← België

Decreet tot wijziging van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bro

Kort samengevat

Dit decreet wijzigt een eerder decreet uit 2006 over de bescherming van water tegen nitraatvervuiling door landbouw. Het introduceert nieuwe definities en maakt het mogelijk om aanvullende maatregelen te nemen tegen fosforvervuiling uit de landbouw.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
12 JUNI 2015. - Decreet tot wijziging van het decreet van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037097 bron vlaamse overheid Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen type decreet prom. 22/12/2006 pub. 22/01/2007 numac 2007035045 bron vlaamse overheid Decreet houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037088 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007 sluiten houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (1) Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt: Decreet tot wijziging van het decreet van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037097 bron vlaamse overheid Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen type decreet prom. 22/12/2006 pub. 22/01/2007 numac 2007035045 bron vlaamse overheid Decreet houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037088 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007 sluiten houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen. Artikel 1.Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid. Art. 2.Aan artikel 2, derde lid, van het decreet van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037097 bron vlaamse overheid Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen type decreet prom. 22/12/2006 pub. 22/01/2007 numac 2007035045 bron vlaamse overheid Decreet houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037088 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007 sluiten houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen, gewijzigd bij het decreet van 6 mei 2011Relevante gevonden documenten type decreet prom. 06/05/2011 pub. 13/05/2011 numac 2011035366 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van het Mestdecreet van 22 december 2006 sluiten, wordt de volgende zin toegevoegd: "Afhankelijk van het resultaat van de analyse, die zal worden gemaakt om de afstand tot het doel van de kaderrichtlijn Water in te schatten, kunnen er bijkomende maatregelen voor de diffuse vervuiling door fosfor uit landbouwbronnen opgenomen worden in dit decreet.". Art. 3.Artikel 3 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 12 december 2008, 19 december 2008, 23 december 2010, 6 mei 2011 en 28 februari 2014, wordt vervangen door wat volgt: "Art. 3.§ 1. Voor de toepassing van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten gelden de hierna opgenomen definities. Deze zijn thematisch gerangschikt. § 2. De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema "wetgeving en de waterkwaliteit". Het betreft de volgende definities: 1° eutrofiëring: een verrijking van het water door stikstof- of fosforverbindingen, die leidt tot een versnelde groei van algen en hogere plantaardige levensvormen met als gevolg een ongewenste verstoring van het evenwicht tussen de verschillende in het water aanwezige organismen en een verslechtering van de waterkwaliteit;2° grondwater: al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met bodem of ondergrond staat;3° kaderrichtlijn Water: de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 (2000/60/EG) tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid;4° kwetsbare zone water: een overeenkomstig artikel 3, lid 2, van de Nitraatrichtlijn aangewezen stuk land;5° Nitraatrichtlijn: de richtlijn van de Raad van 12 december 1991 (91/676/EEG) inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen;6° verordening nr.1013/2006: de verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen; 7° verordening nr.1069/2009: de verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten); 8° VHA-zone: sub-hydrografische eenheid, die de captatiezone van een waterloop of deel van een waterloop voorstelt.De ligging van de grenzen van de VHA-zones is onder andere gebaseerd op de afwatering via oppervlaktewater, reliëf en op vergelijkbare oppervlaktes van deze zones en is opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas (VHA); 9° waterverontreiniging: het direct of indirect lozen van stikstof- of fosforverbindingen uit agrarische bronnen in het aquatisch milieu ten gevolge waarvan de gezondheid van de mens in gevaar kan worden gebracht, het leven en de aquatische ecosystemen kunnen worden geschaad, de mogelijkheden tot recreatie kunnen worden aangetast of een ander rechtmatig gebruik van het water kan worden gehinderd;10° zoet water: van nature voorkomend water met een laag gehalte aan zouten, dat in veel gevallen aanvaard wordt als zijnde geschikt voor onttrekking en behandeling voor de bereiding van drinkwater. § 3. De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema "landbouwbedrijf". Het betreft de volgende definities: 1° bedrijf: bedrijf als vermeld in artikel 2, 13°, van het decreet van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037097 bron vlaamse overheid Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen type decreet prom. 22/12/2006 pub. 22/01/2007 numac 2007035045 bron vlaamse overheid Decreet houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037088 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007 sluiten tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;2° exploitant: exploitant als vermeld in artikel 2, 8°, van het decreet van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037097 bron vlaamse overheid Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen type decreet prom. 22/12/2006 pub. 22/01/2007 numac 2007035045 bron vlaamse overheid Decreet houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037088 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007 sluiten tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;3° exploitatie: exploitatie als vermeld in artikel 2, 9°, van het decreet van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037097 bron vlaamse overheid Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen type decreet prom. 22/12/2006 pub. 22/01/2007 numac 2007035045 bron vlaamse overheid Decreet houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037088 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007 sluiten tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;4° groeimedium: materiaal in vaste of vloeibare vorm niet zijnde landbouwgrond dat wordt gebruikt of bestemd is om te worden gebruikt als voedingsbodem voor planten;5° landbouwer: landbouwer als vermeld in artikel 2, 7°, van het decreet van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037097 bron vlaamse overheid Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen type decreet prom. 22/12/2006 pub. 22/01/2007 numac 2007035045 bron vlaamse overheid Decreet houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037088 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007 sluiten tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;6° landbouwgrond: landbouwgrond als vermeld in artikel 2, 12°, van het decreet van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037097 bron vlaamse overheid Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen type decreet prom. 22/12/2006 pub. 22/01/2007 numac 2007035045 bron vlaamse overheid Decreet houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037088 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007 sluiten tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;7° tot het bedrijf behorende landbouwgronden: de landbouwgronden die op 1 januari tot de exploitaties die deel uitmaken van het bedrijf behoren.De Vlaamse Regering kan, in afwijking hiervan, een ander criterium vaststellen voor het bepalen van de tot het bedrijf behorende landbouwgronden; 8° verzamelaanvraag: de verzamelaanvraag als vermeld in artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 09/02/2007 pub. 13/04/2007 numac 2007035539 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering houdende bepalingen tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid sluiten houdende bepalingen tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het mestbeleid en het landbouwbeleid. § 4. De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema "het opslaan, verwerken, bewerken en verhandelen van mest". Het betreft de volgende definities: 1° bewerken: het behandelen van dierlijke mest of andere meststoffen, waarna de nutriënten vervat in de dierlijke mest of andere meststoffen op Vlaamse landbouwgrond worden opgebracht;2° bewerkingseenheid: een inrichting waar dierlijke mest of andere meststoffen bewerkt wordt;3° erkende mestvoerder: een door de Mestbank erkende mestvoerder als vermeld in artikel 48, § 1;4° erkend verzender: een door de Mestbank erkende aanbieder van meststoffen als vermeld in artikel 60;5° exporteren: dierlijke mest of andere meststoffen vervoeren naar een bestemming buiten het Vlaamse Gewest;6° mestverzamelpunt: permanente opslagplaats van dierlijke mest of andere meststoffen afkomstig van verschillende landbouwers of uitbatingen en bestemd voor verschillende landbouwers of uitbatingen;7° mestvoerder: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die dierlijke mest of andere meststoffen vervoert;8° producent van andere meststoffen: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die andere meststoffen produceert;9° verhandelen: het afleveren van meststoffen aan een mestvoerder, aan een uitbater van een mestverzamelpunt, aan een uitbater van een bewerkings- of verwerkingseenheid of aan een landbouwer, alsmede het met het oog daarop aanbieden of vervoeren ervan;10° verwerken: a) het exporteren van pluimveemest of paardenmest;b) het exporteren van andere dierlijke mest dan pluimveemest of paardenmest, op basis van een expliciete en voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit van het land of de regio van bestemming;c) het behandelen van dierlijke mest of andere meststoffen, waarna de stikstof en de fosfor, die aanwezig is in de dierlijke mest of in de andere meststoffen, een van de volgende behandelingen ondergaat: 1) de stikstof wordt niet opgebracht op landbouwgrond in het Vlaamse Gewest, behalve in tuinen, parken en plantsoenen;2) de stikstof wordt behandeld tot stikstofgas;3) de stikstof wordt behandeld tot kunstmest;11° verwerkingseenheid: een inrichting waar dierlijke mest of andere meststoffen verwerkt wordt. § 5. De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema "de meststoffen en de wijze van toediening van meststoffen". Het betreft de volgende definities: 1° andere meststoffen: alle meststoffen die noch kunstmest, noch dierlijke mest zijn.Deze meststoffen omvatten onder meer spuistroom en zuiveringsslib; 2° arm aan ammoniakale stikstof: een gehalte aan ammoniakale stikstof dat lager is dan 20 % van het totale stikstofgehalte van de meststof;3° boerderijcompost: product ontstaan uit een composteringsproces dat op het bedrijf plaatsvindt waarbij bedrijfseigen organische restproducten al dan niet vermengd met stalmest gecomposteerd worden. De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden bepalen waaraan een meststof moet voldoen om als boerderijcompost beschouwd te worden; 4° champost: afgeoogste champignoncompost die overblijft na het telen van champignons;5° dierlijke mest: excrementen van vee of een mengsel van strooisel en excrementen van vee, alsook producten daarvan, met inbegrip van champost en van afval van visteeltbedrijven;6° drainwater: overtollig voedingswater afkomstig van de teelt van planten op groeimediums;7° drassig land: een plaats waar de grond op het ogenblik van de bemesting op minder dan twintig centimeter onder het maaiveld met water verzadigd is;8° effluenten: meststoffen, met een droge stofgehalte van maximaal 2 %, die ontstaan zijn uit de biologische behandeling door middel van nitrificatie of denitrificatie van dierlijke mest of andere meststoffen;9° gecertificeerde gft- en groencompost: gft- of groencompost die beschikt over een VLACO-keuringsattest of waarvan aangetoond wordt dat de kwaliteit gelijkwaardig is aan de kwaliteit van gft- of groencompost die beschikt over een VLACO-keuringsattest.De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen aangaande de wijze waarop aangetoond kan worden dat de kwaliteit van gft- of groencompost gelijkwaardig is aan de kwaliteit van gft- of groencompost die beschikt over een VLACO-keuringsattest; 10° inwerken van mest: de werkzaamheid waarbij mest na het uitspreiden ervan ofwel door grond wordt bedekt ofwel intensief met de grond wordt vermengd zodat de mest niet langer als zodanig op de grondoppervlakte ligt;11° kunstmest: elke met een industrieel proces vervaardigde meststof, met inbegrip van het (NH4)2 SO4 uit spuiwater;12° meststof: elke één of meer stikstof- of fosforverbindingen bevattende stof die op het land wordt gebruikt ter bevordering van de gewasgroei, met inbegrip van dierlijke mest, afval van visteeltbedrijven en zuiveringsslib;13° meststoffen type 1: stalmest, champost of traagwerkende meststof;14° meststoffen type 2: alle meststoffen andere dan meststoffen type 1 of meststoffen type 3;15° meststoffen type 3: alle mestsoorten, vermeld in tabel 1, in 27°, met 100 % werkzame stikstof;16° op of in de bodem brengen: het toevoegen van meststoffen aan het land door verspreiding op het bodemoppervlak, injectie in de bodem, onderwerken of vermenging met de oppervlaktelagen;17° spuistroom: drainwater dat niet hergebruikt wordt als voedingswater;18° spuiwater: vloeistof die niet hergebruikt wordt als waswater in een luchtwassysteem dat lucht reinigt van de aanwezige ammoniak (NH3) die ontstaat in een stal, of bij verwerking of bewerking van dierlijke mest;19° stalmest: mengsel van stro en uitwerpselen van runderen, paarden, schapen, geiten of varkens, met een drogestofgehalte van het mengsel van minimum 20 %, en waarbij het mengsel als vaste mest is ontstaan door het huisvesten van deze dieren in ingestrooide stallen of door het bewerken van dierlijke mest met stro.Mengsels met uitwerpselen van pluimvee worden niet beschouwd als stalmest, ongeacht het drogestofgehalte of de ontstaanswijze; 20° steile helling: landbouwgronden met een gemiddeld stijgingspercentage van meer dan 8 %;21° stikstofverbinding: elke stikstof bevattende stof, uitgezonderd gasvormige moleculaire stikstof;22° traagwerkende meststoffen: gft- en groencompost of bewerkte dierlijke mest en andere meststoffen die stikstof in dusdanige vorm bevatten dat slechts een beperkt gedeelte van de totale stikstof vrijkomt in het jaar van opbrenging.De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast om te bepalen welke meststoffen als traagwerkende meststof beschouwd worden en aangaande de wijze waarop aangetoond wordt dat een meststof een traagwerkende meststof is; 23° vaste andere meststoffen: gecertificeerde gft- en groencompost en andere meststoffen met een drogestofgehalte van minimum 20 %;24° vaste dierlijke mest: champost, stalmest, vaste fractie na het scheiden van dierlijke mest of dierlijke mest met een drogestofgehalte van minimum 20 %;25° vloeibare andere meststoffen: andere meststoffen die geen vaste andere meststoffen zijn;26° vloeibare dierlijke mest: dierlijke mest die geen vaste dierlijke mest is en geen dierlijke mest is die is opgebracht door bemesting door begrazing van vee;27° werkzame stikstof: stikstof onder de vorm van nitraatstikstof of ammoniumstikstof of snel vrijkomende organische stikstof.Voor het bepalen hoeveel nutriënten, uitgedrukt in kg werkzame N, een meststof bevat, moet de totale inhoud aan stikstof van de meststof in kwestie vermenigvuldigd worden met het overeenkomstige percentage werkzame stikstof ten opzichte van de totale inhoud aan stikstof. Het overeenkomstige percentage werkzame stikstof ten opzichte van de totale inhoud aan stikstof is vermeld in tabel 1, met dien verstande dat voor traagwerkende meststoffen andere dan gecertificeerde gft- en groencompost, het percentage werkzame stikstof ten opzichte van de totale inhoud aan stikstof, 30 % is. Tabel 1. Percentages werkzame stikstof volgens mestsoort Mestsoort Percentage werkzame stikstof ten opzichte van de totale inhoud aan stikstof Kunstmest, spuistroom en effluenten 100 % Vloeibare dierlijke mest en andere meststoffen uitgezonderd: 1° spuistroom; 2° effluenten. 60 % Vaste dierlijke mest en boerderijcompost 30 % Bemesting door begrazing van vee 20 % Gecertificeerde gft- en groencompost 15 % § 6. De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema "de verschillende soorten teelten en bemesting". Het betreft de volgende definities: 1° akkers: landbouwgronden, die geen grasland zijn en gebruikt worden voor land- of tuinbouwteelten in ruime zin zoals akkerbouw, fruitteelt, groententeelt, sierteelt of graszodenteelt;2° blijvende teelt: een blijvende teelt als vermeld in artikel 4, eerste lid, g), van verordening nr.1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad; 3° braak: spontane bedekking of niet ingezaaide akkers;4° fosfaatverzadigingsgraad: de hoeveelheid oxalaat extraheerbaar fosfaat in een bodem, uitgedrukt als percentueel aandeel van het fosfaatbindend vermogen;5° graslanden Hp*, Hpr*, Hpr+Da, Hr: de volgende gras- en weilanden: a) Hp*: soortenrijk permanent cultuurgrasland;b) Hpr*: soortenrijk weiland roet veel sloten en/of microreliëf;c) Hpr+Da: zilte graslanden met in de depressies vegetaties gebonden aan zilte invloed;d) Hr: geruderaliseerd, verlaten mesofiel grasland;6° graslanden Hpr*+Da: de soortenrijk zilte graslanden met veel sloten en/of microreliëf en met in de depressies vegetaties gebonden aan zilte invloed;7° graslanden Hpr* met elementen van Mr, Mc, Hu, Hc: soortenrijk weiland met veel sloten en/of microreliëf met elementen van moerassige vegetaties of halfnatuurlijke graslanden;8° groenten van groep I: bloemkool, groene selder, witte kool, boerenkool, spitskool, prei, broccoli, romanescokool, rodekool, savooikool, artisjok, Chinese kool, rabarber, bladselder of andere kolen met uitzondering van voederkool en spruitkool.De Vlaamse Regering kan deze lijst aanvullen; 9° groenten van groep II: spinazie, courgettes, sla, knolselder, peterselie, bieslook, basilicum, augurken, pompoenen, knolvenkel, koolrabi, paksoi, of andere groenten die niet vallen onder een teeltgroep, andere dan groenten van groep II, vermeld in de tabel in artikel 13, § 2, eerste lid.De Vlaamse Regering kan deze lijst aanvullen; 10° groenten van groep III: wortelen, rapen, koolraap, rode biet, pastinaak, rammenas met uitzondering van bladrammenas, radijs, mierikswortel, schorseneren, wortelpeterselie, asperges, erwten, bonen, dille, kervel, tijm, of andere kruiden met uitzondering van peterselie, bieslook en basilicum.De Vlaamse Regering kan deze lijst wijzigen; 11° halfnatuurlijke graslanden: de volgende graslanden: a) Ha: struisgrasvegetatie op zure bodem of graslanden van droge, zeer voedselarme zure gronden;b) Hc: vochtig, niet tot weinig bemest grasland, genoemd "dotterbloemhooilanden";c) Hd: kalkrijk duingrasland;d) Hf: natte ruigte met moerasspirea;e) Hj: vochtige tot natte graslanden met hoge abundantie van Juncus spec;f) Hk: kalkgrasland of grasland van droge, mineralenrijke maar stikstof- en fosforarme gronden;g) Hm: onbemest, vochtig pijpestrootjesgrasland, genoemd "blauwgraslanden", vochtige tot venige graslanden van zeer voedselarme zandgronden;h) Hn: zure borstelgrasvegetatie of heischrale graslanden;i) Hu: mesofiel hooiland;j) Hv: zinkgrasland;12° hoofdteelt: de teelt die op 31 mei van een jaar op het perceel aanwezig is of in afwezigheid van een teelt op deze datum, de eerstvolgende teelt die op het perceel wordt ingezaaid;13° huiskavel: kadastraal perceel of kadastrale percelen gelegen in de gebieden, bedoeld in artikel 41bis in zoverre tot het bedrijf behorend of die ofwel behoren bij de vergunde woning ofwel behoren bij de stal of stallen van het bedrijf en met de vergunde woning, stal of stallen een ononderbroken ruimtelijk geheel vormen.De begrenzing van de huiskavel vindt plaats op basis van een duidelijk herkenbaar specifiek gebruik of op basis van een in het landschap duidelijk herkenbaar element; 14° intensief grasland: grasland dat niet valt onder de definities, bedoeld in 5°, 6°, 7°, 11° en 19° ;15° maïs voorafgegaan door een snede gras of door een snede snijrogge: een teeltcombinatie waarbij op hetzelfde perceel in hetzelfde jaar een hoofdteelt maïs voorafgegaan wordt door een voorteelt grasland dat enkel gemaaid wordt of een voorteelt snijrogge.De voorteelt grasland dat enkel gemaaid wordt mag niet vóór 1 april gemaaid worden. De voorteelt snijrogge, mag niet vóór 15 maart geoogst worden. Het gemaaide gras of de geoogste snijrogge moet vervolgens van het perceel verwijderd worden; 16° nateelt: de teelt die na de hoofdteelt op hetzelfde perceel en in hetzelfde jaar verbouwd wordt;17° nitraatresidudrempelwaarde: de nitraatresidudrempelwaarde als vermeld in artikel 14, § 1, tweede lid;18° plantbeschikbare fosfaat: de hoeveelheid fosfaat extraheerbaar met een gebufferde oplossing van ammoniumlactaatazijnzuur, uitgedrukt in mg P per 100 g luchtdroge grond; 19° potentieel belangrijke graslanden: de volgende graslanden: a) Hp+K: cultuurgrasland met waardevolle kleine landschapselementen in de grasland-, moeras- of waterrijke sfeer, b.v. Hp+Mr, Hp+Kn, Hp+Hc, Hp+K(Ae), Hp+K(Hc), Hp+K(Mr); b) Hp+ fauna: overdruk;c) Hp-graslanden op lemige en kleiige, relatief vochtige bodems in valleien met een hoge ecologische prioriteit (Hpriv);d) Hpr: weilandcomplex met veel sloten en/of microreliëf;20° specifieke teelt: fruit, sierteelt of boomkweek, aardbeien, groenten van groep I, groenten van groep II, groenten van groep III, spruitkool of graszoden.De Vlaamse Regering kan deze lijst wijzigen; 21° teelt met lage stikstofbehoefte: cichorei, sjalotten, ui, vlas, witloof of fruit met uitzondering van aardbeien.De Vlaamse Regering kan deze lijst aanvullen; 22° vanggewas: een groenbedekker uit de teeltenlijst, zoals van toepassing in het gemeenschappelijk landbouwbeleid, die niet-vlinderbloemig is, een mengsel van dergelijke groenbedekkers of een mengsel van gras en klaver.De Vlaamse Regering kan deze teeltenlijst wijzigen en nadere regels bepalen; 23° voorteelt: de teelt die vóór de hoofdteelt op hetzelfde perceel en in hetzelfde jaar verbouwd wordt. § 7. De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema "de bodemeigenschappen". Het betreft de volgende definities: 1° landbouwstreek: landbouwstreek als vermeld in het koninklijk besluit van 24 februari 1951 houdende grensbepaling van de landbouwstreken van het Rijk;2° textuurklasse P: textuurklasse Licht Zandleem als vermeld in de Belgische textuurdriehoek;3° textuurklasse S: textuurklasse Lemig Zand als vermeld in de Belgische textuurdriehoek;4° textuurklasse Z: textuurklasse Zand als vermeld in de Belgische textuurdriehoek;5° zandgronden: de landbouwgronden die gelegen zijn in de landbouwstreek Vlaamse Zandstreek of de landbouwstreek Kempen, met uitzondering van de landbouwgronden die zowel gelegen zijn in de provincie Vlaams-Brabant als in de landbouwstreek Vlaamse Zandstreek. In afwijking hiervan wordt een perceel landbouwgrond niet aanzien als een zandgrond, als de landbouwer door een textuuranalyse van het betreffende perceel aantoont dat de textuurklasse van dat perceel niet textuurklasse P, S of Z is. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels aangaande de wijze waarop landbouwers kunnen aantonen dat percelen geen zandgronden zijn; 6° zure zandgrond: een bodem met een textuurklasse P, S of Z en een pH-KCl van maximum 6;7° zware kleigronden: al de landbouwgronden die gelegen zijn in de landbouwstreek Polders en de landbouwgronden gelegen in een door de Vlaamse Regering afgebakend gebied, waarvan de landbouwer aantoont dat deze vergelijkbare bodemkarakteristieken hebben.De Vlaamse Regering stelt nadere regels aangaande wat onder vergelijkbare bodemkarakteristieken wordt verstaan en aangaande de wijze waarop landbouwers uit het afgebakende gebied kunnen aantonen dat landbouwgronden vergelijkbare bodemkarakteristieken hebben. § 8. De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema "de dierlijke productie". Het betreft de volgende definities: 1° diercategorie: een onderverdeling van een diersoort als vermeld in de tabel in artikel 27;2° diersoort: verzameling van dieren als vermeld in de tabel in artikel 27.Hierbij worden de volgende diersoorten onderscheiden: a) rundvee;b) varkens;c) pluimvee;d) paarden;e) andere;3° gemiddelde veebezetting: het gemiddeld aantal dieren dat op jaarbasis aanwezig is;4° GVE: grootvee-eenheid: een landbouwkundige omrekeningsfactor voor dieren.De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, en stelt voor elke diercategorie de omrekeningsregels vast; 5° vee: alle voor gebruiks- of winstdoeleinden gehouden dieren die voorkomen op de lijst in artikel 27. § 9. De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan andere aspecten van dit decreet. Het betreft de volgende definities: 1° erkend laboratorium: een laboratorium dat krachtens artikel 61, § 7, erkend is;2° Mestbank: de afdeling Mestbank van de bij decreet van 21 december 1988 opgerichte Vlaamse Landmaatschappij;3° Meststoffendecreet: het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen;4° onlinepositiebepaling: een systeem dat op een geautomatiseerde wijze een plaatsbepaling van voorwerpen of personen verricht en deze informatie onmiddellijk ter beschikking stelt;5° productiejaar: het jaar waarin de meststoffen werden geproduceerd, gebruikt of ingevoerd; 6° waterkwaliteitsgroep: een duurzaam samenwerkingsverband tussen landbouwers dat erop gericht is binnen de betrokken VHA-zone, VHA-zones of delen ervan de realisatie van de doelstellingen van dit decreet mogelijk te maken.". Art. 4.In artikel 4 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 12 december 2008, 23 december 2010, 6 mei 2011 en 28 februari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt: " § 1.De Vlaamse Landmaatschappij wordt belast met volgende taken: 1° ondersteunende taken: a) in het kader van een klantvriendelijke en oplossingsgerichte administratie, het informeren van land- en tuinbouwers over hun mestproductie en over het gebruik van meststoffen op hun bedrijf.Deze begeleiding wordt gedaan in een partnerschap met het oog op het bereiken van de milieudoelstellingen; b) het geven van voorlichting over de productie van dierlijke mest en over de opbrenging op of in de bodem, het vervoer, de opslag, de bewerking en de verwerking van meststoffen;c) het bemiddelen in de verhandeling, het afnemen, het vervoer, de opslag, het bewerken of het verwerken van dierlijke mest;d) het stimuleren van de vraag naar een ecologisch verantwoord gebruik van meststoffen.De Vlaamse Landmaatschappij kan hiertoe, evenals voor de ontwikkeling van bijkomende infrastructuur voor mestopslag en voor het stimuleren van het gebruik van online-informaticatoepassingen in het kader van het mestinternetloket, overeenkomstig de Europese regels inzake staatsteun, toelagen verlenen onder meer aan landbouwers en mestvoerders; e) het verrichten, laten verrichten en stimuleren van toegepast wetenschappelijk onderzoek met het oog op een ecologisch, technologisch en economisch verantwoorde vermindering van het mestoverschot, oordeelkundige bemesting, de relatie tussen bemesting, bodem, lucht en water en de mestbewerking en ook ter ondersteuning van het beleid inzake normering en controle;f) het verstrekken van adviezen aan de Vlaamse Regering over alle aangelegenheden die betrekking hebben op de productie van dierlijke mest en op het gebruik, de bewerking, de verwerking en de opslag van meststoffen;g) het uitreiken van mestverwerkingscertificaten als vermeld in artikel 29 en het registreren van de overdracht van deze mestverwerkingscertificaten;h) de toewijzing van nutriëntenemissierechten aan landbouwers, de registratie van de melding van overdracht van nutriëntenemissierechten en de aktename van de annulatie van nutriëntenemissierechten;i) het informeren van landbouwers over de door de Mestbank geregistreerde mestverhandelingen;2° controletaken: a) het registreren van de aangegeven gegevens, onder meer ter bepaling van de mestoverschotten evenals het registreren van de gegevens aangaande het mestvervoer;b) de uitbouw en het beheer van een databank met betrekking tot de mestproblematiek en de uitbouw van een mestinternetloket;c) het erkennen van mestvoerders;d) het toezicht op en de controle van de naleving van de bepalingen van dit decreet;e) het optreden door de Mestbank als bevoegde autoriteit voor het Vlaamse Gewest in het kader van de verordening nr.1013/2006, wat de in- en uitvoer van dierlijke mest betreft; f) het uitoefenen door de Mestbank van de taken en bevoegdheden, in het kader van de verordening nr.1069/2009 en als vermeld in hoofdstuk II van de Overeenkomst van 16 januari 2014Relevante gevonden documenten type decreet prom. 26/03/2004 pub. 01/07/2004 numac 2004036026 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de openbaarheid van bestuur sluiten1 tussen de Federale Staat en de Gewesten inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten, wat meststoffen betreft; g) het opleggen en het innen van de administratieve geldboetes, vermeld in dit decreet;h) het uitoefenen van toezicht op de krachtens artikel 61, § 7, erkende laboratoria;3° begeleidende taken: a) bedrijfsspecifieke begeleiding met betrekking tot het milieu- en landbouwkundig optimaal gebruik van meststoffen op bedrijfsniveau en het toepassen van bemestingstechnieken en -adviezen, in functie van water- en bodemkwaliteit.Deze begeleiding gebeurt vrijwillig op vraag van de landbouwer; b) het aanreiken van en het begeleiden rond technische tools en rekenprogramma's voor een bemestingsmanagement op bedrijfsniveau, inzonderheid met betrekking tot nutriënten- en bodembeheer; c) breed informeren en sensibiliseren rond aspecten van oordeelkundige bemesting teneinde een goede water- en bodemkwaliteit te bekomen of te behouden."; 2° in paragraaf 3 en 4 wordt het woord "Mestbank" vervangen door de woorden "Vlaamse Landmaatschappij";3° er wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt: " § 5.De Vlaamse Regering kan, in afwijking van de bepalingen van dit decreet, voor bepaalde verplichtingen in het kader van dit decreet, zoals onder meer het bijhouden van registers, of voor bepaalde vormen van communicatie tussen de Vlaamse Landmaatschappij en de betrokken burgers, die gebeurt in het kader van dit decreet, bepalen dat deze verplichtingen of deze communicatie mag of moet gebeuren via e-mail, een internetloket of een andere vorm van gegevensuitwisseling.". Art. 5.Artikel 8 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2008 en bij de decreten van 12 december 2008, 19 december 2008 en 6 mei 2011, wordt vervangen door wat volgt: "Art. 8.§ 1. Het op of in de bodem brengen van meststoffen type 1 op niet permanent overkapte landbouwgronden is verboden vanaf 16 november tot en met 15 januari. De hoeveelheid meststoffen type 1 die in een bepaald jaar opgebracht mag worden na 31 augustus is beperkt tot 50 kg werkzame stikstof per hectare. § 2. Het op of in de bodem brengen van meststoffen type 2 op niet permanent overkapte landbouwgronden is verboden: 1° op akkers op zware kleigronden vanaf 16 oktober tot en met 15 februari.De hoeveelheid meststoffen die in een bepaald jaar na 31 augustus opgebracht wordt, is beperkt tot 100 kg werkzame stikstof per hectare; 2° op andere percelen dan vermeld in 1°, vanaf 1 september tot en met 15 februari. Op akkers op zware kleigronden is het verboden om na de oogst van de hoofdteelt, meststoffen type 2 op te brengen, tenzij na de oogst van de hoofdteelt en uiterlijk op 31 augustus, een nateelt ingezaaid wordt. Als de meststoffen opgebracht worden, na 16 augustus, moet uiterlijk de veertiende dag na het opbrengen van de meststoffen een nateelt ingezaaid worden of aanwezig zijn. Op andere percelen dan akkers op zware kleigronden is het verboden om na de oogst van de hoofdteelt, meststoffen type 2 op te brengen, tenzij na de hoofdteelt: 1° hetzij uiterlijk op 31 juli een nateelt ingezaaid wordt;2° hetzij na 31 juli en uiterlijk op 31 augustus een vanggewas of een specifieke teelt ingezaaid wordt en op voorwaarde dat de hoeveelheid meststoffen type 2 die na de oogst van de hoofdteelt opgebracht wordt, beperkt wordt tot 36 kg werkzame stikstof per hectare. § 3. Het op of in de bodem brengen van meststoffen type 3 op niet permanent overkapte landbouwgronden is verboden vanaf 1 september tot en met 15 februari. Het is verboden om na de oogst van de hoofdteelt, meststoffen type 3 op te brengen, tenzij na de hoofdteelt: a) hetzij uiterlijk op 31 juli een nateelt ingezaaid wordt;b) hetzij na 31 juli en uiterlijk op 31 augustus een vanggewas ingezaaid wordt en op voorwaarde dat de hoeveelheid meststoffen type 3 die na de oogst van de hoofdteelt opgebracht wordt, beperkt wordt tot 36 kg werkzame stikstof per hectare;c) hetzij na 31 juli en uiterlijk op 31 augustus een specifieke teelt ingezaaid wordt. § 4. In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, is het voor specifieke teelten, andere dan fruit, toegelaten om meststoffen type 3 op te brengen: 1° in de periode vanaf 1 september tot en met 15 november op voorwaarde dat aan de volgende twee voorwaarden is voldaan: a) de hoeveelheid meststoffen die in deze periode opgebracht wordt, is beperkt tot 100 kg werkzame stikstof per hectare en de hoeveelheid die binnen een periode van twee weken opgebracht wordt, is beperkt tot 60 kg werkzame stikstof per hectare;b) voorafgaand aan het opbrengen van de meststoffen is een bodemanalyse met bijhorende bemestingsadvies uitgevoerd.De hoeveelheid meststoffen die in de periode vanaf 1 september tot en met 15 november opgebracht mag worden, is beperkt tot de hoeveelheid opgenomen in het bemestingsadvies; 2° vanaf 16 januari tot en met 15 februari op voorwaarde dat de hoeveelheid meststoffen type 3 die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 50 kg werkzame stikstof per hectare. In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, is het voor fruit toegelaten om meststoffen type 3 op te brengen vanaf 1 september tot en met 15 november op voorwaarde dat de hoeveelheid meststoffen die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 40 kg werkzame stikstof per hectare. In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, is het voor meststoffen type 3, waarvan de stikstofinhoud laag is, toegelaten om deze op te brengen in de periode vanaf 1 september tot en met 15 november en vanaf 16 januari tot en met 15 februari, op voorwaarde dat er een gewas aanwezig is op het moment van de opbrenging. In afwijking hiervan mogen er in de periode vanaf 1 september tot en met 15 oktober meststoffen type 3, waarvan de stikstofinhoud laag is, opgebracht worden als er een gewas ingezaaid wordt uiterlijk de zevende dag na het opbrengen van de meststoffen. De hoeveelheid meststoffen type 3 waarvan de stikstofinhoud laag is, die in de periode vanaf 1 september tot en met 15 november opgebracht wordt, samen met de hoeveelheid die in de daarop volgende periode vanaf 16 januari tot en met 15 februari opgebracht wordt, is beperkt tot 30 kg stikstof per hectare waarvan maximaal 10 kg minerale stikstof. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen en bepaalt welke meststoffen een meststof zijn waarvan de stikstofinhoud laag is. § 5. Het op of in de bodem brengen van meststoffen is tevens verboden: 1° op alle zon- en feestdagen.Deze verbodsbepaling geldt niet voor kunstmest; 2° voor zonsopgang en na zonsondergang. § 6. Het op of in de bodem brengen van stikstof uit meststof type 3 op overkapte landbouwgronden is steeds toegelaten. § 7. De opslag van vaste dierlijke mest of andere meststoffen op landbouwgrond is toegestaan, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: 1° de meststof is opgeslagen om te worden uitgespreid op het perceel waarop de mest opgeslagen is;2° de afstand van de opslag tot de perceelsgrens en oppervlaktewater bedraagt ten minste 10 meter;3° de afstand van de opslag tot woningen van derden bedraagt ten minste 100 meter. De opslag van vaste dierlijke mest: 1° is verboden in de periode van 16 november tot en met 15 januari;2° gebeurt maximaal gedurende twee maanden vóór het spreiden. Opslag van dierlijke mest of andere meststoffen op landbouwgrond die niet voldoet aan de voorwaarden vermeld in deze paragraaf is verboden. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen. De Vlaamse Regering kan in afwijking van het tweede lid, na verder onderzoek en mits goedkeuring van de Europese Commissie, bepalen dat de opslag van vaste dierlijke mest op landbouwgrond in de periode van 16 november tot en met 15 januari toegelaten wordt of toegelaten wordt voor een langere periode dan vermeld in het tweede lid, 2°, en kan aan deze toelating voorwaarden verbinden. § 8. Voor de toepassing van dit artikel wordt, op percelen met als hoofdteelt grasland, het scheuren van de hoofdteelt grasland beschouwd als het oogsten van de hoofdteelt. Voor de toepassing van dit artikel worden percelen grasland, waar het grasland geteeld wordt voor zaaizaadvermeerdering, als akkers beschouwd. § 9. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de toepassing van dit artikel. In afwijking van § 2, derde lid, 2°, en § 3, eerste lid, b), kan de Vlaamse Regering in geval van uitzonderlijke weersomstandigheden bepalen dat het vanggewas of de specifieke teelt slechts moet worden ingezaaid uiterlijk op 10 september van hetzelfde jaar. In afwijking van § 2, eerste lid, 2°, en § 3, eerste lid, kan de Vlaamse Regering in geval van uitzonderlijke weersomstandigheden bepalen dat voor de betreffende types meststoffen, het toegestaan wordt om deze op te brengen tot en met 10 september. De Vlaamse Regering kan aan deze verlenging van de bemestingsperiode voorwaarden verbinden. De Vlaamse Regering kan bepalen dat ingeval van maatregelen genomen in toepassing van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, educatieve demonstraties en wetenschappelijke proefnemingen, er afgeweken mag worden van de bepalingen van dit artikel en van artikel 14, § 9. De Vlaamse Regering kan extra voorwaarden aan deze afwijkingen verbinden en kan deze afwijkingen onder meer beperken tot bepaalde gebieden.". Art. 6.In artikel 9 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "dient ten laatste op 31 december 2011 te beschikken" vervangen door het woord "beschikt";2° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "ten laatste op 1 januari 2011" opgeheven. Art. 7.Artikel 12 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2008, 23 december 2010, 6 mei 2011, 1 maart 2013 en 28 februari 2014, wordt vervangen door wat volgt: "Art. 12.§ 1. Meststoffen mogen enkel opgebracht worden op landbouwgrond of groeimedium en mogen niet geloosd of gestort worden in openbare rioleringen, in oppervlaktewateren, in grondwater, op openbare wegen, op bermen en op alle andere plaatsen die geen landbouwgrond of groeimedium zijn. De meststoffen moeten op landbouwgrond of op groeimedium op een milieukundig verantwoorde manier opgebracht worden overeenkomstig de codes van goede landbouwpraktijken. In afwijking van het eerste lid mogen bij de bemesting van de plantput bij aanplantingen langs wegen of bij bosaanplantingen volgende meststoffen toch opgebracht worden: 1° stalmest;2° champost;3° traagwerkende meststoffen. In afwijking van het eerste lid mogen bij het aanleggen en het onderhouden van tuinen, parken en plantsoenen, volgende meststoffen toch opgebracht worden: 1° stalmest;2° champost;3° kunstmest;4° traagwerkende meststoffen;5° andere vaste dierlijke meststoffen dan stalmest en champost, mits ze gehygiëniseerd werden en afkomstig zijn uit installaties die erkend zijn overeenkomstig verordening nr.1069/2009; 6° gedroogde andere meststof afkomstig van een vergistingsinstallatie. In de gevallen, vermeld in het tweede en het derde lid, is de hoeveelheid meststoffen die mag opgebracht worden, voor stikstof beperkt tot 170 kg N/ha en voor wat betreft fosfaat beperkt tot de overeenkomstige bemestingsnorm voor "Overige teelten met inbegrip van voederkool en bladrammenas" als vermeld in artikel 13, § 3, tiende lid. In afwijking van het eerste lid is bemesting toegestaan op bermen en andere percelen die geen landbouwgrond zijn, op voorwaarde dat bemesting beperkt wordt tot bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing, waarbij maximaal twee GVE per hectare op jaarbasis worden toegestaan. De Vlaamse Regering kan extra voorwaarden verbinden aan de afwijkingen, vermeld in het tweede, derde en vijfde lid. De Vlaamse Regering kan nader bepalen welke meststoffen bedoeld zijn in het derde lid, 5° en 6°. De Vlaamse Regering kan nader bepalen op welke wijze landbouwers die gebruikmaken van de afwijking, vermeld in het vijfde lid, dat aan de Mestbank moeten melden. § 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de Mestbank, bij gemotiveerd verzoek, de opbrenging van dierlijke mest toestaan bij de heraanleg van de bouw voor in het kader van infrastructuurwerken of andere cultuurtechnische werken. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen. § 3. Het gebruik van slib van rioolwaterzuiveringsinstallaties op landbouwgrond is verboden.". Art. 8.Artikel 13 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2008, 23 december 2010, 6 mei 2011, 1 maart 2013 en 28 februari 2014, wordt vervangen door wat volgt: "Art. 13.§ 1. De hoeveelheid nutriënten die met meststoffen per jaar op landbouwgrond mag opgebracht worden, met inbegrip van de uitscheiding door dieren bij begrazing, moet zodanig beperkt worden dat de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen zowel in grond- als in oppervlaktewater kleiner blijft dan 50 mg nitraat per liter en de eutrofiëring van natuurlijke zoetwatermeren, andere zoetwatermassa's, estuaria, kustwater en zeewater vermeden wordt en verdere verontreiniging van die aard voorkomen wordt. De hoeveelheid nutriënten die met meststoffen mag opgebracht worden, met inbegrip van de rechtstreekse uitscheiding door dieren bij begrazing, moet rekening houden met de bodemvoorraad en de mineralisatie. Per jaar mag op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond maximaal een hoeveelheid nutriënten opgebracht worden, die overeenkomt met de som van de maximale hoeveelheid nutriënten die op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond mag opgebracht worden, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet. § 2. De stikstofbemestingsnormen, uitgedrukt respectievelijk in kg N uit dierlijke mest per hectare en per jaar en in kg werkzame N per hectare en per jaar voor teelten op zandgronden of op niet-zandgronden worden vermeld in onderstaande tabel: Tabel 2. Stikstofbemestingsnormen voor teeltgroepen Teeltgroep Op zandgronden Op niet-zandgronden kg N kg kg N kg uit dierlijke werkzame uit dierlijke werkzame mest/ha N/ha mest/ha N/ha Grasland dat enkel gemaaid wordt, met inbegrip van de graszodenteelt 170 300 170 310 Grasland dat niet enkel gemaaid wordt 170 235 170 245 Wintertarwe of triticale 100 160 100 175 Wintergerst of andere granen 100 110 100 125 Suikerbieten 170 135 170 150 Voederbieten 170 235 170 260 Aardappelen 170 190 170 210 Maïs 170 135 170 150 Groente van groep I 170 225 170 250 Groente van groep II 170 160 170 180 Groente van groep III 170 115 170 125 Sierteelt en boomkweek 170 160 170 180 Aardbeien 170 160 170 160 Spruitkool 170 225 170 250 Teelten met lage stikstofbehoefte 125 115 125 125 Leguminosen met uitzondering van erwten en bonen 120 70 125 75 Overige teelten met inbegrip van voederkool en bladrammenas 170 130 170 145 In afwijking van het eerste lid kunnen voor de teeltcombinaties, vermeld in de onderstaande tabel, de stikstofbemestingsnormen, uitgedrukt respectievelijk in kg N uit dierlijke mest per hectare en per jaar en in kg werkzame N per hectare en per jaar op zandgronden of op niet-zandgronden, verhoogd worden tot de hoeveelheden vermeld in onderstaande tabel: Tabel 3. Stikstofbemestingsnormen voor teeltcombinaties Teeltcombinatie Op zandgronden Op niet-zandgronden kg N kg kg N kg uit dierlijke werkzame uit dierlijke werkzame mest/ha N/ha mest/ha N/ha Wintertarwe gevolgd door een nateelt of triticale gevolgd door een nateelt 170 180 170 195 Wintergerst gevolgd door een nateelt of andere granen gevolgd door een nateelt 170 130 170 145 Maïs voorafgegaan door een snede gras of door een snede snijrogge 170 200 170 230 2 teelten groenten van groep I 170 315 170 350 Een groente van groep I en een groente van groep II 170 270 170 300 Een groente van groep I en een groente van groep III 170 250 170 275 2 teelten groenten van groep II 170 250 170 275 Een groente van groep II en een groente van groep III 170 205 170 225 2 teelten groenten van groep III 170 180 170 200 3 teelten groenten waarvan minstens een groente van groep II 170 250 170 275 3 teelten groenten waarvan geen enkele een groente van groep II 170 180 170 200 § 3. Landbouwgronden worden ingedeeld in vier klassen, afhankelijk van de hoeveelheid plantbeschikbare fosfaat in de bodem uitgedrukt in mg P per 100 gr luchtdroge grond. Voor de indeling in klassen maakt men een onderscheid tussen akkers en grasland. Voor elk van de verschillende klassen worden de volgende criteria onderscheiden: Klasse Plantbeschikbare fosfaat in akker (mg P per 100 g luchtdroge grond) Plantbeschikbare fosfaat in grasland (mg P per 100 g luchtdroge grond) I kleiner dan of gelijk aan 12 kleiner dan of gelijk aan 19 II groter dan 12 en kleiner dan of gelijk aan 18 groter dan 19 en kleiner dan of gelijk aan 25 III groter dan 18 en kleiner dan of gelijk aan 40 groter dan 25 en kleiner dan 50 IV groter dan 40 groter dan 50 De hoeveelheid plantbeschikbare fosfaat in de bodem wordt bepaald via een bodemanalyse, uitgevoerd door een erkend laboratorium als vermeld in artikel 61, § 7, in opdracht van de Mestbank of van de betrokken landbouwer. De bodemanalyse moet de X-Y-coördinaten vermelden van het perceel dat geanalyseerd is. De bodemanalyse wordt aan de Mestbank overgemaakt via een door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket. De bodemanalyse is op het moment dat ze overgemaakt wordt aan de Mestbank maximaal vijf jaar oud. Voor bodemanalyses uitgevoerd in het kalenderjaar 2017 of later, wordt enkel rekening gehouden met de analyseresultaten van de monsternemingen die voorafgaand zijn aangemeld bij de Mestbank, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. Het erkend laboratorium bezorgt van elke aangemelde monsterneming de analyseresultaten aan de Mestbank. De kosten van de bodemanalyse zijn ten laste van de overheid, als voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° de bodemanalyse is uitgevoerd in het kalenderjaar 2015 of later;2° op basis van de bodemanalyse wordt het perceel in klasse I of II als vermeld in het eerste lid, ingedeeld;3° het perceel wordt, in het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de bodemanalyse is uitgevoerd, op basis van de betreffende bodemanalyse, ingedeeld in een klasse die lager is dan de klasse waarin het, zonder deze bodemanalyse, ingedeeld zou zijn. De Vlaamse Regering stelt nadere regels en kan onder meer de kosten van de bodemanalyse forfaitair bepalen. Op basis van de hoeveelheid plantbeschikbare fosfaat in de bodem, die op basis van de bodemanalyse is bepaald, en op basis van de hoofdteelt die in het jaar waarin de bodemanalyse is uitgevoerd, op het perceel werd geteeld, wordt het perceel in één van de vier klassen als vermeld in het eerste lid, ingedeeld. Als voor eenzelfde perceel er meerdere bodemanalyses ter bepaling van de hoeveelheid plantbeschikbare fosfaat zijn uitgevoerd, gebeurt de indeling in één van de vier klassen op basis van de meest recente analyse. De indeling in één van de vier klassen gaat in: 1° als de bodemanalyse bezorgd is aan de Mestbank uiterlijk op 31 augustus van een bepaald jaar, vanaf het jaar dat volgt op het jaar waarin de bodemanalyse aan de Mestbank werd bezorgd;2° als de bodemanalyse bezorgd is aan de Mestbank na 31 augustus van een bepaald jaar, vanaf het tweede jaar dat volgt op het jaar waarin de bodemanalyse aan de Mestbank werd bezorgd. De indeling in één van de vier klassen vervalt, uiterlijk op 1 januari van het zesde jaar volgend op het jaar waarin de bodemanalyse, op basis waarvan de indeling in één van de vier klassen is gebeurd, uitgevoerd werd. In afwijking van het achtste lid, wordt, als een perceel op basis van de bodemanalyse was ingedeeld in klasse I als vermeld in het eerste lid, dat perceel: 1° in het zesde tot en met het tiende kalenderjaar, volgend op het kalenderjaar waarin de bodemanalyse, op basis waarvan de indeling in klasse I is gebeurd, uitgevoerd werd, ingedeeld in klasse II als vermeld in het eerste lid;2° in het elfde tot en met het vijftiende kalenderjaar, volgend op het kalenderjaar waarin de bodemanalyse, op basis waarvan de indeling in klasse I is gebeurd, uitgevoerd werd, ingedeeld in klasse III als vermeld in het eerste lid. In afwijking van het achtste lid, wordt, als een perceel op basis van de bodemanalyse was ingedeeld in klasse II als vermeld in het eerste lid, dat perceel in het zesde tot en met het tiende kalenderjaar, volgend op het kalenderjaar waarin de bodemanalyse, op basis waarvan de indeling in klasse II is gebeurd, uitgevoerd werd, ingedeeld in klasse III als vermeld in het eerste lid. Landbouwgronden die niet ingedeeld zijn in een klasse, op basis van een bodemanalyse, worden in de jaren 2015 en 2016 als klasse III beschouwd en vanaf het jaar 2017 als klasse IV beschouwd. De fosfaatbemestingsnormen, uitgedrukt in kg P2O5 per hectare en per jaar voor teelten en teeltcombinaties worden vermeld in de onderstaande tabel: Tabel 4. Fosfaatbemestingsnormen Teeltgroep of teeltcombinatie Toegestane hoeveelheid, uitgedrukt in kg P2O5 per ha en per jaar voor klasse I gronden Toegestane hoeveelheid, uitgedrukt in kg P2O5 per ha en per jaar voor klasse II gronden Toegestane hoeveelheid, uitgedrukt in kg P2O5 per ha en per jaar voor klasse III gronden Toegestane hoeveelheid, uitgedrukt in kg P2O5 per ha en per jaar voor klasse IV gronden Grasland dat enkel gemaaid wordt, met inbegrip van graszodenteelt 115 95 90 70 Grasland dat niet enkel gemaaid wordt 115 95 90 70 Wintertarwe of triticale 95 75 70 55 Wintergerst of andere granen 95 75 70 55 Suikerbieten 85 65 55 45 Voederbieten 85 65 55 45 Aardappelen 95 75 70 55 Maïs voorafgegaan door een snede gras of door een snede snijrogge 115 95 90 70 Maïs niet voorafgegaan door een snede gras of door een snede snijrogge 100 80 70 55 Groente van groep I 85 65 55 45 Groente van groep II 85 65 55 45 Groente van groep III 85 65 55 45 Sierteelt en boomkweek 85 65 55 45 Aardbeien 85 65 55 45 Spruitkool 85 65 55 45 Teelten met lage stikstofbehoefte 85 65 55 45 Leguminosen met uitzondering van erwten en bonen 85 65 55 45 Overige teelten met inbegrip van voederkool en bladrammenas 85 65 55 45 § 4. De Vlaamse Regering kan, in afwijking van dit artikel, en ter uitvoering van een besluit van de Europese Commissie tot verlening van een door de lidstaat België op grond van de Nitraatrichtlijn gevraagde derogatie, de stikstofbemestingsnormen voor dierlijke mest wijzigen onder de voorwaarden bepaald in de beschikking van de Commissie. Deze voorwaarden kunnen afwijken van de bepalingen van dit decreet. § 5. Als de landbouwer gecertificeerde gft- of groencompost op een perceel gebruikt, wordt, in afwijking van de bepalingen van dit decreet, slechts 50 % van de hoeveelheid P2O5, afkomstig van de gecertificeerde gft- of groencompost, als opgebracht beschouwd. Op landbouwgronden die, overeenkomstig paragraaf 3, als klasse I of klasse II zijn ingedeeld, wordt in afwijking van de bepalingen van dit decreet, slechts 50 % van de hoeveelheid P2O5, afkomstig van stalmest of boerderijcompost, als opgebracht beschouwd. § 6. Een niet-focusbedrijf als vermeld in artikel 14, § 3, kan in het jaar X een aanvraag indienen voor een verhoging van de bemestingsnormen, uitgedrukt in kg werkzame N/ha, vermeld in paragraaf 2. Een niet-focusbedrijf kan enkel een aanvraag voor een verhoging van de stikstofbemestingsnormen, vermeld in paragraaf 2, indienen, als voldaan is aan de volgende voorwaarden: 1° in het geval dat het bedrijf in het jaar X-1 verplicht was om een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uit te voeren in uitvoering van artikel 14 of omdat het bedrijf in het jaar X-1 eveneens een aanvraag had ingediend als vermeld in deze paragraaf, moet het bedrijf, bij de beoordeling van deze nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau op basis van de overeenkomstige nitraatresidudrempelwaarden voor focusbedrijven, als categorie nul beoordeeld zijn als vermeld in artikel 15;2° in het jaar X-1, is: a) hetzij door de betrokken landbouwer, hetzij op het betrokken bedrijf of op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden, geen overtreding van de bepalingen van de artikelen 8, 12, 13, 20, 21 of 22, begaan;b) aan de betrokken landbouwer geen maatregel, correctie, andere mestsamenstelling, beperking van de afvoer, bijkomende mestverwerking of reductie als vermeld in artikel 62, opgelegd, en is geen administratieve geldboetes als vermeld in artikel 63, § 1 tot en met § 3, of § 5, opgelegd. De landbouwer die een verhoging van de stikstofbemestingsnormen wil verkrijgen, vraagt dit aan de Mestbank. De aanvraag wordt uiterlijk op 15 februari van het jaar X bij de Mestbank ingediend via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. In afwijking hiervan, worden landbouwers die in het jaar X-1 een verhoging van de stikstofbemestingsnormen hebben verkregen, in uitvoering van deze paragraaf, en die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, van rechtswege geacht om terug een aanvraag in te dienen voor het jaar X. De landbouwer kan tot uiterlijk 1 juni van het jaar X zijn aanvraag, vermeld in het derde lid, intrekken via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. Na 1 juni duidt de Mestbank de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond aan waarop de landbouwer de nitraatresidubepalingen moet laten uitvoeren. Een landbouwer die uiterlijk op 1 juni van het jaar X zijn aanvraag tot verhoging van de stikstofbemestingsnormen niet heeft ingetrokken, is verplicht om de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uit te voeren. De beoordeling van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau gebeurt overeenkomstig de bepalingen van artikel 15. Voor landbouwers die een niet-ingetrokken aanvraag ingediend hebben en voldoen aan de voorwaarden, wordt, in afwijking van dit artikel, op de tot het betrokken bedrijf behorende landbouwgronden, de hoeveelheid werkzame stikstof die in het jaar X mag opgebracht worden, overeenkomstig dit artikel, met 10 % verhoogd. Voor de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, 2°, wordt enkel rekening gehouden met feiten begaan in het jaar 2015 of later. § 7. Voor percelen waarop in volle grond sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II, of aardbeien worden geteeld, geldt de toegelaten stikstofbemestingsnorm, vermeld in paragraaf 2, enkel als de landbouwer tot wiens bedrijf er percelen landbouwgrond behoren waaro …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.