← België

Wet houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen

Kort samengevat

Deze wet regelt diverse sociale, budgettaire en andere bepalingen, met een focus op de pensioenen in de openbare sector. Het introduceert complementen op rustpensioenen en past regels aan betreffende verlof en de berekening van pensioenen.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
12 AUGUSTUS 2000. - Wet houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL I. - Algemene bepaling Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. TITEL II. - Pensioenen HOOFDSTUK I. - Maatregelen inzake pensioenen in de openbare sector Afdeling I. - Toekenning van rustpensioencomplementen Art. 2 Deze afdeling is van toepassing : 1° op de rustpensioenen ten laste van de Openbare Schatkist;2° op de rustpensioenen toegekend aan het statutair personeel : a) van de provincies, alsook van de plaatselijke besturen waarop de bepalingen inzake pensioenen van de nieuwe gemeentewet toepasselijk zijn;b) van de instellingen waarop het koninklijk besluit nr.117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, van toepassing is; c) van de instellingen waarop de wet van 28 april 1958Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten5 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, van toepassing is;d) van de hiervoor nog niet bedoelde autonome overheidsbedrijven. Onderafdeling 1. - Complement voor een belastende functie Art. 3 Het nominaal bedrag van de in artikel 2 bedoelde rustpensioenen wordt verhoogd met een pensioencomplement indien het personeelslid de volgende voorwaarden vervult : a) op het ogenblik van zijn opruststelling omvat zijn loopbaan ten minste 35 jaar diensten die in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de onderscheiden pensioenen waarop het aanspraak kan maken;b) vanaf de eerste dag van de maand die volgt op zijn 49e verjaardag heeft het personeelslid diensten in een belastende functie gepresteerd waarvan de werkelijke duur die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het pensioen, overeenstemt met ten minste 10 jaar voltijdse prestaties. Om te bepalen of de in het eerste lid, a), bepaalde 35 jaar bereikt zijn, worden alle diensten en alle perioden in aanmerking genomen die aanneembaar zijn voor de berekening van de onderscheiden, uit de eigen beroepsactiviteit van het personeelslid voortvloeiende rustpensioenen, in om het even welke Belgische of buitenlandse pensioenregeling of pensioenregeling van een internationale instelling, met uitsluiting evenwel van : - de perioden die in aanmerking worden genomen ten gevolge van het bezit van een diploma of van gedane studies; - de perioden die worden geregulariseerd; - de perioden van disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst; - de perioden van verlof voor opdracht van algemeen belang; - andere perioden van loopbaanonderbreking dan die welke gratis aanneembaar zijn voor het pensioen en voor welke het personeelslid of zijn echtgenoot die onder hetzelfde dak woont, kinderbijslag ontvangen heeft voor een kind van minder dan zes jaar of werd opgenomen voor palliatieve verzorging. Om te bepalen of de in het eerste lid, b), bepaalde 10 jaar zijn bereikt, worden perioden van afwezigheid niet in aanmerking genomen, met uitzondering van de verloven met behoud van bezoldiging. Indien een personeelslid, tijdens zijn gehele loopbaan of een deel ervan, gelijktijdig rechten opent op onderscheiden pensioenen, worden die perioden enkel eenmaai in aanmerking genomen. Het in het eerste lid bedoelde complement is gelijk aan het verschil tussen enerzijds, het nominaal bedrag dat het pensioen zou hebben bereikt indien de werkelijk in een belastende functie gepresteerde diensten in aanmerking waren genomen naar rata van het tantième 1/47 per jaar, en anderzijds, het nominaal bedrag van datzelfde pensioen dat voortvloeit uit de toepassing van de normale berekeningsregels. Voor de toepassing van dit lid worden enkel de verloven met behoud van bezoldiging verkregen tijdens de uitoefening van een belastende functie, gelijkgesteld met werkelijk in die functie gepresteerde diensten. Art. 4 Als een belastende functie in de zin van artikel 3 wordt beschouwd de functie die wegens haar aard of van de omstandigheden waarin zij wordt uitgeoefend, psychisch of fysisch bijzonder zwaar en vermoeid is om gedurende veel jaren te worden uitgeoefend. Op voordracht van de minister tot wiens bevoegdheid de administratie der Pensioenen behoort, bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de belastende functies in de zin van het eerste lid. Onderafdeling 2. - Complement wegens leeftijd Art. 5 Het nominaal bedrag van de in artikel 2 bedoelde rustpensioenen, in voorkomend geval met inbegrip van het complement voor een belastende functie, wordt, voor de werkelijk gepresteerde diensten na 31 december 2000, verhoogd met een pensioencomplement waarvan het bedrag als volgt wordt vastgesteld : - 0,125 % van dit nominaal bedrag voor elke maand begrepen tussen de eerste dag van de maand die volgt op die van de 60e verjaardag van het personeelslid en de laatste dag van de maand van zijn 62e verjaardag, zonder dat het bedrag van het complement per maand werkelijk gepresteerde dienst minder dan 600 Belgische frank per jaar mag bedragen aan het spilindexcijfer 138,01; - 0,167 % van dit nominaal bedrag voor elke maand begrepen tussen de eerste dag van de maand die volgt op die van de 62e verjaardag van het personeelslid en het einde van zijn loopbaan, zonder dat het bedrag van het complement per maand werkelijk gepresteerde dienst minder dan 800 Belgische frank per jaar mag bedragen aan het spilindexcijfer 138,01. Voor de toepassing van dit artikel worden enkel de verloven met behoud van bezoldiging gelijkgesteld met werkelijk gepresteerde diensten. Indien het personeelslid, tijdens de in het eerste lid bedoelde perioden, diensten met onvolledige opdracht heeft verstrekt, worden die perioden in aanmerking genomen ten belope van het gedeelte dat de werkelijk gepresteerde diensten vertegenwoordigen in verhouding tot dezelfde diensten met volledige opdracht. Onderafdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen Art. 6 De krachtens deze afdeling toegekende rustpensioencomplementen maken integraal deel uit van het pensioen. De toekenning van de complementen mag niet tot gevolg hebben dat het pensioenbedrag de in artikel 39 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen bepaalde grenzen overschrijdt. Ze worden niet toegekend als bij de berekening van het pensioen een ander tantième dan 1/60, 1/55, 1/50 of 1/48 in aanmerking werd genomen. Voor de berekening van het rustpensioen worden de diensten en perioden waarvan de inaanmerkingneming zou verhinderen dat het complement wordt toegekend en aldus nadelig zou zijn voor betrokkene, buiten beschouwing gelaten. Afdellng II. - Weerslag inzake rustpensioenen van een verlof voorafgaand aan de opruststelling Art. 7 Deze afdeling is van toepassing op de in artikel 2 bepaalde rustpensioenen met uitzondering van de rustpensioenen toegekend met toepassing van de bij koninklijk besluit nr. 16 020 van 11 augustus 1923 samengeordende wetten op de militaire pensioenen. Art. 8 Voor de toepassing van deze afdeling dient onder « verlof voorafgaand aan de opruststelling » te worden verstaan, elke afwezigheid gedurende welke een personeelslid in een administratieve stand werd geplaatst die het toeliet om, met behoud van een bezoldiging of een wachtgeld, zijn beroepsactiviteiten definitief te verminderen of te beëindigen tijdens de periode die zijn opruststelling onmiddellijk voorafgaat, met uitsluiting van de perioden van afwezigheid ten gevolge van een stelsel van halftijdse, vervroegde uittreding bedoeld in artikel 4, § 3, van de wet van 10 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/08/1993 pub. 18/12/1998 numac 1998015163 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Verdrag nr. 148 betreffende de bescherming van de werknemers tegen beroepsrisico's op de werkplaatsen als gevolg van luchtverontreiniging, lawaai en trillingen, aangenomen te Genève op 20 juni 1977 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar drieënzestigste zitting type wet prom. 06/08/1993 pub. 04/06/2015 numac 2015000253 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende goedkeuring en uitvoering van het Internationaal Verdrag ter oprichting van een internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, opgemaakt te Brussel op 18 december 1971, en houdende uitvoering van de Protocollen bij dit Verdrag, opgemaakt te Londen op 27 november 1992 en 16 mei 2003. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten4, betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector. Art. 9 De perioden van verlof voorafgaand aan de opruststelling die zich situeren na 31 december 2009, worden noch voor het recht op het rustpensioen noch voor de berekening ervan in aanmerking genomen. Afdeling III. - Aanpassing van de wet van 13 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/05/1999 pub. 12/06/1999 numac 1999022531 bron ministerie van financien Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs type wet prom. 13/05/1999 pub. 15/09/2011 numac 2011000576 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs Art. 10 Artikel 4, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/05/1999 pub. 12/06/1999 numac 1999022531 bron ministerie van financien Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs type wet prom. 13/05/1999 pub. 15/09/2011 numac 2011000576 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs wordt aangevuld als volgt : « Dit lid is enkel toepasselijk indien de laatste graad van het gewezen personeelslid een graad is die eigen is aan het bestuurs- of onderwijzend personeel van de instellingen, scholen en afdelingen van het lager en kleuteronderwijs. ». Art. 11 Een artikel 5bis, luidend als volgt, wordt in voormelde wet van 13 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/05/1999 pub. 12/06/1999 numac 1999022531 bron ministerie van financien Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs type wet prom. 13/05/1999 pub. 15/09/2011 numac 2011000576 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten ingevoegd : « Art. 5bis.Voor de toepassing van deze wet worden andere personeelsleden van het onderwijs dan de leden van het bestuurs- of onderwijzend personeel van de instellingen, scholen en afdelingen van het lager en kleuteronderwijs, van wie de weddenschalen ook aangepast worden in het kader van de gelijkschakeling van de weddenschalen van onderwijzers en kleuteronderwijzers met die van leraar van het secundair onderwijs van de lagere graad, gelijkgesteld met voormelde personeelsleden van het lager en kleuteronderwijs. ». Afdeling IV. - Pensioenstelsel van de ombudsman van het Waalse Gewest Art. 12 De ombudsman van het Waalse Gewest geniet het pensioenstelsel bepaald in artikel 20 van de wet van 22 maart 1995 tot instelling van federale ombudsmannen. Dit pensioen is ten laste van de Openbare Schatkist. De diensten verricht als plaatsvervangend ombudsman worden gelijkgesteld met diensten als ombudsman. Afdeling V. - Validering van perioden van loopbaanonderbreking Art. 13 Artikel 75 van de wet van 21 mei 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/08/1993 pub. 18/12/1998 numac 1998015163 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Verdrag nr. 148 betreffende de bescherming van de werknemers tegen beroepsrisico's op de werkplaatsen als gevolg van luchtverontreiniging, lawaai en trillingen, aangenomen te Genève op 20 juni 1977 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar drieënzestigste zitting type wet prom. 06/08/1993 pub. 04/06/2015 numac 2015000253 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende goedkeuring en uitvoering van het Internationaal Verdrag ter oprichting van een internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, opgemaakt te Brussel op 18 december 1971, en houdende uitvoering van de Protocollen bij dit Verdrag, opgemaakt te Londen op 27 november 1992 en 16 mei 2003. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3 houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving betreffende de pensioenen van de openbare sector wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 75.In afwijking van artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit nr. 442 van 14 augustus 1986 betreffende de weerslag van sommige administratieve toestanden op de pensioenen van de personeelsleden van de overheidsdiensten, mogen de perioden of de gedeelten van perioden van loopbaanonderbreking of van vermindering van de arbeidsprestaties van voor 1 januari 1991 die, voor 20 juni 1991 en rekening houdend met de bepalingen van de artikelen 2 en 3 van voormeld besluit, zoals die luidden voor hun wijziging door de artikelen 61 en 62, niet meer voor validering in aanmerking komen, worden gevalideerd voor zover de volgende voorwaarden worden vervuld : 1° dat het personeelslid de in artikei 2, § 2, tweede lid, van voormeld koninklijk besluit bedoelde verbintenis heeft aangegaan voor 31 december 1991;2° dat de bijdragen tot validering van deze perioden of gedeelten van perioden bij de in artikel 2, § 2, eerste lid, van voormeld koninklijk besluit bedoelde macht of instelling zijn toegekomen uiteriijk op de laatste dag van de maand volgend op die gedurende dewelke de uitnodiging tot betaling door deze macht of instelling aan de betrokkene werd verzonden.». Afdeling Vl. - Pensioenstelsel van het Federaal Planbureau Art. 14 In artikel 157 van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt § 1;2° het tweede lid wordt vervangen door de volgende bepalingen : « § 2.De leden en het administratief en meesterpersoneel van het Federaal Planbureau die door deze instelling voor 1 januari 1992 werden aangeworven hetzij in de hoedanigheid van contractueel, hetzij in de hoedanigheid van statutair, en die hun werkzaamheden bij dat bureau hebben stopgezet of stopzetten om hun recht op een rustpensioen te doen gelden, genieten een pensioencomplement. Hetzelfde geldt voor de langstlevende echtgenoten en de wezen van de hiervoor bepaalde personen of van dergelijke personen die overleden zijn tijdens hun loopbaan bij dat bureau. Het bedrag van het in het eerste lid bedoelde pensioencomplement is gelijk aan het verschil tussen enerzijds het bedrag van het pensioen dat betrokkene had kunnen verkrijgen met toepassing van de wet van 28 april 1958Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten5 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, indien de diensten waarvoor hij aanspraak kan maken op een pensioen in een ander Belgisch wettelijk pensioenstelsel in aanmerking werden genomen, en anderzijds het pensioenbedrag waarop betrokkene werkelijk recht heeft met toepassing van die wet vermeerderd met het pensioenbedrag waarop hij recht heeft in het andere Belgisch wettelijk pensioenstelsel. Dit complement maakt integraal deel uit van het pensioen en is ten laste van het Federaal Planbureau. § 3. De leden en het administratief en meesterpersoneel van het Federaal Planbureau die door deze instelling voor 1 januari 1992 werden aangeworven het bij in de hoedanigheid van contractueel, het bij in de hoedanigheid van statutair, en die hun werkzaamheden bij dat bureau stopzetten vooraleer de minimumleeftijd te bereiken om hun recht op een rustpensioen te doen gelden, alsook de langstlevende echtgenoten en de wezen van de hiervoor bepaalde personen, genieten een pensioencomplement. Het bedrag van het in het eerste lid bedoelde pensioencomplement is gelijk aan het verschil tussen enerzijds het bedrag van het pensioen dat de betrokkene had kunnen verkrijgen met toepassing van de wet van 28 april 1958Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten5, indien de bij het Federaal Planbureau gepresteerde diensten waarvoor hij aanspraak kan maken op een pensioen in een ander Belgisch wettelijk pensioenstelsel in aanmerking werden genomen en anderzijds het pensioenbedrag waarop de betrokkene werkelijk recht heeft met toepassing van die wet vermeerderd met het pensioenbedrag waarop hij recht heeft in het andere Belgisch wettelijk pensioenstelsel. Dit complement maakt integraal deel uit van het pensioen en is ten laste van het Federaal Planbureau. § 4. De voor 1 januari 1992 krachtens artikel 10 van het koninklijk besluit van 24 mei 1971 houdende statuut, organisatie en werkingsmodaliteiten van het Planbureau, in dienst genomen experten die ten minste 20 jaar diensten als expert tellen en die hun loopbaan in die hoedanigheid beëindigen bij dat bureau om hun recht op een rustpensioen te doen gelden, alsook de langstlevende echtgenoten en de wezen van dergelijke experten of van experten die voor 1 januari 1992 in dienst werden genomen en die overleden zijn tijdens hun loopbaan bij dat bureau hebben, voor de periode gedurende welke zij in die hoedanigheid diensten hebben verricht, recht op een pensioencomplement. In geval van overlijden in dienstactiviteit wordt de periode begrepen tussen de datum van het overlijden en de 65e verjaardag van de expert gevoegd bij de duur van de diensten in de hoedanigheid van expert om na te gaan of de minimumduur van 20 jaar werd bereikt. Het in het eerste lid bedoelde complement is gelijk aan het verschil tussen enerzijds, het pensioen dat hun zou zijn verschuldigd indien voor de betrokken periode, de bepalingen van voormelde wet van 28 april 1958Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten5 op hen van toepassing waren en anderzijds, het bedrag van het pensioen waarop zij recht hebben voor dezelfde periode in een ander Belgisch wettelijk pensioenstelsel. Dit complement is ten laste van het Federaal Planbureau. § 5. Het in §§ 2 en 3 bedoelde pensioencomplement wordt berekend door de administratie der Pensioenen van het ministerie van Financiën. Het wordt uitbetaald door de Centrale Dienst der Vaste Uitgaven van de administratie der Thesaurie van het ministerie van Financiën. § 6. Het Federaal Planbureau dient aan de administratie der Pensioenen maandelijkse voorschotten te storten, waarvan het bedrag aan dit bureau wordt meegedeeld door deze administratie. Het bedrag van deze voorschotten, dat op ieder ogenblik kan worden aangepast, wordt vastgesteld op basis van een raming van de uitgaven die voor het jaar in kwestie voortvloeien uit de toepassing van §§ 2 en 3. Deze voorschotten moeten uiterlijk vijf werkdagen voor de datum van betaling van de voordelen waarop ze betrekking hebben, bij de administratie der Pensioenen toekomen. In het begin van ieder kalenderjaar zendt de administratie der Pensioenen aan het Federaal Planbureau een samenvattend overzicht betreffende het voorafgaande jaar dat enerzijds de voor dat jaar gestorte voorschotten vermeldt en anderzijds het totaal van de met toepassing van §§ 2 en 3 verschuldigde bedragen. Indien bijkt dat het totaal aan gestorte voorschotten lager is dan het totaal van de verschuldigde bedragen, dient het resterende saldo bij de administratie der Pensioenen toe te komen uiterlijk de laatste werkdag van de tweede maand volgend op die tijdens dewelke het nog verschuldigde bedrag werd meegedeeld. Indien blijkt dat het totaal aan gestorte voorschotten hoger is dan het totaal van de verschuldigde bedragen, wordt het overschot in mindering gebracht van een latere storting van voorschotten. ». Afdeling VII. - Inwerkingtreding Art. 15 De bepalingen van deze titel hebben uitwerking met ingang van 1 juli 2000, met uitzondering van : - artikel 13 dat uitwerking heeft met ingang van 1 juli 1991; - artikel 10 dat uitwerking heeft op de datum van inwerkingtreding bepaald in artikel 6 van voormelde wet van 13 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/05/1999 pub. 12/06/1999 numac 1999022531 bron ministerie van financien Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs type wet prom. 13/05/1999 pub. 15/09/2011 numac 2011000576 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten; - artikel 11 dat uitwerking heeft vanaf de datum waarop, in de betrokken gemeenschap, het verschil bepaald in artikel 82, derde lid van voommelde wet van 20 juli 1991, voor het personeel bedoeld in artikel 5bis van voormelde wet van 13 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/05/1999 pub. 12/06/1999 numac 1999022531 bron ministerie van financien Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs type wet prom. 13/05/1999 pub. 15/09/2011 numac 2011000576 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten, zal zijn teruggebracht tot een bedrag dat kleiner is dan 100 000 Belgische frank per jaar aan het spilindexcijfer 138,01; - artikel 14, 3° dat in werking treedt de eerste dag van de derde maand volgend op die tijdens dewelke deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt; - afdeling I die in werking treedt op 1 januari 2001. HOOFDSTUK II. - Maatregelen inzake pensioenen in het stelsel van de werknemers Afdeling I. - Betaling van de ouderdoms- en weduwerenten Art. 16 Een artikel 9ter luidend als volgt wordt in de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, ingevoegd. « De rente die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2001 ingaat, wordt, niettegenstaande alle andersluidende bepalingen, uitbetaald door een enige storting gelijk aan de contante waarde van die rente. ». Art. 17 De Koning stelt de toepassingsmodaliteiten van het artikel 16 vast en bepaalt het tijdstip waarop het kapitaal wordt uitbetaald. Art. 18 De artikelen 16 en 17 treden in werking op 1 januari 2001. Afdeling II. - Vertegenwoordiging en verschijning in rechte van de Rijksdienst voor pensioenen Art. 19 Het zesde en het zevende lid van artikel 49 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers worden vervangen door één lid, luidend als volgt : « De administrateur-generaal vertegenwoordigt de instelling in de gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen en treedt geldig in haar naam en voor haar rekening op, zonder dat hij zulks door een beslissing van het beheerscomité moet staven. Hij mag nochtans, met de instemming van het beheerscomité, zijn bevoegdheid om de instelling te vertegenwoordigen voor de gewone en de administratieve gerechten aan één of meer leden van het personeel overdragen. ». Art. 20 Het artikel 19 heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2000. HOOFDSTUK lll. - Maatregelen inzake pensioenen in het stelsel der zelfstandigen Art. 21 Artikel 35 van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, opgeheven bij de wet van 9 juni 1970, wordt hersteld in de volgende lezing : « Teneinde de pensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn te koppelen, kan de Koning, op de wijze en onder de voorwaarden die Hij vaststelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het pensioenbedrag van de door Hem bepaalde pensioenen of voor de door Hem bepaalde categorieën van gepensioneerden herwaarderen. ». Art. 22 Artikel 21 treedt in werking op 1 januari 2001. HOOFDSTUK IV. - Solidariteitsafhouding Art. 23 In artikel 68 van de wet van 30 maart 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/08/1993 pub. 18/12/1998 numac 1998015163 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Verdrag nr. 148 betreffende de bescherming van de werknemers tegen beroepsrisico's op de werkplaatsen als gevolg van luchtverontreiniging, lawaai en trillingen, aangenomen te Genève op 20 juni 1977 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar drieënzestigste zitting type wet prom. 06/08/1993 pub. 04/06/2015 numac 2015000253 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende goedkeuring en uitvoering van het Internationaal Verdrag ter oprichting van een internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, opgemaakt te Brussel op 18 december 1971, en houdende uitvoering van de Protocollen bij dit Verdrag, opgemaakt te Londen op 27 november 1992 en 16 mei 2003. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0 houdende sociale bepalingen, gewijzigd bij de wet van 21 december 1994, zoals het luidde voor zijn vervanging door artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 december 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « De wettelijke ouderdoms-, rust-, anciënniteits- en overlevingspensioenen of elk ander als zodanig geldend voordeel, alsook elk voordeel bedoeld als aanvulling van een pensioen, zelfs als dit laatste niet is verworven, en toegekend hetzij met toepassing van wettelijke, reglementaire of statutaire bepalingen, hetzij met toepassing van bepalingen voortvloeiend uit een arbeidsovereenkomst, een ondernemingsreglement, een collectieve ondernemings- of sectorale overeenkomst, zijn onderworpen aan een afhouding die varieert naargelang het totaal maandelijks brutobedrag van de verschillende hierboven bepaalde pensioenen en andere voordelen, ongeacht het feit of het periodieke of in de vorm van een kapitaal betaalde voordelen betreft, naargelang de begunstigde van deze pensioenen of andere voordelen alleenstaand is of gezinslast heeft.Worden eveneens als pensioen beschouwd de invaliditeitspensioenen van de administratieve en militaire personeelsleden, van de magistraten en van de personeelsleden van de Rechterlijke Orde en van de gerechtelijke politie bij de parketten, betaald ten laste van de Schatkist wegens bewezen diensten in Afrika. Worden eveneens bedoeld, de renten verworven door stortingen bedoeld bij de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, ongeacht de oorsprong ervan. »; 2° het vijfde lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan : a) onder « begunstigde met gezinslast », naar gelang van het geval : 1) de gehuwde begunstigde die samenwoont met zijn echtgenoot, op voorwaarde dat deze laatste geen andere beroepsinkomsten heeft dan deze voortspruitend uit toegelaten arbeid, zoals bepaald in de pensioenregeling voor werknemers, noch een sociaal voordeel geniet krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving of een als zodanig geldend voordeel krachtens een regeling van toepassing op het personeel van een instelling van internationaal publiek recht;2) de gehuwde begunstigde die gescheiden leeft van zijn echtgenoot, de ongehuwde begunstigde, de uit de echt gescheiden begunstigde of de langstlevende echtgenoot, op voorwaarde dat hij uitsluitend samenwoont met één of meer kinderen waarvan ten minste één recht geeft op kinderbijslag;b) onder « alleenstaande begunstigde », iedere andere begunstigde dan die bedoeld onder littera a). Voor de vaststelling van het maandelijks brutobedrag : a) worden de pensioenen en andere voordelen die niet maandelijks worden betaald, omgezet in maandbedragen;b) worden de in dit artikel bedoelde kapitalen omgezet in fictieve renten.Deze omzetting in een fictieve rente geschiedt door het bedrag van het kapitaal te delen door de coëfficient die, volgens de van kracht zijnde barema's inzake de omzetting in kapitaal van arbeidsongevallenrenten in de overheidssector, overeenstemt met de leeftijd van de betrokkene op de dag van de betaling van het kapitaal. Indien het kapitaal niet ineens wordt betaald, geschiedt een omzetting voor elke gedeeltelijke betaling. Wanneer het pensioen op het ogenblik van de betaling van het kapitaal nog niet is ingegaan, wordt de leeftijd van de betrokkene op het ogenblik van de betaling van het kapitaal voor de omzetting vervangen door de leeftijd op de ingangsdatum van het pensioen. Van 1 januari 1995 tot en met 30 juni 1995 wordt het bedrag van de aldus berekende fictieve rente verbonden aan de spilindex die, op de datum van de betaling van het kapitaal, werd gebruikt voor de indexering van het pensioen en gekoppeld aan de latere schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van het derde lid; c) worden de wettelijke pensioenen en de als aanvulling ervan bedoelde voordelen betaald door buitenlandse of intemationale instellingen eveneens in aanmerking genomen. Het gedeelte van de afhouding dat betrekking heeft op een wettelijk pensioen wordt ingehouden door de instelling die dat pensioen uitbetaalt. Het gedeelte van de afhouding dat betrekking heeft op voordelen bedoeld als aanvullingen van pensioenen en betaald door Belgische uitbetalingsinstellingen, wordt ingehouden op de wettelijke pensioenen overeenkomstig de volgende rangorde : 1° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de pensioenregeling voor werknemers;2° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de pensioenregeling voor zelfstandigen;3° de rust- en overlevingspensioenen beheerd door de administratie der Pensioenen;4° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;5° de rustpensioenen ten laste van de instellingen waarop het koninklijk besluit nr.117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en de regieën ingesteld door de Staat toepasselijk is; 6° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de Dienst voor Overzeese Sociale Zekerheid;7° de rust- en overlevingspensioenen, andere dan deze bedoeld in 3°, ten laste van de plaatselijke besturen of ten laste van door deze plaatselijke besturen opgerichte instellingen van openbaar nut, met inbegrip van die welke aan hun mandatarissen worden toegekend;8° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van aan de gewesten en gemeenschappen onderworpen instellingen van openbaar nut, andere dan deze bedoeld in 3°;9° de hiervoor niet opgenomen rust- en overlevingspensioenen ten laste van de machten en instellingen bedoeld in artikel 38 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen. In geval van cumulatie van pensioenen van eenzelfde rangorde, wordt het bedrag van de afhouding eerst op het grootste pensioen in mindering gebracht, zonder dat latere verhogingen van de pensioenen een wijziging van de vastgestelde volgorde tot gevolg kunnen hebben. De opbrengst van de afhoudingen wordt, met uitzondering van die verricht door de Rijksdienst voor Pensioenen, maandelijks gestort aan het Fonds voor het evenwicht van de pensioenstelsels. ». Art. 24 Artikel 23 heeft uitwerking van 1 januari 1995 tot en met 31 december 1996. TITEL III. - Geneeskundige verzorging - RIZIV HOOFDSTUK I. - SIS-kaart Art. 25 Artikel 2, vierde lid, 5°, van het koninklijk besluit van 18 december 1996 houdende maatregelen met het oog op de invoering van een sociale identiteitskaart ten behoeve van alle sociaal verzekerden, met toepassing van de artikelen 38, 40, 41 en 49 van de wet van 26 juli 1996 houdende de modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de wettelijke pensioenstelsels wordt vervangen als volgt : « 5° één of meer aanduidingen betreffende de periode van toekenning van het recht op geneeskundige verzorging in het raam van de voornoemde gecoördineerde wet; ». Art. 26 In artikel 5, tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit, wordt de eerste zin vervangen als volgt : « De natuurlijke of rechtspersonen bedoeld in artikel 2, n), van de voormelde gecoördineerde wet van 14 juli 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten9 mogen gebruik maken van de sociale identiteitskaart van de sociaal verzekerden waarmee ze in betrekking staan. ». HOOFDSTUK II. - Geneeskundige verzorging Art. 27 Artikel 25, § 2, vijfde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt vervangen als volgt : « De Koning kan voor verzekerden die zijn aangetast door specifieke zeldzame aandoeningen die een continue verzorging of een éénmalige ingreep noodzaken en die door Hem worden omschreven, de voorwaarden bepalen waarin de bevoegdheid van het college voor het verlenen van tegemoetkomingen in de kosten, wordt overgedragen aan de verzekeringsinstellingen. ». Art. 28 In artikel 28, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 25 januari 1999 en 24 december 1999, worden in de laatste zin, de woorden « Technische raden bedoeld in artikel 27, eerste lid » vervangen door de woorden « Technische raden bedoeld in de artikelen 27, eerste lid, en 29 ». Art. 29 In artikel 34, 10°, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden « bedoeld in respectievelijk de punten 7° en 8° » geschrapt en vervangen door : « en met de plaatsing in de medisch-pediatrische centra voor kinderen getroffen door een chronische ziekte bedoeld in respectievelijk de punten 7°, 8° en 9°, a). ». Art. 30 In artikel 37 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 6, eerste lid, wordt vervangen als volgt : « § 6.Voor de in artikel 34, 7°,8° en 9°, a), bedoelde verstrekkingen wordt de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging bepaald op 100 % van de honoraria en prijzen, vastgesteld door de in artikel 22, 6°, bedoelde overeenkomsten. »; 2° in § 11, gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen sluiten, wordt het eerste lid vervangen als volgt : « § 11.De tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging in de in artikel 34, 10°, bedoelde reiskosten wordt door de minister vastgesteld. ». Art. 31 Artikel 51, § 2, zesde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 24 december 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten0, wordt aangevuld met de volgende zinsnede : « en maken, vanaf 1 januari 2001, integraal deel uit van de bedingen van de overeenkomsten die, op die datum, in toepassing van artikel 49, § 4, stilzwijgend worden verlengd. ». Art. 32 Artikel 59 van dezelfde wet wordt aangevuld met de volgende leden : « Aan deze opgesplitste budgetten wordt vanaf 1 januari 2001 het bedrag toegevoegd dat overeenkomt met het opgesplitst algebraïsch verschil tussen het globaal budget van de financiële middelen en de door de verzekeringsinstellingen geboekte uitgaven voor de desbetreffende verstrekkingen van klinische biologie, vastgesteld in het tweede jaar dat voorafgaat aan het jaar waarvoor het globaal budget wordt vastgelegd. Indien deze toevoeging wordt doorgevoerd voor het gedeelte dat betrekking heeft op de verstrekkingen die worden verleend aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden, wordt geen toepassing gemaakt van de bepalingen van de artikels 61 en 62 in het jaar waarvoor het algebraïsch verschil in rekening wordt gebracht. De Koning legt, na advies van de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen, de modaliteiten vast volgens dewelke deze algebraïsche verschillen worden verrekend in de forfaitaire bedragen, bedoeld in artikel 57, § 1 en 60, § 2. Het doorvoeren van deze verrekening kan noch door één van de partijen die het akkoord heeft gesloten, noch door de individuele verstrekker die er is tot toegetreden, worden ingeroepen om dit akkoord of deze toetreding op te zeggen. ». Art. 33 Artikel 72bis, § 2, van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling : « § 2. De schrapping van een farmaceutische specialiteit van de lijst van de voor vergoeding aangenomen specialiteiten treedt in werking een jaar na de ontvangst van de aanvraag. De minister kan, na advies van de Technische Raad voor Farmaceutische Specialiteiten, rekening houdend met economische, sociale en therapeutische criteria, een eerdere datum van inwerkingtreding bepalen, op basis van een gemotiveerde aanvraag tot schrapping op kortere termijn, die terzelfder tijd wordt gestuurd naar de minister en de Technische Raad voor Farmaceutische Speciaiiteiten. De indiener van de aanvraag tot schrapping is ertoe gehouden de farmaceutische specialiteit in de bestaande terugbetaalde presentaties ter beschikking te houden tot de datum van publicatie in het Belgisch Staatsblad van de schrapping van de farmaceutische specialiteit uit de lijst van terugbetaalbare geneesmiddelen. ». Art. 34 Artikel 136, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 24 december 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten0 wordt aangevuld als volgt : « c) onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in bijzondere akkoorden, waarvan de inhoud past in het algemeen kader van de regels vastgelegd door de internationale verdragen, gesloten tussen de in artikel 2 i), n), bedoelde personen, Belgen en buitenlanders, om te komen tot een vereenvoudigde toegang tot de verstrekkingen over de grenzen, en die zijn goedgekeurd door het Verzekeringscomité en/of het Beheerscomité van de uitkeringen. ». Art. 35 Artikel 146, derde lid, van dezelfde wet, gewijzigd door de wet van 25 januari 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/01/1999 pub. 06/02/1999 numac 1999021025 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen sluiten, wordt vervangen door het volgend lid : « Het aantal geneesheren-inspecteurs wordt vastgesteld op één geneesheer per volledige schijf van 80 000 rechthebbenden, dat van de apothekers-inspecteurs bedraagt één apotheker per volledige schijf van 1 miljoen rechthebbenden. ». Art. 36 Artikel 156, vijfde lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 24 december 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten0, wordt als volgt gewijzigd : « De Beperkte Kamers kunnen enkel een beslissing nemen na de betrokkenen te hebben gehoord; wanneer zij nalaten of weigeren te verschijnen, kunnen de Beperkte Kamers rechtsgeldig beslissen; ». Art. 37 In artikel 185, § 2, tweede lid, van dezelfde wet, worden : - het 1°, gewijzigd bij de wet van 24 december 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten0, vervangen als volgt : « 1° de geneesheren-inspecteurs, de apothekers-inspecteurs en de sociaal controleurs, bedoeld in artikel 146, worden benoemd door de Koning op voorstel van de Directieraad van het Instituut. Zij worden ontslagen en afgezet door de Koning. »; - het 2°, gewijzigd bij de wetten van 22 februari 1998 en 24 december 1999, vervangen als volgt : « 2° de sociaal inspecteurs en sociaal controleurs, bedoeld in artikel 162, worden benoemd door de Koning op voorstel van de Directieraad van het Instituut. Zij worden ontslagen en afgezet door de Koning. ». Art. 38 In artikel 191, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 4 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/05/1999 pub. 04/06/1999 numac 1999003329 bron ministerie van financien Wet houdende fiscale en andere bepalingen type wet prom. 04/05/1999 pub. 12/06/1999 numac 1999003331 bron ministerie van financien Wet houdende diverse fiscale bepalingen type wet prom. 04/05/1999 pub. 29/05/1999 numac 1999003343 bron ministerie van financien Wet houdende bepalingen inzake accijnzen sluiten en gewijzigd bij de wet van 24 december 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten0, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° Het eerste lid van 15°ter wordt aangevuld met de volgende woorden : « en de voorwaarden bepaald in het voorlaatste lid van 15°ter ».2° In 15°ter wordt na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd dat luidt als volgt : « Onder de bijkomende voorwaarden bepaald in het laatste lid van 15°ter, wordt de in het eerste lid van 15°ter bedoelde aanvullende heffing voor 2000 verhoogd tot 5 % van de omzet die in 1999 is verwezenlijkt.». 3° In 15°ter wordt na het vroegere laatste lid een nieuw laatste lid toegevoegd dat luidt als volgt : « De verhoging bedoeld in artikel 191, eerste lid, 15°ter, tweede lid, is verschuldigd als bij een in Ministerraad overlegd Koninklijk Besluit wordt vastgesteld dat er op 1 oktober 2000 geen akkoord is bereikt tussen de minister van Sociale zaken en de farmaceutische industrie over de ontwikkeling en de beheersing van het budget voor geneesmiddelen.». Art. 39 Artikel 213 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 22 februari 1998 en 24 december 1999, wordt aangevuld als volgt : « § 4. Indien de toepassing van artikel 51, § 2, een wijziging van een uitvoeringsbesluit van deze wet tot gevolg heeft, geldt een bijzondere adviesprocedure. In afwijking van de bepalingen van deze wet moet over die wijzigingen alleen het advies van de Algemene Raad worden ingewonnen. ». Art. 40 In artikel 43 van de programmawet van 24 december 1993, gewijzigd bij de wetten van 21 december 1994, 29 april 1996 en 24 december 1999 worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de § 5 wordt geschrapt;2° de huidige § 4bis wordt § 5;3° in § 6, laatste lid worden de woorden « Vanaf 1999 » vervangen door de woorden « Voor de prestaties terugbetaald vanaf 1 januari 1999 »;4° in § 7 worden de woorden « § 6 van dit artikel » vervangen door de woorden « Dit artikel ». HOOFDSTUK III. - Overlegstructuur - technische cel Art. 41 In artikel 141 van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen sluiten, worden in het eerste en tweede lid de woorden « anonieme gegevens » vervangen door de woorden « gegevens waarbij geen natuurlijke persoon is geïdentificeerd ». Art. 42 In artikel 154, eerste lid, 1°, van dezelfde wet, wordt het woord « anonieme » geschrapt. Art. 43 In artikel 156 van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, gewijzigd bij de wetten van 22 februari 1998 en 24 december 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht : A) § 1 wordt vervangen door de volgende bepaling : « § 1. De technische cel heeft tot taak gegevens met betrekking tot de ziekenhuizen, zoals bedoeld in § 2, te verzamelen, te koppelen, te valideren, anoniem te maken en te analyseren. Daarnaast stelt de technische cel de gegevens ter beschikking volgens de modaliteiten beschreven in § 3. Onder anonieme gegevens wordt hier verstaan deze die niet in verband kunnen worden gebracht met een natuurlijke of rechtspersoon die is of kan worden geïdentificeerd. »; B) § 2, tweede lid, wordt aangevuld als volgt : « De aan de technische cel meegedeelde gegevens bevatten geen identificatie van natuurlijke personen. »; C) in § 2, derde lid, worden de woorden « anonieme gegevens met betrekking tot de ziekenhuizen » vervangen door de woorden « gegevens met betrekking tot de ziekenhuizen waarbij geen natuurlijke persoon is geïdentificeerd. »; D) in § 2, vierde lid, wordt het woord « anonieme » geschrapt; E) § 3 wordt vervangen door de volgende bepaling : « § 3. De technische cel zal enkel anonieme gegevens ter beschikking stellen behoudens de hiena vermelde uitzonderingen. Het ministerie en het Instituut hebben rechtstreeks toegang tot de door de technische cel anoniem gemaakte gegevens. De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, onder welke voorwaarden aan het ministerie en het Instituut gegevens kunnen worden meegedeeld door de technische cel waarbij de rechtspersoon of de zorgverlener, natuurlijke persoon, is of kan worden geïdentificeerd. Deze mededeling moet noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de wettelijke opdrachten van het ministerie en het Instituut. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op welke wijze en onder welke voorwaarden anonieme gegevens of gegevens waarbij de rechtspersoon is of kan worden geïdentificeerd, verzameld door de technische cel, aan andere personen dan die vermeld in het tweede lid kunnen worden ter beschikking gesteld, rekening houdende met de aard en de doelstelling van de aanvraag van de gegevens. In geen geval mogen aan die personen gegevens waarbij een natuurlijke persoon is of kan worden geïdentificeerd worden meegedeeld. ». TITEL IV. - Arbeidsongevallen Art. 44 In artikel 24, zesde lid, van de arbeidsongevallen wet van 10 april 1971Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/08/1993 pub. 18/12/1998 numac 1998015163 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Verdrag nr. 148 betreffende de bescherming van de werknemers tegen beroepsrisico's op de werkplaatsen als gevolg van luchtverontreiniging, lawaai en trillingen, aangenomen te Genève op 20 juni 1977 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar drieënzestigste zitting type wet prom. 06/08/1993 pub. 04/06/2015 numac 2015000253 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende goedkeuring en uitvoering van het Internationaal Verdrag ter oprichting van een internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, opgemaakt te Brussel op 18 december 1971, en houdende uitvoering van de Protocollen bij dit Verdrag, opgemaakt te Londen op 27 november 1992 en 16 mei 2003. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten7, ingevoegd bij de wet van 29 december 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten9, worden de woorden « verplegings- of verzorgingsinstelling » vervangen door de woorden « ziekenhuis zoals omschreven in artikel 2 van de bij koninklijk besluit van 7 augustus 1987 gecoördineerde wetgeving op de ziekenhuizen ». Art. 45 In artikel 24bis, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 29 december 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten9, worden de woorden « verplegings- of verzorgingsinstelling » vervangen door het woord « ziekenhuis » zoals omschreven in artikel 2 van de wet op de ziekenhuizen gecoördineerd op 7 augustus 1987. Art. 46 In artikel 38, eerste lid, van dezelfde wet wordt de tweede zin vervangen als volgt : « Wanneer tijdens de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid de minderjarige leerling meerderjarig wordt, of de leerovereenkomst een einde neemt, wordt vanaf die datum het basisloon voor de berekening van de dagelijkse vergoeding bepaald overeenkomstig het hiernavolgend lid. ». Art. 47 In artikel 47, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden « 42bis », ingevoegd bij koninklijk besluit van 16 december 1996, geschrapt. Art. 48 In artikel 48ter, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden « 42bis » ingevoegd bij koninklijk besluit van 16 december 1996, geschrapt. Art. 49 In artikel 51, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden « bij de Algemene Spaar- en Lijfrentekas of » geschrapt. Art. 50 Artikel 93 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 39 van 31 maart 1982, wordt vervangen als volgt : « Art. 93.Onverminderd de bepalingen van artikel 50bis van het Strafwetboek, zijn de werkgever, de verzekeraar of de instelling met rentedienst burgerrechterlijk aansprakelijk voor de geldboeten waartoe hun beheerders, commissarissen, directeurs, zaakvoerders, lasthebbers of aangestelden worden veroordeeld met toepassing van de voorgaande bepalingen. ». Art. 51 De Algemene Spaar- en Lijfrentekas sluit met een tot de rentedienst gemachtigde verzekeraar een overeenkomst tot overdracht van de bij haar gevestigde rentekapitalen. De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder deze overdracht plaatsvindt. De minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft, verleent goedkeuring aan de in het eerste lid bedoelde overeenkomst. De overdracht heeft uitwerking op de datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit dat goedkeuring verleent aan de in het eerste lid bedoelde overeenkomst. Ze geldt ten aanzien van alle rentegenieters en alle betrokken derden. Art. 52 Artikel 49 treedt in werking op de in artikel 51, vierde lid, bepaalde datum. TITEL V. - Kinderbijslag HOOFDSTUK I. - Regeling van rechtstreekse betaling van de kinderbijslagen door UIA, LUC, Universiteit Gent en Universitair Centrum Antwerpen en regeling kinderbijslag van niet beschermde lokale mandatarissen Art. 53 Artikel 3, 2°, van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, vervangen bij de wet van 22 december 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten1, wordt aangevuld als volgt : « alsook de Universitaire Instelling Antwerpen en het Universitair Centrum Limburg; ». Hetzelfde artikel wordt aangevuld met het volgende lid : « De gemeenten zijn eveneens aan deze wetten onderworpen voor de burgemeesters en schepenen bedoeld in artikel 19, § 4, van de nieuwe gemeentewet. ». Art. 54 In artikel 15, tweede lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 oktober 1960 en de wet van 10 juni 1998, worden de woorden « en van de werkvrouwen » geschrapt. Art. 55 In dezelfde wetten wordt een artikel 32ter ingevoegd, luidend als volgt : « Art. 32ter.De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten verleent de gezinsbijslag aan de burgemeesters en schepenen bedoeld in artikel 19, § 4, van de nieuwe gemeentewet. ». Art. 56 Artikel 42bis van dezelfde wetten, hersteld bij het koninklijk besluit nr. 131 van 30 december 1982 en gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 282 van 31 maart 1984, de wet van 1 augustus 1985Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten1, het koninklijk besluit nr. 534 van 31 maart 1987, de koninklijke besluiten van 31 maart 1987 en 16 november 1988, de wetten van 22 december 1989, 29 december 1990, 30 december 1992 en 4 mei 1999, wordt aangevuld met het volgende lid : « Voor de toepassing van het vijfde lid bepaalt de Koning de periodes, alsook hun berekeningswijze, die in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de aanvang van de periodes van zes maanden activiteit bedoeld in het vijfde lid. Hij bepaalt eveneens de periodes die deze activiteit onderbreken. ». Art. 57 Artikel 51, § 1, enig lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 22 december 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten1, wordt aangevuld als volgt : « 4° de personen bedoeld in artikel 3, tweede lid. ». Art. 58 In artikel 102, § 2, tweede lid, van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen sluiten, worden de woorden « de werkvrouwen en » geschrapt. Art. 59 De Universitaire Instelling Antwerpen en het Universitair Centrum Limburg verlenen rechtstreeks de gezinsbijslag aan hun personeelsleden voor dewelke zij niet zijn onderworpen aan de verplichting tot het betalen van de sociale zekerheidsbijdragen voor de sector gezinsbijslag voor werknemers aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Art. 60 De Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen verlenen rechtstreeks de gezinsbijslag aan hun personeelsleden voor dewelke zij niet zijn onderworpen aan de verplichting tot het betalen van de sociale zekerheidsbijdragen voor de sector gezinsbijslag voor werknemers aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Art. 61 Artikel 51, § 1, enig lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 22 december 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten1, wordt aangevuld als volgt : « 4° de personen bedoeld in artikel 3, tweede lid. ». Art. 62 Het artikel 60 heeft uitwerking met ingang van 29 juni 1991. HOOFDSTUK II. - Gewaarborgde gezinsbijslag Art. 63 In artikel 1, derde lid, van de wet van 20 juli 1971Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten2 tot instelling van de gewaarborgde gezinsbijslag, gewijzigd bij de wet van 25 januari 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/01/1999 pub. 06/02/1999 numac 1999021025 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen sluiten, wordt de tweede zin vervangen door de volgende : « Dit vermoeden kan niet worden omgekeerd om de reden dat het kind een bestaansminimum ontvangt toegekend krachtens de wet van 7 augustus 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/08/1974 pub. 28/10/1998 numac 1998000076 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum - Duitse vertaling sluiten tot instelling van het recht op een bestaansminimum. ». Art. 64 Artikel 63 heeft uitwerking met ingang van 11 februari 1998. HOOFDSTUK III. - Ambtenaren Europese Gemeenschappen, Eurocontrol en Europese scholen Art. 65 Artikel 60, § 1, van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 juli 1982, wordt aangevuld met de volgende bepalingen : « Die vermindering wordt niet toegepast indien ten behoeve van een rechtgevend kind aanspraak kan worden gemaakt op uitkeringen van dezelfde aard krachtens statutaire regelen die van toepassing zijn op de ambtenaren en andere agenten van de Europese Gemeenschappen. De Koning bepaalt de volkenrechtelijke instellingen wier statutaire regelen die op hun personeel van toepassing zijn, kunnen worden gelijkgesteld met de statutaire regelen bedoeld in het vorige lid. ». Art. 66 Artikel 65 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1993. HOOFDSTUK IV. - Discriminaties op basis van het geslacht van de partners die een huishouden vormen Art. 67 In artikel 42, § 1, derde lid, van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 april 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen sluiten2 en de wet van 14 mei 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) 1° wordt aangevuld met het volgende zinslid : « , behalve wanneer uit andere daartoe overgelegde officiële documenten blijkt dat de bijslagtrekkenden wel degelijk samenwonen, ook al stemt dat niet of niet meer overeen met de informatie verkregen van het Rijksregister. »; b) 2° wordt vervangen door de volgende bepaling : « 2° de bijslagtrekkenden moeten of …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.