Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
Kort samengevat
Dit besluit van de Vlaamse Regering regelt de uitvoering van Titel XVI van het decreet van 5 april 1995, dat algemene bepalingen inzake milieubeleid bevat, met een focus op toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen. Het dient als een overkoepelend kader voor diverse milieuwetgevingen in Vlaanderen.
Wat het regelt
- De bestrijding van luchtverontreiniging.
- De bestrijding van geluidshinder.
- De voorkoming en het beheer van afvalstoffen.
- De milieuvergunning en milieuhygiëne.
Wie het aanbelangt
- De Vlaamse Regering.
- Burgers en bedrijven die te maken hebben met milieuvergunningen, afvalbeheer, lucht- of geluidshinder.
Kernpunten
- Het besluit verwijst naar en bouwt voort op de "wet Luchtverontreiniging" van 28 december 1964.
- Het verwijst naar en bouwt voort op de "wet Geluidshinder" van 18 juli 1973.
- Het verwijst naar en bouwt voort op het "Afvalstoffendecreet" van 2 juli 1981.
- Het verwijst naar en bouwt voort op het "Milieuvergunningendecreet" van 28 juni 1985.
Wettekst
12 DECEMBER 2008. - Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid De Vlaamse Regering, Gelet op de bijz
artikel 16.2.2 van het decreet; 15° het Departement : het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van het Vlaams Ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie;16° de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen : de afdeling Milieuvergunningen van het Departement, zoals thans bepaald met toepassing van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 10/10/2003 pub. 02/12/2003 numac 2003202017 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Vlaamse ministeries sluiten tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Ministeries;17° de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving : de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie;18° de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving : de afdeling Milieu-inspectie van het Departement, zoals thans bepaald met toepassing van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 10/10/2003 pub. 02/12/2003 numac 2003202017 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Vlaamse ministeries sluiten tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Ministeries;19° de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen : de afdeling Land-en Bodembescherming, Ondergrond en Natuurlijke Rijkdommen van het Departement, zoals thans bepaald met toepassing van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 10/10/2003 pub. 02/12/2003 numac 2003202017 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Vlaamse ministeries sluiten tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Ministeries;20° de afdeling, bevoegd voor erkenningen : de afdeling Milieuvergunningen van het Departement, zoals thans bepaald met toepassing van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 10/10/2003 pub. 02/12/2003 numac 2003202017 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Vlaamse ministeries sluiten tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Ministeries;21° de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid : de afdeling Toezicht Volksgezondheid van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid;22° de afdeling, bevoegd voor het afvalstoffenbeheer : de afdeling Afvalstoffenbeheer van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij;23° de afdeling, bevoegd voor het bodembeheer : de afdeling Bodembeheer van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij;24° de afdeling bevoegd voor interventie, verwijdering en sanering : de afdeling Interventie, Verwijdering en Sanering van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij;25° de afdeling, bevoegd voor handhaving, administratie en communicatie : de afdeling Handhaving, Administratie en Communicatie van het Agentschap voor Natuur en Bos;26° de afdeling, bevoegd voor operationeel waterbeheer : de afdeling Operationeel Waterbeheer van de Vlaamse Milieumaatschappij;27° de afdeling, bevoegd voor planning en coördinatie : de afdeling Planning en Coördinatie van het Agentschap Wegen en verkeer;28° de afdeling, bevoegd voor de Zeeschelde : de afdeling Zeeschelde van het agentschap Waterwegen en Zeekanaal;29° de afdeling, bevoegd voor de Bovenschelde : de afdeling Bovenschelde van het agentschap Waterwegen en Zeekanaal;30° de afdeling, bevoegd voor Zeekanalen : de afdeling Zeekanaal van het agentschap Waterwegen en Zeekanaal;31° de Mestbank : de afdeling Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij, opgericht bij het decreet van 21 december 1988;32° referentiemeetmethode : geschreven en publiek toegankelijke werkwijze die voor een bepaalde meting dient te worden toegepast. Worden in elk geval beschouwd als referentiemeetmethode : a) de toepasselijke bepalingen in de Belgische wetten, decreten en besluiten;b) de Belgische normen uitgegeven door het NBN;c) de normen uitgegeven door het Comité Européen de Normalisation (CEN);d) de normen uitgegeven door de International Organization for Standardization (ISO); in geval van onderlinge tegenstrijdigheden is bovenvermelde volgorde bepalend. Art. 2.De bepalingen van het decreet, met inbegrip van de uitvoeringsbesluiten ervan, zijn van toepassing op de volgende verordeningen van de Europese Unie alsook op de door of krachtens deze verordeningen uitgevaardigde verordeningen : 1° verordening (EG) nr.2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaagafbrekende stoffen; 2° verordening (EG) nr.1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten; 3° verordening (EG) nr.850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de persistente organische verontreinigde stoffen en tot wijziging van richtlijn 97/117/EEG; 4° verordening (EG) nr.166/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van richtlijn 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad; 5° verordening (EG) nr.842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen; 6° verordening (EG) nr.1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen; 7° verordening (EG) nr.1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie, alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en richtlijn 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie; 8° verordening (EG) nr.1418/2007 van de Commissie van 29 november 2007 betreffende de uitvoer, met het oog op terugwinning, van bepaalde afvalstoffen
bijlage III of III A bij verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad, naar bepaalde landen waarop het OESO-besluit betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen niet van toepassing is. HOOFDSTUK II. - Gewestelijke entiteit Art. 3.De afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, wordt aangewezen als gewestelijke entiteit, bevoegd voor het opleggen van de alternatieve bestuurlijke geldboete of de exclusieve bestuurlijke geldboete,
artikel 16.1.2, 4°, van het decreet. HOOFDSTUK III. - Lijst van milieu-inbreuken Art. 4.De lijst van milieu-inbreuken,
artikel 16.1.2, 1°, f), en artikel 16.4.27, derde lid, van het decreet, zijn de lijsten die als bijlagen bij dit besluit zijn gevoegd. De minister evalueert vijfjaarlijks de lijst,
het eerste lid en rapporteert hierover aan de Vlaamse Regering. HOOFDSTUK IV. - Organisatie van het milieuhandhavingsbeleid Afdeling I. - Milieuhandhavingsprogramma Art. 5.De vaste secretaris van de Raad bezorgt het goedgekeurde milieuhandhavingsprogramma elektronisch aan de overheden,
artikel 16.2.4, derde lid, van het decreet. Het Departement plaatst het goedgekeurde milieuhandhavingsprogramma op zijn website, vermeldt daar de manier waarop een papieren exemplaar verkregen kan worden en maakt het via de pers bekend. Afdeling II. - Milieuhandhavingsrapport Art. 6.De vaste secretaris van de Raad bezorgt het milieuhandhavingsrapport elektronisch aan de overheden,
artikel 16.2.5, vierde lid, van het decreet. Het Departement plaatst het milieuhandhavingsrapport op zijn website, vermeldt daar de manier waarop een papieren exemplaar kan verkregen worden en maakt het via de pers bekend. Afdeling III. - Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Art. 7.§
- De voorzitter en de vaste secretaris van de Raad beheren de werkingsmiddelen die de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel 16.2.10 van het decreet aan de Raad ter beschikking stelt. Het Departement betaalt uit zijn algemene middelen de kosten voor de werking van het permanente secretariaat van de Raad en van de vaste secretaris. §
- De voorzitter, de ondervoorzitter en de leden van de Raad ontvangen voor hun werkzaamheden een forfaitaire jaarlijkse vergoeding. Die vergoeding bedraagt : 1° voor de voorzitter van de Raad : 12.500 euro; 2° voor de ondervoorzitter : 10.000 euro; 3° voor de leden,
artikel 16.2.7, § 2, eerste lid, 3°, 4°, 5°, 6° en 7°, van het decreet : 7500 euro. Aan de plaatsvervangers van de leden,
artikel 16.2.7, § 2, eerste lid, 3°, 4°, 5°, 6° en 7°, van het decreet wordt een presentievergoeding van 100 euro per vergadering toegekend tot maximaal 1000 euro per jaar. De leden,
artikel 16.2.7, § 2, vijfde lid, van het decreet wordt een presentievergoeding van 100 euro per vergadering toegekend tot maximaal 1000 euro per jaar. Art. 8.De voorzitter, de ondervoorzitter en de leden van de Raad, alsook hun plaatsvervangers, kunnen alleen aanspraak maken op ofwel de forfaitaire jaarlijkse vergoeding, ofwel de presentievergoeding, als ze geen Vlaams ambtenaar zijn. Art. 9.Aan de voorzitter, de ondervoorzitter en de leden van de Raad, alsook aan hun plaatsvervangers wordt een vergoeding toegekend voor reiskosten die verbonden zijn aan de uitoefening van hun werkzaamheden, overeenkomstig de regeling die geldt voor de vergoeding van reiskosten van personeelsleden van de Vlaamse overheid. Art. 10.De forfaitaire jaarlijkse vergoedingen, de presentievergoedingen en de reiskostenvergoedingen worden aangerekend op de begroting van de Raad. Art. 11.De forfaitaire jaarlijkse vergoedingen, de presentievergoedingen en de reiskostenvergoedingen,
artikel 7, § 2, en 9, volgen de ontwikkeling van het prijsindexcijfer dat daartoe berekend en benoemd wordt, en dit overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij artikel 90 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen. HOOFDSTUK V. - Toezicht Afdeling I. - Toezichthouders Onderafdeling I. - Algemene bepalingen Art. 12.Naast de leidend ambtenaar van het Departement worden de volgende personen aangewezen als gewestelijke toezichthouders : 1° de door de minister aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving;2° de door de minister aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen;3° de door de minister aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor erkenningen;4° de door de minister aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen;5° de door de minister aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor handhaving, communicatie en administratie;6° de door de minister aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor het afvalstoffenbeheer;7° de door de minister aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor het bodembeheer;8° de door de minister aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor interventie, verwijdering en sanering;9° de door de minister aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor operationeel waterbeheer;10° de door de minister aan te stellen personeelsleden van de Mestbank;11° de door de Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid, aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid;12° de door de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken, aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor planning en coördinatie;13° de door de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken, aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor Boven-Schelde;14° de door de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken, aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor Zeeschelde;15° de door de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken, aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor Zeekanaal. Art. 13.Provinciale toezichthouders, gemeentelijke toezichthouders, toezichthouders van intergemeentelijke verenigingen en toezichthouders van politiezones moeten beschikken over een bekwaamheidsbewijs. Om dat bekwaamheidsbewijs te verkrijgen, moeten toezichthouders de volgende opleiding volgen : 1° theoretisch onderricht : a) beginselen van de milieuwetgeving, met daarbij onder andere wetten, decreten, verordeningen, uitvoeringsbesluiten en indeling van hinderlijke inrichtingen : twaalf uren;b) beginselen van de handhaving van de milieuwetgeving : twaalf uren;c) elementaire fysische begrippen over leefmilieu en het gebruik van die begrippen in de milieuwetgeving : twaalf uren;d) fysische begrippen en reglementering over afval en bodem : twaalf uren;e) fysische begrippen en reglementering in verband met geluidshinder : twaalf uren;f) fysische begrippen en reglementering over grond- en oppervlaktewaterverontreiniging : twaalf uren;g) fysische begrippen en reglementering over luchtverontreiniging : twaalf uren;2° praktisch onderricht : a) het meten van het geluidsniveau dat afkomstig is van geluidsbronnen : twaalf uren;b) monstername en metingen ter plaatse van afval-, oppervlakte- en grondwater : twaalf uren;c) monstername en metingen ter plaatse van bodem en afvalstoffen : twaalf uren;d) monstername en metingen ter plaatse van verontreinigende lucht : twaalf uren;3° bekwaamheidsproef : na het volgen van het onderricht,
punt 1° en 2°, een bekwaamheidsproef over het theoretische en praktische onderricht. De minister kan, op basis van de aangetoonde opleiding of ervaring, op gemotiveerde aanvraag van de betrokkene gehele of gedeeltelijke vrijstelling verlenen van het theoretische en het praktische onderricht. De vrijstelling heeft ook betrekking op de gedeelten van de bekwaamheidsproef waarvoor vrijstelling van onderricht is verleend. Art. 14.§ 1. De opleiding,
artikel 13, tweede lid, mag alleen gegeven worden door de instellingen die daartoe erkend zijn door de minister, na gemotiveerd advies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen. § 2. Met het oog op hun erkenning richten deze instellingen per brief een aanvraag tot de minister waarin ze aantonen dat ze : 1° over gekwalificeerde medewerkers beschikken die, hetzij houder zijn van een diploma van master in de ingenieurswetenschappen, master in de bio-ingenieurswetenschappen, master in de industriële wetenschappen of master in de wetenschappen en ten minste één jaar praktijkervaring hebben met de beginselen,
artikel 13, tweede lid, hetzij minstens vijf jaar praktijkervaring hebben met die beginselen;2° over de nodige lokalen en materiële uitrusting beschikken. §
- De instellingen moeten zich onderwerpen aan de controle die wordt uitgevoerd door de personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Die personeelsleden worden uitgenodigd om de bekwaamheidsproef bij te wonen. §
- Als de personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor erkenningen, vaststellen dat een erkende instelling niet meer voldoet aan de voorwaarden,
§ 2, dan doen zij hiervan kennisgeving aan deze instelling.
Als de instelling binnen dertig dagen na de verzending van die brief niet voldoet aan de voorwaarden,
§ 2
, kan de minister, op gemotiveerd advies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen, de erkenning opheffen. § 5. De besluiten van de minister houdende erkenning of houdende opheffing van de erkenning van de instellingen worden bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Art. 15.De instelling,
artikel 14, § 1, levert een getuigschrift af aan de cursisten die het onderricht,
artikel 13, tweede lid, hebben gevolgd en die geslaagd zijn voor de bekwaamheidsproef. Dat getuigschrift wordt, samen met de eventueel verleende vrijstelling van onderricht en het aanstellingsbesluit van het orgaan,
artikel 16.3.1, § 1, 2°, 3°, 4° en 5°, van het decreet, voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. De afdeling, bevoegd voor erkenningen, levert op basis van die documenten een bekwaamheidsbewijs en een legitimatiebewijs af. Ze bezorgt binnen vijftien dagen na de afgifte ervan een kopie van dat bekwaamheidsbewijs aan de procureur des Konings van de gerechtelijke arrondissementen waar de houder van het bekwaamheidsbewijs de aan hem toegewezen toezichtopdrachten uitvoert. Onderafdeling II. - Gemeentelijke toezichthouders en toezichthouders van intergemeentelijke verenigingen en van politiezones A. Minimumaantal lokale toezichthouders Art. 16.§
- Binnen één jaar na de inwerkingtreding van dit besluit moet elke gemeente beroep kunnen doen op minstens één toezichthouder, hetzij een gemeentelijke toezichthouder, hetzij een toezichthouder van een intergemeentelijke vereniging, hetzij een toezichthouder van een politiezone. Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit moet een gemeente met meer dan driehonderd inrichtingen van klasse 2 overeenkomstig titel I van het Vlarem of meer dan dertigduizend inwoners indien het aantal inrichtingen onvoldoende gekend is minstens een beroep kunnen doen op twee toezichthouders, hetzij gemeentelijke toezichthouders, hetzij toezichthouders van intergemeentelijke verenigingen, hetzij toezichthouders van politiezones. §
- Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit moet elke intergemeentelijke vereniging die toezichthouders aanwijst, minstens twee toezichthouders aanwijzen per begonnen schijf van vijf gemeenten die voor het volledige pakket van toezichttaken,
artikel 23, een beroep doen op de toezichthouders van de intergemeentelijke vereniging. § 3. Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit moet elke politiezone die uit meer dan één gemeente bestaat en die toezichthouders aanwijst, minstens twee toezichthouders aanwijzen per begonnen schijf van vijf gemeenten die voor het volledige pakket van toezichttaken,
artikel 23, beroep doen op deze toezichthouders van een politiezone. B. Aanstelling van waarnemende lokale toezichthouders Art. 17.Als waarnemende toezichthouders kunnen, bij verhindering van krachtens artikel 16.3.1, § 1, 3°, 4° en 5° van het decreet aangewezen toezichthouders, alleen personen worden aangesteld die over de vereiste kwalificaties en eigenschappen beschikken om de toezichtopdracht naar behoren te vervullen. Waarnemende toezichthouders moeten houder zijn hetzij van een getuigschrift van hoger onderwijs, hetzij van hoger secundair onderwijs of van hogere secundaire leergangen aangevuld met een nuttige ervaring van meer dan drie jaar. Art. 18.§
- Het college van burgemeester en schepenen stelt de waarnemende gemeentelijke toezichthouders aan onder de personeelsleden van de gemeente. Het bevoegde orgaan van de intergemeentelijke vereniging stelt de waarnemende toezichthouders van de intergemeentelijke verenigingen aan onder de personeelsleden van de intergemeentelijke vereniging. Het bevoegde orgaan van de politiezone stelt de waarnemende toezichthouders van de politiezone aan onder de personeelsleden van de politiezone. Het aanstellingsbesluit bepaalt de duur van deze aanstelling zonder dat deze de termijn van een jaar mag overschrijden. §
- Contractuele personeelsleden kunnen alleen toezichthouder zijn als zij daartoe speciaal zijn beëdigd. Art. 19.Het college van burgemeester en schepenen of het bevoegde orgaan van de intergemeentelijke vereniging of van de politiezone legt een kopie van het behaalde getuigschrift of diploma en het bewijs van de nuttige ervaring, samen met het aanstellingsbesluit, voor aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. De afdeling kan op basis van die documenten een tijdelijk bekwaamheidsbewijs afleveren. Ze bezorgt binnen vijftien dagen na de afgifte ervan een kopie van het tijdelijke bekwaamheidsbewijs aan de procureur des Konings van het gerechtelijke arrondissement waar de houder van het tijdelijke bekwaamheidsbewijs de aan hem toegewezen toezichtopdrachten uitoefent. C. Aanwijzing van officieren van gerechtelijke politie Art. 20.De minister kan personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en andere dan deze die overeenkomstig artikel 12 zijn aangewezen als gewestelijke toezichthouders, aanwijzen als officier van gerechtelijke politie. Afdeling II. - Toezichtopdrachten Onderafdeling I. - Bepaling Art. 21.De toezichthouders,
artikel 12, 1°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van : 1° titel III, titel IV en titel XV van het decreet;2° de wet Luchtverontreiniging;3° de wet Oppervlaktewateren;4° de wet Geluidshinder;5° het Afvalstoffendecreet;6° het Grondwaterdecreet;7° het Milieuvergunningendecreet;8° de uitvoeringsbesluiten van de wetten en decreten,
punt 1° tot en met 7°;9° verordening (EG) nr.2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaagafbrekende stoffen; 10° verordening (EG) nr.1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten; 11° verordening (EG) nr.850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de persistente organische verontreinigde stoffen en tot wijziging van richtlijn 97/117/EEG; 12° verordening (EG) nr.166/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de richtlijn 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad; 13° verordening (EG) nr.842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen; 14° verordening (EG) nr.1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen; 15° verordening (EG) nr.1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijn 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie; 16° verordening (EG) nr.1418/2007 van de Commissie van 29 november 2007 betreffende de uitvoer, met het oog op terugwinning, van bepaalde afvalstoffen,
bijlage III of III A bij verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad, naar bepaalde landen waarop het OESO-besluit betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen niet van toepassing is. Art. 22.De toezichthouders,
artikel 12, 2°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van artikel 3.2.3 van het decreet. Art. 23.De toezichthouders,
artikel 12, 3°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van de volgende wetten, decreten en hun uitvoeringsbesluiten op het vlak van de opleiding, de beroepservaring en de overige voorwaarden waaraan de erkenninghouder moet voldoen : 1° titel III, met uitzondering van hoofdstukken II en III, en titel IV van het decreet;2° de wet Luchtverontreiniging;3° de wet Geluidshinder;4° het Grondwaterdecreet;5° het Milieuvergunningendecreet;6° verordening (EG) nr.2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaagafbrekende stoffen; 7° verordening (EG) nr.842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen. Art. 24.De toezichthouders,
artikel 12, 4°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van het Milieuvergunningendecreet, wat betreft het gevaar voor grondverschuivingen of instortingen bij inrichtingen van klasse 1 en 2 waarvoor de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, adviesbevoegdheid heeft volgens artikel 20 van titel I van het Vlarem. Art. 25.De toezichthouders,
artikel 12, 5°, oefenen in de ruimtelijk kwetsbare gebieden als
artikel 145bis, § 1, vierde lid, van het decreet van 18 mei 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/05/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999035652 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening sluiten houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening het toezicht uit op de toepassing van artikel 12 van het Afvalstoffendecreet. Art. 26.§ 1. De toezichthouders,
artikel 12, 6°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van het Afvalstoffendecreet en zijn uitvoeringsbesluit, wat de volgende aspecten betreft : 1° de inzameling bij en het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen door de particulier, zoals dat door de gemeentelijke overheden georganiseerd wordt;2° het verloop van de afvalstromen die onder toepassing vallen van een aanvaardingsplicht, met uitsluiting van het toezicht op de bepalingen ter uitvoering van het Milieuvergunningendecreet en de bepalingen over de overbrenging van afvalstoffen;3° de bepalingen inzake afvalpreventie- en recyclagedoelstellingen waaronder de bepalingen over de aanvaardingsplicht, het opstellen van milieubeleidsovereenkomsten, afvalpreventie- en afvalbeheerplannen voor bepaalde afvalstromen;4° de afgifte van scheepsafvalstoffen;5° de rapportering over geproduceerde, ingezamelde en verwerkte afvalstoffen in het kader van beleidsevaluatie;6° het afvalstoffenregister;7° de naleving van sectorale uitvoeringsplannen als
artikel 35 en 36 van het Afvalstoffendecreet; § 2. De toezichthouders,
artikel 12, 8°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van artikel 12 en 13 van het Afvalstoffendecreet. Art. 27.De toezichthouders,
artikel 12, 7° en 8°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van het Bodemdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten. Art. 28.De toezichthouders,
artikel 12, 9°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van : 1° artikel 2 van de wet Oppervlaktewateren, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 1 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet van 28 december 1967Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten betreffende de onbevaarbare waterlopen;2° artikel 12 van het Afvalstoffendecreet, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 1 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet van 28 december 1967Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten betreffende de onbevaarbare waterlopen;3° de uitvoeringsbesluiten van de wet en decreet,
1° en 2°, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 1 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet van 28 december 1967Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten betreffende de onbevaarbare waterlopen. Art. 29.De toezichthouders,
artikel 12, 10°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van : 1° het Afvalstoffendecreet, wat de aanwending van afvalstoffen als secundaire grondstoffen, als meststof, als bodemverbeterend middel of als bodem betreft;2° verordening (EG) nr.1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten, voor wat meststoffen betreft; 3° verordening (EG) nr.1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, voor wat de in-, door- en uitvoer van dierlijke mest betreft. Art. 30.De toezichthouders,
artikel 12, 11°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van : 1° het Afvalstoffendecreet, wat betreft onderafdeling III "Medisch afval" van afdeling V van Vlarea;2° het Milieuvergunningendecreet, wat betreft de gezondheidsaspecten bij inrichtingen van klasse 1 en 2 waarvoor de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid adviesbevoegdheid heeft volgens artikel 20 van titel I van het Vlarem;3° de uitvoeringsbesluiten van de decreten,
1° en 2°, wat betreft de aangelegenheden,
deze punten. Art. 31.De toezichthouders,
artikel 12, 12°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van : 1° artikel 2 van de wet Oppervlaktewateren, wat betreft de grachten en kunstmatige afvoerwegen voor hemelwater langs de openbare wegen en hun aanhorigheden;2° artikel 12 van het Afvalstoffendecreet, wat betreft de openbare wegen en hun aanhorigheden. Art. 32.De toezichthouders,
artikel 12, 13°, 14° en 15°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van : 1° artikel 2 van de wet Oppervlaktewateren, wat betreft de bevaarbare waterlopen, de waterwegen en de havens en hun aanhorigheden;2° artikel 12 van het Afvalstoffendecreet, wat betreft de waterwegen en de havens en hun aanhorigheden. Art. 33.De provinciale toezichthouders oefenen het toezicht uit op de toepassing van : 1° artikel 2 van de wet Oppervlaktewateren, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 2 en 3 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet van 28 december 1967Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten betreffende de onbevaarbare waterlopen;2° artikel 12 van het Afvalstoffendecreet, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 2 en 3 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet van 28 december 1967Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten betreffende de onbevaarbare waterlopen;3° de uitvoeringsbesluiten van de wet en het decreet,
punt 1° en 2°, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 2 en 3 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet van 28 december 1967Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten betreffende de onbevaarbare waterlopen. Art. 34.De gemeentelijke toezichthouders, de toezichthouders van intergemeentelijke verenigingen en de toezichthouders van politiezones oefenen, voor de inrichtingen die overeenkomstig bijlage 1 van titel I van het Vlarem zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 2 en 3, voor de niet-ingedeelde inrichtingen en voor de vrijevelddelicten, het toezicht uit op de toepassing van : 1° titel III van het decreet;2° de wet Luchtverontreiniging;3° de wet Oppervlaktewateren, wat de lozing van afvalwater en de opsporing van elke vorm van waterverontreiniging betreft;4° de wet Geluidshinder;5° artikelen 11, 12, 13, 14, 17, 18 en 20 van het Afvalstoffendecreet;6° het Grondwaterdecreet;7° het Milieuvergunningendecreet;8° de uitvoeringsbesluiten van de wetten en decreten,
punt 1° tot en met 7°;9° verordening (EG) nr.2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaagafbrekende stoffen; 10° verordening (EG) nr.1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten; 11° verordening (EG) nr.850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de persistente organische verontreinigde stoffen en tot wijziging van richtlijn 97/117/EEG; 12° verordening (EG) nr.1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen. Bij de inrichtingen die overeenkomstig bijlage 1 van titel I van het Vlarem zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 1 kunnen zij, binnen het kader van de bovenvermelde wetten, decreten en verordeningen en hun uitvoeringsbesluiten, vaststellingen doen op basis van zintuiglijke waarneming en zaken onderzoeken als
artikel 16.3.14 van het decreet. Onderafdeling II. - Legitimatiebewijs Art. 35.De gewestelijke toezichthouders verkrijgen hun legitimatiebewijs overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten5 betreffende de legitimatiekaarten van de personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid die belast zijn met inspectie- of controlebevoegdheden. De overige toezichthouders verkrijgen vanwege de afdeling, bevoegd voor erkenningen hun legitimatiebewijs samen met het bekwaamheidsbewijs,
artikel 13. Dat legitimatiebewijs wordt opgemaakt naar het model van het legitimatiebewijs van de gewestelijke toezichthouders. Afdeling III. - Toezichtrechten Onderafdeling I. - Bepaling Art. 36.Elke categorie van toezichthouders, inclusief de waarnemende toezichthouders, beschikt over alle toezichtrechten,
artikel 16.3.10, eerste lid, van het decreet. Onderafdeling II. - Monsternemingen, metingen, beproevingen, analyses A. Algemeen Art. 37.Monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses, hierna technische controles te noemen, worden uitgevoerd volgens de modaliteiten,
artikel 38 tot en met 56. B. Technische controles Art. 38.De technische controles op de lozing van afvalwater kunnen omvatten : 1° het nemen van de volgende monsters en de analyse van die monsters :
- a)minstens één monster van het geloosde water;
- b)minstens één monster van het opgenomen oppervlaktewater als dat toepasselijk is;
- c)eventueel minstens één monster van het opgenomen grondwater;
- d)eventueel minstens twee monsters van het ontvangende water, minstens één stroomopwaarts van de lozing en minstens één stroomafwaarts van de lozing;2° het onderzoeken van door de lozing van afvalwater veroorzaakte schade aan mens, dieren, planten en materialen;3° de uitvoering van metingen ter plaatse van de emissies, stromen die de emissies kunnen beïnvloeden en immissies. Art. 39.De technische controles op de luchtverontreiniging, met inbegrip van geurhinder, kunnen bestaan in : 1° het nemen van minstens één monster van de geloosde stoffen of van de verontreinigd geachte lucht en de analyse ervan;2° het onderzoeken van door luchtverontreiniging veroorzaakte schade aan mens, dieren, planten en materialen;3° de uitvoering van metingen ter plaatse van de emissies, gasstromen die de emissies kunnen beïnvloeden en immissies, met inbegrip van snuffelploegmetingen. Art. 40.De technische controles op bodem- of grondwaterverontreiniging kunnen bestaan in : 1° het nemen van minstens een van de volgende monsters en de analyse van die monsters :
- a)een monster van het grondwater;
- b)een monster van de bodem;
- c)een monster van stoffen die de bodem of het grondwater verontreinigen;2° het onderzoeken van door bodem-of grondwaterverontreiniging veroorzaakte schade aan mens, dieren, planten en materialen;3° de uitvoering van metingen ter plaatse op bodem of grondwater. Art. 41.De technische controles op de eigenschappen en de samenstelling van afvalstoffen kunnen bestaan in : 1° het nemen van minstens een van de volgende monsters en de analyse van die monsters :
- a)een monster van de afvalstof of van het medium waarin een afvalstof vermoed wordt;
- b)een monster van de grondstoffen, tussenproducten of eindproducten die voorkomen in het proces waarbij de afvalstof ontstaat;2° het onderzoeken van door afvalstoffen veroorzaakte schade aan mens, dieren, planten en materialen;3° de uitvoering van metingen ter plaatse op afvalstoffen of het medium waarin de afvalstof vermoed wordt. Art. 42.De technische controles op de geluidshinder bestaan in de meting van het geluidsniveau. Art. 43.De technische controles op de trillingshinder bestaan in de meting van trillingen. Art. 44.De technische controles op de lichthinder bestaan in de meting van de lichtintensiteit. Art. 45.De technische controles op ggo's of pathogene organismen bestaan in het nemen van een biologisch staal. C. Het nemen en analyseren van monsters Art. 46.De toezichthouders nemen, overeenkomstig artikel 16.3.15 van het decreet, monsters of geven opdracht ze te laten nemen door een daartoe erkend laboratorium of door een daartoe erkende milieudeskundige, en analyseren ze zelf of laten ze door een daartoe erkend laboratorium analyseren. Zij bepalen het tijdstip waarop en de bedrijfsomstandigheden waaronder de monsterneming plaatsvindt. Art. 47.De toezichthouders kunnen, overeenkomstig artikel 16.3.14, § 2, van het decreet, van de houder van de te bemonsteren stoffen, de nodige technische middelen en personeel kosteloos opvorderen om de monsterneming uit te voeren. Voor de technische controle op ggo's en pathogene organismen moet de gebruiker de microbiologische of moleculaire methodes, die het mogelijk maken de gebruikte ggo's of pathogene organismen te traceren, ter beschikking stellen van de toezichthouders. Art. 48.§ 1. Elk monster bestaat uit twee identieke delen. Eén deel is bestemd voor de analyse en één deel is bestemd voor een eventuele tegenanalyse. Een monster dat genomen wordt in het kader van de technische controle op de luchtverontreiniging, kan uit slechts één deel bestaan dat bestemd is voor de analyse. § 2. Alle verrichtingen die bij de monsterneming plaatsvinden en die noodzakelijk zijn voor een goede analyse van het monster, moeten op elk deel van het monster uitgevoerd worden. De toezichthouders nemen die verrichtingen op in het verslag van monsterneming,
artikel
- §
- De toezichthouders bepalen de monstergrootte naargelang van de aard van de verrichtingen die in het laboratorium moeten worden uitgevoerd. Art. 49.§
- De toezichthouders of hun opdrachtnemers als
artikel 46 verzamelen elk deel van het monster in één of meerdere gepaste recipiënten of in een geschikte middenstof, afhankelijk van de aard van de te bemonsteren stof, de bewaring en de te verrichten analyses. Elk deel van het monster dat toezichthouders of de in het eerste lid vermelde opdrachtnemers niet ter plaatse analyseren, verpakken ze ter plaatse en verzegelen ze, ofwel met hun zegel, ofwel met het zegel van de toezichthouder die de monsterneming heeft laten uitvoeren. Dat gebeurt om elke vervanging, verwijdering of bijvoeging van welke aard ook te vermijden. §
- De buitenverpakking van elk deel van het monster bevat de volgende vermeldingen : 1° een identificatiekenmerk;2° de aard van de bemonsterde stof;3° de datum en het uur van monsterneming;4° de naam en de handtekening van de toezichthouder die het monster heeft genomen of heeft laten nemen. Art. 50.De toezichthouders stellen een verslag van monsterneming op, en ondertekenen het met vermelding van de datum van monsterneming. Een andere toezichthouder of een getuige die wordt opgeroepen om bij de monsterneming aanwezig te zijn, ondertekent dat verslag mee. Art. 51.De toezichthouders die het monster hebben genomen of hebben laten nemen, overhandigen of zenden, binnen vijf werkdagen die volgen op de datum van de monsterneming, een kopie van het verslag van monsterneming aan de persoon tegen wie het resultaat van de monsterneming kan worden ingeroepen, of aan zijn vertegenwoordiger. Als die personen niet bekend zijn, overhandigen of zenden de toezichthouders het verslag van monsterneming aan de persoon van wie de activiteit aanleiding geeft tot de monsterneming, of aan zijn vertegenwoordiger. Art. 52.De toezichthouders overhandigen het deel van het monster dat bestemd is voor de eventuele tegenanalyse ter plaatse en tegen ontvangstbewijs aan de exploitant of zijn vertegenwoordiger. Als de exploitant of zijn vertegenwoordiger het deel van het monster dat bestemd is voor de eventuele tegenanalyse, niet in ontvangst kan nemen, wordt het gedurende tien werkdagen ter beschikking gehouden van de exploitant of zijn vertegenwoordiger. Die termijn gaat in op de dag na de datum van de monsterneming. De toezichthouders die het monster hebben genomen of hebben laten nemen, stellen de exploitant of zijn vertegenwoordiger daarvan zo snel mogelijk na de monsterneming in kennis. Art. 53.De toezichthouders bewaren elk deel van het genomen monster en versturen het in fysische omstandigheden die wijzigingen in de samenstelling van het monster zo veel mogelijk vermijden. Uiterlijk op de eerste werkdag na de monsterneming bezorgen de toezichthouders elk deel van het genomen monster aan het laboratorium dat de analyses uitvoert. Het laboratorium deelt het protocol van de analyse mee aan de toezichthouder die de analyse aanvraagt. Een eventuele tegenanalyse wordt uitgevoerd op kosten van de exploitant, door een daartoe erkend laboratorium. D. Het uitvoeren van metingen of beproevingen Art. 54.§
- De toezichthouders voeren, overeenkomstig artikel 16.3.15 van het decreet, metingen of beproevingen uit of geven een daartoe erkend laboratorium of door een daartoe erkende milieudeskundige opdracht om ze uit te voeren. Zij bepalen ook het tijdstip waarop en de bedrijfsomstandigheden waaronder de meting of beproeving wordt uitgevoerd. §
- De metingen of beproevingen ter plaatse kunnen worden uitgevoerd met meetapparatuur die ingevolge de wetgeving of ingevolge de milieuvergunning aan de exploitant is opgelegd. De toezichthouder mag een ijking van die meetapparatuur laten uitvoeren door een daartoe erkend laboratorium of door een daartoe erkende milieudeskundige. De ijkingskosten zijn voor rekening van de exploitant van de inrichting. §
- Voor hij tot de uitvoering van metingen of beproevingen of van de ijking van meetapparatuur overeenkomstig het bepaalde in § 2 overgaat, nodigt de toezichthouder die deze metingen of beproevingen of de ijking zal uitvoeren of zal laten uitvoeren de exploitant of zijn vertegenwoordiger ter plaatse uit om die metingen of beproevingen of ijking bij te wonen. Art. 55.De metingen van het geluidsniveau, van trillingen of van de lichtintensiteit worden uitgevoerd op basis van een referentiemeetmethode of, bij gebrek daaraan, volgens methoden die de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, aanvaardt. Het Departement maakt de methoden,
het eerste lid bekend op haar website en vermeldt daar de manier waarop deze informatie op papier kan verkregen worden. Art. 56.De toezichthouders stellen een verslag van de meting op. De toezichthouders stellen een verslag op, en ondertekenen het met vermelding van de datum van de meting of beproeving. De andere toezichthouder of een getuige die wordt opgeroepen om bij de meting of beproeving aanwezig te zijn, ondertekent dat verslag mee. De toezichthouders die de meting of beproeving hebben uitgevoerd of hebben laten uitvoeren, overhandigen of zenden, binnen vijf werkdagen die volgen op de datum van de meting of beproeving, een kopie van het verslag aan de persoon tegen wie het resultaat van de meting of beproeving kan worden ingeroepen of aan zijn vertegenwoordiger. Afdeling IV. - Vaststelling van milieu-inbreuken Art. 57.De toezichthouders stellen milieu-inbreuken vast in een verslag van vaststelling, waarvan de minister de vorm bepaalt. Afdeling V. - Vaststelling van milieumisdrijven Art. 58.§
- De toezichthouders stellen de milieumisdrijven vast in een proces-verbaal waarvan de minister de vorm bepaalt. §
- De toezichthouders melden schriftelijk aan het college van burgemeester en schepenen dat er een proces-verbaal werd opgesteld. Daarin melden zij minstens de naam van de vermoedelijke overtreder en de datum van vaststelling. Voor wat betreft de bedrijven die vallen onder het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaams gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn gebeurt die melding aan de betrokken deputatie en aan de provinciegouverneur. De melding, als
het eerste en het tweede lid, gebeurt binnen vijf werkdagen na de vaststelling van het milieumisdrijf. HOOFDSTUK VI. - Bestuurlijke maatregelen Afdeling I. - Bevoegdheid van de provinciegouverneur en van de burgemeester Art. 59.De provinciegouverneur of zijn plaatsvervanger is bevoegd voor het opleggen van bestuurlijke maatregelen als : 1° er een overtreding is van artikel 2 van de wet Oppervlaktewateren;2° er een overtreding is van artikel 12 van het Afvalstoffendecreet;3° een vergunningsplichtige inrichting zonder vergunning wordt geëxploiteerd als
titel I van het Vlarem;4° een inrichting van klasse 2 wordt geëxploiteerd in strijd met de vergunningsvoorwaarden;5° een inrichting van klasse 3 wordt geëxploiteerd in strijd met de algemene of sectorale milieuvoorwaarden of in strijd met de pakketten milieuvoorwaarden. Art. 60.De burgemeester of zijn plaatsvervanger is bevoegd voor het opleggen van bestuurlijke maatregelen als : 1° er een overtreding is van artikel 2 van de wet Oppervlaktewateren;2° er een overtreding is van artikel 12 van het Afvalstoffendecreet;3° een vergunningsplichtige inrichting zonder vergunning wordt geëxploiteerd;4° een inrichting van klasse 2 wordt geëxploiteerd in strijd met de vergunningsvoorwaarden;5° een inrichting van klasse 3 wordt geëxploiteerd in strijd met de algemene of sectorale milieuvoorwaarden of in strijd met de pakketten milieuvoorwaarden;6° er een overtreding is van artikel 62 van het Bodemdecreet. Afdeling II. - Procedure tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen Art. 61.De toezichthouders melden schriftelijk aan de provinciegouverneur, aan de burgemeester en aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, dat er een besluit houdende bestuurlijke maatregelen werd genomen. De provinciegouverneur of zijn plaatsvervanger meldt schriftelijk aan de burgemeester en aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, dat er een besluit houdende bestuurlijke maatregelen werd genomen. De burgemeester of zijn plaatsvervanger meldt schriftelijk aan de provinciegouverneur en aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, dat er een besluit houdende bestuurlijke maatregelen werd genomen. Afdeling III. - Beroepsprocedure tegen het besluit houdende bestuurlijke maatregelen Art. 62.§ 1. Tegen het besluit houdende bestuurlijke maatregelen kan de vermoedelijke overtreder beroep aantekenen bij de Vlaamse minister. Het beroep wordt ingediend met een aangetekende brief of door afgifte tegen ontvangstbewijs bij de minister, per adres van het Departement. § 2. Het beroepschrift moet voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° de naam en de woonplaats vermelden van de beroepsindiener.Als woonplaatskeuze wordt gedaan bij de raadsman van de beroepsindiener, wordt dat in het beroepschrift aangegeven; 2° ondertekend zijn door de beroepsindiener of zijn raadsman.Een schriftelijke machtiging wordt bijgevoegd, tenzij de raadsman ingeschreven is als advocaat of advocaat-stagiair; 3° het voorwerp van het beroep vermelden, met een omschrijving van de ingeroepen argumenten;4° een kopie van de bestreden beslissing bevatten;5° in voorkomend geval een inventaris van de overtuigingsstukken bevatten. § 3. Het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde onderzoekt het beroep,
§ 1
, op zijn ontvankelijkheid : 1° als het beroep onontvankelijk wordt bevonden, dan brengt het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde de beroepsindiener en de persoon die de bestuurlijke maatregelen heeft opgelegd daarvan met een aangetekende brief op de hoogte binnen veertien dagen na de ontvangst van het beroep.De procedure voor het niet ontvankelijk bevonden beroep is daarmee beëindigd; 2° als het beroep ontvankelijk wordt bevonden, dan brengt het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde de beroepsindiener en de persoon die de bestuurlijke maatregelen heeft opgelegd daarvan met een aangetekende brief op de hoogte binnen veertien dagen na de ontvangst van het beroep. Binnen veertien dagen na de ontvangst van de aangetekende brief,
het eerste lid, 2°, dient de persoon die de bestuurlijke maatregelen heeft opgelegd, of zijn gemachtigde het administratieve dossier met een aangetekende brief of door afgifte tegen ontvangstbewijs in bij de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving. Dat administratieve dossier bevat minstens een kopie van de processen-verbaal of van de verslagen van vaststelling die geleid hebben tot de oplegging van de bestuurlijke maatregel, alsook alle andere stukken en inlichtingen die relevant zijn voor de beoordeling van het beroep. Het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde geeft kennis van de termijnverlenging,
artikel 16.4.17, derde lid, van het decreet. Het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde stelt binnen een termijn van vijfenveertig dagen vanaf de ontvankelijkheidverklaring een advies op over het beroep,
§ 1, en bezorgt dat onmiddellijk aan de minister.
Het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde bezorgt de beslissing van de minister of een eensluidend verklaarde kopie ervan aan de beroepsindiener en aan de persoon die de bestuurlijke maatregelen heeft opgelegd, binnen een termijn van tien dagen na de datum van de beslissing, per aangetekende brief. § 4. Uiterlijk veertien dagen na de ontvangst van de aangetekende brief,
§ 3
, eerste lid, 2°, kan de beroepsindiener schriftelijk aan de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, vragen om gehoord te worden. Afdeling IV. - Verzoek tot oplegging van bestuurlijke maatregelen Art. 63.§ 1. Op straffe van onontvankelijkheid wordt het verzoek om oplegging van bestuurlijke maatregelen,
artikel 16.4.18 van het decreet, met een aangetekende brief ingediend bij de bevoegde personen,
artikel 16.4.6 van het decreet. Als een verzoek gericht wordt aan een persoon, die niet bevoegd is om bestuurlijke maatregelen op te leggen overeenkomstig artikel 16.4.6 van het decreet, of aan een instantie, dan stuurt deze persoon of deze instantie het verzoek zo spoedig mogelijk door naar de persoon, die overeenkomstig artikel 16.4.6 van het decreet wel bevoegd is om bestuurlijke maatregelen op te leggen en die gevat is door dit verzoek. §
- Om ontvankelijk te zijn, moet een verzoek aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de verzoeker vermelden;2° de aard van het verzoek vermelden, met inbegrip van een uiteenzetting van de gedragingen die een milieu-inbreuk of milieumisdrijf kunnen uitmaken;3° een indicatie bevatten van de beweerde geschonden regelgeving waarop het verzoek steunt zonder dat een vergissing in de juridische kwalificatie daarbij mag leiden tot de onontvankelijkheid van het verzoek;4° de wijze aangeven waarop natuurlijke personen en rechtspersonen rechtstreeks nadeel ondervinden als gevolg van een beweerde milieu-inbreuk of een beweerd milieumisdrijf, dan wel een belang hebben bij de beteugeling ervan;5° ondertekend zijn door de verzoeker;6° in voorkomend geval een inventaris van de bijgevoegde stukken. In afwijking van het eerste lid, 4°, moeten de rechtspersonen in de zin van de wet van 12 januari 1993Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/01/1993 pub. 07/04/2009 numac 2009000212 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu. - Duitse vertaling sluiten betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu alleen beantwoorden aan de vereisten die artikel 2 van deze wet stelt. §
- Als het verzoek ontvankelijk wordt bevonden, wordt de vermoedelijke overtreder hiervan binnen veertien dagen na ontvangst van het verzoek per aangetekende brief op de hoogte gebracht. §
- De personen,
artikel 16.4.6 van het decreet, stellen, na de vermoedelijke overtreder eerst gehoord te hebben, de verzoeker zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van het verzoek, per aangetekende brief in kennis van de genomen beslissing. Die beslissing omschrijft in voorkomend geval de bestuurlijke maatregel die zij gepast achten, alsook de redenen daarvoor. Zij melden schriftelijk aan de deputatie, aan het college van burgemeester en schepenen en aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, dat er een beslissing werd genomen. Tevens bezorgen zij per aangetekende brief een kopie van de genomen beslissing aan de vermoedelijke overtreder. Art. 64.Op straffe van onontvankelijkheid wordt het beroep tegen de beslissing,
artikel 16.4.18, § 4, van het decreet, binnen een termijn van veertien dagen na de ontvangst van de beslissing,
artikel 63, § 5, per aangetekende brief of door afgifte tegen ontvangstbewijs ingediend bij de minister, per adres van het Departement. Art. 65.Het beroepschrift moet op straffe van onontvankelijkheid voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° de naam en de woonplaats van de beroepsindiener vermelden;2° ondertekend zijn door de beroepsindiener;3° het voorwerp van het beroep vermelden, met een omschrijving van de ingeroepen argumenten;4° een kopie van de bestreden beslissing bevatten;5° in voorkomend geval een inventaris van de overtuigingsstukken bevatten. Art. 66.Het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde onderzoekt het beroep,
artikel 64, op zijn ontvankelijkheid : 1° als het beroep onontvankelijk wordt bevonden, dan brengt het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde de beroepsindiener, alsook de persoon die de bestreden beslissing heeft genomen en de vermoedelijke overtreder daarvan met een aangetekende brief op de hoogte.Dit gebeurt binnen veertien dagen na de ontvangst van het beroep. De procedure voor het niet ontvankelijk bevonden beroep is daarmee beëindigd; 2° als het beroep ontvankelijk wordt bevonden, dan brengt het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde de beroepsindiener, alsook de persoon die de bestreden beslissing heeft genomen, en de vermoedelijke overtreder daarvan met een aangetekende brief op de hoogte binnen zeven dagen na de ontvangst van het beroep. Binnen tien dagen na de ontvangst van de aangetekende brief,
het eerste lid, 2°, dient de persoon die de bestreden beslissing heeft genomen of zijn gemachtigde, het administratieve dossier met een aangetekende brief of door afgifte tegen ontvangstbewijs in bij de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving. Dat administratieve dossier bevat minstens alle stukken en inlichtingen die relevant zijn voor de beoordeling van het beroep. Het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde stelt binnen een termijn van dertig dagen vanaf de ontvankelijkheidsverklaring een advies op over het beroep,
het eerste lid, 2°, en bezorgt dat onmiddellijk aan de minister. Uiterlijk dertien dagen na de ontvangst van dit advies doet de minister uitspraak over het beroep,
het eerste lid, 2°. Het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde bezorgt de beslissing van de minster of een eensluidend verklaarde kopie ervan aan de beroepsindiener, alsook aan de persoon die de bestreden beslissing heeft genomen, en aan de vermoedelijke overtreder binnen een termijn van tien dagen na de datum van de beslissing, met een aangetekende brief. Art. 67.In de gevallen waarin de minister beslist dat aan het verzoek gevolg moet worden gegeven, zendt het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde het dossier terug naar de bevoegde persoon die in eerste aanleg het verzoek heeft behandeld. Die persoon behandelt opnieuw het verzoek om bestuurlijke maatregelen. HOOFDSTUK VII. - Bestuurlijke geldboeten Afdeling I. - Milieuhandhavingscollege Onderafdeling I. - Zetel Art. 68.Het Milieuhandhavingscollege wordt opgericht bij het Vlaams Ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie. Zijn zetel is gevestigd in het Graaf de Ferrarisgebouw, Koning Albert II-laan 20 bus 8, 1000 Brussel. Onderafdeling II. - Samenstelling Art. 69.§ 1. Voor de benoeming van de leden van het Milieuhandhavingscollege lanceert de minister een oproep tot kandidaten in het Belgisch Staatsblad. Binnen een termijn van dertig dagen na die oproep richten de kandidaten met een aangetekende brief of door afgifte tegen ontvangstbewijs hun kandidaatsstelling aan de minister. § 2. Onder de kandidaten die voldoen aan de voorwaarden,
artikel 16.4.21, § 2, van het decreet, benoemt de Vlaamse Regering, na vergelijking van de door hen aangetoonde relevante ervaring en op advies van de Raad, de leden van het Milieuhandhavingscollege. Art. 70.Uiterlijk negentig dagen voor hun mandaat verstreken is als lid van het Milieuhandhavingscollege evalueert de Vlaamse Regering de leden van het Milieuhandhavingscollege. Na evaluatie en na advies van de Raad wordt het mandaat van het betrokken lid, in voorkomend geval, verlengd met een nieuwe termijn van zes jaar. Art. 71.De leden van het Milieuhandhavingscollege leggen in handen van de minister-president van de Vlaamse Regering de volgende eed af : « Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt na te komen ». De griffier en de adjunct-griffier leggen diezelfde eed af in de handen van de voorzitter. De leden van het Milieuhandhavingscollege, alsook de griffier en de adjunct-griffier zijn gehouden tot de eedaflegging binnen dertig dagen na de dag waarop hun benoeming, respectievelijk aanwijzing, hun is bekendgemaakt. Zo niet kan in hun vervanging worden voorzien. Art. 72.De beslissing tot de ontzetting uit het ambt of tot de schorsing daarin, in de gevallen,
artikel 16.4.21, § 4, tweede lid, van het decreet, wordt door het Milieuhandhavingscollege genomen bij tweederdemeerderheid en achter gesloten deuren. Het Milieuhandhavingscollege is bevoegd om te beslissen dat de schorsing algehele of gedeeltelijke inhouding van wedde meebrengt. Geen van die beslissingen mag worden getroffen zonder dat de betrokkene eerst gehoord of behoorlijk opgeroepen is. Onderafdeling III. - Organisatie en werking Art. 73.Het bureau van het Milieuhandhavingscollege beheert de werkingsmiddelen die de Vlaamse Regering ter beschikking stelt van het Milieuhandhavingscollege. Het Departement betaalt de kosten voor de normale materiële uitrusting van het permanent secretariaat van het Milieuhandhavingscollege uit zijn algemene werkingsmiddelen. Art. 74.Het Milieuhandhavingscollege neemt zijn huishoudelijk reglement met meerderheid van stemmen aan. Het huishoudelijk reglement kan met meerderheid van stemmen gewijzigd worden. Het huishoudelijk reglement regelt minstens : 1° de wijze van beraadslaging en beslissing,
artikel 16.4.62, eerste lid, van het decreet; 2° de aanstelling van externe deskundigen;3° de wijze waarop een lid van het Milieuhandhavingscollege ontslag neemt; 4° de wijze waarop de uitspraken, met het oog op een geanonimiseerde publicatie overeenkomstig artikel 16.4.65 van het decreet, zullen worden meegedeeld aan het Departement. Het huishoudelijk reglement en de wijzigingen ervan worden, na goedkeuring door de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel 16.4.24, tweede lid, van het decreet, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Art. 75.Het Milieuhandhavingscollege kan zaken over hetzelfde of een verwant onderwerp ter behandeling samenvoegen en de behandeling over samengevoegde zaken achteraf weer splitsen. De samenvoeging en splitsing van zaken gebeuren ambtshalve of op verzoek van een partij. Een dergelijk verzoek kan worden ingediend bij de voorzitter van het Milieuhandhavingscollege tot de mededeling van de procedurekalender aan de partijen overeenkomstig artikel 16.4.54 van het decreet. De griffier stelt alle partijen of hun raadslieden onmiddellijk in kennis van de beslissing tot samenvoeging of splitsing en van de motieven daarvan. Afdeling II. - Dossier houdende oplegging van een alternatieve bestuurlijke geldboete Art. 76.§ 1. Nadat de gewestelijke entiteit de verbalisant heeft geïnformeerd over de beslissing van de procureur des Konings tot het niet strafrechtelijk-behandelen van het milieumisdrijf,
artikel 16.4.33 van het decreet, bezorgt de verbalisant binnen veertien dagen minstens de volgende stukken aan de gewestelijke entiteit : 1° een kopie van het proces-verbaal waarbij het betreffende milieumisdrijf werd vastgesteld;2° in voorkomend geval een kopie van de navolgende processen-verbaal, opgemaakt naar aanleiding van het betreffende milieumisdrijf;3° in voorkomend geval een kopie van de kantschriften die het parket naar aanleiding van het betreffende milieumisdrijf heeft opgesteld;4° alle andere stukken die de verbalisant nuttig acht om het milieumisdrijf in kwestie te beoordelen. § 2. De gewestelijke entiteit stelt het dossier houdende oplegging van een alternatieve bestuurlijke geldboete samen. Dat dossier bevat minstens de volgende stukken : 1° de stukken,
§ 1
;2° een kopie van de kennisgeving van het voornemen van de gewestelijke entiteit om een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen. § 3. Het dossier,
§ 2
, ligt bij de gewestelijke entiteit ter inzage van de vermoedelijke overtreder of zijn raadsman. Als de vermoedelijke overtreder of zijn raadsman een kopie van het dossier of van bepaalde stukken eruit wil verkrijgen, dient hij daartoe schriftelijk een aanvraag in bij de gewestelijke entiteit. De gewestelijke entiteit kan de overhandiging van een kopie van het dossier of van bepaalde stukken afhankelijk maken van de betaling van een kostendekkende vergoeding. Afdeling III. - Beroep bij het Milieuhandhavingscollege Art. 77.§ 1. De gewestelijke entiteit bezorgt de stukken,
artikel 16.4.51 van het decreet, aan de griffie van het Milieuhandhavingscollege binnen een termijn van veertien dagen. Die termijn gaat in op de dag die volgt op de ontvangst van de kopie van het verzoekschrift,
artikel 16.4.47, derde lid, van het decreet. §
- De termijn waarover de gewestelijke entiteit en de beroepsindiener beschikken om respectievelijk een memorie van antwoord en, in voorkomend geval, een memorie van wederantwoord in te dienen bij de griffie van het Milieuhandhavingscollege, is zestig dagen. De termijn waarover de gewestelijke entiteit beschikt om, in voorkomend geval, een laatste memorie in te dienen, is dertig dagen. §
- De partijen bezorgen de griffie van het Milieuhandhavingscollege de door haar opgevraagde stukken of inlichtingen binnen een termijn van veertien dagen, die aanvangt de dag volgend op de ontvangst van het verzoek. Art. 78.Andere personen dan de partijen die een kopie of een uittreksel willen verkrijgen van een beslissing van het Milieuhandhavingscollege, betalen daarvoor een kostendekkende vergoeding. De minister legt het bedrag van die vergoeding vast. HOOFDSTUK VIII. - Veiligheidsmaatregelen Art. 79.Een kopie van het besluit houdende de veiligheidsmaatregelen of van de schriftelijke bevestiging van de mondeling genomen veiligheidsmaatregelen wordt onmiddellijk bezorgd aan het college van burgemeester en schepenen, de deputatie en de relevante gewestelijke overheden, die belast zijn met de handhaving van de milieuwetgeving,
artikel 16.1.1, eerste lid, van het decreet. In voorkomend geval kan eveneens een kopie worden bezorgd aan andere relevante overheden. HOOFDSTUK IX. - Slotbepalingen Art. 80.In artikel 3 van het koninklijk besluit van 2 april 1974 houdende de voorwaarden en de modaliteiten voor de erkenning van de laboratoria en lichamen die, in het kader van de bestrijding van de geluidshinder, belast zijn met het beproeven van en de controle op apparaten en inrichtingen, wordt het punt 3°, vervangen door wat volgt : « 3° de aanvrager moet de identiteit van de natuurlijke persoon of personen die het laboratorium of de instelling exploiteren, of, wanneer het om een rechtspersoon gaat, de statuten van de vereniging en de namen van haar zaakvoerders of beheerders mededelen aan de afdeling Milieuvergunningen van het Departement, zoals thans bepaald met toepassing van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 10/10/2003 pub. 02/12/2003 numac 2003202017 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Vlaamse ministeries sluiten tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Ministeries. ». Art. 81.In artikel 6 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in punt 1° worden de woorden « door de Koning » vervangen door de woorden « door de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid »;2° in punt 2° worden de woorden « aan de Minister van Volksgezondheid, Leefmilieu en Gezin » vervangen door de woorden « aan de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid ». Art. 82.In het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning wordt hoofdstuk XV, dat bestaat uit artikel 58, 59, 60, 61, 62 en 63, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 oktober 1992, 12 januari 1999, 5 december 2003, 6 februari 2004 en 14 juli 2004 opgeheven. Art. 83.In hetzelfde besluit wordt hoofdstuk XVI, dat bestaat uit artikel 64, 65, 66, 67, 68 en 69, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 oktober 1992 en 12 januari 1999 opgeheven. Art. 84.Artikel 224 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten4 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering wordt opgeheven. Art. 85.In het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 05/12/2003 pub. 04/05/2004 numac 2004035514 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering houdende vaststelling, voor de jaren 2004 en 2005, van de lijst van vrijwilligersactiviteiten die bij voorrang voor subsidiëring in aanmerking komen type besluit van de vlaamse regering prom. 05/12/2003 pub. 21/01/2004 numac 2004035078 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet door personeelsleden van het onderwijs en van de psycho-medisch-sociale centra type besluit van de vlaamse regering prom. 05/12/2003 pub. 02/03/2004 numac 2004035239 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992 betreffende de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage type besluit van de vlaamse regering prom. 05/12/2003 pub. 29/12/2003 numac 2003036241 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2002 tot vaststelling van de tarieven van het loodsgeld en andere vergoedingen en kosten voor loodsverrichtingen in het Belgische loodsvaarwater type besluit van de vlaamse regering prom. 05/12/2003 pub. 27/01/2004 numac 2004035034 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het stambesluit VOI van 30 juni 2000 wat betreft de vaststelling van dringende bepalingen type besluit van de vlaamse regering prom. 05/12/2003 pub. 06/02/2004 numac 2004035147 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering ter uitvoering van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang sluiten tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer, wordt hoofdstuk IX, dat bestaat uit artikel 9.1, 9.2 en 9.3, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004, 7 oktober 2005 en 9 februari 2007, opgeheven. Art. 86.In het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten2 inzake de certificering van koeltechnische bedrijven wordt hoofdstuk VI, bestaande uit artikel 18, opgeheven. Art. 87.In artikel 38 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten2 betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater, worden § 1 en § 4 opgeheven. Art. 88.§ 1. De bekwaamheidsbewijzen die afgeleverd werden overeenkomstig artikel 61 van titel I van het Vlarem, gelden voor maximaal drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit en blijven beperkt tot de gemeente waarvoor de toezichthouder was aangesteld. § 2. Een personeelslid dat bij de inwerkingtreding van dit besluit in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs dat werd afgeleverd overeenkomstig artikel 61 van titel I van het Vlarem, kan het bekwaamheidsbewijs,
artikel 13, verkrijgen. Het betrokken personeelslid bezorgt daarvoor het bestaande bekwaamheidsbewijs en het nieuwe aanstellingsbesluit van het orgaan,
artikel 16.3.1, § 1, 2°, 3°, 4° en 5°, van het decreet, aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. De afdeling levert op basis van die documenten een bekwaamheidsbewijs af en bezorgt binnen vijftien dagen na de afgifte ervan een kopie van het bekwaamheidsbewijs aan de procureur des Konings van de gerechtelijke arrondissementen waar de houder van het bekwaamheidsbewijs de aan hem toegewezen toezichtopdrachten uitvoert. Art. 89.De instellingen die met toepassing van artikel 60, § 1, van titel I van het Vlarem zijn erkend, behouden hun erkenning voor de termijn die in hun erkenningsbesluit is bepaald, mits ze binnen een termijn van twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit de inhoud van hun opleiding in overeenstemming hebben gebracht met de bepalingen van artikel 13, tweede lid. Daarvan wordt kennis gegeven aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Art. 90.Erkenningsaanvragen voor opleidingen die met toepassing van artikel 60, § 2, van titel I van het Vlarem werden ingediend voor de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, worden afgehandeld overeenkomstig de bepalingen die van kracht waren op het ogenblik van het indienen van de aanvraag. De termijn van erkenning wordt beperkt tot twee jaar na de datum van de inwerkingtreding van dit besluit. Art. 91.Voor de toezichthouders die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit nog niet over het bekwaamheidsbewijs beschikken en die met gunstig resultaat de opleiding hebben gevolgd of nog zullen volgen,
artikel 59 van titel I van het Vlarem, moet, om een bekwaamheidsbewijs te verkrijgen, het getuigschrift,
artikel 61 van titel I van het Vlarem, aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, worden voorgelegd. Het getuigschrift wordt voorgelegd samen met het aanstellingsbesluit van het bevoegde orgaan en, in voorkomend geval, met de verleende vrijstellingen van onderricht. De afdeling, bevoegd voor erkenningen, levert het bekwaamheidsbewijs af overeenkomstig de bepalingen van artikel 15. Art. 92.De toezichthouders die toezicht houden op de toepassing van de wetten, decreten en hun uitvoeringsbesluiten,
artikel 16.1.1 van het decreet, en op de milieuregelgeving van de Europese Unie,
artikel 2, blijven hun bevoegdheden uitoefenen tot de datum waarop overeenkomstig artikel 12 nieuwe toezichthouders worden aangewezen. Art. 93.Het decreet van 21 december 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/12/2007 pub. 29/02/2008 numac 2008035341 bron vlaamse overheid Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI « Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen » type decreet prom. 21/12/2007 pub. 12/02/2008 numac 2008035231 bron vlaamse overheid Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XV Milieuschade, tot omzetting van de Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende de milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade sluiten tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI « Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen » en dit besluit treden in werking op 1 mei 2009. Art. 94.De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 12 december 2008. De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, Mevr. H. CREVITS Bijlage I Lijst van de milieu-inbreuken, in uitvoering van de artikelen 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Enig artikel. Het niet voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als
titel III van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk : Artikel Wettelijke verplichting 3.2.1, § 4 Wanneer dit geen afbreuk doet aan een goede taakvervulling kan, met instemming van het door de Vlaamse Regering aangewezen bestuur, voor twee of meer inrichtingen gezamenlijk een milieucoördinator worden aangesteld of kan een beroep worden gedaan op de diensten van een persoon die geen werknemer is van de exploitant. 3.2.2, § 2 De milieucoördinator geeft zijn advies over elke voorgenomen investering die vanuit milieu-oogpunt relevant kan zijn. Zijn advies wordt tijdig ingewonnen en het wordt voorgelegd aan het orgaan dat de beslissing neemt. 3.2.2, § 3 De milieucoördinator stelt ten behoeve van de bedrijfsleiding en, in voorkomend geval, ten behoeve van de ondernemingsraad en het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen, of bij ontstentenis van deze organen, van de vakbondsafvaardiging jaarlijks een verslag op over de wijze waarop hij zijn opdracht heeft vervuld. Dit verslag bevat onder meer een overzicht van de door hem uitgebrachte adviezen en het gevolg dat eraan werd gegeven. 3.2.3, § 3 De exploitant brengt de aanstelling van de milieucoördinator ter kennis van het door de Vlaamse Regering aangewezen bestuur. 3.2.5. De aanwijzing en de vervanging van een milieucoördinator-werknemer, de verwijdering uit zijn functie en de aanstelling van een tijdelijke plaatsvervanger, worden door de exploitant, onverminderd het bepaalde in artikel 3.2.3, § 3, uitgevoerd na voorafgaand akkoord van het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij ontstentenis ervan, van de vakbondsafvaardiging. In geval van blijvende onenigheid in de schoot van het comité of met de vakbondsafvaardiging, wordt het advies ingewonnen van het door de Vlaamse regering aangewezen bestuur. Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, Mevr. H. CREVITS Bijlage II Lijst van de milieu-inbreuken, in uitvoering van de artikelen 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Enig artikel. Het niet voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als
titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk : Artikel Wettelijke verplichting 4.2.9, § 3 Tijdens het opstellen van het plan-MER is de erkende MER-coördinator gehouden tot overleg met de administratie. De MER-coördinator moet in voorkomend geval de aanvullende bijzondere schriftelijke richtlijnen van de administratie, als aanvulling op de afgebakende inhoud en de bijzondere richtlijnen,
artikel 4.2.8, § 6, in acht nemen. 4.3.6, § 3 Tijdens het opstellen van het project-MER zijn de erkende MER-coördinator en in voorkomend geval de erkende MER-deskundigen gehouden tot overleg met de administratie. De MER-coördinator en zijn team moeten in voorkomend geval de aanvullende bijzondere schriftelijke richtlijnen van de administratie, als aanvulling op de afgebakende inhoud en de bijzondere richtlijnen, bedoeld in artikel 4.3.5, § 1, in acht nemen. 4.4.2, § 1 Het ruimtelijk veiligheidsrapport wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid en op kosten van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer moet hiervoor een beroep doen op een erkende VR-deskundige. Hij stelt aan de erkende deskundige alle relevante informatie die voorhanden is ter beschikking. Hij verleent alle medewerking opdat de erkende deskundige zijn taak naar behoren kan vervullen. 4.4.2, § 3 § 3 Tijdens het opstellen van het ruimtelijk veiligheidsrapport is de erkende deskundige gehouden tot overleg met de administratie. De erkende deskundige moet in voorkomend geval de schriftelijke richtlijnen van de administratie in acht nemen. 4.5.5, § 3 Tijdens het opstellen van het omgevingsveiligheidsrapport is de erkende deskundige gehouden tot overleg met de administratie. De erkende deskundige moet in voorkomend geval de aanvullende bijzondere schriftelijke richtlijnen van de administratie als aanvulling op de afgebakende inhoud, bedoeld in artikel 4.5.3, § 1, 1° en 2°, in acht nemen. Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, Mevr. H. CREVITS Bijlage III Lijst van de milieu-inbreuken, in uitvoering van de artikelen 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Enig artikel. Het niet voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als
het decreet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 27/10/2006 pub. 22/01/2007 numac 2006037062 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de bodemsanering en de bodembescherming sluiten betreffende de bodemsanering en de bodembescherming wordt beschouwd als een milieu-inbreuk : Artikel Wettelijke verplichting 28 § 2, tweede lid De resultaten van het oriënterend bodemonderzoek worden aan de OVAM meegedeeld binnen dertig dagen na het afsluiten ervan. 76, § 1 Als op een grond een schadegeval gebeurt, meldt de exploitant, gebruiker of eigenaar van de grond dit onverwijld aan de bevoegde overheid. In deze melding geeft de exploitant, gebruiker of eigenaar aan welke maatregelen hij eventueel reeds genomen heeft ter uitvoering van zijn zorgvuldigheidsplicht 78, tweede zin Het evaluatierapport wordt aan de bevoegde overheid en de OVAM overgemaakt. 101, § 1, eerste lid Voor het sluiten van een overeenkomst betreffende de overdracht van gronden moet de overdrager of desgevallend de gemandateerde bij de OVAM een bodemattest aanvragen en de inhoud ervan meedelen aan de verwerver. 101, § 2 De onderhandse akte waarin de overdracht van gronden wordt vastgelegd, bevat de inhoud van het bodemattest. 101, § 3 In alle akten betreffende de overdracht van gronden, neemt de instrumenterende ambtenaar de verklaring van de overdrager of desgevallend de gemandateerde op dat de verwerver voor het sluiten van de overeenkomst op de hoogte is gebracht van de inhoud van het bodemattest. De instrumenterende ambtenaar neemt tevens de inhoud van het bodemattest in de akte op. 103, eerste zin De overdrager of desgevallend de gemandateerde meldt aan de OVAM zijn bedoeling om tot de overdracht over te gaan. 117 In de akte houdende overdracht van de gronden vermeldt de instrumenterende ambtenaar dat de bepalingen van dit hoofdstuk werden toegepast. 122, § 3, eerste zin De exploitant meldt aan de OVAM de sluiting van de risico-inrichting. Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, Mevr. H. CREVITS Bijlage IV Lijst van de milieu-inbreuken, in uitvoering van de artikelen 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Enig artikel. Het niet voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als
het koninklijk besluit van 2 april 1974 houdende de voorwaarden en modaliteiten voor de erkenning van de laboratoria en lichamen die, in het kader van de bestrijding van de geluidshinder, belast zijn met het beproeven van en de controle op apparaten en inrichtingen, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk : Artikel Wettelijke verplichting Art. 3, 2°,
- b)De erkenning is van de volgende voorwaarden afhankelijk : 2° de aanvrager moet de verbintenis aangaan :
- b)aan de met de inspectie van de milieuhinder belaste ambtenaren, en aan die van het Instituut voor Hygiëne en Epidemiologie, al de inlichtingen betreffende de aangewende technieken en methoden mede te delen, wanneer zij er om verzoeken; Art. 3, 2°,
- c)De erkenning is van de volgende voorwaarden afhankelijk : 2° de aanvrager moet de verbintenis aangaan :
- c)de sonometers te keuren welke door de overheden, gelast met de controle op de toepassing van de wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder en haar uitvoeringsbesluiten, worden aangeboden en hen hiervan een attest af te leveren dat de deugdelijk en de nauwkeurigheid van de apparatuur waarborgt voor een periode van 12 maanden. Art. 3, 3° De erkenning is van de volgende voorwaarden afhankelijk : 3° de aanvrager moet de identiteit van de natuurlijke persoon of personen die het laboratorium of de instelling exploiteren, of, wanneer het om een rechtspersoon gaat, de statuten van de vereniging en de namen van haar zaakvoerders of beheerders mededelen aan de afdeling Milieuvergunningen van het Departement, zoals thans bepaald met toepassing van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 10/10/2003 pub. 02/12/2003 numac 2003202017 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Vlaamse ministeries sluiten tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Ministeries. Art. 6 De directeur van het erkend laboratorium of van het erkende lichaam moet : 1° in het geval van een opdracht genoemd in de artikelen 7 en 10 van de wet van 18 juli 1973Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten, betreffende de bestrijding van de geluidshinder, de resultaten van de metingen ondertekenen.Hij houdt een register bij voor de controlemetingen waarom hij werd verzocht door de ambtenaren die daartoe door de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid zijn aangewezen bij toepassing van de artikelen 9 en 10 van de wet; in dat register schrijft hij de gedane verrichtingen en de bekomen uitslagen in. Die registers moeten gedurende een periode van zes jaar bewaard worden. 2° in de andere gevallen, aan de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid de uitslagen zenden van de onderzoekingen. Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, Mevr. H. CREVITS Bijlage V Lijst van de milieu-inbreuken, in uitvoering van de artikelen 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Enig artikel. Het niet voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als
het besluit van de Vlaamse Regering van 22 maart 1984 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van laboratoria in uitvoering van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk : Artikel Wettelijke verplichting Art. 8, 1° Tijdens de periode van de erkenning zijn de laboratoria ertoe verplicht :
- aan het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap een afschrift te sturen van elk analyseverslag of onderzoek met aanduiding van de gebruikte analysemethode; Art. 8, 2° Tijdens de periode van de erkenning zijn de laboratoria ertoe verplicht :
- een register bij te houden van de analysen en onderzoeken, waarin de gedane verrichtingen en de bekomen uitslagen worden ingeschreven; Art. 8, 3° Tijdens de periode van de erkenning zijn de laboratoria ertoe verplicht :
- een afzonderlijke boekhouding bij te houden met betrekking tot de uitgevoerde analysen; Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, Mevr. H. CREVITS Bijlage VI Lijst van de milieu-inbreuken, in uitvoering van de artikelen 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Enig artikel. Het niet voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als
het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juni 1994 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van laboratoria voor wateranalyse, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk : Artikel Wettelijke verplichting Art. 6, 2° De erkenning van de laboratoria wordt slechts verleend, indien de personen die met het beheer belast zijn zich ertoe verplichten : 2° deze ambtenaren en/of personeelsleden alle documenten en nuttige gegevens waaruit blijkt dat de erkenningsvoorwaarden en de uitrustings- en werkingsvoorwaarden vastgesteld door dit besluit nageleefd worden, te laten opdagen en nakijken; Art. 6, 3° De erkenning van de laboratoria wordt slechts verleend, indien de personen die met het beheer belast zijn zich ertoe verplichten : 3° indien nodig, aan de voormelde ambtenaren en/of personeelsleden de documenten of een afschrift ervan die de controle moeten mogelijk maken, te bezorgen; Art. 6, 5° Art. 6.De erkenning van de laboratoria wordt slechts verleend, indien de personen die met het beheer belast zijn zich ertoe verplichten : 5° aan deze ambtenaren en/of personeelsleden alle inlichtingen mede te delen betreffende de technieken en uitslagen van de toegepaste werkmethoden, alsmede de conclusie van de verrichte analysen en controles. Art. 7, § 5 Elke wijziging die gedurende de erkenningsperiode wordt aangebracht aan de inlichtingen bedoeld in de punten 1, 3 en 4 van artikel 3 wordt zonder verwijl medegedeeld aan het bestuur en het referentielaboratorium. Art. 10, 1° De laboratoria die een erkenning aandagen moeten voldoen aan de volgende criteria betreffende de uitrusting van het laboratorium en het beheer ervan : 1° De rechtsvorm van de vennootschap of van de vereniging mag het laboratorium niet verhinderen zijn activiteiten in volledige onafhankelijkheid uit te voeren.De persoon die het laboratorium leidt en de andere personeelsleden mogen rechtstreeks noch onrechtstreeks belang hebben in de privaatrechtelijke rechtspersoon waarvoor opdrachten worden uitgevoerd, bovendien mogen ze noch onder het gezag, de leiding of het toezicht van de bedoelde rechtspersoon staan. Art. 10, 2° De laboratoria die een erkenning aandagen moeten voldoen aan de volgende criteria betreffende de uitrusting van het laboratorium en het beheer ervan : 2° Het laboratorium wordt geleid door een persoon die de nodige wetenschappelijke en technische kwaliteiten bezit.Het laboratorium beschikt over voldoende gekwalificeerd personeel om de taken die daaraan worden toevertrouwd tot een goed einde te brengen. De persoon die het laboratorium leidt en alle andere personeelsleden zijn strikt gebonden door het beroepsgeheim. Het beroepsgeheim blijft ook nog gelden als ze hun functie neergelegd hebben. Art. 10, 3° De laboratoria die een erkenning aandagen moeten voldoen aan de volgende criteria betreffende de uitrusting van het laboratorium en het beheer ervan : 3° Het laboratorium beschikt over de nodige ruimten, aangepast aan de activiteiten waarvoor het erkend werd en ingericht overeenkomstig de geldende reglementaire bepalingen. Art. 10, 4° De laboratoria die een erkenning aandagen moeten voldoen aan de volgende criteria betreffende de uitrusting van het laboratorium en het beheer ervan : 4° Het beschikt over de nodige technische en wetenschappelijke uitrusting voor het uitvoeren van de analysen waarvoor de erkenning gevraagd wordt. Art. 10, 5° De laboratoria die een erkenning aandagen moeten voldoen aan de volgende criteria betreffende de uitrusting van het laboratorium en het beheer ervan : 5° Het beschikt over adequate wetenschappelijke en technische documentatie, bijgewerkt en aangepast aan de evolutie van wetenschap en techniek. Art. 11, 1° De erkende laboratoria moeten voldoen aan de hiernavermelde werkingscriteria : 1° De analysen worden binnen een overeengekomen termijn uitgevoerd. Indien dit niet mogelijk blijkt, moet dit aan de opdrachtgever medegedeeld worden. Art. 11, 2° De erkende laboratoria moeten voldoen aan de hiernavermelde werkingscriteria : 2° Wanneer blijkt dat de analysen niet correct werden uitgevoerd worden ze zonder extra kosten voor de opdrachtgever overgedaan of aangevuld. Art. 11, 4°, tweede helft van de zin De erkende laboratoria moeten voldoen aan de hiernavermelde werkingscriteria : 4° Het laboratorium beschikt over een kwaliteitshandboek. Art. 11, 5° De erkende laboratoria moeten voldoen aan de hiernavermelde werkingscriteria : 5° Het stelt elk jaar een verslag op over de geleverde analyses. Het jaarverslag bevat met name de volgende gegevens voor elke analyse : - de naam en het adres van de opdrachtgever voor wie de analysen werden uitgevoerd; - de aard van de analysen met vermelding van de datum van die prestatie(s) en de datum en het nummer van het verslag bedoeld in artikel 12, § 3; - de naam van de persoon onder wiens verantwoordelijkheid de analysen uitgevoerd werden. Het jaarverslag vermeldt eveneens eventuele wijzigingen die werden aangebracht aan de structuur van de vennootschap of de vereniging of aan de personeelsformatie en de voornaamste aankopen van wetenschappelijke apparatuur bedoeld in artikel 3, 4°. Het jaarverslag wordt naar het bestuur gestuurd uiterlijk op 1 maart van het jaar dat volgt op dat waar het betrekking op heeft. Art. 11, 6° De erkende laboratoria moeten voldoen aan de hiernavermelde werkingscriteria : 6° In afwijking van § 5 moet het jaarverslag voor drinkwateranalysen, uitgevoerd door publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen die voor menselijke consumptie bestemd water leveren of gebruiken, voorgesteld en gerapporteerd worden overeenkomstig artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 maart 1989. Art. 12, 1° De laboratoria die erkend zijn voor wateranalysen moeten aan de volgende specifieke criteria voldoen : 1° Bij de analyseverrichtingen wordt achtereenvolgens de voorkeur gegeven aan : referentiemethoden, genormaliseerde methoden, aanbevolen methoden door het referentielaboratorium en methoden die gepubliceerd worden door de in die materie onderlegde instellingen of laboratoria. Art. 12, 2°, eerste lid, eerste helft tweede zin Die gegevens blijven gedurende ten minste vijf jaar bewaard. Art. 12, 2°, tweede lid Het laboratorium stelt een verslag op dat op zijn minst de volgende gegevens bevat : a) de naam en de hoedanigheid van de persoon die de monsters genomen heeft en ze aan het laboratorium heeft toevertrouwd en de volledige identificatie van de monsters;b) het verslag van de analyse dat de gebruikte methode en ook de resultaten van de metingen vermeldt. Art. 14, tweede zin Hierbij moet men telkens naar het erkenningsbesluit verwijzen. Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, Mevr. H. CREVITS Bijlage VII Lijst van de milieu-inbreuken, in uitvoering van de artikelen 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Enig artikel. Het niet voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als
het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het laatst gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk : Artikel Wettelijke verplichting 1.2.4.1, tweede lid Deze besluiten dienen door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthoudende ambtenaren. 1.3.3.1, 3° De erkende milieudeskundige moet verder over een kwaliteitshandboek beschikken 4.1.4.2 De exploitant houdt de gegevens met betrekking tot de door dit reglement of de milieuvergunning opgelegde meet- en registratieverplichtingen, met inbegrip van de registers en balansen, ter beschikking van de toezichthoudende ambtenaar en bewaart ze gedurende ten minste 5 jaar. 4.1.5.2 Alle documenten en gegevens die in toepassing van dit besluit moeten bezorgd worden aan de overheid moeten tevens ter beschikking worden gesteld van de werknemersvertegenwoordiging in de ondernemingsraad en in het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen. Bij ontstentenis van deze beide organen worden de documenten en gegevens ter beschikking gesteld van de syndicale delegatie van de onderneming. 4.1.8.1, § 4 Bij de opmaak van het deelformulier « Luchtemissies » en het deelformulier « Wateremissies » van het milieujaarverslag moet er optimaal gebruik worden gemaakt van de resultaten van emissiemetingen die aan de exploitant zijn opgelegd door dit reglement, door de milieuvergunning en/of in het kader van de afvalwaterheffingen. 4.1.8.1, § 5 Het milieujaarverslag wordt ingediend door middel van de volgende deelformulieren van het integrale milieujaarverslag waarvan het model als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten0 tot invoering van het integrale milieujaarverslag, is gevoegd : 1° inrichtingen als
§ 1
, 1°, 2° en 4° het deelformulier « Identificatiegegevens », het deelformulier « Luchtemissies », het relevante gedeelte van het deelformulier « Energiegegevens », deelformulier « Wateremissies », deelformulier « Afvalstoffenmelding voor producenten » en deelformulier « Bodememissies, verontreinigende stoffen uit afval; 2° inrichtingen als
artikel 4.1.8.1, § 1, 3° : het deelformulier « Identificatiegegevens » en het relevante gedeelte van het deelformulier « Energiegegevens »; 3° afvalwater afgevoerd voor zuivering in een externe afvalwaterzuiveringsinstallatie : het deelformulier « Identificatiegegevens » en het deelformulier « Wateremissies »; 4.1.8.2, § 1 De exploitanten van de categorieën van inrichtingen, bedoeld in artikel 4.1.8.1, zijn gehouden jaarlijks in het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarop het jaarverslag betrekking heeft, het milieujaarverslag te sturen naar de administratie, overeenkomstig artikel 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten0 tot invoering van het integrale milieujaarverslag en voor de datum die daarin wordt bepaald. De bijlagen bij dat jaarverslag, bedoeld in § 2 van artikel 4.1.8.3, hoeven niet te worden bijgevoegd. 4.1.8.2, § 3 Inrichtingen die nieuw in bedrijf worden genomen, dienen het eerste jaarverslag in in het jaar dat volgt op het eerste volledige kalenderjaar van bedrijvigheid 4.1.8.3, § 1 Het milieujaarverslag
artikel 4.1.8.2., § 1, bevat de volgende deelformulieren voor zover de inrichting daartoe verplicht wordt volgens de desbetreffende bepalingen van dit besluit : 1° het deelformulier « Identificatiegegevens »;2° het deelformulier « Luchtemissies » en het deelformulier « Wateremissies » : deze deelformulieren bevatten de gegevens weergegeven in het model van het deelformulier « Luchtemissies » en het deelformulier « Wateremissies » van het integrale milieujaarverslag waarvan het model is gevoegd als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten0 tot invoering van het integrale milieujaarverslag;3° het deelformulier « Energiegegevens » : dit deelformulier bevat gegevens weergegeven in deelformulier « Energiegegevens » van het integrale milieujaarverslag waarvan het model is gevoegd als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten0 tot invoering van het integrale milieujaarverslag. 4.1.8.3, § 2 Voor zover van toepassing op de inrichting worden de in de vergunningsbesluiten in bijzondere voorwaarden opgelegde rapporten niet gevoegd als bijlage bij het integrale milieujaarverslag, maar wel afzonderlijk verstuurd naar de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen en de andere in de bijzondere voorwaarden genoemde diensten. 4.1.8.3, § 4 Het milieujaarverslag en de bijlagen worden door de exploitant gedurende ten minste 5 jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de toezichthoudende ambtenaren. 4.1.9.1.3, § 3 De milieucoördinator stelt ten behoeve van de bedrijfsleiding en, in voorkomend geval, ten behoeve van de ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk, of bij ontstentenis van deze organen, van de vakbondsafvaardiging jaarlijks een verslag op over de wijze waarop hij zijn opdracht heeft vervuld. Dit verslag bevat onder meer een overzicht van de door hem uitgebrachte adviezen en het gevolg dat eraan werd gegeven. Het verslag wordt ten minste gedurende vijf kalenderjaren volgend op het kalenderjaar waarop de gegevens betrekking hebben ter inzage gehouden van de afdeling Milieuvergunningen alsook van de toezichthoudende overheid. 4.1.9.2.6, § 1 De volgende elementen van de in artikel 4.1.9.2.4. bedoelde milieuaudit moeten, binnen een termijn van 30 kalenderdagen na de validatie van de milieuaudit, worden meegedeeld : 1° aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen : de elementen bedoeld sub 1° tot en met sub 8° van § 2; 2° aan de Vlaamse Milieumaatschappij : de elementen bedoeld sub 1° tot en met sub 4° van § 2. 4.1.9.2.6, § 2 De gevalideerde milieuaudit moet door de exploitant gedurende ten minste 5 jaar bewaard worden en ter beschikking gehouden van de toezichthoudende ambtenaar. 4.1.9.3.1, § 1 1° De exploitant moet aan de leden van het comité voor preventie en bescherming op het werk bezorgen :
- a)vóór 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop het betrekking heeft, afschrift van het milieujaarverslag bedoeld in artikel 4.1.8.2. van dit reglement;
- b)in voorkomend geval, een afschrift van de gevalideerde milieuverklaring als bedoeld in artikel 4.1.9.2.3. van dit reglement;
- c)in voorkomend geval, een afschrift van de gevalideerde milieuaudit als bedoeld in artikel 4.1.9.2.5. van dit reglement; 2° De exploitant moet ter beschikking stellen van het comité voor preventie en bescherming op het werk :
- a)vóór 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop het betrekking heeft, het afschrift van de bijlagen bij het milieujaarverslag bedoeld in artikel 4.1.8.2. van dit reglement;
- b)alle al dan niet door de milieureglementering opgelegde inlichtingen, verslagen, adviezen en documenten die verband houden met het milieu en/of de externe veiligheid; inzonderheid geldt dit voor de inlichtingen, verslagen, adviezen en documenten die de eigen onderneming met toepassing van milieureglementering aan de overheid dient te verschaffen of ter inzage dient te houde; 4.1.9.3.1, § 2 De milieucoördinator bezorgt aan het comité voor preventie en bescherming op het werk : 1° voor 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop het betrekking heeft, het jaarverslag over de wijze waarop hij zijn opdracht heeft vervuld, dit overeenkomstig artikel 4.1.9.1.3., § 3 van dit reglement; 2° een afschrift van zijn adviezen bedoeld in § 2 van artikel 4.1.9.1.3. van dit reglement. 4.2.5.2.1, § 4 De exploitant moet de resultaten van de uitgevoerde metingen bijhouden in een meetdossier dat steeds ter inzage van de toezichthoudende ambtenaren ligt. 4.2.5.3.1, § 4 De exploitant moet de resultaten van de uitgevoerde metingen bijhouden in een meetdossier dat steeds ter inzage van de toezichthoudende ambtenaren ligt. 4.2.5.4.2, § 2 De exploitant moet de resultaten van de uitgevoerde metingen bijhouden in een meetdossier dat steeds ter inzage van de toezichthoudende ambtenaren ligt. 4.3.2.2, § 3, derde lid, eerste zin De afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving dient tenminste 10 dagen vóór de aanvang van de werken in kennis gesteld van de aanleg van de in het eerste lid bedoelde meetputten. 4.3.2.2, § 3, derde lid, laatste zin De exploitant moet een technische steekkaart, opgemaakt of geattesteerd door de aannemer die de meetputten heeft aangelegd, en die alle technische gegevens in verband met de constructie en de uitgevoerde testpomping bevat, ter beschikking houden van de toezichthoudende ambtenaar. 4.3.2.3, § 3 In het in § 1 bedoelde geval dient de exploitant de resultaten van de uitgevoerde metingen bij te houden in een meetdossier dat steeds ter inzage dient gehouden van de toezichthoudende ambtenaren. 4.4.2.4 en deze ter beschikking te houden van de toezichthoudende ambtenaar. 4.4.2.5 en deze ter beschikking te houden van de toezichthoudende ambtenaar 4.9.2, § 1 Dit plan wordt op de inrichting ter inzage gehouden van de toezichthoudende diensten 4.10.1.5, § 1 Met ingang van 1 januari 2006 stelt de exploitant van een BKG-inrichting jaarlijks een CO2-emissiejaarrapport op over de CO2-emissies van de BKG-inrichting in het voorgaande kalenderjaar. Het CO2-emissiejaarrapport bevat een verslag van de totale CO2-emissies van de betreffende BKG-inrichting 4.10.1.5, § 2 Elk CO2-emissiejaarrapport dient ten minste het volgende te bevatten : 1° gegevens ter identificatie van de BKG-inrichting, waaronder : - de naam van de BKG-inrichting;- adres van de BKG-inrichting, met postcode en land; - het nummer van de rubriek in Bijlage I van Titel I van het VLAREM waaronder de BKG-inrichting werd ingedeeld; - adres, telefoon-, fax- en e-mailgegevens van een contactpersoon - de naam van de exploitant van d