Gezamenlijk decreet en ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommis
Kort samengevat
Dit gezamenlijk decreet en ordonnantie, genaamd "het Wetboek", heeft als doel de gelijkheid en inclusie in Brussel te bevorderen, discriminatie te bestrijden en diversiteit te stimuleren. Het waarborgt gelijke kansen en behandeling voor iedereen.
Wat het reguleert
- Het bijdragen aan de verwezenlijking van gelijkheid en inclusie op het Brusselse grondgebied.
- De bestrijding van alle vormen van discriminatie.
- Het waarborgen van gelijke kansen en behandeling.
- De bevordering van diversiteit.
Wie het aanbelangt
- Iedereen op het Brusselse grondgebied.
- Werkgevers met ten minste één exploitatiezetel in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, alsook gewestelijke en lokale besturen.
Kernpunten
- Het Wetboek streeft naar het bijdragen aan de verwezenlijking van de gelijkheid en de inclusie op het Brusselse grondgebied.
- Het bestrijdt alle vormen van discriminatie en waarborgt gelijke kansen en behandeling.
- Het bevordert diversiteit en omvat de omzetting van diverse Europese richtlijnen.
- Het definieert "beschermde criteria" zoals geslacht, zogenaamd ras, leeftijd, handicap, en vele andere, waarop discriminatie verboden is.
Wettekst
Wetboek inzake de gelijkheid, de non-discriminatie en de bevordering van diversiteit De Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie heeft aangenomen en Wij, de Regering, bekrachtigen hetgeen volgt
clusie op het Brusselse grondgebied, de bestrijding van alle vormen van discriminatie, het waarborgen van gelijke kansen en behandeling en de bevordering van diversiteit. Art. 3.Dit Wetboek beoogt tevens de omzetting van de volgende Europese richtlijnen: - richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid; - richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming; - richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep; - richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten; - richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking); - richtlijn 2010/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG van de Raad; - richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 inzake de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties; - richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers, waarvan artikel 11 een nieuwe anti-discriminatieclausule bevat. Art. 4.Het gebruik van mannelijke namen in dit Wetboek is gemeenslachtig. TITEL 2. - Definities Art. 5.Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder: 1° "positieve actie": specifieke maatregelen om de nadelen verband houdende met één of meer van de beschermde criteria te voorkomen of te compenseren, met het oog op het waarborgen van een volledige gelijkheid in de praktijk;2° "lokaal bestuur": a) de gemeenten;b)
tercommunales;
- c)de autonome gemeentebedrijven;
- d)de gemeentelijke vzw's;3° "redelijke aanpassingen": passende maatregelen die in een concrete situatie en naargelang de behoefte worden getroffen, en die geen onevenredige of buitensporige last vormen, om een persoon met een handicap in staat te stellen toegang te krijgen en te behouden tot huisvesting, werkgelegenheid, deelneming en vooruitgang te boeken, of, in het algemeen, toegang te krijgen tot, deel te nemen aan en vooruitgang te boeken op de onder deze Wetboek vallende toepassingsgebieden en activiteiten;4° "mobiele applicatie": toepassingssoftware die is ontworpen en ontwikkeld door of namens het gewestelijk bestuur of lokaal bestuur met het oog op gebruik door het algemene publiek op mobiele toestellen zoals smartphones en tablets.Zij omvat niet de besturingssoftware van die toestellen (mobiele besturingssystemen) noch de hardware; 5° "vzw": vereniging zonder winstoogmerk die valt onder het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019;6° "gemeentelijke vzw": een vzw die aan één van de volgende voorwaarden voldoet: - één of meer van haar organen is voor meer dan de helft samengesteld uit leden van de gemeenteraad die zetelen in die hoedanigheid of door de gemeenteraad voorgedragen leden; - de gemeente of haar directe of indirecte vertegenwoordigers beschikken over een stemgerechtigde meerderheid in één of meer bestuursorganen; 7° "goederen": goederen in de zin van de bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie inzake het vrij verkeer van goederen;8° "College": het college van de Franse Gemeenschapscommissie;9° "Verenigd College": het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;10° "diversiteitsconsulent": een personeelslid van Actiris met als opdracht de openbare en particuliere organisaties en de verenigingen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te begeleiden bij het opstellen, implementeren, opvolgen en evalueren van hun diversiteitsplan;11° "Verdrag van de Verenigde Naties": het Verdrag van de Verenigde Naties over de rechten van personen met een handicap, opgesteld te New York, op 13 december 2006;12° "beschermde criteria": geslacht, criterium die gelijk wordt gesteld met zwangerschap, bevalling, moederschap, borstvoeding, geassisteerde voortplanting, medische of sociale verandering, genderidentiteit, gender expressie, seksuele kenmerken, vaderschap, co-moederschap, co-vaderschap, co-ouderschap;zogenaamd ras; huidskleur; afkomst; nationaliteit; nationale of etnische afstamming; sociale afkomst en toestand; de gezinsverantwoordelijkheden, met inbegrip van alleen ouderschap; leeftijd; verblijfsstatus; seksuele geaardheid; burgerlijke staat; geboorte; vermogen; geloof of levensbeschouwing; politieke overtuiging; syndicale overtuiging; taal; verleden, huidige of toekomstige gezondheidstoestand; handicap, fysieke of, genetische; 13° "beschermde zogenaamd raciale criteria": zogenaamd ras, huidskleur, nationaliteit, afkomst en nationale of etnische afstamming;14° "direct onderscheid": de situatie die zich voordoet wanneer iemand ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op basis van één of meer van de, echte of vermeende, beschermde criteria die rechtstreeks of door associatie worden toegekend;15° "directe discriminatie": direct onderscheid op grond van een of meer van de beschermde criteria dat niet gerechtvaardigd kan worden op grond van de bepalingen van dit Wetboek;16° "indirect onderscheid": de situatie die zich voordoet wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen gekenmerkt door een of meer van de echte of vermeende, beschermde criteria die rechtstreeks of door associatie worden toegekend, bijzonder kan benadelen in vergelijking met andere personen;17° "indirecte discriminatie": indirect onderscheid op grond van een of meer van de beschermde criteria dat niet gerechtvaardigd kan worden op grond van de bepalingen van dit Wetboek;18° "intersectionele discriminatie": directe of indirecte, discriminerende of seksuele intimidatie, of de opdracht om te discrimineren gebaseerd op verschillende, echte of vermeende, beschermde criteria die op zichzelf of door associatie worden toegekend, die zodanig op elkaar inspelen en onlosmakelijk met elkaar verbonden worden;19° "contractuele betrekking": iedere betrekking die niet statutair is, zowel voor arbeid al dan niet in loondienst, arbeid in het kader van stageovereenkomsten, leerovereenkomsten, beroepsinlevingsovereenkomsten en startbaanovereenkomsten of arbeid als zelfstandige;20° "werkgever": iedere werkgever van wie ten minste een van de exploitatiezetels zich op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevindt, enkel voor wat deze exploitatiezetel(
- s)betreft, alsook de gewestelijke besturen en de lokale besturen;21° "stichting": stichting die valt onder het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen van 23 maart 2019;22° "gewestregering": de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;23° "belangenverenigingen":
- a)elke instelling van openbaar nut en rechtspersoon die zich statutair tot doel stelt de rechten van de mens te verdedigen of discriminatie te bestrijden en die de voorwaarden voorzien in artikel 17, tweede lid, 1° tot 3°, van het Gerechtelijk Wetboek vervult;
- b)de representatieve werknemers- en werkgeversorganisaties, bedoeld bij artikel 3 van de wet van 5 december 1968Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/12/1968 pub. 22/05/2009 numac 2009000346 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en paritaire comités;
- c)de representatieve vakorganisaties in de zin van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot de regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;
- d)de representatieve vakorganisaties in het aangewezen orgaan van vakbondsoverleg voor de administraties waarop de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot de regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel niet van toepassing is;
- e)de representatieve organisaties van de zelfstandigen;24° "discriminerende intimidatie": ongewenst gedrag dat met één of meer van de beschermde criteria verband houdt, en tot doel of als gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd;25° "seksuele intimidatie": wanneer zich enige vorm van ongewenst verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een seksuele connotatie voordoet met als doel of gevolg dat de waardigheid van een persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende situatie wordt gecreëerd;26° "weerslag voor personen met een handicap": impact van een project op de situatie van de personen met een handicap met het oog op de bescherming en bevordering van de mensenrechten van personen met een handicap en rekening houdend met het doel om hen in staat te stellen om autonoom te leven en voluit deel te nemen aan alle aspecten van het leven op basis van de gelijkheid met anderen;27° "inclusie": aanpassing van de maatschappelijke omgeving waarin alle belemmeringen worden weggenomen, zodat alle leden van de samenleving volledig, zelfstandig en op voet van gelijkheid kunnen deelnemen aan de besluitvorming en aan de politieke, sociale, culturele en economische activiteiten van de samenleving, ongeacht hun specifieke kenmerken, in het bijzonder met betrekking tot beschermde criteria;28° "opdracht tot discrimineren": elke handelwijze die er in bestaat wie ook opdracht te geven om een persoon, een groep, een gemeenschap of één van hun leden te discrimineren;29° "Brusselse instanties": - de gewestelijke instanties; -
stanties van de Franse Gemeenschapscommissie; -
stanties van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie; 30° "instanties van de Franse Gemeenschapscommissie": - de diensten van het college van de Franse Gemeenschapscommissie; -
stellingen, centra en diensten die erkend zijn door de Franse Gemeenschapscommissie of die onder toezicht staan van de Franse Gemeenschapscommissie; -
stellingen van openbaar nut van de Franse Gemeenschapscommissie die behoren tot categorie A en categorie B, overeenkomstig de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, en hun operationele dochterondernemingen; - de publiekrechtelijke instellingen of instellingen van openbaar nut die door de Franse Gemeenschapscommissie zijn opgericht; - de vzw's die zijn opgericht op het initiatief van het College; 31° "instanties van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie": - de diensten van het Verenigd College; -
stellingen, centra en diensten die erkend zijn door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of die onder toezicht staan van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, met inbegrip van de OCMW's en OCMW-verenigingen; -
stellingen van openbaar nut van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie die behoren tot categorie A en categorie B, overeenkomstig de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, en hun operationele dochterondernemingen; - de publiekrechtelijke instellingen en instanties of instellingen van openbaar nut die door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie zijn opgericht of onder toezicht staan van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie; - de vzw's die zijn opgericht op het initiatief van het Verenigd College; 32° "gewestelijke instanties": - het bestuur van de Regering; -
stellingen van openbaar nut van het Gewest die behoren tot categorie A en categorie B, overeenkomstig de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, en hun operationele dochterondernemingen; - pararegionale instellingen van publiek recht of van openbaar nut en hun operationele dochterondernemingen; - de vzw's die zijn opgericht op het initiatief van de Regering; 33° "Instituut": het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, gecreëerd door de wet van 16 december 2022Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/12/2022 pub. 23/12/2022 numac 2022034818 bron federaal agentschap voor nucleaire controle Aanpassing van de bedragen van de heffingen vermeld in artikel 30bis/4 van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle - jaar 2023 type wet prom. 16/12/2022 pub. 10/02/2023 numac 2023040548 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot wijziging van de wet van 19 maart 2014 houdende wettelijke definitie van de ambachtsman sluiten houdende oprichting van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen;34° "voor het publiek toegankelijke plaatsen": alle openbare of privégebouwen of gebouwgedeelten, plaatsen en ruimtes bestemd voor publiek gebruik, alsook het openbaar stads- en streekvervoer, met inbegrip van de gespecialiseerde lijndiensten, de taxidiensten en autoverhuurdiensten met chauffeur;35° "op tijd gebaseerde media": media van de volgende types: louter geluid, louter videobeeld, audio-video, audio en/of video in combinatie met interactie;36° "lid van het bestuursorgaan": natuurlijke persoon die benoemd wordt om zitting te hebben in het bestuursorgaan, met uitzondering van het lid van rechtswege;37° "norm": een norm zoals bedoeld in artikel 2, punt 1), van verordening (EU) nr.1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de Richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de Richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking 87/95/EEG van de Raad en Besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad; 38° "Europese norm": een Europese norm zoals bedoeld in artikel 2, punt 1), onder b), van verordening (EU) nr.1025/2012; 39° "geharmoniseerde norm": een geharmoniseerde norm zoals bedoeld in artikel 2, punt 1), onder c), van verordening (EU) nr.1025/2012; 40° "adviesorganen": alle raden, commissies, comités, werkgroepen of andere organen, ongeacht de benaming ervan, die bij ordonnantie, bij decreet of bij besluit van de gewestregering, het College of het Verenigd College, of van hun departementen of diensten worden opgericht, met uitzondering van die welke op basis van statutaire bepalingen worden opgericht;41° "bestuursorgaan": de raad van bestuur van de rechtspersoon of, bij ontstentenis, elk ander orgaan, ongeacht diens benaming, dat over alle bevoegdheden beschikt die normaal gezien toegekend worden aan een raad van bestuur en die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de opdracht of het maatschappelijk doel van de rechtspersoon, met uitzondering van zijn dagelijks bestuur;42° "operatoren van socio-professionele inschakeling": alle rechtspersonen die ingevolge hun maatschappelijk doel niet-werkende werkzoekenden socio-professioneel inschakelen krachtens artikel 6, § 1, IX, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen;43° "intermediaire organisaties": alle publieke of private organisaties of personen die activiteiten aanbieden op het vlak van arbeidsbemiddeling;44° "erkenningsorgaan": a) de directie-generaal Personen met een Handicap van de federale overheidsdienst Sociale Zekerheid;b) de "service bruxellois francophone des personnes handicapées" van de Franse Gemeenschapscommissie, de "service Phare" genoemd;c) het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;d) het "Agence pour une Vie de Qualité", afgekort "AViQ ";e) de Dienst van de Duitstalige Gemeenschap voor Personen met een Handicap (Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Personen mit einer Behinderung);f) de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB).In dat geval wordt de erkenning beperkt tot de personen die "Bijzondere tewerkstellingsondersteunende maatregelen" (BOTM) genieten welke door de VDAB worden toegekend voor werknemers met een handicap; g) de bicommunautaire Dienst voor Gezondheid, Bijstand aan Personen en Gezinsbijslag, opgericht bij de ordonnantie van 23 maart 2017 houdende de oprichting van de bicommunautaire Dienst voor Gezondheid, Bijstand aan Personen en Gezinsbijslag;h) de Brusselse verzekeringsinstellingen, bedoeld in de ordonnantie van 21 december 2018 betreffende de Brusselse verzekeringsinstellingen in het domein van de gezondheidszorg en de hulp aan personen, met name in het kader van de toekenning van individuele hulpmiddelen aan personen met een handicap;i) de persoon of personen die de graad van verminderde zelfredzaamheid vaststellen overeenkomstig artikel 4, derde lid, van de ordonnantie van 10 december 2020 betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden;45° "Parlement": het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Raad van de Franse Gemeenschapscommissie;46° "stukken uit erfgoedcollecties": in particulier of openbaar bezit zijnde goederen die van historisch, artistiek, archeologisch, esthetisch, wetenschappelijk of technisch belang zijn en deel uitmaken van verzamelingen die worden bewaard door culturele instellingen zoals bibliotheken, archieven en musea;47° "publiek diversiteitsplan": geheel van maatregelen binnen de overheidsdiensten ter bevordering van de vertegenwoordiging van alle bevolkingsgroepen, hun inclusie en ter bestrijding van discriminatie in de tewerkstelling bij de gewestelijke instanties,
stanties van de Franse Gemeenschapscommissie,
stanties van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de lokale besturen;48° "privaat diversiteitsplan": een flexibel instrument waarmee acties kunnen worden ontwikkeld en gecontroleerd die rechtstreeks beantwoorden aan de realiteit van een onderneming bij de bevordering en het beheer van de diversiteit,
tegratie en de bestrijding van verschillende vormen van discriminatie;49° "wijken van het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest": alle statistische wijken van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest als gedefinieerd door het Nationaal Instituut voor de Statistiek;50° "Gewest": het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;51° "arbeidsbetrekkingen": De arbeidsbetrekkingen in overheidsdienst van de Brusselse instanties en lokale besturen, met inbegrip van de voorwaarden voor toegang, benoeming en bevordering, met inbegrip van de selectiecriteria en -procedures, de voorwaarden en tests voor aanwerving en bevordering, de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de bezoldiging en de voorwaarden voor ontslag, en volgende, en dit: - ongeacht de statutaire of contractuele aard van de benoeming; - zowel voor arbeid gepresteerd in het kader van stageovereenkomsten, leerovereenkomsten, beroepsinlevingsovereenkomsten en startbaanovereenkomsten of arbeid als zelfstandige: - op alle niveaus van de beroepshiërarchie en voor alle sectoren; 52° "diensten": diensten in de zin van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;53° "werknemer bij het gewestelijke bestuur": personeelslid dat, al dan niet bezoldigd, werkt bij de gewestelijke besturen, zowel in vast verband benoemd als aangeworven met een arbeidsovereenkomst, stage of vrijwilligerswerk;54° "werknemer bij het lokaal bestuur": personeelslid dat, al dan niet bezoldigd, werkt bij de lokale besturen, zowel in vast verband benoemd als aangeworven met een arbeidsovereenkomst, stage of vrijwilligerswerk;55° "Unia": het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme, opgericht door het samenwerkingsakkoord van 12 juni 2013 tussen de federale overheid, de Gewesten en de Gemeenschappen voor de oprichting van het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme onder de vorm van een gemeenschappelijke instelling zoals bedoeld in artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen. DEEL
- - Recht op non-discriminatie TITEL
- - Toepassingsgebied Art. 6.Met inachtneming van de bevoegdheden die door het Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie worden uitgeoefend, is it Deel van toepassing op alle personen, zowel in de openbare als in de particuliere sector, met inbegrip van de gewestelijke instanties, van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook de lokale besturen, met betrekking tot: 1° de sociale bescherming, met inbegrip van het beleid en de gezondheidszorg;2° de sociale voordelen;3° de toegang tot en het verstrekken van goederen en diensten, die los van de betrokken persoon ter beschikking van het publiek staan en buiten de private en familiale sfeer om worden aangeboden, evenals tot de verrichtingen uitgevoerd in dat verband, met inbegrip van huisvesting, energie en openbaar stads- en streekvervoer;4° de tewerkstelling, zoals bepaald in de bevoegdheden van het Gewest zoals bedoeld in de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen;5° de toegang tot en de deelname aan, alsook elke andere uitoefening van een economische, sociale, culturele of politieke activiteit toegankelijk voor het publiek;6° de vermelding in een officieel stuk of in een proces-verbaal;7° de Bijstand aan Personen;8° de sociale promotie;9° het toerisme;10° de gemeentelijke, provinciale, intercommunale en privé-infrastructuren, wat lichamelijke opvoeding, sport en openluchtleven betreft;11° het schoolvervoer en het beheer van de schoolgebouwen;12° de arbeidsbetrekkingen;13° het lidmaatschap van en betrokkenheid bij een werknemers- of werkgeversorganisatie of enige andere organisatie waarvan de leden een bepaald beroep uitoefenen, met inbegrip van de voordelen die dergelijke organisaties bieden. TITEL
- - Verbod van discriminatie HOOFDSTUK
- - Verboden gedragingen Art. 7.Gelijke behandeling is gegarandeerd. Gelijke behandeling in de zin van dit Wetboek houdt het verbod in op elke vorm van discriminatie. In de zin van dit Wetboek, zijn de volgende gedragingen verboden: 1° rechtstreekse discriminatie;2° indirecte discriminatie;3° intersectionele discriminatie;4° weigering van redelijke aanpassingen;5° discriminerende intimidatie;6° seksuele intimidatie;7° opdracht tot discrimineren. HOOFDSTUK
- - Toegestane onderscheidingen Afdeling
- - Algemene regels voor de rechtvaardiging van onderscheidingen Onderafdeling
- - Gerechtvaardigde directe onderscheidingen Art. 8.§
- Elk direct onderscheid op grond van één of meerdere van de beschermde criteria, met uitzondering van zogenaamd ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming en het geslachtscriterium, vormt een directe discriminatie, tenzij dit directe onderscheid objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. §
- Elk direct onderscheid, in voorkomend geval in combinatie met andere beschermde criteria, op grond van zogenaamd ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming, vormt een directe discriminatie, behalve in het geval van: - een positieve actie; - op het gebied van tewerkstelling en arbeidsbetrekkingen, een wezenlijke en bepalende beroepsvereiste die krachtens dit Wetboek is toegestaan. §
- Elk direct onderscheid dat, in voorkomend geval in combinatie met andere beschermde criteria, op geslacht is gebaseerd, vormt directe discriminatie, behalve in het geval van: - een positieve actie; - op het gebied van tewerkstelling en arbeidsbetrekkingen, een wezenlijke en bepalende beroepsvereiste die krachtens dit Wetboek is toegestaan; - een onderscheid gerechtvaardigd in het licht van afdeling 3 van dit Hoofdstuk; - een maatregel ter bescherming van de zwangerschap, de geboorte of het moederschap zoals bedoeld in artikel
- §
- In afwijking van § 1 vormt op het gebied van tewerkstelling en arbeidsbetrekkingen elk direct onderscheid dat, in voorkomend geval in combinatie met andere beschermde criteria, gebaseerd is op seksuele geaardheid, leeftijd, handicap of geloof of overtuiging, een directe discriminatie, behalve in het geval van: - een positieve actie; - een wezenlijke of bepalende beroepsvereiste die krachtens dit Wetboek is toegestaan; Wat betreft het leeftijdscriterium, een rechtvaardiging op basis van legitieme doelstellingen op het gebied van tewerkstellingsbeleid, de arbeidsmarkt en de beroepsopleiding, op voorwaarde dat de middelen om deze doelstellingen te bereiken gepast en noodzakelijk zijn. Art. 9.De bijzondere bepalingen betreffende de bescherming van de zwangerschap, de geboorte of het moederschap, die zijn vastgesteld om gelijke behandeling van vrouwen en mannen te bereiken, kunnen niet beschouwd worden als een vorm van discriminatie. Onderafdeling
- - Indirecte gerechtvaardigde onderscheidingen Art. 10.Elk indirect onderscheid op grond van één of meerdere van de beschermde criteria vormt een indirecte discriminatie, tenzij: 1° de ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelswijze die aan de grondslag ligt van dit indirecte onderscheid objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn;of 2° in het geval van een indirecte discriminatie op grond van een situatie van handicap, er wordt aangetoond dat er geen redelijke aanpassingen mogelijk zijn op grond van de artikelen 11 et 12 van dit Wetboek. Onderafdeling
- - Redelijke aanpassingen voor personen met een handicap Art. 11.In het geval dat een persoon met een handicap verzoekt om een aanpassing in verband met zijn handicap, of in het geval dat een mantelzorger van een persoon met een handicap verzoekt om een aanpassing in verband met die handicap, wordt deze uitgevoerd. Mocht dit niet gebeuren, wordt de persoon met een handicap of de mantelzorger verwezen naar de persoon die aan het verzoek kan voldoen, ofwel geïnformeerd over de redenen voor de weigering in het geval van een onredelijk verzoek om aanpassing, en krijgt hij, zo nodig, een gelijkwaardig alternatief aangeboden. Art. 12.§
- Vormt geen indirecte discriminatie, het onderscheid op grond van een handicap, wanneer wordt aangetoond dat er geen redelijke aanpassingen getroffen mogelijk zijn, zonder een onevenredige belasting te creëren. §
- Wanneer die belasting in voldoende mate wordt gecompenseerd door bestaande maatregelen in het kader van het gevoerde overheidsbeleid inzake personen met een handicap, mag zij niet als onevenredig worden beschouwd. §
- De gewestelijke instanties, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie, de lokale besturen,
termediaire organisaties en de operatoren van socio-professionele inschakeling, zijn verplicht om, wanneer zij een als onredelijke beschouwde aanpassing weigeren, de betrokken persoon met een handicap of de mantelzorger een gelijkwaardig alternatief aan te bieden. Afdeling
- - Wezenlijke en bepalende vereisten op het gebied van de tewerkstelling, van de Brusselse besturen en van de beroepsopleiding Art. 13.Van een wezenlijke en bepalende beroepsvereiste kan slechts sprake zijn wanneer: - een bepaald kenmerk, dat verband houdt met een beschermd criterium, vanwege de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteiten of het kader waarin deze worden uitgevoerd, wezenlijk en bepalend is voor de uitoefening van die beroepsactiviteiten; en - de vereiste berust op een legitieme doelstelling en daarmee evenredig is. Art. 14.§
- Een direct onderscheid, op grond van één of meerdere kenmerken die verband houden met één of meerdere van de beschermde criteria, vormt geen directe discriminatie wanneer het betrokken kenmerk of de betrokken kenmerken wegens de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteit of de context waarin deze wordt uitgevoerd, een wezenlijke en bepalende beroepsvereiste vormen, mits het doel legitiem is en de vereiste evenredig is aan dit doel. §
- Een onderscheid dat geheel of gedeeltelijk op een kenmerk in verband met geslacht berust, met betrekking tot de toegang tot arbeid, inclusief de opleiding die daartoe de toegang geeft, vormt geen directe discriminatie indien dit kenmerk wegens de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteit of de context waarin deze wordt uitgeoefend, een wezenlijke en bepalende beroepsvereiste vormt, mits het doel legitiem is en de vereiste evenredig is aan dit doel. Afdeling
- - Goederen en diensten die exclusief of essentieel bestemd zijn voor de leden van een bepaald geslacht Art. 15.Een direct onderscheid gebaseerd op het geslacht vormt geen directe discriminatie indien de levering van goederen en diensten die exclusief of essentieel bestemd zijn voor de leden van één geslacht, objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel en indien de middelen om dit doel te bereiken gepast en noodzakelijk zijn. Afdeling
- - Positieve acties Art. 16.§
- Een onderscheid op grond van één of meerdere beschermde criteria geeft nooit aanleiding tot de vaststelling van enige vorm van directe, indirecte of intersectionele discriminatie, noch van een opdracht tot discriminatie wanneer dit onderscheid een maatregel van positieve actie inhoudt die is aangenomen met inachtneming van het door de gewestregering, het College en het Verenigd College gezamenlijk vastgestelde regelgevingskader. §
- Het regelgevingskader zoals bedoeld in § 1 moet de volgende cumulatieve voorwaarden naleven en uitvoeren: 1° er moet een kennelijke ongelijkheid zijn;2° het verdwijnen van deze ongelijkheid moet worden aangewezen als een te bevorderen doelstelling;3° de maatregel van positieve actie moet van tijdelijke aard zijn en van die aard zijn dat hij verdwijnt zodra de beoogde doelstelling is bereikt;4° de maatregel van positieve actie mag andermans rechten niet onnodig beperken. §
- Zolang het in §§ 1 en 2 bedoelde regelgevingskader niet is aangenomen, kunnen de positieve acties worden uitgevoerd met inachtneming van de vier voorwaarden zoals bedoeld in §
- In dat geval, moet de auteur van de positieve actie uitdrukkelijk uitleggen, bij de uitvoering van de positieve actie, hoe deze actie elk van de vier voorwaarden naleeft en uitvoert. Afdeling
- - Vrijwaringsbeding Art. 17.§
- Een onderscheid op grond van de beschermde criteria geeft nooit aanleiding tot de vaststelling van enige vorm van discriminatie uit hoofde van dit Wetboek, wanneer deze wordt opgelegd door of krachtens een wet, decreet of ordonnantie. §
- Paragraaf 1 loopt echter niet vooruit op de overeenstemming van bij of krachtens een wet, decreet of ordonnantie gemaakte onderscheidingen met de Grondwet, het recht van de Europese Unie en het internationale recht. TITEL
- - Algemene beschermingsregelingen HOOFDSTUK
- - Verboden contractuele bedingen Art. 18.§
- De bepalingen die strijdig zijn met dit Deel alsook de contractuele bedingen die bepalen dat één of meerdere contracterende partijen afzien van de rechten die door dit Deel worden gewaarborgd, zijn nietig. §
- De bepalingen zoals bedoeld in § 1 omvatten de administratieve handelingen, de clausules opgenomen in individuele of collectieve overeenkomsten en collectieve regelingen, evenals de bedingen opgenomen in eenzijdig uitgevaardigde documenten. §
- Op het gebied van tewerkstelling en beroepsopleiding, omvatten de bepalingen zoals bedoeld in § 1 eveneens de documenten uitgaande van de werkgevers, intermediaire organisaties en de operatoren van socio-professionele inschakeling, evenals overeenkomsten waarbij deze partij zijn. HOOFDSTUK
- - Bescherming tegen vergelding Art. 19.§
- Wanneer een melding wordt gedaan of een klacht wordt ingediend of een vordering wordt ingesteld door of ten voordele van een persoon wegens schending van dit Deel, mogen geen nadelige maatregelen worden genomen tegen de betrokken persoon, behalve om redenen die vreemd zijn aan de melding, de klacht of de vordering of hun inhoud. § 2.
§ 1
bedoelde bescherming is eveneens van toepassing op personen die optreden als raadsheer, verdediger, getuige of bijstandsverlener ten voordele van het slachtoffer of van de persoon die de klacht indient of aangifte doet, en voor de personen die optreden als klokkenluider. § 3. Wanneer een nadelige maatregel wordt genomen ten aanzien van de betrokkene binnen twaalf maanden na het indienen van de klacht of de melding, of het tijdstip waarop de betrokkene kennis nam van de melding of klacht of nadat hij redelijkerwijs kennis had kunnen nemen van deze stappen, dient degene tegen wie de klacht of de melding gericht is, te bewijzen dat de nadelige maatregel is genomen om redenen die vreemd zijn aan de klacht. Wanneer een persoon binnen de twaalf maanden nadat hij kennis heeft genomen van de melding of klacht of nadat hij redelijkerwijs kennis had kunnen nemen van deze stappen, een nadelige maatregel neemt ten aanzien van de persoon op wie de vermeende inbreuk betrekking heeft, is het aan de persoon die de nadelige maatregel heeft genomen om aan te tonen dat de nadelige maatregel geen verband houdt met de melding of klacht of hun inhoud. Indien door of ten behoeve van de betrokkene een rechtsvordering is ingesteld, wordt
het eerste lid bedoelde termijn verlengd tot drie maanden na de dag waarop de uitgesproken beslissing in kracht van gewijsde is getreden. § 4. Wanneer wordt geoordeeld dat er een nadelige maatregel in strijd met paragraaf 1 is genomen, moet de auteur van de maatregel de betrokkene een schadevergoeding betalen die, naar keuze van die persoon, gelijk is aan hetzij
artikel 22 van dit Wetboek bedoelde forfaitaire schadevergoeding, hetzij aan de werkelijk door de persoon geleden schade. In laatstgenoemd geval, moet de betrokkene de omvang van de geleden schade bewijzen.
deze paragraaf bedoelde schadevergoeding kan worden gecumuleerd met
Hoofdstuk 3
Art. 20.§
- In afwijking van artikel 19, § 4, kan deze persoon of belangenvereniging waarbij hij is aangesloten, wanneer de nadelige maatregel is genomen door een gewestelijke instantie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of de Franse Gemeenschapscommissie of een lokaal bestuur waarbij de betrokkene in dienst is, verzoeken opnieuw in dienst te worden genomen of zijn functie onder dezelfde voorwaarden als voorheen te laten uitoefenen. Het verzoek wordt ingediend bij een ter post aangetekende brief binnen dertig dagen volgend op de datum van de kennisgeving van de opzegging, van de beëindiging zonder opzegging, van de eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden of van enige andere nadelige maatregel. De betrokken werkgever moet zich binnen dertig dagen volgend op de kennisgeving een standpunt over het verzoek nemen. De werkgever die de persoon herplaatst en/of hem of haar zijn of haar functie laat uitoefenen onder dezelfde voorwaarden als voorheen, is verplicht de gederfde verloning wegens ontslag, wijziging van de arbeidsvoorwaarden of enige andere nadelige maatregel te betalen. Dit artikel is niet van toepassing wanneer de nadelige maatregel wordt getroffen nadat de arbeidsbetrekking een einde heeft genomen. §
- Indien de werknemer na het in § 1, eerste lid, bedoelde verzoek niet opnieuw in dienst wordt genomen of zijn functie niet onder dezelfde voorwaarden als voorheen kan uitoefenen, en indien er geoordeeld werd dat de nadelige maatregel in strijd is met de bepalingen van artikel 19, § 1, moet de werkgever aan de betrokkene een vergoeding betalen die, naar keuze van de werknemer, gelijk is aan een forfaitair bedrag dat overeenstemt hetzij met de bruto verloning voor zes maanden, hetzij aan de werkelijk door de betrokkene geleden schade, op voorwaarde dat in laatstgenoemd geval hij de omvang van de geleden schade bewijst. §
- De werkgever is verplicht dezelfde vergoeding uit te betalen, zonder dat de betrokkenen of de belangenvereniging waarbij hij is aangesloten, het in § 1 bedoelde verzoek om opnieuw in dienst te worden opgenomen of zijn functie onder dezelfde voorwaarden als voorheen te kunnen uitoefenen moet indienen: 1° wanneer het bevoegde rechtscollege de feiten van discriminatie, die het voorwerp uitmaken van de klacht, als bewezen heeft geacht;2° wanneer de betrokkene de arbeidsbetrekking beëindigt, omdat het gedrag van de werkgever in strijd is met de bepalingen van artikel 19, § 1, wat volgens de werknemer een reden is om de arbeidsbetrekking zonder opzegging of voor het verstrijken ervan te beëindigen;3° wanneer de werkgever de arbeidsbetrekking heeft beëindigd om dringende redenen en het bevoegde rechtscollege deze beëindiging ongegrond en in strijd met de bepalingen van artikel 19, § 1 heeft geacht. §
- Wanneer de nadelige maatregel getroffen wordt nadat de arbeidsbetrekking beëindigd werd en in strijd wordt bevonden met artikel 19, § 1, is de werkgever verplicht het slachtoffer
§ 2bedoelde schadevergoeding te betalen.
Art. 21.§ 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk, wordt onder klacht of melding of rechtsvordering onder meer verstaan: - een klacht of een melding ingediend door de betrokkene bij de Brusselse instantie, het lokale bestuur of de dienst waarbij hij in dienst is, een organisatie, vereniging, instelling, operator of orgaan tegen wie de klacht is ingediend, overeenkomstig de van kracht zijnde procedures; - een klacht of een melding bij het orgaan of de organisatie die verantwoordelijk is voor de vermoedelijke schending, namens de betrokkene, door Unia of het Instituut, of door een belangenvereniging; - een rechtsvordering ingesteld door de betrokkene; - een rechtsvordering ingesteld door Unia of het Instituut of een belangenvereniging ten voordele van de betrokkene of een door Unia of het Instituut of een belangenvereniging met toestemming van de bij de vermeende inbreuk betrokkene rechtsvordering; - een klacht of melding ingediend door of namens de betrokkene bij Unia, het Instituut of een belangenvereniging; - een melding, aangifte of klacht ingediend bij de met de controle belaste ambtenaren of bij
spectiedienst van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel; - een aangifte bij de politie, een klacht met burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter of een kennisgeving aan de Procureur des Konings of de arbeidsauditeur; - een melding of een klacht ingediend bij de dienst die toezicht houdt op de handelingen en de werking van overheidsdiensten of -organen of die optreedt met het oog op een minnelijke schikking van geschillen. § 2. Wanneer een betrokkene bij de vermoedelijke inbreuk een melding doet, een klacht indient of een rechtsvordering instelt, of wanneer een in § 1 bedoelde persoon de bedoelde handelingen verricht, kan hij
§ 1
bedoelde organisatie, dienst of instelling waarvoor de handeling wordt verricht, om een schriftelijk en gedateerd bewijs verzoeken. Het schriftelijk bewijs verstrekt door
§ 1
bedoelde organisatie, dienst of instelling bevat de identiteit van de persoon, de getroffen maatregelen, de datum van de maatregel en de datum van het verzoek om bewijs. Deze organisaties, diensten en instellingen zijn verantwoordelijk voor de verwerking van deze gegevens in de zin van de wetgeving inzake de gegevensbescherming. De bewaartermijn voor dit bewijs is de termijn die geldt voor de opslag van het individuele dossier zoals bepaald in het gegevensbeschermingsbeleid van de verwerkingsverantwoordelijke. HOOFDSTUK
- - Vergoeding van de slachtoffers Afdeling
- - Algemene regeling Art. 22.§
- Ingeval van door dit Deel beoogde discriminatie, kan het slachtoffer, Unia of de belangengroep die namens het slachtoffer optreedt een schadevergoeding vorderen overeenkomstig het contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht. De persoon die het discriminatieverbod heeft geschonden moet het slachtoffer een schadevergoeding betalen die, naar keuze van het slachtoffer, overeenstemt hetzij een door § 2 vastgesteld forfaitair bedrag, hetzij aan de werkelijk door het slachtoffer geleden schade. In laatstgenoemd geval, moet het slachtoffer de omvang van de geleden schade bewijzen. §
- De forfaitaire vergoeding voor morele schade ten gevolgde van discriminatie wordt door de rechter vastgesteld op 2.000 euro tot 6.000 euro. De factoren waarop de rechter zijn beoordeling moet baseren zijn de volgende: 1° het feit dat de persoon die het discriminatieverbod heeft geschonden, niet kan aantonen dat de betrokken nadelige behandeling ook zonder discriminatie zou zijn toegepast;2° in het geval van intersectionele discriminatie, de veelheid aan beschermde criteria waarop de discriminatie is gebaseerd;3° een door de verzoeker aangetoonde context van systemische discriminatie, dit wil zeggen een situatie waarin een geheel van formele en informele gedragingen, regels en praktijken in een organisatie op elkaar inwerken en samen een algemeen effect veroorzaken van uitsluiting en benadeling van mensen met één of meerdere beschermde criteria;4° andere omstandigheden waaruit de bijzondere ernst van de geleden morele schade blijkt. §
- In geval van meervoudige discriminatie wordt
§ 2
bedoelde forfaitaire marge afzonderlijk toegepast op elke vastgestelde discriminatie. § 4.
§ 2
bedoelde bedragen worden jaarlijks op 1 januari geïndexeerd, rekening houdend met het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand november, met toepassing van de volgende indexeringsformule: het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het beginindexcijfer. Het beginindexcijfer is die van de maand november
- Afdeling
- - Specifieke regeling voor Brusselse besturen Art. 23.§
- Ingeval van een door dit Deel beoogde discriminatie in het kader van een arbeidsbetrekking kan het slachtoffer, Unia of de belangengroep die namens het slachtoffer optreedt een vergoeding van zijn of haar schade vorderen op grond van het contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht. De gewestelijke instantie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie, of het lokale bestuur die, als werkgever, het discriminatieverbod heeft geschonden, betaalt het slachtoffer een schadevergoeding die naar keuze van het slachtoffer, gelijk is aan hetzij een forfaitair bedrag zoals uiteengezet in § 2, hetzij aan de werkelijk door het slachtoffer geleden schade. In laatstgenoemd geval moet het slachtoffer de omvang van de geleden schade bewijzen. §
- De forfaitaire schadevergoeding voor materiële en morele schade zoals vermeld in § 1, is gelijk aan de bruto bezoldiging voor zes maanden, tenzij de werkgever de werkgever aantoont dat de nadelige behandeling ook zonder discriminatie zou zijn toegepast. In dat laatste geval wordt de forfaitaire schadevergoeding voor materiële en morele schade beperkt tot drie maanden bruto bezoldiging. Wanneer de materiële schade die voortvloeit uit een door dit Wetboek beoogde discriminatie kan worden vergoed door toepassing van de nietigheidssanctie voorzien in artikel 18, is de forfaitaire vergoeding voor de morele schade, geleden ten gevolge van discriminatie, vastgesteld overeenkomstig artikel
- §
- De forfaitaire schadevergoeding bedoeld in §§ 1 en 2 kan worden gecumuleerd met beschermingsvergoedingen ten gevolgde van de beëindiging van een arbeidsrelatie, tenzij anders vereist door of krachtens de wet. Afdeling
- - Specifieke regeling voor huisvesting Art. 24.§
- Ingeval van een door dit Deel beoogde discriminatie op het gebied van huisvesting, kan het slachtoffer, Unia of de belangengroep die namens het slachtoffer optreedt een schadevergoeding vorderen overeenkomstig het contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht. De persoon die het discriminatieverbod heeft geschonden, moet aan het slachtoffer een schadevergoeding betalen die, naar keuze van het slachtoffer, gelijk is aan hetzij een forfaitair bedrag zoals uiteengezet in § 2, hetzij aan de werkelijk door het slachtoffer geleden schade. In laatstgenoemd geval, moet het slachtoffer de omvang van de geleden schade bewijzen. § 2.
§ 1
bedoelde forfaitaire vergoeding voor morele schade wordt vastgesteld op een bedrag van zes maanden huur. §
- In afwijking van §§ 1 en 2 moet, wanneer geen enkele huurprijs als referentie kan worden gebruikt om de forfaitaire vergoeding vast te stellen, worden verwezen naar de referentiehuurprijs die is opgenomen in het indicatief rooster van de huurprijzen, zoals bedoeld in de Brusselse huisvestingscode. HOOFDSTUK
- - Bekendmaking van de beslissing Art. 25.Wanneer de rechtbank oordeelt dat er sprake is van discriminatie, kan zij bevelen dat er gedurende een door haar te bepalen periode een samenvatting van haar beslissing wordt aangeplakt, zowel buiten als binnen
richtingen van de overtreder of in de aan hem toebehorende ruimten, en kan zij bevelen dat deze samenvatting wordt gepubliceerd of verspreid in kranten of op enige andere wijze, met uitzondering van publicatie op het internet, en dit alles op kosten van de overtreder. De beslissing om de samenvatting aan te brengen, te publiceren en/of te verspreiden moet gerechtvaardigd zijn om toekomstige discriminatie te voorkomen. De methodes voor het tonen, publiceren en/of verspreiden van de samenvatting zullen gerechtvaardigd worden met betrekking tot hetzelfde doel. De samenvatting is volledig anoniem wat het slachtoffer betreft. De identiteit van de dader van de discriminatie wordt vermeld indien het een rechtspersoon betreft. Indien de dader een meerderjarige natuurlijke persoon is, kan de rechtbank bevelen dat zijn of haar identiteit wordt vermeld indien zij, in het licht van de omstandigheden van de zaak, van oordeel is dat dit strikt noodzakelijk is om toekomstige discriminatie door dezelfde dader te voorkomen. De beslissing om de identiteit van de dader te vermelden wanneer deze een meerderjarige natuurlijke persoon is, moet door de rechter specifiek worden gemotiveerd. In afwijking van het eerste lid kan, indien het slachtoffer daarom verzoekt, ten aanzien van de dader van discriminatie die een rechtspersoon is, publicatie op het internet worden bevolen indien de vastgestelde discriminatie heeft plaatsgevonden in een context van systemische discriminatie zoals bedoeld in artikel 22, § 2, 3°. De rechter zal specifieke redenen geven voor de beslissing om de samenvatting op het internet te publiceren. Publicatie op het internet kan ook worden bevolen als het slachtoffer daarom vraagt, ongeacht of de dader een rechtspersoon of een meerderjarige natuurlijke persoon is, als de vastgestelde discriminatie zich op het internet heeft voorgedaan. Indien de dader een meerderjarige natuurlijke persoon is, mag zijn of haar identiteit alleen worden vermeld in
het eerste lid genoemde omstandigheden, rekening houdend met de gevolgen van publicatie op het internet voor zijn of haar privéleven. TITEL
- - Specifieke beschermingsregelingen HOOFDSTUK
- - Toepassing van gelijke behandeling op het gebied van werkgelegenheid, en gewestelijke en lokale overheidsdiensten Art. 26.Voor hetzelfde werk of voor werk waaraan eenzelfde waarde wordt toegekend, moet elke discriminatie op grond van geslacht of gezinsverantwoordelijkheid uit alle elementen en voorwaarden van de bezoldiging worden geweerd. In het bijzonder wanneer een systeem van werkclassificatie wordt gebruikt voor het bepalen van de bezoldigingen, moet dit systeem steunen op dezelfde criteria voor mannelijke en vrouwelijke, onafhankelijk van de gezinsverantwoordelijkheid werknemers en moet de discriminatie op grond van geslacht uitsluiten. Art. 27.§
- Een werknemer verbonden door een arbeidsbetrekking, die in moederschapsverlof, bevallingsverlof, adoptieverlof of een ander verlof in verband met de gezinsverantwoordelijkheden is, heeft het recht om na dit verlof zijn/haar functie of een gelijkwaardige functie weer op te nemen onder dezelfde voorwaarden. §
- De werknemer heeft het recht op elke verbetering van de arbeidsvoorwaarden waarop zij het recht zou hebben gehad tijdens haar afwezigheid wegens het moederschapsverlof, het geboorteverlof, het adoptieverlof of een ander verlof in verband met gezinsverantwoordelijkheden. §
- De werknemer heeft het recht op alle verworven of nog te verwerven rechten tijdens haar moederschapsverlof, geboorteverlof, adoptieverlof of ander verlof in verband met gezinsverantwoordelijkheden. §
- Elk slachtoffer van een inbreuk in de zin van de §§ 1 tot en met 3 kan ofwel
artikel 23 bedoelde forfaitaire schadevergoeding eisen, ofwel de schade die hij daadwerkelijk heeft geleden. In het laatste geval, moet het slachtoffer de omvang van de geleden schade bewijzen. HOOFDSTUK 2. - Toepassing van de gelijke behandeling in de beroepsopleiding Art. 28.Dit hoofdstuk is van toepassing op elk persoon die zich op om het even welk niveau inlaat met professionele oriëntatie, opleiding, vorming, vervolmaking en omschakeling, evenals op al diegenen die op deze gebieden informatie of reclame verspreiden binnen de volgende instellingen: - het "Institut bruxellois francophone pour la Formation professionnelle" opgericht door het decreet van 17 maart 1994 van de Franse Gemeenschapscommissie houdende oprichting van het "Institut bruxellois francophone pour la Formation professionnelle"; - de centra voor beroepsopleiding erkend door het "Institut bruxellois francophone pour la Formation professionnelle" en bepaald in de artikelen 6 tot 10 van het besluit van 12 mei 1987 van de Executieve van de Franse Gemeenschap met betrekking tot de beroepsopleiding; -
stellingen van socioprofessionele inschakeling erkend overeenkomstig het decreet van 27 april 1995 van de Franse Gemeenschapscommissie met betrekking tot de erkenning van sommige instellingen van socioprofessionele inschakeling en de betoelaging van hun activiteiten inzake beroepsopleiding om de kansen van niet-werkende en laaggeschoolde werkzoekenden op werk te verhogen in het kader van gecoördineerde voorzieningen van socioprofessionele inschakeling; - de centra voor permanente vorming voor de middenstand en de kleine en middelgrote ondernemingen erkend in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, overeenkomstig het besluit van 28 oktober 1991 van de Executieve van de Franse Gemeenschap tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden van de centra voor permanente vorming voor de middenstand en de kleine en middelgrote ondernemingen. Art. 29.Gelijke behandeling dient te worden gewaarborgd aan elke persoon in de bepalingen en praktijken met betrekking tot professionele oriëntatie, opleiding, vorming, vervolmaking en omschakeling. Gelijke behandeling dient te worden eveneens gewaarborgd wat betreft de toegang tot examens en de voorwaarden tot verkrijging en aflevering van alle soorten van diploma's, getuigschriften en titels. Behalve in het geval van een overeenkomstig artikel 16 toegestane positieve actie, is het met name verboden: 1° te verwijzen naar een beschermd criterium in voorwaarden of criteria met betrekking tot de professionele oriëntatie, opleiding, vorming, vervolmaking en omschakeling, of om in deze voorwaarden of criteria elementen te gebruiken die, zelfs zonder uitdrukkelijk te verwijzen naar deze kenmerken, aanleiding geven tot discriminatie;2° in
formatie of reclame, de professionele oriëntatie, opleiding, vorming, vervolmaking en omschakeling voor te stellen als meer in het bijzonder passend voor personen op grond van een beschermd criterium;3° de toegang te weigeren of te hinderen tot professionele oriëntatie, opleiding, vorming, vervolmaking en omschakeling omwille van expliciete of impliciete redenen die rechtstreeks of onrechtstreeks zijn gebaseerd op een beschermd criterium;4° al naargelang een beschermd criterium verschillende voorwaarden creëren voor het verkrijgen of de aflevering van alle soorten van diploma's, getuigschriften en titels van welke aard ook. Art. 30.Om de toepassing van het beginsel van de gelijke behandeling ten aanzien van personen met een handicap te waarborgen, dienen redelijke aanpassingen te worden verricht. Dit betekent met name dat
artikel 28 bedoelde personen in een concrete situatie de passende maatregelen treffen om de toegang mogelijk te maken tot de beroepsoriëntatie,
formatie over beroepen, opleidings-, vervolmaking- en omschakelingsmaatregelen, tenzij deze maatregelen een onevenredige last opleggen. Deze last mag niet worden beschouwd als onevenredig indien deze in toereikende mate wordt gecompenseerd door geldende maatregelen. HOOFDSTUK 3. - Toepassing van gelijke behandeling op het gebied van huisvesting Art. 31.Onverminderd de regelgeving van toepassing op de openbare vastgoedoperatoren en sociale verhuurkantoren, kiest de verhuurder zijn huurder vrij en zonder discriminatie en de vastgoedmakelaar vrij en zonder discriminatie zijn huurder. Dit hoofdstuk bepaalt
formatiegegevens alsmede de rechtvaardigingen die een verhuurder bij de kandidaat-huurder kan inwinnen. Art. 32.§ 1. De verhuurder mag de volgende algemene gegevens inwinnen, met naleving van de regelgeving betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer: 1° voor het bezoek:
- a)de naam en voornaam van de kandidaat-huurder(s);
- b)een communicatiemiddel met de kandidaat-huurder;2° ter ondersteuning van de kandidaatstelling:
- a)het bedrag van de financiële middelen waarover de huurder beschikt of de raming ervan om na te gaan of de kandidaat in staat is om de huur te betalen;
- b)het aantal personen dat deel uitmaakt van het gezin om na te gaan of het gehuurde goed geschikt is gelet op de oppervlakte ervan;3° met het oog op het opstellen en sluiten van een huurovereenkomst:
- a)elk document dat het mogelijk maakt de identiteit van de huurder en zijn bekwaamheid om te contracteren vast te stellen;
- b)de burgerlijke stand van de huurder indien deze gehuwd is of wettelijk samenwonend, rekening houdend met de bescherming van de gezinswoning zoals bedoeld in het Burgerlijk Wetboek. § 2. De gewestregering kan een gestandaardiseerd document vaststellen met
formatie die door de verhuurder opgevraagd kan worden. Dit document bevat en detailleert ten minste
houd en de vorm van
formatie bedoeld in § 1. De gewestregering kan, na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit en Unia, andere informatie bepalen die door de verhuurder opgevraagd kan worden, alsook
houd en de vorm ervan. §
- Noch de oorsprong noch de aard van de middelen mogen door de verhuurder in aanmerking worden genomen om een woning te weigeren. §
- Persoonsgegevens van kandidaat-huurders mogen door de verhuurder, ten welke titel ook, slechts worden bewaard gedurende een periode van maximaal zes maanden die nodig is voor de behandeling van hun kandidaatstelling alsook, indien nodig, gedurende een periode van maximaal 10 jaar die nodig is voor de afhandeling van geschillen in verband met mogelijke discriminatie. Persoonsgegevens van huurders mogen worden bewaard gedurende de volledige looptijd van de betreffende huurovereenkomst en tot 5 jaar daarna, alsook, indien nodig, gedurende een periode van maximaal 10 jaar die nodig is voor de afhandeling van geschillen in verband met mogelijke discriminatie. Art. 33.Onverminderd artikel 32, § 1, kan de kandidaat-huurder vóór het sluiten van de huurovereenkomst een bezoek aan het pand eisen. TITEL
- - Opsporing en vervolging van discriminatie HOOFDSTUK
- - Discriminatietesten Afdeling
- - Tewerkstelling Art. 34.§
- In het kader van de toepassing van de discriminatietesten zoals bedoeld in artikel 4/3, § 2, van de ordonnantie van 30 april 2009 betreffende het toezicht op de reglementeringen inzake werkgelegenheid die tot de bevoegdheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest behoren en
voering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze reglementeringen, moet Actiris: 1° elke eerste en vijftiende dag van de maand via elektronische weg aan de ambtenaren, die door de gewestregering zijn aangewezen om toe te zien op de toepassing van dit Wetboek op het gebied van de tewerkstelling, alle klachten of meldingen doorgeven die haar integratiedienst voor gediscrimineerde werkzoekenden heeft ontvangen en die een voldoende vermoeden van discriminatie inhouden, met de uitdrukkelijke toestemming van het slachtoffer, ongeacht of hij of zij anoniem wenst te blijven of niet;2° de ambtenaren die door de gewestregering zijn aangewezen om toe te zien op de toepassing van dit Wetboek op het gebied van de tewerkstelling, binnen een termijn van ten hoogste tien dagen na het verzoek, via elektronische weg geanonimiseerde curricula vitae toezenden die de uitvoering van
artikel 4/3, § 2, van de ordonnantie van 30 april 2009 bedoelde tests mogelijk maken. Actiris ziet erop toe dat de persoonsgegevens waar de doorgifte in 2° betrekking op heeft passend en relevant zijn en beperkt blijven tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt. De gewestregering bepaalt de modaliteiten en procedures voor de toezending van
het eerste lid bedoelde gegevens. §
- De Gewestelijke Werkgelegenheidsinspectie van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel kan de persoonsgegevens van werkgevers, van de persoon die zich als het slachtoffer van discriminatie beschouwt en van andere personen verzamelen, opslaan, verwerken of meedelen voor zover dat nodig en passend is voor de vervulling van de opdracht van openbare nut zoals bedoeld in artikel 4/3 van de ordonnantie van 30 april 2009 en de wettelijke verplichtingen overeenkomstig dit Wetboek. Het doel van de verwerking van persoonsgegevens is hoofdzakelijk het bestrijden van discriminatie en het uitvoeren van de tests zoals bedoeld in artikel 4/3, § 2, van de ordonnantie van 30 april
- Onverminderd de bepalingen van het tweede lid, zijn de specifieke doeleinden van de verwerkingen van persoonsgegevens in verband met de uitvoering van de tests zoals bedoeld in artikel 4/3, § 2, van de ordonnantie van 30 april 2009,
§ 2omschreven doeleinden.
§ 3. De Gewestelijke Werkgelegenheidsinspectie van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel is belast met de verwerking van persoonsgegevens zoals bedoeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, in verband met
paragraaf 2 vermelde doeleinden. Actiris is verantwoordelijk voor de verwerking van persoonsgegevens, in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, wat betreft de doeleinden vermeld in paragraaf 1, 1° en 2°. §
- Zonder afbreuk te doen aan andere wettelijke of reglementaire bepalingen die voorzien in een langere bewaartermijn, mogen de overeenkomstig § 2 niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor ze verwerkt worden, met een maximale bewaringstermijn die niet langer mag duren dan een jaar na de definitieve stopzetting van de procedures en gerechtelijke, administratieve en buitengerechtelijke beroepen die voortvloeien uit de vaststellingen door de Gewestelijke Werkgelegenheidsinspectie. Art. 35.De persoondie zich als slachtoffer beschouwt en een klacht over discriminatie heeft ingediend bij de Gewestelijke Werkgelegenheidsinspectie van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel ofbij Actiris, wordt op de hoogte gebracht van het gevolg dat aan zijn klacht wordt gegeven. Afdeling
- - Huisvesting Art. 36.§
- Zonder afbreuk te doen aan de artikelen 6 en 20 van de Brusselse Huisvestingscode heeft de Gewestelijke Huisvestingsinspectiedienst van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel de opdracht om de naleving van de verplichtingen die bedoeld zijn bij of krachtens de bepalingen van
dit Deel vastgestelde verplichtingen inzake huisvesting. De ambtenaren van de Gewestelijke Huisvestingsinspectiedienst hebben de bevoegdheid om
breuken tegen de bepalingen van dit Deel op het gebied van huisvesting op te sporen en vast te stellen in processen-verbaal, die rechtsgeldig zijn tot bewijs van het tegenovergestelde. Ze kunnen, binnen de uitoefening van hun opdracht, zelf of met inschakeling van acteurs of erkende verenigingen die ijveren voor integratie via huisvesting en die daartoe zijn erkend, discriminatietesten inzake toegang tot huisvesting verrichten of laten verrichten, die gericht zijn op vastgoedmakelaars, verhuurders en hun vertegenwoordigers, waarmee op gecontroleerde wijze een verschil in behandeling op grond van een of meer beschermde criteria kan worden bepaald. De gewestregering bepaalt de voorwaarden voor
het vorige lid bedoelde erkenning, teneinde de onafhankelijkheid, onpartijdigheid en de opleiding in verband met discriminatieproblemen in de huisvestingssector van de erkenninghouders te waarborgen. De discriminatietesten in de huisvestingssector kunnen de volgende vormen aannemen: 1° de situatietest: twee personen of meer, reëel of fictief, die gelijkaardige profielen vertonen die behalve het/de te testen criterium/a niet sterk van elkaar verschillen en die hun belangstelling kenbaar maken of hun kandidatuur indienen bij een verhuurder, zijn vertegenwoordiger of een vastgoedmakelaar, waarna de antwoorden met elkaar vergeleken worden met het oog op het nakijken of zij voldoen aan de bepalingen van dit Deel;2° de mysterie cliënt: een reële of fictieve cliënt of kandidaat die een vraag aan een verhuurder of aan een vastgoedmakelaar voorlegt met het oog op het nakijken of het van de overeenkomst gegeven antwoord overeenkomt met de bepalingen van dit Deel. §
- De verzoeken zoals bedoeld in § 1, kunnen per post, via elektronische weg of telefonisch worden gedaan. §
- Wanneer de discriminatietest wordt uitgevoerd door de ambtenaren van de Gewestelijke Huisvestingsinspectiedienst, kunnen zij een valse identiteit gebruiken zonder dat zij zich moeten legitimeren of erop moeten wijzen dat de bij deze gelegenheid gedane vaststellingen kunnen worden aangewend voor de controle op de goede naleving van de bepalingen van dit Deel. §
- De discriminatietest mag niet van uitlokkende aard zijn, dat wil zeggen hij moet zich beperken tot het creëren van de gelegenheid om een discriminerende praktijk aan het licht te brengen door een procedure inzake overdracht van informatie aan potentiële huurders, selectie van huurders en afsluiten van huurovereenkomst zonder overdrijven na te bootsen. §
- De overeenkomstig deze bepaling uitgevoerde discriminatietest vormt, indien hij positief is, een feit waardoor verondersteld kan worden dat er sprake is van directe of indirecte discriminatie, die mogelijk bestraft wordt in toepassing van artikel
- §
- Indien de discriminatietest positief is, gaat de Gewestelijke Huisvestingsinspectiedienst over tot hoorzittingen in overeenstemming met artikel 37, §
- §
- Alle acties ondernomen tijdens de discriminatietest, en de resultaten ervan worden in een verslag opgetekend. Het verslag omvat ten minste het proces-verbaal van de hoorzitting bedoeld in § 6, desgevallend de redenen voor het rechtvaardigen van het begaan van misdrijven die absoluut noodzakelijk zijn voor de uitoefening en het einddoel van de opdrachten. §
- De persoonsgegevens die in het kader van discriminatietesten worden ingewonnen en verwerkt, omvatten de volgende categorieën: 1° identificatiegegevens, inclusief de naam en voornaam;2° contactgegevens, inclusief het telefoonnummer en het e-mailadres;3° andere informatie die het contact vergemakkelijkt, bijvoorbeeld de taal en het adres van de verblijfplaats;4° informatie die betrekking heeft op de betrokken natuurlijke personen en die het al dan niet bestaan van discriminatie in de zin van deze titel aan het licht kan brengen, met inbegrip van kenmerken in verband met de betrokken woning;5° schriftelijke communicatie en beeld- of geluidsopnames. §
- De persoonsgegevens die in het kader van discriminatietesten worden ingewonnen en verwerkt, mogen slechts maximaal 5 jaar worden bewaard, indien de test geen discriminatie aan het licht brengt. De gegevens die discriminatie aan het licht brachten, worden bewaard gedurende een periode van maximaal 10 jaar die nodig is om het discriminatiegeschil in kwestie af te handelen. §
- Wanneer een discriminatietest wordt uitgevoerd door acteurs of erkende verenigingen die ijveren voor integratie via huisvesting als bedoeld in het tweede lid van § 1, zorgen zij ervoor dat zij de betrokken persoonsgegevens verzamelen en verwerken overeenkomstig de wet en
structies van de Gewestelijke Huisvestingsinspectie die optreedt als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van verordening (EU) nr. 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG; Onverminderd de gevallen van openbaarmaking waarin de wet voorziet, waken deze acteurs en erkende verenigingen eveneens over de vertrouwelijkheid en de passende bescherming van deze gegevens, terwijl de Directie Gewestelijke Huisvestingsinspectie erop zal toezien dat de juistheid van deze gegevens wordt gecontroleerd. Art. 37.§ 1. Wanneer er door de Gewestelijke Huisvestingsinspectiedienst discriminatie wordt vastgesteld of wanneer deze een discriminatietest verwezenlijkt die in toepassing van artikel 36 directe of indirecte discriminatie aan het licht brengt, wordt het proces-verbaal dat een inbreuk zoals bedoeld in dit Deel vaststelt, en dat
artikel 36, § 7, bedoelde informatie alsook het beschermde criterium of de beschermde criteria waarop de vastgestelde discriminatie gebaseerd is, bevat, overgemaakt aan de Procureur des Konings in de vorm en volgens de termijnen voorzien door de gewestregering, indien deze discriminatie mogelijk ook een strafrechtelijke inbreuk is. De Procureur des Konings maakt zijn beslissing om de vermoedelijke dader van een inbreuk op de bepalingen van dit Deel, al dan niet binnen de termijn voorzien door de gewestregering te vervolgen, over aan de leidend ambtenaar. De beslissing van de Procureur des Konings om de overtreder te vervolgen sluit de toepassing van een alternatieve administratieve geldboete uit. De beslissing van de Procureur des Konings om de overtreder niet te vervolgen of de afwezigheid van een beslissing binnen de termijn die op grond van het eerste lid afgesproken is, maakt de toepassing van een alternatieve administratieve geldboete mogelijk. §
- Alvorens het in § 1 bedoelde proces-verbaal naar de Procureur des Konings wordt verzonden, wordt de beschuldigde overtreder gehoord door de leidend ambtenaar van de Gewestelijke Huisvestingsinspectiedienst of door de beambte die hij hiertoe machtigt. De verhoorde mag bij deze verhoren vergezeld worden door een persoon naar keuze. De leidend ambtenaar van de Gewestelijke Huisvestingsinspectiedienst kan, in voorkomend geval, na dit verhoor beslissen om de procedure al dan niet voort te zetten. De gewestregering preciseert de organisatorische modaliteiten met betrekking tot de hoorzitting. Art. 38.Afhankelijk van de ernst van de feiten, die wordt beoordeeld door de Directie Gewestelijke Huisvestingsinspectie, kunnen de partijen vragen elkaar te ontmoeten. De ontmoeting is niet verplicht en kan enkel plaatsvinden als de tegenpartij er schriftelijk mee instemt. Iedere partij kan de ontmoeting op elk moment beëindigen. De weigering of het besluit om de bijeenkomst op elk moment te beëindigen mag niet in het nadeel zijn van het slachtoffer. Art. 39.§
- Het slachtoffer dat wegens discriminatie in de huisvestingssector bij de Directie Gewestelijke Huisvestingsinspectie een klacht heeft ingediend, wordt op de hoogte gebracht van het verdere verloop. §
- De Directie Gewestelijke Huisvestingsinspectie, in het kader van haar in artikel 36 bedoelde opdrachten, en
stellingen bedoeld in artikel 175, in het kader van hun in artikel 175, tweede lid, 1° en 3°, bedoelde opdrachten, wisselen persoonsgegevens uit die hen in staat te stellen hun respectieve wettelijke opdrachten inzake de strijd tegen discriminatie in de huisvestingssector uit te voeren wanneer er meldingen worden ingediend bij
stellingen bedoeld in artikel 175, onverminderd de bepalingen bedoeld in de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens. In het kader van deze gegevensuitwisseling zijn de Gewestelijke Huisvestingsinspectie en
artikel 175 bedoelde instellingen afzonderlijke verwerkingsverantwoordelijken. De Gewestelijke Huisvestingsinspectie en
artikel 175 bedoelde instellingen stellen een formulier op voor de uitwisseling van persoonsgegevens waarin gewaarborgd wordt dat de verwerking beperkt blijft tot de hierna genoemde categorieën persoonsgegevens en categorieën van betrokkenen. De categorieën van verwerkte persoonsgegevens zijn de contactgegevens (naam, voornaam, adres), dossiernummer, de beschrijving van de feiten in verband met
breuken die verbonden zijn aan het dossier, de eventuele relevante beschermde criteria, de uitgevoerde discriminatietesten (de contactgegevens van de verhuurder, de fictieve e-mailadressen die zijn gebruikt, de geteste beschermde criteria) en de resultaten van die testen, het overzicht van de gevoerde hoorzittingen en of de betrokken aangeklaagden al dan niet vervolgd werd, het al dan niet bestaan van een administratieve sanctie en de motivering voor de al dan niet opgelegde sanctie, en de status van het dossier. In elk geval worden enkel die gegevens meegedeeld die relevant en niet overmatig zijn voor het bereiken van
het eerste lid genoemde doeleinden. De categorieën van betrokkenen van wie de gegevens zullen worden verwerkt, zijn verzoekers, slachtoffers, getuigen en aangeklaagden. De categorieën van ontvangers van de persoonsgegevens zijn de dossierbeheerders en de leden van de hiërarchische lijn, al naargelang zij die gegevens nodig hebben voor het vervullen van hun functie de medewerkers voor wie de toegang tot de gegevens nodig is voor de uitoefening van hun functie, de leden van de hiërarchische lijn, de raad van bestuur, ICT-beheerders en de onderaannemers van de Gewestelijke Huisvestingsinspectie en
artikel 175 bedoelde instellingen. Zij ontvangen deze gegevens op voorwaarde dat de verwerking ervan noodzakelijk is voor het bereiken van
het eerste lid genoemde doeleinden en dat de door de verwerkingsverantwoordelijken bepaalde garanties inzake veiligheid en verwerking in acht worden genomen. De verwerkte persoonsgegevens worden bewaard voor een periode van maximaal 10 jaar vanaf het moment dat het dossier bij
stellingen wordt geopend, onverminderd een langere bewaringstermijn in geval van een rechtsvordering of in geval van toepassing van de archief wet van 24 juni 1955Relevante gevonden documenten type wet prom. 24/06/1955 pub. 31/12/2010 numac 2010000717 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Archiefwet sluiten. Deze termijn wordt bovendien verkort wanneer de bewaring van gegevens niet langer noodzakelijk is om
het eerste lid genoemde doeleinden te bereiken. Art. 40.Onverminderd hetgeen reeds is bepaald met betrekking tot discriminatietesten die worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 36 en de uitwisseling van persoonsgegevens in verband met klachten, meldingen en vastgestelde feiten overeenkomstig artikel 39, verwerkt de Directie Gewestelijke Huisvestingsinspectie, om haar opdracht met betrekking tot het toezicht op de naleving van de door of krachtens dit Deel, vastgestelde verplichtingen, de volgende categorieën persoonsgegevens met betrekking tot vastgoedmakelaars, verhuurders en hun vertegenwoordigers, slachtoffers van discriminatie en alle andere personen die in dit verband een rol spelen of worden vermeld: 1° identificatiegegevens, inclusief de naam en voornaam;2° contactgegevens, inclusief het telefoonnummer en het e-mailadres;3° andere informatie die het contact vergemakkelijkt, bijvoorbeeld de taal en het adres van de verblijfplaats;4° gegevens met betrekking tot het eigendom van de betrokken woningen;5° stedenbouwkundige gegevens met betrekking tot de betrokken woningen;6° schriftelijke correspondentie en beeld- of geluidsopnames;7° alle andere informatie die het al dan niet bestaan van discriminatie in de zin van deze titel aan het licht kan brengen en, in voorkomend geval, aanleiding kan geven tot een bestraffing, met inbegrip van, in voorkomend geval, de categorieën van gegevens bedoeld in de artikelen 9 en 10 van verordening EU 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens. De persoonsgegevens die discriminatie aan het licht kunnen brengen, worden bewaard voor een termijn van maximaal tien jaar, gedurende de tijd die nodig is om het discriminatiegeschil in kwestie af te handelen. Met uitzondering van de gevallen die reeds bij of krachtens de wet zijn voorzien, worden de door de Directie Gewestelijke Huisvestingsinspectie verwerkte persoonsgegevens aan derden doorgegeven indien en voor zover deze doorgifte noodzakelijk blijkt voor
§ 1genoemde doeleinden.
Onverminderd de bepalingen bedoeld in de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, heeft de Directie Gewestelijke Huisvestingsinspectie toegang tot de authentieke bronnen en de databanken die nodig zijn voor de uitoefening van haar opdrachten waarmee zij krachtens deze titel is belast. In dit verband heeft de Directie Gewestelijke Huisvestingsinspectie toegang tot
formatie uit het Rijksregister die zij nodig heeft, en dit overeenkomstig artikel 5, § 1, 1° van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen. De Directie Gewestelijke Huisvestingsinspectie is tevens gemachtigd om de rijksregisternummers op te vragen en te gebruiken, overeenkomstig artikel 8, § 1, derde lid, van dezelfde wet. De Directie Gewestelijke Huisvestingsinspectie heeft toegang tot de onlineapplicatie MyRent die door de Federale Overheidsdienst Financiën ter beschikking wordt gesteld voor de elektronische aanbieding ter registratie van huurovereenkomsten en de essentiële onderdelen ervan. Zij heeft ook toegang tot de nodige informatie in de kadastrale gegevens die worden beheerd door de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie. HOOFDSTUK
- - Vorderingen tot staking Art. 41.§
- Op verzoek van het slachtoffer van de discriminatie, van Unia, van één van de belangenverenigingen of van het openbaar ministerie, stelt de voorzitter van de bevoegde rechtbank het bestaan vast van een zelfs onder het strafrecht vallende daad waardoor de bepalingen van dit Deel worden overtreden en beveelt hij de staking ervan., Indien de voorzitter van de rechtbank dit nodig acht, kan hij positieve bevelen uitvaardigen om een herhaling van de vastgestelde discriminatie te voorkomen. De voorzitter van de rechtbank kan de opheffing van de staking bevelen zodra bewezen is dat een einde is gemaakt aan de overtreding. §
- Op vraag van het slachtoffer, Unia of de belangenvereniging die namens hem optreedt, kan de voorzitter van de rechtbank
artikelen 22 tot 24 bedoelde forfaitaire schadevergoeding toekennen aan de persoon die zichzelf als slachtoffer beschouwt. § 3. De voorzitter van de rechtbank kan bevelen dat een samenvatting van zijn beslissing die hij opstelt, wordt aangeplakt tijdens de door hem bepaalde termijn, zowel buiten als binnen
richtingen van de overtreder of de lokalen die hem toebehoren, en bevelen dat deze samenvatting in kranten of op enige andere wijze wordt bekendgemaakt, met uitzondering van een publicatie op het internet, dit alles op kosten van de overtreder. Het besluit tot bekendmaking, publicatie en/of verspreiding steunt op de noodzaak om een einde te maken aan de handeling die een inbreuk vormt op de bepalingen van dit deel en om toekomstige discriminatie te voorkomen. De methoden van bekendmaking, publicatie en/of verspreiding worden gemotiveerd in het licht van dezelfde doelstellingen. De samenvatting is volledig anoniem wat het slachtoffer betreft. De identiteit van de dader van de discriminatie wordt vermeld indien het een rechtspersoon betreft. Indien de dader een meerderjarige natuurlijke persoon is, kan de voorzitter van de rechtbank bevelen dat zijn of haar identiteit wordt vermeld indien hij of zij, in het licht van de omstandigheden van de zaak, van mening is dat een dergelijke vermelding strikt noodzakelijk is om een einde te maken aan de handeling die in strijd is met de bepalingen van dit deel, of om toekomstige discriminatie door dezelfde dader te voorkomen. De beslissing om de identiteit van de dader te vermelden wanneer deze een meerderjarige natuurlijke persoon is, is onderworpen aan een specifieke motivering door de voorzitter van de rechtbank. In afwijking van het eerste lid kan publicatie op het internet worden bevolen wanneer het slachtoffer daarom verzoekt, ten opzichte van de dader van discriminatie die een rechtspersoon is, indien de waargenomen discriminatie plaatsvond in een context van systematische discriminatie zoals bedoeld in § 1. De beslissing om de samenvatting op het internet te publiceren is onderworpen aan een specifieke motivering door de voorzitter van de rechtbank. Publicatie op het internet kan ook worden bevolen als het slachtoffer daarom verzoekt, ongeacht of de dader een rechtspersoon of een meerderjarige natuurlijk persoon is, als de vastgestelde discriminatie zich op het internet heeft voorgedaan. Indien de dader een meerderjarige natuurlijk persoon is, mag zijn of haar identiteit alleen worden vermeld in
het eerste lid bedoelde omstandigheden, rekening houdend met de gevolgen van publicatie op het internet voor zijn of haar privéleven. §
- De vordering die steunt op § 1 wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding. Zij kan worden ingesteld bij verzoekschrift. Dit wordt in vier exemplaren neergelegd op de griffie van de bevoegde rechtbank of bij een ter post aangetekende brief verzonden aan deze griffie. Op straffe van nietigheid, vermeldt het verzoekschrift: 1° de dag, de maand en het jaar;2° de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van de verzoeker;3° de naam en het adres van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon tegen wie de vordering wordt ingesteld;4° het voorwerp en de uiteenzetting van de middelen van de vordering. De griffier van de rechtbank verwittigt onverwijld de tegenpartij bij gerechtsbrief, waarbij een exemplaar van het verzoekschrift is gevoegd, en nodigt haar uit te verschijnen ten vroegste drie dagen en ten laatste acht dagen na het verzenden van de gerechtsbrief. Over de vordering wordt uitspraak gedaan niettegenstaande vervolging wegens dezelfde feiten voor enig ander strafgerecht. Wanneer een vordering tot staking van bij de strafrechter aanhangig gemaakte feiten ingesteld is, wordt over de strafvervolging pas uitspraak gedaan nadat over de vordering tot staking een in kracht van gewijsdegetreden beslissing gewezen is. Tijdens de opschorting, is de verjaring van de strafvordering geschorst. Het vonnis is uitvoerbaar bij provisie, niettegenstaande enig rechtsmiddel en zonder borgtocht. Het wordt door de griffier van de rechtbank onverwijld meegedeeld aan alle partijen en aan de Procureur des Konings. §
- De bepalingen van dit artikel doen geen afbreuk aan de bevoegdheden van de Raad van State zoals bepaald in de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State. HOOFDSTUK
- - Dwangsommen Art. 42.De rechter kan, op verzoek van het slachtoffer van de discriminatie, van Unia, van één van de belangenverenigingen of van het openbaar ministerie, diegene die de discriminatie heeft gepleegd, veroordelen tot de betaling van een dwangsom wanneer aan die discriminatie geen einde is gemaakt. De rechter doet uitspraak overeenkomstig de artikelen 1385bis tot 1385nonies van het Gerechtelijk Wetboek. HOOFDSTUK
- - Vertegenwoordiging in rechte Art. 43.De rechtbank, waarbij een geding aanhangig wordt gemaakt met betrekking tot de toepassing van dit Deel, kan ambtshalve gebieden, binnen de termijn die zij bepaalt, om een einde te stellen aan de discriminatoire situatie die als discriminatoir is erkend op basis van de bepalingen van dit Wetboek. Art. 44.§
- Een belangengroep kan in alle rechtsgeschillen waartoe de toepassing van dit Deel aanleiding kan geven, in rechte optreden wanneer afbreuk wordt gedaan aan de statutaire opdrachten die ze zich tot doel heeft gesteld. §
- De bevoegdheid van
het eerste lid bedoelde belangengroepen doet geen afbreuk aan de rechten van hun leden om persoonlijk te handelen of tussen te komen in het geding. § 3. Indien het slachtoffer van
breuk of de discriminatie is geïdentificeerd, dan zal de eis van
§ 1
bedoelde belangenverenigingen slechts ontvankelijk zijn indien zij aantonen dat zij handelen in akkoord met het slachtoffer.
het eerste lid bedoelde akkoord is niet vereist wanneer het slachtoffer is overleden, wanneer een onbepaald aantal personen slachtoffer is of wanneer vaststaat dat het slachtoffer wegens zijn bijzondere kwetsbaarheid niet in staat was zijn akkoord te geven. TITEL
- - Bewijsmiddelen en bewijslast in het kader van gerechtelijke en administratieve procedures Art. 45.De bepalingen van deze Titel zijn van toepassing op alle gerechtelijke of administratieve procedures, met uitzondering van de strafrechtelijke procedures. Art. 46.§
- Wanneer een persoon die zich slachtoffer acht van een discriminatie, Unia of een van de belangengroepen, voor het bevoegde rechtscollege of bevoegde dienst feiten aanvoert die het bestaan van een door dit Deel beoogde discriminatie kunnen doen vermoeden, dient de verweerder te bewijzen dat er geen discriminatie is geweest. §
- Onder feiten die een discriminatie kunnen doen vermoeden, wordt onder meer, doch niet uitsluitend, begrepen: 1° de gegevens waaruit een bepaald patroon van ongunstige behandeling blijft ten opzichte van personen op wie één of meerdere eigen of bij associatie toegekende beschermde criteria van toepassing is, onder meer één of meerdere los van elkaar staande meldingen bij in de artikelen 4, 23°, en 175 bedoelde instellingen;2° de gegevens waaruit blijft dat de situatie van het slachtoffer van de ongunstigere behandeling, vergelijkbaar is met de situatie van de referentiepersoon;3° een openbare verklaring waarmee een persoon vooraf verklaart dat hij een groep personen in een bepaalde context, ongunstiger zal behandelen op basis van een of meer beschermde criteria;4° op het gebied van tewerkstelling, de resultaten van de discriminatietesten uitgevoerd in overeenstemming met artikel 34;5° op het gebied van huisvesting, de resultaten van de discriminatietesten uitgevoerd in overeenstemming met artikel 36;6° de resultaten van de discriminatietesten uitgevoerd in overeenstemming met artikel 47;7° het gebruik van een intrinsiek verdacht criterium van onderscheid;8° algemene statistieken over de situatie van de groep waartoe het slachtoffer van de discriminatie behoort of feiten die algemeen bekend zijn;9° elementair statistisch materiaal waaruit een ongunstige behandeling blijkt;10° onrechtmatige weigering om een document openbaar te maken, zoals bedoeld in artikel 882 van het Gerechtelijk Wetboek. §
- De gewestregering, het College en het Verenigd College kunnen, op advies van Unia en het Instituut, referentiekwaliteitscriteria gezamenlijk vaststellen voor de statistieken zoals bedoeld in § 2, 8° en 9°. Zolang deze criteria niet zijn vastgesteld, wordt de beoordeling van de geldigheid en de relevantie van de geproduceerde statistieken overgelaten aan de bevoegde rechter of de bevoegde administratieve instantie. Art. 47.Onverminderd de artikelen 34 tot 40 worden de discriminatietesten uitgevoerd: 1° ofwel door het slachtoffer zelf;2° ofwel als ondersteuning van een slachtoffer door iedere persoon die op verzoek van het slachtoffer handelt om de discriminatietest in te vullen of door Unia, het Instituut of belangenverenigingen. De gewestregering, het College en het Verenigd College kunnen, elk voor zich, de lijst met actoren die gemachtigd zijn om discriminatietesten uit te voeren aanvullen en preciseren. Wanneer de test uitgevoerd wordt door een van de actoren bedoeld in het eerste en tweede lid, mag deze niet provocerend zijn. TITEL
- - Strafrechtelijke bepalingen en administratieve geldboeten HOOFDSTUK
- - Strafrechtelijke bepalingen Art. 48.§ 1.Met een gevangenisstraf van één maand tot één jaar en met een geldboete van vijftig euro tot duizend euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft: 1° hij die, zelfs als mandataris of aangestelde, opzettelijk discrimineert op een wijze die beoogd is door de bepalingen van dit Deel;2° hij die in één van
artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden aanzet tot discriminatie jegens een of meerdere personen wegens één van de beschermde criteria;3° hij die in één van
artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden aanzet tot haat of geweld jegens een of meerdere personen wegens één van de beschermde criteria;4° hij die in één van
artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden aanzet tot discriminatie of tot segregatie jegens een groep, een gemeenschap of de leden ervan, wegens één van de beschermde criteria;5° hij die in één van
artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden aanzet tot haat of geweld jegens een groep, een gemeenschap of de leden ervan, wegens één van de beschermde criteria. §
- In het geval van een overtreding zoals bedoeld in § 1, 1° tot 3°, wordt de boete vermenigvuldigd met het aantal personen dat het slachtoffer is van de overtreding, waarbij het bedrag van de boete niet hoger mag zijn dan 20.000 euro. Als er geen slachtoffer is geïdentificeerd, wordt de boete bepaald in § 1 opgelegd. §
- Hij die, in één van
artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden, denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat, verspreidt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van één maand tot één jaar en met een geldboete van vijftig euro tot duizend euro of met één van die straffen alleen. § 4. Met een gevangenisstraf van één maand tot één jaar en met een geldboete van vijftig euro tot duizend euro of met één van die straffen alleen wordt gestraft, hij die behoort tot een groep of tot een vereniging die kennelijk en herhaaldelijk discriminatie of segregatie op grond van nationaliteit, zogenaamd ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming verkondigt, in één van
artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden, of zijn medewerking eraan verleent. Art. 49.Met een gevangenisstraf van twee maanden tot twee jaar wordt gestraft, elke werknemer, elke drager of agent van het openbaar gezag of van de openbare macht die in de uitoefening van zijn ambt een persoon discrimineert zoals bedoeld in dit Deel wegens één van de beschermde criteria. Dezelfde straffen worden toegepast wanneer de feiten begaan zijn jegens een groep, een gemeenschap of de leden ervan, wegens één van de beschermde criteria. Indien de verdachte bewijst dat hij heeft gehandeld op bevel van zijn meerderen, in zaken die tot hun bevoegdheid behoren en waarin hij hen als ondergeschikte gehoorzaamheid verschuldigd was, worden de straffen alleen toegepast op de meerderen die het bevel hebben gegeven. Indien de openbare officieren of ambtenaren die ervan verdacht worden de bovengenoemde daden van willekeur bevolen, toegelaten of vergemakkelijkt te hebben, beweren dat hun handtekening bij verrassing is verkregen, zijn zij overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering verplicht daarvan dadelijk bericht te geven aan de bevoegde Procureur des Konings en aan die magistraat alle desbetreffende inlichtingen, processen-verbaal en akten te doen toekomen. Indien één van de bovengenoemde daden van willekeur is gepleegd door middel van de valse handtekening van een openbaar ambtenaar, worden de daders van de valsheid en zij die er kwaadwillig of bedrieglijk gebruik van maken, gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar. Art. 50.Met gevangenisstraf van één maand tot één jaar en met een geldboete van vijftig euro tot duizend euro of met één van die straffen alleen worden gestraft zij die zich niet voegen naar een vonnis of een arrest dat, als gevolg van een vordering tot staking, overeenkomstig artikel 41 werd gewezen. Art. 51.De bestuurder van
termediaire organisatie of van de operator van socioprofessionele inschakeling, wanneer deze een rechtspersoon is, of de zaakvoerder, wanneer deze een natuurlijk persoon is, al dan niet houder van een erkenning van een geregistreerde aangifte of die door een overeenkomst met Actiris verbonden is, is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de strafrechtelijke geldboetes waartoe zijn aangestelden of lasthebbers zijn veroordeeld. Art. 52.Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn van toepassing op
deze titel bedoelde misdrijven. Art. 53.In geval van inbreuken als omschreven in de artikelen 48 tot 50, kan de veroordeelde daarnaast veroordeeld worden tot een verbod overeenkomstig artikel 33 van het Strafwetboek HOOFDSTUK
- - Administratieve sancties en tuchtsancties Art. 54.§
- In geval van inbreuk zoals bedoeld in artikel 48 of artikel 49 kan een administratieve geldboete worden opgelegd van 125 tot 6.200 euro. §
- Op het vlak van tewerkstelling wordt de administratieve geldboete opgelegd volgens de procedure en onder de voorwaarden bepaald door de ordonnantie van 9 juli 2015 tot vaststelling van de geharmoniseerde regels betreffende de administratieve geldboeten voorzien in de wetgeving inzake tewerkstelling en economie. §
- In de andere toepassingsgebieden van dit Deel wordt het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk overgemaakt aan de Procureur des Konings in de vorm en volgens de termijnen voorzien door de Regering, het College en het Verenigd College. De Procureur des Konings maakt zijn beslissing om de vermoedelijke dader van een inbreuk al dan niet te vervolgen binnen de termijn voorzien door de Regering, het College en het Verenigd College, over aan de leidend ambtenaar die belast is met het dossier. De beslissing van de Procureur des Konings om de overtreder te vervolgen, sluit de toepassing van een alternatieve administratieve geldboete uit. De beslissing van de Procureur des Konings om de overtreder niet te vervolgen, of het ontbreken van een beslissing binnen de krachtens het tweede lid toegekende termijn maakt de toepassing van een alternatieve administratieve geldboete mogelijk. §
- De administratieve geldboete wordt toegepast zoveel maal als er personen slachtoffer zijn van een inbreuk zoals bedoeld in artikel 48 of artikel 49, zonder dat het bedrag ervan hoger mag zijn dan 20.000 euro. Het bedrag van de geldboete varieert naargelang het aantal beschermde criteria waarop de discriminatie is gebaseerd en of de discriminatie systemisch of op zichzelf staand is. §
- Bij herhaling binnen het jaar dat volgt op een beslissing die een administratieve geldboete oplegt, kunnen de bedragen bedoeld in § 1 worden verdubbeld. §
- Dit bedrag kan tot onder het wettelijk minimum verlaagd worden bij verzachtende omstandigheden. §
- Het bedrag van de administratieve geldboete met de helft verminderd worden op voorwaarde dat de overtreder een opleiding in verband met de strijd tegen discriminatie in de betrokken sector volgt, waarvan
houd voorafgaandelijk door de leidend ambtenaar goedgekeurd is. Wanneer de overtreder een rechtspersoon is, dan zijn alle personeelsleden die met het cliënteel in aanraking komen verplicht om de opleiding te volgen, behalve tegengestelde beslissing van de leidend ambtenaar. §
- Op het gebied van huisvesting kan de overtreder een opschortend beroep instellen bij de Regering of de gedelegeerde ambtenaar volgens de procedure en modaliteiten bepaald door de overheid. In geval van een hoorzitting wordt de termijn voor het nemen van een beslissing met dertig dagen verlengd. Bij gebrek aan een beslissing binnen de vereiste termijn wordt de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete ongedaan gemaakt. §
- De betaling van de administratieve boete zet de publieke vordering stop. §
- De opdeciemen die bedoeld zijn in artikel 1, eerste lid, van de wet van 5 maart 1952Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/03/1952 pub. 13/01/2010 numac 2009000850 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de opdecimes op de strafrechtelijke geldboeten Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboeten zijn eveneens van toepassing op de administratieve geldboetes. §
- Vijf jaar na de feiten die een onder deze titel vallend strafbaar feit vormen, kan er geen administratieve geldboete meer worden opgelegd. De daden van onderzoek of van vervolging, met inbegrip van de kennisgevingen van de beslissingen van de Procureur des Konings omtrent het al dan niet instellen van strafvervolging en het verzoek ten aanzien van
breukpleger om verweermiddelen in te dienen, verricht binnen
het eerste lid bedoelde termijn, stuiten evenwel de loop ervan. Met die daden vangt een nieuwe termijn van gelijke duur aan, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken waren. Art. 55.§
- Blijven vrij van straf, de ambtenaren van de dienst die bevoegd zijn om discriminatietesten uit te voeren, alsook de acteurs en verenigingen die ijveren voor integratie via huisvesting, die deze ambtenaren opdracht geven, en die in toepassing vande artikelen 36 en 37, strafbare feiten plegen die absoluut noodzakelijk zijn voor de uitoefening en het einddoel van hun opdrachten. §
- Blijven vrij van straf indien ze tegen de achtergrond van een met toepassing van artikel 47 verrichte test een valse identiteit gebruiken, het slachtoffer alsook elke persoon die op verzoek en ter ondersteuning van het slachtoffer, Unia, het Instituut of belangenverenigingen handelt. Art. 56.Elke discriminatie op de werkvloer die wordt begaan door een personeelslid van een van de volgende instellingen, kan aanleiding geven tot een tuchtprocedure overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn op het personeel van de volgende instellingen: - het "Institut bruxellois francophone pour la Formation professionnelle" opgericht door het decreet van 17 maart 1994 van de Franse Gemeenschapscommissie houdende oprichting van het "Institut bruxellois francophone pour la Formation professionnelle"; - de centra voor beroepsopleiding erkend door het "Institut bruxellois francophone pour la Formation professionnelle" en bepaald in de artikelen 6 tot 10 van het besluit van 12 mei 1987 van de Executieve van de Franse Gemeenschap met betrekking tot de beroepsopleiding; -
stellingen van socio-professionele inschakeling erkend overeenkomstig het decreet van 27 april 1995 van de Franse Gemeenschapscommissie met betrekking tot de erkenning van sommige instellingen van socio-professionele inschakeling en de betoelaging van hun activiteiten inzake beroepsopleiding om de kansen van niet-werkende en laaggeschoolde werkzoekenden op werk te verhogen in het kader van gecoördineerde voorzieningen van socio-professionele inschakeling; - permanente opleidingscentra voor de middenstand en de kleine en middelgrote ondernemingen die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn erkend overeenkomstig het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 28 oktober 1991 tot bepaling van de erkenningsvoorwaarden van de Centra voor permanente vorming voor de middenstand en de kleine en middelgrote ondernemingen. Art. 57.Het College of
stelling, die overgaat tot erkenning, mag de erkenning van
Artikel 57
bedoelde instellingen opschorten of intrekken indien er op basis van een gerechtelijke beslissing is vastgesteld dat
stelling discriminatie heeft gepleegd in de zin van dit Deel. Deze opschorting of intrekking geschiedt overeenkomstig de bepalingen met betrekking tot de erkenning van deze instellingen. DEEL 3. - Actoren en instrumenten voor
tegratie van gelijke kansen in het Brusselse overheidsbeleid en ter bevordering van diversiteit binnen het Brussels openbaar ambt TITEL
- - Integratie van gelijke kansen in het Brusselse overheidsbeleid HOOFDSTUK
- - Toegewijde Brusselse actoren Afdeling
- - equal.brussels Art. 58.Binnen de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel, is equal.brussels de directoraat die, belast is met het gelijkekansenbeleid voor het Gewest. Dit directoraat is belast met het toezicht op de uitvoering van de bepalingen van deze Titel door de gewestregering, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, door te zorgen voor de coördinatie van de acties en door de ondersteuning van de gewestregering. Afdeling
- - Gewestelijk comité voor gelijke kansen Art. 59.§
- Er wordt een gewestelijk comité voor gelijke kansen opgericht. Dit comité is een platform voor transversale uitwisselingen over de stand van zaken betreffende gelijke kansen en het regionaal beleid op dit gebied. Het neemt deel aan de ontwikkeling, de verspreiding binnen de gewestelijke instanties en de evaluatie van instrumenten voor
tegratie van gelijke kansen, waaronder instrumenten voor gendermainstreaming en handistreaming. § 2. Zijn leden nemen deel aan de voorbereiding, het toezicht, de tussentijdse stand van zaken en de evaluatie van
artikel 67 bedoelde actieplannen en zien toe op de uitvoering hiervan. §
- De gewestregering kan de taken van het comité en zijn leden nader bepalen, evenals de voor de uitvoering van die taken vereiste middelen. Art. 60.§
- Het gewestelijk comité bestaat uit een strategische groep en een operationele groep. De beleidslijnen inzake gelijke kansen worden mede bepaald door het werk van de strategische groep. De operationele groep voert de strategische lijnen uit en vult het werk aan van de strategische groep. §
- De strategische groep bestaat uit de ministers en de staatssecretarissen van de gewestregering en de directeurs-generaal en de leidende ambtenaren en ambtenaren-generaal van de volgende gewestelijke instanties: - de diensten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering als bedoeld in artikel 2 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 19 maart 2015Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten9 tot regeling van de naamswijziging van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; - de besturen van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel zoals bedoeld door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/12/1968 pub. 22/05/2009 numac 2009000346 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel; -
stellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die behoren tot categorie A en categorie B volgens de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, en hun operationele dochterondernemingen; - de pararegionale instellingen van publiek recht of van openbaar nut en hun operationele dochterondernemingen. §
- De operationele groep bestaat uit correspondenten voor gelijke kansen die als volgt zijn aangesteld: - een vertegenwoordiger van elke minister of staatssecretaris van de gewestregering, gekozen binnen zijn of haar strategische cel; - een vertegenwoordiger van elke gewestelijke instantie zoals bedoeld in § 2, intern verkozen; - een vertegenwoordiger van equal.brussels. Voor elk van de leden bedoeld in het eerste lid wordt een plaatsvervanger benoemd. De vertegenwoordigers van de ministers en staatssecretarissen worden door de nieuwbenoemde gewestregering aangesteld telkens als het Brussels Hoofdstedelijk Parlement vernieuwd wordt. De hoedanigheid van het lid en van de plaatsvervanger eindigt op de datum waarop de vertegenwoordigde minister of staatssecretaris, of de vertegenwoordigde gewestelijke instantie meedeelt dat het betrokken lid ophoudt hem/haar te vertegenwoordigen. Bij die gelegenheid wordt een nieuw lid aangesteld. Art. 61.De strategische groep komt elke twee jaar bijeen en wordt voorgezeten door de minister of staatssecretaris belast met het gelijkekansenbeleid. Art. 62.De operationele groep komt minimaal één keer per jaar bijeen en wordt voorgezeten door de minister of de staatssecretaris bevoegd voor gelijkekansenbeleid. De operationele groep keurt een huishoudelijk reglement orde goed binnen drie maanden na zijn installatie, bij tweederdemeerderheid van de aanwezige leden, en bij gebrek daaraan op de volgende vergadering bij eenvoudige meerderheid van de aanwezige leden. Dit huishoudelijk reglement wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de gewestregering. Worden als waarnemers in de operationele groep uitgenodigd: - een vertegenwoordiger intern aangesteld door de Franse Gemeenschapscommissie; - een vertegenwoordiger intern aangesteld door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie; - een vertegenwoordiger intern aangesteld door de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Daarnaast, kunnen als waarnemers van de operationele groep worden uitgenodigd: - een vertegenwoordiger intern aangesteld door Unia; - een vertegenwoordiger intern aangesteld door het Instituut; - een vertegenwoordiger intern aangesteld door de Brusselse Raad voor personen met een handicap; - een vertegenwoordiger intern aangesteld door de Brusselse Raad voor de Gelijkheid tussen Vrouwen en Mannen; - een vertegenwoordiger intern aangesteld door de Brusselse Adviesraad voor de uitbanning van racisme in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; - een vertegenwoordiger van het Gewestelijk Coördinatiecomité bevoegd voor de diversiteit; - een vertegenwoordiger intern aangesteld door Brupartners. Afdeling
- - Coördinatiegroepen en gemeenschappelijke referenten Art. 63.§
- Om de tenuitvoerlegging van het beleid van de gendermainstreaming te waarborgen, wordt voor de Franse Gemeenschapscommissie een coördinatiegroep en voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie een coördinatiegroep opgericht. De coördinatiegroep voor de Franse Gemeenschapscommissie is samengesteld uit vertegenwoordigers van elk lid van het College of elk lid van het Verenigd College, uit vertegenwoordigers van de diensten van het College of het Verenigd College en uit vertegenwoordigers van
stellingen van openbaar nut van de Franse Gemeenschapscommissie. De coördinatiegroep voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie is samengesteld uit personen die door het Verenigd College gekozen zijn uit de diensten van elk lid van het Verenigd College, uit de diensten van het Verenigd College en uit
stellingen van openbaar belang. Het College en het Verenigd College kunnen, elk voor de coördinatiegroep die onder hun bevoegdheid valt, bepalen dat de door hen aangewezen waarnemers voor de vergaderingen van de coördinatiegroep worden uitgenodigd. § 2. Het College en het Verenigd College duiden, elk voor de coördinatiegroep die onder hun bevoegdheid valt, de persoon/personen aan die belast is/zijn met de begeleiding en de ondersteuning van het proces van
tegratie van de genderdimensie in de beleidslijnen, maatregelen en de acties van de overheid. Art. 64.§
- Met het oog op de uitvoering van het beleid voor handistreaming, wordt voor de Franse Gemeenschapscommissie een coördinatiegroep en voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie een coördinatiegroep opgericht. De coördinatiegroep voor de Franse Gemeenschapscommissie wordt opgericht volgens de door het College gespecificeerde modaliteiten, die een minimale opleiding van de leden van de coördinatiegroep waarborgt en de regels betreffende de oprichting en de werking ervan bepalen. De coördinatiegroep van de Franse Gemeenschapscommissie moet het ontwerpplan, het ontwerp van het tussentijds verslag en het ontwerp van het eindverslag zoals bedoeld in artikel 68, voorleggen aan de Adviesraad voor Gezondheids- en Welzijnszorg van Brussel-Hoofdstad, sectie "Personen met een handicap", opgericht bij het decreet van 5 juni 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 05/06/1997 pub. 09/07/1997 numac 1997031243 bron franse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest Decreet houdende oprichting van de Brusselse Franstalige Adviesraad voor Welzijnszorg en Gezondheid sluiten tot oprichting van de Adviesraad voor Gezondheids- en Welzijnszorg van Brussel-Hoofdstad. De coördinatiegroep voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie wordt opgericht volgens de door het Verenigd College gespecificeerde modaliteiten, die een minimale opleiding van de leden van de coördinatiegroep waarborgt en de regels betreffende de oprichting en de werking ervan bepalen. De coördinatiegroep van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie moet het ontwerpplan, het ontwerp van het tussentijds verslag en het ontwerp van het eindverslag zoals bedoeld in artikel 68, voorleggen aan de twee commissies van de Adviesraad voor Gezondheids- en Welzijnszorg van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, opgericht bij ordonnantie houdende oprichting van een Adviesraad voor gezondheids- en welzijnszorg van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, zoals gewijzigd bij het besluit van 19 februari
- Het College en het Verenigd College kunnen, elk voor de coördinatiegroep die onder hun bevoegdheid valt, bepalen dat de door hen aangewezen waarnemers voor de vergaderingen van de coördinatiegroep worden uitgenodigd. §
- Het College en het Verenigd College wijzen elk de persoon/personen aan die verantwoordelijk zijn voor de begeleiding en de ondersteuning van het integratieproces van de handicapdimensie in de beleidslijnen, de maatregelen en de acties van de overheid. HOOFDSTUK
- - Integratie van gelijke kansen in het Brusselse beleid Art. 65.§
- De Regering, het College en het Verenigd College integreren gelijke kansen in alle beleidslijnen, programma's, maatregelen en acties die zij uitvoeren, vanuit een strategisch en operationeel standpunt, om mogelijke ongelijkheden op grond van de beschermde criteria, te voorkomen of te verbeteren. §
- De gewestregering, het College en het Verenigd College zien met name toe op de tenuitvoerlegging van de doelstellingen van de Vierde Wereldconferentie voor Vrouwen gehouden te Peking in september 1995 en de actualisering daarvan in het licht van de door België aangegane internationale verbintenissen, en in het bijzonder op
tegratie van de genderdimensie in alle beleidslijnen, maatregelen en budgettaire voorbereidingen of acties die zij ondernemen om eventuele ongelijkheden tussen vrouwen en mannen te voorkomen of te verbeteren. Hun leden zien toe op
tegratie van de genderdimensie in alle nieuwe beheersplannen, in alle nieuwe beheersovereenkomsten en in alle andere strategische planningsinstrumenten van de Brusselse instanties die onder hun respectieve bevoegdheid vallen. Met het oog daarop, keuren zij de relevante genderindicatoren goed om het proces van gendermainstreaming en de verwezenlijking van de strategische doelstellingen die onder hun respectieve bevoegdheid vallen, te meten. Zij zien erop toe dat, in het kader de procedures voor overheidsopdrachten en de toekenning van subsidies, de gelijkheid tussen vrouwen en mannen en
tegratie van de genderdimensie in aanmerkingen worden genomen. § 3. De gewestregering, het College en het Verenigd College zien in het bijzonder toe op de uitvoering van het Verdrag van de Verenigde Naties vanuit het perspectief van handistreaming, teneinde mogelijke ongelijkheden op grond van de handicap te voorkomen of te verbeteren. Handistreaming impliceert
tegratievan de handicapdimensie en de bescherming en de bevordering van de mensenrechten van personen met een handicap in elk beleid door degenen die verantwoordelijk zijn voor de uitwerking, de uitvoering en de evaluatie van dit beleid. Hun leden integreren handistreaming in alle nieuwe beheersplannen, beheersovereenkomsten en andere strategische planningsinstrumenten van de Brusselse instanties die onder hun respectieve bevoegdheden vallen. Zij zien toe op handistreaming in het kader van de openbare aanbestedings- en subsidieprocedures. Art. 66.De gewestregering, het College en het Verenigd College zien toe op de coördinatie met hun communautaire tegenhangers om synergiën te bevorderen en te zorgen voor een coherent gendermainstreaming- en handistreamingsbeleid in het Gewest. HOOFDSTUK
- - Actieplannen voor integratie van gelijke kansen Afdeling
- - Verplichtingen van de gewestregering Art. 67.§
- De gewestregering stelt voor elke zittingsperiode een of meer actieplannen op, waarbij alle gewestelijke bevoegdheden worden betrokken. Deze actieplannen of programma's zijn opgericht op het bereiken van gelijkheid voor personen die met ongelijkheden te maken hebben, op basis van de volgende criteria: 1° het geslacht en het gender, met inbegrip van gender gerelateerd geweld;2° sociale afkomst en toestand;3° seksuele geaardheid en genderidentiteit en -expressie;4° de zogenaamde rassencriteria;5° handicap. §
- De gewestregering dient een tussentijds verslag en een definitief evaluatieverslag in bij het Brussels Hoofdstedelijk Parlement. §
- De eindevaluatie omvat a minima: 1° de geheel of gedeeltelijk ondernomen acties en de niet-uitgevoerde acties;2° de analyse van de verzamelde statistische gegevens;3° de geboekte vooruitgang en de redenen voor het niet of slecht gedeeltelijk uitvoeren van de acties en alternatieve oplossingen. §
- De minister die bevoegd is voor gelijke kansen is belast, samen met equal.brussels, met de coördinatie van de ontwikkeling, de uitvoering, het toezicht en de evaluatie van de actieplannen en -programma's. De correspondenten voor gelijke kansen zijn de contactpunten voor de ontwikkeling, de uitvoering, het toezicht en de evaluatie van de actieplannen en -programma's. De gewestregering kan, bovendien, een procedureel kader vaststellen voor de organisatie van de verschillende fasen van de ontwikkeling, de uitvoering, het toezicht en de evaluatie van de actieplannen en -programma's. Afdeling
- - Verplichtingen van het College en het Verenigd College Art. 68.§
- Het College en het Verenigd College stellen, elk voor hun respectieve bevoegdheden, een of meer actieplannen of - programma's op voor elke zittingsperiode. Deze actieplannen of actieprogramma's zijn gericht op het bereiken van gelijkheid voor de betrokken personen die te maken hebben met ongelijkheden, gebaseerd op de volgende criteria: 1° het geslacht en het gender, en ook genderidentiteit en genderexpressie;2° de handicap. §
- Het College en het Verenigd College dienen elk een tussentijds verslag en een eindevaluatieverslag in bij de Raad of de Verenigde Vergadering. §
- De eindevaluatie omvat a minima: 1° de geheel of gedeeltelijk ondernomen acties en de niet-uitgevoerde acties;2° de analyse van de verzamelde statistische gegevens;3° de geboekte vooruitgang en de verklaring voor het niet of gedeeltelijk uitvoeren van de acties en alternatieve oplossingen. §
- De leden van het College en de Leden van het Verenigd College die belast zijn met gelijke kansen zorgen, respectievelijk voor de Franse Gemeenschapscommissie en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, voor de coördinatie van de ontwikkeling, de uitvoering, het toezicht en de evaluatie van de actieplannen en - programma's. Zij kunnen eveneens een procedureel kader vaststellen voor de ontwikkeling, de uitvoering, het toezicht en de evaluatie van de actieplannen en - programma's. HOOFDSTUK
- - Analyses van de impact op de gelijke kansen Art. 69.§
- Elke minister en staatssecretaris, elk lid van het College en het Verenigd College stelt een analyse van de impact op de gelijke kansen op voor de volgende ontwerpen: 1° wetgevende of reglementaire ontwerpen;2° ontwerpen van beheersovereenkomsten;3° ontwerpen van strategische planningsdocumenten;4° ontwerpen van opdracht- en concessiedocumenten betreffende voorgenomen overheidsopdrachten en concessies;5° ontwerpoproepen tot het indienen van projecten en bijhorende documenten. Voor de projecten bedoeld in alinea 1, 4°, bepalen de gewestregering, het College en het Verenigd College gezamenlijk het bedrag van de toepassing van de aanmeldingsdrempel, die kan variëren naargelang de aard van de opdracht. Het evaluatieverslag bedoeld in het eerste lid, betreft in een eerste luik de impact van het ontwerp op het criterium van de genderdimensie. In het tweede luik, betreft het verslag een exhaustieve impactanalyse van het ontwerp gelet op de volgende beschermde criteria: - handicap; - zogenaamde rassencriteria; - seksuele oriëntatie, genderidentiteit en genderexpressie; - afkomst en sociale situatie. Het evaluatieverslag bedoeld in het eerste lid, kan betrekking hebben op andere criteria, indien de auteur van
§ 1bedoelde ontwerpen dat relevant acht.
Het evaluatieverslag wordt uitgevoerd uiterlijk bij de uitwerking van het betrokken project. §
- De analyse van de impact zoals bedoeld in § 1, eerste lid, 3°, wordt geïntegreerd in het betrokken instrument in het geval van richtsnoeren en brieven. §
- De gewestregering, het College en het Verenigd College regelen gezamenlijk de vorm van de analyse van de impact op gelijke kansen. §
- De analyse van de impact zoals bedoeld in § 1, eerste lid, dient niet te worden uitgevoerd voor een project dat geen directe of indirecte invloed heeft op natuurlijke personen. De analyse van de impact moet niet worden opgesteld voor een wetgevend of reglementair ontwerp: 1° houdende instemming met internationale verdragen en akkoorden;2° houdende instemming met samenwerkingsakkoorden bedoeld in artikel 92bis van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen;3° met een louter formeel karakter, waaronder de ontwerpen waarvoor het advies van de Raad van State niet verzocht wordt overeenkomstig artikelen 3, § 1, eerste lid, en 5 van de wetten op de Raad van State gecoördineerd op 12 januari 1973;4° dat de nationale veiligheid en de openbare orde aanbelangt;5° waarvoor het advies van de Raad van State wordt gevraagd met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, of waarover geen advies van de Raad van State wordt gevraagd in het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid, bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, van diezelfde wetten. Art. 70.De gewestregering, het College en het Verenigd College worden belast met het proces van opvolging van de analyses van de impact. HOOFDSTUK
- - Statistieken inzake gelijke kansen Art. 71.§
- Elke minister en staatssecretaris, elk lid van het College en van het Verenigd College zien erop toe dat in de domeinen die onder zijn of haar bevoegdheden vallen, statistieken die de Brusselse overheidsdiensten in hun actiedomeinen produceren, verzamelen en bestellen, naar geslacht opgesplitst worden en dat er genderindicatoren worden opgesteld wanneer dit relevant is. §
- Elke minister en staatssecretaris, elk lid van het College en het Verenigd College, zien erop toe dat de Brusselse instanties binnen de grenzen van hun bevoegdheden, statistische gegevens verzamelen die het mogelijk maken het beleid te formuleren en uit te voeren, ter uitvoering van het Verdrag van de Verenigde Naties. Art. 72.De dienst studies en statistieken van Actiris is belast met