📄 Wettekst
13 DECEMBER 2006. - Koninklijk besluit lhoudende het statuut van de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat
VERSLAG AAN DE KONING Sire, De functies van de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat vertonen specifieke kenmerken en vragen speciale kwaliteiten die beantwoorden aan de vereisten eigen aan de operationele werking en expertise van een inlichtingen- en veiligheidsdienst, die deze ambtenaren onderscheiden en er een bijzonder burgerlijk korps van maken binnen de federale overheidsdienst, wat impliceert dat voortdurend dient te worden afgeweken van het statuut van de Rijksambtenaren. De verwijzing naar de bepalingen van dit statuut lijkt dus niet meer adequaat; het is derhalve raadzaam een eigen en coherent statuut uit te werken, gerechtvaardigd door de objectieve verschillen inzake functionering die deze ambtenaren van de buitendiensten vertonen en die ze wil regelen en waarbij beoogd wordt om aan deze ambtenaren dezelfde statutaire garanties te bieden als deze van de ambtenaren onderworpen aan het koninklijk besluit van 2 oktober 1937. Bijgevolg vereist de efficiënte uitvoering van de opdrachten die hun worden toevertrouwd bij
wet van 30 november 1998Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
30/11/1998
pub.
18/12/1998
numac
1998007272
bron
ministerie van landsverdediging
Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst
type
wet
prom.
30/11/1998
pub.
02/02/1999
numac
1998003675
bron
ministerie van financien
Wet houdende elfde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 1998, Sectie 12, Ministerie van Justitie
sluiten houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, een autonoom statuut.
Deze specificiteit werd eveneens erkend door de syndicale organisaties die werden geraadpleegd bij de uitwerking van dit nieuw statuut. Deze informele raadplegingen hebben overigens aanleiding gegeven tot het ondertekenen van een protocolakkoord.
Bovendien was het administratief en geldelijk statuut van deze ambtenaren gelijkgeschakeld met deze van de ex -leden van de gerechtelijke politie; welnu, deze laatsten hebben een herwaardering van hun geldelijk statuut bekomen bij hun integratie op 1 april 2001 in de geïntegreerde politie op twee niveaus, terwijl de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat tot op heden van geen enkele administratieve en geldelijke herwaardering hebben genoten.
Tot slot hebben de ambtenaren van de buitendiensten evenmin genoten van de herwaardering van het ambt en de wedde van het Rijkspersoneel.
Er was bijgevolg reden om onverwijld het administratief en geldelijk statuut van de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat te hervormen, ten einde de Veiligheid van de Staat te bedelen met operationeel renderend personeel, in voldoende aantal, ze in de schoot van de instelling te behouden en de efficiënte uitvoering van de opdrachten, die voortdurend talrijker en complexer zijn, toe te laten.
Gelet op de duidelijkheid en de vereenvoudiging, heft dit besluit de vele bepalingen op, die het koninklijk besluit van 29 april 1966 houdende het statuut van het personeel van de sectie Veiligheid van de Staat van het Bestuur van de Openbare Veiligheid, dat nog steeds gedeeltelijk van kracht was, hadden gewijzigd of aangevuld; evenzo, in plaats van af te wijken van het statuut van de overheidsambtenaren, door opsomming van de bepalingen die niet meer van toepassing waren, wat ernstige nadelen meebracht omwille van de voortdurende wijzigingen en de hernummering en zelfs de verdwijning van de referentiebepalingen, verkiest het, daar waar het wezenlijk trouw blijft aan het gemeen recht van het openbaar ambt, ofwel de bestaande bepalingen over te brengen, ofwel te verwijzen wanneer het in zijn geheel mogelijk is, naar een geheel van bestaande regels (
koninklijk besluit van 19 november 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
08/09/1999
numac
1999022158
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Koninklijk besluit tot vaststelling van de Belgische bijdrage voor 1998 aan het « Trustfonds voor de financiering van de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag »
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
22/06/1999
numac
1999022160
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Koninklijk besluit tot vaststelling van de Belgische bijdrage voor 1998 aan het « Trustfonds voor de financiering van de tenuitvoerlegging van het Protocol van Montréal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken »
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
14/02/2008
numac
2008000104
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
sluiten voor wat de verloven betreft en koninklijk besluit van 29 juni 1973 voor wat de algemene regels betreft van vaststelling en uitbetaling van de wedden; toeslagen en vergoedingen gemeenschappelijk aan het geheel van het openbaar ambt); het verenigt tenslotte in een zelfde tekst, het administratief en geldelijk statuut.
Daarnaast wordt artikel 2 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, op voorstel van de Minister van het Openbaar Ambt, gewijzigd teneinde uit zijn toepassingsveld de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat uit te sluiten.
Het eerste deel van dit besluit bevat de regels van het administratief statuut.
In titel I (algemene bepalingen), bepaalt artikel 1 het toepassingsveld « ratione personae » van het statuut en bevat het noodzakelijke definities. De bepalingen die gemeenschappelijk worden gemaakt voor het geheel van het personeel zowel van de administratieve als van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat hebben een organiek karakter en hebben geen gevolgen voor de juridische toestand en de verplichtingen van de ambtenaren : organisatie van de vormingsdienst en van de psychologische en sociale begeleiding, legitimatiekaart.
Artikel 2 sluit de aanwerving uit van contractueel personeel en kent de hoedanigheid van Rijksambtenaar toe aan de leden van de buitendiensten.
Het artikel 3 verdeelt de betrekkingen in drie niveaus. De artikelen 4 tot 6 bepalen de graden vervat in elk niveau.
Artikel 8 te lezen samen met de artikelen 182 en 188, past de traditionele afgrendeling aan tussen de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat en het departement van Justitie wanneer de ambtenaar zijn veiligheidsmachtiging verliest.
Titel II betreffende de rechten en plichten bevat enkele bijzonderheden eigen aan de functie : recht van de ambtenaar te weigeren om een manifest onwettig bevel uit te voeren - artikel 9, § 2, dat zijn equivalent vindt in artikel III. II. 3 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 houdende de juridische stand van het personeel van de politiediensten : het is vanzelfsprekend dat, zoals de Raad van State opmerkt, de bevestiging van het bevel, de ambtenaar die het zou uitvoeren van zijn verantwoordelijkheid niet ontheft -, de beperking inzake vrijheid van meningsuiting jegens feiten die de ambtenaren ter ore komen uit hoofde van hun functie, plicht van het beroepsgeheim overeenkomstig de voorschriften van de
wet van 30 november 1998Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
30/11/1998
pub.
18/12/1998
numac
1998007272
bron
ministerie van landsverdediging
Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst
type
wet
prom.
30/11/1998
pub.
02/02/1999
numac
1998003675
bron
ministerie van financien
Wet houdende elfde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 1998, Sectie 12, Ministerie van Justitie
sluiten houdende regeling van de inlichtingen - en veiligheidsdiensten en de
wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
11/12/1998
pub.
28/12/2023
numac
2023047806
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen (artikel 12, lid 1 en 3) en de bijzondere verplichting van terughoudendheid op politiek vlak (artikel 12, lid 2), die als logisch gevolg hebben een strenger stelsel van onverenigbaarheden (artikel 18) en de uitsluiting van het recht op politiek verlof alsook van de verloven om een functie uit te oefenen in een ministerieel kabinet of bij de politieke groepen van de parlementaire vergaderingen (artikel 185). Deze rechten en plichten zullen nader bepaald worden in een deontologische code (artikel 17).
Titel III regelt de aanwerving, stage en loopbaan.
Artikel 20, lid 3 moet het de minister mogelijk maken, wat de benoeming betreft voor de betrekkingen van inspecteur en commissaris, op elk ogenblik een juist evenwicht te verwezenlijken tussen de aanwerving en bevordering door toegang tot het hogere niveau.
De onderste leeftijdslimiet van 21 en 25 jaar bij de respectievelijke aanwerving van inspecteurs en commissarissen werd niet gewijzigd in vergelijking met vorige bepalingen; de onderste leeftijdslimiet van 21 jaar voor de nieuwe graad van beschermingsassistent is gerechtvaardigd wegens de maturiteit die wordt vereist door de aard van de te vervullen beschermingsopdrachten (artikel 21). De bepalingen betreffende de organisatie van de aanwervings- (artikel 24) en de bevorderingsproeven (artikel 57) alsook betreffende samenstelling van de selectiejury's (artikelen 34 en 69) proberen een evenwicht tot stand te brengen tussen de noodzaak voor de Veiligheid van de Staat om de selectieparameters te beheersen en de noodzaak om de objectiviteit te doen waarborgen van de procedures door het Selectiebureau van de federale Administratie (SELOR).
Het voorgesteld koninklijk besluit bevestigt de beleidslijn die gemaakt werd in de vorige statutaire bepalingen die zegt dat, voor wat betreft het personeel van de buitendiensten, de stage op een specifieke manier wordt geregeld. De verantwoordelijkheid van de uitgeoefende functies gebiedt een meer bestendige opvolging van de verwerving van de kennis, de bekwaamheden en het gepast gedrag in de opdrachten op het terrein, dan in een klassiek openbaar ambt.
Daarom werd een stagecommissie ingevoerd, een permanent collegiaal orgaan dat bestaat uit ervaren leden die belast zijn met het permanent volgen van de evolutie van de stagiair, met zich een oordeel te vormen over zijn mogelijkheid om de adequate professionele bekwaamheden te integreren en met te remediëren aan eventueel door de naaste omkadering vastgestelde tekortkomingen op vlak van zijn gedrag. Deze commissie kan zich aldus, op het einde van de stage, op een meer oordeelkundige manier uitspreken over de beroepsbekwaamheid voor de uit te oefenen functie in al zijn componenten. Het feit dat de tuchtregeling niet van toepassing is op de stagiairs is gewild en wordt gecompenseerd door nauwlettende aandacht en omkadering van inadequate gedragingen, die op dit niveau van uitoefening van de functie dikwijls de onervarenheid naar voor kunnen doen brengen en voor dewelke een ervaren hulp meer kan bijdragen dan een disciplinaire straf.
De stagecommissie bevat, in tegenstelling met het statuut van de Rijksambtenaren, geen vertegenwoordigers van het personeel, maar de stagiair beschikt daarentegen over een recht van beroep voor de raad van beroep die paritair is samengesteld (artikel 47). De duur van de stage wordt geregeld afhankelijk van de technische aard van de oorspronkelijke vorming (artikel 49).
De hoofdstukken III en IV betreffende respectievelijk de bevorderingen en de mandaten vormen de kern van de hervorming; de baremaopwaardering gaat gepaard met een wil van verhoogd professionalisme die zich vertalen in loopbaantrajecten die steunen op de vorming en de verificatie van de vooruitgang in het verwerven van de vereiste bekwaamheden voor de uitoefening van functies met een toenemende complexiteit.
Het begrip mandaat onderscheidt zich van deze in de hervorming van de federale administratie. Het mandaat wordt zodoende toegekend aan de leden van de buitendiensten die, na verificatie, blijk hebben gegeven van ervaring in complex operationeel beheer en die in staat zijn om de strategische beleidslijnen van de Veiligheid van de Staat naar het operationele niveau te vertalen.
De weging van de verschillende functies werd aan de expertise van de Federale overheidsdienst Personeel en Organisatie onderworpen en opgenomen in de functiebeschrijvingen die werden uitgewerkt voor elk functieniveau : beschermingsassistent, inspecteur, commissaris. Deze beschrijvingen hebben de verschillende rollen voor elke functie geïnventariseerd en hebben het expertiseniveau, de complexiteit van het operationeel beheer en de vereiste verantwoordelijkheid duidelijk zichtbaar gemaakt; zij hebben tevens de algemene karakteristieken van deze functies gesystematiseerd. Bij wijze van voorbeeld : het permanent ter beschikking staan van de dienst, de verplichting tot geheimhouding, de blootstelling aan risico's.
Deze beschrijvingen verantwoorden overigens het niveau van de voorgestelde weddenschalen.
Dit ontwerp brengt een vernieuwing in de loopbaan van het personeel van de buitendiensten door het creëren van de functie van beschermingsassistent, die deel uitmaakt van het niveau C, noodzakelijk voor het uitvoeren van de beschermingsopdrachten die aan de Veiligheid van de Staat worden toegewezen door de organieke
wet van 30 november 1998Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
30/11/1998
pub.
18/12/1998
numac
1998007272
bron
ministerie van landsverdediging
Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst
type
wet
prom.
30/11/1998
pub.
02/02/1999
numac
1998003675
bron
ministerie van financien
Wet houdende elfde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 1998, Sectie 12, Ministerie van Justitie
sluiten - de ambtenaren die voor deze opdrachten werden aangewezen mogen niet worden aangewend voor andere taken (artikel 22 van de wet) - en die steeds talrijker worden gezien de ontwikkeling van de internationale en Europese rol van Brussel.
Drie niveaus beantwoorden aan de noden van de dienst : -niveau C, beschermingsassistent : uitvoeren, onder toezicht van beschermings -en aanverwante opdrachten; - niveau B, inspecteur : pijler van de expertise op het vlak van een specifiek domein en van de techniek; - niveau A, commissaris : pijler van het operationeel beheer met een stijgende complexiteit.
Elkeen van deze drie loopbanen wordt geconcretiseerd in een eigen traject.
In het loopbaantraject worden de overgangen naar steeds complexere opdrachten gesystematiseerd. Deze opdrachten vereisen diepgaandere bekwaamheden en komen overeen met hogere weddenschalen of met hogere graden. Een financiële valorisatie van deze overgangen bekrachtigt het belang van de evolutie in de sleutelopdrachten en moedigt het personeel aan.
De evolutie in de loopbaan gebeurt horizontaal en verticaal : - horizontaal : overgang naar hogere weddenschalen door middel van tests of door het cumuleren van een welbepaald aantal (drie of twee, naargelang van het geval) waardemetingen; - verticaal : klassieke vooruitgang in de weddenschalen door anciënniteit en door het slagen in baremieke vormingen; - de trajecten werden zodanig ontworpen zodat op elk moment een perspectief op vooruitgang of heroriëntering wordt gegeven.
De drijfkrachten achter de evolutie binnen de loopbaantrajecten zijn : - de vooruitgang van de expertise op het vlak de competentiedomeinen en de onderzoekstechnieken eigen aan een inlichtingen - en veiligheidsdienst via vorming en periodieke validatie (volgens verscheidene modaliteiten : controles of waardemetingen van de gevolgde vormingen); - de vooruitgang op het vlak van operationeel beheer : test tot toegang tot hogere rangen zijnde de bevordering tot de graden afdelingsinspecteur, commissaris, afdelingscommissaris.
Concreet worden de overgangen naar steeds complexere niveaus van opdrachten en competenties in de functies gevalideerd op de volgende wijze : - meting van verworvenheden : nagaan van de verworven competenties, de kennis en de technische geschiktheid, de bekwaamheid om deze toe te passen in de uitoefening van de functie, op het einde van een verplicht leertraject gedurende de eerste jaren van de loopbaan en meer speciaal op het einde van de stageperiode; - potentieeltest : een grondigere meting van de competenties, kennis en technische bekwaamheden en evaluatie van de beroepspraktijk voor de overgang van B2 naar B3 en van A2 naar A3; - waardemeting : meting, te vergelijken met een competentiemeting in de federale overheidsdiensten, die toelaat een evaluatie te maken van de competenties die belangrijk zijn voor de uitoefening van de functie en die verworven werden tijdens een specifieke vorming die verband houdt met de doelstellingen van de dienst. Het gaat hier om de baremieke vormingen toepasselijk op de weddenschalen B3 en A3 alsook op de weddenschalen B4, B5 en A4; - bekwaamheidsproef : meting, voor het betreffende niveau, van de bekwaamheid om operationele expertise en beheer te integreren (overgang op een kruispunt van expertise naar een leidinggevende functie); - vergelijkende selectie voor de overgang naar niveau B en A; - uitwerking van een opdrachtbrief voor de A5's met mandaat, verantwoordelijk voor een bijzondere eenheid; - selectie ad hoc voor de toegang tot de graad van commissaris-generaal.
Titel IV tekent de krachtlijnen uit voor de vormingstrajecten en de organisatie van de vorming, die zullen worden uitgevoerd door een ministerieel besluit (artikel 140) : - oprichten van een dienst vorming en ontwikkeling; - organiseren van de vorming in twee grote luiken zijnde de basisvorming en de veelvormige voortgezette vorming; - instellen van een wetenschappelijke raad en van een operationele raad, die de beleidslijnen inzake de vorming bepalen in overeenstemming met de richtlijnen van de directie-generaal, die de toepasselijkheid nagaan en de baremieke vormingen certificeren; - instellen van een mechanisme van vrijstelling voor vorming die de specifieke noden van de vorming verzoent met de onregelmatige werktijdregeling.
Rekening houdende met de impact van de verantwoordelijkheden, de psychologische en sociale lasten van de functies, wordt er bij titel V in de Veiligheid van de Staat een psychologisch en sociaal begeleidingsteam opgericht, samengesteld uit psychologen.
Dit team biedt alle garanties tot discretie : het akkoord van de betrokken ambtenaar, beroepsgeheim, tussenkomst buiten elk personeelsdossier om en in anonimiteit, geen communicatie met de hiërarchie over de inhoud van de gesprekken behalve in geval van schriftelijke toestemming van het betrokken personeelslid.
Het doel van het team is het welzijn van de personeelsleden te verzekeren en hen in staat te stellen om op optimale wijze te functioneren in zogenaamde zware omstandigheden (bijvoorbeeld : behandeling van menselijke bronnen, beschermingsopdrachten).
Zijn toepassingsveld ligt in de kritieke incidenten gedurende of volgend op het uitvoeren van een opdracht of bij een crisissituatie; de ondersteuning van de ambtenaar bij een emotioneel zware opdracht of bijzonder stresserende verantwoordelijkheden; de tussenkomst bij de leden van het personeel met zware problemen in hun privé-leven die een weerslag hebben op hun beroepsleven.
Titel VI voert een specifiek evaluatiesysteem in dat zijn inspiratie vindt in het evaluatiesysteem dat van toepassing is op de federale ambtenaren terwijl het ook eenvoudiger wordt (hoofdstuk I); een bijzonder stelsel wordt voorzien voor de commissarissen bekleed met een mandaat (hoofdstuk II) dat gewettigd wordt door de aard van de toegewezen opdracht en de vertrouwensrelatie met de instelling die deze opdracht meebrengt.
Titel VII is gewijd aan de administratieve standen : in vergelijking met het vorig statuut, vult hij een leemte op door het voorzien van de schorsing in het belang van de dienst en een mogelijkheid van hoger beroep tegen deze maatregel (hoofdstuk VI, dat de bepalingen overneemt van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende de schorsing in het belang van de dienst); hoofdstuk V bevestigt het principe van de toepassing, behalve uitdrukkelijke afwijking, van het
koninklijk besluit van 19 november 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
08/09/1999
numac
1999022158
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Koninklijk besluit tot vaststelling van de Belgische bijdrage voor 1998 aan het « Trustfonds voor de financiering van de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag »
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
22/06/1999
numac
1999022160
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Koninklijk besluit tot vaststelling van de Belgische bijdrage voor 1998 aan het « Trustfonds voor de financiering van de tenuitvoerlegging van het Protocol van Montréal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken »
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
14/02/2008
numac
2008000104
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
sluiten betreffende de verloven en afwezigheden toegekend aan de personeelsleden van de overheidsbesturen.
Ongeacht de dienstvrijstellingen die traditioneel worden toegekend, wordt de duur van het jaarlijks verlof vastgesteld op 32 dagen, waaraan vijf dagen worden toegevoegd als compensatie van de gepresteerde diensten tussen Kerstmis en Nieuwjaar, een periode gedurende dewelke de activiteiten van de operationele secties van een inlichtingendienst niet kunnen worden onderbroken, zelfs niet gevoelig worden verlaagd, zodat er geen dienstvrijstelling zal worden toegekend gedurende de deze dagen, in tegenstelling tot wat het geval is in de andere federale overheidsdiensten.
De inlichtingendiensten dienen per definitie elk feit of elke gebeurtenis die een mogelijke dreiging kunnen vormen voor de binnenlandse of de buitenlandse veiligheid van de Staat, te analyseren. De periodes rond Kerstmis en Nieuwjaar kunnen geen verslapping van de waakzaamheid rechtvaardigen, want deze periodes zijn doorgaans kritiek met betrekking tot de veiligheid.
Zoals op de meeste veiligheidsdiensten wordt op de Veiligheid van de Staat gedurende deze periodes nog meer een beroep gedaan.
Bovendien staat dat de bijkomende verlofdagen die worden toegekend in functie van de leeftijd van de ambtenaar (artikel 10 van het voornoemd
koninklijk besluit van 19 november 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
28/11/1998
numac
1998002123
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
08/09/1999
numac
1999022158
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Koninklijk besluit tot vaststelling van de Belgische bijdrage voor 1998 aan het « Trustfonds voor de financiering van de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag »
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
22/06/1999
numac
1999022160
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Koninklijk besluit tot vaststelling van de Belgische bijdrage voor 1998 aan het « Trustfonds voor de financiering van de tenuitvoerlegging van het Protocol van Montréal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken »
type
koninklijk besluit
prom.
19/11/1998
pub.
14/02/2008
numac
2008000104
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
sluiten) niet worden toegepast in de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat.
De overige afwijkingen bestaan uit de uitsluiting van het voordeel van de verloven van politieke aard of andere verloven die geacht worden weinig verenigbaar te zijn met de operationele behoeften (artikel 185), de vervanging van het vormingsverlof door de vrijstelling wegens vorming (geregeld in titel IV), de aanpassing van de regel van het verlof voor opdracht van algemeen nut (artikel 187); andere beperkingen zijn specifiek aan de afdelingscommissarissen en commissarissen die de leiding hebben van een territoriale of functionele eenheid (artikel 189), alsook aan de commissarissen bekleed met een mandaat (artikel 103).
Titel VIII bevat de nieuwe tuchtregeling, geïnspireerd door het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, die namelijk een paritaire kamer van beroep voorziet waarin de afgevaardigde van de representatieve vakbonden zetelen in de zin van de
wet van 17 maart 2004Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
17/03/2004
pub.
02/04/2004
numac
2004009247
bron
federale overheidsdienst justitie
Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van het personeel van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat
sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van het personeel van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat. Drie bijzonderheden zijn aan te stippen : de tuchtrechtelijke verplaatsing is weggelaten uit de schaal van de straffen, de overheid die het definitieve voorstel van sanctie formuleert is de tuchtraad emanatie van het directiecomité van de Veiligheid van de Staat, (artikel 204, in verband gebracht met artikel 1, lid 2, 5°), en de tuchtregeling die niet van toepassing is op de stagiairs (artikel 38).
Dit systeem betekent een aanzienlijke verbetering in vergelijking met het huidig systeem : verdediging wordt beter gegarandeerd, raad van beroep wordt voorgezeten door een magistraat, uitwissing van de straffen.
De raad van beroep neemt eveneens kennis van de beroepen tegen de voorstellen tot afdanking voor beroepsonbekwaamheid of zware fout van de stagiairs, tegen de schorsing in het belang van de dienst en tegen een evaluatie onvoldoende' (artikel 210).
Er dient te worden opgemerkt dat de beslissing die een einde maakt aan het mandaat voorzien in artikel 108 geen tuchtstraf is maar een maatregel eigen aan het stelsel van het mandaat dat van nature herroepbaar is. Daaruit volgt dat deze beslissing aan geen enkele controle kan worden onderworpen dan door het eenvoudig beroep bij de administratieve rechter.
Het einde van het mandaat is een gevolg van een disciplinaire procedure.
Titel IX gaat over de definitieve ambtsneerlegging.
Titel X roept een legitimatiebewijs in 't leven voor alle personeelsleden van het bestuur Veiligheid van de Staat van de niveaus A, B en C; het vervangt de medaille van de ambtenaren van de buitendiensten. Dit legitimatiebewijs zal bestaan uit een kaart, zoals ze reeds bestaat voor de beschermingsofficieren (
ministerieel besluit van 5 februari 1999Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
30/11/1998
pub.
18/12/1998
numac
1998007272
bron
ministerie van landsverdediging
Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst
type
wet
prom.
30/11/1998
pub.
02/02/1999
numac
1998003675
bron
ministerie van financien
Wet houdende elfde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 1998, Sectie 12, Ministerie van Justitie
sluiten7 tot vaststelling van het model van het legitimatiebewijs dat de hoedanigheid aantoont van beschermingsofficier van de ambtenaren van de Veiligheid van de Staat geaffecteerd aan de opdrachten van persoonsbescherming) en voor de ambtenaren belast met het uitvoeren van de veiligheidsonderzoeken bedoeld in artikel 18 van de
wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
11/12/1998
pub.
28/12/2023
numac
2023047806
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen (ministerieel besluit van 12 mei 2000 tot vastlegging van het model van legitimatiebewijs van de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat belast met het uitvoeren van de veiligheidsonderzoeken).
Het tweede deel van het besluit bevat de regels van het geldelijk statuut.
Titel I, betreffende de bezoldiging, bevat de specifieke weddenschalen die een passende beloning beogen van de expertise, de verantwoordelijkheden en de kenmerken van de verschillende functies (hoofdstuk I), de waarderingstoelagen die toegekend worden voor de geslaagde vormingen in het kader van de baremieke vorming (hoofdstuk II), de functietoelagen toegekend aan de afdelingscommissarissen bekleed met het mandaat van verantwoordelijke van een bijzondere eenheid en aan de commissaris - generaal bekleed met het mandaat van directeur van de operaties (hoofdstuk III), alsook de wachttoelagen en deze voor het uitoefenen van een hoger ambt (hoofdstukken IV en V).
Titel II behoudt de huidige regeling van toelagen, vergoedingen en premies, die ofwel gemeenschappelijk zijn aan het geheel van de ambtenaren van de federale openbare diensten, ofwel eigen aan de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat (toelagen voor dienstprestaties uitgevoerd tijdens het weekend, een feestdag of tijdens de nacht, de forfaitaire maandelijkse telefoonvergoeding en dagvergoeding), zonder het bedrag of de wijze van berekening ervan te wijzigen.
Meerbepaald, blijven de nacht- en weekendtoelagen verbonden aan de wedden van november 1993 (artikelen 243 en 246), omdat de verbinding aan de nieuwe wedden een budgettaire meerkost zou hebben meegebracht die de middelen, die voor deze hervorming werden uitgetrokken, zou overstijgen. De definitie van nachtdienst in artikel 245 heeft als enig doel de voorwaarden tot toekenning van de bijhorende toelage te bepalen, zonder afbreuk te doen aan de definitie die werd gegeven door de
wet van 14 december 2000Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
14/12/2000
pub.
05/01/2001
numac
2000002134
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Wet tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in openbare sector
sluiten tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector.
Het derde deel bevat de overgangs-maatregelen.
Elke ambtenaar wordt ingevoegd in een nieuwe weddenschaal B of A. De invoeging werd gedaan op basis van objectieve regels die rekening houden met de graden en dienstanciënniteit van het personeel dat nu in functie is, gegroepeerd in relevante categorieën, alsook met de valorisatie van de diensten en de verworven ervaring.
Deze regels werden aangepast wegens het bestaan van structurele elementen die gebundeld en zonder correctie, de goede werking van de dienst zouden aantasten, zijnde de bijzondere situatie van het kader(breuk in de hiërarchische keten) en de leeftijdspiramide (een vertrek van een enorm aantal ambtenaren binnen de vijf jaar).
Deze situatie maakte afwijkende regels op het loopbaantraject noodzakelijk meerbepaald wat betreft de overgang van weddenschalen en de evolutie binnen de weddenschalen : - overgang van B2 naar B3 en van A1 naar A3 zonder potentieeltest; - waardemetingen : afwijking van de voorziene tijdsduur onder normaal regime; - inspecteur-stagiairs : op het moment van de inwerkingtreding, overgang van B1 naar B2 zonder meting van verworvenheden; - weddenschalen A5bis en A6bis toegekend aan de A5 en A6 ten einde, in vergelijking met de andere personeelscategoriën, de procentuele verhoging in weddenschaal te behouden; - openstellen van de eerste bekwaamheidsproef die georganiseerd wordt na de inwerkingtreding van het koninklijk besluit aan de titularissen van de weddenschaal A3 zonder andere voorwaarden (artikel 259, § 1).
Wat de huidige directeur der operaties betreft, hij wordt benoemd tot commissaris - generaal (artikel 260, lid 1) en behoudt zijn mandaat tot aan de eerste selectie georganiseerd in het tweede semester van 2008 (artikel 261); deze eerste selectie zal daarenboven open staan voor de commissarissen A4 en A5 zonder de voorwaarde van anciënniteit van vijf jaar in de schaal A5 (artikel 260, lid3).
De artikelen 274 en 275 tenslotte regelen bijzondere vraagstukken betreffende de toepassing van het geldelijk statuut van de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat.
Artikel 274 betreft de « leeftijdsklassen » : de bepaling volgens dewelke de ambtenaren de effectieve diensten die normaliter toelaatbaar zouden zijn voor de toekenning van tussentijdse verhogingen niet konden valoriseren, omdat ze gepresteerd werden op een leeftijd die lager lag dan vereist om benoemd te worden in hun huidige functie, die opgeheven werd in het geldelijk statuut van het personeel van de ministeries (artikel 7 van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 gewijzigd door artikel 78 van het koninklijk besluit van 14 september 1994), was gehandhaafd geweest wegens budgettaire redenen in de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat; ze blijft bestaan voor de ambtenaren in dienst, maar verdwijnt voor diegenen die aangeworven zullen worden na 1 januari 2007.
Artikel 275 betreft de classificatie van de toelaatbare diensten voor de berekening van de geldelijke anciënniteit in diensten behorende tot de groep A, die overeenkomt met de huidige niveaus B, C en D, of met de groep B, die overeenkomt met niveau A (artikel 6 van voornoemd koninklijk besluit) : de titularissen van een schaal behorend bij groep B genieten van een geldelijke anciënniteit gelijk aan de som van het geheel der diensten toelaatbaar in de groep B, zogenaamd « gelijkwaardige diensten », en van twee derden van de toelaatbare diensten voorheen verworven in de groep A, zogenaamd « lagere diensten » (artikel 25 van voornoemd koninklijk besluit). Artikel 275 beoogt geleidelijk de gevolgen van een verschillend rekeninghouden met de gelijkwaardige en lagere diensten te doen verdwijnen, gelijkaardige schikkingen worden getroffen ten gunste van de andere ambtenaren van het federale openbaar ambt.
Deel vier van dit besluit bevat de opheffing - en slotbepalingen; ze sluit meer bepaald de toepassing uit voor de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat van de wet van 26 maart 1968 die de aanwerving vergemakkelijkt in de overheidsdiensten van personen die diensten hebben verricht in de samenwerking met de ontwikkelingslanden, omdat de functies uitgeoefend door de leden van de buitendiensten bijzondere medische en fysieke bekwaamheden en bijzondere hoedanigheden vergen die niet verenigbaar zijn met stelsel van voorrang voorzien door die wet.
Wij hebben de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars, De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Binnenlandse Zaken, P. DEWAEL De Minister van Begroting en van Consumentenzaken, F. VAN DEN BOSSCHE De Minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, C. DUPONT De Minister van Leefmilieu en Pensioenen B. TOBBACK
13 DECEMBER 2006. - Koninklijk besluit houdende het statuut van de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op artikels 37 en 107, tweede lid, van de Grondwet;
Gelet op de wet van 26 maart 1968 waarbij de aanwerving in openbare dienst wordt vergemakkelijkt van personen die bij de technische coöperatie met de ontwikkelingslanden diensten hebben gepresteerd, inzonderheid op artikel 6;
Gelet op het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, houdende het statuut van het Rijkspersoneel, inzonderheid op de artikelen 2, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 augustus 1967, 4 februari 1971, 4 maart 1993, 26 september 1994 en 19 juli 2001, en 116;
Gelet op het koninklijk besluit van 29 april 1966 houdende het statuut van het personeel van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 27 november 1968, 26 april 1971, 22 december 1993, 18 juli 1997 en 22 augustus 1998;
Gelet op het
koninklijk besluit van 22 augustus 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
22/08/1998
pub.
27/08/1998
numac
1998009631
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit houdende het statuut van het personeel van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat
type
koninklijk besluit
prom.
22/08/1998
pub.
27/08/1998
numac
1998009632
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van de nadere regels inzake bevordering door verhoging in weddeschaal en van de weddeschalen verbonden aan de graden van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat
sluiten houdende het statuut van het personeel van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat, gewijzigd bij koninklijke besluiten van 19 februari 2003 en van 23 november 2006;
Gelet op het
koninklijk besluit van 22 augustus 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
22/08/1998
pub.
27/08/1998
numac
1998009631
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit houdende het statuut van het personeel van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat
type
koninklijk besluit
prom.
22/08/1998
pub.
27/08/1998
numac
1998009632
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van de nadere regels inzake bevordering door verhoging in weddeschaal en van de weddeschalen verbonden aan de graden van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat
sluiten tot vaststelling van de nadere regels inzake bevordering door verhoging in weddenschaal en van de weddenschalen verbonden aan de graden van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat;
Gelet op het
koninklijk besluit van 5 december 2006Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
30/11/1998
pub.
18/12/1998
numac
1998007272
bron
ministerie van landsverdediging
Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst
type
wet
prom.
30/11/1998
pub.
02/02/1999
numac
1998003675
bron
ministerie van financien
Wet houdende elfde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 1998, Sectie 12, Ministerie van Justitie
sluiten3 betreffende het algemeen bestuur en de ondersteuningscel van de Veiligheid van de Staat;
Gelet op het
ministerieel besluit van 23 juni 1997Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
30/11/1998
pub.
18/12/1998
numac
1998007272
bron
ministerie van landsverdediging
Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst
type
wet
prom.
30/11/1998
pub.
02/02/1999
numac
1998003675
bron
ministerie van financien
Wet houdende elfde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 1998, Sectie 12, Ministerie van Justitie
sluiten4 houdende toekenning van een toelage voor onregelmatige dienst aan de personeelsleden van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat;
Gelet op het
ministerieel besluit van 10 december 1998Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
30/11/1998
pub.
18/12/1998
numac
1998007272
bron
ministerie van landsverdediging
Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst
type
wet
prom.
30/11/1998
pub.
02/02/1999
numac
1998003675
bron
ministerie van financien
Wet houdende elfde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 1998, Sectie 12, Ministerie van Justitie
sluiten5 tot vaststelling van de algemene beginselen inzake de stage van de ambtenaren aangeworven in de hoedanigheid van commissaris of inspecteur van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat;
Gelet op het
ministerieel besluit van 11 december 1998Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
30/11/1998
pub.
18/12/1998
numac
1998007272
bron
ministerie van landsverdediging
Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst
type
wet
prom.
30/11/1998
pub.
02/02/1999
numac
1998003675
bron
ministerie van financien
Wet houdende elfde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 1998, Sectie 12, Ministerie van Justitie
sluiten6 betreffende de vereisten inzake voortgezette opleiding voor de bevordering door verhoging in graad in de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat;
Gelet op het
ministerieel besluit van 23 december 1999Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
30/11/1998
pub.
18/12/1998
numac
1998007272
bron
ministerie van landsverdediging
Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst
type
wet
prom.
30/11/1998
pub.
02/02/1999
numac
1998003675
bron
ministerie van financien
Wet houdende elfde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 1998, Sectie 12, Ministerie van Justitie
sluiten8 betreffende de bekwaamheidsexamens voor de verhoging in weddenschaal in de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat;
Overwegende dat de door de leden van de buitendiensten uitgeoefende ambten die bijzondere medische en fysische eigenschappen noodzaken en speciale kwalificaties vereisen, die geverifieerd worden bij de aanwervingsproeven en bijgevolg onverenigbaar zijn met de integratiebepalingen van de personen bedoeld in de wet van 26 maart 1968 waarbij de aanwerving in openbare dienst wordt vergemakkelijkt van personen die bij de technische coöperatie met de ontwikkelingslanden diensten hebben gepresteerd;
Overwegende de aard van de opdrachten die bij wet worden toegewezen aan de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat, zijnde het inwinnen en analyseren van inlichtingen die betrekking heeft op zowel de binnenlandse als buitenlandse veiligheid van de Staat, het voortbestaan van de democratische orde en het vrijwaren van het wetenschappelijk en economisch potentieel van het land;
Overwegende dat hieruit volgt dat de uitoefening van deze opdrachten bijzondere werkwijzen noodzaakt die deze ambtenaren onderscheiden van de andere Rijksambtenaren en die er een bijzonder burgerlijk korps binnen de federale overheidsdienst van maken;
Overwegende dat de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat belast worden met beschermingsopdrachten van personen en dat hen hiervoor administratieve politiebevoegdheden werden toegekend gelijkaardig aan die van de politiediensten ten einde hen toe te laten over te gaan tot het gebruik van geweld wanneer het leven of de fysieke integriteit van de persoon wordt bedreigd;
Overwegende dat het bijgevolg van belang is over een efficiënte inlichtingen- en veiligheidsdienst te beschikken door een gepast evenwicht te bewerkstelligen tussen de noden van de Staat met betrekking tot de veiligheid en de rechten en vrijheden die een democratisch land kenmerken;
Overwegende dat de internationalisatie van de veiligheidsproblemen hoe langer hoe meer actueel is;
Overwegende dat bijgevolg de functies van ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat onbetwistbaar specifieke kenmerken vertonen en kwaliteiten vereisen die beantwoorden aan de eigen noodwendigheden van de operationele werking en expertise van een inlichtingen- en veiligheidsdienst, Overwegende dat het derhalve raadzaam is aan deze ambtenaren bijzondere graden toe te kennen, dat de uitoefening van de functies versterkte rechten, plichten en onverenigbaarheden impliceert in vergelijking met deze van de andere Rijksambtenaren, dat de selectie en opvolging van nieuwe ambtenaren een bijzonder nauwlettende omkadering vereisen;
Overwegende dat de loopbaantrajecten dienen te beantwoorden aan de vereisten van professionalisme en dienen te worden uitgewerkt door een geregelde en specifieke verificatie van de verworven kennis, de bekwaamheden, de operationele technieken en vaardigheden, evenals door de organisatie van een aangepaste vorming zowel naar inhoud als naar opvolgingsmodaliteiten;
Overwegende dat de impact van de psychische en sociale druk een permanente en gespecialiseerde psychologische omkadering vereist;
Overwegende dat het van belang is dat de operationele beheersfuncties worden toegekend door het mechanisme van de mandaten dat berust op de keuze van de ambtenaren omwille van hun ervaring terzake;
Overwegende dat het aangewezen is de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat een eigen statuut toe te kennen, rekeninghoudende met de veelvuldige afwijkingen die voor dit personeel zouden moeten worden voorzien van het statuut van de Rijksambtenaren voor wat betreft het grootste gedeelte van haar bepalingen en dat het efficiënter is, om voor het personeelsbeheer, over een volledig en samenhangend regelgevend middel te beschikken;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 6 september 2006;
Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Ambtenarenzaken, gegeven op 23 oktober 2006;
Gelet op de akkordbevinding van Onze Minister van Begroting, gegeven op 27 oktober 2006;
Gelet op het akkoord van het Ministerieel Comité voor Inlichting en Veiligheid, gegeven op 27 oktober 2006;
Gelet op het besluit van de Ministerraad van 27 oktober 2006;
Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 27 november 2006 bij toepassing van artikel 84, § 1, lid 1, 1°, van de gecoördineerde wetten betreffende de Raad van State;
Op voordracht van Onze Minister van Justitie en van Onze Minister van Binnenlandse Zaken evenals het advies van Onze Ministers die erover in de Ministerraad hebben beraadslaagd, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : EERSTE DEEL. - ADMINISTRATIEF STATUUT TITEL I. - Algemene bepalingen Artikel 1.Dit besluit is van toepassing op de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat; de artikelen 138 tot 144 en 226, zijn van toepassing op het voltallige personeel van de Veiligheid van de Staat.
In dit besluit wordt verstaan onder : 1° « ambtenaar » : ieder vast benoemd lid van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat;2° « lid van het personeel van de Veiligheid van de Staat » : ieder vast benoemd of contractueel personeelslid dat zijn functie uitoefent binnen de Veiligheid van de Staat;3° « directie-generaal » : de administrateur-generaal en de adjunct administrateur-generaal of, in geval van belet, de administrateur-generaal of de adjunct administrateur-generaal;4° « ondersteuningscel » : een college van deskundigen, ingesteld door het koninklijk besluit betreffende het algemeen bestuur en de ondersteuningscel van de Veiligheid van de Staat van 5 december 2006, die deelnemen aan het beslissingsproces van de directie-generaal voor de materies die verband houden met hun domein van expertise;5° « directiecomité » : college opgericht binnen de Veiligheid van de Staat, door het koninklijk besluit betreffende het algemeen bestuur en de ondersteuningscel van de Veiligheid van de Staat van 5 december 2006 bestaande uit de administrateur-generaal, de adjunct administrateur-generaal, de directeur van de analyse en de directeur van de operaties. Art. 2.Aan iedere ambtenaar van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat wordt de hoedanigheid van Rijksambtenaar toegekend. De ambtenaar van de buitendiensten bevindt zich in een rechtspositie die enkel in de gevallen voorzien in dit besluit kan beëindigd worden.
De reglementaire bepalingen die betrekking hebben op de ambtenaren van de federale overheidsdiensten zijn niet van toepassing op de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat, behoudens uitdrukkelijk anders vermeld in dit besluit. Art. 3.De hiërarchische structuur van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat bestaat uit drie niveaus : niveau A, dat het hogere niveau is, en de niveaus B en C. Het niveau wordt bepaald door de vorming en de bekwaamheden waarvan een bewijs moet worden geleverd om een betrekking te kunnen bekleden.
Elk niveau wordt onderverdeeld in graden; de graad is de titel die de ambtenaar machtigt tot het bekleden van een van de betrekkingen welke met die graad overeenstemt. Art. 4.Niveau A bevat drie graden die als volgt hiërarchisch gerangschikt zijn : 1° commissaris - generaal aan dewelke de weddenschaal A6 verbonden is;2° afdelingscommissaris aan dewelke de weddenschaal A5 verbonden is;3° commissaris aan dewelke de weddenschalen A1, A2, A3, A4a en A4b verbonden zijn. De weddenschalen bedoeld in het eerste lid worden hernomen in de bijlage Ia van dit besluit. Art. 5.Niveau B bevat twee graden die als volgt hiërarchisch gerangschikt zijn : 1° afdelingsinspecteur aan dewelke de weddenschalen B5 en B6 verbonden zijn;2° inspecteur aan dewelke de weddenschalen B1, B2, B3, B4a en B4b verbonden zijn. De weddenschalen bedoeld in het eerste lid worden hernomen in de bijlage Ib van dit besluit. Art. 6.Niveau C bevat de graad van beschermingsassistent aan dewelke de weddenschalen C1 en C2, zoals hernomen in de bijlage 1c van dit besluit, verbonden zijn. Art. 7.De Koning benoemt de graden van niveau A. De minister van Justitie benoemt de graden van de niveaus B en C. Art. 8.Voor de affectaties, mutaties, bevorderingen, worden de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat afgegrendeld van de Federale Overheidsdienst Justitie.
De afgrendeling voorzien in het eerste lid is niet van toepassing binnen de Veiligheid van de Staat inzake affectatie.
De afgrendeling voorzien in het eerste lid wordt opgeheven wanneer aan de ambtenaar een intrekking van de veiligheidsmachtiging of een weigering tot vernieuwing van een veiligheidsmachtiging wordt genotificeerd.
TITEL II. - Rechten en plichten Art. 9.§ 1. De ambtenaar oefent zijn ambt op loyale, zorgvuldige en integere wijze uit onder het gezag van zijn hiërarchische meerderen.
Daartoe dient hij : 1° de van kracht zijnde wetten en reglementen alsmede de richtlijnen, waaronder de nadere gedragsregels inzake deontologie van de Veiligheid van de Staat na te leven;2° nauwgezet en correct zijn adviezen te formuleren en zijn verslagen op te stellen;3° de beslissingen, zorgvuldig en plichtsbewust uit te voeren. § 2. Een manifest onwettig bevel mag echter niet worden uitgevoerd. De ambtenaar brengt de opdrachtgever onmiddellijk op de hoogte dat hij die opdracht niet kan uitvoeren.
Op vraag van de ambtenaar moet de opdrachtgever dergelijk bevel schriftelijk bevestigen. § 3. De ambtenaar heeft het recht om met waardigheid en hoffelijkheid te worden behandeld, zowel door zijn hiërarchische meerderen en zijn collega's als door zijn ondergeschikten. Hij dient elk verbaal of niet-verbaal gedrag dat deze waardigheid in het gedrang zou kunnen brengen te vermijden. Art. 10.§ 1. De ambtenaar behandelt de gebruikers van zijn dienst welwillend, onpartijdig en zonder enige discriminatie. § 2. Buiten de uitoefening van zijn ambt vermijdt de ambtenaar elke handelswijze die het vertrouwen van het publiek in zijn dienst kan aantasten.
Zelfs buiten zijn ambt doch ter oorzaken ervan, mag de ambtenaar rechtstreeks of bij tussenpersoon, geen giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen. Art. 11.Elke ambtenaar heeft het recht zijn persoonlijk dossier te raadplegen en er een kopie van te nemen. Art. 12.De ambtenaar heeft het recht op vrijheid van meningsuiting onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake het beroepsgeheim en de classificatie.
De ambtenaar onthoudt zich in alle omstandigheden in het openbaar uiting te geven aan zijn politieke overtuiging en zich in het openbaar in te laten met politieke activiteiten.
Het is hem bovendien verboden die feiten bekend te maken die betrekking hebben op 's lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten, het medisch geheim, de rechten en de vrijheden van de burger, en in het bijzonder op het recht op eerbied voor het privéleven; dit verbod geldt bovendien voor de elementen die betrekking hebben op de voorbereiding van alle beslissingen zolang er nog geen eindbeslissing is genomen.
De bepalingen van het eerste en derde lid gelden eveneens voor de ambtenaren die hun ambt hebben neergelegd. Art. 13.De ambtenaar is discreet over alles wat met de beroepsactiviteit te maken heeft, ook in zijn privéleven. Art. 14.§ 1. De ambtenaar heeft recht op informatie wat alle aspecten betreft die nuttig zijn voor zijn taakvervulling. Elke hiërarchische meerdere verzekert de informatiedoorstroming naar zijn ondergeschikten toe. § 2. De ambtenaar stelt zich permanent op de hoogte van de ontwikkeling van de technieken, reglementeringen en onderzoekingen in de materies waarmee hij beroepshalve belast is.
De ambtenaar heeft recht op vorming die nuttig is voor zijn functioneren in zijn dienst. Art. 15.De vorming is een recht en een plicht. Elke ambtenaar is verantwoordelijk voor zijn eigen vorming en dient bij te dragen tot de ontwikkeling van de vaardigheden en kennis van zijn collega's.
Het behoort tot de taken van elke hiërarchische meerdere om bij te dragen tot de ontwikkeling van de vaardigheden van zijn medewerkers. Art. 16.De ambtenaar kan binnen de buitendiensten aangewezen worden voor een andere betrekking die overeenstemt met zijn graad, volgens deze modaliteiten : 1° door een vrijwillige kandidaatstelling voor een aangekondigde vacante betrekking;2° bij beslissing van de directie-generaal, genomen in het belang van de dienst en gemotiveerd door organisatorische en operationele redenen.3° bij beslissing van de directie-generaal indien de aanvraag tot wijziging van affectatie gerechtvaardigd is door afdoende gemotiveerde sociale redenen of door medische redenen. In het geval bedoeld in het eerste lid, 1°, wordt de betrekking toegekend aan de ambtenaar die voldoet aan de voorwaarden voorgeschreven in de functiebeschrijving en die zich bevindt in de vereiste voorwaarden inzake evaluatie en administratieve stand.
In het geval bedoeld in het eerste lid, 1° worden de kandidaten, die voldoen aan de voorgeschreven voorwaarden in de functiebeschrijving en die zich bevinden in de vereiste evaluatievoorwaarden en de administratieve stand, als volgt gerangschikt : 1° de kandidaat met de meeste graadanciënniteit;2° bij gelijke graadanciënniteit, de kandidaat met de meeste dienstanciënniteit in de schoot van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat;3° bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste kandidaat; Art. 17.De Minister van Justitie bepaalt, op voorstel van de directie-generaal, de deontologische code van het personeel van de Veiligheid van de Staat.
Iedere ambtenaar ontvangt een kopie van de deontologische code en tekent voor ontvangst. Art. 18.Is onverenigbaar met de hoedanigheid van ambtenaar, welke ook zijn administratieve stand is : 1° iedere activiteit, bezigheid of mandaat, zelfs ten kostenloze titel, uitgeoefend door de ambtenaar zelf of via een tussenpersoon, in eender welke instelling, onderneming, vennootschap of vereniging, die kan aanleiding geven tot een belangenconflict met de activiteiten van de Veiligheid van de Staat;2° iedere activiteit die in strijd zou kunnen zijn met de waardigheid van de functie of die afbreuk zou kunnen doen aan de uitoefening van de plichten inherent aan de functie;3° een openbaar ambt, een openbare opdracht of een openbaar mandaat, evenals elke publieke politieke activiteit, betaald of niet. TITEL III. - Wijze van toekenning van de betrekkingen HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. 19.De graad van beschermingsassistent wordt toegekend via aanwerving.
De graden van inspecteur en van commissaris worden toegekend via aanwerving of via bevordering.
Wanneer op verschillende wijzen in een graad kan worden benoemd en geen enkel bepaling een welbepaalde wijze verplicht, kiest de Minister van Justitie, na advies van het directiecomité, de wijze van benoeming volgens welke iedere vacant geworden betrekking moet worden verleend. Art. 20.Men kan slechts aangeworven worden indien men geslaagd is voor een vergelijkende wervingselectie. HOOFDSTUK II. - Selectie, aanwerving en stage Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 21.De kandidaat voor de aanwerving als commissaris, inspecteur of beschermingsassistent, moet aan volgende voorwaarden voldoen : 1° Belg zijn en, in geval van meerdere nationaliteiten, vrijgesteld zijn van militaire of gelijkgestelde verplichtingen ten opzichte van derde landen;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking;4° aan de dienstplichtwetten voldaan hebben;5° op de dag dat de inschrijvingstermijn voor de vergelijkende selectie verstrijkt, ten minste 25 jaar zijn voor de betrekkingen van commissaris, en ten minste 21 jaar voor de betrekkingen van inspecteur en beschermingsassistent;6° houder zijn van een diploma, een studiegetuigschrift of van een titel die voorkomt in de bijlage aan het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, houdende het statuut van het Rijkspersoneel en dat toegang geeft in de Rijksbestuur tot de betrekkingen van niveau A voor wat betreft de betrekkingen van commissaris, tot de betrekkingen van niveau B voor wat betreft de betrekkingen van inspecteur en tot de betrekkingen van niveau C voor wat betreft de betrekkingen van beschermingsassistent. Afdeling 2. - De vergelijkende wervingsselecties
Art. 22.Een vergelijkende wervingsselectie is de selectie die door SELOR - het Selectiebureau van de Federale Overheid georganiseerd wordt op vraag van de administrateur-generaal en op basis van een functiebeschrijving en een competentieprofiel. Deze selectie leidt tot een rangschikking van geslaagden.
Evenwel kan de Veiligheid van de Staat onder toezicht van SELOR, het geheel of een deel van de vergelijkende selecties organiseren. In dit geval worden de modaliteiten van de delegatie vastgelegd in een protocol.
Voor de aanwerving moet de minister of zijn gemachtigde de rangschikking respecteren. Art. 23.De afgevaardigd bestuurder van SELOR - het Selectiebureau van de Federale Overheid, maakt de organisatie van vergelijkende wervingsselecties bekend door ten minste een bericht in het Belgisch Staatsblad.
Het bericht vermeldt ten minste de uiterste datum waarop men zich kandidaat kan stellen, en of er al dan niet een reserve van de geslaagden wordt aangelegd.
De kandidaten beschikken over ten minste vijftien kalenderdagen om zich kandidaat te stellen. Art. 24.De directie-generaal stelt in samenspraak met de afgevaardigd bestuurder van SELOR - het Selectiebureau van de Federale Overheid, het reglement van inwendige orde aangaande de organisatie van de vergelijkende wervingsselectie op en bepaalt eveneens het programma op basis van de functiebeschrijving en van het competentieprofiel. Het programma voorziet noodzakelijkerwijs in psy …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.