;6° de disponibiliteit wegens ziekte;7° verloven om in geval van ernstige ziekte of ongeval een persoon bij te staan die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont;8° het verlof voor detachering bij een ministerieel kabinet;9° het verlof om een politiek mandaat uit te oefenen;10° verlof voor loopbaanonderbreking voor palliatieve verzorging en verlof voor loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof;11° verlof voor wederoproeping als reservist;12° verlof om deel uit te maken van de jury van het Hof van Assisen.13° het verlof wegens opdracht. Voor de toepassing van dit artikel wordt de stagiair geacht de graad te bezitten waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Art. 30.De geslaagde die in dienst wordt geroepen, wordt tot de stage toegelaten door de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal die hem voorlopig aanstelt in de betrekking waarvoor hij in dienst werd geroepen. Art. 31.Perioden van afwezigheid gedurende de stage hebben een verlenging van de stage tot gevolg zodra ze, buiten de verloven bedoeld in artikel 29, lid 3, 1° tot 3°, 7° en 8°, vijftien dagen gewettigde afwezigheid overschrijden, verspreid over een of meerdere malen, zelfs als de stagiair in dienstactiviteit is.
Tijdens de schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair.
Hij behoudt zijn hoedanigheid van stagiair eveneens tot de datum waarop een definitieve beslissing omtrent zijn benoeming of ontslag wordt genomen. Art. 32.De directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal kan de aanwijzing wijzigen: 1° in het belang van de dienst;2° op vraag van de stagiair. Afdeling 2. - De inhoud van de stage
Art. 33.§ 1. De stage is bedoeld om de stagiair optimaal te integreren in zijn bestuur, in de Parkeeragentschap. Daartoe duidt de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal van het bestuur waarin de stagiair is aangesteld, in overleg met de functionele chef van de stagiair, het personeelslid aan dat, als hiërarchische meerdere, bevoegd is voor de stagebegeleiding, hierna de "stagebegeleider" genoemd, en dit volgens de taalrol van de stagiair. § 2. Het HRM waakt eveneens over het goede verloop van de stage.
Hiertoe kan zij deelnemen aan alle stagegesprekken.
Als de stagebegeleider meer dan tien werkdagen afwezig is, brengt het HRM de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal van het bestuur waaraan de stagiair is toegewezen daarvan op de hoogte opdat hij een "vervangende stagebegeleider" zou aanstellen die de stagebegeleider tijdens diens afwezigheid vervangt. De vervangende stagebegeleider wordt aangeduid conform de daartoe voorziene modaliteiten neergelegd in paragraaf 1. In dat opzicht beschikt hij over dezelfde bevoegdheden als de stagebegeleider. Afdeling 3. - Het verloop van de stage
Art. 34.Aan het begin van de stage heeft de stagebegeleider een eerste gesprek met de stagiair waarbij de volgende punten verduidelijkt worden : - De verwachte resultaten en houdingen bij de verwezenlijking van de taken die overeenkomen met de functiebeschrijving van de stagiair; - De opleidingsactiviteiten die de stagiair moet volgen; - De andere middelen ter ontwikkeling van de vaardigheden zodat de inzetbaarheid van de stagiair vergroot wordt. Art. 35.Met het oog op de voorbereiding van dit eerste stagegesprek, pleegt de stagebegeleider vooraf overleg met de functionele chef van de stagiair en met het HRM. Art. 36.De stagebegeleider maakt de verslagen bedoeld in de artikelen 38bis § 2, 39 en 41.
De stagebegeleider kan, in overleg met het HRM en de functionele chef, en desgevallend met de vervangende stagebegeleider, beslissen dat bijkomende vormingsactiviteiten vereist zijn.
De HRM-verantwoordelijke legt het model van het stageverslag vast. Afdeling 4. - De stagiairs van de niveaus C en D
Art. 37.De stage duurt één jaar voor de stagiairs van de niveaus A en B. Ze duurt 6 maanden voor de stagiairs van de niveaus C en D. Art. 37bis.De raad van bestuur kan een vormingstraject per functietype vastleggen. Art. 38.Na het eerste gesprek, voorzien in artikel 34, organiseert de stagebegeleider tweemaandelijks voor de stages van zes maanden en driemaandelijks voor de stages van een jaar, een stagegesprek over het verloop van de stage. Wanneer hij het nodig acht, kunnen bijkomende gesprekken georganiseerd worden.
Met het oog op de voorbereiding van de stagegesprekken pleegt de stagebegeleider vooraf overleg met de functionele chef van de stagiair en met het HRM. Art. 38bis.§ 1 Het gesprek gaat over : 1° de vormingsactiviteiten en de resultaten ervan voor de ontwikkeling van de vaardigheden van de stagiair;2° de wijze waarop de stagiair zich in de dienst integreert;3° de uitvoering van zijn werkopdrachten. Het gesprek heeft tot doel de vooruitgang te evalueren die de stagiair maakt en de nog te verbeteren punten aan te stippen.
Het beoogt eveneens de beoordeling mogelijk te maken van zowel de gunstige als de ongunstige feiten. Ingeval ongunstige feiten worden vastgesteld, geeft de stagebegeleider een verwittiging aan de stagiair. § 2. De conclusies van elk gesprek worden opgetekend in het stageverslag. Het verslag wordt betekend aan de stagiair die er desgevallend zijn opmerkingen kan aan toevoegen. Vervolgens wordt het overgemaakt aan het HRM. Bij afwezigheid van de stagebegeleider voert de vervangende stagebegeleider het stagegesprek en stelt hij het stageverslag op. In dat geval hebben het gesprek en het verslag betrekking op de periode waarin de vervangende stagebegeleider de stage heeft opgevolgd. Bij terugkeer van de stagebegeleider moet deze een verslag opstellen over de periode waarin hij de stage effectief opgevolgd heeft.
In geval van toepassing van artikel 36, § 2, tweede lid, vraagt de vervangende stagebegeleider aan de officiële stagebegeleider of aan de hiërarchie de informatie die hij nodig heeft voor het opstellen van zijn stageverslag. Als er geen informatie beschikbaar is, dan geeft de in artikel 38bis, § 2, tweede lid bedoelde periode aanleiding tot een gunstige beoordeling van de stagiair.
Wanneer de stagebegeleider de dienst hervat, stelt de vervangende stagebegeleider een verslag op over de periode waarin hij de stage opgevolgd heeft. Dit verslag beantwoordt aan de vereisten van § 2 van deze bepaling. Het verslag wordt betekend aan de stagiair die er desgevallend zijn opmerkingen kan aan toevoegen. Vervolgens wordt het overgemaakt aan het HRM en aan de stagebegeleider. Laatstgenoemde houdt er rekening mee tijdens het volgende stagegesprek. Afdeling 5. - Vrijstelling van stage
Art. 38ter.De geslaagde die in dienst wordt geroepen, wordt vrijgesteld van de stage en onmiddellijk benoemd in de wervingsgraad waarvoor hij geslaagd is indien hij de drie volgende voorwaarden vervult : - door middel van een arbeidsovereenkomst, op ononderbroken wijze gedurende minstens een jaar voltijds of gedurende minstens twee jaar deeltijds op het moment van de publicatie van de vacante betrekking bij dezelfde administratieve eenheid tewerk gesteld zijn; - dezelfde functie sinds minstens één jaar vervullen als die waarvoor hij aangesteld werd in het kader van zijn bovengenoemd arbeidsovereenkomst; - een gunstige evaluatie gekregen hebben bij de laatste evaluatie. Art. 39.De stage wordt afgesloten met een laatste stagegesprek, zoals beschreven in artikel 38bis. De stagebegeleider stelt het eindverslag van de stage op, in overleg met het HRM. Hij voegt er een van de voorstellen bedoeld in artikel 41 aan toe.
Hij deelt het eindverslag aan de stagiair mee, die over vijftien dagen beschikt om er zijn opmerkingen aan toe te voegen. Art. 40.De eindevaluatie houdt rekening met alle feiten, zowel gunstig als ongunstig, die in de loop van de stage werden vastgesteld, evenals met de tussentijdse evaluaties. Art. 41.De stagebegeleider overhandigt het eindverslag aan de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal.
Indien het eindverslag over het geheel van de stage gunstig is, stellen de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal de benoeming van de stagiair voor aan de raad van bestuur.
Indien het eindverslag ongunstig is, zal de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal : - ofwel de stage verlengen voor een eenmalige termijn van maximaal een derde van de stageduur. Deze verlenging is niet hernieuwbaar. - ofwel een ontslag aan de raad van bestuur voorstellen wegens het niet geschikt zijn voor de functie. Afdeling 6. - Vroegtijdige beëindiging van de stage
Art. 42.Als de stagiair in de loop van de stage een ernstige fout begaat waardoor elke professionele samenwerking tussen de overheid en de stagiair onmiddellijk en definitief onmogelijk wordt, roept de stagebegeleider, of bij afwezigheid van deze laatste de vervangende stagebegeleider, binnen de drie werkdagen nadat hij kennis genomen heeft van de handeling die een ernstige tekortkoming uitmaakt, de stagiair op om gehoord te worden en zijn verweermiddelen te vernemen.
De oproepingsbrief vermeldt de feiten die het personeelslid ten laste worden gelegd, de normen waartegen deze feiten indruisen, het feit dat er overwogen wordt zijn stage vroegtijdig te beëindigen, het recht om zich door een verdediger naar keuze te laten bijstaan, met uitzondering van de personen die zich moeten uitspreken over de feiten die hem ten laste worden gelegd, en het recht om bijkomende onderzoeksmaatregelen te vragen.
Er wordt een proces-verbaal opgesteld en in aanwezigheid der partijen ondertekend.
Na de hoorzitting stelt de stagebegeleider een verslag op. Dat verslag kan de vroegtijdige beëindiging van de stage voorstellen.
Indien het verslag betrekking heeft op een stagiair van niveau A, dan kan het verslag enkel worden opgesteld met de instemming van de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal.
De definitieve beslissing wordt genomen door de raad van bestuur. Deze laatste doet uitspraak binnen de drie werkdagen na de hoorzitting. Afdeling 7. - De beroepsprocedure
Art. 43.In de gevallen bedoeld in de artikelen 41, 3de lid en 42, beschikt de stagiair over een termijn van vijftien dagen vanaf de kennisname van het eindverslag of van het ongunstig verslag om per aangetekend schrijven een beroep in te stellen bij de in artikel 17 bedoelde de gewestelijke kamer van beroep.
De directeur-generaal en adjunct-directeur-generaal leggen het dossier neer bij de regionale kamer van beroep, bedoeld in artikel 17. Ze voegen er het beslissingsvoorstel aan toe.
Ze informeren de stagiair over deze neerlegging. De meldingsdatum doet de termijn lopen zoals voorzien in artikel 46, 3de lid.
Het beroep werkt schorsend, tenzij het ingediend werd als gevolg van een beslissing genomen op basis van artikel 42. Art. 44.De voorzitter van gewestelijke kamer van beroep roept de stagiair op. Deze laatste kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art. 45.De stagebegeleider wordt gehoord en brengt verslag uit over het verloop van de stage. Hij kan bijgestaan worden door een door de overheid aangeduide persoon. Art. 46.De gewestelijke kamer van beroep kan beslissen om : 1° de stage te verlengen, volgens de modaliteiten die ze bepaalt voor de maximaal voorziene termijnen in de artikels 34, 2de lid en 37, 2de lid;2° de benoeming aan de raad van bestuur voor te stellen;3° aan de raad van bestuur het ontslag voor te stellen wegens de ongeschiktheid om een functie binnen het Parkeeragentschap uit te oefenen. In de hypothese voorzien in artikel 42, beslist de regionale kamer van beroep over ofwel de verderzetting van de stage, ofwel over de vroegtijdige beëindiging ervan.
De regionale kamer van beroep doet een uitspraak binnen de twee maanden na de verzending van ontvangstbevestiging van het beroep.
De beslissing wordt meegedeeld aan de verzoeker, de directeur-generaal en de adjunct- directeur-generaal.
Bij een beslissing tot verderzetting van de stage wordt een nieuwe hiërarchische overste aangesteld overeenkomstig artikel 31 na ontvangst van de beslissing. Art. 47.Ingeval van verlenging van de stage wordt de stagiaire geëvalueerd volgens de regels van de initiële stage.
Artikel 41 is van toepassing, met dien verstande dat de directeur-generaal of adjunct-directeur-generaal geen tweede verlenging van de stage mogen voorstellen. Art. 48.De beslissing tot ontslag omwille van professionele ongeschiktheid wordt genomen door de raad van bestuur.
De ontslagen stagiair geniet een opzeggingstermijn van drie maanden.
Ingeval van zware fout wordt hij echter zonder opzeggingstermijn ontslagen.
In de hypothese dat de regionale kamer van beroep het beroep, ingediend door de ontslagen stagiair overeenkomstig de voorziene procedure in artikel 44, verwerpt, wordt de beslissing tot ontslag, die vroegtijdig een einde maakt aan de stage, definitief. HOOFDSTUK 4. - De benoeming Art. 49.De geschikt verklaarde stagiair wordt benoemd in de graad waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld.
De hoedanigheid van ambtenaar wordt bekrachtigd door de eed die wordt afgelegd in de termen die bepaald zijn door artikel 2 van het
decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
27/02/1987
pub.
18/10/2004
numac
2004000528
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten Duitse vertaling
sluiten0 betreffende e eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijk vertegenwoordigende monarchie.
De ambtenaren leggen de eed af in handen van ambtenaar aangeduid door de raad van bestuur. Art. 50.De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal wijzen de pas benoemde ambtenaar een betrekking van zijn graad toe. » Art. 15.Artikel 53 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « § 1. De vacante betrekkingen worden per dienstnota ter kennis gebracht van de kandidaten van het Parkeeragentschap die de benoemingsvoorwaarden kunnen vervullen.
De betrokkenen brengen hun visum aan op de dienstnota voor ontvangst.
Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk van de dienst afwezig is, om welke reden ook, wordt de dienstnota bij aangetekend schrijven naar zijn woonplaats gezonden.
De vacante betrekkingen bedoeld in artikel 58 van dit besluit worden ter kennis gebracht van de ambtenaren die niet tot het Parkeeragentschap behoren door middel van een oproep tot kandidaten in het Belgisch Staatsblad.
De openstaande betrekking bevat : 1° het programma van de vergelijkende proef/proeven;2° de termijn waarbinnen en ter attentie van wie de kandidatuur ingediend dient te worden;3° de elementen die het sollicitatiedossier dienen te bevatten;4° de coördinaten van de dienst waar een functiebeschrijving van de openstaande betrekking bekomen kan worden. § 2. Worden enkel in aanmerking genomen, de kandidaturen van de ambtenaren van het Parkeeragentschap die via de postoperator per aangetekend schrijven opgestuurd zijn aan de voorzitter van de directieraad, binnen een termijn van twintig dagen. Deze termijn gaat in ofwel de dag waarop de ambtenaar zijn visum aangebracht heeft op de dienstnota, hetzij de dag die volgt op de dag waarop de aangetekende brief met de dienstnota via postzending aan de woonplaats van de ambtenaar aangeboden werd, hetzij voor de kandidaten die geen deel uitmaken van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel, de dag volgend op publicatie in het Belgisch Staatsblad.
Voor de ambtenaren die niet tot het Parkeeragentschap behoren, begint de termijn bedoeld in het eerste lid te lopen daags na de publicatie van de oproep in het Belgisch Staatsblad. § 3. Elke sollicitatie voor een bevorderingsambt moet bestaan uit een motivatiebrief en een overzicht van titels en verdiensten die de kandidaat laat gelden om voor het ambt te solliciteren. Hiervoor gebruikt de kandidaat een cv-standaardmodel dat vastgelegd werd door het HRM. § 4. Het staat de ambtenaren vrij om voorafgaandelijk te dingen naar elke betrekking die eventueel vacant zou worden verklaard tijdens hun afwezigheid. De geldigheid van een dergelijke kandidatuur is beperkt tot twee maanden. Zij behoort met een aangetekend schrijven ingediend te worden bij de voorzitter van de directieraad. § 5. Het HRM controleert de geldigheid van de kandidaturen.
De ontvankelijkheidsvoorwaarden vervat in de artikelen 55 tot 57 en 64 moeten vervuld zijn voor afloop van de termijn die vereist is om de kandidatuur in te dienen.
De kandidaten die niet voldoen aan de voorwaarden worden uitgesloten van de procedure tot bevordering bij gemotiveerde beslissing door de verantwoordelijke van het HRM. Elke uitsluiting van de bevorderingsprocedure wordt aan de betrokken kandidaten bekendgemaakt door een door de HRM-verantwoordelijke gemotiveerde beslissing per aangetekende brief. § 6. Binnen tien dagen na deze kennisgeving kan elke kandidaat via aangetekende postzending een klacht indienen bij de Voorzitter van de directieraad en vragen om gehoord te worden door de Directieraad. De kandidaat mag zich laten vergezellen door een persoon naar keuze.
Na onderzoek van de klacht oordeelt de directieraad definitief over de geschiktheid en deelt ze haar besluit mee via een aangetekend schrijven. » Art. 16.Artikel 59 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « De ambtenaar die zich kandidaat stelt voor een betrekking van rang A2 of A3 moet een laatste evaluatie met vermelding "gunstig" hebben en moet zich in een administratieve positie bevinden waarin hij zijn bevorderingstitels kan laten gelden en mag niet onderworpen zijn aan een definitieve tuchtstraf.
Een ambtenaar die een tuchtstraf heeft gekregen kan niet worden bevorderd alvorens zijn straf is geschrapt in overeenstemming met artikel 273. » Art. 17.Artikel 60 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « § 1. Voor iedere bevordering brengt de directieraad een met redenen omkleed advies uit.
De directieraad spreekt zich in zijn advies uit over iedere sollicitant die voldoet aan de vereisten om de te begeven betrekking te bekleden. § 2. Hij neemt hierbij in overweging : 1° de beschrijving van de functie en de vereiste kwalificatie van de kandidaat;2° de aanspraken en ervaringen die de sollicitant doet gelden voor een bevordering in de vacante betrekking; het evaluatiedossier van de kandidaat. 3° de mate waarin de kandidaat geschikt is, rekening houdend met de resultaten van de proeven en de gesprekken. § 3. De raad van bestuur organiseert een gesprek met elke kandidaat. » Art. 18.Artikel 62, lid 4, van hetzelfde besluit wordt opgeheven. Art. 19.Afdeling 3 van hoofdstuk 1 van titel 4 van boek 1 wordt vervangen als volgt : « Afdeling 3. - De bevordering tot een graad van rang B2, C2 en D2 Onderafdeling 1. - De voorwaarden inzake rang, anciënniteit en evaluatie Art. 64.De betrekkingen van rang B2, C2 en D2 staan open voor ambtenaren van respectievelijk rang B1, C1 en D1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. § 2. De ambtenaar die zich kandidaat stelt moet een evaluatie met vermelding "gunstig" hebben en moet zich in een administratieve positie bevinden waarin hij zijn bevorderingstitels kan laten gelden en mag niet onderworpen zijn aan een definitieve tuchtstraf.
Een ambtenaar die een tuchtstraf heeft gekregen kan niet worden bevorderd alvorens zijn straf is geschrapt in overeenstemming met artikel 273.
Onderafdeling 2. - De bevorderingsprocedure Art. 65.Voor iedere bevordering brengt de directieraad een met redenen omkleed advies uit.
De directieraad spreekt zich in zijn advies uit over iedere sollicitant die voldoet aan de vereisten om de te begeven betrekking te bekleden.
Hij neemt hierbij in overweging : 1° de beschrijving van de functie en de vereiste kwalificatie van de kandidaat;2° de titels en verdiensten die de kandidaat doet gelden ten aanzien van de vacante betrekking;3° de mate waarin de kandidaat geschikt is, rekening houdend met de resultaten van de proeven en de gesprekken. Art. 66.De directieraad formuleert een voorstel van benoeming dat ten hoogste zes namen van kandidaten per vacante betrekking bevat. De kandidaten worden geklasseerd in de volgorde waarin zij voor de benoeming in aanmerking komen.
Bij gelijkheid van de kandidaturen, geeft hij de voorkeur aan de kandidaat met achtereenvolgens : 1° de grootste graadanciënniteit;2° de grootste dienstanciënniteit;3° de hoogste leeftijd. Art. 67.Van het voorstel wordt kennis gegeven per dienstnota aan de ambtenaren die zich kandidaat hebben gesteld voor de te begeven betrekking.
De betrokkenen brengen hun visum aan op de dienstnota. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk van de dienst afwezig is, om welke reden ook, wordt de dienstnota bij aangetekend schrijven naar zijn woonplaats gezonden.
De ambtenaar die zich benadeeld acht, kan binnen vijftien dagen bezwaar indienen bij de voorzitter van de directieraad.
De ambtenaar wordt op zijn verzoek door de directieraad gehoord. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art. 68.De raad van bestuur die de benoemingsbevoegdheid heeft, volgt het voorstel van definitieve volgorde indien het éénparig werd uitgebracht.
Indien het voorstel van de directieraad niet eenparig wordt uitgebracht en de raad van bestuur niet instemt met de door de directieraad voorgestelde volgorde, moet zij haar beslissing omstandig met redenen omkleden. » Art. 20.Afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel 4 van boek 1 wordt vervangen als volgt : « Afdeling 2. - De gewone functionele loopbaan Art. 71.§ 1. Aan de wervingsgraden attaché, assistent, adjunct en klerk zijn de weddenschalen 101, 102 en 103 verbonden.
Aan de wervingsgraad ingenieur zijn de weddenschalen 111, 112 en 113 verbonden.
De weddenschaal 101 of 111, naargelang de graad, wordt toegekend vanaf de aanwerving of de overgang naar een hoger niveau. § 2. De weddenschaal 102 of 112, naargelang de graad bedoeld in paragraaf 1, wordt toegekend aan de ambtenaar die : 1° zes jaar anciënniteit telt als ambtenaar, zoals berekend overeenkomstig artikel 366bis, in de schaal 101 of 111;2° over een laatste evaluatie "gunstig" beschikt;3° met goed gevolg de in artikel 248 bedoelde vorming heeft gevolgd. § 3. De weddenschaal 103 of 113, naargelang de graad, wordt toegekend aan de ambtenaar die : 1° negen jaar graadanciënniteit telt, zoals berekend overeenkomstig artikel 366bis, in de schaal 102 of 112;2° over een laatste evaluatie "gunstig" beschikt;3° met goed gevolg de in artikel 248 bedoelde vorming heeft gevolgd.» Art. 21.Afdeling 3 van hoofdstuk 2 van titel 4 van boek 1 van hetzelfde besluit wordt opgeheven. Art. 22.Hoofdstuk 3 van titel 4 van boek 1 van hetzelfde besluit word opgeheven.
Hoofdstukken 4 en 5 worden hernummerd en worden respectievelijk hoofdstukken 3 en 4. Art. 23.Eerste paragraaf van artikel 74 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « § 1. Om deel te nemen aan een vergelijkend examen voor overgang naar het hogere niveau dient een ambtenaar zich in een administratieve stand te bevinden waarbij hij op de bevordering aanspraak kan maken en de evaluatievermelding "gunstig" te hebben gekregen bij de laatste evaluatie en niet onder een definitieve tuchtstraf vallen.
Een ambtenaar die een tuchtstraf kreeg opgelegd kan niet worden bevorderd alvorens zijn straf is geschrapt, in overeenstemming met artikel 273. » Art. 24.Artikel 80 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « De overgang naar niveaus B en C staat open voor de ambtenaren van respectievelijk niveaus C en D » Art. 25.Afdeling 5 van hoofdstuk 4 van titel 4 van boek 1 van hetzelfde besluit wordt opgeheven. Art. 26.Artikel 109 (oude nummering) van hetzelfde besluit wordt opgeheven. Art. 27.In artikel 91 van hetzelfde besluit, wordt een « 3° » in het laatste zin voor de termen « een verantwoording van de keuze van de voorgestelde ambtenaar » toegevoegd. Art. 28.Eerste lid van artikel 95 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « De ambtenaar wordt geëvalueerd door een gemachtigde hiërarchische meerdere met eerbiediging van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken. Indien hij niet tot dezelfde taalrol als de ambtenaar behoort, dient de hiërarchische meerdere te slagen voor het taalexamen over de functionele kennis voor de evaluatie, bedoeld in artikel 43ter, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken samengevat op 18 juli 1966 of voor een ander taalexamen die hem vrijstelt van het bovenvermeld examen. Indien de hiërarchische meerdere niet aan deze voorwaarde voldoet, wijst zijn verantwoordelijke van de administratieve eenheid het personeelslid aan die met de evaluatie wordt belast, met inachtneming van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken. In dit geval de hiërarchische overste die belast is met de evaluatie van de agent, raadpleegt de lijnmanager van de agent, overeenkomstig artikel 104. » Art. 29.Hoofdstuk 2 van titel 5 van boek 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « HOOFDSTUK 2. - Het verloop van de evaluatie Art. 97.Op vraag van de ambtenaar mag een vakbondsafgevaardigde als waarnemer deelnemen aan de gesprekken die georganiseerd worden in het kader van de evaluatieprocedure, voorzien in de artikelen 94 tot 117. Art. 98.De evaluatieperiode van de ambtenaar is de periode tussen het functiegesprek en het evaluatiegesprek.
Tussen het functiegesprek en het evaluatiegesprek worden ten minste om de zes maanden tussentijdse gesprekken plaatsvinden. Art. 99.In het begin van elke evaluatieperiode en bij elke benoeming of dienstaanwijzing van de ambtenaar heeft de gemachtigde hiërarchische meerdere een functiegesprek met hem, waarbij de te bereiken doelstellingen en de elementen waarop de ambtenaar zal worden geëvalueerd op basis van de functiebeschrijving, worden omschreven.
Deze betreffen : * de kwaliteit van het werk; * het werkritme; * de toe te passen werkmethoden; * de te verwerven werkattitudes. Art. 100.Binnen vijftien dagen na het gesprek stelt de gemachtigde hiërarchische meerdere een verslag op van het functiegesprek. Dit verslag wordt geviseerd door de ambtenaar. Als de ambtenaar het verslag van het functiegesprek niet tekent voor ontvangst, wordt het verslag hem aangetekend opgestuurd. De gemachtigde hiërarchische meerdere stuurt dit verslag naar het HRM binnen dertig dagen na het functiegesprek. Art. 101.In de loop van elke evaluatieperiode kan de gemachtigde hiërarchische meerdere gunstige of ongunstige vaststellingen op basis van de doelstellingen en de evaluatiecriteria bedoeld in artikel 100, aan het evaluatiedossier toevoegen.
Deze bevindingen worden ter kennis van de ambtenaar gebracht, hetzij door persoonlijke afgifte tegen ontvangstbewijs, gedateerd en ondertekend, hetzij per aangetekende brief. De ambtenaar maakt eventuele opmerkingen binnen de 15 dagen over.
Wanneer de ambtenaar zijn eventuele opmerkingen niet heeft kunnen maken op een ongunstige vaststelling, dan wordt de vaststelling niet in overweging genomen en verwijderd uit het evaluatiedossier.
De ambtenaar mag de bevoegde hiërarchische overste vragen om aan zijn evaluatiedossier een document toe te voegen met een gunstige beoordeling over het uitgevoerde werk. Art. 102.Gedurende elke evaluatieperiode, kunnen één of meerdere tussentijdse gesprekken plaatsvinden binnen de vijftien dagen na het verzoek van de ambtenaar of de gemachtigde hiërarchische meerdere.
Voor zover de laatste evaluatie minimaal drie maanden geleden plaats vond, vindt een tussentijds onderhoud plaats telkens wanneer de gemachtigde hiërarchische meerdere dit nodig acht of wanneer de geëvalueerde erom vraagt.
In een tussentijds gesprek kunnen onder meer aan bod komen : 1° problemen in verband met het functioneren van de geëvalueerde en de oplossingen voor deze problemen;2° problemen die het bereiken van de afgesproken doelstellingen bemoeilijken en de oplossingen voor deze problemen ;deze problemen kunnen zowel betrekking hebben op de organisatie en de werking van de dienst, de begeleiding door de verantwoordelijke van de administratieve eenheid als op externe factoren; 3° de ontwikkeling van de ambtenaar binnen de huidige functie;4° de evaluation van de ambtenaar met het oog op zijn interne mutatie. Ter gelegenheid van dit gesprek kunnen bijsturingen worden aangebracht aan de individuele doelstellingen van de ambtenaar.
De gemachtigde hiërarchische meerdere voegt een verslag van dit gesprek toe aan het evaluatiedossier. Dit verslag wordt ter kennis gebracht van de ambtenaar die eventuele opmerkingen aan dit verslag mag toevoegen binnen 15 dagen na kennisname van het verslag.
Wanneer de ambtenaar het voorwerp uitmaakt van interne mutatie, vindt een tussentijds gesprek plaats voor zijn mutatie. Art. 103.Op het einde van elke evaluatieperiode heeft de gemachtigde hiërarchische meerdere een evaluatiegesprek met de ambtenaar. Art. 104.Dit evaluatiegesprek vindt plaats minstens om de twee jaar tijdens de laatste maand van de evaluatietermijn of tijdens de maand die volgt op het einde van de evaluatieperiode.
Als de ambtenaar afwezig is op het moment van het gesprek, dan wordt dit gesprek uitgesteld tot de maand die volgt op de werkhervatting, voor zover dat de periode van effectieve prestaties van de beoordeelde ambtenaar zes maanden of minder bedraagt sinds het functioneringsgesprek.
Dit evaluatiegesprek handelt over de verwezenlijking van de doelstellingen en de elementen bedoeld in artikel 99 opgesteld tijdens het functiegesprek.
Bij toekenning van een vermelding "met voorbehoud" of "onvoldoende" moet een nieuwe evaluatie plaatshebben na een termijn van een jaar.
Deze termijn kan op vraag van de ambtenaar tot zes maanden worden teruggebracht. Art. 105.Binnen vijftien dagen na het evaluatiegesprek, behalve in geval van overmacht, stelt de gemachtigde hiërarchische meerdere een evaluatieverslag en kent de vermelding "gunstig", "onder voorbehoud" of "onvoldoende" toe, voorzien van een motivering. Het evaluatieverslag wordt gedateerd en getekend binnen dezelfde termijn door de gemachtigde hiërarchische meerdere, het wordt voor ontvangst getekend door de geëvalueerde ambtenaar die er zijn opmerkingen kan aan toevoegen, en onmiddellijk doorgestuurd naar het HRM. Indien de ambtenaar het evaluatieverslag niet tekent voor gezien, wordt het hem aangetekend opgestuurd. Art. 106.De gemachtigde hiërarchische meerdere die de ambtenaar niet onder zijn gezag heeft gehad gedurende de volledige evaluatieperiode, raadpleegt de vorige gemachtigde hiërarchische meerderen van de ambtenaar voor het evaluatiegesprek.
Indien de gemachtigde hiërarchische meerdere niet de functionele meerdere van de ambtenaar is, dient hij de functionele meerdere te raadplegen voor de functie- en evaluatiegesprekken. Hij stuurt hem een afschrift van het verslag van het functiegesprek en het evaluatieverslag. Art. 107.Op het einde van het evaluatiegesprek heeft een nieuw functiegesprek plaats over de volgende evaluatieperiode conform artikel 99 op hetzelfde ogenblik. Art. 108.De ambtenaar die zijn prestaties niet effectief gedurende ten minste zes maanden heeft geleverd en die afwezig is, met verlof is, of zijn functie niet vervult, behoudt zijn laatste evaluatie.
Buiten de gevallen, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, krijgt de ambtenaar die om welke reden dan ook niet werd geëvalueerd, een gunstige evaluatie, ongeacht de periode tijdens dewelke hij effectief zijn prestaties leverde, behalve als hij bewust weigerde geëvalueerd te worden.
Na afloop van de stage, krijgt de benoemde ambtenaar van ambtswege een gunstige evaluatie. » Art. 30.Hoofdstuk 3 van titel 5 van boek 1 van hetzelfde besluit wordt opgeheven. Art. 31.Hoofdstuk 4 van titel 5 van boek 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « HOOFDSTUK 3. - De beroepsprocedure » Art. 109.De ambtenaar die zijn goedkeuring niet kan hechten aan de vermelding "onvoldoende" of "onder voorbehoud" beschikt over een termijn van twintig dagen om een schorsend beroep in te dienen per aangetekend schrijven bij de gewestelijke kamer van beroep.
Er wordt aan de ambtenaar een ontvangstbewijs van het beroep gegeven. Art. 110.Elk beroep dient te worden ingeschreven binnen een maand na de plaatsing op de agenda van de gewestelijke kamer van beroep. Art. 111.De gewestelijke kamer van beroep moet zich uitspreken binnen de 60 dagen na ontvangst van het beroep, behalve bij overmacht, en beschikt over beslissingsbevoegdheid.
De gewestelijke kamer van beroep hoort de gemachtigde hiërarchische meerdere die de betwiste vermelding heeft toegekend, eventueel bijgestaan door een lid van het HRM. De afwezigheid van de gemachtigde hiërarchische meerdere is geen reden van uitstel.
De ambtenaar wordt gehoord en kan zich laten bijstaan door een persoon naar keuze. Indien de ambtenaar, ofschoon behoorlijk opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt, bevestigt de gewestelijke kamer van beroep de vermelding en doet het dossier toekomen aan de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal. Art. 112.De gewestelijke kamer van beroep bevestigt de aan de ambtenaar toegekende vermelding of ze kent een andere vermelding uit artikel 105 toe. De vermelding mag niet worden verzwaard.
De gewestelijke kamer van beroep deelt haar beslissing binnen de vijftien dagen aan de verzoeker mee per aangetekend schrijven.
Tegelijkertijd betekent ze het volledige dossier samen met de beslissing aan de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal.
De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal betekenen deze beslissing aan de evaluator. » Art. 32.Hoofdstuk 5 van titel 5 van boek 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « HOOFDSTUK 4. - De gevolgen van de vermelding "met voorbehoud" of "onvoldoende" Art. 113.De periode gedurende dewelke de ambtenaar die bij zijn evaluatie de vermelding "met voorbehoud" of "onvoldoende" krijgt, wordt niet in aanmerking voor de berekening ban de graadanciënniteit vereist voor het bekomen van een hogere weddenschaal in toepassing van de gewone of de versnelde functionele loopbaan. Art. 114.De ambtenaar die een evaluatie heeft met de vermelding "onvoldoende" of "onder voorbehoud" kan niet worden aangesteld als de hiërarchische meerdere gemachtigd tot het uitvoeren van de evaluatie. Art. 115.§ 1. De vermelding "onvoldoende" kan slechts eenmaal worden toegekend. Indien na de toekenning van deze vermelding de ambtenaar geen van de andere vermeldingen bedoeld in artikel 106 wordt toegekend, wordt hij door de hiërarchische meerdere die de evaluatie heeft verricht beroepsongeschikt verklaard. § 2. De ambtenaar die zijn goedkeuring niet kan hechten aan de verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid beschikt over een termijn van vijftien dagen om per aangetekend schrijven beroep in te dienen bij de gewestelijke kamer van beroep.
Er wordt de ambtenaar een ontvangstbewijs van het beroep uitgereikt.
De procedure bedoeld in artikelen 111 en 112 is van toepassing.
De gewestelijke kamer van beroep brengt advies uit bij de raad van bestuur. Deze spreekt zich uit over de verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid. § 3. In geval van bevestiging van de verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid, of indien de ambtenaar tegen de verklaring van beroepsongeschiktheid niet in beroep is gegaan, wordt de ambtenaar door de raad van bestuur ontslagen.
Aan de wegens beroepsongeschiktheid ontslagen ambtenaar wordt een vergoeding wegens ontslag toegekend.
Deze vergoeding is gelijk aan twaalf maal de laatste maandbezoldiging van de ambtenaar indien hij ten minste twintig jaar dienst heeft, aan acht maal of zes maal deze bezoldiging naargelang de ambtenaar tien jaar dienst of minder dan tien jaar dienst heeft.
Voor de toepassing van dit artikel moet onder "bezoldiging" worden verstaan elke wedde, elk loon of elke vergoeding geldend als wedde of loon, rekening houdend met de verhogingen of verminderingen die te wijten zijn aan de schommelingen van de index der kleinhandelsprijzen.
De in aanmerking te nemen bezoldiging is die welke verschuldigd is voor volledige prestaties, eventueel met inbegrip van de haard- of standplaatstoelage, rekening houdend met de verhogingen of verminderingen die te wijten zijn aan de schommelingen van de index der kleinhandelsprijzen. » Art. 33.Hoofdstul 1 van titel 6 van boek 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : « HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen Art. 116.De interne mutatie is de overgang van een ambtenaar naar een andere betrekking van zijn graad in dezelfde dienst of in andere dienst van het Parkeeragentschap. Art. 117.De ambtenaar behoudt hoe dan ook zijn graad en de daaraan verbonden weddenschaal. Hij behoudt tevens de voordelen die hij in zijn functionele loopbaan heeft verkregen, met inachtneming van de bepalingen inzake vorming en evaluatie. Art. 118.De interne mutatie vindt plaats hetzij door vrijwillige mutatie, hetzij door ambtshalve mutatie, hetzij door herplaatsing. Art. 119.§ 1. Om zich kandidaat te stellen moet de ambtenaar zijn functies uitoefenen in zijn betrekking sinds ten minste twee jaar. § 2. In het geval van pesterijen, een gewelddaad of discriminatie waarvan de ambtenaar het slachtoffer is, wordt afgeweken van de in het eerste paragraaf bepaalde limiet, ten gevolge van een advies van de welzijnsver …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.