← België

Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid

Kort samengevat

Dit besluit van de Vlaamse Regering regelt de uitvoering van Titel XVI van het decreet van 5 april 1995, dat algemene bepalingen inzake milieubeleid bevat, met een focus op toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen. Het dient als een overkoepelend kader voor diverse milieuwetgevingen in Vlaanderen.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
12 DECEMBER 2008. - Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid De Vlaamse Regering, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, inzonderheid op artikel 20; Gelet op de wet van 28 december 1964Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging, inzonderheid op artikel 6 en 10, gewijzigd bij het decreet van 21 december 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/12/2007 pub. 29/02/2008 numac 2008035341 bron vlaamse overheid Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI « Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen » type decreet prom. 21/12/2007 pub. 12/02/2008 numac 2008035231 bron vlaamse overheid Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XV Milieuschade, tot omzetting van de Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende de milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade sluiten; Gelet op de wet van 18 juli 1973Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten betreffende de bestrijding van de geluidshinder, inzonderheid op artikel 9; Gelet op het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, inzonderheid op artikel 54, gewijzigd bij de decreten van 20 april 1994,20 december 2002,30 april 2004,22 april 2005 en 21 december 2007; Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, inzonderheid op artikel 29; Gelet op het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, inzonderheid op artikel 16.1.1, 10°, 16.1.2, 1° en 4°, 16.2.4, 16.2.5, 16.2.10, 16.3.1, § 1, 1°, 16.3.6, 16.3.7, 16.3.8, 16.3.9, § 2, 16.3.10, 16.3.16, 16.3.24, 16.4.6, 2°, 16.4.6, 3°, 16.4.10, § 5, 16.4.17, 16.4.18, § 5, 16.4.20, 16.4.21, § 3, 16.4.21, § 4, 16.4.22, § 1, 16.4.24, 16.4.27, derde lid, 16.4.38, 16.4.50, 16.4.64, 16.7.5, § 6; Gelet op het decreet van 20 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, inzonderheid op artikel 172, § 1; Gelet op het decreet van 21 december 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/12/2007 pub. 29/02/2008 numac 2008035341 bron vlaamse overheid Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI « Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen » type decreet prom. 21/12/2007 pub. 12/02/2008 numac 2008035231 bron vlaamse overheid Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XV Milieuschade, tot omzetting van de Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende de milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade sluiten tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI « Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen », inzonderheid op artikel 32, 33 en 43; Gelet op het koninklijk besluit van 2 april 1974 houdende de voorwaarden en modaliteiten voor de erkenning van de laboratoria en lichamen die, in het kader van de bestrijding van de geluidshinder, belast zijn met het beproeven van en de controle op apparaten en inrichtingen, inzonderheid op artikel 3, 3°, en 6, 1° en 2°; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, inzonderheid op artikel 58, 59, 60, 61, 62 en 63, 64, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 oktober 1992, 12 januari 1999, 5 december 2003, 6 februari 2004 en 14 juli 2004, en op artikel 65, 66, 67, 68 en 69, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 oktober 1992 en 12 januari 1999; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 05/12/2003 pub. 04/05/2004 numac 2004035514 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering houdende vaststelling, voor de jaren 2004 en 2005, van de lijst van vrijwilligersactiviteiten die bij voorrang voor subsidiëring in aanmerking komen type besluit van de vlaamse regering prom. 05/12/2003 pub. 21/01/2004 numac 2004035078 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet door personeelsleden van het onderwijs en van de psycho-medisch-sociale centra type besluit van de vlaamse regering prom. 05/12/2003 pub. 02/03/2004 numac 2004035239 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992 betreffende de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage type besluit van de vlaamse regering prom. 05/12/2003 pub. 29/12/2003 numac 2003036241 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2002 tot vaststelling van de tarieven van het loodsgeld en andere vergoedingen en kosten voor loodsverrichtingen in het Belgische loodsvaarwater type besluit van de vlaamse regering prom. 05/12/2003 pub. 27/01/2004 numac 2004035034 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het stambesluit VOI van 30 juni 2000 wat betreft de vaststelling van dringende bepalingen type besluit van de vlaamse regering prom. 05/12/2003 pub. 06/02/2004 numac 2004035147 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering ter uitvoering van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang sluiten tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer, inzonderheid op artikel 9.1, 9.2 en 9.3, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 oktober 2005,9 februari 2007, 14 november 2007, 7 maart 2008 en 10 juli 2008; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten2 inzake de certificering van koeltechnische bedrijven, inzonderheid op artikel 18; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten2 betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater, inzonderheid op artikel 38, § 1 en § 4; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten4 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering, inzonderheid op artikel 224; Gelet op het akkoord van de Minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 18 juli 2008; Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 28 oktober 2008, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op voorstel van de Minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur; Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Definities en toepassingsgebied Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° wet Luchtverontreiniging : de wet van 28 december 1964Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging;2° wet Oppervlaktewateren : de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging;3° wet Geluidshinder : de wet van 18 juli 1973Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten betreffende de bestrijding van de geluidshinder;4° Grondwaterdecreet : het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer;5° Afvalstoffendecreet : het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen;6° Milieuvergunningendecreet : het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning;7° titel I van het Vlarem : het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning;8° decreet : het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;9° titel II van het Vlarem : het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;10° Vlarebo : het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten4 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering;11° Vlarea : het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 05/12/2003 pub. 04/05/2004 numac 2004035514 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering houdende vaststelling, voor de jaren 2004 en 2005, van de lijst van vrijwilligersactiviteiten die bij voorrang voor subsidiëring in aanmerking komen type besluit van de vlaamse regering prom. 05/12/2003 pub. 21/01/2004 numac 2004035078 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet door personeelsleden van het onderwijs en van de psycho-medisch-sociale centra type besluit van de vlaamse regering prom. 05/12/2003 pub. 02/03/2004 numac 2004035239 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992 betreffende de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage type besluit van de vlaamse regering prom. 05/12/2003 pub. 29/12/2003 numac 2003036241 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2002 tot vaststelling van de tarieven van het loodsgeld en andere vergoedingen en kosten voor loodsverrichtingen in het Belgische loodsvaarwater type besluit van de vlaamse regering prom. 05/12/2003 pub. 27/01/2004 numac 2004035034 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het stambesluit VOI van 30 juni 2000 wat betreft de vaststelling van dringende bepalingen type besluit van de vlaamse regering prom. 05/12/2003 pub. 06/02/2004 numac 2004035147 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering ter uitvoering van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang sluiten tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer;12° Bodemdecreet : het decreet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 27/10/2006 pub. 22/01/2007 numac 2006037062 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de bodemsanering en de bodembescherming sluiten betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;13° de minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid; 14° de Raad : de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving, vermeld in artikel 16.2.2 van het decreet; 15° het Departement : het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van het Vlaams Ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie;16° de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen : de afdeling Milieuvergunningen van het Departement, zoals thans bepaald met toepassing van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 10/10/2003 pub. 02/12/2003 numac 2003202017 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Vlaamse ministeries sluiten tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Ministeries;17° de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving : de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie;18° de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving : de afdeling Milieu-inspectie van het Departement, zoals thans bepaald met toepassing van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 10/10/2003 pub. 02/12/2003 numac 2003202017 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Vlaamse ministeries sluiten tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Ministeries;19° de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen : de afdeling Land-en Bodembescherming, Ondergrond en Natuurlijke Rijkdommen van het Departement, zoals thans bepaald met toepassing van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 10/10/2003 pub. 02/12/2003 numac 2003202017 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Vlaamse ministeries sluiten tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Ministeries;20° de afdeling, bevoegd voor erkenningen : de afdeling Milieuvergunningen van het Departement, zoals thans bepaald met toepassing van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 10/10/2003 pub. 02/12/2003 numac 2003202017 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Vlaamse ministeries sluiten tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Ministeries;21° de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid : de afdeling Toezicht Volksgezondheid van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid;22° de afdeling, bevoegd voor het afvalstoffenbeheer : de afdeling Afvalstoffenbeheer van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij;23° de afdeling, bevoegd voor het bodembeheer : de afdeling Bodembeheer van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij;24° de afdeling bevoegd voor interventie, verwijdering en sanering : de afdeling Interventie, Verwijdering en Sanering van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij;25° de afdeling, bevoegd voor handhaving, administratie en communicatie : de afdeling Handhaving, Administratie en Communicatie van het Agentschap voor Natuur en Bos;26° de afdeling, bevoegd voor operationeel waterbeheer : de afdeling Operationeel Waterbeheer van de Vlaamse Milieumaatschappij;27° de afdeling, bevoegd voor planning en coördinatie : de afdeling Planning en Coördinatie van het Agentschap Wegen en verkeer;28° de afdeling, bevoegd voor de Zeeschelde : de afdeling Zeeschelde van het agentschap Waterwegen en Zeekanaal;29° de afdeling, bevoegd voor de Bovenschelde : de afdeling Bovenschelde van het agentschap Waterwegen en Zeekanaal;30° de afdeling, bevoegd voor Zeekanalen : de afdeling Zeekanaal van het agentschap Waterwegen en Zeekanaal;31° de Mestbank : de afdeling Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij, opgericht bij het decreet van 21 december 1988;32° referentiemeetmethode : geschreven en publiek toegankelijke werkwijze die voor een bepaalde meting dient te worden toegepast. Worden in elk geval beschouwd als referentiemeetmethode : a) de toepasselijke bepalingen in de Belgische wetten, decreten en besluiten;b) de Belgische normen uitgegeven door het NBN;c) de normen uitgegeven door het Comité Européen de Normalisation (CEN);d) de normen uitgegeven door de International Organization for Standardization (ISO); in geval van onderlinge tegenstrijdigheden is bovenvermelde volgorde bepalend. Art. 2.De bepalingen van het decreet, met inbegrip van de uitvoeringsbesluiten ervan, zijn van toepassing op de volgende verordeningen van de Europese Unie alsook op de door of krachtens deze verordeningen uitgevaardigde verordeningen : 1° verordening (EG) nr.2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaagafbrekende stoffen; 2° verordening (EG) nr.1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten; 3° verordening (EG) nr.850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de persistente organische verontreinigde stoffen en tot wijziging van richtlijn 97/117/EEG; 4° verordening (EG) nr.166/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van richtlijn 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad; 5° verordening (EG) nr.842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen; 6° verordening (EG) nr.1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen; 7° verordening (EG) nr.1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie, alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en richtlijn 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie; 8° verordening (EG) nr.1418/2007 van de Commissie van 29 november 2007 betreffende de uitvoer, met het oog op terugwinning, van bepaalde afvalstoffen vermeld in bijlage III of III A bij verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad, naar bepaalde landen waarop het OESO-besluit betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen niet van toepassing is. HOOFDSTUK II. - Gewestelijke entiteit Art. 3.De afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, wordt aangewezen als gewestelijke entiteit, bevoegd voor het opleggen van de alternatieve bestuurlijke geldboete of de exclusieve bestuurlijke geldboete, vermeld in artikel 16.1.2, 4°, van het decreet. HOOFDSTUK III. - Lijst van milieu-inbreuken Art. 4.De lijst van milieu-inbreuken, vermeld in artikel 16.1.2, 1°, f), en artikel 16.4.27, derde lid, van het decreet, zijn de lijsten die als bijlagen bij dit besluit zijn gevoegd. De minister evalueert vijfjaarlijks de lijst, vermeld in het eerste lid en rapporteert hierover aan de Vlaamse Regering. HOOFDSTUK IV. - Organisatie van het milieuhandhavingsbeleid Afdeling I. - Milieuhandhavingsprogramma Art. 5.De vaste secretaris van de Raad bezorgt het goedgekeurde milieuhandhavingsprogramma elektronisch aan de overheden, vermeld in artikel 16.2.4, derde lid, van het decreet. Het Departement plaatst het goedgekeurde milieuhandhavingsprogramma op zijn website, vermeldt daar de manier waarop een papieren exemplaar verkregen kan worden en maakt het via de pers bekend. Afdeling II. - Milieuhandhavingsrapport Art. 6.De vaste secretaris van de Raad bezorgt het milieuhandhavingsrapport elektronisch aan de overheden, vermeld in artikel 16.2.5, vierde lid, van het decreet. Het Departement plaatst het milieuhandhavingsrapport op zijn website, vermeldt daar de manier waarop een papieren exemplaar kan verkregen worden en maakt het via de pers bekend. Afdeling III. - Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Art. 7.§ 1. De voorzitter en de vaste secretaris van de Raad beheren de werkingsmiddelen die de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel 16.2.10 van het decreet aan de Raad ter beschikking stelt. Het Departement betaalt uit zijn algemene middelen de kosten voor de werking van het permanente secretariaat van de Raad en van de vaste secretaris. § 2. De voorzitter, de ondervoorzitter en de leden van de Raad ontvangen voor hun werkzaamheden een forfaitaire jaarlijkse vergoeding. Die vergoeding bedraagt : 1° voor de voorzitter van de Raad : 12.500 euro; 2° voor de ondervoorzitter : 10.000 euro; 3° voor de leden, vermeld in artikel 16.2.7, § 2, eerste lid, 3°, 4°, 5°, 6° en 7°, van het decreet : 7500 euro. Aan de plaatsvervangers van de leden, vermeld in artikel 16.2.7, § 2, eerste lid, 3°, 4°, 5°, 6° en 7°, van het decreet wordt een presentievergoeding van 100 euro per vergadering toegekend tot maximaal 1000 euro per jaar. De leden, vermeld in artikel 16.2.7, § 2, vijfde lid, van het decreet wordt een presentievergoeding van 100 euro per vergadering toegekend tot maximaal 1000 euro per jaar. Art. 8.De voorzitter, de ondervoorzitter en de leden van de Raad, alsook hun plaatsvervangers, kunnen alleen aanspraak maken op ofwel de forfaitaire jaarlijkse vergoeding, ofwel de presentievergoeding, als ze geen Vlaams ambtenaar zijn. Art. 9.Aan de voorzitter, de ondervoorzitter en de leden van de Raad, alsook aan hun plaatsvervangers wordt een vergoeding toegekend voor reiskosten die verbonden zijn aan de uitoefening van hun werkzaamheden, overeenkomstig de regeling die geldt voor de vergoeding van reiskosten van personeelsleden van de Vlaamse overheid. Art. 10.De forfaitaire jaarlijkse vergoedingen, de presentievergoedingen en de reiskostenvergoedingen worden aangerekend op de begroting van de Raad. Art. 11.De forfaitaire jaarlijkse vergoedingen, de presentievergoedingen en de reiskostenvergoedingen, vermeld in artikel 7, § 2, en 9, volgen de ontwikkeling van het prijsindexcijfer dat daartoe berekend en benoemd wordt, en dit overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij artikel 90 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen. HOOFDSTUK V. - Toezicht Afdeling I. - Toezichthouders Onderafdeling I. - Algemene bepalingen Art. 12.Naast de leidend ambtenaar van het Departement worden de volgende personen aangewezen als gewestelijke toezichthouders : 1° de door de minister aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving;2° de door de minister aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen;3° de door de minister aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor erkenningen;4° de door de minister aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen;5° de door de minister aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor handhaving, communicatie en administratie;6° de door de minister aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor het afvalstoffenbeheer;7° de door de minister aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor het bodembeheer;8° de door de minister aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor interventie, verwijdering en sanering;9° de door de minister aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor operationeel waterbeheer;10° de door de minister aan te stellen personeelsleden van de Mestbank;11° de door de Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid, aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid;12° de door de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken, aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor planning en coördinatie;13° de door de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken, aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor Boven-Schelde;14° de door de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken, aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor Zeeschelde;15° de door de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken, aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor Zeekanaal. Art. 13.Provinciale toezichthouders, gemeentelijke toezichthouders, toezichthouders van intergemeentelijke verenigingen en toezichthouders van politiezones moeten beschikken over een bekwaamheidsbewijs. Om dat bekwaamheidsbewijs te verkrijgen, moeten toezichthouders de volgende opleiding volgen : 1° theoretisch onderricht : a) beginselen van de milieuwetgeving, met daarbij onder andere wetten, decreten, verordeningen, uitvoeringsbesluiten en indeling van hinderlijke inrichtingen : twaalf uren;b) beginselen van de handhaving van de milieuwetgeving : twaalf uren;c) elementaire fysische begrippen over leefmilieu en het gebruik van die begrippen in de milieuwetgeving : twaalf uren;d) fysische begrippen en reglementering over afval en bodem : twaalf uren;e) fysische begrippen en reglementering in verband met geluidshinder : twaalf uren;f) fysische begrippen en reglementering over grond- en oppervlaktewaterverontreiniging : twaalf uren;g) fysische begrippen en reglementering over luchtverontreiniging : twaalf uren;2° praktisch onderricht : a) het meten van het geluidsniveau dat afkomstig is van geluidsbronnen : twaalf uren;b) monstername en metingen ter plaatse van afval-, oppervlakte- en grondwater : twaalf uren;c) monstername en metingen ter plaatse van bodem en afvalstoffen : twaalf uren;d) monstername en metingen ter plaatse van verontreinigende lucht : twaalf uren;3° bekwaamheidsproef : na het volgen van het onderricht, vermeld in punt 1° en 2°, een bekwaamheidsproef over het theoretische en praktische onderricht. De minister kan, op basis van de aangetoonde opleiding of ervaring, op gemotiveerde aanvraag van de betrokkene gehele of gedeeltelijke vrijstelling verlenen van het theoretische en het praktische onderricht. De vrijstelling heeft ook betrekking op de gedeelten van de bekwaamheidsproef waarvoor vrijstelling van onderricht is verleend. Art. 14.§ 1. De opleiding, vermeld in artikel 13, tweede lid, mag alleen gegeven worden door de instellingen die daartoe erkend zijn door de minister, na gemotiveerd advies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen. § 2. Met het oog op hun erkenning richten deze instellingen per brief een aanvraag tot de minister waarin ze aantonen dat ze : 1° over gekwalificeerde medewerkers beschikken die, hetzij houder zijn van een diploma van master in de ingenieurswetenschappen, master in de bio-ingenieurswetenschappen, master in de industriële wetenschappen of master in de wetenschappen en ten minste één jaar praktijkervaring hebben met de beginselen, vermeld in artikel 13, tweede lid, hetzij minstens vijf jaar praktijkervaring hebben met die beginselen;2° over de nodige lokalen en materiële uitrusting beschikken. § 3. De instellingen moeten zich onderwerpen aan de controle die wordt uitgevoerd door de personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Die personeelsleden worden uitgenodigd om de bekwaamheidsproef bij te wonen. § 4. Als de personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor erkenningen, vaststellen dat een erkende instelling niet meer voldoet aan de voorwaarden, vermeld in § 2, dan doen zij hiervan kennisgeving aan deze instelling. Als de instelling binnen dertig dagen na de verzending van die brief niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in § 2, kan de minister, op gemotiveerd advies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen, de erkenning opheffen. § 5. De besluiten van de minister houdende erkenning of houdende opheffing van de erkenning van de instellingen worden bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Art. 15.De instelling, vermeld in artikel 14, § 1, levert een getuigschrift af aan de cursisten die het onderricht, vermeld in artikel 13, tweede lid, hebben gevolgd en die geslaagd zijn voor de bekwaamheidsproef. Dat getuigschrift wordt, samen met de eventueel verleende vrijstelling van onderricht en het aanstellingsbesluit van het orgaan, vermeld in artikel 16.3.1, § 1, 2°, 3°, 4° en 5°, van het decreet, voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. De afdeling, bevoegd voor erkenningen, levert op basis van die documenten een bekwaamheidsbewijs en een legitimatiebewijs af. Ze bezorgt binnen vijftien dagen na de afgifte ervan een kopie van dat bekwaamheidsbewijs aan de procureur des Konings van de gerechtelijke arrondissementen waar de houder van het bekwaamheidsbewijs de aan hem toegewezen toezichtopdrachten uitvoert. Onderafdeling II. - Gemeentelijke toezichthouders en toezichthouders van intergemeentelijke verenigingen en van politiezones A. Minimumaantal lokale toezichthouders Art. 16.§ 1. Binnen één jaar na de inwerkingtreding van dit besluit moet elke gemeente beroep kunnen doen op minstens één toezichthouder, hetzij een gemeentelijke toezichthouder, hetzij een toezichthouder van een intergemeentelijke vereniging, hetzij een toezichthouder van een politiezone. Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit moet een gemeente met meer dan driehonderd inrichtingen van klasse 2 overeenkomstig titel I van het Vlarem of meer dan dertigduizend inwoners indien het aantal inrichtingen onvoldoende gekend is minstens een beroep kunnen doen op twee toezichthouders, hetzij gemeentelijke toezichthouders, hetzij toezichthouders van intergemeentelijke verenigingen, hetzij toezichthouders van politiezones. § 2. Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit moet elke intergemeentelijke vereniging die toezichthouders aanwijst, minstens twee toezichthouders aanwijzen per begonnen schijf van vijf gemeenten die voor het volledige pakket van toezichttaken, vermeld in artikel 23, een beroep doen op de toezichthouders van de intergemeentelijke vereniging. § 3. Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit moet elke politiezone die uit meer dan één gemeente bestaat en die toezichthouders aanwijst, minstens twee toezichthouders aanwijzen per begonnen schijf van vijf gemeenten die voor het volledige pakket van toezichttaken, vermeld in artikel 23, beroep doen op deze toezichthouders van een politiezone. B. Aanstelling van waarnemende lokale toezichthouders Art. 17.Als waarnemende toezichthouders kunnen, bij verhindering van krachtens artikel 16.3.1, § 1, 3°, 4° en 5° van het decreet aangewezen toezichthouders, alleen personen worden aangesteld die over de vereiste kwalificaties en eigenschappen beschikken om de toezichtopdracht naar behoren te vervullen. Waarnemende toezichthouders moeten houder zijn hetzij van een getuigschrift van hoger onderwijs, hetzij van hoger secundair onderwijs of van hogere secundaire leergangen aangevuld met een nuttige ervaring van meer dan drie jaar. Art. 18.§ 1. Het college van burgemeester en schepenen stelt de waarnemende gemeentelijke toezichthouders aan onder de personeelsleden van de gemeente. Het bevoegde orgaan van de intergemeentelijke vereniging stelt de waarnemende toezichthouders van de intergemeentelijke verenigingen aan onder de personeelsleden van de intergemeentelijke vereniging. Het bevoegde orgaan van de politiezone stelt de waarnemende toezichthouders van de politiezone aan onder de personeelsleden van de politiezone. Het aanstellingsbesluit bepaalt de duur van deze aanstelling zonder dat deze de termijn van een jaar mag overschrijden. § 2. Contractuele personeelsleden kunnen alleen toezichthouder zijn als zij daartoe speciaal zijn beëdigd. Art. 19.Het college van burgemeester en schepenen of het bevoegde orgaan van de intergemeentelijke vereniging of van de politiezone legt een kopie van het behaalde getuigschrift of diploma en het bewijs van de nuttige ervaring, samen met het aanstellingsbesluit, voor aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. De afdeling kan op basis van die documenten een tijdelijk bekwaamheidsbewijs afleveren. Ze bezorgt binnen vijftien dagen na de afgifte ervan een kopie van het tijdelijke bekwaamheidsbewijs aan de procureur des Konings van het gerechtelijke arrondissement waar de houder van het tijdelijke bekwaamheidsbewijs de aan hem toegewezen toezichtopdrachten uitoefent. C. Aanwijzing van officieren van gerechtelijke politie Art. 20.De minister kan personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en andere dan deze die overeenkomstig artikel 12 zijn aangewezen als gewestelijke toezichthouders, aanwijzen als officier van gerechtelijke politie. Afdeling II. - Toezichtopdrachten Onderafdeling I. - Bepaling Art. 21.De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 1°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van : 1° titel III, titel IV en titel XV van het decreet;2° de wet Luchtverontreiniging;3° de wet Oppervlaktewateren;4° de wet Geluidshinder;5° het Afvalstoffendecreet;6° het Grondwaterdecreet;7° het Milieuvergunningendecreet;8° de uitvoeringsbesluiten van de wetten en decreten, vermeld in punt 1° tot en met 7°;9° verordening (EG) nr.2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaagafbrekende stoffen; 10° verordening (EG) nr.1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten; 11° verordening (EG) nr.850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de persistente organische verontreinigde stoffen en tot wijziging van richtlijn 97/117/EEG; 12° verordening (EG) nr.166/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de richtlijn 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad; 13° verordening (EG) nr.842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen; 14° verordening (EG) nr.1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen; 15° verordening (EG) nr.1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijn 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie; 16° verordening (EG) nr.1418/2007 van de Commissie van 29 november 2007 betreffende de uitvoer, met het oog op terugwinning, van bepaalde afvalstoffen, vermeld in bijlage III of III A bij verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad, naar bepaalde landen waarop het OESO-besluit betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen niet van toepassing is. Art. 22.De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 2°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van artikel 3.2.3 van het decreet. Art. 23.De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 3°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van de volgende wetten, decreten en hun uitvoeringsbesluiten op het vlak van de opleiding, de beroepservaring en de overige voorwaarden waaraan de erkenninghouder moet voldoen : 1° titel III, met uitzondering van hoofdstukken II en III, en titel IV van het decreet;2° de wet Luchtverontreiniging;3° de wet Geluidshinder;4° het Grondwaterdecreet;5° het Milieuvergunningendecreet;6° verordening (EG) nr.2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaagafbrekende stoffen; 7° verordening (EG) nr.842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen. Art. 24.De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 4°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van het Milieuvergunningendecreet, wat betreft het gevaar voor grondverschuivingen of instortingen bij inrichtingen van klasse 1 en 2 waarvoor de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, adviesbevoegdheid heeft volgens artikel 20 van titel I van het Vlarem. Art. 25.De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 5°, oefenen in de ruimtelijk kwetsbare gebieden als vermeld in artikel 145bis, § 1, vierde lid, van het decreet van 18 mei 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/05/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999035652 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening sluiten houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening het toezicht uit op de toepassing van artikel 12 van het Afvalstoffendecreet. Art. 26.§ 1. De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 6°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van het Afvalstoffendecreet en zijn uitvoeringsbesluit, wat de volgende aspecten betreft : 1° de inzameling bij en het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen door de particulier, zoals dat door de gemeentelijke overheden georganiseerd wordt;2° het verloop van de afvalstromen die onder toepassing vallen van een aanvaardingsplicht, met uitsluiting van het toezicht op de bepalingen ter uitvoering van het Milieuvergunningendecreet en de bepalingen over de overbrenging van afvalstoffen;3° de bepalingen inzake afvalpreventie- en recyclagedoelstellingen waaronder de bepalingen over de aanvaardingsplicht, het opstellen van milieubeleidsovereenkomsten, afvalpreventie- en afvalbeheerplannen voor bepaalde afvalstromen;4° de afgifte van scheepsafvalstoffen;5° de rapportering over geproduceerde, ingezamelde en verwerkte afvalstoffen in het kader van beleidsevaluatie;6° het afvalstoffenregister;7° de naleving van sectorale uitvoeringsplannen als vermeld in artikel 35 en 36 van het Afvalstoffendecreet; § 2. De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 8°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van artikel 12 en 13 van het Afvalstoffendecreet. Art. 27.De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 7° en 8°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van het Bodemdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten. Art. 28.De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 9°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van : 1° artikel 2 van de wet Oppervlaktewateren, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 1 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet van 28 december 1967Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten betreffende de onbevaarbare waterlopen;2° artikel 12 van het Afvalstoffendecreet, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 1 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet van 28 december 1967Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten betreffende de onbevaarbare waterlopen;3° de uitvoeringsbesluiten van de wet en decreet, vermeld in 1° en 2°, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 1 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet van 28 december 1967Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten betreffende de onbevaarbare waterlopen. Art. 29.De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 10°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van : 1° het Afvalstoffendecreet, wat de aanwending van afvalstoffen als secundaire grondstoffen, als meststof, als bodemverbeterend middel of als bodem betreft;2° verordening (EG) nr.1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten, voor wat meststoffen betreft; 3° verordening (EG) nr.1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, voor wat de in-, door- en uitvoer van dierlijke mest betreft. Art. 30.De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 11°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van : 1° het Afvalstoffendecreet, wat betreft onderafdeling III "Medisch afval" van afdeling V van Vlarea;2° het Milieuvergunningendecreet, wat betreft de gezondheidsaspecten bij inrichtingen van klasse 1 en 2 waarvoor de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid adviesbevoegdheid heeft volgens artikel 20 van titel I van het Vlarem;3° de uitvoeringsbesluiten van de decreten, vermeld in 1° en 2°, wat betreft de aangelegenheden, vermeld in deze punten. Art. 31.De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 12°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van : 1° artikel 2 van de wet Oppervlaktewateren, wat betreft de grachten en kunstmatige afvoerwegen voor hemelwater langs de openbare wegen en hun aanhorigheden;2° artikel 12 van het Afvalstoffendecreet, wat betreft de openbare wegen en hun aanhorigheden. Art. 32.De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 13°, 14° en 15°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van : 1° artikel 2 van de wet Oppervlaktewateren, wat betreft de bevaarbare waterlopen, de waterwegen en de havens en hun aanhorigheden;2° artikel 12 van het Afvalstoffendecreet, wat betreft de waterwegen en de havens en hun aanhorigheden. Art. 33.De provinciale toezichthouders oefenen het toezicht uit op de toepassing van : 1° artikel 2 van de wet Oppervlaktewateren, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 2 en 3 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet van 28 december 1967Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten betreffende de onbevaarbare waterlopen;2° artikel 12 van het Afvalstoffendecreet, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 2 en 3 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet van 28 december 1967Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten betreffende de onbevaarbare waterlopen;3° de uitvoeringsbesluiten van de wet en het decreet, vermeld in punt 1° en 2°, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 2 en 3 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet van 28 december 1967Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten betreffende de onbevaarbare waterlopen. Art. 34.De gemeentelijke toezichthouders, de toezichthouders van intergemeentelijke verenigingen en de toezichthouders van politiezones oefenen, voor de inrichtingen die overeenkomstig bijlage 1 van titel I van het Vlarem zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 2 en 3, voor de niet-ingedeelde inrichtingen en voor de vrijevelddelicten, het toezicht uit op de toepassing van : 1° titel III van het decreet;2° de wet Luchtverontreiniging;3° de wet Oppervlaktewateren, wat de lozing van afvalwater en de opsporing van elke vorm van waterverontreiniging betreft;4° de wet Geluidshinder;5° artikelen 11, 12, 13, 14, 17, 18 en 20 van het Afvalstoffendecreet;6° het Grondwaterdecreet;7° het Milieuvergunningendecreet;8° de uitvoeringsbesluiten van de wetten en decreten, vermeld in punt 1° tot en met 7°;9° verordening (EG) nr.2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaagafbrekende stoffen; 10° verordening (EG) nr.1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten; 11° verordening (EG) nr.850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de persistente organische verontreinigde stoffen en tot wijziging van richtlijn 97/117/EEG; 12° verordening (EG) nr.1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen. Bij de inrichtingen die overeenkomstig bijlage 1 van titel I van het Vlarem zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 1 kunnen zij, binnen het kader van de bovenvermelde wetten, decreten en verordeningen en hun uitvoeringsbesluiten, vaststellingen doen op basis van zintuiglijke waarneming en zaken onderzoeken als vermeld in artikel 16.3.14 van het decreet. Onderafdeling II. - Legitimatiebewijs Art. 35.De gewestelijke toezichthouders verkrijgen hun legitimatiebewijs overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten5 betreffende de legitimatiekaarten van de personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid die belast zijn met inspectie- of controlebevoegdheden. De overige toezichthouders verkrijgen vanwege de afdeling, bevoegd voor erkenningen hun legitimatiebewijs samen met het bekwaamheidsbewijs, vermeld in artikel 13. Dat legitimatiebewijs wordt opgemaakt naar het model van het legitimatiebewijs van de gewestelijke toezichthouders. Afdeling III. - Toezichtrechten Onderafdeling I. - Bepaling Art. 36.Elke categorie van toezichthouders, inclusief de waarnemende toezichthouders, beschikt over alle toezichtrechten, vermeld in artikel 16.3.10, eerste lid, van het decreet. Onderafdeling II. - Monsternemingen, metingen, beproevingen, analyses A. Algemeen Art. 37.Monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses, hierna technische controles te noemen, worden uitgevoerd volgens de modaliteiten, vermeld in artikel 38 tot en met 56. B. Technische controles Art. 38.De technische controles op de lozing van afvalwater kunnen omvatten : 1° het nemen van de volgende monsters en de analyse van die monsters : a) minstens één monster van het geloosde water;b) minstens één monster van het opgenomen oppervlaktewater als dat toepasselijk is;c) eventueel minstens één monster van het opgenomen grondwater;d) eventueel minstens twee monsters van het ontvangende water, minstens één stroomopwaarts van de lozing en minstens één stroomafwaarts van de lozing;2° het onderzoeken van door de lozing van afvalwater veroorzaakte schade aan mens, dieren, planten en materialen;3° de uitvoering van metingen ter plaatse van de emissies, stromen die de emissies kunnen beïnvloeden en immissies. Art. 39.De technische controles op de luchtverontreiniging, met inbegrip van geurhinder, kunnen bestaan in : 1° het nemen van minstens één monster van de geloosde stoffen of van de verontreinigd geachte lucht en de analyse ervan;2° het onderzoeken van door luchtverontreiniging veroorzaakte schade aan mens, dieren, planten en materialen;3° de uitvoering van metingen ter plaatse van de emissies, gasstromen die de emissies kunnen beïnvloeden en immissies, met inbegrip van snuffelploegmetingen. Art. 40.De technische controles op bodem- of grondwaterverontreiniging kunnen bestaan in : 1° het nemen van minstens een van de volgende monsters en de analyse van die monsters : a) een monster van het grondwater;b) een monster van de bodem;c) een monster van stoffen die de bodem of het grondwater verontreinigen;2° het onderzoeken van door bodem-of grondwaterverontreiniging veroorzaakte schade aan mens, dieren, planten en materialen;3° de uitvoering van metingen ter plaatse op bodem of grondwater. Art. 41.De technische controles op de eigenschappen en de samenstelling van afvalstoffen kunnen bestaan in : 1° het nemen van minstens een van de volgende monsters en de analyse van die monsters : a) een monster van de afvalstof of van het medium waarin een afvalstof vermoed wordt;b) een monster van de grondstoffen, tussenproducten of eindproducten die voorkomen in het proces waarbij de afvalstof ontstaat;2° het onderzoeken van door afvalstoffen veroorzaakte schade aan mens, dieren, planten en materialen;3° de uitvoering van metingen ter plaatse op afvalstoffen of het medium waarin de afvalstof vermoed wordt. Art. 42.De technische controles op de geluidshinder bestaan in de meting van het geluidsniveau. Art. 43.De technische controles op de trillingshinder bestaan in de meting van trillingen. Art. 44.De technische controles op de lichthinder bestaan in de meting van de lichtintensiteit. Art. 45.De technische controles op ggo's of pathogene organismen bestaan in het nemen van een biologisch staal. C. Het nemen en analyseren van monsters Art. 46.De toezichthouders nemen, overeenkomstig artikel 16.3.15 van het decreet, monsters of geven opdracht ze te laten nemen door een daartoe erkend laboratorium of door een daartoe erkende milieudeskundige, en analyseren ze zelf of laten ze door een daartoe erkend laboratorium analyseren. Zij bepalen het tijdstip waarop en de bedrijfsomstandigheden waaronder de monsterneming plaatsvindt. Art. 47.De toezichthouders kunnen, overeenkomstig artikel 16.3.14, § 2, van het decreet, van de houder van de te bemonsteren stoffen, de nodige technische middelen en personeel kosteloos opvorderen om de monsterneming uit te voeren. Voor de technische controle op ggo's en pathogene organismen moet de gebruiker de microbiologische of moleculaire methodes, die het mogelijk maken de gebruikte ggo's of pathogene organismen te traceren, ter beschikking stellen van de toezichthouders. Art. 48.§ 1. Elk monster bestaat uit twee identieke delen. Eén deel is bestemd voor de analyse en één deel is bestemd voor een eventuele tegenanalyse. Een monster dat genomen wordt in het kader van de technische controle op de luchtverontreiniging, kan uit slechts één deel bestaan dat bestemd is voor de analyse. § 2. Alle verrichtingen die bij de monsterneming plaatsvinden en die noodzakelijk zijn voor een goede analyse van het monster, moeten op elk deel van het monster uitgevoerd worden. De toezichthouders nemen die verrichtingen op in het verslag van monsterneming, vermeld in artikel 50. § 3. De toezichthouders bepalen de monstergrootte naargelang van de aard van de verrichtingen die in het laboratorium moeten worden uitgevoerd. Art. 49.§ 1. De toezichthouders of hun opdrachtnemers als vermeld in artikel 46 verzamelen elk deel van het monster in één of meerdere gepaste recipiënten of in een geschikte middenstof, afhankelijk van de aard van de te bemonsteren stof, de bewaring en de te verrichten analyses. Elk deel van het monster dat toezichthouders of de in het eerste lid vermelde opdrachtnemers niet ter plaatse analyseren, verpakken ze ter plaatse en verzegelen ze, ofwel met hun zegel, ofwel met het zegel van de toezichthouder die de monsterneming heeft laten uitvoeren. Dat gebeurt om elke vervanging, verwijdering of bijvoeging van welke aard ook te vermijden. § 2. De buitenverpakking van elk deel van het monster bevat de volgende vermeldingen : 1° een identificatiekenmerk;2° de aard van de bemonsterde stof;3° de datum en het uur van monsterneming;4° de naam en de handtekening van de toezichthouder die het monster heeft genomen of heeft laten nemen. Art. 50.De toezichthouders stellen een verslag van monsterneming op, en ondertekenen het met vermelding van de datum van monsterneming. Een andere toezichthouder of een getuige die wordt opgeroepen om bij de monsterneming aanwezig te zijn, ondertekent dat verslag mee. Art. 51.De toezichthouders die het monster hebben genomen of hebben laten nemen, overhandigen of zenden, binnen vijf werkdagen die volgen op de datum van de monsterneming, een kopie van het verslag van monsterneming aan de persoon tegen wie het resultaat van de monsterneming kan worden ingeroepen, of aan zijn vertegenwoordiger. Als die personen niet bekend zijn, overhandigen of zenden de toezichthouders het verslag van monsterneming aan de persoon van wie de activiteit aanleiding geeft tot de monsterneming, of aan zijn vertegenwoordiger. Art. 52.De toezichthouders overhandigen het deel van het monster dat bestemd is voor de eventuele tegenanalyse ter plaatse en tegen ontvangstbewijs aan de exploitant of zijn vertegenwoordiger. Als de exploitant of zijn vertegenwoordiger het deel van het monster dat bestemd is voor de eventuele tegenanalyse, niet in ontvangst kan nemen, wordt het gedurende tien werkdagen ter beschikking gehouden van de exploitant of zijn vertegenwoordiger. Die termijn gaat in op de dag na de datum van de monsterneming. De toezichthouders die het monster hebben genomen of hebben laten nemen, stellen de exploitant of zijn vertegenwoordiger daarvan zo snel mogelijk na de monsterneming in kennis. Art. 53.De toezichthouders bewaren elk deel van het genomen monster en versturen het in fysische omstandigheden die wijzigingen in de samenstelling van het monster zo veel mogelijk vermijden. Uiterlijk op de eerste werkdag na de monsterneming bezorgen de toezichthouders elk deel van het genomen monster aan het laboratorium dat de analyses uitvoert. Het laboratorium deelt het protocol van de analyse mee aan de toezichthouder die de analyse aanvraagt. Een eventuele tegenanalyse wordt uitgevoerd op kosten van de exploitant, door een daartoe erkend laboratorium. D. Het uitvoeren van metingen of beproevingen Art. 54.§ 1. De toezichthouders voeren, overeenkomstig artikel 16.3.15 van het decreet, metingen of beproevingen uit of geven een daartoe erkend laboratorium of door een daartoe erkende milieudeskundige opdracht om ze uit te voeren. Zij bepalen ook het tijdstip waarop en de bedrijfsomstandigheden waaronder de meting of beproeving wordt uitgevoerd. § 2. De metingen of beproevingen ter plaatse kunnen worden uitgevoerd met meetapparatuur die ingevolge de wetgeving of ingevolge de milieuvergunning aan de exploitant is opgelegd. De toezichthouder mag een ijking van die meetapparatuur laten uitvoeren door een daartoe erkend laboratorium of door een daartoe erkende milieudeskundige. De ijkingskosten zijn voor rekening van de exploitant van de inrichting. § 3. Voor hij tot de uitvoering van metingen of beproevingen of van de ijking van meetapparatuur overeenkomstig het bepaalde in § 2 overgaat, nodigt de toezichthouder die deze metingen of beproevingen of de ijking zal uitvoeren of zal laten uitvoeren de exploitant of zijn vertegenwoordiger ter plaatse uit om die metingen of beproevingen of ijking bij te wonen. Art. 55.De metingen van het geluidsniveau, van trillingen of van de lichtintensiteit worden uitgevoerd op basis van een referentiemeetmethode of, bij gebrek daaraan, volgens methoden die de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, aanvaardt. Het Departement maakt de methoden, vermeld in het eerste lid bekend op haar website en vermeldt daar de manier waarop deze informatie op papier kan verkregen worden. Art. 56.De toezichthouders stellen een verslag van de meting op. De toezichthouders stellen een verslag op, en ondertekenen het met vermelding van de datum van de meting of beproeving. De andere toezichthouder of een getuige die wordt opgeroepen om bij de meting of beproeving aanwezig te zijn, ondertekent dat verslag mee. De toezichthouders die de meting of beproeving hebben uitgevoerd of hebben laten uitvoeren, overhandigen of zenden, binnen vijf werkdagen die volgen op de datum van de meting of beproeving, een kopie van het verslag aan de persoon tegen wie het resultaat van de meting of beproeving kan worden ingeroepen of aan zijn vertegenwoordiger. Afdeling IV. - Vaststelling van milieu-inbreuken Art. 57.De toezichthouders stellen milieu-inbreuken vast in een verslag van vaststelling, waarvan de minister de vorm bepaalt. Afdeling V. - Vaststelling van milieumisdrijven Art. 58.§ 1. De toezichthouders stellen de milieumisdrijven vast in een proces-verbaal waarvan de minister de vorm bepaalt. § 2. De toezichthouders melden schriftelijk aan het college van burgemeester en schepenen dat er een proces-verbaal werd opgesteld. Daarin melden zij minstens de naam van de vermoedelijke overtreder en de datum van vaststelling. Voor wat betreft de bedrijven die vallen onder het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaams gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn gebeurt die melding aan de betrokken deputatie en aan de provinciegouverneur. De melding, als vermeld in het eerste en het tweede lid, gebeurt binnen vijf werkdagen na de vaststelling van het milieumisdrijf. HOOFDSTUK VI. - Bestuurlijke maatregelen Afdeling I. - Bevoegdheid van de provinciegouverneur en van de burgemeester Art. 59.De provinciegouverneur of zijn plaatsvervanger is bevoegd voor het opleggen van bestuurlijke maatregelen als : 1° er een overtreding is van artikel 2 van de wet Oppervlaktewateren;2° er een overtreding is van artikel 12 van het Afvalstoffendecreet;3° een vergunningsplichtige inrichting zonder vergunning wordt geëxploiteerd als vermeld in titel I van het Vlarem;4° een inrichting van klasse 2 wordt geëxploiteerd in strijd met de vergunningsvoorwaarden;5° een inrichting van klasse 3 wordt geëxploiteerd in strijd met de algemene of sectorale milieuvoorwaarden of in strijd met de pakketten milieuvoorwaarden. Art. 60.De burgemeester of zijn plaatsvervanger is bevoegd voor het opleggen van bestuurlijke maatregelen als : 1° er een overtreding is van artikel 2 van de wet Oppervlaktewateren;2° er een overtreding is van artikel 12 van het Afvalstoffendecreet;3° een vergunningsplichtige inrichting zonder vergunning wordt geëxploiteerd;4° een inrichting …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.