Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Wet houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen

Waar gaat deze regeling over?

Deze wet regelt diverse sociale, budgettaire en andere bepalingen, met een focus op de pensioenen in de openbare sector. Het introduceert complementen op rustpensioenen en past regels aan betreffende verlof en de berekening van pensioenen.

Voor wie: Statutair personeel van provincies, plaatselijke besturen, zelfstandige openbare instellingen, regieën ingesteld door de Staat, en autonome overheidsbedrijven; Personeelsleden van het onderwijs, inclusief onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs.

Termijnen:

  • Een pensioencomplement voor een belastende functie wordt toegekend als de loopbaan minstens 35 jaar diensten omvat en er minstens 10 jaar voltijdse prestaties in een belastende functie zijn geleverd na de 49e verjaardag.
  • Een pensioencomplement wegens leeftijd wordt toegekend voor werkelijk gepresteerde diensten na 31 december 2000, met percentages van 0,125% per maand tussen 60 en 62 jaar en 0,167% per maand na 62 jaar.

In één oogopslag

Land
België
Rechtsgebied
Droit fiscal
Artikelen
147
Bron
etaamb.openjustice.be
Tekst opgehaald op
Uitleg bijgewerkt op

Wat regelt deze regeling?

  • De toekenning van complementen op rustpensioenen in de openbare sector.
  • De voorwaarden voor het verkrijgen van een pensioencomplement voor een belastende functie.
  • De berekening van een pensioencomplement op basis van leeftijd voor gepresteerde diensten.
  • De gevolgen van verlof voorafgaand aan de opruststelling voor het rustpensioen.

Voor wie geldt deze regeling?

  • Statutair personeel van provincies, plaatselijke besturen, zelfstandige openbare instellingen, regieën ingesteld door de Staat, en autonome overheidsbedrijven.
  • Personeelsleden van het onderwijs, inclusief onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs.

Wat zijn de kernpunten?

  • Een pensioencomplement voor een belastende functie wordt toegekend als de loopbaan minstens 35 jaar diensten omvat en er minstens 10 jaar voltijdse prestaties in een belastende functie zijn geleverd na de 49e verjaardag.
  • Een belastende functie is een functie die psychisch of fysisch bijzonder zwaar en vermoeiend is om gedurende veel jaren uit te oefenen, zoals nader bepaald door de Koning.
  • Een pensioencomplement wegens leeftijd wordt toegekend voor werkelijk gepresteerde diensten na 31 december 2000, met percentages van 0,125% per maand tussen 60 en 62 jaar en 0,167% per maand na 62 jaar.
  • Perioden van verlof voorafgaand aan de opruststelling na 31 december 2009 worden niet meegerekend voor het recht op of de berekening van het rustpensioen.

Droit fiscal

8

Droit fiscal

Wettekst

Wettekst
Inhoudsopgave (147)
  1. Art. 2
  2. Art. 4
  3. Art. 8
  4. Art. 11 Een artikel 5bis, luidend als volgt, wordt in voormelde
  5. Art. 13 Artikel 75 van de
  6. Art. 14
  7. Art. 16
  8. Art. 20
  9. Art. 22 Artikel 21 treedt in werking op 1 januari 2001. HOOFDSTUK IV. - Solida
  10. Art. 24 Artikel 23 heeft uitwerking van 1 januari 1995 tot en met 31 december
  11. Art. 26
  12. Art. 28
  13. Art. 29
  14. Art. 30
  15. Art. 31 Artikel 51, § 2, zesde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de
  16. Art. 32
  17. Art. 33
  18. Art. 34 Artikel 136, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de
  19. Art. 35 Artikel 146, derde lid, van dezelfde wet, gewijzigd door de
  20. Art. 36 Artikel 156, vijfde lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de
  21. Art. 37 In artikel 185, § 2, tweede lid, van dezelfde wet, worden : - het 1°,
  22. Art. 38 In artikel 191, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd door de
  23. Art. 39
  24. Art. 40
  25. Art. 42 In artikel 154, eerste lid, 1°, van dezelfde wet, wordt het woord « an
  26. Art. 43
  27. Art. 45 In artikel 24bis, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de
  28. Art. 46
  29. Art. 47
  30. Art. 48
  31. Art. 49 In artikel 51, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden « bij de
  32. Art. 50
  33. Art. 52 Artikel 49 treedt in werking op de in artikel 51, vierde lid, bepaalde
  34. Art. 54
  35. Art. 55
  36. Art. 56
  37. Art. 57 Artikel 51, § 1, enig lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de
  38. Art. 58 In artikel 102, § 2, tweede lid, van dezelfde wetten, ingevoegd bij de
  39. Art. 61 Artikel 51, § 1, enig lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de
  40. Art. 62
  41. Art. 64
  42. Art. 66
  43. Art. 68 Artikel 51, § 3, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de
  44. Art. 69
  45. Art. 70
  46. Art. 71
  47. Art. 73
  48. Art. 74 In artikel 73quater, § 4, tweede lid, van dezelfde wetten, opnieuw ing
  49. Art. 78
  50. Art. 79
  51. Art. 80
  52. Art. 81
  53. Art. 83
  54. Art. 85 Artikel 54, § 3 van dezelfde wetten, gewijzigd bij de
  55. Art. 89 In artikel 2, eerste lid, 7°, van dezelfde wet, gewijzigd bij de
  56. Art. 90
  57. Art. 91
  58. Art. 92
  59. Art. 93
  60. Art. 94
  61. Art. 95
  62. Art. 97
  63. Art. 98
  64. Art. 99 In artikel 54, eerste lid, 2°, a), van dezelfde wet, gewijzigd bij de
  65. Art. 100
  66. Art. 101 Artikel 60 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 29 april 1996, w
  67. Art. 102
  68. Art. 104 In artikel 67, derde lid, van dezelfde wet vervalt het woord « 60 »
  69. Art. 106
  70. Art. 108
  71. Art. 110
  72. Art. 112 Artikel 8bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvo
  73. Art. 114
  74. Art. 115 In artikel 12 van dezelfde besluitwet, gewijzigd bij de wetten van 1 a
  75. Art. 116
  76. Art. 117
  77. Art. 119 Artikel 4 van de arbeidsongevallen
  78. Art. 120
  79. Art. 121 Artikel 1, § 2, eerste lid, van de
  80. Art. 122
  81. Art. 125
  82. Art. 127
  83. Art. 128
  84. Art. 132
  85. Art. 133
  86. Art. 134
  87. Art. 136
  88. Art. 137
  89. Art. 138 In artikel 14 van dezelfde wet, gewijzigd bij de
  90. Art. 139
  91. Art. 140
  92. Art. 141
  93. Art. 142
  94. Art. 143
  95. Art. 145
  96. Art.146
  97. Art. 147 Artikel 37bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de
  98. Art. 148
  99. Art.149
  100. Art. 151 In artikel 43bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de
  101. Art. 152
  102. Art. 153
  103. Art. 154 In artikel 44, van dezelfde wet, gewijzigd bij de
  104. Art. 155 In artikel 45, tweede lid, van dezelfde wet, worden de woorden « 12, §
  105. Art. 156
  106. Art. 157
  107. Art. 158
  108. Art. 161
  109. Art. 164 In artikel 61, § 3, van dezelfde wet, worden de woorden « het ziekenfo
  110. Art. 165
  111. Art. 166 Artikel 70 van dezelfde wet, gewijzigd bij de
  112. Art. 167
  113. Art. 170
  114. Art. 173
  115. Art. 179
  116. Art. 180
  117. Art. 182 In artikel 32, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de
  118. Art. 185
  119. Art. 187
  120. Art. 190
  121. Art. 194 § 1. In afwijking van de bepalingen van hoofdstuk II, afdeling I van d
  122. Art. 197 Artikel 6, 4°, van de
  123. Art. 198
  124. Art. 199
  125. Art. 200
  126. Art. 201
  127. Art. 205
  128. Art. 206
  129. Art. 207 In artikel 57quater van de organieke
  130. Art. 210 Artikel 39bis van het
  131. Art. 211
  132. Art. 214
  133. Art. 215
  134. Art. 216
  135. Art. 217
  136. Art. 218
  137. Art. 222 Het
  138. Art. 225 Om de opdrachten van de administratie voortvloeiend uit de toepassing
  139. Art. 227 In artikel 11, § 1, van de
  140. Art. 228
  141. Art. 230 In artikel 15/15, § 4, van de
  142. Art. 235 In artikel 141, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij artikel 12 van he
  143. Art. 236 Artikel 144duodecies, § 2, derde lid, van dezelfde wet wordt opgeheven
  144. Art. 237 Artikel 148bis, § 1, 2°, tweede streepje van dezelfde wet, gewijzigd b
  145. Art. 238 In het artikel 148sexies van dezelfde wet, gewijzigd bij artikel 24 va
  146. Art. 239 Overeenkomstig artikel 154bis, § 3, van dezelfde wet, ingevoegd bij ar
  147. Art. 242

12 AUGUSTUS 2000. - Wet houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL I. - Algemene bepaling Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

TITEL II. - Pensioenen HOOFDSTUK I. - Maatregelen inzake pensioenen in de openbare sector Afdeling I. - Toekenning van rustpensioencomplementen

Art. 2

Deze afdeling is van toepassing : 1° op de rustpensioenen ten laste van de Openbare Schatkist;2° op de rustpensioenen toegekend aan het statutair personeel : a) van de provincies, alsook van de plaatselijke besturen waarop de bepalingen inzake pensioenen van de nieuwe gemeentewet toepasselijk zijn;b) van de instellingen waarop het koninklijk besluit nr.117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, van toepassing is; c) van de instellingen waarop de wet van 28 april 1958Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/02/1998 pub.

19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten5 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, van toepassing is;d) van de hiervoor nog niet bedoelde autonome overheidsbedrijven. Onderafdeling 1. - Complement voor een belastende functie Art. 3 Het nominaal bedrag van de in artikel 2 bedoelde rustpensioenen wordt verhoogd met een pensioencomplement indien het personeelslid de volgende voorwaarden vervult : a) op het ogenblik van zijn opruststelling omvat zijn loopbaan ten minste 35 jaar diensten die in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de onderscheiden pensioenen waarop het aanspraak kan maken;b) vanaf de eerste dag van de maand die volgt op zijn 49e verjaardag heeft het personeelslid diensten in een belastende functie gepresteerd waarvan de werkelijke duur die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het pensioen, overeenstemt met ten minste 10 jaar voltijdse prestaties.

Om te bepalen of de in het eerste lid, a), bepaalde 35 jaar bereikt zijn, worden alle diensten en alle perioden in aanmerking genomen die aanneembaar zijn voor de berekening van de onderscheiden, uit de eigen beroepsactiviteit van het personeelslid voortvloeiende rustpensioenen, in om het even welke Belgische of buitenlandse pensioenregeling of pensioenregeling van een internationale instelling, met uitsluiting evenwel van : - de perioden die in aanmerking worden genomen ten gevolge van het bezit van een diploma of van gedane studies; - de perioden die worden geregulariseerd; - de perioden van disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst; - de perioden van verlof voor opdracht van algemeen belang; - andere perioden van loopbaanonderbreking dan die welke gratis aanneembaar zijn voor het pensioen en voor welke het personeelslid of zijn echtgenoot die onder hetzelfde dak woont, kinderbijslag ontvangen heeft voor een kind van minder dan zes jaar of werd opgenomen voor palliatieve verzorging.

Om te bepalen of de in het eerste lid, b), bepaalde 10 jaar zijn bereikt, worden perioden van afwezigheid niet in aanmerking genomen, met uitzondering van de verloven met behoud van bezoldiging.

Indien een personeelslid, tijdens zijn gehele loopbaan of een deel ervan, gelijktijdig rechten opent op onderscheiden pensioenen, worden die perioden enkel eenmaai in aanmerking genomen.

Het in het eerste lid bedoelde complement is gelijk aan het verschil tussen enerzijds, het nominaal bedrag dat het pensioen zou hebben bereikt indien de werkelijk in een belastende functie gepresteerde diensten in aanmerking waren genomen naar rata van het tantième 1/47 per jaar, en anderzijds, het nominaal bedrag van datzelfde pensioen dat voortvloeit uit de toepassing van de normale berekeningsregels.

Voor de toepassing van dit lid worden enkel de verloven met behoud van bezoldiging verkregen tijdens de uitoefening van een belastende functie, gelijkgesteld met werkelijk in die functie gepresteerde diensten.

Art. 4

Als een belastende functie in de zin van artikel 3 wordt beschouwd de functie die wegens haar aard of van de omstandigheden waarin zij wordt uitgeoefend, psychisch of fysisch bijzonder zwaar en vermoeid is om gedurende veel jaren te worden uitgeoefend Op voordracht van de minister tot wiens bevoegdheid de administratie der Pensioenen behoort, bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de belastende functies in de zin van het eerste lid.

Onderafdeling 2. - Complement wegens leeftijd Art. 5 Het nominaal bedrag van de in artikel 2 bedoelde rustpensioenen, in voorkomend geval met inbegrip van het complement voor een belastende functie, wordt, voor de werkelijk gepresteerde diensten na 31 december 2000, verhoogd met een pensioencomplement waarvan het bedrag als volgt wordt vastgesteld : - 0,125 % van dit nominaal bedrag voor elke maand begrepen tussen de eerste dag van de maand die volgt op die van de 60e verjaardag van het personeelslid en de laatste dag van de maand van zijn 62e verjaardag, zonder dat het bedrag van het complement per maand werkelijk gepresteerde dienst minder dan 600 Belgische frank per jaar mag bedragen aan het spilindexcijfer 138,01; - 0,167 % van dit nominaal bedrag voor elke maand begrepen tussen de eerste dag van de maand die volgt op die van de 62e verjaardag van het personeelslid en het einde van zijn loopbaan, zonder dat het bedrag van het complement per maand werkelijk gepresteerde dienst minder dan 800 Belgische frank per jaar mag bedragen aan het spilindexcijfer 138,01.

Voor de toepassing van dit artikel worden enkel de verloven met behoud van bezoldiging gelijkgesteld met werkelijk gepresteerde diensten.

Indien het personeelslid, tijdens de in het eerste lid bedoelde perioden, diensten met onvolledige opdracht heeft verstrekt, worden die perioden in aanmerking genomen ten belope van het gedeelte dat de werkelijk gepresteerde diensten vertegenwoordigen in verhouding tot dezelfde diensten met volledige opdracht.

Onderafdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen Art. 6 De krachtens deze afdeling toegekende rustpensioencomplementen maken integraal deel uit van het pensioen.

De toekenning van de complementen mag niet tot gevolg hebben dat het pensioenbedrag de in artikel 39 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen bepaalde grenzen overschrijdt.

Ze worden niet toegekend als bij de berekening van het pensioen een ander tantième dan 1/60, 1/55, 1/50 of 1/48 in aanmerking werd genomen.

Voor de berekening van het rustpensioen worden de diensten en perioden waarvan de inaanmerkingneming zou verhinderen dat het complement wordt toegekend en aldus nadelig zou zijn voor betrokkene, buiten beschouwing gelaten.

Afdellng II. - Weerslag inzake rustpensioenen van een verlof voorafgaand aan de opruststelling Art. 7 Deze afdeling is van toepassing op de in artikel 2 bepaalde rustpensioenen met uitzondering van de rustpensioenen toegekend met toepassing van de bij koninklijk besluit nr. 16 020 van 11 augustus 1923 samengeordende wetten op de militaire pensioenen.

Art. 8

Voor de toepassing van deze afdeling dient onder « verlof voorafgaand aan de opruststelling » te worden verstaan, elke afwezigheid gedurende welke een personeelslid in een administratieve stand werd geplaatst die het toeliet om, met behoud van een bezoldiging of een wachtgeld, zijn beroepsactiviteiten definitief te verminderen of te beëindigen tijdens de periode die zijn opruststelling onmiddellijk voorafgaat, met uitsluiting van de perioden van afwezigheid ten gevolge van een stelsel van halftijdse, vervroegde uittreding bedoeld in artikel 4, § 3, van de wet van 10 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom.

06/08/1993 pub.

18/12/1998 numac 1998015163 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Verdrag nr. 148 betreffende de bescherming van de werknemers tegen beroepsrisico's op de werkplaatsen als gevolg van luchtverontreiniging, lawaai en trillingen, aangenomen te Genève op 20 juni 1977 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar drieënzestigste zitting type wet prom.

06/08/1993 pub.

04/06/2015 numac 2015000253 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende goedkeuring en uitvoering van het Internationaal Verdrag ter oprichting van een internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, opgemaakt te Brussel op 18 december 1971, en houdende uitvoering van de Protocollen bij dit Verdrag, opgemaakt te Londen op 27 november 1992 en 16 mei 2003. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten4, betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector.

Art. 9 De perioden van verlof voorafgaand aan de opruststelling die zich situeren na 31 december 2009, worden noch voor het recht op het rustpensioen noch voor de berekening ervan in aanmerking genomen. Afdeling III. - Aanpassing van de wet van 13 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/05/1999 pub.

12/06/1999 numac 1999022531 bron ministerie van financien Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs type wet prom.

13/05/1999 pub.

15/09/2011 numac 2011000576 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs Art. 10 Artikel 4, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/05/1999 pub.

12/06/1999 numac 1999022531 bron ministerie van financien Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs type wet prom.

13/05/1999 pub.

15/09/2011 numac 2011000576 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs wordt aangevuld als volgt : « Dit lid is enkel toepasselijk indien de laatste graad van het gewezen personeelslid een graad is die eigen is aan het bestuurs- of onderwijzend personeel van de instellingen, scholen en afdelingen van het lager en kleuteronderwijs. ».

Art. 11Een artikel 5bis, luidend als volgt, wordt in voormelde

wet van 13 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/05/1999 pub.

12/06/1999 numac 1999022531 bron ministerie van financien Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs type wet prom.

13/05/1999 pub.

15/09/2011 numac 2011000576 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten ingevoegd : « Art. 5bis.Voor de toepassing van deze wet worden andere personeelsleden van het onderwijs dan de leden van het bestuurs- of onderwijzend personeel van de instellingen, scholen en afdelingen van het lager en kleuteronderwijs, van wie de weddenschalen ook aangepast worden in het kader van de gelijkschakeling van de weddenschalen van onderwijzers en kleuteronderwijzers met die van leraar van het secundair onderwijs van de lagere graad, gelijkgesteld met voormelde personeelsleden van het lager en kleuteronderwijs. ». Afdeling IV. - Pensioenstelsel van de ombudsman van het Waalse Gewest Art. 12 De ombudsman van het Waalse Gewest geniet het pensioenstelsel bepaald in artikel 20 van de wet van 22 maart 1995 tot instelling van federale ombudsmannen. Dit pensioen is ten laste van de Openbare Schatkist. De diensten verricht als plaatsvervangend ombudsman worden gelijkgesteld met diensten als ombudsman. Afdeling V. - Validering van perioden van loopbaanonderbreking

Art. 13Artikel 75 van de

wet van 21 mei 1991Relevante gevonden documenten type wet prom.

06/08/1993 pub.

18/12/1998 numac 1998015163 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Verdrag nr. 148 betreffende de bescherming van de werknemers tegen beroepsrisico's op de werkplaatsen als gevolg van luchtverontreiniging, lawaai en trillingen, aangenomen te Genève op 20 juni 1977 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar drieënzestigste zitting type wet prom.

06/08/1993 pub.

04/06/2015 numac 2015000253 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende goedkeuring en uitvoering van het Internationaal Verdrag ter oprichting van een internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, opgemaakt te Brussel op 18 december 1971, en houdende uitvoering van de Protocollen bij dit Verdrag, opgemaakt te Londen op 27 november 1992 en 16 mei 2003. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3 houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving betreffende de pensioenen van de openbare sector wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 75.In afwijking van artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit nr. 442 van 14 augustus 1986 betreffende de weerslag van sommige administratieve toestanden op de pensioenen van de personeelsleden van de overheidsdiensten, mogen de perioden of de gedeelten van perioden van loopbaanonderbreking of van vermindering van de arbeidsprestaties van voor 1 januari 1991 die, voor 20 juni 1991 en rekening houdend met de bepalingen van de artikelen 2 en 3 van voormeld besluit, zoals die luidden voor hun wijziging door de artikelen 61 en 62, niet meer voor validering in aanmerking komen, worden gevalideerd voor zover de volgende voorwaarden worden vervuld : 1° dat het personeelslid de in artikei 2, § 2, tweede lid, van voormeld koninklijk besluit bedoelde verbintenis heeft aangegaan voor 31 december 1991;2° dat de bijdragen tot validering van deze perioden of gedeelten van perioden bij de in artikel 2, § 2, eerste lid, van voormeld koninklijk besluit bedoelde macht of instelling zijn toegekomen uiteriijk op de laatste dag van de maand volgend op die gedurende dewelke de uitnodiging tot betaling door deze macht of instelling aan de betrokkene werd verzonden.». Afdeling Vl. - Pensioenstelsel van het Federaal Planbureau

Art. 14

In artikel 157 van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt § 1;2° het tweede lid wordt vervangen door de volgende bepalingen : « § 2.De leden en het administratief en meesterpersoneel van het Federaal Planbureau die door deze instelling voor 1 januari 1992 werden aangeworven hetzij in de hoedanigheid van contractueel, hetzij in de hoedanigheid van statutair, en die hun werkzaamheden bij dat bureau hebben stopgezet of stopzetten om hun recht op een rustpensioen te doen gelden, genieten een pensioencomplement. Hetzelfde geldt voor de langstlevende echtgenoten en de wezen van de hiervoor bepaalde personen of van dergelijke personen die overleden zijn tijdens hun loopbaan bij dat bureau Het bedrag van het in het eerste lid bedoelde pensioencomplement is gelijk aan het verschil tussen enerzijds het bedrag van het pensioen dat betrokkene had kunnen verkrijgen met toepassing van de wet van 28 april 1958Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/02/1998 pub.

19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten5 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, indien de diensten waarvoor hij aanspraak kan maken op een pensioen in een ander Belgisch wettelijk pensioenstelsel in aanmerking werden genomen, en anderzijds het pensioenbedrag waarop betrokkene werkelijk recht heeft met toepassing van die wet vermeerderd met het pensioenbedrag waarop hij recht heeft in het andere Belgisch wettelijk pensioenstelsel. Dit complement maakt integraal deel uit van het pensioen en is ten laste van het Federaal Planbureau. § 3. De leden en het administratief en meesterpersoneel van het Federaal Planbureau die door deze instelling voor 1 januari 1992 werden aangeworven het bij in de hoedanigheid van contractueel, het bij in de hoedanigheid van statutair, en die hun werkzaamheden bij dat bureau stopzetten vooraleer de minimumleeftijd te bereiken om hun recht op een rustpensioen te doen gelden, alsook de langstlevende echtgenoten en de wezen van de hiervoor bepaalde personen, genieten een pensioencomplement.

Het bedrag van het in het eerste lid bedoelde pensioencomplement is gelijk aan het verschil tussen enerzijds het bedrag van het pensioen dat de betrokkene had kunnen verkrijgen met toepassing van de wet van 28 april 1958Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/02/1998 pub.

19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten5, indien de bij het Federaal Planbureau gepresteerde diensten waarvoor hij aanspraak kan maken op een pensioen in een ander Belgisch wettelijk pensioenstelsel in aanmerking werden genomen en anderzijds het pensioenbedrag waarop de betrokkene werkelijk recht heeft met toepassing van die wet vermeerderd met het pensioenbedrag waarop hij recht heeft in het andere Belgisch wettelijk pensioenstelsel.

Dit complement maakt integraal deel uit van het pensioen en is ten laste van het Federaal Planbureau. § 4. De voor 1 januari 1992 krachtens artikel 10 van het koninklijk besluit van 24 mei 1971 houdende statuut, organisatie en werkingsmodaliteiten van het Planbureau, in dienst genomen experten die ten minste 20 jaar diensten als expert tellen en die hun loopbaan in die hoedanigheid beëindigen bij dat bureau om hun recht op een rustpensioen te doen gelden, alsook de langstlevende echtgenoten en de wezen van dergelijke experten of van experten die voor 1 januari 1992 in dienst werden genomen en die overleden zijn tijdens hun loopbaan bij dat bureau hebben, voor de periode gedurende welke zij in die hoedanigheid diensten hebben verricht, recht op een pensioencomplement. In geval van overlijden in dienstactiviteit wordt de periode begrepen tussen de datum van het overlijden en de 65e verjaardag van de expert gevoegd bij de duur van de diensten in de hoedanigheid van expert om na te gaan of de minimumduur van 20 jaar werd bereikt.

Het in het eerste lid bedoelde complement is gelijk aan het verschil tussen enerzijds, het pensioen dat hun zou zijn verschuldigd indien voor de betrokken periode, de bepalingen van voormelde wet van 28 april 1958Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/02/1998 pub.

19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten5 op hen van toepassing waren en anderzijds, het bedrag van het pensioen waarop zij recht hebben voor dezelfde periode in een ander Belgisch wettelijk pensioenstelsel. Dit complement is ten laste van het Federaal Planbureau. § 5. Het in §§ 2 en 3 bedoelde pensioencomplement wordt berekend door de administratie der Pensioenen van het ministerie van Financiën. Het wordt uitbetaald door de Centrale Dienst der Vaste Uitgaven van de administratie der Thesaurie van het ministerie van Financiën. § 6. Het Federaal Planbureau dient aan de administratie der Pensioenen maandelijkse voorschotten te storten, waarvan het bedrag aan dit bureau wordt meegedeeld door deze administratie. Het bedrag van deze voorschotten, dat op ieder ogenblik kan worden aangepast, wordt vastgesteld op basis van een raming van de uitgaven die voor het jaar in kwestie voortvloeien uit de toepassing van §§ 2 en 3. Deze voorschotten moeten uiterlijk vijf werkdagen voor de datum van betaling van de voordelen waarop ze betrekking hebben, bij de administratie der Pensioenen toekomen.

In het begin van ieder kalenderjaar zendt de administratie der Pensioenen aan het Federaal Planbureau een samenvattend overzicht betreffende het voorafgaande jaar dat enerzijds de voor dat jaar gestorte voorschotten vermeldt en anderzijds het totaal van de met toepassing van §§ 2 en 3 verschuldigde bedragen. Indien bijkt dat het totaal aan gestorte voorschotten lager is dan het totaal van de verschuldigde bedragen, dient het resterende saldo bij de administratie der Pensioenen toe te komen uiterlijk de laatste werkdag van de tweede maand volgend op die tijdens dewelke het nog verschuldigde bedrag werd meegedeeld. Indien blijkt dat het totaal aan gestorte voorschotten hoger is dan het totaal van de verschuldigde bedragen, wordt het overschot in mindering gebracht van een latere storting van voorschotten. ». Afdeling VII. - Inwerkingtreding Art. 15 De bepalingen van deze titel hebben uitwerking met ingang van 1 juli 2000, met uitzondering van : - artikel 13 dat uitwerking heeft met ingang van 1 juli 1991; - artikel 10 dat uitwerking heeft op de datum van inwerkingtreding bepaald in artikel 6 van voormelde wet van 13 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/05/1999 pub.

12/06/1999 numac 1999022531 bron ministerie van financien Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs type wet prom.

13/05/1999 pub.

15/09/2011 numac 2011000576 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten; - artikel 11 dat uitwerking heeft vanaf de datum waarop, in de betrokken gemeenschap, het verschil bepaald in artikel 82, derde lid van voommelde wet van 20 juli 1991, voor het personeel bedoeld in artikel 5bis van voormelde wet van 13 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/05/1999 pub.

12/06/1999 numac 1999022531 bron ministerie van financien Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs type wet prom.

13/05/1999 pub.

15/09/2011 numac 2011000576 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten, zal zijn teruggebracht tot een bedrag dat kleiner is dan 100 000 Belgische frank per jaar aan het spilindexcijfer 138,01; - artikel 14, 3° dat in werking treedt de eerste dag van de derde maand volgend op die tijdens dewelke deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt; - afdeling I die in werking treedt op 1 januari 2001. HOOFDSTUK II. - Maatregelen inzake pensioenen in het stelsel van de werknemers Afdeling I. - Betaling van de ouderdoms- en weduwerenten

Art. 16

Een artikel 9ter luidend als volgt wordt in de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, ingevoegd. « De rente die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2001 ingaat, wordt, niettegenstaande alle andersluidende bepalingen, uitbetaald door een enige storting gelijk aan de contante waarde van die rente. »

Art. 17 De Koning stelt de toepassingsmodaliteiten van het artikel 16 vast en bepaalt het tijdstip waarop het kapitaal wordt uitbetaald.

Art. 18 De artikelen 16 en 17 treden in werking op 1 januari 2001. Afdeling II. - Vertegenwoordiging en verschijning in rechte van de Rijksdienst voor pensioenen Art. 19 Het zesde en het zevende lid van artikel 49 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers worden vervangen door één lid, luidend als volgt : « De administrateur-generaal vertegenwoordigt de instelling in de gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen en treedt geldig in haar naam en voor haar rekening op, zonder dat hij zulks door een beslissing van het beheerscomité moet staven. Hij mag nochtans, met de instemming van het beheerscomité, zijn bevoegdheid om de instelling te vertegenwoordigen voor de gewone en de administratieve gerechten aan één of meer leden van het personeel overdragen. ».

Art. 20

Het artikel 19 heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2000. HOOFDSTUK lll. - Maatregelen inzake pensioenen in het stelsel der zelfstandigen Art. 21 Artikel 35 van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, opgeheven bij de wet van 9 juni 1970, wordt hersteld in de volgende lezing : « Teneinde de pensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn te koppelen, kan de Koning, op de wijze en onder de voorwaarden die Hij vaststelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het pensioenbedrag van de door Hem bepaalde pensioenen of voor de door Hem bepaalde categorieën van gepensioneerden herwaarderen. »

Art. 22Artikel 21 treedt in werking op 1 januari 2001. HOOFDSTUK IV. - Solidariteitsafhouding Art. 23 In artikel 68 van de

wet van 30 maart 1994Relevante gevonden documenten type wet prom.

06/08/1993 pub.

18/12/1998 numac 1998015163 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Verdrag nr. 148 betreffende de bescherming van de werknemers tegen beroepsrisico's op de werkplaatsen als gevolg van luchtverontreiniging, lawaai en trillingen, aangenomen te Genève op 20 juni 1977 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar drieënzestigste zitting type wet prom.

06/08/1993 pub.

04/06/2015 numac 2015000253 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende goedkeuring en uitvoering van het Internationaal Verdrag ter oprichting van een internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, opgemaakt te Brussel op 18 december 1971, en houdende uitvoering van de Protocollen bij dit Verdrag, opgemaakt te Londen op 27 november 1992 en 16 mei 2003. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0 houdende sociale bepalingen, gewijzigd bij de wet van 21 december 1994, zoals het luidde voor zijn vervanging door artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 december 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « De wettelijke ouderdoms-, rust-, anciënniteits- en overlevingspensioenen of elk ander als zodanig geldend voordeel, alsook elk voordeel bedoeld als aanvulling van een pensioen, zelfs als dit laatste niet is verworven, en toegekend hetzij met toepassing van wettelijke, reglementaire of statutaire bepalingen, hetzij met toepassing van bepalingen voortvloeiend uit een arbeidsovereenkomst, een ondernemingsreglement, een collectieve ondernemings- of sectorale overeenkomst, zijn onderworpen aan een afhouding die varieert naargelang het totaal maandelijks brutobedrag van de verschillende hierboven bepaalde pensioenen en andere voordelen, ongeacht het feit of het periodieke of in de vorm van een kapitaal betaalde voordelen betreft, naargelang de begunstigde van deze pensioenen of andere voordelen alleenstaand is of gezinslast heeft.Worden eveneens als pensioen beschouwd de invaliditeitspensioenen van de administratieve en militaire personeelsleden, van de magistraten en van de personeelsleden van de Rechterlijke Orde en van de gerechtelijke politie bij de parketten, betaald ten laste van de Schatkist wegens bewezen diensten in Afrika.

Worden eveneens bedoeld, de renten verworven door stortingen bedoeld bij de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, ongeacht de oorsprong ervan. »; 2° het vijfde lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan : a) onder « begunstigde met gezinslast », naar gelang van het geval : 1) de gehuwde begunstigde die samenwoont met zijn echtgenoot, op voorwaarde dat deze laatste geen andere beroepsinkomsten heeft dan deze voortspruitend uit toegelaten arbeid, zoals bepaald in de pensioenregeling voor werknemers, noch een sociaal voordeel geniet krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving of een als zodanig geldend voordeel krachtens een regeling van toepassing op het personeel van een instelling van internationaal publiek recht;2) de gehuwde begunstigde die gescheiden leeft van zijn echtgenoot, de ongehuwde begunstigde, de uit de echt gescheiden begunstigde of de langstlevende echtgenoot, op voorwaarde dat hij uitsluitend samenwoont met één of meer kinderen waarvan ten minste één recht geeft op kinderbijslag;b) onder « alleenstaande begunstigde », iedere andere begunstigde dan die bedoeld onder littera a).

Voor de vaststelling van het maandelijks brutobedrag : a) worden de pensioenen en andere voordelen die niet maandelijks worden betaald, omgezet in maandbedragen;b) worden de in dit artikel bedoelde kapitalen omgezet in fictieve renten.Deze omzetting in een fictieve rente geschiedt door het bedrag van het kapitaal te delen door de coëfficient die, volgens de van kracht zijnde barema's inzake de omzetting in kapitaal van arbeidsongevallenrenten in de overheidssector, overeenstemt met de leeftijd van de betrokkene op de dag van de betaling van het kapitaal.

Indien het kapitaal niet ineens wordt betaald, geschiedt een omzetting voor elke gedeeltelijke betaling. Wanneer het pensioen op het ogenblik van de betaling van het kapitaal nog niet is ingegaan, wordt de leeftijd van de betrokkene op het ogenblik van de betaling van het kapitaal voor de omzetting vervangen door de leeftijd op de ingangsdatum van het pensioen. Van 1 januari 1995 tot en met 30 juni 1995 wordt het bedrag van de aldus berekende fictieve rente verbonden aan de spilindex die, op de datum van de betaling van het kapitaal, werd gebruikt voor de indexering van het pensioen en gekoppeld aan de latere schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van het derde lid; c) worden de wettelijke pensioenen en de als aanvulling ervan bedoelde voordelen betaald door buitenlandse of intemationale instellingen eveneens in aanmerking genomen. Het gedeelte van de afhouding dat betrekking heeft op een wettelijk pensioen wordt ingehouden door de instelling die dat pensioen uitbetaalt.

Het gedeelte van de afhouding dat betrekking heeft op voordelen bedoeld als aanvullingen van pensioenen en betaald door Belgische uitbetalingsinstellingen, wordt ingehouden op de wettelijke pensioenen overeenkomstig de volgende rangorde : 1° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de pensioenregeling voor werknemers;2° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de pensioenregeling voor zelfstandigen;3° de rust- en overlevingspensioenen beheerd door de administratie der Pensioenen;4° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;5° de rustpensioenen ten laste van de instellingen waarop het koninklijk besluit nr.117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en de regieën ingesteld door de Staat toepasselijk is; 6° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de Dienst voor Overzeese Sociale Zekerheid;7° de rust- en overlevingspensioenen, andere dan deze bedoeld in 3°, ten laste van de plaatselijke besturen of ten laste van door deze plaatselijke besturen opgerichte instellingen van openbaar nut, met inbegrip van die welke aan hun mandatarissen worden toegekend;8° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van aan de gewesten en gemeenschappen onderworpen instellingen van openbaar nut, andere dan deze bedoeld in 3°;9° de hiervoor niet opgenomen rust- en overlevingspensioenen ten laste van de machten en instellingen bedoeld in artikel 38 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen.

In geval van cumulatie van pensioenen van eenzelfde rangorde, wordt het bedrag van de afhouding eerst op het grootste pensioen in mindering gebracht, zonder dat latere verhogingen van de pensioenen een wijziging van de vastgestelde volgorde tot gevolg kunnen hebben.

De opbrengst van de afhoudingen wordt, met uitzondering van die verricht door de Rijksdienst voor Pensioenen, maandelijks gestort aan het Fonds voor het evenwicht van de pensioenstelsels. ».

Art. 24Artikel 23 heeft uitwerking van 1 januari 1995 tot en met 31 december 1996

TITEL III. - Geneeskundige verzorging - RIZIV HOOFDSTUK I. - SIS-kaart Art. 25 Artikel 2, vierde lid, 5°, van het koninklijk besluit van 18 december 1996 houdende maatregelen met het oog op de invoering van een sociale identiteitskaart ten behoeve van alle sociaal verzekerden, met toepassing van de artikelen 38, 40, 41 en 49 van de wet van 26 juli 1996 houdende de modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de wettelijke pensioenstelsels wordt vervangen als volgt : « 5° één of meer aanduidingen betreffende de periode van toekenning van het recht op geneeskundige verzorging in het raam van de voornoemde gecoördineerde wet; ».

Art. 26

In artikel 5, tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit, wordt de eerste zin vervangen als volgt : « De natuurlijke of rechtspersonen bedoeld in artikel 2, n), van de voormelde gecoördineerde wet van 14 juli 1994Relevante gevonden documenten type wet prom.

07/08/1974 pub.

28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten9 mogen gebruik maken van de sociale identiteitskaart van de sociaal verzekerden waarmee ze in betrekking staan. ». HOOFDSTUK II. - Geneeskundige verzorging Art. 27 Artikel 25, § 2, vijfde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt vervangen als volgt : « De Koning kan voor verzekerden die zijn aangetast door specifieke zeldzame aandoeningen die een continue verzorging of een éénmalige ingreep noodzaken en die door Hem worden omschreven, de voorwaarden bepalen waarin de bevoegdheid van het college voor het verlenen van tegemoetkomingen in de kosten, wordt overgedragen aan de verzekeringsinstellingen. ».

Art. 28

In artikel 28, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 25 januari 1999 en 24 december 1999, worden in de laatste zin, de woorden « Technische raden bedoeld in artikel 27, eerste lid » vervangen door de woorden « Technische raden bedoeld in de artikelen 27, eerste lid, en 29 »

Art. 29

In artikel 34, 10°, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden « bedoeld in respectievelijk de punten 7° en 8° » geschrapt en vervangen door : « en met de plaatsing in de medisch-pediatrische centra voor kinderen getroffen door een chronische ziekte bedoeld in respectievelijk de punten 7°, 8° en 9°, a). »

Art. 30

In artikel 37 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 6, eerste lid, wordt vervangen als volgt : « § 6.Voor de in artikel 34, 7°,8° en 9°, a), bedoelde verstrekkingen wordt de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging bepaald op 100 % van de honoraria en prijzen, vastgesteld door de in artikel 22, 6°, bedoelde overeenkomsten. »; 2° in § 11, gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.

22/02/1998 pub.

03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.

22/02/1998 pub.

03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen sluiten, wordt het eerste lid vervangen als volgt : « § 11.De tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging in de in artikel 34, 10°, bedoelde reiskosten wordt door de minister vastgesteld. ».

Art. 31Artikel 51, § 2, zesde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de

wet van 24 december 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.

07/08/1974 pub.

28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten0, wordt aangevuld met de volgende zinsnede : « en maken, vanaf 1 januari 2001, integraal deel uit van de bedingen van de overeenkomsten die, op die datum, in toepassing van artikel 49, § 4, stilzwijgend worden verlengd. ».

Art. 32

Artikel 59 van dezelfde wet wordt aangevuld met de volgende leden : « Aan deze opgesplitste budgetten wordt vanaf 1 januari 2001 het bedrag toegevoegd dat overeenkomt met het opgesplitst algebraïsch verschil tussen het globaal budget van de financiële middelen en de door de verzekeringsinstellingen geboekte uitgaven voor de desbetreffende verstrekkingen van klinische biologie, vastgesteld in het tweede jaar dat voorafgaat aan het jaar waarvoor het globaal budget wordt vastgelegd Indien deze toevoeging wordt doorgevoerd voor het gedeelte dat betrekking heeft op de verstrekkingen die worden verleend aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden, wordt geen toepassing gemaakt van de bepalingen van de artikels 61 en 62 in het jaar waarvoor het algebraïsch verschil in rekening wordt gebracht.

De Koning legt, na advies van de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen, de modaliteiten vast volgens dewelke deze algebraïsche verschillen worden verrekend in de forfaitaire bedragen, bedoeld in artikel 57, § 1 en 60, § 2.

Het doorvoeren van deze verrekening kan noch door één van de partijen die het akkoord heeft gesloten, noch door de individuele verstrekker die er is tot toegetreden, worden ingeroepen om dit akkoord of deze toetreding op te zeggen. ».

Art. 33

Artikel 72bis, § 2, van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling : « § 2. De schrapping van een farmaceutische specialiteit van de lijst van de voor vergoeding aangenomen specialiteiten treedt in werking een jaar na de ontvangst van de aanvraag De minister kan, na advies van de Technische Raad voor Farmaceutische Specialiteiten, rekening houdend met economische, sociale en therapeutische criteria, een eerdere datum van inwerkingtreding bepalen, op basis van een gemotiveerde aanvraag tot schrapping op kortere termijn, die terzelfder tijd wordt gestuurd naar de minister en de Technische Raad voor Farmaceutische Speciaiiteiten.

De indiener van de aanvraag tot schrapping is ertoe gehouden de farmaceutische specialiteit in de bestaande terugbetaalde presentaties ter beschikking te houden tot de datum van publicatie in het Belgisch Staatsblad van de schrapping van de farmaceutische specialiteit uit de lijst van terugbetaalbare geneesmiddelen. ».

Art. 34Artikel 136, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de

wet van 24 december 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.

07/08/1974 pub.

28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten0 wordt aangevuld als volgt : « c) onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in bijzondere akkoorden, waarvan de inhoud past in het algemeen kader van de regels vastgelegd door de internationale verdragen, gesloten tussen de in artikel 2 i), n), bedoelde personen, Belgen en buitenlanders, om te komen tot een vereenvoudigde toegang tot de verstrekkingen over de grenzen, en die zijn goedgekeurd door het Verzekeringscomité en/of het Beheerscomité van de uitkeringen. ».

Art. 35Artikel 146, derde lid, van dezelfde wet, gewijzigd door de

wet van 25 januari 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.

25/01/1999 pub.

06/02/1999 numac 1999021025 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen sluiten, wordt vervangen door het volgend lid : « Het aantal geneesheren-inspecteurs wordt vastgesteld op één geneesheer per volledige schijf van 80 000 rechthebbenden, dat van de apothekers-inspecteurs bedraagt één apotheker per volledige schijf van 1 miljoen rechthebbenden. ».

Art. 36Artikel 156, vijfde lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de

wet van 24 december 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.

07/08/1974 pub.

28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten0, wordt als volgt gewijzigd : « De Beperkte Kamers kunnen enkel een beslissing nemen na de betrokkenen te hebben gehoord; wanneer zij nalaten of weigeren te verschijnen, kunnen de Beperkte Kamers rechtsgeldig beslissen; ».

Art. 37In artikel 185, § 2, tweede lid, van dezelfde wet, worden : - het 1°, gewijzigd bij de

wet van 24 december 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.

07/08/1974 pub.

28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten0, vervangen als volgt : « 1° de geneesheren-inspecteurs, de apothekers-inspecteurs en de sociaal controleurs, bedoeld in artikel 146, worden benoemd door de Koning op voorstel van de Directieraad van het Instituut. Zij worden ontslagen en afgezet door de Koning. »; - het 2°, gewijzigd bij de wetten van 22 februari 1998 en 24 december 1999, vervangen als volgt : « 2° de sociaal inspecteurs en sociaal controleurs, bedoeld in artikel 162, worden benoemd door de Koning op voorstel van de Directieraad van het Instituut. Zij worden ontslagen en afgezet door de Koning. ».

Art. 38In artikel 191, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd door de

wet van 4 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.

04/05/1999 pub.

04/06/1999 numac 1999003329 bron ministerie van financien Wet houdende fiscale en andere bepalingen type wet prom.

04/05/1999 pub.

12/06/1999 numac 1999003331 bron ministerie van financien Wet houdende diverse fiscale bepalingen type wet prom.

04/05/1999 pub.

29/05/1999 numac 1999003343 bron ministerie van financien Wet houdende bepalingen inzake accijnzen sluiten en gewijzigd bij de wet van 24 december 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.

07/08/1974 pub.

28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten0, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° Het eerste lid van 15°ter wordt aangevuld met de volgende woorden : « en de voorwaarden bepaald in het voorlaatste lid van 15°ter ».2° In 15°ter wordt na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd dat luidt als volgt : « Onder de bijkomende voorwaarden bepaald in het laatste lid van 15°ter, wordt de in het eerste lid van 15°ter bedoelde aanvullende heffing voor 2000 verhoogd tot 5 % van de omzet die in 1999 is verwezenlijkt.». 3° In 15°ter wordt na het vroegere laatste lid een nieuw laatste lid toegevoegd dat luidt als volgt : « De verhoging bedoeld in artikel 191, eerste lid, 15°ter, tweede lid, is verschuldigd als bij een in Ministerraad overlegd Koninklijk Besluit wordt vastgesteld dat er op 1 oktober 2000 geen akkoord is bereikt tussen de minister van Sociale zaken en de farmaceutische industrie over de ontwikkeling en de beheersing van het budget voor geneesmiddelen.».

Art. 39

Artikel 213 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 22 februari 1998 en 24 december 1999, wordt aangevuld als volgt : « § 4. Indien de toepassing van artikel 51, § 2, een wijziging van een uitvoeringsbesluit van deze wet tot gevolg heeft, geldt een bijzondere adviesprocedure. In afwijking van de bepalingen van deze wet moet over die wijzigingen alleen het advies van de Algemene Raad worden ingewonnen. »

Art. 40

In artikel 43 van de programmawet van 24 december 1993, gewijzigd bij de wetten van 21 december 1994, 29 april 1996 en 24 december 1999 worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de § 5 wordt geschrapt;2° de huidige § 4bis wordt § 5;3° in § 6, laatste lid worden de woorden « Vanaf 1999 » vervangen door de woorden « Voor de prestaties terugbetaald vanaf 1 januari 1999 »;4° in § 7 worden de woorden « § 6 van dit artikel » vervangen door de woorden « Dit artikel ». HOOFDSTUK III. - Overlegstructuur - technische cel Art. 41 In artikel 141 van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.

22/02/1998 pub.

03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.

22/02/1998 pub.

03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen sluiten, worden in het eerste en tweede lid de woorden « anonieme gegevens » vervangen door de woorden « gegevens waarbij geen natuurlijke persoon is geïdentificeerd ».

Art. 42In artikel 154, eerste lid, 1°, van dezelfde wet, wordt het woord « anonieme » geschrapt

Art. 43

In artikel 156 van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, gewijzigd bij de wetten van 22 februari 1998 en 24 december 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht : A) § 1 wordt vervangen door de volgende bepaling : « § 1. De technische cel heeft tot taak gegevens met betrekking tot de ziekenhuizen, zoals bedoeld in § 2, te verzamelen, te koppelen, te valideren, anoniem te maken en te analyseren. Daarnaast stelt de technische cel de gegevens ter beschikking volgens de modaliteiten beschreven in § 3 Onder anonieme gegevens wordt hier verstaan deze die niet in verband kunnen worden gebracht met een natuurlijke of rechtspersoon die is of kan worden geïdentificeerd. »;

B) § 2, tweede lid, wordt aangevuld als volgt : « De aan de technische cel meegedeelde gegevens bevatten geen identificatie van natuurlijke personen. »;

C) in § 2, derde lid, worden de woorden « anonieme gegevens met betrekking tot de ziekenhuizen » vervangen door de woorden « gegevens met betrekking tot de ziekenhuizen waarbij geen natuurlijke persoon is geïdentificeerd. »;

D) in § 2, vierde lid, wordt het woord « anonieme » geschrapt;

E) § 3 wordt vervangen door de volgende bepaling : « § 3. De technische cel zal enkel anonieme gegevens ter beschikking stellen behoudens de hiena vermelde uitzonderingen.

Het ministerie en het Instituut hebben rechtstreeks toegang tot de door de technische cel anoniem gemaakte gegevens. De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, onder welke voorwaarden aan het ministerie en het Instituut gegevens kunnen worden meegedeeld door de technische cel waarbij de rechtspersoon of de zorgverlener, natuurlijke persoon, is of kan worden geïdentificeerd. Deze mededeling moet noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de wettelijke opdrachten van het ministerie en het Instituut.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op welke wijze en onder welke voorwaarden anonieme gegevens of gegevens waarbij de rechtspersoon is of kan worden geïdentificeerd, verzameld door de technische cel, aan andere personen dan die vermeld in het tweede lid kunnen worden ter beschikking gesteld, rekening houdende met de aard en de doelstelling van de aanvraag van de gegevens. In geen geval mogen aan die personen gegevens waarbij een natuurlijke persoon is of kan worden geïdentificeerd worden meegedeeld. ».

TITEL IV. - Arbeidsongevallen Art. 44 In artikel 24, zesde lid, van de arbeidsongevallen

wet van 10 april 1971Relevante gevonden documenten type wet prom.

06/08/1993 pub.

18/12/1998 numac 1998015163 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Verdrag nr. 148 betreffende de bescherming van de werknemers tegen beroepsrisico's op de werkplaatsen als gevolg van luchtverontreiniging, lawaai en trillingen, aangenomen te Genève op 20 juni 1977 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar drieënzestigste zitting type wet prom.

06/08/1993 pub.

04/06/2015 numac 2015000253 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende goedkeuring en uitvoering van het Internationaal Verdrag ter oprichting van een internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, opgemaakt te Brussel op 18 december 1971, en houdende uitvoering van de Protocollen bij dit Verdrag, opgemaakt te Londen op 27 november 1992 en 16 mei 2003. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten7, ingevoegd bij de wet van 29 december 1990Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/02/1998 pub.

19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten9, worden de woorden « verplegings- of verzorgingsinstelling » vervangen door de woorden « ziekenhuis zoals omschreven in artikel 2 van de bij koninklijk besluit van 7 augustus 1987 gecoördineerde wetgeving op de ziekenhuizen ».

Art. 45In artikel 24bis, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de

wet van 29 december 1990Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/02/1998 pub.

19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten9, worden de woorden « verplegings- of verzorgingsinstelling » vervangen door het woord « ziekenhuis » zoals omschreven in artikel 2 van de wet op de ziekenhuizen gecoördineerd op 7 augustus 1987.

Art. 46

In artikel 38, eerste lid, van dezelfde wet wordt de tweede zin vervangen als volgt : « Wanneer tijdens de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid de minderjarige leerling meerderjarig wordt, of de leerovereenkomst een einde neemt, wordt vanaf die datum het basisloon voor de berekening van de dagelijkse vergoeding bepaald overeenkomstig het hiernavolgend lid. »

Art. 47In artikel 47, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden « 42bis », ingevoegd bij koninklijk besluit van 16 december 1996, geschrapt

Art. 48In artikel 48ter, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden « 42bis » ingevoegd bij koninklijk besluit van 16 december 1996, geschrapt

Art. 49In artikel 51, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden « bij de Algemene Spaar- en Lijfrentekas of » geschrapt

Art. 50

Artikel 93 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 39 van 31 maart 1982, wordt vervangen als volgt : « Art. 93.Onverminderd de bepalingen van artikel 50bis van het Strafwetboek, zijn de werkgever, de verzekeraar of de instelling met rentedienst burgerrechterlijk aansprakelijk voor de geldboeten waartoe hun beheerders, commissarissen, directeurs, zaakvoerders, lasthebbers of aangestelden worden veroordeeld met toepassing van de voorgaande bepalingen. »

Art. 51 De Algemene Spaar- en Lijfrentekas sluit met een tot de rentedienst gemachtigde verzekeraar een overeenkomst tot overdracht van de bij haar gevestigde rentekapitalen.

De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder deze overdracht plaatsvindt.

De minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft, verleent goedkeuring aan de in het eerste lid bedoelde overeenkomst.

De overdracht heeft uitwerking op de datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit dat goedkeuring verleent aan de in het eerste lid bedoelde overeenkomst. Ze geldt ten aanzien van alle rentegenieters en alle betrokken derden.

Art. 52Artikel 49 treedt in werking op de in artikel 51, vierde lid, bepaalde datum

TITEL V. - Kinderbijslag HOOFDSTUK I. - Regeling van rechtstreekse betaling van de kinderbijslagen door UIA, LUC, Universiteit Gent en Universitair Centrum Antwerpen en regeling kinderbijslag van niet beschermde lokale mandatarissen Art. 53 Artikel 3, 2°, van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, vervangen bij de wet van 22 december 1989Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/02/1998 pub.

19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten1, wordt aangevuld als volgt : « alsook de Universitaire Instelling Antwerpen en het Universitair Centrum Limburg; ».

Hetzelfde artikel wordt aangevuld met het volgende lid : « De gemeenten zijn eveneens aan deze wetten onderworpen voor de burgemeesters en schepenen bedoeld in artikel 19, § 4, van de nieuwe gemeentewet. ».

Art. 54

In artikel 15, tweede lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 oktober 1960 en de wet van 10 juni 1998, worden de woorden « en van de werkvrouwen » geschrapt

Art. 55

In dezelfde wetten wordt een artikel 32ter ingevoegd, luidend als volgt : « Art. 32ter.De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten verleent de gezinsbijslag aan de burgemeesters en schepenen bedoeld in artikel 19, § 4, van de nieuwe gemeentewet. »

Art. 56

Artikel 42bis van dezelfde wetten, hersteld bij het koninklijk besluit nr. 131 van 30 december 1982 en gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 282 van 31 maart 1984, de wet van 1 augustus 1985Relevante gevonden documenten type wet prom.

07/08/1974 pub.

28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten1, het koninklijk besluit nr. 534 van 31 maart 1987, de koninklijke besluiten van 31 maart 1987 en 16 november 1988, de wetten van 22 december 1989, 29 december 1990, 30 december 1992 en 4 mei 1999, wordt aangevuld met het volgende lid : « Voor de toepassing van het vijfde lid bepaalt de Koning de periodes, alsook hun berekeningswijze, die in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de aanvang van de periodes van zes maanden activiteit bedoeld in het vijfde lid. Hij bepaalt eveneens de periodes die deze activiteit onderbreken. ».

Art. 57Artikel 51, § 1, enig lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de

wet van 22 december 1989Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/02/1998 pub.

19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten1, wordt aangevuld als volgt : « 4° de personen bedoeld in artikel 3, tweede lid. ».

Art. 58In artikel 102, § 2, tweede lid, van dezelfde wetten, ingevoegd bij de

wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.

22/02/1998 pub.

03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.

22/02/1998 pub.

03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen sluiten, worden de woorden « de werkvrouwen en » geschrapt.

Art. 59 De Universitaire Instelling Antwerpen en het Universitair Centrum Limburg verlenen rechtstreeks de gezinsbijslag aan hun personeelsleden voor dewelke zij niet zijn onderworpen aan de verplichting tot het betalen van de sociale zekerheidsbijdragen voor de sector gezinsbijslag voor werknemers aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

Art. 60 De Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen verlenen rechtstreeks de gezinsbijslag aan hun personeelsleden voor dewelke zij niet zijn onderworpen aan de verplichting tot het betalen van de sociale zekerheidsbijdragen voor de sector gezinsbijslag voor werknemers aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

Art. 61Artikel 51, § 1, enig lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de

wet van 22 december 1989Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/02/1998 pub.

19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten1, wordt aangevuld als volgt : « 4° de personen bedoeld in artikel 3, tweede lid. ».

Art. 62Het artikel 60 heeft uitwerking met ingang van 29 juni 1991. HOOFDSTUK II. - Gewaarborgde gezinsbijslag Art. 63 In artikel 1, derde lid, van de

wet van 20 juli 1971Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/02/1998 pub.

19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten2 tot instelling van de gewaarborgde gezinsbijslag, gewijzigd bij de wet van 25 januari 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.

25/01/1999 pub.

06/02/1999 numac 1999021025 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen sluiten, wordt de tweede zin vervangen door de volgende : « Dit vermoeden kan niet worden omgekeerd om de reden dat het kind een bestaansminimum ontvangt toegekend krachtens de wet van 7 augustus 1974Relevante gevonden documenten type wet prom.

07/08/1974 pub.

28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten tot instelling van het recht op een bestaansminimum. ».

Art. 64

Artikel 63 heeft uitwerking met ingang van 11 februari 1998. HOOFDSTUK III. - Ambtenaren Europese Gemeenschappen, Eurocontrol en Europese scholen Art. 65 Artikel 60, § 1, van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 juli 1982, wordt aangevuld met de volgende bepalingen : « Die vermindering wordt niet toegepast indien ten behoeve van een rechtgevend kind aanspraak kan worden gemaakt op uitkeringen van dezelfde aard krachtens statutaire regelen die van toepassing zijn op de ambtenaren en andere agenten van de Europese Gemeenschappen De Koning bepaalt de volkenrechtelijke instellingen wier statutaire regelen die op hun personeel van toepassing zijn, kunnen worden gelijkgesteld met de statutaire regelen bedoeld in het vorige lid. ».

Art. 66

Artikel 65 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1993. HOOFDSTUK IV. - Discriminaties op basis van het geslacht van de partners die een huishouden vormen Art. 67 In artikel 42, § 1, derde lid, van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 april 1997Relevante gevonden documenten type wet prom.

22/02/1998 pub.

03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.

22/02/1998 pub.

03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen sluiten2 en de wet van 14 mei 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) 1° wordt aangevuld met het volgende zinslid : « , behalve wanneer uit andere daartoe overgelegde officiële documenten blijkt dat de bijslagtrekkenden wel degelijk samenwonen, ook al stemt dat niet of niet meer overeen met de informatie verkregen van het Rijksregister. »; b) 2° wordt vervangen door de volgende bepaling : « 2° de bijslagtrekkenden moeten ofwel echtgenoten zijn ofwel bloed- of aanverwanten in de eerste, tweede of derde graad, ofwel personen die verklaren een feitelijk gezin te vormen.Die verklaring geldt tot bewijs van het tegendeel. Het ouderschap dat is verworven door adoptie wordt in aanmerking genomen. ».

Art. 68Artikel 51, § 3, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de

wet van 22 december 1989Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/02/1998 pub.

19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten1, door het koninklijk besluit van 21 april 1997Relevante gevonden documenten type wet prom.

22/02/1998 pub.

03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.

22/02/1998 pub.

03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen sluiten2 en door de wet van 14 mei 2000, wordt als volgt gewijzigd : a) in de eerste zin van 3° worden de woorden « de persoon met wie hij een huishouden vormt » vervangen door de woorden « een persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt »;b) in 6° worden de woorden « de persoon met wie hij een huishouden vormt » vervangen door de woorden « een persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt »;c) in 7° worden de woorden « de persoon met wie hij een huishouden vormt » vervangen door de woorden een persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt »;d) in 8° worden de woorden « de persoon met wie hij een huishouden vormt » vervangen door de woorden « een persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt »;e) er wordt een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt : « Voor de toepassing van deze paragraaf kunnen personen die bloed- of aanverwanten zijn tot en met de derde graad geen feitelijk gezin vormen.Het samenwonen van personen die verklaren dat ze een feitelijk gezin vorrnen, vloeit voort uit de informatie bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, verkregen van dit Rijksregister, of uit andere officiële stukken die door de aanvrager worden overgelegd en waaruit de samenwoning blijkt, wanneer de hiervoor bedoelde informatie uit het Rijksregister ontbreekt of door die documenten ongeldig wordt verklaard. Die verklaring geldt tot bewijs van het tegendeel. ».

Art. 69Artikel 56bis, § 2, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 5 januari 1976, het koninklijk besluit nr. 534 van 31 maart 1987 en de

wet van 22 december 1989Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/02/1998 pub.

19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten1, wordt gewijzigd als volgt : a) het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « De in § 1 bedoelde kinderbijslag wordt evenwel verleend tegen de schaal bepaald in artikel 40 als de overlevende vader of moeder een huwelijk aangaat of een feitelijk gezin vormt met een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad.»; b) tussen het eerste en het tweede lid wordt een nieuw lid ingevoegd luidend als volgt : « Het samenwonen van de overlevende ouder met een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad doet vermoeden tot bewijs van het tegendeel dat er sprake is van een feitelijk gezin.».

Art. 70In artikel 56quater, eerste lid, 3°, van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 534 van 31 maart 1987 en de

wet van 22 december 1989Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/02/1998 pub.

19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten1 worden de woorden « geen huishouden vormen in de zin van artikel 56bis, § 2, eerste lid van deze wetten, noch een nieuw huwelijk hebben aangegaan » vervangen door de woorden « geen feitelijk gezin vormen in de zin van artikel 56bis, § 2, noch een nieuw huwelijk hebben aangegaan ».

Art. 71

Artikel 56quinquies, §§ 2 en 3, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 4 juli 1969, bij het koninklijk besluit van 23 januari 1976, en bij de wetten van 1 augustus 1985 en 22 december 1989, wordt als volgt gewijzigd : a) in § 2, tweede lid worden de woorden « een huishouden vormt, in de zin van artikel 56bis, § 2, eerste lid » vervangen door de woorden « of een feitelijk gezin vormt in de zin van artikel 56bis, § 2 »;b) in § 3, tweede lid worden de woorden « geen huishouden vormen in de zin van artikel 56bis, § 2, eerste lid » vervangen door de woorden « geen feitelijk gezin vormen in de zin van artikel 56bis, § 2 ». Art. 72 In artikel 56sexies, § 2, tweede lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 1 augustus 1985 en 22 december 1989 worden de woorden « een huishouden vormt in de zin van artikel 56bis, § 2, eerste lid », vervangen door de woorden « een feitelijk gezin vormt in de zin van artikel 56bis, § 2 »

Art. 73

In artikel 64, § 2, B, 1° van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 122 van 30 december 1982 en bij het koninklijk besluit nr. 534 van 31 maart 1987, worden de woorden « een huishouden vormt » vervangen door de woorden « een feitelijk gezin vormt volgens de vereisten van artikel 51, § 3, tweede lid »

Art. 74In artikel 73quater, § 4, tweede lid, van dezelfde wetten, opnieuw ingevoerd bij de

wet van 30 december 1992Relevante gevonden documenten type wet prom.

06/08/1993 pub.

18/12/1998 numac 1998015163 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Verdrag nr. 148 betreffende de bescherming van de werknemers tegen beroepsrisico's op de werkplaatsen als gevolg van luchtverontreiniging, lawaai en trillingen, aangenomen te Genève op 20 juni 1977 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar drieënzestigste zitting type wet prom.

06/08/1993 pub.

04/06/2015 numac 2015000253 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende goedkeuring en uitvoering van het Internationaal Verdrag ter oprichting van een internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, opgemaakt te Brussel op 18 december 1971, en houdende uitvoering van de Protocollen bij dit Verdrag, opgemaakt te Londen op 27 november 1992 en 16 mei 2003. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1, worden de woorden « hij een gezin vormt » vervangen door de woorden « hij een feitelijk gezin vormt in de zin van artikel 56bis, § 2, ».

Art. 75 De wijziging van het koninklijk besluit van 12 april 1984 tot uitvoering van de artikelen 42bis en 56, § 2, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, houdende de vervanging van het begrip een huishouden vormen met een persoon van het andere geslacht door het begrip feitelijk gezin, heeft uitwerking vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet.

Art. 76 De artikelen 67 tot 75 treden in werking de eerste dag van de maand na die waarin ze in het Belgisch Staatsblad verschijnen. HOOFDSTUK V. - Responsabilisering van de kinderbijslagfondsen Art. 77 Artikel 24, zevende lid, van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gewijzigd bij de besluitwet van 22 november 1945 en het koninklijk besluit van 10 april 1957, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Overeenkomstig artikel 91, § 2, e), wordt het overschot naar het reservefonds van het betrokken kinderbijslagfonds overgedragen. ».

Art. 78

Artikel 28 van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 april 1957, wordt vervangen door de volgende bepaling : « De Koning kan de toelating intrekken : a) op gemotiveerd advies van het beheerscomité van de Rijksdienst, gebaseerd op het verslag van de evaluatie waarvan sprake in het artikel 94, § 2, a);b) als het vermogen van het reservefonds van het kinderbijslagfonds gedurende tenminste drie opeenvolgende dienstjaren niet volstaat om de onverschuldigd betaalde gezinsbijslagen bedoeld in artikel 91, § 4, 2° tot 5°, en de verliezen bedoeld in artikel 91, § 4, 6°, te dekken;c) als het vermogen van de administratieve reserve van het kinderbijslagfonds gedurende ten minste drie opeenvolgende dienstjaren niet volstaat om de tekorten bedoeld in artikel 94, § 7, 3°, aan te zuiveren. Indien de Koning in de in het eerste lid bedoelde gevallen niet beslist tot intrekking van de toelating, kan het beheerscomité van de Rijksdienst, met het oog op het herstel van de financiële toestand van het kinderbijslagfonds, het kinderbijslagfonds verplichten hem, binnen een door hem gestelde termijn, een herstelplan voor te stellen. Bij gebrek aan een geschikt plan binnen de gestelde termijn, kan het beheerscomité zelf een herstelplan opleggen aan het kinderbijslagfonds In dit geval kan het kinderbijslagfonds tegen het opgelegde herstelplan beroep instellen bij de minister van Sociale Zaken, binnen vijftien kalenderdagen volgend op de kennisgeving van het herstelplan door het beheerscomite van de Rijksdienst. Het beroep is niet opschortend. De minister neemt een beslissing binnen dertig kalenderdagen volgend op de datum van het beroep. Na afloop van het herstelplan verstrekt het beheerscomité van de Rijksdienst een gemotiveerd advies aan de minister.

Art. 79

Artikel 91 van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 28 van 15 december 1978 en de wetten van 10 juni 1998 en 25 januari 1999, wordt vervangen door de volgende bepaling : « § 1. De krachtens artikel 19 erkende vrije kinderbijslagfondsen en de bij artikel 31 bedoelde bijzondere kinderbijslagfondsen, zijn verplicht een reservefonds tot stand te brengen. § 2. Het reservefonds wordt gestijfd met : a) het vermogen van het reservefonds van het kinderbijslagfonds op 31 december 1999;b) 1° wat de vrije, krachtens artikel 19 erkende kinderbijslagfondsen betreft : het deel van de toelage bedoeld bij artikel 94, § 2, a), dat door de Koning aan het reservefonds wordt toegewezen;2° wat de bijzondere kinderbijslagfondsen waarvan sprake in artikel 31 betreft : een jaarlijkse storting door de rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers, ten belope van 0,15 per duizend van de gezinsbijslag betaald door het kinderbijslagfonds in de loop van het dienstjaar;c) de intresten opgebracht door de sommen van dit reservefonds en van het thesauriefonds bedoeld in artikel 93;d) de schenkingen en legaten die aan het kinderbijslagfonds zouden worden toegekend;e) de opbrengst van de geldboeten, bijdragenverhogingen en verwijlintresten bedoeld in het artikel 24, zevende lid;f) de opbrengst van boeten en van de bijdrageopslagen en verwijlintresten betreffende de bijdragen bedoeld in de artikelen 77 en 78;g) het deel van de overschotten van de beheersrekening dat eventueel wordt overgedragen overeenkomstig het derde lid van artikel 94, § 3. § 3 Het vermogen van het reservefonds van het kinderbijslagfonds mag op 31 december van het dienstjaar niet hoger zijn dan 1,5 % van het bedrag van de gezinsbijslag in de loop van datzelfde dienstjaar door het kinderbijslagfonds betaald.

Indien die grens wordt overschreden, wordt het overschot aan de rijksdienst gestort in de loop van het eerste semester van het volgende dienstjaar. Het kinderbijslagfonds dat zijn overschot niet tijdig heeft doorgestort, is van rechtswege de wettelijke intrest verschuldigd.

De Koning kan, op voorstel van het beheerscomité van de rijksdienst, het percentage waarvan sprake in deze paragraaf wijzigen. § 4. Het reservefonds wordt aangewend : 1° tot voorlopige dekking van de onverschuldigd betaalde gezinsbijslag die dient teruggevorderd te worden;2° tot definitieve dekking van de bij toepassing van artikel 119bis niet ingevorderde sommen;3° tot definitieve dekking van de onverschuldigd betaalde gezinsbijslag, niet terugvorderbaar wegens de verjaring bedoeld in artikel 120bis;4° tot definitieve dekking van de onverschuldigd betaalde gezinsbijslag waarvan de terugvordering om sociale omstandigheden niet aangewezen is of onmogelijk is;5° tot definitieve dekking van de onverschuldigd uitbetaalde gezinsbijslag die niet wordt teruggevorderd bij toepassing van artikel 22, § 3, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het « handvest » van de sociaal verzekerde;6° tot definitieve dekking van de verliezen die veroorzaakt zijn door in gebreke gebleven aangesloten werkgevers en rechthebbenden;7° als voorschot om bij te dragen in de betaling op de vervaldag van de gezinsbijslag zonder te wachten tot de rijksdienst de storting doet van de gelden bedoeld in artikel 108, eerste lid, 1°;8° tot definitieve dekking van de verliezen die veroorzaakt zijn door elke andere oorzaak, mits het voorafgaand akkoord van het beheerscomité van de rijksdienst;9° tot aanzuivering van de vereffeningskosten van het kinderbijslagfonds, na uitputting van de administratieve reserve waarvan sprake in artikel 94. § 5.

De middelen van het reservefonds kunnen in geen geval worden aangewend tot dekking van administratiekosten, noch tot financiering van de roerende en onroerende investeringen die noodzakelijk zijn voor de goede werking van het kinderbijslagfonds, met uitzondering van de financieringen die voor 1 januari 1999 door het beheerscomité van de Rijksdienst werden goedgekeurd. ».

Art. 80

Artikel 93 van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 28 van 15 december 1978 en het koninklijk besluit van 24 februari 1983, wordt vervangen door de volgende bepaling : « § 1. De krachtens artikel 19 erkende vrije en de in artikel 31 bedoelde bijzondere kinderbijslagfondsen zijn verplicht een thesauriefonds voor de betaling van de gezinsbijslag tot stand te brengen. § 2. Het thesauriefonds voor de betaling van de gezinsbijslag wordt gestijfd met : a) de gelden bedoeld in artikel 108, eerste lid, 1°;b) de hoofdelijke bijdragen bedoeld in de artikelen 77 en 78. § 3. Dit thesauriefonds wordt aangewend voor de betaling van de gezinsbijslag en de ermee gepaard gaande uitgiftekosten. »

Art. 81

Artikel 94 van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 28 van 15 december 1978, wordt vervangen door de volgende bepaling : « § 1. De krachtens artikel 19 erkende vrije kinderbijslagfondsen en de in artikel 31 bedoelde bijzondere kinderbijslagfondsen zijn verplicht een fonds voor administratiekosten, hierna beheersrekening genoemd, tot stand te brengen. § 2. De beheersrekening wordt gestijfd met : a) een toelage verleend door de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers. Deze toelage waarvan de berekeningswijze en toekenningsvoorwaarden door de Koning worden bepaald, kan verschillend zijn naargelang het gaat om vrije, krachtens artikel 19 erkende kinderbijslagfondsen of om in artikel 31 bedoelde bijzondere kinderbijslagfondsen Wat betreft de vrije, krachtens artikel 19 erkende kinderbijslagfondsen kan de Koning een deel van deze toelage toewijzen aan het reservefonds; b) de andere dan in a) bedoelde subsidies;c) de intresten, met uitzondering van de intresten bedoeld in artikel 91, § 2, c);d) de opbrengsten en meerwaarden van alle fondsen, roerende en onroerende goederen in het bezit van het kinderbijslagfonds;e) de aanvullende bijdrage die het kinderbijslagfonds eventueel onder zijn leden vordert overeenkomstig paragraaf 8. § 3. De middelen van deze beheersrekening worden aangewend voor de dekking van de administratiekosten.

De Koning kan maatregelen nemen inzake de uitgaven voor administratiekosten.

Onverminderd hetgeen bepaald is in artikel 94, § 2, a), kan het kinderbijslagfonds op 31 december van elk dienstjaar een gedeelte of het geheel van het overschot van de beheersrekening overdragen naar het reservefonds. Wanneer op 31 december van het dienstjaar de middelen van het reservefonds van het kinderbijslagfonds onvoldoende zijn voor de aanwending bedoeld in artikel 91, § 4, 1° tot 6°, moet het kinderbijslagfonds minstens 5 % van de overschotten van de beheersrekening overdragen naar het reservefonds. Deze overdrachten zijn definitief. § 4. De krachtens artikel 19 erkende vrije kinderbijslagfondsen en de in artikel 31 bedoelde bijzondere kinderbijslagfondsen zijn verplicht een administratieve reserve tot stand te brengen. § 5.

De administratieve reserve wordt gestijfd met : a) het vermogen van de administratieve reserve van het kinderbijslagfonds op 31 december 1999;b) de overschotten van de beheersrekening op 31 december van het dienstjaar, na aftrek van het deel dat eventueel naar het reservefonds wordt overgedragen overeenkomstig het derde lid van § 3. § 6. De Koning kan het vermogen van de administratieve reserve van het kinderbijslagfonds begrenzen en het eventuele overschot toewijzen. § 7. De administratieve reserve wordt aangewend : 1° tot voorlopige financiering van de administratiekosten die in de loop van het dienstjaar niet kunnen worden gedekt door de middelen van de beheersrekening;2° tot financiering van de roerende en onroerende investeringen die noodzakelijk zijn voor de goede werking van het kinderbijslagfonds;3° tot definitieve aanzuivering op het einde van het dienstjaar van de tekorten op de beheersrekening;4° tot voorlopige financiering van de onverschuldigde gezinsbijslagen, na aanwending van het reservefonds overeenkomstig artikel 91, § 4, 1°;5° tot aanzuivering van de vereffeningskosten van het kinderbijslagfonds. § 8.

Indien de administratieve reserve ontoereikend is tot definitieve dekking van de administratiekosten, kan het kinderbijslagfonds van zijn aangesloten werkgevers een aanvullende bijdrage vorderen om die ontoereikendheid te dekken, ongeacht elke strijdige bepaling in de wet van 27 juni 1969Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/02/1998 pub.

19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten4 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944Relevante gevonden documenten type wet prom.

04/05/1999 pub.

04/06/1999 numac 1999003329 bron ministerie van financien Wet houdende fiscale en andere bepalingen type wet prom.

04/05/1999 pub.

12/06/1999 numac 1999003331 bron ministerie van financien Wet houdende diverse fiscale bepalingen type wet prom.

04/05/1999 pub.

29/05/1999 numac 1999003343 bron ministerie van financien Wet houdende bepalingen inzake accijnzen sluiten4 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid der mijnwerkers en gelijkgestelden of de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid der zeelieden ter koopvaardij. ».

Art. 82 De toepassing van het koninklijk besluit van 9 juni 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.

22/02/1998 pub.

03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.

22/02/1998 pub.

03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen sluiten7 betreffende het Fonds voor administratiekosten en de administratieve reserve van de kinderbijslagfondsen wordt bevestigd voor het jaar 1999.

Art. 83

Onverminderd de bepalingen van het artikel 82, hebben de artikelen 77 tot 81 uitwerking met ingang van 1 januari 2000. HOOFDSTUK VI. - Trimestrialisering van de toeslagen op de kinderbijslag Art. 84 Artikel 48, lid 5, van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gewijzigd bij de wet van 22 december 1989Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/02/1998 pub.

19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten1 en het koninklijk besluit van 10 december 1996, wordt vervangen door onderstaande alinea's : « Iedere gebeurtenis die zich in de loop van een maand voordoet en die het toekennen of het verliezen van het bedrag voorzien bij artikel 50bis of van één van de bijslagen, bedoeld in de artikelen 44 en 44bis en 47, impliceert, geeft aanleiding tot het toekennen of het verliezen van dat bedrag of van deze bijslag vanaf de eerste dag van de maand die volgt op deze in de loop waarvan ze zich heeft voorgedaan. Echter, wanneer een dergelijke gebeurtenis zich voordoet op de eerste dag van de maand, vangt de toekenning of het verlies van dit bedrag of van één van deze bijslagen aan vanaf deze eerste dag.

Iedere gebeurtenis die zich in de loop van een maand voordoet en die het toekennen van één van de bijslagen, bedoeld in de artikelen 42bis en 50ter, impliceert, geeft aanleiding tot het toekennen van deze bijslag vanaf de eerste dag van de maand die volgt op deze in de loop waarvan ze zich heeft voorgedaan. Echter, wanneer een dergelijke gebeurtenis zich voordoet op de eerste dag van de maand, vangt de toekenning van één van deze bijslagen aan vanaf deze eerste dag. ».

Art. 85Artikel 54, § 3 van dezelfde wetten, gewijzigd bij de

wet van 22 december 1989Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/02/1998 pub.

19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten1 en het koninklijk besluit van 21 april 1997Relevante gevonden documenten type wet prom.

22/02/1998 pub.

03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.

22/02/1998 pub.

03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen sluiten2, wordt vervangen door de volgende paragrafen : « § 3. Onverminderd de bepalingen van artikel 48, opent de rechthebbende bedoeld in artikel 51, § 2, die in de loop van een trimester voldoet aan de voorwaarden om recht te openen op de bijslagen, bedoeld in de artikelen 42bis en 50ter, dit recht voor het resterende deel van dit trimester alsook voor het trimester dat volgt. § 4. De rechthebbende, bedoeld in artikel 51, § 2, blijft het recht op de bijslagen bedoeld in de artikelen 42bis en 50ter, openen voor een trimester, op voorwaarde dat hij aan het geheel van de wettelijke en reglementaire voorwaarden voor de toekenning van deze bijslagen voldoet gedurende de tweede maand van het trimester dat voorafgaat aan dat waarvoor de kinderbijslag wordt gevraagd. § 5. Onverminderd de bepalingen van artikel 48 openen de rechthebbenden, bedoeld in artikel 51, § 2, het recht op de bedragen bepaald in artikel 50bis voor een maand, voorzover zij in de loop van de betrokken maand de voorwaarden vervullen die vereist zijn door deze wetten.

Onverminderd artikel 48, genieten de kinderen, bedoeld in de artikelen 44, 44bis en 47, de bijslagen bij de kinderbijslag, die bepaald zijn voor een maand, voor zover ze de vereiste voorwaarden vervullen in de loop van de betrokken maand. ».

Art. 86 De artikelen 84 en 85 treden in werking op de eerste dag van het trimester dat volgt op dat waarin ze in het Belgisch Staatsblad zijn verschenen.

TITEL VI. - Jaarlijkse vakantie Art. 87 Het

koninklijk besluit van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.

22/02/1998 pub.

03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.

22/02/1998 pub.

03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen sluiten8, tot vrijwaring van het financieel evenwicht van het jaarlijks vakantiestelsel van de arbeiders door structurele maatregelen wordt bekrachtigd met ingang van 1 januari 1999.

TITEL VII. - Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid Art. 88 In artikel 1 van de

wet van 15 januari 1990Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/02/1998 pub.

19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten3 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, worden de woorden « ministerie van Sociale Voorzorg » vervangen door de woorden « ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu ».

Art. 89In artikel 2, eerste lid, 7°, van dezelfde wet, gewijzigd bij de

wet van 25 januari 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.

25/01/1999 pub.

06/02/1999 numac 1999021025 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen sluiten, worden de woorden « medische gegevens van persoonlijke aard » vervangen door de woorden « sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen ».

Art. 90Het opschrift van hoofdstuk IV van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « Hoofdstuk IV. - De bescherming van de sociale gegevens van persoonlijke aard »

Art. 91

Het opschrift van hoofdstuk IV, afdeling 1, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « Afdeling 1. - De uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de verbetering en de verwijdering van sociale gegevens van persoonlijke aard »

Art. 92

Het opschrift van hoofdstuk IV, afdeling 2, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « Afdeling 2. - De maatregelen ter beveiliging van de sociale gegevens van persoonlijke aard »

Art. 93In artikel 23, eerste lid, van dezelfde wet wordt het woord « gegevens » vervangen door de woorden « sociale gegevens van persoonlijke aard »

Art. 94

Het opschrift van hoofdstuk IV, afdeling 4, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « Afdeling 4. - De maatregelen ter beveiliging van de sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen »

Art. 95

In artikel 26 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « medische gegevens van persoonlijke aard » worden telkens vervangen door de woorden « sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen, »;2° in de eerste zin van § 3 worden de woorden « medische gegevens » vervangen door de woorden « sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen, ». Art. 96 Artikel 27 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « Art. 27.ledere werkgever moet de werknemers over wie hij sociale gegevens van persoonlijke aard heeft opgeslagen of heeft ontvangen, kennis geven van de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten die strekken tot de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. »

Art. 97In artikel 28 van dezelfde wet worden de woorden « artikel 40 van de Grondwet » vervangen door de woorden « artikel 56 van de gecoördineerde Grondwet »

Art. 98

In artikel 35 van dezelfde wet worden de woorden « ministerie van Sociale Voorzorg » vervangen door de woorden « ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu »

Art. 99In artikel 54, eerste lid, 2°, a), van dezelfde wet, gewijzigd bij de

wet van 6 augustus 1993Relevante gevonden documenten type wet prom.

06/08/1993 pub.

18/12/1998 numac 1998015163 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Verdrag nr. 148 betreffende de bescherming van de werknemers tegen beroepsrisico's op de werkplaatsen als gevolg van luchtverontreiniging, lawaai en trillingen, aangenomen te Genève op 20 juni 1977 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar drieënzestigste zitting type wet prom.

06/08/1993 pub.

04/06/2015 numac 2015000253 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende goedkeuring en uitvoering van het Internationaal Verdrag ter oprichting van een internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, opgemaakt te Brussel op 18 december 1971, en houdende uitvoering van de Protocollen bij dit Verdrag, opgemaakt te Londen op 27 november 1992 en 16 mei 2003. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten, worden de woorden « medische gegevens van persoonlijke aard » vervangen door de woorden « sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen ».

Art. 100

In artikel 55, derde lid, van dezelfde wet worden de woorden « medische gegevens van persoonlijke aard » vervangen door de woorden « sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen »

Art. 101Artikel 60 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 29 april 1996, wordt opgeheven

Art. 102

In artikel 62 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 6 augustus 1993 en 29 april 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het 3° wordt vervangen als volgt : « 3° de instellingen van sociale zekerheid, hun aangestelden of lasthebbers die, in strijd met de bepalingen van artikel 20, § 2, de verbeteringen en verwijderingen van de door hen verwerkte sociale gegevens van persoonlijke aard niet aan de Kruispuntbank hebben meegedeeld;»; 2° in 6°, 7° en 10° worden de woorden « medische gegevens van persoonlijke aard » vervangen door de woorden « sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen »;3° in 8° worden de woorden « medische gegevens », vervangen door de woorden « sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen, ». Art. 103 Artikel 66 van dezelfde wet wordt opgeheven

Art. 104In artikel 67, derde lid, van dezelfde wet vervalt het woord « 60 »

TITEL VIII. - RSZ-wetgeving HOOFDSTUK I. - Vermindering persoonlijke bijdragen voor werknemers met lage lonen - aanpassing jaargrens Art. 105 In artikel 2, § 2, eerste lid, van de wet van 20 december 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.

07/08/1974 pub.

28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten2 tot toekenning van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen, worden de woorden « 431 200 Belgische frank per kalenderjaar » vervangen door de woorden « 37 500 Belgische frank voor het jaar 2000 en 39 600 Belgische frank per kalenderjaar vanaf het jaar 2001 ».

Art. 106

Artikel 105 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2000. HOOFDSTUK II. - Vermindering persoonliJke bijdragen voor werknemers met lage lonen - uitbreiding toepassingsgebied Art. 107 Artikel 2, § 1, eerste lid, van de wet van 20 december 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.

07/08/1974 pub.

28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten2 tot toekenning van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen, wordt vervangen als volgt : « De werknemers die zijn onderworpen ofwel aan de regelingen bedoeld in artikel 21, § 1, 1° tot 3° en 5°, van de wet van 29 juni 1981Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/02/1998 pub.

19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten6 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, ofwel aan de regelingen bedoeld in artikel 1, 1° tot 4° van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelde, ofwel aan de regelingen bedoeld in artikel 1, 1° tot 3°, van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij, genieten per maand, in afwijking van de artikelen 38, § 2, en 23, vierde lid, van voormelde wet, 2, §§ 2 en 7, van voormelde besluitwet van 10 januari 1945 en 3, §§ 2 en 6, van voormelde besluit, wet van 7 februari 1945, een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid overeenkomstig de volgende principes : ».

Art. 108

Artikel 107 heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2000. HOOFDSTUK III. - Openbare uitzendkantoren Art. 109 In artikel 35, § 1, 1°, categorie 1, tweede lid, van de wet van 29 juni 1981Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/02/1998 pub.

19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten6 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, vervangen bij de wet van 26 maart 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.

26/03/1999 pub.

01/04/1999 numac 1999012205 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen sluiten, worden de woorden « de uitzendbureaus van de openbare sector, » ingevoegd tussen de woorden « alsmede voor » en de woorden « de werkgevers die ressorteren onder het paritair comité voor de diensten ».

Art. 110Artikel 109 heeft uitwerking met ingang van 1 april 1999. HOOFDSTUK IV. - Sancties in de tuinbouwsector Art. 111 Artikel 3 van het

koninklijk besluit van 18 juli 1997Relevante gevonden documenten type wet prom.

22/02/1998 pub.

03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.

22/02/1998 pub.

03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen sluiten5 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/02/1998 pub.

19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten4 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944Relevante gevonden documenten type wet prom.

04/05/1999 pub.

04/06/1999 numac 1999003329 bron ministerie van financien Wet houdende fiscale en andere bepalingen type wet prom.

04/05/1999 pub.

12/06/1999 numac 1999003331 bron ministerie van financien Wet houdende diverse fiscale bepalingen type wet prom.

04/05/1999 pub.

29/05/1999 numac 1999003343 bron ministerie van financien Wet houdende bepalingen inzake accijnzen sluiten4 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1994. ».

Art. 112Artikel 8bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de

wet van 27 juni 1969Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/02/1998 pub.

19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten4 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944Relevante gevonden documenten type wet prom.

04/05/1999 pub.

04/06/1999 numac 1999003329 bron ministerie van financien Wet houdende fiscale en andere bepalingen type wet prom.

04/05/1999 pub.

12/06/1999 numac 1999003331 bron ministerie van financien Wet houdende diverse fiscale bepalingen type wet prom.

04/05/1999 pub.

29/05/1999 numac 1999003343 bron ministerie van financien Wet houdende bepalingen inzake accijnzen sluiten4 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 december 1995 en 18 juli 1997 wordt aangevuld als volgt : « In afwijking van artikel 42, 2e lid van de wet van 27 juni 1969Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/02/1998 pub.

19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten4 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944Relevante gevonden documenten type wet prom.

04/05/1999 pub.

04/06/1999 numac 1999003329 bron ministerie van financien Wet houdende fiscale en andere bepalingen type wet prom.

04/05/1999 pub.

12/06/1999 numac 1999003331 bron ministerie van financien Wet houdende diverse fiscale bepalingen type wet prom.

04/05/1999 pub.

29/05/1999 numac 1999003343 bron ministerie van financien Wet houdende bepalingen inzake accijnzen sluiten4 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hebben de werkgevers die, omwille van niet-naleving voor één of meer werknemers gedurende de periode van 1 juli 1994 tot 31 december 1995 van de voorwaarden bedoeld in het 6e lid zoals dit luidde voor de wijziging vastgesteld door het koninklijk besluit van 22 december 1995, of wegens niet-naleving voor één of meer werknemers van de voorwaarden bepaald in het 5e lid voor de periode van 1 januari 1996 tot 31 augustus 1997 zoals dit luidde voor de wijziging vastgesteld door het koninklijk besluit van 18 juli 1997Relevante gevonden documenten type wet prom.

22/02/1998 pub.

03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.

22/02/1998 pub.

03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen sluiten5, hun gelegenheidsarbeiders in deze hoedanigheid niet bij de rijksdienst voor Sociale Zekerheid hebben kunnen aangeven, voor de werknemers voor wie de voormelde voorwaarden werden nageleefd het recht om het verschil te recupereren tussen de werkelijk betaalde bijdragen en de bijdragen die verschuldigd zouden zijn geweest voor de gelegenheidsarbeiders, die worden berekend op basis van het forfaitair loon bedoeld in artikel 31bis. Voor de berekening van het terug te betalen bedrag wordt evenwel geen rekening gehouden met de bijdragen inzake de jaarlijkse vakantieregeling. ». HOOFDSTUK V. - Maatschappelijke zekerheid zeelieden ter koopvaardij Art. 113 In artikel 2quater van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij, gewijzigd bij de wet van 26 maart 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.

26/03/1999 pub.

01/04/1999 numac 1999012205 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen sluiten, worden de woorden « van en naar België » vervangen door de woorden « van en naar een lidstaat van de Europese Unie ».

Art. 114

Artikel 3, § 1, van dezelfde besluitwet, vervangen bij het koninklijk besluit nr. 96 van 28 september 1982, gewijzigd bij de wetten van 22 februari 1998 en bij het koninklijk besluit van 18 april 1997Relevante gevonden documenten type wet prom.

22/02/1998 pub.

03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.

22/02/1998 pub.

03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen sluiten4, wordt vervangen door de volgende bepaling : « § 1. De sociale zekerheidsbijdragen worden berekend op basis van het loon van de zeeman.

Onder loon van de zeeman wordt verstaan : de standaardgage vermeerderd met de overuren en met alle vergoedingen toegekend aan de betrokkenen.

De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van het beheerscomité van de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden, voor de categorieën van zeelieden die zijn tewerkgesteld aan boord van een schip geregistreerd in een lidstaat van de Europese Unie en onder de voorwaarden die Hij bepaalt, vrijstelling verlenen van de betaling van het geheel of het gedeelte van de bijdragen verschuldigd door de reder en/of door de zeelieden ingevolge deze wet of andere wettelijke of reglementaire bepalingen.

De reders kunnen enkel van de in het derde lid bedoelde vrijstelling van sociale zekerheidsbijdragen genieten indien zij de tewerkstellingsnorm respecteren.

De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van het beheerscomité van de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden, de tewerkstellingsnormen vast, enerzijds voor zeelieden en shoregangers en anderzijds voor officieren.

Hij bepaalt de modaliteiten omtrent de evaluatie van de eerbiediging van de tewerkstellingsnorrnen, de afwijkingsmogelijkheden van deze tewerkstellingsnormen, alsook de rechtvaardigingsgronden en de mogelijke sanctionering bij afwijking.

Art. 115In artikel 12 van dezelfde besluitwet, gewijzigd bij de wetten van 1 augustus 1985 en 29 april 1996 en bij het

koninklijk besluit van 19 mei 1995Relevante gevonden documenten type wet prom.

04/05/1999 pub.

04/06/1999 numac 1999003329 bron ministerie van financien Wet houdende fiscale en andere bepalingen type wet prom.

04/05/1999 pub.

12/06/1999 numac 1999003331 bron ministerie van financien Wet houdende diverse fiscale bepalingen type wet prom.

04/05/1999 pub.

29/05/1999 numac 1999003343 bron ministerie van financien Wet houdende bepalingen inzake accijnzen sluiten3, wordt de volgende wijziging aangebracht : In § 1, 2°, a), worden de woorden « een verwijlintrest van 12 % 's jaars », vervangen door de woorden « een verwijlintrest, vastgesteld bij koninklijk besluit, welke niet hoger mag zijn dan de wettelijke rentevoet; ».

Art. 116

In artikel 13, § 1, 1°, van het koninklijk besluit van 18 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de ontbinding van de Regie voor Maritiem Transport ter uitvoering van artikel 3, § 1, 6°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, worden de woorden « van en naar België » vervangen door de woorden « van en naar een lidstaat van de Europese Unie »

Art. 117

Artikel 113 heeft uitwerking met ingang van 26 februari 1997, artikel 114 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1997, artikel 115 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1996 en artikel 116 heeft uitwerking met ingang van 26 februari 1997. HOOFDSTUK VI. - Sociaal statuut van de niet beschermde lokale mandatarissen - gemeentewet Art. 118 Artikel 19, § 4, van de nieuwe gemeentewet, ingevoegd bij de wet van 4 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.

04/05/1999 pub.

04/06/1999 numac 1999003329 bron ministerie van financien Wet houdende fiscale en andere bepalingen type wet prom.

04/05/1999 pub.

12/06/1999 numac 1999003331 bron ministerie van financien Wet houdende diverse fiscale bepalingen type wet prom.

04/05/1999 pub.

29/05/1999 numac 1999003343 bron ministerie van financien Wet houdende bepalingen inzake accijnzen sluiten, wordt vervangen door de volgende bepaling : « § 4. Indien de burgemeesters en schepenen niet zijn onderworpen aan de wet van 27 juni 1969Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/02/1998 pub.

19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten4 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944Relevante gevonden documenten type wet prom.

04/05/1999 pub.

04/06/1999 numac 1999003329 bron ministerie van financien Wet houdende fiscale en andere bepalingen type wet prom.

04/05/1999 pub.

12/06/1999 numac 1999003331 bron ministerie van financien Wet houdende diverse fiscale bepalingen type wet prom.

04/05/1999 pub.

29/05/1999 numac 1999003343 bron ministerie van financien Wet houdende bepalingen inzake accijnzen sluiten4 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ingevolge hun activiteit als werknemer of aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen ingevolge hun activiteit als zelfstandigen, en indien ze zonder de toepassing van de huidige bepaling enkel prestaties inzake geneeskundige verzorging zouden genieten mits betaling van bijkomende persoonlijke bijdragen, worden ze door de gemeente onderworpen aan de regelingen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, werkloosheidsuitkeringen en de gezinsbijslag bedoeld bij artikel 5, a), b), e) en f), van voornoemde wet van 27 juni 1969Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/02/1998 pub.

19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten4.

De werknemers en werkgeversbijdragen bedoeld bij artikel 38, § 2, 2°, 3°, en 4° en § 3, 2°, 3°, 4° en 5° van de wet van 29 juni 1981Relevante gevonden documenten type wet prom.

13/02/1998 pub.

19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten6 berekend op het bedrag van hun volledige wedde worden aangegeven en betaald aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten.

Indien de burgemeesters en de schepenen alsmede de gewezen burgemeesters en schepenen na de beëindiging van hun politiek mandaat enkel prestaties krachtens de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging zouden genieten dan met toepassing van het artikel 32, 15° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, neemt de gemeente waar ze laatst dit mandaat hebben uitgeoefend de krachtens die bepaling verschuldigde persoonlijke bijdragen ten laste.

De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de uitvoeringsmodaliteiten van deze bepaling. ».

Art. 119Artikel 4 van de arbeidsongevallen

wet van 10 april 1971Relevante gevonden documenten type wet prom.

06/08/1993 pub.

18/12/1998 numac 1998015163 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Verdrag nr. 148 betreffende de bescherming van de werknemers tegen beroepsrisico's op de werkplaatsen als gevolg van luchtverontreiniging, lawaai en trillingen, aangenomen te Genève op 20 juni 1977 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar drieënzestigste zitting type wet prom.

06/08/1993 pub.

04/06/2015 numac 2015000253 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende goedkeuring en uitvoering van het Internationaal Verdrag ter oprichting van een internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, opgemaakt te Brussel op 18 december 1971, en houdende uitvoering van de Protocollen bij dit Verdrag, opgemaakt te Londen op 27 november 1992 en 16 mei 2003. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten7 wordt aangevuld als volgt : « 4° de lokale verkozenen bedoeld in artikel 19, § 4, van de nieuwe gemeentewet. ».

Art. 120

Artikel 2, § 1, van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, wordt aangevuld als volgt : « d) de lokale verkozenen bedoeld in artikel 19, § 4, van de nieuwe gemeentewet. »

Art. 121Artikel 1, § 2, eerste lid, van de

wet van 1 augustus 1985Relevante gevonden documenten type wet prom.

07/08/1974 pub.

28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten1 houdende sociale bepalingen, vervangen bij het koninklijk besluit nr. 502 van 31 december 1986 en gewijzigd bij de wet van 20 juli 1991 wordt aangevuld als volgt : « 7° de bijdragen verschuldigd krachtens artikel 19, § 4, van de nieuwe gemeentewet. ».

Art. 122Artikel 32 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, laatst gewijzigd bij de

wet van 25 april 1997Relevante gevonden documenten type wet prom.

25/04/1997 pub.

16/12/1997 numac 1997015212 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Document waarover de partijen bij het Verdrag van 19 november 1990 inzake conventionele strijdkrachten in Europa overeenstemming hebben bereikt, gedaan te Wenen op 31 mei 1996 sluiten, wordt aangevuld als volgt : « 21° de lokale gekozenen bedoeld bij artikel 19, § 4, van de nieuwe gemeentewet. ».

Art. 123 De artikelen 118 tot 122 treden in werking bij de eerstvolgende algehele vernieuwing van de gemeenteraden, behalve het bij artikel 118 ingevoegde artikel 19, § 4, derde lid van de nieuwe gemeentewet dat in werking treedt met ingang van 1 januari 2000.

TITEL IX. - Diverse sociale bepalingen HOOFDSTUK I. - Wet op de ziekenhuizen Art. 124 In artikel 38 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, vervalt het woord « eensluidend ».

Art. 125

Artikel 86, tweede lid, van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling : « De in het eerste lid bedoelde gegevens die verband houden met de medische activiteiten mogen geen gegevens bevatten die de natuurlijke persoon waarop ze betrekking hebben rechtstreeks identificeren. Er mogen geen handelingen worden verricht die erop gericht zijn om deze gegevens in verband te brengen met de geïdentificeerde natuurlijke persoon waarop ze betrekking hebben, tenzij deze nodig zijn om de ambtenaren of de beambten aangewezen in artikel 115 de waarachtigheid van de medegedeelde gegevens te laten nagaan. ». HOOFDSTUK II. - Responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid Art. 126 In artikel 19, § 2, van het koninklijk besluit van 3 april 1997Relevante gevonden documenten type wet prom.

22/02/1998 pub.

03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.

22/02/1998 pub.

03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen sluiten1 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modemisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels worden de woorden « evenals de graden en rangen die de statutaire ambtenaren die titularis zijn van deze functie kunnen bekleden » geschrapt.

Art. 127

In artikel 21, § 2, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « in werking mits de opname van verwijzingen naar de wijzigende bepalingen in hun statuut overeenkomstig § 1 » worden vervangen door de woorden « van rechtswege in werking tenzij in deze wijzigingen zelf anders wordt bepaald »;2° de paragraaf wordt aangevuld met de volgende leden : « Deze wijzigingen kunnen in afwijkende regelingen voorzien wat de personeelsleden van openbare instellingen van sociale zekerheid betreft. De hiervoor bedoelde wijzigingen, alsook de eventuele afwijkende regelingen daarop, worden met de representatieve vakbonden onderhandeld in een gezamenlijke vergadering van het Comité voor de federale, gemeenschaps- en gewestelijke overheidsdiensten en het voor de openbare instellingen van sociale zekerheid bevoegde Sectorcomité. »

Art. 128

In artikel 21, § 3, van hetzelfde besluit, worden tussen de woorden « en elke wijziging ervan » en de woorden « wordt door de voogdijminister » de woorden « met inbegrip van de wijzigingen bedoeld in § 2 » ingevoegd. HOOFDSTUK III. - Wijzigingen aan de wet van 6 augustus 1990Relevante gevonden documenten type wet prom.

07/08/1974 pub.

28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten6 betreffende de ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen Art. 129 In artikel 2 van de wet van 6 augustus 1990Relevante gevonden documenten type wet prom.

07/08/1974 pub.

28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten6 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, gewijzigd bij de wet van 20 juli 1991, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 2, wordt het woord « minimum » elke keer vervangen door het woord « minimaal »;2° in § 3, worden de woorden « bedoeld in artikel 2, f), en 22, eerste lid, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering » vervangen door de woorden « bedoeld in artikelen 2, k), en 33, eerste lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 ». Art. 130 In artikel 3 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid, a), worden de woorden « de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, geregeld bij de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering » vervangen door de woorden « de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, geregeld bij de voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994Relevante gevonden documenten type wet prom.

07/08/1974 pub.

28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten9 »;2° in het tweede lid, worden de woorden « de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering » vervangen door de woorden « de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen ». Art. 131 Artikel 4bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd : « Art. 4bis.Een ziekenfonds mag een dienst bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), enkel inrichten op voorwaarde dat het vooraf met het oog hierop de goedkeuring van de raad van bestuur van de landsbond waarbij het is aangesloten, heeft verkregen. ».

Art. 132

Artikel 5 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 5.§ 1. De algemene vergadering van een ziekenfonds kan, met inachtneming van de regels inzake statutenwijzigingen zoals bedoeld in artikel 10, beslissen naar een andere landsbond over te gaan, voorzover deze laatste akkoord gaat. § 2. De aanvraag om goedkeuring, door de controledienst, van de mutatie moet tijdens het eerste semester van het burgerlijk jaar worden ingediend De controledienst spreekt zich uit binnen een maximale termijn van drie maanden volgend op de datum waarop de aanvraag om goedkeuring aan hem is overgezonden. Bij gebrek aan beslissing binnen deze termijn wordt de mutatie geacht te zijn goedgekeurd.

De beslissing van de controledienst dient te worden gemotiveerd en overgezonden aan het ziekenfonds en de betrokken landsbonden binnen dertig kalenderdagen volgend op de beslissing. Bij gebrek aan kennisgeving binnen de termijn, wordt de mutatie geacht te zijn goedgekeurd. § 3. De controledienst bepaalt de vorm van de documenten en de inlichtingen die door het betrokken ziekenfonds, op straffe van onontvankelijkheid, dienen te worden overgezonden tot staving van de aanvraag tot goedkeuring van de mutatie.

Alvorens zich uit te spreken raadpleegt de controledienst de betrokken landsbonden en kan, met het oog op de vrijwaring van de rechten van de leden en de personen te hunnen laste zowel van het betrokken ziekenfonds als van andere ziekenfondsen die hierbij een direct of indirect belang hebben, voorwaarden aan de mutatie verbinden, zoals inzonderheid de voorafgaande vereffening van alle schulden of andere verplichtingen tegenover de landsbond die het ziekenfonds wil verlaten. § 4. Het ziekenfonds stelt binnen een termijn van één maand vanaf de ontvangst van de goedkeuring door de controledienst zijn leden in kennis, enerzijds, van de beslissing tot mutatie naar een andere landsbond en anderzijds, van de mogelijkheid om zich individueel in te schrijven bij een ander ziekenfonds en de formaliteiten die daartoe dienen te worden vervuld. § 5. De mutatie van het ziekenfonds kan enkel uitwerking hebben op 1 januari volgend op de datum van de goedkeuring door de controledienst.

De goedkeuring van de mutatie wordt op initiatief van de controledienst bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de beslissing tot goedkeuring. ».

Art. 133

Artikel 6 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 6.§ 1. De landsbonden van ziekenfondsen, hierna « landsbonden », genoemd, zijn verenigingen van ten minste vijf ziekenfondsen met hetzelfde streefdoel als dat bedoeld in artikel 2 en met dezelfde opdrachten als die bepaald in artikel 3 en die, krachtens de voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994Relevante gevonden documenten type wet prom.

07/08/1974 pub.

28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten9, gemachtigd zijn, als verzekeringsinstellingen, mee te werken aan de uitvoering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. § 2. Wanneer de controledienst vaststelt dat een landsbond niet meer voldoet aan de voorwaarde van het minimaal aantal aangesloten ziekenfondsen, kan hij de landsbond bevelen, binnen een door hem bepaalde termijn die in geen geval zes maanden mag overschrijden, de toestand te regulariseren. Deze termijn loopt vanaf de datum van kennisgeving van de beslissing aan de landsbond.

Indien bij het verstrijken van de door de controledienst vastgestelde termijn de landsbond nog steeds niet aan de in § 1 vastgestelde voorwaarde voldoet, wordt deze van rechtswege ontbonden op de datum vastgesteld door de controledienst. Artikel 47, § 1, tweede en derde lid, is alsdan van toepassing. § 3. De ziekenfondsen die bij de voornoemde landsbond aangesloten zijn, worden in kennis gesteld van de ontbinding door de controledienst. § 4. De algemene vergadering van elk betrokken ziekenfonds kan, met inachtneming van de in deze wet bedoelde regels, beslissen tot ofwel de vrijwillige ontbinding, ofwel de mutatie naar een andere landsbond.

In geval van mutatie naar een andere landsbond zijn de bepalingen van artikel 5 van toepassing.

In geval van vrijwillige ontbinding zijn de artikelen 45, 46 en 48 van toepassing. § 5. Bij gebrek aan beslissing van de algemene vergadering van een aangesloten ziekenfonds op de datum van de ontbinding vastgesteld door de controledienst, wordt het ziekenfonds van rechtswege ontbonden op de datum vastgesteld door de controledienst. Artikel 47, § 1, tweede en derde lid, is alsdan van toepassing.

Onmiddellijk na de ontvangst van de beslissing waarbij de controledienst de ontbinding van rechtswege uitspreekt, moet het ziekenfonds zijn leden inlichten omtrent de verplichting tot aansluiting opgelegd door de voomoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994Relevante gevonden documenten type wet prom.

07/08/1974 pub.

28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten9, alsmede omtrent de formaliteiten die daartoe vóór de datum bedoeld in het eerste lid dienen te worden vervuld. § 6. De maatschappijen van onderlinge bijstand, opgericht in uitvoering van artikel 43bis door de ziekenfondsen aangesloten bij de ontbonden landsbond, worden van rechtswege ontbonden op de datum bepaald door de controledienst, behalve wanneer al de aangesloten ziekenfondsen naar dezelfde landsbond muteren. Artikel 47, § 1, tweede en derde lid, is van toepassing. ».

Art. 134

In artikel 7 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1, eerste lid, worden de woorden « krachtens voornoemde wet van 9 augustus 1963 » vervangen door de woorden « krachtens voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994Relevante gevonden documenten type wet prom.

07/08/1974 pub.

28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken

Verder lezen ↓

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.