Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Decreet tot wijziging van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bro

Kort samengevat

Dit decreet wijzigt een eerder decreet uit 2006 over de bescherming van water tegen nitraatvervuiling door landbouw. Het introduceert nieuwe definities en maakt het mogelijk om aanvullende maatregelen te nemen tegen fosforvervuiling uit de landbouw.

Wat het reguleert

  • De bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen.
  • De mogelijke toevoeging van maatregelen tegen diffuse fosforvervuiling uit landbouwbronnen.
  • Definities gerelateerd aan wetgeving, waterkwaliteit, landbouwbedrijven en mestbeheer.
  • De aanwijzing van kwetsbare zones voor water en de definitie van waterverontreiniging.

Wie het aanbelangt

  • Landbouwers en exploitanten van landbouwbedrijven.
  • Iedereen die betrokken is bij het opslaan, verwerken, bewerken en verhandelen van meststoffen.

Kernpunten

  • Afhankelijk van analyses kunnen bijkomende maatregelen voor diffuse fosforvervuiling uit landbouwbronnen worden opgenomen.
  • Eutrofiëring wordt gedefinieerd als verrijking van water door stikstof- of fosforverbindingen die leidt tot ongewenste verstoring van het aquatisch evenwicht.
  • Waterverontreiniging omvat het direct of indirect lozen van stikstof- of fosforverbindingen uit agrarische bronnen die schadelijk kunnen zijn voor mens, leven, ecosystemen of recreatie.
  • Definities voor "bedrijf", "exploitant", "exploitatie", "landbouwer" en "landbouwgrond" verwijzen naar het decreet van 22 december 2006.
Wettekst
Wettekst

12 JUNI 2015. - Decreet tot wijziging van het decreet van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037097 bron vlaamse overheid Decreet hou

§ 3, of § 5, opgelegd.

De landbouwer die een verhoging van de stikstofbemestingsnormen wil verkrijgen, vraagt dit aan de Mestbank. De aanvraag wordt uiterlijk op 15 februari van het jaar X bij de Mestbank ingediend via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. In afwijking hiervan, worden landbouwers die in het jaar X-1 een verhoging van de stikstofbemestingsnormen hebben verkregen, in uitvoering van deze paragraaf, en die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, van rechtswege geacht om terug een aanvraag in te dienen voor het jaar X. De landbouwer kan tot uiterlijk 1 juni van het jaar X zijn aanvraag, vermeld in het derde lid, intrekken via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. Na 1 juni duidt de Mestbank de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond aan waarop de landbouwer de nitraatresidubepalingen moet laten uitvoeren. Een landbouwer die uiterlijk op 1 juni van het jaar X zijn aanvraag tot verhoging van de stikstofbemestingsnormen niet heeft ingetrokken, is verplicht om de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uit te voeren. De beoordeling van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau gebeurt overeenkomstig de bepalingen van artikel

  1. Voor landbouwers die een niet-ingetrokken aanvraag ingediend hebben en voldoen aan de voorwaarden, wordt, in afwijking van dit artikel, op de tot het betrokken bedrijf behorende landbouwgronden, de hoeveelheid werkzame stikstof die in het jaar X mag opgebracht worden, overeenkomstig dit artikel, met 10 % verhoogd. Voor de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, 2°, wordt enkel rekening gehouden met feiten begaan in het jaar 2015 of later. §
  2. Voor percelen waarop in volle grond sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II, of aardbeien worden geteeld, geldt de toegelaten stikstofbemestingsnorm, vermeld in paragraaf 2, enkel als de landbouwer tot wiens bedrijf er percelen landbouwgrond behoren waarop sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II, of aardbeien worden geteeld, een voldoende aantal stikstofanalyses met bijhorend bemestingsadvies laat uitvoeren. Als de landbouwer tot wiens bedrijf er percelen landbouwgrond behoren waarop sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II, of aardbeien worden geteeld, in een bepaald jaar, niet de nodige stikstofanalyses met bijhorend bemestingsadvies laat uitvoeren, wordt voor de betreffende landbouwer het volgende jaar, de toegelaten stikstofbemestingsnorm, vermeld in paragraaf 2, met 20 % verminderd, voor percelen waarop in dat volgende jaar sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II, of aardbeien worden geteeld. In afwijking hiervan wordt, voor percelen waarop in dat volgende jaar een teeltcombinatie geteeld wordt waarbij minstens één van de teelten van deze teeltcombinatie sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II, of aardbeien betreft, de toegelaten stikstofbemestingsnorm, vermeld in paragraaf 2, verminderd tot de hoeveelheid die op basis van tabel 2, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, op dat perceel mag opgebracht worden op basis van de hoofdteelt die op dat perceel geteeld wordt. De Vlaamse Regering bepaalt hoeveel staalnames met bijhorend bemestingsadvies een voldoende aantal zijn als vermeld in het eerste lid, en kan, in afwijking van deze paragraaf, een regeling uitwerken waarbij landbouwers kunnen kiezen om zich te laten begeleiden in plaats van een voldoende aantal stikstofanalyses met bijhorend bemestingsadvies te laten uitvoeren. De Vlaamse Regering kan bepalen dat deze paragraaf niet van toepassing is voor bepaalde, door de Vlaamse Regering aan te duiden, specifieke teeltmethodes. §
  3. Voor de toepassing van dit artikel wordt, voor het bepalen van de stikstofbemestingsnorm van een perceel: 1° een teeltcombinatie van een hoofdteelt die niet behoort tot de teeltgroep groente van groep I, groente van groep II of groente van groep III, met een nateelt of voorteelt die behoort tot de teeltgroep groente van groep I, gelijkgesteld met een teeltcombinatie van twee teelten behorende tot de teeltgroep groente van groep I;2° een teeltcombinatie van een hoofdteelt die niet behoort tot de teeltgroep groente van groep I, groente van groep II of groente van groep III, met een nateelt of voorteelt die behoort tot de teeltgroep sierteelt of boomkweek, groente van groep II of aardbeien, gelijkgesteld met een teeltcombinatie van een teelt behorende tot de teeltgroep groente van groep I en een teelt behorende tot de teeltgroep groente van groep II;3° een teeltcombinatie van een hoofdteelt die niet behoort tot de teeltgroep groente van groep I, groente van groep II of groente van groep III, met een nateelt of voorteelt die behoort tot de teeltgroep groente van groep III, gelijkgesteld met een teeltcombinatie van een teelt behorende tot de teeltgroep groente van groep I en een teelt behorende tot de teeltgroep groente van groep III. De gelijkstelling, vermeld in het eerste lid, geldt niet voor percelen landbouwgrond waar de bemesting beperkt wordt, in toepassing van paragraaf 7, tweede lid. Als op een perceel, een hoofdteelt die behoort tot de teeltgroep "wintertarwe of triticale" of "wintergerst of andere granen" gevolgd wordt door een teelt behorende tot de teeltgroep sierteelt of boomkweek, groente van groep I, groente van groep II, groente van groep III of aardbeien, geldt de regeling vermeld in deze paragraaf en zijn de stikstofbemestingsnormen voor de hoofdteeltcombinaties "wintertarwe gevolgd door een nateelt of triticale gevolgd door een nateelt" en voor "wintergerst gevolgd door een nateelt of andere granen gevolgd door een nateelt" niet van toepassing. In afwijking hiervan geldt voor een dergelijk perceel dat de stikstofbemestingsnormen voor de hoofdteeltcombinaties "wintertarwe gevolgd door een nateelt of triticale gevolgd door een nateelt" en voor "wintergerst gevolgd door een nateelt of andere granen gevolgd door een nateelt" van toepassing zijn in het jaar waarin er voor de landbouwer tot wiens bedrijf het betreffende perceel behoort, een bemestingsbeperking als vermeld in paragraaf 7, tweede lid, van toepassing is. §
  4. Het is verboden om in een bepaald jaar meststoffen op te brengen op percelen landbouwgrond die gedurende dat volledige jaar braak liggen. Op een individueel perceel landbouwgrond, mag een hoeveelheid stikstof opgebracht worden, die maximaal gelijk is aan het dubbele van de hoeveelheid stikstof die op dat perceel mag opgebracht worden, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet. In afwijking hiervan wordt, op percelen landbouwgrond waar de hoeveelheid nutriënten die opgebracht mag worden, beperkt wordt door de toepassing van de artikelen 16, 41bis of 41ter of door een beheerovereenkomst, de hoeveelheid nutriënten die opgebracht mag worden, beperkt tot de hoeveelheid die overeenkomstig de artikelen 16, 41bis of 41ter of overeenkomstig de op dat perceel van toepassing zijnde beheerovereenkomst, op dat perceel mag opgebracht worden. §
  5. De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de toepassing van dit artikel. De Vlaamse Regering kan de teelt of teelten bepalen die onder een bepaalde teeltgroep of teeltcombinatie vallen. De Vlaamse Regering kan hierbij een onderscheid maken op basis van de teeltmethode of de bijkomende bestemmingen. De op een perceel toegelaten hoeveelheid meststoffen wordt bepaald op basis van de teeltgroep waartoe de hoofdteelt, die op dat perceel wordt verbouwd, behoort. De Vlaamse Regering kan bepalen dat voor de teelt op groeimedium die gebeurt op niet permanent overkapte landbouwgronden, onder bepaalde voorwaarden, afgeweken kan worden van de bemestingsnormen voor kunstmest, vermeld in dit artikel. De Vlaamse Regering kan, in afwijking van paragraaf 3, derde lid, een andere werkwijze opleggen voor de bepaling van het perceel dat geanalyseerd wordt. De Vlaamse Regering kan bepalen dat op landbouwgronden die permanent overkapt zijn, er, in afwijking van dit artikel, kunstmest opgebracht mag worden tot de hoeveelheden opgenomen in de bemestingsadviezen, opgemaakt voor de percelen landbouwgrond in kwestie. De Vlaamse Regering kan bepalen dat op landbouwgronden met een beperkte oppervlakte, er onder bepaalde voorwaarden mag afgeweken worden van de bepalingen van paragraaf
  6. De Vlaamse Regering kan bepalen dat onder welbepaalde voorwaarden voor wetenschappelijke proefnemingen de toelating gegeven kan worden om af te wijken van de bemestingsnormen, vermeld in dit decreet.". Art. 9.Artikel 14 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 12 december 2008, 30 april 2009, 6 mei 2011, 1 maart 2013 en 28 februari 2014, wordt vervangen door wat volgt: "Art. 14.§
  7. Onverminderd de bepalingen van artikel 13 en van de artikelen 61 tot en met 72 worden, met het oog op het begeleiden van landbouwers tot het behalen van de waterkwaliteitsdoelstellingen geformuleerd in artikel 2, nitraatresidudrempelwaarden vastgesteld. De volgende 9 types nitraatresidudrempelwaarden worden onderscheiden: Nitraat- residu type Teelttype Bodemtype Focusbedrijf Niet-focusbedrijf eerste tweede drempel- waarde eerste drempel- waarde tweede drempel- waarde 1 Gras Zand of Niet-zand 70 200 90 260 2 Maïs Zand 70 140 90 180 3 Maïs Niet-Zand 80 160 90 180 4 Granen Zand 70 155 90 200 5 Granen Niet-Zand 80 180 90 200 6 Aard- appelen Zand of Niet-zand 85 155 90 165 7 Specifieke teelten Zand of Niet-zand 85 190 90 200 8 Overige teelten met inbegrip van voederkool en bladrammenas Zand 70 155 90 200 9 Overige teelten met inbegrip van voederkool en bladrammenas Niet-zand 80 180 90 200 Het teelttype als vermeld in de tabel in het tweede lid betreft de hoofdteelt die op het betrokken perceel, overeenkomstig de verzamelaanvraag, geteeld zal worden, tenzij de hoofdteelt in dat jaar wordt gevolgd door een specifieke teelt of door de teelt van aardappelen. In voorkomend geval wordt voor de toepassing van de tabel, vermeld in het tweede lid, rekening gehouden met de specifieke teelt of de teelt van aardappelen, die op dat perceel als nateelt uitgevoerd zal worden. Jaarlijks worden er, op basis van de gegevens aangaande de waterkwaliteit, focusgebieden aangeduid. De aanduiding van focusgebieden is van belang om te bepalen of een bedrijf focusbedrijf is. De bemonsteringen voor de nitraatresidubepalingen, uitgevoerd in toepassing van dit decreet, gebeuren in de periode van 1 oktober tot en met 15 november. De nitraatresidubepalingen worden uitgevoerd door een erkend laboratorium als vermeld in artikel 61, § 7, overeenkomstig de bepalingen van het methodenboek als vermeld in artikel 61, §
  8. §
  9. De Mestbank laat jaarlijks het nitraatresidu bepalen op percelen landbouwgrond gelegen in het Vlaamse Gewest. De Mestbank zorgt ervoor dat de landbouwer tot wiens bedrijf het betreffende perceel behoort minstens een week voor de bemonstering in kennis wordt gesteld van de dag waarop de bemonstering zal uitgevoerd worden en van het perceel waarop de nitraatresidubepaling zal gebeuren. Bij betwistingen aangaande deze inkennisstelling kan de landbouwer de nietigheid van het resultaat van de uitgevoerde nitraatresidubepaling niet inroepen. De landbouwer kan in zijn opdracht en op zijn kosten door een erkend laboratorium naar zijn keuze een nitraatresidubepaling laten uitvoeren op het perceel waarop een nitraatresidubepaling wordt uitgevoerd in opdracht van de Mestbank als vermeld in het eerste lid. In voorkomend geval wordt het laagste resultaat van de nitraatresidubepalingen in aanmerking genomen. Deze nitraatresidubepaling moet gebeuren in de periode van 1 oktober tot en met 15 november in hetzelfde jaar als de nitraatresidubepaling in opdracht van de Mestbank. Onverminderd de nitraatresidubepalingen opgelegd in uitvoering van § 4, § 5, § 6, § 7 en § 8, kan de Mestbank een landbouwer opleggen in opdracht en op kosten van de landbouwer in kwestie door een erkend laboratorium op één of meerdere percelen landbouwgrond die behoren tot zijn bedrijf, een nitraatresidubepaling te laten uitvoeren. De Mestbank kan de verplichting tot het laten uitvoeren van één of meerdere nitraatresidubepalingen of van een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau opleggen aan de volgende landbouwers: 1° landbouwers die op hun bedrijf gebruikmaken van de mogelijkheden die voortvloeien uit de uitvoering van een besluit van de Europese Commissie tot verlening van een door de lidstaat België op grond van de Nitraatrichtlijn gevraagde derogatie;2° landbouwers aan wie één of meerdere administratieve geldboetes of strafrechtelijke veroordelingen zijn opgelegd wegens overtreding van één of meerdere bepalingen van dit decreet;3° landbouwers van wie het bedrijf niet beschikt over voldoende mestopslagcapaciteit als vermeld in artikel 9;4° landbouwers aan wie een maatregel, correctie, andere mestsamenstelling, beperking van de afvoer, bijkomende mestverwerking of reductie als vermeld in artikel 62, werd opgelegd, of één of meerdere administratieve geldboetes als vermeld in artikel 63, §

§ 3, of § 5.

§ 3. Een bedrijf is hetzij een focusbedrijf, hetzij een niet-focusbedrijf. Er zijn drie types van focusbedrijven, met name een focusbedrijf met maatregelen van categorie 1, een focusbedrijf met maatregelen van categorie 2 en een focusbedrijf met maatregelen van categorie 3. Een bedrijf wordt in een betreffend jaar omwille van zijn ligging als focusbedrijf gekwalificeerd als vermeld in het derde lid, 1°, als meer dan 50 % van de in het vorige jaar tot zijn bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond gelegen is in een gebied dat in het betreffende jaar als focusgebied is afgebakend. Voor het bepalen van het percentage van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond die gelegen is in focusgebied, wordt geen rekening gehouden met landbouwgrond die permanent overkapt is of met landbouwgronden waarop een teelt van de teeltgroep houtachtige gewassen wordt verbouwd. Een bedrijf krijgt in een bepaald jaar de kwalificatie focusbedrijf met maatregelen van categorie 1, hetzij: 1° omwille van zijn ligging in focusgebied, tenzij het bedrijf over een niet ingetrokken vrijstelling als vermeld in paragraaf 5 beschikt;2° omdat het betrokken bedrijf in het betrokken jaar als categorie I is geclassificeerd als vermeld in artikel 15, § 5;3° omdat het betrokken bedrijf in het vorige jaar een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau moest uitvoeren, en deze niet uitgevoerd heeft;4° omdat het een bedrijf als vermeld in paragraaf 4, derde lid, betreft;5° omwille van het in het voorgaande jaar niet-laten uitvoeren van één of meerdere nitraatresidubepalingen die het in uitvoering van paragraaf 2 of paragraaf 4 moest uitvoeren of omwille van het hinderen in het voorgaande jaar van de uitvoering van één of meerdere nitraatresidubepalingen. Een bedrijf krijgt in een bepaald jaar de kwalificatie focusbedrijf met maatregelen van categorie 2, omdat het betrokken bedrijf hetzij: 1° in het betrokken jaar als categorie II is geclassificeerd als vermeld in artikel 15, § 5;2° in het vorige jaar een focusbedrijf met maatregelen van categorie 1 was, en in het vorige jaar de maatregelen, vermeld in paragraaf 6, niet uitgevoerd heeft;3° in het vorige jaar en in het betrokken jaar als categorie I is geclassificeerd als vermeld in artikel 15, § 5;4° in het vorige jaar een focusbedrijf met maatregelen van categorie 1 was, dat in het vorige jaar een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau moest uitvoeren in toepassing van paragraaf 4, en deze nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau niet uitgevoerd heeft. Een bedrijf krijgt in een bepaald jaar de kwalificatie focusbedrijf met maatregelen van categorie 3, omdat het betrokken bedrijf hetzij: 1° in het betrokken jaar als categorie III is geclassificeerd als vermeld in artikel 15, § 5;2° in het vorige jaar een focusbedrijf met maatregelen van categorie 2 was, en:

  1. a)ofwel in het vorige jaar de maatregelen, vermeld in paragraaf 7, niet uitgevoerd heeft;
  2. b)ofwel in het betrokken jaar in categorie II is geclassificeerd als vermeld in artikel 15, § 5;3° in het vorige jaar een focusbedrijf met maatregelen van categorie 3 was, en:
  3. a)ofwel in het vorige jaar de maatregelen, vermeld in paragraaf 8, niet uitgevoerd heeft;
  4. b)ofwel in het vorige jaar en in het betrokken jaar in categorie II is geclassificeerd als vermeld in artikel 15, § 5. Als een bedrijf, in een bepaald jaar, meerdere van bovenstaande kwalificaties krijgt, geldt enkel de hoogste kwalificatie. § 4. Als op een niet-focusbedrijf in een bepaald jaar X op een tot het bedrijf behorend perceel landbouwgrond een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige eerste nitraatresidudrempelwaarde doch de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde niet overschrijdt, moet de betrokken landbouwer in het jaar X+1 in zijn opdracht en op zijn kosten op één door de Mestbank aangeduid perceel S een nitraatresidubepaling laten uitvoeren. Als het nitraatresidu van het perceel landbouwgrond in jaar X meerdere malen bepaald werd, dan wordt het laagste resultaat van de nitraatresidubepalingen in aanmerking genomen. Als in het jaar X+1 bij de nitraatresidubepaling op het perceel S een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige eerste nitraatresidudrempelwaarde doch de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde niet overschrijdt, moet de betrokken landbouwer in het jaar X+2 in zijn opdracht en op zijn kosten een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15, laten uitvoeren. Als in het jaar X+1 bij de nitraatresidubepaling op het perceel S een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde, of als de landbouwer de nitraatresidubepaling die hij in het jaar X+1 moet laten uitvoeren, niet uitvoert, moet de betrokken landbouwer in het jaar X+2 in zijn opdracht en op zijn kosten een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15 laten uitvoeren en is het bedrijf in het jaar X+2 focusbedrijf. Als in een bepaald jaar X op een niet-focusbedrijf op een tot het bedrijf behorend perceel landbouwgrond een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde of als op een focusbedrijf op een tot het bedrijf behorend perceel landbouwgrond een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige eerste nitraatresidudrempelwaarde moet de betrokken landbouwer in het jaar X+1 in zijn opdracht en op zijn kosten een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15, laten uitvoeren. Als in een bepaald jaar op een bedrijf een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau moet gebeuren, is deze paragraaf niet van toepassing. Als het nitraatresidu van het perceel S in jaar X+1 meerdere malen bepaald werd, dan wordt het laagste resultaat van de nitraatresidubepalingen in aanmerking genomen. § 5. Een bedrijf kan een vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf krijgen. De landbouwer die een vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf wil verkrijgen, vraagt dit aan de Mestbank. De aanvraag wordt uiterlijk op 1 juni van het jaar bij de Mestbank ingediend via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. In afwijking hiervan wordt elke landbouwer die in een bepaald jaar een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau moet uitvoeren, van rechtswege aanzien als een landbouwer die een vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf wil verkrijgen. Een landbouwer kan tot uiterlijk 1 juni een ingediende aanvraag intrekken. Elke landbouwer die op 2 juni een niet-ingetrokken aanvraag tot het bekomen van een vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf heeft, is verplicht om de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uit te voeren. Na 1 juni duidt de Mestbank de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond aan waarop de landbouwer de nitraatresidubepalingen moet laten uitvoeren. De beoordeling van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau gebeurt overeenkomstig de bepalingen van artikel 15. Een bedrijf ontvangt een vrijstelling als voldaan is aan de volgende voorwaarden: 1° bij de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau, wordt het bedrijf, bij een beoordeling op basis van de overeenkomstige nitraatresidudrempelwaarden voor focusbedrijven, als categorie nul beoordeeld als vermeld in artikel 15;2° in het jaar van de aanvraag of in het jaar voorafgaand aan het jaar van de aanvraag, is:
  5. a)hetzij door de betrokken landbouwer, hetzij op het betrokken bedrijf of op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden, geen overtreding van de bepalingen van artikel 8, 12, 13, 20, 21 of 22, begaan;
  6. b)aan de betrokken landbouwer geen maatregel, correctie, andere mestsamenstelling, beperking van de afvoer, bijkomende mestverwerking of reductie als vermeld in artikel 62, opgelegd en is geen administratieve geldboetes als vermeld in artikel 63, §

§ 3, of § 5.

Als voldaan is aan al de voorwaarden, vermeld in het vierde lid, krijgt het bedrijf een vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf vanaf 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uitgevoerd is. De vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf wordt in de volgende situaties ingetrokken: 1° het bedrijf wordt bij een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau niet als categorie nul beoordeeld als vermeld in artikel 15;2° in het jaar van vrijstelling of in het jaar voorafgaand aan het jaar van vrijstelling, is:

  1. a)hetzij door de betrokken landbouwer, hetzij op het betrokken bedrijf of op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden, een overtreding van de bepalingen van artikel 8, 12, 13, 20, 21 of 22, begaan;
  2. b)aan de betrokken landbouwer een maatregel, correctie, andere mestsamenstelling, beperking van de afvoer, bijkomende mestverwerking of reductie als vermeld in artikel 62, opgelegd of een administratieve geldboete als vermeld in artikel 63, §

§ 3, of § 5, opgelegd.

De intrekking van de vrijstelling gebeurt op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin: 1° de nitraatresidubepalingen in het kader van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau die niet als categorie nul is beoordeeld als vermeld in artikel 15, zijn genomen of hadden moeten worden genomen;2° een proces-verbaal of inspectieverslag werd opgemaakt wegens één of meerdere van de feiten, vermeld in het zesde lid, 2°, a);3° een maatregel of boete als vermeld in het zesde lid, 2°, b), werd opgelegd. De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen en kan bepalen dat een vrijstelling ook ingetrokken wordt als deze niet langer representatief is voor het betrokken bedrijf. Voor het beoordelen van een aanvraag, vermeld in het vierde lid, wordt enkel rekening gehouden met feiten als vermeld in het zevende lid, die zich voordeden in het jaar 2015 of later. § 6. Een landbouwer van wie het bedrijf in een bepaald jaar als focusbedrijf met maatregelen van categorie 1 is gekwalificeerd, moet in dat jaar de volgende maatregelen naleven: 1° als de teelt en de bodem in kwestie het toelaten moet de landbouwer een vanggewas telen op elk perceel landbouwgrond dat tot zijn bedrijf behoort.Het vanggewas moet tijdig ingezaaid worden en moet geruime tijd op het perceel aanwezig zijn; 2° de voorwaarden voor het op of in de bodem brengen van meststoffen, vermeld in paragraaf 9, naleven;3° als het bedrijf, in toepassing van § 3, tweede lid, 2°, 3°, 4° of 5°, als focusbedrijf met maatregelen van categorie 1 is gekwalificeerd, een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15 laten uitvoeren. § 7. Een landbouwer van wie het bedrijf in een bepaald jaar als focusbedrijf met maatregelen van categorie 2 is gekwalificeerd, moet in dat jaar de volgende maatregelen naleven: 1° een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15 laten uitvoeren;2° de voorwaarden voor het op of in de bodem brengen van meststoffen, vermeld in paragraaf 9, naleven;3° als de teelt en de bodem in kwestie het toelaten moet de landbouwer een vanggewas telen op elk perceel landbouwgrond dat tot zijn bedrijf behoort.Het vanggewas moet tijdig ingezaaid worden en moet geruime tijd op het perceel aanwezig zijn; 4° de toegelaten bemesting in kg N uit dierlijke mest en in kg werkzame N wordt beperkt tot 90 % van de hoeveelheid die mag opgebracht worden met toepassing van dit decreet en de van toepassing zijnde beheerovereenkomsten die de hoeveelheid meststoffen die op een perceel mogen opgebracht worden verminderen;5° elk vervoer van dierlijke mest of andere meststoffen vanuit een tot het bedrijf behorende exploitatie of naar een tot het bedrijf behorende exploitatie, dat gebeurt in uitvoering van artikel 49, § 1, 3°, b), c), d), e),

  1. f)of g), moet voorgemeld en nagemeld worden bij de Mestbank;6° een bemestingsplan bijhouden;7° een verplichte bodembalans voor tuinbouw. § 8. Een landbouwer van wie het bedrijf in een bepaald jaar als focusbedrijf met maatregelen van categorie 3 is gekwalificeerd, moet in dat jaar de volgende maatregelen naleven: 1° een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15 laten uitvoeren;2° de voorwaarden voor het op of in de bodem brengen van meststoffen, vermeld in paragraaf 9, naleven;3° een vanggewas telen op minimaal 20 % van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond.Voor het bepalen van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond wordt geen rekening gehouden met landbouwgrond die permanent overkapt is of met landbouwgronden waarop een blijvende teelt wordt verbouwd. Het vanggewas moet tijdig ingezaaid worden en moet geruime tijd op het perceel aanwezig zijn; 4° de toegelaten bemesting in kg N uit dierlijke mest en in kg werkzame N wordt beperkt tot 80 % van de hoeveelheid die mag opgebracht worden met toepassing van dit decreet en de van toepassing zijnde beheerovereenkomsten die de hoeveelheid meststoffen die op een perceel mogen opgebracht worden verminderen;5° elk vervoer van dierlijke mest of andere meststoffen vanuit een tot het bedrijf behorende exploitatie of naar een tot het bedrijf behorende exploitatie, met inbegrip van het vervoer vanuit een bepaalde exploitatie naar de landbouwgronden van dezelfde exploitatie, gebeurt door een erkende mestvoerder;6° een bemestingsplan bijhouden;7° een verplichte bodembalans voor tuinbouw. Als een bedrijf twee of meer jaren na elkaar als focusbedrijf type 3 is gekwalificeerd, wordt het percentage van de toegelaten bemesting als vermeld in het eerste lid, 4°, telkens met 10 verlaagd ten opzichte van het vorige jaar en wordt het percentage van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond waarop een vanggewas geteeld moet worden telkens met 10 verhoogd ten opzichte van het vorige jaar. Als een bedrijf in een bepaald jaar als focusbedrijf met maatregelen van categorie 3 is gekwalificeerd, en op dat bedrijf één of meerdere beheerovereenkomsten gelden als vermeld in artikel 42, die de hoeveelheid meststoffen die op een perceel mag opgebracht worden, verminderen, worden deze beheerovereenkomsten van rechtswege beëindigd. § 9. Voor focusbedrijven geldt, in afwijking van artikel 8, § 2, § 3 en § 4, de onderstaande regeling. Op niet permanent overkapte landbouwgronden is het verboden om meststoffen type 2 op te brengen: 1° op akkers op zware kleigronden vanaf 16 oktober tot en met 28 februari.De hoeveelheid meststoffen die in een bepaald jaar na 31 augustus opgebracht wordt, is beperkt tot 100 kg werkzame stikstof per hectare; 2° op andere percelen dan vermeld in 1°, vanaf 16 augustus tot en met 28 februari;3° na de oogst van de hoofdteelt, tenzij na de oogst van de hoofdteelt en uiterlijk op 31 juli een nateelt ingezaaid wordt. In afwijking van het tweede lid, 1° en 2°, is het voor grasland en beteeld akkerland toegelaten om meststoffen type 2 op te brengen vanaf 16 februari. Het op of in de bodem brengen van meststoffen type 3 op niet permanent overkapte landbouwgronden is verboden: 1° op akkers vanaf 16 augustus;2° op grasland vanaf 1 september;3° op grasland en beteelde akkers tot en met 15 februari;4° op niet-beteelde akkers tot en met 28 februari;5° na de oogst van de hoofdteelt, tenzij na de hoofdteelt:
  2. a)hetzij uiterlijk op 31 juli een nateelt ingezaaid wordt;
  3. b)hetzij na 31 juli en uiterlijk op 15 augustus een specifieke teelt ingezaaid wordt. In afwijking van het vierde lid, is het voor specifieke teelten, andere dan fruit, toegelaten om meststoffen type 3 op te brengen: 1° in de periode vanaf 16 augustus tot en met 15 november op voorwaarde dat aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:
  4. a)de hoeveelheid meststoffen die in deze periode opgebracht wordt, is beperkt tot 100 kg werkzame stikstof per hectare en de hoeveelheid die binnen een periode van twee weken opgebracht wordt, is beperkt tot 60 kg werkzame stikstof per hectare;
  5. b)voorafgaand aan het opbrengen van de meststoffen is een bodemanalyse met bijhorende bemestingsadvies uitgevoerd.De hoeveelheid meststoffen die in de periode vanaf 16 augustus tot en met 15 november opgebracht mag worden, is beperkt tot de hoeveelheid opgenomen in het bemestingsadvies; 2° vanaf 16 januari tot en met 15 februari op voorwaarde dat de hoeveelheid meststoffen type 3 die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 50 kg werkzame stikstof per hectare. In afwijking van het vierde lid, is het voor fruit toegelaten om meststoffen type 3 op te brengen vanaf 16 augustus tot en met 15 november op voorwaarde dat de hoeveelheid meststoffen die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 40 kg werkzame stikstof per hectare. In afwijking van het vierde lid, is het voor een focusbedrijf met maatregelen van categorie 1 toegelaten op akkerland met meststoffen type 3, waarvan de stikstofinhoud laag is, 30 kg stikstof per hectare waarvan maximaal 10 kg minerale stikstof op te brengen: 1° na de oogst van de hoofdteelt en ten laatste op 31 augustus, op voorwaarde dat uiterlijk op 31 augustus een vanggewas ingezaaid wordt. In afwijking hiervan kan de Vlaamse Regering in geval van uitzonderlijke weersomstandigheden bepalen dat het vanggewas slechts moet worden ingezaaid voor 10 september van hetzelfde jaar; 2° in de periode van 16 augustus tot en met 15 november en vanaf 16 januari tot en met 15 februari op voorwaarde dat er een gewas aanwezig is.In afwijking hiervan mogen in de periode vanaf 1 september tot en met 15 oktober deze meststoffen opgebracht worden als er een gewas ingezaaid wordt uiterlijk de zevende dag na het opbrengen van de meststoffen. In afwijking van het vierde lid, is het voor een focusbedrijf met maatregelen van categorie 1 toegelaten meststoffen type 3, waarvan de stikstofinhoud laag is op te brengen op grasland in de periode van 1 september tot 15 november en vanaf 16 januari tot en met 15 februari. De hoeveelheid meststoffen type 3 waarvan de stikstofinhoud laag is, die in de periode vanaf 1 september tot en met 15 november opgebracht wordt, samen met de hoeveelheid die in de daarop volgende periode vanaf 16 januari tot en met 15 februari opgebracht wordt, is beperkt tot 30 kg stikstof per hectare waarvan maximaal 10 kg minerale stikstof. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt, op percelen met als hoofdteelt grasland, het scheuren van de hoofdteelt grasland beschouwd als het oogsten van de hoofdteelt. Voor de toepassing van deze paragraaf worden percelen grasland, waar het grasland geteeld wordt voor zaaizaadvermeerdering, als akkers beschouwd. § 10. De kwalificaties als focusbedrijf met maatregelen van categorie 1, van categorie 2 of van categorie 3 als vermeld in paragraaf 3, en de toekenning van vrijstellingen als vermeld in paragraaf 5 gebeuren van rechtswege. De Mestbank vermeldt de kwalificaties en de vrijstellingen op het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De landbouwer kan tegen deze kwalificaties en deze vrijstellingen bezwaar indienen uiterlijk op 15 maart van het betrokken jaar. In afwijking hiervan wordt, als voor een bepaald bedrijf op 15 februari van een bepaald jaar de kwalificatie of vrijstelling nog niet vermeld wordt op het door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket, voor de betrokken landbouwer de termijn om bezwaar in te dienen verlengd tot de dertigste dag nadat de kwalificatie of vrijstelling voor zijn bedrijf op het internetloket vermeld werd. Het bezwaar moet per aangetekende brief gericht worden aan het afdelingshoofd van de Mestbank. Het afdelingshoofd van de Mestbank neemt een beslissing binnen 90 dagen vanaf de afgifte op de post van de aangetekende brief, vermeld in het eerste lid. De beslissing wordt aan de indiener van het bezwaar ter kennis gebracht via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De indiening van een bezwaar schorst de aangevochten beslissing niet. § 11. De Vlaamse Regering kan nadere regels voor de toepassing van dit artikel stellen, onder meer met betrekking tot de inhoud van de verschillende maatregelen, vermeld in paragraaf 6 tot en met 8, en de wijze waarop de naleving van deze maatregelen gestaafd moet worden, de wijze waarop een bemestingsplan als vermeld in paragraaf 7, 6°, en paragraaf 8, 6°, en een bodembalans voor tuinbouw als vermeld in paragraaf 7, 7°, en paragraaf 8, 7°, moet opgemaakt, onderbouwd en bijgehouden worden, en op welke wijze de resultaten van de nitraatresidubepalingen aan de Mestbank overgemaakt moeten worden. De Vlaamse Regering kan bepalen dat, in het kader van de verplichting van het inzaaien van een vanggewas als vermeld in paragraaf 8, 3°, voor het bepalen van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, er ook geen rekening gehouden wordt met andere types landbouwgrond dan landbouwgronden die permanent overkapt zijn of waarop een blijvende teelt wordt verbouwd. § 12. De Vlaamse Regering kan bepalen dat bij een overdracht, een overname, een opsplitsing of een wijziging van de bedrijfsstructuur van een bedrijf, de kwalificaties als focusbedrijf met maatregelen van categorie 1, van categorie 2 of van categorie 3 als vermeld in paragraaf 3, en de toekenning van een vrijstelling als vermeld in paragraaf 5, aan beide bedrijven of aan één van beide bedrijven toegekend worden.". Art. 10.Artikel 15 van hetzelfde decreet, opgeheven door het decreet van 6 mei 2011Relevante gevonden documenten type decreet prom. 06/05/2011 pub. 13/05/2011 numac 2011035366 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van het Mestdecreet van 22 december 2006 sluiten, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing: "Art. 15.§ 1. Voor het uitvoeren van een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau moeten er in een bepaald jaar op een minimaal aantal tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond nitraatresidubepalingen uitgevoerd worden. De resultaten van de in dat jaar uitgevoerde nitraatresidubepalingen worden vervolgens getoetst aan drie criteria. Op basis van deze drie toetsingscriteria wordt het bedrijf in een bepaalde categorie ingedeeld. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op alle nitraatresidu-evaluaties op bedrijfsniveau die uitgevoerd moeten worden in uitvoering van dit decreet. § 2. Een bedrijf dat, in een bepaald jaar, een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uitvoert, laat in dat jaar: 1° op minimaal drie tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, het nitraatresidu bepalen.Voor bedrijven met minder dan drie tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, die samen een oppervlakte hebben van minder dan vier hectare, volstaat het om het nitraatresidu te bepalen op alle tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond; 2° minimaal op één perceel het nitraatresidu bepalen, per nitraatresidutype als vermeld in de tabel in artikel 14, § 1, tweede lid, dat op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing is. Een bedrijf dat, in een bepaald jaar, een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uitvoert, laat in dat jaar een aantal nitraatresidubepalingen uitvoeren dat minimaal gelijk is aan de vierkantswortel van het aantal hectares landbouwgrond die in het betreffend jaar tot het bedrijf behoren. Als het resultaat van de vierkantswortel geen geheel getal is wordt er afgerond naar het lagere gehele getal. § 3. De Mestbank duidt de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond aan waarvan het nitraatresidu moet bepaald worden. Voor het beoordelen van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau wordt enkel rekening gehouden met de resultaten van de door de Mestbank aangeduide percelen en met de resultaten van de nitraatresidubepalingen die de Mestbank heeft laten uitvoeren op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond. Als bij een landbouwer het nitraatresidu is bepaald van al zijn tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, wordt, in afwijking hiervan, voor het beoordelen van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau, rekening gehouden met de resultaten van al de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond. Als op een door de Mestbank aangeduid perceel meerdere nitraatresidubepalingen uitgevoerd worden, dan wordt met al deze nitraatresidubepalingen rekening gehouden bij de evaluatie. § 4. De resultaten van de uitgevoerde nitraatresidubepalingen worden beoordeeld op basis van de volgende drie criteria: 1° het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen vergeleken met het gewogen gemiddelde van de eerste en tweede nitraatresidudrempelwaarden overeenkomstig de nitraatresidutypes als vermeld in de tabel in artikel 14, § 1, tweede lid, die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn;2° het aantal nitraatresidubepalingen die de tweede nitraatresidudrempelwaarde overschrijden;3° het aantal teelttypes als vermeld in de tabel in artikel 14, § 1, tweede lid, waarvoor het gemiddelde van alle nitraatresidubepalingen voor het betreffende teelttype de tweede nitraatresidudrempelwaarde overschrijdt. Voor elk nitraatresidutype dat op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing is, wordt het aantal hectares, tot op twee cijfers na de komma, bepaald waarop dat nitraatresidutype van toepassing is. Dit getal wordt vermenigvuldigd met het resultaat van de nitraatresidubepaling uitgevoerd op een perceel waarop dit nitraatresidutype van toepassing is. Als voor één nitraatresidutype er meerdere nitraatresidubepalingen zijn uitgevoerd op percelen waarop dit nitraatresidutype van toepassing is, wordt eerst het gemiddelde bepaald van de verschillende nitraatresidumetingen, alvorens dit te vermenigvuldigen met het aantal betrokken hectares. Nadat voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, de vermenigvuldiging is gebeurd, worden de bekomen getallen opgeteld en vervolgens gedeeld door het aantal hectares landbouwgrond die in het betreffende jaar tot het bedrijf behoren. Het resultaat van deze deling is het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen als vermeld in het eerste lid, 1°. Voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, wordt het aantal hectares, tot op twee cijfers na de komma, bepaald waarop dat nitraatresidutype van toepassing is. Dit getal wordt vermenigvuldigd met de overeenkomstige eerste nitraatresidudrempelwaarde voor het betrokken nitraatresidutype. Nadat voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, de vermenigvuldiging is gebeurd, worden de bekomen getallen opgeteld en vervolgens gedeeld door het aantal hectares landbouwgrond die in het betreffende jaar tot het bedrijf behoren. Het resultaat van deze deling is de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het betrokken bedrijf in het betreffende jaar als vermeld in het eerste lid, 1°. Voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, wordt het aantal hectares, tot op twee cijfers na de komma, bepaald waarop dat nitraatresidutype van toepassing is. Dit getal wordt vermenigvuldigd met de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde voor het betrokken nitraatresidutype. Nadat voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, de vermenigvuldiging is gebeurd, worden de bekomen getallen opgeteld en vervolgens gedeeld door het aantal hectares landbouwgrond die in het betreffende jaar tot het bedrijf behoren. Het resultaat van deze deling is de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het betrokken bedrijf in het betreffende jaar als vermeld in het eerste lid, 1°. Als er voor een nitraatresidutype dat op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing is, geen resultaat van een nitraatresidubepaling uitgevoerd op een perceel waarop dit nitraatresidutype van toepassing is, beschikbaar is, wordt voor het bepalen van het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen en van de gewogen gemiddelde eerste en tweede nitraatresidudrempelwaarde voor het betrokken bedrijf, geen rekening gehouden met het aantal hectares, tot op twee cijfers na de komma, waarop dat nitraatresidutype van toepassing is. Als er voor eenzelfde teelttype twee nitraatresidutypes op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, wordt het gemiddelde van alle nitraatresidubepalingen, uitgevoerd op een perceel waarop dit teelttype van toepassing is, bepaald. Vervolgens wordt voor elk van beide nitraatresidutypes, het aantal nitraatresidubepalingen uitgevoerd op een perceel waarop het betreffende nitraatresidutype van toepassing is, vermenigvuldigd met de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde. Beide getallen worden opgeteld en gedeeld door het aantal nitraatresidubepalingen uitgevoerd op een perceel waarop dit teelttype van toepassing is. Als het resultaat van deze deling lager is dan het gemiddelde van alle nitraatresidubepalingen uitgevoerd op een perceel waarop dit teelttype van toepassing is, is er voor het betreffende teelttype een overschrijding van de tweede nitraatresidudrempelwaarde. § 5. De beoordeling van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau, op basis van de drie criteria, vermeld in paragraaf 4, leidt tot een classificatie van de betrokken bedrijven, in vier categorieën, met name categorie nul, categorie I, categorie II en categorie III. Een bedrijf wordt in een bepaald jaar als categorie nul geclassificeerd als het gewogen gemiddelde van de in het vorige jaar bepaalde nitraatresidu 's kleiner dan of gelijk is aan de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf. Een bedrijf wordt in een bepaald jaar als categorie I geclassificeerd als, voor wat betreft de in het vorige jaar bepaalde nitraatresidu's, voldaan is aan de volgende voorwaarden: 1° het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen is groter dan de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf en kleiner dan of gelijk aan de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf;2° maximaal een derde van de nitraatresidubepalingen overschrijden de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde en voor maximaal één teelttype overschrijdt het gemiddelde van de overeenkomstige nitraatresidubepalingen de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde. Een bedrijf wordt in een bepaald jaar als categorie II geclassificeerd als, voor wat betreft de in het vorige jaar bepaalde nitraatresidu's, voldaan is aan de volgende voorwaarden: 1° het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen is groter dan de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf en kleiner dan of gelijk aan de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf;2° er is niet voldaan aan de voorwaarde, vermeld in het vorige lid, 2°. Een bedrijf wordt in een bepaald jaar als categorie III geclassificeerd als het gewogen gemiddelde van de in het vorige jaar bepaalde nitraatresidu's groter is dan de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf. § 6. De classificaties in de categorieën nul, I, II en III als vermeld in paragraaf 5, gebeuren van rechtswege. De Mestbank vermeldt de classificaties op het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De landbouwer kan tegen deze classificaties bezwaar indienen uiterlijk op 15 maart van het betrokken jaar. In afwijking hiervan wordt, als voor een bepaald bedrijf op 15 februari van een bepaald jaar de classificatie nog niet vermeld wordt op het door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket, voor de betrokken landbouwer de termijn om bezwaar in te dienen, verlengd tot de dertigste dag nadat de classificatie voor zijn bedrijf op het internetloket vermeld werd. Het bezwaar moet per aangetekende brief gericht worden aan het afdelingshoofd van de Mestbank. Het afdelingshoofd van de Mestbank neemt een beslissing binnen 90 dagen vanaf de afgifte op de post van de aangetekende brief, vermeld in het eerste lid. De beslissing wordt aan de indiener van het bezwaar ter kennis gebracht via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De indiening van een bezwaar schorst de aangevochten beslissing niet. § 7. Voor de toepassing van de artikelen 14 en 15 wordt rekening gehouden met alle nitraatresidubepalingen die, in uitvoering van dit decreet of een andere wetgeving, uitgevoerd zijn op een perceel of op percelen waarop, in toepassing van de artikelen 14 en 15, een nitraatresidubepaling wordt genomen of moet worden genomen. Het erkend laboratorium dat een nitraatresidubepaling uitvoert, in toepassing van de artikelen 14 en 15, stelt de Mestbank, uiterlijk de werkdag voor de bemonstering, hiervan in kennis, via de door de Mestbank ter beschikking gestelde webapplicatie. § 8. De Vlaamse Regering kan nadere regels voor de toepassing van dit artikel stellen, onder meer met betrekking tot de wijze waarop de resultaten van de nitraatresidubepalingen aan de Mestbank overgemaakt moeten worden. De Vlaamse Regering kan bepalen dat bij een overdracht, een overname, een opsplitsing of een wijziging van de bedrijfsstructuur van een bedrijf, de classificaties in de categorieën nul, I, II en III als vermeld in paragraaf 5, aan beide bedrijven of aan één van beide bedrijven toegekend worden.". Art. 11.Artikel 17 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 23 december 2010 en 6 mei 2011, wordt vervangen door wat volgt: "Art. 17.§ 1. De fosfaatbemestingsnorm voor landbouwgronden gelegen in fosfaatverzadigde gebieden bedraagt 40 kg P2O5 per hectare en per jaar. § 2. De Vlaamse Regering bakent de fosfaatverzadigde gebieden af op basis van een inventarisatie van de bemonstering van percelen waarvoor met een probabiliteit van 95 % de kritische grenswaarde voor fosfaatdoorslag van 35 % profielgemiddelde fosfaatverzadigingsgraad overschreden is. § 3. Voor een perceel gelegen in een fosfaatverzadigd gebied waarvan op grond van een analyse zou blijken dat het niet fosfaatverzadigd is, gelden de bepalingen van paragraaf 1 niet. In dit geval vallen de kosten van de analyse ten laste van de Mestbank. § 4. Als voor een perceel gelegen in een fosfaatverzadigd gebied, een bodemanalyse is uitgevoerd, voor de bepaling van de hoeveelheid plantbeschikbare fosfaat in de bodem, op basis waarvan het betreffend perceel als klasse III of lager is ingedeeld, overeenkomstig artikel 13, § 3, wordt het perceel als niet fosfaatverzadigd beschouwd en gelden de bepalingen van paragraaf 1 niet. § 5. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast en bepaalt de wijze waarop de resultaten van de analyse als vermeld in paragraaf 3, aan de Mestbank overgemaakt moeten worden.". Art. 12.In artikel 18, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten 19 december 2008 en 6 mei 2011, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt: "Op landbouwgronden die voor een deel gelegen zijn in meerdere gebieden met verschillende bemestingsregels of bemestingsnormen of die in verschillende klassen als vermeld in artikel 13, § 3, ingedeeld zijn, worden voor het bepalen van de van toepassing zijnde bemestingsregels en voor de beperkingen voor fosfaat, werkzame stikstof, stikstof, stikstof uit dierlijke mest, stikstof uit andere meststoffen en stikstof uit kunstmest, de bepalingen die van toepassing zijn op het grootste gedeelte van het perceel van toepassing op het volledige perceel.". Art. 13.Artikel 19 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 6 mei 2011 en 28 februari 2014, wordt vervangen door wat volgt: "Art. 19.Op steile hellingen moeten meststoffen op de volgende wijze op of in de bodem gebracht worden: 1° op beteelde steile hellingen is voor het op of in de bodem brengen van vloeibare dierlijke mest of vloeibare andere meststoffen, zode-injectie of mestinjectie verplicht;2° op niet-beteelde steile hellingen is voor het op of in de bodem brengen van dierlijke mest, andere meststoffen en kunstmest, mestinjectie of directe onderwerking in één werkgang verplicht.In afwijking hiervan moeten vaste dierlijke mest, vaste andere meststoffen en kunstmest in vaste vorm binnen het uur na de aanwending ondergewerkt worden. Het op of in de bodem brengen van meststoffen, met uitzondering van rechtstreekse uitscheiding door begrazing, is verboden op percelen landbouwgrond met een gemiddeld stijgingspercentage hoger dan of gelijk aan 15 %. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen.". Art. 14.In artikel 22, § 1, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 28 februari 2014Relevante gevonden documenten type decreet prom. 28/02/2014 pub. 25/03/2014 numac 2014035336 bron vlaamse overheid Decreet houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur sluiten, worden het derde tot en met het vijfde lid vervangen door wat volgt: "In afwijking van het tweede lid, worden de volgende meststoffen niet-emissiearm opgebracht: 1° spuistroom, gft-compost of groencompost;2° vloeibare dierlijke mest en vloeibare andere meststoffen met een drogestofgehalte van maximaal 2 % die een lager gehalte hebben aan ammoniakale stikstof dan 1 kg NH4-N per 1 000 l of 1 kg NH4-N per 1 000 kg;3° stalmest of champost die:
  6. a)op grasland opgebracht wordt;
  7. b)gebruikt wordt voor bepaalde houtige teelten;
  8. c)in het voorjaar opgebracht wordt op landbouwgronden waarop wintergranen geteeld worden;4° vaste dierlijke mest arm aan ammoniakale stikstof en vaste andere meststoffen arm aan ammoniakale stikstof die gebruikt wordt voor bepaalde houtachtige teelten. In afwijking van het tweede lid, 3°, worden de vaste dierlijke mest en vaste andere meststoffen die arm zijn aan ammoniakale stikstof binnen 24 uur na de opbrenging ingewerkt. Om gebruik te maken van de afwijking, vermeld in het derde lid, 2°, moet de Mestbank een attest hebben afgegeven dat bij de toediening van de meststoffen aanwezig is. Het attest wordt alleen afgegeven voor meststoffen waarvan het gehalte aan ammoniakale stikstof, vermeld in het derde lid, 2°, bewezen is volgens een analyse, uitgevoerd door een erkend laboratorium. De kosten van de analyse zijn voor rekening van de aanvrager.". Art. 15.In artikel 23 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 12 december 2008, 23 december 2010, 6 mei 2011 en 28 februari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in § 1, eerste lid, wordt punt 1° vervangen door wat volgt: "1° de landbouwer die:
  9. a)een bedrijf heeft met een productie aan dierlijke mest groter dan of gelijk aan 300 kg P2O5;
  10. b)een bedrijf heeft waarvan op de verschillende exploitaties die deel uitmaken van het bedrijf, in het jaar in kwestie op een bepaald ogenblik gezamenlijk meer dan 300 kg P2O5 uit dierlijke mest opgeslagen was;
  11. c)een bedrijf heeft waarvan de verschillende exploitaties die deel uitmaken van het bedrijf, in het kalenderjaar in kwestie op een bepaald ogenblik gezamenlijk een oppervlakte landbouwgrond groter dan of gelijk aan 2 ha in gebruik hebben;
  12. d)een bedrijf heeft waarvan de verschillende exploitaties die deel uitmaken van het bedrijf, in het kalenderjaar in kwestie op een bepaald ogenblik gezamenlijk een effectieve oppervlakte groeimedium voor het telen van gewassen groter dan of gelijk aan 50 a hebben;
  13. e)een bedrijf heeft waarvan de verschillende exploitaties die deel uitmaken van het bedrijf, in het jaar in kwestie op een bepaald ogenblik gezamenlijk een oppervlakte permanent overkapte landbouwgrond groter dan of gelijk aan 50 a in gebruik hebben;
  14. f)als actieve landbouwer gekend is in het GBCS, vermeld in artikel 2, 14°, van het decreet van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037097 bron vlaamse overheid Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen type decreet prom. 22/12/2006 pub. 22/01/2007 numac 2007035045 bron vlaamse overheid Decreet houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037088 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007 sluiten houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid, en geen verklaring heeft ingediend als vermeld in paragraaf 3, waaruit blijkt dat zijn bedrijf niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in
  15. a)tot en met e);"; 2° in § 1, tweede lid, wordt het woord "c)" vervangen door het woord "d)"; 3° in paragraaf 3 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt: "De Vlaamse Regering kan bepaalde landbouwers, die niet aangifteplichtig zijn overeenkomstig paragraaf 1, verplichten om een verklaring af te leggen."; 4° de paragrafen 5 tot en met 7 worden vervangen door wat volgt: " § 5.Elke aangifteplichtige landbouwer als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, doet elk jaar, per exploitatie, aangifte van de volgende gegevens: 1° het aantal standplaatsen van de dieren, vermeld in artikel 27, die konden gehouden worden op 1 januari van het lopende kalenderjaar;2° per diercategorie, het gemiddeld aantal dieren vermeld in artikel 27, die gehouden zijn in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte.De dieren die behoren tot de diersoort rundvee moeten niet vermeld worden; 3° de opslagcapaciteit van mest op 1 januari van het lopende kalenderjaar, uitgedrukt in m®;4° de opgeslagen hoeveelheid mest op 1 januari van het lopende kalenderjaar uitgedrukt in m® en de samenstelling ervan uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide;5° het gebruik van kunstmest op eigen landbouwgronden gelegen in het Vlaamse Gewest, in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide;6° de aanduiding op cartografisch materiaal van al de tot de exploitatie behorende landbouwgronden, woningen, inrichtingsgebouwen en daarbij horende voorzieningen;7° een aanduiding, in de verzamelaanvraag, van al de tot de exploitatie behorende landbouwgronden, van de gebouwen en andere verharde oppervlakten, en van de volledige tot de exploitatie behorende oppervlakte groeimedium;8° alle elementen die nodig zijn voor de onderbouwing van de nutriëntenbalans met betrekking tot het kalenderjaar voorafgaand aan de aangifte, als de landbouwer, in dat kalenderjaar, gebruikgemaakt heeft van een nutriëntenbalansstelsel als vermeld in artikel 25;9° de hoeveelheid dierlijke mest, inclusief rechtstreekse uitscheiding bij begrazing, andere meststoffen en kunstmest, uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide, die in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte, is afgezet op eigen landbouwgrond buiten het Vlaamse Gewest;10° de productie aan voedingswater uitgedrukt in m® en de samenstelling ervan uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte;11° de productie aan spuistroom uitgedrukt in m® en de samenstelling ervan uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte. De Vlaamse Regering kan deze lijst aanvullen of wijzigen. § 6. De personeelsleden van de Vlaamse Landmaatschappij, de door haar erkende mestvoerders, de derden waarop de Vlaamse Landmaatschappij voor de uitoefening van haar taken een beroep doet, alsmede eenieder die in welke hoedanigheid ook kennis krijgen van de gegevens en inlichtingen, verzameld in uitvoering van dit decreet, zijn gehouden tot geheimhouding ervan. Deze geheimhoudingsverplichting doet geen afbreuk aan de regeling inzake openbaarmaking van milieu-informatie, vermeld in hoofdstuk II Passieve Openbaarheid, van het decreet van 26 maart 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 26/03/2004 pub. 01/07/2004 numac 2004036026 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de openbaarheid van bestuur sluiten betreffende de openbaarheid van bestuur. Deze geheimhoudingsverplichting is niet van toepassing voor uitwisselingen van gegevens met instanties als vermeld in artikel 4, § 1, 2°, van het decreet van 26 maart 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 26/03/2004 pub. 01/07/2004 numac 2004036026 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de openbaarheid van bestuur sluiten betreffende de openbaarheid van bestuur. De Vlaamse Landmaatschappij mag de gegevens met betrekking tot de gemiddelde veebezetting als vermeld in paragraaf 1, 1°, overmaken aan de OVAM, die deze gegevens mag gebruiken in het kader van haar bevoegdheden rond de ophaling en verwerking van krengen. § 7. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast betreffende de aangifte, vermeld in dit artikel, en stelt onder meer vast welke gegevens aangegeven dienen te worden, de wijze waarop deze gegevens aangegeven dienen te worden en de wijze waarop de gemiddelde veebezetting berekend wordt. De Vlaamse Regering kan hiervoor ook binnen eenzelfde type van aangifteplichtigen als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, een onderscheid maken. De Vlaamse Regering kan de verplichting tot aangifte als vermeld in paragraaf 1, 6°, beperken tot bepaalde producenten, invoerders of verkopers van diervoeders. De Vlaamse Regering kan de verplichting tot aangifte als vermeld in paragraaf 1, 5°, beperken tot bepaalde producenten, verdelers, importeurs of exporteurs van kunstmest.". Art. 16.In artikel 24 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2008, 23 december 2010 en 28 februari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° aan paragraaf 1 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt: "In afwijking van het eerste en het tweede lid kan de Vlaamse Regering ook voor andere dieren dan runderen bepalen dat er geen of slechts een beperkt register moet bijgehouden worden of dat voor het bepalen van de gemiddelde veebezetting andere informatiebronnen dan louter het register, vermeld in het eerste lid, gebruikt worden."; 2° aan paragraaf 5 wordt de volgende zin toegevoegd: "De Vlaamse Regering kan de verplichting tot het bijhouden van de in dit artikel bedoelde registers, beperken tot bepaalde types registerplichtigen als vermeld in dit decreet.". Art. 17.In artikel 26 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2008Relevante gevonden documenten type decreet prom. 19/12/2008 pub. 12/03/2009 numac 2009200924 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van het Mestdecreet van 22 december 2006 en houdende wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen type decreet prom. 19/12/2008 pub. 29/12/2008 numac 2008036457 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009 sluiten, wordt paragraaf 4 opgeheven. Art. 18.In artikel 27 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 12 december 2008, 19 december 2008, 6 mei 2011 en 28 februari 2014 en bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 april 2009Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 03/04/2009 pub. 09/06/2009 numac 2009035462 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de nadere regels inzake het nutriëntenbalansstelsel als vermeld in artikel 25 van het Mestdecreet sluiten, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de tabel, vermeld in paragraaf 1, wordt voor zoogkoeien als vermeld onder punt 1° RUNDVEE,
  16. b)Mestvee, het getal "28" vervangen door het getal "25";2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt: " § 3.De Vlaamse Regering kan de lijst, vermeld in paragraaf 1, aanvullen of wijzigen.". Art. 19.Artikel 28 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 12 december 2008 en 23 december 2010, wordt vervangen door wat volgt: "Art. 28.§ 1. Als de landbouwer overeenkomstig de bepalingen van artikel 25, heeft geopteerd voor het forfaitaire stelsel, wordt voor een bepaald kalenderjaar, voor een bedrijf het mestoverschot bepaald als de som van de mestoverschotten van de verschillende exploitaties die tot het bedrijf behoren. Hierbij houdt men eveneens rekening met de negatieve mestoverschotten van de exploitaties. Het mestoverschot van een bepaalde exploitatie: 1° uitgedrukt in kg P2O5, wordt bepaald als de op de exploitatie geproduceerde hoeveelheid P2O5 uit dierlijke mest, verminderd met de hoeveelheid P2O5 uit dierlijke mest die op basis van de gegevens in de verzamelaanvraag voor dat kalenderjaar op de oppervlakte landbouwgronden van de exploitatie, mocht worden opgebracht als vermeld in dit decreet.De op de exploitatie geproduceerde hoeveelheid P2O5 uit dierlijke mest, is het product van de gemiddelde veebezetting in de exploitatie gedurende dat kalenderjaa

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.