← België

Besluit van de Vlaamse Regering inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen

In het kort

Dit besluit van de Vlaamse Regering regelt de handel in emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen, met als doel de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Het stelt regels vast voor de toewijzing en het gebruik van deze rechten binnen Vlaanderen.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

📄 Wettekst
20 APRIL 2012. - Besluit van de Vlaamse Regering inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen De Vlaamse Regering, Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, artikel 20, eerste lid, laatst gewijzigd bij decreet van 22 december 1993; Gelet op het decreet van 22 februari 1995 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, artikel 2, laatst gewijzigd bij decreet van 16 juni 2006; Gelet op het Energie decreet van 8 mei 2009Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/05/2009 pub. 06/07/2009 numac 2009035588 bron vlaamse overheid Decreet tot wijziging van het decreet van 22 december 2006 houdende eisen en handhavingsmaatregelen op het vlak van de energieprestaties en het binnenklimaat van gebouwen en tot invoering van een energieprestatiecertificaat en tot wijziging van artikel 22 van het REG-decreet type decreet prom. 08/05/2009 pub. 09/06/2009 numac 2009035487 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van het REG-decreet van 2 april 2004, wat de uitbreiding tot luchtvaartactiviteiten betreft type decreet prom. 08/05/2009 pub. 07/07/2009 numac 2009035580 bron vlaamse overheid Decreet houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid type decreet prom. 08/05/2009 pub. 06/07/2009 numac 2009202546 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de diepe ondergrond sluiten, artikel 8.6.1., artikel 8.7.1., artikel 9.1.1., artikel 9.1.4., artikel 13.5.1., artikel 13.5.4. en artikel 14.3.9.; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 1995 betreffende de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, artikel 1, laatst gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 6 mei 2011; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 07/12/2007 pub. 27/12/2007 numac 2007037301 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen sluiten inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 26 oktober 2011; Gelet op advies 50.695/3 van de Raad van State, gegeven op 20 december 2011, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het advies van Minaraad en SERV, gegeven op 1 maart 2012; Overwegende richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad, gewijzigd bij richtlijn 2004/101/EG van 27 oktober 2004 en gewijzigd bij richtlijn 2008/101/EG van 19 november 2008; Overwegende richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden; Overwegende het besluit van de Commissie van 24 december 2009 tot vaststelling, overeenkomstig richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een lijst van bedrijfstakken en deel takken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico, gewijzigd bij besluit van de Commissie van 11 november 2011; Overwegende het besluit van de Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10bis van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, gewijzigd bij besluit van de Commissie van 11 november 2011; Overwegende het Benchmarking-convenant over energie-efficiëntie in de industrie, goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 29 november 2002; Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur; Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK 1. - Definities Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder : 1° aanvrager : persoon die een verzoek om goedkeuring van een projectactiviteit indient bij de Vlaamse minister;2° afdeling : de afdeling van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, bevoegd voor luchtverontreiniging;3° annuleren van emissierechten : het ongeldig of onbruikbaar maken van emissierechten;4° bevoegde autoriteit : de instantie aangeduid voor enkele specifieke taken vermeld in verordening (EG) nr.2216/2004 van de Commissie van 21 december 2004 inzake een gestandaardiseerd en beveiligd registersysteem overeenkomstig richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en beschikking 280/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad, en vermeld in het besluit van de Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10bis van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad; 5° BKG-inrichting : een inrichting die in de vierde kolom van de indelingslijst in bijlage 1 van titel I van het VLAREM is aangeduid met de letter Y, en die de vaste technische eenheid omvat waarin de activiteiten en processen, vermeld in de tweede kolom, alsmede andere daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten, plaatsvinden die technisch in verband staan met de op die plaats ten uitvoer gebrachte activiteiten, en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;6° BKG-installatie : a) in het kader van de eerste verbintenisperiode, een BKG-inrichting;b) in het kader van de tweede verbintenisperiode, een installatie waar een activiteit wordt verricht als vermeld in bijlage 2;7° broeikasgassen : koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4), distikstofoxide (N2O), fluorkoolwaterstoffen (HFK's), perfluorkoolstoffen (PFK's) of zwavelhexafluoride (SF6) en andere gasvormige bestanddelen van de atmosfeer, zowel natuurlijke als antropogene, die infrarode straling absorberen en weer uitstralen;8° CDM-projectactiviteit : een activiteit die door een of meer partijen uit bijlage I is goedgekeurd in overeenstemming met artikel 12 van het Protocol van Kyoto, en met de besluiten die overeenkomstig het UNFCCC of het Protocol van Kyoto zijn genomen;9° eerste verbintenisperiode : de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012;10° emissierecht : een overdraagbaar recht om gedurende een bepaalde periode één ton CO2-equivalent aan broeikasgassen uit te stoten;11° emissiereductie-eenheid, afgekort ERU : een eenheid die is verleend overeenkomstig artikel 6 van het Protocol van Kyoto en de besluiten die overeenkomstig het UNFCCC of het Protocol van Kyoto zijn genomen;12° exploitant : de houder van de milieuvergunning van een BKG-inrichting;13° exploitant van een BKG-installatie : a) in het kader van de eerste verbintenisperiode, een exploitant;b) in het kader van de tweede verbintenisperiode, de houder(s) van de milieuvergunning(en) van de BKG-installatie;14° gecertificeerde emissiereductie, afgekort CER : een eenheid die is verleend overeenkomstig artikel 12 van het Protocol van Kyoto en de besluiten die overeenkomstig het UNFCCC of het Protocol van Kyoto zijn genomen;15° goedkeuring van een projectactiviteit : de goedkeuring van een JI-projectactiviteit, zoals vermeld in artikel 6, § 1, a), van het Protocol van Kyoto of de goedkeuring van de vrijwillige deelname aan een CDM-projectactiviteit, zoals vermeld in artikel 12, § 5, punt a), van het Protocol van Kyoto.Als dat van toepassing is, omvat de verleende goedkeuring mede de machtiging van personen om aan die projectactiviteit deel te nemen overeenkomstig de bepalingen van artikel 6 of 12 van het Protocol van Kyoto en van de relevante besluiten die genomen zijn ter uitvoering ervan; 16° handelsperiode : de eerste verbintenisperiode of de tweede verbintenisperiode;17° jaarlijkse emissieruimte : de in een Europese lidstaat maximaal toegestane hoeveelheid broeikasgasemissies per jaar in de tweede verbintenisperiode;18° JI-projectactiviteit : een activiteit die door een of meer partijen uit bijlage I is goedgekeurd in overeenstemming met artikel 6 van het Protocol van Kyoto, en met de besluiten die overeenkomstig het UNFCCC of het Protocol van Kyoto zijn genomen;19° Kyoto-eenheid : een AAU, een RMU, een ERU of een CER;20° minst ontwikkeld land : land dat als zodanig is vastgesteld door de Verenigde Naties;21° Nationale Klimaatcommissie : de commissie, opgericht bij artikel 3 van het samenwerkingsakkoord van 14 november 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende het opstellen, het uitvoeren en het opvolgen van een Nationaal Klimaatplan, alsook het rapporteren, in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering en het Protocol van Kyoto;22° nieuwkomer : a) tijdens de eerste verbintenisperiode, een BKG-inrichting, als vermeld in het toewijzingsplan dat voor de eerste verbintenisperiode van toepassing is;b) tijdens de tweede verbintenisperiode, een BKG-installatie als vermeld in de toewijzingsregels die voor de tweede verbintenisperiode van toepassing zijn en die zijn opgenomen in bijlage 3;23° partij uit bijlage I : een partij als vermeld in bijlage I van het UNFCCC die het Protocol van Kyoto heeft geratificeerd, zoals bepaald in artikel 1(7) van het Protocol van Kyoto;24° persoon : een natuurlijk persoon of rechtspersoon;25° projectactiviteit : een activiteit die door een of meer partijen uit bijlage I is goedgekeurd in overeenstemming met artikel 6 of artikel 12 van het Protocol van Kyoto, en met de besluiten die overeenkomstig het UNFCCC of het Protocol van Kyoto zijn genomen;26° Protocol van Kyoto : het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering van 9 mei 1992, van 11 december 1997;27° publieke bekendmaking : het op de hoogte brengen van de bevolking door bekendmaking in drie Vlaamse dagbladen met nationale verspreiding, door bekendmaking en inzage via het internet, en door het inzagerecht tijdens de kantooruren op de afdeling;28° redelijke mate van zekerheid : een hoge maar niet absolute mate van zekerheid, vervat in een uitdrukkelijk verificatierapport, ten aanzien van de vraag of de te verifiëren gegevens vrij zijn van beduidende onjuiste opgaven;29° registeradministrateur : de persoon of personen die het nationaal register beheert of beheren en bijhoudt of bijhouden overeenkomstig de eisen van de richtlijn, gewijzigd bij richtlijn 2004/101/EG, beschikking 240/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad, en verordening (EG) nr.2216/2004 van de Commissie van 21 december 2004 inzake een gestandaardiseerd en beveiligd registersysteem overeenkomstig richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en beschikking 280/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad; 30° richtlijn : richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad;31° titel I van het VLAREM : het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning;32° titel II van het VLAREM : het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;33° toegewezen eenheid, afgekort AAU : een eenheid die overeenkomstig artikel 7, derde lid, van Beschikking 280/2004/EG is verleend;34° toewijzingsplan : het plan dat voor de eerste verbintenisperiode aangeeft hoe emissierechten worden toegewezen aan exploitanten van BKG-inrichtingen en dat minstens de elementen bevat uit bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd;35° toewijzingsreserve : de hoeveelheid emissierechten die bij het opstellen van het toewijzingsplan wordt vastgelegd, en die voor de eerste verbintenisperiode kan worden toegewezen aan nieuwkomers;36° ton CO2-equivalent : een metrische ton koolstofdioxide (CO2) of een hoeveelheid van een ander broeikasgas met een gelijkwaardig aardopwarmingspotentieel;37° tweede verbintenisperiode : de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2020;38° UNFCCC : het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering van 9 mei 1992;39° verbranden : het oxideren van brandstoffen, ongeacht de wijze waarop de warmte, de elektrische of de mechanische energie die tijdens dit proces vrijkomt wordt gebruikt, en andere rechtstreeks daarmee verband houdende activiteiten, met inbegrip van rookgasreiniging;40° verificatiebureau : de organisatie die aangesteld is om de correcte uitvoering van het Benchmarking-convenant over energie-efficiëntie in de industrie, zoals goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 29 november 2002, te bewaken, vermeld in artikel 10 van voormeld convenant;41° verwijderingseenheid, afgekort RMU : een eenheid die overeenkomstig artikel 3 van het Protocol van Kyoto is verleend;42° Vlaamse minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu;43° werkelijke opstartdatum : de datum zoals bepaald in het toewijzingsplan dat voor de eerste verbintenisperiode van toepassing is. HOOFDSTUK 2. - De opstelling van een toewijzingsplan voor de eerste verbintenisperiode Art. 2.Uiterlijk vierentwintig maanden voor het begin van de eerste verbintenisperiode leggen de Vlaamse minister en de Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, een voorstel van toewijzingsplan voor de eerste verbintenisperiode ter goedkeuring voor aan de Vlaamse Regering. Art. 3.Het voorstel van toewijzingsplan, zoals goedgekeurd door de Vlaamse Regering, wordt publiek bekendgemaakt. Iedereen kan, vanaf de dag van de publieke bekendmaking, gedurende dertig dagen opmerkingen over het voorstel van toewijzingsplan indienen bij de afdeling. Tegelijkertijd met de publieke bekendmaking wordt het voorstel van toewijzingsplan voor advies aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen en de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen bezorgd. Art. 4.Uiterlijk twintig maanden voor het begin van de eerste verbintenisperiode leggen de Vlaamse minister en de Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, een ontwerp van toewijzingsplan voor de eerste verbintenisperiode ter goedkeuring voor aan de Vlaamse Regering. In dat ontwerp van toewijzingsplan wordt tevens aangegeven hoe werd ingegaan op de opmerkingen en adviezen die overeenkomstig artikel 3, tweede en derde lid, werden ingediend en verstrekt. Het ontwerp van toewijzingsplan dat door de Vlaamse Regering werd goedgekeurd, wordt aan de voorzitter van de Nationale Klimaatcommissie bezorgd. Na de integratie van het ontwerp van toewijzingsplan in het ontwerp van nationaal toewijzingsplan, deelt hij dat mee aan de Europese Commissie. Art. 5.Na de ontvangst van de vragen of opmerkingen van de Europese Commissie wordt het ontwerp van toewijzingsplan publiek bekendgemaakt. Iedereen kan vanaf de dag van de publieke bekendmaking gedurende dertig dagen opmerkingen over het ontwerp van toewijzingsplan bij de afdeling indienen. Art. 6.Na afloop van de periode, vermeld in artikel 5, en na ontvangst van de beschikking van de Europese Commissie, leggen de Vlaamse minister en de Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, een definitief ontwerp van toewijzingsplan voor de eerste verbintenisperiode ter goedkeuring voor aan de Vlaamse Regering. In dat definitieve ontwerp van toewijzingsplan wordt tevens aangegeven hoe werd ingegaan op de vragen of opmerkingen van de Europese Commissie en het publiek, vermeld in artikel 5. Het definitieve toewijzingsplan dat door de Vlaamse Regering werd goedgekeurd, wordt op het internet en bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. HOOFDSTUK 3. - De toewijzing, de verlening, de stopzetting van de verlening, de geldigheid en de annulering van emissierechten tijdens de eerste verbintenisperiode Afdeling 1. - De toewijzing van emissierechten aan BKG-inrichtingen tijdens de eerste verbintenisperiode Onderafdeling 1. - De toewijzing van emissierechten aan bestaande BKG-inrichtingen tijdens de eerste verbintenisperiode Art. 7.De hoeveelheid emissierechten die voor de eerste verbintenisperiode aan de exploitant van een BKG-inrichting wordt toegewezen, wordt bepaald volgens de rekenregels en voorschriften die vervat zijn in het toewijzingsplan dat voor de eerste verbintenisperiode van toepassing is. Onderafdeling 2. - De toewijzing van emissierechten aan nieuwkomers tijdens de eerste verbintenisperiode Art. 8.De hoeveelheid emissierechten die aan een nieuwkomer wordt toegewezen, wordt bepaald volgens de rekenregels en voorschriften die vervat zijn in het toewijzingsplan dat voor de eerste verbintenisperiode van toepassing is. Art. 9.§ 1. Nieuwkomers kunnen na het verkrijgen van een milieuvergunning en voor de werkelijke opstartdatum, emissierechten laten reserveren binnen de toewijzingsreserve. Ze dienen daarvoor een aanvraag in bij de afdeling. Die aanvraag moet verstuurd worden met een aangetekende brief en de ontvangstdatum ervan is bepalend voor de volgorde van de behandeling van de reserveringsaanvragen. § 2. De aanvraag bevat minstens de volgende elementen : 1° een beschrijving van de nieuwkomer;2° een motivering van de nieuwkomer waarom hij voldoet aan de definitie van nieuwkomer, vermeld in het toewijzingsplan dat voor de eerste verbintenisperiode van toepassing is;3° het bewijs dat de milieuvergunning voor de nieuwkomer werd verleend in eerste aanleg en dat er geen ontvankelijk administratief beroep tegen werd ingesteld, of een bewijs dat de milieuvergunning in beroep werd verleend;4° de verwachte opstartdatum en een zo getrouw mogelijke weergave van de tijdslijn van de bouwfase tot de verwachte opstartdatum;5° de best mogelijke inschatting van de factoren die worden vermeld in de toepasselijke toewijzingsformule voor de nieuwkomer, vermeld in het toewijzingsplan dat voor de eerste verbintenisperiode van toepassing is;6° in voorkomend geval, de best mogelijke inschatting van de invloed van de nieuwkomer op de bestaande BKG-inrichting, vermeld in het toewijzingsplan dat voor de eerste verbintenisperiode van toepassing is;7° een door een gemandateerde van de nieuwkomer ondertekende verklaring waarin wordt bevestigd dat de aangeleverde gegevens zo nauwkeurig, juist en volledig mogelijk zijn aangeleverd. § 3. Binnen veertien dagen na ontvangst van de reserveringsaanvraag beslist de afdeling of de aanvraag volledig is en brengt ze de nieuwkomer op de hoogte van haar beslissing. Als de reserveringsaanvraag onvolledig is, kan de nieuwkomer een nieuwe aanvraag indienen. Binnen zestig dagen na ontvangst van de reserveringsaanvraag brengt de afdeling een gemotiveerd advies uit over : 1° de verenigbaarheid van de elementen uit de reserveringsaanvraag met de definitie van nieuwkomer, vermeld in het toewijzingsplan dat voor de eerste verbintenisperiode van toepassing is;2° de te reserveren hoeveelheid emissierechten voor de nieuwkomer voor de resterende jaren van de eerste verbintenisperiode, rekening houdend met de verwachte opstartdatum van de nieuwkomer.De afdeling kan in voorkomend geval een beroep doen op het verificatiebureau. Binnen negentig dagen na ontvangst van de reserveringsaanvraag beslist de Vlaamse minister over de reservering van emissierechten. In geval van gewijzigde omstandigheden kan de Vlaamse minister de beslissing over de reservering van emissierechten wijzigen of intrekken. De afdeling brengt de nieuwkomer op de hoogte van de beslissing met een aangetekende brief. Art. 10.Als de opstart van de nieuwkomer meer dan twaalf maanden na de opstartdatum die in de reserveringsaanvraag is vermeld, plaatsvindt, vervalt de reservering van emissierechten, tenzij de nieuwkomer uiterlijk één maand voor het verval met een aangetekende brief gegronde redenen voor uitstel aan de afdeling bezorgt. In voorkomend geval kan de Vlaamse minister de reservatie eenmaal en voor maximaal zes maanden verlengen. Na het verval van de reservatie van emissierechten komen die emissierechten opnieuw beschikbaar voor andere nieuwkomers. De afdeling brengt de nieuwkomer op de hoogte van de beslissing met een aangetekende brief. Art. 11.§ 1. Om in aanmerking te komen voor de toewijzing van emissierechten, dient de nieuwkomer na de werkelijke opstartdatum een aanvraag tot toewijzing in bij de afdeling. Die toewijzingsaanvraag moet uiterlijk op 31 december 2012 verstuurd worden met een aangetekende brief en de ontvangstdatum ervan is bepalend voor de volgorde van de behandeling van de toewijzingsaanvragen. § 2. De toewijzingsaanvraag bevat minstens de volgende elementen : 1° een beschrijving van de nieuwkomer;2° een motivering van de nieuwkomer waarom hij voldoet aan de definitie van nieuwkomer, vermeld in het toewijzingsplan dat voor de eerste verbintenisperiode van toepassing is;3° het bewijs dat de milieuvergunning voor de nieuwkomer werd verleend in eerste aanleg en dat er geen ontvankelijk administratief beroep tegen werd ingesteld, of het bewijs dat de milieuvergunning in beroep werd verleend;4° de door het verificatiebureau vastgestelde en geverifieerde werkelijke opstartdatum;5° de door het verificatiebureau goedgekeurde en geverifieerde gegevens over de factoren die worden vermeld in de toewijzingsformule voor de nieuwkomer, vermeld in het toewijzingsplan dat voor de eerste verbintenisperiode van toepassing is;6° in voorkomend geval, de door het verificatiebureau goedgekeurde en geverifieerde gegevens over de inschatting van de invloed van de nieuwkomer op de bestaande BKG-inrichting, vermeld in het toewijzingsplan dat voor de eerste verbintenisperiode van toepassing is;7° een door een gemandateerde van de nieuwkomer ondertekende verklaring waarin wordt bevestigd dat de aangeleverde gegevens zo nauwkeurig, juist en volledig mogelijk zijn aangeleverd. § 3. Binnen veertien dagen na ontvangst van de toewijzingsaanvraag beslist de afdeling of de aanvraag volledig is en brengt ze de nieuwkomer op de hoogte van haar beslissing. Als de toewijzingsaanvraag onvolledig is, kan de nieuwkomer een nieuwe aanvraag indienen. Binnen zestig dagen na ontvangst van de toewijzingsaanvraag brengt de afdeling een gemotiveerd advies uit over het aantal toe te wijzen emissierechten voor de resterende jaren van de eerste verbintenisperiode, rekening houdend met de werkelijke opstartdatum van de nieuwkomer en de hoeveelheid beschikbare emissierechten in de toewijzingsreserve. In voorkomend geval kan de afdeling een beroep doen op het verificatiebureau. Binnen negentig dagen na ontvangst van de toewijzingsaanvraag beslist de Vlaamse minister over de al of niet toewijzing van emissierechten en over de hoeveelheid toe te wijzen emissierechten. De afdeling brengt de nieuwkomer op de hoogte van de beslissing met een aangetekende brief. Art. 12.De emissierechten die worden toegewezen aan nieuwkomers tijdens de eerste verbintenisperiode, worden onttrokken aan de toewijzingsreserve. De volgorde waarin de emissierechten in aanmerking voor toewijzing komen, wordt bepaald door : 1° als de emissierechten gereserveerd werden, de ontvangstdatum van de reserveringsaanvraag;2° als de emissierechten niet gereserveerd werden, de ontvangstdatum van de toewijzingsaanvraag. Nieuwkomers die geen emissierechten toegewezen kregen omdat de toewijzingsreserve opgebruikt was, komen in aanmerking voor een toewijzing als : 1° er opnieuw gereserveerde emissierechten vrijkomen met toepassing van artikel 10;2° de reserve wordt aangevuld met emissierechten die de Vlaamse overheid heeft aangekocht met toepassing van het vierde lid;3° er emissierechten vrijkomen naar aanleiding van toegewezen maar niet verleende emissierechten;4° er minder emissierechten aan een nieuwkomer worden toegewezen dan er gereserveerd werden. Als de toewijzingsreserve volledig is opgebruikt, worden om strategische en economische redenen en binnen de uitgetrokken begrotingsmiddelen, door de Vlaamse Regering emissierechten verworven voor de toewijzing aan nieuwkomers. Art. 13.De Vlaamse minister kan nadere regels vaststellen voor de reservering en toewijzing van emissierechten. Onderafdeling 3. - Het ministerieel besluit tot toewijzing van emissierechten aan BKG-inrichtingen tijdens de eerste verbintenisperiode Art. 14.§ 1. De Vlaamse minister beslist over het aantal emissierechten dat aan de exploitant van een BKG-inrichting wordt toegewezen. § 2. De beslissing, vermeld in paragraaf 1, bevat minstens de volgende elementen : 1° de naam en het adres van de exploitant van de BKG-inrichting;2° de identificatiecode van de BKG-inrichting;3° de totale hoeveelheid emissierechten die, voor de eerste verbintenisperiode en per kalenderjaar, aan de exploitant van de BKG-inrichting wordt toegewezen;4° de methode of methodes die gebruikt werden voor het berekenen van de toegewezen emissierechten. De afdeling brengt de exploitant van de BKG-inrichting op de hoogte van het besluit houdende de toewijzing van emissierechten met een aangetekende brief. De ministeriële besluiten, vermeld in paragraaf 1, worden op het internet en bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Afdeling 2. - De verlening van emissierechten aan BKG-inrichtingen tijdens de eerste verbintenisperiode Onderafdeling 1. - De verlening van emissierechten aan bestaande BKG-inrichtingen tijdens de eerste verbintenisperiode Art. 15.Met behoud van de toepassing van artikel 17 wordt tijdens de eerste verbintenisperiode jaarlijks, uiterlijk op 28 februari, een vijfde van de toegewezen hoeveelheid emissierechten verleend aan de exploitant van een BKG-inrichting. Onderafdeling 2. - De verlening van emissierechten aan nieuwkomers tijdens de eerste verbintenisperiode Art. 16.De bevoegde autoriteit geeft de opdracht tot verlening van emissierechten aan nieuwkomers voor het jaar van de werkelijke opstartdatum nadat het ministerieel besluit, vermeld in artikel 14, is genomen. De emissierechten die voor de resterende jaren van de eerste verbintenisperiode zijn toegewezen, worden uiterlijk op 28 februari van het kalenderjaar in kwestie verleend. Afdeling 3. - De stopzetting van de verlening van emissierechten aan BKG-inrichtingen tijdens de eerste verbintenisperiode Art. 17.§ 1. In afwijking van artikel 15 en 16 beslist de bevoegde autoriteit de verlening van emissierechten aan de exploitant van een BKG-inrichting voor de resterende jaren van de eerste verbintenisperiode stop te zetten, als : 1° de milieuvergunning vervalt;2° de milieuvergunning wordt opgeheven;3° de milieuvergunning wordt ingetrokken;4° de milieuvergunning afloopt en een nieuwe milieuvergunning niet tijdig werd aangevraagd;5° aan de milieuvergunning wordt verzaakt;6° de milieuvergunning wordt vernietigd. In de gevallen, vermeld in het eerste lid, gaat het daarbij telkens om de volledige milieuvergunning of om het deel van de milieuvergunning dat betrekking heeft op de BKG-inrichting. In de gevallen, vermeld in het eerste lid, meldt de exploitant de gewijzigde milieuvergunningssituatie aan de bevoegde autoriteit. Hij verstuurt die melding met een aangetekende brief binnen een termijn van veertien dagen nadat de exploitant er kennis van heeft genomen of er kennis van heeft kunnen nemen. § 2. Als een hinderlijke inrichting zijn hoedanigheid van BKG-inrichting verliest of als de activiteiten van de BKG-inrichting worden stopgezet, moet de exploitant dat binnen een termijn van veertien dagen nadat hij daarvan kennis heeft genomen of er kennis van heeft kunnen nemen, met een aangetekende brief meedelen aan de overheid die bevoegd is voor de milieuvergunning in eerste aanleg. Bij die aangetekende brief moet een van de volgende documenten worden gevoegd : 1° ofwel de bewijsstukken waaruit blijkt dat de inrichting zijn hoedanigheid van BKG-inrichting heeft verloren;2° ofwel een bevestiging van de stopzetting van de activiteiten van de BKG-inrichting. Uiterlijk veertien dagen na ontvangst van de aangetekende brief stelt de bevoegde overheid de juistheid en het blijvende karakter vast en wordt, in voorkomend geval, de milieuvergunning aangepast door de inrichting niet langer als BKG-inrichting in te delen, alsook door de milieuvergunningvoorwaarden voor de CO2-emissiehandel te wijzigen overeenkomstig paragraaf 3. De bevoegde overheid brengt de bevoegde autoriteit daarvan binnen vijf dagen op de hoogte. § 3. In de gevallen, vermeld in paragrafen 1 en 2, worden geen emissierechten meer verleend voor de resterende jaren van de eerste verbintenisperiode. De bewakings- en rapporteringsverplichtingen, vermeld in hoofdstuk 4.10 van titel II van het VLAREM, blijven gelden voor het volledige kalenderjaar waarin de situaties, vermeld in paragrafen 1 en 2, zich voordoen, maar ze vervallen eveneens voor de daaropvolgende kalenderjaren van de eerste verbintenisperiode. De inleveringsverplichting, vermeld in hoofdstuk 4.10 van titel II van het VLAREM, vervalt vijf maanden na het kalenderjaar waarin de situaties, vermeld in paragrafen 1 en 2, zich voordoen. Art. 18.De emissierechten die werden toegewezen aan de exploitant van een BKG-inrichting voor de resterende kalenderjaren van de eerste verbintenisperiode en die overeenkomstig artikel 17, § 3, niet verleend worden, worden door de registeradministrateur, op verzoek van de bevoegde autoriteit, aan de toewijzingsreserve toegevoegd. Afdeling 4. - De geldigheid en de annulering van emissierechten van de eerste verbintenisperiode Art. 19.Vier maanden na het begin van de eerste verbintenisperiode worden de emissierechten die niet meer geldig zijn in de eerste verbintenisperiode en die niet overeenkomstig artikel 4.10.1.2. van titel II van het VLAREM zijn ingeleverd, geannuleerd. Art. 20.Emissierechten die overeenkomstig artikel 15 of 16 zijn verleend voor de eerste verbintenisperiode, zijn alleen geldig voor de emissies uit de eerste verbintenisperiode. Emissierechten die zijn verleend voor de eerste verbintenisperiode door een andere bevoegde autoriteit dan die, aangewezen overeenkomstig artikel 103, zijn geldig voor de emissies uit de eerste verbintenisperiode. Art. 21.Op verzoek van de persoon die de emissierechten in zijn bezit heeft, worden de emissierechten die voor de eerste verbintenisperiode geldig zijn, geannuleerd. Emissierechten die overeenkomstig artikel 4.10.1.2. van titel II van het VLAREM zijn ingeleverd, worden geannuleerd. HOOFDSTUK 4. - Criteria voor de verificatie van CO2-emissies tijdens de eerste verbintenisperiode Art. 22.§ 1. Het verificatiebureau onderzoekt bij het verificatieproces het CO2-emissiejaarrapport, vermeld in artikel 4.10.1.5. van titel II van het VLAREM, en de bewaking tijdens het voorafgaande jaar. Daarbij worden de betrouwbaarheid, de geloofwaardigheid en de nauwkeurigheid van de bewakingssystemen en de gerapporteerde gegevens beoordeeld, en wordt de informatie over de emissies onderzocht, in het bijzonder : 1° de gerapporteerde activiteitgegevens, en de metingen en berekeningen die daarmee verband houden;2° de keuze en het gebruik van emissiefactoren;3° de berekeningen die leiden tot de bepaling van de totale emissies;4° als er metingen zijn gebruikt, de juistheid van de keuze en de wijze van toepassing van de meetmethoden. § 2. De emissies waarover in het CO2-emissiejaarraport verslag is uitgebracht, kunnen alleen worden goedgekeurd als betrouwbare, geloofwaardige gegevens en informatie het mogelijk maken de emissies te bepalen met een hoge mate van zekerheid. Voor een hoge mate van zekerheid moet de exploitant aangetoond hebben dat : 1° de gerapporteerde gegevens vrij zijn van inconsistenties;2° de gegevens verzameld zijn overeenkomstig de toepasselijke wetenschappelijke normen;3° de desbetreffende documenten van de BKG-inrichting volledig en consistent zijn. § 3. Het verificatiebureau houdt rekening met de vraag of de BKG-inrichting geregistreerd is in het kader van EMAS, het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem, of over een gelijkwaardig milieu- of energiezorgsysteem beschikt. § 4. De verificatie moet worden gebaseerd op een strategische analyse van alle activiteiten die in de installatie worden verricht. Daarvoor heeft de verificateur een overzicht nodig van alle activiteiten en hun betekenis voor het emissieniveau van de BKG-inrichting. § 5. De verificatie van de overgelegde informatie vindt zo nodig plaats op het terrein van de BKG-inrichting. De verificateur neemt steekproeven om de betrouwbaarheid van de gerapporteerde gegevens en informatie vast te stellen. § 6. Het verificatiebureau moet alle bronnen van emissies in de BKG-inrichting evalueren met het oog op de betrouwbaarheid van de gegevens van elke bron die tot de totale emissies van de BKG-inrichting bijdraagt. § 7. Aan de hand van die analyse identificeert het verificatiebureau uitdrukkelijk de bronnen met een groot foutenpotentieel, en andere aspecten van de bewakings- en rapportageprocedure die waarschijnlijk zullen bijdragen tot fouten bij de bepaling van de totale emissies. Het betreft hier met name de keuze van de emissiefactoren en de berekeningen die nodig zijn om de emissies van afzonderlijke emissiebronnen vast te stellen. Bijzondere aandacht wordt besteed aan bronnen met een groot foutenpotentieel en aan de desbetreffende aspecten van de bewakingsprocedure. § 8. Het verificatiebureau houdt rekening met alle risicobeheersingsmethoden die de exploitant toepast om de mate van onzekerheid zo klein mogelijk te houden. § 9. Het verificatiebureau stelt een verslag op over het verificatieproces, waarin wordt vermeld of het CO2-emissiejaarraport, vermeld in artikel 4.10.1.5. van titel II van het VLAREM, bevredigend is. In het verslag komen alle onderwerpen aan de orde die voor het verrichte werk van belang zijn. Er kan worden verklaard dat het CO2-emissiejaarraport bevredigend is, als naar de mening van het verificatiebureau de totale emissies niet wezenlijk verkeerd zijn weergegeven. HOOFDSTUK 5. - Bepalingen ter voorbereiding van de tweede verbintenisperiode Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 23.De grenzen van een BKG-installatie vallen samen met de grenzen van een milieuvergunning. Als een exploitant van een BKG-installatie op een site over meerdere milieuvergunningen beschikt, kan de exploitant van een BKG-installatie voor de start van de tweede verbintenisperiode het geheel van de activiteiten op de site samenvoegen. In voorkomend geval vallen de grenzen van de BKG-installatie samen met de grenzen van de samengevoegde milieuvergunningen. Als een exploitant van een BKG-installatie over een milieuvergunning beschikt die meerdere installaties vergunt die elk als vaste technische eenheid in de zin van artikel 1, 38°, van titel I van het VLAREM kunnen worden aangemerkt, kan de exploitant van een BKG-installatie voor de start van de tweede verbintenisperiode die installaties opsplitsen per vaste technische eenheid. De afdeling kan nagaan of voldaan is aan de voorwaarden van de definitie van vaste technische eenheid. In voorkomend geval vallen de grenzen van elke BKG-installatie samen met de grenzen van de vaste technische eenheid. De grenzen van de BKG-installatie, vermeld in het eerste en het tweede lid, gelden gedurende de volledige tweede verbintenisperiode, wat betreft de bewaking en rapportering van emissies, en het inleveren van emissierechten. Als de milieuvergunning van een BKG-installatie wordt opgesplitst kan, in afwijking van het derde lid en met toestemming van de afdeling, een deel van de activiteiten worden ondergebracht in een nieuwe BKG-installatie. Het eerste tot en met het vierde lid is van overeenkomstige toepassing, wat betreft de grenzen van een nieuwkomer. Afdeling 2. - De rapportering van gegevens die nodig zijn voor de berekening van de kosteloze toewijzing van emissierechten voor de tweede verbintenisperiode Art. 24.§ 1. De exploitant van een BKG-installatie moet de emissies van broeikasgassen, vermeld in bijlage 2, rapporteren voor zover die nog niet gerapporteerd zijn in het kader van artikel 4.10.1.5., § 1, van titel II van het VLAREM. De Vlaamse minister stelt nadere regels en procedures vast voor de indiening en de inhoud van het rapport. § 2. De emissies van broeikasgassen die in het verslag zijn opgenomen overeenkomstig artikel 25, § 2, worden na beoordeling door de afdeling op uiterlijk 30 juni 2010 aan de Europese Commissie bezorgd. Voor de emissies van andere broeikasgassen dan CO2, kan een kleinere hoeveelheid emissies overeenkomstig het reductiepotentieel van de activiteit, vermeld in bijlage 2, aan de Europese Commissie worden bezorgd. Art. 25.§ 1. Het verificatiebureau onderzoekt bij het verificatieproces het rapport, vermeld in artikel 24, § 1. Daarbij worden de betrouwbaarheid, de geloofwaardigheid en de nauwkeurigheid van de gerapporteerde emissies van broeikasgassen beoordeeld, en wordt de informatie over de emissies van broeikasgassen onderzocht. Het gaat daarbij in het bijzonder over : 1° de gerapporteerde activiteitgegevens en de metingen en berekeningen die daarmee verband houden;2° de keuze en het gebruik van emissiefactoren;3° de berekeningen die leiden tot de bepaling van de totale emissies;4° als er metingen zijn gebruikt, de juistheid van de keuze en de wijze van toepassing van de meetmethoden. § 2. Het verificatiebureau stelt een verslag op over het verificatieproces, waarin wordt vermeld of de gerapporteerde emissies van broeikasgassen als bevredigend kunnen worden geverifieerd. In het verslag komen alle onderwerpen aan de orde die voor het verrichte werk van belang zijn. Er kan worden verklaard dat het rapport als bevredigend wordt geverifieerd, als naar de mening van het verificatiebureau de totale emissies van broeikasgassen niet wezenlijk verkeerd zijn weergegeven. Als het rapport niet als bevredigend wordt geverifieerd, kan het verificatiebureau in het verslag een alternatief emissiecijfer bepalen. § 3. Het verificatiebureau bezorgt het verslag aan de afdeling. Art. 26.De Vlaamse minister kan voor een exploitant van een BKG-installatie een rapporteringsplicht opleggen voor gegevens die nodig zijn voor de berekening van de kosteloze toewijzing van emissierechten voor de tweede verbintenisperiode. Art. 27.De afdeling bezorgt de gerapporteerde gegevens, vermeld in artikel 26, aan het verificatiebureau. Het verificatiebureau verifieert de gegevens overeenkomstig de bepalingen van bijlage 5. Het verificatiebureau bezorgt aan de exploitant van de BKG-installatie een verificatierapport waarin het met een redelijke mate van zekerheid aangeeft of de gerapporteerde gegevens vrij zijn van beduidend onjuiste opgaven. De exploitant van de BKG-installatie bezorgt het verificatierapport samen met de gerapporteerde gegevens die tijdens het verificatieproces in het kader van het eerste lid zijn aangepast aan de afdeling. HOOFDSTUK 6. - De toewijzing, de verlening en de stopzetting van de verlening van emissierechten tijdens de tweede verbintenisperiode Afdeling 1. - De toewijzing van emissierechten aan bestaande BKG-installaties tijdens de tweede verbintenisperiode Onderafdeling 1. - Het voorlopig toewijzingsbesluit : berekening van de voorlopige jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de tweede verbintenisperiode Art. 28.De afdeling berekent voor elke BKG-installatie op basis van de gegevens, vermeld in artikel 27, derde lid, voor ieder kalenderjaar van de tweede verbintenisperiode de voorlopige hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten. Die berekening wordt uitgevoerd overeenkomstig de toewijzingsregels van bijlage 3 die voor de tweede verbintenisperiode van toepassing zijn. De afdeling bezorgt de berekening van de voorlopige hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten, vermeld in het eerste lid, aan de Vlaamse minister. Art. 29.Als het verificatierapport niet met redelijke mate van zekerheid kan aangeven dat de gerapporteerde gegevens, vermeld in artikel 26, vrij zijn van beduidend onjuiste opgaven, kan de afdeling de voorlopige jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten niet berekenen. In voorkomend geval kan de exploitant van de BKG-installatie de gegevens, vermeld in artikel 26, opnieuw rapporteren. Als de afdeling vastgesteld heeft dat het negatieve verificatierapport het gevolg is van uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden, die met de grootste voorzichtigheid niet vermeden kon worden en die aan de controle van de betrokken exploitant van de BKG-installatie ontsnappen zoals natuurrampen, oorlog, oorlogsdreiging, terroristische daden, revolutie, opstanden, sabotage of vandalisme, kan de afdeling de voorlopige jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten berekenen overeenkomstig de toewijzingsregels van bijlage 3 die voor de tweede verbintenisperiode van toepassing zijn. De afdeling bezorgt de berekening van de voorlopige hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten, vermeld in het tweede lid, aan de Vlaamse minister. Art. 30.§ 1. De Vlaamse minister beslist over de voorlopige jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten aan de exploitant van een BKG-installatie. § 2. De beslissing, vermeld in paragraaf 1, bevat minstens de volgende elementen : 1° de naam en het adres van de exploitant van de BKG-installatie;2° de installatiegrenzen van de BKG-installatie;3° de identificatiecode van de BKG-installatie;4° de voorlopige jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de tweede verbintenisperiode;5° de methode of methodes die gebruikt werden voor het berekenen van de voorlopige jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de tweede verbintenisperiode. § 3. De afdeling brengt de exploitant van de BKG-installatie op de hoogte van het besluit houdende de voorlopige jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten met een aangetekende brief. Art. 31.Op basis van de ministeriële besluiten, vermeld in artikel 30, maakt de afdeling aan de hand van een elektronisch sjabloon die de Europese Commissie verstrekt, een lijst op met alle BKG-installaties die op het Vlaamse grondgebied liggen, met voor elke BKG-installatie de daarbij behorende voorlopige jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten. De lijst, vermeld in het eerste lid, wordt meegedeeld aan de Europese Commissie en op het internet bekendgemaakt. De Europese Commissie kan de voorlopige jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten al of niet verwerpen. Onderafdeling 2. - Het definitieve toewijzingsbesluit : berekening van de definitieve jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de tweede verbintenisperiode Art. 32.§ 1. Als de Europese Commissie de voorlopige hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten niet verwerpt en nadat eventueel een door de Europese Commissie berekende uniforme transsectorale correctiefactor toegepast is op de hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten aan de betrokken BKG-installaties, beslist de Vlaamse minister over de definitieve jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten aan de exploitant van een BKG-installatie. Als de Europese Commissie de voorlopige hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten verwerpt, worden geen emissierechten kosteloos toegewezen aan de exploitant van een BKG-installatie. De afdeling brengt de exploitant van een BKG-installatie op de hoogte van de verwerping door de Europese commissie van de voorlopige hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten met vermelding van de reden van de verwerping. § 2. De beslissing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, bevat minstens de volgende elementen : 1° de naam en het adres van de exploitant van de BKG-installatie;2° de installatiegrenzen van de BKG-installatie;3° de identificatiecode van de BKG-installatie;4° de definitieve jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de tweede verbintenisperiode;5° de methode of methodes die gebruikt werden voor het berekenen van de definitieve jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de tweede verbintenisperiode. § 3. De afdeling brengt de exploitant van de BKG-installatie op de hoogte van het besluit houdende de definitieve jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten met een aangetekende brief. De ministeriële besluiten, vermeld in paragraaf 1, worden bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Art. 33.Op basis van de ministeriële besluiten, vermeld in artikel 32, maakt de afdeling aan de hand van een elektronisch sjabloon die de Europese Commissie verstrekt, een lijst op met alle BKG-installaties die op het Vlaamse grondgebied liggen, met voor elke BKG-installatie de daarbij behorende definitieve jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten. De lijst, vermeld in het eerste lid, wordt meegedeeld aan de Europese Commissie en op het internet bekendgemaakt. Onderafdeling 3. - Aanpassing van de jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten ten gevolge van blootstelling aan een CO2-weglekrisico tijdens de tweede verbintenisperiode Art. 34.§ 1. Binnen drie maanden na de vaststelling van de in bijlage 4 bedoelde lijst voor de jaren 2015 tot en met 2020 of de vaststelling van een eventuele aanvulling van de in bijlage 4 bedoelde lijst, neemt de Vlaamse minister een beslissing over de aanpassing van de jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten aan de exploitant van een BKG-installatie. § 2. De beslissing, vermeld in paragraaf 1, bevat minstens de volgende elementen : 1° de naam en het adres van de exploitant van een BKG-installatie;2° de installatiegrenzen van de BKG-installatie;3° de identificatiecode van de BKG-installatie;4° de aanpassing van de jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de tweede verbintenisperiode;5° de methode of methodes die gebruikt werden voor het berekenen van de aanpassing van de jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de tweede verbintenisperiode. § 3. De afdeling brengt de exploitant van de BKG-installatie op de hoogte van het besluit houdende de aanpassing van de jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten met een aangetekende brief. De ministeriële besluiten, vermeld in paragraaf 1, worden bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Art. 35.Op basis van de ministeriële besluiten, vermeld in artikel 34, maakt de afdeling een lijst op met alle BKG-installaties die op het Vlaamse grondgebied liggen, en geeft daarbij duidelijk de wijzigingen aan in de vermeende blootstelling aan het CO2-weglekrisico van BKG-installaties en, als dat van toepassing is, de overeenkomstige voorlopige jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten. De lijst, vermeld in het eerste lid, wordt meegedeeld aan de Europese Commissie en op het internet bekendgemaakt. Afdeling 2. - De toewijzing van emissierechten aan nieuwkomers tijdens de tweede verbintenisperiode Onderafdeling 1. - De toewijzingsaanvraag Art. 36.Om in aanmerking te komen voor een kosteloze toewijzing van emissierechten, verstuurt de nieuwkomer binnen een termijn van een jaar na de aanvang van de normale werking van de betrokken BKG-installatie, zoals gedefinieerd in de toewijzingsregels van bijlage 3 die voor de tweede verbintenisperiode van toepassing zijn, een aanvraag tot toewijzing met een aangetekende brief aan de afdeling. De ontvangstdatum is bepalend voor de volgorde van de behandeling van de toewijzingsaanvragen. De in het eerste lid vermelde termijn voor de indiening van een aanvraag tot toewijzing kan verlengd worden wanneer het sjabloon voor de toewijzingsaanvraag niet tijdig beschikbaar is. De toewijzingsaanvraag bevat minstens de volgende elementen : 1° een beschrijving van de nieuwkomer;2° de identificatie en de grenzen van de nieuwkomer;3° een motivering van de nieuwkomer waarom hij voldoet aan de definitie van nieuwkomer, vermeld in de toewijzingsregels van bijlage 3 die voor de tweede verbintenisperiode van toepassing zijn;4° de referenties van de milieuvergunningen van de nieuwkomer;5° de onafhankelijk geverifieerde gegevens over de factoren, vermeld in de toepasselijke toewijzingsformule voor de nieuwkomer, in de toewijzingsregels van bijlage 3 die voor de tweede verbintenisperiode van toepassing zijn;6° de onafhankelijk geverifieerde geïnstalleerde capaciteit van de nieuwkomer, vermeld in de toewijzingsregels van bijlage 3 die voor de tweede verbintenisperiode van toepassing zijn;7° een door een gemandateerde van de nieuwkomer ondertekende verklaring waarin wordt bevestigd dat de aangeleverde gegevens zo nauwkeurig, juist en volledig mogelijk zijn aangeleverd. De overeenkomstig het tweede lid, 5° en 6°, aangeleverde gegevens moeten geverifieerd worden overeenkomstig de bepalingen van bijlage 5. De Vlaamse minister stelt een sjabloon vast voor de toewijzingsaanvraag. De Vlaamse minister kan nadere regels en procedures vaststellen voor de indiening en verificatie van de toewijzingsaanvraag overeenkomstig de Europese regelgeving. Onderafdeling 2. - Het voorlopige toewijzingsbesluit : berekening van de voorlopige hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de resterende kalenderjaren van de tweede verbintenisperiode Art. 37.§ 1. Na de ontvangst van de toewijzingsaanvraag beslist de afdeling of de aanvraag volledig is en keurt ze de door de nieuwkomer gerapporteerde aanvankelijk geïnstalleerde capaciteit al dan niet goed. De afdeling brengt de nieuwkomer op de hoogte van haar beslissing. Als de toewijzingsaanvraag onvolledig is of als de afdeling de aanvankelijk geïnstalleerde capaciteit van de nieuwkomer niet heeft goedgekeurd, kan de nieuwkomer een nieuwe toewijzingsaanvraag indienen. § 2. Als de toewijzingsaanvraag volledig is en de aanvankelijk geïnstalleerde capaciteit van de nieuwkomer is goedgekeurd door de afdeling, berekent de afdeling de voorlopige hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de resterende kalenderjaren van de tweede verbintenisperiode. Die berekening wordt uitgevoerd overeenkomstig de toewijzingsregels van bijlage 3 die voor de tweede verbintenisperiode van toepassing zijn. De afdeling bezorgt de berekening van de voorlopige hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de resterende kalenderjaren van de tweede verbintenisperiode, vermeld in het eerste lid, aan de Vlaamse minister. Art. 38.Als de verificateur niet met redelijke mate van zekerheid kan aangeven dat de overeenkomstig artikel 36, tweede lid, 5° en 6°, gerapporteerde gegevens vrij zijn van beduidend onjuiste opgaven, kan de afdeling de voorlopige jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de resterende kalenderjaren van de tweede verbintenisperiode niet berekenen. In voorkomend geval kan de nieuwkomer een nieuwe aanvraag indienen. Als de afdeling vastgesteld heeft dat het negatieve verificatierapport het gevolg is van uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden, die met de grootste voorzichtigheid niet vermeden konden worden en die aan de controle van de betrokken nieuwkomer ontsnappen zoals natuurrampen, oorlog, oorlogsdreiging, terroristische daden, revolutie, opstanden, sabotage of vandalisme, kan de afdeling de voorlopige jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de resterende kalenderjaren van de tweede verbintenisperiode berekenen. Die berekening wordt uitgevoerd overeenkomstig de toewijzingsregels van bijlage 3 die voor de tweede verbintenisperiode van toepassing zijn. De afdeling bezorgt de berekening van de voorlopige hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de resterende kalenderjaren van de tweede verbintenisperiode, vermeld in het tweede lid, aan de Vlaamse minister. Art. 39.§ 1. De Vlaamse minister beslist over de voorlopige jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de resterende kalenderjaren van de tweede verbintenisperiode aan de nieuwkomer. § 2. De beslissing, vermeld in paragraaf 1, bevat minstens de volgende elementen : 1° de naam en het adres van de nieuwkomer;2° de installatiegrenzen van de nieuwkomer;3° de identificatiecode van de nieuwkomer;4° de geïnstalleerde capaciteit van de nieuwkomer, vermeld in de toewijzingsregels van bijlage 3 die voor de tweede verbintenisperiode van toepassing zijn;5° de voorlopige jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de resterende kalenderjaren van de tweede verbintenisperiode;6° de methode of methodes die gebruikt werden voor het berekenen van de voorlopige jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de resterende kalenderjaren van de tweede verbintenisperiode. § 3. De afdeling brengt de nieuwkomer op de hoogte van het besluit houdende de voorlopige jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de resterende jaren van de tweede verbintenisperiode met een aangetekende brief. De ministeriële besluiten, vermeld in paragraaf 1, worden op het internet bekendgemaakt. Art. 40.De afdeling brengt de Europese Commissie op de hoogte van de voorlopige jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de resterende kalenderjaren van de tweede verbintenisperiode aan de nieuwkomer. De Europese Commissie kan de voorlopige hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de resterende kalenderjaren van de tweede verbintenisperiode al of niet verwerpen. Onderafdeling 3. - Het definitieve toewijzingsbesluit : berekening van de definitieve hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de resterende kalenderjaren van de tweede verbintenisperiode Art. 41.§ 1. Als de Europese Commissie de voorlopige jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de resterende kalenderjaren van de tweede verbintenisperiode niet verwerpt, beslist de Vlaamse minister over de definitieve hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de resterende kalenderjaren van de tweede verbintenisperiode. Als de Europese Commissie de voorlopige hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de resterende kalenderjaren van de tweede verbintenisperiode verwerpt, worden geen emissierechten kosteloos toegewezen aan de exploitant van een BKG-installatie. § 2. De beslissing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, bevat minstens de volgende elementen : 1° de naam en het adres van de nieuwkomer;2° de installatiegrenzen van de nieuwkomer;3° de identificatiecode van de nieuwkomer;4° de geïnstalleerde capaciteit van de nieuwkomer, vermeld in de toewijzingsregels van bijlage 3 die voor de tweede verbintenisperiode van toepassing zijn;5° de definitieve jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de resterende kalenderjaren van de tweede verbintenisperiode;6° de methode of methodes die gebruikt werden voor het berekenen van de voorlopige jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de resterende kalenderjaren van de tweede verbintenisperiode. § 3. De afdeling brengt de nieuwkomer op de hoogte van het besluit houdende de definitieve jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de resterende jaren van de tweede verbintenisperiode met een aangetekende brief. De ministeriële besluiten, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, worden op het internet en bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Afdeling 3. - Aanpassing van de toewijzing van emissierechten ten gevolge van een volledige stopzetting van de activiteiten, een gedeeltelijke stopzetting van de activiteiten of een aanzienlijke capaciteitsvermindering van een BKG-installatie Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 42.Met behoud van de toepassing van artikelen 43, 47 en 51 meldt de exploitant alle relevante informatie over geplande of effectieve veranderingen van de capaciteit, het activiteitsniveau en de werking van een BKG-installatie als vermeld in de toewijzingsregels van bijlage 3 die voor de tweede verbintenisperiode van toepassing zijn, vóór 31 december van elk kalenderjaar van de tweede verbintenisperiode aan de afdeling. Onderafdeling 2. - Aanpassing van de toewijzing van emissierechten ten gevolge van een volledige stopzetting van de activiteiten van een BKG-installatie tijdens de tweede verbintenisperiode Art. 43.§ 1. Een BKG-installatie wordt geacht haar activiteiten volledig te hebben stopgezet, als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan : 1° de milieuvergunning vervalt;2° de milieuvergunning wordt opgeheven;3° de milieuvergunning wordt ingetrokken;4° de werking van de BKG-installatie is technisch onmogelijk;5° de BKG-installatie is niet in bedrijf, maar was dat wel in het verleden en het is onmogelijk om ze opnieuw op te starten;6° de BKG-installatie is niet in bedrijf, maar was dat wel in het verleden en de exploitant kan niet aantonen dat de BKG-installatie binnen zes maanden na de stopzetting van de activiteiten zal worden heropgestart.Die termijn kan verlengd worden tot achttien maanden als de exploitant kan aantonen dat de BKG-installatie niet binnen zes maanden heropgestart kan worden als gevolg van uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden die ook met de grootste voorzichtigheid niet konden worden vermeden en die aan de controle van de exploitant van de betrokken BKG-installatie ontsnappen, zoals natuurrampen, oorlog, oorlogsdreiging, terroristische daden, revolutie, opstanden, sabotage of vandalisme. De milieuvergunning, vermeld in het eerste lid, 1°, 2° en 3° betreft de volledige milieuvergunning of het deel van de milieuvergunning dat betrekking heeft op de BKG-installatie. § 2. Paragraaf 1, 6° is niet van toepassing op BKG-installaties die op reserve of stand-by worden gehouden en op BKG-installaties die worden geëxploiteerd in een seizoenregeling, als aan al de volgende voorwaarden is voldaan : 1° de exploitant van de BKG-installatie beschikt over een milieuvergunning;2° het is technisch mogelijk om de activiteiten op te starten zonder materiële wijzigingen aan te brengen aan de BKG-installatie;3° een regelmatig onderhoud wordt uitgevoerd. § 3. In alle gevallen, vermeld in paragraaf 1, meldt de exploitant de volledige stopzetting uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar in kwestie aan de afdeling. De Vlaamse minister kan nadere regels en procedures opstellen voor de melding. Art. 44.§ 1. Nadat de afdeling de juistheid van de volledige stopzetting van de activiteiten van de BKG-installatie heeft vastgesteld, adviseert de afdeling aan de Vlaamse minister om geen emissierechten meer kosteloos toe te wijzen voor de resterende kalenderjaren van de tweede verbintenisperiode aan de exploitant van die BKG-installatie. § 2. De Vlaamse minister beslist over de voorlopige aanpassing van de jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten aan de exploitant van een BKG-installatie voor de resterende kalenderjaren van de tweede verbintenisperiode. § 3. De beslissing, vermeld in paragraaf 2, bevat minstens de volgende elementen : 1° de naam en het adres van de exploitant van de BKG-installatie;2° de installatiegrenzen van de BKG-installatie;3° de identificatiecode van de BKG-installatie;4° de vastlegging van de jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de resterende kalenderjaren van de tweede verbintenisperiode op nul;5° de methode of methodes die gebruikt werden voor het berekenen van de voorlopige aanpassing van de jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de resterende kalenderjaren van de tweede verbintenisperiode. § 4. De afdeling brengt de exploitant van de BKG-installatie op de hoogte van het besluit houdende de voorlopige aanpassing van de jaarlijkse hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten voor de resterende jaren van de tweede verbintenisperiode met een aangetekende brief. De ministeriële besluiten, vermeld in paragraaf 2, worden op het internet bekendgemaakt. Art. 45.De afdeling brengt de Europese Commissie op de hoogte van de voorlopige …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.