Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs
In het kort
Dit Koninklijk besluit regelt alles omtrent het rijbewijs, inclusief de oprichting van een centraal bestand voor rijbewijzen en de verplichting voor gemeenten om gegevens hierover te verstrekken.
Wat het reguleert
- De oprichting van een centraal bestand voor rijbewijzen en scholingsdocumenten.
- De verplichting voor gemeentebesturen om rijbewijsgegevens te verstrekken aan de Minister van wegveiligheid via het Rijksregister.
- De gegevens die in het centrale bestand worden opgenomen.
- De bewaartermijn van gegevens in het centrale bestand.
Wie het betreft
- Personen die een rijbewijs bezitten of een scholingsdocument hebben.
- Gemeentebesturen die gegevens over rijbewijzen moeten verstrekken.
Kernpunten
- Er wordt een centraal bestand voor rijbewijzen en scholingsdocumenten opgericht binnen het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur.
- Gemeentebesturen zijn verplicht om via het Rijksregister gegevens over rijbewijzen te verstrekken aan de Minister van wegveiligheid.
- Gegevens over het verval van het recht tot sturen, herstelonderzoeken en maatregelen die het verval beëindigen, worden zonder tijdsbeperking bewaard, wat in strijd kan zijn met artikel 619 van het Wetboek van Strafvordering.
- Veroordelingen tot politiestraffen en bepaalde correctionele straffen worden na 3 jaar uitgewist, tenzij de gevolgen van de vervallenverklaring of ontzetting langer duren.
Wettekst
23 MAART 1998. - Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs ADVIES NR. 24/97 VAN 11 SEPTEMBER 1997 VAN DE COMMISSIE VOOR DE BESCHERMING VAN DE PERSOONLIJKE LEVENSSFEER Betreft : Ontwerp van koninklijk besluit betreffende het rijbewijs en ontwerp van koninklijk besluit houdende de verplichting voor de gemeentebesturen aan de Minister tot wiens bevoegdheid de wegveiligheid behoort, gegevens te verstrekken betreffende het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs, via de diensten van het Rijksregister van de natuurlijke personen De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, Gelet op de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, inzonderheid artikel 29; Gelet op de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, inzonderheid artikel 6, gewijzigd bij de wet van 15 januari 1990; Gelet op de adviesaanvraag van 18 juli 1997 van de Staatssecretaris voor de Veiligheid, Maatschappelijke Integratie en Leefmilieu; Gelet op het verslag van de heer C. Voet; Brengt op 11 september 1997 het volgende advies uit : I. Voorwerp van de adviesaanvraag : 1. De ontwerpen van koninklijke besluiten, die aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer voor advies worden voorgelegd strekken tot :
- a)de oprichting van een centraal bestand rijbewijzen en scholingsdocumenten;
- b)de verplichting voor de gemeentebesturen aan de Minister tot wiens bevoegdheid de wegveiligheid behoort, gegevens te verstrekken betreffende het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs, via de diensten van het Rijksregister van de natuurlijke personen. II. Onderzoek van de adviesaanvraag : A. Oprichting van een centraal bestand De Commissie maakt de volgende opmerkingen : 1. Artikel 74 van het ontwerp van koninklijk besluit voorziet de oprichting, binnen het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur van een centraal bestand. Het artikel 74 bevat een opgave van de gegevens die het bestand zal bevatten. De Commissie maakt bezwaar daar waar volgens het artikel 74, 1° het centraal bestand, naast de naam, voornamen, adres, land van verblijf, geboorteplaats en -datum, geslacht, nationaliteit, NlS-code van de gemeente eveneens het identificatienummer bij het Rijksregister wordt vermeld. Er wordt daartoe geen enkele motivering verstrekt. 2. Artikel 77 bepaalt : « de gegevens bedoeld in artikel 74, 1° tot 6° worden bewaard zonder tijdsbeperking.» Worden dus ook bedoeld : « de gegevens betreffende het verval van het recht tot sturen, van de herstelonderzoeken in het recht tot sturen van de maatregelen die een einde stellen aan het verval van het recht tot sturen en van de onmiddellijke intrekkingen. » (artikel 74, 3°) Dit bewaren zonder tijdsbeperking is in strijd met het artikel 619 van het Wetboek van Strafvordering inzake de uitwissing van veroordelingen. Het artikel 619 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt inderdaad : « Veroordelingen tot politiestraffen, veroordelingen tot correctionele hoofdgevangenisstraffen van ten hoogste 6 maanden, veroordelingen tot correctionele geldstraffen van ten hoogste 500 frank en tot geldstraffen, ongeacht hun bedrag, opgelegd krachtens het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, worden uitgewist na verloop van drie jaar, vanaf de dag van de rechterlijke eindbeslissing waarbij ze zijn uitgesproken. Het vorig lid is niet van toepassing op veroordelingen die vervallenverklaringen of ontzettingen inhouden waarvan de gevolgen zich over meer dan drie jaar verstrekken, tenzij het gaat om veroordelingen die het verval inhouden van het recht tot sturen wegens lichamelijke ongeschiktheid, uitgesproken op grond van de bepalingen van het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer. » Uitwissing van veroordelingen heeft de gevolgen van herstel in eer en rechten en brengt mee dat de uitgewiste veroordeling niet meer mag worden vermeld o.m. in het strafregister. B. Verplichting van de gemeentebesturen. 1. Het ontwerp van koninklijk besluit voorziet de verplichting in hoofde van de gemeentebesturen « door bemiddeling van het Rijksregister van de natuurlijke personen, aan de Minister tot wiens bevoegdheid de wegveiligheid behoort of aan zijn gemachtigde, de inlichtingen te verstrekken, bedoeld in artikel 58 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs, met uitzondering van 9°.» Het betreft de gegevens die voorkomen op de inlichtingenfiche en de voorlopige inlichtingenfiche, die de daartoe bevoegde overheid dient bij te houden. De uitzondering van artikel 9 betreft de vervallenverklaringen van het recht tot sturen bedoeld in artikel 66 van het ontwerp van koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. 2. De rechtsgrond van deze verplichting is terug te vinden in artikel 6 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.3. De Commissie heeft geen bezwaar tegen de voorgestelde tekst. De secretaris, (get.) J. PAUL De voorzitter, (get.) P. THOMAS. 3 MAART 1998. - Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op het Internationaal Verdrag nopens het wegverkeer en bijlagen, ondertekend te Genève op 19 september 1949, en op de Europese Overeenkomst houdende aanvulling van het Verdrag nopens het wegverkeer en het Protocol nopens de verkeerstekens van 1949, ondertekend te Genève op 16 september 1950, beide goedgekeurd bij de wet van 1 april 1954; Gelet op het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap, goedgekeurd bij de wet van 2 december 1957, inzonderheid op de artikelen 75 en 189; Gelet op het Verdrag inzake het wegverkeer, en Bijlagen, opgemaakt te Wenen op 8 november 1968 en op de Europese Overeenkomst, en Bijlage tot aanvulling van dit Verdrag, opgemaakt te Genève op 1 mei 1971, goedgekeurd bij de wet van 30 september 1988; Gelet op de richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs, gewijzigd door de richtlijnen van de Raad 96/47/EG van 23 juli 1996 en 97/26/EG van 2 juni 1997; Gelet op de beschikking van de Commissie van 10 juli 1996 betreffende een afwijking van de bepalingen van bijlage III van de richtlijn 91/439/ EEG van de Raad; Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, ondertekend te Porto op 2 mei 1992 en goedgekeurd bij de wet van 18 maart 1993, op het Protocol tot aanpassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, ondertekend te Brussel op 17 maart 1993 en goedgekeurd bij de wet van 22 juli 1993, en op de beslissing van het gemengd Comité van de EER nr 7/94 van 21 maart 1994 tot wijziging van het protocol 47 en bepaalde bijlagen van het akkoord van de EER; Gelet op de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, gewijzigd bij de wetten van 12 juli 1973, 9 juni 1975, 9 juli 1976, 14 juli 1976, het koninklijk besluit nr. 140 van 30 december 1982, de wetten van 29 februari 1984, 21 juni 1985, 18 juli 1990, 20 juli 1991, 8 december 1992 en 4 augustus 1996; Gelet op de wet van 18 februari 1969Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/02/1969 pub. 25/04/2012 numac 2012000279 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg, gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1985, 21 juni 1985 en 28 juli 1987; Gelet op de wet van 18 juli 1990 tot wijziging van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968 en van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, inzonderheid op artikel 39; Gelet op het koninklijk besluit van 1 december 1975Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 01/12/1975 pub. 14/07/2014 numac 2014000537 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, inzonderheid op artikel 8, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 25 maart 1987 en 18 juli 1991 en artikel 59.2, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 18 september 1991 en 29 mei 1996; Overwegende dat de Gewestregeringen zijn betrokken bij het ontwerpen van dit besluit; Gelet op het advies van de inspecteur van financiën van 29 oktober 1997; Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting van 6 november 1997; Gelet op het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer; Gelet op het advies van de Commissie der Europese Gemeenschappen; Gelet op het besluit van de Ministerraad van 7 november 1997 over de adviesaanvraag binnen een termijn van een maand; Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 14 januari 1998, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Onze Minister van Volksgezondheid, Onze Minister van Buitenlandse Zaken, Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Onze Minister van Justitie, Onze Minister van Landsverdediging en Onze Staatssecretaris voor Veiligheid en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : TITEL I. - Definities Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° « wet », de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968;2° « Minister », de Minister tot wiens bevoegdheid de verkeersveiligheid behoort;3° « motorvoertuig », elk zichzelf over de weg voortbewegend voertuig uitgerust met een motor anders dan een voertuig dat op rails wordt voortbewogen. Worden niet beschouwd als motorvoertuig, rijwielen waaraan een elektrische hulpmotor is bevestigd die slechts kan werken als de pedalen worden gebruikt en waarvan het vermogen niet hoger mag zijn dan 0,3 kW; 4° « bromfiets » :
- a)ofwel een « bromfiets klasse A », dit wil zeggen elk twee- of driewielig voertuig uitgerust met een motor met inwendige verbranding waarvan de cilinderinhoud ten hoogste 50 cm3;bedraagt, of met een elektrische motor en dat naar bouw en motorvermogen, op een horizontale weg, niet sneller kan rijden dan 25 km per uur;
- b)ofwel een « bromfiets klasse B », dit wil zeggen : - elk twee- of driewielig voertuig uitgerust met een motor met inwendige verbranding en waarvan de cilinderinhoud ten hoogste 50 cm3 bedraagt, of met een elektrische motor en dat naar bouw en motorvermogen, op een horizontale weg, niet sneller kan rijden dan 45 km per uur, met uitsluiting van de bromfietsen klasse A; - elk vierwielig voertuig uitgerust met een motor waarvan de cilinderinhoud ten hoogste 50 cm3 bedraagt voor de motoren met elektrische ontsteking of, voor de andere typen motoren, met een netto- maximumvermogen van ten hoogste 4 kW en dat naar bouw en motorvermogen, op een horizontale weg, niet sneller kan rijden dan 45 km per uur. De maximale lege massa van de driewielige bromfietsen is beperkt tot 270 kg; deze van de vierwielige bromfietsen tot 350 kg; voor de elektrische voertuigen geldt die massa evenwel zonder de batterijen; 5° « motorfiets », elk tweewielig motorvoertuig met of zonder zijspanwagen en dat niet beantwoordt aan de bepaling van de bromfiets; 6° « driewieler met motor », elk driewielig motorvoertuig dat niet beantwoordt aan de bepaling van de bromfiets en waarvan de maximale ledige massa niet meer dan 1.000 kg bedraagt; 7° « vierwieler met motor », elk vierwielig motorvoertuig, andere dan die welke als bromfietsen worden beschouwd, met een lege massa van ten hoogste 400 kg of 550 kg voor voertuigen gebruikt voor het goederenvervoer en met een netto-maximumvermogen van de motor van ten hoogste 15 kW.Voor de elektrische voertuigen geldt die massa zonder de batterijen; 8° « auto », elk motorvoertuig, bromfietsen en motorrijwielen uitgezonderd, dat gewoonlijk wordt gebruikt voor het vervoer van personen of goederen over de weg, of om voertuigen voor het vervoer van personen of goederen over de weg voort te trekken.Deze term omvat mede trolleybussen, dat wil zeggen voertuigen die in verbinding staan met een elektrische leiding en niet rijden op spoorstaven; hij heeft geen betrekking op landbouw- en bosbouwtrekkers; 9° « landbouw- en bosbouwtrekkers », elk motorvoertuig op wielen of rupsbanden, met ten minste twee assen, voornamelijk bestemd voor tractiedoeleinden en in het bijzonder ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde werktuigen, machines of aanhangwagens die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, en die slechts bijkomstig voor personen- of goederenvervoer over de weg of voor het trekken van voertuigen van personen- of goederenvervoer over de weg worden gebruikt;10° « voertuig uitgerust met een automatische schakeling », elk voertuig waarbij de overbrengingsverhouding tussen motor en wielen slechts door het bedienen van het gas- en rempedaal wordt gewijzigd. Voertuigen met een elektrische motor en voertuigen die uitgerust zijn met een koppeling die functioneert zonder dat de bestuurder hoeft in te grijpen, meer bepaald voertuigen met een half-automatische schakeling, worden daarmee gelijkgesteld; 11° « gewone verblijfplaats », de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont. De gewone verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats dan zijn persoonlijke bindingen heeft en daardoor afwisselend op verschillende plaatsen in twee of meer Staten verblijft, wordt evenwel geacht zich op dezelfde plaats als zijn persoonlijke bindingen te bevinden, op voorwaarde dat hij daar op geregelde tijden terugkeert. Deze laatste voorwaarde vervalt, wanneer de betrokkene voor een opdracht van een bepaalde duur in een andere Staat verblijft. Het volgen van onderwijs aan een universiteit of een school impliceert niet dat de gewone verblijfplaats is verplaatst; 12° « rijschool », elke rijschool, erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen;13° « Europees rijbewijs », elk rijbewijs bedoeld bij artikel 23, § 2, 1° van de wet, afgegeven door een Lid-Staat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte. TITEL II. - Indeling van de motorvoertuigen in categorieën voor de toepassing van de bepalingen betreffende het recht tot sturen Art. 2.§ 1. Voor de toepassing van de wets- en verordeningsbepalingen betreffende het recht tot sturen, worden de motorvoertuigen ingedeeld in categorieën : 1° Categorie A3 : bromfietsen. Aan de voertuigen van deze categorie mag een aanhangwagen gekoppeld worden, behalve als het gaat om een bromfiets met drie of vier wielen; 2° Categorie A : motorfietsen met of zonder zijspan. Aan de voertuigen van deze categorie mag een aanhangwagen gekoppeld worden, behalve aan een motorfiets met zijspan; 3° Categorie B : - auto's met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 3.500 kg en met ten hoogste acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend; aan de auto's van deze categorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 750 kg; - samenstellen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie B en een aanhangwagen, waarbij de maximale toegelaten massa van het samenstel niet meer dat 3.500 kg bedraagt en de maximale toegelaten massa van de aanhangwagen niet groter is dan de ledige massa van het trekkende voertuig. De drie- en vierwielers met motor behoren eveneens tot deze categorie; 4° Categorie B+E : samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie B en een aanhangwagen, waarvan het samenstel niet onder de categorie B valt;5° Categorie C : andere auto's dan die van categorie D, met een maximale toegelaten massa van meer dan 3500 kg;aan de auto's van deze categorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld waarvan de maximale toegelaten massa niet meer dan 750 kg bedraagt; 6° Categorie C+E : samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie C en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg;7° Categorie D : auto's bestemd voor personenvervoer, met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend;aan de auto's van deze categorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 750 kg. De voertuigen met vouwbalg omschreven in artikel 1, § 2, 9 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 15/03/1968 pub. 16/03/2005 numac 2005000019 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de motorvoertuigen en hun aanhangwagens moeten voldoen. - Duitse vertaling type koninklijk besluit prom. 15/03/1968 pub. 03/06/2014 numac 2014014295 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen, behoren eveneens tot deze categorie; 8° Categorie D+E : samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie D en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg. § 2. Binnen de categorieën C, C+E, D en D+E worden de volgende subcategorieën gecreëerd : 1° Subcategorie C1 : andere auto's dan die van categorie D, waarvan de maximale toegelaten massa meer dan 3.500 kg, doch ten hoogste 7.500 kg bedraagt; aan de auto's van deze subcategorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 750 kg; 2° Subcategorie C1+E : samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van subcategorie C1 en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg, mits de maximale toegelaten massa van het aldus gevormde samenstel ten hoogste 12.000 kg bedraagt en de maximale toegelaten massa van de aanhangwagen de ledige massa van het trekkende voertuig niet overschrijdt; 3° Subcategorie D1 : auto's bestemd voor personenvervoer, met meer dan acht doch niet meer dan zestien zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend;aan de auto's van deze subcategorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 750 kg; 4° Subcategorie D1+E : samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van subcategorie D1 en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg, mits de maximale toegelaten massa van het aldus gevormde samenstel ten hoogste 12.000 kg bedraagt en de maximale toegelaten massa van de aanhangwagen de ledige massa van het trekkende voertuig niet overschrijdt en de aanhangwagen niet wordt gebruikt om personen te vervoeren. § 3. Motorvoertuigen die rijden op de openbare weg en die niet behoren tot één van de categorieën of subcategorieën gedefinieerd in de §§ 1 en 2, zoals het verrijdbare landbouw- of bedrijfsmaterieel, worden ingedeeld bij de categorie B of C of de subcategorie C1 naargelang hun maximale toegelaten massa. TITEL III. - Het rijbewijs HOOFDSTUK I. - Toepassingsveld Art. 3.§ 1. Een Belgisch rijbewijs kunnen verkrijgen : 1° de personen die ingeschreven zijn in het bevolkingsregister, in het vreemdelingenregister of het wachtregister van een Belgische gemeente en die houder zijn van een van de volgende in België afgegeven geldige documenten :
- a)de identiteitskaart van Belg of voor vreemdeling;
- b)het bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister;
- c)de verblijfskaart van onderdaan van een Lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschappen;
- d)het attest van immatriculatie;2° de personen die het bewijs leveren van hun inschrijving in een Belgische onderwijsinstelling gedurende een periode van ten minste zes maanden en die houder zijn van het geldige verblijfsdocument bedoeld in bijlage 33 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/10/1981 pub. 12/03/2008 numac 2008000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;3° de personen die houder zijn van een van de volgende in België afgegeven geldige documenten :
- a)de diplomatieke identiteitskaart;
- b)de consulaire identiteitskaart;
- c)de bijzondere identiteitskaart. § 2. De personen bedoeld in § 1, 1° mogen slechts een motorvoertuig besturen op basis van een Belgisch rijbewijs of op basis van een onder de voorwaarden van artikel 27, 2°, afgegeven Europees rijbewijs, geldig voor de categorie of de subcategorie waartoe het voertuig behoort. De overige bestuurders van motorvoertuigen moeten houder zijn van een Belgisch, een Europees of een buitenlands rijbewijs, nationaal of internationaal, dat afgegeven is onder de voorwaarden die inzake internationaal wegverkeer van toepassing zijn en geldig is voor de categorie of subcategorie waartoe het voertuig behoort. Die bestuurders dienen een zodanig rijbewijs bij zich te hebben. De bestuurders, houder van een Europees rijbewijs of van een nationaal of internationaal buitenlands rijbewijs moeten de leeftijd bereikt hebben die vereist is overeenkomstig de bepalingen van artikel 18 voor de afgifte van rijbewijzen. Art. 4.Zijn ontslagen van de verplichting houder te zijn van een rijbewijs en het bij zich te hebben : 1° de bestuurders die overeenkomstig de bepalingen van dit besluit het praktische examen afleggen of met het oog daarop een scholing volgen. Deze vrijstelling geldt eveneens wanneer zij zich naar het examencentrum begeven om het examen af te leggen en ervan terugkeren voor :
- a)de bestuurders die vervallenverklaard zijn van het recht tot sturen en die het praktische examen moeten afleggen voorgeschreven in artikel 38 van de wet;
- b)de houders van een buitenlands rijbewijs bedoeld in artikel 5, § 2, 2°;2° de leerlingen van een rijschool die met bijstand van een instructeur een voertuig besturen dat bestemd is voor het onderricht;3° de kandidaten die deelnemen aan het praktische examen bepaald in artikel 48, § 2, derde lid.Deze vrijstelling geldt tevens om zich naar het examencentrum te begeven teneinde er examen af te leggen en ervan terug te keren; 4° de bestuurders van voertuigen van de categorie D of D+E en van de subcategorie D1 of D1+E, in dienst van de ondernemingen voor openbaar vervoer, die de opleiding volgen die door deze ondernemingen wordt verstrekt en waarvan het programma door de Minister wordt goedgekeurd;5° de kandidaten, die met het oog op het behalen van het rijbewijs geldig voor de categorie C, C+E, D of D+E of voor de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E, de opleiding volgen waarvan het programma is goedgekeurd door de Minister en georganiseerd wordt door :
- a)« l'Office communautaire et régional de la Formation professionnelle et de l'Emploi »;
- b)de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;
- c)het « Institut bruxellois francophone pour la formation professionnelle »;6° de leden van de politiemachten die kandidaat zijn voor een rijbewijs geldig voor de categorieën A3, A, D of D+E voor de subcategorie D1 of D1+E, gedurende de scholing in een politieschool, waarvan het programma is goedgekeurd door de Minister;7° de kandidaten die met het oog op het behalen van een rijbewijs geldig voor de categorieën B, B+E, C, C+E en voor de subcategorieën C1 en C1+E of voor de categorieën B, B+E, D, D+E en voor de subcategorieën D1 en D1+E in de derde graad van het secundaire beroepsonderwijs de opleiding « bestuurders van vrachtwagens » of « bestuurders van autobussen en autocars » volgen waarvan het programma door de Minister is goedgekeurd;8° de bestuurders die houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een Belgisch militair rijbewijs geldig voor het besturen van legervoertuigen die zij gemachtigd zijn te besturen krachtens dit document.Deze vrijstelling geldt eveneens tijdens de scholing en het examen met het oog op het behalen van dit rijbewijs; 9° de leden van de rijkswacht die kandidaat zijn voor het rijbewijs geldig voor de categorie A3, A, B, B+E, C, C+E, D of D+E of voor de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E gedurende de scholing die zij volgen in een school van de rijkswacht, waarvan het programma goedgekeurd is door de Minister;10° de bestuurders van bromfietsen;deze vrijstelling geldt niet voor de bestuurders van bromfietsen klasse B die geboren zijn na 14 februari 1961 en die houder zijn van een der documenten bedoeld in artikel 3, § 1; 11° de bestuurders van landbouwtrekkers en van voertuigen die ingeschreven zijn als landbouwmaterieel, als landbouwmotor of als maaimachine, die van de hoeve naar het veld rijden en omgekeerd;12° de bestuurders, geboren vóór 1 oktober 1982, van landbouw- of bosbouwtrekkers en van voertuigen voor traag vervoer omschreven in artikel 1, § 2, 15 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 15/03/1968 pub. 16/03/2005 numac 2005000019 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de motorvoertuigen en hun aanhangwagens moeten voldoen. - Duitse vertaling type koninklijk besluit prom. 15/03/1968 pub. 03/06/2014 numac 2014014295 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen;13° de gehandicapten die een voertuig besturen uitgerust met een motor die niet toelaat zich sneller dan stapvoets voort te bewegen;14° de bestuurders van een motorvoertuig hen ter beschikking gesteld door het centrum bedoeld in artikel 45, waartoe zij zich hebben gewend voor het bepalen van hun geschiktheid voor het besturen van een motorvoertuig, alsmede om te vernemen welke aanpassingen aan hun eigen voertuig moeten worden aangebracht, gedurende de test op de openbare weg. HOOFDSTUK II. - De scholing Afdeling I. - Algemeenheden Art. 5.§ 1. Elke kandidaat voor het rijbewijs moet een scholing doorlopen : 1° hetzij door, in een rijschool, het praktische onderricht bedoeld in artikel 15 te volgen.De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B moet bovendien een aanvullende scholing volgen op basis van een voorlopig rijbewijs model 1 of model 2, overeenkomstig de nadere regels voorgeschreven in afdeling II of op basis van een leervergunning, overeenkomstig de nadere regels voorgeschreven in afdeling III; 2° hetzij op basis van een voorlopig rijbewijs model 3, overeenkomstig de nadere regels voorgeschreven in afdeling II. De kandidaat die houder is van een rijbewijs met de vermelding « automatisch » moet, om een rijbewijs te behalen waarop deze vermelding niet voorkomt, een scholing doorlopen hetzij door het volgen van het praktische onderricht bedoeld in artikel 15, hetzij op basis van een voorlopig rijbewijs model 3, overeenkomstig de nadere regels voorgeschreven in afdeling II. § 2. Zijn evenwel vrijgesteld van de scholing voorgeschreven in de § 1 : 1° de houders van een Belgisch militair rijbewijs bedoeld in artikel 27, 1°;2° de houders van een Europees of een buitenlands rijbewijs, bedoeld in artikel 23, § 2, 1° van de wet, dat ten minste geldig is voor dezelfde categorie of subcategorie van voertuigen of voor een categorie of subcategorie als die waarvoor de geldigverklaring wordt gevraagd;3° de kandidaten bedoeld in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7° en 9° voor de categorie"en of subcategorieën die door deze bepalingen worden bedoeld. Afdeling II. - Voorlopig rijbewijs Art. 6.De scholing op basis van een voorlopig rijbewijs is aan de volgende voorwaarden onderworpen : 1° De kandidaat :
- a)moet beantwoorden aan de in artikel 3, § 1 bedoelde voorwaarden om een rijbewijs te verkrijgen;
- b)moet op de datum van de afgifte van het voorlopige rijbewijs, sinds minder dan drie jaar geslaagd zijn voor het theoretische examen bedoeld in artikel 23, §1, 4° van de wet of ervan vrijgesteld zijn krachtens artikel 28;
- c)moet houder zijn van een Belgisch of Europees rijbewijs geldig : - voor de categorie B wanneer het gaat om een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie C of D of voor de subcategorie C1 of D1; - voor het besturen van het overeenstemmende trekkende voertuig wanneer het gaat om een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B+E, C+E of D+E of voor de subcategorie C1+E of D1+E;
- d)mag niet vervallen zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen van de categorie waarvoor het voorlopige rijbewijs is aangevraagd en moet geslaagd zijn voor de onderzoeken die eventueel krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd;
- e)moet voldoen aan de bepalingen van artikel 41 of van artikel 42;
- f)mag geen houder geweest zijn van een voorlopig rijbewijs afgegeven na 31 december 1988, geldig voor dezelfde categorie of subcategorie van voertuigen. Dit verbod is evenwel niet van toepassing : - op de houder van een voorlopig rijbewijs model 1 of model 3 geldig voor de categorie B, die een voorlopig rijbewijs model 2 wil behalen, alsmede op de houder van een voorlopig rijbewijs model 2, die een voorlopig rijbewijs model 1 of model 3 wil behalen. De scholing die gevolgd werd op basis van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie B wordt, in geval van afgifte van een ander voorlopig rijbewijs geldig voor deze categorie, in aanmerking genomen voor het berekenen van de termijn voorgeschreven in artikel 34, tweede lid; - op de houder van een rijbewijs met de vermelding « automatisch », die een voorlopig rijbewijs model 3 wil behalen voor het aanleren van het besturen van een voertuig van dezelfde categorie of subcategorie, uitgerust met een handschakeling; - op de houder van een rijbewijs of een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie A dat de vermelding « A H 25 kW of H 0,16 kW/kg » draagt, voor het behalen van een voorlopig rijbewijs voor het aanleren van het besturen van motorfietsen met een vermogen van meer dan 25 kW of met een vermogen / gewichtsverhouding van meer dan 0,16 kW/kg;
- g)moet, in een rijschool, het praktische onderricht bedoeld in artikel 15 gevolgd hebben : - als het gaat om een kandidaat voor een voorlopig rijbewijs model 1 of model 2; - als het gaat om een kandidaat voor een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie A, tenzij hij houder is van een rijbewijs, bedoeld in artikel 19, § 2;
- h)moet de leeftijd bereikt hebben van 16 jaar voor de categorie A3, van 18 jaar voor de categorieën A, B, B+E, C en C+E en voor de subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E en van 21 jaar voor de categorieën D en D+E;
- i)moet houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een nog geldig voorlopig rijbewijs;
- j)moet vergezeld zijn van een begeleider die beantwoordt aan de in 3° voorgeschreven voorwaarden en die vermeld is op het voorlopige rijbewijs.Deze beperking is niet van toepassing op de houder van een voorlopig rijbewijs model 3 geldig voor de categorie A3 of A of van een voorlopig rijbewijs model 2; 2° Het voertuig :
- a)moet behoren tot de categorie of subcategorie van voertuigen waarvoor het voorlopige rijbewijs geldig verklaard is;
- b)mag geen andere personen vervoeren dan deze bedoeld in artikel 9. Voor de categorieën A3 en A is elk vervoer van personen verboden;
- c)mag in commercieel verband geen goederen vervoeren.Als de bestuurder evenwel houder is van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie C of C+E of voor de subcategorie C1 of C1+E, mag het voertuig een lading hebben waarvan het gewicht de helft van het nuttige laadvermogen van het voertuig of het samenstel niet overschrijdt;
- d)moet op de achterzijde en op een duidelijk zichtbare plaats uitgerust zijn met het teken « L », waarvan het model is bepaald door de Minister;
- e)mag geen aanhangwagen trekken als het voorlopige rijbewijs geldig verklaard is voor de categorie A, B, C of D of voor de subcategorie C1 of D1;
- f)moet, tenzij de bestuurder houder is van een voorlopig rijbewijs model 2, voorzien zijn van : - als het gaat om een voertuig van de categorie B dat niet uitgerust is met een gesloten koetswerk, achteruitkijkspiegels binnen in het voertuig zodanig geplaatst dat de bestuurder en de begeleider ieder een voldoende uitzicht hebben op het verkeer van achter en van links; - als het gaat om een voertuig van de categorie B uitgerust met een gesloten koetswerk of een voertuig van de categorie B+E, C, C+E, D, D+E of van de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E, van rechtse buitenspiegels zodanig geplaatst dat de bestuurder en de begeleider een voldoende uitzicht hebben op het verkeer van achter en van rechts; - als het gaat om een voertuig van de categorie B of B+E, een parkeerrem gemakkelijk bereikbaar door de begeleider, tenzij het gaat om een voertuig dat speciaal aangepast is aan de handicap van de bestuurder of wanneer het gaat om een voertuig uitgerust met ten minste een bedrijfsreminrichting met twee remmen, zodanig dat de kandidaat en de begeleider ze ieder afzonderlijk kunnen bedienen terwijl de doelmatigheid voorgeschreven voor deze inrichting volledig behouden blijft; 3° De begeleider :
- a)moet beantwoorden aan de in artikel 3, § 1, bedoelde voorwaarden om een rijbewijs te verkrijgen;
- b)moet op de datum van de afgifte van het voorlopige rijbewijs geldig voor de categorie B, B+E, C of C+E of voor de subcategorie C1 of C1+E de leeftijd van 24 jaar hebben bereikt en op de datum van de afgifte van het voorlopige rijbewijs geldig voor de categorie D of D+E of voor de subcategorie D1 of D1+E de leeftijd van 27 jaar;
- c)moet sedert ten minste zes jaar houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een Belgisch of Europees rijbewijs geldig om het voertuig te besturen aan boord waarvan hij de kandidaat vergezelt.De bestuurder die overeenkomstig artikel 44, § 5 of artikel 45, enkel een speciaal aan zijn handicap aangepast voertuig mag besturen, mag niet als begeleider bij de scholing optreden;
- d)mag niet vervallen zijn of geweest zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen.Dit verbod is evenwel niet van toepassing bij uitwissing van de veroordeling of bij herstel in eer en rechten en op voorwaarde dat er voldaan is aan de onderzoeken die eventueel krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd;
- e)mag tijdens de laatste drie jaar niet : - veroordeeld geweest zijn wegens overtreding van de artikelen 30, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 47, 48 of 49 van de wet; - meer dan driemaal veroordeeld geweest zijn voor een zware overtreding door de Koning aangewezen op grond van artikel 29 van de wet;
- f)mag, behalve voor dezelfde kandidaat, niet op een ander voorlopig rijbewijs of leervergunning als begeleider vermeld geweest zijn binnen het jaar vóór de afgifte van het voorlopige rijbewijs. Dit verbod is niet van toepassing : - op zijn eigen kinderen of pleegkinderen of die van zijn echtgenoot; - op de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie C, C+E, D of D+E of voor de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E, hetzij wanneer de begeleider en de kandidaat bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zijn ingeschreven als personeelsleden van dezelfde onderneming die haar bestuurders zelf opleidt, hetzij wanneer de begeleider en de kandidaat prestaties verrichten in een brandweerdienst bedoeld in de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming;
- g)moet vooraan in het voertuig plaatsnemen. Art. 7.Het voorlopige rijbewijs stemt overeen met de modellen van bijlage 2. Het voorlopige rijbewijs wordt afgegeven : 1° aan de personen bedoeld in artikel 3, § 1, 1° en 3°,
- b)en c), door de burgemeester van de gemeente of door diens gemachtigde waar de aanvrager ingeschreven of vermeld is in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister;2° aan de personen bedoeld in artikel 3, § 1, 2° door de burgemeester van de gemeente of door diens gemachtigde die de bijlage 33 heeft afgegeven;3° aan de personen bedoeld in artikel 3, § 1, 3°, a), door de Minister van Buitenlandse Zaken of zijn gemachtigde. Het voorlopige rijbewijs wordt uitgereikt tegen afgifte van een degelijk ingevulde aanvraag om een voorlopig rijbewijs en op vertoon van het bewijs dat voldaan is aan de voorwaarden voorgeschreven bij artikel 6, 1°, b), c), e),
- g)en 3°, f), tweede streepje. Het model van de aanvraag om een voorlopig rijbewijs en van het attest voorgelegd door de kandidaat die artikel 6, 3°, f), tweede streepje inroept, wordt bepaald door de Minister. Art. 8.§ 1. Het voorlopige rijbewijs model 1 is negen maanden geldig, het voorlopige rijbewijs model 2 is zes maanden geldig en het voorlopige rijbewijs model 3 is twaalf maanden geldig. De geldigheid van een voorlopig rijbewijs kan niet verlengd worden behalve in het geval voorgeschreven in § 6, 2°. § 2. De overheid die het voorlopige rijbewijs afgeeft, maakt het geldig voor een van de categorieën A3, A, B, B+E, C, C+E, D of D+E of een van de subcategorieën C1, C1+E, D1 of D1+E. Het voorlopige rijbewijs model 1 of model 2 wordt slechts geldig gemaakt voor de categorie B. Het voorlopige rijbewijs afgegeven voor het aanleren van het besturen van een voertuig van de categorie A wordt enkel geldig verklaard voor het besturen van motorfietsen met een vermogen van minder of gelijk aan dan 25 kW of met een vermogen / gewichtsverhouding van minder of gelijk aan 0,16 kW/kg indien de kandidaat minder dan 21 jaar is of indien de kandidaat de lessen bedoeld in artikel 15, tweede lid, 3°,
- a)gevolgd heeft met een dergelijk voertuig. § 3. Het voorlopige rijbewijs is slechts geldig voor het aanleren van het besturen van voertuigen van de categorie of subcategorie waarvoor het geldig verklaard is. De voorwaarden en de beperkingen die voorkomen op de attesten bedoeld in artikel 41, § 4, 44, § 5 en 45 worden aangebracht op het voorlopige rijbewijs in de vorm van de codes bepaald in bijlage 7. § 4. Ieder voorlopig rijbewijs dat is afgegeven hoewel niet was voldaan aan de voorwaarden die in deze afdeling voor de afgifte ervan gesteld worden, is nietig. In dat geval wordt het voorlopige rijbewijs aan de in artikel 7 vermelde overheid teruggegeven. § 5. Het voorlopige rijbewijs verliest zijn geldigheid : 1° wanneer er niet meer voldaan is aan de voorwaarden bedoeld in deze afdeling;2° bij het verstrijken van de geldigheidstermijn van het document;3° wanneer er een ander voorlopig rijbewijs wordt afgegeven, behalve wanneer een van de documenten geldig verklaard is voor de categorie A3 of A;4° als er een rijbewijs wordt afgegeven, geldig voor dezelfde categorie of subcategorie van voertuigen als deze waarvoor het voorlopige rijbewijs geldig verklaard is. Het voorlopige rijbewijs dat zijn geldigheid verloren heeft, wordt teruggegeven aan de overheid bedoeld in artikel 7. § 6. In afwijking van de bepalingen van § 5, verliest het voorlopige rijbewijs evenwel zijn geldigheid niet : 1° als een van de op het voorlopige rijbewijs vermelde begeleiders niet langer één van de in artikel 6, 3° vermelde voorwaarden vervult. In dit geval, moet de kandidaat veranderen van begeleider overeenkomstig de bepalingen van § 7; 2° als de houder van het voorlopige rijbewijs vervallen verklaard is van het recht om een motorvoertuig van de categorie of subcategorie te besturen waarvoor het document is geldig verklaard.In dit geval, wordt de geldigheid van het document opgeschort tot het einde van de vervalperiode en, in voorkomend geval, tot het slagen voor de onderzoeken die krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd. Bij teruggave van het document, overeenkomstig artikel 68, verlengt de overheid, bedoeld in artikel 7, de geldigheid van het voorlopige rijbewijs met een termijn die gelijk is aan de periode gedurende dewelke de geldigheid van het document opgeschort is geweest. § 7. Een tweede begeleider, die voldoet aan de voorwaarden bepaald in het artikel 6, 3° mag door de overheid bedoeld in artikel 7 op het voorlopige rijbewijs vermeld worden hetzij op het ogenblik van de afgifte hetzij tijdens de scholing. In geval van verandering van begeleider tijdens de scholing wordt een nieuw voorlopig rijbewijs afgegeven door de overheid bedoeld in artikel 7; dit nieuwe document heeft dezelfde uiterste geldigheidsdatum als het oorspronkelijk voorlopige rijbewijs. Art. 9.De kandidaat van minder dan 24 jaar mag niet sturen van tweeëntwintig uur tot zes uur 's anderendaags op vrijdag, zaterdag, zondag, op de vooravond van de wettelijke feestdagen en op de wettelijke feestdagen. De houder van een voorlopig rijbewijs model 2 mag vergezeld zijn van een persoon, die ten minste 24 jaar oud is en houder van, en tevens bij zich heeft, een Belgisch of Europees rijbewijs, geldig voor ten minste de categorie B. In dat geval, mag één persoon meer in het voertuig plaats nemen. De houder van een voorlopig rijbewijs model 1 of model 3 mag, naast de begeleider, vergezeld zijn van één andere persoon. Afdeling III. - Leervergunning Art. 10.De scholing op basis van een leervergunning is aan de volgende voorwaarden onderworpen : 1° De kandidaat :
- a)moet beantwoorden aan de in artikel 3, § 1, bedoelde voorwaarden om een rijbewijs te verkrijgen;
- b)moet in een rijschool het theoretische en het praktische onderricht gevolgd hebben, bedoeld in de artikelen 14 en 15, tweede lid, 6° en geslaagd zijn voor het theoretische examen bedoeld in artikel 23, § 1, 4° van de wet of ervan vrijgesteld zijn krachtens artikel 28;
- c)mag niet vervallen zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen van de categorie B en moet geslaagd zijn voor de onderzoeken die eventueel krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd;
- d)moet voldoen aan de bepalingen van artikel 41;
- e)moet op het ogenblik van de afgifte van de leervergunning de leeftijd van ten minste 17 jaar bereikt hebben en mag de leeftijd van 18 jaar niet overschreden hebben;
- f)mag niet eerder houder geweest zijn van een leervergunning;
- g)moet houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een nog geldige leervergunning;
- h)moet vergezeld zijn van een begeleider die beantwoordt aan de in 3° voorgeschreven voorwaarden en die vermeld is op de leervergunning;2° Het voertuig :
- a)moet behoren tot de categorie B;
- b)mag, behalve de begeleider vermeld op de leervergunning, slechts één andere persoon vervoeren;
- c)mag in commercieel verband geen goederen vervoeren;
- d)moet op de achterzijde en op een duidelijk zichtbare plaats uitgerust zijn met het teken « L », waarvan het model bepaald is door de Minister;
- e)moet voorzien zijn van : - achteruitkijkspiegels binnen in het voertuig zodanig geplaatst dat de bestuurder en de begeleider ieder een voldoende uitzicht hebben op het verkeer van achter en van links of, als het voertuig uitgerust is met een gesloten koetswerk, rechtse buitenspiegels zodanig geplaatst dat de bestuurder en de begeleider ieder een voldoende uitzicht hebben op het verkeer van achter en van rechts; - een parkeerrem gemakkelijk bereikbaar door de begeleider, tenzij het gaat om een voertuig dat speciaal aangepast is aan de handicap van de bestuurder of wanneer het gaat om een voertuig uitgerust met ten minste een bedrijfsreminrichting met twee remmen, zodanig dat de kandidaat en de begeleider ze ieder afzonderlijk kunnen bedienen terwijl de doelmatigheid voorgeschreven voor deze inrichting volledig behouden blijft;
- f)mag geen aanhangwagen trekken;3° De begeleider :
- a)moet beantwoorden aan de in artikel 3, § 1 bedoelde voorwaarden om een rijbewijs te verkrijgen;
- b)moet op de datum van de afgifte van de leervergunning de leeftijd van ten minste 24 jaar bereikt hebben;
- c)moet sedert, ten minste zes jaar, houder zijn van een Belgisch of een Europees rijbewijs geldig voor ten minste de categorie B en het tevens bij zich hebben.De bestuurder die overeenkomstig artikel 44, § 5 of artikel 45, enkel een speciaal aan zijn handicap aangepast voertuig mag besturen, mag niet als begeleider bij de scholing optreden;
- d)mag niet vervallen zijn of geweest zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen.Dit verbod is evenwel niet van toepassing bij uitwissing van de veroordeling of bij herstel in eer en rechten op voorwaarde dat er voldaan is aan de onderzoeken die eventueel krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd;
- e)mag tijdens de laatste drie jaar niet : - veroordeeld geweest zijn wegens overtreding van de artikelen 30, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 47, 48 of 49 van de wet; - meer dan driemaal veroordeeld geweest zijn voor een zware overtreding door de Koning aangewezen op grond van artikel 29 van de wet;
- f)mag, behalve voor dezelfde kandidaat, niet als begeleider vermeld geweest zijn op een andere leervergunning of op een voorlopig rijbewijs binnen het jaar vóór de afgifte van de leervergunning.Dit verbod is niet van toepassing op zijn eigen kinderen of pleegkinderen of die van zijn echtgenoot;
- g)moet de in artikel 15, tweede lid, 6°, bedoelde lesuren gevolgd hebben, tenzij in het in artikel 12, § 6, derde lid, bedoelde geval;
- h)moet vooraan in het voertuig plaatsnemen. Art. 11.De leervergunning stemt overeen met het model van bijlage 3. De leervergunning wordt afgegeven door de overheid bedoeld in artikel 7, tegen afgifte van een degelijk ingevulde aanvraag om een leervergunning en op vertoon van het bewijs dat voldaan is aan de voorwaarden van het artikel 10, 1°,
- b)en
- d)en 3°, g). Het model van de aanvraag om een leervergunning wordt bepaald door de Minister. Art. 12.§ 1. De leervergunning is achttien maanden geldig. De geldigheid van de leervergunning mag niet verlengd worden behalve in het geval voorgeschreven in § 5, 2°. § 2. De leervergunning is maar geldig voor het aanleren van het besturen van voertuigen van de categorie B. De voorwaarden en de beperkingen die voorkomen op de attesten bedoeld in artikel 41, § 4 en 45, worden in de vorm van de codes, bepaald in bijlage 7, weergegeven op de leervergunning. § 3. Iedere leervergunning die is afgegeven hoewel niet was voldaan aan de voorwaarden die in deze afdeling voor de afgifte ervan gesteld worden, is nietig. In dat geval, wordt de leervergunning aan de in artikel 7 vermelde overheid teruggegeven. § 4. De leervergunning verliest haar geldigheid : 1° wanneer er niet meer voldaan is aan de voorwaarden bedoeld in deze afdeling;2° bij het verstrijken van de geldigheidstermijn van het document;3° wanneer een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie B wordt afgegeven;4° als er een rijbewijs wordt afgegeven, geldig voor dezelfde categorie van voertuigen als deze waarvoor de leervergunning geldig verklaard is. De leervergunning die haar geldigheid verloren heeft, wordt teruggegeven aan de overheid bedoeld in artikel 7. § 5. In afwijking van de bepalingen van § 4, verliest de leervergunning evenwel haar geldigheid niet : 1° als een van de op de leervergunning vermelde begeleiders, één van de in artikel 10, 3° voorgeschrevene voorwaarden niet meer vervult.In dit geval, moet de kandidaat veranderen van begeleider overeenkomstig de bepalingen van § 6; 2° als de houder van de leervergunning vervallen verklaard is van het recht om een motorvoertuig van de categorie B te besturen.In dit geval, wordt de geldigheid van het document opgeschort tot het einde van de vervalperiode en, in voorkomend geval, tot het slagen voor de onderzoeken die krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd. Bij de teruggave van het document overeenkomstig artikel 68 verlengt de overheid, bedoeld in artikel 7, de geldigheid van de leervergunning met een termijn die gelijk is aan de periode gedurende dewelke de geldigheid van het document opgeschort is geweest. § 6. Een tweede begeleider, die voldoet aan de voorwaarden bepaald in het artikel 10, 3°, mag door de overheid bedoeld in artikel 7 op de leervergunning vermeld worden hetzij op het ogenblik van de afgifte ervan hetzij tijdens de scholing. In geval van verandering van begeleider tijdens de scholing dient een nieuwe leervergunning afgegeven te worden door de overheid bedoeld in artikel 7; dit nieuw document heeft dezelfde uiterste geldigheidsdatum als de oorspronkelijke leervergunning. De begeleider, die vermeld wordt tijdens de scholing, moet de praktische lessen bedoeld in artikel 15, tweede lid, 6°, niet volgen; hij moet daarentegen de praktische lessen bedoeld in artikel 15, tweede lid, 1°,
- j)volgen indien de andere begeleider vermeld op de leervergunning deze lessen niet gevolgd heeft. Art. 13.De kandidaat mag niet sturen van tweeëntwintig uur tot zes uur 's anderendaags op vrijdag, zaterdag, zondag, op de vooravond van de wettelijke feestdagen en op de wettelijke feestdagen. Afdeling IV Theoretisch en praktisch onderricht verstrekt door de rijscholen Art. 14.Het theoretische onderricht verstrekt door de rijscholen omvat de stof bedoeld in bijlage 4. Het theoretische onderricht heeft een minimumduur van : 1° zes uren voor de voorbereiding op het theoretische examen voor de categorieën A3, C en D en voor de subcategorieën C1 en D1;2° twaalf uren voor de voorbereiding op het theoretische examen voor de categorieën A en B. Art. 15.Het praktische onderricht verstrekt door de rijscholen omvat de stof voorgeschreven in bijlage 5. Het praktische onderricht heeft een minimumduur van : 1° twee uren :
- a)voor de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A3 die de scholing volgt in een rijschool;
- b)voor de kandidaat, houder van een Belgisch of Europees rijbewijs met de vermelding « automatisch » voor een bepaalde categorie of subcategorie van voertuigen, die een rijbewijs wenst te behalen geldig voor dezelfde categorie of subcategorie en waarop die vermelding niet voorkomt;
- c)voor de houder van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie A die het praktische examen wenst af te leggen met een instructeur afkomstig uit een rijschool;
- d)voor de kandidaat die, na het minimum aantal uren praktisch onderricht dat in dit artikel voorgeschreven is, gevolgd te hebben, zich voor het afleggen van het examen tot een andere zetel van deze school of tot een andere school wendt;
- e)voor de houder van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie A3 of A of van een voorlopig rijbewijs afgegeven met het oog op de opheffing van de vermelding « automatisch » die tweemaal niet geslaagd is voor het praktische examen;
- f)voor de houder van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie A3 of A of van een voorlopig rijbewijs afgegeven met het oog op de opheffing van de vermelding « automatisch » waarvan de geldigheidsduur verstreken is;
- g)voor de houder van een voorlopig rijbewijs model 1 of model 2;
- h)voor de kandidaat bedoeld in artikel 72, § 5, als voorbereiding op het praktische examen tot het herstel in het recht tot sturen van de voertuigen van de categorie A3;
- i)voor de houder van een Belgisch of Europees rijbewijs geldig voor het besturen van motorfietsen met een vermogen dat minder of gelijk is aan 25 kW of met een vermogen / gewichtsverhouding van minder of gelijk aan 0,16 kW/kg die een rijbewijs geldig voor het besturen van alle voertuigen van de categorie A wenst te behalen;
- j)voor de houder van een leervergunning, vergezeld van de begeleider of begeleiders vermeld op de leervergunning;2° vier uren :
- a)voor de houder van een voorlopig rijbewijs model 3 geldig voor de categorie B, B+E, C, C+E, D of D+E of de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E die tweemaal niet geslaagd is voor het praktische examen;
- b)voor de houder van een voorlopig rijbewijs model 3, geldig voor de categorie B die zich voor het praktische examen wenst te melden met een instructeur afkomstig van een rijschool;3° zes uren :
- a)voor de kandidaat die een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie A wenst te behalen;
- b)als voorbereiding op de test bedoeld in artikel 4, 14°;4° acht uren :
- a)voor de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A, B+E, C, C+E, D of D+E of voor de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E die de scholing volgt in een rijschool;
- b)voor de houder van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie B, B+E, C, C+E, D of D+E of voor de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E waarvan de geldigheidsduur verstreken is;
- c)voor de kandidaat die een voorlopig rijbewijs model 1 wenst te behalen;
- d)voor de houder van een leervergunning waarvan de geldigheid verstreken is;
- e)voor de kandidaat bedoeld in artikel 72, § 5, als voorbereiding op het praktische examen tot herstel in het recht tot sturen van voertuigen van de categorie A;5° tien uren : voor de kandidaat bedoeld in artikel 72, § 5 als voorbereiding op het praktische examen tot herstel in het recht tot sturen van de voertuigen van de categorie B;6° twaalf uren : voor de kandidaat die een leervergunning wenst te verkrijgen, waarvan de laatste twee uren moeten gevolgd worden, samen met de op de leervergunning vermelde begeleider of begeleiders;7° achttien uren : voor de kandidaat die een voorlopig rijbewijs model 2 wenst te verkrijgen. Art. 16.De verplichting tot het volgen van het aantal uren voorgeschreven in de artikelen 14 en 15 is niet van toepassing op de houders van een Belgisch, een Europees of een buitenlands rijbewijs bedoeld in artikel 23, § 2, 1° van de wet, van een voorlopig rijbewijs of van een leervergunning, die lessen volgen om hun rijvaardigheid tot het sturen van voertuigen van de categorie of de subcategorie waarvoor het document geldig is, te vervolmaken. Om tot het aantal uren te komen, bedoeld in de artikelen 14 en 15, mogen samengeteld worden, voor het theoretische onderricht, het aantal uren die gevolgd werden in twee verschillende zetels van eenzelfde school of, voor het praktische onderricht, het aantal uren die gevolgd werden in twee verschillende zetels van eenzelfde school of nog, in twee verschillende scholen. Die bepaling is niet van toepassing op de kandidaat bedoeld in artikel 15, tweede lid, 1°,
- j)en 6° behalve wanneer hij zich inschrijft in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van een andere gemeente. De gevolgde lesuren in een rijschool worden in aanmerking genomen worden gedurende een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop met de lessen werd begonnen. Komen evenwel niet in aanmerking de lessen gevolgd met de begeleider, bedoeld in artikel 15, tweede lid, 1°,
- j)en 6° en de vervolmakingslessen bedoeld in het eerste lid. HOOFDSTUK III. - Het rijbewijs Afdeling I. - Afgifte Art. 17.§ 1. Het rijbewijs komt overeen met het model van bijlage 1. Het rijbewijs wordt uitgereikt door de overheid bedoeld in artikel 7, tegen afgifte van een degelijk ingevulde aanvraag om een rijbewijs. Het model van de aanvraag om een rijbewijs wordt bepaald door de Minister. Deze aanvraag is vergezeld van : 1° twee foto's van de aanvrager die overeenstemmen met de door de Minister vastgestelde normen;2° de verklaringen betreffende de lichamelijke en visuele geschiktheid of, in voorkomend geval, de attesten voorgeschreven in de artikelen 41, §§ 2 of 3, 44, § 5 en 45, tweede lid.Het attest voorgeschreven in artikel 44, § 5 is niet vereist indien de kandidaat houder is van een nog geldig rijbewijs, waarvoor het attest reeds aangeboden werd; 3° een verklaring op eer waarin gesteld wordt dat de aanvrager geen houder is van een Europees rijbewijs, behalve in het in § 2 bedoelde geval;4° in voorkomend geval, de rechtvaardiging van de ingeroepen vrijstelling van het theoretische examen of het praktische examen. Het rijbewijs is uitgereikt binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum van het slagen voor het praktische examen bedoeld in artikel 33 of van de praktische proef bedoeld in de artikelen 27, 3° en 4° en 29. Zoniet moet de kandidaat opnieuw scholing volgen en een nieuw theoretisch en praktisch examen afleggen. § 2. Indien de aanvrager, overeenkomstig artikel 27, 2°, een Europees rijbewijs of een buitenlands rijbewijs voorlegt, bedoeld in artikel 23, § 2, 1° van de wet, ondertekent hij een verklaring waarbij bevestigd wordt dat het rijbewijs authentiek en nog geldig is; het rijbewijs wordt afgegeven aan de overheid bedoeld in artikel 7. Indien het een Europees rijbewijs betreft, wordt het teruggezonden naar de overheid die het heeft uitgereikt, met vermelding van de redenen voor die terugzending. Indien het om een buitenlands rijbewijs gaat, wordt dat rijbewijs bewaard door de in artikel 7 genoemde overheid en aan de houder teruggegeven wanneer deze niet meer voldoet aan de voorwaarden die in artikel 3, § 1, voor het verkrijgen van een rijbewijs gesteld worden, tegen teruggave van het Belgische rijbewijs. Art. 18.De minimum leeftijd voor het verkrijgen van een rijbewijs is vastgesteld op : 1° 16 jaar voor de categorie A3;2° 18 jaar voor de categorieën A, B, B+E en voor de subcategorieën C1 en C1+E;3° 21 jaar voor de categorieën C, C+E, D en D+E en voor de subcategorieën D1 en D1+E. Evenwel, kan elke kandidaat van ten minste 18 jaar een rijbewijs geldig voor de categorieën C en C+E en voor de subcategorieën D1 en D1+E verkrijgen op voorwaarde dat hij houder is van een getuigschrift van vakbekwaamheid zoals bedoeld in artikel 59.2 van het koninklijk besluit van 1 december 1975Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 01/12/1975 pub. 14/07/2014 numac 2014000537 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, afgegeven, naargelang het geval, voor het goederenvervoer of het personenvervoer. Afdeling II. - Geldigheid Art. 19.§ 1. Het rijbewijs wordt geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorie A3, A, B, B+E, C, C+E, D of D+E of van de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E. § 2. Het rijbewijs geldig voor de categorie A dat afgegeven werd aan een bestuurder die de leeftijd van 21 jaar nog niet bereikt heeft of die het praktische examen heeft afgelegd met een voertuig bedoeld in het artikel 38, § 2, 1° is enkel geldig verklaard voor het besturen van motorfietsen met een vermogen van minder dan of gelijk aan 25 kW of een vermogen / gewichtsverhouding van minder dan of gelijk aan 0,16 kW/kg. Na afloop van een termijn van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van afgifte van het rijbewijs bedoeld in het eerste lid, kan de houder, zonder zich te onderwerpen aan de scholing en zonder een nieuw theoretisch en praktisch examen te moeten afleggen, een rijbewijs geldig voor het besturen van alle voertuigen van de categorie A verkrijgen. De procedure, voorgeschreven in artikel 49 is van toepassing. § 3. De kandidaat van minder dan 21 jaar oud die het praktische examen heeft afgelegd met een voertuig van de categorie C of C+E of met een voertuig van de categorie D of D+E ontvangt, naargelang het geval, een rijbewijs enkel geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de subcategorie C1 of C1+E, behalve als hij houder is van een getuigschrift van vakbekwaamheid zoals bedoeld in artikel 18 of een rijbewijs enkel geldig verklaard voor de subcategorie D1 of D1+E. Als de kandidaat de leeftijd van 21 jaar bereikt, kan er een rijbewijs geldig verklaard voor, naargelang het geval, het besturen van voertuigen van de categorie C of C+E of van de categorie D of D+E worden afgegeven, zonder zich te onderwerpen aan de scholing en zonder een nieuw theoretisch en praktisch examen te moeten afleggen. De procedure, voorgeschreven in artikel 49 is van toepassing. Art. 20.§ 1. De geldigheid van de rijbewijzen wordt bepaald als volgt : 1° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie A wordt eveneens geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorie A3;2° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie B wordt eveneens geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorie A3;3° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie C wordt eveneens geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorieën A3 en B en de subcategorie C1;4° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie D wordt eveneens geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorieën A3 en B en de subcategorie D1;5° het rijbewijs geldig verklaard voor de subcategorie C1 wordt eveneens geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorieën A3 en B;6° het rijbewijs geldig verklaard voor de subcategorie D1 wordt eveneens geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorieën A3 en B;7° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie C+E of D+E of voor de subcategorie C1+E of D1+E wordt eveneens geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorie B+E;8° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie C+E wordt eveneens geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorie C1+E;9° het rijbewijs geldig verklaard voor de subcategorieën C1+E en D1 wordt eveneens geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de subcategorie D1+E;10° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie D+E wordt eveneens geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorie D1+E;11° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorieën C+E en D wordt eveneens geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorie D+E;12° het rijbewijs met de vermelding « automatisch » is slechts geldig voor het besturen van voertuigen uitgerust met een automatische schakeling;deze beperking heeft desgevallend alleen betrekking op bepaalde categorieën, aangeduid op het rijbewijs. § 2. Het rijbewijs, geldig verklaard voor de categorie B, afgegeven sinds ten minste twee jaar, laat het besturen van voertuigen van de categorie A met een maximale cilinderinhoud van 125 cm3 en met een maximaal vermogen van 11 kW toe. Art. 21.§ 1. - Het rijbewijs afgegeven voor het besturen van voertuigen voor de categorieën A3, A, B en B+E is geldig voor een onbepaalde duur of voor de door de geneesheer aangegeven duur als de toestemming tot sturen in de tijd beperkt is overeenkomstig de bepalingen van bijlage 6. Het rijbewijs afgegeven voor het besturen van voertuigen van de categorieën C, C+E, D en D+E of van de subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E is geldig voor de duur aangeduid op het attest bedoeld in artikel 44, § 5. Het Europese rijbewijs afgegeven voor het besturen van voertuigen van de categorieën C, C+E, D en D+E of voor de subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E of voor gelijkwaardige categorieën of subcategorieën is geldig voor een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf de inschrijvingsdatum in een Belgische gemeente of bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Deze periode wordt teruggebracht tot drie jaar als de houder 50 jaar of meer is; bovendien verstrijkt de geldigheid van het rijbewijs afgegeven voordat de leeftijd van 50 jaar wordt bereikt ten laatste op het ogenblik dat de houder de leeftijd van 53 jaar bereikt. Evenwel, als er op het rijbewijs een kortere geldigheidsduur is vermeld dan deze in dit lid, is die kortere duur van toepassing. § 2. Het Belgische of Europese rijbewijs waarvan de houder beantwoordt aan de voorwaarden van het artikel 3, § 1, geldig verklaard voor de categorie A, B of B+E of voor een gelijkwaardige categorie, is geldig voor het besturen van voertuigen van deze categorieën, bestemd voor een van de vervoersdiensten bedoeld in artikel 43, voor de duur aangeduid op het attest bedoeld in artikel 44, § 5. § 3. Het Belgische of Europese rijbewijs dat beperkt is in de tijd overeenkomstig de bepalingen van §§ 1 en 2 wordt vernieuwd op vertoon van het attest bedoeld in de artikelen 41, §§ 2 of 3, 44, § 5 of 45, tweede lid. Een nieuw rijbewijs wordt afgegeven, overeenkomstig de procedure voorgeschreven in artikel 49, zonder dat de aanvrager zich moet onderwerpen aan de scholing en een nieuw theoretisch en praktisch examen moet afleggen. Het nieuwe rijbewijs is geldig voor de duur die aangeduid is op het attest bedoeld in het eerste lid. § 4. Het rijbewijs afgegeven aan een persoon die ingeschreven is in het wachtregister van een Belgische gemeente en die houder is van een attest van immatriculatie, is geldig gedurende een jaar. Het rijbewijs wordt jaarlijks vernieuwd, overeenkomstig de procedure voorgeschreven in artikel 49, zolang geen uitspaak gedaan is over de aanvraag tot erkenning van hoedanigheid van vluchteling. Art. 22.De geldigheidsduur wordt op het rijbewijs vermeld. De geldigheidsduur van het rijbewijs bedoeld in artikel 21, § 2 wordt aangeduid in de rubriek « categorieën van voertuigen waarvoor het rijbewijs geldig is in het nationale verkeer ». Voor de toepassing van dit lid vraagt de houder, in voorkomend geval, een nieuw rijbewijs aan. De procedure voorgeschreven in artikel 49 is van toepassing. De eerste afgiftedatum van elke categorie wordt weer overgenomen op elke vervanging van het rijbewijs. Art. 23.De voorwaarden waaronder de bestuurder gemachtigd is te sturen, voorkomend op het attest bedoeld in de artikelen 41, § 4, 44, § 5 en 45, tweede lid, worden in de vorm van de codes, bepaald in bijlage 7, overgenomen op het rijbewijs. Wanneer de kandidaat het praktische examen heeft afgelegd, met een voertuig uitgerust met een automatische schakeling, wordt daarvan in de vorm van de codes bepaald in bijlage 7, melding gemaakt op het rijbewijs. Dit lid is niet van toepassing op de voertuigen van de categorie A3. Het rijbewijs dat wordt afgegeven in ruil voor een Europees of een buitenlands rijbewijs dat geldig is voor een subcategorie waarin door dit besluit niet wordt voorzien, draagt de vermelding van de beperking tot het besturen van de voertuigen van die subcategorie, in de vorm van de codes bepaald in bijlage 7. Art. 24.Is nietig, elk rijbewijs afgegeven zonder dat aan de bepalingen van dit besluit is voldaan of wanneer blijkt dat het rijbewijs werd afgegeven zonder dat de aanvrager daadwerkelijk een gewone verblijfplaats in België verworven heeft, zelfs als hij beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 3, § 1. Het rijbewijs verliest zijn geldigheid wanneer aan de houder een nieuw rijbewijs wordt afgegeven. Het rijbewijs dat zijn geldigheid verloren heeft, wordt teruggegeven aan de overheid bedoeld in artikel 7. HOOFDSTUK IV. - Examens Afdeling I. - Examencentra Art. 25.§ 1. De theoretische en praktische examens bedoeld in artikel 23, § 1, 2° en 4° van de wet, worden afgelegd in de examencentra georganiseerd door de instellingen voor de automobielinspectie erkend overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 23 december 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/12/1994 pub. 27/04/2007 numac 2007000233 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit nr. 53 met betrekking tot de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten. - Duitse vertaling sluiten tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regeling van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de in verkeer gebrachte voertuigen. De kandidaten leggen het theoretische en het praktische examen af ten overstaan van examinatoren, bedoeld in het artikel 26. Het theoretische examen kan eveneens afgelegd worden voor een aangestelde van de instelling, handelend onder de verantwoordelijkheid van de examinator. § 2. De Minister bepaalt het aantal van de examencentra, de plaats van hun vestiging, de grenzen van hun territoriale bevoegdheid en de regelen betreffende hun organisatie. De erkende instellingen gedragen zich voor de uitvoering van hun opdracht naar de onderrichtingen welke hen door de Minister of door zijn gemachtigde gegeven worden. Afdeling II. - Examinatoren Art. 26.§ 1. - De examinatoren belast met het theoretische en het praktische examen worden aangeworven en bezoldigd door de in artikel 25 bedoelde instellingen, of door een rechtspersoon die deze laatsten groepeert. Ze zijn door de Minister of zijn gemachtigde erkend. De Minister kan, na de betrokkene en desgevallend de directeur van de instelling te hebben gehoord, de erkenning van de examinator opschorten voor een termijn van acht dagen tot een jaar, of ze intrekken wegens het niet naleven van de bepalingen van dit besluit. § 2. Om te worden erkend moeten de betrokkenen voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° onderdaan zijn van een van de Lid-Staten van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte;2° ten minste 25 jaar oud zijn;3° van onberispelijk zedelijk gedrag zijn;4° niet vervallen zijn of vervallen geweest zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen.Dit verbod is niet van toepassing bij uitwissing van de veroordeling of bij herstel in eer en rechten en op voorwaarde dat er voldaan is aan de onderzoeken die krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd; 5° houder zijn van ten minste een diploma, getuigschrift of brevet dat in aanmerking komt voor de toelating tot de niveaus 1, 2+ of 2, van de Rijksbesturen, genoemd in hoofdstuk I van bijlage 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel of van een buitenlands diploma, getuigschrift of brevet dat als gelijkwaardig is erkend overeenkomstig hoofdstuk II van dezelfde bijlage;6° geslaagd zijn voor een examen waarvan de inhoud en de nadere regels goedgekeurd zijn door de Minister;7° geschikt bevonden zijn bij een geneeskundig onderzoek;8° ten minste 7 jaar ervaring hebben inzake het besturen van auto's en houder zijn van ten minste een Belgisch of Europees rijbewijs geldig voor de categorie B.Ze moeten bovendien houder zijn van een rijbewijs geldig voor de categorieën of subcategorieën van motorvoertuigen voor dewelke ze als examinator belast met het afnemen van het praktische examen aangeduid zijn. De voorwaarden bedoeld in 5° en 6° gelden niet voor de examinatoren die op 1 januari 1989 in dienst waren. § 3. De functie van examinator is onverenigbaar met elke functie of elke betrekking in een rijschool. Niemand mag de functie van examinator uitoefenen bij een examen dat door een van zijn bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad wordt afgelegd. De examinator mag niet optreden als begeleider behalve voor zijn echtgenoot, kinderen, pleegkinderen of voor deze van zijn echtgenoot. Afdeling III. - Vrijstellingen Art. 27.De kandidaat voor het rijbewijs is vrijgesteld van de theoretische en de praktische examens, indien hij aan een van de volgende voorwaarden voldoet : 1° houder zijn van een Belgisch militair rijbewijs waarvan de geldigheid bevestigd is door de militaire overheden, op voorwaarde dat de categorie of de subcategorie van de voertuigen vermeld in de kolom « burger » overeenstemt met deze waarvoor de geldigheid wordt aangevraagd, overeenkomstig de bepalingen van artikel 20;2° houder zijn van een Europees rijbewijs of van een buitenlands rijbewijs bedoeld in artikel 23, § 2, 1° van de wet;deze vrijstelling geldt slechts voor dezelfde categorie of subcategorie of voor een gelijkwaardige categorie of subcategorie als deze waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd. Er moet daarenboven voldaan worden aan de volgende voorwaarden :
- a)het rijbewijs moet afgegeven zijn door het land waar de houder zijn gewone verblijfplaats had op het ogenblik van de afgifte van het rijbewijs;
- b)het rijbewijs moet afgegeven zijn vóór de inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van een Belgische gemeente. De bepalingen voorgeschreven in
- a)en
- b)zijn niet van toepassing op de personen die het bewijs leveren dat zij, op het ogenblik van de afgifte van het rijbewijs, als student ten minste zes maanden ingeschreven waren in het land dat het rijbewijs heeft afgegeven en op de personen bedoeld in het artikel 3, § 1, 3°; 3° geslaagd zijn voor de theoretische en praktische proeven georganiseerd na de opleiding bedoeld in artikel 4, 4° tot het behalen van een rijbewijs geldig voor de categorie D of D+E of voor de subcategorie D1 of D1+E;4° geslaagd zijn voor de theoretische en praktische proeven georganiseerd na de opleiding bedoeld in artikel 4, 9°, geldig voor de categorie of subcategorie van voertuigen waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd. Art. 28.De kandidaat voor het rijbewijs is vrijgesteld van het theoretische examen, indien hij aan een van de volgende voorwaarden voldoet : 1° houder zijn van een Belgisch of een Europees rijbewijs. Kunnen evenwel niet genieten van deze vrijstelling :
- a)de houder van een rijbewijs geldig voor de categorie A3;
- b)de kandidaat voor een rijbewijs geldig voor de subcategorie C1 of D1;
- c)de kandidaat voor een rijbewijs geldig voor de categorie C of D, behalve als hij houder is van een rijbewijs respectievelijk geldig voor de subcategorie C1 of D1;2° geslaagd zijn voor het theoretische examen opgelegd krachtens artikel 38 van de wet en geldig voor dezelfde categorie of subcategorie van voertuigen als deze waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd.De kandidaat geniet slechts van deze vrijstelling als hij een getuigschrift van theoretisch onderricht voorlegt, afgegeven door een rijschool. Art. 29.De kandidaat voor het rijbewijs is vrijgesteld van het praktische examen wanneer hij voldoet aan een van de volgende voorwaarden : 1° geslaagd zijn voor een praktische proef voor dezelfde categorie of subcategorie van voertuigen als deze waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd, afgelegd in een organisme bedoeld in artikel 4, 5°;2° geslaagd zijn voor het praktische examen opgelegd krachtens artikel 38 van de wet, geldig voor dezelfde categorie of subcategorie van voertuigen als deze waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd.De kandidaat kan maar genieten van deze vrijstelling als hij een getuigschrift van praktisch onderricht voorlegt afgegeven door een rijschool. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B volgt daarenboven een scholing van ten minste drie maanden op basis van een voorlopig rijbewijs model 2, van ten minste zes maanden op basis van een voorlopig rijbewijs model 1, van ten minste negen maanden op basis van een voorlopig rijbewijs model 3 of van ten minste twaalf maanden op basis van een leervergunning; 3° geslaagd zijn voor een praktische proef voor de categorie B, B+E, C, C+E, D of D+E of voor de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E na de opleiding bedoeld in artikel 4, 7°. Art. 30.Elke vrijstelling van het theoretische examen en van het praktische examen wordt op de aanvraag om een rijbewijs, op de aanvraag om een voorlopig rijbewijs of op de aanvraag om een leervergunning vermeld door de overheid bedoeld in het artikel 7. Afdeling IV. - Theoretisch examen Art. 31.Het theoretische examen bepaald in de artikelen 23, § 1, 4° en 38 van de wet heeft betrekking op de stof die in bijlage 4 wordt opgesomd. Het wordt afgelegd in de vorm van een audiovisueel examen. Het theoretische examen wordt beoordeeld en verbeterd zoals aangeduid in bijlage 4. De inschrijving voor het theoretische examen gebeurt volgens de regels en op de wijze goedgekeurd door de Minister of zijn gemachtigde. Art. 32.§ 1. De minimumleeftijd om deel te nemen aan het theoretische examen is vastgesteld op drie maanden vóór de leeftijd bepaald in artikel 6, 1°, h). De leeftijd is evenwel vastgesteld op : - 3 maanden vóór de leeftijd van 17 jaar, voor het examen voor het verkrijgen van een leervergunning; - 17 jaar voor het examen, afgelegd door de kandidaten die de opleiding volgen bedoeld in artikel 4, 7°. § 2. Om aan het examen deel te nemen, legt de kandidaat een van de documenten voor die opgesomd zijn in artikel 3, § 1. De kandidaat voor de leervergunning legt eveneens een getuigschrift van theoretisch onderricht voor. § 3. De kandidaat die, noch het Frans, noch het Nederlands, noch het Duits machtig is, mag het theoretische examen afleggen, bijgestaan door een tolk die onder de beëdigde vertalers wordt gekozen door het examencentrum en door dit laatste wordt vergoed. Deze examens mogen derwijze georganiseerd worden dat meerdere kandidaten die eenzelfde taal of idioom spreken en verstaan, kunnen samengebracht worden; het examen mag niet meer dan twee maanden na de inschrijving plaatshebben. Als het examen georganiseerd wordt in de taal van de kandidaat, kan deze laatste kandidaat niet genieten van de procedure die voorgeschreven is in het eerste lid. § 4. De kandidaat schikt zich naar de aanwijzingen die hem tijdens het examen worden gegeven. De kandidaat die door woorden of anderszins de orde verstoort, die betrapt wordt op bedrog of op poging tot bedrog, mislukt en wordt terstond uit de zaal verwijderd. § 5. De kandidaten waarvan het mentale of intellectuele vermogen of de graad van alfabetisme ontoereikend is, kunnen, op hun verzoek, het examen afleggen in een speciale zitting waarvan de nadere regels goedgekeurd zijn door de Minister of zijn gemachtigde. De betrokkene levert het bewijs dat hij zich in een van deze gevallen bevindt door het overleggen van, inzonderheid, een getuigschrift of attest van een psychisch-medisch-sociaal centrum, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een instituut voor buitengewoon onderwijs, een centrum voor observatie of begeleiding of een centrum voor beroepsoriëntering. De kandidaten die ten minste vijfmaal niet slaagden voor het theoretische examen kunnen eveneens, op hun verzoek, dit examen in een speciale zitting afleggen. § 6. Na twee opeenvolgende niet geslaagde theoretische examens, mag de kandidaat slechts een nieuw theoretisch examen afleggen op vertoon van een getuigschrift van theoretisch onderricht afgegeven door een rijschool. De in het eerste lid voorgeschrevene verplichting is niet van toepassing op : 1° de kandidaten bedoeld in het artikel 4, 5°, 6° en 7°;2° de kandidaten die een attest van een keel-, neus- en oorarts voorleggen waarin bevestigd wordt dat ze een zodanige gehoorhandicap hebben dat ze het onderricht bedoeld in het eerste lid niet in normale omstandigheden kunnen volgen. § 7. De examinator of de aangestelde van de instelling bevestigt het slagen voor het theoretische examen op de aanvraag om een rijbewijs, op de aanvraag om een voorlopig rijbewijs of op de aanvraag om een leervergunning. De aanvraag om een rijbewijs mag aan de kandidaat bedoeld in artikel 4, 7° slechts afgegeven worden op vertoon van het bewijs dat deze laatste met vrucht de in dit artikel bedoelde opleiding heeft gevolgd. Afdeling V. - Praktisch examen Art. 33.Het praktische examen voorgeschreven in de artikelen 23, § 1, 2° en 38 van de wet slaat op de proeven opgesomd in bijlage 5, I en II.Het omvat, voor iedere categorie en subcategorie van voertuigen, de hantering van de bedieningsorganen en de manoeuvres die voorgeschreven zijn in bijlage 5, I,
- a)en b). Het examen wordt afgelegd met een voertuig van de categorie of subcategorie waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd. Het examen wordt beoordeeld op de wijze aangeduid in bijlage 5, III. De inschrijving voor het praktische examen gebeurt volgens de regels en op de wijze goedgekeurd door de Minister of zijn gemachtigde. Art. 34.Om toegelaten te worden tot het praktische examen moet de kandidaat sinds minder dan drie jaar geslaagd zijn voor het theoretische examen of ervan vrijgesteld zijn krachtens artikel 28. Het praktische examen kan binnen het volgende tijdsbestek plaatsvinden : 1° In geval van scholing met een voorlopig rijbewijs :
- a)op zijn vroegst één maand na de afgifte van dat bewijs, behalve in geval van een examen voor het behalen van een rijbewijs van de categorie B;
- b)in geval van een examen voor het behalen van een rijbewijs van de categorie B : - op zijn vroegst zes maanden na afgifte van het voorlopige rijbewijs als het om een bewijs volgens model 1 gaat; - op zijn vroegst drie maanden na afgifte van het voorlopige rijbewijs als het om een bewijs volgens model 2 gaat; - op zijn vroegst negen maanden na afgifte van het voorlopige rijbewijs als het om een bewijs volgens model 3 gaat; 2° In geval van scholing met een leervergunning, op zijn vroegst twaalf maanden na afgifte van die leervergunning. Art. 35.Om toegelaten te worden tot het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de categorie A3, A, B of B+E, legt de kandidaat voor : 1° één der documenten bedoeld in artikel 3, § 1;2° een van de hierna opgesomde documenten :
- a)de aanvraag om een rijbewijs waarop het attest van slagen voor of vrijstelling van het theoretische examen is aangebracht. In dit geval, legt de kandidaat een getuigschrift van praktisch onderricht, afgegeven door een rijschool, voor of het Europese rijbewijs of het buitenlandse rijbewijs bedoeld in artikel 23, § 2, 1° van de wet, waarvan hij houder is. De aanvraag omvat de verklaring voorgeschreven in artikel 41, § 1 of is vergezeld van, naargelang het geval, een of twee van de attesten voorgeschreven in de artikelen 41, §§ 2 en 3 of 45, tweede lid. Elke kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B, die onderworpen is aan de scholing, legt bovendien een attest van de overheid bedoeld in artikel 7 waaruit blijkt dat hij een scholing heeft gevolgd op basis van een voorlopig rijbewijs afgegeven na 31 december 1988 of van een leervergunning;
- b)het nog geldige voorlopige rijbewijs. Het voorlopige rijbewijs model 1 of model 2 is vervolledigd met de vermelding dat de lesuren, voorgeschreven in artikel 15, tweede lid, 1°,
- g)gevolgd zijn. Het voorlopige rijbewijs model 3 is vervolledigd met de vermelding dat de lesuren, voorgeschreven in artikel 15, tweede lid, 1°,
- e)of 2°,
- a)gevolgd zijn;
- c)de nog geldige leervergunning. De leervergunning is vervolledigd met de vermelding dat de lesuren, voorgeschreven in artikel 15, tweede lid, 1°,
- j)gevolgd zijn;
- d)een attest waarin bevestigd wordt dat de kandidaat de opleiding gevolgd heeft, bedoeld in artikel 4, 6°;3° het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig waarmee hij zich aanbiedt;4° behalve wanneer het gaat om een voertuig van de categorie A3, het inschrijvingsbewijs van het voertuig en het groene keuringsbewijs van het voertuig als dat onderworpen is aan de technische controle en, in voorkomend geval, van de aanhangwagen;5° in voorkomend geval, de documenten voorgeschreven in 3° en 4° voor het voertuig van de categorie B, bedoeld in artikel 39, § 4;6° het gelijkvormigheidsattest voor het voertuig van de categorie A3;7° het Belgische of Europese rijbewijs, geldig voor de categorie B of voor een gelijkwaardige categorie, indien het een kandidaat betreft voor een rijbewijs geldig voor de categorie B+E;8° in voorkomend geval, het Belgische of Europese rijbewijs van de begeleider, geldig voor het besturen van het voertuig waarmee het praktische examen plaats heeft of van de bestuurder van het voertuig van de categorie B, bedoeld in het artikel 39, § 4, alsook het document bedoeld in artikel 3, § 1 waarvan de begeleider of de bestuurder houder is. Art. 36.Om toegelaten te worden tot het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de categorie C, C+E, D of D+E of voor de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E legt de kandidaat voor : 1° een der documenten bedoeld in artikel 3, § 1;2° het Belgische of Europese rijbewijs, geldig voor ten minste de categorie B of voor een gelijkwaardige categorie.De kandidaat voor het rijbewijs, geldig voor de categorie C+E of D+E of voor de subcategorie C1+E of D1+E legt het Belgische of Europese rijbewijs voor, geldig voor het besturen van het trekkende voertuig. Het rijbewijs mag evenwel vervangen worden door een attest afgegeven door de griffier van de rechtbank waar het rijbewijs bewaard wordt in toepassing van artikel 69; 3° een van de hierna opgesomde documenten :
- a)de aanvraag om een rijbewijs waarop het attest van slagen voor of de vrijstelling van het theoretische examen is aangebracht. In dit geval legt de kandidaat een getuigschrift van praktisch onderricht, afgegeven door een rijschool voor of het Europese rijbewijs of het buitenlandse rijbewijs bedoeld in artikel 23, § 2, 1° van de wet, waarvan hij houder is. De aanvraag is vergezeld van het attest voorgeschreven in artikel 44, § 5, behalve als de kandidaat houder is van een geldig rijbewijs waarvoor voor het behalen ervan dit attest reeds voorgelegd werd;
- b)het nog geldige voorlopige rijbewijs. Het voorlopige rijbewijs is, in voorkomend geval, vervolledigd met de vermelding dat de lesuren, voorgeschreven in artikel 15, tweede lid, 2°, a), gevolgd zijn;
- c)een attest waarin bevestigd wordt dat de kandidaat de opleiding gevolgd heeft, bedoeld in artikel 4, 6°;4° het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig waarmee hij zich aanbiedt;5° het inschrijvingsbewijs van het voertuig en, in voorkomend geval, van de aanhangwagen;6° het groene keuringsbewijs van het voertuig, als dit onderworpen is aan de technische controle en, in voorkomend geval, van de aanhangwagen;7° in voorkomend geval, het Belgische of Europese rijbewijs van de begeleider, geldig voor het besturen van het voertuig waarmee het praktische examen wordt afgelegd alsook het document bedoeld in artikel 3, § 1 waarvan de begeleider houder is. Art. 37.Om toegelaten te worden tot het praktische examen met het oog op de opheffing van de vermelding « automatisch » die voorkomt op zijn rijbewijs, legt de kandidaat voor : 1° een der documenten bedoeld in artikel 3, § 1;2° een van de hierna opgesomde documenten :
- a)de aanvraag om een rijbewijs waarop het attest van vrijstelling van het theoretische examen is aangebracht. In dit geval legt de kandidaat een getuigschrift van praktisch onderricht voor, afgegeven door een rijschool. De aanvraag voor het verkrijgen van een rijbewijs geldig voor de categorie A, B of B+E omvat de verklaring voorgeschreven in artikel 41, § 1 of moet, naargelang het geval, vergezeld zijn van een of de attesten voorgeschreven in de artikelen 41, §§ 2 en 3 en 45, tweede lid; bij de aanvraag voor het verkrijgen van een rijbewijs geldig voor de categorie C, C+E, D of D+E of voor de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E wordt het attest, voorgeschreven in artikel 44, § 5, gevoegd, behalve als de kandidaat houder is van een geldig rijbewijs, waarvoor, voor het verkrijgen ervan, dit attest reeds voorgelegd werd;
- b)het nog geldige voorlopige rijbewijs. Het voorlopige rijbewijs is, in voorkomend geval, vervolledigd met de vermelding dat de lesuren, voorgeschreven in artikel 15, tweede lid, 1°, e), gevolgd zijn; 3° het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig waarmee hij zich aanbiedt;4° het inschrijvingsbewijs van het voertuig;5° het groene schouwingsbewijs van het voertuig indien dit is onderworpen aan de technische controle;6° in voorkomend geval, de documenten voorgeschreven in 3°, 4° en 5° voor het voertuig van de categorie B, bedoeld in artikel 39, § 4;7° het Belgische of Europese rijbewijs met de vermelding « automatisch » waarvan hij houder is;8° in voorkomend geval, het Belgische of Europese rijbewijs van de begeleider, geldig voor het besturen van het voertuig waarmee het praktische examen plaats heeft of van de bestuurder van het voertuig van de categorie B, bedoeld in artikel 39, § 4, alsook het document bedoeld in artikel 3, § 1 van de begeleider of de bestuurder. Art. 38.§ 1. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A3 legt het praktische examen af met een bromfiets klasse B. De voertuigen met meer dan twee wielen dienen uitgerust te zijn met een achteruitrijstand. Het praktische examen mag niet afgenomen worden met een driewielige bromfiets met twee wielen die op dezelfde as zijn gemonteerd en waarvan de afstand tussen de middens van de contactvlakken van de wielen met de grond kleiner is dan 0,46 m. § 2. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A legt het praktische examen af met een motorfiets die beantwoordt aan een van de volgende eisen : 1° een motorfiets zonder zijspan met een cilinderinhoud van meer dan 120 cm3 en een minimum vermogen van 20 kW en een maximum vermogen van 25 kW en die op een horizontale weg een snelheid van ten minste 100 km/u bereikt;2° een motorfiets zonder zijspan met een vermogen van ten minste 35 kW en een vermogen/gewichtsverhouding van meer dan 0,16 kW/kg en die op een horizontale weg een snelheid van ten minste 120 km/u bereikt. De kandidaat die de leeftijd van 21 jaar niet bereikt heeft en de houder van een voorlopig rijbewijs met de vermelding « A H 25 kW of H 0,16 kW/kg » leggen het examen af met een voertuig dat beantwoordt aan de voorwaarden bedoeld in 1°. De kandidaat moet ten minste uitgerust zijn met handschoenen, een vest met lange mouwen en een lange broek of een overall alsook met laarzen of bottines die de enkel beschermen. § 3. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B legt het praktische examen af met een vierwielig voertuig van deze categorie met ten minste vier plaatsen, voorzien van een cabine, dat een snelheid van ten minste 100 km/u bereikt op een horizontale weg. Het voertuig moet voor- en achteraan met veiligheidsgordels uitgerust zijn. § 4. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B+E legt het praktische examen af met een samenstel bestaande uit een voertuig van de categorie B, dat beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in § 3 en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van ten minste 1.000 kg, met een lengte van ten minste 9 m en dat niet onder de categorie B valt, en een snelheid van ten minste 100 km/u bereikt op een horizontale weg. De kast van de aanhangwagen moet een breedte hebben van ten minste 1,6 m en een hoogte van ten minste 1,5 m, berekend vanaf de grond en voorzien zijn van een gesloten koetswerk of huif. § 5. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie C legt het praktische examen af met een voertuig behorend tot de categorie C waarvan de maximale toegelaten massa ten minste 12.000 kg en de lengte ten minste 9 m bedraagt en dat een snelheid van ten minste 80 km/u bereikt op een horizontale weg. Het voertuig moet voorzien zijn van een gesloten koetswerk of huif en van een tachograaf. Het voertuig moet een lading hebben waarvan het gewicht ten minste gelijk is aan de helft van het nuttige laadvermogen van het voertuig. De examinator kan, indien nodig, overgaan tot een weging van het voertuig. De lading mag niet bestaan uit ADR produkten, noch uit levende dieren of uit produkten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn. § 6. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie C+E legt het praktische examen af met een voertuig dat beantwoordt aan de in 1° of in 2° gestelde eisen : 1° geleed voertuig met een gesloten koetswerk of huif, waarvan de maximale toegelaten massa ten minste 18.000 kg en de lengte ten minste 14 m bedraagt en dat een snelheid van ten minste 80 km/u bereikt op een horizontale weg. Het voertuig moet voorzien zijn van een tachograaf; 2° samenstel, bestaande uit een voertuig van de categorie C, dat beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in § 5, en een aanhangwagen, voorzien van een gesloten koetswerk of huif, met een lengte van ten minste 5 m, dat een maximale toegelaten massa van ten minste 18.000 kg en een lengte van ten minste 14 m heeft en dat een snelheid van ten minste 80 km/u bereikt op een horizontale weg. Het voertuig en het samenstel bedoeld in 1° en 2° moeten een lading hebben waarvan het gewicht ten minste gelijk is aan de helft van het nuttige laadvermogen van het voertuig of van het samenstel. De examinator kan, indien nodig, overgaan tot een weging van het voertuig of van het samenstel. De lading mag niet bestaan uit ADR produkten, noch uit levende dieren of uit produkten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn en, in het in 2° bedoeld geval, verdeeld zijn over het trekkende voertuig en de aanhangwagen. § 7. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie D legt het praktische examen af met een voertuig behorend tot de categorie D waarvan de lengte ten minste 10 m bedraagt en dat een snelheid bereikt van ten minste 80 km/u op een horizontale weg. Het voertuig moet uitgerust zijn met een tachograaf. § 8. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie D+E legt het praktische examen af met een samenstel, bestaande uit een voertuig van de categorie D dat beantwoordt aan de in § 7 voorgeschrevene voorwaarden en een aanhangwagen voorzien van een gesloten koetswerk of huif, met een maximale toegelaten massa van ten minste 1.500 kg, dat een lengte van ten minste 14 m heeft en dat een snelheid van ten minste 80 km/u bereikt op een horizontale weg. § 9. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de subcategorie C1 legt het praktische examen af met een voertuig van de subcategorie C1 waarvan de maximale toegelaten massa ten minste 5.500 kg en de lengte ten minste 5,5 m bedraagt en dat een snelheid van ten minste 80 km/u bereikt op een horizontale weg. Het voertuig moet voorzien zijn van een gesloten koetswerk of huif en van een tachograaf. Het voertuig moet een lading hebben waarvan het gewicht ten minste gelijk is aan de helft van het nuttige laadvermogen van het voertuig. De examinator kan, indien nodig, overgaan tot een weging van het voertuig. De lading mag niet bestaan uit ADR produkten, noch uit levende dieren of uit produkten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn. § 10. De kandidaat voor een rijbewijs geldig voor de subcategorie C1+E legt het praktische examen af met een samenstel, bestaande uit een voertuig van de subcategorie C1, dat beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in § 9, en een aanhangwagen, voorzien van een gesloten koetswerk of huif, met een maximale toegelaten massa van ten minste 2.500 kg, dat een lengte van ten minste 9 m heeft en een snelheid van ten minste 80 km/u bereikt op een horizontale weg. Het samenstel moet een lading hebben waarvan het gewicht ten minste gelijk is aan de helft van het nuttige laadvermogen van het samenstel. De examinator kan, indien nodig, overgaan tot een weging van het voertuig. De lading mag niet bestaan uit ADR produkten, noch uit levende dieren of uit produkten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn en verdeeld zijn over het trekkende voertuig en de aanhangwagen. § 11. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de subcategorie D1 legt het praktische examen af met een voertuig van de subcategorie D1, dat een snelheid van ten minste 80 km/u bereikt op een horizontale weg. Het voertuig moet uitgerust zijn met een tachograaf. § 12. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de subcategorie D1+E legt het praktische examen af met een samenstel, bestaande uit een voertuig van de subcategorie D1, dat beantwoordt aan de voorwaarden bedoeld in § 11, en een aanhangwagen, voorzien van een gesloten koetswerk of huif, met een maximale toegelaten massa van ten minste 1.500 kg, dat een snelheid van ten minste 80 km/u bereikt op een horizontale weg. § 13. De kandidaat bedoeld in artikel 37 legt het praktische examen af met een voertuig dat uitgerust is met een handschakeling. De kandidaat die, wegens lichamelijke gebreken, slechts bepaalde types van voertuigen of aangepaste voertuigen mag besturen, legt het praktische examen af met een dergelijk voertuig. Hij mag, in voorkomend geval, het examen afleggen met een voertuig dat niet beantwoordt aan de in dit artikel gestelde normen. De kenmerken waaraan het voertuig moet voldoen komen op het attest bedoeld in artikel 44, § 5 of in artikel 45, tweede lid. § 14. De kandidaat die zich aanbiedt met een rijschool en de houder van een voorlopig rijbewijs model 2, leggen het praktische examen af met een scholingsvoertuig van de rijschool, waar zij het praktische onderricht volgden en dat beantwoordt aan de voorwaarden voorgeschreven in het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen. De houder van een voorlopig rijbewijs model 1 of model 3 of van een leervergunning legt het praktische examen af met een voertuig dat beantwoordt aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 6, 2° en 10, 2° of van een scholingsvoertuig van de rijschool waar zij het praktische onderricht volgden. Evenwel, de houder van een voorlopig rijbewijs model 1 of model 3 of van een leervergunning die tweemaal niet geslaagd is voor het praktische examen, legt het praktische examen af onder de voorwaarden bedoeld in het eerste lid. Art. 39.§ 1. Het praktische examen bestaat uit twee delen : 1° een proef op een terrein buiten het verkeer;2° een proef op de openbare weg in het verkeer;de kandidaten voor het rijbewijs geldig voor de categorie A3 zijn ervan vrijgesteld. De duur van de proef op een terrein buiten het verkeer is maximum drie minuten per manoeuvre en maximum vijftien minuten voor het geheel van de manoeuvres voor de categorieën A3, A, B en B+E en minimum vijtien minuten voor de categorieën C, C+E, D en D+E en voor de subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E; de duur van de proef op de openbare weg mag niet minder zijn dan vijfentwintig minuten voor de categorieën A, B en B+E en vijfenveertig minuten voor de categorieën C, C+E, D en D+E en voor de subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E. § 2. Om toegelaten te worden tot de proef op de openbare weg, moet de kandidaat geslaagd zijn voor de proef op een terrein buiten het verkeer; het slagen voor deze proef blijft een jaar geldig tenzij de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie C+E zich voor de proef op de openbare weg aanbiedt met een geleed voertuig bedoeld in artikel 38, § 6, eerste lid, 1° terwijl het examen op een terrein buiten het verkeer is afgelegd met een samenstel van voertuigen bedoeld in artikel 38, § 6, eerste lid, 2° en omgekeerd. Dit slagen wordt vermeld op de aanvraag om een rijbewijs, op de leervergunning of op het voorlopige rijbewijs. Bij het slagen voor een van de twee proeven met een voertuig uitgerust met een automatische schakeling, wordt het volledige examen geacht afgelegd te zijn met dit type van voertuig. § 3. Tijdens de proef op de openbare weg met een voertuig dat niet tot de categorie A behoort, moet, naast de examinator, de instructeur van de rijschool of de begeleider bij de scholing in het voertuig plaatsnemen. Indien het voertuig behorend tot de categorie C, C+E, D of D+E of de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E, bestemd is voor het vervoer van ten hoogste twee personen, de bestuurder inbegrepen, neemt alleen de examinator in het voertuig plaats. Behalve de personen bedoeld in het eerste lid en de tolk bedoeld in § 8, mogen enkel de door de Minister of zijn gemachtigde aangeduide personen in het voertuig plaatsnemen. § 4. Tijdens de proef op de openbare weg met een voertuig van de categorie A neemt de examinator plaats in een voertuig dat tot de categorie B behoort en dat de kandidaat volgt; hij deelt zijn onderrichtingen mee aan de kandidaat bij middel van een radio-inrichting. Buiten de bestuurder van het voertuig, de tolk bedoeld in § 8 en de examinator mogen alleen personen aangeduid door de Minister of zijn gemachtigde plaatsnemen in het voertuig dat de kandidaat volgt. § 5. De examinator weigert het examen af te nemen indien hij vaststelt dat de kandidaat bedoeld in artikel 38, § 2, derde lid niet over de voorgeschrevene uitrusting beschikt of indien het voertuig geen voldoende veiligheid biedt of niet beantwoordt aan de voorschriften van dit besluit. Hij beëindigt het examen wanneer de kandidaat onbekwaam is om te sturen of op een gevaarlijke manier stuurt, in geval van tussenkomst van de instructeur of de begeleider of indien de bestuurder van het voertuig van de categorie B bedoeld in § 4 onbekwaam is om te sturen of op een gevaarlijke manier stuurt of zijn onderrichtingen niet opvolgt. § 6. De examinator vermeldt op de beoordelingsstaat, voor elk van de genoemde proeven, de door hem toegekende beoordeling alsook de daaruitvolgende beslissing dat de kandidaat geslaagd of uitgesteld is overeenkomstig de criteria vermeld in bijlage 5, III. § 7. De examinator bevestigt op de aanvraag om een rijbewijs, het slagen van de kandidaat voor het praktische examen met vermelding van de categorie van het voertuig waarmee hij het examen heeft afgelegd en van de datum ervan. In voorkomend geval vermeldt hij dat het examen werd afgelegd met een voertuig bedoeld in artikel 38, § 13. In het geval bedoeld in artikel 48, § 2, wordt het slagen voor het praktische examen vermeld op de aanvraag om een rijbewijs door de overheid bedoeld in artikel 7. Na een eerste of een tweede niet geslaagd examen, brengt de examinator op het voorlopige rijbewijs of op de leervergunning de vermelding « niet geslaagd » aan, de datum van het examen, zijn naam, zijn handtekening en de stempel van het examencentrum. § 8. De kandidaat, die, noch de Franse, noch de Nederlandse, noch de Duitse taal machtig is, kan zich op eigen kosten laten bijstaan door een tolk gekozen uit de beëdigde vertalers. Afdeling VI. - Geneeskundig onderzoek Art. 40.De lichaamsgebreken en aandoeningen bedoeld in artikel 23, § 1, 3° van de wet zijn bepaald in bijlage 6. Art. 41.§ 1. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A3, A, B of B+E ondertekent op de aanvraag om een rijbewijs, op de aanvraag om een voorlopig rijbewijs of op de aanvraag om een leervergunning, een verklaring waarin hij op zijn woord van eer bevestigt, bij zijn weten niet te lijden aan een van de in bijlage 6, voorgeschreven voor de groep 1, genoemde lichaamsgebreken of aandoeningen. Deze verklaring omvat een gedeelte betreffende de algemene lichamelijke en psychische geschiktheid en een gedeelte betreffende het gezichtsvermogen. Elke kandidaat die geen houder is van een Belgisch of Europees rijbewijs, moet bij het theoretische examen een leestest afleggen voor de examinator of de aangestelde bedoeld in artikel 25, § 1, volgens de nadere regels die gezamenlijk door de Minister en door zijn collega tot wiens bevoegdheid Volksgezondheid behoort, worden bepaald. § 2. De kandidaat die oordeelt dat hij het gedeelte van de verklaring betreffende de algemene lichamelijke en psychische geschiktheid niet kan ondertekenen, ondergaat een onderzoek bij een vrij gekozen geneesheer. De geneesheer vraagt, in voorkomend geval, het verslag van een geneesheer specialist overeenkomstig de bepalingen van bijlage 6. Behalve in het geval bedoeld in artikel 45, oordeelt de geneesheer of de kandidaat voldoet aan de criteria vastgesteld in bijlage 6, I, II, IV en V en stelt het attest op zoals bedoeld in bijlage 6, VII. § 3. De kandidaat die oordeelt dat hij het gedeelte van de verklaring betreffende het gezichtsvermogen niet kan ondertekenen of die niet voldoet bij de leestest bedoeld in § 1, ondergaat een onderzoek bij een vrij gekozen oogarts. De oogarts oordeelt of de kandidaat voldoet aan de criteria vastgesteld in bijlage 6, III en stelt het attest op zoals bedoeld in bijlage 6, VIII. § 4. Indien de geneesheer bedoeld in §§ 2 en 3 oordeelt dat de toelating tot sturen moet afhankelijk gesteld worden van bepaalde voorwaarden of beperkingen bij het gebruik van het rijbewijs, maakt hij daarvan melding op het attest uitgereikt aan de kandidaat in de vorm van de codes, zoals voorgeschreven in bijlage 7. Art. 42.De kandidaat voor een rijbewijs geldig voor de categorie C, C+E, D of D+E of voor de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E moet een onderzoek ondergaan dat vaststelt of hij voldoet aan de normen voorgeschreven in bijlage 6 voor de groep 2. Het onderzoek wordt ondergaan overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 44. Art. 43.Worden eveneens gehouden om het onderzoek bedoeld in artikel 42 te ondergaan, de houders, van een Belgisch of Europees rijbewijs geldig voor de categorie A, B of B+E of voor een gelijkwaardige categorie, wanneer ze beantwoorden aan de voorwaarden van artikel 3, § 1 en zij een voertuig bestemd voor een van de hierna genoemde vervoersdiensten besturen : 1° de diensten voor geregeld, bijzondere vormen van geregeld en ongeregeld vervoer, respectievelijk bedoeld in de artikelen 3, 11 en 14 van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocar;2° de taxidiensten bedoeld in artikel 1, § 1 van de wet van 27 december 1974 betreffende de taxidiensten;3° de verhuurdiensten met chauffeur bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 19 maart 1975 betreffende de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur;4° het vervoer van personeel georganiseerd en uitgebaat door een werkgever met eigen, gehuurd of in leasing genomen materieel en op eigen verantwoordelijkheid;5° het vervoer georganiseerd en uitgebaat door fysieke of rechtspersonen ten behoeve van hun cliënteel;6° de ambulance- en vervoerdiensten georganiseerd ten behoeve van hospitalen, klinieken, rust-, verzorgings- en hersteltehuizen, inrichtingen voor gerechtelijke plaatsing van minderjarigen en medisch-pedagogische instellingen;7° het bezoldigde leerlingenvervoer. De instructeurs van de rijscholen die het praktische onderricht voorgeschreven in artikel 15 verstrekken, zijn eveneens gehouden om het onderzoek bedoeld in artikel 42 te ondergaan. Art. 44.§ 1. Het onderzoek bedoeld in artikel 42 wordt afgelegd voor een geneesheer van een medisch centrum van de Sociaal-Medische Rijksdienst. De aanvrager legt een verklaring voor waarin hij op zijn woord van eer bevestigt, bij zijn weten niet aangetast te zijn door een aandoening die het normaal besturen van een voertuig, zelfs tijdelijk, zou kunnen verhinderen of belemmeren en deelt het resultaat mee dat hij bekwam bij een eventueel vorig geneeskundig onderzoek. Het model van deze verklaring komt voor in bijlage 6, IX. Hij legt bovendien het verslag voor van een oogarts waarvan het model bepaald is in bijlage 6, X. § 2. Als de geneesheer van de Sociaal-Medische Rijksdienst besluit tot de ongeschiktheid van de kandidaat of de beslissing laat afhangen van voorwaarden of beperkingen, kan deze laatste een beroep instellen bij die dienst. Het beroep wordt ingeleid bij ter post aangetekende brief, binnen de tien werkdagen na de betekening van de beslissing. De verzoeker wijst in deze brief de geneesheer aan die hem tijdens de procedure zal bijstaan. De Sociaal-Medische Rijksdienst deelt zonder verwijl aan die geneesheer de medische gegevens mee die de beslissing hebben gemotiveerd. Binnen de tien werkdagen, volgend op de mededeling van het dossier, kan de geneesheer aangewezen door de verzoeker : 1° hetzij zijn akkoord betuigen met de beslissing;2° hetzij een tegensprekelijke raadpleging vragen met de geneesheer die de beslissing heeft genomen of, bij verhindering, met zijn plaatsvervanger;3° hetzij een rapport neerleggen waarin de argumenten die de beslissing motiveerden, weerlegd worden. In geval van akkoord tussen de onderzoekende geneesheer en deze die door de verzoeker werd gekozen, wordt de beslissing dienovereenkomstig gehandhaafd of gewijzigd. Indien de twee geneesheren het onderling niet eens kunnen worden, wordt een arbitrageonderzoek gedaan door de hoofdgeneesheer van de Sociaal-Medische Rijksdienst of door zijn gemachtigde, die de verzoeker nog niet heeft onderzocht tijdens het geneeskundig onderzoek of de tegensprekelijke raadpleging. Bij het arbitrageonderzoek mag de verzoeker zich laten bijstaan door de door hem gekozen geneesheer. Na afloop van het arbitrageonderzoek is de beslissing daaromtrent definitief. § 3. De verzoeker betaalt voor elk onderzoek de retributie die vastgesteld wordt door de Minister tot wiens bevoegdheid de Sociaal-Medische Rijksdienst behoort alsook, in voorkomend geval, de honoraria en kosten van de geneesheer die hij gekozen heeft om hem bij te staan bij de beroepsprocedure. § 4. In afwijking van de bepalingen van § 1, kan het onderzoek bedoeld in artikel 42 afgelegd worden voor : 1° een geneesheer van een erkende Arbeidsgeneeskundige Dienst.Wanneer de Arbeidsgeneesheer tot de ongeschiktheid van de kandidaat besluit of de beslissing laat afhangen van voorwaarden of beperkingen kan beroep ingesteld worden volgens de bepalingen betreffende de beslissingen van de Arbeidsgeneesheer voorgeschreven in het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming; 2° een geneesheer van het « Office communautaire et Régional de la Formation professionnelle et de l'Emploi », van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding of van het « Institut bruxellois francophone pour la formation professionnelle »;3° een geneesheer van de medische dienst van het leger;4° een geneesheer van een psycho-medisch-sociaal centrum;5° een geneesheer van de medische dienst van de rijkswacht. De aanvrager legt aan de onderzoekende geneesheer de verklaring voor, zoals voorgeschreven in § 1, tweede lid. § 5. De in §§ 1 en 4 bedoelde geneesheer levert aan de aanvrager een attest af, overeenkomstig het in bijlage 6, XI voorgeschreven model. Indien de geneesheer oordeelt dat de toelating tot sturen moet afhankelijk gesteld worden van de verplichting om bepaalde types van voertuigen of om een speciaal aangepast voertuig of om een voertuig uitgerust met een automatische schakeling te gebruiken of van bepaalde voorwaarden of beperkingen bij het gebruik van het rijbewijs, maakt hij daarvan melding op het attest uitgereikt aan de kandidaat, in de vorm van de codes,bepaald in bijlage 7. Het attest is vijf jaar geldig; deze geldigheid wordt echter teruggebracht tot drie jaar voor de bestuurders die de leeftijd van 50 jaar hebben bereikt. Bovendien verstrijkt de geldigheid van het attest afgegeven aan een bestuurder die de leeftijd van 50 jaar nog niet heeft bereikt, ten laatste op het ogenblik dat hij de leeftijd van 53 jaar bereikt. Evenwel, kan het attest dan afgegeven worden voor een kortere geldigheidsduur overeenkomstig de bepalingen van bijlage 6. Art. 45.Indien de geneesheer bedoeld in de artikelen 41, § 2 en 44, §§ 1 en 4 een vermindering van de functionele vaardigheden van een kandidaat of van een bestuurder vaststelt tengevolge van een aantasting van het musculo - skelettaal systeem, van een aandoening van het centraal of het perifeer zenuwstelsel of van elke andere aandoening waardoor een beperking ontstaat van zijn motorische controle, zijn waarnemingen of zijn gedrag en beoordelingsvermogen, verwijst hij de aanvrager door naar een centrum aangeduid door de Minister en belast met het bepalen van de rijgeschiktheid van de bestuurders alsook de eventuele aanpassingen die aan het voertuig moeten aangebracht worden en, in voorkomend geval, de voorwaarden of de beperkingen aan het gebruik van het rijbewijs. De geneesheer van het centrum maakt het attest op bepaald in bijlage 6, XII wanneer het gaat om een kandidaat bedoeld in artikel 41, § 1; hij deelt zijn conclusies mee aan de geneesheer bedoeld in artikel 44, §§ 1 of 4 als het gaat om een kandidaat bedoeld in de artikelen 42 en 43. Art. 46.§ 1. Indien de geneesheer bedoeld in de artikelen 41, § 2, 44, §§ 1 en 4 en 45 vaststelt dat de houder van een rijbewijs niet meer beantwoordt aan de in bijlage 6 vastgestelde geneeskundige normen, moet hij de belanghebbende op de hoogte stellen van de verplichting om zijn rijbewijs overeenkomstig de bepalingen van artikel 24 van de wet in te leveren bij de overheid bedoeld in artikel 7. § 2. De houder van een rijbewijs dat in toepassing van artikel 24 van de wet werd ingeleverd kan de teruggave verkrijgen indien hij aan de in artikel 7 bedoelde overheid een attest voorlegt waarin bevestigd wordt dat hij opnieuw geschikt is om een motorvoertuig te besturen van de categorie of subcategorie waarvoor het rijbewijs geldig is. Het attest bedoeld in het eerste lid wordt opgemaakt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 41, §§ 2 en 3, 44 en 45. Indien de handicap van de houder een voertuig vereist dat speciaal aan zijn handicap is aangepast of gebruiksbeperkingen noodzakelijk maakt, zal daarvan melding gemaakt worden op het rijbewijs. Indien het attest hem slechts het besturen toelaat van sommige categorieën of subcategorieën van voertuigen waarvoor het rijbewijs werd geldig verklaard, bekomt hij zonder zich te onderwerpen aan de scholing en zonder een nieuw theoretisch en praktisch examen te moeten afleggen, een nieuw rijbewijs alleen geldig voor de categorieën of subcategorieën waarvoor hij tot het besturen ervan geschikt is. De procedure van artikel 49 is van toepassing. Afdeling VII. - Beroep in geval van niet slagen voor het praktische examen Art. 47.§ 1. Er wordt een beroepscommissie opgericht die uitspraak moet doen over de beroepen in verband met het niet slagen voor het praktische examen. Deze commissie telt vijf commissarissen, politierechters of vrederechters die gedurende ten minste vijf jaar een politierechtbank hebben voorgezeten. Ze worden aangesteld door de Minister voor een termijn van twee jaar. Dit mandaat kan hernieuwd worden. De Minister duidt, onder de commissarissen, een voorzitter en een vice-voorzitter aan. § 2. De functie van commissaris is onverenigbaar met elke betrekking of met elke functie in een rijschool of in een instelling belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen. De commissaris moet zich onbevoegd verklaren bij elk beroep ingeleid door een bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad. § 3. De commissie zetelt op geldige wijze wanneer drie van haar leden aanwezig zijn. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter of, bij zijn afwezigheid, deze van de vice-voorzitter of, bij ontstentenis, deze van de oudste commissaris, beslissend. Het secretariaat van de beroepscommissie wordt uitgeoefend door een gemachtigde van de Minister. Deze gemachtigde roept de commissie tijdig samen en brengt aan de commissarissen verslag uit over de ingeleide beroepen, zo nodig na de noodzakelijke onderzoeken te hebben gedaan; hij woont de debatten bij tijdens dewelke hij een raadgevende stem heeft. § 4. De commissarissen bekomen een vergoeding ten laste van de Schatkist, waarvan het bedrag wordt vastgesteld door de Minister. Zij worden bovendien vergoed voor de kosten die hun opdracht meebrengt, overeenkomstig de voor het Rijkspersoneel geldende bepalingen. Voor de toepassing van deze bepalingen worden zij gelijkgesteld met de titularissen van een graad van de rang 13. Art. 48.§ 1. Na twee mislukkingen in het praktische examen kan beroep worden ingediend bij de commissie bedoeld in artikel 47. Dit beroep moet ingediend worden binnen de 15 dagen te rekenen vanaf de datum van het mislukken. Dit beroep wordt, bij een ter post aangetekende brief, gericht aan de voorzitter van de beroepscommissie. De in artikel 61 voorgeschreven retributie moet betaald worden op de erin vastgestelde wijze. Zij wordt slechts op beslissing van de beroepscommissie terugbetaald. Het beroep, ondertekend door de kandidaat, vermeldt de naam, voornaam en geboortedatum van deze laatste, alsmede het examencentrum waar het examen werd afgenomen en de datum daarvan. Het is met redenen omkleed door feiten die alleen betrekking hebben op de personen en de omstandigheden van plaats, tijd en procedure waaronder het examen werd afgelegd. § 2. De beroepscommissie verricht alle bijkomende onderzoeken die zij nodig acht. Zij beslist dat de kandidaat geslaagd is voor het examen of bevestigt de mislukking. Zij kan, in voorkomend geval, de verzoeker machtigen een nieuw examen af te leggen na afloop van de geldigheidsduur van het voorlopige rijbewijs of van de leervergunning waarvan de verzoeker houder was; zij bepaalt onder welke voorwaarden het examen plaats heeft. HOOFDSTUK V. - Vervanging en duplicaten van het rijbewijs, van het voorlopige rijbewijs of van de leervergunning Art. 49.De houder van een rijbewijs die een rijbewijs wenst te verkrijgen geldig voor één of meerdere andere categorieën of subcategorieën van motorvoertuigen dan die waarvoor het oorspronkelijke document werd afgegeven, dient een nieuwe aanvraag in overeenkomstig de in dit besluit beschreven procedure; hij bekomt een nieuw rijbewijs en het oorspronkelijke document wordt teruggegeven aan de overheid bedoeld in artikel 7. Dezelfde procedure is van toepassing op de houder van een rijbewijs waarop de vermelding « automatisch » voorkomt en die een rijbewijs wenst te behalen waarop deze vermelding niet voorkomt. Art. 50.§ 1. Een duplicaat van het rijbewijs wordt afgegeven : 1° in geval van verlies of van diefstal van het rijbewijs;2° als het rijbewijs beschadigd, onleesbaar of teniet gegaan is;3° als de foto van de houder niet meer gelijkend is;4° in het geval van intrekking van het rijbewijs door een buitenlandse overheid;5° in de gevallen voorgeschreven in de artikelen 69, § 2 en 80, § 2. De aanvrager moet beantwoorden aan de voorwaarden voorgeschreven in artikel 3, § 1 voor het verkrijgen van een rijbewijs. § 2. Een aanvraag om een duplicaat, waarvan het model bepaald wordt door de Minister, wordt ingediend bij de overheid bedoeld in artikel 7. Zij is vergezeld van : 1° een attest van aangifte van verlies of diefstal gedaan bij Belgische politie- of rijkswachtdiensten indien de ingeroepen reden verlies of diefstal is.Dit attest, waarvan het model is vastgesteld door de Minister, mag niet gebruikt worden ter vervanging van het rijbewijs; 2° een attest van de buitenlandse overheid waarin zij verklaart geen nationaal rijbewijs te hebben afgegeven aan de aanvrager indien de ingeroepen reden de intrekking van het rijbewijs door deze overheid is;3° het te vervangen rijbewijs in de andere gevallen. De aanvrager ondertekent een verklaring waarin hij bevestigt dat hij niet vervallen is van het recht om een voertuig te besturen van de categorie voor de welke een duplicaat gevraagd wordt en dat het rijbewijs waarvan hij houder is, niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een maatregel van onmiddellijke intrekking. § 3. Een duplicaat van het voorlopige rijbewijs of de leervergunning kan afgegeven worden voor de redenen bepaald in § 1, eerste lid, 1° en 2° en volgens de in § 2 beschreven procedure. § 4. Het rijbewijs, het voorlopige rijbewijs of de leervergunning waarvoor een duplicaat werd afgegeven is niet meer geldig. Indien de houder, na de afgifte van een duplicaat, opnieuw in het bezit komt van het kwijtgeraakte document, moet hij dit laatste onmiddellijk teruggeven aan de overheid bedoeld in artikel 7. Art. 51.De houder van een Europees rijbewijs beantwoordend aan de voorwaarden van artikel 27, 2° bekomt, in de gevallen voorgeschreven in artikel 50, § 1, een Belgisch rijbewijs op basis van de inlichtingen die voorkomen op de inlichtingenfiche bedoeld in artikel 57 of van een attest van de bevoegde overheden van de Lid-Staat die het oorspronkelijke rijbewijs