← België

Besluit van de Waalse Regering betreffende Boek I van het Milieuwetboek

Kort samengevat

Dit besluit regelt de organisatie en werking van de Waalse Raad voor het Leefmilieu voor Duurzame Ontwikkeling, een adviesorgaan voor milieuzaken in het Waalse Gewest. Het legt vast wie er in de Raad zit, hoe lang hun mandaat duurt en hoe de Raad vergadert.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
17 MAART 2005. - Besluit van de Waalse Regering betreffende Boek I van het Milieuwetboek De Waalse Regering, Gelet op het decreet van 27 mei 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 27/05/2004 pub. 09/07/2004 numac 2004027101 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende Boek I van het Milieuwetboek type decreet prom. 27/05/2004 pub. 23/09/2004 numac 2004202818 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt sluiten betreffende Boek I van het Milieuwetboek; Gelet op het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 6 mei 1993 tot bepaling van het model van de krachtens het decreet van 13 juni 1991 met betrekking tot de vrije toegang van de burgers tot de informatie betreffende het leefmilieu te gebruiken documenten; Gelet op het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 6 mei 1993 tot bepaling van de regels aangaande het beroep bedoeld in het decreet van 13 juni 1991 met betrekking tot de vrije toegang van de burgers tot de informatie betreffende het leefmilieu; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 21 april 1994 tot vaststelling van de regeling voor de terinzagelegging en raadpleging betreffende de milieuplanning in het kader van de duurzame ontwikkeling; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 18 mei 1995 tot vaststelling van de regels voor de samenstelling en de werking van de "Conseil wallon de l'environnement pour le développement durable" (Waalse Milieuraad voor de duurzame ontwikkeling); Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 20 december 2000Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 20/12/2000 pub. 10/02/2001 numac 2001027064 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 20 mei 1999 betreffende de milieu-initiatie in het Waalse Gewest sluiten tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 20 mei 1999 betreffende de milieuinitiatie in het Waalse Gewest; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 04/07/2002 pub. 21/09/2002 numac 2002027816 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering houdende organisatie van de milieueffectbeoordeling in het Waalse Gewest sluiten houdende organisatie van de milieueffectbeoordeling in het Waalse Gewest; Gelet op het advies van "Conseil supérieur des Villes, Communes et Provinces de la Région wallonne" (Hoge Raad van Steden, Gemeenten en Provincies van het Waalse Gewest), gegeven op 12 februari 2004; Gelet op het advies van de "Conseil wallon de l'environnement" (Waalse Raad voor het Leefmilieu), gegeven op 12 februari 2004; Gelet op het advies van de "Commission régionale d'Aménagement du Territoire" (Gewestelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening), gegeven op 13 februari 2003; Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 23 juni 2004; Op de voordracht van de minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, Na beraadslaging, Besluit : Artikel 1.Hiernavolgende bepalingen vormen het regelgevend deel van Boek I van het Milieuwetboek : « Boek I. - Gemeenschappelijke en algemene bepalingen Deel I. - Rechtsbeginselen van het leefmilieurecht en algemene begripsbepalingen TITEL I. - Beginselen TITEL II. - Begripsbepalingen Art. R. 1. In de zin van dit boek dienen onder « decreetgevend deel » de bepalingen van het decreetgevend deel van Boek I van het Milieuwetboek te worden verstaan vervat in artikel 1 van het decreet van 27 mei 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 27/05/2004 pub. 09/07/2004 numac 2004027101 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende Boek I van het Milieuwetboek type decreet prom. 27/05/2004 pub. 23/09/2004 numac 2004202818 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt sluiten betreffende Boek I van het Milieuwetboek. Art. R. 2. In de zin van dit wetboek dient te worden verstaan onder : 1° « minister » : de minister die de bevoegdheden uitoefent bedoeld in artikel 6, § 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen;2° « DGRNE » : het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van het Ministerie van het Waalse Gewest. Deel II. - Adviesverlenende instantie Art. R. 3. In de zin van dit deel dient te worden verstaan onder de « Raad » de "'Conseil wallon de l'Environnement pour le Développement durable"' (Waalse Raad voor het Leefmilieu voor Duurzame Ontwikkeling) opgericht bij artikel 7 van het decreetgevend deel. Art. R. 4. De Raad bestaat uit zesentwintig werkende en zesentwintig plaatsvervangende leden of, als de voorzitter en de beide ondervoorzitters gekozen worden buiten de personen bedoeld in artikel 5 om, uit negenentwintig werkende en negenentwintig plaatsvervangende leden. Art. R. 5. De Raad bestaat uit : 1° drie vertegenwoordigers van de « Union wallonne des Entreprises » (Waals Ondernemersverbond);2° twee vertegenwoordigers van de beroepsorganisaties voor landbouwers;3° twee vertegenwoordigers van de vakverbonden;4° twee vertegenwoordigers van de organisaties die de middenstand vertegenwoordigen;5° vier vertegenwoordigers van de verenigingen ter bescherming van het leefmilieu;6° één vertegenwoordiger van de verenigingen ie de verbruikers vertegenwoordigen;7° twee vertegenwoordigers van de « Association des Villes et Communes de Wallonie »;8° drie vertegenwoordigers van de Franstalige universiteitsinstellingen met bevoegdheden verplicht op volgende vakgebieden : a) ecologie, natuurwetenschappen;b) landbouwkunde, bosbouwkunde, bodemrijkdommen;c) economie en leefmilieurecht;d) toegepaste wetenschappen : vervuiling door industrie, waterbeheer, beheer van de luchtkwaliteit, afvalstoffenbeheer;e) volksgezondheid, toxicologie;9° de voorzitters of ondervoorzitters : - van de « Commission régionale des déchets » (Gewestelijke Afvalstoffencommissie); - van de « Commission consultative de l'eau » (Commissie van advies voor water); - van de "Commission régionale d'Aménagement du Territoire" (Gewestelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening); - van de « Commission régionale d'avis pour l'exploitation des carrières » (Regionale Adviescommissie voor de ontginning van groeven); - van de "Conseil supérieur wallon de la Conservation de la Nature" (Waalse Hoge Raad voor het Natuurbehoud); - van de « Conseil supérieur wallon des forêts et de la filière bois » (Waalse Hoge Raad voor het Bos en de Houtkolom); - van de « Conseil supérieur wallon de l'agriculture, de l'agro-alimentaire et de l'alimentation » (Waalse Hoge Raad voor de Landbouw, de Agrovoeding en de Voeding). Art. R. 6. Elk organisme, elke organisatie, elk verbond of elke vereniging bedoeld in artikel 5, 1° tot en met 8°, legt de minister een dubbeltal met kandidaten werkende leden en kandidaten plaatsvervangende leden voor per toegewezen mandaat. Voor de commissie en raden bedoeld in artikel 5, 9°, zijn de voorzitters de werkende leden en de ondervoorzitters de plaatsvervangende leden. De werkende leden en de plaatsvervangende leden worden door de regering benoemd. Art. R. 7. De mandaten worden voor een periode van 5 jaar opgedragen. Ze lopen vanaf de dag waarop het besluit tot benoeming van de leden van de Raad ondertekend wordt. De leden van de Raad hebben recht op aanwezigheidsgeld ten bedrage van 8,60 euro per vergadering. De voorzitter en de ondervoorzitter hebben recht op aanwezigheidsgeld ten bedrage van 17,20 euro per vergadering. De leden van de Raad genieten de terugbetaling van zijn verblijfkosten van 10 euro per vergadering en de voorzitter en de ondervoorzitters genieten de terugbetaling van hun verblijfkosten van 20 euro per vergadering. De leden van de Raad, met inbegrip van de voorzitter en de ondervoorzitter, hebben recht op de terugbetaling van de reiskosten volgens de volgende modaliteiten : De leden worden terugbetaald overeenkomstig artikel 5 van het besluit van de Waalse regering van 7 maart 2001Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 07/03/2001 pub. 21/03/2001 numac 2001027163 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten sluiten tot wijziging van artikel 17 van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten wanneer ze zich begeven naar een vergadering van de Raad. De leden mogen hun persoonlijke wagen gebruiken en worden terugbetaald overeenkomstig artikel 2 van het besluit van de Waalse Regering van 7 maart 2001Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 07/03/2001 pub. 21/03/2001 numac 2001027163 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten sluiten tot wijziging van artikel 17 van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten wanneer ze zich verplaatsen in het kader van een opdracht die hen door de Raad wordt opgelegd. Voor de berekening van het terug te betalen bedrag wordt de woonplaats van het lid als referentievertrekpunt beschouwd. Voor de toepassing van die bepaling worden de leden gelijkgesteld met personeelsleden van niveau 1. Als een gewoon lid zijn ambt vroegtijdig neerlegt, wordt het mandaat door het plaatsvervangende lid voleindigd. De Regering mag evenwel een ander gewoon lid benoemen om het lopende mandaat te voleindigen; in dit geval is artikel 6, eerste lid, van toepassing. Als een plaatsvervangend lid zijn ambt vroegtijdig neerlegt, benoemt de Regering een nieuw plaatsvervangend lid, overeenkomstig artikel 6. Het lid van de Raad houdt op zijn mandaat uit te oefenen als hij niet meer beschikt over de hoedanigheid waarvoor hij benoemd werd. Voor de vernieuwing van de mandaten worden de kandidaturen minstens drie maanden vóór het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn van 5 jaar ingediend. Art. R. 8. Op de voordracht van de minister benoemt de Regering de voorzitter en de ondervoorzitters, in voorkomend geval onder andere personen dan degenen bedoeld in artikel 5. De ambten van voorzitter en ondervoorzitter worden toegewezen aan personen van wie de bevoegdheid inzake leefmilieu erkend is en die kunnen aantonen dat ze voldoende zelfstandig zijn. In geval van ontslag of overlijden van de voorzitter bekleedt de oudste ondervoorzitter, of bij ontstentenis de tweede ondervoorzitter, het voorzitterschap totdat de Regering, op de voordracht van de minister, zijn plaatsvervanger heeft aangewezen. In geval van ontslag of overlijden van één van de ondervoorzitters wijst de Regering, op de voordracht van de minister, zijn plaatsvervanger aan, die het mandaat voleindigt. Art. R. 9. De minister kan de Raad in gespecialiseerde secties opdelen. De minister benoemt de voorzitters van de gespecialiseerde secties op de voordracht van de Raad. Art. R. 10. De Raad kan personen met bijzondere bevoegdheden uitnodigen aan de werken deel te nemen. Deze personen zijn niet stemgerechtigd. Art. R. 11. De Raad wordt door de voorzitter of, bij diens ontstentenis, door de minister bijeengeroepen. De minister bekleedt het voorzitterschap ervan wanneer hij het nodig acht. Art. R. 12. De Raad vergadert slechts rechtsgeldig als ten minste de helft van zijn leden aanwezig is. Indien deze voorwaarde niet vervuld is, wordt de Raad opnieuw bijeengeroepen voor dezelfde agenda. Hij beslist dan rechtsgeldig, wat het aantal aanwezige leden ook moge zijn. De vertegenwoordigers van de Franstalige universitaire instellingen alsmede de vertegenwoordigers afkomstig van een als auteur van een milieueffectonderzoek erkende instelling zijn niet stemgerechtigd voor materies onderworpen aan de Raad krachtens de artikelen 49 tot en met 81 van het decreetgevende deel. De beslissingen worden bij gewone meerderheid van de aanwezigen genomen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. Wanneer minstens één vierde van de stemgerechtigde aanwezige leden zich verzetten tegen het advies van de meerderheid, wordt het advies aangevuld met de vermelding van het andere standpunt. Art. R. 13. Behoudens voorafgaand akkoord van de minister worden de adviezen uitsluitend gericht aan de overheidsorganen die erom gevraagd hebben. Art. R. 14. Het secretariaat van de Raad wordt waargenomen door de Economische en Sociale Raad, overeenkomstig artikel 4, § 3 van het decreet van 25 mei 1983 tot wijziging, wat de Economische Raad van het Waalse Gewest betreft, van de kaderwet van 15 juli 1970 houdende organisatie van de planning en de economische decentralisatie en tot oprichting van een Economische en Sociale Raad van het Waalse Gewest. Art. R. 15. Het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu gaat in op elke informatieaanvraag ingediend door de Raad of door zijn secretariaat i.v.m. hun opdrachten. Art. R. 16. De Raad stelt zijn huishoudelijk reglement op alvorens het aan de goedkeuring van de minister te onderwerpen. Het huishoudelijk reglement vermeldt met name : 1° de oproepingsprocedures, de bepaling van de agenda, de validatie van de processen-verbaal, de door de Raad bekendgemaakte adviezen en stukken; 2° de regels voor de deelneming aan de vergaderingen alsmede het reglement m.b.t belangenconflicten die zich meer bepaald zouden kunnen voordoen in het kader van de stemmingsprocedures wanneer één of meer leden van de Raad aan een onderzoek hebben meegewerkt; 3° de werking van het secretariaat. Deel III. - Informatieverstrekking en sensibilisatie op leefmilieugebied TITEL I. - Toegang tot leefmilieuinformatie HOOFDSTUK I. - Type-document Art. R. 17. De door de openbare overheid te gebruiken documenten om ontvangst van informatieaanvragen te bevestigen, om termijnen van toegang tot de informatie te verlengen of om de overlegging van gegevens geheel of gedeeltelijk te weigeren, worden opgemaakt overeenkomstig de modellen bedoeld in respectievelijk bijlagen I, II en III. HOOFDSTUK II. - Regels betreffende het beroep Afdeling 1. - Commissie van beroep Art. R. 18. Er wordt een commissie van beroep opgericht om te beslissen over de beroepen bedoeld in artikel 17 van het decreetgevende deel. De zetel van de commissie van beroep is gevestigd in de lokalen van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu. Art. R. 19. § 1. De Commissie bestaat uit zes gewone leden benoemd door de Regering, namelijk : 1° een voorzitter met minstens vijf jaar ervaring in de magistratuur;2° twee leden met minstens vijf jaar administratieve ervaring in niveau 1 en voorgedragen door de Minister;3° een lid met minstens vijf jaar administratieve ervaring in niveau 1 en voorgedragen door de Minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening;4° twee leden voorgedragen uit dubbeltallen door de "Conseil wallon de l'environnement pour le développement durable" (Waalse milieuraad voor de duurzame ontwikkeling. § 2. De Regering wijst een vervanger aan voor elk werkend lid met inachtneming van de voor de benoeming van de werkende leden voorziene voorwaarden en procedure. De plaatsvervangende voorzitter en de plaatsvervangende leden zetelen wanneer de werkende voorzitter of het werkende lid die zij vervangen, verhinderd zijn. § 3. Elk mandaat heeft een geldigheidsduur van vijf jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van het besluit tot benoeming. Het is hernieuwbaar. Indien een mandaat voor zijn vervaldatum wordt neergelegd, wordt de opvolger voor de overblijvende duur ervan aangewezen. Art. R. 20. De commissie van beroep wordt bijgestaan door een secretaris aangewezen door de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu die hem uit de personeelsleden van die directie kiest. Art. R. 21. De commissie stelt haar inwendig reglement van orde vast alvorens het aan de goedkeuring van de Regering voor te leggen. Art. R. 22. De voorzitter, de leden en de secretaris van de commissie hebben recht op : 1° een aanwezigheidsgeld van 57,60 euro;2° de terugbetaling van hun verplaatsingskosten overeenkomstig de modaliteiten bepaald in het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten. Voor de toepassing van dat koninklijk besluit zijn de voorzitter, de leden en de secretaris van de commissie gelijkgesteld met ambtenaren van rang 15. Afdeling 2. - De procedure Art. R. 23. Het beroep wordt per aangetekende brief als verzoek bij het secretariaat van de commissie ingediend. Het moet ingediend worden binnen vijftien dagen na de bekendmaking van de betwiste beslissing of, bij gebrek aan die beslissing, binnen vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel 15 van het decreetgevende deel bedoelde termijn. Art. R. 24. Het verzoek vermeldt : 1° de identiteit en de woonplaats van de aanvrager;2° de identiteit en de zetel van de openbare overheid waaraan de informatieaanvraag werd gericht;3° het voorwerp van die informatieaanvraag;4° de middelen van het beroep. Bovendien moet de aanvrager alle stukken die hij nuttig acht als bijlage bij zijn verzoek voegen alsook een nauwkeurige inventaris van de informatie die hij gedeeltelijk ontvangen zou hebben. Art. R. 25. § 1. Binnen tien dagen na ontvangst van het verzoek zendt de secretaris van de commissie van beroep de aanvrager een ontvangstbewijs toe. § 2. De secretaris zendt binnen dezelfde termijn een afschrift van het beroep naar de betrokken openbare overheid van wie hij verlangt dat zij de stukken van het dossier overlegt alsook alle inlichtingen en documenten die hij nuttig acht. De betrokken openbare overheid zendt de secretaris binnen vijftien dagen na de aanvraag een afschrift van de gevraagde stukken, inlichtingen, documenten of gegevens toe en voegt er in voorkomend geval een nota met haar opmerkingen bij. In ieder geval moeten overgelegd worden de gegevens waartoe de aanvrager toegang heeft gevraagd, zonder echter voldoening te krijgen. § 3. De secretaris stelt de zaak in staat van wijzen. Daartoe zamelt hij de nuttige bijkomende stukken, inlichtingen, documenten en gegevens rechtstreeks bij elke betrokken persoon in. Art. R. 26. De commissie zetelt met gesloten deuren. Zij mag de aanvrager, de betrokken overheid alsmede iedere bij de aanvraag betrokken persoon oproepen en horen. Die personen mogen zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een persoon van hun keuze. De commissie mag alle deskundigen horen die zij nuttig acht te raadplegen. Ze mag eveneens eisen dat de aanvrager of de betrokken openbare overheid alle bijkomende stukken, inlichtingen, documenten en gegevens overlegt die zij nuttig acht. Art. R. 27. De commissie beraadslaagt en beslist slechts geldig wanneer de voorzitter en minstens drie andere leden aanwezig zijn. Indien de voorzitter of het lid van de commissie geen garanties van onpartijdigheid kan geven voor het onderzoek van een dossier, moet hij zich onbevoegd verklaren. Art. R. 28. De beslissingen van de commissie van beroep worden genomen bij meerderheid van stemmen van de aanwezige leden; onthouding is niet toegelaten. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter beslissend. Art. R. 29. De commissie van beroep neemt haar beslissing binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek. Zij kan die termijn echter verlengen bij een met redenen omklede beslissing; de verlenging(en) wordt (worden) tot vijfenveertig dagen beperkt. Art. R. 30. Naast hun motivering vermelden de beslissingen : 1° de identiteit en de woonplaats van de aanvrager;2° de identiteit en de zetel van de openbare overheid waaraan de informatieaanvraag gericht werd;3° in voorkomend geval, de naam, voornaam, woonplaats en hoedanigheid van de personen die ze vertegenwoordigd of bijgestaan hebben;4° in voorkomend geval, de oproeping, de comparitie en het verhoor van de gehoorde personen;5° in voorkomend geval, de overlegging van schriftelijke opmerkingen;6° de uitspraak, de datum ervan en de plaats waar ze gedaan werd alsmede de naam van de personen die beraadslaagd hebben;7° de met inachtneming van de verschillende aanwezige belangen door de commissie vastgestelde termijn na het verstrijken waarvan de aanvrager het informatierecht mag uitoefenen dat hem na afloop van de procedure van beroep voor de commissie toegekend wordt. De beslissingen worden door de voorzitter en de secretaris ondertekend. Art. R. 31. De beslissing wordt betekend aan de aanvrager, aan de openbare overheid tegen dewelke het beroep werd ingesteld en aan iedere betrokken persoon die overeenkomstig artikel 26, tweede lid. Indien zij het beroep gegrond acht, mag de commissie, overeenkomstig de in artikel 12 van het decreetgevende deel, de informatie waartoe zij toegang verleent zelf aan de aanvrager verstrekken. Art. R. 32. § 1. De in dit hoofdstuk bedoelde termijnen lopen vanaf de dag na de ontvangst van het stuk. Het per aangetekende brief gezonden stuk wordt als ontvangen geacht op de eerste werkdag na afgifte van de brief bij de post. De postdatum bewijst de zending van elk procedurestuk. § 2. De vervaldag wordt in de termijn berekend. De vervaldag wordt echter naar de eerstvolgende werkdag verschoven wanneer de laatste dag voorzien om een procedureakte uit te voeren een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is. Art. R. 33. De voorzitter en de andere leden van de commissie van beroep zijn gehouden aan het geheim van de beraadslagingen en van de informatie die overeenkomstig artikel 18 van het decreetgevende deel vertrouwelijk dienen te blijven en waarvan zij bij het waarnemen van hun functie kennis zouden krijgen. TITEL II. - Milieuinitiatie Art. R. 34. § 1. Elke V.Z.W. die de in artikel 25 van het decreetgevende deel gestelde voorwaarden vervult, mag verzoeken om de erkenning die recht geeft op een toelage voor het beheer van een 'CRIE'. De erkenningsaanvraag moet bij ter post aangetekend schrijven met ontvangbewijs in drie exemplaren ingediend worden bij het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu en de volgende gegevens bevatten : 1° de benaming en het adres van de V.Z.W., alsook een afschrift van de publicatie van haar statuten en van de laatste akte van benoeming van haar bestuurders of een eensluidend verklaarde afschrift van de aanvraag om publicatie van de statuten; 2° een afschrift van de bewijsstukken betreffende de pedagogische en wetenschappelijke titels van de vier personen bedoeld in artikel 25, derde lid, 2°, van het decreetgevende deel;3° een nota met een omschrijving van het project betreffende de in artikel 24 van het decreetgevende deel bedoelde opdrachten, alsook de pedagogische en wetenschappelijke titels van het personeel dat in dienst wordt genomen om die opdrachten uit te voeren;4° een raming van het budget dat nodig is voor de uitvoering van het sub 3° bedoelde project, binnen de perken van het bedrag vastgesteld in artikel 37, § 2. § 2. Binnen drie maanden na ontvangst van het als volledig beschouwde aanvraagformulier laat de Minister de verzoekende V.Z.W. weten of de erkenning wordt verleend of geweigerd. Art. R. 35. Na advies van het begeleidingscomité bedoeld in artikel 29 van het decreetgevende deel mag de Minister de erkenning elk moment intrekken als : 1° de V.Z.W. de in artikel 25, derde lid, van het decreetgevende deel bedoelde voorwaarden niet meer vervult; 2° de opdracht niet is uitgevoerd met inachtneming van de doelstelling waarvan sprake in de erkenning;3° de houder van de erkenning het bestuur belet heeft na te gaan of hij zijn opdracht uitoefent;4° de houder van de erkenning het activiteitenrapport, het boekhoudrapport of elk ander over te maken document niet heeft overgemaakt binnen de termijn voorgeschreven bij de beslissing tot erkenning;5° de toelagen niet werden gebruikt voor de kostendekking waarvoor ze verleend werden. De Minister stelt de V.Z.W. bij ter post aangetekende schrijven met ontvangbewijs in kennis van het besluit tot intrekking van de erkenning. De V.Z.W. antwoordt bij aangetekend schrijven met ontvangbewijs binnen dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving. De Minister neemt een beslissing binnen dertig dagen na ontvangst van het antwoord. Art. R. 36. De Minister kan de erkenning verlengen na een periode van drie jaar, onverminderd artikel 35. Drie maanden vóór de vervaldatum van de erkenning dient de V.Z.W. een nieuwe aanvraag in volgens de procedure bedoeld in artikel 34. De Minister neemt een beslissing binnen twee maanden na ontvangst van de aanvraag op grond van het advies van het begeleidingscomité. Art. R. 37. § 1. Binnen de perken van de beschikbare kredieten verleent de Minister een jaarlijkse toelage aan de erkende V.Z.W. om de werking van het centrum te verzekeren. De werkingskosten bestaan uit : 1° personeelsuitgaven;2° verbruiks- en leveringskosten voor de uitvoering van de opdrachten bedoeld in artikel 24 van het decreetgevende deel;3° lasten verbonden aan de werking van de infrastructuur. § 2. Elk centrum ontvangt jaarlijks een toelage van maximum 248.000 euro. § 3. Om de jaarlijkse toelage te genieten, bezorgt de erkende V.Z.W. het bestuur uiterlijk 15 november het begrotingsontwerp van het centrum voor het volgende jaar, alsmede het programma van de geplande activiteiten. § 4. Na advies van het begeleidingscomité en binnen hoogstens één maand na ontvangst van het begrotingsontwerp beslist de Minister of de toelage al dan niet verleend mag worden op basis van de documenten bedoeld in § 3. § 5. De toelage wordt uitbetaald als volgt : 1° een eerste schijf gelijk aan maximum 40 % van het totaalbedrag, bij de kennisgeving van de toekenning en na overlegging van een waar en echt verklaarde schuldvordering die vergezeld gaat van het jaarlijks activiteitenprogramma, goedgekeurd door het opvolgingscomité van elk centrum;2° de volgende schijven, samen goed voor maximum 50 % van het toelagebedrag, aan het einde van elk kwartaal en na overlegging van een waar en echt verklaarde schuldvordering, een tussentijds verslag en een boekhoudrapport, goedgekeurd door het opvolgingscomité van elk centrum;3° het saldo, na overlegging van een waar en echt verklaarde schuldvordering, vergezeld van de stukken waarbij de toelage gewettigd wordt, het in artikel 28 van het decreetgevende deel bedoelde activiteitenrapport en een boekhoudrapport, goedgekeurd door het opvolgingscomité van elk centrum. § 6. De boeken worden gehouden overeenkomstig de wetgeving op de bedrijfsboekhouding. Art. R. 38. § 1. Het begeleidingscomité van het 'CRIE'-netwerk bestaat uit : 1° een vertegenwoordiger van de Minister van Leefmilieu, die het voorzitterschap waarneemt;2° een vertegenwoordiger van de Minister die bevoegd is voor natuurbehoud, als vice-voorzitter;3° een vertegenwoordiger van de Minister die bevoegd is voor toerisme;4° een vertegenwoordiger van de Minister van Mobiliteit en Energie;5° een vertegenwoordiger van de Minister die bevoegd is voor patrimonium;6° een vertegenwoordiger van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Energie;7° twee deskundigen met een pedagogische of een wetenschappelijke titel in verband met leefmilieu;8° een vertegenwoordiger gekozen door het geheel van de 'CRIE'. § 2. De leden van het begeleidingscomité worden door de Minister aangewezen voor een termijn van vier jaar. Hun mandaat is hernieuwbaar. Voor ieder gewoon lid wijst de Minister een plaatsvervanger aan die deel kan nemen aan de werken van het begeleidingscomité. Als een gewoon lid zijn mandaat voortijdig opzegt, wordt zijn plaats ingenomen door zijn plaatsvervanger. Art. R. 39. Het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Energie stelt de nodige lokalen ter beschikking van het begeleidingscomité. Art. R. 40. § 1. Het advies over de erkenningsaanvragen wordt uitgebracht bij gewone meerderheid van de aanwezige leden. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. Als minstens één vierde van de aanwezige leden zich verzet tegen een door de meerderheid uitgebracht advies, vult de voorzitter het advies aan met een melding waarin gewag wordt gemaakt van de uiteenlopende mening. § 2. Het begeleidingscomité wordt bijeengeroepen door de voorzitter of, in voorkomend geval, door de Minister. Het vergadert minstens twee keer per jaar. De bij de Minister van Leefmilieu geaccrediteerde inspecteur van Financiën wordt verzocht de vergaderingen bij te wonen. De voorzitter kan alle personen met specifieke bevoegdheden verzoeken aan de werkzaamheden van het begeleidingscomité deel te nemen. Deze personen nemen niet deel aan de stemming. § 3. Het begeleidingscomité maakt zijn huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan de Minister. Het huishoudelijk reglement bevat de volgende gegevens : 1° de procedure voor de oproep van de leden, voor het opmaken van de agenda, de goedkeuring van de notulen, adviezen en andere documenten opgemaakt namens het begeleidingscomité;2° de modaliteiten van de stemming, alsook het aantal leden vereist om geldig te zetelen;3° de delegaties inzake de handtekeningen;4° de werking van het secretariaat. De mandaten worden onbezoldigd uitgeoefend. De reis- en verblijfkosten van de leden van het begeleidingscomité worden terugbetaald volgens de regels die gelden voor de ambtenaren van het Waalse Gewest. Daartoe worden zij gelijkgesteld met ambtenaren van rang A4. Art. R. 41. In het kader van zijn opdracht moet het begeleidingscomité : 1° de Minister advies geven over de aanvragen, intrekkingen en hernieuwingen van erkenningen; 2° de door de erkende V.Z.W.'s ingediende jaarlijkse activiteiten- en boekhoudrapporten onderzoeken; 3° zorgen voor de samenhang en de evaluatie van de activiteiten die in het Waalse Gewest georganiseerd worden door het geheel van de 'CRIE'; 4° de Minister jaarlijks een evaluatierapport overmaken i.v.m. bovenbedoelde activiteiten; 5° voorstellen indienen bij de Minister. Deel IV. - Milieuplanning in het kader van de duurzame ontwikkeling Art. R. 42. De terinzagelegging en raadpleging, zoals bedoeld in de artikelen 41 en 42 van het decreetgevende deel worden overeenkomstig de regelgevende bepalingen geregeld. Art. R. 43. De terinzagelegging duurt vijfenveertig dagen, te rekenen vanaf de door de Regering vastgestelde datum. De krachtens artikel 42 van het decreetgevende deel verplicht geraadpleegde personen en instanties en die welke de Minister van Leefmilieu beslist te raadplegen, doen hem hun met redenen omklede adviezen binnen dertig dagen na afsluiting van de terinzagelegging toekomen. Art. R. 44. De gemeentelijke overheid licht de bevolking voor omtrent het ontwerp-plan of -programma en de praktische modaliteiten van de terinzagelegging. De voorlichting gaat uit van de door de Minister van Leefmilieu verstrekte documenten. De gemeentelijke overheid bevestigt onmiddellijk ontvangst van de documenten en gaat te werk als volgt : 1° Aanplakking van een naar bijgaand model opgesteld bericht van terinzagelegging op de gebruikelijke aanplakplaatsen en zodanig dat het gedurende de vijfenveertig dagen van de terinzagelegging perfect zicht- en leesbaar blijft.2° Aankondiging van de terinzagelegging in dezelfde bewoordingen als die van het aangeplakte bericht en uiterlijk zeven dagen na de dag waarop het bericht werd aangeplakt, in tenminste twee in het Gewest verspreide dagbladen en minstens tweemaal. De aankondigingen in de dagbladen mogen voor verschillende naburige gemeenten worden gegroepeerd, op voorwaarde dat datum, tijd en plaats waar het onder punt 3 bedoelde dossier beschikbaar is, duidelijk zijn vermeld. 3° Gedurende de vijfenveertig dagen van aanplakking kan het dossier betreffende het ontwerp-plan of -programma op de in het bericht aangeduide plaats worden ingezien.Deze plaats dient voor het publiek toegankelijk te zijn tijdens de gewone werktijden van het gemeentebestuur en minstens één keer per week tot 20 uur of op zaterdag voormiddag. 4° Tijdens de vijfenveertig dagen van aanplakking kan elke belanghebbende zijn commentaar, aanmerkingen en aanbevelingen schriftelijk aan het gemeentebestuur richten.Elk schrijven dient naam, adres en handtekening van de auteur(s) te vermelden. 5° Binnen dezelfde termijn van vijfenveertig dagen kan de gemeentelijke overheid beslissen het ontwerp-plan of -programma voor advies voor te leggen aan de door haar ingestelde overlegcommissies waarvan de bevoegdheden op de ter inzage gelegde tekst betrekking hebben.Over het uitgebrachte advies wordt schriftelijk gerapporteerd. 6° De gemeentelijke overheid kan extra initiatieven voor de voorlichting van het publiek uitwerken.7° Binnen dertig dagen na afsluiting van de terinzagelegging doet het gemeentebestuur de Minister, samen met de ventuele synthesenota's en het met redenen omklede advies van de gemeenteraad, een afschrift toekomen van de door de bevolking en/of de onder punt 5 bedoelde overlegcommissies uitgebrachte adviezen.8° De termijn van het openbaar onderzoek wordt van 15 juli tot 15 augustus geschorst, onverminderd het raadplegings- en adviesrecht dat bedoeld wordt onder de punten 3 à 6 van dit artikel. Art. R. 45. De Regering dient geen rekening te houden met adviezen die worden ingediend na afloop van de in artikel 43 en artikel 44, punt 7, gestelde termijnen. Deel V. - Milieueffectbeoordeling HOOFDSTUK I. - Begripsomschrijvingen Art. R. 46. Voor de toepassing van dit deel wordt verstaan onder : 1° « Bestuur Ruimtelijke Ordening » : de Directeur-generaal van het Directoraat-generaal Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Patrimonium of diens afgevaardigde(n);2° « Bestuur Leefmilieu » : de Directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of diens afgevaardigde(n);3° « auteur van een milieueffectonderzoek » : de erkende persoon die een milieueffectonderzoek uitvoert;4° « verzoeker » : de projectontwerper wiens project onderworpen is aan het milieueffectbeoordelingssysteem;5° « CCAT » : "Commission consultative communale d'aménagement du territoire" (Gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening);6° « CRAT » : "Commission régionale d'aménagement du territoire" (Gewestelijke commissie voor ruimtelijke ordening). HOOFDSTUK II. - Systeem voor de beoordeling van de milieueffecten van plannen en programma's Art. R. 47. De lijst der plannen en programma's bedoeld in artikel 53, § 1, van het decreetgevende deel is bepaald in bijlage V. Afdeling 1. - Openbaar onderzoek Art. R. 48. § 1. Overeenkomstig artikel 57 van het decreetgevende deel werkt het college van burgemeester en schepenen op grond van een ontwerp-advies voorgelegd door de ontwerper van het plan of het programma een advies met vermelding van minstens : 1° de identiteit van de auteur van het plan of het programma;2° de aard van het plan of het programma of het grondgebied waarop het geldt;3° begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;4° uur en plaats waar het ontwerp-plan of -programma, alsook het milieueffectverslag, ter inzage liggen. Het college van burgemeester en schepenen plaatst dat bericht in minstens twee dagbladen die over het gehele Waalse Gewest worden verspreid. § 2. Het college van burgemeester en schepenen plakt het bericht bedoeld in § 1 op de gewoonlijke plaatsen van aanplakking aan. Het aangeplakte bericht van minstens 35 dm2 moet zichtbaar en leesbaar blijven tot de dag na de beëindiging van het openbaar onderzoek. Art. R. 49. Elke persoon kan binnen de termijn van het openbaar onderzoek zijn opmerkingen en suggesties bekendmaken door ze te richten aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente die bij de milieuimpact van het ontwerp-plan of -programma betrokken is en er naam en adres bij te vermelden. Bij het afsluiten van het openbaar onderzoek wordt er een afschrift door het college van burgemeester en schepenen gericht aan de ontwerper van het plan of het programma. Afdeling 2. - Grensoverschrijdende effecten Art. R. 50. Indien de uitvoering van een plan of een programma die in een fase van uitwerking verkeren aanzienlijke milieueffecten zou kunnen hebben op het leefmilieu van een ander Gewest, een andere Lid-Staat van de Europese Unie of een Staat die verdragsluitende partij is bij het Verdrag van Espoo van 25 februari 1991 inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, maakt de ontwerper van het plan of het programma het ontwerp-plan of -programma samen met het milieueffectverslag en elke inlichting waarover hij beschikt over de grensoverschrijdende effecten van het plan of het programma over aan de betrokken overheden van de staat en/of het gewest die erbij betrokken zou kunnen zijn, waarbij de modaliteiten voor de organisatie van het openbaar onderzoek met betrekking tot de milieueffectbeoordeling van het plan of het programma, en met name de duur van het onderzoek, de waarschijnlijke begindatum ervan en de gemeente(n) belast met het in ontvangst nemen van de opmerkingen van het publiek zoals bedoeld in artikel 49 worden aangegeven. Samen met het overmaken van het plan of het programma licht de ontwerper de regering en de in artikel 49 bedoelde gemeente(n) in over die overmaking. Art. R. 51. Indien de regering inlichtingen krijgt zoals bedoeld in paragraaf 2 van artikel 58 van het decreetgevende deel maakt zij die over : 1° aan de colleges van burgemeester en schepenen van de gemeenten die erbij betrokken zouden kunnen worden, die ze ter beschikking stellen van het publiek overeenkomstig de procedure van het openbaar onderzoek bedoeld in artikel 57 van het decreetgevende deel;2° aan de « CWEDD ». De instanties bedoeld in lid 1, 1°, nemen de opmerkingen van het publiek in ontvangst en maken hun eventuele adviezen en de opmerkingen die ze gekregen hebben aan de regering over binnen een termijn van vijfenveertig dagen te rekenen van het afsluiten van het openbaar onderzoek bedoeld in lid 1. De CWEDD maakt zijn eventueel advies aan de regering over binnen een termijn van vijfenveertig dagen te rekenen van de dag waarop het de informaties bedoeld in lid 1 gekregen heeft. HOOFDSTUK III. - Systeem van milieueffectbeoordeling voor leefmilieuprojecten Art. R. 52. Onverminderd de bepalingen bedoeld in artikel 49, 5°, a, b, c, d, van het decreetgevende deel en onverminderd artikel 62, eerste lid, van het decreetgevende deel, gaat een milieueffectbeoordeling voor leefmilieuprojecten waarin de artikelen 62 tot en met 77 voorzien vooraf aan de verlening of goedkeuring van de volgende administratieve akten : 1° de verkavelingsvergunning voor een weekendverblijfpark, vereist krachtens artikel 149 van het Waals Wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en patrimonium);2° de mijnconcessie vereist krachtens het decreet van 7 juli 1988 op de mijnen;3° de ruilverkaveling bepaald bij de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet. Art. R. 53. Als de verwezenlijking van een project verschillende vergunningen vereist, dient het project te worden onderworpen aan één enkel systeem van milieueffectbeoordeling, wat het volgende inhoudt : 1° organisatie van één enkel openbaar onderzoek vóór het opstellen van het milieueffectonderzoek;2° opstelling van één enkele evaluatienota met alle gegevens vereist voor elk van de vergunningsaanvragen of, in voorkomend geval, van één enkel milieueffectonderzoek;3° organisatie, na uitvoering van het milieueffectonderzoek, van één enkele procedure van openbaar onderzoek en van inwinning van advies van de "CWEDD", de "CCAT" of, bij gebreke ervan, van de "CRAT". Art. R. 54. Elk verzoek om afgifte van administratieve akten bedoeld in artikel 25 heeft als bijlage hetzij een evaluatienota inzake milieueffecten, hetzij een milieueffectonderzoek. Afdeling I. - Vorm en inhoud van de evaluatienota Art. R. 55. De vorm en de minimale inhoud liggen vast in bijlage VI, onverminderd het tweede lid. Het dossier m.b.t. de vergunningsaanvraag vormt de evaluatienota inzake milieueffecten voor de milieuvergunning of de enige vergunning vereist overeenkomstig het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning sluiten betreffende de milieuvergunning. Voor de administratieve akten die niet vermeld worden in het vorige lid gaat de aanvraag vergezeld van de evaluatienota inzake milieueffecten, onverminderd artikel 54. Afdeling 2. - Projecten onderworpen aan een milieueffectonderzoek Art. R. 56. Een milieueffectonderzoek wordt vereist voor elk project bedoeld in het besluit van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten en waarvoor minstens één van de in artikel 2 bedoelde administratieve akten wordt aangevraagd, voor zover de aanvraag één van de volgende punten betreft : 1° de creatie van een nieuw project;2° de vernieuwing van een vergunning voor een bestaande installatie;3° de ombouw of uitbreiding van een bestaande of in uitvoering zijnde installatie of project waardoor één van de drempels bedoeld in het besluit van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten bereikt of overschreden wordt;4° de ombouw of uitbreiding van een installatie of van een project bedoeld in het besluit van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten, met als gevolg een vermeerdering met meer dan 25% van de waarde die vastligt in de vergunning verleend op basis van de laatste milieueffectonderzoek voor de parameter die in aanmerking komt voor de bepaling van de drempels op grond waarvan beslist wordt welke projecten het voorwerp uitmaken van een milieueffectonderzoek;5° de ombouw of uitbreiding van een installatie of project bedoeld in het besluit van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten, waarvoor een milieueffectonderzoek vereist is zonder drempelvoorwaarde en met als gevolg een verhoging met meer dan 25% van de waarde die vastligt in de vergunning verleend op grond van de laatste milieueffectonderzoek. Afdeling 3. - Vorm en inhoud van het milieueffectonderzoek Art. R. 57. De vorm en de minimale inhoud van het milieueffectonderzoek liggen vast in bijlage VII. De aanvrager mag de bevoegde overheid om advies verzoeken i.v.m. de gegevens die in het kader van het milieueffectonderzoek verstrekt moeten worden. In dat geval wint de bevoegde overheid onmiddellijk het advies in van de "CWEDD", de "CCAT" of desnoods van de "CRAT". Die instanties geven de bevoegde overheid advies binnen 30 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek en bezorgen de aanvrager een afschrift van het advies. De bevoegde overheid geeft de aanvrager advies binnen 45 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek om gegevens. Als de bevoegde overheid haar advies niet binnen de gestelde termijn geeft, voert de aanvrager het milieueffectonderzoek uit op grond van de adviezen van de geraadpleegde instanties en desnoods op grond van de minimale inhoud bedoeld in bijlage II. HOOFDSTUK III. - Auteurs van milieueffectonderzoeken Afdeling 1. - Erkenning, schorsing en intrekking van de erkenning van auteurs van milieueffectonderzoeken Onderafdeling 1. - Algemeen Art. R. 58. De erkenning van auteurs van milieueffectonderzoeken wordt verleend voor één of meer van de volgende categorieën van projecten : 1° ruimtelijke ordening, stedenbouw (projecten bedoeld in rubriek 70.11 van het besluit van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten), handelsactiviteiten (projecten bedoeld in rubriek 52.1 van het besluit van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten) en vrijetijdsactiviteiten (projecten bedoeld in de rubrieken 92.1 tot 92.7; 52.22; 52.23 van het besluit van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten); 2° infrastructuurprojecten (projecten bedoeld in rubrieken 45.23; 45.24; 63.21; 70.19 van het besluit van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten), met inbegrip van vervoer (projecten bedoeld in de rubrieken 60.10 tot 60.30; 61.20; 62.00 van het besluit van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten) en communicatie; 3° mijnen en steengroeven; 4° industriële processen i.v.m. energie; 5° industriële processen i.v.m. stoffenverwerking; 6° afvalbeheer;7° waterbeheer (winning, zuivering, voorziening en verwerking);8° landbouwvergunningen. Onderafdeling 2. - Erkenningscriteria Art. R. 59. § 1. De aanvrager van een erkenning beschikt voor elk van de aangevraagde erkenningscategorieën over de vereiste bevoegdheden om : 1° het milieueffectonderzoek te coördineren;2° bestekken op te stellen voor eventuele onderaannemers;3° alle resultaten te exploiteren, ook die van de onderaanneming;4° alle verkregen resultaten te integreren en aparte en synergetische effecten vast te stellen. § 2. De aanvrager van een erkenning beschikt over de vereiste technische middelen om zijn opdrachten te vervullen. § 3. In geval van vernieuwing van een erkenning levert de aanvrager het bewijs dat hij tijdens de laatste erkenningstermijn milieueffectonderzoeken heeft uitgevoerd, of als onderaannemer aan milieueffectonderzoeken heeft meegewerkt of dat hij gevraagd werd om milieueffectonderzoeken uit te voeren of eraan deel te nemen. Onderafdeling 3. - Procedure voor de verlening van de erkenning Art. R. 60. De erkenningsaanvraag wordt bij ter post aangetekend schrijven verzonden of tegen ontvangbewijs in vijf exemplaren aan het Bestuur van Leefmilieu overgemaakt. De nieuwe erkenning wordt zes maanden vóór het verstrijken van de lopende erkenning aangevraagd. Art. R. 61. De erkenningsaanvraag bevat de volgende gegevens : 1° de naam en het adres van de aanvrager;2° als het gaat om een rechtspersoon, een afschrift van de eventuele statuten en de lijst van de bestuurders of beheerders;3° de titels, kwalificaties en referenties van de aanvrager, van de medewerkers die een arbeidsovereenkomst aan de aanvrager bindt, en van de eventuele onderaannemers;4° de technische middelen waarover de aanvrager beschikt;5° de categorieën van projecten bedoeld in artikel 58 waarvoor de aanvrager milieueffectonderzoeken kan uitvoeren. Als de aanvraag een vernieuwing van erkenning betreft, gaat ze bovendien vergezeld van de lijst van het milieueffectonderzoeken die de aanvrager heeft uitgevoerd of waartoe hij als onderaannemer heeft bijgedragen, van de aanvragen om uitvoering van of deelname aan milieueffectonderzoeken, alsook van de waarschuwingen en/of wrakingen die eventueel zijn verstuurd sinds het vorige besluit tot erkenning. Art. R. 62. De aanvraag is onvolledig als krachtens artikel 61 vereiste gegevens of stukken ontbreken. De aanvraag is niet-ontvankelijk : 1° als ze in overtreding van artikel 60 wordt ingediend;2° als ze tweemaal onvolledig wordt verklaard;3° als de aanvrager de gevraagde gegevens niet verstrekt binnen de termijn bedoeld in artikel 63, tweede lid. Art. R. 63. Het Bestuur van Leefmilieu bezorgt de aanvrager zijn beslissing waarbij het de aanvraag als volledig en ontvankelijk beschouwt binnen vijftien dagen met ingang van de dag waarop het de aanvraag heeft ontvangen overeenkomstig artikel 60. Als de aanvraag onvolledig is, wijst het Bestuur van Leefmilieu de aanvrager bij ter post aangetekend schrijven op de ontbrekende stukken. De aanvrager beschikt over dertig dagen na ontvangst van het aangetekend schrijven om het Bestuur van Leefmilieu de ontbrekende gegevens bij aangetekend schrijven toe te sturen of tegen ontvangbewijs over te maken. Binnen vijftien dagen na ontvangst van de ontbrekende stukken geeft het Bestuur van Leefmilieu de aanvrager kennis van zijn beslissing waarbij het de aanvraag als volledig en ontvankelijk beschouwt. Als de aanvraag een tweede keer onvolledig wordt geacht door het Bestuur van Leefmilieu, wordt ze niet-ontvankelijk verklaard. Als de aanvraag niet ontvankelijk is, deelt het Bestuur van Leefmilieu de motieven van niet-ontvankelijkheid mee aan de aanvrager onder de voorwaarden en binnen de termijn bedoeld in het eerste lid of, in voorkomend geval, binnen de termijn bedoeld in het derde lid. Art. R. 64. Als het Bestuur van Leefmilieu de aanvrager geen enkele beslissing heeft toegestuurd onder de voorwaarden en binnen de termijn bedoeld in artikel 63, wordt de aanvraag als ontvankelijk beschouwd. In dat geval stuurt de aanvrager een afschrift van het aanvraagdossier naar de Minister. Art. R. 65. Zodra een aanvraag ontvankelijk wordt verklaard of als dusdanig wordt geacht te zijn, wordt ze door het Bestuur van Leefmilieu voor advies overgemaakt : 1° aan de "CWEDD";2° aan de "CRAT";3° aan het Bestuur van Ruimtelijke Ordening. De adviezen van het Bestuur van Ruimtelijke Ordening, van de "CRAT" en van de "CWEDD" worden overgemaakt aan het Bestuur van Leefmilieu of tegen ontvangbewijs afgegeven binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvraag om advies. Bij gebreke daarvan worden ze geacht gunstig te zijn. Die termijnen worden geschorst tussen 16 juli en 15 augustus. Art. R. 66. Het Bestuur van Leefmilieu bezorgt de Minister zijn voorstel van beslissing samen met de adviezen bedoeld in artikel 65 binnen 50 dagen na de beslissing waarbij het dossier als volledig en ontvankelijk wordt beschouwd. Die termijnen worden geschorst tussen 16 juli en 15 augustus. Art. R. 67. De Minister bezorgt de aanvrager zijn besluit over de aanvraag om erkenning binnen dertig dagen na ontvangst van het advies van het Bestuur van Leefmilieu. Het besluit tot erkenning wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Art. R. 68. Het besluit over de aanvraag om erkenning vermeldt de duur van de erkenning en de categorieën van de projecten bedoeld in artikel 58 waarvoor de begunstigde milieueffectonderzoeken zou kunnen uitvoeren. De erkenning geldt hoogstens 5 jaar. Art. R. 69. Als één van de gegevens uit de aanvraag om erkenning overeenkomstig artikel 61 wordt gewijzigd, verwittigt de auteur van het milieueffectonderzoek het Bestuur van Leefmilieu onmiddellijk bij ter post aangetekend schrijven met ontvangbewijs. Als het Bestuur acht dat de aangebrachte wijzigingen een wijziging, opschorting of intrekking van de erkenning vereisen, wordt de erkende auteur binnen dertig dagen bij ter post aangetekend schrijven verwittigd. De erkende auteur beschikt, met ingang van de dag waarop hij het aangetekend schrijven in ontvangst neemt, over zestig dagen om het Bestuur van Leefmilieu kennis te geven van de maatregelen die hij overweegt te nemen om gevolg te geven aan de opmerkingen van bedoeld Bestuur. Art. R. 70. Als de Minister één of meer milieueffectonderzoeken onvoldoende of onvolledig acht, kan hij, op eigen initiatief of op voorstel van de "CWEDD", de "CCAT" of de "CRAT", de auteur van de studie een waarschuwing toesturen. Zijn besluit wordt meegedeeld bij ter post aangetekend schrijven met ontvangbewijs. Onderafdeling 4. - Schorsing of intrekking van de erkenning Art. R. 71. Tijdens de geldigheidsduur van de erkenning kan de Minister, na de auteur van het milieueffectonderzoek te hebben verzocht verantwoording af te leggen, de erkenning geheel of gedeeltelijk wijzigen, schorsen of intrekken : 1° in het geval bedoeld in artikel 69 als de auteur het Bestuur geen maatregel heeft meegedeeld om gevolg te geven aan zijn opmerkingen of als de overwogen maatregelen onvoldoende worden geacht;2° na een waarschuwing bedoeld in artikel 70. Het besluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Afdeling 2. - Keuze van de auteur van het milieueffectonderzoek Art. R. 72. De aanvrager kiest de auteur van het milieueffectonderzoek onder de personen erkend als auteur van milieueffectonderzoeken voor de categorie(ën) waarin zijn project ingedeeld is overeenkomstig artikel 58. Hij geeft bij ter post aangetekend schrijven onmiddellijk kennis van zijn keuze aan : 1° de Minister;2° de bevoegde overheid;3° het Bestuur van Leefmilieu en het Bestuur van Ruimtelijke Ordening. Hij geeft ook bij gewoon schrijven onmiddellijk kennis van zijn keuze aan : 1° de "CWEDD";2° de "CCAT" of, desnoods, de "CRAT". Afdeling 3. - Wraking van een persoon gekozen als auteur van een milieueffectonderzoek Art. R. 73. Elke persoon gekozen als auteur van een milieueffectonderzoek kan gewraakt worden als hij verkeert in één van de toestanden die het zelfstandig uitoefenen van zijn opdracht in het gedrang zou kunnen brengen. Art. R. 74. De bevoegde overheid, het Bestuur van Leefmilieu of het Bestuur van Ruimtelijke Ordening kan de Minister voorstellen een als auteur van een milieueffectonderzoek gekozen persoon te wraken. Art. R. 75. Het voorstel tot wraking is gemotiveerd, op straffe van niet-ontvankelijkheid. Het wordt bij ter post aangetekend schrijven met ontvangbewijs overgemaakt aan de persoon gekozen als auteur van het milieueffectonderzoek. Tezelfdertijd wordt een afschrift ervan bij gewoon schrijven gestuurd naar de aanvrager van de vergunning en de overige instanties bedoeld in artikel 72. HOOFDSTUK IV. - Openbaar onderzoek voorafgaand aan de milieueffectonderzoek Art. R. 76. De raadpleging bedoeld in artikel 71 van het decreetgevende deel wordt georganiseerd overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk. Als een project het grondgebied van verschillende gemeenten bestrijkt, zijn de artikelen 77 en 80 van toepassing op elk van de betrokken gemeenten. Art. R. 77. Minstens vijftien dagen vóór de raadpleging bedoeld in artikel 78 publiceert de aanvrager een bericht dat hoe dan ook de volgende gegevens bevat : 1° de identiteit van de aanvrager;2° de aard van het project en de plaats waar het wordt uitgevoerd;3° de datum, het uur en de plaats van de informatievergadering bedoeld in artikel 31. Dat bericht wordt bekendgemaakt in twee media die de aanvrager onder de volgende media kiest : 1° twee kranten verspreid in het gebied;2° een gemeentelijk informatieblad als er één is en als het verspreid wordt onder de gezamenlijke bevolking;3° een huis-aan-huis reclameblad;4° een huis-aan-huis informatieblad verspreid in een straal van 3 kilometer rondom de plaats waar het project wordt uigevoerd. De aanvrager bezorgt het College een afschrift van de bekendgemaakte berichten en van de desbetreffende facturen. Het eerste lid wordt door de bevoegde overheid middels een bericht aangeplakt : 1° op de gebruikelijke aanplakplaatsen;2° op drie plaatsen nabij de plaats waar het project uitgevoerd moet worden, langs een openbare rijweg of -strook. Het aangeplakte bericht is minstens 35dm2 groot en zicht- en leesbaar tot de dag na de vergadering bedoeld in artikel 78. Art. R. 78. Tussen de zestiende en de zevenentwintigste dag na de datum van de bekendmaking bedoeld in artikel 77, organiseert de aanvrager in de gemeente waar het project de grootste oppervlakte bestrijkt, een raadplegingsvergadering waarop de bevolking van de gemeenten waarvan het grondgebied mogelijkerwijs ook betrokken wordt bij het project, wordt uitgenodigd. De volgende personen of instanties worden ook uitgenodigd op de vergadering en kunnen zich er laten vertegenwoordigen : 1° de persoon die de aanvrager heeft gekozen om het milieueffectonderzoek uit te voeren;2° de bevoegde overheid;3° het Bestuur van Leefmilieu en het Bestuur van Ruimtelijke Ordening;4° de "CWEDD", de "CCAT" of, bij gebreke daarvan, de "CRAT", die hoogstens twee leden mogen afvaardigen;5° de vertegenwoordigers van de gemeente(n) van de vestigingsplaats van het project;6° de vertegenwoordigers van de gemeente(n) gelegen in een straal van 3 kilometer rondom de vestigingsplaats van het project. De vergadering heeft als doel : 1° de auteur in staat te stellen zijn project voor te leggen; 2° het publiek in staat te stellen informatie in te winnen en opmerkingen te maken en voorstellen te doen m.b.t. het project; 3° specifieke punten in het licht te stellen die aangesneden kunnen worden in het milieueffectonderzoek;4° alternatieven voor te leggen die redelijkerwijs kunnen worden overwogen door de aanvrager opdat ze tijdens het milieueffectonderzoek in aanmerking zouden worden genomen. Art. R. 79. Iedereen kan binnen vijftien dagen vanaf de datum van de raadplegingsvergadering bedoeld in artikel 78 zijn geschreven opmerkingen en voorstellen i.v.m. de uitvoering van het milieueffectonderzoek indienen bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar de raadplegingsvergadering heeft plaatsgevonden. Daarbij worden naam en adres opgegeven. Een afschrift wordt overgemaakt aan de aanvrager, die het onmiddellijk doorstuurt naar de auteur van de studie. Art. R. 80. De termijnen bedoeld in dit hoofdstuk worden geschorst tussen 16 juli en 15 augustus. HOOFDSTUK VI. - Adviezen betreffende de milieueffectonderzoek en de openbaarmaking van de beslissing Art. R. 81. De instantie die de aanvrager meedeelt dat de vergunningsaanvraag volledig en/of ontvankelijk is of die het aanvraagdossier aan de bevoegde overheid overmaakt, bezorgt de "CWEDD", de "CCAT" of, bij gebreke daarvan, de "CRAT" de volgende stukken : 1° de vergunningsaanvraag;2° het milieueffectonderzoek;3° de gezamenlijke opmerkingen en voorstellen ingediend overeenkomstig artikel 79. Art. R. 82. Aan de overheid die er om vraagt, stuurt of verleent de "CWEDD" tegen ontvangbewijs haar advies over de kwaliteit van het milieueffectonderzoek en over het ecologische belang van het project als de aanvraag betrekking heeft op een inrichting van klasse 1. Ze doet dat binnen zestig dagen, te rekenen van de datum waarop de aanvraag aanhangig wordt gemaakt bij de instantie bedoeld in artikel 34. Aan de overheid die er om vraagt, stuurt of verleent de "CCAT" of, bij gebreke daarvan de "CRAT", tegen ontvangbewijs binnen dezelfde termijn een advies over de kwaliteit van de studie en over de doelstellingen van het project overeenkomstig artikel 1, § 1, van het Waalse wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en patrimonium als de aanvraag betrekking heeft op één van volgende vergunningen : 1° een enige vergunning, vereist krachtens het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning sluiten betreffende de milieuvergunning;2° een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning, vereist krachtens het Waalse wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en patrimonium;3° een ontginningsvergunning, vereist krachtens het decreet van 27 oktober 1988;4° een mijnconcessie, vereist krachtens het decreet van 7 juli 1988 op de mijnen;5° een vergunning om steenbergen te ontsluiten, vereist krachtens het decreet van 9 mei 1985 betreffende de ontsluiting van steenbergen. Bij gebrek aan een advies binnen de vereiste termijn wordt het advies geacht gunstig te zijn. De "CWEDD" en bovenbedoelde commissies kunnen de aanvrager en de auteur van het milieueffe …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.