Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het

Kort samengevat

Dit decreet regelt diverse aspecten van het secundair onderwijs en wijzigt een eerder decreet over het basisonderwijs. Het introduceert nieuwe definities, structureert het onderwijsaanbod in studiegebieden en voorziet in de omzetting van bestaande naar nieuwe benamingen van structuuronderdelen.

Wat het regelt

  • Definities van termen zoals "afstand", "algemeen vormende component", "basisoptie", "beroepenveld", "beroepsgerichte component", "opleiding", "scholengemeenschap" en "structuuronderdeel".
  • De indeling van het secundair onderwijs (met uitzondering van de eerste graad) in studiegebieden.
  • De aanwijzing van specifieke en niet-relevante structuuronderdelen door de Vlaamse regering.
  • De omzetting van bestaande naar nieuwe benamingen van structuuronderdelen met specifieke ingangsdata.

Wie het aanbelangt

  • Instellingen voor voltijds gewoon secundair onderwijs.
  • Instellingen voor buitengewoon secundair onderwijs (opleidingsvorm 3 en 4).
  • Instellingen voor deeltijds beroepssecundair onderwijs.

Kernpunten

  • De Vlaamse regering rangschikt elk op 1 oktober 1997 organiseerbaar structuuronderdeel in één van de vastgestelde studiegebieden.
  • De omzetting van structuuronderdelen naar nieuwe benamingen vindt gefaseerd plaats tussen 1 september 1999 en 1 september 2004.
  • De Vlaamse regering kan nieuwe structuuronderdelen vastleggen, afhankelijk van technologische evoluties en/of arbeidsmarktbehoeften.
  • Beroepssecundair onderwijs en opleidingsvorm 3 en 4 van het buitengewoon secundair onderwijs kunnen volgens een modulair stelsel worden georganiseerd.
Wettekst
Wettekst
Obsah (4)§ 3§ 1§ 2§ 7b

14 JULI 1998. - Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25

artikel 5, § 1, gehandhaafd en vervallen in elk geval de benamingen van de structuuronderdelen,

artikel 5, §

  1. §
  2. De bepalingen van § 1 zijn van toepassing op : 1° de basisopties en de beroepenvelden : op 1 september 1999;2° de opties van het eerste leerjaar van de tweede graad : op 1 september 2000;3° de opties van het tweede leerjaar van de tweede graad : op 1 september 2001;4° het derde leerjaar van de tweede graad, georganiseerd als een vervolmakingsjaar, en de opties van het eerste leerjaar van de derde graad : op 1 september 2002;5° de opties van het tweede leerjaar van de derde graad : op 1 september 2003;6° het derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs of als een specialisatiejaar, en de opties van de leerjaren van de vierde graad : op 1 september
  3. §
  4. Na de voltooiing van de omzetting,

de §§ 1 en 2, blijven als studiegebieden over, waarin structuuronderdelen worden gegroepeerd : algemeen secundair onderwijs sport auto bouw chemie decoratieve technieken fotografie glastechnieken grafische technieken handel hout juwelen kleding koeling en warmte land- en tuinbouw lichaamsverzorging maritieme opleidingen mechanica-elektriciteit muziekinstrumentenbouw optiek orthopedische technieken personenzorg tandtechnieken textiel toerisme voeding ballet beeldende kunsten podiumkunsten. Art. 7.§ 1. De Vlaamse regering kan, afhankelijk van technologische evoluties en/of arbeidsmarktbehoeften, nieuwe structuuronderdelen vastleggen. Ze geeft aan of deze nieuwe structuuronderdelen al dan niet als specifiek moeten worden beschouwd en rangschikt ze in één van de studiegebieden genoemd in artikel 6, § 3, behalve wat de eerste graad betreft. Voor uitzonderlijke gevallen kan de Vlaamse regering bepalen dat tijdens het eerste schooljaar waarin een nieuw specifiek structuuronderdeel wordt georganiseerd, de tellingsdatum,

artikel 3, § 8, 1°, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, toegevoegd bij het decreet van 31 juli 1990 en gewijzigd bij de decreten van 9 april 1992 en 25 juni 1992, wordt vastgesteld op 1 oktober van het betrokken schooljaar voor de vaststelling van de omkaderingsnormen voor de diverse personeelscategorieën enerzijds en de bepaling van de werkingsmiddelen anderzijds. §

  1. Voor de toepassing van § 1 worden de volgende structuuronderdelen bedoeld : 1° basisopties;2° beroepenvelden;3° opties van de tweede of derde graad van een bepaalde onderwijsvorm;4° het derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar. Art. 8.§
  2. Volgens een modulair stelsel kunnen worden georganiseerd : 1° het beroepssecundair onderwijs van het voltijds gewoon secundair onderwijs;2° het beroepssecundair onderwijs van de opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs;3° de opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs;4° het deeltijds beroepssecundair onderwijs. §
  3. De Vlaamse regering bepaalt de opleidingsstructuur en de studiebekrachtiging van het onderwijs georganiseerd met toepassing van §
  4. In het beroepssecundair onderwijs van het voltijds gewoon secundair onderwijs en de opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs dient in elk geval, gespreid over de tijd, de basisvorming afgewerkt te worden

artikel 55, §§ 3, 6 en 7, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II. TITEL IV. - Programmaties HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling Art. 9.De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op het voltijds gewoon secundair onderwijs. De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op de instellingen van het gemeenschapsonderwijs die in Duitsland gelegen zijn. HOOFDSTUK II. - Bepalingen van toepassing voor het schooljaar 1998-1999 Afdeling

  1. - Programmatie van instellingen Art. 10.§
  2. Door de Vlaamse Gemeenschap kan geen enkele nieuwe instelling worden gefinancierd of gesubsidieerd. §
  3. In afwijking van § 1 kan door de Vlaamse Gemeenschap een nieuwe instelling, ontstaan door middel van splitsing van een bestaande instelling, worden gefinancierd of gesubsidieerd, indien aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° de splitsing maakt deel uit van een gelijktijdige herstructurering van instellingen die niet resulteert in een groter aantal instellingen;2° alle bij de splitsing betrokken instellingen bereiken na de splitsing 100 % van de toepasbare rationalisatienorm,

:

  1. a)hetzij artikel 49, 1°;
  2. b)hetzij artikel 49, 2° : voor de instellingen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de instellingen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven;3° de splitsing neemt één van de volgende vormen aan :
  3. a)hetzij een afsplitsing van de eerste graad.Bij dergelijke afsplitsing mag de eerste graad, eventueel met dezelfde structuuronderdelen, in de oorspronkelijke instelling gehandhaafd blijven; voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende structuuronderdelen bedoeld : het eerste leerjaar A, het eerste leerjaar B, de basisopties en de beroepenvelden :
  4. b)hetzij een afsplitsing van één of meer studiegebieden;
  5. c)hetzij een combinatie van beide voorgaande vormen;4° een autonome instelling bestaande uit de eerste graad of de eerste en de tweede graad, die ingevolge splitsing ontstaat, moet ten minste de volgende structuuronderdelen organiseren : een eerste leerjaar A, een eerste leerjaar B, een tweede leerjaar van de eerste graad en een beroepsvoorbereidend leerjaar. Afdeling 2. - Programmatie van structuuronderdelen Onderafdeling A. - Algemene bepaling Art. 11.Een financiering of subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap met toepassing van de bepalingen van deze afdeling is afhankelijk van de voorwaarde dat het door de instelling tijdens het betrokken schooljaar georganiseerd aantal plage-uren, respectievelijk niet gefinancierde of gesubsidieerde wekelijkse uren-leraar, niet hoger ligt dan het aantal plage-uren, respectievelijk niet gefinancierde of gesubsidieerde wekelijkse uren-leraar van het voorafgaand schooljaar, tenzij er een akkoord bestaat in het lokaal comité. Onderafdeling B. - Programmatie van structuuronderdelen - eerste graad Art. 12.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet ingericht(
  6. e)eerste leerjaar A of B, niet-specifieke basisoptie of niet-specifiek beroepenveld worden gefinancierd of gesubsidieerd. § 2. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerde specifieke basisoptie worden gefinancierd of gesubsidieerd, op voorwaarde dat in dezelfde instelling of in een andere instelling van dezelfde scholengemeenschap in de tweede graad ten minste één aansluitend studiegebied op voormelde datum wordt georganiseerd. De Vlaamse regering bepaalt voor elke specifieke basisoptie het (
  7. de)aansluitend(
  8. e)studiegebied(en). § 3. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd specifiek beroepenveld worden gefinancierd of gesubsidieerd, op voorwaarde dat in dezelfde instelling of in een andere instelling van dezelfde scholengemeenschap in de tweede graad ten minste één aansluitend studiegebied op voormelde datum wordt georganiseerd. De Vlaamse regering bepaalt voor elk specifiek beroepenveld het(
  9. de)aansluitend(
  10. e)studiegebied(en). Onderafdeling C. - Programmatie van structuuronderdelen - tweede en derde graad Art. 13.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerde optie in het eerste leerjaar van de tweede of derde graad worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° de optie is niet-specifiek;2° de optie is gerangschikt in een studiegebied dat op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar in de instelling werd georganiseerd met ten minste één niet-specifieke optie in het eerste en/of tweede leerjaar van de betrokken graad;3° in het betrokken studiegebied zijn op 1 februari van het voorafgaand schooljaar ten minste het volgend aantal regelmatige leerlingen ingeschreven :
  11. a)indien het studiegebied in de tweede en in de derde graad wordt georganiseerd;1. voor de studiegebieden algemeen secundair onderwijs, handel, personenzorg, ballet, beeldende kunsten en podiumkunsten : 150;2. voor alle andere studiegebieden : 100;
  12. b)indien het studiegebied enkel in de tweede of in de derde graad wordt georganiseerd : 1.voor de studiegebieden algemeen secundair onderwijs, handel, personenzorg, ballet, beeldende kunsten en podiumkunsten : 75; 2. voor alle andere studiegebieden : 50. Bij de toepassing van de gestelde minimale leerlingennorm worden de leerlingen van de derde leerjaren van de tweede en derde graad en van de leerjaren van de vierde graad, niet in aanmerking genomen. § 2. In afwijking van § 1, 3°, geldt voor de volgende instellingen die het betrokken studiegebied in de betrokken graad of graden organiseren, geen minimale leerlingennorm : 1° de enige instelling van het gemeenschapsonderwijs in de gemeente;2° de enige instelling van het gesubsidieerd officieel onderwijs in de gemeente;3° de enige instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs in de gemeente die een bepaalde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt;4° een instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs :
  13. a)die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert, en
  14. b)waarvoor de inrichtende macht uitsluitend eigen leerplannen hanteert die door de Vlaamse regering zijn goedgekeurd. Bij de toepassing van 3° worden de instellingen ressorterend onder 4° buiten beschouwing gelaten. Indien een inrichtende macht in een gemeente meer dan één instelling organiseert, dan kunnen desbetreffende instellingen nooit onder toepassing van 4° vallen. Art. 14.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober 1997 niet georganiseerde optie in het eerste leerjaar van de tweede graad, die is gerangschikt in een op dezelfde datum niet georganiseerd studiegebied,worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° de optie is niet-specifiek;2° de optie werd in het eerste leerjaar van de tweede graad in de instelling georganiseerd op 1 oktober 1995 en/of 1 oktober 1996;3° binnen de gemeente en het onderwijsnet is de instelling de enige die de optie in de tweede graad organiseert. Art. 15.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober 1997 niet georganiseerde optie in het eerste leerjaar van de derde graad, die is gerangschikt in een op dezelfde datum niet georganiseerd studiegebied, worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° de optie is niet-specifiek;2° de optie werd in het eerste leerjaar van de derde graad in de instelling georganiseerd op 1 oktober 1995 en/of 1 oktober 1996;3° binnen de gemeente en het onderwijsnet is de instelling de enige die de optie in de derde graad organiseert. Onderafdeling D. - Programmatie van structuuronderdelen - derde leerjaren van de derde graad Art. 16.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar, worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° het specialisatiejaar is niet-specifiek;2° het specialisatiejaar is gerangschikt in een studiegebied dat op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar in de instelling werd georganiseerd met ten minste één niet-specifieke optie in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad;3° op 1 oktober van het schooljaar van oprichting zijn ten minste het volgend aantal regelmatige leerlingen ingeschreven :
  15. a)voorzover er geen ander specialisatiejaar van hetzelfde studiegebied wordt georganiseerd : 1.hetzij 12 leerlingen in het betrokken specialisatiejaar; 2. hetzij 8 leerlingen in het betrokken specialisatiejaar : voor instellingen, gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, voor instellingen, gelegen in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners per km2, en voor de enige instelling in de provincie en het onderwijswet die het betrokken specialisatiejaar organiseert;
  16. b)voorzover er één of meer andere specialisatiejaren van hetzelfde studiegebied worden georganiseerd : 1.hetzij 20 leerlingen in alle specialisatiejaren samen; 2. hetzij 15 leerlingen in alle specialisatiejaren samen : voor instellingen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, voor instellingen, gelegen in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners per km2 en voor de enige instelling in de provincie en het onderwijswet die het betrokken specialisatiejaar organiseert. § 2. Voor de toepassing van § 1 worden de derde leerjaren van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, georganiseerd als specialisatiejaren kinderzorg en thuis- en bejaardenzorg, niet in aanmerking genomen. Art. 17.Door de Vlaamse Gemeenschap kan het in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, georganiseerd als een specialisatiejaar kinderzorg en/of thuis- en bejaardenzorg, naar keuze van de inrichtende macht, worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar werd in de instelling de optie verzorging georganiseerd in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs;2° op 1 oktober van het schooljaar van oprichting zijn in het betrokken specialisatiejaar of wanneer ze beide worden georganiseerd, in de twee betrokken specialisatiejaren samen, ten minste het volgend aantal regelmatige leerlingen ingeschreven :
  17. a)hetzij 18 leerlingen;
  18. b)hetzij 12 leerlingen : uitsluitend voor het gemeenschapsonderwijs èn op voorwaarde dat in de provincie maximum twee instellingen van dit onderwijswet één specialisatiejaar of de beide specialisatiejaren organiseren;
  19. c)hetzij 8 leerlingen : voor instellingen, gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, en voor instellingen, gelegen in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners per km2. Art. 18.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, niet georganiseerd als een specialisatiejaar, worden gefinancierd of gesubsidieerd op voorwaarde dat op 1 oktober van het schooljaar van oprichting ten minste het volgend aantal regelmatige leerlingen zijn ingeschreven : 1° hetzij 12 leerlingen;2° hetzij 8 leerlingen : voor instellingen, gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, voor instellingen, gelegen in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners per km2, en voor de enige instelling in de provincie en het onderwijsnet die het betrokken jaar organiseert. Onderafdeling E. - Programmatie van structuuronderdelen - vierde graad Art. 19.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerde optie in het eerste leerjaar van de vierde graad worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° het betreft de optie psychiatrische verpleegkunde respectievelijk ziekenhuisverpleegkunde;2° in de instelling werd op dezelfde datum de optie ziekenhuisverpleegkunde respectievelijk psychiatrische verpleegkunde georganiseerd. Onderafdeling F. - Programmatie van specifieke structuuronderdelen - tweede en derde graad Art. 20.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar in de betrokken instelling niet georganiseerde specifieke optie in het eerste leerjaar van de tweede of derde graad of specifiek derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar, worden gefinancierd of gesubsidieerd voor zover beantwoordend aan de bepalingen van een convenant dat : 1° is gesloten vóór 1 september 1998 tussen de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, de inrichtende machten van het onderwijs of representatieve verenigingen ervan en de partners uit een beroepssector, culturele of sportsector;2° uitdrukkelijk een beperking van het onderwijsaanbod vastlegt. Onderafdeling G. - Niet-programmeerbare structuuronderdelen Art. 21.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de tweede graad, georganiseerd als een vervolmakingsjaar, niet worden gefinancierd of gesubsidieerd. Art. 22.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs, niet worden gefinancierd of gesubsidieerd. Art. 23.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd structuuronderdeel dat onder toepassing valt van artikel 5, § 2, niet worden gefinancierd of gesubsidieerd. Voor een optie van de tweede of derde graad heeft het "niet georganiseerd zijn" betrekking op het eerste leerjaar van de betrokken graad. § 2. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd structuuronderdeel niet worden gefinancierd of gesubsidieerd indien de Vlaamse regering daartoe beslist met het oog op de omzetting,

artikel

  1. Voor een optie van de tweede of derde graad heeft het "niet georganiseerd zijn" betrekking op het eerste leerjaar van de betrokken graad. §
  2. In afwijking van § 1 kan door de Vlaamse Gemeenschap een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd structuuronderdeel in het eerste leerjaar van de derde graad, dat uniek is in Vlaanderen en dat onder toepassing valt van artikel 5, § 2, worden gefinancierd of gesubsidieerd, voor zover op voornoemde datum hetzelfde structuuronderdeel in het tweede leerjaar van de tweede graad werd georganiseerd. HOOFDSTUK III. - Bepalingen van toepassing vanaf het schooljaar 1999-2000 op instellingen die tot een scholengemeenschap behoren Afdeling
  3. - Algemene bepaling Art. 24.De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op instellingen die tot een scholengemeenschap behoren. Afdeling
  4. - Programmatie van instellingen Art. 25.§
  5. Een instelling kan worden gefinancierd of gesubsidieerd indien 300 % van de toepasbare rationalisatienorm,

artikel 49, 1°, wordt bereikt. § 2. In afwijking van § 1 dient slechts 150 % van de toepasbare rationalisatienorm,

artikel 49, 1°, te worden bereikt voor : 1° de enige instelling van het gemeenschapsonderwijs in één der 45 onderwijszones die zijn vastgelegd in de bijlage gevoegd bij dit decreet;2° de enige instelling van het gesubsidieerd officieel onderwijs in één der bedoelde onderwijszones;3° de enige instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs in één der bedoelde onderwijszones die een bepaalde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt;4° een instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs :

  1. a)die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert, en
  2. b)waarvoor de inrichtende macht uitsluitend eigen leerplannen hanteert die door de Vlaamse regering zijn goedgekeurd. Bij de toepassing van 3° worden de instellingen ressorterend onder 4° buiten beschouwing gelaten. Indien een inrichtende macht in één der bedoelde onderwijszones meer dan één instelling organiseert, dan kunnen desbetreffende instellingen nooit onder toepassing van 4° vallen. § 3. Instellingen kunnen slechts door splitsing van bestaande instellingen ontstaan indien alle bij de splitsing betrokken instellingen na de splitsing 300 % bereiken van de toepasbare rationalisatienorm,

artikel 49, 1°. Indien echter door splitsing van bestaande instellingen nieuwe instellingen ontstaan in het kader van een gelijktijdige herstructurering die niet resulteert in een groter aantal instellingen, dan dienen alle bij deze splitsing betrokken instellingen na de splitsing slechts 100 % te bereiken van de toepasbare rationalisatienorm,

:

  1. a)hetzij artikel 49, 1°;
  2. b)hetzij artikel 49, 2° : voor de instellingen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de instellingen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven. § 4. De splitsing

§ 3

neemt één van de volgende vormen aan : 1° hetzij een afsplitsing van de eerste graad.Bij dergelijke afsplitsing mag de eerste graad, eventueel met dezelfde structuuronderdelen, in de oorspronkelijke instelling gehandhaafd blijven; voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende structuuronderdelen bedoeld : het eerste leerjaar A, het eerste leerjaar B, de basisopties en de beroepenvelden; 2° hetzij een afsplitsing van één of meer studiegebieden;3° hetzij een combinatie van beide voorgaande vormen. §

  1. Een autonome instelling bestaande uit de eerste graad of de eerste en de tweede graad, die al dan niet ingevolge splitsing ontstaat, moet de volgende structuuronderdelen organiseren : een eerste leerjaar A, een eerste leerjaar B, een tweede leerjaar van de eerste graad en een beroepsvoorbereidend leerjaar. §
  2. De programmatie van een instelling die ingevolge splitsing ontstaat kan slechts door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd worden als ze in overeenstemming is met de afspraken,

artikel 71, 1°. Afdeling 3. - Programmatie van structuuronderdelen Onderafdeling A. - Algemene bepaling Art. 26.De programmatie van een structuuronderdeel kan slechts door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd worden als ze in overeenstemming is met de afspraken,

artikel 71, 1°. Onderafdeling B. - Programmatie van specifieke structuuronderdelen - eerste graad Art. 27.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerde specifieke basisoptie worden gefinancierd of gesubsidieerd, op voorwaarde dat in dezelfde instelling of in een andere instelling van dezelfde scholengemeenschap in de tweede graad ten minste één aansluitend studiegebied op voormelde datum wordt georganiseerd. De Vlaamse regering bepaalt voor elke specifieke basisoptie het(

  1. de)aansluitend(
  2. e)studiegebied(en). § 2. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd specifiek beroepenveld worden gefinancierd of gesubsidieerd, op voorwaarde dat in dezelfde instelling of in een andere instelling van dezelfde scholengemeenschap in de tweede graad ten minste één aansluitend studiegebied op voormelde datum wordt georganiseerd. De Vlaamse regering bepaalt voor elk specifiek beroepenveld het(
  3. de)aansluitend(
  4. e)studiegebied(en). Onderafdeling C. - Programmatie van structuuronderdelen na gunstige beslissing van de Vlaamse regering Art. 28.§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 23 kan door de Vlaamse Gemeenschap een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar : 1° niet georganiseerde specifieke optie in het eerste leerjaar van de tweede of derde graad of niet georganiseerd specifiek derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar, vastgelegd door de Vlaamse regering met toepassing van artikel 5, § 1, of artikel 6, § 1;2° niet georganiseerd(
  5. e)basisoptie, beroepenveld, optie in het eerste leerjaar van de tweede of derde graad of niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar, nog niet vastgelegd door de Vlaamse regering met toepassing van artikel 5, § 1, of artikel 6, § 1;3° niet georganiseerd studiegebied, vermeld in artikel 6, § 3, worden gefinancierd of gesubsidieerd op voorwaarde dat de Vlaamse regering na gemotiveerde aanvraag van de betrokken inrichtende macht gunstig beslist. § 2. De Vlaamse regering neemt de beslissing,

§ 1

, op eensluidend advies van de Vlaamse onderwijsraad en van de bevoegde administratie en inspectie van het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Elk advies dient uit te gaan van de volgende criteria : 1° de behoeften;2° de eventuele samenwerking met het bedrijfsleven;3° de rationele spreiding;4° de mogelijkheden van de betrokken instelling op het vlak van infrastructuur, leermiddelen, goedgekeurde leerplannen en inzetbaarheid van het personeel;5° de onderwijskundige en opvoedkundige context, meer bepaald :

  1. a)de aansluiting bij het bestaande onderwijsaanbod in de betrokken instelling of de betrokken scholengemeenschap;
  2. b)de waarborgen met betrekking tot, naargelang van het geval, de doorstroming naar een vervolgstudie of de tewerkstellingsperspectieven;6° de relatie met het opleidingsprofiel, maar dan uitsluitend voor een basisoptie, een beroepenveld, een optie in het eerste leerjaar van de tweede of derde graad of een derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar, nog niet door de Vlaamse regering vastgelegd met toepassing van artikel 5, § 1, of artikel 6, § 1. Onderafdeling D. - Overige programmaties Art. 29.§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 23 kan door de Vlaamse Gemeenschap een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd structuuronderdeel dat niet onder toepassing valt van artikel 27 of 28 worden gefinancierd of gesubsidieerd. § 2. Voor de toepassing van § 1 wordt met structuuronderdeel bedoeld : 1° een eerste leerjaar A of B;2° een basisoptie;3° een beroepenveld;4° een optie van de tweede, derde dan wel vierde graad van een bepaalde onderwijsvorm;5° het derde leerjaar van de tweede graad, georganiseerd als een vervolmakingsjaar;6° het derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs;7° het derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar;8° het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, niet georganiseerd als een specialisatiejaar. § 3. De toepassing van de bepalingen van dit artikel mag er geen aanleiding toe geven dat een optie van de tweede of derde graad wordt gefinancierd of gesubsidieerd, die is gerangschikt in een studiegebied dat op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar in de instelling werd georganiseerd met uitsluitend specifieke opties in het eerste en tweede leerjaar van de betrokken graad. HOOFDSTUK IV. - Bepalingen van toepassing vanaf het schooljaar 1999-2000 op instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren Afdeling 1. - Algemene bepaling Art. 30.De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren. Afdeling 2. - Programmatie van instellingen Art. 31.§ 1. Een instelling kan worden gefinancierd of gesubsidieerd indien 300 % van de toepasbare rationalisatienorm,

artikel 49, 1°, wordt bereikt. § 2. In afwijking van § 1 dient slechts 150 % van de toepasbare rationalisatienorm,

artikel 49, 1°, te worden bereikt voor : 1° de enige instelling van het gemeenschapsonderwijs in één der 45 onderwijszones die zijn vastgelegd in de bijlage gevoegd bij dit decreet;2° de enige instelling van het gesubsidieerd officieel onderwijs in één der bedoelde onderwijszones;3° de enige instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs in één der bedoelde onderwijszones die een bepaalde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt;4° een instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs :

  1. a)die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert, en
  2. b)waarvoor de inrichtende macht uitsluitend eigen leerplannen hanteert die door de Vlaamse regering zijn goedgekeurd. Bij de toepassing van 3° worden de instellingen ressorterend onder 4° buiten beschouwing gelaten. Indien een inrichtende macht in één der bedoelde onderwijszones meer dan één instelling organiseert, dan kunnen desbetreffende instellingen nooit onder toepassing van 4° vallen. § 3. Instellingen kunnen slechts door splitsing van bestaande instellingen ontstaan indien alle bij de splitsing betrokken instellingen na de splitsing 300 % bereiken van de toepasbare rationalisatienorm,

artikel 49, 1°. Indien echter door splitsing van bestaande instellingen nieuwe instellingen ontstaan in het kader van een gelijktijdige herstructurering die niet resulteert in een groter aantal instellingen, dan dienen alle bij deze splitsing betrokken instellingen na de splitsing slechts 100 % te bereiken van de toepasbare rationalisatienorm,

:

  1. a)hetzij artikel 49, 1°;
  2. b)hetzij artikel 49, 2° : voor de instellingen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de instellingen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven. § 4. De splitsing,

§ 3

, neemt één van de volgende vormen aan : 1° hetzij een afsplitsing van de eerste graad.Bij dergelijke afsplitsing mag de eerste graad, eventueel met dezelfde structuuronderdelen, in de oorspronkelijke instelling gehandhaafd blijven; voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende structuuronderdelen bedoeld : het eerste leerjaar A, het eerste leerjaar B, de basisopties en de beroepenvelden; 2° hetzij een afsplitsing van één of meer studiegebieden;3° hetzij een combinatie van beide voorgaande vormen. § 5. Een autonome instelling bestaande uit de eerste graad of de eerste en de tweede graad, die al dan niet ingevolge splitsing ontstaat, moet de volgende structuuronderdelen organiseren : een eerste leerjaar A, een eerste leerjaar B, een tweede leerjaar van de eerste graad en een beroepsvoorbereidend leerjaar. Afdeling 3. - Programmatie van structuuronderdelen Onderafdeling A. - Programmatie van structuuronderdelen. - eerste graad Art. 32.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet ingericht(

  1. e)eerste leerjaar A of B, niet-specifieke basisoptie of niet-specifiek beroepenveld worden gefinancierd of gesubsidieerd. § 2. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerde specifieke basisoptie worden gefinancierd of gesubsidieerd, op voorwaarde dat in dezelfde instelling in de tweede graad ten minste één aansluitend studiegebied op voormelde datum wordt georganiseerd. De Vlaamse regering bepaalt voor elke specifieke basisoptie het(
  2. de)aansluitend(
  3. e)studiegebied(en). § 3. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd specifiek beroepenveld worden gefinancierd of gesubsidieerd, op voorwaarde dat in dezelfde instelling in de tweede graad ten minste één aansluitend studiegebied op voormelde datum wordt georganiseerd. De Vlaamse regering bepaalt voor elk specifiek beroepenveld het(
  4. de)aansluitend(
  5. e)studiegebied(en). Onderafdeling B. - Programmatie van structuuronderdelen tweede - en derde graad Art. 33.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerde optie in het eerste leerjaar van de tweede of derde graad worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° de optie is niet-specifiek;2° de optie is gerangschikt in een studiegebied dat op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar in de instelling werd georganiseerd met ten minste één niet-specifieke optie in het eerste en/of tweede leerjaar van de betrokken graad;3° in het betrokken studiegebied zijn op 1 februari van het voorafgaand schooljaar ten minste het volgend aantal regelmatige leerlingen ingeschreven :
  6. a)indien het studiegebied in de tweede en in de derde graad wordt georganiseerd : 1.voor de studiegebieden algemeen secundair onderwijs, handel, personenzorg, ballet, beeldende kunsten en podiumkunsten : 150; 2. voor alle andere studiegebieden : 100;
  7. b)indien het studiegebied enkel in de tweede of in de derde graad wordt georganiseerd : 1.voor de studiegebieden algemeen secundair onderwijs, handel, personenzorg, ballet, beeldende kunsten en podiumkunsten : 75; 2. voor alle andere studiegebieden : 50. Bij de toepassing van de gestelde minimale leerlingennorm worden de leerlingen van de derde leerjaren van de tweede en derde graad en van de leerjaren van de vierde graad, niet in aanmerking genomen. § 2. In afwijking van § 1, 3°, geldt voor de volgende instellingen die het betrokken studiegebied in de betrokken graad of graden organiseren, geen minimale leerlingennorm : 1° de enige instelling van het gemeenschapsonderwijs in de gemeente;2° de enige instelling van het gesubsidieerd officieel onderwijs in de gemeente;3° de enige instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs in de gemeente die een bepaalde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt;4° een instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs :
  8. a)die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert;en
  9. b)waarvoor de inrichtende macht uitsluitend eigen leerplannen hanteert die door de Vlaamse regering zijn goedgekeurd. Bij de toepassing van 3° worden de instellingen ressorterend onder 4° buiten beschouwing gelaten. Indien een inrichtende macht in een gemeente meer dan één instelling organiseert, dan kunnen desbetreffende instellingen nooit onder toepassing van 4° vallen. Onderafdeling C. - Programmatie van structuuronderdelen - derde leerjaren van de derde graad Art. 34.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar, worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° het specialisatiejaar is niet-specifiek;2° het specialisatiejaar is gerangschikt in een studiegebied dat op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar in de instelling werd georganiseerd met ten minste één niet-specifieke optie in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad;3° op 1 oktober van het schooljaar van oprichting zijn ten minste het volgend aantal regelmatige leerlingen ingeschreven :
  10. a)voorzover er geen ander specialisatiejaar van hetzelfde studiegebied wordt georganiseerd : 1.hetzij 12 leerlingen in het betrokken specialisatiejaar; 2. hetzij 8 leerlingen in het betrokken specialisatiejaar : voor instellingen, gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, voor instellingen, gelegen in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners per km2, en voor de enige instelling in de provincie en het onderwijswet die het betrokken specialisatiejaar organiseert;
  11. b)voorzover er één of meer andere specialisatiejaren van hetzelfde studiegebied worden georganiseerd : 1.hetzij 20 leerlingen in alle specialisatiejaren samen; 2. hetzij 15 leerlingen in alle specialisatiejaren samen : voor instellingen, gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, voor instellingen gelegen in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners per km2, en voor de enige instelling in de provincie en het onderwijswet die het betrokken specialisatiejaar organiseert. § 2. Voor de toepassing van § 1 worden de derde leerjaren van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, georganiseerd als specialisatiejaren kinderzorg en thuis- en bejaardenzorg, niet in aanmerking genomen. Art. 35.Door de Vlaamse Gemeenschap kan het in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, georganiseerd als een specialisatiejaar kinderzorg en/of thuis- en bejaardenzorg, naar keuze van de inrichtende macht, worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar werd in de instelling de optie verzorging georganiseerd in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs;2° op 1 oktober van het schooljaar van oprichting zijn in het betrokken specialisatiejaar of wanneer ze beide worden georganiseerd, in de twee betrokken specialisatiejaren samen, ten minste het volgend aantal regelmatige leerlingen ingeschreven :
  12. a)hetzij 18 leerlingen;
  13. b)hetzij 12 leerlingen : uitsluitend voor het gemeenschapsonderwijs én op voorwaarde dat in de provincie maximum twee instellingen van dit onderwijswet één specialisatiejaar of de beide specialisatiejaren organiseren;
  14. c)hetzij 8 leerlingen : voor instellingen, gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, en voor instellingen, gelegen in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners per km2. Art. 36.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, niet georganiseerd als een specialisatiejaar, worden gefinancierd of gesubsidieerd op voorwaarde dat op 1 oktober van het schooljaar van oprichting ten minste het volgend aantal regelmatige leerlingen zijn ingeschreven : 1° hetzij 12 leerlingen;2° hetzij 8 leerlingen : voor instellingen, gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, voor instellingen, gelegen in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners per km2, en voor de enige instelling in de provincie en het onderwijsnet die het betrokken jaar organiseert. Onderafdeling D. - Programmatie van structuuronderdelen - vierde graad Art. 37.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerde optie in het eerste leerjaar van de vierde graad worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° het betreft de optie psychiatrische verpleegkunde respectievelijk ziekenhuisverpleegkunde;2° in de instelling werd op dezelfde datum de optie ziekenhuisverpleegkunde respectievelijk psychiatrische verpleegkunde georganiseerd. Onderafdeling E. - Programmatie van structuuronderdelen na gunstige beslissing van de Vlaamse regering Art. 38.§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 41 kan door de Vlaamse Gemeenschap een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar : 1° niet georganiseerde specifieke optie in het eerste leerjaar van de tweede of derde graad of niet georganiseerd specifiek derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar, vastgelegd door de Vlaamse regering met toepassing van artikel 5, § 1, of artikel 6, § 1;2° niet georganiseerde basisoptie, beroepenveld, optie in het eerste leerjaar van de tweede of derde graad of niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar, nog niet vastgelegd door de Vlaamse regering met toepassing van artikel 5, § 1, of artikel 6, § 1;3° niet georganiseerd studiegebied, vermeld in artikel 6, § 3, worden gefinancierd of gesubsidieerd op voorwaarde dat de Vlaamse regering na gemotiveerde aanvraag van de betrokken inrichtende macht gunstig beslist. § 2. De Vlaamse regering neemt de beslissing,

§ 1

, op eensluidend advies van de Vlaamse onderwijsraad en van de bevoegde administratie en inspectie van het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Elk advies dient uit te gaan van de volgende criteria : 1° de behoeften;2° de eventuele samenwerking met het bedrijfsleven;3° de rationele spreiding;4° de mogelijkheden van de betrokken instelling op het vlak van infrastructuur, leermiddelen, goedgekeurde leerplannen en inzetbaarheid van het personeel;5° de onderwijskundige en opvoedkundige context, meer bepaald :

  1. a)de aansluiting bij het bestaande onderwijsaanbod in de betrokken instelling;
  2. b)de waarborgen met betrekking tot, naargelang van het geval, de doorstroming naar een vervolgstudie of de tewerkstellingsperspectieven;6° de relatie met het opleidingsprofiel, maar dan uitsluitend voor een basisoptie, een beroepenveld, een optie in het eerste leerjaar van de tweede of derde graad of een derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar, nog niet door de Vlaamse regering vastgelegd met toepassing van artikel 5, § 1, of artikel 6, § 1. Onderafdeling F. - Niet-programmeerbare structuuronderdelen Art. 39.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de tweede graad, georganiseerd als een vervolmakingsjaar, niet worden gefinancierd of gesubsidieerd. Art. 40.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs, niet worden gefinancierd of gesubsidieerd. Art. 41.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd structuuronderdeel dat onder toepassing valt van artikel 5, § 2, niet worden gefinancierd of gesubsidieerd. Voor een optie van de tweede of derde graad heeft het "niet georganiseerd zijn" betrekking op het eerste leerjaar van de betrokken graad. § 2. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd structuuronderdeel niet worden gefinancierd of gesubsidieerd indien de Vlaamse regering daartoe beslist met het oog op de omzetting,

artikel 6. Voor een optie van de tweede of derde graad heeft het "niet georganiseerd zijn" betrekking op het eerste leerjaar van de betrokken graad. TITEL V. - Omvormingen en overhevelingen HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. 42.De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op het voltijds gewoon secundair onderwijs; de bepalingen van hoofdstuk II zijn vanaf het schooljaar 1999-2000 niet van toepassing op instellingen die tot een scholengemeenschap behoren. De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op de instellingen van het gemeenschapsonderwijs die in Duitsland gelegen zijn. Art. 43.Een omvorming of overheveling kan door de Vlaamse Gemeenschap slechts worden gefinancierd of gesubsidieerd als ze in overeenstemming is met de afspraken,

artikel 71, 1°. HOOFDSTUK II. - Omvormingen Art. 44.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd structuuronderdeel worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° het structuuronderdeel ontstaat door omvorming van een op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar in de instelling ingericht structuuronderdeel van dezelfde groep,

§ 2

;2° de omvorming naar een specifiek structuuronderdeel kan slechts plaatsvinden vanuit een ander specifiek structuuronderdeel van dezelfde groep,

§ 2

, en voorzover is voldaan aan, naargelang van het geval :

  1. a)voor het schooljaar 1998-1999 : artikel 12, §§ 2 en 3, en artikel 20;
  2. b)vanaf het schooljaar 1999-2000 : artikel 32, §§ 2 en 3, en artikel 38;3° de omvorming gebeurt steeds binnen eenzelfde studiegebied dat op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar werd georganiseerd;in afwijking hiervan kan, voor de derde leerjaren van de derde graad, de omvorming plaatsvinden tussen verschillende studiegebieden die op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar werden georganiseerd; 4° de omvorming van een specifieke optie naar een niet- specifieke optie van de tweede of de derde graad en de omvorming van een specifiek naar een niet-specifiek derde leerjaar van de derde graad is slechts mogelijk indien op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar in de instelling tenminste één niet-specifieke optie van het betrokken studiegebied in het eerste en/of tweede leerjaar van de betrokken graad werd ingericht;5° de omvorming mag er geen aanleiding toe geven dat afbreuk wordt gedaan aan :
  3. a)voor het schooljaar 1998-1999 : artikel 23;
  4. b)vanaf het schooljaar 1999-2000 : artikel 41;6° een omvorming naar een derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar kinderzorg of thuis- en bejaardenzorg van het beroepssecundair onderwijs, is niet mogelijk;7° voor een optie van de tweede of derde graad vindt de omvorming geleidelijk, leerjaar na leerjaar, plaats, te beginnen met het eerste. § 2. De respectieve groepen van structuuronderdelen zijn : 1° de basisopties en beroepenvelden;2° de opties van de tweede graad;3° de opties van de derde graad;4° het derde leerjaar van de tweede graad, georganiseerd als een vervolmakingsjaar;5° de derde leerjaren van de derde graad, georganiseerd als een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs, als een specialisatiejaar of - in het beroepssecundair onderwijs - niet als een specialisatiejaar. HOOFDSTUK III. - Overhevelingen Art. 45.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan in een instelling een structuuronderdeel gefinancierd of gesubsidieerd worden of blijven, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° het structuuronderdeel ontstaat of wordt verder georganiseerd door overheveling van een op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar georganiseerd structuuronderdeel in :
  5. a)hetzij een andere instelling van dezelfde inrichtende macht gelegen in dezelfde gemeente;
  6. b)hetzij een andere instelling van dezelfde scholengemeenschap;
  7. c)hetzij, maar wel uitsluitend voor de overheveling van het volledig onderwijsaanbod van een vestigingsplaats, een andere instelling van dezelfde inrichtende macht gelegen in een aangrenzende gemeente.2° elke overheveling vindt in een keer plaats. § 2. Voor de toepassing van § 1 wordt met structuuronderdeel bedoeld : 1° hetzij de volledige eerste graad van een instelling;2° hetzij een volledig studiegebied van een instelling;3° hetzij een derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, niet georganiseerd als een specialisatiejaar;indien de overheveling betrekking heeft op alle georganiseerde studiegebieden van het beroepssecundair onderwijs, moet het derde leerjaar voorzover het georganiseerd wordt, mee overgeheveld; 4° hetzij een bepaalde vestigingsplaats van een instelling met inbegrip van het volledig aldaar georganiseerd onderwijsaanbod; voorzover dit onderwijsaanbod ook wordt georganiseerd op één of meer andere vestigingsplaatsen van de betrokken instelling die buiten de overheveling vallen, mag bedoeld onderwijsaanbod gehandhaafd blijven voorzover deze vestigingsplaatsen in een andere gemeente zijn gelegen. § 3. Voor de toepassing van de omkaderingsnormen van het personeel, de toepassing van de minimale schoolbevolkingsnormen en de vaststelling van de werkingskredieten en -toelagen, wordt de overheveling geacht reeds op 1 februari van het voorafgaand schooljaar te hebben plaatsgevonden. § 4. Indien de overheveling aanleiding geeft tot de ingebruikneming van een extra vestigingsplaats, wordt artikel 3, § 3, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, gewijzigd bij de wet van 1 augustus 1988, en artikel 24, § 2, 8°, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 14 juli 1975, niet toegepast. § 5. Elke overheveling zal het voorwerp uitmaken van onderhandeling in het lokaal comité. TITEL VI. - Rationalisatie Art. 46.De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op het voltijds gewoon secundair onderwijs. De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op de instellingen van het gemeenschapsonderwijs die in Duitsland gelegen zijn. Art. 47.Voor elke instelling geldt een rationalisatienorm. Voor de toepassing van deze rationalisatienorm worden de leerlingen van het derde leerjaar van de derde graad, ingericht als een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs of als een specialisatiejaar van het technisch en het kunstsecundair onderwijs, niet in aanmerking genomen. Art. 48.De rationalisatienorm wordt, op basis van de gradenstructuur van de instelling, als volgt vastgesteld : 1° voor de instellingen die niet ressorteren onder 2° :
  8. a)met enkel een eerste graad : 111;
  9. b)met een eerste + tweede graad : 200;
  10. c)met een tweede + derde graad : 150;
  11. d)met een eerste + tweede + derde graad : 261;2° voor de instellingen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de instellingen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven :
  12. a)met enkel een eerste graad : 83;
  13. b)met een eerste + tweede graad : 150;
  14. c)met een tweede + derde graad : 113;
  15. d)met een eerste + tweede + derde graad : 196. Art. 49.In afwijking van artikel 48 wordt de rationalisatienorm voor een instelling die tot een scholengemeenschap behoort met 15 % verminderd zoals hierna bepaald : 1° voor de instellingen die niet ressorteren onder 2° :
  16. a)met enkel een eerste graad : 94;
  17. b)met een eerste + tweede graad : 170;
  18. c)met een tweede + derde graad : 129;
  19. d)met een eerste + tweede + derde graad : 223;2° voor de instellingen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de instellingen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven :
  20. a)met enkel een eerste graad : 71;
  21. b)met een eerste + tweede graad : 128;
  22. c)met een tweede + derde graad : 97;
  23. d)met een eerste + tweede + derde graad : 168. Art. 50.§ 1. In afwijking van artikel 48 wordt de rationalisatienorm voor een instelling zonder een derde graad die gelegen is op een afstand van ten minste 4 km van een andere instelling van hetzelfde onderwijsnet en die, voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft, ten minste eenzelfde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt, waarin dezelfde graad of graden georganiseerd worden, met 33 % verminderd zoals hierna bepaald : 1° voor de instellingen die niet ressorteren onder 2° :
  24. a)met enkel een eerste graad : 74;
  25. b)met een eerste + tweede graad : 133.2° voor de instellingen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de instellingen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven :
  26. a)met enkel een eerste graad : 55;
  27. b)met een eerste + tweede graad : 99. § 2. In afwijking van artikel 48 wordt de rationalisatienorm voor een instelling met een derde graad die gelegen is op een afstand van ten minste 6 km van een andere instelling van hetzelfde onderwijsnet en die, voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft, ten minste eenzelfde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt, waarin dezelfde graad georganiseerd wordt, met 33 % verminderd zoals hierna bepaald : 1° voor de instellingen die niet ressorteren onder 2° :
  28. a)met een tweede + derde graad : 100;
  29. b)met een eerste + tweede + derde graad : 174;2° voor de instellingen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de instellingen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven :
  30. a)met een tweede + derde graad : 75;
  31. b)met een eerste + tweede + derde graad : 130. § 3. Voor de vaststelling of een instelling binnen de in § 1 of § 2 vermelde afstand valt, wordt geen rekening gehouden met : 1° een instelling die slechts unieke structuuronderdelen aanbiedt; voor de toepassing van deze bepaling wordt bedoeld met :
  32. a)uniek : per onderwijswet slechts een keer georganiseerd per provincie dan wel in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad;
  33. b)structuuronderdeel : - een basisoptie; - een beroepenveld; - een optie van de tweede, derde of vierde graad van een bepaalde onderwijsvorm; - het derde leerjaar van de tweede graad, georganiseerd als een vervolmakingsjaar; - het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, al dan niet georganiseerd als een specialisatiejaar; 2° een instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs :
  34. a)die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert;en
  35. b)waarvoor de inrichtende macht uitsluitend eigen leerplannen hanteert die door de Vlaamse regering zijn goedgekeurd;en
  36. c)die ressorteert onder een inrichtende macht die in de betrokken gemeente slechts één instelling organiseert. Art. 51.§ 1. In afwijking van artikel 48 wordt de rationalisatienorm voor een instelling zonder een derde graad die gelegen is op een afstand van ten minste 8 km van een andere instelling van hetzelfde onderwijswet en die, voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft, ten minste eenzelfde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt, waarin dezelfde graad of graden georganiseerd worden, met 66 % verminderd zoals hierna bepaald : 1° met enkel een eerste graad : 37;2° met een eerste + tweede graad : 67. § 2. In afwijking van artikel 48 wordt de rationalisatienorm voor een instelling met een derde graad die gelegen is op een afstand van ten minste 12 km van een andere instelling van hetzelfde onderwijsnet en die, voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft, ten minste eenzelfde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt, waarin dezelfde graad georganiseerd wordt, met 66 % verminderd zoals hierna bepaald : 1° met een tweede + derde graad : 50;2° met een eerste + tweede + derde graad : 87. § 3. Voor de vaststelling of een instelling binnen de in § 1 of § 2 vermelde afstand valt, wordt geen rekening gehouden met instellingen,

artikel 50, §

  1. Art. 52.§
  2. In afwijking van artikel 48 wordt de rationalisatienorm voor een instelling die slechts unieke structuuronderdelen aanbiedt zoals

artikel 50, § 3, 1°, als volgt vastgesteld : 1° met enkel een eerste graad : 37;2° met een eerste + tweede graad : 67;3° met een tweede + derde graad : 50;4° met een eerste + tweede + derde graad : 87. § 2. In afwijking van artikel 48 wordt de rationalisatienorm voor een instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs :

  1. a)die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert;en
  2. b)waarvoor de inrichtende macht uitsluitend eigen leerplannen hanteert die door de Vlaamse regering zijn goedgekeurd;en
  3. c)die ressorteert onder een inrichtende macht die in de betrokken gemeente slechts één instelling organiseert, als volgt vastgesteld : 1° met enkel een eerste graad : 37;2° met een eerste + tweede graad : 67;3° met een tweede + derde graad : 50;4° met een eerste + tweede + derde graad : 87. Art. 53.§ 1. De rationalisatienorm voor een instelling die enkel de vierde graad organiseert, wordt vastgesteld op 100. § 2. De respectieve rationalisatienormen vermeld in artikel 48 tot en met 52 worden verhoogd met 100 indien de instelling naast andere graden eveneens een vierde graad organiseert. Art. 54.§ 1. In afwijking van artikel 48 wordt per graad de rationalisatienorm voor een instelling die uitsluitend zeevisserijonderwijs organiseert als volgt vastgesteld : 1° eerste graad : 37;2° tweede graad : 30;3° derde graad : 20. § 2. De rationalisatienormen vermeld in § 1 zijn niet vereist indien de instelling de enige is die in het betrokken onderwijswet zeevisserijonderwijs organiseert. Art. 55.Elke instelling die de rationalisatienorm niet bereikt op 1 februari van het voorafgaand schooljaar, dient : 1° hetzij over te gaan tot geleidelijke afbouw, leerjaar na leerjaar, te beginnen met het eerste, van de af te bouwen graad of graden, onverminderd het in artikel 51 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, gewijzigd bij het decreet van 19 april 1995, gestelde;2° hetzij te fusioneren met een andere instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs. Art. 56.Een fusie van instellingen, al dan niet ingevolge het niet bereiken van de toepasbare rationalisatienorm door één of meer instellingen : 1° houdt het ontstaan in van een instelling die niet als nieuw wordt beschouwd en die, onverminderd het in artikel 24, § 2, 8°, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, gewijzigd bij de wet van 14 juli 1975, gestelde, alle voorheen bestaande vestigingsplaatsen mag omvatten waaronder één hoofdvestigingsplaats;2° wordt in een keer tot stand gebracht, wat impliceert dat er nog slechts één inrichtende macht en één directeur is;3° vindt plaats :
  4. a)hetzij door samenvoeging tot één instelling van twee of meer instellingen die gelijktijdig worden afgeschaft;
  5. b)hetzij door samenvoeging van twee of meer instellingen waarbij één blijft bestaan die de andere opslorpt.4° kan betrekking hebben op één of meer instellingen die in geleidelijke afbouw zijn. Art. 57.In de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° in artikel 3, § 2, derde lid, worden de woorden ", confessioneel of pluralistisch" vervangen door de woorden "of confessioneel";2° in artikel 4, derde lid, worden de woorden ", de confessionele en de pluralistische" vervangen door de woorden "en de confessionele". TITEL VII. - Vrijwillige fusies Art. 58.De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op het voltijds gewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en het deeltijds secundair zeevisserijonderwijs. De bepalingen van deze titel zijn eveneens van toepassing op de instellingen van het gemeenschapsonderwijs die in Duitsland gelegen zijn. Art. 59.Artikel 58bis van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, ingevoegd bij het decreet van 21 december 1994 en gewijzigd bij het decreet van 15 juli 1997, wordt vervangen door wat volgt : « Artikel 58bis.§ 1. Na vrijwillige fusie van instellingen wordt het extra aantal wekelijkse uren-leraar dat aan de inrichtende macht wordt toegekend,

artikel 56, 3°, gekoppeld aan de volgende voorwaarden : 1° de instellingen dienen op 1 februari van het schooljaar voor de fusie de toepasbare rationalisatienorm te bereiken;2° de instellingen die na de fusie overblijven moeten onder dezelfde inrichtende macht ressorteren;3° het aantal instellingen dat na de fusie overblijft moet kleiner zijn dan of gelijk zijn aan het oorspronkelijk aantal instellingen;4° in het onderwijsaanbod van de instellingen die na de fusie overblijven, zijn geen overlappingen van structuuronderdelen van de tweede, de derde of de vierde graad toegelaten;een eerste leerjaar A, een eerste leerjaar B, basisopties en beroepenvelden mogen wel meermaals worden aangeboden. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt bedoeld met : 1° instelling : een instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs met inbegrip van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor deeltijds secundair zeevisserijonderwijs dat eventueel aan deze instelling is gehecht;2° structuuronderdeel :

  1. a)een optie van de tweede, derde dan wel vierde graad van een bepaalde onderwijsvorm;
  2. b)het derde leerjaar van de tweede graad, georganiseerd als een vervolmakingsjaar;
  3. c)het derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs;
  4. d)het derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar;
  5. e)het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, niet georganiseerd als een specialisatiejaar. § 2. Het extra aantal wekelijkse uren-leraar wordt vastgesteld als volgt : 1° tussen de som van het respectievelijk aantal wekelijkse uren-leraar dat op basis van de regelmatige schoolbevolking van 1 februari van het schooljaar voorafgaand aan de fusie overeenkomstig de reglementering wordt toegekend zonder met de fusie rekening te houden en een analoge som wel rekening houdend met de fusie, wordt het verschil gemaakt;2° van het verschil,

1°, wordt aan de inrichtende macht toegekend :

  1. a)gedurende het eerste schooljaar vanaf de fusie : 100 %;
  2. b)gedurende het tweede schooljaar vanaf de fusie : 75 %;
  3. c)gedurende het derde schooljaar vanaf de fusie : 50 %;
  4. d)gedurende het vierde schooljaar vanaf de fusie : 25 %.» Art. 60.§ 1. Na vrijwillige fusie van instellingen, gekoppeld aan de voorwaarden genoemd in artikel 58bis, § 1, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, wordt aan de inrichtende macht een extra aantal betrekkingen ondersteunend personeel, administratief personeel en/of opvoedend hulppersoneel toegekend. § 2. Het aantal betrekkingen,

§ 1

, wordt vastgesteld als volgt : 1° tussen de som van het respectievelijk aantal betrekkingen ondersteunend personeel, administratief personeel en/of opvoedend hulppersoneel dat op basis van de regelmatige schoolbevolking van 1 februari van het schooljaar voorafgaand aan de fusie overeenkomstig de reglementering wordt berekend zonder met de fusie rekening te houden, en een analoge som wel rekening houdend met de fusie, wordt het verschil gemaakt;2° het verschil,

1°, wordt gedurende vier schooljaren jaarlijks vanaf de fusie naar rata van 100 % aan de inrichtende macht toegekend, onder die voorwaarde dat in de betrokken betrekkingen enkel personeelsleden kunnen worden aangesteld die door de fusie overeenkomstig de reglementering ter beschikking zijn gesteld wegens ontstentenis van betrekking in deze betrekkingen en die in de fusie-instelling of in de instellingen die aan de fusie deelnemen niet gereaffecteerd kunnen worden.De verplichting tot reaffectatie en wedertewerkstelling buiten de fusie-instelling of buiten de instellingen die aan de fusie deelnemen, wordt voor vier schooljaren opgeschort. Deze aanstellingen worden beschouwd als reaffectatie. Art. 61.§ 1. Na vrijwillige fusie van instellingen, gekoppeld aan de voorwaarden genoemd in artikel 58bis, § 1, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, wordt aan de inrichtende macht gedurende twee schooljaren vanaf de fusie één fusiebegeleider bij één van de betrokken instellingen toegekend. § 2. De functie van fusiebegeleider,

§ 1

, heeft betrekking op één personeelslid naar keuze van het bestuurspersoneel dat door de fusie overeenkomstig de reglementering ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking; de aanstelling als fusiebegeleider wordt beschouwd als reaffectatie of wedertewerkstelling. De verplichting tot reaffectatie en wedertewerkstelling buiten de fusie-instelling of buiten de instellingen die deelnemen aan de fusie wordt voor twee schooljaren opgeschort. Indien er door de fusie en op datum van de fusie een nieuwe betrekking in het ambt van adjunct-directeur geschapen wordt, dan mag dit niet toegewezen worden aan een nieuw personeelslid als er nog terbeschikkinggestelden zijn in het ambt van directeur of adjunct-directeur. TITEL VIII. - Scholengemeenschappen HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. 62.De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op het voltijds gewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en het deeltijds secundair zeevisserij onderwijs. De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op de instellingen van het gemeenschapsonderwijs die in Duitsland gelegen zijn. Binnen de bepalingen van deze titel wordt onder "instelling" verstaan : een instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs met inbegrip van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor deeltijds secundair zeevisserijonderwijs dat eventueel aan deze instelling is gehecht. HOOFDSTUK II. - Criteria voor de vorming van scholengemeenschappen Art. 63.Een scholengemeenschap omvat één of meer instellingen die al dan niet behoren tot dezelfde inrichtende macht en/of hetzelfde onderwijswet. Art. 64.Een scholengemeenschap komt vrijwillig tot stand, ongeacht of ze al dan niet een rechtspersoonlijkheid of een rechtsvorm aanneemt : 1° hetzij bij beslissing : indien de scholengemeenschap wordt gevormd door één of meer instellingen van dezelfde inrichtende macht;2° hetzij bij schriftelijke overeenkomst : indien de scholengemeenschap wordt gevormd door instellingen van verschillende inrichtende machten. Deze beslissing of overeenkomst treedt in werking op 1 september na de datum waarop de beslissing werd genomen respectievelijk de overeenkomst werd gesloten, wordt schriftelijk en zo spoedig mogelijk vóór de inwerkingtreding aan het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap meegedeeld en geldt voor een periode van zes schooljaren. Deze periode van zes schooljaren wordt telkens, tenzij er een andersluidende beslissing of overeenkomst is, van rechtswege voor eenzelfde periode verlengd. Art. 65.Een scholengemeenschap valt onder de verantwoordelijkheid van de betrokken inrichtende macht(

  1. en)en wordt beheerd op de wijze waartoe, naargelang van het geval, de enige betrokken inrichtende macht heeft beslist dan wel de diverse betrokken inrichtende machten zich bij schriftelijke overeenkomst hebben verbonden. Art. 66.Een scholengemeenschap is qua inplanting van de hoofdvestigingsplaats van elk van de betrokken instelling(
  2. en): 1° hetzij gelegen binnen één der 45 onderwijszones die zijn vastgelegd in de bijlage gevoegd bij dit decreet;2° hetzij gelegen binnen één onderwijszone en één aangrenzende gemeente van een andere onderwijszone, op voorwaarde dat voor elk onderwijsnet respectievelijk elke inrichtende macht wat het gesubsidieerd officieel onderwijs betreft, dat (die) bij de scholengemeenschap is betrokken, alle instellingen die zijn gelegen in de desbetreffende gemeente in deze scholengemeenschap zijn opgenomen. Een instelling waarvoor de inrichtende macht schriftelijk heeft bevestigd dat ze niet toetreedt tot een scholengemeenschap, valt evenwel niet onder bedoelde voorwaarde; 3° hetzij gelegen binnen twee aangrenzende onderwijszones, binnen twee aangrenzende onderwijszones en één aangrenzende gemeente van een andere onderwijszone of binnen drie aangrenzende onderwijszones, op voorwaarde dat voor elk onderwijsnet respectievelijk elke inrichtende macht wat het gesubsidieerd officieel onderwijs betreft, dat (die) bij de scholengemeenschap is betrokken, alle instellingen die zijn gelegen binnen de desbetreffende geografische afbakening in deze scholengemeenschap zijn opgenomen.Een instelling waarvoor de inrichtende macht schriftelijk heeft bevestigd dat ze niet toetreedt tot een scholengemeenschap, valt evenwel niet onder bedoelde voorwaarde. Na gemotiveerde aanvraag van de betrokken inrichtende macht(en), kan de Vlaamse regering volgens de hierna vermelde criteria afwijking verlenen van de bepalingen van het eerste lid : 1° de bij de scholengemeenschap betrokken instellingen zijn gelegen in dezelfde provincie;en 2° ten minste één instelling van de scholengemeenschap organiseert, het eerste leerjaar A en B buiten beschouwing gelaten, uitsluitend specifieke structuuronderdelen die uniek zijn in Vlaanderen. Art. 67.Een scholengemeenschap organiseert een multisectoraal onderwijsaanbod, waaronder ten minste wordt verstaan : 1° de eerste graad bestaande uit : een eerste leerjaar A en B, een tweede leerjaar en een beroepsvoorbereidend leerjaar;2° de tweede graad bestaande uit : een eerste en tweede leerjaar van het algemeen secundair onderwijs met drie opties, een eerste en tweede leerjaar van het technisch secundair onderwijs met twee studiegebieden en een eerste en tweede leerjaar van het beroepssecundair onderwijs met twee studiegebieden;de studiegebieden van het technisch en beroepssecundair onderwijs mogen dezelfde zijn; 3° de derde graad bestaande uit : een eerste en tweede leerjaar van het algemeen secundair onderwijs met drie opties, een eerste en tweede leerjaar van het technisch secundair onderwijs met twee studiegebieden en een eerste en tweede leerjaar van het beroepssecundair onderwijs met twee studiegebieden;de studiegebieden van het technisch en beroepssecundair onderwijs mogen dezelfde zijn. Na gemotiveerde aanvraag van de betrokken inrichtende macht(en), kan de Vlaamse regering volgens de hierna vermelde criteria afwijking verlenen van de bepalingen van het eerste lid : 1° het niet-voldoen aan de voorwaarde van multisectoraliteit houdt in :
  3. a)hetzij het niet of te weinig organiseren van opties in het eerste en tweede leerjaar van de tweede respectievelijk de derde graad van het algemeen secundair onderwijs;
  4. b)hetzij het te weinig organiseren van studiegebieden in het eerste en tweede leerjaar van de tweede respectievelijk de derde graad van het technisch secundair onderwijs;
  5. c)hetzij het te weinig organiseren van studiegebieden in het eerste en tweede leerjaar van de tweede respectievelijk de derde graad van het beroepssecundair onderwijs;en 2° de scholengemeenschap werkt op het vlak van leerlingenoriëntering samen met één of meer andere aangrenzende scholengemeenschappen die het in de eerstbedoelde scholengemeenschap in het kader van de multisectoraliteit ontbrekend onderwijsaanbod, wél organiseren. Na gemotiveerde aanvraag van de betrokken inrichtende macht(en), kan de Vlaamse regering volgens het hierna vermeld criterium afwijking verlenen van de bepalingen van het eerste lid : De scholengemeenschap bestaat uitsluitend uit instellingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs, met dien verstande dat elk van bedoelde instellingen beantwoordt aan de voorwaarde de enige instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs te zijn in één der 45 onderwijszones, vastgelegd in de bijlage gevoegd bij dit decreet, die een bepaalde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt. Bij de toepassing van de voorwaarde "enige instelling" worden de instellingen die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseren, èn enkel eigen leerplannen van de inrichtende macht hanteren die door de Vlaamse regering zijn goedgekeurd, buiten beschouwing gelaten. Na gemotiveerde aanvraag van de betrokken inrichtende macht(en), kan de Vlaamse regering volgens het hierna vermeld criterium afwijking verlenen van de bepalingen van het eerste lid : De scholengemeenschap bestaat uitsluitend uit instellingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs, met dien verstande dat elk van bedoelde instellingen beantwoordt aan de voorwaarden noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie te organiseren, én uitsluitend eigen leerplannen van de inrichtende macht te hanteren die door de Vlaamse regering zijn goedgekeurd. Art. 68.§ 1. Een scholengemeenschap behoort tot één van de volgende contingenten : 1° gemeenschapsonderwijs : maximum 80 scholengemeenschappen (waarvan één in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad);2° gesubsidieerd officieel onderwijs : maximum 29 scholengemeenschappen (waarvan één in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad);3° gesubsidieerd confessioneel vrij onderwijs : maximum 120 scholengemeenschappen (waarvan één in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad);4° gesubsidieerd niet-confessioneel vrij onderwijs : maximum 5 scholengemeenschappen (waarvan één in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad). § 2. Een scholengemeenschap bestaande uit instellingen die behoren tot verschillende groepen

§ 1

, wordt verrekend op het contingent van die groep waartoe de meeste instellingen van de scholengemeenschap behoren. Is het aantal instellingen uit de verschillende groepen evenwel gelijk, dan wordt door de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs en/of de betrokken representatieve verenigingen van de inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs, naargelang van het geval, bepaald op welk contingent de scholengemeenschap wordt verrekend. § 3. De Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs of de betrokken representatieve vereniging van de inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs, naargelang van het geval, beslist welke voorgestelde scholengemeenschappen niet kunnen worden gevormd indien het vastgestelde contingent in de betrokken groep wordt overschreden. Art. 69.Elke op 31 augustus 1999 bestaande scholengemeenschap die is opgericht met toepassing van artikel 3, § 2, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, gewijzigd bij de decreten van 5 juli 1989 en 3l juli 1990, wordt vanaf 1 september 1999 van rechtswege niet meer tegenstelbaar aan de overheid. Art. 70.Een scholengemeenschap die op 1 oktober van twee opeenvolgende schooljaren niet langer voldoet aan de criteria genoemd in dit hoofdstuk, wordt met ingang van het derde schooljaar van rechtswege niet meer tegenstelbaar aan de overheid. HOOFDSTUK III. - Bevoegdheden van scholengemeenschappen Art. 71.Een scholengemeenschap : 1° maakt afspraken over de ordening van een rationeel onderwijsaanbod, eventueel gespreid over de verschillende instellingen die de scholengemeenschap vormen;2° maakt afspraken over een objectieve leerlingenoriëntering en -begeleiding en werkt daartoe samen met één psycho-medisch-sociaal centrum of centrum voor leerlingenbegeleiding;3° maakt afspraken over het personeelsbeleid, meer bepaald over de criteria voor het aanwerven, functioneren en evalueren van personeelsleden;4° maakt afspraken over de vaststelling van de criteria en de aanwending van de aanvullende pakketten wekelijkse uren-leraar die eventueel aan de betrokken instellingen of de scholengemeenschap worden toegekend;5° maakt afspraken over de vaststelling van de criteria en de aanwending van de wekelijkse urenleraar en van de punten die op het niveau van de scholengemeenschap kunnen worden samengevoegd;6° brengt advies uit inzake investeringen in schoolgebouwen en infrastructuur waarbij de inrichtende macht een beroep doet op de investeringsmiddelen van, naargelang van het geval, de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs of de Dienst voor Infrastructuurwerken van het Gesubsidieerd Onderwijs;7° kan een samenwerkingsakkoord sluiten met een instelling voor buitengewoon secundair onderwijs;een instelling voor buitengewoon secundair onderwijs kan samenwerkingsakkoorden sluiten met verschillende scholengemeenschappen; 8° kan een samenwerkingsakkoord sluiten met één of meer instellingen voor basisonderwijs, deeltijds kunstonderwijs en/of volwassenenonderwijs. Art. 72.Tenzij bij wet, decreet of besluit bepaalde bevoegdheden uitdrukkelijk aan enig ander orgaan zijn toegewezen, kan een scholengemeenschap andere bevoegdheden uitoefenen dan die genoemd in dit hoofdstuk. Indien bij de scholengemeenschap verschillende inrichtende machten zijn betrokken, dan zullen die de extra bevoegdheden bij schriftelijke overeenkomst vastleggen. HOOFDSTUK IV. - Voordelen voor scholengemeenschappen Art. 73.Zoals bepaald in artikel 49, wordt de gewone rationalisatienorm per instelling met 15 % verminderd voor een instelling die tot een scholengemeenschap behoort. Art. 74.§ 1. Tot 15 november van het betrokken schooljaar kunnen door de betrokken inrichtende macht(

  1. en)tussen instellingen die behoren tot eenzelfde scholengemeenschap, uren-leraar worden overgedragen, zoals bepaald in artikel 88, mits : 1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;2° onderhandeling in het lokaal comité. § 2. Tot 15 november van het betrokken schooljaar kunnen door de betrokken inrichtende macht(
  2. en)tussen instellingen die wel behoren tot hetzelfde onderwijsnet doch niet tot eenzelfde scholengemeenschap, uren-leraar worden overgedragen, zoals bepaald in artikel 88, mits : 1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;2° onderhandeling in het lokaal comité.Indien er bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel worden uitgesproken, dan kan de overdracht evenwel enkel na akkoord in het lokaal comité; 3° melding aan de betrokken scholengemeenschap waartoe de begunstigde instelling behoort. Art. 75.§ 1. Tot 15 november van het betrokken schooljaar kunnen door de betrokken inrichtende macht in het gesubsidieerd onderwijs uren-leraar worden herverdeeld tussen instellingen die behoren tot eenzelfde scholengemeenschap, zoals bepaald in artikel 87, § 2, mits : 1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;2° onderhandeling in het lokaal comité. § 2. Tot 15 november van het betrokken schooljaar kunnen door de betrokken inrichtende macht in het gesubsidieerd onderwijs uren-leraar worden herverdeeld tussen instellingen die niet behoren tot eenzelfde scholengemeenschap, zoals bepaald in artikel 87, § 2, mits : 1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;2° onderhandeling in het lokaal comité.Indien er bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel worden uitgesproken, dan kan de herverdeling evenwel enkel na akkoord in het lokaal comité; 3° melding aan de betrokken scholengemeenschap waartoe de begunstigde instelling behoort. Art. 76.Zoals bepaald in artikel 89, worden de gewone leerlingencoëfficiënten tot vaststelling van het pakket wekelijkse uren-leraar voor instellingen die behoren tot een scholengemeenschap en gelegen zijn in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, verhoogd met : 1° 0,10 : voor de eerste graad;2° 0,20 : voor de tweede, de derde en de vierde graad. Art. 77.§ 1. Zonder afbreuk te doen aan de principes dat een personeelslid wordt vastbenoemd door de inrichtende macht en, naargelang van het geval, wordt aangewezen of geaffecteerd aan een instelling die onder die inrichtende macht ressorteert, kunnen : 1° de leden van het bestuurspersoneel van de instellingen die de scholengemeenschap vormen, voor de vervulling van opdrachten voor de totaliteit van de scholengemeenschap worden ingezet;2° de leden van het ondersteunend personeel van de instellingen die de scholengemeenschap vormen, voor de vervulling van opdrachten voor andere instellingen van de scholengemeenschap of voor de totaliteit van de scholengemeenschap worden ingezet;3° de leden van het opvoedend hulppersoneel en het administratief personeel van de instellingen die de scholengemeenschap vormen, voor de vervulling van opdrachten voor andere instellingen van de scholengemeenschap worden ingezet. § 2. In afwijking van § 1, 2° en 3°, kunnen de leden van het ondersteunend personeel, het opvoedend hulppersoneel en het administratief personeel niet worden ingezet voor de vervulling van opdrachten voor andere instellingen van de scholengemeenschap of voor de totaliteit van de scholengemeenschap, indien het gaat om personeelsleden waarvan de betrekkingen zijn opgericht of in stand worden gehouden op basis van punten, gegenereerd door leerlingen van de tweede en de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, zoals bepaald in artikel 96, 1° tot en met 3°. Art. 78.§ 1. Vastbenoemde directeurs en adjunct-directeurs van instellingen van een scholengemeenschap, die door een herstructurering van instellingen of van het onderwijsaanbod ter beschikking zijn gesteld of worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking kunnen op persoonlijke titel worden tewerkgesteld in een niet-organieke personeelsformatie die aan de scholengemeenschap wordt toegevoegd, op voorwaarde dat deze personeelsleden volgens de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling, binnen de scholengemeenschap geen reaffectatie als directeur of adjunct-directeur of wedertewerkstelling als adjunct-directeur in een organiek ambt, kunnen bekomen. De aanstelling in de niet-organieke personeelsformatie schort alle reaffectatie- en wedertewerkstellingsverplichtingen buiten de scholengemeenschap op. De aanstelling wordt beschouwd als reaffectatie of wedertewerkstelling. § 2. De personeelsformatie

§ 1

wordt samengesteld op basis van één personeelslid per schijf van 1 500 regelmatige leerlingen (in het voltijds gewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en het deeltijds secundair zeevisserijonderwijs) op I februari van het voorafgaand schooljaar in de scholengemeenschap, met een maximum van vier personeelsleden per scholengemeenschap. Art. 79.§

  1. Zoals bepaald in artikel 7bis van het besluit van de Vlaamse regering van 13 november 1991 tot vaststelling van de voorwaarden voor het oprichten van betrekkingen in de ambten van werkmeester en werkplaatsleider in het voltijds secundair onderwijs, ingevoegd bij artikel 85, 2°, van dit decreet, kunnen de door de instellingen van een scholengemeenschap niet aangewende wekelijkse uren-leraar, ingericht als praktische vakken, in het kader van de oprichting en/of instandhouding van betrekkingen in de ambten van technisch adviseur-coördinator en technisch adviseur, worden samengevoegd voor de oprichting en/of instandhouding van betrekkingen in de ambten van technisch adviseurcoördinator en technisch adviseur in één of meer instellingen van de scholengemeenschap. §
  2. Overeenkomstig artikel 98, 6°, kunnen de door de instellingen van een scholengemeenschap niet aangewende punten worden samengevoegd voor de oprichting en/of instandhouding van betrekkingen in de ambten van de personeelscategorie ondersteunend personeel in één of meer instellingen van de scholengemeenschap. Art. 80.De Vlaamse regering kan overeenkomstig de door haar vastgelegde vorm en voorwaarden aan inrichtende macht(en) die een scholengemeenschap vormen zonder dat hiervoor een beroep moet worden gedaan op een afwijking zoals bepaald in artikel 66 en/of artikel 67, tweede lid, stimuli in de vorm van extra wekelijkse uren-leraar, als uren die geen lesuren zijn, toekennen. Deze uren-leraar zijn uitsluitend bestemd voor de ondersteuning van het pedagogisch beleid op het niveau van de scholengemeenschap. De omvang van dit aantal extra wekelijkse urenleraar is recht evenredig met de som van de aantallen wekelijkse uren-leraar toegekend tijdens het betrokken schooljaar aan de respectieve instellingen die de scholengemeenschap vormen. Art. 81.Indien in een scholengemeenschap door een herstructurering van de instelling of van het onderwijsaanbod bepaalde infrastructuur niet langer gebruikt wordt voor het secundair onderwijs, dan kan de inrichtende macht deze gebouwen gebruiken voor haar eigen niet-secundair onderwijs ofwel overdragen naar of ter beschikking stellen van een andere inrichtende macht van hetzelfde onderwijsnet die onderwijs van een ander niveau organiseert, een psycho-medisch-sociaal centrum of centrum voor leerlingenbegeleiding, of een internaat. Als hierbij de eigendom of het zakelijk recht dat noodzakelijk was om in aanmerking te komen voor een subsidie van de Dienst voor Infrastructuurwerken van het Gesubsidieerd Onderwijs (DIGO) overgaat naar de verkrijgende inrichtende macht of deze een zakelijk recht verwerft op het gebouw met een duur gelijk aan de resterende termijn van het zakelijk recht dat de vroegere inrichtende macht bezit, treedt deze laatste in de rechten en verplichtingen ten opzichte van de DIGO. In dit geval is artikel 19, § 2, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving niet van toepassing. Als de eigendom of het hiervoor vermelde zakelijk recht niet wordt overgedragen of gevestigd en het gebouw verder voor onderwijsdoeleinden wordt gebruikt, dan is artikel 19, § 2, van dezelfde wet, evenmin van toepassing. De oorspronkelijke inrichtende macht blijft wel verantwoordelijk ten opzichte van de DIGO voor de naleving van de verplichtingen die werden aangegaan bij de toekenning van de subsidie. Indien de infrastructuur waarvoor de DIGO subsidie heeft toegekend, afgebroken wordt, dan is artikel 19, § 2, van dezelfde wet, evenmin van toepassing. Wordt de infrastructuur echter onttrokken aan één van de bestemmingen waarvoor een beroep kan worden gedaan op de tegemoetkoming van de DIGO zoals bepaald in artikel 13, § 1, van dezelfde wet, dan moet de inrichtende macht het gedeelte van de ontvangen subsidie,

artikel 19, § 2, van dezelfde wet, terugbetalen. Een terugbetaling wordt evenwel niet opgelegd indien bij verkoop de opbrengst ten bedrage van de terug te betalen subsidie binnen een periode van twee jaar en met behoud van bestemming opnieuw wordt geïnvesteerd in subsidiabele infrastructuur voor het onderwijs, voor een psycho-medisch-sociaal centrum of centrum voor leerlingenbegeleiding, of een internaat. TITEL IX. - Bestuurspersoneel Art. 82.De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op het voltijds gewoon secundair onderwijs. De bepalingen van deze titel zijn eveneens van toepassing op de instellingen van het gemeenschapsonderwijs die in Duitsland gelegen zijn. Art. 83.§

  1. Een voltijdse betrekking van directeur wordt toegekend aan een instelling die ten minste 83 regelmatige leerlingen telt. §
  2. In afwijking van § 1 wordt aan een instelling die enkel de eerste graad of de eerste en de tweede graad organiseert en die in de financierings- of subsidiëringsregeling werd opgenomen vanaf 1 september 1989, een voltijdse betrekking van directeur toegekend indien de instelling ten minste 120 regelmatige leerlingen telt. §
  3. Indien het in § 1 respectievelijk § 2 vermeld aantal leerlingen niet wordt bereikt, wordt de directeur belast met een halve onderwijsopdracht of met een opdracht van beheerder van het internaat verbonden aan een instelling voor zeevisserijonderwijs. Hij behoudt evenwel het recht op de weddeschaal van directeur met een volledige opdracht of op de overeenstemmende weddetoelage. Art. 84.Voor de oprichting van een eerste betrekking van adjunct-directeur zijn 600 regelmatige leerlingen vereist, voor een tweede betrekking 1.200 regelmatige leerlingen, voor een derde betrekking 1.800 regelmatige leerlingen en vanaf een vierde betrekking 2 400 regelmatige leerlingen. Voor de instandhouding van een eerste betrekking van adjunct-directeur zijn 550 regelmatige leerlingen vereist, voor een tweede betrekking 1 150 regelmatige leerlingen, voor een derde betrekking 1 750 regelmatige leerlingen en vanaf een vierde betrekking 2 350 regelmatige leerlingen. Indien deze minima gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet worden bereikt, worden deze betrekkingen opgeheven. Art. 85.Teneinde in overeenstemming te zijn met het in artikel 2, 7°, en artikel 79, § 1, gestelde, wordt in het besluit van de Vlaamse regering van 13 november 1991 tot vaststelling van de voorwaarden voor het oprichten van betrekkingen in de ambten van werkmeester en werkplaatsleider in het voltijds secundair onderwijs, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 30 mei 1996 : 1° telkens het begrip "werkmeester" vervangen door "technisch adviseur" en het begrip "werkplaatsleider" vervangen door "technisch adviseur-coördinator";2° een artikel 7bis ingevoegd, dat luidt als volgt : « Artikel 7bis.De som van de aantallen wekelijkse uren-leraar van de instellingen die tot eenzelfde scholengemeenschap behoren, ingericht als praktische vakken, die per instelling ontoereikend zijn voor de oprichting of instandhouding van een betrekking van technisch adviseur-coördinator respectievelijk voor de oprichting of instandhouding van een bijkomende betrekking van technisch adviseur, mag, als dit in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt, worden aangewend voor de oprichting of instandhouding van betrekkingen in de ambten van technisch adviseur-coördinator en/of technisch adviseur in één of meer instellingen van de scholengemeenschap. » TITEL X. - Onderwijzend personeel Art. 86.De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op het voltijds gewoon secundair onderwijs. De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op de instellingen van het gemeenschapsonderwijs die in Duitsland gelegen zijn. Art. 87.§
  4. In artikel 3, § 5,, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, toegevoegd bij het decreet van 5 juli 1989 en gewijzigd bij de decreten van 9 april 1992,28 april 1993 en 21 december 1994, worden achter de woorden "drie procent" telkens de woorden "(twee procent voor het voltijds gewoon secundair onderwijs)" toegevoegd. §
  5. Teneinde in overeenstemming te zijn met het in artikel 75 gestelde, wordt artikel 3, § 5, eerste lid, van dezelfde wet, aangevuld als volgt : « voor wat betreft de instellingen voor voltijds gewoon gesubsidieerd secundair onderwijs kan de inrichtende macht slechts uren-leraar herverdelen tussen instellingen die behoren tot eenzelfde scholengemeenschap, mits : 1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;2° onderhandeling in het lokaal comité;in afwijking van het derde lid kan deze herverdeling gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel. Voor wat betreft de instellingen voor voltijds gewoon gesubsidieerd secundair onderwijs kan de inrichtende macht slechts uren-leraar herverdelen tussen instellingen die niet behoren tot eenzelfde scholengemeenschap, mits : 1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;2° onderhandeling in het lokaal comité;in afwijking hiervan en in afwijking van het derde lid kan deze herverdeling gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel op voorwaarde dat het lokaal comité hiermee akkoord gaat; 3° melding aan de betrokken scholengemeenschap waartoe de begunstigde instelling behoort.» Art. 88.Teneinde in overeenstemming te zijn met het in artikel 74 gestelde, wordt in artikel 3, § 6, van dezelfde wet, toegevoegd bij het decreet van 5 juli 1989 en gewijzigd bij de decreten van 28 april 1993 en 21 december 1994, een punt c) ingevoegd, dat luidt als volgt : « c) In het voltijds gewoon secundair onderwijs kan de overdracht van wekelijkse uren-leraar naar een andere instelling van eenzelfde scholengemeenschap, mits : 1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;2° onderhandeling in het lokaal comité;in afwijking van a) kan deze overdracht gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel. In het voltijds gewoon secundair onderwijs kan de overdracht van wekelijkse uren-leraar naar een andere instelling van hetzelfde onderwijsnet doch niet behorend tot eenzelfde scholengemeenschap, mits : 1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;2° onderhandeling in het lokaal comité;in afwijking hiervan en in afwijking van a) kan deze overdracht gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel op voorwaarde dat het lokaal comité hiermee akkoord gaat; 3° melding aan de betrokken scholengemeenschap waartoe de begunstigde instelling behoort.» Art. 89.Teneinde in overeenstemming te zijn met het in artikel 76 gestelde, wordt artikel 4, § 2, 8., van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 tot vastlegging van het pakket "uren-leraar" in het voltijds secundair onderwijs, vervangen door wat volgt : «
  6. voor de onderwijsinstellingen die hetzij het Nederlands als onderwijstaal hebben, gelegen zijn in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad èn behoren tot een scholengemeenschap, hetzij gevestigd zijn in de gemeenten waarvan de bevolkingsdichtheid lager is dan 125 inwoners per km2, worden de coëfficiënten,

4 en de coëfficiënten van de groepen,

5, 6 en 7, verhoogd met : 1° 0,10 : voor de eerste graad;2° 0,20 : voor de tweede, de derde en de vierde graad.» Art. 90.In artikel 4 van hetzelfde besluit, wordt een § 7quater ingevoegd, die luidt als volgt : « § 7quater. Ongeacht het beantwoorden aan de voorwaarden

§ 7b

is, kan met ingang van het schooljaar 1998-1999 hetzij de som van de respectieve aantallen wekelijkse uren-leraar toegekend in de vorm van minimumpakketten zoals

de §§ 5, 6 en 7 aan de instellingen die tot een scholengemeenschap behoren, hetzij het aantal wekelijkse uren-leraar toegekend in diezelfde vorm aan een instelling die niet tot een scholengemeenschap behoort, nooit hoger liggen dan het aantal eventueel toegekend voor het schooljaar 1997-1998, indien deze verhoging het gevolg is van een herstructurering of wijziging in het onderwijsaanbod van één of meer van de betrokken instellingen, die ten vroegste ingaat vanaf 1 september 1998. » Art. 91.De regering neemt maatregelen om vanaf het schooljaar 1998-1999 de splitsingsnormen

artikel 6, §§ 1 en 2, van hetzelfde besluit, te verhogen, teneinde de vaststelling van de klasgrootte in overeenstemming te brengen met de pedagogische noodwendigheden. Art. 92.§

  1. Een scholengemeenschap, een groep van scholengemeenschappen, een inrichtende macht voor haar instellingen die niet in een scholengemeenschap zijn opgenomen of een groep van inrichtende machten voor hun instellingen die niet in een scholengemeenschap zijn opgenomen, neemt structurele maatregelen die moeten leiden tot een vermindering van het totaal aantal wekelijkse uren-leraar voor de instellingen van de betrokken scholengemeenschap, groep van scholengemeenschappen, inrichtende macht of groep van inrichtende machten. §
  2. De vermindering,

§ 1

, wordt als volgt berekend : 1° de respectieve aantallen wekelijkse uren-leraar van de betrokken instellingen, berekend voor het schooljaar 1997-1998 met toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 tot vastlegging van het pakket "uren-leraar" in het voltijds secundair onderwijs, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 12 juni 1991, 1 juli 1992, 22 juli 1993, 8 juni 1994, 16 mei 1995, 28 juli 1995, 14 mei 1996, 30 mei 1996 en 21 mei 1997, worden afzonderlijk getotaliseerd voor :

  1. a)de eerste graad;
  2. b)het algemeen secundair onderwijs;
  3. c)het technisch en kunstsecundair onderwijs;
  4. d)het beroepssecundair onderwijs. Onder voormelde aantallen wekelijkse urenleraar worden de uren-leraar begrepen berekend enerzijds voor de vakken godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie op grond van splitsingsnormen, met uitzondering van de wekelijkse uren-leraar die tijdens het betrokken schooljaar zelf in min- of meerdering worden gebracht, en anderzijds voor alle overige vakken op grond van leerlingencoëfficiënten respectievelijk minimumpakketten, steeds met inachtneming van het te verrekenen aanwendingspercentage. In afwijking van deze bepaling wordt de "berekening voor het schooljaar 1997-1998" vervangen door een "berekening voor het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de betrokken instellingen deel hebben uitgemaakt van een (vrijwillige) fusie, zoals

artikel 56, 3°, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, toegevoegd bij het decreet van 21 december 1994"; 2° de totalen,

1°, worden gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen die de respectieve wekelijkse uren-leraar genereren : - het quotiënt voor de eerste graad is A; - het quotiënt voor het algemeen secundair onderwijs is B; - het quotiënt voor het technisch en kunstsecundair onderwijs is C; - het quotiënt voor het beroepssecundair onderwijs is D; 3° een scholengemeenschap, een groep van scholengemeenschappen, een inrichtende macht voor haar instellingen die niet in een scholengemeenschap zijn opgenomen of een groep van inrichtende machten voor hun instellingen die niet in een scholengemeenschap zijn opgenomen, die enerzijds kan aantonen dat uiterlijk vanaf het schooljaar 1999-2000 structurele maatregelen werden genomen en anderzijds aan de hieronder beschreven voorwaarde beantwoordt, wordt geacht de vermindering,

§ 1

, te hebben gerealiseerd :

  1. a)voor het schooljaar 2000-2001 : - E = het totaal van de respectieve aantallen berekende wekelijkse uren-leraar van de betrokken instellingen; - F = de som van : - A vermenigvuldigd met het totaal aantal regelmatige leerlingen op 1 februari voorafgaand in de eerste graad; - B vermenigvuldigd met het totaal aantal regelmatige leerlingen op 1 februari voorafgaand in het algemeen secundair onderwijs; - C vermenigvuldigd met het totaal aantal regelmatige leerlingen op 1 februari voorafgaand in het technisch en kunstsecundair onderwijs; - D vermenigvuldigd met het totaal aantal regelmatige leerlingen op 1 februari voorafgaand in het beroepssecundair onderwijs; - G = F-E - Voorwaarde : G is gelijk aan of groter dan 0,50 % van F;
  2. b)voor het schooljaar 2001-2002 : wordt een analoge werkwijze toegepast, met dien verstande dat het percentage 1 % bedraagt;
  3. c)voor het schooljaar 2002-2003 : wordt een analoge werkwijze toegepast, met dien verstande dat het percentage 1,50 % bedraagt;
  4. d)voor het schooljaar 2003-2004 : wordt een analoge werkwijze toegepast, met dien verstande dat het percentage 2 % bedraagt;
  5. e)vanaf het schooljaar 2004-2005 : wordt een analoge werkwijze toegepast, met dien verstande dat het percentage 2,50 % bedraagt;4° indien een instelling in een andere scholengemeenschap wordt ondergebracht, dan wordt steeds gebaseerd op het referentie-schooljaar,

1°, de vermindering berekend afhankelijk van de groep van betrokken scholengemeenschappen. § 3. Indien de desbetreffende scholengemeenschap, groep van scholengemeenschappen, inrichtende macht of groep van inrichtende machten geen of onvoldoende maatregelen heeft genomen om ten minste het percentage,

§ 2

, te bereiken, dan zal voor het betrokken schooljaar het aantal niet-verminderde wekelijkse uren-leraar om tot ditzelfde percentage te komen, worden afgetrokken van het toegekend pakket wekelijkse uren-leraar van die instelling(

  1. en)die, naargelang van het geval, door de betrokken inrichtende macht of door de betrokken inrichtende machten in onderling overleg, worden aangewezen. Bij ontstentenis van een dergelijke aanwijzing zal het aantal niet-verminderde wekelijkse uren-leraar worden afgetrokken van het toegekend pakket wekelijkse uren-leraar van die instelling(
  2. en)die het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap zelf aanwijst. TITEL XI. - Ondersteunend personeel Art. 93.De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op het voltijds gewoon secundair onderwijs. De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op de instellingen van het gemeenschapsonderwijs die in Duitsland gelegen zijn. Art. 94.§ 1. De personeelscategorie "ondersteunend personeel" bestaat uit de volgende ambten : 1° administratief medewerker;2° opvoeder. § 2. De personeelscategorie "administratief personeel" bestaat uit de volgende ambten : 1° opsteller;2° klerk-typist. § 3. De personeelscategorie "opvoedend hulppersoneel" bestaat uit de volgende ambten : 1° opvoeder-huismeester;2° directiesecretaris;3° secretaris-bibliothecaris;4° studiemeester-opvoeder. § 4. De ambten,

de §§ 1 tot 3, worden per ambt toegekend hetzij aan één enkel personeelslid, hetzij aan twee personeelsleden die elk met een halftijdse betrekking worden belast. Art. 95.In een instelling dienen de personeelsleden van de personeelscategorieën ondersteunend personeel, administratief personeel en/of opvoedend hulppersoneel uit ten minste 50 % opvoeders en/of opvoedend hulppersoneel te bestaan. Art. 96.De oprichting van betrekkingen in de ambten,

artikel 94, §§ 1 tot 3, is gebaseerd op volgend puntensysteem : 1° aan elke instelling die niet de enige is binnen het betrokken onderwijsnet in de betrokken gemeente, wordt een aantal punten toegekend dat gelijk is aan de som van de producten van het aantal regelmatige leerlingen op de tellingsdatum,

artikel 3, § 8, 1°, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, toegevoegd bij het decreet van 31 juli 1990 en gewijzigd bij de decreten van 9 april 1992 en 25 juni 1992, met het overeenkomstig aantal punten per leerling, zoals hierna bepaald :

  1. a)voor de le tot de 270e leerling : 0,92;
  2. b)voor de 271e tot de 400e leerling : 0,80;
  3. c)voor de 401e tot en met de 800e leerling : 0,73;
  4. d)voor de 801e tot en met de 1 000e leerling : 0,50;
  5. e)vanaf de 1 001e leerling : 0,39. Voor de instellingen met ten minste 271 leerlingen wordt evenwel het resultaat van het product,

a), beschouwd als gelijk aan 250 punten; 2° aan elke instelling die de enige is binnen het betrokken onderwijswet in de betrokken gemeente, wordt een aantal punten toegekend dat gelijk is aan : a) een forfaitair aantal punten afhankelijk van het aantal regelmatige leerlingen op de tellingsdatum,

1°, zoals hierna bepaald : - voor instellingen met maximum 97 leerlingen : 90; - voor instellingen met minimum 98 en maximum 172 leerlingen : 160; - voor instellingen met minimum 173 leerlingen : 250; b) voor een instelling met minimum 271 leerlingen wordt het forfaitair aantal punten, vastgesteld op 250 in a), vermeerderd met een aantal punten dat gelijk is aan de som van de producten van het aantal regelmatige leerlingen op de tellingsdatum,

1°, met het overeenkomstig aantal punten per leerling, zoals hierna bepaald : - voor de 271e tot en met de 400e leerling : 0,80; - voor de 401e tot en met de 800e leerling : 0,73; - voor de 801e tot en met de 1 000e leerling : 0,50; - vanaf de 1 001e leerling : 0,39; 3° aan elke instelling wordt, bovenop het in 1° of 2°, naargelang van het geval, gestelde, een aantal punten toegekend dat gelijk is aan het product van het aantal leerlingen in het eerste leerjaar B, in het beroepsvoorbereidend leerjaar en in de leerjaren van de tweede en de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, met 0,14 punten;4° aan de centrale raad van de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs wordt, ter uitvoering van de rekenplichtigheid, elk schooljaar een forfaitair aantal punten toegekend gelijk aan 5 330 punten. Art. 97.§ 1. Aan elk van de ambten,

artikel 94, §§ 1 tot 3, wordt per betrekking onderstaand aantal punten gekoppeld : 1° administratief medewerker met bekwaamheidsbewijs secundair onderwijs : 63;2° administratief medewerker met bekwaamheidsbewijs hoger onderwijs van het korte type en met weddeschaal 106 : 100;3° administratief medewerker met bekwaamheidsbewijs hoger onderwijs van het korte type en met weddeschaal 158 : 82;4° administratief medewerker met bekwaamheidsbewijs hoger onderwijs van het lange type of universitair onderwijs : 120;5° opvoeder met bekwaamheidsbewijs secundair onderwijs : 63;6° opvoeder met bekwaamheidsbewijs hoger onderwijs van het korte type en met weddeschaal 106 : 100;7° opvoeder met bekwaamheidsbewijs hoger onderwijs van het korte type en met weddeschaal 158 : 82;8° opvoeder met bekwaamheidsbewijs hoger onderwijs van het lange type of universitair onderwijs : 120;9° opsteller : 63;10° klerk-typist : 57;11° opvoeder-huismeester : 100;12° directiesecretaris : 100;13° secretaris-bibliothecaris met weddeschaal 122 : 77;14° secretaris-bibliothecaris met weddeschaal 158 : 82;15° secretaris-bibliothecaris met weddeschaal 163 : 95;16° secretaris-bibliothecaris met weddeschaal 164 : 108;17° studiemeester-opvoeder met weddeschaal 122 : 77;18° studiemeester-opvoeder met weddeschaal 100 : 78;19° studiemeester-opvoeder met weddeschaal 158 : 82;20° studiemeester-opvoeder met weddeschaal 208 : 99. § 2. De Vlaamse regering bepaalt wat onder de bekwaamheidsbewijzen,

§ 1, wordt verstaan.

Art. 98.Het overeenkomstig artikel 96 berekend aantal punten wordt voor de oprichting van betrekkingen in de ambten,

artikel 94, §§ 1 tot en met 3, door de instelling vrij aangewend, rekening houdend met de volgende criteria : 1° het aantal aan te wenden punten,

artikel 97, § 1, dat de oprichting van een overeenkomstige betrekking vereist;2° tijdens het schooljaar 1998-1999 kan een personeelslid tijdelijk worden aangeworven in een vacante betrekking van een ambt van de personeelscategorie ondersteunend personeel voor zover de instelling punten ter beschikking heeft;3° vanaf 1 september 1998 kunnen geen personeelsleden in de ambten van de personeelscategorieën administratief personeel en opvoedend hulppersoneel worden aangeworven in een vacante betrekking. In afwijking hiervan :

  1. a)kan tijdens de schooljaren 1998-1999 tot en met 2005-2006 een tijdelijk personeelslid dat in dienst is op 30 juni opnieuw worden aangeworven op 1 september van hetzelfde kalenderjaar;
  2. b)kan een personeelslid worden aangeworven dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking in één van de ambten van de personeelscategorieën administratief personeel en opvoedend hulppersoneel bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling;4° tot en met het schooljaar 2005-2006 blijven alle vastbenoemden en tijdelijken in vacante betrekkingen in de ambten van de personeelscategorieën administratief personeel en opvoedend hulppersoneel in dienst, voor zover hun betrekkingen zijn opgericht met toepassing van het koninklijk besluit van 15 april 1977 tot vaststelling van de regelen en de voorwaarden voor de berekening van het aantal betrekkingen in sommige ambten van het opvoedend hulppersoneel en van het administratief personeel van de inrichtingen voor secundair onderwijs, gewijzigd bij de koninklijke besluiten nr. 61 van 20 juli 1982, 13 maart 1985 en nr.449 van 20 augustus 1986, het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990, het decreet van 15 december 1993 en het besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 1996; 5° tijdens de schooljaren 1999-2000 tot en met 2005-2006 en onverminderd hetgeen bepaald is in 1°, kan een personeelslid worden aangeworven in een vacante betrekking van een ambt van de personeelscategorie ondersteunend personeel voorzover hetzij de som van de punten van de instellingen die tot de scholengemeenschap behoren, hetzij het aantal punten van de instelling die niet tot een scholengemeenschap behoort, naargelang van het geval, groter is dan het aantal punten dat wordt aangewend voor de instandhouding van het aantal betrekkingen in de ambten van de personeelscategorieën opvoedend hulppersoneel en administratief personeel met toepassing van hetzelfde koninklijk besluit. Bij de bedoelde aanwerving in een vacante betrekking van een ambt van de personeelscategorie ondersteunend personeel wordt voorrang gegeven aan personeelsleden uit de personeelscategorieën administratief personeel en opvoedend hulppersoneel, ressorterend onder 3°, van andere instellingen van de betrokken scholengemeenschap waarvan het aantal punten kleiner is dan het aantal punten dat overeenstemt met de instandhouding - op grond van de bepalingen van hetzelfde koninklijk besluit van 15 april 1977 - van de betrekkingen van de desbetreffende personeelsleden. Indien bedoelde som van de punten daarentegen kleiner is, worden de betrokken personeelsleden van de personeelscategorieën opvoedend hulppersoneel en administratief personeel van de instellingen die de scholengemeenschap vormen, voor de vervulling van opdrachten voor andere instellingen van de scholengemeenschap ingezet; 6° vanaf het schooljaar 1999-2000 mogen de punten die in een instelling niet worden aangewend, worden gevoegd bij de overblijvende punten van andere instellingen van dezelfde scholengemeenschap.Het resultaat geeft een aantal punten dat, als dit in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt, kan worden aangewend voor de oprichting en/of instandhouding van betrekkingen in de ambten van de personeelscategorie ondersteunend personeel in één of meer instellingen van die scholengemeenschap, zoals

artikel 79, § 2; 7° vanaf het schooljaar 2006-2007 kunnen geen betrekkingen in de ambten van het opvoedend hulppersoneel en het administratief personeel meer worden opgericht of in stand gehouden met

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.