Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Besluit van de Vlaamse Regering houdende het statuut van de lokale en provinciale mandataris

Kort samengevat

Dit besluit regelt de belangrijkste aspecten van het statuut van lokale en provinciale mandatarissen, met name hun bezoldiging en de wijze van betaling. Het geeft uitvoering aan de Gemeente- en Provinciedecreten en de vernieuwde organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

Wat het reguleert

  • De vaststelling van de wedden van burgemeesters en schepenen.
  • De wijze van betaling van de wedden van burgemeesters, schepenen en gedeputeerden.
  • De voorwaarden en modaliteiten voor de toekenning van de wedde van de voorzitter en ondervoorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
  • Regelingen voor de vervanging van uitvoerende gemeentelijke en provinciale mandatarissen bij tijdelijke afwezigheid.

Wie het betreft

  • Lokale en provinciale mandatarissen, waaronder burgemeesters, schepenen en gedeputeerden.
  • Voorzitters en ondervoorzitters van openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

Kernpunten

  • De wedde van de burgemeester wordt uitgedrukt als een percentage van de vergoeding van de leden van het Vlaamse Parlement.
  • Bij het vaststellen van de wedde van de burgemeester houdt de Vlaamse Regering verplicht rekening met het inwonersaantal.
  • De wedde van de schepenen wordt vastgesteld op basis van die van de burgemeester.
  • De Vlaamse Regering bepaalt de gevallen waarin de wedde van de burgemeester of schepenen kan worden verminderd of aangevuld op verzoek van de betrokkene.
Wettekst
Wettekst

19 JANUARI 2007. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende het statuut van de lokale en provinciale mandataris VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING Dames en heren, Dit besluit tracht de voornaamste aspecten van het statuut van de mandatarissen te regelen en aldus uitvoering te geven aan het Gemeente- en het Provinciedecreet en de vernieuwde organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Het besluit werd ingedeeld in 11 titels. Per titel, behalve voor de laatste titel dewelke enkel slotbepalingen bevat, wordt het opzet van het huidige besluit uiteengezet. Voor bepaalde aspecten wordt ook één en ander artikelsgewijs toegelicht. De inwerkingtreding van de decreetsartikelen, die door dit besluit worden uitgevoerd, wordt bepaald door het besluit van 24 november 2006 van de Vlaamse Regering betreffende de inwerkingtreding van sommige bepalingen van het Gemeente decreet van 15 juli 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten4 en ter uitvoering van de artikelen 160, § 2 en 179 van het Gemeente decreet van 15 juli 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten4, door het besluit van 24 november 2006 de Vlaamse Regering betreffende de inwerkingtreding van sommige bepalingen van het Provincie decreet van 9 december 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten5 en ter uitvoering van de artikelen 156, § 2, 175 en 264 van het Provincie decreet van 9 december 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten5, door het besluit van 1 september 2006 van de Vlaamse Regering betreffende de inwerkingtreding van sommige bepalingen van het Gemeente decreet van 15 juli 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten4 en de vaststelling van de modellen van de akten inzake fractievorming en door het besluit van 1 september 2006 van de Vlaamse Regering betreffende de inwerkingtreding van sommige bepalingen van het Provincie decreet van 9 december 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten5 en de vaststelling van het model van de akte inzake fractievorming. Deze besluiten bepalen dat deze bepalingen voor de gemeente en het district enerzijds en de provincie anderzijds, respectievelijk in werking treden op 1 januari 2007 en 1 december 2006. Voor wat de openbare centra voor maatschappelijk welzijn aangaat treden de vernieuwde bepalingen, zoals gewijzigd door het decreet van 7 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten6 tot wijziging van de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, en door het decreet van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten7 tot wijziging van de wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking, van het gemeente decreet van 15 juli 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten4 en van het provincie decreet van 9 december 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten5, in werking vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn, hetzij vanaf 8 oktober 2006 voor wat de eretitels, het onderscheidingsteken en de ambtskledij betreft. TITEL I. - VASTSTELLING VAN DE WEDDEN VAN DE BURGEMEESTERS EN SCHEPENEN EN DE WIJZE VAN BETALING VAN DE WEDDEN VAN DE BURGEMEESTERS EN SCHEPENEN EN DE GEDEPUTEERDEN EN BEPALING VAN DE VOORWAARDEN EN DE MODALITEITEN VAN TOEKENNING VAN DE WEDDE VAN DE VOORZITTER EN DE ONDERVOORZITTER VAN HET OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN Deze titel strekt ertoe gedeeltelijk uitvoering te geven aan artikel 70, § 1, eerste lid van het Gemeentedecreet. Het genoemde artikel 70 in het Gemeentedecreet vervangt artikel 19, 20 en 20bis van de Nieuwe Gemeentewet, doch wat betreft de voorliggende problematiek vervangt het artikel slechts gedeeltelijk artikel 19. Tevens wordt uitvoering gegeven aan artikel 20 van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen, gelezen in samenhang met artikel 50, § 2, artikel 63, tweede lid en artikel 70 van het Gemeentedecreet en gelezen in samenhang met artikel 50, § 2 en artikel 68 van het Provinciedecreet. Tot slot wordt uitwerking gegeven aan artikel 38 van de organieke wet op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zoals gewijzigd door voornoemd decreet van 7 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten6. Dat artikel draagt de regering op om de voorwaarden en de modaliteiten van de toekenning van de wedde van de voorzitter en de ondervoorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te bepalen. Enerzijds belasten de bepalingen, die als wettelijke basis dienen voor deze titel, de Vlaamse Regering met het vaststellen van de wedde, inclusief de eindejaarstoelage en het vakantiegeld van burgemeesters en schepenen, behoudens die van de schepen van rechtswege. De wedde van de burgemeester wordt uitgedrukt als een percentage van de vergoeding van de leden van het Vlaamse Parlement en hierbij dient de Vlaamse Regering verplicht rekening te houden met het inwonersaantal. De wedde van de schepenen wordt vastgesteld op basis van die van de burgemeester. Anderzijds wordt de Vlaamse Regering belast met het bepalen van de wijze van betaling van die wedde. Zoals dat voorheen het geval was, wordt ook een regeling voorzien voor de vervanger van de uitvoerende gemeentelijke mandatarissen. Er wordt tevens een regeling uitgewerkt voor de vervanging in het geval van tijdelijke afwezigheden, voorzien door artikel 50, § 2 en artikel 63, tweede lid van het Gemeentedecreet. Het betreft andere afwezigheden dan die vermeld in artikel 70, § 1, tweede lid van het Gemeentedecreet. Ook voor de gedeputeerden wordt een regeling voorzien, in het geval van een tijdelijke afwezigheid van de mandataris, voorzien door artikel 50, § 2 van het Provinciedecreet. Overeenkomstig artikel 70 van het Gemeentedecreet dient de Vlaamse Regering tevens de gevallen te bepalen waarin de wedde van de burgemeester of schepenen kan worden verminderd op verzoek van de betrokkene en de gevallen waarin op verzoek van de betrokkene de wedde wordt aangevuld met een bedrag ter compensatie van het inkomensverlies dat de betrokkene zou lijden. Er wordt gekozen om deze uitvoeringsbevoegdheid in een aparte titel te behandelen, teneinde hiervoor een globale regeling uit te werken voor alle lokale en provinciale mandatarissen. Ter uitvoering van artikel 19 van de Nieuwe Gemeentewet werd het koninklijk besluit van 2 september 1976 tot vaststelling van de wedden van de burgemeesters en schepenen uitgevaardigd. Dit besluit werd ingevolge artikel 303, eerste lid, 7° van het Gemeentedecreet uitdrukkelijk opgeheven en de inwerkingtreding van deze bepaling die de opheffing voorschrijft, wordt bepaald door het besluit van 24 november 2006 van de Vlaamse Regering betreffende de inwerkingtreding van sommige bepalingen van het Gemeente decreet van 15 juli 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten4 en ter uitvoering van de artikelen 160, § 2 en 179 van het Gemeente decreet van 15 juli 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten4. Dit besluit bepaalt dat deze bepaling in werking treedt op 1 januari 2007. Ter uitvoering van artikel 38 van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn werd het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten8 betreffende de bezoldiging van de voorzitters en de presentiegelden van de leden van de raden voor maatschappelijk welzijn genomen. Een aantal regelingen in dat besluit hadden betrekking op artikel 39 van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, dat de Koning (lees : de Vlaamse Regering) belastte met het bepalen van de regelen voor de berekening van de wedde en de verdere uitkering van de wedde. Deze bepaling werd opgeheven door het decreet van 7 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten6 tot wijziging van de wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. HOOFDSTUK I. - Wedden van de burgemeesters en de schepenen Artikel 70 van het Gemeentedecreet bepaalt aldus dat de burgemeester en de schepenen, met uitzondering van de voorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, ten laste van de gemeente een wedde genieten, inclusief vakantiegeld en eindejaarspremie. In tegenstelling tot wat vandaag het geval is, wordt het salaris van de burgemeester niet langer uitgedrukt als een percentage van het salaris van de gemeentesecretaris, maar wel als een percentage van de vergoeding van de leden van het Vlaamse Parlement. De Vlaamse Regering houdt bij het vaststellen van de wedde rekening met het inwonersaantal. Het spreekt voor zich dat een burgemeester in een stad als Antwerpen of Gent een zwaardere verantwoordelijkheid draagt en meer tijd zal moeten besteden aan de uitoefening van zijn ambt dan een burgemeester in een gemeente met slechts duizend inwoners. Tevens wordt in dit besluit een juridisch afdoend antwoord verschaft op enkele problemen van wetgevingstechnische aard. Enerzijds wordt de vraag beantwoord wat er dient verstaan te worden onder « de wedde, inclusief vakantiegeld en eindejaarspremie » en anderzijds wordt er bepaald wat er dient te worden verstaan onder « vergoeding van de leden van het Vlaamse Parlement ». Het begrip « wedde » De tekst van het decreet is misleidend, waar het stelt dat « de burgemeester en de schepenen een wedde genieten, inclusief vakantiegeld en eindejaarspremie ». Men bedoelde met deze uitdrukking (inclusief) geenszins dat zij een wedde zouden genieten, waarin het vakantiegeld en de eindejaarspremie zouden zitten. Hiermee beoogde men het recht zelf in te schrijven in de tekst van het decreet. Tot op het moment van de goedkeuring van het Gemeentedecreet, en de inwerkingtreding ervan, was het recht op een vakantiegeld en een eindejaarspremie immers slechts verankerd in een besluit. Een indicatie dat de decreetgever nog steeds het vakantiegeld en de eindejaarspremie apart van de eigenlijke basiswedde, berekend als een percentage van de vergoeding van de leden van het Vlaamse Parlement, wenste te behouden, is te vinden in de algemene toelichting van het Gemeentedecreet, bepaald onder artikel 2.2.7. Er staat vermeld dat in tegenstelling tot wat vandaag het geval is, wordt dat salaris niet langer uitgedrukt als een percentage van het salaris van de gemeentesecretaris, maar wel van de vergoeding van de leden van het Vlaamse Parlement'. Op heden heeft men een wedde, een vakantiegeld en een eindejaarspremie. En de wedde of het salaris, zo men wil, wordt anders vastgesteld. Het vakantiegeld en de eindejaarspremie, daar verandert in wezen niets aan, zo stelt de decreetgever impliciet. Bovendien werd artikel 19, § 1bis van de Nieuwe Gemeentewet niet opgeheven. Dit artikel bepaalt : « Het vakantiegeld en de eindejaarspremie worden door de Koning vastgesteld ». De uitvoeringsbesluiten genomen in uitvoering van artikel 19, § 1bis van de Nieuwe Gemeentewet, met name het koninklijk besluit van 16 november 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten0 tot vaststelling van het vakantiegeld en de eindejaarspremie van de burgemeesters en schepenen en het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten9 tot vaststelling van het vakantiegeld van de burgemeester en schepenen, werden evenmin opgeheven. Deze niet opheffing zou geen zin hebben moest het zo zijn dat het vakantiegeld en de eindejaarspremie in de wedde zouden zitten. Tot slot stelde de Raad van State al eerder dat de Koning niet gemachtigd is om te bepalen of dit vakantiegeld en de eindejaarspremie, voor de toepassing van andere wetsbepalingen (bv. het verschuldigd zijn van sociale zekerheidsbijdragen op die wedde), moet worden beschouwd als een bezoldiging. Er wordt aldus aangenomen dat de mandatarissen een wedde ontvangen, een vakantiegeld en een eindejaarstoelage. De wedde die de Vlaamse Regering bij huidig besluit vaststelt, is dan de wedde zonder het vakantiegeld en de eindejaarstoelage. Het vakantiegeld en de eindejaarstoelage worden berekend op basis van die wedde, in uitvoering van artikel 70 van het Gemeentedecreet en artikel 19, § 1bis van de Nieuwe Gemeentewet. Voor deze aangelegenheden wordt een aparte titel voorzien. Het begrip « vergoeding » De wedde wordt uitgedrukt als een percentage van de vergoeding van de leden van het Vlaamse Parlement, zo stelt artikel 70 van het Gemeentedecreet. De vergoeding van de leden van het Vlaamse Parlement wordt bepaald overeenkomstig artikel 31ter, § 1 van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen, en komt overeen met de wedde van een staatsraad bij de Raad van State. De decreetgever bedoelde als « vergoeding van de leden van het Vlaamse Parlement » de parlementaire vergoeding sensu lato : de geïndexeerde belastbare basisvergoeding, verhoogd met de forfaitaire onkostenvergoeding, de eindejaarspremie en het vakantiegeld. Eveneens is het dezelfde term die gebruikt wordt om de bedragen van de cumulregeling te berekenen, vermeld in artikel 70, § 4 van het Gemeentedecreet. Daar wordt dit begrip 'vergoeding' ook in zijn ruime betekenis opgevat. Een en ander is een gevolg van een vergelijkbare bepaling die ingeschreven staat in de wet van 6 augustus 1931Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/08/1931 pub. 22/02/2001 numac 2001000150 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende de vaststelling van onverenigbaarheden en ontzeggingen betreffende de ministers, gewezen ministers en ministers van Staat, alsmede de leden en gewezen leden van de Wetgevende Kamers. - Duitse vertaling sluiten houdende vaststelling van de onverenigbaarheden en ontzeggingen betreffende de ministers, gewezen ministers en ministers van staat, alsmede de leden en gewezen leden van de wetgevende kamers. Artikel 1quinquies van die wet bepaalt een vergelijkbare bepaling als artikel 70, § 4 van het Gemeentedecreet en heeft overigens betrekking op de cumulatie van een lokaal politiek mandaat met een parlementair mandaat. De voorzitters van de parlementaire vergaderingen hebben tijdens hun conferentie van 19 januari 2001 beslist dat de « vergoeding » moet begrepen worden als « de belastbare basisvergoeding, de forfaitaire kostenvergoeding en de eindejaarspremie en het vakantiegeld ». Deze interpretatie van het begrip vergoeding wordt ook hernomen in dit verband. De belastbare basisvergoeding, zoals ze begrepen dient te worden voor dit besluit, bedraagt, aan 100 %, 53.508,23 euro per jaar (sinds 1 november 1993). Zij is gekoppeld aan de index van de consumptieprijzen, zoals toegepast voor de bezoldigingen van de rijksambtenaren. Concreet betekent dit dat de vergoeding thans 74.923,06 euro bedraagt op jaarbasis (men moet de basisbedragen thans met 1,4002 vermenigvuldigen). De forfaitaire kostenvergoeding (de forfaitaire terugbetaling van kosten) is vastgelegd op 28 % van het brutobedrag van de parlementaire vergoeding, vóór alle lasten en kosten verbonden aan de uitoefening van een parlementair mandaat. Zij bedraagt 20.978,46 euro per jaar. De leden van het Vlaams Parlement krijgen een jaarlijks vakantiegeld en een eindejaarstoelage, vastgesteld volgens de regeling inzake sociale programmatie voor het rijkspersoneel. Het jaarlijks vakantiegeld bedraagt aldus 92 % van een maandelijkse parlementaire vergoeding. Voor 2006 bedraagt het 5631,70 euro (huidige index). De eindejaarstoelage bestaat uit een vast gedeelte (voor 2006 311,96 euro) en een variabel gedeelte van 2,5 % van de parlementaire vergoeding op jaarbasis (voor 2006 1836,42 euro), dus in totaal voor 2006 2148,38 euro. De « vergoeding van de leden van het Vlaams parlement » bedraagt thans 103.681,6 euro. De wedde van deze mandatarissen is aldus automatisch gekoppeld aan de index gezien het hier gaat over de koppeling van deze wedde aan de vergoeding, die reeds rechtstreeks of onrechtstreeks aan de index werd aangepast. Het bedrag, verkregen door het percentage toe te passen, zal dan mee aangepast zijn aan de index overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/1971 pub. 20/02/2009 numac 2009000070 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten. De wedde van de schepenen Artikel 70 van het Gemeentedecreet bepaalt tevens dat de wedde van de schepen wordt vastgesteld op basis van de wedde van de burgemeester. Het komt aan de Vlaamse Regering toe om ook deze wedde vast te stellen. Vroeger bedroeg de schepenwedde 60 procent van de wedde van de burgemeester als het aantal inwoners van de gemeente kleiner of gelijk was aan 50.000 inwoners. Indien het inwonersaantal van de gemeente groter was, bedroeg de wedde van de schepenen 75 % van die van de burgemeester. In het besluit wordt aangegeven dat dezelfde percentages als vroeger worden voorzien, gelet dat de wedden van de burgemeesters ongewijzigd blijven. De regering acht het immers niet wenselijk een weddenverhoging te voorzien voor de mandatarissen. Dit heeft tot gevolg dat het bevolkingsaantal, zoals voorheen, op 2 wijzen de berekening van hun wedde beïnvloedt. Enerzijds omdat de wedde van de burgemeesters reeds wordt berekend op basis van het aantal inwoners en anderzijds omdat voor de wedde van de schepenen nog eens rekening wordt gehouden met het aantal inwoners. Bijzonderheden Volledigheidshalve kan worden gesteld dat het oude artikel 19, § 1, tweede lid van de Nieuwe Gemeentewet niet werd hernomen in het Gemeentedecreet. Dit artikel bepaalde : « De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit de wedden van de burgemeesters (indirect dus van de schepenen) van de gemeenten tot 80.000 inwoners verhogen, met een maximum van 120 %. Tot slot, het salaris van de voorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, ook in het geval die schepen van rechtswege is, wordt geregeld door de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Het is immers het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat instaat voor de betaling van dit salaris. Het is niet de bedoeling om de voorzitter van het openbaar centrum bijkomend te vergoeden vanuit de gemeente. Rekening houden met het inwonersaantal Het bevolkingsaantal dat in aanmerking wordt genomen, is datgene dat verkregen wordt met toepassing van artikel 5, § 3 van het Gemeentedecreet. Dit artikel bepaalt dat het in aanmerking te nemen inwonersaantal, het aantal personen is dat ingeschreven is in het rijksregister van de natuurlijke personen die op 1 januari van het jaar van de gemeenteraadsverkiezingen hun hoofdverblijfplaats in de desbetreffende gemeente hadden. In tegenstelling tot artikel 5, tweede lid van de Nieuwe Gemeentewet, waar men stelde dat het bevolkingscijfer eveneens van toepassing was voor de rangschikking vermeld in o.m. artikel 19, § 1 van de Nieuwe Gemeentewet, is zulke verwijzing niet meer opgenomen in de tekst van artikel 5 van het Gemeentedecreet. Artikel 5 van de Nieuwe Gemeentewet werd, wat dit aspect betreft, uitdrukkelijk opgeheven. Het wordt toch wenselijk geacht om deze bevolkingsaantallen te hanteren voor de toepassing van de weddenbepaling. Zij worden immers tevens gebruikt als basis voor het aantal te verkiezen mandatarissen. HOOFDSTUK II. - Wedden in overgangsregeling van de burgemeesters en de schepenen en de voorzitter van het centrum voor maatschappelijk welzijn Verhogingen ingevolge de klassenverheffingen van de wedden zijn niet meer mogelijk. De wetgever heeft het niet wenselijk geacht om dat systeem te behouden. Behoudens de toepassing van de verhogingen n.a.v. de index blijven de wedden van de mandatarissen gedurende zes jaar constant. De categorieën, voorzien door artikel 28 van de Nieuwe Gemeentewet, werden tevens behouden om dezelfde wedde als vroeger te bekomen. Indien men voor de invulling van het begrip 'inwonersaantal' slechts de bevolkingscijfers hanteert zoals bepaald door artikel 5 van het Gemeentedecreet, zullen een aantal mandatarissen minder wedde genieten. Het betreft die mandatarissen van gemeenten, die tot nog toe ingevolge een klasseverhoging bij een hogere klasse werden ingedeeld. In dat opzicht wordt een overgangsregeling voorzien waarbij die mandatarissen de wedde, die op dit moment wordt voorzien, mogen behouden gedurende de eerstvolgende legislatuur. Het is van belang te vermelden dat zij recht hebben op de wedde zoals de mandataris die dat ambt uitoefende dat op datum van 31 december 2006 genoot, doch evenwel zonder de eventuele indexaties die er in de toekomst normalerwijze zouden worden op toegepast. Niet alleen is deze overgangsregeling geldig voor de zittende mandatarissen doch tevens voor de mandatarissen die nieuw verkozen worden tot dat ambt. Gelet op het feit dat de regeling van de wedde mutatis mutandis ook geldt voor de voorzitters van het centrum voor maatschappelijk welzijn, geldt de overgangsregeling ook voor deze mandatarissen. Zij behouden die wedde tot de wedde ingevolge de toepassing van de vernieuwde regelgeving hoger zal zijn, rekening houdend met de indexatie die op die wedde wordt toegepast. HOOFDSTUK III. - Wijze van betaling van de wedden van de burgemeesters en schepenen en de gedeputeerden Artikel 70, § 1 herneemt het oude artikel 19, § 1, zesde lid van de Nieuwe Gemeentewet en stelt dat de Vlaamse Regering de wijze van betaling bepaalt. Het koninklijk besluit van 2 september 1976 tot vaststelling van de wedden van de burgemeesters en schepenen, en meer bepaald artikel 6, voerde die bepaling uit. Dit besluit werd door het Gemeentedecreet uitdrukkelijk opgeheven, doch werd het wenselijk geacht om de inhoud van de bestaande bepalingen te behouden. Er kan worden opgemerkt dat de wedde slechts is verschuldigd vanaf de dag waarop de mandataris de uitoefening van zijn ambt werkelijk aanvat. Dit is voor alle mandatarissen vanaf hun installatie. Er wordt in dit verband tegemoet gekomen aan een leemte in het juridisch kader en meer bepaald een leemte aangaande de regeling van de wedde ingeval de mandataris vervangen wordt in de gevallen, zoals bedoeld in artikel 50, § 2 en artikel 63, tweede lid van het Gemeentedecreet en in artikel 50, § 2 van het Provinciedecreet. Het betreft de gevallen van tijdelijke afwezigheid buiten de gevallen van verhindering of schorsing of afzetting van artikel 48, 61 en 71 van het Gemeentedecreet en artikel 48 en 69 van het Provinciedecreet. Voor deze laatste gevallen is een regeling voorzien in het Gemeente- en het Provinciedecreet. Hierbij wordt uniformiteit betracht met de regeling die voorzien is door artikel 39 van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten voor de voorzitters van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. HOOFDSTUK IV. - Voorwaarden en modaliteiten van toekenning van de wedde van de voorzitter en de ondervoorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, en van hun vervangers Er wordt voor de uitvoering van de bepalingen van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten aanvaard dat onder de voorzitter of de ondervoorzitter tevens de vervanger wordt verstaan, zodat de Vlaamse Regering gerechtigd is ook voor deze personen de voorwaarden en de modaliteiten van toekenning van de wedde te bepalen. Overigens heeft de Vlaamse Regering krachtens artikel 20 van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming van de instellingen de bevoegdheid om de decreten uit te voeren en meer in het bijzonder de artikelen 38 en 39 van de organieke wet van 8 juli 197 6. De bestaande regelingen uit het besluit van 22 september 1998 worden hierbij vervangen als volgt. Artikel 1 van het besluit van 22 september 1998 betreft het toepassingsgebied en hoeft niet te worden herhaald. Dit blijkt voldoende uit het besluit. Artikel 2 van dat besluit wordt overgenomen doch aangepast aan het nieuwe gecreëerde ambt van ondervoorzitter. Artikel 3 van dat besluit is vanzelfsprekend overbodig, gezien het hernomen werd in de tekst van het decreet. Artikel 4 van dat besluit is strijdig met de bepalingen van het decreet en wordt daarom niet hernomen. De artikelen 5 en 6 van dat besluit worden inhoudelijk hernomen en aangepast aan de nieuwe functie van de ondervoorzitter. De artikelen 9 tot 11 van dat besluit betreffen slotbepalingen en kunnen eenvoudig worden opgeheven. TITEL II. - BEPALING VAN DE WEDDE VAN DE VOORZITTERS EN DE LEDEN VAN HET DISTRICTSCOLLEGE EN DE WIJZE VAN BETALING VAN HUN WEDDE Deze titel strekt ertoe uitvoering te geven aan artikel 274, § 5 van het Gemeentedecreet. Het genoemde artikel in het Gemeentedecreet herneemt inhoudelijk grotendeels artikel 332, § 4 van de Nieuwe Gemeentewet. Dit artikel 274, § 5 verwijst o.m. naar artikel 70 van het Gemeentedecreet, dat de bepaling van de wedde van de burgemeester en de schepenen bevat. De bepalingen die aldus als wettelijke basis dienen voor deze titel, belasten de Vlaamse Regering met het bepalen van de wedde en de wijze van betaling van de wedde van de uitvoerende mandatarissen van de districten. De bepalingen belasten de Vlaamse Regering eveneens tot het bepalen van de gevallen waarin de wedde kan worden verminderd op verzoek van betrokkene of de gevallen waarin, op verzoek van de betrokkene de wedde wordt aangevuld met een bedrag ter compensatie van inkomensverlies dat de betrokkene zou lijden, doch voor deze aangelegenheden werd gekozen om dit gezamenlijk in één titel voor alle mandatarissen van alle betrokken besturen te behandelen. In uitvoering van artikel 332, § 4 van de Nieuwe Gemeentewet was deze regeling voorheen vervat in het koninklijk besluit van 24 november 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten1 tot bepaling van de wedde van de voorzitters en de leden van het bureau van de districtsraden. Tot op heden werd voor de uitvoerende mandatarissen van de districten bovendien geen uitvoering gegeven omtrent de wijze van betaling van de wedde. Dit wordt thans wel bepaald. Er kan worden opgemerkt dat de benaming van de districtsmandatarissen wijzigde. Waar men vroeger sprak over « voorzitters van de districtsraden » zijn dit thans « de voorzitters van het districtscollege ». Dit is niet zonder belang. Met de invoering van de figuur van de voorzitter van de gemeenteraad introduceerde men een analoge figuur in de districten. Overeenkomstig artikel 274, § 3 van het Gemeentedecreet kan de districtsraad immers beslissen dat de voorzitter van de districtsraad geen deel uitmaakt van het districtscollege en het college niet voorzit. In dat geval kiest het districtscollege in zijn midden een afzonderlijke voorzitter van het districtscollege en is er met andere woorden een ontdubbeling van de functie van voorzitter van de raad en het college. Waar men vroeger sprak over « de leden van het bureau van de districtsraden » spreekt men thans over de « leden van het districtscollege ». De wedde van de voorzitter van het districtscollege Artikel 70 van het Gemeentedecreet wordt louter van overeenkomstige toepassing verklaard op de voorzitter van het districtscollege, hetgeen tot gevolg heeft dat de Vlaamse Regering de wedde dient te bepalen op een identieke wijze als voor de burgemeesters. Concreet betekent dit dat de voorzitters van het districtscollege een wedde genieten, inclusief vakantiegeld en eindejaarstoelage. Die wedde wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering, waarbij de regering rekening moet houden met het inwonersaantal van het district. Zij wordt tevens vastgesteld als een percentage van de vergoeding van de leden van het Vlaamse Parlement. Voorheen was voor deze mandatarissen bepaald dat hun wedde werd vastgesteld door de Vlaamse Regering en dat hierbij kon rekening worden gehouden met de bevoegdheden en het aantal inwoners. In het uitvoeringsbesluit dat genomen werd, werden trouwens door de regering slechts minimum- en maximumgrenzen vastgelegd en werd aan de gemeenteraad de bevoegdheid gedelegeerd om de wedde te bepalen. Wat de voorzitters van de districtscolleges betreft, stelt het besluit voor om minimaal 10 % en maximaal 50 % van de wedde zoals bepaald in artikel 1 van dit besluit, die aan de burgemeester van een gemeente wordt verleend, waarvan het bevolkingsaantal overeenstemt met dat van het district, toe te kennen. Tot op heden is die wedde immers vastgesteld op 50 % van de wedde van een burgemeester van een gemeente waarvan het bevolkingsgetal overeenstemt met dat van het district. Niettegenstaande dat de tekst van het decreet stelt dat de wedde wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering, wordt er aldus in het voorgestelde besluit een delegatie gegeven aan de gemeenteraad wat de vaststelling van de wedde van de voorzitter van het districtscollege betreft, zoals dat in het vervangen koninklijk besluit het geval was. Die overdracht van bevoegdheid is gewettigd. De essentiële elementen van de regeling worden immers bepaald door de Vlaamse Regering, aangezien het besluit enerzijds de minimum- en de maximumgrenzen aangeeft en anderzijds de gemeente (de stad Antwerpen) verplicht wordt rekening te houden met de reële omvang van de bevoegdheden. De omvang van de bevoegdheden van dit bestuursorgaan kan niet op eenduidige wijze worden bepaald door de Vlaamse Regering aangezien het bevoegde gemeentelijk bestuursorgaan (de burgemeester) deze overdracht van bevoegdheden kan doen evolueren. Gelet op de voorwaarden gesteld in verband met de overdracht van bevoegdheid, is een zodanige overdracht aanvaardbaar. Ze ontleent haar rechtsgrond aan artikel 2 van het Gemeentedecreet dat « de gemeenten de bevoegdheden uitoefenen die hen door of krachtens de wet of het decreet worden toevertrouwd ». Dat de gemeenteraad het orgaan binnen de gemeente is dat deze bevoegdheid uitoefent op gemeentelijk vlak volgt uit artikel 42 van het Gemeentedecreet naar luid waarvan de raad beschikt over « de volheid van bevoegdheid ten aanzien van de aangelegenheden, bepaald in artikel 2 ». De wedde van de leden van het districtscollege Artikel 70 werd van overeenkomstige toepassing verklaard op de leden van het districtscollege maar er werd, zoals vroeger, bepaald dat de Vlaamse Regering hun wedde bepaalt, waarbij de regering kan rekening houden met het inwonersaantal en met de omvang van de toegewezen bevoegdheden. Dit is een identieke bepaling als in de Nieuwe Gemeentewet. Het Gemeentedecreet laat op dit punt eenzelfde regeling toe als voorheen. Het blijft aangewezen in een algemeen besluit de minimum- en maximumbedragen van de wedden van de leden van de districtscolleges te bepalen. Niettegenstaande dat de tekst van het decreet stelt dat de wedde wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering, wordt er in dit besluit een delegatie gegeven aan de gemeenteraad wat de vaststelling van de wedde van de leden van het districtscollege betreft, zoals dat in het vervangen koninklijk besluit het geval was. Met toepassing van artikel 282 van het Gemeentedecreet kan het college van burgemeester en schepenen bevoegdheden van gemeentelijk belang, waarover zij beschikt, overdragen aan de districtscolleges. De aan deze organen opgedragen bevoegdheden zouden, zoals onder de voorgaande regeling, evenwel kunnen verschillen van gemeente tot gemeente, waar er districtsraden mogen worden opgericht. Derhalve blijft het aangewezen in een algemeen besluit slechts de minimum- en maximumbedragen van de wedden van de leden van de districtscolleges te bepalen. In het decreet worden deze bedragen in eerste instantie gerelateerd aan het bevolkingsaantal. De tweede parameter, namelijk de omvang van de bevoegdheden, kan niet op eenduidige wijze worden bepaald door de Vlaamse Regering. Immers, het college van burgemeester en schepenen kan deze overdracht doen evolueren. In het uitvoeringsbesluit van de desbetreffende bepalingen in de Nieuwe Gemeentewet werd ervan uitgegaan dat de overdracht niet minder dan 10 % van het totale bevoegdheidspakket van de gemeente zal bedragen doch anderzijds de 50 % hiervan niet zou overschrijden. In het licht van het behoud van het normatief kader is het wenselijk om de percentages (de minimum- en de maximumgrenzen) te behouden wat de leden van de districtscolleges betreft. Het is het gemeentelijke orgaan dat dient te evalueren hoeveel van het takenpakket wordt overgedragen aan de districten. Zoals voorheen het geval was, dienen de bevoegdheden overeenkomstig artikel 282, § 6 van het Gemeentedecreet, voor alle districten dezelfde te zijn. De districten dienen immers op een gelijke wijze behandeld te worden. Het ontworpen besluit bepaalt voor de leden van het districtscollege niet zelf die wedden, doch stelt minimum- en maximumgrenzen vast en draagt aan de gemeenteraad de bevoegdheid over om binnen die grenzen de bedragen vast te leggen, "waarbij hij rekening houdt met de reële omvang van de bevoegdheden die aan de districtsraden worden toegewezen". Het bestaande besluit wordt in dat opzicht onverkort van toepassing gelaten. Niettegenstaande dat de tekst van het decreet stelt dat de wedde wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering, wordt er aldus in het voorgestelde besluit een delegatie gegeven aan de gemeenteraad wat de vaststelling van de wedde van de leden van het districtscollege betreft, zoals dat in het vervangen koninklijk besluit het geval was. Die overdracht van bevoegdheid is gewettigd doordat het decreet voorschrijft dat onder meer rekening kan worden gehouden met de omvang van de bevoegdheden toegekend aan de districten en de omvang ervan afhangt van de beslissingen genomen door de gemeentelijke overheid, overeenkomstig artikel 282 van het Gemeentedecreet. De essentiële elementen van de regeling worden aldus bepaald door de Vlaamse Regering. Gelet op de voorwaarden gesteld in verband met de overdracht van bevoegdheid, is een zodanige overdracht aanvaardbaar. Ze ontleent haar rechtsgrond aan artikel 2 van het Gemeentedecreet dat « de gemeenten de bevoegdheden uitoefenen die hen door of krachtens de wet of het decreet worden toevertrouwd ». Dat de gemeenteraad het orgaan binnen de gemeente is dat deze bevoegdheid uitoefent op gemeentelijk vlak volgt uit artikel 42 van het Gemeentedecreet naar luid waarvan de raad beschikt over « de volheid van bevoegdheid ten aanzien van de aangelegenheden, bepaald in artikel 2 ». Derhalve wordt in het besluit voorgesteld bij de vaststelling van deze wedden, rekening te houden met het volgende : - de wedde van de voorzitter van het districtscollege bedraagt minimaal 10 % en maximaal 50 % van de wedde zoals bepaald in artikel 1 van dit besluit, die aan de burgemeester van een gemeente waarvan het bevolkingsaantal overeenstemt met dat van het district wordt toegekend (artikel 8); - de wedde van de leden van het districtscollege bedraagt minimaal 10 % en maximaal 50 % van de wedde van een schepen van een gemeente waarvan het bevolkingsaantal overeenstemt met dat van het district (artikel 9). De gemeenteraad, en niet de districtsraad, stelt, in overeenstemming met de overgedragen bevoegdheden, het percentage vast. Het vakantiegeld en de eindejaarspremie van deze mandatarissen wordt hierna in een afzonderlijke titel (hierin wordt ook uitvoering gegeven wat de gemeentelijke uitvoerende mandatarissen betreft) geregeld. Aangaande de wijze van betaling van de wedden wordt de regeling, zoals die van toepassing is op de burgemeester en schepenen van de gemeente, van overeenkomstige toepassing verklaard. TITEL III. - VASTSTELLING VAN HET VAKANTIEGELD EN DE EINDEJAARSPREMIE VAN DE BURGEMEESTERS EN SCHEPENEN, DE VOORZITTERS EN DE LEDEN VAN HET DISTRICTSCOLLEGE, ALSOOK DE VASTSTELLING VAN DE VOORWAARDEN EN DE MODALITEITEN VAN DE TOEKENNING VAN HET VAKANTIEGELD EN DE EINDEJAARSPREMIE AAN DE VOORZITTERS EN DE ONDERVOORZITTERS VAN HET OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN Deze titel strekt ertoe uitvoering te geven aan artikel 70, § 1, eerste lid en aan artikel 274, § 5 van het Gemeentedecreet en aan artikel 38 van de wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Deze artikelen dragen de Vlaamse Regering o.m. op om het vakantiegeld en de eindejaarspremie van de uitvoerende mandatarissen van de gemeente en het district vast te stellen en, wat de openbare centra voor maatschappelijk welzijn betreft, tot het vaststellen van de voorwaarden en de modaliteiten van de toekenning van het vakantiegeld en de eindejaarspremie van haar uitvoerende mandatarissen. In artikel 70, wat betreft de gemeentelijke mandatarissen, en artikel 274, § 5, wat betreft de districtsmandatarissen, van het Gemeentedecreet werd een recht op vakantiegeld en eindejaarspremie ingeschreven, een recht dat aldus decretaal verankerd is. Voor wat betreft de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, bestond er al een decretaal verankerd recht in artikel 38 van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. In uitvoering van artikel 38, voornoemd, werd in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten8 betreffende de bezoldiging van de voorzitters en de presentiegelden van de leden van de raden voor maatschappelijk welzijn gesteld dat « de bezoldigingsregeling van de voorzitters dezelfde is als die van de schepen van de gemeente waar het openbaar centrum zijn zetel heeft ». Thans wordt in artikel 38 van de organieke wet gesteld dat het vakantiegeld of de eindejaarspremie, van de voorzitter dezelfde is dan die van de schepen van de gemeente. Het vakantiegeld of de eindejaarspremie van een ondervoorzitter is gelijk aan het vakantiegeld of de eindejaarspremie van de voorzitter, vermenigvuldigd met het vakantiegeld of de eindejaarspremie van een schepen van de gemeente waar de zetel van het openbaar centrum gevestigd is en gedeeld door het vakantiegeld of de eindejaarspremie van de burgemeester van de gemeente waar de zetel van het openbaar centrum is gevestigd. Voor deze mandatarissen dienen deze uitkeringen niet te worden vastgesteld. De Vlaamse Regering dient hiervoor alleen de voorwaarden en de modaliteiten van toekenning te bepalen. Door de verwijzing naar de regelgeving die geldt voor de personeelsleden van de betreffende gemeenten zijn verdere uitvoeringsbepalingen overbodig. Deze regeling was, voor wat betreft de burgemeester en de schepenen, voorheen vervat in het besluit van 30 april 2004 van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het vakantiegeld van de burgemeesters en schepenen en in het koninklijk besluit van 16 november 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten0 tot vaststelling van het vakantiegeld en de eindejaarstoelage van de burgemeesters en schepenen. Voor de districten bestond er geen uitvoeringsbesluit. Voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn bestond er het artikel 3 van het genoemde besluit van 22 september 1998, dat stelde dat de bezoldigingsregeling dezelfde is dan die van de schepen van de gemeente. De genoemde besluiten van 30 april 2004 en 16 november 2000 werden niet uitdrukkelijk opgeheven door de organieke decreten, maar het werd wenselijk geacht om deze besluiten op te heffen en de regeling te hernemen in één besluit en wel in deze titel, omwille van vereenvoudiging en overzichtelijkheid van de teksten. Het toepassingsgebied ervan werd tevens uitgebreid naar de districten en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Het artikel 3 van genoemd besluit van 22 september 1998 werd impliciet opgeheven door de wijzigingen in het decreet van 7 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten6 tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Het werd evenwel verkieslijk geacht deze bepaling uitdrukkelijk op te heffen. Wat betreft de wijze van berekening werd het volgende verkozen :

  1. a)voor het vakantiegeld wordt de regeling, vervat in het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten9 tot vaststelling van het vakantiegeld van de burgemeesters en de schepenen, inhoudelijk overgenomen, en wordt de regeling van overeenkomstige toepassing gemaakt die geldt voor het gemeentepersoneel.
  2. b)voor de eindejaarspremie wordt de regeling, vervat in het koninklijk besluit van 16 november 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten0 tot vaststelling van het vakantiegeld en de eindejaarspremie van de burgemeesters en de schepenen, gewijzigd.Voorheen werd in dat besluit verwezen naar het koninklijk besluit van 23 oktober 1979 houdende de toekenning van een eindejaarstoelage aan sommige titularissen van een ambt bezoldigd ten laste van de Schatkist. Deze regeling is niet meer actueel, ingevolge de regionalisering van de organieke regelgeving van de gemeenten, in die zin dat het ook hiervoor thans wenselijk wordt geacht de regeling die geldt voor het gemeentepersoneel van overeenkomstige toepassing te maken. In de tekst van het besluit werd het wenselijk geacht om er blijvend van uit te gaan dat elke mandataris voltijds presteert als mandataris. Volledige prestaties' behelzen de prestaties waarvan de uurregeling een normale beroepsactiviteit volkomen in beslag neemt. TITEL IV. - VASTSTELLING VAN DE LIJST VAN VERGADERINGEN DIE VOORTVLOEIEN UIT DE MANDAATVERPLICHTINGEN VAN DE GEMEENTERAADSLEDEN, DE DISTRICTSRAADSLEDEN, DE PROVINCIERAADSLEDEN ALSOOK DE VASTSTELLING VAN DE VOORWAARDEN EN MODALITEITEN VAN TOEKENNING VAN DE PRESENTIEGELDEN AAN DE LEDEN VAN DE RADEN VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN EN DE BEPALING VAN DE MINIMUM- EN MAXIMUMGRENZEN VAN HET PRESENTIEGELD VAN DEZE MANDATARISSEN Deze titel strekt ertoe ten dele uitvoering te geven aan de artikelen 17, § 1 en 2, eerste lid en aan 273, § 3, eerste lid van het Gemeentedecreet, aan artikel 17, § 1 en § 2, eerste lid van het Provinciedecreet, alsmede aan artikel 38, zevende lid van de wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Tevens wordt uitvoering gegeven aan artikel 20 van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen, gelezen in samenhang met artikel 70, § 3 van het Gemeentedecreet. Een onderscheid dient gemaakt te worden tussen enerzijds de gemeenten, de districten en de provincies en anderzijds de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. A. Voor wat betreft de gemeente, de provincie en de districten (de artikelen aangaande de gemeente werden van overeenkomstige toepassing verklaard op de districten) wordt bepaald dat de regering een lijst opstelt van vergaderingen die voortvloeien uit de mandaatverplichtingen van de raadsleden. Tevens wordt voor deze besturen bepaald dat de regering de grenzen vastlegt van de presentiegelden. Voor de gemeente- en districtsraadsleden wordt bovendien gesteld dat de regering daarbij rekening kan houden met het inwonersaantal. Voor de provincie werd niets bepaald omtrent de mogelijkheid om rekening te houden met het inwoneraantal. In het besluit wordt voor die laatste rechtspersoon dan ook geen onderscheid gemaakt naar gelang het aantal inwoners. Voor de provincies dient de regering tevens een lijst van vergaderingen op te stellen waarvoor de grootorde van de verplaatsingsvergoeding kan worden vastgesteld door de provincieraad. Voorheen waren hieromtrent geen uitvoeringsbesluiten, aangezien de problematiek allesomvattend was geregeld in de Nieuwe Gemeentewet, respectievelijk de Provinciewet. Voor de gemeenteraadsleden was er een recht op presentiegeld voor de vergaderingen van de gemeenteraad, de commissies en de afdelingen. Het bedrag werd bepaald door de gemeenteraad, evenwel met een minimum van 37,18 euro en een maximum, dat werd gesteld op het bedrag dat de provincieraadsleden ontvangen, hetzij thans 171,2 euro. Voor de districtsraadsleden was eenzelfde regeling van toepassing, overeenkomstig artikel 331, § 3 van de Nieuwe Gemeentewet. Voor de provincieraadsleden was het presentiegeld gekoppeld was aan dat van de bestuursassistenten (het hoogste bedrag van de weddeschaal) in dienst bij de federale overheid en het betrof een vast bepaald bedrag. Dit bedrag bedraagt 171,2 euro. Het presentiegeld, vermeld in de artikelen 17, § 1 en 273, § 3 van het Gemeentedecreet en in artikel 17, § 1 van het Provinciedecreet bedraagt minimaal 28, 57 euro en maximaal 124, 98 euro . De bedragen voorzien in het besluit worden gekoppeld aan de spilindex 138, 01. Concreet houdt dit in dat de minima- en maximagrenzen op datum van inwerkingtreding van dit besluit respectievelijk 40 euro en 175 euro bedragen (men moet de basisbedragen thans met 1,4002 vermenigvuldigen). In het Gemeentedecreet en het Provinciedecreet werd het recht op presentiegeld enkel behouden voor de vergaderingen van de raden, en voor de vergaderingen voorkomend op de lijst van de Vlaamse Regering. In het huidige besluit worden een aantal vergaderingen limitatief opgesomd in een lijst. Er werd gekozen om de vergaderingen, waarvoor tot nog toe presentiegeld werd verleend, op te nemen op de lijst. Het is bovendien niet de bedoeling de lokale besturen op te zadelen met bijkomende kosten, zodat er geen vergaderingen worden opgenomen op de lijst waarvoor thans geen presentiegeld wordt verleend. De gemeenten, districten en provincies kunnen vervolgens vrij bepalen of zij al dan niet presentiegelden verlenen voor de op deze lijst voorkomende vergaderingen. De provincieraden hebben, ingevolge artikel 40 van het Provinciedecreet, ook die vrijheid om te beslissen voor welke vergaderingen een presentiegeld wordt verleend. Aan de gemeenten en provincies wordt de mogelijkheid geboden om, zo stellen de memories van toelichting bij de decreten, rekening te houden met het aantal en de complexiteit van de te behandelen onderwerpen en ermee samenhangende voorbereidingstijd voor de raadsleden, een verantwoorde vergoeding vast te stellen. De gemeenten, districten en provincies zijn niet verplicht dit presentiegeld uniform vast te stellen. Zo lijkt het logisch dat het presentiegeld voor de voorzitter hoger kan liggen dan dat voor de overige raadsleden. In dat opzicht wordt de mogelijkheid van maximaal een dubbel presentiegeld voorzien voor de voorzitters van de desbetreffende raden. De besturen kunnen ook een differentiatie inbouwen naargelang de aard van de vergadering, de duur en de complexiteit alsmede het opvragen en raadplegen van de dossiers door de raadsleden. Zij kunnen ook rekening houden met het al dan niet volledig deelnemen aan de zitting. De mogelijkheid van maximaal een dubbel presentiegeld wordt tevens voorzien voor de leden van het bureau van de provincieraad, beperkt tot maximaal 15 leden, waarvan alle fractieleiders. Er kan worden opgemerkt dat artikel 15, § 7 van het besluit geen afbreuk doet aan de toepassing van artikel 40, eerste lid, 9° van het Provincie decreet van 9 december 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten5, dat stelt dat het huishoudelijk reglement de samenstelling van het bureau regelt. B. Voor wat betreft de openbare centra voor maatschappelijk welzijn stelt -en stelde- de organieke wet enkel dat de Vlaamse Regering de voorwaarden en de modaliteiten vaststelt van toekenning van het presentiegeld aan deze raadsleden. Het zevende lid van artikel 38 van de organieke wet stelt dat hun presentiegeld hetzelfde is als dat van de raadsleden van de gemeente, waar de zetel van het centrum is gevestigd. De uitvoering van deze regeling is vervat in de artikelen 2, 7 en 8 van het besluit van 22 september 1998 van de Vlaamse Regering betreffende de bezoldiging van de voorzitters en de presentiegelden van de leden van de raden voor maatschappelijk welzijn. Artikel 2, eerste lid bevat een cumulbepaling en met name wordt er gesteld dat « Buiten een bezoldiging, een presentiegeld, de terugbetaling van de kosten, vermeld in artikel 38 van de wet, mogen de voorzitter, het lid dat hem vervangt en de leden geen enkele vergoeding of voordeel ten laste van het openbaar centrum genieten, om welke reden en onder welke benaming ook. » Het werd wenselijk geacht deze bepaling, voor wat de raadsleden aangaat, inhoudelijk te behouden. De in deze titel voorziene regeling is niet van toepassing op de uitvoerende mandatarissen van de gemeente, district of provincie : zij mogen vanwege de gemeente, het district of de provincie geen presentiegeld ontvangen. Dit werd op decretaal niveau verankerd in de artikelen 70, § 3 en 274, § 5 van het Gemeentedecreet en in artikel 68, § 3 van het Provinciedecreet. Voor de voorzitter en ondervoorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en het lid dat hen vervangt, werd dit beginsel neergelegd in artikel 2, eerste en tweede lid van het genoemde besluit van 22 september 1998. Deze regeling wordt, wat de voorzitter, de ondervoorzitter (de regeling werd aangevuld ten behoeve van de ondervoorzitters en hun vervangers) en de vervangers betreft, overigens hernomen in de titel betreffende de vaststelling van de wedden van de burgemeesters en schepenen en de wijze van betaling ervan en tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten van toekenning van de wedde van de voorzitter en de ondervoorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Artikel 7 van het besluit van 22 september 1998, dat dit artikel uitvoert m.b.t. het bepalen van de voorwaarden en de modaliteiten van de toekenning van presentiegelden, bepaalt dat aan de leden een presentiegeld kan worden toegekend voor het bijwonen van vergaderingen van de raad, alsmede voor het bijwonen van de vergaderingen van het vast bureau en van de bijzondere comités opgericht krachtens artikel 27 en 94 van de wet en van het overlegcomité, vermeld in artikel 26, § 2 van de wet. De bijzondere comités komen evenwel voor de toepassing van deze bepaling enkel in aanmerking voor zover ze ten minste drie leden tellen, de voorzitter inbegrepen. Bovendien stelt dit artikel dat de raad voor maatschappelijk welzijn kan beslissen aan zijn leden een presentiegeld toe te kennen voor de deelname aan de vergaderingen van de budgetcommissie en voor het nazicht van de boekhouding van het centrum. Er is geen reden om af te wijken van deze bepalingen, uitgezonderd hetgeen hierna gesteld wordt over het verplichtend karakter van het presentiegeld en hetgeen gesteld werd in verband met het nazicht van de boekhouding van de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Aangaande het overlegcomité is het evident dat na de overgangsperiode vermeld in artikel 312 van het Gemeentedecreet, er geen presentiegeld voor deze vergadering meer zal zijn. De bepaling zal zonder voorwerp zijn. Om alle onduidelijkheid uit te sluiten wordt er in het voorliggende besluit gesteld, in tegenstelling tot het vroegere besluit, dat er voor de vermelde 'vergaderingen' presentiegeld wordt verleend. Artikel 8 van het besluit van 22 september 1998 bepaalde dat het presentiegeld niet hoger mag zijn dan het presentiegeld, toegekend aan de gemeenteraadsleden van de gemeente waar de zetel van het openbaar centrum is gevestigd. Dit artikel wordt om evidente redenen niet hernomen, gezien het decreet dit thans voorschrijft dat het hetzelfde presentiegeld is dan de gemeente. Het voornoemd besluit van 22 september 1998 werd niet uitdrukkelijk opgeheven door het decreet van 7 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten6 tot wijziging van de wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Het wordt evenwel, om de overzichtelijkheid te bevorderen en tevens omdat sommige bepalingen niet meer actueel zijn, wenselijk geacht om de desbetreffende bepalingen van het besluit op te heffen en de regeling te hernemen in dit besluit van de Vlaamse Regering, en wel in deze titel. C. In een eerste hoofdstuk wordt de lijst van vergaderingen, die volgen uit de mandaatverplichtingen, opgenomen. Hierbij worden een aantal bestaande praktijken in het besluit verankerd, doch tevens een aantal praktijken verhinderd. Deze lijst is een limitatieve lijst. Voor vergaderingen, die niet op de lijst voorkomen, en evenmin raadsvergaderingen zijn, kan geen presentiegeld worden toegekend. Toch wordt getracht de lijst zo ruim mogelijk te houden, gezien de besturen beschikken over de vrijheid om uit die lijst te bepalen voor welke vergaderingen er een presentiegeld wordt verleend. Er kan meer in het algemeen worden gesteld dat getracht werd alle direct uit het mandaat voortvloeiende vergaderingen te vergoeden. De op de lijst voorkomende vergaderingen dienen bovendien strikt geïnterpreteerd te worden. In een tweede hoofdstuk worden de minima- en de maximagrenzen opgenomen van het bedrag van de presentiegelden. De besturen kunnen binnen deze grenzen aan maatwerk doen. Er kunnen verschillende grenzen worden voorzien voor de vergaderingen van de raad en voor de andere vergaderingen, zoals de commissies. Tevens kan rekening gehouden worden met de aard en de complexiteit van de te behandelen onderwerpen, en aldus de voorbereidingstijd ervan, alsmede de duur van de vergaderingen. Er kan voor het overige worden gedifferentieerd naar de persoon die de vergoeding ontvangt, zodat de voorzitter meer ontvangt dan de raadsleden. Tevens is het de bedoeling dat de besturen zoveel als mogelijk, de vergoeding beschouwen als zijnde een tegemoetkoming voor enerzijds de aanwezigheid op de vergaderingen en anderzijds de voorbereiding van de dossiers. Het opvragen en het raadplegen van de dossiers kan hierbij een criterium zijn. In een derde hoofdstuk worden de voorwaarden en modaliteiten van toekenning van de presentiegelden aan de leden van de raden voor maatschappelijk welzijn bepaald. Hierbij worden inhoudelijk de regels, vervat in de artikelen 2 en 7 van het besluit van 22 september 1998 van de Vlaamse Regering betreffende de bezoldiging van de voorzitters en de presentiegelden van de leden van de raden voor maatschappelijk welzijn, overgenomen. TITEL V. - REGELS OVER DE VERHOGING VAN HET PRESENTIEGELD VAN GEMEENTERAADSLEDEN, DISTRICTSRAADSLEDEN EN PROVINCIERAADSLEDEN, OVER DE VERHOGING VAN DE WEDDE VAN DE BURGEMEESTERS, DE SCHEPENEN, UITGEZONDERD DE SCHEPENEN VAN RECHTSWEGE, DE VOORZITTERS EN DE LEDEN VAN HET DISTRICTSCOLLEGE, EN HOUDENDE NADERE REGELS OVER DE WEDDENVERMINDERING DIE KAN WORDEN TOEGESTAAN AAN DE BURGEMEESTERS, DE SCHEPENEN, UITGEZONDERD DE SCHEPENEN VAN RECHTSWEGE, DE VOORZITTERS EN DE LEDEN VAN HET DISTRICTSCOLLEGE Deze titel strekt ertoe uitvoering te geven aan de artikelen 17, § 2, tweede en derde lid, 70, § 1, eerste lid, in fine, 273, § 3, eerste lid en 274, § 5 van het Gemeentedecreet alsmede aan artikel 17, § 2, tweede lid van het Provinciedecreet. De Vlaamse Regering dient overeenkomstig die artikelen enerzijds de wijze te bepalen waarop de respectievelijke raden het presentiegeld van het gemeente-, districts- of provincieraadslid kunnen aanvullen en anderzijds de gevallen te bepalen waarin de wedde van de burgemeester, de schepen, de voorzitter of het lid van het districtscollege moet aangevuld worden. Tevens dient de Vlaamse Regering de gevallen te bepalen waarop de wedde van de uitvoerende mandatarissen van de gemeente en het district kan worden verminderd. De artikelen uit het Gemeentedecreet hernemen de artikelen 12, § 1bis, 19, zevende, achtste en negende lid en 332, § 4 van de Nieuwe Gemeentewet. A. Er bestond dus een wettelijke regeling voor de aanvulling van de presentiegelden van gemeenteraadsleden (niet voor de districtsraadsleden) en voor de aanvulling van de wedde van burgemeesters, schepenen en de voorzitter en de leden van het districtscollege (voorheen 'bureau' geheten) en voor de vermindering van wedde van deze laatst genoemde uitvoerende mandatarissen. Er werd hieraan uitvoering gegeven door de verder vernoemde besluiten, behoudens dan voor de uitvoerende mandatarissen van de districten. B. Voor de districten was dus enerzijds de regeling, voor wat de districtsraadsleden betreft, niet van toepassing bij gebrek aan verwijzing in artikel 331, § 3 van de Nieuwe Gemeentewet naar artikel 12, § 1bis van de Nieuwe Gemeentewet, en anderzijds, voor wat de voorzitter en de leden van het districtscollege betreft, werd zoals gesteld tot op heden geen uitvoering gegeven aan de bepalingen die voor hen bestonden. C. Voor wat betreft de provincieraadsleden was de mogelijkheid van aanvulling van hun presentiegeld niet voorzien door de Provinciewet, doch die mogelijkheid is thans wel in het Provinciedecreet voorzien. Voor de leden van de deputatie werd in het Provinciedecreet noch een systeem van aanvulling van wedde, noch een systeem van vermindering van wedde voorzien. D. Tot slot, voor wat betreft de voorzitter en de ondervoorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, wordt er voor de verhoging van wedde, in de (vernieuwde) organieke wet verwezen naar de regeling zoals die geldt voor de schepenen, met dien verstande dat deze mogelijkheid slechts bestaat in een gemeente met minder dan 50.000 inwoners en de wedde aangevuld met het bedrag ter compensatie nooit hoger kan zijn dan de wedde van een schepen in een gemeente met 50.000 inwoners. Voor het raadslid van het openbaar centrum gebeurt de aanvulling zoals voor een gemeenteraadslid, met dien verstande dat ook hier de wedde aangevuld met het bedrag ter compensatie nooit hoger kan zijn dan die van een schepen van een gemeente met 50.000 inwoners. Er is dus ook hier geen uitvoeringsbevoegdheid voor de regering. Voor wat betreft de vermindering van wedde of presentiegeld voorziet de organieke regeling van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn evenmin in een uitvoeringsbevoegdheid. Deze mandatarissen hebben een eigen regeling. E. Deze regeling was voorheen, voor wat betreft de gemeenteraadsleden en de burgemeester en de schepenen vervat in het koninklijk besluit van 23 juli 1990 tot vaststelling van de wijze waarop de in artikel 19, § 1, vierde lid, Nieuwe Gemeentewet bedoelde weddenvermindering wordt toegestaan aan de burgemeesters en schepenen en in het koninklijk besluit van 29 maart 2000 houdende nadere regels aangaande de verhoging van het presentiegeld van gemeenteraadsleden en de wedde van de burgemeesters en schepenen. Deze regelingen werden uitdrukkelijk opgeheven door het Gemeentedecreet en de inwerkingtreding van de betreffende opheffingsbepaling is door de eerder genoemde besluiten voorzien op 1 januari 2007. Het werd aldus wenselijk geacht hiervoor een nieuwe regeling uit te vaardigen, doch in de mate van het mogelijke werd de bestaande regeling behouden en uitgebreid naar de genoemde mandatarissen. Er kan, tot slot, worden gesteld dat er voor de toepassing van al deze regelingen steeds een verzoek van de mandataris moet zijn. In een eerste hoofdstuk wordt de aanvulling van de presentiegelden en de wedde van alle mandatarissen geregeld. In een tweede hoofdstuk wordt de weddenvermindering van de uitvoerende mandatarissen bepaald. HOOFDSTUK I. - Aanvulling van presentiegeld of van wedde De bepalingen in het Gemeente- en Provinciedecreet kennen enerzijds aan de gemeente-, districts- en provincieraad de bevoegdheid toe om het bedrag te bepalen waarmee de presentiegelden van het gemeente-, districts- en provincieraadslid kunnen worden aangevuld op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt. Anderzijds kennen deze bepalingen de gebonden bevoegdheid toe aan de gemeente- en de districtsraad om de wedde van de burgemeester, de schepen, uitgezonderd de schepen van rechtswege, de voorzitter of het lid van het districtscollege aan te vullen binnen de gevallen bepaald door de Vlaamse Regering. Dit is slechts op voorwaarde dat de mandatarissen daar zelf om verzoeken, en heeft als bedoeling een compensatie te zijn van het inkomensverlies dat deze gezagsdragers lijden. A. Voor de gemeente-, districts- en provincieraadsleden werden de gevallen reeds bepaald in de respectievelijke decreten en met name zijn dit de gevallen wanneer de « andere wettelijke of reglementaire bezoldigingen, pensioenen, vergoedingen of toelagen » die zij genieten, verminderd of geschrapt worden wegens die presentiegelden. Voor de uitvoerende mandatarissen van de gemeente en het district werd deze opsomming, die voorheen op dezelfde wijze verwoord was, niet meer hernomen in het decreet. Het decreet stelt enkel dat het ter compensatie is van het inkomensverlies dat de betrokkene lijdt, maar het werd wenselijk geacht dezelfde omschrijving te gebruiken als die voor de raadsleden, en aldus een ruime omschrijving te geven van « de gevallen ». Voor wat betreft de gemeente- en de districtsraadsleden bestaat er een decretale beperking, volgens dewelke de som van de presentiegelden, aangevuld met het bedrag ter compensatie van het inkomensverlies, nooit hoger kan zijn dan de wedde van een schepen met 5 0.000 inwoners. Voor de provincieraadsleden bestaat deze beperking niet. Het is respectievelijk de gemeente-, districts- (dit laatste in tegenstelling tot de vroegere wetsbepaling die ook voor de districten de gemeenteraad bevoegd maakte) of provincieraad die de aanvulling van het presentiegeld kan toekennen. De raad is vrij om dat presentiegeld al dan niet of slechts gedeeltelijk aan te vullen, doch is zij alleszins verplicht rekening te houden met een aantal beginselen zoals onder meer de motiveringsplicht en het gelijkheidsbeginsel. B. Voor wat betreft de uitvoerende mandatarissen van de gemeente en het district is de gemeente-, respectievelijk de districtsraad (dit laatste weer in tegenstelling tot de vroegere wetsbepaling die ook voor de districten de gemeenteraad bevoegd maakte), die de bevoegdheid heeft ter zake. In tegenstelling tot de verzoeken tot aanvulling van het presentiegeld gericht door de raadsleden, waarbij de besturen de mogelijkheid tot aanvullen van die bedragen hebben, zijn de raden verplicht om, binnen de gevallen bepaald door de Vlaamse Regering, op het verzoek in te gaan. Dit is ook een nieuwigheid ten opzichte van de vroegere regeling voor de uitvoerende mandatarissen. De beperking dat de burgemeester, de schepenen, de voorzitter en de leden van het districtscollege deze aanvraag slechts konden indienen, indien zij deel uitmaakten van een gemeente of een district met minder dan 50.000 inwoners, is weggevallen in het decreet. Deze grens zoals voorheen bepaald in de Nieuwe Gemeentewet werd hernomen, zodat hieromtrent geen bijkomende weerslag is op de budgetten van de gemeente en het district. Tevens verviel in het decreet de grens dat de aangevulde wedde niet hoger mocht zijn dan de wedde van een burgemeester, een schepen, een voorzitter of een lid van het districtscollege van een gemeente met 50.000 inwoners. Deze grens zoals deze voorheen bepaald werd in de Nieuwe Gemeentewet, werd eveneens hernomen, zodat hieromtrent geen bijkomende weerslag is op de budgetten van de gemeente en het district. HOOFDSTUK II. - Vermindering van wedde Deze bepalingen in de decreten kennen aan de Vlaamse Regering de bevoegdheid toe de gevallen te bepalen waarin de gemeente- en de districtsraad (dit laatste in tegenstelling tot de vroegere wetsbepaling die ook voor de districten de gemeenteraad bevoegd maakte) de wedde van de burgemeester, de schepen, uitgezonderd de schepen van rechtswege, de voorzitter of het lid van het districtscollege kunnen verminderen, op voorwaarde dat zij daar zelf om verzoeken. Door het Gemeentedecreet werd de bevoegdheid tot het verminderen van de wedde toegekend aan de raad, bij stilzwijgen van het decreet. Immers, deze gemeente- en districtsraden beschikken ingevolge artikel 162 van de Gecoördineerde Grondwet over de gemeentelijke autonomie en anderzijds over de volheid van de bevoegdheid van de 'wetgevende' macht. Deze had kunnen beperkt worden indien de decreetgever in deze bepaling de bevoegdheid had onttrokken aan de gemeentelijke overheden, hetgeen niet is gebeurd. De regering van haar kant heeft geen uitvoeringsbevoegdheid op grond van het decreet om deze bevoegdheid te onttrekken aan de raad. Zij zal dan de draagwijdte van het decreet verruimen. De gemeenteraad kan, mits inachtneming van algemene beginselen zoals de motiveringsplicht en het gelijkheidsbeginsel, weigeren in te gaan op het verzoek. Algemene opmerking Uit de voorbereidende werken van "de wet van 4 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/05/1999 pub. 12/06/1999 numac 1999003331 bron ministerie van financien Wet houdende diverse fiscale bepalingen type wet prom. 04/05/1999 pub. 11/09/1999 numac 1999021311 bron ministerie van justitie Wet houdende instemming tot het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en de Vlaamse Gemeenschap inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik type wet prom. 04/05/1999 pub. 28/07/1999 numac 1999000428 bron ministerie van binnenlandse zaken, ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu en ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet tot verbetering van de bezoldigingsregeling en van het sociaal statuut van de lokale verkozenen type wet prom. 04/05/1999 pub. 11/09/1999 numac 1999021298 bron ministerie van justitie Wet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en het Waalse Gewest inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik sluiten tot wijziging van de artikelen 12 en 19, § 1 van de Nieuwe Gemeentewet", waarvan de huidige tekst van de decreten de filosofie overnam, blijkt dat het de wil van de wetgever was dat de personen die een gemeentelijk mandaat opnemen, hiervoor niet financieel gestraft zouden worden. Deze filosofie werd bestendigd in de decreten. Deze titel strekt er precies toe hiervoor een aantal modaliteiten te bepalen. Commentaar bij de artikelen Artikel 18.Er wordt bepaald dat de mogelijkheid hetzij het recht om een aanvulling van de wedde te verkrijgen slechts bestaat ter compensatie van het inkomensverlies dat zij lijden als de andere wettelijke of reglementaire wedden, pensioenen, vergoedingen of toelagen die zij genieten, verminderd of geschrapt worden wegens die presentiegelden of die wedde. Er wordt zoals tot op heden bepaald dat het recht om een aanvulling van de wedde te verkrijgen slechts bestaat voor de uitvoerende mandatarissen van de gemeenten en districten met minder dan 50.000 inwoners. Voor de raadsleden bestaat er geen grens. De Vlaamse Regering heeft immers geen bevoegdheid, gezien haar niet werd opgedragen de gevallen te bepalen. Bovendien wordt er zoals tot op heden voorzien dat de aangevulde wedde van de uitvoerende mandatarissen van de gemeenten en districten niet hoger mocht zijn dan de wedde van een burgemeester, een schepen, een voorzitter of een lid van het districtscollege van een gemeente met 50.000 inwoners. De aanvraag die het gemeenteraadslid, het districtsraadslid of het provincieraadslid enerzijds of de burgemeester, de schepen, uitgezonderd de schepen van rechtswege, de voorzitter of het lid van het districtscollege formuleert om een verhoging van respectievelijk zijn presentiegelden of zijn wedde te verkrijgen, moet ingediend worden met een aangetekende brief die gericht is, al naargelang van het geval, aan het college van burgemeester en schepenen, het districtscollege, of aan de deputatie. Deze gezagsdragers voegen bij hun aanvraag de documenten en attesten die het voor de betreffende raad mogelijk zullen maken om met kennis van zaken een uitspraak te doen of akte te nemen, namelijk : - een attest van de financieel beheerder waarin het totale brutobedrag vermeld wordt van het presentiegeld of de wedde die toegekend of gestort werd tijdens het afgelopen jaar, of, als de aanvraag minder dan één jaar na hun indiensttreding ingediend is, het bedrag dat verkregen wordt door het gemiddelde maandelijkse bedrag van het presentiegeld of het maandelijkse brutobedrag van de wedde, te vermenigvuldigen met twaalf; - een attest van elke instelling die de andere wettelijke of reglementaire wedden, pensioenen, vergoedingen of toelagen uitbetaalt die deze gezagsdragers ontvangen, en die verminderd of geschrapt zijn wegens het presentiegeld of de wedde die de mandatarissen ontvangen. Elk attest vermeldt, in voorkomend geval, het bedrag van die vermindering. Tenslotte, in het attest dat afgegeven wordt door de instellingen die andere inkomens uitbetalen, dient melding gemaakt te worden van de verhogingen van de presentiegelden of wedden waarin behoort te worden voorzien opdat de betrokken ambtsdrager, gelet op die verhogingen, geen enkel inkomensverlies zou lijden. Art. 19.De aanvraag die ingediend wordt door het gemeente-, districts- of provincieraadslid of door de burgemeester, de schepen, uitgezonderd de schepen van rechtswege, de voorzitter of het lid van het districtscollege wordt op de agenda van de betrokken raad geplaatst op de dag die volgt op de dag waarop het college van burgemeester en schepenen, het districtscollege, hetzij de deputatie haar ontvangen heeft. Het schepen- of districtscollege, of de deputatie doet, voor wat betreft de tot hun bestuur behorende raadsleden een voorstel van beslissing voor elk van de ingediende aanvragen tot verhoging en de respectievelijke raad spreekt zich uit over dit voorstel. De raad is echter niet gebonden door het voorstel van het college hetzij de deputatie : hij kan het voorstel als dusdanig goedkeuren, het wijzigen of het verwerpen op basis van de informatie die het gemeente- of districtscollege, of de deputatie hem ter beschikking gesteld zal hebben. De raad kan zijn beslissing ook uitstellen als hij van mening is dat het dossier onvolledig is. In dat geval wordt de aanvraag tot verhoging van het presentiegeld of wedde die ingediend is door de gezagsdrager op de agenda van de raad geplaatst zodra de door de raad, hetzij rechtstreeks aan de betrokken gezagsdrager, hetzij aan de instellingen die de andere wettelijke of reglementaire wedden, pensioenen, vergoedingen of toelagen uitbetalen, gevraagde informatie hem meegedeeld is. Voor de burgemeester, de schepen, uitgezonderd de schepen van rechtswege, de voorzitter of het lid van het districtscollege maakt het bevoegd college deze aanvraag over aan de gemeenteraad of de districtsraad, die beslist tot de aanvulling van de wedde overeenkomstig de aanvraag en met als maximum enerzijds het verminderd deel van die andere wettelijke of reglementaire wedden, pensioenen, vergoedingen of toelagen en anderzijds het bedrag vermeld in het attest van elk van de instellingen, vermeld in artikel 18 opdat de betrokken ambtsdrager, gelet op die verhogingen, niet opnieuw inkomensverlies zou lijden. De beslissing van de raad wordt door het college, of de deputatie, met een aangetekende brief, betekend aan de betrokkene. Art. 20 en 21. De toegekende verhoging van het presentiegeld of van de wedde gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de aanvraag tot verhoging werd ingediend bij het bestuur, voor zover de aanvrager op die datum de voorwaarden vervult om een dergelijke verhoging te verkrijgen. Als de gezagsdrager wijzigingen van om het even welke aard ondergaat in zijn geldelijke situatie, moet hij dat onmiddellijk meedelen aan de raad met een aangetekende brief die gericht is aan het college van burgemeester en schepenen, het districtscollege, of de deputatie. In dat geval doet de raad uitspraak over het behoud, de wijziging of het schrappen van de verhoging die eerder toegekend is volgens de hierboven beschreven procedure (cf. commentaar bij artikel 19). In het geval van de burgemeester, de schepen, uitgezonderd de schepen van rechtswege, de voorzitter of het lid van het districtscollege wordt aldus gehandeld overeenkomstig de vermeldingen op het attest. Er wordt immers gesteld dat overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 19, wordt gehandeld. Art. 22.Er wordt bepaald dat de mogelijkheid om een vermindering van de wedde te verkrijgen slechts bestaat wanneer de andere wettelijke of reglementaire wedden, pensioenen, vergoedingen of toelagen die zij genieten, verminderd zouden worden of zouden vervallen wegens die wedde. Dit artikel bepaalt dat de uitvoerende mandatarissen hun aanvraag tot weddevermindering met een aangetekende brief tegen ontvangstbewijs richten aan het college van burgemeester en schepenen of aan het districtscollege. Bij deze aanvraag voegen zij een attest van de financieel beheerder met vermelding van het bedrag van de brutojaarwedde, een attest van de betalende instelling, dat het bedrag vermeldt van de andere wedden, vergoedingen of wettelijke of reglementaire toelagen die verminderd zouden worden of zouden vervallen als het bedrag van de wedde die zij in de hoedanigheid van burgemeester, schepen, voorzitter of lid van het districtscollege ontvangen, ongewijzigd zou blijven en desgevallend ieder ander bewijsstuk. Tevens vermeldt dit attest het bedrag waarmee de wedde minimaal verminderd moet worden opdat de andere wedden, vergoedingen of wettelijke of reglementaire toelagen ongewijzigd kunnen blijven. De tweede paragraaf bepaalt dat de betrokkene de hoegrootheid van de gevraagde vermindering van zijn wedde vermeldt. Art. 23.De vermindering van de wedde geldt zolang de betrokkene hetzelfde mandaat in hetzelfde bestuur uitoefent. Bij verandering van zijn geldelijke toestand kan de betrokkene de herziening van de vermindering van zijn wedde aanvragen. Daartoe bezorgt hij aan het college van burgemeester en schepenen, of aan het districtscollege de bewijsstukken vermeld in artikel 22, § 1. Art. 24.De vermindering van de wedde heeft op zijn vroegst uitwerking op 1 januari van het jaar waarin de aanvraag aan het college van burgemeester en schepenen, of aan het districtscollege gericht is, overeenkomstig artikel 22, voor zover de aanvrager op die datum de voorwaarden vervult om een dergelijke vermindering te verkrijgen. TITEL VI. - BEPALING VAN DE PERKEN EN DE TOEKENNINGSVOORWAARDEN VAN HET PRESENTIEGELD EN DE ANDERE VERGOEDINGEN DIE IN HET KADER VAN DE BESTUURLIJKE WERKING VAN HET EXTERN VERZELFSTANDIGD AGENTSCHAP WORDEN TOEGEKEND Deze titel strekt ertoe uitvoering te geven aan artikel 235, § 2, eerste lid, 3° en 247, eerste lid, 2° van het Gemeentedecreet en aan artikel 228, § 2, eerste lid, 3° en 240, eerste lid, 2° van het Provinciedecreet. Deze aangelegenheid werd tot nog toe niet geregeld in de Nieuwe Gemeentewet noch in de Provinciewet en er bestond tot op vandaag dan ook geen uitvoeringsbesluit. De Vlaamse Regering is overeenkomstig de genoemde artikelen belast de perken en de toekenningsvoorwaarden te bepalen van het presentiegeld en de andere vergoedingen die in het kader van de bestuurlijke werking van het extern verzelfstandigd agentschap worden toegekend. Deze titel betreft aldus enerzijds de autonome gemeente- en provinciebedrijven en anderzijds de gemeentelijke en de provinciale extern verzelfstandigde agentschappen in privaatrechtelijke vorm. In het besluit wordt voor deze rechtspersonen een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de perken en de toekenningsvoorwaarden van de presentiegelden en anderzijds de vergoedingen die worden toegekend. In artikel 310 van het Gemeentedecreet en artikel 266 van het Provinciedecreet werd voor de bestaande (deelnemingen
  3. in)rechtspersonen een overgangsregeling voorzien. Deze overgangsregeling geldt niet voor de nieuwe rechtspersonen die worden opgericht conform de bepalingen van de decreten, doch de overgangsregeling geldt wel voor de personen die op dit moment belast zijn met welbepaalde taken van gemeentelijk belang. Voor deze 'oude' rechtspersonen, waarin zij nu deelnemen en die dus als gevolg van de toepassing van de vernieuwde bepalingen tot gevolg hebben dat deze als extern verzelfstandigde agentschappen moeten worden gekwalificeerd, geldt dus een overgangsregeling. Voor de bestaande rechtspersonen gelden de bepalingen dus enkel vanaf het moment dat de overgangsregeling beëindigd is met name na de goedkeuringsbeslissing door de Vlaamse Regering van de statuten en in alle geval treden de bepalingen (ook van dit besluit) in werking uiterlijk 3 jaar na de inwerkingtreding van titel VII, Hoofdstuk II van de respectievelijke decreten. Het voorliggend besluit stemt de regeling in de mate van het mogelijke af op de regeling zoals die werd uitgewerkt voor de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en meer bepaald naar analogie met de bepalingen voorzien door het besluit van de Vlaamse Regering van 4 juni 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/08/1931 pub. 22/02/2001 numac 2001000150 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende de vaststelling van onverenigbaarheden en ontzeggingen betreffende de ministers, gewezen ministers en ministers van Staat, alsmede de leden en gewezen leden van de Wetgevende Kamers. - Duitse vertaling sluiten0 houdende vaststelling van de grenzen en de toekenningsvoorwaarden van het presentiegeld en de andere vergoedingen die in het kader van de bestuurlijke werking van een dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging kunnen worden toegekend. HOOFDSTUK I. - Autonome gemeente- en provinciebedrijven De regeling voor de autonome gemeente- en provinciebedrijven is quasi dezelfde gebleven, althans voor wat de bestuurlijke werking betreft. In de vroegere regeling had men als bestuursorgaan een raad van bestuur en een directiecomité (d.i. een afgevaardigd bestuurder en 4 bestuurders-directeurs). Thans is er een raad van bestuur en mogelijks een directiecomité of een gedelegeerd bestuurder. De raad van bestuur wordt nog steeds benoemd door de gemeente- of provincieraad (263ter, § 2, derde lid van de Nieuwe Gemeentewet, thans artikel 236, § 2, tweede lid van het Gemeentedecreet; 114sexies, § 2, derde lid van de Provinciewet, thans artikel 230 van het Provinciedecreet), en ook niet-gemeente- of niet-provincieraadsleden kunnen zoals vroeger zetelen in de raad van bestuur. Het directiecomité wordt zoals voorheen aangeduid door de raad van bestuur, met nu als bijkomende voorwaarde dat dit slechts mogelijk is indien de statuten toelaten dat bepaalde aangelegenheden aan haar worden toevertrouwd, maar de leden van het directiecomité moeten nog altijd, zoals vroeger, geen leden van de raad van bestuur zijn, en evenmin dienen dit raadsleden te zijn. Tot nog toe was voor de bezoldigingsregeling van de personen aangesteld in de bestuursorganen van deze autonome gemeente- en provinciebedrijven het volgende van toepassing. De statuten konden bepalen dat aan de leden van de raad van bestuur een bezoldiging werd toegekend, de gemeenteraad kon in de statuten de beslissingsbevoegdheid met betrekking tot de presentiegelden voor zich voorbehouden of deze overlaten aan de raad van bestuur van de autonome gemeente- en provinciebedrijven. De meeste statuten voorzagen dat dit presentiegeld, het presentiegeld dat toegekend wordt aan de gemeenteraadsleden, niet te boven gaat. Van belang is dat de statuten autonoom door de raad van bestuur nadien konden worden gewijzigd en aldus onttrokken waren aan de gemeente- of de provincieraad. De bepaling van een eventuele bezoldiging van de leden van het directiecomité was een prerogatief van de raad van bestuur, aangezien de wet het statuut van de leden van het directiecomité niet omschreef. Bij voorkeur diende de bezoldiging te worden opgenomen in de statuten. Deze werden opgesteld door de gemeenteraad maar de wijziging van de statuten was voorbehouden aan de autonomie van de raad van bestuur. Thans moet de beheersovereenkomst, een nieuwigheid, het presentiegeld en de andere vergoedingen, die in het kader van de bestuurlijke werking toegekend worden, bepalen en kan dit niet langer meer overgelaten worden aan de raad van bestuur. Bovendien moet dit gebeuren binnen de grenzen bepaald door de Vlaamse Regering. Deze grenzen worden met dit besluit aangegeven. Voor de gedeputeerden, de burgemeester en de schepenen geldt artikel 70, § 3 van het Gemeentedecreet en artikel 68, § 3 van het Provinciedecreet. Zij mogen geen aanvullende vergoedingen, wedden en presentiegelden ten laste van respectievelijk de provincie en de gemeente of de extern verzelfstandigde agentschappen van respectievelijk de provincie of de gemeente genieten, om welke reden of onder welke benaming ook. Aldus kunnen zij geen presentiegeld of een vergoeding ontvangen. Gemeente- en provincieraadsleden daarentegen kunnen wel vergoedingen en presentiegelden ontvangen ten laste van de autonome gemeente- en provinciebedrijven. Voor hen bestaat er geen 'wettelijk' beletsel. Niet alleen van de mandatarissen van de gemeente en de provincie doch van alle personen die deel uitmaken van de bestuursorganen dient de Vlaamse Regering de perken en de toekenningsvoorwaarden van vergoedingen en presentiegelden te bepalen. Zij (de niet-vertegenwoordigers van de gemeente en de provincie) worden in dit besluit op gelijke wijze vergoed. De bepalingen in de decreten verlenen tot slot slechts de bevoegdheid om de presentiegelden en de vergoedingen toegekend in het kader van de bestuurlijke werking toe te kennen. De bestuurlijke werking betreft in het geval van de autonome gemeente- en provinciebedrijven de raad van bestuur en desgevallend het directiecomité of een gedelegeerd bestuurder of nog, personeelsleden van het autonome bedrijf op voorwaarde dat ze subdelegatie verkregen van het directiecomité of de gedelegeerd bestuurder. Voor deze laatste personen wordt het niet wenselijk geacht dat zij een vergoeding verkrijgen, gezien ze personeelslid zijn. Ook de vergoedingen van de vereffenaars, vermeld in artikel 244, § 1, tweede lid van het Gemeentedecreet en 237, § 1, tweede lid van het Provinciedecreet wordt geregeld. Verder wordt er gesteld dat de personeelsleden van de gemeente of de provincie in het algemeen en dus ook bijvoorbeeld de secretaris, de provinciegriffier en de financieel beheerder niet kunnen worden vergoed voor prestaties die zij vervullen als deskundige in de raad van bestuur of het directiecomité of voor welke andere taken ook die zij uitoefenen. Deze taken worden als inherent aan de functie beschouwd en aldus worden zij vergoed door de wedde die ze ontvangen voor het uitoefenen van hun ambt. Dit wordt uitdrukkelijk gespecificeerd in het huidige besluit. Het lijkt overigens in dat verband van belang dat de besturen erop toezien dat er voldoende middelen ter beschikking worden gesteld en ondersteuning wordt aangeboden aan de personeelsleden van de gemeente, de provincie en hun respectievelijke extern verzelfstandigde agentschappen, die taken uitoefenen voor de autonome bedrijven. Filialen van autonome gemeente- en provinciebedrijven Voor wat betreft de filialen van autonome gemeente- en provinciebedrijven is er niet voorzien dat de regering de perken en de toekenningsvoorwaarden bepaalt van de presentiegelden en de vergoedingen. De Vlaamse Regering heeft hieromtrent geen uitvoeringsbevoegdheid, gezien het niet de bestuurlijke werking betreft van deze rechtspersonen, doch van de filialen. Evenwel is er bepaald voor de oprichting, deelname of vertegenwoordiging door autonome gemeente- of provinciebedrijven in andere rechtspersonen (de filialen dus), dat dit moet gebeuren in overeenstemming met de voorwaarden bepaald in de beheersovereenkomst. De hoogte van de presentiegelden en vergoedingen kan beschouwd worden als een voorwaarde en dit kan dus weliswaar geregeld worden in de beheersovereenkomst, doch de Vlaamse Regering heeft geen rechtsgrond om regelgevend op te treden. Slotbedenking : terminologie Er kan worden opgemerkt dat er in verband met de autonome gemeente- en provinciebedrijven gesproken wordt van een 'beheersovereenkomst'. Voor de extern verzelfstandigde agentschappen in privaatrechtelijke vorm spreekt men van een 'samenwerkingsovereenkomst'. HOOFDSTUK II. - Provinciale en gemeentelijke extern verzelfstandigde agentschappen in privaatrechtelijke vorm In de samenwerkingsovereenkomst van deze rechtspersonen met privaatrechtelijke vorm moet het presentiegeld en de andere vergoedingen die in het kader van de bestuurlijke werking worden verleend, worden bepaald. De Vlaamse Regering stelt de perken en de toekenningsvoorwaarden vast. Deze rechtsvorm bestond tot op heden niet. Van belang is dat de vertegenwoordigers van de gemeente of de provincie in de algemene vergadering door de raden uit hun leden worden verkozen : vertegenwoordigers van de gemeente en de provincie in de algemene vergadering zijn dus noodzakelijk allemaal gemeenteraadslid, schepen of burgemeester, hetzij provincieraadslid of gedeputeerde (artikel 246, § 2 van het Gemeentedecreet en artikel 239, § 2 van het Provinciedecreet). De gemeente of de provincie draagt steeds de meerderheid voor van de leden van de raad van bestuur van de vennootschap, vereniging of stichting. Voor de gedeputeerden, de burgemeester en de schepenen geldt artikel 70, § 3 van het Gemeentedecreet en artikel 68, § 3 van het Provinciedecreet. Zij mogen geen aanvullende vergoedingen, wedden en presentiegelden ten laste van de gemeente of de extern verzelfstandigde agentschappen van de gemeente of provincie genieten, om welke reden of onder welke benaming ook. Aldus kunnen zij geen presentiegeld of een vergoeding ontvangen. Gemeente- en provincieraadsleden daarentegen kunnen wel vergoedingen en presentiegelden ontvangen ten laste van de autonome gemeente- en provinciebedrijven. Voor hen bestaat er geen 'wettelijk' beletsel om vergoedingen dan wel presentiegelden te genieten. Ook voor de vertegenwoordigers van de andere rechtspersonen dienen de vergoedingen en presentiegelden te worden bepaald. De extern verzelfstandigde agentschappen in privaatrechtelijke vorm kunnen diverse rechtsvormen aannemen (dit is verschillend van de autonome bedrijven). A. Voor de verenigingen zonder winstoogmerk is er een algemene vergadering, een raad van bestuur en mogelijks een orgaan dat belast is met het dagelijkse bestuur. Deze persoon wordt vaak de afgevaardigd bestuurder of de gedelegeerd bestuurder genoemd. B.« De » stichting bestaat eigenlijk niet. Voor de stichtingen bestaan 2 vormen : de private stichting en de stichting van openbaar nut. Het lijkt weinig waarschijnlijk dat zal voldaan zijn aan de oprichtingsvoorwaarden voor de laatste rechtsvorm, gezien de voorwaarden van het doel dat deze moet nastreven. De stichting heeft geen algemene vergadering, wel een raad van bestuur en mogelijks een orgaan dat belast is met het dagelijkse bestuur. C.Voor wat de vennootschappen in de zin van het Wetboek van Vennootschappen betreft, bestaan er eveneens verschillende rechtsvormen : De maatschap, de tijdelijke handelsvennootschap en de stille handelsvennootschap hebben geen rechtspersoonlijkheid. Dat wetboek erkent als handelsvennootschap met rechtspersoonlijkheid : - de vennootschap onder firma, afgekort V.O.F.; - de gewone commanditaire vennootschap, afgekort Comm.V; - de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, afgekort BVBA; - de coöperatieve vennootschap, die zowel met beperkte aansprakelijkheid, afgekort CVBA, als met onbeperkte aansprakelijkheid, afgekort CVOA, kan zijn; - de naamloze vennootschap, afgekort NV; - de commanditaire vennootschap op aandelen, afgekort Comm. VA; - het economisch samenwerkingsverband, afgekort ESV; - de Europese vennootschap, afgekort SE. Het wetboek erkent tevens als burgerlijke vennootschap met rechtspersoonlijkheid de landbouwvennootschap, afgekort LV. Deze rechtspersoon staat niet open voor de gemeente of de provincie : immers kunnen alleen natuurlijke personen vennoten worden van deze vennootschap. Men spreekt in het Wetboek van Vennootschappen van zaakvoerders en van bestuurders. Er bestaat een raad van bestuur, een orgaan belast met het dagelijkse bestuur (gedelegeerd bestuurder en dagelijks bestuurder) en het directiecomité (voornamelijk in grote vennootschappen). Dit laatste is niet geregeld in het Wetboek van Vennootschappen, maar het bestaat en dit orgaan heeft de werkelijke leiding van de vennootschap. De bezoldiging van commissarissen is geregeld in artikel 134 van het Wetboek van Vennootschappen. Het wordt slechts opportuun geacht de vergoedingen en de presentiegelden te regelen van de bestuursorganen waar gebruikelijk een vergoeding aan wordt toegekend. De oprichting, vertegenwoordiging in of deelname aan rechtspersonen De regeling in de organieke decreten betreffende de oprichting, vertegenwoordiging of deelname aan rechtspersonen is samengevat als volgt. De gemeenten of provincies kunnen in beginsel niet deelnemen in rechtspersonen, noch deze oprichten of zich erin laten vertegenwoordigen, indien ze daartoe niet bij wet of decreet zijn gemachtigd. A. Als het gaat om een oprichting of participatie uit hoofde van de verzelfstandiging van gemeentelijke of provinciale taken, kan de rechtsgrond worden gevonden in het decreet. Ingevolge artikel 219, § 3 van het Provinciedecreet en artikel 225, § 3 van het Gemeentedecreet worden een aantal rechtspersonen aldus vermoed een extern verzelfstandigd agentschap te zijn (verzelfstandiging van gemeentelijke of provinciale taken). Eén van die weerlegbare vermoedens is dat indien één van de organen bestaat uit meer dan de helft van de vertegenwoordigers van de gemeente of de provincie, deze rechtspersonen worden vermoed een extern verzelfstandigd agentschap te zijn. Het feit dat de gemeente de meerderheid moet hebben van de vertegenwoordigers in de algemene vergadering van een extern verzelfstandigd agentschap moet hebben, is dus geen probleem in dat opzicht. Andere vermoedens werden ingesteld en deze zijn dat ofwel de financiële middelen voor meer dan de helft ten laste van het budget vallen (een vereniging zonder winstoogmerk die eenmalig een subsidie krijgt ten laste van het budget van gemeente of provincie en aldus voor dat jaar haar middelen voor meer dan de helft ten laste van het budget van de lokale overheid valt, is niet noodzakelijk een extern verzelfstandigd agentschap; het betreft immers een weerlegbaar vermoeden), ofwel dat de gemeente of haar vertegenwoordigers voor meer dan de helft stemrechten heeft in één of meer organen van de rechtspersoon. In dit verband moet worden benadrukt dat de vermoedens van de hiervoor genoemde artikelen 219, § 3 van het Provinciedecreet en 225, § 3 van het Gemeentedecreet weerlegbaar zijn. Dit heeft tot gevolg dat bepaalde vennootschappen vanaf heden gekwalificeerd zullen worden als een extern verzelfstandigd agentschap en derhalve onderworpen worden aan rigide regels en dus ook aan de regeling van de perken en de toekenningsvoorwaarden van presentiegelden en wedden, inachtgenomen de overgangsregeling waarvan hoger sprake is. B. Indien er geen sprake is van verzelfstandiging van de gemeentelijke of provinciale taken gelden de grenzen geregeld in het decreet : het moet gaan om verenigingen, stichtingen of vennootschappen met sociaal oogmerk die niet belast zijn met taken van gemeentelijk of provinciaal belang, maar waarbij participatie wel past in de gemeentelijke of provinciale opdrachten, hetzij om een oprichting, deelname of participatie in een PPS project, hetzij om een intergemeentelijke samenwerking in het kader van het decreet van de intergemeentelijke samenwerking. In dat verband vermeldt de memorie van toelichting onder meer als voorbeeld de deelname in allerlei overlegfora. Dergelijke deelname kan ongetwijfeld bijdragen tot het gemeentelijk belang. Hierdoor worden de sport- en culturele activiteiten van die verenigingen echter nog geen gemeentelijke taken (die enkel door de gemeente of gemeentelijke agentschappen uitgeoefend kunnen worden). Uitmaken of een deelname of oprichting samengaat met het toekennen van een gemeentelijke taak is niet steeds eenvoudig. Ter zake wordt echter een leidraad aan de gemeenten en de toezichthoudende overheid aangereikt via de vermoedens die worden ingesteld met artikel 219, § 3 van het Provinciedecreet en artikel 225, § 3 van het Gemeentedecreet. Heel wat deelnames van gemeenten en provincies in verenigingen, stichtingen en vennootschappen met sociaal oogmerk vallen onder deze regeling van artikel 195 van het Gemeentedecreet en artikel 188 van het Provinciedecreet. Deze zijn derhalve niet onderworpen aan de huidige reglementering (waarin men niet belast wordt met taken van gemeentelijk belang maar met opdrachten). C. Andere participaties in vennootschappen, met uitzondering van de vennootschap met sociaal oogmerk, zijn dus niet toelaatbaar, tenzij er een specifieke wettelijke of decretale bepaling bestaat. Zo is er bijvoorbeeld artikel 180 van de wet van 21 december 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/1994 pub. 07/03/2012 numac 2012000130 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende sociale en diverse bepalingen . - Duitse vertaling van uittreksels sluiten, dat de gemeenten machtigt om te participeren in bedrijven voor productie, vervoer en distributie van energie. Algemene opmerkingen Teneinde de perken en de toekenningsvoorwaarden te bepalen van de vergoedingen, wordt geen allesomvattende regeling gemaakt, maar wordt er verwezen naar de regeling die geldt voor respectievelijk de provinciale en de gemeentelijke raadsleden inzake de vergoeding voor de kosten. Deze worden onder meer bepaald in de titel betreffende de bepaling grenzen waarbinnen de raad kan beslissen welke specifieke kosten, gemaakt bij de uitoefening van de mandaten, voor terugbetaling in aanmerking komen aan de raadsleden, de voorzitters van de raden, de commissievoorzitters en wat betreft de provincieraad, de bureauleden en de fractievoorzitters en tot bepaling van de nadere regels tot terugbetaling van de kosten van de niet-uitvoerende mandatarissen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, gemaakt bij de uitvoering van de opdrachten, die hen door de raad in het kader van zijn bevoegdheden uitdrukkelijk werden toevertrouwd en tot bepaling van de grenzen van de financiering van de fracties Het staat vrij aan de raden om (via de goedkeuring van de beheersovereenkomst hetzij de samenwerkingsovereenkomst) de vergoedingen binnen deze contouren te regelen. Er kan bovendien worden herinnerd aan het feit dat de beheersovereenkomst en de samenwerkingsovereenkomst dient verzonden te worden aan de Vlaamse Regering en aan de gouverneur. Teneinde een zekere controle te waarborgen op deze aangelegenheid wordt ook een taak toebedeeld aan de externe auditcommissie. De desbetreffende bepalingen treden slechts in werking op een later door de regering te bepalen datum. TITEL VII. - BEPALING VAN DE GRENZEN WAARBINNEN DE RAAD KAN BESLISSEN WELKE SPECIFIEKE KOSTEN, GEMAAKT BIJ DE UITOEFENING VAN DE MANDATEN, VOOR TERUGBETALING IN AANMERKING KOMEN AAN DE RAADSLEDEN, DE VOORZITTERS VAN DE RADEN, DE COMMISSIEVOORZITTERS EN WAT BETREFT DE PROVINCIERAAD, DE BUREAULEDEN EN DE FRACTIEVOORZITTERS EN TOT BEPALING VAN DE NADERE REGELS TOT TERUGBETALING VAN DE KOSTEN VAN DE NIET-UITVOERENDE MANDATARISSEN VAN HET OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN, GEMAAKT BIJ DE UITVOERING VAN DE OPDRACHTEN, DIE HEN DOOR DE RAAD IN HET KADER VAN ZIJN BEVOEGDHEDEN UITDRUKKELIJK WERDEN TOEVERTROUWD EN TOT BEPALING VAN DE GRENZEN VAN DE FINANCIERING VAN DE FRACTIES Deze titel strekt ertoe o.m. uitvoering te geven aan artikel 17, § 3, 38, § 2 en 273, § 3 van het Gemeentedecreet alsmede aan artikel 17, § 3 en 38, tweede lid van het Provinciedecreet alsmede aan artikel 38, negende lid van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. De genoemde artikelen dragen de Vlaamse Regering eerst op om de grenzen te bepalen waarbinnen de gemeente-, districts- of provincieraad kan bepalen welke specifieke kosten die verband houden met de uitoefening van het mandaat van raadslid, voorzitter van de raad, de fractie- of de commissievoorzitter en de leden van het bureau van de provincieraad voor terugbetaling in aanmerking komen. Vervolgens kan de Vlaamse Regering, wat betreft de voorzitter, de ondervoorzitter en de raadsleden van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor de kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van opdrachten die hen door de raad in het kader van zijn bevoegdheden uitdrukkelijk worden toevertrouwd, nadere regels bepalen. Aangaande de uitvoerende mandatarissen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn werd verkozen de desbetreffende bepaling in de organieke wet niet uit te voeren. Immers werd er voor de gemeentelijke uitvoerende mandatarissen in het Gemeentedecreet evenmin voorzien dat deze bepaling door de Vlaamse regering zou uitgevoerd worden. Tot slot dient de Vlaamse Regering de grenzen te bepalen voor de financiering van de fracties, waarvan het huishoudelijk reglement de regels vaststelt. Voor wat de gemeenten, de provincies en de districten betreft, zijn deze bepalingen nieuw en derhalve bestond er geen uitvoeringsbesluit. Voor de openbare centra bestond er al een wettelijke bepaling, doch het werd tot nog toe niet opportuun geacht om deze bepaling uit te voeren, behoudens dan eventueel de herhaling in artikel 2, eerste lid van het besluit van 22 september 1998 van de Vlaamse Regering betreffende de bezoldiging van de voorzitters en de presentiegelden van de leden van de raden voor maatschappelijk welzijn. Het voorliggende besluit werkt een eenvormige regeling uit voor deze mandatarissen. Hierbij kan worden opgemerkt dat voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wel een uitvoeringsbevoegdheid werd voorzien voor de uitvoerende mandatarissen. Deze titel wordt ingedeeld in 3 hoofdstukken, te weten, een hoofdstuk over de specifieke kosten van de raadsleden van de gemeente, het district en de provincie alsmede over de terugbetaling van de kosten van de niet-uitvoerende mandatarissen van de openbare centra, een tweede hoofdstuk over de modaliteiten en voorwaarden van de toekenning van de kosten en het derde hoofdstuk over de fractietoelagen. HOOFDSTUK I. - Soorten kostenvergoedingen De decreetgever stelde in de memorie van toelichting van zowel het Gemeentedecreet als het Provinciedecreet dat « het gaat dan om een effectieve terugbetaling van kosten van werkelijk gemaakte en bewezen kosten, die voortvloeien uit het mandaat ». De bewoordingen « bewezen » duiden er op dat er geen forfaitaire kosten kunnen worden aanvaard. Hoewel de Vlaamse Regering in beginsel niet aan deze commentaar in de memorie is gebonden, heeft zij het toch wenselijk geacht om slechts de werkelijk bewezen kosten te aanvaarden, behoudens hetgeen gesteld wordt in verband met de vergoedingen verleend aan de voorzitter, de fractievoorzitter en de commissievoorzitter van de provincieraad. Tot nog toe mochten de genoemde personen naast het presentiegeld in beginsel geen andere vergoedingen ontvangen. Immers, het presentiegeld werd geacht een vergoeding te zijn voor alle verplichtingen die inherent zijn aan het mandaat. Zij konden wel een terugbetaling bekomen van de kosten die zij hebben gemaakt in de uitoefening van hun mandaat, op voorwaarde dat zij die kosten bewezen. Dit was zo verwoord in een omzendbrief van de Minister bevoegd voor de binnenlandse aangelegenheden BA 98/01 en de aanvulling hierop door omzendbrief BA 2001/0 2. Ook voor de provinciale mandatarissen was dit daarin zo bepaald. De casuïstiek die ontstond ingevolge de rechtsleer, de omzendbrieven, de parlementaire vragen en de administratieve praktijk wordt door dit besluit niet gewijzigd. Wel worden er een aantal voorwaarden opgelegd, waaraan de kosten dienen te voldoen. In tegenstelling tot wat in de wet bepaald werd voor de uitvoerende en niet-uitvoerende mandatarissen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn werd er geen decretaal recht op terugbetaling van de kosten ingeschreven in de decreten. Het werd aan het oordeel van de gemeente-, districts- en provincieraden overgelaten om te bepalen of de kosten al dan niet werden terugbetaald en hierbij is de raad slechts gebonden door de grenzen bepaald door de Vlaamse Regering. Met andere woorden, voor hen werd er geen recht gecreëerd op terugbetaling van de kosten. Ingeval de voorzitter van de districtsraad ook voorzitter is van het districtscollege, ingeval de voorzitter van de gemeenteraad tevens burgemeester is of schepen, of ingeval een gedeputeerde tevens voorzitter van de provincieraad is, bestaat er een verschillende regeling van de kosten. Enerzijds, de kostenregeling als het hoofd van het uitvoerend orgaan en anderzijds als het hoofd van het vertegenwoordigend wetgevend orgaan. De hiernavolgende lezing van de beoogde artikelen en een vergelijking met de cumul van vergoedingen dringt zich op. Wat betreft de mogelijke cumulatie van de wedde of het presentiegeld is de problematiek duidelijk, gezien de mandatarissen de wedde van de uitvoerende mandataris verkrijgen en geen presentiegeld mogen ontvangen, ook niet wat betreft de functie van voorzitter. Immers mogen zij geen andere vergoedingen, wedden en presentiegelden ontvangen ten laste van het bestuur. Dit werd uitdrukkelijk zo bepaald in het decreet. Wat betreft de gemeenten kan het volgende worden gesteld. Aangaande de kosten werd voorzien dat de gemeenteraad bepaalt welke specifieke kosten die verband houden met de uitoefening van het mandaat van burgemeester en schepenen voor terugbetaling in aanmerking komen, evenwel zonder dat de grenzen bepaald worden door de Vlaamse Regering. Zij kunnen dus terugbetaling van de kosten verkrijgen die verband houden met de uitoefening van het mandaat als schepen of als burgemeester, en die regeling valt onder artikel 70, § 2 van het Gemeentedecreet. De Vlaamse Regering komt hierin niet tussen. Wat betreft de kosten die verbonden zijn aan de uitoefening van het mandaat als voorzitter van de gemeenteraad, zijn die personen onderworpen aan artikel 17, § 3 van het Gemeentedecreet en de gemeenteraad kan dan enkel binnen de voorwaarden gesteld in dit besluit beslissen dat bepaalde kosten voor terugbetaling in aanmerking komen. Men moet aldus kijken in welke hoedanigheid zij deze kosten maakten. Wat betreft de districten is de problematiek gelijkluidend. Er wordt, wat betreft de voorzitter van de districtsraad en de voorzitter van het districtscollege een overeenkomstige regeling uitgewerkt door de verwijzing respectievelijk in artikel 273, § 3 en 274, § 5 van het Gemeentedecreet naar de bepalingen van artikel 17 en 70 van het Gemeentedecreet. Er wordt gesteld in de beide artikelen dat de voorzitter van de districtsraad in de plaats treedt van de voorzitter van de gemeenteraad. Ook voor hen, indien er zich een cumul van functies voordoet van enerzijds voorzitter of lid van het districtscollege en anderzijds voorzitter van de districtsraad, zijn ze voor de kosten die gemaakt werden in de hoedanigheid van voorzitter van de raad onderworpen aan het voorschrift van artikel 17, § 3, waarvoor de Vlaamse Regering de grenzen bepaalt bij dit besluit. Wat betreft de kosten gemaakt in de uitoefening van de functie van uitvoerend mandataris van het district zijn ze onderworpen aan het voorschrift van artikel 70, § 2 van het Gemeentedecreet, waarvoor de gemeenteraad soeverein (zonder dat grenzen werden bepaald door de regering) bepaalt welke kosten voor terugbetaling in aanmerking komen. Voor wat de provincies aangaat, ontvangt de gedeputeerde in de uitoefening van dat ambt een forfaitaire kostenvergoeding. Indien hij ook voorzitter is van de raad, kan hij voor de kosten die dat ambt betreffen, terugbetaling verkrijgen volgens artikel 17, § 3 van het Provinciedecreet, uitgevoerd door dit besluit. De uitvoeringsbevoegdheid voor de kosten gemaakt door de provincieraadsleden omvatten bovendien niet de verplaatsingsvergoedingen (vergoedingen voor reiskosten). Hiervoor werd een allesomvattende regeling ingeschreven in artikel 17, § 4 van het Provinciedecreet, zodat de Vlaamse Regering geen uitvoeringsbevoegdheid heeft. Voor de gemeente- en districtsraadsleden maken deze vergoedingen daarentegen wel deel uit van de regeling van de kosten en heeft de Vlaamse Regering dus wel de bevoegdheid om de grenzen te bepalen van de terugbetaling van deze kosten door de raden. Er wordt bovendien geopteerd om niet zozeer met absolute cijfers de kosten te begrenzen. De terugbetaling van de kosten wordt onderworpen aan drie cumulatieve voorwaarden : - de kosten moeten verband houden met de uitoefening van het mandaat; - ze moeten noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het mandaat; - ze moeten bewezen worden. De volgende voorbeelden kunnen verduidelijken wat er onder meer bedoeld wordt met deze kosten : De kosten kunnen voornamelijk betrekking hebben op de terugbetaling van kosten die een gezinsvriendelijk karakter hebben (zoals kinderopvang, occasionele opvang, e.d.) of verband houden met specifieke noden van personen met een handicap (doventolk, kosten verbonden aan assistentie, e.d.), de kosten die betrekking hebben op de verzekering van de raadsleden, de kosten die betrekking hebben op de communicatie (zoals telefoon, internet, een personal computer, e.d.) en de werking (fax en kopieerapparaat), mobiliteitskosten (wagen, reis- en verblijfkosten van de mandatarissen), representatiekosten, alsmede kosten voor vorming van de mandatarissen. Ook verplaatsingskosten kunnen worden toegestaan. De term 'verplaatsingen' slaat o.m. op vergaderingen van de gemeenteraad of het college of op culturele of sportieve manifestaties of om zich naar het stadhuis te begeven voor de normale werkzaamheden. Het heeft slechts betrekking op verplaatsingen binnen de gemeente. Kosten gemaakt door de raadsleden met een handicap, vermeld in artikel 18 van zowel het Gemeente- als het Provinciedecreet en artikel 273, § 3 van het Gemeentedecreet, die noodzakelijk zijn om hun ambt naar behoren te laten vervullen, kunnen enkel worden aanvaard indien deze personen hiervoor geen tussenkomst kunnen genieten van andere instanties en bovendien slechts in de mate dat deze kosten zonder de uitoefening van dat ambt niet zouden worden gedaan. Het spreekt voor zich dat een zeer slechtziende, mindervalide persoon ook in gewone omstandigheden optische instrumenten behoeft en dat deze kosten dus niet worden veroorzaakt door een ambt als raadslid of dat een rolstoel ook nodig is zonder de vervulling van dat ambt. Hiervoor dient beroep te worden gedaan op de geëigende tussenkomsten en voorzieningen, die voor iedereen gelden. In plaats van de terugbetaling van de kosten van een internetaansluiting of een pc, kan men als bestuur ook opteren voor het gratis ter beschikking stellen van deze voorwerpen of diensten. Evenwel zal dit dan in hoofde van de betrokken mandataris een voordeel van alle aard opleveren, dat belastbaar is, indien die personal computer ook voor persoonlijke doeleinden wordt gebruikt. In het genoemde voorbeeld bedraagt dit belastbare voordeel (artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 maart 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/10/1921 pub. 24/05/2000 numac 2000000083 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen Duitse vertaling sluiten2 tot wijziging van het KB/WIB 92 en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van artikel 396 van de programmawet van 24 december 2002) 180 euro voor een PC en 60 euro voor een internetaansluiting met abonnement. Wat betreft de gemeente-, districts- en provincieraadsleden, hun voorzitter, de commissievoorzitter en de bureauleden en de fractievoorzitter van de provincieraad, kunnen de raden beslissen welke kosten ze terugbetalen. Dit volgt uit de tekst van het decreet en hoeft dan ook niet te worden herhaald in de tekst van het besluit. De voorzitter van de provincieraad kan bovendien een jaarvergoeding van maximaal 10.712,76 euro ontvangen. Aan de fractievoorzitters van de provincieraad kan een jaarvergoeding van maximaal 1.785,46 euro worden toegekend. Aan de commissievoorzitter van de provincieraad kan een jaarvergoeding van maximaal 1.071,28 euro worden toegekend. Indien de ondervoorzitter hem vervangt, ontvangt hij een dubbel presentiegeld. De bedragen worden gekoppeld aan de spilindex 138, 01. Concreet houdt dit in dat de bedragen 10.712,76 euro, 1.785,46 euro en 1.071,28 euro op datum van inwerkingtreding van dit besluit respectievelijk 15.000 euro, 2.500 euro en 1.500 euro bedragen (men moet de basisbedragen thans met 1,4002 vermenigvuldigen). Deze algemene vergoeding dient specifieke onkosten te verantwoorden, en de tekst van het decreet verbiedt geen forfaitaire uitkering voor deze specifiek gemaakte kosten. Welke regeling op plaatselijk vlak ook moge aangenomen worden, steeds dient erover gewaakt te worden dat de gemeente-, districts- of provinciekas niet de persoonlijke kosten van de mandataris te dragen heeft. Het spreekt voor zich dat teneinde de kwaliteit te bevorderen van het bestuurlijke apparaat, de raden waken over de nodige materiële faciliteiten die voor de bestuurders nodig zijn om hun mandaat naar behoren te kunnen uitoefenen. Bovendien bestaan er nog andere systemen dan de terugbetaling van kosten die tot gevolg hebben dat een aantal kosten niet meer ten laste van de mandatarissen komen. Immers, de mandatarissen zijn gerechtigd om de kosten, die zij maken, in te brengen als aftrekbare kosten en het is bovendien zo dat voor de mandatarissen werd voorzien in een speciaal kostenforfait. Ook deze overwegingen dienen de besturen in acht te nemen bij het verlenen van de terugbetaling van kosten. Ook in een kleine gemeente kan het relevant zijn dat raadsleden vormingssessies volgen over bijvoorbeeld het Gemeentedecreet of het gemeentelijke budget. Uiteindelijk moeten er overal kwaliteitsvolle raadsleden aanwezig zijn. Als mensen proberen hun mandaat beter uit te oefenen, moet men een compensatie van de kosten aanbieden. In veel gemeenten worden al toelagen aan fracties gegeven, precies om vorming te kunnen volgen en publicaties te kunnen kopen. Hierdoor worden mensen gestimuleerd en ontstaat de mogelijkheid dat raadsleden zich inhoudelijk voorbereiden. Kosten van niet-uitvoerende mandatarissen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn In tegenstelling tot de regeling zoals die geldt voor de provinciale, gemeentelijke en districtsraadsleden is voor alle uitvoerende en niet-uitvoerende mandatarissen van het openba

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.