Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Decreet dat het statuut bepaalt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de hogescholen ingericht of gesubsi

Kort samengevat

Dit decreet regelt het statuut van het bestuurs-, onderwijzend en opvoedend hulppersoneel van hogescholen die door de Franse Gemeenschap worden opgericht of gesubsidieerd. Het bepaalt de rechten, plichten en aanwervingsprocedures voor dit personeel.

Wat het regelt

  • Het statuut van personeelsleden in hogescholen van de Franse Gemeenschap.
  • De plichten en onverenigbaarheden voor dit personeel.
  • De procedures voor aanwerving en benoeming van personeel.
  • De berekening van termijnen voor de toepassing van dit decreet.

Wie het betreft

  • Leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en het opvoedend hulppersoneel van hogescholen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.
  • De inrichtende machten van deze hogescholen.

Kernpunten

  • Het decreet is niet van toepassing op leraren godsdienst en contractueel personeel zonder weddetoelage van de Franse Gemeenschap.
  • Personeelsleden moeten de belangen van de Franse Gemeenschap en haar onderwijs behartigen, hun taken gewetensvol uitvoeren en de neutraliteit van het onderwijs respecteren.
  • Geschenken, giften of voordelen aanvragen, eisen of krijgen is verboden.
  • De Regering stelt de onverenigbaarheden vast en personeelsleden kunnen hiertegen bezwaar indienen bij de Raad van beroep.
  • De Regering werft tijdelijk aan en benoemt definitief het onderwijzend personeel, na voorstel van de raad van bestuur en het Directiecollege.
Wettekst
Wettekst
Obsah (6)Artikel 1Art. 19Art. 30Art. 101Art. 133Art. 171

24 JULI 1997. Decreet dat het statuut bepaalt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de hogescholen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap (1

Artikel 1

.Dit decreet is van toepassing op : 1° de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en de leden van het opvoedend hulppersoneel van de hogescholen ingericht door de Franse Gemeenschap en op de gesubsidieerde leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en op de gesubsidieerde leden van het opvoedend hulppersoneel van de hogescholen gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap;2° op de inrichtende machten van deze hogescholen. Het is niet toepasselijk op de leraren godsdienst. Onder « godsdienst » verstaat men een van de religies bedoeld in artikel 8 van de wet van 29 mei

  1. Het is niet toepasselijk op het contractueel personeel van de hogescholen ingericht door de Franse Gemeenschap noch op het personeel dat in de gesubsidieerde hogescholen geen weddetoelage geniet ten laste van de Franse Gemeenschap Art. 2.Voor de goedkeuring van dit decreet, moet men verstaan onder : 1° De Regering : de Regering van de Franse Gemeenschap;2° Wet van 29 mei 1959 : de wet van 29 mei 1959, tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;3° Wet van 7 juli 1970 : de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs : 4° Wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten : de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten,tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;5° Wet van 18 februari 1977 : de wet van 18 februari 1977 betreffende de inrichting van het hoger onderwijs en onder andere het technisch hoger onderwijs en hoger landbouwonderwijs van het lange type;6° Wet van 20 juli 1991 : de wet van 20 juli 1991 betreffende diverse sociale bepalingen;7° Decreet van 5 augustus 1995 : het decreet van 5 augustus 1995, houdende de organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen;8° Decreet van 25 juli 1996 : het decreet van 25 juli 1996 betreffende de opdrachten en betrekkingen van de door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde hogescholen;9° Decreet van 9 september 1996 : het decreet van 9 september 1996 betreffende de financiering van de door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde hogescholen;10° Koninklijk besluit van 28 september 1984 : koninklijk besluit van 28 september 1984 betreffende de uitvoering van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;11° Hogeschool : de hogeschool bedoeld in artikel 1, 1° van het decreet van 5 augustus 1995;12° Hogeschool van de Franse Gemeenschap : de hogeschool ingericht door de Franse Gemeenschap;13° Officiële Gesubsidieerde hogeschool : de hogeschool die afhangt van het officieel gesubsidieerd net en opgericht werd door een gemeente, een provincie, de Franse Gemeenschapscommissie of een rechtspersoon van publiek recht;14° Vrije gesubsidieerde hogeschool : de hogeschool die afhangt van een vrij gesubsidieerd net en opgericht in de vorm van een rechtspersoon van privé recht;15° Inrichtende macht : de inrichtende macht van een onderwijsinrichting zoals gedefinieerd in artikel 2 van de wet van 29 mei 1959;16° Machten van de hogeschool : de machten van de hogeschool bedoeld in artikel 1, 2° van het decreet van 5 augustus 1995;17° Raad van bestuur : de raad van bestuur van een hogeschool van de Franse Gemeenschap bedoeld in artikel 65 van het decreet van 5 augustus 1995;18° Beheersorgaan : het beheersorgaan van een gesubsidieerde hogeschool bedoeld in artikel 69 van het decreet van 5 augustus 1995;19° Directiecollege : het directiecollege bedoeld in de artikelen 65 en 69 van het decreet van 5 augustus 1995;20° Te begeven betrekking : de te begeven betrekking zoals bedoeld in artikel 9 van het decreet van 25 juli 1996;21° Functies van rang 1, van rang 2 en electieve functies bedoeld in artikel 5 van het decreet van 25 juli 1996;22° Verandering van aanstelling : de verandering van aanstelling zoals bedoeld in artikel 27, § 4, van het decreet van 25 juli 1996;23° Verandering van ambt : de verandering van ambt zoals gedefinieerd in de artikelen 12, § 2 en 13, § 2 van het decreet van 25 juli 1996;24° Uitbreiding van opdracht : de procedure volgens welke de inrichtende macht de opdracht van een benoemd of definitief aangeworven personeelslid, of van een personeelslid dat tijdelijk aangesteld of aangeworven werd voor onbepaalde tijd, uitbreidt in hetzelfde ambt en dezelfde te begeven cursussen ten hoogste voor een volledige opdracht, respectievelijk definitief of tijdelijk voor onbepaalde tijd, rekening houdend met artikel 31 van het decreet van 9 september 1996;25° Mutatie : de overplaatsing, in hetzelfde ambt als dat waarin een definitief benoemd of aangeworven personeelslid definitief benoemd of aangeworven werd, naar een andere hogeschool van dezelfde inrichtende macht of naar een hogeschool van een andere inrichtende macht van hetzelfde netwerk.De mutatie is eerst voorlopig voor een proefperiode van een academiejaar; 26° Te begeven cursussen : de cursussen die de inrichtende macht wenst te voorzien rekening houdend met de wet van 7 juli 1970 en het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 22 april 1969, dat de vereiste bekwaamheidsbewijzen vastlegt van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, van het sociaal personeel van de onderwijsinrichtingen voor kleuter-, lager-, bijzonder-, middelbaar-, technisch- kunst- en hoger niet universitair onderwijs van de Franse Gemeenschap en van de internaten die van deze inrichtingen afhangen. 27° Vervanging bedoeld in de artikelen 25.128 en 210 : de vervanging in een ambt vacant geworden ingevolge de afwezigheid van de titularis. Deze titularis is, naar gelang van het geval, een vastbenoemd of aangeworven personeelslid of tijdelijk aangeworven of aangesteld personeelslid voor onbepaalde duur of aangeworven als tijdelijk voor een bepaalde duur. 28° Werkelijk bewezen diensten : diensten bewezen door een personeelslid in hoofdambt terwijl hij zich bevindt in de administratieve of dienstposities van actieve dienst of terbeschikking wegens ontstentenis van betrekking. Art. 3.De ambten van rang 1 worden uitgeoefend door tijdelijk aangestelde of geworven personeelsleden of door definitief aangestelde of geworven personeelsleden. De ambten van rang 2 worden uitgeoefend door definitief aangestelde of geworven personeelsleden. De electieve ambten worden uigeoefend door definitief aangestelde of geworven personeelsleden. Art. 4.Voor de toepassing van dit decreet worden de termijnen, als volgt, berekend : 1° de dag die het vertrekpunt ervan is, is niet inbegrepen;2° de vervaldag is in de termijn inbegrepen;3° wanneer de vervaldag een zaterdag, een zondag, een wettelijk feestdag of een feestdag of een feestdag van of binnen de Franse Gemeenschap is, wordt hij echter tot de eerstvolgende werkdag uitgesteld. TITEL II. - Personeelsleden van de door de Franse Gemeenschap ingerichte hogescholen HOOFDSTUK I. - Plichten en onverenigbaarheid Afdeling
  2. - Plichten Art. 5.De personeelsleden moeten, in alle omstandigheden de bestendige zorg hebben dat zij de belangen van de Franse Gemeenschap en van haar onderwijs behartigen. Art. 6.Ze kwijten zich persoonlijk en gewetensvol van de verplichtingen die hun opgelegd worden door de wetten, decreten en reglementen. Ze voeren stipt de dienstorders uit en vervullen hun taak met vlijt en stiptheid. Art. 7.Ze moeten zich uiterst keurig gedragen zowel in hun dienstbetrekkingen als in hun betrekkingen met het publiek en de studenten. Ze moeten elkaar onderling helpen in de mate waarin het belang van de hogeschool dit vereist. Ze moeten alles vermijden dat de eer of de waardigheid van hun functie in het gedrang zou kunnen brengen. Art. 8.Tijdens de uitvoering van hun functie moeten zij de principes van neutraliteit van het onderwijs van de Franse Gemeenschap eerbiedigen. Ze mogen de studenten niet gebruiken voor propagandistische doeleinden of commerciële reclame. Art. 9.Binnen de limieten bepaald door de reglementering moeten zij de prestaties leveren die nodig zijn voor de goede werking van de hogescholen. Ze mogen de uitoefening van hun functie niet opschorten zonder voorafgaandelijke toelating. Art. 10.Ze mogen geen feiten aan het licht brengen die zij zouden vernomen hebben omwille van hun functies en die van geheime aard zijn. Art. 11.Ze mogen geen geschenken, giften, of om het even welke voordelen aanvragen, eisen of krijgen, rechtstreeks of langs een tussenpersoon, zelfs buiten hun functies, maar door deze veroorzaakt. Art. 12.Ze mogen geen enkele activiteit uitoefenen die in tegenspraak is met de Grondwet en de wetten van het Belgisch volk, die de vernietiging van de onafhankelijkheid van het land op het oog heeft of die de landsverdediging of de uitvoering van de Belgische verbintenissen met het oog op het verzekeren van haar veiligheid in gevaar brengt. Ze mogen geen deel uitmaken of hun samenwerking verlenen aan een beweging, een vereniging, een organisatie of associatie die een activiteit van dezelfde aard voert. Het uitoefenen van de rechten van het Belgisch en Europees burgerschap die eigen zijn aan de leden van het personeel wordt steeds gerespecteerd. Art. 13.Onverminderd de toepassing van het strafrecht, worden de inbreuken op deze bepalingen bestraft, naargelang het geval, met een van de disciplinaire sancties voorzien in artikel
  3. Art. 14.Artikel 13 is niet toepasselijk op de leden van het personeel dat tijdelijk aangesteld werd. Afdeling
  4. - De onverenigbaarheid Art. 15.Is onverenigbaar met de hoedanigheid van lid van het personeel van het onderwijs van de Franse Gemeenschap, elke bezigheid die de uitoefening van de taken van zijn functie zou schaden, in tegenstelling met de waardigheid ervan. Art. 16.Is onverenigbaar met de hoedanigheid van lid van het personeel, elke bezigheid uitgeoefend door de echtgenoot (echtgenote) of langs een tussenpersoon die in strijd zou zijn met de waardigheid van de functie van het betrokken personeelslid. Art. 17.De Regering stelt de onverenigbaarheid vast bedoeld in de artikelen 15 en
  5. Ze brengt het betrokken personeelslid hiervan op de hoogte per aangetekend schrijven, binnen een termijn van vijf dagen beginnend op de dag waarop de onverenigbaarheid werd vastgesteld. Art. 18.De Raad van beroep opgericht door artikel 65 is bevoegd betreffende de bezwaren met betrekking op de onverenigbaarheid ingediend door de personeelsleden. HOOFDSTUK II. - De aanwerving Afdeling
  6. -

Art. 19

.De leden van het onderwijzend personeel worden tijdelijk aangeworven en definitief benoemd door de Regering. Art. 20.§

  1. De personeelsformatie bedoeld in artikel 1, 1° wordt vastgelegd door de raad van bestuur, op voorstel van het Directiecollege. De personeelsformatie wordt goedgekeurd door de Regering. §
  2. De aanwervingen, benoemingen en terbeschikkingstellingen door gebrek aan betrekking van de personeelsleden bedoeld in artikel 1, 1° worden aan de Regering voorgesteld door de raad van bestuur, op voorstel van het Directiecollege. Art. 21.Ten laatste op 15 februari van elk jaar, maakt de raad van bestuur aan de Regering, volgens de procedure bedoeld in artikel 20, § 1, lid 1, de lijst van openstaande betrekkingen over die hij wenst vervuld te zien voor het volgend academiejaar. Onderafdeling
  3. - Over de functies van rang 1 Art. 22.De Regering publiceert tijdens de maand maart in het Belgisch Staatsblad een oproep voor kandidaturen voor elke openstaande betrekking en te begeven betrekking van rang
  4. De betrekkingen bedoeld in het vorig lid zijn toegankelijk voor de personeelsleden die definitief benoemd zijn door een verandering van aanstelling, een verandering van ambt, een mutatie of een uitbreiding van de opdracht, voor de tijdelijke personeelsleden die aangeworven werden voor onbepaalde tijd per uitbreiding van opdracht en aan de kandidaten voor een tijdelijke aanstelling. Art. 23.De oproep in het Belgisch Staatsblad preciseert : 1° het ambt en de te begeven cursussen;2° de omvang van de opdracht;3° de dossiers die moeten ingediend worden die onder andere de documenten bevatten met de nuttige bekwaamheidsbewijzen en ervaring, de vermelding van wetenschappelijke publicaties en de rechtvaardiging van diverse beroepservaringen;4° de vormen en de termijnen vereist voor het indienen van de dossiers bedoeld in 3°. Art. 24.§
  5. De kandidaat die zijn kandidatuur stelt voor meerdere betrekkingen, dient een afzonderlijke kandidatuur in voor elk van deze. Op straf van nietigheid, worden de kandidaturen ingediend bij de Regering, per aangetekend schrijven via de post. §
  6. De Regering verdeelt de ontvangen kandidaturen in twee lijsten : de ene samengesteld uit de kandidaten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 23 en van artikel 11 van het decreet van 25 juli 1996 voor de kandidaten die in aanmerking komen voor een tijdelijke aanstelling, de andere voor de kandidaten die niet voldoen aan deze voorwaarden en maakt de kandidaturen over aan de betrokken raden van bestuur. De raad van bestuur, volgens de procedure bedoeld in artikel 20, § 2, klasseert de kandidaten volgens de te begeven cursussen, de bekwaamheidsbewijzen en de dossiers zoals voorzien in artikel 23 en maakt aan de Regering een lijst over van ten hoogste drie kandidaten, geklasseerd per order van voorkeur per te begeven betrekking. De raad van bestuur is echter verplicht een prioritaire behandeling te verlenen aan de aanvragen voor verandering van aanstelling van de personeelsleden van de hogescholen van de Franse Gemeenschap. §
  7. Wanneer de raad van bestuur vaststelt dat een kandidaat niet kan weerhouden worden voor een te begeven betrekking, kan hij, volgens de procedure bedoeld in artikel 20, § 2, aan de Regering voorstellen een afzonderlijke oproep te publiceren via het Belgisch Staatsblad, op om het even welk ogenblik van het academiejaar. Deze oproep herneemt de elementen van de oproep bedoeld in artikel 23, daarbij de kenmerken preciserend die vereist zijn voor de te begeven betrekking. Art. 25.§
  8. Wanneer een hogeschool een vervanging wenst te doen, stelt de raad van bestuur aan de Regering voor, per afwijking aan de procedure bepaald in artikel 20, §
  9. De beheerraad stelt eerst een persoon die zijn kandidatuur stelde voor de te begeven cursussen en betrekking, overeenkomstig de oproep bedoeld in de artikelen 22 en
  10. Deze aanstelling neemt een eind bij de terugkeer van de titularis van de betrekking en in elk geval aan het eind van het academiejaar waarin de aanstelling plaatsvond. Deze aanstelling kan in geen geval aanleiding geven tot een aanstelling van onbepaalde duur. §
  11. Wanneer de hogeschool een betrekking wenst te begeven die openstaat na de publicatie van de oproep bedoeld in artikel 22, dan wordt de procedure toegepast bedoeld onder lid 1 van §
  12. Deze aanstelling kan in geen geval aanleiding geven tot een aanstelling van onbepaalde duur. Onderafdeling
  13. - De ambten van rang 2 Art. 26.De openstaande betrekkingen die overeenstemmen met de ambten van rang 2 worden prioritair toegekend na een interne oproep gericht aan de personeelsleden die definitief benoemd werden in rang 1 binnen de hogeschool, volgens de modaliteiten bepaald door de raad van bestuur, overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 20, § 2, en goedgekeurd door de Regering. Art. 27.De Regering publiceert tijdens de maand maart in het Belgisch Staatsblad een oproep voor veranderingen van aanstellingen, veranderingen van ambten, voor uitbreidingen van opdracht en mutaties voorbehouden aan de personeelsleden die definitief benoemd werden in de hogescholen van de Franse Gemeenschap voor elke betrekking die te begeven valt na toepassing van artikel
  14. Art. 28.De oproep in het Belgisch Staatsblad preciseert : 1° het ambt en de te begeven cursussen;2° de omvang van de opdracht;3° de dossiers die moeten ingediend worden die onder andere de documenten bevatten met de nuttige bekwaamheidsbewijzen en ervaring, de vermelding van wetenschappelijke publicaties en de rechtvaardiging van diverse beroepservaringen;4° de vormen en de termijnen vereist voor het indienen van de dossiers bedoeld in 3°. Art. 29.§
  15. De kandidaat die zijn kandidatuur stelt voor meerdere betrekkingen, dient een afzonderlijke kandidatuur in voor elk van deze. Op straf van nietigheid worden de kandidaturen ingediend bij de Regering, per aangetekend schrijven via de post. §
  16. De Regering verdeelt de ontvangen kandidaturen in twee lijsten : de ene samengesteld uit personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden van artikel 28 en van de andere voor personeelsleden die niet voldoen aan deze voorwaarden en maakt de kandidaturen over aan de betrokken raden van bestuur. De raad van bestuur, volgens de procedure bedoeld in artikel 20, § 2, klasseert de aanvragen dan volgens de te begeven cursussen, de bekwaamheidsbewijzen en de dossiers zoals voorzien in artikel 28 en maakt aan de Regering een lijst over van ten hoogste drie kandidaten, geklasseerd per orde van voorkeur per te begeven betrekking. De Regering geeft dan haar toelating voor naargelang het geval, een verandering van aanstelling, van ambt of de mutatie. De raad van bestuur is echter verplicht een prioritaire behandeling te verlenen aan de aanvragen voor verandering van aanstelling van de personeelsleden van de hogescholen van de Franse Gemeenschap. §
  17. Wanneer de raad van bestuur vaststelt dat geen enkel personeelslid dat gehoor gaf aan de oproep bedoeld in artikel 28, in aanmerking komt voor de te begeven betrekking, kan hij, volgens de procedure bedoeld in artikel 20, § 2, aan de Regering voorstellen een afzonderlijke oproep te publiceren via het Belgisch Staatsblad, op om het even welk ogenblik van het academiejaar. Deze oproep herneemt de elementen van de oproep bedoeld in artikel 23, daarbij de kenmerken preciserend die vereist zijn voor de te begeven betrekking. Afdeling
  18. - Tijdelijke aanstelling, Onderafdeling
  19. -

Art. 30

.Elke aanstelling in een ambt van rang 1 gebeurt schriftelijk en vermeldt tenminste : 1° de identiteit van het personeelslid;2° het uit te oefenen ambt evenals de kenmerken en de omvang van de opdracht;3° de datum van indiensttreding;4° de datum waarop de aanstelling een eind neemt voor de aanstellingen voor bepaalde duur;5° of de betrekking ja dan neen als openstaand werd bestempeld overeenkomstig de oproep bedoeld in artikel 22;6° indien de betrekking niet openstaand is, de identiteit van de titularis. Er wordt aan de tijdelijke kracht een geschreven acte overhandigd die de vermeldingen herneemt voorzien in lid

  1. In afwezigheid van een geschreven document, wordt het personeelslid geacht benoemd te zijn in het ambt, de opdracht of de betrekking die hij effectief vervult. Deze wordt geacht aangesteld te zijn voor bepaalde of van onbepaalde duur, naargelang het geval. Art. 31.Op het eind van elke activiteitsperiode, overhandigt de directeur-voorzitter aan het tijdelijk personeelslid een getuigschrift dat de uitgevoerde diensten vermeldt per uitgeoefend ambt, evenals de begin- en einddata evenals de omvang van de opdracht. Onderafdeling
  2. - Tijdelijke personeelsleden aangesteld voor bepaalde duur Art. 32.§
  3. Ten laatste op het eind van de examensessie in juni, stelt de raad van bestuur een verslag op volgens de procedure bedoeld in artikel 20, § 2, over de manier waarop het personeelslid zich van zijn taak kweet. Dit verslag goedgekeurd en gedateerd door de belanghebbende wordt overgemaakt aan de Regering. Het personeelslid krijgt er een kopie van. Naargelang het geval, komt op het verslag een van de volgende vermeldingen voor : « voldeed », « voldeed gedeeltelijk » of « voldeed niet ». Indien het verslag opgesteld door de raad van bestuur de vermelding « voldeed » draagt en het personeelslid dat een betrekking bezette zoals bedoeld in artikel 8 van het decreet van 25 juli 1996 opnieuw wordt aangesteld, is hij dit verplicht voor onbepaalde tijd, zoals voorgeschreven in artikel 10, lid 3 van hetzelfde decreet. Deze nieuwe aanstelling gebeurt prioritair over elke verandering van aanstelling, van ambt, elke mutatie of uitbreiding van opdracht. Wanneer de beheerraad geen verslag heeft opgesteld dat de vermelding « voldeed » draagt, moet hij het personeelslid verhoren alvorens het verslag over te maken aan de Regering. Bij dit verhoor kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, een verdediger gekozen onder de actieve of gepensioneerde personeelsleden van het onderwijs van de Franse Gemeenschap of door een vertegenwoordiger van een syndicale organisatie representatief in de betekenis van de wet van 15 december 1974 en van het koninklijk besluit van 28 september
  4. De procedure wordt voortgezet indien het personeelslid het verslag weigert goed te keuren of zich niet aanbiedt voor het verhoor. Indien het verslag opgesteld door de raad van bestuur de vermelding « voldeed gedeeltelijk » draagt en het personeelslid dat een betrekking bezette zoals bedoeld in artikel 8 van het decreet van 25 juli 1996 opnieuw wordt aangesteld, is dit verplicht tijdelijk, en voor bepaalde tijd, zoals voorgeschreven in artikel 10, lid 3 van hetzelfde decreet. Indien de te begeven betrekking nog steeds openstaat bij het begin van het academiejaar, dan gebeurt de aanstelling opnieuw prioritair over elke verandering van aanstelling, van ambt, of van elke mutatie of uitbreiding van opdracht. Indien het verslag opgesteld door de raad van bestuur de vermelding « voldeed niet » draagt, dan kan de Regering in geen geval de aanstelling herhalen. Indien er geen verslag werd opgesteld, wordt het personeelslid verondersteld een verslag te hebben bekomen met de vermelding « voldeed ». §
  5. Indien het personeelslid het voorwerp uitmaakte van een verslag met de vermelding « voldeed gedeeltelijk » en dat hij opnieuw werd aangesteld voor ten hoogste een academiejaar, kan de beheerraad slechts kiezen uit twee evaluatiemogelijkheden : een verslag dat de vermelding « voldeed » draagt of een verslag met de vermelding « voldeed niet ». Onderafdeling
  6. - Tijdelijke aanstellingen van onbepaalde duur Art. 33.De Regering stelt de leden van het onderwijzend personeel aan, tijdelijk voor onbepaalde duur bij het begin van het academiejaar, op voorstel van de raad van bestuur, volgens de procedure bedoeld in artikel 20, §
  7. Afdeling
  8. - De definitieve benoeming, de ter beschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, het gedeeltelijk opdrachtsverlies en de mutatie Onderafdeling
  9. - De definitieve benoeming Art. 34.De voor onbepaalde duur aangeworven tijdelijke die voldoet aan de voorschriften van artikel 12 van het decreet van 25 juli 1996 wordt definitief benoemd door de Regering, in het ambt waar hij zich kandidaat voor stelde, volgens de normen en termijnen vastgelegd door de Regering, indien hij het voorwerp uitmaakte van een gemotiveerd voorstel tot definitieve benoeming, geformuleerd door de raad van bestuur volgens de procedure bedoeld in artikel 20, §
  10. De Regering verleent een definitieve benoeming aan het personeelslid dat tijdelijk aangesteld werd voor onbepaalde duur en dat voor het betrokken ambt en de te begeven cursussen, de grootste anciënniteit telt, zoals bedoeld in artikel
  11. Het personeelslid mag drie jaar anciënniteit valoriseren die hij volbracht in een ander niveau van het onderwijs ingericht door de Franse Gemeenschap, voor het berekenen van de anciënniteit in de dienst bedoeld in lid
  12. Onderafdeling
  13. - De terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en het gedeeltelijk opdrachtsverlies Art. 35.Een personeelslid dat definitief benoemd werd in een hoofdambt wordt door de Regering slechts in toestand van terbeschikkingstelling geplaatst door een ontstentenis van betrekking of een gedeeltelijk opdrachtsverlies nadat ze een einde stelde, in de hierna volgende orde aan de diensten van de personeelsleden die dezelfde functie uitoefenen en dezelfde cursussen doceren : 1° in een nevenfunctie in een hogeschool;2° tijdelijk voor beperkte duur in de hogeschool en rekening houdend met hun aantal dienstjaren;3° tijdelijk voor onbepaalde duur in de hogeschool en rekening houdend met hun aantal dienstjaren; Wanneer een personeelslid zich in toestand van ter beschikkingstelling bevindt, of in gedeeltelijk opdrachtsverlies, en dat de uren van hetzelfde ambt en dezelfde te begeven cursussen vrijkomen, dan moet de raad van bestuur ze prioritair toewijzen aan dit personeelslid vooraleer over te gaan tot een verklaring van vacature zoals voorzien in artikel 22 of tot een interne oproep voorzien in artikel
  14. Art. 36.Verliest zijn betrekking of een gedeelte van zijn opdracht in het betrokken ambt en de te begeven cursussen, het personeelslid dat definitief benoemd werd en dat het minste aantal dienstjaren telt. Het personeelslid kan, in geval van terbeschikkingstelling bij ontstentenis van betrekking of gedeeltelijk ambtsverlies, ten hoogste tien jaar anciënniteit valoriseren die hij verwierf in definitief dienstverband in een ander onderwijsniveau ingericht door de Franse Gemeenschap, voor de berekening van de anciënniteit in de dienst, bedoeld onder lid
  15. Art. 37.In geval van gelijke anciënniteit in de dienst, verliest het jongste personeelslid zijn betrekking of een gedeelte van zijn opdracht. Art. 38.De anciënniteit in de dienst bedoeld in de artikelen 34, lid 2, 35, lid 1, 36 en 37 wordt op de volgende manier berekend : 1° alle effectieve diensten gepresteerd in tijdelijk verband in de hogescholen van de Franse Gemeenschap worden in aanmerking genomen voor een anciënniteit gelijk aan het aantal dagen geteld van het begin tot het eind van de gepresteerde diensten;2° de effectieve diensten gepresteerd in definitief verband in de hogescholen van de Franse Gemeenschap, in een ambt met volledige prestaties, worden geteld per kalendermaand;indien ze geen volledige maand beslaan, komen ze niet in aanmerking; 3° de effectieve diensten gepresteerd in een functie met onvolledige prestaties die ten minste de helft van het aantal uren vereist voor de volledige functie omvat, worden in aanmerking genomen op dezelfde manier als de diensten gepresteerd in een ambt met volledige prestaties;4° het aantal dagen verworven in een functie met onvolledige prestaties die dit aantal uren niet omvatten, wordt met de helft verminderd;5° dertig dagen vormen een maand;6° de duur van de effectieve diensten gepresteerd in een of meer ambten met volledige of onvolledige prestaties die tegelijkertijd uitgeoefend worden, mag nooit de duur overschrijden van de diensten gepresteerd in een ambt met volledige prestaties uitgeoefend tijdens dezelfde periode;7° de duur van de effectieve diensten gepresteerd door een personeelslid mag nooit de twaalf maanden overschrijden voor een kalenderjaar. Onderafdeling
  16. - Mutatie Art. 39.Gevolg gevend aan de oproepen verschenen in het Belgisch Staatsblad, bepaald in de artikelen 23 en 28, dienen de kandidaten voor een mutatie, hun aanvraag in bij de Regering. De aanvragen tot mutatie worden verzonden per aangetekend schrijven via de post. Worden in aanmerking genomen de mutatieaanvragen die ingediend worden volgens de vorm en binnen de termijn bepaald door de oproep bedoeld in lid
  17. Art. 40.Op het eind van een academiejaar in de nieuwe hogeschool, stelt de beheerraad aan de Regering voor, volgens de procedure bedoeld in artikel 20, § 2, het personeelslid dat een voorlopige mutatie verkreeg, definitief aan te stellen. In het tegengestelde geval, wordt het personeelslid weer opgenomen in de hogeschool waar hij aangesteld was voor hij zijn mutatie aanvroeg. De voorlopige mutatie kan echter slechts doorgevoerd worden met het akkoord van de beheerraad van beide betrokken hogescholen. Afdeling
  18. - Overname van een hogeschool door een andere inrichtende macht Art. 41.§
  19. In geval van overname door de Franse Gemeenschap van een officiële gesubsidieerde hogeschool of van een gedeelte van een officiële gesubsidieerde hogeschool, zijn de volgende bepalingen van toepassing : 1° de personeelsleden die definitief benoemd zijn in een ambt van rang 1 of rang 2 en in actieve dienst zijn op het ogenblik van de overname, verwerven ambtshalve de hoedanigheid van definitief personeelslid in de overeenstemmende ambten binnen de hogeschool van de Franse Gemeenschap;2° de personeelsleden die op het ogenblik van de overname een electief ambt uitoefenen, worden definitief benoemd in het ambt van rang 1 of rang 2 waarin zij definitief benoemd werden voor zij hun mandaat als categoriële directeur of directeur-voorzitter uitoefenden;3° de effectieve diensten door het personeel gepresteerd tot aan de overname, in het onderwijs ingericht door de inrichtende macht die de directie waarneemt van de hogeschool overgenomen door de Franse Gemeenschap, evenals de effectieve diensten gepresteerd in een onderwijsinstelling tot aan de overname ervan door de hierboven genoemde inrichtende macht, voor zover ze in actieve dienst waren op het ogenblik van deze overname, worden geassimileerd met de effectieve diensten gepresteerd in de hoedanigheid van personeelslid van het onderwijs van de Franse Gemeenschap. §
  20. De voorwaarden voor overname van een hogeschool of van een gedeelte van een gesubsidieerde vrije hogeschool overeenkomstig het decreet van 5 augustus 1995 worden bepaald volgens de termen van een overeenkomst die moet gesloten worden door de betrokken inrichtende machten. HOOFDSTUK III. - Administratieve posten Art. 42.Het personeelslid in actieve dienst heeft recht op een wedde en op een bevordering tot een hogere wedde behalve in het geval van een formele tegenstrijdige bepaling. Hij kan zijn hoedanigheden laten gelden ten behoeve van een benoeming in een ambt van rang 1 van rang 2 of voor het uitoefenen van een electief ambt. Hij krijgt verlof volgens de voorwaarden bepaald door de Regering : 1° voor persoonlijke omstandigheden en redenen;2° omwille van ziekte of invaliditeit;3° voor beperkte prestaties bij ziekte of invaliditeit;4° voor beperkte prestaties gerechtvaardigd door sociale of familiale redenen;5° om bepaalde militaire prestaties te leveren in vredestijd, evenals dienstverlening in de burgerbescherming of taken van openbaar nut in toepassing van de wet betreffende het statuut van gewetensbezwaarde;6° voor syndicale activiteiten;7° voor beperkte prestaties gerechtvaardigd door persoonlijke redenen;8° voor opdrachten;9° politiek verlof;10° voor een onderbreking van de beroepsloopbaan. HOOFDSTUK IV. - Signalement Art. 43.Dit hoofdstuk is toepasselijk op de personeelsleden die definitief benoemd zijn, met uitzondering van de directeurs-voorzitter en de categoriële directeurs. Art. 44.Voor elk personeelslid wordt er in de centrale administratie van het ministerie een signalementsdossier gehouden dat uitsluitend bevat : 1° de verslagen over de manier waarop ze hun dienst vervulden als tijdelijke;2° de eventuele signalementsbulletins;3° de administratieve nota's die de gunstige of ongunstige elementen beschrijven in verband met het ambt;4° het aantal disciplinaire sancties. Art. 45.Met uitzondering van het aantal disciplinaire sancties, moeten de documenten die bij het signalementsdossier gevoegd worden vooraf gezien worden door het personeelslid. Al deze documenten zijn genummerd en worden opgenomen in een inventaris. Art. 46.Elk personeelslid maakt het voorwerp uit van een van de volgende signalementsmeldingen : « Goed », « Onvoldoende ». Bij gebrek aan een signalementsbulletin, wordt elk personeelslid verondersteld te beantwoorden aan de vermelding « Goed ». Elke wijziging van een signalementsmelding moet uitvoerig gemotiveerd worden door een speciaal verslag dat de exacte feiten, gunstige of ongunstige, vermeldt. Dit verslag moet aan het signalementbulletin gehecht worden. Art. 47.Elke signalementsmelding heeft betrekking op het academiejaar aan het eind waarvan ze toegekend of aangehouden werd. Het signalementsbulletin wordt indien nodig opgesteld door het directiecollege tussen 1 en 15 juni van elk jaar. Het signalement wordt jaarlijks hernomen indien geen nieuw feit, gunstig of ongunstig, op de individuele fiche voorkomt sinds de toekenning van het laatste signalement. De toekenning van de vermelding « onvoldoende » leidt echter tot een nieuw signalement na een academiejaar. Een signalementsbulletin wordt eveneens opgesteld voor elk personeelslid dat dit vraagt. In dat geval, mag het signalement opgesteld worden op om het even welk ogenblik van het academiejaar zonder dat er meer dan een signalement mag opgesteld worden in de loop van een academiejaar. Art. 48.Met het oog op de eventuele wijziging van het signalement, moet een individuele fiche in verband met het betrokken personeelslid de precieze feiten vermelden, gunstig of ongunstig, die zouden kunnen als evaluatiemiddelen dienen en die betrekking hebben op de uitoefening van het ambt of het privéleven in zijn verband met het ambt. Deze individuele fiche wordt indien nodig, opgesteld door het directiecollege. Art. 49.Het signalementsbulletin wordt door de directeur-voorzitter voorgelegd aan het personeelslid dat het document ondertekent en het binnen de tien dagen teruggeeft indien hij geen opmerkingen te maken heeft. De procedure wordt voortgezet indien het personeelslid weigert het document te onderteken of het niet teruggeeft binnen de voorgeschreven termijn na het gecontroleerd te hebben. Indien het personeelslid van mening is dat de signalementsmelding die hem toegewezen werd niet gerechtvaardigd is, ondertekent hij derhalve het signalementsbulletin en geeft het terug binnen de tien dagen, vergezeld van een geschreven klacht aan de directeur-voorzitter. Deze klacht wordt aan het signalementsbulletin gehecht. De procedure wordt voortgezet indien het personeelslid weigert het document te ondertekenen of het niet teruggeeft binnen de voorgeschreven termijn. Binnen de veertien dagen na de ontvangst van de klacht, deelt het directiecollege aan het betrokken personeelslid zijn beslissing mee. Het personeelslid ondertekent het signalementsbulletin en heeft het recht langs hiërarchische weg een klacht in te dienen bij de raad van beroep volgens de procedure bedoeld in artikel 73 en volgende. De procedure wordt voortgezet indien het personeelslid weigert het signalementsbulletin te ondertekenen. Art. 50.Geen enkele aanbeveling, van welke aard dan ook, mag voorkomen in het signalementsdossier. Elk personeelslid mag op om het even welk ogenblik zijn signalementsdossier raadplegen en indien gewenst, een kopie verkrijgen, mits tussenkomst in de kosten. Art. 51.Het model van het signalementsbulletin en het model van de individuele fiche worden vastgelegd door de Regering. HOOFDSTUK V. - Disciplinaire regeling Afdeling
  21. - Disciplinaire sancties Art. 52.De disciplinaire sancties die opgelegd kunnen worden aan de personeelsleden die vast benoemd zijn en die in hun plichten tekortschieten, zijn : 1° de aanmaning;2° de berisping;3° de afhouding op salaris;4° de disciplinaire verplaatsing;5° de disciplinaire schorsing;6° de degradatie;7° het plaatsen in disciplinaire non-activiteit;8° de ontheffing uit het ambt. In het geval van een lid van het onderwijzend personeel of van het opvoedend hulppersoneel, dan stelt het directiecollege de sancties voor bedoeld in lid 1.. In het geval van een directeur-voorzitter of van een categoriële directeur, dan stelt het hoofd van de administratie waar de hogeschool afhankelijk van is, de sancties bedoeld in lid
  22. Art. 53.De disciplinaire sancties worden uitgesproken door de Regering. Art. 54.De afhouding op de wedde wordt toegepast gedurende ten minste een en ten hoogste drie maand. Ze mag een vijfde van de laatste activiteits- of voorlopige brutowedde niet overschrijden. Art. 55.De disciplinaire schorsing mag niet uitgesproken worden voor een termijn langer dan een jaar. Ze brengt het afhouden van de helft van het salaris met zich mee. Art. 56.De degradatie brengt de toewijzing met zich mee van de weddeschaal die overeenstemt met de nieuwe functie van het personeelslid dat zich deze sanctie opgelegd zag. Art. 57.De duur van de disciplinaire plaatsing in non-activiteit wordt vastgesteld door de overheid die de sanctie oplegt; ze mag niet minder zijn dan een jaar, noch vijf jaar overschrijden. Het personeelslid geniet echter gedurende de eerste twee jaar van een voorlopig salaris dat gelijk is aan de helft van de wedde van een personeelslid in actieve dienst. Zonder dit laatste bedrag te mogen overschrijden, wordt de voorlopige wedde vervolgens bepaald volgens het percentage van het pensioen dat de betrokken persoon zou bekomen indien hij met vervroegd pensioen zou gaan. Na de helft van zijn sanctie ondergaan te hebben, kan het personeelslid vragen om opnieuw in het onderwijs opgenomen te worden. Art. 58.De afhouding op een voorlopige wedde of het toekennen van een voorlopige wedde mag slechts als gevolg hebben dat de wedde van het personeelslid teruggebracht zou worden naar een wedde die lager ligt dan de werkloosheidsuitkeringen waar het personeelslid recht zou op hebben indien hij zou genieten van het sociale zekerheidsregime van de loontrekkenden. Art. 59.Geen enkele sanctie mag voorgesteld worden zonder dat het personeelslid voorafgaandelijk verhoord of ondervraagd werd. De betrokkene kan gebruik maken van de rechten die hem erkend worden door het syndicaal statuut. Hij kan een verhaal indienen bij de raad van beroep volgens de procedure bedoeld in artikel 73 en volgende. Art. 60.De disciplinaire procedure mag slechts betrekking hebben op feiten die werden vastgesteld in de loop van het jaar dat de datum voorafgaat waarop met de procedure een aanvang wordt genomen. In het geval van een strafrechtelijke actie, moet de disciplinaire procedure aangevangen worden binnen de zes maand van de kennisneming van de definitieve gerechtelijke beslissing door de macht die ertoe geroepen is de disciplinaire sanctie voor te stellen. Art. 61.Geen enkele sanctie mag een uitwerking hebben op de periode die haar uitspraak voorafgaat. Art. 62.Elke sanctie moet het voorwerp uitmaken van een vermelding in het signalementsdossier. Art. 63.De strafrechtelijke actie in verband met de feiten die het voorwerp uitmaken van een disciplinaire procedure schort de disciplinaire procedure en de disciplinaire uitspraak op behalve in het geval van een duidelijk vastgesteld feit of indien de vastgestelde feiten verbonden aan de beroepsactiviteiten, door het personeelslid erkend werden. Welke ook de uitslag van de strafrechtelijke actie moge zijn, de administratieve macht oordeelt over de toepassing van de disciplinaire acties. De disciplinaire macht is echter, in deze beoordeling gebonden door de werkelijkheid van de feiten definitief vastgesteld door de strafrechtelijke beslissing. Afdeling
  23. - Schrapping van de disciplinaire sancties Art. 64.De schrapping van de disciplinaire sancties gebeurt automatisch na een termijn waarvan de duur vastgesteld werd op : 1° een jaar voor de aanmaning en de berisping;2° drie jaar voor de afhouding op salaris en de disciplinaire overplaatsing;3° vijf jaar voor de disciplinaire schorsing en de degradatie;4° zeven jaar voor het plaatsen in disciplinaire inactiviteit. De termijn neemt een aanvang op de datum waarop de beslissing in disciplinair verband een aanvang nam. Onverminderd de uitvoering van de disciplinaire sanctie, heeft de ontheffing uit het ambt tot gevolg dat er geen rekening meer kan gehouden worden met de geschrapte disciplinaire sanctie, onder andere voor de toegang tot een ambt van rang 2 of tot een electief ambt, noch bij de toekenning van een signalement opgesteld na de schrapping. De disciplinaire geschrapte sanctie wordt verwijderd uit het dossier van het personeelslid bedoeld in artikel
  24. HOOFDSTUK VI. - De raad van beroep Art. 65.Er wordt bij de Regering een raad van beroep opgericht onder de volgende benaming : raad van beroep voor het hoger niet universitair onderwijs van de Franse Gemeenschap. Art. 66.De raad van beroep behandelt : 1° de verhalen die ingediend worden in verband met de onverenigbaarheid;2° de verhalen ingediend in verband met het signalement;3° verhalen ingediend tegen elk voorstel van disciplinaire sanctie;4° de verhalen ingediend door de tijdelijk aangestelde personeelsleden tegen elk onstlagvoorstel in de gevallen bedoeld in de artikelen 93 en
  25. Art. 67.De raad van beroep is samengesteld uit een voorzitter en zes leden. Art. 68.De Regering duidt een voorzitter aan en twee vervangende voorzitters onder de topambtenaren van het ministerie. Art. 69.De Regering duidt de leden van de raad van beroep aan onder de personeelsleden van de hogescholen van de Franse Gemeenschap die definitief benoemd zijn. Deze leden moeten tenminste vijfendertig jaar oud zijn en tenminste tien jaar dienst tellen in het hoger niet universitair onderwijs van de Franse Gemeenschap. De leden van de raad van beroep bedoeld in het vorige lid worden voor de helft aangewezen onder de leden van het onderwijzend personeel van de Franse Gemeenschap en voor de helft uit de lijsten van twee kandidaten die voorgedragen worden door elk van de representatieve vakbonden, in de betekenis van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten en het koninklijk besluit van 28 september
  26. Art. 70.De Regering duidt onder dezelfde voorwaarden, twee plaatsvervangers aan voor elk werkend lid. Art. 71.De voorzitter, de vervangende voorzitters, de effectieve en de vervangende leden worden aangesteld voor vier jaar. Hun mandaat is vernieuwbaar. De plaatsvervanger van een lid, maakt het mandaat af van degene die hij vervangt. Art. 72.De Regering stelt een secretaris aan en twee vervangende secretarissen onder de ambtenaren van het ministerie. Ze nemen het secretariaat waar zonder stemgerechtigd te zijn. Art. 73.§
  27. Elk personeelslid dat uitgenodigd wordt een voorstel tot disciplinaire sanctie dat over hem werd geformuleerd te ondertekenen, heeft het recht langs hiërarchische weg een verhaal in te dienen bij de raad van beroep binnen een termijn van twintig dagen, vanaf de dag waarop het voorstel hem voorgelegd werd. Indien de betrokkene geen verhaal aangetekend heeft binnen de vastgestelde termijn, dan wordt het voorstel voor disciplinaire sanctie rechtstreeks overgemaakt aan de Regering. §
  28. Het verhaal in verband met de onverenigbaarheid evenals het verhaal in betrekking tot het signalement, worden ingediend langs hiërarchische weg binnen een termijn van twintig dagen, vanaf de dag waarop de kennisgeving van de onverenigbaarheid gedaan werd of de datum waarop het directiecollege zijn beslissing mededeelde bedoeld in artikel 49, lid
  29. §
  30. Het verhaal ingediend door een tijdelijk personeelslid aangesteld voor een bepaalde tijd, tegen een ontslagvoorstel bedoeld in artikel 93, wordt ingediend langs hiërarchische weg binnen een termijn van tien dagen, vanaf de ontvangst van het ontslagvoorstel. §
  31. Het verhaal ingediend door een tijdelijk personeelslid aangesteld voor onbepaalde tijd, tegen een ontslagvoorstel bedoeld in artikel 97, wordt ingediend langs hiërarchische weg binnen een termijn van tien dagen, vanaf de ontvangst van het ontslagvoorstel. Art. 74.Het verhaal in verband met de onverenigbaarheid, het voorstel tot disciplinaire sanctie gecontroleerd door de betrokkene, het ontslagvoorstel, gecontroleerd door de betrokkene, het verhaal dat hij indiende, evenals alle documenten die betrekking hebben op het signalement van het betrokken personeelslid worden naargelang het geval overgemaakt aan de raad van beroep binnen een termijn van een maand vanaf de dag van de ontvangst van het verhaal. Art. 75.Geen enkel verhaal kan door de raad van beroep behandeld worden indien de aanvrager de kans niet kreeg zijn verdedigingsmiddelen op punt te stellen en indien het dossier de elementen niet bevat die het deze raad mogelijk maken een advies uit te brengen met alle kennis van zake, onder andere het verslag van de onderzoekers, de processen-verbaal van de getuigenverhoren en de onmisbare confrontaties. Art. 76.Behalve in de gevallen van strafrechtelijke vervolging, moet de raad van beroep voor de gevallen bedoeld in artikel 66, 1°, 2° en 3°, een gemotiveerd advies geven binnen de drie maand die volgen op de ontvangst van het volledig dossier van de zaak. De Regering kan een dringend advies vragen en in dat geval mag de termijn evenwel niet minder zijn dan een maand. In het geval van een verhaal ingediend tegen een ontslagvoorstel zoals bedoeld in artikel 66, 4°, dan mag de termijn een maand niet overschrijden. Art. 77.Zodra een zaak ingediend is, deelt de voorzitter aan de aanvrager de lijst mee van de effectieve en vervangende leden van de raad van beroep. Binnen de tien dagen die volgen op de ontvangst van deze lijst, kan de aanvrager de verwerping van een of meerdere leden van de raad van beroep vragen : ten hoogste drie leden aangesteld op de voordracht van de vakbonden en drie leden rechtstreeks aangesteld door de Regering. Hij kan echter een effectief lid en zijn vervangers niet afwijzen. Een lid kan vragen om ontlast te worden indien hij een meent een moreel belang in de zaak te hebben of indien hij meent dat zijn onpartijdigheid in twijfel zou worden getrokken. De voorzitter beslist over het gevolg dat aan deze aanvraag zal gegeven worden. Hij kan ook een lid van ambtswege, om dezelfde redenen, ontlasten. Art. 78.De voorzitter en de vervangende voorzitters kunnen niet zetelen in een zaak die verband houdt met een van de personeelsleden van de hogeschool die onder hun beheer valt. De voorzitter en de vervangende voorzitters, de effectieve leden en de vervangende leden kunnen niet zetelen in een zaak waar hun echtgenoot (echtgenote) bij betrokken is, of een familielied of een verwant tot de vierde graad inbegrepen. Art. 79.De aanvrager verschijnt in persoon, al dan niet bijgestaan door een advocaat of een verdediger gekozen onder de personeelsleden van het onderwijs van de Franse Gemeenschap, in actieve dienst of met pensioen, of van de afgevaardigde van een representatieve syndicale organisatie, in de betekenis van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten en het koninklijk besluit van 28 september
  32. Indien de aanvrager, hoewel hij normaal opgeroepen werd, niet verschijnt, dan wordt deze zaak aan de raad van beroep onttrokken en wordt het dossier overgemaakt aan de Regering voor een beslissing. Art. 80.De raad van beroep delibereert op een geldige manier indien de voorzitter en tenminste vier leden aanwezig zijn. Indien het quorum bedoeld in lid 1 niet bereikt is, dan roept de voorzitter een nieuwe vergadering samen binnen de veertien dagen. Tijdens deze vergadering kan een beslissing genomen worden ongeacht het aantal aanwezige leden. Art. 81.Voor elke zaak stelt de Regering een rapporteur aan onder de ambtenaren van het ministerie die niet hebben deelgenomen aan het onderzoek. De rapporteur legt met objectiviteit aan de raad van beroep de achtergrond voor van de zaak en de uitslagen van het onderzoek. Hij heeft het recht op antwoord. Hij heeft geen stemrecht. Art. 82.De raad van beroep kan een aanvullend onderzoek bevelen, getuigen ten laste of ten gunste ondervragen. Na een deliberatie maakt ze aan de Regering haar gemotiveerd advies over. Deze vermeldt met hoeveel stemmen, voor of tegen, de stemming de meerderheid behaalde. Art. 83.De stemming over het advies gebeurt in het geheim. De leden aangesteld door de Regering en deze aangesteld op voorstel van de syndicale organisaties moeten gelijk in aantal zijn om deel te kunnen nemen aan de stemming. Indien nodig, wordt de pariteit hersteld door het verwijderen van een of meerdere leden, na loting. Het advies wordt gegeven bij meerderheid van de aanwezige leden. Voor de toepassing van leden 1 en 2, worden de blanco stemmen en de onthoudingen niet als stem beschouwd. Bij staking van pariteit van stemmen, wordt het advies als gunstig beschouwd voor de aanvrager. Art. 84.De beslissing wordt genomen door de Regering binnen de maand die volgt op de ontvangst van het advies. Zij maakt melding van het gemotiveerd advies van de raad van beroep of van de afwezigheid van advies. Elke beslissing die niet overeenkomstig is met het advies van de raad van beroep wordt gemotiveerd. De Regering deelt haar beslissing mee aan de raad van beroep en aan de aanvrager. Art. 85.Het mandaat van de leden van de raad van beroep wordt kosteloos uitgeoefend. Verblijf- en vervoerkosten worden hun evenwel toegekend volgens de bepalingen van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 met betrekking op de algemene reglementering in verband met vervoerkosten en door het koninklijk besluit van 24 december 1964 die de vergoedingen bepaalt voor verblijfkosten van de personeelsleden van het ministerie. Art. 86.De werkingsmodaliteiten van de raad van beroep, met eerbiediging van de rechten van de verdediging en het tegenstrijdig karakter van de debatten, worden bepaald door de Regering. HOOFDSTUK VII. - Preventieve schorsing Art. 87.Indien de goede werking van de dienst of van het onderwijs dit vereisen, kan het personeelslid dat definitief benoemd werd, preventief geschorst worden in het geval van strafrechtelijke vervolgingen, voor de eventuele toepassing van disciplinaire sancties of indien hij een verhaal indient tegen de vaststelling van een onverenigbaarheid. Art. 88.De preventieve schorsing is een zuiver administratieve maatregel. Ze wordt uitgesproken door de Regering en ze moet gemotiveerd zijn. Ze wordt aan de betrokkene meegedeeld per aangetekend schrijven en neemt een aanvang op de datum waarop het aangetekend schrijven hem door de post aangeboden wordt. De preventieve schorsing heeft tot gevolg dat het betrokken personeelslid van zijn ambt verwijderd wordt. Ze mag de termijn van een jaar niet overschrijden, behalve wanneer het personeelslid het voorwerp uitmaakt van strafrechtelijke vervolgingen of wanneer hij een verhaal heeft ingediend tegen de vaststelling van een onverenigbaarheid. Deze maatregel moet evenwel schriftelijk bevestigd worden door de Regering, om de drie maand, beginnend met de in werking treding. Deze bevestiging wordt aan de betrokkene medegedeeld via een aangetekend schrijven langs de post. Bij gebrek aan bevestiging van de preventieve schorsing binnen de vastgestelde termijn, mag het betrokken personeelslid zijn functies weer opnemen na er de Regering van op de hoogte te hebben gebracht met een aangetekend schrijven via de post verzonden tenminste tien werkdagen voor hij het werk effectief weer opneemt. Na ontvangst van deze kennisneming, kan de Regering het aanhouden van de preventieve schorsing bevestigen volgens de procedure die hiervoor beschreven werd. Art. 89.De brutowedde van elk personeelslid dat preventief geschorst werd en dat het voorwerp uitmaakt van strafrechtelijke of disciplinaire vervolgingen omwille van een zware fout waarvoor de feiten duidelijk waren, of waarvoor er overtuigende bewijzen bestaan, wordt met de helft verminderd, behalve tegenstrijdige beslissing van de Regering. Deze vermindering mag niet tot gevolg hebben dat de wedde teruggebracht wordt tot een bedrag dat lager ligt dan de werkloosheidsuitkeringen waar het personeelslid recht zou op hebben indien hij zou genieten van het regime van sociale zekerheid van de loontrekkenden. Art. 90.Zodra het onderzoek van het dossier van het preventief geschorste personeelslid beëindigd is, wordt de maatregel ingetrokken, behalve indien de beslissing in verband met de disciplinaire actie leidt tot een disciplinaire schorsing, tot een plaatsing in een disciplinaire inactiviteit of tot een ontheffing. Wanneer een personeelslid slechts de helft van zijn wedde heeft ontvangen als gevolg van een preventieve schorsing die later ingetrokken werd, krijgt hij het aanvullend gedeelte van zijn wedde dat betrekking heeft op de schorsingsperiode. De bedragen die door het personeelslid ontvangen werden tijdens een preventieve schorsing worden hem toegewezen indien de beslissing in verband met de disciplinaire sanctie tot een van voornoemde drie sancties leidt. HOOFDSTUK VIII. - Het neerleggen van het ambt Afdeling
  33. - De personeelsleden die tijdelijk aangesteld werden voor een bepaalde duur Art. 91.De personeelsleden die tijdelijk benoemd werden voor een bepaalde duur, worden ambtshalve uit hun functies ontzet en zonder vooropzeg : 1° indien ze niet op een regelmatige wijze tijdelijk benoemd werden voor zover de onregelmatigheid niet begaan werd door de Regering;2° indien ze niet langer voldoen aan volgende voorwaarden : a) staatsburger zijn van een lidstaat van de Europese Unie, behalve afwijking verleend door de Regering;b) de burgerlijke en politieke rechten genieten;c) aan de militiewetten voldoen;3° indien na een veroorloofde afwezigheid ze zonder geldige reden verwaarlozen hun dienst te hervatten en afwezig blijven gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien dagen;4° indien ze zonder geldige reden hun betrekking verlaten en afwezig blijven gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien dagen;5° indien ze zich in de gevallen bevinden waarin de toepassing van de burgerlijke en strafrechtelijke wetten het neerleggen van het ambt inhoudt;6° indien er vastgesteld wordt dat een permanente arbeidsongeschiktheid erkend overeenkomstig de wet of het reglement hun niet toelaat hun functies degelijk uit te oefenen;7° indien ze de normale pensioenleeftijd bereikt hebben;8° op het eind van de termijn vermeld in de aanstellingsacte en ten laatste op de laatste dag van het academiejaar tijdens hetwelk de aanstelling werd gedaan;9° om de toewijzing toe te laten aan een personeelslid van dezelfde hogeschool definitief benoemd of tijdelijk aangesteld voor onbepaalde duur, van een volledige of gedeeltelijke opdracht;10° op het ogenblik van de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt, in het geval van een aanstelling zoals bedoeld in artikel 25, § 1;11° indien een onverenigbaarheid wordt vastgesteld en geen enkel verhaal bedoeld in artikel 18 werd ingediend of dat het personeelslid weigert een eind te maken aan een onverenigbare bezigheid, na de procedure volledig doorgewerkt te hebben;12° vanaf de ontvangst van de administratieve gezondheidsdienst het personeelslid definitief ongeschikt verklarend;13° in het geval van een definitieve benoeming in een ambt in verhouding met de uren die het voorwerp van deze nieuwe benoeming uitmaken, met een maximum van een volledig ambt;14° in het geval van de afschaffing van de enige betrekking binnen de hogeschool in een te welbepaald ambt en te begeven cursussen, wanneer deze betrekking bekleed wordt door een personeelslid dat tijdelijk aangesteld werd voor een bepaalde duur. Art. 92.§
  34. De Regering kan elk personeelslid ontslaan dat tijdelijk aangeworven is voor een bepaalde duur zonder kennisgeving omwille van een zware fout. Wordt beschouwd als een zware fout, elke tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen het personeelslid en de hogeschool onmiddellijk en definitief onmogelijk zou maken. §
  35. Vanaf het ogenblik waarop de Regering op de hoogte is van de elementen die op een zware fout zouden kunnen wijzen, roept ze per aangetekend schrijven via de post het personeelslid op voor een verhoor dat plaatsvindt ten vroegste vijf dagen en ten laatste tien dagen na het versturen van de oproeping. De procedure wordt voortgezet indien het personeelslid niet verschijnt voor het verhoor. §
  36. Indien de Regering van mening is dat er voldoende elementen zijn die wijzen op een zware fout, dan kan het overgaan tot het ontslag binnen de drie dagen die volgen op de datum van het verhoor. Het ontslag wordt vergezeld van het bewijs van de echtheid van de verweten feiten. Het wordt aan het personeelslid medegedeeld hetzij per deurwaardersexploot hetzij per aangetekende brief via de post, die van kracht is op de derde werkdag na de datum waarop hij verzonden werd. §
  37. Tijdens het verhoor kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of een verdediger gekozen onder de personeelsleden van het onderwijs van de Franse Gemeenschap die in actieve dienst of gepensioneerd zijn of door een vertegenwoordiger van een representatieve syndicale organisatie, in de betekenis van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten en het koninklijk besluit van 28 september
  38. Art. 93.Mits een vooropzeg van twee weken, mag de Regering een eind maken aan de opdracht van een personeelslid dat tijdelijk benoemd werd voor een bepaalde duur, op gemotiveerd voorstel van de raad van bestuur, volgens de procedure bedoeld in artikel 20, §
  39. Het personeelslid wordt voorafgaandelijk verhoord door de raad van bestuur binnen een termijn van vijf werkdagen beginnend vanaf zijn oproeping per aangetekende brief via de post. De procedure wordt voortgezet indien het personeelslid niet verschijnt voor het verhoor. De directeur-voorzitter legt het ontslagvoorstel voor aan het personeelslid onmiddellijk nadat het werd opgesteld. Het voorstel wordt geviseerd en gedateerd door het betrokken personeelslid. Hij geeft het document dezelfde dag terug. Indien hij van mening is dat het voorstel niet gerechtvaardigd is, maakt hij daar melding van in zijn verklaring en overhandigt het voorstel binnen dezelfde termijn. De procedure wordt voortgezet indien het personeelslid weigert het ontslagvoorstel te viseren. Indien het personeelslid afwezig is, dan wordt het ontslagvoorstel hem toegezonden per aangetekende brief met ontvangstbewijs die een handtekening en datering evenwaardig zijn. De betrokkene kan een verhaal indienen bij de raad van beroep volgens de procedure bedoeld in artikel 73 en volgende. Art. 94.Een personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt voor een bepaalde duur kan zijn ambt vrijwillig opgeven, mits een kennisgeving van veertien dagen. Het personeelslid deelt dit aan de Regering mede per aangetekend schrijven via de post, met uitwerking op de derde werkdag die volgt op de datum van zijn verzending, en informeert de directeur van de hogeschool van zijn beslissing. Afdeling
  40. - De personeelsleden die tijdelijk aangesteld worden voor een onbepaalde duur Art. 95.De personeelsleden die tijdelijk aangesteld worden voor een onbepaalde duur, worden van ambtswege en zonder kennisgeving uit hun functies ontzet : De personeelsleden die tijdelijk benoemd werden voor een onbepaalde duur, worden ambtshalve uit hun functies ontzet en zonder vooropzeg : 1° indien ze niet op een regelmatige wijze tijdelijk benoemd werden voor zover de onregelmatigheid niet begaan werd door de Regering;2° indien ze niet langer voldoen aan volgende voorwaarden : a) staatsburger zijn van een lidstaat van de Europese Unie, behalve afwijking verleend door de Regering;b) de burgerlijke en politieke rechten genieten;c) aan de militiewetten voldoen;3° indien ze na een veroorloofde afwezigheid zonder geldige reden verwaarlozen hun dienst te hervatten en afwezig blijven gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien dagen;4° indien ze zonder geldige reden hun betrekking verlaten en afwezig blijven gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien dagen;5° indien ze zich in de gevallen bevinden waarin de toepassing van de burgerlijke en strafrechtelijke wetten het neerleggen van het ambt inhoudt;6° indien er vastgesteld wordt dat een permanente arbeidsongeschiktheid erkend overeenkomstig de wet of het reglement hun niet toelaat hun functies degelijk uit te oefenen;7° indien ze de normale pensioenleeftijd bereikt hebben;8° om de toewijzing mogelijk te maken aan een personeelslid van dezelfde hogeschool dat definitief werd benoemd van een volledige of van een gedeeltelijke opdracht.In dat geval, verliest het personeelslid dat tijdelijk aangesteld werd voor een bepaalde duur en dat het kleinste aantal jaren dienst telt zoals bedoeld in artikel 38 voor het bedoelde ambt en de te begeven cursussen, zijn betrekking. 9° om de toewijzing toe te laten aan een personeelslid van dezelfde hogeschool definitief benoemd of tijdelijk aangesteld voor onbepaalde duur, van een volledige of gedeeltelijke opdracht.In dat geval, verliest het personeelslid dat het kleinste aantal jaren dienst telt zoals bedoeld in artikel 38 zijn betrekking, voor het bedoelde ambt en de te begeven cursussen. 10° indien een onverenigbaarheid wordt vastgesteld en geen enkel verhaal bedoeld in artikel 18 werd ingediend of dat het personeelslid weigert een eind te maken aan een onverenigbare bezigheid, na de procedure volledig doorgewerkt te hebben;11° vanaf de ontvangst van de administratieve gezondheidsdienst het personeelslid definitief ongeschikt verklarend;12° in het geval van een definitieve benoeming in een ambt in verhouding met de uren die het voorwerp van deze nieuwe benoeming uitmaken, met een maximum van een volledig ambt;13° in het geval van de afschaffing van de enige betrekking binnen de hogeschool in een welbepaald ambt en te begeven cursussen, wanneer deze betrekking bekleed wordt door een personeelslid dat tijdelijk aangesteld werd voor onbepaalde duur. Art. 96.§
  41. De Regering kan elk personeelslid ontslaan dat tijdelijk aangeworven is voor onbepaalde duur zonder kennisgeving omwille van een zware fout. Wordt beschouwd als een zware fout, elke tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen het personeelslid en de hogeschool onmiddellijk en definitief onmogelijk zou maken. §
  42. Vanaf het ogenblik waarop de Regering op de hoogte is van de elementen die op een zware fout zouden kunnen wijzen, roept ze per aangetekend schrijven via de post het personeelslid op voor een verhoor dat plaatsvindt ten vroegste vijf dagen en ten laatste tien dagen na het versturen van de oproeping. De procedure wordt voortgezet indien het personeelslid niet verschijnt voor het verhoor. §
  43. Indien de Regering van mening is dat er voldoende elementen zijn die wijzen op een zware fout, dan kan ze overgaan tot het ontslag binnen de drie dagen die volgen op de datum van het verhoor. Het ontslag wordt vergezeld van het bewijs van de echtheid van de verweten feiten. Het wordt aan het personeelslid medegedeeld hetzij per deurwaardersexploot hetzij per aangetekende brief via de post, die van kracht is op de derde werkdag na de datum waarop hij verzonden werd. §
  44. Tijdens het verhoor kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of een verdediger gekozen onder de personeelsleden van het onderwijs van de Franse Gemeenschap die in actieve dienst of gepensioneerd zijn of door een vertegenwoordiger van een representatieve syndicale organisatie, in de betekenis van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten en het koninklijk besluit van 28 september
  45. Art. 97.Mits een vooropzeg van drie maanden, mag de Regering een eind maken aan de opdracht van een personeelslid dat tijdelijk aangesteld werd voor onbepaalde duur sinds minder dan vijf jaar, op gemotiveerd voorstel van de raad van bestuur, volgens de procedure bedoeld in artikel 20, §
  46. De ontslagperiode wordt vermeerderd met tenminste drie maanden vanaf de aanvang van elke aanstellingsperiode van vijf jaar. Het personeelslid wordt voorafgaandelijk verhoord door de beheerraad binnen een termijn van vijf werkdagen beginnend vanaf zijn oproeping per aangetekende brief via de post. De procedure wordt voortgezet indien het personeelslid niet verschijnt voor het verhoor. De directeur-voorzitter legt het ontslagvoorstel voor aan het personeelslid onmiddellijk nadat het werd opgesteld. Het voorstel wordt geviseerd en gedateerd door het betrokken personeelslid. Hij geeft het document dezelfde dag terug. Indien hij van mening is dat het voorstel niet gerechtvaardigd is, maakt hij daar melding van in zijn verklaring en overhandigt het voorstel binnen dezelfde termijn. De procedure wordt voortgezet indien het personeelslid weigert het ontslagvoorstel te viseren. Indien het personeelslid afwezig is, dan wordt het ontslagvoorstel hem toegezonden per aangetekende brief met ontvangstbewijs die een handtekening en datering evenwaardig zijn. De betrokkene kan een verhaal indienen bij de raad van beroep volgens de procedure bedoeld in artikel 73 en volgende. Art. 98.Een personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt voor een bepaalde duur kan zijn ambt vrijwillig opgeven, mits een kennisgeving van veertien dagen. Het personeelslid deelt dit aan de Regering mede per aangetekend schrijven via de post, met uitwerking op de derde werkdag die volgt op de datum van zijn verzending, en informeert de directeur van de hogeschool van zijn beslissing. Afdeling
  47. - De vast benoemde personeelsleden Art. 99.De personeelsleden die vast benoemd werden, worden ambtshalve uit hun ambt ontzet en zonder vooropzeg : 1° indien ze niet op een regelmatige wijze vast benoemd werden voor zover de onregelmatigheid niet begaan werd door de Regering.De personeelsleden behouden de rechten verworven die verbonden zijn met hun vorige regelmatige situatie; 2° indien ze niet langer voldoen aan volgende voorwaarden : a) staatsburger zijn van een lidstaat van de Europese Unie, behalve afwijking verleend door de Regering;b) de burgerlijke en politieke rechten genieten;c) aan de militiewetten voldoen;3° indien ze na een veroorloofde afwezigheid zonder geldige reden verwaarlozen hun dienst te hervatten en afwezig blijven gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien dagen;4° indien ze zonder geldige reden hun betrekking verlaten en afwezig blijven gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien dagen;5° indien ze zich in de gevallen bevinden waarin de toepassing van de burgerlijke en strafrechtelijke wetten het neerleggen van de functies inhoudt;6° indien er vastgesteld wordt dat een permanente arbeidsongeschiktheid erkend overeenkomstig de wet of het reglement hun niet toelaat hun functies degelijk uit te oefenen;7° indien ze de normale pensioenleeftijd bereikt hebben;8° indien ze ontslagen werden;9° indien de professionele ongeschiktheid definitief werd vastgesteld. Deze ongeschiktheid wordt vastgesteld voor de personeelsleden onderworpen aan het signalement, door het aanhouden van de vermelding « onvoldoende » gedurende twee opeenvolgende jaren, vanaf haar medeling; 10° indien een onverenigbaarheid wordt vastgesteld en geen enkel verhaal bedoeld in artikel 18 werd ingediend of dat het personeelslid weigert een eind te maken aan een onverenigbare bezigheid, na de procedure volledig doorgewerkt te hebben;11° indien ze zonder geldige reden weigeren een nieuwe functie te bekleden als gevolg van een verandering van aanstelling of van een mutatie;12° indien ze zonder geldige reden de toegewezen uren weigeren krachtens artikel 35, lid 2;13° indien ze zonder geldige reden de toegewezen uren weigeren krachtens artikel 310;14° indien ze gepensioneerd worden omwille van een lichamelijke ongeschiktheid;15° in het geval van een definitieve benoeming in een andere functie in verhouding van de uren die het voorwerp uitmaken van deze nieuwe benoeming, met een maximum van een volledig ambt;16° in het geval van de afschaffing van de enige betrekking binnen de hogeschool in een bepaald ambt en de te begeven cursussen, wanneer dit ambt bekleed wordt door een personeelslid dat definitief benoemd werd en een aanvullend ambt uitoefent. Wanneer de definitieve onderbreking van het ambt tot de toepassing leidt van artikel 10 van de wet van 20 juli 1991, stort de Regering aan de Rijksdienst voor Maatschappelijke Zekerheid de bijdragen voorzien in dit artikel. Art. 100.Het vrijwillig ontslag van het vast benoemde personeelslid brengt de definitieve onderbreking van het ambt met zich mee. Het personeelslid kan zijn dienst slechts verlaten nadat hij hiervoor een uitdrukkelijke toelating heeft bekomen of na een opzegging van veertien dagen. Deze opzegging wordt aan de Regering medegedeeld per aangetekend schrijven via de post, dat van kracht is op de derde werkdag die volgt op de datum waarop het verzonden werd. Het personeelslid informeert de directeur-voorzitter van de hogeschool van zijn beslissing. TITEL III. - Het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van de vrije gesubsidieerde hogescholen HOOFDSTUK I. -

Art. 101

.Voor de toepassing van deze titel, verstaat men onder « aanvullende reglementen van de bevoegde centrale paritaire commissie », de reglementen die bepaald worden ter aanvulling van dat statuut door de centrale paritaire commissies bedoeld in artikel 171 waar een besluit van de Regering een bindende kracht aan toekende, overeenkomstig artikel

  1. Voor de toepassing van deze titel, verstaat men onder "confessionele aard » of « niet confessionele aard » naargelang van het geval, de aard zoals hij gespecificeerd is in het pedagogisch, sociaal en cultureel project van de hogeschool en zoals hij vastgesteld wordt door de Regering in toepassing van artikel 55 van het decreet van 5 augustus
  2. Voor de toepassing van deze titel, verstaat men onder « hogescholen van dezelfde aard », een geheel van hogescholen die een godsdienstig onderwijs verschaffen gebaseerd op eenzelfde religie of een geheel van hogescholen die een niet godsdienstig onderwijs verschaffen, die op hun aanvraag onderscheiden worden volgens de filosofie die ze aankleven of gegroepeerd worden in het tegengestelde geval. Art. 102.Is van nul en gener waarde, elke contractuele clausule, elke bepaling van een arbeidsreglement dat tegenstrijdig is met de dwingende wetsbepalingen beschikkingen, in dit statuut of in de aanvullende reglementen van de bevoegde centrale paritaire commissie. Art. 103.Indien de personeelsleden zich door de inrichtende macht de uitvoering toevertrouwd zien van opdrachten van afvaardiging, worden ze verondersteld van rechtswege te handelen als de mandataris van de inrichtende macht in hun betrekkingen met andere leden van het personeel. Een bewijs tot het tegendeel wordt niet aanvaard. Art. 104.In het geval van schade berokkend door het personeelslid aan de inrichtende macht of aan derden binnen de overeenkomst volgend uit dit statuut, dan wordt het slechts verantwoordelijk gesteld voor een kwaad opzet of een zware fout en is slechts verantwoordelijk voor een lichte fout indien ze uit dien hoofde een eerder gebruikelijke dan toevallige aard vertoont. Het personeelslid is niet verantwoordelijk voor de schade of de slijtage te wijten aan een normaal gebruik van de zaak noch voor een verlies dat toevallig voorkomt. Art. 105.Indien een geschreven document niet vereist is, dan is een bewijs per getuigenis toegelaten, ongeacht de waarde van het geschil, zelfs voor de raad van beroep. Art. 106.De handelingen die voortspruiten uit de overeenkomst zijn verjaard een jaar na het eind ervan of vijf jaar na het feit dat aanleiding gaf aan de actie zonder dat deze laatste termijn een jaar na het einde van de overeenkomst mag overschrijden. HOOFDSTUK II. - De plichten en de onverenigbaarheid Afdeling
  3. - De plichten van de inrichtende macht Art. 107.De inrichtende macht heeft tot plicht : 1° het personeelslid aan het werk te zetten in de overeengekomen voorwaarden, tijd en plaats onder andere door de instrumenten en de materialen die nodig zijn voor het uitoefenen van zijn werk tot zijn beschikking te stellen;2° als een goede huisvader erover te waken dat het werk uitgevoerd wordt onder goede voorwaarden wat de veiligheid en de gezondheid van het personeelslid betreft en dat hij kan genieten van de eerste hulp bij ongeval;3° het loon te betalen tegen de afgesproken voorwaarden, op de overeengekomen plaats en tijdstip;4° de nodige zorg en aandacht te besteden aan de verwelkoming van de personeelsleden en in het bijzonder van de jonge personeelsleden;5° als een goede huisvader met zorg te waken over de werkinstrumenten die eigendom zijn van de personeelsleden.Ze heeft in geen enkel geval het recht beslag te leggen op deze instrumenten. Art. 108.Wanneer de overeenkomst een einde neemt, dan is de inrichtende macht verplicht alle sociale documenten te overhandigen aan de personeelsleden. Art. 109.Heeft recht op een weddestoelage die hem zou overgemaakt zijn indien hij zijn dagelijkse taak normaal had kunnen uitoefenen, het personeelslid dat geschikt is om te werken op het ogenblik dat hij zich naar het werk begeeft : 1° die zich normaal naar zijn werk begevend, te laat of niet op het werk aankomt op voorwaarde dat dit laatkomen of deze afwezigheid te wijten zijn aan een oorzaak die plaatsvond op weg naar het werk en onafhankelijk is van zijn wil;2° die, buiten het geval van staking, omwille van een oorzaak die onafhankelijk is van zijn wil, noch het werk kan aanvatten, noch het werk kan voortzetten waar hij mee bezig was, terwijl hij zich normaal naar de werkplaats begaf; Art. 110.De personeelsleden hebben het recht van het werk afwezig te zijn met behoud van hun normaal loon, ter gelegenheid van familiale gebeurtenissen, voor het volbrengen van burgerlijke plichten of opdrachten en indien zij moeten verschijnen voor een rechtbank. Afdeling
  4. - Plichten van de personeelsleden Art. 111.De personeelsleden moeten in alle omstandigheden voortdurend het belang van de inrichting beogen waar zij hun functie uitoefenen. In de uitoefening van hun functie, voeren de personeelsleden persoonlijk en gewetensvol de verplichtingen uit die hun worden opgelegd door de wetten, decreten en reglementen, door de aanvullende reglementen van de bevoegde paritaire commissie, door het arbeidsreglement en door de arbeidsovereenkomst. Art. 112.De personeelsleden zijn verplicht de grootste hoffelijkheid aan de dag te leggen zowel in hun betrekkingen in verband met de dienst als in hun betrekkingen met het publiek en de studenten. Zij moeten elkaar bijstaan in de mate waarin het belang van de hogeschool dit vereist. Zij moeten alles vermijden wat de eer of de waardigheid van hun functie zou kunnen aantasten. Art. 113.De personeelsleden mogen de studenten niet gebruiken met politieke of commerciële propagandistische doeleinden. Art. 114.Binnen de limieten vastgesteld door de reglementering, door de aanvullende regels van de bevoegde paritaire commissie, door het arbeidsreglement en door de arbeidsovereenkomst, moeten de personeelsleden de prestaties leveren die nodig zijn voor de goede werking van de hogeschool waar zij hun functie uitoefenen. Zij mogen de uitoefening van hun functies niet onderbreken zonder een voorafgaandelijke toelating van de inrichtende macht of van haar afgevaardigde. Art. 115.De personeelsleden mogen geen feiten openbaar maken waar zij op de hoogte zouden van zijn omwille van hun functies en die een geheim karakter zouden hebben. Art. 116.De personeelsleden mogen het krijgen van giften, geschenken, toelagen, of om het even welke voordelen noch uitlokken of rechtstreeks of via een tussenpersoon aanvaarden, zelfs buiten hun functies, maar omwille van deze laatste. Art. 117.De personeelsleden mogen geen enkele activiteit uitoefenen die in strijd is met de Grondwet en met de wetten van het Belgische volk, die de vernietiging van de onafhankelijkheid van het land beoogt en die de landsverdediging in gevaar brengt of de uitvoering van de verbintenissen van België met het oog op het verzekeren van haar veiligheid. Ze mogen zich niet aansluiten noch hun medewerking verlenen aan een beweging, groepering, organisatie of associatie die een activiteit van dezelfde aard voert. Het uitoefenen van de rechten van het Belgisch en Europees staatsburgerschap van de personeelsleden wordt steeds geëerbiedigd. Art. 118.De personeelsleden moeten zich houden aan de verplichtingen die schriftelijk vastgelegd werden in de arbeidsovereenkomst, die voortvloeien uit het specifiek karakter van het pedagogisch, sociaal en cultureel project van de hogeschool waar zij hun functies uitoefenen. Afdeling
  5. - Onverenigbaarheid Art. 119.Is onverenigbaar met de hoedanigheid van personeelslid van een vrije gesubsidieerde hogeschool, elke bezigheid die de uitvoering van de plichten van zijn ambt zou beletten of in strijd met de waardigheid van deze laatste. Art. 120.In geval van het bestaan van een onverenigbaarheid bedoeld in artikel 119, kan de inrichtende macht of het personeelslid het advies van de bevoegde paritaire commissie vragen. De paritaire commissie geeft haar advies binnen de dertig dagen na ontvangst van de aanvraag. Art. 121.Is onverenigbaar met de hoedanigheid van personeelslid van een vrije gesubsidieerde hogeschool, elke bezigheid die het specifiek karakter van een pedagogisch, sociaal en cultureel project van deze hogeschool zou kunnen schaden. Art. 122.Alle punten van onverenigbaarheid bedoeld in artikel 121 worden schriftelijk vastgelegd in de arbeidsovereenkomst. Art. 123.De inrichtende macht die vaststelt dat een lid van haar personeel zich ononderbroken inlaat met een bezigheid die in de betekenis van artikel 119, onverenigbaar is met zijn ambt in het onderwijs en die in de betekenis van artikel 121, onverenigbaar is met het specifiek karakter van het pedagogisch, sociaal en cultureel project van de hogeschool, geeft hem hiervan kennis per aangetekend schrijven via de post, dat van kracht is op de derde werkdag die volgt op de verzendingsdatum. Het personeelslid kan, behalve in geval van zware fout, zich tegen elk risico dat een einde aan zijn contract zou maken beschermen door te laten vaststellen dat hij de bezigheid die hem verweten wordt uitgeoefend te hebben beëindigd heeft. Onder voorbehoud van toepassing van voorgaande lid, heeft de kennisgeving als gevolg een eind te maken aan de overeenkomst van het personeelslid tenzij hij binnen de maand een verhaal indient bij de arbeidsrechtbank. Het personeelslid dat een verhaal indient, blijft in actieve dienst. Afdeling
  6. - De bescherming van het privéleven Art. 124.Het recht van de inrichtende macht een geëngageerd onderwijs te organiseren is verzekerd, zonder daarom de bescherming van het privéleven van de personeelsleden te beperken. HOOFDSTUK III. - De aanwerving Afdeling
  7. -

Onderafdeling

  1. - De ambten van rang 1 Art. 125.De inrichtende macht bepaalt het ambt en de te begeven cursussen van de vacante betrekkingen die ze vervuld wenst te zien tijdens het volgend academiejaar. Ze publiceert een oproep in het Belgisch Staatsblad ten laatste op 2 mei. De betrekkingen bedoeld onder voorgaande lid zijn toegankelijk voor de personeelsleden die definitief aangeworven zijn, door verandering van aanstelling, verandering van ambt, mutatie of uitbreiding van opdracht, aan de personeelsleden die tijdelijk aangeworven zijn voor onbepaalde duur door uitbreiding van opdracht en aan de kandidaten voor een tijdelijke aanstelling. Art. 126.De oproep in het Belgisch Staatsblad preciseert : 1° het ambt en de te begeven cursussen;2° het volume van de opdracht;3° de dossiers die ingediend moeten worden en die onder andere de documenten bevatten in verband met de bekwaamheidsbewijzen en de praktische ervaring, de vermelding van wetenschappelijke tijdschriften en de rechtvaardiging van diverse professionele ervaringen;4° de vereiste vormen en termijnen voor het indienen van de dossiers bedoeld in 3°. Art. 127.De directeur-voorzitter maakt zijn voorstellen in verband met de verandering van aanstelling, verandering van ambt, mutaties, uitbreiding van opdrachten en aanwerving van personeelsleden die tijdelijk aangeworven werden over aan de overheid van de hogeschool. Bij dit voorstel wordt het dossier van de kandidaat gevoegd evenals het advies van de directeur van de afdeling waar de betrekking afhankelijk van is bedoeld in artikel
  2. De overheid van de hogeschool is echter verplicht voorrang te verlenen aan de aanvragen voor verandering van aanstelling aan de personeelsleden van de hogescholen van de inrichtende macht. De overheid van de hogeschool stelt vervolgens een gemotiveerd voorstel op bestemd voor de inrichtende macht. Deze beslist in laatste instantie. Art. 128.§
  3. Wanneer een hogeschool een vervanging wenst uit te voeren, dan kan de inrichtende macht een persoon aanwerven bij afwijking van de procedure bedoeld in artikelen 125, 126 en
  4. De inrichtende macht verleent voorrang bij de aanwerving aan een persoon die zijn kandidatuur stelde voor het bedoelde ambt en de te begeven cursussen, overeenkomstig artikelen 125 en
  5. Deze aanwerving neemt een eind bij de terugkeer van de titularis van de betrekking en in elk geval aan het eind van het academiejaar tijdens welk de aanwerving plaatsnam. Deze aanwerving mag in geen geval leiden tot een aanwerving van onbepaalde duur. §
  6. Wanneer de hogeschool in een vacature wenst te voorzien voor een betrekking die vrijkomt na de publicatie van de oproep bedoeld in artikel 125, dan wordt de procedure bedoeld in lid 1 van § 1 van toepassing. Deze aanwerving mag in geen geval leiden tot een aanwerving van onbepaalde duur. Onderafdeling
  7. - De ambten van rang 2 Art. 129.De vacante betrekkingen die overeenstemmen met ambten van rang 2 worden met voorrang toegewezen na een interne oproep bestemd voor de personeelsleden die definitief aangeworven zijn in een ambt van rang 1 binnen de hogeschool waar een betrekking van rang 2 te begeven is. De inrichtende macht bepaalt de modaliteiten van deze interne oproep. Art. 130.Na toepassing van artikel 129, publiceert de inrichtende macht in het Belgisch Staatsblad ten laatste op 1 mei, een oproep tot verandering van aanstelling, uitbreiding van opdracht en mutatie, voorbehouden aan de personeelsleden die definitief aangeworven zijn. Art. 131.De oproep gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad preciseert : 1° het ambt en de te begeven cursussen;2° de omvang van de opdracht;3° de dossiers die ingediend moeten worden en die onder andere de documenten bevatten in verband met de bekwaamheidsbewijzen en de praktische ervaring, de vermelding van wetenschappelijke tijdschriften en de rechtvaardiging van diverse professionele ervaringen;4° de vereiste vormen en termijnen voor het indienen van de dossiers bedoeld in
  8. Art. 132.De directeur-voorzitter maakt zijn voorstellen in verband met de verandering van aanstelling, verandering van ambt, mutaties, uitbreiding van opdrachten over aan de overheid van de hogeschool. Bij dit voorstel wordt het dossier van de kandidaat gevoegd evenals het advies van de directeur van de afdeling waar de betrekking afhankelijk van is bedoeld in artikel
  9. De overheid van de hogeschool is echter verplicht voorrang te verlenen aan de aanvragen voor verandering van aanstelling aan de personeelsleden van de hogescholen van de inrichtende macht. De overheid van de hogeschool stelt vervolgens een gemotiveerd voorstel op bestemd voor de inrichtende macht. Deze beslist in laatste instantie. Afdeling
  10. - De personeelsleden die tijdelijk aangeworven zijn Onderafdeling
  11. -

Art. 133

.Ten laatste bij de aanwerving in een ambt van rang 1, wordt een geschreven overeenkomst opgesteld die door beide partijen ondertekend wordt en opgemaakt in twee exemplaren waarvan er een aan het personeelslid wordt overhandigd. Deze overeenkomst vermeldt : 1° de identiteit van de inrichtende macht;2° de identiteit van het personeelslid 3° het uit te oefenen ambt evenals de kenmerken en het volume van de opdracht;4° indien nodig, de verplichtingen bedoeld in artikel 118 en de lijst van de onverenigbare elementen bedoeld in artikel 121;5° de begin- en einddatum van de aanwerving;6° indien de betrekking al dan niet vacant werd verklaard overeenkomstig de oproep bedoeld in artikel 125;7° indien de betrekking niet vacant is, de identiteit van de titularis. Bij gebrek aan geschreven document, wordt het personeelslid verondersteld aangeworven te zijn in zijn ambt, opdracht of betrekking die hij effectief vervult. Naargelang van het geval wordt hij verondersteld voor beperkte of onbeperkte duur aangeworven te zijn. Art. 134.Op het eind van elke activiteitsperiode, overhandigt de inrichtende macht aan het tijdelijk personeelslid een getuigschrift dat de gepresteerde diensten vermeldt per uitgeoefend ambt, met begin- en einddata, evenals het volume van de opdracht. Onderafdeling

  1. - Over tijdelijk voor een bepaalde duur aangeworven personeelsleden Art. 135.§
  2. Ten laatste op het eind van de examensessie in juni, stelt de raad van bestuur een verslag op volgens de procedure bedoeld in artikel 20, § 2, over de manier waarop het personeelslid zich van zijn taak kweet. Naargelang van het geval komt op dit verslag de melding « voldeed » of « voldeed niet » voor. Het verslag goedgekeurd en gedateerd door de belanghebbende wordt overgemaakt aan de Regering. Het personeelslid krijgt er een kopie van. Indien het verslag opgesteld door de beheerraad de vermelding « voldeed » draagt en het personeelslid dat een betrekking bezette zoals bedoeld in artikel 8 van het decreet van 25 juli 1996 opnieuw wordt aangesteld, is hij dit verplicht voor onbepaalde tijd, zoals voorgeschreven in artikel 10, lid 3 van hetzelfde decreet. Deze nieuwe aanstelling gebeurt prioritair over elke verandering van aanstelling, van functie, elke mutatie of uitbreiding van opdracht. Wanneer de overheid van de hogeschool geen verslag heeft opgesteld dat de vermelding « voldeed » draagt, moeten zij het personeelslid verhoren alvorens hun definitief verslag over te maken aan de inrichtende macht. Bij dit verhoor kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, een verdediger gekozen onder de actieve of gepensioneerde personeelsleden van het onderwijs van de inrichtende macht, of door een vertegenwoordiger van een representatieve syndicale organisatie. De procedure wordt voortgezet indien het personeelslid het verslag weigert goed te keuren of zich niet aanbiedt voor het verhoor. Indien het verslag de vermelding « voldeed gedeeltelijk » draagt en het personeelslid dat een betrekking bezette zoals bedoeld in artikel 8 van het decreet van 25 juli 1996 opnieuw wordt aangesteld, is dit verplicht tijdelijk, en voor bepaalde tijd, zoals voorgeschreven in artikel 10, lid 1 van hetzelfde decreet. Indien de te begeven betrekking nog steeds openstaat bij het begin van het academiejaar, dan gebeurt de aanstelling opnieuw prioritair over elke verandering van aanstelling, van ambt, of van elke mutatie of uitbreiding van opdracht. Indien het verslag de vermelding « voldeed niet » draagt, dan kan de inrichtende macht in geen geval de aanstelling herhalen. Indien er geen verslag werd opgesteld, wordt het personeelslid verondersteld een verslag te hebben bekomen met de vermelding « voldeed ». §
  3. Indien het personeelslid het voorwerp uitmaakte van een verslag met de vermelding « voldeed gedeeltelijk » en dat hij opnieuw werd aangesteld voor ten hoogste een academisch jaar, kan de overheid van de hogeschool slechts kiezen uit twee evaluatiemogelijkheden : een verslag dat de vermelding « voldeed » draagt of een verslag met de vermelding « voldeed niet ». Onderafdeling
  4. - De tijdelijke aanstellingen van onbepaalde duur Art. 136.De inrichtende macht stelt de leden van het onderwijzend personeel aan, tijdelijk voor onbepaalde duur bij het begin van het academisch jaar, op voorstel van de overheid van de hogeschool. Afdeling
  5. - De vaste benoeming, de ter beschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, het gedeeltelijk opdrachtsverlies en de mutatie Onderafdeling
  6. - De vaste benoeming Art. 137.De inrichtende macht kan een personeelslid definitief aanwerven voor een vacante betrekking overeenkomstig de bepalingen van artikel 12 van het decreet van 25 juli
  7. De inrichtende macht verleent een definitieve benoeming aan de tijdelijke dit voor het betrokken ambt en de te begeven cursussen, de grootste anciënniteit telt, zoals bedoeld in artikel
  8. Het personeelslid mag drie jaar anciënniteit valoriseren die hij volbracht in een definitieve aanstelling van een ander onderwijsniveau behorend tot hetzelfde netwerk en van dezelfde aard voor de berekening van de anciënniteit in de dienst bedoeld in lid
  9. Onderafdeling
  10. - De ter beschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en het gedeeltelijk opdrachtsverlies Art. 138.Een personeelslid dat definitief geworven werd in een hoofdambt wordt door de inrichtende macht slechts in toestand van terbeschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking of gedeeltelijk opdrachtsverlies nadat ze een einde stelde, in de hierna volgende orde aan de diensten van de personeelsleden die hetzelfde ambt uitoefenen en dezelfde cursussen doceren : 1° in een nevenambt in een hogeschool;2° tijdelijk voor beperkte duur in de hogeschool en rekening houdend met hun dienstanciënniteit;3° tijdelijk voor onbepaalde duur in de hogeschool en rekening houdend met hun dienstanciënniteit; Wanneer een personeelslid zich in toestand van ter beschikking bevindt, of in gedeeltelijk opdrachtsverlies, en dat de uren van hetzelfde ambt en dezelfde te begeven cursussen vrijkomen, dan moet de inrichtende macht ze prioritair toewijzen aan dit personeelslid vooraleer over te gaan tot een verklaring van vacature zoals voorzien in artikel 125 of tot een interne oproep voorzien in artikel
  11. Art. 139.Verliest zijn betrekking of een gedeelte van zijn opdracht in het betrokken ambt en de te begeven cursussen, het personeelslid dat definitief benoemd werd en dat het minste aantal dienstjaren telt. Het personeelslid mag tien jaar anciënniteit valoriseren die hij volbracht in een definitieve aanstelling van een ander onderwijsniveau behorend tot hetzelfde netwerk en van dezelfde aard voor de berekening van de anciënniteit in de dienst bedoeld in lid
  12. Art. 140.In geval van gelijke dienstanciënniteit, verliest het jongste personeelslid zijn betrekking of een gedeelte van zijn opdracht. Art. 141.De in de artikelen 137, lid 2, 138, lid 1, 139 en 140 bedoelde dienstanciënniteit wordt op de volgende manier berekend : 1° alle effectieve diensten gepresteerd in tijdelijk verband in een hogeschool van de inrichtende macht, worden in aanmerking genomen voor een anciënniteit gelijk aan het aantal dagen geteld van het begin tot het eind van de gepresteerde diensten;2° de effectieve diensten gepresteerd in definitief verband in de hogescholen van dezelfde inrichtende macht, in een ambt met volledige prestaties, worden geteld per kalendermaand;indien ze geen volledige maand beslaan, komen ze niet in aanmerking; 3° de effectieve diensten gepresteerd in een ambt met onvolledige prestaties die ten minste de helft van het aantal uren vereist voor het volledige ambt omvat, worden in aanmerking genomen op dezelfde manier als de diensten bewezen in een ambt met volledige prestaties;4° het aantal dagen verworven in een ambt met onvolledige prestaties dat dit aantal uren niet omvat, wordt met de helft verminderd;5° dertig dagen vormen een maand;6° de duur van de effectieve diensten bewezen in een of meer ambten met volledige of onvolledige prestaties die tegelijkertijd uitgeoefend worden, mag nooit de duur overschrijden van de diensten gepresteerd in een ambt met volledige prestaties uitgeoefend tijdens dezelfde periode;7° de duur van de werkelijke diensten gepresteerd door een personeelslid mag nooit de twaalf maanden overschrijden voor een kalenderjaar.8° het zwangerschapsverlof, het onthaalverlof bij een adoptie en officieus voogdijschap komen in aanmerking voor het berekenen van de dienstanciënniteit. Onderafdeling
  13. - De mutatie Art. 142.De inrichtende macht die een vacante betrekking te vervullen heeft, kan een mutatie verlenen aan het personeelslid dat dit aanvraagt, in antwoord op de oproepen bedoeld in de artikelen 125 en
  14. Art. 143.Op het eind van een academiejaar in de nieuwe hogeschool, stelt de overheid van de hogeschool aan de inrichtende macht voor, het personeelslid dat een voorlopige mutatie verkreeg, in vast verband aan te werven. In het tegengestelde geval, wordt het personeelslid weer opgenomen in de hogeschool waar hij aangesteld was voor hij zijn mutatie aanvroeg. De voorlopige mutatie kan echter slechts doorgevoerd worden met het akkoord van de inrichtende machten of de overheid van beide betrokken hogescholen. Afdeling
  15. - De overname van een hogeschool door een andere inrichtende macht Art. 144.§
  16. In geval van overname door een vrije gesubsidieerde inrichtende macht, van een officiële gesubsidieerde hogeschool of van een gedeelte van een officiële gesubsidieerde hogeschool van dezelfde aard, zijn de volgende bepalingen van toepassing : 1° de personeelsleden die definitief benoemd zijn in een ambt van rang 1 of rang 2 en in actieve dienst zijn op het ogenblik van de overname, verwerven ambtshalve de hoedanigheid van definitief personeelslid in de overeenstemmende ambten binnen de hogeschool van de overnemende inrichtende macht;2° de personeelsleden die op het ogenblik van de overname een electief ambt uitoefenen, worden definitief benoemd in het ambt van rang 1 of rang 2 waarin zij definitief benoemd werden voor zij hun mandaat als categoriële directeur of directeur-voorzitter uitoefenden;3° de effectieve diensten gepresteerd vóór de overname, door de personeelsleden bedoeld in 1° en 2° worden gelijkgesteld met effectieve diensten gepresteerd in de hoedanigheid van personeelslid van de inrichtende macht die overneemt. De overnameovereenkomst die te sluiten is tussen de betrokken inrichtende machten kan aanvullende regels vastleggen bij de hiervoor vermelde bepalingen en zo nodig overnamevoorwaarden voor de personeelsleden die tijdelijk aangeworven zijn. §
  17. De voorwaarden tot overname door een inrichtende macht van het vrij gesubsidieerd onderwijs van een vrije gesubsidieerde hogeschool van verschillende aard, van een officiële gesubsidieerde hogeschool of van een hogeschool van de Franse Gemeenschap, overeenkomstig het decreet van 5 augustus 1995 of de overnamevoorwaarden van een gedeelte van een vrije gesubsidieerde hogeschool van verschillende aard of van een gedeelte van een officiële gesubsidieerde hogeschool of van een gedeelte van een hogeschoolvan de Franse Gemeenschap zullen bepaald worden door de termen van een overeenkomst die gesloten zal worden door de betrokken inrichtende machten. HOOFDSTUK IV. - De opschorting van de aanwerving Art. 145.Ongeacht de van kracht zijnde reglementering wordt de uitvoering van de aanwerving opgeschort : 1° tijdens de periode van werkonderbreking en verlof die gepaard gaat met de bevalling;2° gedurende de tijd die een personeelslid nodig heeft om te zetelen als raadgever of sociaal rechter bij de arbeidshoven en -rechtbanken;3° gedurende de tijd waarin het personeelslid onder de wapens geroepen of teruggeroepen wordt;4° gedurende de tijd van het verblijf van een personeelslid in een aanwervings- en selectiecentrum;5° gedurende de periode die een personeelslid doorbrengt in een inrichting behorend tot de gezondheidsdienst van het leger;6° gedurende het verblijf van een personeelslid in een militair ziekenhuis tengevolge van een ongeval of een opgelopen of erger geworden ziekte tijdens het medisch onderzoek of selectieproeven;7° voor de tijd van de dienst volbracht bij de burgerbescherming;8° gedurende het volbrengen van de dienst die aan de gewetensbezwaarde wordt opgelegd;9° gedurende de periode tijdens welke het personeelslid in de onmogelijkheid verkeerde zijn werk te volbrengen wegens ziekte of ongeval. Art. 146.Op aanvraag van het personeelslid is de inrichtende macht verplicht haar verlof te verlenen ten vroegste vanaf de zevende week die de vermoedelijke datum van haar bevalling voorafgaat. Het personeelslid overhandigt ten laatste acht weken voor de vermoedelijke datum van haar bevalling een medisch getuigschrift dat deze datum bevestigt. Indien de bevalling slechts gebeurt na de datum voorzien door de arts, dan wordt het verlof verlengd tot aan de werkelijke datum van de bevalling. Het personeelslid mag geen enkel werk uitvoeren vanaf de zevende dag die de vermoedelijke datum van de bevalling voorafgaat tot het eind van een periode van acht weken die een aanvangt neem op de dag van de bevalling. De werkonderbreking wordt op haar aanvraag verlengd tot na de achtste week voor een periode die gelijk is aan de periode tijdens welke zij bleef werken vanaf de zevende week die de exacte datum van de bevalling voorafging. Deze periode wordt in het geval van een vroegtijdige geboorte verminderd met het aantal dagen tijdens welke ze gewerkt heeft tijdens de periode van zeven dagen die de datum van de bevalling voorafging. Wanneer het pasgeboren kind in het ziekenhuis moet blijven gedurende tenminste acht weken geteld vanaf zijn geboorte, dan kan het personeelslid de verlenging van de werkonderbreking waar zij recht op heeft uitstellen tot op het ogenblik dat het pasgeboren kind naar zijn gezin terugkeert. Met deze bedoeling, overhandigt het personeelslid aan de inrichtende macht : 1° op het ogenblik van de werkhervatting, een getuigschrift van het ziekenhuis bevestigend dat het pasgeboren kind sinds tenminste acht weken in het ziekenhuis verblijft;2° op het ogenblik waarop zij de verlenging van de werkonderbreking vraagt, een getuigschrift van het ziekenhuis de datum bevestigend waarop het pasgeboren kind het ziekenhuis verliet. Het personeelslid behoudt haar recht op uitstel van de verlenging van de werkonderbreking indien haar kind overlijdt binnen het jaar van zijn geboorte. Art. 147.In geval van ziekte of ongeval, moet het personeelslid, behalve bij overmacht, de inrichtende macht onmiddellijk op de hoogte brengen van zijn arbeidsongeschiktheid. Indien een verplicht geworden aanvullende reglementering van de bevoegde paritaire commissie overeenkomstig artikel 177 het voorschrijft of bij gebrek aan een dergelijk voorschrift indien de inrichtende macht hem daartoe uitnodigt, legt hij aan deze laatste een medisch getuigschrift voor. Behalve in gevallen van overmacht, verzendt hij het of overhandigt het binnen de twee werkdagen vanaf de dag van de arbeidsongeschiktheid of vanaf de dag van de ontvangst van de uitnodiging, tenzij een andere termijn bepaald werd door een collectieve arbeidsovereenkomst of door het arbeidsreglement. Indien het getuigschrift voorgelegd wordt na de voorgeschreven termijn, dan kan aan het personeelslid het voordeel van zijn bezoldiging geweigerd worden voor de dagen van arbeidsongeschiktheid die het overhandigen of het versturen van het getuigschrift voorafgingen. Daarenboven kan het personeelslid niet weigeren een arts te ontvangen die afgevaardigd en bezoldigd is door de inrichtende macht, of zich te laten onderzoeken. Tenzij de huisarts van het personeelslid van mening is dat zijn gezondheidstoestand hem niet toelaat zich te verplaatsen, moet het personeelslid indien hij daartoe uitgenodigd wordt, zich aanbieden bij de arts, afgevaardigd en bezoldigd door de inrichtende macht. De verplaatsingskosten van het personeelslid zijn ten laste van de inrichtende macht. De arts afgevaardigd en bezoldigd door de inrichtende macht ondertekent de echtheid van de arbeidsongeschiktheid, alle andere vaststellingen blijven beschermd door het beroepsgeheim. HOOFDSTUK V. - De posten in de dienst Art. 148.Het personeelslid in actieve dienst heeft recht op een weddetoelage en op een bevordering tot een hogere wedde. Hij kan zijn hoedanigheden laten gelden ten behoeve van een benoeming in een ambt van rang 1 van rang 2 of voor het uitoefenen van een electief ambt. Hij krijgt verlof van de inrichtende macht volgens dezelfde voorwaarden als die geldend in de hogescholen van de Franse Gemeenschap. Elk verlof dat een beslissing van de Regering vereist om van de bezoldiging in de hogescholen te kunnen genieten, moet door de inrichtende macht aan de Regering voorgelegd worden. HOOFDSTUK VI. - Het disciplinair regime Afdeling
  18. - De disciplinaire sancties Art. 149.Indien de personeelsleden die definitief benoemd zijn aan hun plichten tekortschoten, kunnen ze een van volgende sancties oplopen : 1° de aanmaning;2° de berisping;3° de afhouding op de wedde;4° de disciplinaire schorsing;5° de terbeschikkingstelling per disciplinaire maatregel 6° het ontslag wegens zware fout. Art. 150.§
  19. De disciplinaire sancties worden uitgesproken door de inrichtende macht van de hogeschool waar het personeelslid definitief is aangeworven. Daaraan voorafgaand, betekent de inrichtende macht aan het personeelslid een voorstel voor disciplinaire actie. Binnen een termijn van twintig dagen, aanvangend op de datum van de betekening, kan het personeelslid een verhaal indienen tegen het voorstel van disciplinaire actie bij de bevoegde raad van beroep bedoeld in artikel
  20. Het bezwaar schort de procedure op. §
  21. Het personeelslid en de inrichtende macht worden verhoord door de raad van beroep. Het personeelslid kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een vertegenwoordiger van een representatieve syndicale organisatie, door een advocaat of door een verdediger gekozen onder de leden van het personeel in actieve dienst of gepensioneerd van het vrij gesubsidieerd onderwijs. De inrichtende macht kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, of door een verdediger gekozen onder de leden van de inrichtende macht van een hogeschool van dezelfde aard of door een afgevaardigde van een vereniging die de belangen van deze inrichtende macht verdedigt. Het niet verschijnen van het personeelslid of van zijn vertegenwoordiger, evenals het niet verschijnen van de inrichtende macht of van haar vertegenwoordiger op de vergadering belet de raad van beroep niet een uitspraak te doen. §
  22. De raad van beroep maakt een gemotiveerd advies over aan het personeelslid en aan de inrichtende macht binnen een termijn van negentig dagen aanvangend op de datum van ontvangst van het verhaal ingediend door het personeelslid. Indien nodig, vermeldt de inrichtende macht de redenen waarom het advies niet opgevolgd zou zijn. Art. 151.De afhouding op de bezoldiging wordt gedurende ten minste een maand en ten hoogste drie maand toegepast. Ze mag een vijfde van de laatste bruto- of tijdelijke bezoldiging niet overschrijden. Art. 152.De schorsing per disciplinaire maatregel wordt uitgesproken voor ten hoogste een jaar. Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd en geniet de helft van zijn laatste bruto- of tijdelijke bezoldiging. Art. 153.De terbeschikkingstelling per disciplinaire maatregel mag niet korter zijn dan een jaar en niet langer dan vijf jaar. Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd en geniet tijdens de eerste twee jaren van een tijdelijke bezoldiging die gelijk is aan de helft van een bezoldiging in actieve dienst. Zonder ooit dit laatste bedrag te mogen overschrijden, wordt de tijdelijke bezoldiging vervolgens bepaald naar rato van het pensioen dat de betrokkene zou krijgen indien hij vervroegd met pensioen ging. Nadat hij de helft van de sanctie ondergaan heeft, kan het personeelslid vragen om weer opgenomen te worden in het onderwijs. Art. 154.De afhouding op de wachtwedde of het toekennen van een wachtwedde mag niet slechts als gevolg hebben dat de wedde van het personeelslid teruggebracht zou worden naar een wedde die lager ligt dan de werkloosheidsuitkeringen waar het personeelslid recht zou op hebben indien hij zou genieten van het sociale zekerheidsregime van de loontrekkenden. Art. 155.De disciplinaire procedure mag slechts betrekking hebben op feiten die werden vastgesteld in de loop van het jaar dat de datum voorafgaat waarop met de procedure een aanvang wordt genomen. In het geval van een strafrechtelijke actie, moet de disciplinaire procedure aangevangen worden binnen de zes maand van de kennisneming van de definitieve gerechtelijke beslissing door de overheid die ertoe geroepen is de disciplinaire sanctie voor te stellen. Art. 156.Geen enkele sanctie mag een uitwerking hebben op de periode die haar uitspraak voorafgaat. Art. 157.De strafrechtelijke actie in verband met de feiten die het voorwerp uitmaken van een disciplinaire procedure schort de disciplinaire procedure en de disciplinaire uitspraak op behalve in het geval van een duidelijk vastgesteld feit of indien de vastgestelde feiten verbonden aan de beroepsactiviteiten, door het personeelslid erkend werden. Welke ook de uitslag van de strafrechtelijke actie moge zijn, de administratieve macht oordeelt over de toepassing van de disciplinaire acties. De inrichtende macht is echter in deze beoordeling gebonden door de werkelijkheid van de feiten definitief vastgesteld door de strafrechtelijke beslissing. Afdeling
  23. - De schrapping van disciplinaire sancties Art. 158.De schrapping van de disciplinaire sancties gebeurt automatisch na een termijn waarvan de duur vastgesteld werd op : 1° een jaar voor de aanmaning en de berisping;2° drie jaar voor de afhouding op de wedde en de disciplinaire verplaatsing;3° vijf jaar voor de disciplinaire schorsing en de degradatie;4° zeven jaar voor het plaatsen in disciplinaire inactiviteit. De termijn neemt een aanvang op de datum waarop de beslissing in disciplinair verband een aanvang nam. Onverminderd de uitvoering van de disciplinaire sanctie, heeft de schrapping tot gevolg dat er geen rekening meer kan gehouden worden met de geschrapte disciplinaire sanctie, onder andere voor de toegang tot een ambt van rang 2 of tot een electief ambt, noch bij de toekenning van een evaluatie gedaan na de schrapping. De geschrapte sanctie wordt verwijderd uit het dossier van het personeelslid bedoeld in artikel
  24. HOOFDSTUK VII. - De raden van beroep Art. 159.Na raadpleging van de meest representatieve groeperingen van de inrichtende machten en van de groeperingen van het gesubsidieerd onderwijs aangesloten bij een syndicale organisatie vertegenwoordigd bij de Nationale Arbeidsraad, richt de Regering een raad van beroep op voor het vrij niet universitair hoger onderwijs van confessionele aard en een raad van beroep voor het vrij niet universitair hoger onderwijs van niet confessionele aard. Elke raad van beroep stelt haar huishoudelijk reglement op, onder voorbehoud van goedkeuring door de Regering. Art. 160.De raden van beroep behandelen de verhalen ingediend door de personeelsleden in verband met elk voorstel voor een disciplinaire sanctie evenals de verhalen ingediend door de personeelsleden die tijdelijk zijn aangeworven voor onbepaalde tijd, in verband met een voorstel voor ontslag, zoals bedoeld in artikel
  25. Art. 161.De raden van beroep zijn samengesteld uit : 1° een gelijk aantal vertegenwoordigers van de inrichtende machten en van personeelsleden van het vrij gesubsidieerd onderwijs.De Regering benoemt twee plaatsvervangers voor elk werkend lid; 2° een voorzitter en twee vervangende voorzitters;3° een secretaris en een adjunct-secretaris. Het aantal leden van elke raad van beroep evenals de duur van hun mandaat wordt bepaald door een besluit van de Regering; elke raad heeft tenminste vier werkende leden die de inrichtende machten vertegenwoordigen en vier werkende leden die de personeelsleden vertegenwoordigen. De effectieve en vervangende leden van de raad van beroep worden benoemd door de Regering op voorstel van de groeperingen waarvan sprake in artikel
  26. Indien zij geen akkoord bereiken, beslist de Regering. De voorzitters en vervangende voorzitters worden door de Regering aangesteld onder de actieve of gepensioneerde magistraten. Art. 162.Zodra een zaak ingediend is, deelt de voorzitter de lijst van de werkende en vervangende leden mee aan het personeelslid en aan de inrichtende macht. Binnen de tien dagen die volgen op de ontvangst van deze lijst, kunnen het personeelslid of de inrichtende macht de verwijdering vragen van ten hoogste drie leden. Ze kunnen echter onmogelijk tegelijkertijd de verwijdering vragen van een effectief lid en van zijn twee vervangers. Een lid kan vragen om ontheven te worden indien hij meent een moreel belang in de zaak te hebben of als hij van mening is dat zijn onpartijdigheid in twijfel zou kunnen getrokken worden. De voorzitter beslist welk gevolg aan deze aanvraag zal gegeven worden. Hij kan een lid ook ambtshalve ontlasten voor dezelfde motieven. De voorzitters, vervangende voorzitters, de werkende en vervangende leden mogen niet zetelen in zaken die hun echtgenoten aanbelangen of een familielid of verwant tot de vierde graad inbegrepen. Art. 163.De partijen worden samengeroepen door de voorzitter binnen de twintig dagen die volgen op de ontvangst van het verhaal. De partijen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman, overeenkomstig, naargelang van het geval, artikel 150, § 2, of artikel
  27. De raad van beroep kan een aanvullend onderzoek bevelen en de getuigen verhoren. De termijn vermeld in lid 1 wordt opgeschort tussen 15 juli en 15 augustus. Art. 164.De raad van beroep kan geen uitspraak doen tenzij twee leden die de inrichtende machten vertegenwoordigen en twee leden die de personeelsleden vertegenwoordigen aanwezig zijn. De leden die de inrichtende machten vertegenwoordigen en de personeelsleden moeten gelijk van aantal zijn om deel te kunnen nemen aan de stemming. Indien nodig wordt de pariteit hersteld door verwijdering van een of twee leden door loting. Indien het quorum bedoeld in voorgaand lid niet bereikt is, roept de voorzitter een nieuwe vergadering samen binnen de veertien dagen. Tijdens deze vergadering mag een beslissing genomen worden ongeacht het aantal aanwezige leden. Het advies wordt gegeven na een geheime stemming bereikt met een eenvoudige meerderheid van stemmen. In geval van pariteit, is de stem van de voorzitter doorslaggevend. Voor de toepassing van lid 3, worden de blanco stemmen en de onthoudingen niet als stemmen beschouwd. Art. 165.Het advies van de kamer wordt aan de partijen medegedeeld per aangetekend schrijven via de post binnen de vijf dagen die volgen op de vergadering tijdens welke het gegeven werd. Het is gemotiveerd. Art. 166.De werkingskosten van de raad van beroep zijn ten laste van de Franse Gemeenschap. De Regering bepaalt de vergoedingen waar de voorzitters en de vervangende voorzitters recht op hebben. HOOFDSTUK VIII. - De preventieve schorsing Art. 167.§
  28. Gedurende het verloop van de disciplinaire procedure, in geval van strafrechtelijke vervolgingen of wanneer een verhaal werd ingediend tegen de vaststelling van een onverenigbaarheid, kan elk personeelslid dat definitief is aangeworven preventief geschorst worden indien het belang van de dienst of van het onderwijs dit vergen. §
  29. Vóór elke maatregel van preventieve schorsing aanvangt, wordt het personeelslid verhoord door de inrichtende macht. De motieven die de preventieve schorsing rechtvaardigen worden aan het personeelslid medegedeeld tenminste twee werkdagen vóór het verhoor. Tijdens dit verhoor, kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een vertegenwoordiger van een representatieve syndicale organisatie, door een advocaat of door een verdediger gekozen onder de actieve of gepensioneerde personeelsleden van het vrij gesubsidieerd onderwijs. §
  30. De preventieve schorsing wordt uitgesproken door de organiserende inrichting, wordt aan het betrokken personeelslid medegedeeld per aangetekend schrijven via de post met vermelding van de motieven en wordt van kracht op de derde werkdag volgend op haar verzending. §
  31. De preventieve schorsing heeft tot gevolg dat zij het personeelslid verwijderd houdt van zijn ambt. Behalve in het geval waar het personeelslid het voorwerp uitmaakt van strafrechtelijke vervolgingen of wanneer het personeelslid een verhaal heeft ingediend tegen de vaststelling van een onenigheid, mag de duur van een preventieve schorsing niet langer zijn dan een jaar en ze vervalt in elk geval zodra de raad van beroep haar gemotiveerd advies heeft gegeven. §
  32. De preventieve schorsing moet het voorwerp uitmaken van een geschreven bevestiging door de inrichtende macht om de drie maand vanaf haar inwerkingtreding. Deze bevestiging wordt aan de betrokkene medegedeeld per aangetekend schrijven via de post. Bij gebrek aan een bevestiging van de preventieve schorsing binnen de vereiste termijn, kan het betrokken personeelslid zijn ambt weer opnemen nadat hij de inrichtende macht hiervan op de hoogte bracht per aangetekend schrijven ten minste tien werkdagen voor hij het werk effectief herneemt. Na ontvangst van deze mededeling, kan de inrichtende macht het behoud van de preventieve schorsing bevestigen, volgens de hiervoor beschreven procedure. Art. 168.De brutowedde van elk lid personeelslid dat preventief geschorst werd en dat het voorwerp uitmaakt van strafrechtelijke of disciplinaire vervolgingen omwille van een zware fout waarvoor hetzij de feiten duidelijk waren, of waarvoor er overtuigende bewijzen bestaan, wordt met de helft verminderd, behalve tegenstrijdige beslissing van de Regering. Deze vermindering mag niet tot gevolg hebben dat de wedde teruggebracht wordt tot een bedrag dat lager ligt dan de werkloosheidsuitkeringen waar het personeelslid recht zou op hebben indien hij zou genieten van het regime van sociale zekerheid van de loontrekkenden. Art. 169.Volgend op de disciplinaire of gerechtelijke procedure of volgend op het verhaal ingediend tegen de vaststelling van een onverenigbaarheid, wordt de maatregel van preventieve schorsing ingetrokken, behalve als het gemotiveerd advies van de kamer gunstig is voor een van de sancties voorzien in artikel 149, 4°, 5° en 6° of indien de genomen beslissing ingevolge het indienen van een verhaal ingediend tegen de vaststelling van een onverenigbaarheid leidt tot een definitieve onderbreking van de functies. Indien een personeelslid slechts de helft van zijn weddetoelage gekregen heeft ingevolge een preventieve schorsing die later ingetrokken werd, krijgt hij de aanvulling van de weddetoelage in betrekking tot de geschorste periode. De sommen door het personeelslid geïnd tijdens de preventieve schorsing blijven hem behouden. Indien de duur van de disciplinaire schorsing korter is dan die van de preventieve schorsing, dan krijgt het personeelslid het geheel van zijn loon vanaf het eind van de disciplinaire schorsingsperiode. Art. 170.De preventieve schorsing wordt ter kennis van de Regering gebracht opdat de onmiddellijke uitvoering van deze maatregel verzekerd zou zijn. HOOFDSTUK IX. - De paritaire commissies Afdeling
  33. -

Art. 171

.Na het advies te hebben ingewonnen van de meest representieve groeperingen van de inrichtende machten en van de groeperingen van de personeelsleden van het vrij gesubsidieerd onderwijs, aangesloten bij een syndicale organisatie vertegenwoordigd bij de Nationale Arbeidsraad, stelt de Regering aan : 1° voor het vrij confessioneel onderwijs, een centrale paritaire commissie waarvan de bevoegdheid zicht uitstrekt tot het hoger niet universitair onderwijs;2° voor het vrij niet confessioneel onderwijs, een centrale paritaire commissie waarvan de bevoegdheid zich uitstrekt tot het hoger niet universitair onderwijs. Het besluit van de Regering dat een paritaire commissie aanstelt preciseert er de bevoegdheid van. Art. 172.Het algemeen reglement van de paritaire commissies wordt vastgelegd door een besluit van de Regering. Elke commissie stelt haar huishoudelijk reglement op onder voorbehoud van goedkeuring door de Regering. Art. 173.De paritaire commissies zijn samengesteld uit : 1° een gelijk aantal vertegenwoordigers van de inrichtende machten en van personeelsleden.Er zijn evenveel plaatsvervangers als effectieve leden voor elke categorie; 2° een voorzitter en een vice-voorzitter;3° referendarissen 4° een secretaris en een adjunct-secretaris. De vertegenwoordigers van de inrichtende machten en de vertegenwoordigers van de personeelsleden mogen zich laten vergezellen door technische adviseurs waarvan het maximum aantal bepaald zal worden in het huishoudelijk reglement bedoeld in artikel

  1. Het aantal van de leden van elke paritaire commissie, evenals de duur van hun mandaat worden bepaald door een Regeringsbesluit. Elke commissie heeft tenminste vier werkende leden die de inrichtende machten vertegenwoordigen en vier effectieve leden die het personeel vertegenwoordigen. Art. 174.De werkende en vervangende leden van de commissie worden benoemd door de Regering op voorstel van de groeperingen waarvan sprake in artikel
  2. Als zij niet tot een akkoord komen, dan neemt de Regering een beslissing. De voorzitters en vice-voorzitters worden gekozen door de Regering onder de personen die bevoegd zijn terzake, onafhankelijk van de eventuele belangen hiervan voor de commissie. Binnen de limieten van de mogelijkheden kan het hier om sociale bemiddelaars gaan. De referendarissen, secretaris en adjunct-secretaris worden benoemd door de Regering. De uitoefening van de functies van voorzitter en vice-voorzitter zijn onverenigbaar met een parlementair mandaat. Art. 175.De paritaire commissies hebben voornamelijk tot taak, elk in hun domein van bevoegdheid : 1° te delibereren over de algemene arbeidsvoorwaarden;2° aanvullende regels op te stellen bij de statutaire bepalingen van dit decreet en van het decreet van 25 juli 1996;3° de evolutie van het sociaal recht te volgen en er de aanvullende regels aan aan te passen. De Regering kan de commissies uitnodigen tot het opstellen van aanvullende regels bedoeld in 2° binnen een door haar vastgelegde termijn. Art. 176.De beslissingen van de paritaire commissies worden per meerderheid van stemmen van de aanwezige leden genomen. De voorzitter, de vice-voorzitter, referendarissen en secretarissen hebben geen stemrecht. Afdeling
  3. - Controle en goedkeuring van de beslissingen met een dwingend karakter Art. 177.Op aanvraag van de commissie of een representatieve organisatie zoals bedoeld in lid 171, kan een Regeringsbesluit een dwingend karakter verlenen aan de genomen beslissingen. In het

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.