← België

Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het

Kort samengevat

Dit decreet regelt diverse aspecten van het secundair onderwijs en wijzigt een eerder decreet over het basisonderwijs. Het introduceert nieuwe definities, structureert het onderwijsaanbod in studiegebieden en voorziet in de omzetting van bestaande naar nieuwe benamingen van structuuronderdelen.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
14 JULI 1998. - Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035730 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1987 type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035724 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1988 sluiten betreffende het basisonderwijs (1) Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL I. - Algemene bepaling Artikel 1.Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid. TITEL II. - Definities Art. 2.Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder : l° afstand : de kortst mogelijke afstand tussen de hoofdingang van de hoofdvestigingsplaats van de ene instelling tot de hoofdingang van de hoofdvestigingsplaats van de andere instelling gemeten langs de rijbaan, zoals omschreven in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 01/12/1975 pub. 31/03/2000 numac 1999000004 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer - Duitse vertaling type koninklijk besluit prom. 01/12/1975 pub. 14/07/2014 numac 2014000537 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten houdende het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, éénrichtingsverkeer en autosnelwegen; 2° algemeen vormende component : het deel van het opleidingsprofiel dat tot doel heeft een lerende persoonsvorming en een maatschappelijk-culturele vorming bij te brengen;3° basisoptie : een groep leervakken die in de eerste graad een bredere observatie en oriëntatie van de leerling mogelijk maken;4° beroepenveld : de combinatie van technische disciplines die in het beroepsvoorbereidend leerjaar onderwezen wordt;5° beroepsgerichte component : het deel van het opleidingsprofiel dat tot doel heeft één of meer beroepsopleidingen te realiseren;6° beroepsopleiding : een samenhangend geheel van beroepsgerichte opleidingsactiviteiten;7° bestuurspersoneel : a) adjunct-directeur;b) beheerder (wat de internaten betreft, die buiten het toepassingsgebied van dit decreet vallen);c) coördinator (wat het deeltijds beroepssecundair onderwijs betreft);d) directeur;e) technisch adviseur;f) technisch adviseur-coördinator;8° doorstroomcomponent : het deel van het opleidingsprofiel dat tot doel heeft een lerende voor te bereiden op de vereisten van vervolgonderwijs en/of -opleiding;9° 1 februari : hetzij 1 februari, hetzij de eerstvolgende lesdag indien 1 februari een vrije dag is, waarbij een facultatieve verlofdag of een pedagogische studiedag ook als een lesdag wordt beschouwd;10° 1 oktober : hetzij 1 oktober, hetzij de eerstvolgende lesdag indien 1 oktober een vrije dag is, waarbij een facultatieve verlofdag of een pedagogische studiedag ook als een losdag wordt beschouwd;11° hoofdvestigingsplaats : vestigingsplaats waar de administratieve zetel van de instelling wordt ondergebracht;12° inrichtende macht : de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die voor één of meer instellingen verantwoordelijk is;wat het gemeenschapsonderwijs betreft, worden met inrichtende macht inzonderheid de bestuursorganen bedoeld die zijn vermeld in artikel 5, § 1, 1° en 2°, van het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Automome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs; 13° lokaal comité : het inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden bevoegde lokaal overlegorgaan of onderhandelingsorgaan;14° modulair stelsel : een onderwijssysteem waarin leerlingen door de overheid vastgestelde modules verwerven;15° module : het kleinste deel van een opleiding dat aanleiding geeft tot een certificaat op basis van eindtermen vastgelegd door de overheid;16° omvorming : de opheffing in een instelling van een bestaand structuuronderdeel en de gelijktijdige vervanging door een ander, waarbij het onderwijsaanbod numeriek niet wijzigt;17° omzetting : de van overheidswege opgelegde wijziging van de benaming van een structuuronderdeel;18° ondersteunend personeel : administratief medewerker, opvoeder;19° onderwijsnet : a) het gemeenschapsonderwijs;b) het gemeentelijk en het provinciaal onderwijs;c) het vrij onderwijs;20° onderwijzend personeel : begeleider, godsdienstleraar, leraar;21° opleiding : een geheel van onderwijs- en studieactiviteiten, erkend door de overheid en bestaande uit één of meer van volgende componenten : een algemeen vormende, een beroepsgerichte en een doorstroomgerichte component;22° opleidingsprofiel : een geheel van vaardigheden, kennis en attitudes, geformuleerd als eindtermen, die binnen een opleiding verworven moeten worden;23° opleidingsstructuur : het geheel van alle per studiegebied geordende opleidingen met bijhorende modules;24° optie : een leervak of een groep leervakken die in de tweede, de derde en de vierde graad het karakteristieke van de opleiding bepalen en die bestaat uit het fundamenteel gedeelte dat de studierichting bepaalt en eventueel het complementair gedeelte;25° overheveling : de overbrenging van een deel van het onderwijsaanbod van de ene naar de andere instelling, al dan niet op grond van onderlinge uitwisseling;26° plage-uren : uren die zich situeren boven het minimum maar binnen het maximum aantal uren van de opdracht zoals bepaald in de reglementering;27° programmatie : hetzij de oprichting van een op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet bestaande instelling, hetzij de oprichting van een op dezelfde datum niet georganiseerd structuuronderdeel - waardoor het onderwijsaanbod numeriek toeneemt - met de bedoeling de instelling of het structuuronderdeel in aanmerking te laten komen voor financiering of subsidiëring;28° scholengemeenschap : één instelling of een groep van instellingen die binnen een geografische omschrijving gezamenlijk instaat voor de onderwijsvoorziening.Zolang het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs niet wordt gewijzigd, wordt voor het gemeenschapsonderwijs onder scholengemeenschap de bevoegde inrichtende macht verstaan; 29° specifiek structuuronderdeel : een structuuronderdeel dat voorbereidt op zeer beperkte en sterk gespecialiseerde beroepen of beroepssectoren en/of dat om redenen van inhoudelijke validiteit slechts in beperkte mate aangeboden kan worden;30° structuuronderdeel : een onderverdeling in het onderwijsaanbod die gefinancierd of gesubsidieerd kan worden;binnen de context van de overhevelingen wordt "structuuronderdeel" echter als een ruimer begrip gehanteerd vermits er ook een eerste graad, een studiegebied en een vestigingsplaats wordt onder verstaan; 31° studiegebied : een groep van structuuronderdelen op basis van een inhoudelijke verwantschap en, in het technisch en beroepssecundair onderwijs, eveneens op basis van een behoefte aan eenzelfde onderwijsinfrastructuur en een uitweg naar eenzelfde beroepssector;32° vacature : elke volledige of onvolledige betrekking die ofwel definitief vacant is ofwel tijdelijk vacant is voor een periode van ten minste tien werkdagen;33° vestigingsplaats : alle gebouwde en ongebouwde onroerende goederen die ingeplant zijn op eenzelfde kadastraal perceel of op aaneengesloten kadastrale percelen en die volledig of gedeeltelijk door personeelsleden van de betrokken instelling gebruikt worden voor onderwijsactiviteiten, met uitzondering van stages en buitenschoolse activiteiten. TITEL III. - Onderwijsaanbod Art. 3.De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op het voltijds gewoon secundair onderwijs, op de opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs en, uitsluitend voor het artikel 8, op de opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs. De bepalingen van deze titel zijn eveneens van toepassing op de instellingen van het gemeenschapsonderwijs die in Duitsland gelegen zijn. Art. 4.§ 1. Het huidig aanbod in het secundair onderwijs, met uitzondering van de eerste graad, wordt ingedeeld in studiegebieden. De studiegebieden zijn : algemeen secundair onderwijs sport auto bouw chemie decoratieve technieken fotografie glastechnieken grafische technieken handel hout juwelen kleding koeling en warmte land- en tuinbouw lederbewerking lichaamsverzorging maritieme opleidingen mechanica-elektriciteit muziekinstrumentenbouw optiek orthopedische technieken personenzorg riet- en vlechtwerk schoeisel tandtechnieken textiel toerisme voeding ballet beeldende kunsten podiumkunsten. § 2. De Vlaamse regering rangschikt elk op 1 oktober 1997 organiseerbaar structuuronderdeel in één van de studiegebieden, genoemd in § 1. § 3. Voor de toepassing van § 2 wordt met structuuronderdeel bedoeld : 1° een optie van de tweede, derde of vierde graad van een bepaalde onderwijsvorm;2° het derde leerjaar van de tweede graad, georganiseerd als een vervolmakingsjaar;3° het derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs;4° het derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar. Art. 5.§ 1. De Vlaamse regering wijst de structuuronderdelen aan die specifiek zijn. Alle resterende structuuronderdelen worden als niet-specifiek beschouwd. § 2. De Vlaamse regering wijst de structuuronderdelen aan die geen inhoudelijke relevantie of actualiteitswaarde meer hebben. § 3. Voor de toepassing van de §§ 1 en 2 wordt met structuuronderdeel bedoeld : elk(e) op 1 oktober 1997 organiseerba(a)r(e) : 1° basisoptie 2° beroepenveld : 3° optie van de tweede, derde of vierde graad van een bepaalde onderwijsvorm;4° derde leerjaar van de tweede graad, georganiseerd als een vervolmakingsjaar;5° derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs;6° derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar. Art. 6.§ 1. De Vlaamse regering voert de omzetting uit van de bestaande naar de nieuwe benamingen van structuuronderdelen. Bij deze omzetting wordt het onderscheid, bedoeld in artikel 5, § 1, gehandhaafd en vervallen in elk geval de benamingen van de structuuronderdelen, bedoeld in artikel 5, § 2. § 2. De bepalingen van § 1 zijn van toepassing op : 1° de basisopties en de beroepenvelden : op 1 september 1999;2° de opties van het eerste leerjaar van de tweede graad : op 1 september 2000;3° de opties van het tweede leerjaar van de tweede graad : op 1 september 2001;4° het derde leerjaar van de tweede graad, georganiseerd als een vervolmakingsjaar, en de opties van het eerste leerjaar van de derde graad : op 1 september 2002;5° de opties van het tweede leerjaar van de derde graad : op 1 september 2003;6° het derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs of als een specialisatiejaar, en de opties van de leerjaren van de vierde graad : op 1 september 2004. § 3. Na de voltooiing van de omzetting, bedoeld in de §§ 1 en 2, blijven als studiegebieden over, waarin structuuronderdelen worden gegroepeerd : algemeen secundair onderwijs sport auto bouw chemie decoratieve technieken fotografie glastechnieken grafische technieken handel hout juwelen kleding koeling en warmte land- en tuinbouw lichaamsverzorging maritieme opleidingen mechanica-elektriciteit muziekinstrumentenbouw optiek orthopedische technieken personenzorg tandtechnieken textiel toerisme voeding ballet beeldende kunsten podiumkunsten. Art. 7.§ 1. De Vlaamse regering kan, afhankelijk van technologische evoluties en/of arbeidsmarktbehoeften, nieuwe structuuronderdelen vastleggen. Ze geeft aan of deze nieuwe structuuronderdelen al dan niet als specifiek moeten worden beschouwd en rangschikt ze in één van de studiegebieden genoemd in artikel 6, § 3, behalve wat de eerste graad betreft. Voor uitzonderlijke gevallen kan de Vlaamse regering bepalen dat tijdens het eerste schooljaar waarin een nieuw specifiek structuuronderdeel wordt georganiseerd, de tellingsdatum, bedoeld in artikel 3, § 8, 1°, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, toegevoegd bij het decreet van 31 juli 1990 en gewijzigd bij de decreten van 9 april 1992 en 25 juni 1992, wordt vastgesteld op 1 oktober van het betrokken schooljaar voor de vaststelling van de omkaderingsnormen voor de diverse personeelscategorieën enerzijds en de bepaling van de werkingsmiddelen anderzijds. § 2. Voor de toepassing van § 1 worden de volgende structuuronderdelen bedoeld : 1° basisopties;2° beroepenvelden;3° opties van de tweede of derde graad van een bepaalde onderwijsvorm;4° het derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar. Art. 8.§ 1. Volgens een modulair stelsel kunnen worden georganiseerd : 1° het beroepssecundair onderwijs van het voltijds gewoon secundair onderwijs;2° het beroepssecundair onderwijs van de opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs;3° de opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs;4° het deeltijds beroepssecundair onderwijs. § 2. De Vlaamse regering bepaalt de opleidingsstructuur en de studiebekrachtiging van het onderwijs georganiseerd met toepassing van § 1. In het beroepssecundair onderwijs van het voltijds gewoon secundair onderwijs en de opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs dient in elk geval, gespreid over de tijd, de basisvorming afgewerkt te worden bedoeld in artikel 55, §§ 3, 6 en 7, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II. TITEL IV. - Programmaties HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling Art. 9.De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op het voltijds gewoon secundair onderwijs. De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op de instellingen van het gemeenschapsonderwijs die in Duitsland gelegen zijn. HOOFDSTUK II. - Bepalingen van toepassing voor het schooljaar 1998-1999 Afdeling 1. - Programmatie van instellingen Art. 10.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan geen enkele nieuwe instelling worden gefinancierd of gesubsidieerd. § 2. In afwijking van § 1 kan door de Vlaamse Gemeenschap een nieuwe instelling, ontstaan door middel van splitsing van een bestaande instelling, worden gefinancierd of gesubsidieerd, indien aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° de splitsing maakt deel uit van een gelijktijdige herstructurering van instellingen die niet resulteert in een groter aantal instellingen;2° alle bij de splitsing betrokken instellingen bereiken na de splitsing 100 % van de toepasbare rationalisatienorm, bedoeld in : a) hetzij artikel 49, 1°;b) hetzij artikel 49, 2° : voor de instellingen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de instellingen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven;3° de splitsing neemt één van de volgende vormen aan : a) hetzij een afsplitsing van de eerste graad.Bij dergelijke afsplitsing mag de eerste graad, eventueel met dezelfde structuuronderdelen, in de oorspronkelijke instelling gehandhaafd blijven; voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende structuuronderdelen bedoeld : het eerste leerjaar A, het eerste leerjaar B, de basisopties en de beroepenvelden : b) hetzij een afsplitsing van één of meer studiegebieden;c) hetzij een combinatie van beide voorgaande vormen;4° een autonome instelling bestaande uit de eerste graad of de eerste en de tweede graad, die ingevolge splitsing ontstaat, moet ten minste de volgende structuuronderdelen organiseren : een eerste leerjaar A, een eerste leerjaar B, een tweede leerjaar van de eerste graad en een beroepsvoorbereidend leerjaar. Afdeling 2. - Programmatie van structuuronderdelen Onderafdeling A. - Algemene bepaling Art. 11.Een financiering of subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap met toepassing van de bepalingen van deze afdeling is afhankelijk van de voorwaarde dat het door de instelling tijdens het betrokken schooljaar georganiseerd aantal plage-uren, respectievelijk niet gefinancierde of gesubsidieerde wekelijkse uren-leraar, niet hoger ligt dan het aantal plage-uren, respectievelijk niet gefinancierde of gesubsidieerde wekelijkse uren-leraar van het voorafgaand schooljaar, tenzij er een akkoord bestaat in het lokaal comité. Onderafdeling B. - Programmatie van structuuronderdelen - eerste graad Art. 12.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet ingericht(e) eerste leerjaar A of B, niet-specifieke basisoptie of niet-specifiek beroepenveld worden gefinancierd of gesubsidieerd. § 2. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerde specifieke basisoptie worden gefinancierd of gesubsidieerd, op voorwaarde dat in dezelfde instelling of in een andere instelling van dezelfde scholengemeenschap in de tweede graad ten minste één aansluitend studiegebied op voormelde datum wordt georganiseerd. De Vlaamse regering bepaalt voor elke specifieke basisoptie het (de) aansluitend(e) studiegebied(en). § 3. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd specifiek beroepenveld worden gefinancierd of gesubsidieerd, op voorwaarde dat in dezelfde instelling of in een andere instelling van dezelfde scholengemeenschap in de tweede graad ten minste één aansluitend studiegebied op voormelde datum wordt georganiseerd. De Vlaamse regering bepaalt voor elk specifiek beroepenveld het(de) aansluitend(e) studiegebied(en). Onderafdeling C. - Programmatie van structuuronderdelen - tweede en derde graad Art. 13.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerde optie in het eerste leerjaar van de tweede of derde graad worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° de optie is niet-specifiek;2° de optie is gerangschikt in een studiegebied dat op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar in de instelling werd georganiseerd met ten minste één niet-specifieke optie in het eerste en/of tweede leerjaar van de betrokken graad;3° in het betrokken studiegebied zijn op 1 februari van het voorafgaand schooljaar ten minste het volgend aantal regelmatige leerlingen ingeschreven : a) indien het studiegebied in de tweede en in de derde graad wordt georganiseerd;1. voor de studiegebieden algemeen secundair onderwijs, handel, personenzorg, ballet, beeldende kunsten en podiumkunsten : 150;2. voor alle andere studiegebieden : 100;b) indien het studiegebied enkel in de tweede of in de derde graad wordt georganiseerd : 1.voor de studiegebieden algemeen secundair onderwijs, handel, personenzorg, ballet, beeldende kunsten en podiumkunsten : 75; 2. voor alle andere studiegebieden : 50. Bij de toepassing van de gestelde minimale leerlingennorm worden de leerlingen van de derde leerjaren van de tweede en derde graad en van de leerjaren van de vierde graad, niet in aanmerking genomen. § 2. In afwijking van § 1, 3°, geldt voor de volgende instellingen die het betrokken studiegebied in de betrokken graad of graden organiseren, geen minimale leerlingennorm : 1° de enige instelling van het gemeenschapsonderwijs in de gemeente;2° de enige instelling van het gesubsidieerd officieel onderwijs in de gemeente;3° de enige instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs in de gemeente die een bepaalde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt;4° een instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs : a) die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert, en b) waarvoor de inrichtende macht uitsluitend eigen leerplannen hanteert die door de Vlaamse regering zijn goedgekeurd. Bij de toepassing van 3° worden de instellingen ressorterend onder 4° buiten beschouwing gelaten. Indien een inrichtende macht in een gemeente meer dan één instelling organiseert, dan kunnen desbetreffende instellingen nooit onder toepassing van 4° vallen. Art. 14.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober 1997 niet georganiseerde optie in het eerste leerjaar van de tweede graad, die is gerangschikt in een op dezelfde datum niet georganiseerd studiegebied,worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° de optie is niet-specifiek;2° de optie werd in het eerste leerjaar van de tweede graad in de instelling georganiseerd op 1 oktober 1995 en/of 1 oktober 1996;3° binnen de gemeente en het onderwijsnet is de instelling de enige die de optie in de tweede graad organiseert. Art. 15.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober 1997 niet georganiseerde optie in het eerste leerjaar van de derde graad, die is gerangschikt in een op dezelfde datum niet georganiseerd studiegebied, worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° de optie is niet-specifiek;2° de optie werd in het eerste leerjaar van de derde graad in de instelling georganiseerd op 1 oktober 1995 en/of 1 oktober 1996;3° binnen de gemeente en het onderwijsnet is de instelling de enige die de optie in de derde graad organiseert. Onderafdeling D. - Programmatie van structuuronderdelen - derde leerjaren van de derde graad Art. 16.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar, worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° het specialisatiejaar is niet-specifiek;2° het specialisatiejaar is gerangschikt in een studiegebied dat op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar in de instelling werd georganiseerd met ten minste één niet-specifieke optie in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad;3° op 1 oktober van het schooljaar van oprichting zijn ten minste het volgend aantal regelmatige leerlingen ingeschreven : a) voorzover er geen ander specialisatiejaar van hetzelfde studiegebied wordt georganiseerd : 1.hetzij 12 leerlingen in het betrokken specialisatiejaar; 2. hetzij 8 leerlingen in het betrokken specialisatiejaar : voor instellingen, gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, voor instellingen, gelegen in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners per km2, en voor de enige instelling in de provincie en het onderwijswet die het betrokken specialisatiejaar organiseert;b) voorzover er één of meer andere specialisatiejaren van hetzelfde studiegebied worden georganiseerd : 1.hetzij 20 leerlingen in alle specialisatiejaren samen; 2. hetzij 15 leerlingen in alle specialisatiejaren samen : voor instellingen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, voor instellingen, gelegen in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners per km2 en voor de enige instelling in de provincie en het onderwijswet die het betrokken specialisatiejaar organiseert. § 2. Voor de toepassing van § 1 worden de derde leerjaren van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, georganiseerd als specialisatiejaren kinderzorg en thuis- en bejaardenzorg, niet in aanmerking genomen. Art. 17.Door de Vlaamse Gemeenschap kan het in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, georganiseerd als een specialisatiejaar kinderzorg en/of thuis- en bejaardenzorg, naar keuze van de inrichtende macht, worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar werd in de instelling de optie verzorging georganiseerd in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs;2° op 1 oktober van het schooljaar van oprichting zijn in het betrokken specialisatiejaar of wanneer ze beide worden georganiseerd, in de twee betrokken specialisatiejaren samen, ten minste het volgend aantal regelmatige leerlingen ingeschreven : a) hetzij 18 leerlingen;b) hetzij 12 leerlingen : uitsluitend voor het gemeenschapsonderwijs èn op voorwaarde dat in de provincie maximum twee instellingen van dit onderwijswet één specialisatiejaar of de beide specialisatiejaren organiseren;c) hetzij 8 leerlingen : voor instellingen, gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, en voor instellingen, gelegen in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners per km2. Art. 18.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, niet georganiseerd als een specialisatiejaar, worden gefinancierd of gesubsidieerd op voorwaarde dat op 1 oktober van het schooljaar van oprichting ten minste het volgend aantal regelmatige leerlingen zijn ingeschreven : 1° hetzij 12 leerlingen;2° hetzij 8 leerlingen : voor instellingen, gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, voor instellingen, gelegen in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners per km2, en voor de enige instelling in de provincie en het onderwijsnet die het betrokken jaar organiseert. Onderafdeling E. - Programmatie van structuuronderdelen - vierde graad Art. 19.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerde optie in het eerste leerjaar van de vierde graad worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° het betreft de optie psychiatrische verpleegkunde respectievelijk ziekenhuisverpleegkunde;2° in de instelling werd op dezelfde datum de optie ziekenhuisverpleegkunde respectievelijk psychiatrische verpleegkunde georganiseerd. Onderafdeling F. - Programmatie van specifieke structuuronderdelen - tweede en derde graad Art. 20.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar in de betrokken instelling niet georganiseerde specifieke optie in het eerste leerjaar van de tweede of derde graad of specifiek derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar, worden gefinancierd of gesubsidieerd voor zover beantwoordend aan de bepalingen van een convenant dat : 1° is gesloten vóór 1 september 1998 tussen de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, de inrichtende machten van het onderwijs of representatieve verenigingen ervan en de partners uit een beroepssector, culturele of sportsector;2° uitdrukkelijk een beperking van het onderwijsaanbod vastlegt. Onderafdeling G. - Niet-programmeerbare structuuronderdelen Art. 21.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de tweede graad, georganiseerd als een vervolmakingsjaar, niet worden gefinancierd of gesubsidieerd. Art. 22.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs, niet worden gefinancierd of gesubsidieerd. Art. 23.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd structuuronderdeel dat onder toepassing valt van artikel 5, § 2, niet worden gefinancierd of gesubsidieerd. Voor een optie van de tweede of derde graad heeft het "niet georganiseerd zijn" betrekking op het eerste leerjaar van de betrokken graad. § 2. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd structuuronderdeel niet worden gefinancierd of gesubsidieerd indien de Vlaamse regering daartoe beslist met het oog op de omzetting, bedoeld in artikel 6. Voor een optie van de tweede of derde graad heeft het "niet georganiseerd zijn" betrekking op het eerste leerjaar van de betrokken graad. § 3. In afwijking van § 1 kan door de Vlaamse Gemeenschap een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd structuuronderdeel in het eerste leerjaar van de derde graad, dat uniek is in Vlaanderen en dat onder toepassing valt van artikel 5, § 2, worden gefinancierd of gesubsidieerd, voor zover op voornoemde datum hetzelfde structuuronderdeel in het tweede leerjaar van de tweede graad werd georganiseerd. HOOFDSTUK III. - Bepalingen van toepassing vanaf het schooljaar 1999-2000 op instellingen die tot een scholengemeenschap behoren Afdeling 1. - Algemene bepaling Art. 24.De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op instellingen die tot een scholengemeenschap behoren. Afdeling 2. - Programmatie van instellingen Art. 25.§ 1. Een instelling kan worden gefinancierd of gesubsidieerd indien 300 % van de toepasbare rationalisatienorm, bedoeld in artikel 49, 1°, wordt bereikt. § 2. In afwijking van § 1 dient slechts 150 % van de toepasbare rationalisatienorm, bedoeld in artikel 49, 1°, te worden bereikt voor : 1° de enige instelling van het gemeenschapsonderwijs in één der 45 onderwijszones die zijn vastgelegd in de bijlage gevoegd bij dit decreet;2° de enige instelling van het gesubsidieerd officieel onderwijs in één der bedoelde onderwijszones;3° de enige instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs in één der bedoelde onderwijszones die een bepaalde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt;4° een instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs : a) die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert, en b) waarvoor de inrichtende macht uitsluitend eigen leerplannen hanteert die door de Vlaamse regering zijn goedgekeurd. Bij de toepassing van 3° worden de instellingen ressorterend onder 4° buiten beschouwing gelaten. Indien een inrichtende macht in één der bedoelde onderwijszones meer dan één instelling organiseert, dan kunnen desbetreffende instellingen nooit onder toepassing van 4° vallen. § 3. Instellingen kunnen slechts door splitsing van bestaande instellingen ontstaan indien alle bij de splitsing betrokken instellingen na de splitsing 300 % bereiken van de toepasbare rationalisatienorm, bedoeld in artikel 49, 1°. Indien echter door splitsing van bestaande instellingen nieuwe instellingen ontstaan in het kader van een gelijktijdige herstructurering die niet resulteert in een groter aantal instellingen, dan dienen alle bij deze splitsing betrokken instellingen na de splitsing slechts 100 % te bereiken van de toepasbare rationalisatienorm, bedoeld in : a) hetzij artikel 49, 1°;b) hetzij artikel 49, 2° : voor de instellingen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de instellingen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven. § 4. De splitsing bedoeld in § 3 neemt één van de volgende vormen aan : 1° hetzij een afsplitsing van de eerste graad.Bij dergelijke afsplitsing mag de eerste graad, eventueel met dezelfde structuuronderdelen, in de oorspronkelijke instelling gehandhaafd blijven; voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende structuuronderdelen bedoeld : het eerste leerjaar A, het eerste leerjaar B, de basisopties en de beroepenvelden; 2° hetzij een afsplitsing van één of meer studiegebieden;3° hetzij een combinatie van beide voorgaande vormen. § 5. Een autonome instelling bestaande uit de eerste graad of de eerste en de tweede graad, die al dan niet ingevolge splitsing ontstaat, moet de volgende structuuronderdelen organiseren : een eerste leerjaar A, een eerste leerjaar B, een tweede leerjaar van de eerste graad en een beroepsvoorbereidend leerjaar. § 6. De programmatie van een instelling die ingevolge splitsing ontstaat kan slechts door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd worden als ze in overeenstemming is met de afspraken, bedoeld in artikel 71, 1°. Afdeling 3. - Programmatie van structuuronderdelen Onderafdeling A. - Algemene bepaling Art. 26.De programmatie van een structuuronderdeel kan slechts door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd worden als ze in overeenstemming is met de afspraken, bedoeld in artikel 71, 1°. Onderafdeling B. - Programmatie van specifieke structuuronderdelen - eerste graad Art. 27.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerde specifieke basisoptie worden gefinancierd of gesubsidieerd, op voorwaarde dat in dezelfde instelling of in een andere instelling van dezelfde scholengemeenschap in de tweede graad ten minste één aansluitend studiegebied op voormelde datum wordt georganiseerd. De Vlaamse regering bepaalt voor elke specifieke basisoptie het(de) aansluitend(e) studiegebied(en). § 2. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd specifiek beroepenveld worden gefinancierd of gesubsidieerd, op voorwaarde dat in dezelfde instelling of in een andere instelling van dezelfde scholengemeenschap in de tweede graad ten minste één aansluitend studiegebied op voormelde datum wordt georganiseerd. De Vlaamse regering bepaalt voor elk specifiek beroepenveld het(de) aansluitend(e) studiegebied(en). Onderafdeling C. - Programmatie van structuuronderdelen na gunstige beslissing van de Vlaamse regering Art. 28.§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 23 kan door de Vlaamse Gemeenschap een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar : 1° niet georganiseerde specifieke optie in het eerste leerjaar van de tweede of derde graad of niet georganiseerd specifiek derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar, vastgelegd door de Vlaamse regering met toepassing van artikel 5, § 1, of artikel 6, § 1;2° niet georganiseerd(e) basisoptie, beroepenveld, optie in het eerste leerjaar van de tweede of derde graad of niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar, nog niet vastgelegd door de Vlaamse regering met toepassing van artikel 5, § 1, of artikel 6, § 1;3° niet georganiseerd studiegebied, vermeld in artikel 6, § 3, worden gefinancierd of gesubsidieerd op voorwaarde dat de Vlaamse regering na gemotiveerde aanvraag van de betrokken inrichtende macht gunstig beslist. § 2. De Vlaamse regering neemt de beslissing, bedoeld in § 1, op eensluidend advies van de Vlaamse onderwijsraad en van de bevoegde administratie en inspectie van het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Elk advies dient uit te gaan van de volgende criteria : 1° de behoeften;2° de eventuele samenwerking met het bedrijfsleven;3° de rationele spreiding;4° de mogelijkheden van de betrokken instelling op het vlak van infrastructuur, leermiddelen, goedgekeurde leerplannen en inzetbaarheid van het personeel;5° de onderwijskundige en opvoedkundige context, meer bepaald : a) de aansluiting bij het bestaande onderwijsaanbod in de betrokken instelling of de betrokken scholengemeenschap;b) de waarborgen met betrekking tot, naargelang van het geval, de doorstroming naar een vervolgstudie of de tewerkstellingsperspectieven;6° de relatie met het opleidingsprofiel, maar dan uitsluitend voor een basisoptie, een beroepenveld, een optie in het eerste leerjaar van de tweede of derde graad of een derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar, nog niet door de Vlaamse regering vastgelegd met toepassing van artikel 5, § 1, of artikel 6, § 1. Onderafdeling D. - Overige programmaties Art. 29.§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 23 kan door de Vlaamse Gemeenschap een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd structuuronderdeel dat niet onder toepassing valt van artikel 27 of 28 worden gefinancierd of gesubsidieerd. § 2. Voor de toepassing van § 1 wordt met structuuronderdeel bedoeld : 1° een eerste leerjaar A of B;2° een basisoptie;3° een beroepenveld;4° een optie van de tweede, derde dan wel vierde graad van een bepaalde onderwijsvorm;5° het derde leerjaar van de tweede graad, georganiseerd als een vervolmakingsjaar;6° het derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs;7° het derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar;8° het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, niet georganiseerd als een specialisatiejaar. § 3. De toepassing van de bepalingen van dit artikel mag er geen aanleiding toe geven dat een optie van de tweede of derde graad wordt gefinancierd of gesubsidieerd, die is gerangschikt in een studiegebied dat op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar in de instelling werd georganiseerd met uitsluitend specifieke opties in het eerste en tweede leerjaar van de betrokken graad. HOOFDSTUK IV. - Bepalingen van toepassing vanaf het schooljaar 1999-2000 op instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren Afdeling 1. - Algemene bepaling Art. 30.De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren. Afdeling 2. - Programmatie van instellingen Art. 31.§ 1. Een instelling kan worden gefinancierd of gesubsidieerd indien 300 % van de toepasbare rationalisatienorm, bedoeld in artikel 49, 1°, wordt bereikt. § 2. In afwijking van § 1 dient slechts 150 % van de toepasbare rationalisatienorm, bedoeld in artikel 49, 1°, te worden bereikt voor : 1° de enige instelling van het gemeenschapsonderwijs in één der 45 onderwijszones die zijn vastgelegd in de bijlage gevoegd bij dit decreet;2° de enige instelling van het gesubsidieerd officieel onderwijs in één der bedoelde onderwijszones;3° de enige instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs in één der bedoelde onderwijszones die een bepaalde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt;4° een instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs : a) die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert, en b) waarvoor de inrichtende macht uitsluitend eigen leerplannen hanteert die door de Vlaamse regering zijn goedgekeurd. Bij de toepassing van 3° worden de instellingen ressorterend onder 4° buiten beschouwing gelaten. Indien een inrichtende macht in één der bedoelde onderwijszones meer dan één instelling organiseert, dan kunnen desbetreffende instellingen nooit onder toepassing van 4° vallen. § 3. Instellingen kunnen slechts door splitsing van bestaande instellingen ontstaan indien alle bij de splitsing betrokken instellingen na de splitsing 300 % bereiken van de toepasbare rationalisatienorm, bedoeld in artikel 49, 1°. Indien echter door splitsing van bestaande instellingen nieuwe instellingen ontstaan in het kader van een gelijktijdige herstructurering die niet resulteert in een groter aantal instellingen, dan dienen alle bij deze splitsing betrokken instellingen na de splitsing slechts 100 % te bereiken van de toepasbare rationalisatienorm, bedoeld in : a) hetzij artikel 49, 1°;b) hetzij artikel 49, 2° : voor de instellingen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de instellingen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven. § 4. De splitsing, bedoeld in § 3, neemt één van de volgende vormen aan : 1° hetzij een afsplitsing van de eerste graad.Bij dergelijke afsplitsing mag de eerste graad, eventueel met dezelfde structuuronderdelen, in de oorspronkelijke instelling gehandhaafd blijven; voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende structuuronderdelen bedoeld : het eerste leerjaar A, het eerste leerjaar B, de basisopties en de beroepenvelden; 2° hetzij een afsplitsing van één of meer studiegebieden;3° hetzij een combinatie van beide voorgaande vormen. § 5. Een autonome instelling bestaande uit de eerste graad of de eerste en de tweede graad, die al dan niet ingevolge splitsing ontstaat, moet de volgende structuuronderdelen organiseren : een eerste leerjaar A, een eerste leerjaar B, een tweede leerjaar van de eerste graad en een beroepsvoorbereidend leerjaar. Afdeling 3. - Programmatie van structuuronderdelen Onderafdeling A. - Programmatie van structuuronderdelen. - eerste graad Art. 32.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet ingericht(e) eerste leerjaar A of B, niet-specifieke basisoptie of niet-specifiek beroepenveld worden gefinancierd of gesubsidieerd. § 2. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerde specifieke basisoptie worden gefinancierd of gesubsidieerd, op voorwaarde dat in dezelfde instelling in de tweede graad ten minste één aansluitend studiegebied op voormelde datum wordt georganiseerd. De Vlaamse regering bepaalt voor elke specifieke basisoptie het(de) aansluitend(e) studiegebied(en). § 3. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd specifiek beroepenveld worden gefinancierd of gesubsidieerd, op voorwaarde dat in dezelfde instelling in de tweede graad ten minste één aansluitend studiegebied op voormelde datum wordt georganiseerd. De Vlaamse regering bepaalt voor elk specifiek beroepenveld het(de) aansluitend(e) studiegebied(en). Onderafdeling B. - Programmatie van structuuronderdelen tweede - en derde graad Art. 33.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerde optie in het eerste leerjaar van de tweede of derde graad worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° de optie is niet-specifiek;2° de optie is gerangschikt in een studiegebied dat op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar in de instelling werd georganiseerd met ten minste één niet-specifieke optie in het eerste en/of tweede leerjaar van de betrokken graad;3° in het betrokken studiegebied zijn op 1 februari van het voorafgaand schooljaar ten minste het volgend aantal regelmatige leerlingen ingeschreven : a) indien het studiegebied in de tweede en in de derde graad wordt georganiseerd : 1.voor de studiegebieden algemeen secundair onderwijs, handel, personenzorg, ballet, beeldende kunsten en podiumkunsten : 150; 2. voor alle andere studiegebieden : 100;b) indien het studiegebied enkel in de tweede of in de derde graad wordt georganiseerd : 1.voor de studiegebieden algemeen secundair onderwijs, handel, personenzorg, ballet, beeldende kunsten en podiumkunsten : 75; 2. voor alle andere studiegebieden : 50. Bij de toepassing van de gestelde minimale leerlingennorm worden de leerlingen van de derde leerjaren van de tweede en derde graad en van de leerjaren van de vierde graad, niet in aanmerking genomen. § 2. In afwijking van § 1, 3°, geldt voor de volgende instellingen die het betrokken studiegebied in de betrokken graad of graden organiseren, geen minimale leerlingennorm : 1° de enige instelling van het gemeenschapsonderwijs in de gemeente;2° de enige instelling van het gesubsidieerd officieel onderwijs in de gemeente;3° de enige instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs in de gemeente die een bepaalde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt;4° een instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs : a) die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert;en b) waarvoor de inrichtende macht uitsluitend eigen leerplannen hanteert die door de Vlaamse regering zijn goedgekeurd. Bij de toepassing van 3° worden de instellingen ressorterend onder 4° buiten beschouwing gelaten. Indien een inrichtende macht in een gemeente meer dan één instelling organiseert, dan kunnen desbetreffende instellingen nooit onder toepassing van 4° vallen. Onderafdeling C. - Programmatie van structuuronderdelen - derde leerjaren van de derde graad Art. 34.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar, worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° het specialisatiejaar is niet-specifiek;2° het specialisatiejaar is gerangschikt in een studiegebied dat op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar in de instelling werd georganiseerd met ten minste één niet-specifieke optie in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad;3° op 1 oktober van het schooljaar van oprichting zijn ten minste het volgend aantal regelmatige leerlingen ingeschreven : a) voorzover er geen ander specialisatiejaar van hetzelfde studiegebied wordt georganiseerd : 1.hetzij 12 leerlingen in het betrokken specialisatiejaar; 2. hetzij 8 leerlingen in het betrokken specialisatiejaar : voor instellingen, gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, voor instellingen, gelegen in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners per km2, en voor de enige instelling in de provincie en het onderwijswet die het betrokken specialisatiejaar organiseert;b) voorzover er één of meer andere specialisatiejaren van hetzelfde studiegebied worden georganiseerd : 1.hetzij 20 leerlingen in alle specialisatiejaren samen; 2. hetzij 15 leerlingen in alle specialisatiejaren samen : voor instellingen, gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, voor instellingen gelegen in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners per km2, en voor de enige instelling in de provincie en het onderwijswet die het betrokken specialisatiejaar organiseert. § 2. Voor de toepassing van § 1 worden de derde leerjaren van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, georganiseerd als specialisatiejaren kinderzorg en thuis- en bejaardenzorg, niet in aanmerking genomen. Art. 35.Door de Vlaamse Gemeenschap kan het in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, georganiseerd als een specialisatiejaar kinderzorg en/of thuis- en bejaardenzorg, naar keuze van de inrichtende macht, worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar werd in de instelling de optie verzorging georganiseerd in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs;2° op 1 oktober van het schooljaar van oprichting zijn in het betrokken specialisatiejaar of wanneer ze beide worden georganiseerd, in de twee betrokken specialisatiejaren samen, ten minste het volgend aantal regelmatige leerlingen ingeschreven : a) hetzij 18 leerlingen;b) hetzij 12 leerlingen : uitsluitend voor het gemeenschapsonderwijs én op voorwaarde dat in de provincie maximum twee instellingen van dit onderwijswet één specialisatiejaar of de beide specialisatiejaren organiseren;c) hetzij 8 leerlingen : voor instellingen, gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, en voor instellingen, gelegen in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners per km2. Art. 36.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, niet georganiseerd als een specialisatiejaar, worden gefinancierd of gesubsidieerd op voorwaarde dat op 1 oktober van het schooljaar van oprichting ten minste het volgend aantal regelmatige leerlingen zijn ingeschreven : 1° hetzij 12 leerlingen;2° hetzij 8 leerlingen : voor instellingen, gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, voor instellingen, gelegen in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners per km2, en voor de enige instelling in de provincie en het onderwijsnet die het betrokken jaar organiseert. Onderafdeling D. - Programmatie van structuuronderdelen - vierde graad Art. 37.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerde optie in het eerste leerjaar van de vierde graad worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° het betreft de optie psychiatrische verpleegkunde respectievelijk ziekenhuisverpleegkunde;2° in de instelling werd op dezelfde datum de optie ziekenhuisverpleegkunde respectievelijk psychiatrische verpleegkunde georganiseerd. Onderafdeling E. - Programmatie van structuuronderdelen na gunstige beslissing van de Vlaamse regering Art. 38.§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 41 kan door de Vlaamse Gemeenschap een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar : 1° niet georganiseerde specifieke optie in het eerste leerjaar van de tweede of derde graad of niet georganiseerd specifiek derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar, vastgelegd door de Vlaamse regering met toepassing van artikel 5, § 1, of artikel 6, § 1;2° niet georganiseerde basisoptie, beroepenveld, optie in het eerste leerjaar van de tweede of derde graad of niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar, nog niet vastgelegd door de Vlaamse regering met toepassing van artikel 5, § 1, of artikel 6, § 1;3° niet georganiseerd studiegebied, vermeld in artikel 6, § 3, worden gefinancierd of gesubsidieerd op voorwaarde dat de Vlaamse regering na gemotiveerde aanvraag van de betrokken inrichtende macht gunstig beslist. § 2. De Vlaamse regering neemt de beslissing, bedoeld in § 1, op eensluidend advies van de Vlaamse onderwijsraad en van de bevoegde administratie en inspectie van het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Elk advies dient uit te gaan van de volgende criteria : 1° de behoeften;2° de eventuele samenwerking met het bedrijfsleven;3° de rationele spreiding;4° de mogelijkheden van de betrokken instelling op het vlak van infrastructuur, leermiddelen, goedgekeurde leerplannen en inzetbaarheid van het personeel;5° de onderwijskundige en opvoedkundige context, meer bepaald : a) de aansluiting bij het bestaande onderwijsaanbod in de betrokken instelling;b) de waarborgen met betrekking tot, naargelang van het geval, de doorstroming naar een vervolgstudie of de tewerkstellingsperspectieven;6° de relatie met het opleidingsprofiel, maar dan uitsluitend voor een basisoptie, een beroepenveld, een optie in het eerste leerjaar van de tweede of derde graad of een derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar, nog niet door de Vlaamse regering vastgelegd met toepassing van artikel 5, § 1, of artikel 6, § 1. Onderafdeling F. - Niet-programmeerbare structuuronderdelen Art. 39.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de tweede graad, georganiseerd als een vervolmakingsjaar, niet worden gefinancierd of gesubsidieerd. Art. 40.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs, niet worden gefinancierd of gesubsidieerd. Art. 41.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd structuuronderdeel dat onder toepassing valt van artikel 5, § 2, niet worden gefinancierd of gesubsidieerd. Voor een optie van de tweede of derde graad heeft het "niet georganiseerd zijn" betrekking op het eerste leerjaar van de betrokken graad. § 2. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd structuuronderdeel niet worden gefinancierd of gesubsidieerd indien de Vlaamse regering daartoe beslist met het oog op de omzetting, bedoeld in artikel 6. Voor een optie van de tweede of derde graad heeft het "niet georganiseerd zijn" betrekking op het eerste leerjaar van de betrokken graad. TITEL V. - Omvormingen en overhevelingen HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. 42.De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op het voltijds gewoon secundair onderwijs; de bepalingen van hoofdstuk II zijn vanaf het schooljaar 1999-2000 niet van toepassing op instellingen die tot een scholengemeenschap behoren. De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op de instellingen van het gemeenschapsonderwijs die in Duitsland gelegen zijn. Art. 43.Een omvorming of overheveling kan door de Vlaamse Gemeenschap slechts worden gefinancierd of gesubsidieerd als ze in overeenstemming is met de afspraken, bedoeld in artikel 71, 1°. HOOFDSTUK II. - Omvormingen Art. 44.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd structuuronderdeel worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° het structuuronderdeel ontstaat door omvorming van een op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar in de instelling ingericht structuuronderdeel van dezelfde groep, bedoeld in § 2;2° de omvorming naar een specifiek structuuronderdeel kan slechts plaatsvinden vanuit een ander specifiek structuuronderdeel van dezelfde groep, bedoeld in § 2, en voorzover is voldaan aan, naargelang van het geval : a) voor het schooljaar 1998-1999 : artikel 12, §§ 2 en 3, en artikel 20;b) vanaf het schooljaar 1999-2000 : artikel 32, §§ 2 en 3, en artikel 38;3° de omvorming gebeurt steeds binnen eenzelfde studiegebied dat op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar werd georganiseerd;in afwijking hiervan kan, voor de derde leerjaren van de derde graad, de omvorming plaatsvinden tussen verschillende studiegebieden die op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar werden georganiseerd; 4° de omvorming van een specifieke optie naar een niet- specifieke optie van de tweede of de derde graad en de omvorming van een specifiek naar een niet-specifiek derde leerjaar van de derde graad is slechts mogelijk indien op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar in de instelling tenminste één niet-specifieke optie van het betrokken studiegebied in het eerste en/of tweede leerjaar van de betrokken graad werd ingericht;5° de omvorming mag er geen aanleiding toe geven dat afbreuk wordt gedaan aan : a) voor het schooljaar 1998-1999 : artikel 23;b) vanaf het schooljaar 1999-2000 : artikel 41;6° een omvorming naar een derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar kinderzorg of thuis- en bejaardenzorg van het beroepssecundair onderwijs, is niet mogelijk;7° voor een optie van de tweede of derde graad vindt de omvorming geleidelijk, leerjaar na leerjaar, plaats, te beginnen met het eerste. § 2. De respectieve groepen van structuuronderdelen zijn : 1° de basisopties en beroepenvelden;2° de opties van de tweede graad;3° de opties van de derde graad;4° het derde leerjaar van de tweede graad, georganiseerd als een vervolmakingsjaar;5° de derde leerjaren van de derde graad, georganiseerd als een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs, als een specialisatiejaar of - in het beroepssecundair onderwijs - niet als een specialisatiejaar. HOOFDSTUK III. - Overhevelingen Art. 45.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan in een instelling een structuuronderdeel gefinancierd of gesubsidieerd worden of blijven, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° het structuuronderdeel ontstaat of wordt verder georganiseerd door overheveling van een op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar georganiseerd structuuronderdeel in : a) hetzij een andere instelling van dezelfde inrichtende macht gelegen in dezelfde gemeente;b) hetzij een andere instelling van dezelfde scholengemeenschap;c) hetzij, maar wel uitsluitend voor de overheveling van het volledig onderwijsaanbod van een vestigingsplaats, een andere instelling van dezelfde inrichtende macht gelegen in een aangrenzende gemeente.2° elke overheveling vindt in een keer plaats. § 2. Voor de toepassing van § 1 wordt met structuuronderdeel bedoeld : 1° hetzij de volledige eerste graad van een instelling;2° hetzij een volledig studiegebied van een instelling;3° hetzij een derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, niet georganiseerd als een specialisatiejaar;indien de overheveling betrekking heeft op alle georganiseerde studiegebieden van het beroepssecundair onderwijs, moet het derde leerjaar voorzover het georganiseerd wordt, mee overgeheveld; 4° hetzij een bepaalde vestigingsplaats van een instelling met inbegrip van het volledig aldaar georganiseerd onderwijsaanbod; voorzover dit onderwijsaanbod ook wordt georganiseerd op één of meer andere vestigingsplaatsen van de betrokken instelling die buiten de overheveling vallen, mag bedoeld onderwijsaanbod gehandhaafd blijven voorzover deze vestigingsplaatsen in een andere gemeente zijn gelegen. § 3. Voor de toepassing van de omkaderingsnormen van het personeel, de toepassing van de minimale schoolbevolkingsnormen en de vaststelling van de werkingskredieten en -toelagen, wordt de overheveling geacht reeds op 1 februari van het voorafgaand schooljaar te hebben plaatsgevonden. § 4. Indien de overheveling aanleiding geeft tot de ingebruikneming van een extra vestigingsplaats, wordt artikel 3, § 3, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, gewijzigd bij de wet van 1 augustus 1988, en artikel 24, § 2, 8°, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 14 juli 1975, niet toegepast. § 5. Elke overheveling zal het voorwerp uitmaken van onderhandeling in het lokaal comité. TITEL VI. - Rationalisatie Art. 46.De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op het voltijds gewoon secundair onderwijs. De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op de instellingen van het gemeenschapsonderwijs die in Duitsland gelegen zijn. Art. 47.Voor elke instelling geldt een rationalisatienorm. Voor de toepassing van deze rationalisatienorm worden de leerlingen van het derde leerjaar van de derde graad, ingericht als een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs of als een specialisatiejaar van het technisch en het kunstsecundair onderwijs, niet in aanmerking genomen. Art. 48.De rationalisatienorm wordt, op basis van de gradenstructuur van de instelling, als volgt vastgesteld : 1° voor de instellingen die niet ressorteren onder 2° : a) met enkel een eerste graad : 111;b) met een eerste + …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.