📄 Wettekst
13 JULI 2017. - Koninklijk besluit tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt
VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van koninklijk besluit dat ik ter ondertekening aan Uwe Majesteit voorleg, kadert binnen de harmonisering en de vereenvoudiging van het statuut, daar het de verschillende koninklijke en ministeriële besluiten betreffende de toelagen en vergoedingen ten gunste van het rijkspersoneel of van bepaalde categorieën ervan opheft en in mindere mate wijzigt om alle bepalingen betreffende de toelagen en vergoedingen te bundelen.
Het ontwerp streeft ernaar ambitieus te zijn, want de hele reglementering betreffende de toelagen en vergoedingen is gebundeld in één reglementaire tekst. Toch laat het de mogelijkheid om andere toelagen of vergoedingen te creëren voor een aantal specifieke functies.
Dit ontwerp van koninklijk besluit vereenvoudigt de toelagen en vergoedingen in een aantal gevallen en moderniseert ze in een aantal andere gevallen, zoals de toelage voor de uitoefening van een hogere functie, het vakantiegeld, de vergoeding voor verblijfkosten of de vergoeding voor reiskosten.
Het is vernieuwend omdat het een gemeenschappelijk reglementair kader creëert voor de betaling van de toelagen verbonden aan de opleidingsactiviteiten of de bijkomende prestaties.
I. Het project is gestructureerd volgens vier delen : - het eerste deel preciseert het toepassingsgebied van de tekst, bundelt de definities en beschrijft de algemene principes die van toepassing zijn voor alle toelagen en vergoedingen; - het tweede deel bundelt alle toelagen en verdeelt ze onder in vier categorieën (de ambtshalve toegekende toelagen, de toelagen verbonden aan ongewone prestaties, de toelage verbonden aan de specifieke organisatie van de arbeidstijd en de taaltoelage); - het derde deel definieert de verschillende vergoedingen; - het vierde en het vijfde deel hebben betrekking op de verschillende opheffingen en wijzigingen van reglementaire teksten en op de overgangs- en slotbepalingen.
II. Dit koninklijk besluit is van toepassing op alle personeelsleden van het federaal administratief openbaar ambt zoals bedoeld in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken. Er moet op worden gewezen dat de voornoemde wet van 22 juli 1993 slechts een aantal federale instellingen van openbaar nut vermeldt, namelijk uitsluitend die die de reglementering volgen die van toepassing is op het rijkspersoneel.
Dit ontwerpbesluit heeft bijgevolg ook betrekking op het wetenschappelijk personeel, hoewel dit aan een specifiek statuut is onderworpen. Het statuut van het wetenschappelijk personeel bepaalt bovendien dat de wetenschappelijke personeelsleden, onverminderd de bepalingen die eigen aan hen zouden zijn, onderworpen zijn aan de reglementering die van toepassing is op het rijkspersoneel wat betreft de toelagen, vergoedingen en premies van interdepartementale aard, met uitzondering van de premie voor competentieontwikkeling.
De personeelsleden van een aantal diensten zijn echter uitgesloten van het voordeel van een aantal toelagen verbonden aan de specifieke werkorganisatie, omdat deze diensten over zeer specifieke stelsels voor werkorganisatie beschikken waarvoor er reeds een specifieke reglementering inzake toelagen van kracht is.
Artikel 1 bepaalt eveneens dat een aantal categorieën van personeelsleden (mandaathouders bijvoorbeeld) uitgesloten wordt van bepaalde toelagen of vergoedingen.
III. Behalve de hierna vermelde ontwikkelde punten worden de huidige toelagen en vergoedingen, zoals de haard- of standplaatstoelage, de eindejaarstoelage en de vergoeding wegens begrafeniskosten behouden, zowel wat betreft de principes als de modaliteiten of bedragen ervan.
IV. De voornaamste wijzigingen of vernieuwingen zijn de volgende : 1) Algemene principes De afwezigheid van meer dertig opeenvolgende werkdagen blijft een invloed op de betaling van een toelage hebben.De volgende afwezigheden worden echter niet in aanmerking voor de berekening van dertig opeenvolgende werkdagen genomen : een ouderschapsverlof en een verlof verbonden aan de bescherming van het moederschap, de recuperaties, het jaarlijks vakantieverlof, de afwezigheid door een arbeidsongeval of door een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte. 2) Vakantiegeld De Copernicuspremie wordt rechtstreeks geïntegreerd in de berekening van het vakantiegeld.Het vakantiegeld wordt voortaan gebracht op 92% van de wedde van de maand maart van het vakantiejaar. Het verkregen resultaat is hetzelfde, maar de berekeningswijze is vereenvoudigd. 3) Directietoelage Wat de toekenningsvoorwaarden betreft, wordt de toelage toegekend hetzij als het personeelslid rechtstreeks een team van minstens tien personeelsleden beheert, hetzij als het personeelslid rechtstreeks een team van minstens vijf personeelsleden beheert en voor zover hij daarvoor door de leidend ambtenaar werd aangewezen om de toelage te genieten. Het bedrag van de directietoelage voor de personeelsleden van het niveau B, C en D bedraagt 1.000 euro. Het wordt dus verhoogd voor het niveau D. Er is voorzien in een overgangsbepaling voor de personeelsleden die een directiepremie kregen voor de inwerkingtreding van dit ontwerpbesluit, waardoor ze hun premie kunnen behouden onder de vroegere reglementaire voorwaarden. Het bedrag van de toelage van de personeelsleden van het niveau D wordt echter eveneens op 1.000 euro vastgelegd. 4) Toelage voor de uitoefening van een hogere functie Enkel de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde zijn bevoegd om een personeelslid dat een hogere functie uitoefent aan te wijzen. Elke aanwijzing in een hogere functie of verlenging wordt ter akkoord voorgelegd aan de inspecteur van Financiën behalve als hij een vrijstelling van akkoord geeft.
In het geval van een definitief vacante betrekking wordt een verlenging van de uitoefening van de hogere functie na 2 jaar mogelijk als de opgestarte procedure om de definitief vacante betrekking toe te kennen niet of nog niet heeft geleid tot de benoeming van een kandidaat. Het verband met betrekkingen die een beslissingsbevoegdheid in fiscale, financiële of boekhoudkundige materies inhouden is niet langer vereist.
De betaling van de toelage is zowel in een centrale dienst als in een buitendienst verschuldigd vanaf de eerste dag dat het personeelslid de hogere functie uitoefent, als de hogere functie voor een minimale duur van 30 kalenderdagen wordt uitgeoefend.
Er is voorzien in een overgangsbepaling voor de personeelsleden die voor de inwerkingtreding van dit ontwerpbesluit een hogere functie uitoefenden waardoor zij hun hogere functie kunnen blijven uitoefenen gedurende een maximale periode van 12 maanden na de inwerkingtreding van dit besluit, behoudens andersluidende, behoorlijk met redenen omklede beslissing van de leidend ambtenaar. 5) Toelage voor bijkomende prestaties Het nieuwe artikel 8, § 3, van de
wet van 14 december 2000Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
14/12/2000
pub.
05/01/2001
numac
2000002134
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Wet tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in openbare sector
sluiten tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector, zoals recentelijk gewijzigd bij de wet van 11 december 2016, heeft als doel de betaling, in plaats van de recuperatie, van overuren mogelijk te maken in geval van onvoorziene omstandigheden die dringende maatregelen vereisen. Dit ontwerp van koninklijk besluit legt per uur prestatie het bedrag van de toelage vast als aan de voorwaarden voor de betaling van de overuren is voldaan. Dit bedrag is gelijk aan 1/1976e van de brutojaarwedde genomen als basis voor de berekening van de wedde voor de maand waarin de prestaties werden verricht.
Het nieuwe stelsel is van toepassing op alle personeelsleden van het federaal openbaar ambt en maakt definitief een einde aan het gebruik van het besluit van de Regent van 30 maart 1950 de toekenning regelend van toelagen wegens buitengewone prestaties, opgeheven op 31 december 2016 in toepassing van het
koninklijk besluit van 13 maart 2016Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
01/03/1977
pub.
05/03/2009
numac
2009000107
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten2 tot wijziging van het
koninklijk besluit van 11 februari 2013Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten7 tot toekenning van een toelage aan de personeelsleden van het federaal administratief openbaar ambt die bepaalde prestaties verrichten. 6) Toelage voor opleidingsactiviteiten Er wordt voor het hele federale openbare ambt een gemeenschappelijk reglementair kader gecreëerd voor de betaling van de opleidingsactiviteiten aan de personeelsleden die als taak hebben cursussen te geven als dat geen deel uitmaakt van hun normale activiteiten.Tot nu toe beschikten slechts een aantal departementen over een specifiek reglementair kader ter zake.
Het bedrag van de toelage wordt vastgesteld op 180 euro (niet-geïndexeerd) per dag cursus/opleiding.
Deze gemeenschappelijke reglementaire sokkel houdt in dat alle specifieke reglementeringen aangenomen door de departementen en die hetzelfde doel beogen opgeheven worden. 7) Vergoeding voor verplaatsingskosten tussen de woonplaats en de werkplaats De cumulatie van de kosteloosheid van het gemeenschappelijk openbaar vervoer voor het woon-werkverkeer met het voordeel van een tussenkomst voor het gebruik van een persoonlijk vervoermiddel wordt eveneens gemachtigd in geval van specifieke omstandigheden, beoordeeld door de leidend ambtenaar, die de verplaatsing via het gemeenschappelijk openbaar vervoer onpraktisch maken. De woonplaats komt overeen met de feitelijke woning van het personeelslid. Behalve als het personeelslid andersluidende informatie verstrekt, is deze feitelijke woning de woning die vermeld staat op zijn identificatiefiche. 8) Vergoeding voor reiskosten Het personeelslid dat zich moet verplaatsen in het kader van de uitoefening van zijn functie en dat het openbaar vervoer gebruikt, krijgt zijn verplaatsingskosten terugbetaald ten bedrage van de prijs van een reis in tweede klas, ongeacht zijn niveau of zijn functie. De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde ziet erop toe dat de reiskosten zo laag mogelijk liggen, rekening houdend met de verschillende mogelijkheden qua vervoermiddelen. Hij kan daartoe, als een traject met verschillende middelen van gemeenschappelijk openbaar vervoer kan worden afgelegd, een vergelijking maken tussen de verschillende officiële tarieven die gehanteerd worden op het ogenblik van de verplaatsing. Ook kan hij via vergelijking nagaan of het gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer minder duur blijkt dan het gebruik van een eigen voertuig en omgekeerd. 9) Vergoeding voor verblijfkosten De toekenningsvoorwaarden voor de verblijfkosten worden verscherpt. Naast de voorwaarde van de afstand, die langer moet zijn dan 25 kilometer buiten de agglomeratie van de administratieve standplaats, moet de duur van de verplaatsing voortaan langer zijn dan 6 uur en mag deze er geen aanleiding toe geven dat de werkgever de maaltijdkosten op zich neemt of mag geen aanleiding geven tot een voordeel van dezelfde aard.
Met voordeel van dezelfde aard worden bedoeld : - het restaurantticket, waarvan een deel van de kost op zich wordt genomen door de werkgever of door een derde; - de mogelijkheid om een maaltijd te nuttigen in een Fedorest-restaurant of in een restaurant dat verbonden is aan de federale dienst. Deze mogelijkheid is verworven wanneer er in de agglomeratie van de administratieve standplaats of, in voorkomend geval, in de gemeente, waar het personeelslid zich moet naar verplaatsen een Fedorest-restaurant of een restaurant dat verbonden is aan de federale dienst is gevestigd en dit voor zover de toegang ertoe openstaat.
Het bedrag van de dagelijkse vergoeding voor verblijfkosten is hetzelfde voor alle niveaus en bedraagt 10 euro.
Als de aard zelf van de functie van het personeelslid regelmatige prestaties buiten de administratieve standplaats impliceert en in afwijking van de voorwaarde van de verplaatsing van minstens 6 uur en meer dan 25 kilometers kan de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde beslissen een maandelijkse forfaitaire vergoeding toe te kennen die gelijkstaat met een aantal keren de dagelijkse vergoeding (maximum 16 keer voor voltijdse prestaties). Er kan een aanvullende vergoeding worden toegekend om de internet- en telefoonkosten te dekken in de hierboven bedoelde gevallen op voorwaarde dat de woonplaats van het personeelslid werd vastgesteld als administratieve standplaats. De overheid preciseert hieromtrent naar aanleiding van de opmerking van de Raad van State dat het wel degelijk de bedoeling is om twee voorwaarden samen te voegen, namelijk enerzijds een maandelijkse forfaitaire vergoeding voor verblijfkosten krijgen en anderzijds zijn woonplaats als administratieve standplaats vastgelegd hebben. De tekst wordt aangepast om iedere dubbelzinnigheid weg te nemen.
Het plafond van de vergoeding is geïnspireerd op de fiscale notie van "kosten eigen aan de werkgever". Het plafond bedraagt maximaal 3 keer het plafond van de vergoeding voor telewerk. De leidend ambtenaar ziet erop toe dat er geen dubbele toekenning plaatsvindt voor de kosten van internettoegang en de kosten van telefoongebruik. Zoals elke andere vergoeding, is deze vergoeding niet cumuleerbaar met elke andere vergoeding die dezelfde kosten dekt.
Er is ook voorzien in een aanvullende vergoeding voor verblijfkosten als het personeelslid in het kader van de uitoefening van zijn functie buiten zijn woonplaats, en mits een voorwaarde van afstand, moet logeren en dat kosten voor hem teweegbrengt. Deze vergoeding mag dus niet worden toegekend als het personeelslid over gratis huisvesting beschikt of over huisvesting waarvan de kost gedragen wordt door de federale dienst. Het bedrag van de vergoeding is hetzelfde voor alle niveaus en bedraagt 75 euro per nacht.
Wat de verplaatsingen in het buitenland betreft, worden de vergoedingen vastgelegd op basis van de vergoedingen bepaald voor de personeelsleden van de centrale administratie (categorie 1) van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken wanneer zij in het buitenland verblijven.
Deze gemeenschappelijke reglementaire sokkel impliceert de opheffing van alle specifieke reglementeringen aangenomen door de departementen en die hetzelfde doel beogen. De personeelsleden die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit reizende ambtsbetrekkingen uitoefenen en een maandelijkse forfaitaire vergoeding voor verblijfkosten of voor kosten wegens rondreizen genieten op basis van een opgeheven reglementering blijven echter het bedrag van deze vergoeding genieten als het bedrag van de maandelijkse forfaitaire vergoeding, dat door de leidend ambtenaar wordt vastgelegd, minder voordelig is. 10) Vergoeding voor het gebruik van de fiets De definitie van een fiets wordt gewijzigd zodat het recht op de betaling van de vergoeding eveneens wordt opengesteld voor de personeelsleden die een elektrische fiets gebruiken, voor zover de maximale snelheid ervan niet hoger is dan 25 kilometer per uur. Het bedrag van de vergoeding is gelijk aan het bedrag dat vrijgesteld is van belasting en wordt jaarlijks door de fiscale administratie vastgesteld voor het gebruik van de fiets. 11) Vergoeding voor telewerk De vergoeding is gelijk aan de kosten van verbindingen en communicaties, met een maximale maandelijkse limiet die is vastgesteld op 20 euro per maand. Deze limiet werd vastgesteld op grond van het maandelijkse fiscale forfait dat wordt toegepast in het kader van de terugbetalingen van kosten verbonden aan telewerk als het personeelslid een aftrek van 20 euro voor zijn persoonlijk internetgebruik kan krijgen. 12) Specifieke toelage en vergoeding Er kan steeds een specifieke toelage gecreëerd en toegekend worden aan het personeelslid wegens verrichte prestaties die niet als normaal kunnen worden beschouwd vergeleken met de uitoefening van de functie, op voorwaarde echter dat deze prestaties niet gedekt zijn door een toelage gedefinieerd in dit ontwerp van koninklijk besluit. Er kan steeds een specifieke vergoeding gecreëerd en toegekend worden aan het personeelslid dat verplicht is om werkelijke kosten te dragen die niet als normaal kunnen worden beschouwd, op voorwaarde dat deze kosten niet gedekt worden door de vergoedingen gedefinieerd in dit ontwerp van koninklijk besluit.
Deze toelagen en vergoedingen hebben betrekking op specifieke prestaties of onkosten verbonden aan activiteiten die eigen zijn aan verschillende federale diensten (zonder dat deze activiteiten of onkosten echter veralgemeend worden voor alle federale diensten) of aan hun federale dienst of een deel ervan.
De nieuwe specifieke toelagen of specifieke vergoedingen worden aangenomen door de bevoegde Minister(s) met een een in de Ministerraad overlegd ministerieel besluit en worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Bovendien, met het oog op opvolging en transparantie, wordt een inventaris van verschillende betrokken ministeriële besluiten publiek ter beschikking gesteld en bijgewerkt bij elke publicatie van een nieuw ministerieel besluit.
V. Naast deze voornaamste wijzigingen of vernieuwingen worden er technische verduidelijkingen aangebracht in de opstelling van de bepalingen betreffende de eindejaarstoelage, de taaltoelage en de toelage voor werk in opeenvolgende ploegen.
Voor het overige bevatten de bepalingen betreffende de haard-/standplaatstoelage, de toelage voor wachtprestaties, de toelage voor onregelmatige prestaties, de compenserende toelage, de vergoeding voor verplaatsingskosten tussen de woonplaats en de werkplaats en de vergoeding wegens begrafeniskosten geen enkele inhoudelijke wijziging.
Er moet worden opgemerkt dat de term "toelage wegens ontslag" de oude term "vergoeding wegens ontslag" vervangt zonder dat deze verandering, die vereist is door het feit dat dit beantwoordt aan de definitie van een toelage voor de toepassing van het geldelijke statuut, geen andere wijzigingen met zich meebrengt. De toelage wegens ontslag blijft het equivalent van een compenserende opzeggingsvergoeding.
Tot slot wordt de projecttoelage gedefinieerd in het
koninklijk besluit van 2 augustus 2007Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten0 tot toekenning van een toelage aan de personeelsleden belast met het ontwikkelen van projecten in sommige overheidsdiensten opgeheven. Er is echter voorzien in een overgangsbepaling voor de personeelsleden die deze toelage kregen bij de inwerkingtreding van dit ontwerp van koninklijk besluit, zodat zij de toelage kunnen behouden tot het project is afgelopen.
VI. Naast de aangebrachte wijzigingen of vernieuwingen wat betreft bepaalde toelagen of vergoedingen moet er benadrukt worden dat het ontwerpbesluit delegaties aan de leidende ambtenaren of hun afgevaardigden bevat, waardoor hun verantwoordelijkheid wordt geaccentueerd. Deze delegaties vallen dus te verklaren doordat ze betrekking hebben op bijkomende maatregelen die een beperkte en technische reikwijdte hebben of die betrekking hebben op de organisatie van de dienst, zoals de bepalingen met betrekking tot : - de "modaliteiten voor het indienen van de aanvragen voor het verkrijgen van de in het ontwerp bedoelde vergoedingen (artikelen 66, eerste lid, 71, eerste lid, 79, eerste lid, 81, eerste lid)".
De mogelijkheid voor de leidend ambtenaar om de modaliteiten te bepalen voor de aanvragen voor het verkrijgen van een vergoeding komt tegemoet aan de noodzakelijkheid van een goede organisatie van de dienst die hij leidt, met name door te voorzien in het gebruik van e-mail, een formulier, een termijn van orde, enz.; - het vaststellen van de "berekeningswijze van de afgelegde afstanden (artikel 73, vijfde lid, 84, § 4, 88, § 2, vierde lid)".
Het bij het koninklijk besluit van 15 oktober 1969 ingestelde boek der wettelijke afstanden is niet langer het referentie-instrument voor de berekening van de afstanden rekening houdend met de evolutie van de technologieën die toegang geven tot betrouwbare en nauwkeuriger berekeningsinstrumenten voor de berekening van de afgelegde afstanden.
De mogelijkheid voor de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde om het instrument voor het vaststellen van de afgelegde afstanden te kiezen betreft een bijkomende maatregel met een technische reikwijdte. In geval van betwisting daarenboven bepaalt het koninklijk besluit dat de afgelegde afstand door het Nationaal Geografisch Instituut berekend wordt op basis van de officiële middenschalige referentiegegevens; - de toekenning, in geval van regelmatige verplaatsingen buiten de administratieve standplaats, van een "maandelijkse forfaitaire vergoeding die gelijkstaat met een aantal keren de dagelijkse forfaitaire vergoeding toegekend voor de terugbetaling van de verblijfkosten (artikel 86)".
De bevoegdheid van de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde beperkt zich in geval van regelmatige verplaatsingen buiten de administratieve standplaats tot het bepalen van de vermenigvuldiger van de dagelijkse forfaitaire vergoeding die in dit ontwerp van koninklijk besluit op 10 euro is vastgesteld. De regels rond het vaststellen van deze vermenigvuldiger zijn bepaald in dit ontwerp van koninklijk besluit, met als verplichtingen dat deze vermenigvuldiger dezelfde is voor alle personeelsleden van de federale dienst of een deel ervan dat dezelfde functie uitoefent en dat hij vastgesteld wordt op basis van het gemiddelde van de voltijdse prestaties die deze personeelsleden hebben verricht gedurende het voorgaande jaar. De aan de leidend ambtenaar toegekende delegatie is dus een maatregel met een louter technische reikwijdte die rekening houdt met de specificiteiten van een federale dienst of van een deel ervan.
VII. Voor het overige werd er rekening gehouden met alle opmerkingen van de Raad van State. De artikelen in kwestie en de aanhef werden aangepast.
Er werd echter geen rekening gehouden met de opmerkingen die werden geformuleerd : - met betrekking tot artikel 2 (punten 2 tot 4 en 6), daar deze definities reeds gebruikt worden in andere delen van het statuut van het rijkspersoneel, met name in het
koninklijk besluit van 24 september 2013Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten8 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt en in het
koninklijk besluit van 25 oktober 2013Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten9 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt. Er moet derhalve een zekere coherentie en uniformiteit behouden blijven wat betreft het gebruik van de begrippen; - met betrekking tot artikel 19, daar dit begrip hetzelfde is als het begrip dat gebruikt wordt in het
koninklijk besluit van 19 november 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
sluiten betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen; - met betrekking tot artikel 46, daar dit artikel slechts geval per geval kan worden toegepast. Een voorbeeld is dat van de woordvoerder van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, van wie de functie vereist dat hij permanent bereikbaar is; - met betrekking tot artikel 51, daar de definitie, met inbegrip van de precisering betreffende de jobrotatie, die is die gebruikt wordt voor ploegenarbeid in de Europese richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd.
De in artikel 123 voorziene afwijkende regeling tot slot valt te verklaren door het feit dat de bepaling, daar er cumulatie mogelijk was voor de inwerkingtreding van de nieuwe reglementering, dit voordeel behoudt voor de personeelsleden van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen die bepaalde shifts uitvoeren.
De toepassing van de bepalingen van dit besluit valt onder de volle verantwoordelijkheid van de leidende ambtenaren.
Ik heb de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister belast met Ambtenarenzaken, S. VANDEPUT
ADVIES 61.562/4 VAN 15 JUNI 2017 VAN DE RAAD VAN STATE, AFDELING WETGEVING, OVER EEN ONTWERP VAN KONINKLIJK BESLUIT `TOT VASTSTELLING VAN DE TOELAGEN EN VERGOEDINGEN VAN DE PERSONEELSLEDEN VAN HET FEDERAAL OPENBAAR AMBT' Op 19 mei 2017 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt'.
Het ontwerp is door de vierde kamer onderzocht op 15 juni 2017.
De kamer was samengesteld uit Pierre Liénardy, kamervoorzitter, Martine Baguet en Bernard Blero, staatsraden, en Anne-Catherine Van Geersdaele, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Marc Oswald en Florence Piret, auditeurs.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Martine Baguet .
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 15 juni 2017.
Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten `op de Raad van State', gecoördineerd op 12 januari 1973, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
Wat die drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
Voorafgaande opmerkingen 1. Het verslag aan de Koning bevat de volgende uitleg over het doel dat met het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit nagestreefd wordt : "Het ontwerp van koninklijk besluit (...) kadert binnen de harmonisering en de vereenvoudiging van het statuut, daar het de verschillende koninklijke en ministeriële besluiten betreffende de toelagen en vergoedingen ten gunste van het rijkspersoneel of van bepaalde categorieën ervan opheft en in mindere mate wijzigt om alle bepalingen betreffende de toelagen en vergoedingen te bundelen.
Het ontwerp streeft ernaar ambitieus te zijn, want de hele reglementering betreffende de toelagen en vergoedingen is gebundeld in één reglementaire tekst. Toch laat het de mogelijkheid om andere toelagen of vergoedingen te creëren voor een aantal specifieke functies.
Dit ontwerp van koninklijk besluit vereenvoudigt de toelagen en vergoedingen in een aantal gevallen en moderniseert ze in een aantal andere gevallen, zoals de toelage voor de uitoefening van een hogere functie, het vakantiegeld, de vergoeding voor verblijfkosten of de vergoeding voor reiskosten.
Het is vernieuwend omdat het een gemeenschappelijk reglementair kader creëert voor de betaling van de toelagen verbonden aan de opleidingsactiviteiten of de bijkomende prestaties." 2. Het ontwerp van koninklijk besluit dat aan de afdeling Wetgeving voorgelegd is, strekt er dus toe de regels inzake toelagen en vergoedingen ten gunste van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt te vervangen door één enkele algemeen geldende regeling. Te dien einde worden bij het ontwerp eerst de gemeenschappelijke regels vastgesteld waarmee op algemene wijze bepaald kan worden welke toelagen en vergoedingen aan de leden van dat personeel toegekend zullen kunnen worden, hoeveel ze bedragen en onder welke voorwaarden ze toegekend worden, worden voorts de bestaande regels gewijzigd om ze aan te passen aan de nieuwe bepalingen en worden ten slotte de besluiten opgeheven die overbodig geworden zijn, terwijl in het ontwerp eveneens overgangsbepalingen opgenomen worden.
Dat is inderdaad een omvangrijke taak. Gelet op het grote aantal koninklijke en ministeriële besluiten waarop het ontwerp betrekking heeft, blijkt het ook een complexe taak te zijn. Binnen de korte termijn die haar toegemeten was, is het voor de afdeling Wetgeving niet mogelijk geweest alle teksten te verifiëren : in bepaalde teksten zijn zeer veel wijzigingen aangebracht waardoor niet gegarandeerd kan worden dat de laatste versie waarnaar verwezen wordt de juiste is, andere teksten kunnen niet geverifieerd worden omdat ze niet in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt zijn.
Bij het lezen van het voorliggende advies dient de steller van het ontwerp de teksten opnieuw of nog een laatste keer te verifiëren. Het komt er immers op aan zich er van te vergewissen wat de juiste laatste versie is en alleen wat de aangelegenheden betreft die onder de bevoegdheid van de federale overheid vallen. Wat dat verificatiewerk oplevert, zal de steller van het ontwerp er noodzakelijkerwijze toe brengen heel wat inleidende zinnen te herzien, aangezien zij zo nauwkeurig mogelijk opgesteld moeten worden, vooral wanneer het gaat om de volledige of gedeeltelijke wijziging van een artikel.
Los van de hiernavolgende opmerkingen, wordt ook verwezen naar de wetgevingstechnische slotbepalingen enerzijds en naar de handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten anderzijds (1). 3. In het verslag aan de Koning staat daarenboven dat het ontwerp van koninklijk besluit "[b]ehoudens uitzonderingen" van toepassing is op "alle personeelsleden van het federaal administratief openbaar ambt zoals bedoeld in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken" waarna in grote lijnen uiteengezet wordt in welke wijzigingen en vernieuwingen het dispositief voorziet. Dat verslag aan de Koning is dermate beknopt dat de adressaten ervan daardoor geen duidelijk beeld kunnen krijgen van de exacte draagwijdte van de daarin vervatte wijzigingen en vernieuwingen. De steller van dit ontwerp, die aangeeft dat het, zoals trouwens in de nota aan de Ministerraad van 9 december 2016 gesteld wordt, "ernaar [streeft] ambitieus te zijn, [aangezien] de hele reglementering betreffende de toelagen en vergoedingen is gebundeld in één reglementaire tekst", moet evenwel nog verduidelijken welke gevolgen de nieuwe regeling zal hebben voor de situatie van de adressaten ervan : worden de toelagen en vergoedingen waarop ze thans recht hebben wat betreft het principe en de nadere regels ervan gehandhaafd, zo niet, waarin verschillen ze van hetgeen thans bepaald wordt, komt er een aanpassing van de bedragen die men toegekend krijgt en, indien dat inderdaad het geval is en ze neerwaarts aangepast worden, wordt dan door het ontwerp of door andere toekomstige regelingen voorzien in compensatiemechanismen? Er zou ook verduidelijkt moeten worden waarom de regeling ten gunste van bepaalde personeelscategorieën, inzonderheid de categorieën van het wetenschappelijk personeel van de wetenschappelijke instellingen, niet eveneens geharmoniseerd en vereenvoudigd wordt. Dat is des te noodzakelijker daar het weliswaar de bedoeling is dat het voorliggende ontwerp de enige regeling inzake toelagen en vergoedingen wordt voor de personeelsleden van het federaal openbaar ambt, maar er op grond van artikel 126 ervan voor personeelsleden die niet in het ontwerp genoemd worden verschillende specifieke besluiten blijven bestaan, terwijl het voor de afdeling Wetgeving niet duidelijk is voor welke personeelsleden die besluiten van toepassing blijven, aangezien dat niet gepreciseerd wordt in het verslag aan de Koning. Het is niet zeker of de doelstelling inzake vereenvoudiging die door de steller nagestreefd wordt aldus gehaald wordt.
Het verslag aan de Koning dient dan ook uitgebreid te worden op verschillende punten die in de bijzondere opmerkingen aangegeven zullen worden. 4. Als logisch gevolg van algemene opmerking 2 die hierna gemaakt wordt, dient opgemerkt te worden dat, indien het, zoals blijkt uit de artikelen 38, 97 en 100 van het ontwerp, de bedoeling van de steller is om met betrekking tot bepaalde categorieën van personeelsleden te overwegen om naderhand koninklijke besluiten tot toekenning van specifieke toelagen vast te stellen, de Koning, in tegenstelling tot wat in de voornoemde bepalingen gesteld wordt, niet gemachtigd dient te worden om die besluiten vast te stellen, maar veeleer in het verslag aan de Koning verduidelijkt dient te worden aan welke categorieën of soorten van categorieën van personeelsleden de steller van het ontwerp dergelijke specifieke toelagen wil toekennen en welke bijzondere kenmerken de uitgeoefende functies moeten vertonen opdat die toelagen verantwoord zouden zijn.De steller van het ontwerp dient eventueel in datzelfde verslag aan de Koning te preciseren dat het zijn bedoeling is dat over die besluiten overleg gepleegd wordt in de Ministerraad, aangezien die voorwaarde daadwerkelijk een grotere garantie biedt dat de uit te vaardigen regels van algemene of zelfs overkoepelende aard zijn.
Algemene opmerkingen 1. Delegaties aan de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde Veel bepalingen van het ontwerp voorzien in delegaties aan de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde.In bepaalde gevallen heeft de delegatie betrekking op een verordenende bevoegdheid. De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde is onder meer bevoegd om : - te bepalen op welke wijze de aanvragen voor het verkrijgen van de in het ontwerp bedoelde vergoedingen ingediend moeten worden (artikelen 66, eerste lid, 71, eerste lid, 80, eerste lid, 82, eerste lid); - te bepalen op welke wijze de afgelegde afstanden berekend dienen te worden (artikel 73, zesde lid, 85, § 4, 88, § 2, vierde lid); - in geval van regelmatige verplaatsingen buiten de administratieve standplaats, een maandelijkse forfaitaire vergoeding toe te kennen die overeenkomt met een aantal keren de dagelijkse forfaitaire vergoeding die toegekend wordt ter compensatie van de verblijfkosten, waarbij dat aantal identiek moet zijn voor alle personeelsleden die dezelfde functie uitoefenen binnen een federale dienst of een deel ervan (artikel 87, § 1); - aan de personeelsleden die zich regelmatig buiten de administratieve standplaats verplaatsen of van wie de woonplaats als administratieve standplaats vastgesteld werd een maandelijkse forfaitaire vergoeding toe te kennen voor de kosten verbonden aan de kosten voor internettoegang en de kosten verbonden aan het telefoongebruik en om het bedrag van die vergoeding vast te stellen (artikel 87, § 2); - toelagen en vergoedingen toe te kennen aan personen die niet tot het federaal openbaar ambt behoren en die hun medewerking verlenen aan de opleiding en de voortgezette opleiding van de ambtenaren van de rijksbesturen en om het bedrag van die toelagen en vergoedingen vast te stellen (artikel 103).
In principe kan niet aanvaard worden dat regelgevende bevoegdheid toegekend wordt aan een ambtenaar die geen politieke verantwoordelijkheid draagt ten aanzien van een democratisch verkozen vergadering, omdat aldus afbreuk gedaan wordt aan het beginsel van de eenheid van de verordenende macht en aan het beginsel van de politieke verantwoordelijkheid van de ministers. Een dergelijke delegatie kan alleen aanvaard worden wanneer het gaat om maatregelen met een beperkte en technische draagwijdte of wanneer de maatregelen betrekking hebben op de organisatie van de dienst (2). Het staat niet vast dat alle delegaties waarin de ontworpen bepalingen voorzien als dergelijke maatregelen beschouwd kunnen worden.
De steller van het ontwerp dient hoe dan ook te verduidelijken waarom maatregelen die tot dan toe bij koninklijke of ministeriële besluiten vastgesteld waren dermate technisch geworden zijn dat ze voortaan door een ambtenaar vastgesteld dienen te worden en hij behoort zich ervan te vergewissen dat de delegaties die verleend worden alleen betrekking hebben op maatregelen van bijkomstige of detailmatige aard en geen enkele beleidskeuze inhouden. 2. Specifieke toelagen en vergoedingen In de artikelen 38 tot 41 en 97 tot 100 machtigt de steller van het ontwerp de Koning om specifieke toelagen en vergoedingen vast te stellen. Die bepalingen zijn zinloos, aangezien de Koning zichzelf niet hoeft te machtigen om een door Hem vastgesteld besluit te wijzigen of aan te vullen.
De artikelen 38 tot 41 en 97 tot 100 alsook artikel 125 behoren bijgevolg te vervallen en de bepalingen waarin naar die artikelen verwezen wordt behoren dienovereenkomstig herzien te worden.
Bijzondere opmerkingen Aanhef 1. In de aanhef dienen de teksten van intern recht en de artikelen die de rechtsgrond van het besluit vormen vermeld te worden vóór de teksten van intern recht die bij het besluit gewijzigd of opgeheven worden.2. In het tweede lid dient artikel 11, § 1, eerste lid, van de wet van 16 maart 1954 `betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut' als rechtsgrond vermeld te worden in plaats van artikel 11, § 1, tweede lid.3. In het derde lid behoort artikel 1, 3°, van de wet van 22 juli 1993 `houdende bepaalde maatregelen in ambtenarenzaken' niet als rechtsgrond van het ontwerpbesluit vermeld te worden, aangezien bij het ontwerpbesluit geen uitvoering gegeven wordt aan die wetsbepaling en zij geen enkele machtiging bevat.Met betrekking tot de contractuele personeelsleden behoort artikel 4, § 2, 1°, van de wet van 22 juli 1993 daarentegen wel als rechtsgrond vermeld te worden. 4. In het vierde lid dient artikel 8, § 3, tweede lid (3), van de
wet van 14 december 2000Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
14/12/2000
pub.
05/01/2001
numac
2000002134
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Wet tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in openbare sector
sluiten `tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector' als rechtsgrond vermeld te worden.5. Artikel 21, § 1, van het
koninklijk besluit van 3 april 1997Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
03/04/1997
pub.
04/07/1997
numac
1997000198
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van vijf koninklijke besluiten betreffende het voorhanden hebben en het dragen van wapens door de diensten van het openbaar gezag of van de openbare macht
type
koninklijk besluit
prom.
03/04/1997
pub.
05/07/1997
numac
1997002238
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Koninklijk besluit tot toekenning van een toelage aan het « Belgisch Centrum voor Farmakoterapeutische informatie » voor het jaar 1997
type
koninklijk besluit
prom.
03/04/1997
pub.
08/08/1997
numac
1997021144
bron
diensten van de eerste minister
Koninklijk besluit houdende benoeming van de voorzitter van de beheerraad van het Nationaal Orkest van België
type
koninklijk besluit
prom.
03/04/1997
pub.
11/06/1997
numac
1997011154
bron
ministerie van economische zaken
Koninklijk besluit houdende bekrachtiging van Belgische normen uitgewerkt door het Belgisch Instituut voor Normalisatie
type
koninklijk besluit
prom.
03/04/1997
pub.
05/06/1997
numac
1997016105
bron
ministerie van middenstand en landbouw
Koninklijk besluit tot vaststelling van de regels inzake de werkingskosten van de Psychologencommissie, opgericht bij artikel 3, § 1, van de wet van 8 november 1993 tot bescherming van de titel van psycholoog
type
koninklijk besluit
prom.
03/04/1997
pub.
15/08/1997
numac
1997021143
bron
diensten van de eerste minister
Koninklijk besluit houdende wijziging van de samenstelling van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie
sluiten `houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels', bekrachtigd bij de wet van 12 december 1997, waarvan melding gemaakt wordt in het tweeëntwintigste lid, behoort bij wijze van rechtsgrond, in een nieuw derde lid vermeld te worden (4).6. Van de volgende teksten dient als op te heffen regelingen melding gemaakt te worden : - het koninklijk besluit van 30 juni 1988 `betreffende de toekenning van forfaitaire vergoedingen voor verblijfkosten aan het personeel van de inspectie van de Dienst voor Administratieve Controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering' (dat bij artikel 120, 5°, van het ontwerp opgeheven wordt); - het
koninklijk besluit van 11 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
11/10/1997
pub.
11/12/1997
numac
1997022762
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Koninklijk besluit betreffende de toekenning van een vergoeding voor telefoonkosten aan sommige personeelsleden van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering
type
koninklijk besluit
prom.
11/10/1997
pub.
11/12/1997
numac
1997022761
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Koninklijk besluit betreffende de toekenning van een vergoeding voor bureaukosten aan sommige personeelsleden van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering
sluiten `betreffende de toekenning van een vergoeding voor toegangskosten tot het internet aan sommige personeelsleden van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering' (dat bij artikel 120, 9°, van het ontwerp opgeheven wordt); - het
koninklijk besluit van 21 december 2013Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
01/03/1977
pub.
05/03/2009
numac
2009000107
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten0 `betreffende de berekening van de kilometervergoeding, voor de personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Financiën, voor de dienstreizen waarbij de woonplaats van het personeelslid het vertrek- en/of eindpunt is' (dat bij artikel 120, 19°, van het ontwerp opgeheven wordt). 7. In het zevenentwintigste lid behoort melding gemaakt te worden van het
koninklijk besluit van 22 november 2006Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
14/12/2000
pub.
05/01/2001
numac
2000002134
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Wet tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in openbare sector
sluiten8 `betreffende het telewerk en het satellietwerk in het federaal administratief openbaar ambt' zoals dat opschrift gewijzigd is bij het koninklijk besluit van 9 maart 2017.8. Tot slot dient het ministerieel besluit van 9 januari 1975 `vervangend het ministerieel besluit van 9 april 1957 tot bepaling van het bedrag van de vergoedingen, welke dienen toegekend aan de ambtenaren en beambten, belast met het geven van cursussen en voordrachten voor het personeel der strafinrichtingen' weggelaten te worden uit de aanhef.Die tekst wordt niet opgeheven of gewijzigd bij de ontworpen bepalingen.
Dispositief Artikel 1 Artikel 1 bepaalt het toepassingsgebied van het ontworpen koninklijk besluit.
Luidens paragraaf 1 is het ontworpen besluit niet van toepassing op het wetenschappelijk personeel van de wetenschappelijke instellingen.
Die uitsluiting druist in tegen artikel 52, § 1, van het koninklijk besluit van 25 februari 2008 `tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel van de federale wetenschappelijke instellingen', welk artikel als volgt luidt : "Onverminderd de bepalingen van onderhavig statuut, zijn de wetenschappelijke personeelsleden waarop deze van toepassing zijn, onderworpen aan de voorschriften die gelden voor het rijkspersoneel wat betreft : (...) de toelagen, vergoedingen en premies van interdepartementele aard met uitzondering van de premie voor competentieontwikkeling". Die uitsluiting doet hoe dan ook de vraag rijzen of dat geen verschil in behandeling meebrengt dat in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
Voorts dient in het verslag aan de Koning gepreciseerd te worden om welke objectieve redenen de in paragraaf 3 van het ontwerp bedoelde personeelsleden uitgesloten worden van de wachttoelagen, de toelagen voor onregelmatige prestaties en de toelagen voor werk in opeenvolgende ploegen. Het is raadzaam om in het verslag aan de Koning melding te maken van de regelingen die in dergelijke toelagen voorzien en die reeds voor hen zouden gelden (5).
Wat de toekenning van de taaltoelage betreft, wordt in paragraaf 4 het toepassingsgebied van het ontworpen besluit uitgebreid tot "de leden van de beleidscellen, van de cel Algemene Beleidscoördinatie, van de cellen Algemeen Beleid en van de secretariaten van de ministers en van de Staatssecretarissen". Die leden zouden derhalve niet beschouwd worden als "personeelsleden van het federaal openbaar ambt" in de zin van paragraaf 1 van artikel 1. In artikel 2, 7°, wordt het "personeelslid" weliswaar gedefinieerd als "elke werknemer in een federale dienst", wat strekt tot de uitsluiting van de leden van de voornoemde cellen en secretariaten. Naar luid van artikel 10, § 1, van het
koninklijk besluit van 19 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
14/12/2000
pub.
05/01/2001
numac
2000002134
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Wet tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in openbare sector
sluiten3 (6) kunnen die personen evenwel "tot het federaal (...) openbaar ambt [behoren]" en in die hoedanigheid bepaalde in de ontworpen bepalingen bedoelde toelagen of vergoedingen ontvangen, zoals "het vakantiegeld en de eindejaarstoelage".
Als het de bedoeling van de steller van het ontwerp is om die personen van het toepassingsgebied van de ontworpen tekst uit te sluiten, dient dit uitdrukkelijk vermeld te worden en dient nagegaan te worden of er, na de inwerkingtreding van het ontworpen besluit, nog een reglementaire grondslag is waarop zij zich kunnen beroepen om de toelagen en de vergoedingen te verkrijgen die zij tot dan toe ontvingen.
Als het de bedoeling is om de leden van de voornoemde cellen en secretariaten die "tot het federaal openbaar ambt [behoren]" niet uit te sluiten, is het raadzaam paragraaf 4 te vervangen door de volgende tekst : "In afwijking van paragraaf 1 zijn de bepalingen van titel II betreffende de taaltoelage eveneens van toepassing op de leden van de beleidscellen, van de cel Algemene Beleidscoördinatie, van de cellen Algemeen Beleid en van de secretariaten van de ministers en van de Staatssecretarissen die niet tot het federaal openbaar ambt behoren." Bovendien behoort in artikel 2, 7°, de definitie van het "personeelslid" als volgt gewijzigd te worden : "personeelslid : elke werknemer die tot een federale dienst behoort".
Artikel 2 1. In de definitie in de bepaling onder 1° van het eerste lid wordt geen melding gemaakt van de federale instellingen die bedoeld worden in artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 `betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut' maar die niet bedoeld worden in artikel 1, 3°, van de wet van 22 juli 1993 `houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken'. Dienaangaande heeft de gemachtigde het volgende laten weten : "Les organismes d'intérêt public fédéraux sont seulement ceux visés à l'article 1er, 3°, van de wet van 22 juillet 1993 car c'est seulement ceux-là qui suivent la règlementation applicable aux agents de l'Etat (AR du 2 octobre 1937 dit Arrêté Camu et tout le reste).
L'énumération prévue dans l'article 1er van de wet van 16 maart 1954 est beaucoup plus large. Si on s'y référait, on reprendrait donc des organismes qui ne sont pas soumis au statut des agents de l'Etat.
Pour information, la définition du `service fédéral' est identique à celle que nous avons déjà utilisée dans d'autres arrêtés (par exemple l'arrêté royal du 25 octobre 2013 relatif à la carrière pécuniaire des personeelsleden de la fonction publique fédérale ou l'arrêté royal du 24 septembre 2013 relatif à l'évaluation dans la fonction publique fédérale)".
Die uitleg behoort te worden opgenomen in het verslag aan de Koning. 2. De definitie in de bepaling onder 3° van het eerste lid is overbodig.Naast het feit dat ze niet duidelijk genoeg is, heeft ze betrekking op een begrip dat ofwel verkeerd is gebruikt in het dispositief van het ontwerp, ofwel alleen is opgenomen in de opschriften van koninklijke besluiten waarnaar in dat dispositief wordt verwezen. 3. De definitie in de bepaling onder 6° van het eerste lid dient te worden weggelaten aangezien ze overeenstemt met de gebruikelijke betekenis van het woord.4. Zoals de inspecteur van Financiën opmerkt, dekt de definitie van leidend ambtenaar in de bepaling onder 12° van het eerste lid niet exact alle bestaande situaties.De definitie moet aldus worden aangevuld dat zij, in voorkomend geval, toepasbaar is op diensten die ressorteren onder de federale overheidsdiensten, zoals de administratieve diensten met boekhoudkundige autonomie. 5. In de Franse tekst van de bepaling onder 16° van het eerste lid moet het begrip "horaire de travail" worden gehanteerd in plaats van het begrip "calendrier de travail". Dezelfde opmerking geldt voor het vervolg van het ontwerp. 6. De definitie in de bepaling onder 19° van het eerste lid mag worden weggelaten aangezien ze overeenstemt met de gebruikelijke betekenis van het woord.7. In de bepaling onder 24° van het eerste lid is er een verschil tussen de Franse en de Nederlandse tekst.In het Frans schrijve men "exerce principalement sa fonction". 8. In het tweede lid moet, met betrekking tot het begrip "personeelslid", uitsluitend worden verwezen naar de bepalingen onder 7°, 8° en 10° van het eerste lid. Artikel 4 De precisering in het derde lid spreekt vanzelf en moet worden weggelaten.
Artikel 7 Het door elkaar gebruiken van de woorden "onderbreking", "schorsing" "gedragen lasten" is dubbelzinnig en zorgt ervoor dat de strekking en zelfs de betekenis van de bepaling niet duidelijk is; de bepaling dient derhalve te worden herzien.
Artikel 10 Na de woorden "voor dezelfde prestaties" moeten de woorden "of kosten" worden ingevoegd.
Artikel 11 Paragraaf 1 verwijst naar de "hoofdstukken II en III van titel III" wat de reis- en verblijfkosten betreft. Die vergoedingen worden evenwel geregeld in de hoofdstukken II en IV. Artikel 12 De verwijzing naar de "wet van 27 november 1969" dient te worden vervangen door een verwijzing naar de "wet van 27 juni 1969".
Artikel 14 In het eerste lid van paragraaf 1 zou het begrip premie voor competentieontwikkeling moeten worden gedefinieerd of zou ten minste moeten worden verwezen naar de bepalingen waarbij die premie wordt ingevoerd, te weten artikel 36ter, § 1 tot § 3 en § 5 van het koninklijk besluit van 10 april 1995 `tot vaststelling van de weddeschalen der aan verscheidene federale overheidsdiensten gemene graden' alsook artikel 36, § 1, van het
koninklijk besluit van 25 oktober 2013Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten9 `betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt'.
Dezelfde opmerking geldt voor artikel 17, § 2, derde lid.
Artikel 19 In het tweede lid kunnen de woorden "van hetzelfde of van een ander geslacht" worden weggelaten.
Artikel 23 Het verdient aanbeveling de bepaling aldus te stellen dat daarin wordt voorzien in de nadere regels voor de aanvraag en de toekenning van de directietoelage, die niet automatisch wordt verleend.
Dezelfde opmerking geldt voor artikel 37, dat betrekking heeft op de toekenning van de toelage voor een opleidingsactiviteit.
Artikel 26 In paragraaf 1 is sprake van "kalenderdagen". Aangezien dat begrip in juridisch opzicht nergens duidelijk omschreven wordt en gelet op de definities die worden gegeven in artikel 2, 15°, 16° en 17°, schrijve men hier eenvoudigweg "dagen".
Artikel 46 In het verslag aan de Koning moet worden gepreciseerd welke categorieën van personeelsleden worden bedoeld : de bepaling is immers dermate ruim opgevat dat ze de strekking van de afdeling (en niet het hoofdstuk) tot invoering van de wachtvergoeding volledig teniet zou kunnen doen.
Artikel 47 Het is verkieselijk in de Franse tekst het woord "normal" te hanteren in plaats van "ordinaire" als het gaat om een werkrooster.
Hetzelfde geldt voor de artikelen 48 tot 50 van het ontwerp.
De verwijzing in artikel 47, vijfde lid, 1°, naar de artikelen 45 en 46 lijkt foutief. Gaat het er in werkelijkheid niet om de personeelsleden met een actieve of passieve wachtdienst uit te sluiten, en zou bijgevolg niet moeten worden verwezen naar de artikelen 42 en 43? Artikel 48 De woorden "behoudens uitdrukkelijk andersluidende beslissing" kunnen beter worden vervangen door de woorden "behoudens een beslissing in omgekeerde zin", aangezien die beslissing moet worden gemotiveerd en, uit dat oogpunt, uitdrukkelijk de toegekende afwijking moet bevatten, die overigens moet stroken met het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie.
Artikel 51 De afdeling Wetgeving begrijpt niet waarom wordt gepreciseerd "ook bij toerbeurt". In het verslag aan de Koning moet dat begrip concreter worden toegelicht, in voorkomend geval aan de hand van een voorbeeld.
Artikel 53 Er is geen reden om in het tweede lid het cursief te gebruiken.
Artikel 63 De vraag rijst ook waarom het begrip "werkplaats" wordt gebruikt, dat niet wordt gedefinieerd in het ontwerp, in plaats van "administratieve standplaats", dat wél wordt gedefinieerd, namelijk in artikel 2, eerste lid, 24°, van het ontwerp.
Hoewel het er in casu op lijkt dat de occasionele "werkplaats" (een werkvergadering op een andere plaats dan de administratieve standplaats of de "plaats van de dienstprestaties", zoals gepreciseerd in artikel 73, zesde lid) het gebruik van dat woord kan rechtvaardigen, zou het, ter wille van de volledigheid, verkieselijk zijn het te definiëren in artikel 2 van het ontwerp. In artikel 11, § 2, van het ontwerp is er overigens sprake van een geval dat aanleunt bij wat wordt beoogd in de artikelen 63 en 73, zesde lid, van het ontwerp, maar er wordt nergens voorzien in enige samenhang tussen die verschillende bepalingen.
Dezelfde opmerking geldt voor het vervolg van het ontwerp, telkens wanneer het woord "werkplaats" wordt gebruikt zonder dat daarmee een relevant onderscheid lijkt te worden gemaakt met het begrip "administratieve standplaats".
Voorts wordt het begrip "woonplaats", in de zin van privéverblijfplaats of persoonlijke verblijfplaats, te weten de verblijfplaats van het personeelslid, gebruikt om het vertrek- en het eindpunt van dat personeelslid te bepalen voor de toekenning van de vergoeding voor verplaatsingskosten. In ieder geval moet in de Nederlandse tekst het woord "woonplaats" vervangen worden door het woord "verblijfplaats". Hetzelfde begrip wordt in artikel 73 eveneens gehanteerd voor de toekenning van de reiskosten. Zou het niet verkieselijk zijn dat het personeelslid, in verband met alle bepalingen met betrekking tot de verplaatsings- en reiskosten, de keuze van die verblijfplaats maakt? Artikel 65 Deze bepaling voorziet in de gevallen waarin het gratis gebruik van het openbaar vervoer (artikel 63) kan worden gecumuleerd met "een tussenkomst [...] voor het gebruik van een persoonlijk vervoermiddel".
Dat laatste begrip is overgenomen uit het
koninklijk besluit van 3 mei 2007Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
14/12/2000
pub.
05/01/2001
numac
2000002134
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Wet tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in openbare sector
sluiten9 (7), terwijl in artikel 64 van het ontwerp de voorkeur wordt gegeven aan de term "compenserende vergoeding", waarvan in dat artikel het bedrag wordt vastgesteld.
Om verwarring te voorkomen en duidelijk te maken dat het gaat om dezelfde vergoeding als die bedoeld in artikel 64, zou in artikel 65 de term "compenserende vergoeding" moeten worden gebruikt en moeten worden verwezen naar artikel 64, dat het bedrag van die vergoeding vaststelt.
Artikel 66 1. In de eerste zin van het eerste lid behoren de woorden "het betrokken personeelslid" te worden vervangen door "het personeelslid". 2. Ter wille van de begrijpelijkheid schrijve men in de laatste zin van het eerste lid : "Onverminderd artikel 6 vermeldt de aanvraag de reisweg tussen de woonplaats en de werkplaats, de redenen waarom het openbaar vervoer niet kan worden gebruikt en de data van de verplaatsingen." De afdeling Wetgeving vraagt zich eveneens af of in de bepaling ook niet het begrip "verplaatsingstijd" moet worden ingevoegd.
Artikel 67 De afdeling Wetgeving heeft vragen bij het gebruik van de woorden "eigen vervoermiddel" in artikel 67, "eigen motorvoertuig" in artikel 69, "eigen voertuig" in de artikelen 71, 73, 76 en 78 en in de Nederlandse tekst "persoonlijk voertuig" in het opschrift van afdeling 3. Als het slaat op hetzelfde geval, moet een eenvormige terminologie worden gebruikt, waarbij de voorkeur uitgaat naar "eigen voertuig"; daarbij moet de eerste keer dat dit begrip in die zin wordt gebruikt, de definitie worden gegeven die thans in artikel 73, tweede lid staat.
Voorts wordt de aandacht van de steller gevestigd op het feit dat er meer en meer formules voor autodelen bestaan. In ieder geval moet de steller van het ontwerp een eenvormige terminologie hanteren.
Artikel 68 Ter wille van de samenhang moeten de woorden "tijdens de uitoefening van zijn functie" worden vervangen door de woorden "naar aanleiding van de uitoefening van zijn functie", welke de formulering is die wordt gebruikt in artikel 5 (algemene principes) om het begrip "vergoeding" te definiëren.
Dezelfde opmerking geldt voor het vervolg van het ontwerp.
Artikel 69 In de bepaling onder 2° moet, naar het voorbeeld van wat in artikel 2, derde lid, van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 `houdende algemene regeling inzake reiskosten' staat (8), worden gepreciseerd dat de toelating voor een verplaatsing algemeen kan zijn wanneer de aard zelf van de functie van het personeelslid regelmatige verplaatsingen impliceert. Er is overigens in het ontworpen besluit uitdrukkelijk voorzien in het geval van "regelmatige verplaatsingen" : - artikel 72, tweede lid, bepaalt dat de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde een abonnement kan toekennen aan het personeelslid dat meerdere keren per week verplaatsingen moet doen voor de behoeften van de dienst; - …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.