← België

Besluit van de Vlaamse Regering houdende het statuut van de lokale en provinciale mandataris

Kort samengevat

Dit besluit regelt de belangrijkste aspecten van het statuut van lokale en provinciale mandatarissen, met name hun bezoldiging en de wijze van betaling. Het geeft uitvoering aan de Gemeente- en Provinciedecreten en de vernieuwde organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

📄 Wettekst
19 JANUARI 2007. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende het statuut van de lokale en provinciale mandataris VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING Dames en heren, Dit besluit tracht de voornaamste aspecten van het statuut van de mandatarissen te regelen en aldus uitvoering te geven aan het Gemeente- en het Provinciedecreet en de vernieuwde organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Het besluit werd ingedeeld in 11 titels. Per titel, behalve voor de laatste titel dewelke enkel slotbepalingen bevat, wordt het opzet van het huidige besluit uiteengezet. Voor bepaalde aspecten wordt ook één en ander artikelsgewijs toegelicht. De inwerkingtreding van de decreetsartikelen, die door dit besluit worden uitgevoerd, wordt bepaald door het besluit van 24 november 2006 van de Vlaamse Regering betreffende de inwerkingtreding van sommige bepalingen van het Gemeente decreet van 15 juli 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten4 en ter uitvoering van de artikelen 160, § 2 en 179 van het Gemeente decreet van 15 juli 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten4, door het besluit van 24 november 2006 de Vlaamse Regering betreffende de inwerkingtreding van sommige bepalingen van het Provincie decreet van 9 december 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten5 en ter uitvoering van de artikelen 156, § 2, 175 en 264 van het Provincie decreet van 9 december 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten5, door het besluit van 1 september 2006 van de Vlaamse Regering betreffende de inwerkingtreding van sommige bepalingen van het Gemeente decreet van 15 juli 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten4 en de vaststelling van de modellen van de akten inzake fractievorming en door het besluit van 1 september 2006 van de Vlaamse Regering betreffende de inwerkingtreding van sommige bepalingen van het Provincie decreet van 9 december 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten5 en de vaststelling van het model van de akte inzake fractievorming. Deze besluiten bepalen dat deze bepalingen voor de gemeente en het district enerzijds en de provincie anderzijds, respectievelijk in werking treden op 1 januari 2007 en 1 december 2006. Voor wat de openbare centra voor maatschappelijk welzijn aangaat treden de vernieuwde bepalingen, zoals gewijzigd door het decreet van 7 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten6 tot wijziging van de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, en door het decreet van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten7 tot wijziging van de wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking, van het gemeente decreet van 15 juli 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten4 en van het provincie decreet van 9 december 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten5, in werking vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn, hetzij vanaf 8 oktober 2006 voor wat de eretitels, het onderscheidingsteken en de ambtskledij betreft. TITEL I. - VASTSTELLING VAN DE WEDDEN VAN DE BURGEMEESTERS EN SCHEPENEN EN DE WIJZE VAN BETALING VAN DE WEDDEN VAN DE BURGEMEESTERS EN SCHEPENEN EN DE GEDEPUTEERDEN EN BEPALING VAN DE VOORWAARDEN EN DE MODALITEITEN VAN TOEKENNING VAN DE WEDDE VAN DE VOORZITTER EN DE ONDERVOORZITTER VAN HET OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN Deze titel strekt ertoe gedeeltelijk uitvoering te geven aan artikel 70, § 1, eerste lid van het Gemeentedecreet. Het genoemde artikel 70 in het Gemeentedecreet vervangt artikel 19, 20 en 20bis van de Nieuwe Gemeentewet, doch wat betreft de voorliggende problematiek vervangt het artikel slechts gedeeltelijk artikel 19. Tevens wordt uitvoering gegeven aan artikel 20 van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen, gelezen in samenhang met artikel 50, § 2, artikel 63, tweede lid en artikel 70 van het Gemeentedecreet en gelezen in samenhang met artikel 50, § 2 en artikel 68 van het Provinciedecreet. Tot slot wordt uitwerking gegeven aan artikel 38 van de organieke wet op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zoals gewijzigd door voornoemd decreet van 7 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten6. Dat artikel draagt de regering op om de voorwaarden en de modaliteiten van de toekenning van de wedde van de voorzitter en de ondervoorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te bepalen. Enerzijds belasten de bepalingen, die als wettelijke basis dienen voor deze titel, de Vlaamse Regering met het vaststellen van de wedde, inclusief de eindejaarstoelage en het vakantiegeld van burgemeesters en schepenen, behoudens die van de schepen van rechtswege. De wedde van de burgemeester wordt uitgedrukt als een percentage van de vergoeding van de leden van het Vlaamse Parlement en hierbij dient de Vlaamse Regering verplicht rekening te houden met het inwonersaantal. De wedde van de schepenen wordt vastgesteld op basis van die van de burgemeester. Anderzijds wordt de Vlaamse Regering belast met het bepalen van de wijze van betaling van die wedde. Zoals dat voorheen het geval was, wordt ook een regeling voorzien voor de vervanger van de uitvoerende gemeentelijke mandatarissen. Er wordt tevens een regeling uitgewerkt voor de vervanging in het geval van tijdelijke afwezigheden, voorzien door artikel 50, § 2 en artikel 63, tweede lid van het Gemeentedecreet. Het betreft andere afwezigheden dan die vermeld in artikel 70, § 1, tweede lid van het Gemeentedecreet. Ook voor de gedeputeerden wordt een regeling voorzien, in het geval van een tijdelijke afwezigheid van de mandataris, voorzien door artikel 50, § 2 van het Provinciedecreet. Overeenkomstig artikel 70 van het Gemeentedecreet dient de Vlaamse Regering tevens de gevallen te bepalen waarin de wedde van de burgemeester of schepenen kan worden verminderd op verzoek van de betrokkene en de gevallen waarin op verzoek van de betrokkene de wedde wordt aangevuld met een bedrag ter compensatie van het inkomensverlies dat de betrokkene zou lijden. Er wordt gekozen om deze uitvoeringsbevoegdheid in een aparte titel te behandelen, teneinde hiervoor een globale regeling uit te werken voor alle lokale en provinciale mandatarissen. Ter uitvoering van artikel 19 van de Nieuwe Gemeentewet werd het koninklijk besluit van 2 september 1976 tot vaststelling van de wedden van de burgemeesters en schepenen uitgevaardigd. Dit besluit werd ingevolge artikel 303, eerste lid, 7° van het Gemeentedecreet uitdrukkelijk opgeheven en de inwerkingtreding van deze bepaling die de opheffing voorschrijft, wordt bepaald door het besluit van 24 november 2006 van de Vlaamse Regering betreffende de inwerkingtreding van sommige bepalingen van het Gemeente decreet van 15 juli 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten4 en ter uitvoering van de artikelen 160, § 2 en 179 van het Gemeente decreet van 15 juli 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten4. Dit besluit bepaalt dat deze bepaling in werking treedt op 1 januari 2007. Ter uitvoering van artikel 38 van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn werd het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten8 betreffende de bezoldiging van de voorzitters en de presentiegelden van de leden van de raden voor maatschappelijk welzijn genomen. Een aantal regelingen in dat besluit hadden betrekking op artikel 39 van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, dat de Koning (lees : de Vlaamse Regering) belastte met het bepalen van de regelen voor de berekening van de wedde en de verdere uitkering van de wedde. Deze bepaling werd opgeheven door het decreet van 7 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten6 tot wijziging van de wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. HOOFDSTUK I. - Wedden van de burgemeesters en de schepenen Artikel 70 van het Gemeentedecreet bepaalt aldus dat de burgemeester en de schepenen, met uitzondering van de voorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, ten laste van de gemeente een wedde genieten, inclusief vakantiegeld en eindejaarspremie. In tegenstelling tot wat vandaag het geval is, wordt het salaris van de burgemeester niet langer uitgedrukt als een percentage van het salaris van de gemeentesecretaris, maar wel als een percentage van de vergoeding van de leden van het Vlaamse Parlement. De Vlaamse Regering houdt bij het vaststellen van de wedde rekening met het inwonersaantal. Het spreekt voor zich dat een burgemeester in een stad als Antwerpen of Gent een zwaardere verantwoordelijkheid draagt en meer tijd zal moeten besteden aan de uitoefening van zijn ambt dan een burgemeester in een gemeente met slechts duizend inwoners. Tevens wordt in dit besluit een juridisch afdoend antwoord verschaft op enkele problemen van wetgevingstechnische aard. Enerzijds wordt de vraag beantwoord wat er dient verstaan te worden onder « de wedde, inclusief vakantiegeld en eindejaarspremie » en anderzijds wordt er bepaald wat er dient te worden verstaan onder « vergoeding van de leden van het Vlaamse Parlement ». Het begrip « wedde » De tekst van het decreet is misleidend, waar het stelt dat « de burgemeester en de schepenen een wedde genieten, inclusief vakantiegeld en eindejaarspremie ». Men bedoelde met deze uitdrukking (inclusief) geenszins dat zij een wedde zouden genieten, waarin het vakantiegeld en de eindejaarspremie zouden zitten. Hiermee beoogde men het recht zelf in te schrijven in de tekst van het decreet. Tot op het moment van de goedkeuring van het Gemeentedecreet, en de inwerkingtreding ervan, was het recht op een vakantiegeld en een eindejaarspremie immers slechts verankerd in een besluit. Een indicatie dat de decreetgever nog steeds het vakantiegeld en de eindejaarspremie apart van de eigenlijke basiswedde, berekend als een percentage van de vergoeding van de leden van het Vlaamse Parlement, wenste te behouden, is te vinden in de algemene toelichting van het Gemeentedecreet, bepaald onder artikel 2.2.7. Er staat vermeld dat in tegenstelling tot wat vandaag het geval is, wordt dat salaris niet langer uitgedrukt als een percentage van het salaris van de gemeentesecretaris, maar wel van de vergoeding van de leden van het Vlaamse Parlement'. Op heden heeft men een wedde, een vakantiegeld en een eindejaarspremie. En de wedde of het salaris, zo men wil, wordt anders vastgesteld. Het vakantiegeld en de eindejaarspremie, daar verandert in wezen niets aan, zo stelt de decreetgever impliciet. Bovendien werd artikel 19, § 1bis van de Nieuwe Gemeentewet niet opgeheven. Dit artikel bepaalt : « Het vakantiegeld en de eindejaarspremie worden door de Koning vastgesteld ». De uitvoeringsbesluiten genomen in uitvoering van artikel 19, § 1bis van de Nieuwe Gemeentewet, met name het koninklijk besluit van 16 november 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten0 tot vaststelling van het vakantiegeld en de eindejaarspremie van de burgemeesters en schepenen en het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten9 tot vaststelling van het vakantiegeld van de burgemeester en schepenen, werden evenmin opgeheven. Deze niet opheffing zou geen zin hebben moest het zo zijn dat het vakantiegeld en de eindejaarspremie in de wedde zouden zitten. Tot slot stelde de Raad van State al eerder dat de Koning niet gemachtigd is om te bepalen of dit vakantiegeld en de eindejaarspremie, voor de toepassing van andere wetsbepalingen (bv. het verschuldigd zijn van sociale zekerheidsbijdragen op die wedde), moet worden beschouwd als een bezoldiging. Er wordt aldus aangenomen dat de mandatarissen een wedde ontvangen, een vakantiegeld en een eindejaarstoelage. De wedde die de Vlaamse Regering bij huidig besluit vaststelt, is dan de wedde zonder het vakantiegeld en de eindejaarstoelage. Het vakantiegeld en de eindejaarstoelage worden berekend op basis van die wedde, in uitvoering van artikel 70 van het Gemeentedecreet en artikel 19, § 1bis van de Nieuwe Gemeentewet. Voor deze aangelegenheden wordt een aparte titel voorzien. Het begrip « vergoeding » De wedde wordt uitgedrukt als een percentage van de vergoeding van de leden van het Vlaamse Parlement, zo stelt artikel 70 van het Gemeentedecreet. De vergoeding van de leden van het Vlaamse Parlement wordt bepaald overeenkomstig artikel 31ter, § 1 van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen, en komt overeen met de wedde van een staatsraad bij de Raad van State. De decreetgever bedoelde als « vergoeding van de leden van het Vlaamse Parlement » de parlementaire vergoeding sensu lato : de geïndexeerde belastbare basisvergoeding, verhoogd met de forfaitaire onkostenvergoeding, de eindejaarspremie en het vakantiegeld. Eveneens is het dezelfde term die gebruikt wordt om de bedragen van de cumulregeling te berekenen, vermeld in artikel 70, § 4 van het Gemeentedecreet. Daar wordt dit begrip 'vergoeding' ook in zijn ruime betekenis opgevat. Een en ander is een gevolg van een vergelijkbare bepaling die ingeschreven staat in de wet van 6 augustus 1931Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/08/1931 pub. 22/02/2001 numac 2001000150 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende de vaststelling van onverenigbaarheden en ontzeggingen betreffende de ministers, gewezen ministers en ministers van Staat, alsmede de leden en gewezen leden van de Wetgevende Kamers. - Duitse vertaling sluiten houdende vaststelling van de onverenigbaarheden en ontzeggingen betreffende de ministers, gewezen ministers en ministers van staat, alsmede de leden en gewezen leden van de wetgevende kamers. Artikel 1quinquies van die wet bepaalt een vergelijkbare bepaling als artikel 70, § 4 van het Gemeentedecreet en heeft overigens betrekking op de cumulatie van een lokaal politiek mandaat met een parlementair mandaat. De voorzitters van de parlementaire vergaderingen hebben tijdens hun conferentie van 19 januari 2001 beslist dat de « vergoeding » moet begrepen worden als « de belastbare basisvergoeding, de forfaitaire kostenvergoeding en de eindejaarspremie en het vakantiegeld ». Deze interpretatie van het begrip vergoeding wordt ook hernomen in dit verband. De belastbare basisvergoeding, zoals ze begrepen dient te worden voor dit besluit, bedraagt, aan 100 %, 53.508,23 euro per jaar (sinds 1 november 1993). Zij is gekoppeld aan de index van de consumptieprijzen, zoals toegepast voor de bezoldigingen van de rijksambtenaren. Concreet betekent dit dat de vergoeding thans 74.923,06 euro bedraagt op jaarbasis (men moet de basisbedragen thans met 1,4002 vermenigvuldigen). De forfaitaire kostenvergoeding (de forfaitaire terugbetaling van kosten) is vastgelegd op 28 % van het brutobedrag van de parlementaire vergoeding, vóór alle lasten en kosten verbonden aan de uitoefening van een parlementair mandaat. Zij bedraagt 20.978,46 euro per jaar. De leden van het Vlaams Parlement krijgen een jaarlijks vakantiegeld en een eindejaarstoelage, vastgesteld volgens de regeling inzake sociale programmatie voor het rijkspersoneel. Het jaarlijks vakantiegeld bedraagt aldus 92 % van een maandelijkse parlementaire vergoeding. Voor 2006 bedraagt het 5631,70 euro (huidige index). De eindejaarstoelage bestaat uit een vast gedeelte (voor 2006 311,96 euro) en een variabel gedeelte van 2,5 % van de parlementaire vergoeding op jaarbasis (voor 2006 1836,42 euro), dus in totaal voor 2006 2148,38 euro. De « vergoeding van de leden van het Vlaams parlement » bedraagt thans 103.681,6 euro. De wedde van deze mandatarissen is aldus automatisch gekoppeld aan de index gezien het hier gaat over de koppeling van deze wedde aan de vergoeding, die reeds rechtstreeks of onrechtstreeks aan de index werd aangepast. Het bedrag, verkregen door het percentage toe te passen, zal dan mee aangepast zijn aan de index overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/1971 pub. 20/02/2009 numac 2009000070 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten. De wedde van de schepenen Artikel 70 van het Gemeentedecreet bepaalt tevens dat de wedde van de schepen wordt vastgesteld op basis van de wedde van de burgemeester. Het komt aan de Vlaamse Regering toe om ook deze wedde vast te stellen. Vroeger bedroeg de schepenwedde 60 procent van de wedde van de burgemeester als het aantal inwoners van de gemeente kleiner of gelijk was aan 50.000 inwoners. Indien het inwonersaantal van de gemeente groter was, bedroeg de wedde van de schepenen 75 % van die van de burgemeester. In het besluit wordt aangegeven dat dezelfde percentages als vroeger worden voorzien, gelet dat de wedden van de burgemeesters ongewijzigd blijven. De regering acht het immers niet wenselijk een weddenverhoging te voorzien voor de mandatarissen. Dit heeft tot gevolg dat het bevolkingsaantal, zoals voorheen, op 2 wijzen de berekening van hun wedde beïnvloedt. Enerzijds omdat de wedde van de burgemeesters reeds wordt berekend op basis van het aantal inwoners en anderzijds omdat voor de wedde van de schepenen nog eens rekening wordt gehouden met het aantal inwoners. Bijzonderheden Volledigheidshalve kan worden gesteld dat het oude artikel 19, § 1, tweede lid van de Nieuwe Gemeentewet niet werd hernomen in het Gemeentedecreet. Dit artikel bepaalde : « De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit de wedden van de burgemeesters (indirect dus van de schepenen) van de gemeenten tot 80.000 inwoners verhogen, met een maximum van 120 %. Tot slot, het salaris van de voorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, ook in het geval die schepen van rechtswege is, wordt geregeld door de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Het is immers het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat instaat voor de betaling van dit salaris. Het is niet de bedoeling om de voorzitter van het openbaar centrum bijkomend te vergoeden vanuit de gemeente. Rekening houden met het inwonersaantal Het bevolkingsaantal dat in aanmerking wordt genomen, is datgene dat verkregen wordt met toepassing van artikel 5, § 3 van het Gemeentedecreet. Dit artikel bepaalt dat het in aanmerking te nemen inwonersaantal, het aantal personen is dat ingeschreven is in het rijksregister van de natuurlijke personen die op 1 januari van het jaar van de gemeenteraadsverkiezingen hun hoofdverblijfplaats in de desbetreffende gemeente hadden. In tegenstelling tot artikel 5, tweede lid van de Nieuwe Gemeentewet, waar men stelde dat het bevolkingscijfer eveneens van toepassing was voor de rangschikking vermeld in o.m. artikel 19, § 1 van de Nieuwe Gemeentewet, is zulke verwijzing niet meer opgenomen in de tekst van artikel 5 van het Gemeentedecreet. Artikel 5 van de Nieuwe Gemeentewet werd, wat dit aspect betreft, uitdrukkelijk opgeheven. Het wordt toch wenselijk geacht om deze bevolkingsaantallen te hanteren voor de toepassing van de weddenbepaling. Zij worden immers tevens gebruikt als basis voor het aantal te verkiezen mandatarissen. HOOFDSTUK II. - Wedden in overgangsregeling van de burgemeesters en de schepenen en de voorzitter van het centrum voor maatschappelijk welzijn Verhogingen ingevolge de klassenverheffingen van de wedden zijn niet meer mogelijk. De wetgever heeft het niet wenselijk geacht om dat systeem te behouden. Behoudens de toepassing van de verhogingen n.a.v. de index blijven de wedden van de mandatarissen gedurende zes jaar constant. De categorieën, voorzien door artikel 28 van de Nieuwe Gemeentewet, werden tevens behouden om dezelfde wedde als vroeger te bekomen. Indien men voor de invulling van het begrip 'inwonersaantal' slechts de bevolkingscijfers hanteert zoals bepaald door artikel 5 van het Gemeentedecreet, zullen een aantal mandatarissen minder wedde genieten. Het betreft die mandatarissen van gemeenten, die tot nog toe ingevolge een klasseverhoging bij een hogere klasse werden ingedeeld. In dat opzicht wordt een overgangsregeling voorzien waarbij die mandatarissen de wedde, die op dit moment wordt voorzien, mogen behouden gedurende de eerstvolgende legislatuur. Het is van belang te vermelden dat zij recht hebben op de wedde zoals de mandataris die dat ambt uitoefende dat op datum van 31 december 2006 genoot, doch evenwel zonder de eventuele indexaties die er in de toekomst normalerwijze zouden worden op toegepast. Niet alleen is deze overgangsregeling geldig voor de zittende mandatarissen doch tevens voor de mandatarissen die nieuw verkozen worden tot dat ambt. Gelet op het feit dat de regeling van de wedde mutatis mutandis ook geldt voor de voorzitters van het centrum voor maatschappelijk welzijn, geldt de overgangsregeling ook voor deze mandatarissen. Zij behouden die wedde tot de wedde ingevolge de toepassing van de vernieuwde regelgeving hoger zal zijn, rekening houdend met de indexatie die op die wedde wordt toegepast. HOOFDSTUK III. - Wijze van betaling van de wedden van de burgemeesters en schepenen en de gedeputeerden Artikel 70, § 1 herneemt het oude artikel 19, § 1, zesde lid van de Nieuwe Gemeentewet en stelt dat de Vlaamse Regering de wijze van betaling bepaalt. Het koninklijk besluit van 2 september 1976 tot vaststelling van de wedden van de burgemeesters en schepenen, en meer bepaald artikel 6, voerde die bepaling uit. Dit besluit werd door het Gemeentedecreet uitdrukkelijk opgeheven, doch werd het wenselijk geacht om de inhoud van de bestaande bepalingen te behouden. Er kan worden opgemerkt dat de wedde slechts is verschuldigd vanaf de dag waarop de mandataris de uitoefening van zijn ambt werkelijk aanvat. Dit is voor alle mandatarissen vanaf hun installatie. Er wordt in dit verband tegemoet gekomen aan een leemte in het juridisch kader en meer bepaald een leemte aangaande de regeling van de wedde ingeval de mandataris vervangen wordt in de gevallen, zoals bedoeld in artikel 50, § 2 en artikel 63, tweede lid van het Gemeentedecreet en in artikel 50, § 2 van het Provinciedecreet. Het betreft de gevallen van tijdelijke afwezigheid buiten de gevallen van verhindering of schorsing of afzetting van artikel 48, 61 en 71 van het Gemeentedecreet en artikel 48 en 69 van het Provinciedecreet. Voor deze laatste gevallen is een regeling voorzien in het Gemeente- en het Provinciedecreet. Hierbij wordt uniformiteit betracht met de regeling die voorzien is door artikel 39 van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten voor de voorzitters van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. HOOFDSTUK IV. - Voorwaarden en modaliteiten van toekenning van de wedde van de voorzitter en de ondervoorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, en van hun vervangers Er wordt voor de uitvoering van de bepalingen van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten aanvaard dat onder de voorzitter of de ondervoorzitter tevens de vervanger wordt verstaan, zodat de Vlaamse Regering gerechtigd is ook voor deze personen de voorwaarden en de modaliteiten van toekenning van de wedde te bepalen. Overigens heeft de Vlaamse Regering krachtens artikel 20 van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming van de instellingen de bevoegdheid om de decreten uit te voeren en meer in het bijzonder de artikelen 38 en 39 van de organieke wet van 8 juli 197 6. De bestaande regelingen uit het besluit van 22 september 1998 worden hierbij vervangen als volgt. Artikel 1 van het besluit van 22 september 1998 betreft het toepassingsgebied en hoeft niet te worden herhaald. Dit blijkt voldoende uit het besluit. Artikel 2 van dat besluit wordt overgenomen doch aangepast aan het nieuwe gecreëerde ambt van ondervoorzitter. Artikel 3 van dat besluit is vanzelfsprekend overbodig, gezien het hernomen werd in de tekst van het decreet. Artikel 4 van dat besluit is strijdig met de bepalingen van het decreet en wordt daarom niet hernomen. De artikelen 5 en 6 van dat besluit worden inhoudelijk hernomen en aangepast aan de nieuwe functie van de ondervoorzitter. De artikelen 9 tot 11 van dat besluit betreffen slotbepalingen en kunnen eenvoudig worden opgeheven. TITEL II. - BEPALING VAN DE WEDDE VAN DE VOORZITTERS EN DE LEDEN VAN HET DISTRICTSCOLLEGE EN DE WIJZE VAN BETALING VAN HUN WEDDE Deze titel strekt ertoe uitvoering te geven aan artikel 274, § 5 van het Gemeentedecreet. Het genoemde artikel in het Gemeentedecreet herneemt inhoudelijk grotendeels artikel 332, § 4 van de Nieuwe Gemeentewet. Dit artikel 274, § 5 verwijst o.m. naar artikel 70 van het Gemeentedecreet, dat de bepaling van de wedde van de burgemeester en de schepenen bevat. De bepalingen die aldus als wettelijke basis dienen voor deze titel, belasten de Vlaamse Regering met het bepalen van de wedde en de wijze van betaling van de wedde van de uitvoerende mandatarissen van de districten. De bepalingen belasten de Vlaamse Regering eveneens tot het bepalen van de gevallen waarin de wedde kan worden verminderd op verzoek van betrokkene of de gevallen waarin, op verzoek van de betrokkene de wedde wordt aangevuld met een bedrag ter compensatie van inkomensverlies dat de betrokkene zou lijden, doch voor deze aangelegenheden werd gekozen om dit gezamenlijk in één titel voor alle mandatarissen van alle betrokken besturen te behandelen. In uitvoering van artikel 332, § 4 van de Nieuwe Gemeentewet was deze regeling voorheen vervat in het koninklijk besluit van 24 november 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten1 tot bepaling van de wedde van de voorzitters en de leden van het bureau van de districtsraden. Tot op heden werd voor de uitvoerende mandatarissen van de districten bovendien geen uitvoering gegeven omtrent de wijze van betaling van de wedde. Dit wordt thans wel bepaald. Er kan worden opgemerkt dat de benaming van de districtsmandatarissen wijzigde. Waar men vroeger sprak over « voorzitters van de districtsraden » zijn dit thans « de voorzitters van het districtscollege ». Dit is niet zonder belang. Met de invoering van de figuur van de voorzitter van de gemeenteraad introduceerde men een analoge figuur in de districten. Overeenkomstig artikel 274, § 3 van het Gemeentedecreet kan de districtsraad immers beslissen dat de voorzitter van de districtsraad geen deel uitmaakt van het districtscollege en het college niet voorzit. In dat geval kiest het districtscollege in zijn midden een afzonderlijke voorzitter van het districtscollege en is er met andere woorden een ontdubbeling van de functie van voorzitter van de raad en het college. Waar men vroeger sprak over « de leden van het bureau van de districtsraden » spreekt men thans over de « leden van het districtscollege ». De wedde van de voorzitter van het districtscollege Artikel 70 van het Gemeentedecreet wordt louter van overeenkomstige toepassing verklaard op de voorzitter van het districtscollege, hetgeen tot gevolg heeft dat de Vlaamse Regering de wedde dient te bepalen op een identieke wijze als voor de burgemeesters. Concreet betekent dit dat de voorzitters van het districtscollege een wedde genieten, inclusief vakantiegeld en eindejaarstoelage. Die wedde wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering, waarbij de regering rekening moet houden met het inwonersaantal van het district. Zij wordt tevens vastgesteld als een percentage van de vergoeding van de leden van het Vlaamse Parlement. Voorheen was voor deze mandatarissen bepaald dat hun wedde werd vastgesteld door de Vlaamse Regering en dat hierbij kon rekening worden gehouden met de bevoegdheden en het aantal inwoners. In het uitvoeringsbesluit dat genomen werd, werden trouwens door de regering slechts minimum- en maximumgrenzen vastgelegd en werd aan de gemeenteraad de bevoegdheid gedelegeerd om de wedde te bepalen. Wat de voorzitters van de districtscolleges betreft, stelt het besluit voor om minimaal 10 % en maximaal 50 % van de wedde zoals bepaald in artikel 1 van dit besluit, die aan de burgemeester van een gemeente wordt verleend, waarvan het bevolkingsaantal overeenstemt met dat van het district, toe te kennen. Tot op heden is die wedde immers vastgesteld op 50 % van de wedde van een burgemeester van een gemeente waarvan het bevolkingsgetal overeenstemt met dat van het district. Niettegenstaande dat de tekst van het decreet stelt dat de wedde wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering, wordt er aldus in het voorgestelde besluit een delegatie gegeven aan de gemeenteraad wat de vaststelling van de wedde van de voorzitter van het districtscollege betreft, zoals dat in het vervangen koninklijk besluit het geval was. Die overdracht van bevoegdheid is gewettigd. De essentiële elementen van de regeling worden immers bepaald door de Vlaamse Regering, aangezien het besluit enerzijds de minimum- en de maximumgrenzen aangeeft en anderzijds de gemeente (de stad Antwerpen) verplicht wordt rekening te houden met de reële omvang van de bevoegdheden. De omvang van de bevoegdheden van dit bestuursorgaan kan niet op eenduidige wijze worden bepaald door de Vlaamse Regering aangezien het bevoegde gemeentelijk bestuursorgaan (de burgemeester) deze overdracht van bevoegdheden kan doen evolueren. Gelet op de voorwaarden gesteld in verband met de overdracht van bevoegdheid, is een zodanige overdracht aanvaardbaar. Ze ontleent haar rechtsgrond aan artikel 2 van het Gemeentedecreet dat « de gemeenten de bevoegdheden uitoefenen die hen door of krachtens de wet of het decreet worden toevertrouwd ». Dat de gemeenteraad het orgaan binnen de gemeente is dat deze bevoegdheid uitoefent op gemeentelijk vlak volgt uit artikel 42 van het Gemeentedecreet naar luid waarvan de raad beschikt over « de volheid van bevoegdheid ten aanzien van de aangelegenheden, bepaald in artikel 2 ». De wedde van de leden van het districtscollege Artikel 70 werd van overeenkomstige toepassing verklaard op de leden van het districtscollege maar er werd, zoals vroeger, bepaald dat de Vlaamse Regering hun wedde bepaalt, waarbij de regering kan rekening houden met het inwonersaantal en met de omvang van de toegewezen bevoegdheden. Dit is een identieke bepaling als in de Nieuwe Gemeentewet. Het Gemeentedecreet laat op dit punt eenzelfde regeling toe als voorheen. Het blijft aangewezen in een algemeen besluit de minimum- en maximumbedragen van de wedden van de leden van de districtscolleges te bepalen. Niettegenstaande dat de tekst van het decreet stelt dat de wedde wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering, wordt er in dit besluit een delegatie gegeven aan de gemeenteraad wat de vaststelling van de wedde van de leden van het districtscollege betreft, zoals dat in het vervangen koninklijk besluit het geval was. Met toepassing van artikel 282 van het Gemeentedecreet kan het college van burgemeester en schepenen bevoegdheden van gemeentelijk belang, waarover zij beschikt, overdragen aan de districtscolleges. De aan deze organen opgedragen bevoegdheden zouden, zoals onder de voorgaande regeling, evenwel kunnen verschillen van gemeente tot gemeente, waar er districtsraden mogen worden opgericht. Derhalve blijft het aangewezen in een algemeen besluit slechts de minimum- en maximumbedragen van de wedden van de leden van de districtscolleges te bepalen. In het decreet worden deze bedragen in eerste instantie gerelateerd aan het bevolkingsaantal. De tweede parameter, namelijk de omvang van de bevoegdheden, kan niet op eenduidige wijze worden bepaald door de Vlaamse Regering. Immers, het college van burgemeester en schepenen kan deze overdracht doen evolueren. In het uitvoeringsbesluit van de desbetreffende bepalingen in de Nieuwe Gemeentewet werd ervan uitgegaan dat de overdracht niet minder dan 10 % van het totale bevoegdheidspakket van de gemeente zal bedragen doch anderzijds de 50 % hiervan niet zou overschrijden. In het licht van het behoud van het normatief kader is het wenselijk om de percentages (de minimum- en de maximumgrenzen) te behouden wat de leden van de districtscolleges betreft. Het is het gemeentelijke orgaan dat dient te evalueren hoeveel van het takenpakket wordt overgedragen aan de districten. Zoals voorheen het geval was, dienen de bevoegdheden overeenkomstig artikel 282, § 6 van het Gemeentedecreet, voor alle districten dezelfde te zijn. De districten dienen immers op een gelijke wijze behandeld te worden. Het ontworpen besluit bepaalt voor de leden van het districtscollege niet zelf die wedden, doch stelt minimum- en maximumgrenzen vast en draagt aan de gemeenteraad de bevoegdheid over om binnen die grenzen de bedragen vast te leggen, "waarbij hij rekening houdt met de reële omvang van de bevoegdheden die aan de districtsraden worden toegewezen". Het bestaande besluit wordt in dat opzicht onverkort van toepassing gelaten. Niettegenstaande dat de tekst van het decreet stelt dat de wedde wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering, wordt er aldus in het voorgestelde besluit een delegatie gegeven aan de gemeenteraad wat de vaststelling van de wedde van de leden van het districtscollege betreft, zoals dat in het vervangen koninklijk besluit het geval was. Die overdracht van bevoegdheid is gewettigd doordat het decreet voorschrijft dat onder meer rekening kan worden gehouden met de omvang van de bevoegdheden toegekend aan de districten en de omvang ervan afhangt van de beslissingen genomen door de gemeentelijke overheid, overeenkomstig artikel 282 van het Gemeentedecreet. De essentiële elementen van de regeling worden aldus bepaald door de Vlaamse Regering. Gelet op de voorwaarden gesteld in verband met de overdracht van bevoegdheid, is een zodanige overdracht aanvaardbaar. Ze ontleent haar rechtsgrond aan artikel 2 van het Gemeentedecreet dat « de gemeenten de bevoegdheden uitoefenen die hen door of krachtens de wet of het decreet worden toevertrouwd ». Dat de gemeenteraad het orgaan binnen de gemeente is dat deze bevoegdheid uitoefent op gemeentelijk vlak volgt uit artikel 42 van het Gemeentedecreet naar luid waarvan de raad beschikt over « de volheid van bevoegdheid ten aanzien van de aangelegenheden, bepaald in artikel 2 ». Derhalve wordt in het besluit voorgesteld bij de vaststelling van deze wedden, rekening te houden met het volgende : - de wedde van de voorzitter van het districtscollege bedraagt minimaal 10 % en maximaal 50 % van de wedde zoals bepaald in artikel 1 van dit besluit, die aan de burgemeester van een gemeente waarvan het bevolkingsaantal overeenstemt met dat van het district wordt toegekend (artikel 8); - de wedde van de leden van het districtscollege bedraagt minimaal 10 % en maximaal 50 % van de wedde van een schepen van een gemeente waarvan het bevolkingsaantal overeenstemt met dat van het district (artikel 9). De gemeenteraad, en niet de districtsraad, stelt, in overeenstemming met de overgedragen bevoegdheden, het percentage vast. Het vakantiegeld en de eindejaarspremie van deze mandatarissen wordt hierna in een afzonderlijke titel (hierin wordt ook uitvoering gegeven wat de gemeentelijke uitvoerende mandatarissen betreft) geregeld. Aangaande de wijze van betaling van de wedden wordt de regeling, zoals die van toepassing is op de burgemeester en schepenen van de gemeente, van overeenkomstige toepassing verklaard. TITEL III. - VASTSTELLING VAN HET VAKANTIEGELD EN DE EINDEJAARSPREMIE VAN DE BURGEMEESTERS EN SCHEPENEN, DE VOORZITTERS EN DE LEDEN VAN HET DISTRICTSCOLLEGE, ALSOOK DE VASTSTELLING VAN DE VOORWAARDEN EN DE MODALITEITEN VAN DE TOEKENNING VAN HET VAKANTIEGELD EN DE EINDEJAARSPREMIE AAN DE VOORZITTERS EN DE ONDERVOORZITTERS VAN HET OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN Deze titel strekt ertoe uitvoering te geven aan artikel 70, § 1, eerste lid en aan artikel 274, § 5 van het Gemeentedecreet en aan artikel 38 van de wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Deze artikelen dragen de Vlaamse Regering o.m. op om het vakantiegeld en de eindejaarspremie van de uitvoerende mandatarissen van de gemeente en het district vast te stellen en, wat de openbare centra voor maatschappelijk welzijn betreft, tot het vaststellen van de voorwaarden en de modaliteiten van de toekenning van het vakantiegeld en de eindejaarspremie van haar uitvoerende mandatarissen. In artikel 70, wat betreft de gemeentelijke mandatarissen, en artikel 274, § 5, wat betreft de districtsmandatarissen, van het Gemeentedecreet werd een recht op vakantiegeld en eindejaarspremie ingeschreven, een recht dat aldus decretaal verankerd is. Voor wat betreft de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, bestond er al een decretaal verankerd recht in artikel 38 van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. In uitvoering van artikel 38, voornoemd, werd in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten8 betreffende de bezoldiging van de voorzitters en de presentiegelden van de leden van de raden voor maatschappelijk welzijn gesteld dat « de bezoldigingsregeling van de voorzitters dezelfde is als die van de schepen van de gemeente waar het openbaar centrum zijn zetel heeft ». Thans wordt in artikel 38 van de organieke wet gesteld dat het vakantiegeld of de eindejaarspremie, van de voorzitter dezelfde is dan die van de schepen van de gemeente. Het vakantiegeld of de eindejaarspremie van een ondervoorzitter is gelijk aan het vakantiegeld of de eindejaarspremie van de voorzitter, vermenigvuldigd met het vakantiegeld of de eindejaarspremie van een schepen van de gemeente waar de zetel van het openbaar centrum gevestigd is en gedeeld door het vakantiegeld of de eindejaarspremie van de burgemeester van de gemeente waar de zetel van het openbaar centrum is gevestigd. Voor deze mandatarissen dienen deze uitkeringen niet te worden vastgesteld. De Vlaamse Regering dient hiervoor alleen de voorwaarden en de modaliteiten van toekenning te bepalen. Door de verwijzing naar de regelgeving die geldt voor de personeelsleden van de betreffende gemeenten zijn verdere uitvoeringsbepalingen overbodig. Deze regeling was, voor wat betreft de burgemeester en de schepenen, voorheen vervat in het besluit van 30 april 2004 van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het vakantiegeld van de burgemeesters en schepenen en in het koninklijk besluit van 16 november 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten0 tot vaststelling van het vakantiegeld en de eindejaarstoelage van de burgemeesters en schepenen. Voor de districten bestond er geen uitvoeringsbesluit. Voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn bestond er het artikel 3 van het genoemde besluit van 22 september 1998, dat stelde dat de bezoldigingsregeling dezelfde is dan die van de schepen van de gemeente. De genoemde besluiten van 30 april 2004 en 16 november 2000 werden niet uitdrukkelijk opgeheven door de organieke decreten, maar het werd wenselijk geacht om deze besluiten op te heffen en de regeling te hernemen in één besluit en wel in deze titel, omwille van vereenvoudiging en overzichtelijkheid van de teksten. Het toepassingsgebied ervan werd tevens uitgebreid naar de districten en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Het artikel 3 van genoemd besluit van 22 september 1998 werd impliciet opgeheven door de wijzigingen in het decreet van 7 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten6 tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Het werd evenwel verkieslijk geacht deze bepaling uitdrukkelijk op te heffen. Wat betreft de wijze van berekening werd het volgende verkozen : a) voor het vakantiegeld wordt de regeling, vervat in het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten9 tot vaststelling van het vakantiegeld van de burgemeesters en de schepenen, inhoudelijk overgenomen, en wordt de regeling van overeenkomstige toepassing gemaakt die geldt voor het gemeentepersoneel.b) voor de eindejaarspremie wordt de regeling, vervat in het koninklijk besluit van 16 november 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten0 tot vaststelling van het vakantiegeld en de eindejaarspremie van de burgemeesters en de schepenen, gewijzigd.Voorheen werd in dat besluit verwezen naar het koninklijk besluit van 23 oktober 1979 houdende de toekenning van een eindejaarstoelage aan sommige titularissen van een ambt bezoldigd ten laste van de Schatkist. Deze regeling is niet meer actueel, ingevolge de regionalisering van de organieke regelgeving van de gemeenten, in die zin dat het ook hiervoor thans wenselijk wordt geacht de regeling die geldt voor het gemeentepersoneel van overeenkomstige toepassing te maken. In de tekst van het besluit werd het wenselijk geacht om er blijvend van uit te gaan dat elke mandataris voltijds presteert als mandataris. Volledige prestaties' behelzen de prestaties waarvan de uurregeling een normale beroepsactiviteit volkomen in beslag neemt. TITEL IV. - VASTSTELLING VAN DE LIJST VAN VERGADERINGEN DIE VOORTVLOEIEN UIT DE MANDAATVERPLICHTINGEN VAN DE GEMEENTERAADSLEDEN, DE DISTRICTSRAADSLEDEN, DE PROVINCIERAADSLEDEN ALSOOK DE VASTSTELLING VAN DE VOORWAARDEN EN MODALITEITEN VAN TOEKENNING VAN DE PRESENTIEGELDEN AAN DE LEDEN VAN DE RADEN VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN EN DE BEPALING VAN DE MINIMUM- EN MAXIMUMGRENZEN VAN HET PRESENTIEGELD VAN DEZE MANDATARISSEN Deze titel strekt ertoe ten dele uitvoering te geven aan de artikelen 17, § 1 en 2, eerste lid en aan 273, § 3, eerste lid van het Gemeentedecreet, aan artikel 17, § 1 en § 2, eerste lid van het Provinciedecreet, alsmede aan artikel 38, zevende lid van de wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Tevens wordt uitvoering gegeven aan artikel 20 van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen, gelezen in samenhang met artikel 70, § 3 van het Gemeentedecreet. Een onderscheid dient gemaakt te worden tussen enerzijds de gemeenten, de districten en de provincies en anderzijds de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. A. Voor wat betreft de gemeente, de provincie en de districten (de artikelen aangaande de gemeente werden van overeenkomstige toepassing verklaard op de districten) wordt bepaald dat de regering een lijst opstelt van vergaderingen die voortvloeien uit de mandaatverplichtingen van de raadsleden. Tevens wordt voor deze besturen bepaald dat de regering de grenzen vastlegt van de presentiegelden. Voor de gemeente- en districtsraadsleden wordt bovendien gesteld dat de regering daarbij rekening kan houden met het inwonersaantal. Voor de provincie werd niets bepaald omtrent de mogelijkheid om rekening te houden met het inwoneraantal. In het besluit wordt voor die laatste rechtspersoon dan ook geen onderscheid gemaakt naar gelang het aantal inwoners. Voor de provincies dient de regering tevens een lijst van vergaderingen op te stellen waarvoor de grootorde van de verplaatsingsvergoeding kan worden vastgesteld door de provincieraad. Voorheen waren hieromtrent geen uitvoeringsbesluiten, aangezien de problematiek allesomvattend was geregeld in de Nieuwe Gemeentewet, respectievelijk de Provinciewet. Voor de gemeenteraadsleden was er een recht op presentiegeld voor de vergaderingen van de gemeenteraad, de commissies en de afdelingen. Het bedrag werd bepaald door de gemeenteraad, evenwel met een minimum van 37,18 euro en een maximum, dat werd gesteld op het bedrag dat de provincieraadsleden ontvangen, hetzij thans 171,2 euro. Voor de districtsraadsleden was eenzelfde regeling van toepassing, overeenkomstig artikel 331, § 3 van de Nieuwe Gemeentewet. Voor de provincieraadsleden was het presentiegeld gekoppeld was aan dat van de bestuursassistenten (het hoogste bedrag van de weddeschaal) in dienst bij de federale overheid en het betrof een vast bepaald bedrag. Dit bedrag bedraagt 171,2 euro. Het presentiegeld, vermeld in de artikelen 17, § 1 en 273, § 3 van het Gemeentedecreet en in artikel 17, § 1 van het Provinciedecreet bedraagt minimaal 28, 57 euro en maximaal 124, 98 euro . De bedragen voorzien in het besluit worden gekoppeld aan de spilindex 138, 01. Concreet houdt dit in dat de minima- en maximagrenzen op datum van inwerkingtreding van dit besluit respectievelijk 40 euro en 175 euro bedragen (men moet de basisbedragen thans met 1,4002 vermenigvuldigen). In het Gemeentedecreet en het Provinciedecreet werd het recht op presentiegeld enkel behouden voor de vergaderingen van de raden, en voor de vergaderingen voorkomend op de lijst van de Vlaamse Regering. In het huidige besluit worden een aantal vergaderingen limitatief opgesomd in een lijst. Er werd gekozen om de vergaderingen, waarvoor tot nog toe presentiegeld werd verleend, op te nemen op de lijst. Het is bovendien niet de bedoeling de lokale besturen op te zadelen met bijkomende kosten, zodat er geen vergaderingen worden opgenomen op de lijst waarvoor thans geen presentiegeld wordt verleend. De gemeenten, districten en provincies kunnen vervolgens vrij bepalen of zij al dan niet presentiegelden verlenen voor de op deze lijst voorkomende vergaderingen. De provincieraden hebben, ingevolge artikel 40 van het Provinciedecreet, ook die vrijheid om te beslissen voor welke vergaderingen een presentiegeld wordt verleend. Aan de gemeenten en provincies wordt de mogelijkheid geboden om, zo stellen de memories van toelichting bij de decreten, rekening te houden met het aantal en de complexiteit van de te behandelen onderwerpen en ermee samenhangende voorbereidingstijd voor de raadsleden, een verantwoorde vergoeding vast te stellen. De gemeenten, districten en provincies zijn niet verplicht dit presentiegeld uniform vast te stellen. Zo lijkt het logisch dat het presentiegeld voor de voorzitter hoger kan liggen dan dat voor de overige raadsleden. In dat opzicht wordt de mogelijkheid van maximaal een dubbel presentiegeld voorzien voor de voorzitters van de desbetreffende raden. De besturen kunnen ook een differentiatie inbouwen naargelang de aard van de vergadering, de duur en de complexiteit alsmede het opvragen en raadplegen van de dossiers door de raadsleden. Zij kunnen ook rekening houden met het al dan niet volledig deelnemen aan de zitting. De mogelijkheid van maximaal een dubbel presentiegeld wordt tevens voorzien voor de leden van het bureau van de provincieraad, beperkt tot maximaal 15 leden, waarvan alle fractieleiders. Er kan worden opgemerkt dat artikel 15, § 7 van het besluit geen afbreuk doet aan de toepassing van artikel 40, eerste lid, 9° van het Provincie decreet van 9 december 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten5, dat stelt dat het huishoudelijk reglement de samenstelling van het bureau regelt. B. Voor wat betreft de openbare centra voor maatschappelijk welzijn stelt -en stelde- de organieke wet enkel dat de Vlaamse Regering de voorwaarden en de modaliteiten vaststelt van toekenning van het presentiegeld aan deze raadsleden. Het zevende lid van artikel 38 van de organieke wet stelt dat hun presentiegeld hetzelfde is als dat van de raadsleden van de gemeente, waar de zetel van het centrum is gevestigd. De uitvoering van deze regeling is vervat in de artikelen 2, 7 en 8 van het besluit van 22 september 1998 van de Vlaamse Regering betreffende de bezoldiging van de voorzitters en de presentiegelden van de leden van de raden voor maatschappelijk welzijn. Artikel 2, eerste lid bevat een cumulbepaling en met name wordt er gesteld dat « Buiten een bezoldiging, een presentiegeld, de terugbetaling van de kosten, vermeld in artikel 38 van de wet, mogen de voorzitter, het lid dat hem vervangt en de leden geen enkele vergoeding of voordeel ten laste van het openbaar centrum genieten, om welke reden en onder welke benaming ook. » Het werd wenselijk geacht deze bepaling, voor wat de raadsleden aangaat, inhoudelijk te behouden. De in deze titel voorziene regeling is niet van toepassing op de uitvoerende mandatarissen van de gemeente, district of provincie : zij mogen vanwege de gemeente, het district of de provincie geen presentiegeld ontvangen. Dit werd op decretaal niveau verankerd in de artikelen 70, § 3 en 274, § 5 van het Gemeentedecreet en in artikel 68, § 3 van het Provinciedecreet. Voor de voorzitter en ondervoorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en het lid dat hen vervangt, werd dit beginsel neergelegd in artikel 2, eerste en tweede lid van het genoemde besluit van 22 september 1998. Deze regeling wordt, wat de voorzitter, de ondervoorzitter (de regeling werd aangevuld ten behoeve van de ondervoorzitters en hun vervangers) en de vervangers betreft, overigens hernomen in de titel betreffende de vaststelling van de wedden van de burgemeesters en schepenen en de wijze van betaling ervan en tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten van toekenning van de wedde van de voorzitter en de ondervoorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Artikel 7 van het besluit van 22 september 1998, dat dit artikel uitvoert m.b.t. het bepalen van de voorwaarden en de modaliteiten van de toekenning van presentiegelden, bepaalt dat aan de leden een presentiegeld kan worden toegekend voor het bijwonen van vergaderingen van de raad, alsmede voor het bijwonen van de vergaderingen van het vast bureau en van de bijzondere comités opgericht krachtens artikel 27 en 94 van de wet en van het overlegcomité, vermeld in artikel 26, § 2 van de wet. De bijzondere comités komen evenwel voor de toepassing van deze bepaling enkel in aanmerking voor zover ze ten minste drie leden tellen, de voorzitter inbegrepen. Bovendien stelt dit artikel dat de raad voor maatschappelijk welzijn kan beslissen aan zijn leden een presentiegeld toe te kennen voor de deelname aan de vergaderingen van de budgetcommissie en voor het nazicht van de boekhouding van het centrum. Er is geen reden om af te wijken van deze bepalingen, uitgezonderd hetgeen hierna gesteld wordt over het verplichtend karakter van het presentiegeld en hetgeen gesteld werd in verband met het nazicht van de boekhouding van de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Aangaande het overlegcomité is het evident dat na de overgangsperiode vermeld in artikel 312 van het Gemeentedecreet, er geen presentiegeld voor deze vergadering meer zal zijn. De bepaling zal zonder voorwerp zijn. Om alle onduidelijkheid uit te sluiten wordt er in het voorliggende besluit gesteld, in tegenstelling tot het vroegere besluit, dat er voor de vermelde 'vergaderingen' presentiegeld wordt verleend. Artikel 8 van het besluit van 22 september 1998 bepaalde dat het presentiegeld niet hoger mag zijn dan het presentiegeld, toegekend aan de gemeenteraadsleden van de gemeente waar de zetel van het openbaar centrum is gevestigd. Dit artikel wordt om evidente redenen ni …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.