📄 Wettekst
23 MAART 1998. - Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs
ADVIES NR. 24/97 VAN 11 SEPTEMBER 1997 VAN DE COMMISSIE VOOR DE BESCHERMING VAN DE PERSOONLIJKE LEVENSSFEER Betreft : Ontwerp van koninklijk besluit betreffende het rijbewijs en ontwerp van koninklijk besluit houdende de verplichting voor de gemeentebesturen aan de Minister tot wiens bevoegdheid de wegveiligheid behoort, gegevens te verstrekken betreffende het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs, via de diensten van het Rijksregister van de natuurlijke personen De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, Gelet op de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, inzonderheid artikel 29;
Gelet op de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, inzonderheid artikel 6, gewijzigd bij de wet van 15 januari 1990;
Gelet op de adviesaanvraag van 18 juli 1997 van de Staatssecretaris voor de Veiligheid, Maatschappelijke Integratie en Leefmilieu;
Gelet op het verslag van de heer C. Voet;
Brengt op 11 september 1997 het volgende advies uit : I. Voorwerp van de adviesaanvraag : 1. De ontwerpen van koninklijke besluiten, die aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer voor advies worden voorgelegd strekken tot : a) de oprichting van een centraal bestand rijbewijzen en scholingsdocumenten;b) de verplichting voor de gemeentebesturen aan de Minister tot wiens bevoegdheid de wegveiligheid behoort, gegevens te verstrekken betreffende het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs, via de diensten van het Rijksregister van de natuurlijke personen. II. Onderzoek van de adviesaanvraag : A. Oprichting van een centraal bestand De Commissie maakt de volgende opmerkingen : 1. Artikel 74 van het ontwerp van koninklijk besluit voorziet de oprichting, binnen het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur van een centraal bestand. Het artikel 74 bevat een opgave van de gegevens die het bestand zal bevatten.
De Commissie maakt bezwaar daar waar volgens het artikel 74, 1° het centraal bestand, naast de naam, voornamen, adres, land van verblijf, geboorteplaats en -datum, geslacht, nationaliteit, NlS-code van de gemeente eveneens het identificatienummer bij het Rijksregister wordt vermeld.
Er wordt daartoe geen enkele motivering verstrekt. 2. Artikel 77 bepaalt : « de gegevens bedoeld in artikel 74, 1° tot 6° worden bewaard zonder tijdsbeperking.» Worden dus ook bedoeld : « de gegevens betreffende het verval van het recht tot sturen, van de herstelonderzoeken in het recht tot sturen van de maatregelen die een einde stellen aan het verval van het recht tot sturen en van de onmiddellijke intrekkingen. » (artikel 74, 3°) Dit bewaren zonder tijdsbeperking is in strijd met het artikel 619 van het Wetboek van Strafvordering inzake de uitwissing van veroordelingen.
Het artikel 619 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt inderdaad : « Veroordelingen tot politiestraffen, veroordelingen tot correctionele hoofdgevangenisstraffen van ten hoogste 6 maanden, veroordelingen tot correctionele geldstraffen van ten hoogste 500 frank en tot geldstraffen, ongeacht hun bedrag, opgelegd krachtens het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, worden uitgewist na verloop van drie jaar, vanaf de dag van de rechterlijke eindbeslissing waarbij ze zijn uitgesproken.
Het vorig lid is niet van toepassing op veroordelingen die vervallenverklaringen of ontzettingen inhouden waarvan de gevolgen zich over meer dan drie jaar verstrekken, tenzij het gaat om veroordelingen die het verval inhouden van het recht tot sturen wegens lichamelijke ongeschiktheid, uitgesproken op grond van de bepalingen van het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer. » Uitwissing van veroordelingen heeft de gevolgen van herstel in eer en rechten en brengt mee dat de uitgewiste veroordeling niet meer mag worden vermeld o.m. in het strafregister.
B. Verplichting van de gemeentebesturen. 1. Het ontwerp van koninklijk besluit voorziet de verplichting in hoofde van de gemeentebesturen « door bemiddeling van het Rijksregister van de natuurlijke personen, aan de Minister tot wiens bevoegdheid de wegveiligheid behoort of aan zijn gemachtigde, de inlichtingen te verstrekken, bedoeld in artikel 58 van het koninklijk besluit betreffende het rijbewijs, met uitzondering van 9°.» Het betreft de gegevens die voorkomen op de inlichtingenfiche en de voorlopige inlichtingenfiche, die de daartoe bevoegde overheid dient bij te houden.
De uitzondering van artikel 9 betreft de vervallenverklaringen van het recht tot sturen bedoeld in artikel 66 van het ontwerp van koninklijk besluit betreffende het rijbewijs. 2. De rechtsgrond van deze verplichting is terug te vinden in artikel 6 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.3. De Commissie heeft geen bezwaar tegen de voorgestelde tekst. De secretaris, (get.) J. PAUL De voorzitter, (get.) P. THOMAS.
3 MAART 1998. - Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op het Internationaal Verdrag nopens het wegverkeer en bijlagen, ondertekend te Genève op 19 september 1949, en op de Europese Overeenkomst houdende aanvulling van het Verdrag nopens het wegverkeer en het Protocol nopens de verkeerstekens van 1949, ondertekend te Genève op 16 september 1950, beide goedgekeurd bij de wet van 1 april 1954;
Gelet op het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap, goedgekeurd bij de wet van 2 december 1957, inzonderheid op de artikelen 75 en 189;
Gelet op het Verdrag inzake het wegverkeer, en Bijlagen, opgemaakt te Wenen op 8 november 1968 en op de Europese Overeenkomst, en Bijlage tot aanvulling van dit Verdrag, opgemaakt te Genève op 1 mei 1971, goedgekeurd bij de wet van 30 september 1988;
Gelet op de richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs, gewijzigd door de richtlijnen van de Raad 96/47/EG van 23 juli 1996 en 97/26/EG van 2 juni 1997;
Gelet op de beschikking van de Commissie van 10 juli 1996 betreffende een afwijking van de bepalingen van bijlage III van de richtlijn 91/439/ EEG van de Raad;
Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, ondertekend te Porto op 2 mei 1992 en goedgekeurd bij de wet van 18 maart 1993, op het Protocol tot aanpassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, ondertekend te Brussel op 17 maart 1993 en goedgekeurd bij de wet van 22 juli 1993, en op de beslissing van het gemengd Comité van de EER nr 7/94 van 21 maart 1994 tot wijziging van het protocol 47 en bepaalde bijlagen van het akkoord van de EER;
Gelet op de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, gewijzigd bij de wetten van 12 juli 1973, 9 juni 1975, 9 juli 1976, 14 juli 1976, het koninklijk besluit nr. 140 van 30 december 1982, de wetten van 29 februari 1984, 21 juni 1985, 18 juli 1990, 20 juli 1991, 8 december 1992 en 4 augustus 1996;
Gelet op de
wet van 18 februari 1969Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
18/02/1969
pub.
25/04/2012
numac
2012000279
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg, gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1985, 21 juni 1985 en 28 juli 1987;
Gelet op de wet van 18 juli 1990 tot wijziging van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968 en van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, inzonderheid op artikel 39;
Gelet op het
koninklijk besluit van 1 december 1975Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
01/12/1975
pub.
14/07/2014
numac
2014000537
bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
sluiten houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, inzonderheid op artikel 8, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 25 maart 1987 en 18 juli 1991 en artikel 59.2, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 18 september 1991 en 29 mei 1996;
Overwegende dat de Gewestregeringen zijn betrokken bij het ontwerpen van dit besluit;
Gelet op het advies van de inspecteur van financiën van 29 oktober 1997;
Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting van 6 november 1997;
Gelet op het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;
Gelet op het advies van de Commissie der Europese Gemeenschappen;
Gelet op het besluit van de Ministerraad van 7 november 1997 over de adviesaanvraag binnen een termijn van een maand;
Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 14 januari 1998, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Onze Minister van Volksgezondheid, Onze Minister van Buitenlandse Zaken, Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Onze Minister van Justitie, Onze Minister van Landsverdediging en Onze Staatssecretaris voor Veiligheid en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : TITEL I. - Definities Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° « wet », de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968;2° « Minister », de Minister tot wiens bevoegdheid de verkeersveiligheid behoort;3° « motorvoertuig », elk zichzelf over de weg voortbewegend voertuig uitgerust met een motor anders dan een voertuig dat op rails wordt voortbewogen. Worden niet beschouwd als motorvoertuig, rijwielen waaraan een elektrische hulpmotor is bevestigd die slechts kan werken als de pedalen worden gebruikt en waarvan het vermogen niet hoger mag zijn dan 0,3 kW; 4° « bromfiets » : a) ofwel een « bromfiets klasse A », dit wil zeggen elk twee- of driewielig voertuig uitgerust met een motor met inwendige verbranding waarvan de cilinderinhoud ten hoogste 50 cm3;bedraagt, of met een elektrische motor en dat naar bouw en motorvermogen, op een horizontale weg, niet sneller kan rijden dan 25 km per uur; b) ofwel een « bromfiets klasse B », dit wil zeggen : - elk twee- of driewielig voertuig uitgerust met een motor met inwendige verbranding en waarvan de cilinderinhoud ten hoogste 50 cm3 bedraagt, of met een elektrische motor en dat naar bouw en motorvermogen, op een horizontale weg, niet sneller kan rijden dan 45 km per uur, met uitsluiting van de bromfietsen klasse A; - elk vierwielig voertuig uitgerust met een motor waarvan de cilinderinhoud ten hoogste 50 cm3 bedraagt voor de motoren met elektrische ontsteking of, voor de andere typen motoren, met een netto- maximumvermogen van ten hoogste 4 kW en dat naar bouw en motorvermogen, op een horizontale weg, niet sneller kan rijden dan 45 km per uur.
De maximale lege massa van de driewielige bromfietsen is beperkt tot 270 kg; deze van de vierwielige bromfietsen tot 350 kg; voor de elektrische voertuigen geldt die massa evenwel zonder de batterijen; 5° « motorfiets », elk tweewielig motorvoertuig met of zonder zijspanwagen en dat niet beantwoordt aan de bepaling van de bromfiets; 6° « driewieler met motor », elk driewielig motorvoertuig dat niet beantwoordt aan de bepaling van de bromfiets en waarvan de maximale ledige massa niet meer dan 1.000 kg bedraagt; 7° « vierwieler met motor », elk vierwielig motorvoertuig, andere dan die welke als bromfietsen worden beschouwd, met een lege massa van ten hoogste 400 kg of 550 kg voor voertuigen gebruikt voor het goederenvervoer en met een netto-maximumvermogen van de motor van ten hoogste 15 kW.Voor de elektrische voertuigen geldt die massa zonder de batterijen; 8° « auto », elk motorvoertuig, bromfietsen en motorrijwielen uitgezonderd, dat gewoonlijk wordt gebruikt voor het vervoer van personen of goederen over de weg, of om voertuigen voor het vervoer van personen of goederen over de weg voort te trekken.Deze term omvat mede trolleybussen, dat wil zeggen voertuigen die in verbinding staan met een elektrische leiding en niet rijden op spoorstaven; hij heeft geen betrekking op landbouw- en bosbouwtrekkers; 9° « landbouw- en bosbouwtrekkers », elk motorvoertuig op wielen of rupsbanden, met ten minste twee assen, voornamelijk bestemd voor tractiedoeleinden en in het bijzonder ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde werktuigen, machines of aanhangwagens die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, en die slechts bijkomstig voor personen- of goederenvervoer over de weg of voor het trekken van voertuigen van personen- of goederenvervoer over de weg worden gebruikt;10° « voertuig uitgerust met een automatische schakeling », elk voertuig waarbij de overbrengingsverhouding tussen motor en wielen slechts door het bedienen van het gas- en rempedaal wordt gewijzigd. Voertuigen met een elektrische motor en voertuigen die uitgerust zijn met een koppeling die functioneert zonder dat de bestuurder hoeft in te grijpen, meer bepaald voertuigen met een half-automatische schakeling, worden daarmee gelijkgesteld; 11° « gewone verblijfplaats », de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont. De gewone verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats dan zijn persoonlijke bindingen heeft en daardoor afwisselend op verschillende plaatsen in twee of meer Staten verblijft, wordt evenwel geacht zich op dezelfde plaats als zijn persoonlijke bindingen te bevinden, op voorwaarde dat hij daar op geregelde tijden terugkeert. Deze laatste voorwaarde vervalt, wanneer de betrokkene voor een opdracht van een bepaalde duur in een andere Staat verblijft. Het volgen van onderwijs aan een universiteit of een school impliceert niet dat de gewone verblijfplaats is verplaatst; 12° « rijschool », elke rijschool, erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen;13° « Europees rijbewijs », elk rijbewijs bedoeld bij artikel 23, § 2, 1° van de wet, afgegeven door een Lid-Staat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte. TITEL II. - Indeling van de motorvoertuigen in categorieën voor de toepassing van de bepalingen betreffende het recht tot sturen Art. 2.§ 1. Voor de toepassing van de wets- en verordeningsbepalingen betreffende het recht tot sturen, worden de motorvoertuigen ingedeeld in categorieën : 1° Categorie A3 : bromfietsen. Aan de voertuigen van deze categorie mag een aanhangwagen gekoppeld worden, behalve als het gaat om een bromfiets met drie of vier wielen; 2° Categorie A : motorfietsen met of zonder zijspan. Aan de voertuigen van deze categorie mag een aanhangwagen gekoppeld worden, behalve aan een motorfiets met zijspan; 3° Categorie B : - auto's met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 3.500 kg en met ten hoogste acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend; aan de auto's van deze categorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 750 kg; - samenstellen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie B en een aanhangwagen, waarbij de maximale toegelaten massa van het samenstel niet meer dat 3.500 kg bedraagt en de maximale toegelaten massa van de aanhangwagen niet groter is dan de ledige massa van het trekkende voertuig.
De drie- en vierwielers met motor behoren eveneens tot deze categorie; 4° Categorie B+E : samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie B en een aanhangwagen, waarvan het samenstel niet onder de categorie B valt;5° Categorie C : andere auto's dan die van categorie D, met een maximale toegelaten massa van meer dan 3500 kg;aan de auto's van deze categorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld waarvan de maximale toegelaten massa niet meer dan 750 kg bedraagt; 6° Categorie C+E : samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie C en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg;7° Categorie D : auto's bestemd voor personenvervoer, met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend;aan de auto's van deze categorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 750 kg.
De voertuigen met vouwbalg omschreven in artikel 1, § 2, 9 van het
koninklijk besluit van 15 maart 1968Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
15/03/1968
pub.
16/03/2005
numac
2005000019
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de motorvoertuigen en hun aanhangwagens moeten voldoen. - Duitse vertaling
type
koninklijk besluit
prom.
15/03/1968
pub.
03/06/2014
numac
2014014295
bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
sluiten houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen, behoren eveneens tot deze categorie; 8° Categorie D+E : samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie D en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg. § 2. Binnen de categorieën C, C+E, D en D+E worden de volgende subcategorieën gecreëerd : 1° Subcategorie C1 : andere auto's dan die van categorie D, waarvan de maximale toegelaten massa meer dan 3.500 kg, doch ten hoogste 7.500 kg bedraagt; aan de auto's van deze subcategorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 750 kg; 2° Subcategorie C1+E : samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van subcategorie C1 en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg, mits de maximale toegelaten massa van het aldus gevormde samenstel ten hoogste 12.000 kg bedraagt en de maximale toegelaten massa van de aanhangwagen de ledige massa van het trekkende voertuig niet overschrijdt; 3° Subcategorie D1 : auto's bestemd voor personenvervoer, met meer dan acht doch niet meer dan zestien zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend;aan de auto's van deze subcategorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 750 kg; 4° Subcategorie D1+E : samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van subcategorie D1 en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg, mits de maximale toegelaten massa van het aldus gevormde samenstel ten hoogste 12.000 kg bedraagt en de maximale toegelaten massa van de aanhangwagen de ledige massa van het trekkende voertuig niet overschrijdt en de aanhangwagen niet wordt gebruikt om personen te vervoeren. § 3. Motorvoertuigen die rijden op de openbare weg en die niet behoren tot één van de categorieën of subcategorieën gedefinieerd in de §§ 1 en 2, zoals het verrijdbare landbouw- of bedrijfsmaterieel, worden ingedeeld bij de categorie B of C of de subcategorie C1 naargelang hun maximale toegelaten massa.
TITEL III. - Het rijbewijs HOOFDSTUK I. - Toepassingsveld Art. 3.§ 1. Een Belgisch rijbewijs kunnen verkrijgen : 1° de personen die ingeschreven zijn in het bevolkingsregister, in het vreemdelingenregister of het wachtregister van een Belgische gemeente en die houder zijn van een van de volgende in België afgegeven geldige documenten : a) de identiteitskaart van Belg of voor vreemdeling;b) het bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister;c) de verblijfskaart van onderdaan van een Lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschappen;d) het attest van immatriculatie;2° de personen die het bewijs leveren van hun inschrijving in een Belgische onderwijsinstelling gedurende een periode van ten minste zes maanden en die houder zijn van het geldige verblijfsdocument bedoeld in bijlage 33 van het
koninklijk besluit van 8 oktober 1981Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
08/10/1981
pub.
12/03/2008
numac
2008000158
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
sluiten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;3° de personen die houder zijn van een van de volgende in België afgegeven geldige documenten : a) de diplomatieke identiteitskaart;b) de consulaire identiteitskaart;c) de bijzondere identiteitskaart. § 2. De personen bedoeld in § 1, 1° mogen slechts een motorvoertuig besturen op basis van een Belgisch rijbewijs of op basis van een onder de voorwaarden van artikel 27, 2°, afgegeven Europees rijbewijs, geldig voor de categorie of de subcategorie waartoe het voertuig behoort.
De overige bestuurders van motorvoertuigen moeten houder zijn van een Belgisch, een Europees of een buitenlands rijbewijs, nationaal of internationaal, dat afgegeven is onder de voorwaarden die inzake internationaal wegverkeer van toepassing zijn en geldig is voor de categorie of subcategorie waartoe het voertuig behoort. Die bestuurders dienen een zodanig rijbewijs bij zich te hebben.
De bestuurders, houder van een Europees rijbewijs of van een nationaal of internationaal buitenlands rijbewijs moeten de leeftijd bereikt hebben die vereist is overeenkomstig de bepalingen van artikel 18 voor de afgifte van rijbewijzen. Art. 4.Zijn ontslagen van de verplichting houder te zijn van een rijbewijs en het bij zich te hebben : 1° de bestuurders die overeenkomstig de bepalingen van dit besluit het praktische examen afleggen of met het oog daarop een scholing volgen. Deze vrijstelling geldt eveneens wanneer zij zich naar het examencentrum begeven om het examen af te leggen en ervan terugkeren voor : a) de bestuurders die vervallenverklaard zijn van het recht tot sturen en die het praktische examen moeten afleggen voorgeschreven in artikel 38 van de wet;b) de houders van een buitenlands rijbewijs bedoeld in artikel 5, § 2, 2°;2° de leerlingen van een rijschool die met bijstand van een instructeur een voertuig besturen dat bestemd is voor het onderricht;3° de kandidaten die deelnemen aan het praktische examen bepaald in artikel 48, § 2, derde lid.Deze vrijstelling geldt tevens om zich naar het examencentrum te begeven teneinde er examen af te leggen en ervan terug te keren; 4° de bestuurders van voertuigen van de categorie D of D+E en van de subcategorie D1 of D1+E, in dienst van de ondernemingen voor openbaar vervoer, die de opleiding volgen die door deze ondernemingen wordt verstrekt en waarvan het programma door de Minister wordt goedgekeurd;5° de kandidaten, die met het oog op het behalen van het rijbewijs geldig voor de categorie C, C+E, D of D+E of voor de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E, de opleiding volgen waarvan het programma is goedgekeurd door de Minister en georganiseerd wordt door : a) « l'Office communautaire et régional de la Formation professionnelle et de l'Emploi »;b) de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;c) het « Institut bruxellois francophone pour la formation professionnelle »;6° de leden van de politiemachten die kandidaat zijn voor een rijbewijs geldig voor de categorieën A3, A, D of D+E voor de subcategorie D1 of D1+E, gedurende de scholing in een politieschool, waarvan het programma is goedgekeurd door de Minister;7° de kandidaten die met het oog op het behalen van een rijbewijs geldig voor de categorieën B, B+E, C, C+E en voor de subcategorieën C1 en C1+E of voor de categorieën B, B+E, D, D+E en voor de subcategorieën D1 en D1+E in de derde graad van het secundaire beroepsonderwijs de opleiding « bestuurders van vrachtwagens » of « bestuurders van autobussen en autocars » volgen waarvan het programma door de Minister is goedgekeurd;8° de bestuurders die houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een Belgisch militair rijbewijs geldig voor het besturen van legervoertuigen die zij gemachtigd zijn te besturen krachtens dit document.Deze vrijstelling geldt eveneens tijdens de scholing en het examen met het oog op het behalen van dit rijbewijs; 9° de leden van de rijkswacht die kandidaat zijn voor het rijbewijs geldig voor de categorie A3, A, B, B+E, C, C+E, D of D+E of voor de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E gedurende de scholing die zij volgen in een school van de rijkswacht, waarvan het programma goedgekeurd is door de Minister;10° de bestuurders van bromfietsen;deze vrijstelling geldt niet voor de bestuurders van bromfietsen klasse B die geboren zijn na 14 februari 1961 en die houder zijn van een der documenten bedoeld in artikel 3, § 1; 11° de bestuurders van landbouwtrekkers en van voertuigen die ingeschreven zijn als landbouwmaterieel, als landbouwmotor of als maaimachine, die van de hoeve naar het veld rijden en omgekeerd;12° de bestuurders, geboren vóór 1 oktober 1982, van landbouw- of bosbouwtrekkers en van voertuigen voor traag vervoer omschreven in artikel 1, § 2, 15 van het
koninklijk besluit van 15 maart 1968Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
15/03/1968
pub.
16/03/2005
numac
2005000019
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de motorvoertuigen en hun aanhangwagens moeten voldoen. - Duitse vertaling
type
koninklijk besluit
prom.
15/03/1968
pub.
03/06/2014
numac
2014014295
bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
sluiten houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen;13° de gehandicapten die een voertuig besturen uitgerust met een motor die niet toelaat zich sneller dan stapvoets voort te bewegen;14° de bestuurders van een motorvoertuig hen ter beschikking gesteld door het centrum bedoeld in artikel 45, waartoe zij zich hebben gewend voor het bepalen van hun geschiktheid voor het besturen van een motorvoertuig, alsmede om te vernemen welke aanpassingen aan hun eigen voertuig moeten worden aangebracht, gedurende de test op de openbare weg. HOOFDSTUK II. - De scholing Afdeling I. - Algemeenheden
Art. 5.§ 1. Elke kandidaat voor het rijbewijs moet een scholing doorlopen : 1° hetzij door, in een rijschool, het praktische onderricht bedoeld in artikel 15 te volgen.De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B moet bovendien een aanvullende scholing volgen op basis van een voorlopig rijbewijs model 1 of model 2, overeenkomstig de nadere regels voorgeschreven in afdeling II of op basis van een leervergunning, overeenkomstig de nadere regels voorgeschreven in afdeling III; 2° hetzij op basis van een voorlopig rijbewijs model 3, overeenkomstig de nadere regels voorgeschreven in afdeling II. De kandidaat die houder is van een rijbewijs met de vermelding « automatisch » moet, om een rijbewijs te behalen waarop deze vermelding niet voorkomt, een scholing doorlopen hetzij door het volgen van het praktische onderricht bedoeld in artikel 15, hetzij op basis van een voorlopig rijbewijs model 3, overeenkomstig de nadere regels voorgeschreven in afdeling II. § 2. Zijn evenwel vrijgesteld van de scholing voorgeschreven in de § 1 : 1° de houders van een Belgisch militair rijbewijs bedoeld in artikel 27, 1°;2° de houders van een Europees of een buitenlands rijbewijs, bedoeld in artikel 23, § 2, 1° van de wet, dat ten minste geldig is voor dezelfde categorie of subcategorie van voertuigen of voor een categorie of subcategorie als die waarvoor de geldigverklaring wordt gevraagd;3° de kandidaten bedoeld in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7° en 9° voor de categorie"en of subcategorieën die door deze bepalingen worden bedoeld. Afdeling II. - Voorlopig rijbewijs
Art. 6.De scholing op basis van een voorlopig rijbewijs is aan de volgende voorwaarden onderworpen : 1° De kandidaat : a) moet beantwoorden aan de in artikel 3, § 1 bedoelde voorwaarden om een rijbewijs te verkrijgen;b) moet op de datum van de afgifte van het voorlopige rijbewijs, sinds minder dan drie jaar geslaagd zijn voor het theoretische examen bedoeld in artikel 23, §1, 4° van de wet of ervan vrijgesteld zijn krachtens artikel 28;c) moet houder zijn van een Belgisch of Europees rijbewijs geldig : - voor de categorie B wanneer het gaat om een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie C of D of voor de subcategorie C1 of D1; - voor het besturen van het overeenstemmende trekkende voertuig wanneer het gaat om een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B+E, C+E of D+E of voor de subcategorie C1+E of D1+E; d) mag niet vervallen zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen van de categorie waarvoor het voorlopige rijbewijs is aangevraagd en moet geslaagd zijn voor de onderzoeken die eventueel krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd;e) moet voldoen aan de bepalingen van artikel 41 of van artikel 42;f) mag geen houder geweest zijn van een voorlopig rijbewijs afgegeven na 31 december 1988, geldig voor dezelfde categorie of subcategorie van voertuigen. Dit verbod is evenwel niet van toepassing : - op de houder van een voorlopig rijbewijs model 1 of model 3 geldig voor de categorie B, die een voorlopig rijbewijs model 2 wil behalen, alsmede op de houder van een voorlopig rijbewijs model 2, die een voorlopig rijbewijs model 1 of model 3 wil behalen.
De scholing die gevolgd werd op basis van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie B wordt, in geval van afgifte van een ander voorlopig rijbewijs geldig voor deze categorie, in aanmerking genomen voor het berekenen van de termijn voorgeschreven in artikel 34, tweede lid; - op de houder van een rijbewijs met de vermelding « automatisch », die een voorlopig rijbewijs model 3 wil behalen voor het aanleren van het besturen van een voertuig van dezelfde categorie of subcategorie, uitgerust met een handschakeling; - op de houder van een rijbewijs of een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie A dat de vermelding « A H 25 kW of H 0,16 kW/kg » draagt, voor het behalen van een voorlopig rijbewijs voor het aanleren van het besturen van motorfietsen met een vermogen van meer dan 25 kW of met een vermogen / gewichtsverhouding van meer dan 0,16 kW/kg; g) moet, in een rijschool, het praktische onderricht bedoeld in artikel 15 gevolgd hebben : - als het gaat om een kandidaat voor een voorlopig rijbewijs model 1 of model 2; - als het gaat om een kandidaat voor een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie A, tenzij hij houder is van een rijbewijs, bedoeld in artikel 19, § 2; h) moet de leeftijd bereikt hebben van 16 jaar voor de categorie A3, van 18 jaar voor de categorieën A, B, B+E, C en C+E en voor de subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E en van 21 jaar voor de categorieën D en D+E;i) moet houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een nog geldig voorlopig rijbewijs;j) moet vergezeld zijn van een begeleider die beantwoordt aan de in 3° voorgeschreven voorwaarden en die vermeld is op het voorlopige rijbewijs.Deze beperking is niet van toepassing op de houder van een voorlopig rijbewijs model 3 geldig voor de categorie A3 of A of van een voorlopig rijbewijs model 2; 2° Het voertuig : a) moet behoren tot de categorie of subcategorie van voertuigen waarvoor het voorlopige rijbewijs geldig verklaard is;b) mag geen andere personen vervoeren dan deze bedoeld in artikel 9. Voor de categorieën A3 en A is elk vervoer van personen verboden; c) mag in commercieel verband geen goederen vervoeren.Als de bestuurder evenwel houder is van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie C of C+E of voor de subcategorie C1 of C1+E, mag het voertuig een lading hebben waarvan het gewicht de helft van het nuttige laadvermogen van het voertuig of het samenstel niet overschrijdt; d) moet op de achterzijde en op een duidelijk zichtbare plaats uitgerust zijn met het teken « L », waarvan het model is bepaald door de Minister;e) mag geen aanhangwagen trekken als het voorlopige rijbewijs geldig verklaard is voor de categorie A, B, C of D of voor de subcategorie C1 of D1;f) moet, tenzij de bestuurder houder is van een voorlopig rijbewijs model 2, voorzien zijn van : - als het gaat om een voertuig van de categorie B dat niet uitgerust is met een gesloten koetswerk, achteruitkijkspiegels binnen in het voertuig zodanig geplaatst dat de bestuurder en de begeleider ieder een voldoende uitzicht hebben op het verkeer van achter en van links; - als het gaat om een voertuig van de categorie B uitgerust met een gesloten koetswerk of een voertuig van de categorie B+E, C, C+E, D, D+E of van de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E, van rechtse buitenspiegels zodanig geplaatst dat de bestuurder en de begeleider een voldoende uitzicht hebben op het verkeer van achter en van rechts; - als het gaat om een voertuig van de categorie B of B+E, een parkeerrem gemakkelijk bereikbaar door de begeleider, tenzij het gaat om een voertuig dat speciaal aangepast is aan de handicap van de bestuurder of wanneer het gaat om een voertuig uitgerust met ten minste een bedrijfsreminrichting met twee remmen, zodanig dat de kandidaat en de begeleider ze ieder afzonderlijk kunnen bedienen terwijl de doelmatigheid voorgeschreven voor deze inrichting volledig behouden blijft; 3° De begeleider : a) moet beantwoorden aan de in artikel 3, § 1, bedoelde voorwaarden om een rijbewijs te verkrijgen;b) moet op de datum van de afgifte van het voorlopige rijbewijs geldig voor de categorie B, B+E, C of C+E of voor de subcategorie C1 of C1+E de leeftijd van 24 jaar hebben bereikt en op de datum van de afgifte van het voorlopige rijbewijs geldig voor de categorie D of D+E of voor de subcategorie D1 of D1+E de leeftijd van 27 jaar;c) moet sedert ten minste zes jaar houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een Belgisch of Europees rijbewijs geldig om het voertuig te besturen aan boord waarvan hij de kandidaat vergezelt.De bestuurder die overeenkomstig artikel 44, § 5 of artikel 45, enkel een speciaal aan zijn handicap aangepast voertuig mag besturen, mag niet als begeleider bij de scholing optreden; d) mag niet vervallen zijn of geweest zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen.Dit verbod is evenwel niet van toepassing bij uitwissing van de veroordeling of bij herstel in eer en rechten en op voorwaarde dat er voldaan is aan de onderzoeken die eventueel krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd; e) mag tijdens de laatste drie jaar niet : - veroordeeld geweest zijn wegens overtreding van de artikelen 30, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 47, 48 of 49 van de wet; - meer dan driemaal veroordeeld geweest zijn voor een zware overtreding door de Koning aangewezen op grond van artikel 29 van de wet; f) mag, behalve voor dezelfde kandidaat, niet op een ander voorlopig rijbewijs of leervergunning als begeleider vermeld geweest zijn binnen het jaar vóór de afgifte van het voorlopige rijbewijs. Dit verbod is niet van toepassing : - op zijn eigen kinderen of pleegkinderen of die van zijn echtgenoot; - op de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie C, C+E, D of D+E of voor de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E, hetzij wanneer de begeleider en de kandidaat bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zijn ingeschreven als personeelsleden van dezelfde onderneming die haar bestuurders zelf opleidt, hetzij wanneer de begeleider en de kandidaat prestaties verrichten in een brandweerdienst bedoeld in de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming; g) moet vooraan in het voertuig plaatsnemen. Art. 7.Het voorlopige rijbewijs stemt overeen met de modellen van bijlage 2.
Het voorlopige rijbewijs wordt afgegeven : 1° aan de personen bedoeld in artikel 3, § 1, 1° en 3°, b) en c), door de burgemeester van de gemeente of door diens gemachtigde waar de aanvrager ingeschreven of vermeld is in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister;2° aan de personen bedoeld in artikel 3, § 1, 2° door de burgemeester van de gemeente of door diens gemachtigde die de bijlage 33 heeft afgegeven;3° aan de personen bedoeld in artikel 3, § 1, 3°, a), door de Minister van Buitenlandse Zaken of zijn gemachtigde. Het voorlopige rijbewijs wordt uitgereikt tegen afgifte van een degelijk ingevulde aanvraag om een voorlopig rijbewijs en op vertoon van het bewijs dat voldaan is aan de voorwaarden voorgeschreven bij artikel 6, 1°, b), c), e), g) en 3°, f), tweede streepje.
Het model van de aanvraag om een voorlopig rijbewijs en van het attest voorgelegd door de kandidaat die artikel 6, 3°, f), tweede streepje inroept, wordt bepaald door de Minister. Art. 8.§ 1. Het voorlopige rijbewijs model 1 is negen maanden geldig, het voorlopige rijbewijs model 2 is zes maanden geldig en het voorlopige rijbewijs model 3 is twaalf maanden geldig.
De geldigheid van een voorlopig rijbewijs kan niet verlengd worden behalve in het geval voorgeschreven in § 6, 2°. § 2. De overheid die het voorlopige rijbewijs afgeeft, maakt het geldig voor een van de categorieën A3, A, B, B+E, C, C+E, D of D+E of een van de subcategorieën C1, C1+E, D1 of D1+E. Het voorlopige rijbewijs model 1 of model 2 wordt slechts geldig gemaakt voor de categorie B. Het voorlopige rijbewijs afgegeven voor het aanleren van het besturen van een voertuig van de categorie A wordt enkel geldig verklaard voor het besturen van motorfietsen met een vermogen van minder of gelijk aan dan 25 kW of met een vermogen / gewichtsverhouding van minder of gelijk aan 0,16 kW/kg indien de kandidaat minder dan 21 jaar is of indien de kandidaat de lessen bedoeld in artikel 15, tweede lid, 3°, a) gevolgd heeft met een dergelijk voertuig. § 3. Het voorlopige rijbewijs is slechts geldig voor het aanleren van het besturen van voertuigen van de categorie of subcategorie waarvoor het geldig verklaard is.
De voorwaarden en de beperkingen die voorkomen op de attesten bedoeld in artikel 41, § 4, 44, § 5 en 45 worden aangebracht op het voorlopige rijbewijs in de vorm van de codes bepaald in bijlage 7. § 4. Ieder voorlopig rijbewijs dat is afgegeven hoewel niet was voldaan aan de voorwaarden die in deze afdeling voor de afgifte ervan gesteld worden, is nietig.
In dat geval wordt het voorlopige rijbewijs aan de in artikel 7 vermelde overheid teruggegeven. § 5. Het voorlopige rijbewijs verliest zijn geldigheid : 1° wanneer er niet meer voldaan is aan de voorwaarden bedoeld in deze afdeling;2° bij het verstrijken van de geldigheidstermijn van het document;3° wanneer er een ander voorlopig rijbewijs wordt afgegeven, behalve wanneer een van de documenten geldig verklaard is voor de categorie A3 of A;4° als er een rijbewijs wordt afgegeven, geldig voor dezelfde categorie of subcategorie van voertuigen als deze waarvoor het voorlopige rijbewijs geldig verklaard is. Het voorlopige rijbewijs dat zijn geldigheid verloren heeft, wordt teruggegeven aan de overheid bedoeld in artikel 7. § 6. In afwijking van de bepalingen van § 5, verliest het voorlopige rijbewijs evenwel zijn geldigheid niet : 1° als een van de op het voorlopige rijbewijs vermelde begeleiders niet langer één van de in artikel 6, 3° vermelde voorwaarden vervult. In dit geval, moet de kandidaat veranderen van begeleider overeenkomstig de bepalingen van § 7; 2° als de houder van het voorlopige rijbewijs vervallen verklaard is van het recht om een motorvoertuig van de categorie of subcategorie te besturen waarvoor het document is geldig verklaard.In dit geval, wordt de geldigheid van het document opgeschort tot het einde van de vervalperiode en, in voorkomend geval, tot het slagen voor de onderzoeken die krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd. Bij teruggave van het document, overeenkomstig artikel 68, verlengt de overheid, bedoeld in artikel 7, de geldigheid van het voorlopige rijbewijs met een termijn die gelijk is aan de periode gedurende dewelke de geldigheid van het document opgeschort is geweest. § 7. Een tweede begeleider, die voldoet aan de voorwaarden bepaald in het artikel 6, 3° mag door de overheid bedoeld in artikel 7 op het voorlopige rijbewijs vermeld worden hetzij op het ogenblik van de afgifte hetzij tijdens de scholing.
In geval van verandering van begeleider tijdens de scholing wordt een nieuw voorlopig rijbewijs afgegeven door de overheid bedoeld in artikel 7; dit nieuwe document heeft dezelfde uiterste geldigheidsdatum als het oorspronkelijk voorlopige rijbewijs. Art. 9.De kandidaat van minder dan 24 jaar mag niet sturen van tweeëntwintig uur tot zes uur 's anderendaags op vrijdag, zaterdag, zondag, op de vooravond van de wettelijke feestdagen en op de wettelijke feestdagen.
De houder van een voorlopig rijbewijs model 2 mag vergezeld zijn van een persoon, die ten minste 24 jaar oud is en houder van, en tevens bij zich heeft, een Belgisch of Europees rijbewijs, geldig voor ten minste de categorie B. In dat geval, mag één persoon meer in het voertuig plaats nemen.
De houder van een voorlopig rijbewijs model 1 of model 3 mag, naast de begeleider, vergezeld zijn van één andere persoon. Afdeling III. - Leervergunning
Art. 10.De scholing op basis van een leervergunning is aan de volgende voorwaarden onderworpen : 1° De kandidaat : a) moet beantwoorden aan de in artikel 3, § 1, bedoelde voorwaarden om een rijbewijs te verkrijgen;b) moet in een rijschool het theoretische en het praktische onderricht gevolgd hebben, bedoeld in de artikelen 14 en 15, tweede lid, 6° en geslaagd zijn voor het theoretische examen bedoeld in artikel 23, § 1, 4° van de wet of ervan vrijgesteld zijn krachtens artikel 28;c) mag niet vervallen zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen van de categorie B en moet geslaagd zijn voor de onderzoeken die eventueel krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd;d) moet voldoen aan de bepalingen van artikel 41;e) moet op het ogenblik van de afgifte van de leervergunning de leeftijd van ten minste 17 jaar bereikt hebben en mag de leeftijd van 18 jaar niet overschreden hebben;f) mag niet eerder houder geweest zijn van een leervergunning;g) moet houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een nog geldige leervergunning;h) moet vergezeld zijn van een begeleider die beantwoordt aan de in 3° voorgeschreven voorwaarden en die vermeld is op de leervergunning;2° Het voertuig : a) moet behoren tot de categorie B;b) mag, behalve de begeleider vermeld op de leervergunning, slechts één andere persoon vervoeren;c) mag in commercieel verband geen goederen vervoeren;d) moet op de achterzijde en op een duidelijk zichtbare plaats uitgerust zijn met het teken « L », waarvan het model bepaald is door de Minister;e) moet voorzien zijn van : - achteruitkijkspiegels binnen in het voertuig zodanig geplaatst dat de bestuurder en de begeleider ieder een voldoende uitzicht hebben op het verkeer van achter en van links of, als het voertuig uitgerust is met een gesloten koetswerk, rechtse buitenspiegels zodanig geplaatst dat de bestuurder en de begeleider ieder een voldoende uitzicht hebben op het verkeer van achter en van rechts; - een parkeerrem gemakkelijk bereikbaar door de begeleider, tenzij het gaat om een voertuig dat speciaal aangepast is aan de handicap van de bestuurder of wanneer het gaat om een voertuig uitgerust met ten minste een bedrijfsreminrichting met twee remmen, zodanig dat de kandidaat en de begeleider ze ieder afzonderlijk kunnen bedienen terwijl de doelmatigheid voorgeschreven voor deze inrichting volledig behouden blijft; f) mag geen aanhangwagen trekken;3° De begeleider : a) moet beantwoorden aan de in artikel 3, § 1 bedoelde voorwaarden om een rijbewijs te verkrijgen;b) moet op de datum van de afgifte van de leervergunning de leeftijd van ten minste 24 jaar bereikt hebben;c) moet sedert, ten minste zes jaar, houder zijn van een Belgisch of een Europees rijbewijs geldig voor ten minste de categorie B en het tevens bij zich hebben.De bestuurder die overeenkomstig artikel 44, § 5 of artikel 45, enkel een speciaal aan zijn handicap aangepast voertuig mag besturen, mag niet als begeleider bij de scholing optreden; d) mag niet vervallen zijn of geweest zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen.Dit verbod is evenwel niet van toepassing bij uitwissing van de veroordeling of bij herstel in eer en rechten op voorwaarde dat er voldaan is aan de onderzoeken die eventueel krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd; e) mag tijdens de laatste drie jaar niet : - veroordeeld geweest zijn wegens overtreding van de artikelen 30, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 47, 48 of 49 van de wet; - meer dan driemaal veroordeeld geweest zijn voor een zware overtreding door de Koning aangewezen op grond van artikel 29 van de wet; f) mag, behalve voor dezelfde kandidaat, niet als begeleider vermeld geweest zijn op een andere leervergunning of op een voorlopig rijbewijs binnen het jaar vóór de afgifte van de leervergunning.Dit verbod is niet van toepassing op zijn eigen kinderen of pleegkinderen of die van zijn echtgenoot; g) moet de in artikel 15, tweede lid, 6°, bedoelde lesuren gevolgd hebben, tenzij in het in artikel 12, § 6, derde lid, bedoelde geval;h) moet vooraan in het voertuig plaatsnemen. Art. 11.De leervergunning stemt overeen met het model van bijlage 3.
De leervergunning wordt afgegeven door de overheid bedoeld in artikel 7, tegen afgifte van een degelijk ingevulde aanvraag om een leervergunning en op vertoon van het bewijs dat voldaan is aan de voorwaarden van het artikel 10, 1°, b) en d) en 3°, g).
Het model van de aanvraag om een leervergunning wordt bepaald door de Minister. Art. 12.§ 1. De leervergunning is achttien maanden geldig.
De geldigheid van de leervergunning mag niet verlengd worden behalve in het geval voorgeschreven in § 5, 2°. § 2. De leervergunning is maar geldig voor het aanleren van het besturen van voertuigen van de categorie B. De voorwaarden en de beperkingen die voorkomen op de attesten bedoeld in artikel 41, § 4 en 45, worden in de vorm van de codes, bepaald in bijlage 7, weergegeven op de leervergunning. § 3. Iedere leervergunning die is afgegeven hoewel niet was voldaan aan de voorwaarden die in deze afdeling voor de afgifte ervan gesteld worden, is nietig.
In dat geval, wordt de leervergunning aan de in artikel 7 vermelde overheid teruggegeven. § 4. De leervergunning verliest haar geldigheid : 1° wanneer er niet meer voldaan is aan de voorwaarden bedoeld in deze afdeling;2° bij het verstrijken van de geldigheidstermijn van het document;3° wanneer een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie B wordt afgegeven;4° als er een rijbewijs wordt afgegeven, geldig voor dezelfde categorie van voertuigen als deze waarvoor de leervergunning geldig verklaard is. De leervergunning die haar geldigheid verloren heeft, wordt teruggegeven aan de overheid bedoeld in artikel 7. § 5. In afwijking van de bepalingen van § 4, verliest de leervergunning evenwel haar geldigheid niet : 1° als een van de op de leervergunning vermelde begeleiders, één van de in artikel 10, 3° voorgeschrevene voorwaarden niet meer vervult.In dit geval, moet de kandidaat veranderen van begeleider overeenkomstig de bepalingen van § 6; 2° als de houder van de leervergunning vervallen verklaard is van het recht om een motorvoertuig van de categorie B te besturen.In dit geval, wordt de geldigheid van het document opgeschort tot het einde van de vervalperiode en, in voorkomend geval, tot het slagen voor de onderzoeken die krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd. Bij de teruggave van het document overeenkomstig artikel 68 verlengt de overheid, bedoeld in artikel 7, de geldigheid van de leervergunning met een termijn die gelijk is aan de periode gedurende dewelke de geldigheid van het document opgeschort is geweest. § 6. Een tweede begeleider, die voldoet aan de voorwaarden bepaald in het artikel 10, 3°, mag door de overheid bedoeld in artikel 7 op de leervergunning vermeld worden hetzij op het ogenblik van de afgifte ervan hetzij tijdens de scholing.
In geval van verandering van begeleider tijdens de scholing dient een nieuwe leervergunning afgegeven te worden door de overheid bedoeld in artikel 7; dit nieuw document heeft dezelfde uiterste geldigheidsdatum als de oorspronkelijke leervergunning.
De begeleider, die vermeld wordt tijdens de scholing, moet de praktische lessen bedoeld in artikel 15, tweede lid, 6°, niet volgen; hij moet daarentegen de praktische lessen bedoeld in artikel 15, tweede lid, 1°, j) volgen indien de andere begeleider vermeld op de leervergunning deze lessen niet gevolgd heeft. Art. 13.De kandidaat mag niet sturen van tweeëntwintig uur tot zes uur 's anderendaags op vrijdag, zaterdag, zondag, op de vooravond van de wettelijke feestdagen en op de wettelijke feestdagen. Afdeling IV
Theoretisch en praktisch onderricht verstrekt door de rijscholen Art. 14.Het theoretische onderricht verstrekt door de rijscholen omvat de stof bedoeld in bijlage 4.
Het theoretische onderricht heeft een minimumduur van : 1° zes uren voor de voorbereiding op het theoretische examen voor de categorieën A3, C en D en voor de subcategorieën C1 en D1;2° twaalf uren voor de voorbereiding op het theoretische examen voor de categorieën A en B. Art. 15.Het praktische onderricht verstrekt door de rijscholen omvat de stof voorgeschreven in bijlage 5.
Het praktische onderricht heeft een minimumduur van : 1° twee uren : a) voor de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A3 die de scholing volgt in een rijschool;b) voor de kandidaat, houder van een Belgisch of Europees rijbewijs met de vermelding « automatisch » voor een bepaalde categorie of subcategorie van voertuigen, die een rijbewijs wenst te behalen geldig voor dezelfde categorie of subcategorie en waarop die vermelding niet voorkomt;c) voor de houder van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie A die het praktische examen wenst af te leggen met een instructeur afkomstig uit een rijschool;d) voor de kandidaat die, na het minimum aantal uren praktisch onderricht dat in dit artikel voorgeschreven is, gevolgd te hebben, zich voor het afleggen van het examen tot een andere zetel van deze school of tot een andere school wendt;e) voor de houder van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie A3 of A of van een voorlopig rijbewijs afgegeven met het oog op de opheffing van de vermelding « automatisch » die tweemaal niet geslaagd is voor het praktische examen;f) voor de houder van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie A3 of A of van een voorlopig rijbewijs afgegeven met het oog op de opheffing van de vermelding « automatisch » waarvan de geldigheidsduur verstreken is;g) voor de houder van een voorlopig rijbewijs model 1 of model 2;h) voor de kandidaat bedoeld in artikel 72, § 5, als voorbereiding op het praktische examen tot het herstel in het recht tot sturen van de voertuigen van de categorie A3;i) voor de houder van een Belgisch of Europees rijbewijs geldig voor het besturen van motorfietsen met een vermogen dat minder of gelijk is aan 25 kW of met een vermogen / gewichtsverhouding van minder of gelijk aan 0,16 kW/kg die een rijbewijs geldig voor het besturen van alle voertuigen van de categorie A wenst te behalen;j) voor de houder van een leervergunning, vergezeld van de begeleider of begeleiders vermeld op de leervergunning;2° vier uren : a) voor de houder van een voorlopig rijbewijs model 3 geldig voor de categorie B, B+E, C, C+E, D of D+E of de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E die tweemaal niet geslaagd is voor het praktische examen;b) voor de houder van een voorlopig rijbewijs model 3, geldig voor de categorie B die zich voor het praktische examen wenst te melden met een instructeur afkomstig van een rijschool;3° zes uren : a) voor de kandidaat die een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie A wenst te behalen;b) als voorbereiding op de test bedoeld in artikel 4, 14°;4° acht uren : a) voor de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A, B+E, C, C+E, D of D+E of voor de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E die de scholing volgt in een rijschool;b) voor de houder van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie B, B+E, C, C+E, D of D+E of voor de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E waarvan de geldigheidsduur verstreken is;c) voor de kandidaat die een voorlopig rijbewijs model 1 wenst te behalen;d) voor de houder van een leervergunning waarvan de geldigheid verstreken is;e) voor de kandidaat bedoeld in artikel 72, § 5, als voorbereiding op het praktische examen tot herstel in het recht tot sturen van voertuigen van de categorie A;5° tien uren : voor de kandidaat bedoeld in artikel 72, § 5 als voorbereiding op het praktische examen tot herstel in het recht tot sturen van de voertuigen van de categorie B;6° twaalf uren : voor de kandidaat die een leervergunning wenst te verkrijgen, waarvan de laatste twee uren moeten gevolgd worden, samen met de op de leervergunning vermelde begeleider of begeleiders;7° achttien uren : voor de kandidaat die een voorlopig rijbewijs model 2 wenst te verkrijgen. Art. 16.De verplichting tot het volgen van het aantal uren voorgeschreven in de artikelen 14 en 15 is niet van toepassing op de houders van een Belgisch, een Europees of een buitenlands rijbewijs bedoeld in artikel 23, § 2, 1° van de wet, van een voorlopig rijbewijs of van een leervergunning, die lessen volgen om hun rijvaardigheid tot het sturen van voertuigen van de categorie of de subcategorie waarvoor het document geldig is, te vervolmaken.
Om tot het aantal uren te komen, bedoeld in de artikelen 14 en 15, mogen samengeteld worden, voor het theoretische onderricht, het aantal uren die gevolgd werden in twee verschillende zetels van eenzelfde school of, voor het praktische onderricht, het aantal uren die gevolgd werden in twee verschillende zetels van eenzelfde school of nog, in twee verschillende scholen. Die bepaling is niet van toepassing op de kandidaat bedoeld in artikel 15, tweede lid, 1°, j) en 6° behalve wanneer hij zich inschrijft in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van een andere gemeente.
De gevolgde lesuren in een rijschool worden in aanmerking genomen worden gedurende een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop met de lessen werd begonnen. Komen evenwel niet in aanmerking de lessen gevolgd met de begeleider, bedoeld in artikel 15, tweede lid, 1°, j) en 6° en de vervolmakingslessen bedoeld in het eerste lid. HOOFDSTUK III. - Het rijbewijs Afdeling I. - Afgifte
Art. 17.§ 1. Het rijbewijs komt overeen met het model van bijlage 1.
Het rijbewijs wordt uitgereikt door de overheid bedoeld in artikel 7, tegen afgifte van een degelijk ingevulde aanvraag om een rijbewijs.
Het model van de aanvraag om een rijbewijs wordt bepaald door de Minister.
Deze aanvraag is vergezeld van : 1° twee foto's van de aanvrager die overeenstemmen met de door de Minister vastgestelde normen;2° de verklaringen betreffende de lichamelijke en visuele geschiktheid of, in voorkomend geval, de attesten voorgeschreven in de artikelen 41, §§ 2 of 3, 44, § 5 en 45, tweede lid.Het attest voorgeschreven in artikel 44, § 5 is niet vereist indien de kandidaat houder is van een nog geldig rijbewijs, waarvoor het attest reeds aangeboden werd; 3° een verklaring op eer waarin gesteld wordt dat de aanvrager geen houder is van een Europees rijbewijs, behalve in het in § 2 bedoelde geval;4° in voorkomend geval, de rechtvaardiging van de ingeroepen vrijstelling van het theoretische examen of het praktische examen. Het rijbewijs is uitgereikt binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum van het slagen voor het praktische examen bedoeld in artikel 33 of van de praktische proef bedoeld in de artikelen 27, 3° en 4° en 29. Zoniet moet de kandidaat opnieuw scholing volgen en een nieuw theoretisch en praktisch examen afleggen. § 2. Indien de aanvrager, overeenkomstig artikel 27, 2°, een Europees rijbewijs of een buitenlands rijbewijs voorlegt, bedoeld in artikel 23, § 2, 1° van de wet, ondertekent hij een verklaring waarbij bevestigd wordt dat het rijbewijs authentiek en nog geldig is; het rijbewijs wordt afgegeven aan de overheid bedoeld in artikel 7.
Indien het een Europees rijbewijs betreft, wordt het teruggezonden naar de overheid die het heeft uitgereikt, met vermelding van de redenen voor die terugzending. Indien het om een buitenlands rijbewijs gaat, wordt dat rijbewijs bewaard door de in artikel 7 genoemde overheid en aan de houder teruggegeven wanneer deze niet meer voldoet aan de voorwaarden die in artikel 3, § 1, voor het verkrijgen van een rijbewijs gesteld worden, tegen teruggave van het Belgische rijbewijs. Art. 18.De minimum leeftijd voor het verkrijgen van een rijbewijs is vastgesteld op : 1° 16 jaar voor de categorie A3;2° 18 jaar voor de categorieën A, B, B+E en voor de subcategorieën C1 en C1+E;3° 21 jaar voor de categorieën C, C+E, D en D+E en voor de subcategorieën D1 en D1+E. Evenwel, kan elke kandidaat van ten minste 18 jaar een rijbewijs geldig voor de categorieën C en C+E en voor de subcategorieën D1 en D1+E verkrijgen op voorwaarde dat hij houder is van een getuigschrift van vakbekwaamheid zoals bedoeld in artikel 59.2 van het
koninklijk besluit van 1 december 1975Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
01/12/1975
pub.
14/07/2014
numac
2014000537
bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
sluiten houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, afgegeven, naargelang het geval, voor het goederenvervoer of het personenvervoer. Afdeling II. - Geldigheid
Art. 19.§ 1. Het rijbewijs wordt geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorie A3, A, B, B+E, C, C+E, D of D+E of van de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E. § 2. Het rijbewijs geldig voor de categorie A dat afgegeven werd aan een bestuurder die de leeftijd van 21 jaar nog niet bereikt heeft of die het praktische examen heeft afgelegd met een voertuig bedoeld in het artikel 38, § 2, 1° is enkel geldig verklaard voor het besturen van motorfietsen met een vermogen van minder dan of gelijk aan 25 kW of een vermogen / gewichtsverhouding van minder dan of gelijk aan 0,16 kW/kg.
Na afloop van een termijn van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van afgifte van het rijbewijs bedoeld in het eerste lid, kan de houder, zonder zich te onderwerpen aan de scholing en zonder een nieuw theoretisch en praktisch examen te moeten afleggen, een rijbewijs geldig voor het besturen van alle voertuigen van de categorie A verkrijgen. De procedure, voorgeschreven in artikel 49 …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.