📄 Wettekst
MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP
19 MAART 2004. - Decreet betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen (1)
Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : Decreet betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen.
DEEL I. - Algemene bepaling Artikel I.1 Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid. De bepalingen van artikel V.2 regelen tevens een gewestaangelegenheid.
DEEL II. - De rechtspositie van de student en de participatie in het hoger onderwijs TITEL I. - Definities en toepassingsgebied Artikel II.1 Voor de toepassing van dit deel wordt verstaan onder : 1° afgevaardigde : een behoorlijk gemachtigde vertegenwoordiger;2° associatie : de vereniging zonder winstoogmerk bedoeld in titel I, hoofdstuk VI van het
decreet van 4 april 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/07/1976
pub.
18/04/2016
numac
2016000231
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied
sluiten2 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen;3° bestuur : elk bestuursorgaan van een associatie, respectievelijk een instelling dat krachtens een wettelijke of decretale bepaling of de statuten is aangewezen om uitvoerbare beslissingen te nemen in de in dit decreet bedoelde aangelegenheden;4° erkende vakorganisatie : personeelsvereniging die aangesloten is bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie en een werking ontplooit naar het hoger onderwijs;5° examenbeslissing : elke beslissing die een eindoordeel inhoudt over het voldoen voor een opleidingsonderdeel, meerdere opleidingsonderdelen van een opleiding, of een opleiding als geheel;6° examentuchtbeslissing : elke sanctie opgelegd naar aanleiding van examenfeiten;7° Hogescholendecreet : het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;8° instelling : een universiteit of een hogeschool;9° onderhandelen : het gezamenlijk vergaderen met het oog op het afsluiten van een overeenkomst, geformaliseerd in een protocol;10° onderwijs- en examenregeling : de regeling bedoeld in titel I, hoofdstuk III, afdeling 5 van het
decreet van 4 april 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/07/1976
pub.
18/04/2016
numac
2016000231
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied
sluiten2 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen;11° overleggen : het gemeenschappelijk vergaderen met het oog op het uitbrengen van een gemotiveerd advies;12° partners bij een associatie : de in artikel 97 van het
decreet van 4 april 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/07/1976
pub.
18/04/2016
numac
2016000231
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied
sluiten2 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen bedoelde leden van de associatie;13° personeel : a) het academisch personeel bedoeld in hoofdstuk IV van het Universiteitendecreet, b) het onderwijzend personeel bedoeld in titel III, hoofdstuk II van het Hogescholendecreet, c) de wetenschappelijke medewerkers en de bursalen werkzaam binnen een instelling, ongeacht de aard van de tewerkstelling of de herkomst van de bezoldiging en d) de beleidsondersteunende en technische personeelsleden van een instelling, ongeacht de aard van de tewerkstelling of de herkomst van de bezoldiging;14° raadsman : een advocaat of een deskundige;15° student : de persoon ingeschreven in een instelling;16° Universiteitendecreet : het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap;17° volstrekte meerderheid van stemmen : het feit dat het aantal voorstemmen het aantal tegenstemmen overtreft. Artikel II.2 § 1. De bepalingen van dit deel zijn van toepassing op de associaties en de instellingen, met uitzondering van de bepalingen van titel II, die slechts van toepassing zijn op de instellingen. § 2. De bepalingen van dit deel zijn niet van toepassing op de transnationale Universiteit Limburg, met uitzondering van de bepalingen van Titel II, Hoofdstuk 3, Afdeling 2, Onderafdeling 2, voor wat betreft examen(tucht)beslissingen die betrekking hebben op de academische opleidingen bedoeld in artikel 3 van het Verdrag van 18 januari 2001 tussen de Vlaamse Gemeenschap en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de transnationale Universiteit Limburg.
Voor de toepassing van artikel II.24, § 1, eerste lid, wordt voor wat betreft de transnationale Universiteit Limburg verstaan onder : 1° "de dag van kennisname van de in artikel II.14, eerste lid bedoelde beslissing" a) bij ontstentenis van een interne beroepsprocedure : de dag van proclamatie in geval van een examenbeslissing, zoniet de dag waarop de student kennis heeft genomen van de genomen beslissing;b) indien een interne beroepsprocedure openstaat : de dag van kennisname van een beslissing na enig intern beroep. 2° "het verstrijken van de in artikel II.14, tweede lid bedoelde termijn" : het verstrijken van een redelijke termijn om een beslissing na intern beroep te nemen, zo een interne beroepsprocedure openstaat.
TITEL II. - De rechtspositie van de student HOOFDSTUK 1. - Aard van de rechtspositie Artikel II.3 § 1. Het bestuur en de student sluiten door de inschrijving een toetredingsovereenkomst. § 2. Het bestuur bepaalt en wijzigt de algemene voorwaarden van de overeenkomst, met inachtname van de participatierechten van de studentenraad, zoals bedoeld in titel III, hoofdstuk 2.
Deze algemene voorwaarden worden vastgelegd in : 1° de onderwijs- en examenregeling;2° de rechtspositieregeling van de student, waarin ten minste worden opgenomen : a) de wederzijdse rechten en plichten van het bestuur en de student en de gevolgen van de niet-naleving daarvan, b) de wegwijsinformatie bedoeld in artikel 29, § 1, van het
decreet van 26 maart 2004Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/07/1976
pub.
18/04/2016
numac
2016000231
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied
sluiten4 betreffende de openbaarheid van bestuur. Artikel II.4 De examencommissie treedt onder de verantwoordelijkheid van het bestuur op als openbare dienst, die in een reglementaire verhouding staat tot de student.
HOOFDSTUK 2. - Algemene beginselen AFDELING 1. - Algemeen Artikel II.5 Het bestuur waarborgt ten aanzien van de studenten de beginselen die in dit hoofdstuk worden vastgelegd.
AFDELING 2. - Gelijkheidsbeginsel Artikel II.6 § 1. De studenten worden gelijk behandeld. § 2. Besturen nemen, gezamenlijk of individueel, maatregelen om de toegankelijkheid van het hoger onderwijs - in materiële en immateriële zin - te waarborgen ten aanzien van : 1° studenten met een handicap of chronische ziekte, en 2° studenten uit objectief af te bakenen bevolkingsgroepen waarvan de deelname aan het hoger onderwijs beduidend lager is dan deze van andere bevolkingsgroepen. Besturen beschikken daarbij over de mogelijkheid om maatregelen van corrigerende ongelijkheid te nemen of te handhaven, voor zover deze maatregelen : 1° van tijdelijke aard zijn en verdwijnen wanneer het in het eerste lid vooropgestelde doel is bereikt, en 2° geen onnodige beperking van andermans rechten inhouden. AFDELING 3. - Openbaarheid Artikel II.7 Het bestuur treedt ten aanzien van de studenten op als bestuursinstantie voor wat betreft de toepassing van het
decreet van 26 maart 2004Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/07/1976
pub.
18/04/2016
numac
2016000231
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied
sluiten4 betreffende de openbaarheid van bestuur.
Artikel 35 van voormeld decreet is niet van toepassing op de bekendmaking van examenbeslissingen.
AFDELING 4. - Onpartijdigheid Artikel II.8 De studenten worden behandeld zonder vooringenomenheid.
Het bestuur voorkomt dat personen die een persoonlijk belang hebben bij een beslissing inzake een bepaalde student de besluitvorming beïnvloeden.
AFDELING 5. - Rechten van verdediging Artikel II.9 Het bestuur stelt een ombudsdienst in die onder de voorwaarden bepaald in de onderwijs- en examenregeling een bemiddelende rol opneemt bij geschillen tussen een student en één of meerdere personeelsleden.
De geschillen houden verband met : 1° de toepassing van de onderwijs- en examenregeling en/of de rechtspositieregeling van de student;2° als onbillijk ervaren handelingen en toestanden. Artikel II.10 Een student heeft bij een tuchtprocedure het recht op : 1° de mededeling van de aard van de jegens hem overwogen maatregelen en van de gronden waarop deze zijn gebaseerd;2° inzage in het volledige dossier;3° een redelijke termijn om een mondeling of schriftelijk verweer voor te bereiden en naar voor te brengen;4° bijstand door een raadsman. AFDELING 6. - Motivering Artikel II.11 Eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer studenten vermelden in de akte de juridische en feitelijke overwegingen waarop zij zijn gegrond.
Deze motivering moet afdoende zijn.
HOOFDSTUK 3. - Rechtsbescherming bij examenbeslissingen AFDELING 1. - Materiële vergissingen Artikel II.12 De onderwijs- en examenregeling bepaalt de wijze waarop examenbeslissingen worden herzien, wanneer deze zijn aangetast door materiële vergissingen die worden vastgesteld binnen een vervaltermijn van tien kalenderdagen na de datum van deliberatie.
AFDELING 2. - Onregelmatigheden ONDERAFDELING 1. - Intern beroep Artikel II.13 De student die oordeelt dat een ongunstige examenbeslissing of een examentuchtbeslissing aangetast is door een schending van het recht, heeft toegang tot een interne beroepsprocedure, waarvan de vormen zijn vastgelegd in de onderwijs- en examenregeling.
De student stelt een verzoek tot heroverweging van de examen(tucht)beslissing in binnen een vervaltermijn van vijf kalenderdagen, die ingaat op : 1° in het geval van een examenbeslissing : de dag na deze van de proclamatie;2° in het geval van een examentuchtbeslissing : de dag na deze waarop de student kennis heeft genomen van de genomen beslissing. Artikel II.14 De interne beroepsprocedure leidt tot : 1° de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van de onontvankelijkheid ervan;2° een beslissing van de examencommissie, genomen in bijzondere zitting, die de oorspronkelijke beslissing op gemotiveerde wijze bevestigt, of herziet.De examencommissie, bijeen in bijzondere zitting, beraadslaagt geldig indien ten minste de helft van de stemgerechtigde leden aanwezig is, behoudens gevallen van overmacht.
De in het eerste lid bedoelde beslissingen worden aan de student ter kennis gebracht binnen een termijn van vijftien kalenderdagen, die ingaat op de dag na deze waarop het beroep is ingesteld.
ONDERAFDELING 2. - De Raad voor examenbetwistingen SECTIE 1. - Algemeen Artikel II.15 Er wordt een Raad voor examenbetwistingen, verder "de Raad" genoemd, opgericht bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
De Raad doet als administratief rechtscollege uitspraak over de beroepen die door studenten worden ingesteld tegen examen(tucht)beslissingen, na uitputting van de in onderafdeling 1 bedoelde interne beroepsprocedure.
Artikel II.16 De Vlaamse regering bepaalt de zetel van de Raad.
SECTIE 2. - Samenstelling Artikel II.17 § 1. De Raad is samengesteld uit volgende leden : 1° een werkend en een plaatsvervangend voorzitter;2° twee werkende en twee plaatsvervangende bijzitters. § 2. De voorzitter is een jurist met een grondige kennis van het hoger onderwijs.
De bijzitters zijn op het ogenblik van hun benoeming ten minste vijf jaar belast met een opdracht als lid van het academisch of onderwijzend personeel van een instelling.
Artikel II.18 § 1. De Vlaamse regering benoemt de leden.
De bijzitters worden benoemd op gezamenlijke voordracht van de Vlaamse Interuniversitaire Raad en de Vlaamse Hogescholenraad. Deze voordracht voorziet in een billijk evenwicht tussen de universiteiten en de hogescholen en tussen de officiële en de vrije instellingen. § 2. Het mandaat van de leden heeft een duur van zes jaar. Het is hernieuwbaar.
Artikel II.19 § 1. De leden kunnen op ieder moment ontslag nemen.
De Vlaamse regering kan een lid slechts ontslaan in geval van grove nalatigheid of kennelijk wangedrag. § 2. Totdat in hun vervanging is voorzien blijven de leden hun functie uitoefenen, behoudens in het geval van een door de Vlaamse regering gegeven ontslag.
Artikel II.20 De Vlaamse regering stelt onder de ambtenaren van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap de secretaris van de Raad aan.
SECTIE 3. - Bevoegdheid Artikel II.21 De Raad beoordeelt of examen(tucht)beslissingen in overeenstemming zijn met : 1° de decretale en reglementaire bepalingen en de onderwijs- en examenregeling;2° de algemene administratieve beginselen. De Raad stelt zijn appreciatie betreffende de waarde van een kandidaat niet in de plaats van die van de examencommissie.
Artikel II.22 De behandeling van het verzoekschrift door de Raad leidt tot : 1° de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van de onontvankelijkheid en/of ongegrondheid ervan, of;2° de gemotiveerde vernietiging van de onrechtmatig genomen examen(tucht)beslissing, in welk geval de Raad het bestuur kan bevelen een nieuwe beslissing te nemen, onder door de Raad te stellen voorwaarden.Deze voorwaarden kunnen inhouden dat : a) een nieuwe examen(tucht)beslissing afhankelijk wordt gemaakt van de organisatie van een nieuw examen of een onderdeel daarvan.De Raad kan de termijn en de materiële voorwaarden bepalen waaronder deze organisatie moet gebeuren; b) welbepaalde onregelmatige of onredelijke motieven bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing niet worden betrokken;c) welbepaalde regelmatige en redelijke motieven bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing kennelijk in ogenschouw moeten worden genomen. In het geval bedoeld onder het eerste lid, 2°, kan de Raad, zo hij dit op grond van de aangedragen feiten kennelijk noodzakelijk acht, bevelen dat de verzoeker in afwachting van een nieuwe beslissing voorlopig ingeschreven wordt, alsof hij geslaagd was geweest, dan wel alsof geen examentuchtbeslissing was genomen.
Artikel II.23 De Vlaamse regering vermag aan de leden van de Raad op geen enkele wijze enige instructie te geven omtrent de wijze waarop zij de in deze sectie bedoelde bevoegdheden uitoefenen.
SECTIE 4. - Procedureverloop SUBSECTIE 1. - Aanhangigmaking Artikel II.24 § 1. De beroepen bij de Raad worden ingesteld binnen een vervaltermijn van vijf kalenderdagen, die ingaat de dag na die van kennisname van de in artikel II.14, eerste lid bedoelde beslissing, of, in voorkomend geval, na het verstrijken van de in artikel II.14, tweede lid bedoelde termijn.
Indien de vijfde dag van de in het eerste lid bedoelde termijn een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag waarop de postdiensten open zijn. § 2. De beroepen worden ingesteld bij wijze van verzoekschrift, waarin ten minste een feitelijke omschrijving is opgenomen van de ingeroepen bezwaren.
Het verzoekschrift wordt gedagtekend en, op straffe van onontvankelijkheid, ondertekend door de verzoeker of zijn raadsman.
Het verzoekschrift vermeldt : 1° de naam en de woonplaats van de verzoeker.Wanneer woonplaatskeuze wordt gedaan bij de raadsman van de verzoeker, wordt dit in het verzoekschrift aangegeven; 2° de naam en de zetel van het bestuur;3° het voorwerp van het beroep. § 3. Het verzoekschrift wordt bij aangetekend schrijven overgemaakt aan de Raad. Een kopie van het verzoekschrift wordt tezelfdertijd bij aangetekend schrijven overgemaakt aan het bestuur.
Als datum van het beroep geldt de datum van postmerk.
Artikel II.25 § 1. De verzoeker kan aan het verzoekschrift de overtuigingsstukken toevoegen die hij nodig acht.
De verzoeker kan naderhand slechts bijkomende overtuigingsstukken aan het dossier laten toevoegen, voor zover deze bij de opmaak van het verzoekschrift nog niet aan de verzoeker bekend waren. De verzoeker bezorgt in dat geval onverwijld een kopie van de bijkomende overtuigingsstukken aan het bestuur. § 2. De overtuigingsstukken worden door de verzoeker gebundeld en op een inventaris ingeschreven.
Artikel II.26 Een onontvankelijk verzoekschrift kan lopende de beroepstermijn worden vervangen door een nieuw verzoekschrift, dat uitdrukkelijk de intrekking van het eerdere verzoekschrift bevestigt.
Artikel II.27 De secretaris schrijft elk inkomend beroep in op een register.
SUBSECTIE 2. - Samenstelling van het dossier Artikel II.28 § 1. Na ontvangst van de kopie van het verzoekschrift stelt het bestuur de Raad en de verzoeker onverwijld in het bezit van de stukken op grond waarvan de beslissing is genomen.
Deze stukken omvatten ten minste : 1° een afschrift van de bestreden examen(tucht)beslissing;2° in voorkomend geval : de examenkopij(en) van of het stagerapport inzake de verzoeker; 3° het dossier samengesteld naar aanleiding van het in artikel II.13, eerste lid, van dit decreet bedoelde intern beroep.
De stukken worden door het bestuur gebundeld en op een inventaris ingeschreven. § 2. Het bestuur geeft bij de overmaking van de stukken aan welke contactpersoon belast is met de administratieve opvolging van de procedure bij de Raad. § 3. Indien het bestuur de in § 1 bedoelde stukken niet onverwijld overmaakt, kan het door de voorzitter worden aangemaand om daartoe alsnog, binnen een gestelde termijn, over te gaan.
Indien het bestuur de stukken en inlichtingen niet of niet binnen de gestelde termijn overlegt, worden de door de verzoeker aangehaalde feiten als bewezen geacht, behoudens indien deze feiten kennelijk onjuist zouden zijn of worden tegengesproken door de door verzoeker overgelegde overtuigingsstukken.
Artikel II.29 De secretaris is onder het gezag van de voorzitter belast met de samenstelling van het dossier, dat naast de in artikel II.28, § 1, bedoelde stukken tevens de overtuigingsstukken omvat die door de verzoeker bij het verzoekschrift werden gevoegd.
Artikel II.30 Zodra het dossier is samengesteld, wordt dit door de secretaris via het meest gerede communicatiemiddel aan de partijen gemeld. De secretaris geeft het lokaal aan waar het dossier door de partijen en/of hun raadsman kan worden geraadpleegd.
SUBSECTIE 3. - Onderzoek Artikel II.31 De secretaris bezorgt de partijen na samenstelling van het dossier via het meest gerede communicatiemiddel : 1° een ontwerp van procedurekalender;2° de datum, het uur en de plaats van de zitting van de Raad;3° de samenstelling van de Raad. Artikel II.32 § 1. Het in artikel II.31,1°, bedoelde ontwerp van procedurekalender stelt de termijn vast waarbinnen : 1° het bestuur in staat wordt gesteld een antwoordnota aan de Raad en aan de verzoeker voor te leggen;2° de verzoeker in staat wordt gesteld een wederantwoordnota aan de Raad en aan de verzoeker voor te leggen. De in het eerste lid bedoelde termijn bedraagt voor elke partij ten minste achtenveertig uur.
De secretaris en de partijen kunnen het ontwerp in onderling overleg wijzigen. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, wordt het ontwerp van procedurekalender definitief. § 2. De definitief vastgestelde procedurekalender wordt bij aangetekend schrijven aan de partijen overgemaakt. § 3. De antwoordnota en de wederantwoordnota worden aan de Raad en aan de tegenpartij bezorgd via het meest gerede communicatiemiddel.
Een buiten de gestelde termijn aan de Raad overgemaakte antwoordnota of wederantwoordnota wordt uit de verdere procedure geweerd.
Artikel II.33 § 1. De partijen kunnen één of meer leden schriftelijk en op gemotiveerde wijze wraken vóór de aanvang van de zitting, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan. De voorzitter, of, zo deze wordt gewraakt, de plaatsvervangende voorzitter, doet onmiddellijk uitspraak over het verzoek tot wraking. Zo het verzoek wordt ingewilligd, neemt de plaatsvervanger de plaats in van het gewraakte lid.
Het lid dat weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, moet zich van de zaak onthouden. § 2. De redenen tot wraking zijn de volgende : de redenen bedoeld in artikel 828, 829, tweede lid en 830 van het Gerechtelijk Wetboek; de hoedanigheid van lid van een in artikel 24, § 4 van de Grondwet bedoelde rechtspersoon verantwoordelijk voor de universiteit of de hogeschool waaraan de kwestieuze beslissing werd genomen.
Artikel II.34 De partijen kunnen schriftelijk en op gemotiveerde wijze vragen dat bepaalde getuigen door de Raad worden ondervraagd. De Raad beslist soeverein over de toelaatbaarheid van een getuigenverhoor en maakt van zijn beslissing melding in de uitspraak.
SUBSECTIE 4. - Zitting en uitspraak Artikel II.35 De voorzitter leidt de zitting.
De zittingen zijn openbaar, behoudens indien de voorzitter, al dan niet op verzoek van de partijen of één ervan, oordeelt dat gewichtige redenen aanwezig zijn die zich tegen de openbaarheid van de hoorzitting verzetten.
Het verzoek wordt op tegenspraak behandeld. De partijen pleiten in elkaars aanwezigheid.
De voorzitter ondervraagt desgevallend de door de partijen opgeroepen getuigen.
De voorzitter sluit de debatten na de pleidooien en in voorkomend geval na de wederantwoorden.
Artikel II.36 Bij regelmatige oproeping belet de afwezigheid van de partijen of één ervan de geldigheid van een zitting niet.
Artikel II.37 De Raad beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over zijn uitspraken.
De uitspraken van de Raad zijn openbaar.
De Raad antwoordt in de uitspraken op alle opmerkingen van de partijen die de aan het geschil te geven oplossing kunnen beïnvloeden.
Artikel II.38 De uitspraken van de Raad wordt uitgebracht binnen een ordetermijn van vijftien kalenderdagen, die ingaat de dag na die waarop het beroep is ingeschreven op het in artikel II.27 bedoelde register.
SECTIE 5. - Bijstand door een raadsman Artikel II.39 De partijen kunnen zich bij een procedure voor de Raad laten bijstaan door een raadsman.
De raadsman legt ten laatste ter zitting een schriftelijke machtiging voor, behoudens indien : 1° de raadsman ingeschreven is als advocaat of als advocaat-stagiair, en/of 2° de raadsman samen met de betrokken partij ter zitting verschijnt. SECTIE 6. - Schorsing der werkzaamheden Artikel II.40 Ten aanzien van beroepen die in juli of augustus worden ingeschreven op het in artikel II.27 bedoelde register, kan een bestuur de Raad verzoeken rekening te houden met een gestaafde onderbezetting van de instelling ten gevolge van de jaarlijkse vakantie van het personeel.
Zo de Raad de onderbezetting gestaafd acht : 1° schorst hij gedurende ten hoogste 21 kalenderdagen de in artikel II.38 bedoelde termijn, en/of 2° verstrijkt de overeenkomstig artikel II.22, eerste lid, 2°, a) door de Raad te bepalen termijn niet eerder dan op de dag na deze waarop voldoende personeelsleden aanwezig zijn om een examencommissie opnieuw op rechtmatige wijze samen te stellen.
SECTIE 7. - Uitvoeringsmachtiging Artikel II.41 De Vlaamse regering bepaalt de wijze waarop de leden van de Raad en de secretaris worden vergoed.
Zij kan nadere regelen bepalen omtrent de formaliteiten die door de partijen bij procedures voor de Raad moeten worden vervuld, zonder dat deze op enigerlei wijze kunnen leiden tot de onontvankelijkheid van een beroep.
Artikel II.42 De nadere werkingsregelen van de Raad worden vastgelegd in een huishoudelijk reglement.
SECTIE 8. - Publicatie van de uitspraken Artikel II.43 Onder het gezag van de Raad voorziet het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap in de geanonimiseerde publicatie van de uitspraken op de website van het departement Onderwijs en in een jaarlijks verslagboek.
HOOFDSTUK 4. - Stage Artikel II.44 § 1. De Vlaamse regering ontwikkelt vóór de aanvang van het academiejaar 2005-2006 een code houdende de bepaling van de wederzijdse aanspraken tussen stagedoende studenten, instellingen en stageplaatsen en legt deze ter bekrachtiging voor aan het Vlaams Parlement. § 2. De Vlaamse regering legt de code ten laatste één maand na de goedkeuring ter bekrachtiging voor aan het Vlaams Parlement.
De code heeft uitwerking vanaf de datum die het decreet aangeeft.
HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen AFDELING 1. - Wijzigingsbepaling Artikel II.45 Aan Hoofdstuk III van het
decreet van 18 mei 1999Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
18/05/1999
pub.
31/08/1999
numac
1999036079
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende sommige instellingen van openbaar nut voor postinitieel onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening
type
decreet
prom.
18/05/1999
pub.
30/09/1999
numac
1999035822
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende de eindregeling van de Vlaamse Gemeenschap en van instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1997
type
decreet
prom.
18/05/1999
pub.
20/07/1999
numac
1999035897
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het onderwijs X
type
decreet
prom.
18/05/1999
pub.
31/08/1999
numac
1999036093
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende het onderwijs XI
type
decreet
prom.
18/05/1999
pub.
30/09/1999
numac
1999036051
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende diverse bepalingen naar aanleiding van de begroting 1999
type
decreet
prom.
18/05/1999
pub.
08/06/1999
numac
1999035652
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening
type
decreet
prom.
18/05/1999
pub.
08/07/1999
numac
1999035737
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van artikel 116quinquies van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995
type
decreet
prom.
18/05/1999
pub.
16/07/1999
numac
1999035772
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende wijziging van artikel 257 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
type
decreet
prom.
18/05/1999
pub.
30/09/1999
numac
1999035821
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende aanpassing van de middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 1999
sluiten betreffende sommige instellingen van openbaar nut voor postinitieel onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening wordt een artikel 13bis toegevoegd, dat luidt als volgt : "Artikel 13bis De bepalingen van Deel II, Titel II, Hoofdstuk 3 van het decreet van [...] betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen zijn van overeenkomstige toepassing op de instellingen. » AFDELING 2. - Inwerkingtredingsbepaling Artikel II.46 De bepalingen van deze titel treden als volgt in werking : 1° hoofdstuk 1 en 2 treden in werking met ingang van het academiejaar 2004-2005; 2° hoofdstuk 3 en artikel II.45 treden in werking op 1 januari 2005; 3° hoofdstuk 4 treedt in werking op de dag van bekendmaking van dit decreet in het Belgisch Staatsblad. TITEL III. - Participatie inzake onderwijsaangelegenheden HOOFDSTUK 1. - Algemene bespreking Artikel II.47 § 1. Het bestuur bespreekt de algemene organisatie en werking van de associatie, respectievelijk de instelling ten minste één maal per academiejaar met afgevaardigden van : 1° voorzover er geen stemgerechtigde personeelsleden zetelen in het bestuur : verkozen of aangeduide personeelsleden die zetelen in een orgaan van de associatie, respectievelijk de instelling, en 2° voor zover er geen stemgerechtigde studenten zetelen in het bestuur : de studentenraad. De bespreking vindt plaats in de schoot van een bestaand orgaan of binnen een specifiek daartoe bijeengeroepen forum. § 2. Voor de toepassing van § 1, eerste lid, wordt onder algemene organisatie en werking ten minste verstaan : 1° het strategisch beleid, zijnde : a) de uitbreiding, inkrimping of beëindiging van de werkzaamheden van de associatie, de instelling, of een belangrijk onderdeel daarvan;b) het aangaan van samenwerkingsverbanden met andere instellingen of organisaties, het overdragen van bevoegdheden aan andere instellingen of organisaties, of het organiseren van vormen van dienstgewijze decentralisatie;c) de programmatie van opleidingen;2° het algemeen onderwijskundig beleid, inzonderheid de planning van onderwijsvernieuwing en onderwijsverbetering;3° het onderzoeksbeleid en de plannen tot verwezenlijking van dit beleid;4° het internationaliseringsbeleid inzake onderwijs;5° het beleid met betrekking tot de verdeling en de besteding van de middelen. HOOFDSTUK 2. - De studentenraad AFDELING 1. - Oprichting Artikel II.48 § 1. Het bestuur ziet toe op de oprichting van één studentenraad op het niveau van de associatie, respectievelijk de instelling. § 2. De studentenraad op het niveau van de instelling kan beslissen dat participatiecommissies worden opgericht op het niveau van onderdelen van de instelling.
De samenstelling en de functioneringswijze van de participatiecommissies worden vastgelegd in het in artikel II.66 bedoelde participatiereglement.
AFDELING 2. - Voorbereidende maatregelen Artikel II.49 § 1. De oprichting van een studentenraad wordt begeleid door een forum dat is samengesteld uit : 1° in de associaties : een gelijk aantal afgevaardigden van het bestuur en van de verkozen studenten die zetelen in organen van de partners bij de associatie;2° in de instellingen : een gelijk aantal afgevaardigden van het bestuur en van de bestaande studentenraad, of, bij gebreke daaraan, van de verkozen studenten die zetelen in een orgaan van de instelling. § 2. Bij wijze van overgangsmaatregel bepaalt het forum de regelen bedoeld in artikel II.50, § 1, tweede lid, II.51, § 1, tweede lid en II.52. Het forum beslist daartoe op grond van een volstrekte meerderheid van stemmen binnen het bestuur, enerzijds, en de afgevaardigden van de verkozen studenten, respectievelijk de studentenraad, anderzijds.
Bij wijze van overgangsmaatregel maakt de studentendelegatie in het forum de keuze bedoeld in artikel II.61, § 1, tweede lid. § 3. Het bestuur draagt er zorg voor dat de in § 1 bedoelde afgevaardigden op de hoogte zijn van het organigram van de associatie, respectievelijk de instelling en van de allocatie van bevoegdheden.
AFDELING 3. - Samenstelling Artikel II.50 § 1. De studentenraad bestaat uit leden, die worden verkozen door en onder de studenten behorende tot de associatie, respectievelijk de instelling.
De studentenraad bepaalt het aantal leden, dat ten minste acht bedraagt. § 2. Studenten die op het ogenblik waarop zij als stemgerechtigd lid worden aangeduid in het bestuur niet behoren tot de studentenraad, worden van rechtswege met stemrecht in deze studentenraad opgenomen.
Het overeenkomstig § 1, tweede lid, bepaalde aantal leden wordt voor de berekening van aanwezigheidsquora en stemverhoudingen met de in het eerste lid bedoelde studenten uitgebreid.
Artikel II.51 § 1. De verkiezingen worden georganiseerd door het bestuur in samenspraak met de studentenraad. Zij zijn gespreid over meerdere dagen.
De studentenraad legt de nadere kiesprocedure vast. De procedure waarborgt ten minste de verkiezing van een redelijk aantal plaatsvervangers voor de effectieve leden van de studentenraad. De procedure kan door middel van kieskringen waarborgen dat in de studentenraad studenten zijn vertegenwoordigd vanuit de verschillende partners bij de associatie, respectievelijk de onderscheiden onderverdelingen van de instelling. § 2. Indien minder dan 10 % van het totaal aantal studenten aan de verkiezing heeft deelgenomen, wordt de studentenraad op grond van de verkiezingsuitslag samengesteld, waarbij evenwel volgende bevoegdheden en prerogatieven worden opgeschort tot de volgende verkiezingen : 1° in de associaties en instellingen waarvan het bestuur (een) stemgerechtigde afgevaardigde(n) van de studentenraad bevat : het stemrecht van deze afgevaardigde(n).In voorkomend geval word(t)(en) de afgevaardigde(n) meegerekend bij de bepaling van het aanwezigheidsquorum, doch niet bij de bepaling van het stemmenaantal; 2° in de overige associaties en instellingen : de bepalingen van afdeling 4, onderafdeling 4 en onderafdeling 5 en de bepalingen van artikel II.62.
Het bestuur bepaalt voor de toepassing van het eerste lid de wijze en het tijdstip waarop het aantal studenten wordt berekend.
Artikel II.52 De studentenraad bepaalt de duur van het mandaat van de verkozen leden en, desgevallend, de wijze waarop de studentenraad periodiek geheel of gedeeltelijk opnieuw wordt samengesteld.
De studentenraad bepaalt in welke gevallen de effectieve leden van de studentenraad vervangen worden door plaatsvervangers en op welke wijze een begonnen mandaat, bij vroegtijdige beëindiging ervan, volgemaakt wordt door een plaatsvervanger.
De studentenraad kan de hoedanigheden bepalen waarmee het lidmaatschap van de studentenraad onverenigbaar is.
AFDELING 4. - Bevoegdheden en prerogatieven ONDERAFDELING 1. - Algemene beginselen Artikel II.53 De bevoegdheden en prerogatieven bedoeld in deze afdeling kunnen in voorkomend geval worden uitgeoefend door de in artikel II.48, § 2, bedoelde participatiecommissies, voor wat betreft aangelegenheden die zich situeren op het niveau van het betrokken onderdeel van de instelling.
Artikel II.54 De bevoegdheden en prerogatieven bedoeld in onderafdeling 4 en onderafdeling 5 worden niet uitgeoefend ten aanzien van het bestuur waarvan ten minste 10 % van de leden bestaat uit stemgerechtigde studenten.
ONDERAFDELING 2. - Belangenverdediging en informatieplicht Artikel II.55 De studentenraad verdedigt de belangen van de studenten en heeft ten behoeve van alle studenten een informatieplicht over de wijze waarop hij zijn bevoegdheden uitoefent.
ONDERAFDELING 3. - Adviesrecht Artikel II.56 De studentenraad kan uit eigen beweging een schriftelijk advies uitbrengen over alle aangelegenheden die studenten aanbelangen.
Het bestuur brengt na ontvangst van een advies omtrent in artikel II.57 en/of II.59 bedoelde aangelegenheden een met redenen omklede schriftelijke reactie uit in de vorm van een voorstel.
ONDERAFDELING 4. - Beraadslaging Artikel II.57 Het bestuur beraadslaagt met de studentenraad over de vastlegging van elk ontwerp van reglementaire bepaling inzake : 1° het vaststellen van de rechtspositieregeling van de student en van de onderwijs- en examenregeling;2° de vaststelling en de besteding van de inschrijvingsgelden;3° de uitwerking van initiatieven inzake studentenbegeleiding;4° het vaststellen van de regelen inzake internationale studentenmobiliteit;5° het bepalen van de organisatie van het academiejaar, met inbegrip van de vakantie- en verlofregeling. Artikel II.58 § 1. De beraadslaging gebeurt rechtstreeks tussen bestuur en studentenraad, dan wel in de schoot van een in de instelling bestaande adviserende raad waarin naast afgevaardigden van de studentenraad andere onderwijs- en onderzoeksbetrokkenen zijn vertegenwoordigd éïn waarin de in artikel II.57 en II.59 bedoelde aangelegenheden gebruikelijk besproken worden. § 2. De beraadslaging leidt tot een akkoord of rietakkoord tussen het bestuur en de studentenraad of hun afgevaardigden : Een akkoord wordt uitgevoerd door het bestuur. In geval van niet-akkoord neemt het bestuur een eindbeslissing.
ONDERAFDELING 5. - Raadpleging Artikel II.59 Het bestuur raadpleegt de studentenraad over elk ontwerp van reglementaire bepaling inzake : 1° het algemeen beleid inzake interne kwaliteitszorg;2° het vaststellen van de gedragscode inzake taalregeling, bedoeld in artikel 91;§ 5, van het
decreet van 4 april 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/07/1976
pub.
18/04/2016
numac
2016000231
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied
sluiten2 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen; 3° het vaststellen van de regelen inzake de evaluatie van de onderwijsactiviteiten van het academisch, respectievelijk het onderwijzend personeel. De studentenraad bij een universiteit wordt bijkomend geraadpleegd over elk ontwerp van reglementaire bepaling inzake sociale toelagen.
Artikel II.60 § 1. De raadpleging gebeurt rechtstreeks, dan wel in de schoot van een in de instelling bestaande adviserende raad waarin naast afgevaardigden van de studentenraad andere onderwijs- en/of onderzoeksbetrokkenen zijn vertegenwoordigd en waarin de in de artikel II.57 en II.59 bedoelde aangelegenheden gebruikelijk besproken worden. § 2. De conclusies van de raadpleging worden neergelegd in een met redenen omkleed advies.
Het bestuur kan slechts op gemotiveerde wijze afwijken van het advies van de studentenraad. Deze motivering wordt binnen een termijn van dertig kalenderdagen meegedeeld aan de studentenraad. De termijn gaat in de dag na deze waarop de betrokken reglementaire bepaling wordt aangenomen.
ONDERAFDELING 6. - Afvaardiging in het bestuur Artikel II.61 § 1. In associaties of instellingen waarvan het bestuur stemgerechtigde studenten omvat, worden deze studenten als volgt aangeduid : 1° door middel van rechtstreekse verkiezing, of 2° door middel van getrapte verkiezing, in welk geval de betrokken studenten worden verkozen door de leden van de studentenraad. De keuze voor de wijze van aanduiding wordt gemaakt door de studentenraad. § 2. De bepalingen van § 1, eerste lid doen geen afbreuk aan : 1° artikel 6, derde lid van de wet van 28 mei 1971 houdende de oprichting en de werking van het Limburgs Universitair Centrum;2° artikel 10 van het bijzonder decreet van 26 juni 1991 betreffende de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen;3° artikel 267, 3° van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;4° artikel 61 duo decies, 3° van het bijzonder decreet van 13 juli 1994 betreffende de Vlaamse Autonome Hogescholen;5° artikel 8, § 1, eerste lid, 4° van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen;6° artikel 48, § 1 van het
decreet van 9 juni 1998Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
09/06/1998
pub.
04/08/1998
numac
1998035838
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende de Hogere Zeevaartschool
sluiten betreffende de Hogere Zeevaartschool; 7° de statuten van associaties en instellingen die de aanduiding van studenten in een bepaald bestuur op andersoortige wijze regelen, voor zover deze aanduiding gebeurt vanuit een ander bestuur dat wél overeenkomstig artikel II.61, § 1 rechtstreeks of getrapt verkozen studenten omvat.
Artikel II.62 Indien een bestuur dat bevoegd is om uitvoerbare beslissingen te nemen met betrekking tot de in artikel II.57 en/of II.59 bedoelde aangelegenheden, geen stemgerechtige studenten omvat, heeft de studentenraad het recht om ten minste één lid met raadgevende stem af te vaardigen naar dit bestuur, desgevallend onder de voorwaarden bepaald in het in artikel II.65 bedoelde participatiereglement.
De afgevaardigde van de studentenraad wordt uitgenodigd op de vergaderingen van het bestuur en wordt in het bezit gesteld van alle stukken.
AFDELING 5. - Werking ONDERAFDELING 1. - Interne werking Artikel II.63 De studentenraad duidt een voorzitter aan.
De voorzitter kan buiten de leden van de studentenraad worden aangeduid, in welk geval hij niet stemgerechtigd is.
Artikel II.64 De studentenraad beslist slechts geldig indien de meerderheid van de leden aanwezig is.
De nadere werking van de studentenraad wordt geregeld in een werkingsreglement, dat wordt vastgelegd bij volstrekte meerderheid van stemmen.
ONDERAFDELING 2. - Relaties met het bestuur Artikel II.65 Het bestuur en de studentenraad nemen een participatiereglement aan op grond van een volstrekte meerderheid van stemmen binnen het bestuur, enerzijds, en de studentenraad, anderzijds.
Het participatiereglement kan opgenomen worden in de onderwijs- en examenregeling.
Artikel II.66 Het participatiereglement omvat : 1° de procedureregels die bij het uitoefenen van de participatierechten van de studentenraad in acht moeten worden genomen;2° de wijze waarop geschillen over de uitvoering van deze titel of over de interpretatie van een bepaling van het participatiereglement door middel van vormen van arbitrage of bemiddeling worden beslecht; 3° desgevallend de in artikel II.48, § 2, tweede lid, bedoelde regelen.
Het participatiereglement kan aan de studentenraad bijkomende bevoegdheden toekennen.
AFDELING 6. - Ondersteuning Artikel II.67 Het bestuur kent aan de studentenraad de nodige infrastructurele, financiële en/of administratieve ondersteuning toe. De studentenraad dient daartoe een werkplan in.
Artikel II.68 Het bestuur legt de nodige faciliteiten voor de studentenafgevaardigden vast.
Deze faciliteiten betreffen ten minste de wijze waarop in functie van de werking van de studentenraad onderwijsactiviteiten en examens op flexibele wijze kunnen worden gepland en afgeweken kan worden van de verplichte aanwezigheid voor bepaalde opleidingsonderdelen.
HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen AFDELING 1. - Wijzigingsbepalingen ONDERAFDELING 1. - Wijzigingen aan de wet van 28 mei 1971 houdende de oprichting en de werking van het Limburgs Universitair Centrum Artikel II.69 In artikel 5, zesde lid van de wet van 28 mei 1971 houdende de oprichting en de werking van het Limburgs Universitair Centrum worden de laatste zin vervangen door volgende zin : « De leden vermeld onder 7° worden aangeduid met inachtname van artikel II.61 van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen. » Artikel II.70 In artikel 11, § 6, van dezelfde wet wordt de eerste zin vervangen door wat volgt : « Ieder aanwezig lid kan één stem uitbrengen, onverminderd de bepalingen van artikel II.51, § 2, eerste lid, 1° juncto II.93, § 2 van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen. » ONDERAFDELING 2. - Wijzigingen aan het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap Artikel II.71 Artikel 258, § 1, 2° van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap wordt vervangen door wat volgt : « 2° drie studenten aangeduid met inachtname van artikel II.61 van het decreet van 19 maart 2004 'betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen. Bij de uitoefening van de bevoegdheden wordt rekening gehouden met de bepalingen van artikel II.51, § 2, eerste lid 1° juncto II.93, § 2 van voormeld decreet; ».
Artikel II.72 Artikel 258bis, 2°, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap wordt vervangen door wat volgt : « 2° drie studenten aangeduid met inachtname van artikel II.61 van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen. Bij de uitoefening van de bevoegdheden wordt rekening gehouden met de bepalingen van artikel II.51, § 2, eerste lid, l° juncto II.93, § 2 van voormeld decreet; ».
ONDERAFDELING 3. - Wijzigingen aan het decreet van 22 december 1995 houdende wijzing van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen Artikel II.73 Aan artikel 7 van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1, 8° wordt vervangen door wat volgt : « 8° drie studenten aangeduid met inachtname van artikel II.61 van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen; »; 2° § 2, tweede lid, wordt vervangen door wat volgt : « De studenten worden aangewezen voor een periode van twee jaar.Die periode is slechts éénmaal hernieuwbaar, tenzij na een onderbreking van twee jaar. » Artikel II.74 Aan artikel 14 van hetzelfde decreet wordt een § 3 toegevoegd, die luidt als volgt : « § 3. Bij de uitoefening van de bevoegdheden van de studenten in de Raad van Bestuur wordt rekening gehouden met de bepalingen van artikel II.51, § 2, eerste lid, l°, juncto II.93, § 2 van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen. » ONDERAFDELING 4. - Wijzigingen aan het
decreet van 30 maart 1999Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
30/03/1999
pub.
15/09/1999
numac
1999036096
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende de subsidiëring van studenten- en leerlingenkoepelverenigingen
sluiten houdende de subsidiëring van studenten en leerlingenkoepelverenigingen Artikel II.75 In artikel 8 van het
decreet van 30 maart 1999Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
30/03/1999
pub.
15/09/1999
numac
1999036096
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende de subsidiëring van studenten- en leerlingenkoepelverenigingen
sluiten houdende de subsidiëring van studenten- en leerlingenkoepelverenigingen wordt het eerste streepje vervangen door wat volgt : « - studentenkoepelvereniging : overkoepelt ten minste studentenraden van tien instellingen en van twee associaties; ».
AFDELING 2. - Opheffingsbepaling Artikel II.76 Opgeheven worden : 1° hoofdstuk III, afdeling 15 van het Universiteitendecreet;2° titel V, hoofdstuk I, afdeling 4 en hoofdstuk III, afdeling 2, onderafdeling 3 van het Hogescholendecreet. AFDELING 3. - Inwerkingtredingsbepaling Artikel II.77 De bepalingen van deze titel treden als volgt in werking : 1° hoofdstuk 1 treedt in werking met ingang van het academiejaar 2004-2005;2° wat hoofdstuk 2 betreft : a) de associaties, evenals de instellingen waaraan gedurende het academiejaar 2002-2003 geen studentenraad was verbonden, zijn onderworpen aan de bepalingen van hoofdstuk 2 met ingang van het academiejaar 2004-2005.Artikel II.49 treedt ten aanzien van deze instellingen in werking op 1 januari 2004; b) de instellingen, andere dan deze bedoeld onder a), zijn onderworpen aan de bepalingen van hoofdstuk 2 met ingang van het academiejaar 2005-2006.Artikel II.49 treedt ten aanzien van deze instellingen in werking op 1 januari 2005; 3° wat hoofdstuk 3 betreft : a) artikel II.75 treedt in werking op 1 januari 2003; b) artikel II.69,II.70,II.71,II.72,II.73, II.72,II.73,II.74 en II.76 treden in werking met ingang van : - het academiejaar 2004-2005, in het geval bedoeld onder 2°, a); - het academiejaar 2005-2006, in het geval bedoeld onder 2°, b).
TITEL IV. - Het Vlaams Onderhandelingscomite voor het hoger onderwijs HOOFDSTUK 1. - Oprichting en samenstelling Artikel II.78 De Vlaamse regering richt voor het hoger onderwijs een Vlaams Onderhandelingscomité op, dat is samengesteld uit twee subcomités : 1° een subcomité "Sectorale programmatie", bestaande uit : a) een kamer "Personeelsleden", omvattende : - een delegatie die de Vlaamse regering vertegenwoordigt.Deze delegatie bestaat uit de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, die optreedt als voorzitter, of zijn behoorlijk gemachtigde afgevaardigde(n); - een delegatie die het personeel vertegenwoordigt. Deze delegatie bestaat uit behoorlijk gemachtigde afgevaardigden van de erkende vakorganisaties; b) een kamer "Besturen", omvattende : - een delegatie die de Vlaamse regering vertegenwoordigt.Deze delegatie bestaat uit de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, die optreedt als voorzitter, of zijn behoorlijk gemachtigde afgevaardigde(n); - een delegatie die de besturen vertegenwoordigt. Deze delegatie bestaat uit behoorlijk gemachtigde afgevaardigden, aangeduid overeenkomstig de bepalingen van artikel 7, § 2, van het decreet van 21 december 1976 houdende organisatie van de Vlaamse interuniversitaire samenwerking en van artikel 7, § 2, van het decreet betreffende de organisatie van de Vlaamse Hogescholenraad; 2° een subcomité "Regelgeving", omvattende : a) een delegatie die de Vlaamse regering vertegenwoordigt.Deze delegatie bestaat uit de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, die optreedt als voorzitter, of zijn behoorlijk gemachtigde afgevaardigde(n); b) een delegatie die het personeel vertegenwoordigt.Deze delegatie bestaat uit behoorlijk gemachtigde afgevaardigden van de erkende vakorganisaties; c) een delegatie die de besturen vertegenwoordigt.Deze delegatie bestaat uit behoorlijk gemachtigde afgevaardigden, aangeduid overeenkomstig de bepalingen van artikel 7, § 2, van het decreet van 21 december 1976 houdende organisatie van de Vlaamse interuniversitaire samenwerking en van artikel 7, § 2, van het decreet van 28 augustus 1998 betreffende de organisatie van de Vlaamse Hogescholenraad.
HOOFDSTUK 2. - Bevoegdheid AFDELING 1. - Bevoegdheid inzake sectorale programmatie Artikel II.79 Het Vlaams Onderhandelingscomité, subcomité "Sectorale programmatie" behandelt bij uitsluiting van enig ander orgaan de sectorale programmatie van maatregelen op het niveau : 1° "Vlaamse Gemeenschap", zijnde : a) de grondregelen van de rechtspositieregeling van het personeel die bij dan wel krachtens decreet worden vastgelegd.Deze regelen betreffen de wezenskenmerken van : - de administratieve rechtspositieregeling; - de geldelijke rechtspositieregeling; - de regeling van de collectieve arbeidsverhoudingen in het hoger onderwijs; b) onderwijsorganisatorische maatregelen met een rechtstreeks effect op de arbeidsduur en/of de organisatie van het werk.De maatregelen worden onderscheiden in : - het vastleggen van de beschikbare financiële ruimte; - de bepaling van de wijze van invulling daarvan; 2° "associatie of instelling", zijnde de regelen inzake administratieve en geldelijke rechtspositieregeling en collectieve arbeidsverhoudingen die op het niveau van de associatie of de instelling kunnen worden uitgewerkt, doch waarvoor men een minimale gemeenschappelijke noemer wenst na te streven. Artikel II.80 § 1. Omtrent de in artikel II.79, 1°, a) en b), eerste streepje, bedoelde aangelegenheden wordt : 1° onderhandeld binnen de kamer "Personeelsleden", en;2° overlegd binnen de kamer "Besturen".De kamers kunnen bij consensus beslissen gezamenlijk te vergaderen. § 2. De onderhandelingen binnen de kamer "Personeelsleden" leiden tot een akkoordprotocol indien de afgevaardigden van de Vlaamse regering en de afgevaardigden van ten minste één erkende vakorganisatie zich akkoord verklaren. De Vlaamse regering verbindt zich in het protocol tot de omzetting van de overeengekomen beginselen in regelgeving.
Aan het protocol afgesloten binnen de kamer "Personeelsleden" wordt het gemotiveerd advies van de kamer "Besturen" toegevoegd.
Artikel II.81 Omtrent de in artikel II.79,1°, b), tweede streepje, en 2°, bedoelde aangelegenheden wordt onderhandeld binnen een gezamenlijke vergadering van de kamer "Personeelsleden" en de kamer "Besturen".
De onderhandelingen leiden tot een akkoordprotocol indien de afgevaardigden van de Vlaamse regering, de afgevaardigden van ten minste één erkende vakorganisatie en de afgevaardigden van de besturen zich akkoord verklaren. De Vlaamse regering verbindt zich in het protocol tot de omzetting van de overeengekomen beginselen in regelgeving.
AFDELING 2. - Bevoegdheid inzake regelgeving Artikel II.82 In het Vlaams Onderhandelingscomité, subcomité "Regelgeving" wordt bij uitsluiting van enig ander orgaan onderhandeld over de voorontwerpen van decreet en de ontwerpen van besluit met betrekking tot : 1° de grondregelen van de rechtspositieregeling van het personeel die bij dan wel krachtens decreet worden vastgelegd.Deze regelen betreffen de wezenskenmerken van : - de administratieve rechtspositieregeling; - de geldelijke rechtspositieregeling; c) de regeling van de collectieve arbeidsverhoudingen in het hoger onderwijs;2° onderwijsorganisatorische maatregelen met een rechtstreeks effect op de arbeidsduur enlof de organisatie van het werk. De onderhandelingen leiden tot een protocol waarin de standpunten van de respectieve afgevaardigden worden weergegeven.
AFDELING 3. - Bemiddelingsbevoegdheid Artikel II.83 Het Vlaams Onderhandelingscomité bemiddelt op vraag van de meest gerede delegatie binnen het bevoegde comité of de bevoegde ondernemingsraad bij elk geschil, elk conflict of elk dreigend conflict van collectieve aard dat zich in een associatie of instelling voordoet. Het Vlaams Onderhandelingscomité kan daartoe inzonderheid een bemiddelaar aanstellen.
Het Vlaams Onderhandelingscomité neemt binnen een termijn van zes maanden, ingaande vanaf de in artikel II.92 bepaalde inwerkingstredingsdatum, een intern reglement inzake de bemiddelingsprocedure aan. Het reglement wordt uitvoerbaar na bekrachtiging door de Vlaamse regering.
AFDELING 4. - Aanvullende bevoegdheden Artikel II.84 De delegaties kunnen aan het Vlaams Onderhandelingscomité aangelegenheden ter bespreking voorleggen die niet ressorteren onder de in artikelen II.79 en II.82 bedoelde aangelegenheden. In dat geval worden deze aangelegenheden behandeld binnen de kamer "Personeelsleden" en de kamer "Besturen" van het subcomité "Sectorale programmatie", behoudens indien deze kamers bij consensus beslissen samen te vergaderen.
HOOFDSTUK 3. - Bijzondere bepalingen inzake de minimale gemeenschappelijke noemer Artikel II.85 De onderhandelings- of overlegorganen op het niveau van de associatie of de instelling zijn ervan vrijgesteld om een voorstel aan de onderhandeling of aan het overleg te onderwerpen, voor zover de volgende voorwaarden vervuld zijn : 1° het voorstel betreft de toepassing van een minimale gemeenschappelijke noemer bedoeld in artikel II.79, 2°; 2° de minimale gemeenschappelijke noemer maakt het voorwerp uit van een protocol van akkoord;3° het voorstel heeft tot doel de gemeenschappelijke noemer zonder wijzigingen of afwijkingen toe te passen. HOOFDSTUK 4. - Werking Artikel II.86 De Vlaamse regering wijst onder haar ambtenaren een secretaris van het Vlaams Onderhandelingscomité aan.
Artikel II.87 Elke delegatie van het Vlaams Onderhandelingscomité kan een beroep doen op technici, die niet stemgerechtigd zijn.
Artikel II.88 Het Vlaams Onderhandelingscomité neemt een werkingsreglement aan, dat bekrachtigd wordt door de Vlaamse regering.
HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen AFDELING 1. - Wijzigingsbepalingen Artikel II.89 In artikel 7 van het decreet van 21 december 1976 houdende organisatie van de Vlaamse interuniversitaire samenwerking, waarvan de huidige tekst van het eerste, tweede en derde lid § 1 wordt en waarvan de huidige tekst van het vierde lid § 3 wordt, wordt een § 2 ingevoegd, die luidt als volgt : « § 2. De in § 1 bedoelde overeenkomst duidt de afgevaardigden en hun plaatsvervangers aan, die op behoorlijk gemandateerde wijze zetelen in het Vlaams Onderhandelingscomité, bedoeld in deel II, titel IV van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen. De overeenkomst komt tot stand na overleg met de besturen van hogescholen. » Artikel II.90 In artikel 7 van het decreet van 28 augustus 1998 betreffende de organisatie van de Vlaamse Hogescholenraad, waarvan de huidige § 2 § 3 wordt, wordt een nieuwe § 2 ingevoegd, die luidt als volgt : « § 2. De in § 1 bedoelde overeenkomst duidt de afgevaardigden en hun plaatsvervangers aan, die op behoorlijk gemandateerde wijze zetelen in het Vlaams Onderhandelingscomité, bedoeld in deel II, titel IV van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen. De overeenkomst komt tot stand na overleg met de besturen van universiteiten. » AFDELING 2. - Behoudsbepaling Artikel II.91 De bepalingen van deze titel doen op geen enkele wijze afbreuk aan de regelgeving op de collectieve arbeidsverhoudingen in het hoger onderwijs, onverminderd de in Hoofdstuk 2 bepaalde bevoegdheden van het Vlaams Onderhandelingscomité.
AFDELING 3. - Inwerkingtredingsbepaling Artikel II.92 De bepalingen van deze titel treden in werking op een door de Vlaamse regering te bepalen datum en uiterlijk op 1 september 2004.
TITEL V. - Evaluatie Artikel II.93 § 1. De bepalingen van titel III van dit deel worden vijfjaarlijks geëvalueerd door de regeringscommissarissen bij de universiteiten en de commissarissen van de Vlaamse regering bij de hogescholen.
De studentenkoepelvereniging(en) in de zin van het
decreet van 30 maart 1999Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
30/03/1999
pub.
15/09/1999
numac
1999036096
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende de subsidiëring van studenten- en leerlingenkoepelverenigingen
sluiten houdende de subsidiëring van studenten- en leerlingenkoepelverenigingen ma(a)k(t)(en) in functie van deze evaluatie haar/hun bevindingen aan de regeringscommissarissen en de commissarissen van de Vlaamse regering over.
Het evaluatierapport wordt voorgelegd aan de Vlaamse regering. § 2. De Vlaamse regering kan op grond van de voorgelegde evaluatie, in het geval deze een globale kwan …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.