← België

Gezamenlijk decreet en ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommis

Kort samengevat

Dit Wetboek heeft als doel de gelijkheid en inclusie in Brussel te bevorderen, discriminatie te bestrijden, gelijke kansen en behandeling te waarborgen en diversiteit te stimuleren. Het zet ook verschillende Europese richtlijnen om die gericht zijn op gelijke behandeling.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
GEMEENSCHAPPELIJKE GEMEENSCHAPSCOMMISSIE VAN BRUSSEL-HOOFDSTAD 4 APRIL 2024. - Gezamenlijk decreet en ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie houdende het Brussels Wetboek inzake de gelijkheid, de non-discriminatie en de bevordering van diversiteit (1) De Verenigde Vergadering heeft aangenomen en Wij, Verenigd College, bekrachtigen hetgeen volgt : DEEL 1 - Algemene bepalingen TITEL 1 - Inleidende bepalingen Artikel 1.Dit gezamenlijk decreet en ordonnantie houdende het Brussels Wetboek inzake de gelijkheid, de non-discriminatie en de bevordering van diversiteit, hierna "het Wetboek" genoemd, regelt een aangelegenheid als bedoeld in de artikelen 39, 135 en 135bis van de Grondwet, alsmede in de artikelen 127 en 128 van de Grondwet uit hoofde van artikel 138 daarvan. Art. 2.Dit Wetboek streeft naar het bijdragen aan de verwezenlijking van de gelijkheid en de inclusie op het Brusselse grondgebied, de bestrijding van alle vormen van discriminatie, het waarborgen van gelijke kansen en behandeling en de bevordering van diversiteit. Art. 3.Dit Wetboek beoogt tevens de omzetting van de volgende Europese richtlijnen: - richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid; - richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming; - richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep; - richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten; - richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking); - richtlijn 2010/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG van de Raad; - richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 inzake de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties; - richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers, waarvan artikel 11 een nieuwe anti-discriminatieclausule bevat. Art. 4.Het gebruik van mannelijke namen in dit Wetboek is gemeenslachtig. TITEL 2 - Definities Art. 5.Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder: 1° "positieve actie": specifieke maatregelen om de nadelen verband houdende met één of meer van de beschermde criteria te voorkomen of te compenseren, met het oog op het waarborgen van een volledige gelijkheid in de praktijk;2° "lokaal bestuur": a) de gemeenten;b) de intercommunales;c) de autonome gemeentebedrijven;d) de gemeentelijke vzw's;3° "redelijke aanpassingen": passende maatregelen die in een concrete situatie en naargelang de behoefte worden getroffen, en die geen onevenredige of buitensporige last vormen, om een persoon met een handicap in staat te stellen toegang te krijgen en te behouden tot huisvesting, werkgelegenheid, deelneming en vooruitgang te boeken, of, in het algemeen, toegang te krijgen tot, deel te nemen aan en vooruitgang te boeken op de onder deze Wetboek vallende toepassingsgebieden en activiteiten;4° "mobiele applicatie": toepassingssoftware die is ontworpen en ontwikkeld door of namens het gewestelijk bestuur of lokaal bestuur met het oog op gebruik door het algemene publiek op mobiele toestellen zoals smartphones en tablets.Zij omvat niet de besturingssoftware van die toestellen (mobiele besturingssystemen) noch de hardware; 5° "vzw": vereniging zonder winstoogmerk die valt onder het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019;6° "gemeentelijke vzw": een vzw die aan één van de volgende voorwaarden voldoet: - één of meer van haar organen is voor meer dan de helft samengesteld uit leden van de gemeenteraad die zetelen in die hoedanigheid of door de gemeenteraad voorgedragen leden; - de gemeente of haar directe of indirecte vertegenwoordigers beschikken over een stemgerechtigde meerderheid in één of meer bestuursorganen; 7° "goederen": goederen in de zin van de bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie inzake het vrij verkeer van goederen;8° "College": het college van de Franse Gemeenschapscommissie;9° "Verenigd College": het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;10° "diversiteitsconsulent": een personeelslid van Actiris met als opdracht de openbare en particuliere organisaties en de verenigingen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te begeleiden bij het opstellen, implementeren, opvolgen en evalueren van hun diversiteitsplan;11° "Verdrag van de Verenigde Naties": het Verdrag van de Verenigde Naties over de rechten van personen met een handicap, opgesteld te New York, op 13 december 2006;12° "beschermde criteria": geslacht, criterium die gelijk wordt gesteld met zwangerschap, bevalling, moederschap, borstvoeding, geassisteerde voortplanting, medische of sociale verandering, genderidentiteit, gender expressie, seksuele kenmerken, vaderschap, co-moederschap, co-vaderschap, co-ouderschap;zogenaamd ras; huidskleur; afkomst; nationaliteit; nationale of etnische afstamming; sociale afkomst en toestand; de gezinsverantwoordelijkheden, met inbegrip van alleen ouderschap; leeftijd; verblijfsstatus; seksuele geaardheid; burgerlijke staat; geboorte; vermogen; geloof of levensbeschouwing; politieke overtuiging; syndicale overtuiging; taal; verleden, huidige of toekomstige gezondheidstoestand; handicap, fysieke of, genetische; 13° "beschermde zogenaamd raciale criteria": zogenaamd ras, huidskleur, nationaliteit, afkomst en nationale of etnische afstamming;14° "direct onderscheid": de situatie die zich voordoet wanneer iemand ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op basis van één of meer van de, echte of vermeende, beschermde criteria die rechtstreeks of door associatie worden toegekend;15° "directe discriminatie": direct onderscheid op grond van een of meer van de beschermde criteria dat niet gerechtvaardigd kan worden op grond van de bepalingen van dit Wetboek;16° "indirect onderscheid": de situatie die zich voordoet wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen gekenmerkt door een of meer van de echte of vermeende, beschermde criteria die rechtstreeks of door associatie worden toegekend, bijzonder kan benadelen in vergelijking met andere personen;17° "indirecte discriminatie": indirect onderscheid op grond van een of meer van de beschermde criteria dat niet gerechtvaardigd kan worden op grond van de bepalingen van dit Wetboek;18° "intersectionele discriminatie": directe of indirecte, discriminerende of seksuele intimidatie, of de opdracht om te discrimineren gebaseerd op verschillende, echte of vermeende, beschermde criteria die op zichzelf of door associatie worden toegekend, die zodanig op elkaar inspelen en onlosmakelijk met elkaar verbonden worden;19° "contractuele betrekking": iedere betrekking die niet statutair is, zowel voor arbeid al dan niet in loondienst, arbeid in het kader van stageovereenkomsten, leerovereenkomsten, beroepsinlevingsovereenkomsten en startbaanovereenkomsten of arbeid als zelfstandige;20° "werkgever": iedere werkgever van wie ten minste een van de exploitatiezetels zich op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevindt, enkel voor wat deze exploitatiezetel(s) betreft, alsook de gewestelijke besturen en de lokale besturen;21° "stichting": stichting die valt onder het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen van 23 maart 2019;22° "gewestregering": de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;23° "belangenverenigingen": a) elke instelling van openbaar nut en rechtspersoon die zich statutair tot doel stelt de rechten van de mens te verdedigen of discriminatie te bestrijden en die de voorwaarden voorzien in artikel 17, tweede lid, 1° tot 3°, van het Gerechtelijk Wetboek vervult;b) de representatieve werknemers- en werkgeversorganisaties, bedoeld bij artikel 3 van de wet van 5 december 1968Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/12/1968 pub. 22/05/2009 numac 2009000346 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en paritaire comités;c) de representatieve vakorganisaties in de zin van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot de regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;d) de representatieve vakorganisaties in het aangewezen orgaan van vakbondsoverleg voor de administraties waarop de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot de regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel niet van toepassing is;e) de representatieve organisaties van de zelfstandigen;24° "discriminerende intimidatie": ongewenst gedrag dat met één of meer van de beschermde criteria verband houdt, en tot doel of als gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd;25° "seksuele intimidatie": wanneer zich enige vorm van ongewenst verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een seksuele connotatie voordoet met als doel of gevolg dat de waardigheid van een persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende situatie wordt gecreëerd;26° "weerslag voor personen met een handicap": impact van een project op de situatie van de personen met een handicap met het oog op de bescherming en bevordering van de mensenrechten van personen met een handicap en rekening houdend met het doel om hen in staat te stellen om autonoom te leven en voluit deel te nemen aan alle aspecten van het leven op basis van de gelijkheid met anderen;27° "inclusie": aanpassing van de maatschappelijke omgeving waarin alle belemmeringen worden weggenomen, zodat alle leden van de samenleving volledig, zelfstandig en op voet van gelijkheid kunnen deelnemen aan de besluitvorming en aan de politieke, sociale, culturele en economische activiteiten van de samenleving, ongeacht hun specifieke kenmerken, in het bijzonder met betrekking tot beschermde criteria;28° "opdracht tot discrimineren": elke handelwijze die er in bestaat wie ook opdracht te geven om een persoon, een groep, een gemeenschap of één van hun leden te discrimineren;29° "Brusselse instanties": - de gewestelijke instanties; - de instanties van de Franse Gemeenschapscommissie; - de instanties van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie; 30° "instanties van de Franse Gemeenschapscommissie": - de diensten van het college van de Franse Gemeenschapscommissie; - de instellingen, centra en diensten die erkend zijn door de Franse Gemeenschapscommissie of die onder toezicht staan van de Franse Gemeenschapscommissie; - de instellingen van openbaar nut van de Franse Gemeenschapscommissie die behoren tot categorie A en categorie B, overeenkomstig de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, en hun operationele dochterondernemingen; - de publiekrechtelijke instellingen of instellingen van openbaar nut die door de Franse Gemeenschapscommissie zijn opgericht; - de vzw's die zijn opgericht op het initiatief van het College; 31° "instanties van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie": - de diensten van het Verenigd College; - de instellingen, centra en diensten die erkend zijn door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of die onder toezicht staan van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, met inbegrip van de OCMW's en OCMW-verenigingen; - de instellingen van openbaar nut van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie die behoren tot categorie A en categorie B, overeenkomstig de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, en hun operationele dochterondernemingen; - de publiekrechtelijke instellingen en instanties of instellingen van openbaar nut die door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie zijn opgericht of onder toezicht staan van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie; - de vzw's die zijn opgericht op het initiatief van het Verenigd College; 32° "gewestelijke instanties": - het bestuur van de Regering; - de instellingen van openbaar nut van het Gewest die behoren tot categorie A en categorie B, overeenkomstig de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, en hun operationele dochterondernemingen; - pararegionale instellingen van publiek recht of van openbaar nut en hun operationele dochterondernemingen; - de vzw's die zijn opgericht op het initiatief van de Regering; 33° "Instituut": het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, gecreëerd door de wet van 16 december 2022Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/12/2022 pub. 23/12/2022 numac 2022034818 bron federaal agentschap voor nucleaire controle Aanpassing van de bedragen van de heffingen vermeld in artikel 30bis/4 van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle - jaar 2023 type wet prom. 16/12/2022 pub. 10/02/2023 numac 2023040548 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot wijziging van de wet van 19 maart 2014 houdende wettelijke definitie van de ambachtsman sluiten houdende oprichting van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen;34° "voor het publiek toegankelijke plaatsen": alle openbare of privégebouwen of gebouwgedeelten, plaatsen en ruimtes bestemd voor publiek gebruik, alsook het openbaar stads- en streekvervoer, met inbegrip van de gespecialiseerde lijndiensten, de taxidiensten en autoverhuurdiensten met chauffeur;35° "op tijd gebaseerde media": media van de volgende types: louter geluid, louter videobeeld, audio-video, audio en/of video in combinatie met interactie;36° "lid van het bestuursorgaan": natuurlijke persoon die benoemd wordt om zitting te hebben in het bestuursorgaan, met uitzondering van het lid van rechtswege;37° "norm": een norm zoals bedoeld in artikel 2, punt 1), van verordening (EU) nr.1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de Richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de Richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking 87/95/EEG van de Raad en Besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad; 38° "Europese norm": een Europese norm zoals bedoeld in artikel 2, punt 1), onder b), van verordening (EU) nr.1025/2012; 39° "geharmoniseerde norm": een geharmoniseerde norm zoals bedoeld in artikel 2, punt 1), onder c), van verordening (EU) nr.1025/2012; 40° "adviesorganen": alle raden, commissies, comités, werkgroepen of andere organen, ongeacht de benaming ervan, die bij ordonnantie, bij decreet of bij besluit van de gewestregering, het College of het Verenigd College, of van hun departementen of diensten worden opgericht, met uitzondering van die welke op basis van statutaire bepalingen worden opgericht;41° "bestuursorgaan": de raad van bestuur van de rechtspersoon of, bij ontstentenis, elk ander orgaan, ongeacht diens benaming, dat over alle bevoegdheden beschikt die normaal gezien toegekend worden aan een raad van bestuur en die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de opdracht of het maatschappelijk doel van de rechtspersoon, met uitzondering van zijn dagelijks bestuur;42° "operatoren van socio-professionele inschakeling": alle rechtspersonen die ingevolge hun maatschappelijk doel niet-werkende werkzoekenden socio-professioneel inschakelen krachtens artikel 6, § 1, IX, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen;43° "intermediaire organisaties": alle publieke of private organisaties of personen die activiteiten aanbieden op het vlak van arbeidsbemiddeling;44° "erkenningsorgaan": a) de directie-generaal Personen met een Handicap van de federale overheidsdienst Sociale Zekerheid;b) de "service bruxellois francophone des personnes handicapées" van de Franse Gemeenschapscommissie, de "service Phare" genoemd;c) het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;d) het "Agence pour une Vie de Qualité", afgekort "AViQ ";e) de Dienst van de Duitstalige Gemeenschap voor Personen met een Handicap (Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Personen mit einer Behinderung);f) de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB).In dat geval wordt de erkenning beperkt tot de personen die "Bijzondere tewerkstellingsondersteunende maatregelen" (BOTM) genieten welke door de VDAB worden toegekend voor werknemers met een handicap; g) de bicommunautaire Dienst voor Gezondheid, Bijstand aan Personen en Gezinsbijslag, opgericht bij de ordonnantie van 23 maart 2017 houdende de oprichting van de bicommunautaire Dienst voor Gezondheid, Bijstand aan Personen en Gezinsbijslag;h) de Brusselse verzekeringsinstellingen, bedoeld in de ordonnantie van 21 december 2018 betreffende de Brusselse verzekeringsinstellingen in het domein van de gezondheidszorg en de hulp aan personen, met name in het kader van de toekenning van individuele hulpmiddelen aan personen met een handicap;i) de persoon of personen die de graad van verminderde zelfredzaamheid vaststellen overeenkomstig artikel 4, derde lid, van de ordonnantie van 10 december 2020 betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden;45° "Parlement": het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Raad van de Franse Gemeenschapscommissie;46° "stukken uit erfgoedcollecties": in particulier of openbaar bezit zijnde goederen die van historisch, artistiek, archeologisch, esthetisch, wetenschappelijk of technisch belang zijn en deel uitmaken van verzamelingen die worden bewaard door culturele instellingen zoals bibliotheken, archieven en musea;47° "publiek diversiteitsplan": geheel van maatregelen binnen de overheidsdiensten ter bevordering van de vertegenwoordiging van alle bevolkingsgroepen, hun inclusie en ter bestrijding van discriminatie in de tewerkstelling bij de gewestelijke instanties, de instanties van de Franse Gemeenschapscommissie, de instanties van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de lokale besturen;48° "privaat diversiteitsplan": een flexibel instrument waarmee acties kunnen worden ontwikkeld en gecontroleerd die rechtstreeks beantwoorden aan de realiteit van een onderneming bij de bevordering en het beheer van de diversiteit, de integratie en de bestrijding van verschillende vormen van discriminatie;49° "wijken van het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest": alle statistische wijken van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest als gedefinieerd door het Nationaal Instituut voor de Statistiek;50° "Gewest": het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;51° "arbeidsbetrekkingen": De arbeidsbetrekkingen in overheidsdienst van de Brusselse instanties en lokale besturen, met inbegrip van de voorwaarden voor toegang, benoeming en bevordering, met inbegrip van de selectiecriteria en -procedures, de voorwaarden en tests voor aanwerving en bevordering, de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de bezoldiging en de voorwaarden voor ontslag, en volgende, en dit: - ongeacht de statutaire of contractuele aard van de benoeming; - zowel voor arbeid gepresteerd in het kader van stageovereenkomsten, leerovereenkomsten, beroepsinlevingsovereenkomsten en startbaanovereenkomsten of arbeid als zelfstandige: - op alle niveaus van de beroepshiërarchie en voor alle sectoren; 52° "diensten": diensten in de zin van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;53° "werknemer bij het gewestelijke bestuur": personeelslid dat, al dan niet bezoldigd, werkt bij de gewestelijke besturen, zowel in vast verband benoemd als aangeworven met een arbeidsovereenkomst, stage of vrijwilligerswerk;54° "werknemer bij het lokaal bestuur": personeelslid dat, al dan niet bezoldigd, werkt bij de lokale besturen, zowel in vast verband benoemd als aangeworven met een arbeidsovereenkomst, stage of vrijwilligerswerk;55° "Unia": het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme, opgericht door het samenwerkingsakkoord van 12 juni 2013 tussen de federale overheid, de Gewesten en de Gemeenschappen voor de oprichting van het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme onder de vorm van een gemeenschappelijke instelling zoals bedoeld in artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen. DEEL 2 - Recht op non-discriminatie TITEL 1 - Toepassingsgebied Art. 6.Met inachtneming van de bevoegdheden die door het Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie worden uitgeoefend, is it Deel van toepassing op alle personen, zowel in de openbare als in de particuliere sector, met inbegrip van de gewestelijke instanties, van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook de lokale besturen, met betrekking tot: 1° de sociale bescherming, met inbegrip van het beleid en de gezondheidszorg;2° de sociale voordelen;3° de toegang tot en het verstrekken van goederen en diensten, die los van de betrokken persoon ter beschikking van het publiek staan en buiten de private en familiale sfeer om worden aangeboden, evenals tot de verrichtingen uitgevoerd in dat verband, met inbegrip van huisvesting, energie en openbaar stads- en streekvervoer;4° de tewerkstelling, zoals bepaald in de bevoegdheden van het Gewest zoals bedoeld in de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen;5° de toegang tot en de deelname aan, alsook elke andere uitoefening van een economische, sociale, culturele of politieke activiteit toegankelijk voor het publiek;6° de vermelding in een officieel stuk of in een proces-verbaal;7° de Bijstand aan Personen;8° de sociale promotie;9° het toerisme;10° de gemeentelijke, provinciale, intercommunale en privé-infrastructuren, wat lichamelijke opvoeding, sport en openluchtleven betreft;11° het schoolvervoer en het beheer van de schoolgebouwen;12° de arbeidsbetrekkingen;13° het lidmaatschap van en betrokkenheid bij een werknemers- of werkgeversorganisatie of enige andere organisatie waarvan de leden een bepaald beroep uitoefenen, met inbegrip van de voordelen die dergelijke organisaties bieden. TITEL 2 - Verbod van discriminatie HOOFDSTUK 1 - Verboden gedragingen Art. 7.Gelijke behandeling is gegarandeerd. Gelijke behandeling in de zin van dit Wetboek houdt het verbod in op elke vorm van discriminatie. In de zin van dit Wetboek, zijn de volgende gedragingen verboden: 1° rechtstreekse discriminatie;2° indirecte discriminatie;3° intersectionele discriminatie;4° weigering van redelijke aanpassingen;5° discriminerende intimidatie;6° seksuele intimidatie;7° opdracht tot discrimineren. HOOFDSTUK 2 - Toegestane onderscheidingen Afdeling 1 - Algemene regels voor de rechtvaardiging van onderscheidingen Onderafdeling 1 - Gerechtvaardigde directe onderscheidingen Art. 8.§ 1. Elk direct onderscheid op grond van één of meerdere van de beschermde criteria, met uitzondering van zogenaamd ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming en het geslachtscriterium, vormt een directe discriminatie, tenzij dit directe onderscheid objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. § 2. Elk direct onderscheid, in voorkomend geval in combinatie met andere beschermde criteria, op grond van zogenaamd ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming, vormt een directe discriminatie, behalve in het geval van: - een positieve actie; - op het gebied van tewerkstelling en arbeidsbetrekkingen, een wezenlijke en bepalende beroepsvereiste die krachtens dit Wetboek is toegestaan. § 3. Elk direct onderscheid dat, in voorkomend geval in combinatie met andere beschermde criteria, op geslacht is gebaseerd, vormt directe discriminatie, behalve in het geval van: - een positieve actie; - op het gebied van tewerkstelling en arbeidsbetrekkingen, een wezenlijke en bepalende beroepsvereiste die krachtens dit Wetboek is toegestaan; - een onderscheid gerechtvaardigd in het licht van afdeling 3 van dit Hoofdstuk; - een maatregel ter bescherming van de zwangerschap, de geboorte of het moederschap zoals bedoeld in artikel 9. § 4. In afwijking van § 1 vormt op het gebied van tewerkstelling en arbeidsbetrekkingen elk direct onderscheid dat, in voorkomend geval in combinatie met andere beschermde criteria, gebaseerd is op seksuele geaardheid, leeftijd, handicap of geloof of overtuiging, een directe discriminatie, behalve in het geval van: - een positieve actie; - een wezenlijke of bepalende beroepsvereiste die krachtens dit Wetboek is toegestaan; Wat betreft het leeftijdscriterium, een rechtvaardiging op basis van legitieme doelstellingen op het gebied van tewerkstellingsbeleid, de arbeidsmarkt en de beroepsopleiding, op voorwaarde dat de middelen om deze doelstellingen te bereiken gepast en noodzakelijk zijn. Art. 9.De bijzondere bepalingen betreffende de bescherming van de zwangerschap, de geboorte of het moederschap, die zijn vastgesteld om gelijke behandeling van vrouwen en mannen te bereiken, kunnen niet beschouwd worden als een vorm van discriminatie. Onderafdeling 2 - Indirecte gerechtvaardigde onderscheidingen Art. 10.Elk indirect onderscheid op grond van één of meerdere van de beschermde criteria vormt een indirecte discriminatie, tenzij: 1° de ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelswijze die aan de grondslag ligt van dit indirecte onderscheid objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn;of 2° in het geval van een indirecte discriminatie op grond van een situatie van handicap, er wordt aangetoond dat er geen redelijke aanpassingen mogelijk zijn op grond van de artikelen 11 et 12 van dit Wetboek. Onderafdeling 3 - Redelijke aanpassingen voor personen met een handicap Art. 11.In het geval dat een persoon met een handicap verzoekt om een aanpassing in verband met zijn handicap, of in het geval dat een mantelzorger van een persoon met een handicap verzoekt om een aanpassing in verband met die handicap, wordt deze uitgevoerd. Mocht dit niet gebeuren, wordt de persoon met een handicap of de mantelzorger verwezen naar de persoon die aan het verzoek kan voldoen, ofwel geïnformeerd over de redenen voor de weigering in het geval van een onredelijk verzoek om aanpassing, en krijgt hij, zo nodig, een gelijkwaardig alternatief aangeboden. Art. 12.§ 1. Vormt geen indirecte discriminatie, het onderscheid op grond van een handicap, wanneer wordt aangetoond dat er geen redelijke aanpassingen getroffen mogelijk zijn, zonder een onevenredige belasting te creëren. § 2. Wanneer die belasting in voldoende mate wordt gecompenseerd door bestaande maatregelen in het kader van het gevoerde overheidsbeleid inzake personen met een handicap, mag zij niet als onevenredig worden beschouwd. § 3. De gewestelijke instanties, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie, de lokale besturen, de intermediaire organisaties en de operatoren van socio-professionele inschakeling, zijn verplicht om, wanneer zij een als onredelijke beschouwde aanpassing weigeren, de betrokken persoon met een handicap of de mantelzorger een gelijkwaardig alternatief aan te bieden. Afdeling 2 - Wezenlijke en bepalende vereisten op het gebied van de tewerkstelling, van de Brusselse besturen en van de beroepsopleiding Art. 13.Van een wezenlijke en bepalende beroepsvereiste kan slechts sprake zijn wanneer: - een bepaald kenmerk, dat verband houdt met een beschermd criterium, vanwege de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteiten of het kader waarin deze worden uitgevoerd, wezenlijk en bepalend is voor de uitoefening van die beroepsactiviteiten; en - de vereiste berust op een legitieme doelstelling en daarmee evenredig is. Art. 14.§ 1. Een direct onderscheid, op grond van één of meerdere kenmerken die verband houden met één of meerdere van de beschermde criteria, vormt geen directe discriminatie wanneer het betrokken kenmerk of de betrokken kenmerken wegens de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteit of de context waarin deze wordt uitgevoerd, een wezenlijke en bepalende beroepsvereiste vormen, mits het doel legitiem is en de vereiste evenredig is aan dit doel. § 2. Een onderscheid dat geheel of gedeeltelijk op een kenmerk in verband met geslacht berust, met betrekking tot de toegang tot arbeid, inclusief de opleiding die daartoe de toegang geeft, vormt geen directe discriminatie indien dit kenmerk wegens de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteit of de context waarin deze wordt uitgeoefend, een wezenlijke en bepalende beroepsvereiste vormt, mits het doel legitiem is en de vereiste evenredig is aan dit doel. Afdeling 3 - Goederen en diensten die exclusief of essentieel bestemd zijn voor de leden van een bepaald geslacht Art. 15.Een direct onderscheid gebaseerd op het geslacht vormt geen directe discriminatie indien de levering van goederen en diensten die exclusief of essentieel bestemd zijn voor de leden van één geslacht, objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel en indien de middelen om dit doel te bereiken gepast en noodzakelijk zijn. Afdeling 4 - Positieve acties Art. 16.§ 1. Een onderscheid op grond van één of meerdere beschermde criteria geeft nooit aanleiding tot de vaststelling van enige vorm van directe, indirecte of intersectionele discriminatie, noch van een opdracht tot discriminatie wanneer dit onderscheid een maatregel van positieve actie inhoudt die is aangenomen met inachtneming van het door de gewestregering, het College en het Verenigd College gezamenlijk vastgestelde regelgevingskader. § 2. Het regelgevingskader zoals bedoeld in § 1 moet de volgende cumulatieve voorwaarden naleven en uitvoeren: 1° er moet een kennelijke ongelijkheid zijn;2° het verdwijnen van deze ongelijkheid moet worden aangewezen als een te bevorderen doelstelling;3° de maatregel van positieve actie moet van tijdelijke aard zijn en van die aard zijn dat hij verdwijnt zodra de beoogde doelstelling is bereikt;4° de maatregel van positieve actie mag andermans rechten niet onnodig beperken. § 3. Zolang het in §§ 1 en 2 bedoelde regelgevingskader niet is aangenomen, kunnen de positieve acties worden uitgevoerd met inachtneming van de vier voorwaarden zoals bedoeld in § 2. In dat geval, moet de auteur van de positieve actie uitdrukkelijk uitleggen, bij de uitvoering van de positieve actie, hoe deze actie elk van de vier voorwaarden naleeft en uitvoert. Afdeling 5 - Vrijwaringsbeding Art. 17.§ 1. Een onderscheid op grond van de beschermde criteria geeft nooit aanleiding tot de vaststelling van enige vorm van discriminatie uit hoofde van dit Wetboek, wanneer deze wordt opgelegd door of krachtens een wet, decreet of ordonnantie. § 2. Paragraaf 1 loopt echter niet vooruit op de overeenstemming van bij of krachtens een wet, decreet of ordonnantie gemaakte onderscheidingen met de Grondwet, het recht van de Europese Unie en het internationale recht. TITEL 3 - Algemene beschermingsregelingen HOOFDSTUK 1 - Verboden contractuele bedingen Art. 18.§ 1. De bepalingen die strijdig zijn met dit Deel alsook de contractuele bedingen die bepalen dat één of meerdere contracterende partijen afzien van de rechten die door dit Deel worden gewaarborgd, zijn nietig. § 2. De bepalingen zoals bedoeld in § 1 omvatten de administratieve handelingen, de clausules opgenomen in individuele of collectieve overeenkomsten en collectieve regelingen, evenals de bedingen opgenomen in eenzijdig uitgevaardigde documenten. § 3. Op het gebied van tewerkstelling en beroepsopleiding, omvatten de bepalingen zoals bedoeld in § 1 eveneens de documenten uitgaande van de werkgevers, intermediaire organisaties en de operatoren van socio-professionele inschakeling, evenals overeenkomsten waarbij deze partij zijn. HOOFDSTUK 2 - Bescherming tegen vergelding Art. 19.§ 1. Wanneer een melding wordt gedaan of een klacht wordt ingediend of een vordering wordt ingesteld door of ten voordele van een persoon wegens schending van dit Deel, mogen geen nadelige maatregelen worden genomen tegen de betrokken persoon, behalve om redenen die vreemd zijn aan de melding, de klacht of de vordering of hun inhoud. § 2. De in § 1 bedoelde bescherming is eveneens van toepassing op personen die optreden als raadsheer, verdediger, getuige of bijstandsverlener ten voordele van het slachtoffer of van de persoon die de klacht indient of aangifte doet, en voor de personen die optreden als klokkenluider. § 3. Wanneer een nadelige maatregel wordt genomen ten aanzien van de betrokkene binnen twaalf maanden na het indienen van de klacht of de melding, of het tijdstip waarop de betrokkene kennis nam van de melding of klacht of nadat hij redelijkerwijs kennis had kunnen nemen van deze stappen, dient degene tegen wie de klacht of de melding gericht is, te bewijzen dat de nadelige maatregel is genomen om redenen die vreemd zijn aan de klacht. Wanneer een persoon binnen de twaalf maanden nadat hij kennis heeft genomen van de melding of klacht of nadat hij redelijkerwijs kennis had kunnen nemen van deze stappen, een nadelige maatregel neemt ten aanzien van de persoon op wie de vermeende inbreuk betrekking heeft, is het aan de persoon die de nadelige maatregel heeft genomen om aan te tonen dat de nadelige maatregel geen verband houdt met de melding of klacht of hun inhoud. Indien door of ten behoeve van de betrokkene een rechtsvordering is ingesteld, wordt de in het eerste lid bedoelde termijn verlengd tot drie maanden na de dag waarop de uitgesproken beslissing in kracht van gewijsde is getreden. § 4. Wanneer wordt geoordeeld dat er een nadelige maatregel in strijd met paragraaf 1 is genomen, moet de auteur van de maatregel de betrokkene een schadevergoeding betalen die, naar keuze van die persoon, gelijk is aan hetzij de in artikel 22 van dit Wetboek bedoelde forfaitaire schadevergoeding, hetzij aan de werkelijk door de persoon geleden schade. In laatstgenoemd geval, moet de betrokkene de omvang van de geleden schade bewijzen. De in deze paragraaf bedoelde schadevergoeding kan worden gecumuleerd met de in Hoofdstuk 3 van deze Titel bedoelde schadevergoeding in geval van discriminatie. Art. 20.§ 1. In afwijking van artikel 19, § 4, kan deze persoon of belangenvereniging waarbij hij is aangesloten, wanneer de nadelige maatregel is genomen door een gewestelijke instantie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of de Franse Gemeenschapscommissie of een lokaal bestuur waarbij de betrokkene in dienst is, verzoeken opnieuw in dienst te worden genomen of zijn functie onder dezelfde voorwaarden als voorheen te laten uitoefenen. Het verzoek wordt ingediend bij een ter post aangetekende brief binnen dertig dagen volgend op de datum van de kennisgeving van de opzegging, van de beëindiging zonder opzegging, van de eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden of van enige andere nadelige maatregel. De betrokken werkgever moet zich binnen dertig dagen volgend op de kennisgeving een standpunt over het verzoek nemen. De werkgever die de persoon herplaatst en/of hem of haar zijn of haar functie laat uitoefenen onder dezelfde voorwaarden als voorheen, is verplicht de gederfde verloning wegens ontslag, wijziging van de arbeidsvoorwaarden of enige andere nadelige maatregel te betalen. Dit artikel is niet van toepassing wanneer de nadelige maatregel wordt getroffen nadat de arbeidsbetrekking een einde heeft genomen. § 2. Indien de werknemer na het in § 1, eerste lid, bedoelde verzoek niet opnieuw in dienst wordt genomen of zijn functie niet onder dezelfde voorwaarden als voorheen kan uitoefenen, en indien er geoordeeld werd dat de nadelige maatregel in strijd is met de bepalingen van artikel 19, § 1, moet de werkgever aan de betrokkene een vergoeding betalen die, naar keuze van de werknemer, gelijk is aan een forfaitair bedrag dat overeenstemt hetzij met de bruto verloning voor zes maanden, hetzij aan de werkelijk door de betrokkene geleden schade, op voorwaarde dat in laatstgenoemd geval hij de omvang van de geleden schade bewijst. § 3. De werkgever is verplicht dezelfde vergoeding uit te betalen, zonder dat de betrokkenen of de belangenvereniging waarbij hij is aangesloten, het in § 1 bedoelde verzoek om opnieuw in dienst te worden opgenomen of zijn functie onder dezelfde voorwaarden als voorheen te kunnen uitoefenen moet indienen: 1° wanneer het bevoegde rechtscollege de feiten van discriminatie, die het voorwerp uitmaken van de klacht, als bewezen heeft geacht;2° wanneer de betrokkene de arbeidsbetrekking beëindigt, omdat het gedrag van de werkgever in strijd is met de bepalingen van artikel 19, § 1, wat volgens de werknemer een reden is om de arbeidsbetrekking zonder opzegging of voor het verstrijken ervan te beëindigen;3° wanneer de werkgever de arbeidsbetrekking heeft beëindigd om dringende redenen en het bevoegde rechtscollege deze beëindiging ongegrond en in strijd met de bepalingen van artikel 19, § 1 heeft geacht. § 4. Wanneer de nadelige maatregel getroffen wordt nadat de arbeidsbetrekking beëindigd werd en in strijd wordt bevonden met artikel 19, § 1, is de werkgever verplicht het slachtoffer de in § 2 bedoelde schadevergoeding te betalen. Art. 21.§ 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk, wordt onder klacht of melding of rechtsvordering onder meer verstaan: - een klacht of een melding ingediend door de betrokkene bij de Brusselse instantie, het lokale bestuur of de dienst waarbij hij in dienst is, een organisatie, vereniging, instelling, operator of orgaan tegen wie de klacht is ingediend, overeenkomstig de van kracht zijnde procedures; - een klacht of een melding bij het orgaan of de organisatie die verantwoordelijk is voor de vermoedelijke schending, namens de betrokkene, door Unia of het Instituut, of door een belangenvereniging; - een rechtsvordering ingesteld door de betrokkene; - een rechtsvordering ingesteld door Unia of het Instituut of een belangenvereniging ten voordele van de betrokkene of een door Unia of het Instituut of een belangenvereniging met toestemming van de bij de vermeende inbreuk betrokkene rechtsvordering; - een klacht of melding ingediend door of namens de betrokkene bij Unia, het Instituut of een belangenvereniging; - een melding, aangifte of klacht ingediend bij de met de controle belaste ambtenaren of bij de Inspectiedienst van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel; - een aangifte bij de politie, een klacht met burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter of een kennisgeving aan de Procureur des Konings of de arbeidsauditeur; - een melding of een klacht ingediend bij de dienst die toezicht houdt op de handelingen en de werking van overheidsdiensten of -organen of die optreedt met het oog op een minnelijke schikking van geschillen. § 2. Wanneer een betrokkene bij de vermoedelijke inbreuk een melding doet, een klacht indient of een rechtsvordering instelt, of wanneer een in § 1 bedoelde persoon de bedoelde handelingen verricht, kan hij de in § 1 bedoelde organisatie, dienst of instelling waarvoor de handeling wordt verricht, om een schriftelijk en gedateerd bewijs verzoeken. Het schriftelijk bewijs verstrekt door de in § 1 bedoelde organisatie, dienst of instelling bevat de identiteit van de persoon, de getroffen maatregelen, de datum van de maatregel en de datum van het verzoek om bewijs. Deze organisaties, diensten en instellingen zijn verantwoordelijk voor de verwerking van deze gegevens in de zin van de wetgeving inzake de gegevensbescherming. De bewaartermijn voor dit bewijs is de termijn die geldt voor de opslag van het individuele dossier zoals bepaald in het gegevensbeschermingsbeleid van de verwerkingsverantwoordelijke. HOOFDSTUK 3 - Vergoeding van de slachtoffers Afdeling 1 - Algemene regeling Art. 22.§ 1. Ingeval van door dit Deel beoogde discriminatie, kan het slachtoffer, Unia of de belangengroep die namens het slachtoffer optreedt een schadevergoeding vorderen overeenkomstig het contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht. De persoon die het discriminatieverbod heeft geschonden moet het slachtoffer een schadevergoeding betalen die, naar keuze van het slachtoffer, overeenstemt hetzij een door § 2 vastgesteld forfaitair bedrag, hetzij aan de werkelijk door het slachtoffer geleden schade. In laatstgenoemd geval, moet het slachtoffer de omvang van de geleden schade bewijzen. § 2. De forfaitaire vergoeding voor morele schade ten gevolgde van discriminatie wordt door de rechter vastgesteld op 2.000 euro tot 6.000 euro. De factoren waarop de rechter zijn beoordeling moet baseren zijn de volgende: 1° het feit dat de persoon die het discriminatieverbod heeft geschonden, niet kan aantonen dat de betrokken nadelige behandeling ook zonder discriminatie zou zijn toegepast;2° in het geval van intersectionele discriminatie, de veelheid aan beschermde criteria waarop de discriminatie is gebaseerd;3° een door de verzoeker aangetoonde context van systemische discriminatie, dit wil zeggen een situatie waarin een geheel van formele en informele gedragingen, regels en praktijken in een organisatie op elkaar inwerken en samen een algemeen effect veroorzaken van uitsluiting en benadeling van mensen met één of meerdere beschermde criteria;4° andere omstandigheden waaruit de bijzondere ernst van de geleden morele schade blijkt. § 3. In geval van meervoudige discriminatie wordt de in § 2 bedoelde forfaitaire marge afzonderlijk toegepast op elke vastgestelde discriminatie. § 4. De in § 2 bedoelde bedragen worden jaarlijks op 1 januari geïndexeerd, rekening houdend met het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand november, met toepassing van de volgende indexeringsformule: het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het beginindexcijfer. Het beginindexcijfer is die van de maand november 2023. Afdeling 2 - Specifieke regeling voor Brusselse besturen Art. 23.§ 1. Ingeval van een door dit Deel beoogde discriminatie in het kader van een arbeidsbetrekking kan het slachtoffer, Unia of de belangengroep die namens het slachtoffer optreedt een vergoeding van zijn of haar schade vorderen op grond van het contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht. De gewestelijke instantie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie, of het lokale bestuur die, als werkgever, het discriminatieverbod heeft geschonden, betaalt het slachtoffer een schadevergoeding die naar keuze van het slachtoffer, gelijk is aan hetzij een forfaitair bedrag zoals uiteengezet in § 2, hetzij aan de werkelijk door het slachtoffer geleden schade. In laatstgenoemd geval moet het slachtoffer de omvang van de geleden schade bewijzen. § 2. De forfaitaire schadevergoeding voor materiële en morele schade zoals vermeld in § 1, is gelijk aan de bruto bezoldiging voor zes maanden, tenzij de werkgever de werkgever aantoont dat de nadelige behandeling ook zonder discriminatie zou zijn toegepast. In dat laatste geval wordt de forfaitaire schadevergoeding voor materiële en morele schade beperkt tot drie maanden bruto bezoldiging. Wanneer de materiële schade die voortvloeit uit een door dit Wetboek beoogde discriminatie kan worden vergoed door toepassing van de nietigheidssanctie voorzien in artikel 18, is de forfaitaire vergoeding voor de morele schade, geleden ten gevolge van discriminatie, vastgesteld overeenkomstig artikel 22. § 3. De forfaitaire schadevergoeding bedoeld in §§ 1 en 2 kan worden gecumuleerd met beschermingsvergoedingen ten gevolgde van de beëindiging van een arbeidsrelatie, tenzij anders vereist door of krachtens de wet. Afdeling 3 - Specifieke regeling voor huisvesting Art. 24.§ 1. Ingeval van een door dit Deel beoogde discriminatie op het gebied van huisvesting, kan het slachtoffer, Unia of de belangengroep die namens het slachtoffer optreedt een schadevergoeding vorderen overeenkomstig het contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht. De persoon die het discriminatieverbod heeft geschonden, moet aan het slachtoffer een schadevergoeding betalen die, naar keuze van het slachtoffer, gelijk is aan hetzij een forfaitair bedrag zoals uiteengezet in § 2, hetzij aan de werkelijk door het slachtoffer geleden schade. In laatstgenoemd geval, moet het slachtoffer de omvang van de geleden schade bewijzen. § 2. De in § 1 bedoelde forfaitaire vergoeding voor morele schade wordt vastgesteld op een bedrag van zes maanden huur. § 3. In afwijking van §§ 1 en 2 moet, wanneer geen enkele huurprijs als referentie kan worden gebruikt om de forfaitaire vergoeding vast te stellen, worden verwezen naar de referentiehuurprijs die is opgenomen in het indicatief rooster van de huurprijzen, zoals bedoeld in de Brusselse huisvestingscode. HOOFDSTUK 4 - Bekendmaking van de beslissing Art. 25.Wanneer de rechtbank oordeelt dat er sprake is van discriminatie, kan zij bevelen dat er gedurende een door haar te bepalen periode een samenvatting van haar beslissing wordt aangeplakt, zowel buiten als binnen de inrichtingen van de overtreder of in de aan hem toebehorende ruimten, en kan zij bevelen dat deze samenvatting wordt gepubliceerd of verspreid in kranten of op enige andere wijze, met uitzondering van publicatie op het internet, en dit alles op kosten van de overtreder. De beslissing om de samenvatting aan te brengen, te publiceren en/of te verspreiden moet gerechtvaardigd zijn om toekomstige discriminatie te voorkomen. De methodes voor het tonen, publiceren en/of verspreiden van de samenvatting zullen gerechtvaardigd worden met betrekking tot hetzelfde doel. De samenvatting is volledig anoniem wat het slachtoffer betreft. De identiteit van de dader van de discriminatie wordt vermeld indien het een rechtspersoon betreft. Indien de dader een meerderjarige natuurlijke persoon is, kan de rechtbank bevelen dat zijn of haar identiteit wordt vermeld indien zij, in het licht van de omstandigheden van de zaak, van oordeel is dat dit strikt noodzakelijk is om toekomstige discriminatie door dezelfde dader te voorkomen. De beslissing om de identiteit van de dader te vermelden wanneer deze een meerderjarige natuurlijke persoon is, moet door de rechter specifiek worden gemotiveerd. In afwijking van het eerste lid kan, indien het slachtoffer daarom verzoekt, ten aanzien van de dader van discriminatie die een rechtspersoon is, publicatie op het internet worden bevolen indien de vastgestelde discriminatie heeft plaatsgevonden in een context van systemische discriminatie zoals bedoeld in artikel 22, § 2, 3°. De rechter zal specifieke redenen geven voor de beslissing om de samenvatting op het internet te publiceren. Publicatie op het internet kan ook worden bevolen als het slachtoffer daarom vraagt, ongeacht of de dader een rechtspersoon of een meerderjarige natuurlijke persoon is, als de vastgestelde discriminatie zich op het internet heeft voorgedaan. Indien de dader een meerderjarige natuurlijke persoon is, mag zijn of haar identiteit alleen worden vermeld in de in het eerste lid genoemde omstandigheden, rekening houdend met de gevolgen van publicatie op het internet voor zijn of haar privéleven. TITEL 4 - Specifieke beschermingsregelingen HOOFDSTUK 1 - Toepassing van gelijke behandeling op het gebied van werkgelegenheid, en gewestelijke en lokale overheidsdiensten Art. 26.Voor hetzelfde werk of voor werk waaraan eenzelfde waarde wordt toegekend, moet elke discriminatie op grond van geslacht of gezinsverantwoordelijkheid uit alle elementen en voorwaarden van de bezoldiging worden geweerd. In het bijzonder wanneer een systeem van werkclassificatie wordt gebruikt voor het bepalen van de bezoldigingen, moet dit systeem steunen op dezelfde criteria voor mannelijke en vrouwelijke, onafhankelijk van de gezinsverantwoordelijkheid werknemers en moet de discriminatie op grond van geslacht uitsluiten. Art. 27.§ 1. Een werknemer verbonden door een arbeidsbetrekking, die in moederschapsverlof, bevallingsverlof, adoptieverlof of een ander verlof in verband met de gezinsverantwoordelijkheden is, heeft het recht om na dit verlof zijn/haar functie of een gelijkwaardige functie weer op te nemen onder dezelfde voorwaarden. § 2. De werknemer heeft het recht op elke verbetering van de arbeidsvoorwaarden waarop zij het recht zou hebben gehad tijdens haar afwezigheid wegens het moederschapsverlof, het geboorteverlof, het adoptieverlof of een ander verlof in verband met gezinsverantwoordelijkheden. § 3. De werknemer heeft het recht op alle verworven of nog te verwerven rechten tijdens haar moederschapsverlof, geboorteverlof, adoptieverlof of ander verlof in verband met gezinsverantwoordelijkheden. § 4. Elk slachtoffer van een inbreuk in de zin van de §§ 1 tot en met 3 kan ofwel de in artikel 23 bedoelde forfaitaire schadevergoeding eisen, ofwel de schade die hij daadwerkelijk heeft geleden. In het laatste geval, moet het slachtoffer de omvang van de geleden schade bewijzen. HOOFDSTUK 2 - Toepassing van de gelijke behandeling in de beroepsopleiding Art. 28.Dit hoofdstuk is van toepassing op elk persoon die zich op om het even welk niveau inlaat met professionele oriëntatie, opleiding, vorming, vervolmaking en omschakeling, evenals op al diegenen die op deze gebieden informatie of reclame verspreiden binnen de volgende instellingen: - het "Institut bruxellois francophone pour la Formation professionnelle" opgericht door het decreet van 17 maart 1994 van de Franse Gemeenschapscommissie houdende oprichting van het "Institut bruxellois francophone pour la Formation professionnelle"; - de centra voor beroepsopleiding erkend door het "Institut bruxellois francophone pour la Formation professionnelle" en bepaald in de artikelen 6 tot 10 van het besluit van 12 mei 1987 van de Executieve van de Franse Gemeenschap met betrekking tot de beroepsopleiding; - de instellingen van socioprofessionele inschakeling erkend overeenkomstig het decreet van 27 april 1995 van de Franse Gemeenschapscommissie met betrekking tot de erkenning van sommige instellingen van socioprofessionele inschakeling en de betoelaging van hun activiteiten inzake beroepsopleiding om de kansen van niet-werkende en laaggeschoolde werkzoekenden op werk te verhogen in het kader van gecoördineerde voorzieningen van socioprofessionele inschakeling; - de centra voor permanente vorming voor de middenstand en de kleine en middelgrote ondernemingen erkend in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, overeenkomstig het besluit van 28 oktober 1991 van de Executieve van de Franse Gemeenschap tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden van de centra voor permanente vorming voor de middenstand en de kleine en middelgrote ondernemingen. Art. 29.Gelijke behandeling dient te worden gewaarborgd aan elke persoon in de bepalingen en praktijken met betrekking tot professionele oriëntatie, opleiding, vorming, vervolmaking en omschakeling. Gelijke behandeling dient te worden eveneens gewaarborgd wat betreft de toegang tot examens en de voorwaarden tot verkrijging en aflevering van alle soorten van diploma's, getuigschriften en titels. Behalve in het geval van een overeenkomstig artikel 16 toegestane positieve actie, is het met name verboden: 1° te verwijzen naar een beschermd criterium in voorwaarden of criteria met betrekking tot de professionele oriëntatie, opleiding, vorming, vervolmaking en omschakeling, of om in deze voorwaarden of criteria elementen te gebruiken die, zelfs zonder uitdrukkelijk te verwijzen naar deze kenmerken, aanleiding geven tot discriminatie;2° in de informatie of reclame, de professionele oriëntatie, opleiding, vorming, vervolmaking en omschakeling voor te stellen als meer in het bijzonder passend voor personen op grond van een beschermd criterium;3° de toegang te weigeren of te hinderen tot professionele oriëntatie, opleiding, vorming, vervolmaking en omschakeling omwille van expliciete of impliciete redenen die rechtstreeks of onrechtstreeks zijn gebaseerd op een beschermd criterium;4° al naargelang een beschermd criterium verschillende voorwaarden creëren voor het verkrijgen of de aflevering van alle soorten van diploma's, getuigschriften en titels van welke aard ook. Art. 30.Om de toepassing van het beginsel van de gelijke behandeling ten aanzien van personen met een handicap te waarborgen, dienen redelijke aanpassingen te worden verricht. Dit betekent met name dat de in artikel 28 bedoelde personen in een concrete situatie de passende maatregelen treffen om de toegang mogelijk te maken tot de beroepsoriëntatie, de informatie over beroepen, opleidings-, vervolmaking- en omschakelingsmaatregelen, tenzij deze maatregelen een onevenredige last opleggen. Deze last mag niet worden beschouwd als onevenredig indien deze in toereikende mate wordt gecompenseerd door geldende maatregelen. HOOFDSTUK 3 - Toepassing van gelijke behandeling op het gebied van huisvesting Art. 31.Onverminderd de regelgeving van toepassing op de openbare vastgoedoperatoren en sociale verhuurkantoren, kiest de verhuurder zijn huurder vrij en zonder discriminatie en de vastgoedmakelaar vrij en zonder discriminatie zijn huurder. Dit hoofdstuk bepaalt de informatiegegevens alsmede de rechtvaardigingen die een verhuurder bij de kandidaat-huurder kan inwinnen. Art. 32.§ 1. De verhuurder mag de volgende algemene gegevens inwinnen, met naleving van de regelgeving betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer: 1° voor het bezoek: a) de naam en voornaam van de kandidaat-huurder(s);b) een communicatiemiddel met de kandidaat-huurder;2° ter ondersteuning van de kandidaatstelling: a) het bedrag van de financiële middelen waarover de huurder beschikt of de raming ervan om na te gaan of de kandidaat in staat is om de huur te betalen;b) het aantal personen dat deel uitmaakt van het gezin om na te gaan of het gehuurde goed geschikt is gelet op de oppervlakte ervan;3° met het oog op het opstellen en sluiten van een huurovereenkomst: a) elk document dat het mogelijk maakt de identiteit van de huurder en zijn bekwaamheid om te contracteren vast te stellen;b) de burgerlijke stand van de huurder indien deze gehuwd is of wettelijk samenwonend, rekening houdend met de bescherming van de gezinswoning zoals bedoeld in het Burgerlijk Wetboek. § 2. De gewestregering kan een gestandaardiseerd document vaststellen met de informatie die door de verhuurder opgevraagd kan worden. Dit document bevat en detailleert ten minste de inhoud en de vorm van de informatie bedoeld in § 1. De gewestregering kan, na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit en Unia, andere informatie bepalen die door de verhuurder opgevraagd kan worden, alsook de inhoud en de vorm ervan. § 3. Noch de oorsprong noch de aard van de middelen mogen door de verhuurder in aanmerking worden genomen om een woning te weigeren. § 4. Persoonsgegevens van kandidaat-huurders mogen door de verhuurder, ten welke titel ook, slechts worden bewaard gedurende een periode van maximaal zes maanden die nodig is voor de behandeling van hun kandidaatstelling alsook, indien nodig, gedurende een periode van maximaal 10 jaar die nodig is voor de afhandeling van geschillen in verband met mogelijke discriminatie. Persoonsgegevens van huurders mogen worden bewaard gedurende de volledige looptijd van de betreffende huurovereenkomst en tot 5 jaar daarna, alsook, indien nodig, gedurende een periode van maximaal 10 jaar die nodig is voor de afhandeling van geschillen in verband met mogelijke discriminatie. Art. 33.Onverminderd artikel 32, § 1, kan de kandidaat-huurder vóór het sluiten van de huurovereenkomst een bezoek aan het pand eisen. TITEL 5 - Opsporing en vervolging van discriminatie HOOFDSTUK 1 - Discriminatietesten Afdeling 1 - Tewerkstelling Art. 34.§ 1. In het kader van de toepassing van de discriminatietesten zoals bedoeld in artikel 4/3, § 2, van de ordonnantie van 30 april 2009 betreffende het toezicht op de reglementeringen inzake werkgelegenheid die tot de bevoegdheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest behoren en de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze reglementeringen, moet Actiris: 1° elke eerste en vijftiende dag van de maand via elektronische weg aan de ambtenaren, die door de gewestregering zijn aangewezen om toe te zien op de toepassing van dit Wetboek op het gebied van de tewerkstelling, alle klachten of meldingen doorgeven die haar integratiedienst voor gediscrimineerde werkzoekenden heeft ontvangen en die een voldoende vermoeden van discriminatie inhouden, met de uitdrukkelijke toestemming van het slachtoffer, ongeacht of hij of zij anoniem wenst te blijven of niet;2° de ambtenaren die door de gewestregering zijn aangewezen om toe te zien op de toepassing van dit Wetboek op het gebied van de tewerkstelling, binnen een termijn van ten hoogste tien dagen na het verzoek, via elektronische weg geanonimiseerde curricula vitae toezenden die de uitvoering van de in artikel 4/3, § 2, van de ordonnantie van 30 april 2009 bedoelde tests mogelijk maken. Actiris ziet erop toe dat de persoonsgegevens waar de doorgifte in 2° betrekking op heeft passend en relevant zijn en beperkt blijven tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt. De gewestregering bepaalt de modaliteiten en procedures voor de toezending van de i …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.