Besluit van de Vlaamse Regering tot toekenning van steun voor de uitwisseling van kennis en verspreiding van informatie in de landbouwsector
Kort samengevat
Dit besluit van de Vlaamse Regering regelt de toekenning van steun voor de uitwisseling van kennis en de verspreiding van informatie in de landbouwsector. Het heeft als doel het verbeteren van het bedrijfsfunctioneren en het bevorderen van duurzame landbouwpraktijken.
Wat het regelt
- De toekenning van steun voor kennisuitwisseling en informatieverspreiding.
- De definitie van "aanvullende opleidingen over de fytolicentie".
- De definitie van een "actieve landbouwer" en "advies".
- De registratie van adviesdiensten en algemene vormingscentra.
Wie het aanbelangt
- Actieve landbouwers.
- Adviesdiensten en algemene vormingscentra.
Kernpunten
- Advies is onpartijdig en gericht op het verbeteren van het bedrijfsfunctioneren van een individuele actieve landbouwer.
- Advies moet bijdragen aan de versterking of transformatie van het bedrijf, of aan het toepassen of bevorderen van duurzame landbouwpraktijken.
- Adviesdiensten en algemene vormingscentra moeten geregistreerd zijn conform hoofdstuk 6.
- Een "dagdeel" is een aantal aansluitende uren vorming zoals vermeld in artikel 57, tweede lid.
Wettekst
6 OKTOBER 2023. - Besluit van de Vlaamse Regering tot toekenning van steun voor de uitwisseling van kennis en verspreiding van informatie in de landbouwsector Rechtsgronden Dit besluit is gebaseerd op
Art. 3
.Binnen de grenzen van de begrotingskredieten die daarvoor bestemd zijn, kan de bevoegde entiteit, volgens de bepalingen die zijn vastgesteld in dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan, een subsidie verlenen aan actieve landbouwers voor vorming of advies. Afdeling 2. - Specifieke voorwaarden voor het advies Art. 4.Een advies komt in aanmerking voor subsidiëring als het voldoet aan al de volgende voorwaarden: 1° het advies wordt verleend door een adviesdienst;2° het advies draagt bij tot een of meer van de doelstellingen en thema's, vermeld in artikel 6, lid 1 en lid 2, en artikel 15, lid 4, van verordening (EU) 2021/2115;3° het advies vertrekt vanuit een concrete opportuniteit of probleemstelling die gelinkt is aan een of meer specifieke doelstellingen.Op basis van een analyse of onderzoek van het probleem worden er suggesties en aanbevelingen gedaan die de actieve landbouwer moeten helpen om de juiste beslissingen te nemen voor zijn bedrijf. Het advies bevat een stappenplan en concrete acties die de actieve landbouwer kan volgen om het advies te implementeren; 4° het advies is voor iedereen toegankelijk tegen een uniforme en marktconforme prijs voor dezelfde prestaties.De prijs maakt geen onderscheid tussen leden en niet-leden van de adviesdienst of een organisatie die eraan is verbonden, of tussen gesubsidieerde en niet-gesubsidieerde actieve landbouwers; 5° het advies is verantwoord in het kader van de huidige en toekomstige landbouwactiviteiten van de actieve landbouwer;6° de adviseur die het advies verleent, is een derde ten aanzien van de actieve landbouwer.De adviseur wordt niet beschouwd als een derde in de volgende twee gevallen:
- a)de zaakvoerders of bestuurders en de adviseur zijn ingeschreven op hetzelfde adres;
- b)de adviseur is een werknemer, zaakvoerder of bestuurder van de actieve landbouwer. De minister kan bepalen welke adviezen niet in aanmerking komen voor subsidiëring. Afdeling 3. - Specifieke voorwaarden voor vorming via een kennisportefeuille Art. 5.Een vorming via een kennisportefeuille komt in aanmerking voor subsidiëring als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden: 1° de vorming wordt georganiseerd door een vormingscentrum;2° het thema van de vorming draagt bij tot een of meer van de doelstellingen, vermeld in artikel 6, lid 1 en lid 2, van verordening (EU) 2021/2115;3° de vorming vindt plaats in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, met uitzondering van een vorming die op afstand wordt gegeven;4° de vorming is voor iedereen toegankelijk tegen een uniforme en marktconforme prijs voor dezelfde prestaties.De inschrijvingsprijs maakt geen onderscheid tussen leden en niet-leden van een vormingscentrum of een organisatie die eraan verbonden is, of tussen gesubsidieerde en niet-gesubsidieerde deelnemers; 5° de vorming is verantwoord in het kader van de huidige en toekomstige landbouwactiviteiten van de actieve landbouwer;6° de lesgever en de deelnemers zijn niet uitsluitend werknemers van dezelfde onderneming. De minister kan bepalen welke vormingen niet in aanmerking komen voor subsidiëring via een kennisportefeuille. Art. 6.Een vorming met als inhoud een basisopleiding over de fytolicentie P1, P2 of P3 komt alleen in aanmerking voor subsidiëring als ze voldoet aan de volgende voorwaarden: 1° de vorming heeft betrekking op activiteiten als vermeld in artikel 3, § 1, eerste lid, 1°, 2° of 8°, van het decreet van 28 juni 2013Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 16/04/2013 numac 2013024124 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 27/03/2013 numac 2013201636 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 03/10/2014 numac 2014022494 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen. - Addendum type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 03/04/2013 numac 2013012107 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 november 2012, gesloten in het Paritair Comité voor de bewakings- en/of toezichtsdiensten, betreffende de overname van personeel ingevolge de overgang van een commercieel contract sluiten3;2° de vorming voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 33 van het koninklijk besluit van 19 maart 2013Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 16/04/2013 numac 2013024124 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 27/03/2013 numac 2013201636 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 03/10/2014 numac 2014022494 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen. - Addendum type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 03/04/2013 numac 2013012107 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 november 2012, gesloten in het Paritair Comité voor de bewakings- en/of toezichtsdiensten, betreffende de overname van personeel ingevolge de overgang van een commercieel contract sluiten;3° in geval van fytolicentie P2: de vorming wordt georganiseerd voor een van de volgende thema's:
- a)landbouw - gangbare productie;
- b)landbouw - biologische productie;
- c)groenvoorziening;4° de vorming omvat de volgende inhoud en het volgende aantal lesuren:
- a)in geval van fytolicentie P1: 1) alle relevante wetgeving: één lesuur;2) gewasbeschermingsmiddelen: één lesuur;3) correct gebruik van gewasbeschermingsmiddelen: vijf lesuren;4) risico's van gewasbeschermingsmiddelen: vijf lesuren;5) toegepaste gewasbescherming met voornaamste ziekten en plagen: vier lesuren;
- b)in geval van fytolicentie P2: 1) alle relevante wetgeving: tien lesuren;2) gewasbescherming: tien lesuren;3) gewasbeschermingsmiddelen: tien lesuren;4) correct gebruik van gewasbeschermingsmiddelen: tien lesuren;5) risico's van gewasbeschermingsmiddelen: tien lesuren;6) toegepaste gewasbescherming: tien lesuren;
- c)in geval van fytolicentie P3: 1) alle relevante wetgeving: tien lesuren;2) gewasbescherming: twintig lesuren;3) gewasbeschermingsmiddelen: twintig lesuren;4) correct gebruik van gewasbeschermingsmiddelen: vijftien lesuren;5) risico's van gewasbeschermingsmiddelen: vijftien lesuren;6) toegepaste gewasbescherming: veertig lesuren;5° de vorming wordt gegeven door een lesgever die in het bezit is van een fytolicentie P3, of door een lesgever in een instelling voor basisonderwijs, secundair onderwijs, hoger onderwijs, volwassenenonderwijs of deeltijds kunstonderwijs die door de Vlaamse Gemeenschap is erkend, gefinancierd of gesubsidieerd, of in centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, wat de leertijd betreft. Een opleiding waarin de verschillende thema's, vermeld in het eerste lid, 3°, gecombineerd worden, is niet toegestaan. Bij de aankondiging wordt duidelijk opgenomen op welk thema de vorming zich richt. De bevoegde entiteit kan aan een vormingscentrum een afwijking toestaan van de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 5°, voor onderwerpen die niet gelinkt zijn met de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. In het voormelde geval bezorgt het vormingscentrum een motivering aan de bevoegde entiteit en beslist de bevoegde entiteit over het toestaan van de afwijking. De voormelde onderwerpen kunnen worden gegeven door experten in het thema in kwestie. De minister kan de voorwaarden, de modaliteiten en de minimale inhoud waaraan de basisopleidingen fytolicentie P1, P2 en P3 moeten voldoen, nader bepalen. De minister beslist of de opleidingen gevalideerd worden als basisopleiding over de fytolicentie. De geslaagde deelnemers van de gevalideerde basisopleidingen over de fytolicentie worden doorgegeven aan de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. Art. 7.Een vorming met als inhoud een aanvullende opleiding over de fytolicentie komt alleen in aanmerking voor subsidiëring als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden: 1° de vorming voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 38 van het koninklijk besluit van 19 maart 2013Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 16/04/2013 numac 2013024124 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 27/03/2013 numac 2013201636 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 03/10/2014 numac 2014022494 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen. - Addendum type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 03/04/2013 numac 2013012107 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 november 2012, gesloten in het Paritair Comité voor de bewakings- en/of toezichtsdiensten, betreffende de overname van personeel ingevolge de overgang van een commercieel contract sluiten;2° minimaal een dagdeel gaat over de onderwerpen, vermeld in bijlage 3 bij het koninklijk besluit van 19 maart 2013Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 16/04/2013 numac 2013024124 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 27/03/2013 numac 2013201636 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 03/10/2014 numac 2014022494 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen. - Addendum type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 03/04/2013 numac 2013012107 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 november 2012, gesloten in het Paritair Comité voor de bewakings- en/of toezichtsdiensten, betreffende de overname van personeel ingevolge de overgang van een commercieel contract sluiten;3° minimaal 45 minuten van de vorming wordt toegelicht door een lesgever die geen werknemer is of zaakvoerder van een onderneming die gewasbeschermingsmiddelen verkoopt. De minister kan beslissen dat specifieke onderwerpen in de aanvullende opleidingen moeten opgenomen worden. De minister kan de doelgroepen bepalen waarvoor de aanvullende opleidingen georganiseerd worden. De minister beslist of de opleidingen gevalideerd worden als aanvullende opleiding over de fytolicentie. De deelnemerslijsten van de gevalideerde aanvullende opleidingen over de fytolicentie worden doorgegeven aan de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. Art. 8.Een actieve landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie voor vorming via een kennisportefeuille als de vorming gevolgd wordt door: 1° een actieve landbouwer die een natuurlijke persoon is;2° de bestuurders van de actieve landbouwer, als die een rechtspersoon is;3° de personen die ingeschreven zijn op hetzelfde adres als de actieve landbouwer;4° de personen die een basisopleiding met betrekking tot landbouw of tuinbouw gericht op het uitvoeren van een landbouwactiviteit volgen of gevolgd hebben of die een starterscursus vermeld in artikel 35, 1°, volgen of gevolgd hebben;5° de werknemers van de actieve landbouwer. De personen vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, mogen niet meer leerplichtig zijn overeenkomstig de wet van 29 juni 1983Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/06/1983 pub. 25/01/2011 numac 2011000012 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de leerplicht. - Duitse vertaling sluiten betreffende de leerplicht. Art. 9.De minister bepaalt de voorwaarden en de modaliteiten waaraan de vormingen op afstand moeten voldoen. Afdeling 4. - Subsidiebedrag Art. 10.Elke actieve landbouwer beschikt over een kennisportefeuille die ingezet kan worden voor de subsidie, vermeld in artikel 3. De minister bepaalt: 1° het maximale totale bedrag van de kennisportefeuille per actieve landbouwer en de geldigheidsduur ervan;2° het subsidiepercentage;3° de verdeling van het bedrag van de kennisportefeuille dat gaat naar bepaalde doelstellingen en thema's, vermeld in artikel 6, lid 1 en lid 2, en artikel 15, lid 4, van verordening (EU) 2021/2115. De minister kan de volgende elementen bepalen: 1° de minimale kostprijs van het advies of de vorming die in aanmerking komt voor de subsidie, vermeld in artikel 3;2° het minimale subsidiebedrag waarvoor een steunaanvraag als vermeld in artikel 19, via de kennisportefeuille ingediend kan worden. Art. 11.De volgende kosten voor het verlenen van een advies komen in aanmerking voor de subsidie, vermeld in artikel 3: 1° de personeelskosten van de adviesdienst voor het verlenen van het advies;2° de werkingskosten van de adviesdienst voor het verlenen van het advies;3° de verplaatsingskosten van de adviseur of adviseurs;4° in geval van onderaanneming de kosten voor de externe prestaties die verricht zijn in het kader van het geven van het advies. De kosten die in aanmerking komen, vermeld in het eerste lid, worden berekend exclusief btw. Art. 12.Om een vorming te geven via de kennisportefeuille, komen de volgende kosten in aanmerking voor de subsidie, vermeld in artikel 3: 1° de personeelskosten van het vormingscentrum voor het organiseren van de vorming;2° de werkingskosten van het vormingscentrum voor het organiseren van de vorming;3° de vergoeding voor de lesgever of de lesgevers;4° de verplaatsingskosten van de personeelsleden van het vormingscentrum en van de lesgever of de lesgevers naar en van de vorming;5° in geval van onderaanneming de kosten voor de externe prestaties die verricht zijn in het kader van het organiseren en het geven van de vorming. De kosten die in aanmerking komen, vermeld in het eerste lid, worden berekend exclusief btw. Art. 13.De minister kan bepalen welke kosten niet in aanmerking komen voor de subsidie, vermeld in artikel 3. Afdeling 5. - Procedure Art. 14.De adviesdiensten stellen vanuit hun expertise een adviesvoorstel op en dienen dat adviesvoorstel in via een aanvraag in het e-loket bij de bevoegde entiteit. De vormingscentra stellen vanuit hun expertise een vormingsvoorstel op en dienen dat vormingsvoorstel in via een aanvraag in het e-loket bij de bevoegde entiteit. De minister bepaalt welke elementen aanwezig moeten zijn in het advies- en vormingsvoorstel, vermeld in het eerste en tweede lid. Art. 15.De bevoegde entiteit kent na goedkeuring van de aanvraag, vermeld in artikel 14, een registratienummer toe aan de adviesvoorstellen en vormingsvoorstellen die conform artikel 14 zijn ingediend, en maakt ze via haar e-loket beschikbaar voor de actieve landbouwers. De bevoegde entiteit brengt de adviesdiensten en de vormingscentra op de hoogte van de voormelde beschikbaarstelling. Art. 16.De bevoegde entiteit kan op elk ogenblik een onderzoek instellen of bijkomende informatie of stukken opvragen om te controleren of de adviesvoorstellen of vormingsvoorstellen die conform artikel 14 zijn ingediend, voldoen aan de voorwaarden, vermeld in dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan. Als blijkt dat de adviesvoorstellen of vormingsvoorstellen die conform artikel 14 zijn ingediend, niet voldoen aan de voorwaarden, vermeld in dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan, komen die adviesvoorstellen of vormingsvoorstellen niet in aanmerking voor de subsidie, vermeld in artikel 3. Art. 17.De actieve landbouwer die een advies of vorming wil verkrijgen, vermeld in artikel 3, neemt contact op met een adviesdienst of een vormingscentrum. De adviesdienst of het vormingscentrum informeert aan de hand van het advies- of vormingsvoorstel, vermeld in artikel 14, de actieve landbouwer over de inhoud, de modaliteiten, de prijs en de timing van het advies of de vorming. Als de adviesdienst of het vormingscentrum beslist dat er geen advies of vorming aangeboden kan worden die voldoet aan de vragen van de actieve landbouwer, brengt die adviesdienst of dat vormingscentrum de bevoegde entiteit daarvan op de hoogte. Art. 18.Om een steunaanvraag als vermeld in artikel 19, te kunnen indienen, registreert de actieve landbouwer die nog niet geïdentificeerd is bij de bevoegde entiteit, zijn onderneming en de personen die hem kunnen vertegenwoordigen in het e-loket van de bevoegde entiteit. De minister bepaalt de vormvereisten en de inhoudelijke bepalingen van de steunaanvraag, vermeld in artikel 19. Art. 19.De bevoegde entiteit controleert tijdens de indiening van de steunaanvraag, vermeld in het tweede lid, of de actieve landbouwer nog voldoende budget in zijn kennisportefeuille heeft en of het minimale subsidiebedrag, vermeld in artikel 10, derde lid, 2°, gerespecteerd is. Als de bevoegde entiteit beslist dat de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, zijn vervuld, kan de actieve landbouwer een steunaanvraag indienen. Art. 20.Door de steunaanvraag, vermeld in artikel 19, in te dienen in het e-loket, gaat de actieve landbouwer akkoord met het advies- of vormingsvoorstel, vermeld in artikel 17. De adviesdienst of het vormingscentrum kan geen steunaanvraag als vermeld in artikel 19, indienen via een volmacht van de actieve landbouwer. Art. 21.De steunaanvraag, vermeld in artikel 19, wordt ingediend voor de prestaties van start gaan voor het leveren van het advies of voor het begin van de vorming. Art. 22.Het advies wordt verleend of de vorming start uiterlijk zes maanden na de indiening van de steunaanvraag, vermeld in artikel 19. Art. 23.Een actieve landbouwer kan de steunaanvraag, vermeld in artikel 19, annuleren zolang er geen betalingsaanvraag als vermeld in artikel 27, ingediend is. Art. 24.De adviseur licht elk advies mondeling toe aan de actieve landbouwer. Afhankelijk van de noodzakelijkheid van de mondelinge toelichting, die volgt uit de specifieke vraagstelling van de actieve landbouwer, kan de voormelde toelichting tijdens een bedrijfsbezoek of via een online videovergadering gegeven worden. De minister kan bepalen aan welke voorwaarden de mondelinge toelichting moet voldoen en de praktische modaliteiten van een bedrijfsbezoek. Art. 25.Na afloop van het advies ontvangt de actieve landbouwer een schriftelijk en gepersonaliseerd adviesrapport. De minister bepaalt de inhoud van het adviesrapport, vermeld in het eerste lid. Art. 26.Als de prestaties, vermeld in het vormingsvoorstel, vermeld in artikel 14, niet of maar gedeeltelijk worden geleverd, of als de data of de locatie van de vorming wijzigen, annuleert of wijzigt het vormingscentrum onmiddellijk het ingediende vormingsvoorstel in het e-loket en brengt het de actieve landbouwers die al zijn ingeschreven, daarvan op de hoogte. Art. 27.Nadat het advies is verleend of na afloop van de vorming dient de actieve landbouwer een betalingsaanvraag in bij de bevoegde entiteit. De minister bepaalt de inhoud van de betalingsaanvraag, vermeld in het eerste lid, en de termijn waarin die betalingsaanvraag ingediend moet worden. Als de actieve landbouwer geen betalingsaanvraag indient binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, annuleert de bevoegde entiteit automatisch de steunaanvraag, vermeld in artikel 19, en verliest de landbouwer het aangevraagde subsidiebedrag uit de kennisportefeuille. Art. 28.De adviesdiensten bevestigen op verzoek van de bevoegde entiteit de identiteit van de adviseurs die adviezen verleend hebben in het kader van dit besluit. Art. 29.De minister kan bepalen waaraan de facturen moeten voldoen die de adviesdienst of het vormingscentrum aan de actieve landbouwer aanbiedt. Art. 30.De adviesdiensten bewaren de facturen en het adviesrapport, vermeld in artikel 25, gedurende tien jaar na de start van de prestaties. De vormingscentra bewaren het bewijs van inschrijving en de aanwezigheidslijst van de vorming, vermeld in artikel 31, gedurende tien jaar na de startdatum van de vorming. Art. 31.Het vormingscentrum houdt per vorming een aanwezigheidslijst bij waarop de deelnemer zijn aanwezigheid bevestigt. De deelnemer van een vorming die gespreid is over meerdere kalenderdagen moet ten minste 75% van de lesuren aanwezig zijn geweest. De minister kan de inhoud en modaliteiten van de aanwezigheidslijst, vermeld in het eerste lid, bepalen. Art. 32.De vormingscentra bevestigen op verzoek van de bevoegde entiteit de identiteit van de lesgevers die vormingen gegeven hebben in het kader van dit besluit. HOOFDSTUK 3. - Verlenen van subsidies voor vorming aan algemene vormingscentra en vormingscentra voor bijenteelt via een vormingsprogramma Afdeling 1. -
Art. 33
.Binnen de grenzen van de begrotingskredieten die daarvoor bestemd zijn, kan de bevoegde entiteit volgens de bepalingen die zijn vastgesteld in dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan, een subsidie verlenen voor vorming via een vormingsprogramma. Afdeling
- - Deelnemers Art. 34.De volgende deelnemers aan de vormingen vallen onder het toepassingsgebied van de subsidie, vermeld in artikel 33 van dit besluit: 1° de actieve landbouwer die een natuurlijke persoon is;2° bestuurders van de actieve landbouwer, als die laatste een rechtspersoon is;3° personen die ingeschreven zijn op hetzelfde adres als de actieve landbouwer;4° werknemers van de actieve landbouwer;5° zaakvoerders of werknemers van loonwerkers;6° personen die zich voorbereiden om actieve landbouwer te worden;7° imkers;8° personen die zich voorbereiden om imker te worden;9° professionele gebruikers, distributeurs en voorlichters als vermeld in artikel 2, 7°, 9° en 10°, van het koninklijk besluit van 19 maart 2013Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 16/04/2013 numac 2013024124 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 27/03/2013 numac 2013201636 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 03/10/2014 numac 2014022494 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen. - Addendum type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 03/04/2013 numac 2013012107 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 november 2012, gesloten in het Paritair Comité voor de bewakings- en/of toezichtsdiensten, betreffende de overname van personeel ingevolge de overgang van een commercieel contract sluiten van gewasbeschermingsmiddelen die erkend zijn voor professioneel gebruik en toevoegingsstoffen;10° personen die zich voorbereiden om professioneel gebruiker te worden in verband met professionele gewasbeschermingsmiddelen en die actieve landbouwer zijn of een starterscursus als vermeld in artikel 39 van dit besluit, volgen of gevolgd hebben;11° lesgevers die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 64 van dit besluit;12° adviseurs die geregistreerd zijn bij de bevoegde entiteit. In het eerste lid, 5°, wordt verstaan onder loonwerker: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die voor professionele doeleinden werkzaamheden uitvoert bij land- en tuinbouwers, waarvan de activiteit betrekking heeft op een activiteit van de NACE-BEL-codes 01.610, 01.620 of 01.630 voor de btw-activiteiten. De deelnemers, vermeld in het eerste lid, die bij de aanvang van de activiteiten niet meer leerplichtig zijn conform de wet van 29 juni 1983Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/06/1983 pub. 25/01/2011 numac 2011000012 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de leerplicht. - Duitse vertaling sluiten betreffende de leerplicht, komen in aanmerking voor de subsidie, vermeld in artikel 33 van dit besluit. De minister kan omtrent de bepalingen van dit artikel nadere voorwaarden en regels bepalen. Afdeling
- - Types vormingen via vormingsprogramma Art. 35.De vormingen via een vormingsprogramma worden in de volgende acht vormingstypes onderverdeeld: 1° starterscursussen: cursussen die de noodzakelijke beroepsbekwaamheid bij een eerste vestiging op een landbouwbedrijf of als imker verstrekken.Er zijn drie soorten starterscursussen: a) starterscursussen type A (algemene starterscursussen), die bestaan uit de volgende vier modules: 1) wetgeving en structuren;2) financieel inzicht, fiscaliteit en bedrijfseconomie;3) ondernemerschap;4) overname, opstart en sociale aspecten;b) starterscursussen type B (bijzondere starterscursussen), die bestaan uit een aanvullende specifieke module die betrekking heeft op een of twee deelsectoren van de landbouw;c) starterscursussen voor bijenteelt, die bestaan uit een basisprogramma;2° stages: de praktische opleidingen op een stagebedrijf met als doel werkervaring op te doen, de kennis die in de starterscursussen, vermeld in punt 1°, is opgedaan, in praktijk te brengen en inzicht te krijgen in de eigen sterktes en zwaktes;3° opleidingen: bijeenkomsten die bestaan uit een of meer lesactiviteiten voor dezelfde groep deelnemers waarin onderwerpen onder leiding van een lesgever worden uitgediept;4° basisopleidingen fytolicentie P2 voor landbouwers;5° aanvullende opleidingen over de fytolicentie;6° bijscholingen: bijeenkomsten met als doel de vorming van de lesgevers en de adviseurs, vermeld in artikel 34, eerste lid, 11° en 12° ;7° vormingsprojecten: de voorbereiding of implementatie van een geheel van vormingen;8° lerende netwerken rond bepaalde landbouwthema's. Afdeling
- - Specifieke voorwaarden voor vormingen via een vormingsprogramma Onderafdeling
- -
en Art. 36.Een vorming via een vormingsprogramma komt alleen in aanmerking voor een subsidie als vermeld in artikel 33 van dit besluit, als ze voldoet aan de volgende voorwaarden: 1° de vorming draagt bij tot een of meer van de doelstellingen, vermeld in artikel 6, lid 1 en lid 2, van verordening (EU) 2021/2115;2° de vorming vindt plaats in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, met uitzondering van een vorming die op afstand wordt gegeven;3° de vorming is voor iedereen toegankelijk tegen dezelfde bijdrage van de deelnemer;4° de lesgever en de deelnemers aan de vorming zijn niet uitsluitend werknemers van dezelfde onderneming;5° de vorming vindt niet plaats op een zondag of een wettelijke feestdag. De minister kan bepalen welke vormingen niet in aanmerking komen voor subsidiëring via een vormingsprogramma. Art. 37.De vormingen via een vormingsprogramma kunnen op afstand aangeboden worden, met uitzondering van stages en lerende netwerken rond bepaalde landbouwthema's. De minister bepaalt de voorwaarden en de modaliteiten waaraan de vormingen op afstand, vermeld in het eerste lid, moeten voldoen. Art. 38.Het kunstmatig opsplitsen van vormingen om subsidies te maximaliseren of het creëren van andere kunstmatige voorwaarden om extra voordelen te verkrijgen die niet in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de subsidie, vermeld in artikel 36, eerste lid, 1°, is niet toegestaan. Onderafdeling 2. - Starterscursussen Art. 39.Starterscursussen type A als vermeld in artikel 35, 1°, a), komen in aanmerking voor een subsidie als vermeld in artikel 33, als ze aan al de volgende voorwaarden voldoen: 1° ze worden georganiseerd en aangevraagd door een algemeen vormingscentrum;2° ze worden modulair georganiseerd.Dat betekent dat de afzonderlijke modules op zichzelf kunnen staan; 3° ze omvatten minstens één en maximaal twee dagdelen per dag. De minister bepaalt nader de inhoud en de duur van de modules die in het programma moeten worden opgenomen en het minimumaantal geldige deelnemers. Art. 40.Starterscursussen type B als vermeld in artikel 35, 1°, b), komen in aanmerking voor een subsidie als vermeld in artikel 33, als ze aan al de volgende voorwaarden voldoen: 1° ze worden georganiseerd en aangevraagd door een algemeen vormingscentrum;2° ze worden minstens één en maximaal twee dagdelen per dag. De minister bepaalt nader de inhoud en de duur van de module die in het programma moet worden opgenomen, en het minimumaantal geldige deelnemers. Art. 41.Starterscursussen voor bijenteelt als vermeld in artikel 35, 1°, c), komen in aanmerking voor een subsidie als vermeld in artikel 33, als ze aan al de volgende voorwaarden voldoen: 1° ze worden georganiseerd en aangevraagd door een algemeen vormingscentrum of door een vormingscentrum voor bijenteelt;2° ze worden minstens één en maximaal twee dagdelen per dag. De minister bepaalt nader de inhoud en de duur van het basisprogramma dat in de starterscursussen voor bijenteelt moet worden opgenomen, en het minimumaantal geldige deelnemers. Art. 42.De deelnemers aan een starterscursus als vermeld in artikel 35, 1°, a),
- b)en c), georganiseerd tijdens verschillende kalenderdagen, zijn ten minste 75% van de lesuren aanwezig om als geldige deelnemer te worden beschouwd. De minister kan de voorschriften vastleggen om een vrijstelling te verlenen voor bepaalde modules van een starterscursus type A of een starterscursus type B als vermeld in artikel 35, 1°. Onderafdeling 3. - Stages Art. 43.Stages als vermeld in artikel 35, 2°, komen in aanmerking voor een subsidie als vermeld in artikel 33, als ze aan al de volgende voorwaarden voldoen: 1° ze worden georganiseerd en aangevraagd door een algemeen vormingscentrum;2° ze bestaan uit minimaal twee stageperiodes met elk minimaal 80 stage-uren;3° ze vinden plaats onder toezicht van een stagebegeleider die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 66;4° ze vinden plaats op een stagebedrijf dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 67. De stageperiodes, vermeld in het eerste lid, 2°, vinden plaats op twee verschillende stagebedrijven. Er kunnen maximaal vier stageperiodes van maximaal 80 stage-uren voor dezelfde persoon in rekening gebracht worden voor een subsidie als vermeld in artikel 33. De minister kan de voorwaarden en de modaliteiten nader bepalen waaraan de voormelde stages moeten voldoen. Art. 44.De minister kan de voorschriften vastleggen om een vrijstelling voor een stage te verlenen. Art. 45.De stagiair heeft een starterscursus type A als vermeld in artikel 39, met vrucht gevolgd. De stagiair volbrengt alle stage-uren die in het stageplan zijn vastgelegd. De stagiair maakt een stageverslag en een evaluatieverslag op. De minister bepaalt de gegevens die in het voormelde stageverslag en het voormelde evaluatieverslag opgenomen moeten worden. Onderafdeling 4. - Opleidingen Art. 46.Opleidingen als vermeld in artikel 35, 3°, van dit besluit, komen in aanmerking voor een subsidie als vermeld in artikel 33 van dit besluit, als ze aan al de volgende voorwaarden voldoen: 1° ze worden georganiseerd en aangevraagd door een algemeen vormingscentrum of een vormingscentrum voor bijenteelt;2° ze duren minstens een dagdeel, met uitzondering van opleidingen op afstand die minstens een uur duren;3° ze omvatten minstens een en maximaal twee dagdelen per dag;4° opleidingen die uit verschillende dagdelen bestaan die gespreid worden over verschillende kalenderdagen, zijn afgelopen binnen zes maanden na de startdatum van de opleiding;5° ze dragen bij tot een of meer van de doelstellingen, vermeld in artikel 6, lid 1 en lid 2, van verordening (EU) 2021/2115. De deelnemers aan een opleiding als vermeld in artikel 35, 3°, georganiseerd tijdens verschillende kalenderdagen, zijn ten minste 75% van de lesuren aanwezig om als geldige deelnemer te worden beschouwd. De voormelde deelnemers slagen voor een cursustest. De minister kan de voorwaarden en de modaliteiten nader bepalen waaraan de opleidingen moeten voldoen en het minimumaantal geldige deelnemers. Onderafdeling 5. - Basisopleidingen fytolicentie P2 Art. 47.Basisopleidingen fytolicentie P2 als vermeld in artikel 35, 4°, van dit besluit, komen in aanmerking voor een subsidie als vermeld in artikel 33 van dit besluit, als ze voldoen aan de volgende voorwaarden: 1° de vorming heeft betrekking op activiteiten als vermeld in artikel 3, § 1, eerste lid, 1°, 2° of 8°, van het decreet van 28 juni 2013Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 16/04/2013 numac 2013024124 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 27/03/2013 numac 2013201636 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 03/10/2014 numac 2014022494 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen. - Addendum type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 03/04/2013 numac 2013012107 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 november 2012, gesloten in het Paritair Comité voor de bewakings- en/of toezichtsdiensten, betreffende de overname van personeel ingevolge de overgang van een commercieel contract sluiten3;2° de vorming voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 33 van het koninklijk besluit van 19 maart 2013Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 16/04/2013 numac 2013024124 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 27/03/2013 numac 2013201636 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 03/10/2014 numac 2014022494 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen. - Addendum type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 03/04/2013 numac 2013012107 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 november 2012, gesloten in het Paritair Comité voor de bewakings- en/of toezichtsdiensten, betreffende de overname van personeel ingevolge de overgang van een commercieel contract sluiten;3° de vorming wordt georganiseerd voor een van de volgende thema's:
- a)landbouw - gangbare productie;
- b)landbouw - biologische productie;4° de vorming omvat de volgende inhoudelijke onderdelen, die elk minstens voor tien lesuren worden onderricht:
- a)alle relevante wetgeving;
- b)gewasbescherming;
- c)gewasbeschermingsmiddelen;
- d)correct gebruik van gewasbeschermingsmiddelen;
- e)risico's van gewasbeschermingsmiddelen;
- f)toegepaste gewasbescherming;5° de vorming wordt gegeven door een lesgever die in het bezit is van een fytolicentie P3, of door een lesgever in een instelling voor basisonderwijs, secundair onderwijs, hoger onderwijs, volwassenenonderwijs of deeltijds kunstonderwijs die door de Vlaamse Gemeenschap is erkend, gefinancierd of gesubsidieerd, of in centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, wat de leertijd betreft. Een opleiding voor een combinatie van de thema's, vermeld in het eerste lid, 3°, is niet toegestaan. Bij de aankondiging wordt duidelijk opgenomen op welk thema de vorming zich richt. De bevoegde entiteit kan een afwijking toestaan van de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 5°, voor onderwerpen die niet gelinkt zijn aan de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. In het voormelde geval bezorgt het algemeen vormingscentrum een motivering aan de bevoegde entiteit en beslist de bevoegde entiteit over het toestaan van de afwijking. De voormelde onderwerpen kunnen worden gegeven worden door experten in het thema in kwestie. De deelnemer aan een basisopleiding fytolicentie P2 als vermeld in artikel 35, 4°, is ten minste 75% van de lesuren aanwezig om als geldige deelnemer te worden beschouwd. De voormelde deelnemer slaagt voor een cursustest. De minister kan de voorwaarden, de modaliteiten en het minimumaantal deelnemers nader bepalen waaraan de voormelde basisopleidingen fytolicentie P2 moeten voldoen. De geslaagde deelnemers aan de voormelde basisopleidingen fytolicentie P2 die zijn gevalideerd, worden doorgegeven aan de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu op voorwaarde dat ze geldige deelnemers zijn, zoals vermeld in het vierde lid. Onderafdeling 6. - Aanvullende opleidingen over de fytolicentie Art. 48.De aanvullende opleidingen over de fytolicentie, vermeld in artikel 35, 5°, van dit besluit, die aan al de volgende voorwaarden voldoen, komen in aanmerking voor de subsidiëring, vermeld in artikel 33 van dit besluit: 1° de vorming voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 38 van het koninklijk besluit van 19 maart 2013Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 16/04/2013 numac 2013024124 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 27/03/2013 numac 2013201636 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 03/10/2014 numac 2014022494 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen. - Addendum type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 03/04/2013 numac 2013012107 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 november 2012, gesloten in het Paritair Comité voor de bewakings- en/of toezichtsdiensten, betreffende de overname van personeel ingevolge de overgang van een commercieel contract sluiten;2° minimaal twee uur van het dagdeel gaat over de onderwerpen, vermeld in bijlage 3 bij het koninklijk besluit van 19 maart 2013Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 16/04/2013 numac 2013024124 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 27/03/2013 numac 2013201636 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 03/10/2014 numac 2014022494 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen. - Addendum type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 03/04/2013 numac 2013012107 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 november 2012, gesloten in het Paritair Comité voor de bewakings- en/of toezichtsdiensten, betreffende de overname van personeel ingevolge de overgang van een commercieel contract sluiten;3° gedurende minimaal 45 minuten van de vorming wordt een toelichting gegeven door een lesgever die geen werknemer of zaakvoerder is van een onderneming die gewasbeschermingsmiddelen verkoopt. De minister kan de volgende elementen bepalen: 1° specifieke onderwerpen die opgenomen moeten worden in de opleiding;2° doelgroepen waarvoor de opleidingen georganiseerd worden;3° het minimumaantal deelnemers;4° de nadere voorwaarden en modaliteiten. De minister beslist of de opleidingen gevalideerd worden als aanvullende opleiding over de fytolicentie als vermeld in artikel 35, 5°. De deelnemerslijsten van de aanvullende opleidingen over de fytolicentie, vermeld in artikel 35, 5°, die de bevoegde entiteit heeft gevalideerd, worden doorgegeven aan de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. Onderafdeling 7. - Bijscholingen Art. 49.Bijscholingen als vermeld in artikel 35, 6°, van dit besluit, die aan al de volgende voorwaarden voldoen, komen in aanmerking voor de subsidiëring, vermeld in artikel 33 van dit besluit: 1° ze worden aangevraagd door een algemeen vormingscentrum of een vormingscentrum voor bijenteelt;2° ze duren minstens een dagdeel, met uitzondering van bijscholingen op afstand die minstens één uur moeten duren;3° door het thema van de bijscholing dragen ze bij tot een of meer van de doelstellingen, vermeld in artikel 6, lid 1 en lid 2, van verordening (EU) 2021/2115. De minister kan de voorwaarden, de modaliteiten en het minimumaantal deelnemers nader bepalen waaraan de bijscholingen moeten voldoen. Onderafdeling 8. - Vormingsprojecten Art. 50.Vormingsprojecten als vermeld in artikel 35, 7°, van dit besluit, die aan al de volgende voorwaarden voldoen, komen in aanmerking voor de subsidiëring, vermeld in artikel 33 van dit besluit: 1° ze hebben een van de volgende doelen:
- a)een vormingsaanbod op maat ontwikkelen of aanpassen dat zich richt op een specifiek thema of een specifieke doelgroep;
- b)vernieuwende, innovatieve vormingstypes of leervormen opzetten;2° ze worden aangevraagd door een algemeen vormingscentrum of een vormingscentrum voor bijenteelt;3° ze dragen bij tot een of meer van de doelstellingen, vermeld in artikel 6, lid 1 en lid 2, van verordening (EU) 2021/2115;4° uiterlijk drie maanden na afloop van het vormingsproject dient het algemeen vormingscentrum of vormingscentrum voor bijenteelt een financieel en een functioneel verslag in. De minister kan de voorwaarden en de modaliteiten nader bepalen waaraan de vormingsprojecten moeten voldoen. Onderafdeling 9. - Lerende netwerken Art. 51.Een lerend netwerk als vermeld in artikel 35, 8°, van dit besluit, dat voldoet aan al de volgende voorwaarden, komt in aanmerking voor de subsidiëring, vermeld in artikel 33 van dit besluit: 1° het wordt aangevraagd door een algemeen vormingscentrum;2° het wordt opgericht voor de duur van een jaar;3° het komt minstens vier keer per jaar minstens een dagdeel samen;4° er worden onder begeleiding van een lesgever of adviseur kennis en ervaringen gedeeld en inzichten uitgewisseld over de bedrijfsvoering of specifieke vragen rond de doelstellingen, vermeld in artikel 6, lid 1 en lid 2, van verordening (EU) 2021/2115;5° het lerend netwerk dient een functioneel verslag in op het einde van het werkingsjaar. De minister kan de voorwaarden, de modaliteiten en het minimumaantal deelnemers nader bepalen waaraan de lerende netwerken moeten voldoen. Afdeling 5. - Procedure Art. 52.De minister kan jaarlijks een of meer oproepen lanceren voor de subsidiëring van een vormingsplan. De minister kan bij elke oproep, vermeld in het eerste lid, het volgende bepalen: 1° de inhoud van het vormingsplan en de wijze waarop het ingediend moet worden;2° voor welke beleidsthema's en doelgroepen vormingen georganiseerd en uitgevoerd kunnen worden, en welke vormingstypes daarvoor in aanmerking komen;3° het beschikbare budget per vormingstype of per thema;4° de projectperiode;5° de datum waarop het vormingsplan uiterlijk ingediend moet worden;6° de wijze waarop de steunaanvragen ingediend worden;7° de ontvankelijkheidscriteria waaraan steunaanvragen getoetst worden. De bevoegde entiteit maakt de oproep, vermeld in het eerste lid, bekend. De bevoegde entiteit stelt een sjabloon ter beschikking om het vormingsplan in te dienen. Er wordt in een apart budget voorzien voor vormingsplannen voor de bijenteelt. Algemene vormingscentra kunnen een vormingsplan indienen. Vormingscentra voor bijenteelt kunnen alleen een vormingsplan indienen voor de bijenteelt. Elk vormingscentrum kan maar één vormingsplan per oproep indienen. In afwijking van het vijfde lid kunnen in het jaar 2023 niet-geregistreerde algemene vormingscentra en niet-geregistreerde vormingscentra voor bijenteelt toch een vormingsplan indienen, op voorwaarde dat de registratie conform artikel 97 en 98 voltooid is op de datum van het toekenningsbesluit vermeld in artikel 54. De bevoegde entiteit onderzoekt of de vormingsplannen, vermeld in het eerste lid, ontvankelijk zijn conform de ontvankelijkheidscriteria, vermeld in tweede lid, 7°, en stelt een lijst op met alle ontvankelijke vormingsplannen. Art. 53.De vormingsplannen, vermeld in artikel 52, die conform artikel 52, zevende lid, ontvankelijk zijn, worden beoordeeld door een beoordelingscommissie die de bevoegde entiteit samenstelt en die minstens bestaat uit drie personeelsleden van de bevoegde entiteit. De beoordelingscommissie beoordeelt de vormingsplannen, vermeld in artikel 52, die conform artikel 52, zevende lid, ontvankelijk zijn, aan de hand van een evaluatierooster, dat de bevoegde entiteit ter beschikking stelt. De beoordelingscommissie beoordeelt de voorstellen voor starterscursussen als vermeld in artikel 35, 1°, en voor de stages, vermeld in artikel 35, 2°, op basis van de volgende mogelijke selectiecriteria: 1° kwaliteit van het vormingsplan en de begroting: dat is de mate waarin het plan inhoudelijk goed opgebouwd, realistisch en haalbaar is, waarbij de kosten efficiënt worden ingezet en realistisch zijn ingeschat;2° samenwerking: dat is de mate waarin de nodige partners, lesgevers, andere geregistreerde vormingscentra en andere actoren betrokken worden voor een degelijke en efficiënte organisatie en uitvoering van de vormingen;3° trackrecord van de uitvoering van eerdere vormingsplannen, dat is:
- a)de mate waarin het benutte budget in verhouding staat tot de budgetten die zijn aangevraagd bij de indiening van de jaarprogramma's;
- b)de mate waarin het benutte budget in verhouding staat tot de budgetten die zijn toegekend;
- c)de mate waarin de deelnemers aan starterscursussen en stages deelnemen aan de installatieproef;
- d)de mate waarin de geslaagden voor de installatieproeven actieve landbouwers worden;
- e)de mate waarin een hoog gemiddeld aantal deelnemers is bereikt per vorming;
- f)de mate waarin inbreuken op de regelgeving zijn vastgesteld;
- g)de mate waarin de uitvoering van het vormingsplan voldeed aan de bepalingen in de oproep. De beoordelingscommissie beoordeelt de voorstellen voor opleidingen als vermeld in artikel 35, 3°, voor de basisopleidingen fytolicentie P2 voor landbouwers, vermeld in artikel 35, 4°, voor de aanvullende opleidingen voor de fytolicentie, vermeld in artikel 35, 5°, en voor de bijscholingen, vermeld in artikel 35, 6°, op basis van de volgende mogelijke selectiecriteria: 1° relevantie: dat is de mate waarin het vormingsplan bijdraagt tot de realisatie van de thema's die in de oproep zijn opgelegd;2° bereik: dat is de mate waarin de vorming een groot aantal deelnemers kan bereiken;3° kwaliteit van het vormingsplan en de begroting: dat is de mate waarin het plan inhoudelijk goed opgebouwd, realistisch en haalbaar is, waarbij de kosten efficiënt worden ingezet en realistisch zijn ingeschat;4° vernieuwend karakter: dat is de mate waarin de vormingen inhoudelijk en vormelijk nieuw zijn voor de landbouwbedrijven en voor de landbouwsector;5° samenwerking: dat is de mate waarin de nodige partners, lesgevers, andere geregistreerde vormingscentra en andere actoren betrokken worden voor een degelijke en efficiënte organisatie en uitvoering van de vormingen;6° trackrecord van de uitvoering van eerdere vormingsplannen, dat is:
- a)de mate waarin het benutte budget in verhouding staat tot de budgetten die zijn aangevraagd bij de indiening van de jaarprogramma's;
- b)de mate waarin het benutte budget in verhouding staat tot de budgetten die zijn toegekend;
- c)de mate waarin een hoog gemiddeld aantal deelnemers is bereikt per vorming;
- d)de mate waarin inbreuken op de regelgeving zijn vastgesteld;
- e)de mate waarin de uitvoering van het vormingsplan voldeed aan de bepalingen in de oproep. De beoordelingscommissie beoordeelt de voorstellen voor vormingsprojecten als vermeld in artikel 35, 7°, op basis van de volgende mogelijke selectiecriteria: 1° relevantie: dat is de mate waarin het vormingsproject bijdraagt tot de realisatie van de thema's die in de oproep zijn opgelegd;2° kwaliteit van het vormingsproject: dat is de mate waarin het plan van aanpak goed opgebouwd, realistisch en haalbaar is;3° vernieuwend karakter: dat is de mate waarin het vormingsproject vernieuwend is voor de landbouwbedrijven en voor de landbouwsector;4° bereik: dat is de mate waarin het vormingsproject een groot aantal deelnemers kan bereiken en waarin het vormingsproject impact heeft op de competentieverhoging van de doelgroepen en op de bedrijfsvoering in de landbouw;5° de redelijkheid van de kosten: dat is de verhouding tussen de kostprijs en het resultaat;6° samenwerking: dat is de mate waarin de nodige partners, lesgevers, andere geregistreerde vormingscentra en andere actoren betrokken worden voor de uitvoering van het vormingsproject. De beoordelingscommissie beoordeelt de voorstellen voor lerende netwerken als vermeld in artikel 35, 8°, op basis van de volgende mogelijke selectiecriteria: 1° relevantie: dat is de mate waarin het lerend netwerk bijdraagt tot de realisatie van de thema's die in de oproep zijn opgelegd;2° bereik: dat is de mate waarin de resultaten van het lerend netwerk opschaalbaar zijn naar een ruimere doelgroep in Vlaanderen;3° kwaliteit van het lerend netwerk: dat is de mate waarin het lerend netwerk goed is samengesteld en het plan van aanpak goed opgebouwd, realistisch en haalbaar is;4° vernieuwend karakter: dat is de mate waarin het thema van het lerend netwerk inhoudelijk nieuw is voor de betrokken landbouwbedrijven en voor de landbouwsector. De minister bepaalt de wegingsfactoren voor de verschillende selectiecriteria, vermeld in het derde tot en met het zesde lid. De beoordelingscommissie rangschikt per vormingstype en, als dat relevant is, per thema de vormingsplannen, vermeld in artikel 52, die conform artikel 52, zevende lid, ontvankelijk zijn, op basis van de behaalde score op de selectiecriteria. De minister kan de selectiecriteria in de oproep nader bepalen. De bevoegde entiteit maakt het verslag van de beoordeling en bezorgt het aan de minister. Voor ieder beoordeeld vormingsplan geeft de bevoegde entiteit een beknopte motivatie op basis van de selectiecriteria, vermeld in het derde tot en met het zesde lid. Art. 54.De minister beslist over de toekenning van de subsidies, vermeld in artikel 33, voor de uitvoering van de vormingsplannen per vormingstype, beleidsthema en doelgroep, rekening houdend met: 1° de beschikbare begrotingskredieten;2° de selectiecriteria, vermeld in artikel 53, derde tot en met het zesde lid;3° het verslag van de bevoegde entiteit, vermeld in artikel 53, negende lid. Alleen vormingsplannen die de minimumscore behalen die de minister bij de oproep vaststelt, komen in aanmerking voor steun. In het toekenningsbesluit, vermeld in het eerste lid, kan de minister binnen de grenzen van de bepalingen van dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan de volgende elementen bepalen: 1° de vormingstypes, beleidsthema's en doelgroepen waarvoor de subsidie, vermeld in artikel 33, wordt toegekend;2° de kosten die al dan niet in rekening kunnen worden gebracht bij de verantwoording van de subsidie, en specifieke voorwaarden voor de uitvoering van de vormingsprojecten. Art. 55.Nadat de minister conform artikel 54 heeft beslist welke vormingen uit het vormingsplan in aanmerking komen voor subsidiëring, melden de algemene vormingscentra en de vormingscentra voor bijenteelt de goedgekeurde vormingsactiviteiten via het e-loket voor de aanvang ervan. De minister bepaalt: 1° de wijze waarop en de termijn waarin de goedgekeurde vormingen via een vormingsprogramma meegedeeld moeten worden;2° de gegevens die de melding moet bevatten. Art. 56.Het algemeen vormingscentrum en het vormingscentrum voor bijenteelt dienen na afloop van de vorming via een vormingsprogramma een betalingsaanvraag in bij de bevoegde entiteit via het e-loket. De minister bepaalt de volgende elementen voor de voormelde betalingsaanvraag: 1° de inhoud van de betalingsaanvraag;2° de stukken die toegevoegd moeten worden;3° de termijn waarin de betalingsaanvraag ingediend moet worden. Afdeling 6. - Subsidiebedrag Art. 57.De subsidies voor vormingen via een vormingsprogramma worden per tijdseenheid vorming, afhankelijk van het vormingstype, vermeld in artikel 35, toegekend als volgt: 1° starterscursussen, opleidingen, basisopleidingen betreffende de fytolicentie P2 voor landbouwers, aanvullende opleidingen betreffende de fytolicentie en bijscholingen, vermeld in artikel 35, 1°, 3°, 4°, 5° en 6°, per halfuur of per uur vorming en/of per dagdeel;2° stages, vermeld in artikel 35, 2° per stage, stage-uur of per stagedag;3° lerende netwerken, vermeld in artikel 35, 8° per lerend netwerk. Een dagdeel als vermeld in het eerste lid, bestaat uit minimaal twee en maximaal vier aaneensluitende lesuren. Een dagdeel als vermeld in het eerste lid, kan plaatsvinden binnen de volgende tijdsblokken: 1° in de voormiddag: tussen 8 en 13 uur;2° in de namiddag: tussen 13 en 18 uur;3° in de avond: tussen 18 en 22 uur. Tussen twee dagdelen op dezelfde dag wordt er een pauze van minimaal één uur gehouden. De subsidies, vermeld in het eerste lid, bestaan uit een vergoeding aan de lesgever of lesgevers en een forfaitaire werkingssubsidie voor de algemene vormingscentra en de vormingscentra voor bijenteelt. Art. 58.De minister bepaalt het bedrag van de subsidie, vermeld in artikel 33, dat is bedoeld voor de vergoeding aan de lesgevers, vermeld in artikel 57, vierde lid. De subsidie voor de vergoeding aan de lesgevers, vermeld in artikel 57, vierde lid, wordt aan de algemene vormingscentra en de vormingscentra voor bijenteelt uitbetaald. De voormelde vormingscentra zorgen voor de regelmatige en tijdige betaling van de ontvangen vergoedingen aan de lesgevers. De minister kan de periode waarbinnen de ontvangen vergoedingen aan de lesgevers worden uitbetaald, bepalen. De minister kan bepalen in welke gevallen er geen vergoeding aan de lesgevers, vermeld in artikel 57, vierde lid, kan toegekend worden. Art. 59.De forfaitaire werkingssubsidie, vermeld in artikel 57, vierde lid, kan door de algemene vormingscentra en de vormingscentra voor bijenteelt aangevraagd worden per afgeronde vorming. De forfaitaire werkingssubsidie, vermeld in het eerste lid, is bestemd voor: 1° de administratieve kosten voor de organisatie van de vorming;2° de huur van lokalen;3° het onderschrijven van de nodige aansprakelijkheidsverzekeringen;4° in geval van een stage, een vergoeding voor het stagebedrijf. De minister bepaalt: 1° het bedrag van de subsidie, vermeld in artikel 33, dat is bedoeld voor de forfaitaire werkingssubsidie voor de algemene vormingscentra en de vormingscentra voor bijenteelt;2° het maximumaantal forfaitaire werkingssubsidies die per dag kunnen worden aangevraagd voor dezelfde vorming. De minister kan een minimumbedrag bestemd voor de vergoeding voor het stagebedrijf, vermeld in het tweede lid, 4°, bepalen. Art. 60.De bedragen van de subsidies, vermeld in artikel 33, die de minister conform artikel 58 en 59 bepaalt, worden jaarlijks aangepast op basis van het indexcijfer van de consumptieprijzen van 1 november. Art. 61.Bij de vormingsprojecten, vermeld in artikel 35, 7°, komen de volgende kosten in aanmerking voor subsidiëring: 1° personeelskosten van personeel dat betrokken is bij de uitvoering van het vormingsproject;2° overheadkosten voor maximaal 15% van de aanvaarde personeelskosten;3° werkingskosten;4° kosten voor externe prestaties. Afdeling 7. - Specifieke verplichtingen van algemene vormingscentra, vormingscentra voor bijenteelt, lesgevers, stagebegeleiders en stagebedrijven Art. 62.Het algemeen vormingscentrum en het vormingscentrum voor bijenteelt registreren bij elke vorming via een vormingsprogramma de aanwezigheid van de deelnemers. De minister bepaalt de modaliteiten van de registratie van deelnemers. Art. 63.Het algemeen vormingscentrum en het vormingscentrum voor bijenteelt treffen alle technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen die nodig zijn om persoonsgegevens te beveiligen. De minister kan de maatregelen, vermeld in het eerste lid, nader bepalen. Art. 64.Het algemeen vormingscentrum of het vormingscentrum voor bijenteelt registreert de lesgever bij de bevoegde entiteit. De lesgever bezit kennis over of ervaring in de materie waarover hij lesgeeft. Na goedkeuring wordt er aan de lesgever een lesgeversnummer toegekend. Een lesgever die binnen het kader van dit besluit gedurende drie opeenvolgende jaren niet lesgegeven heeft, wordt ambtshalve geschrapt. De minister kan de voorwaarden en regels voor de registratie van lesgevers nader bepalen. De minister kan bepalen welke categorieën van personen niet als lesgever kunnen worden geregistreerd. Art. 65.Het algemeen vormingscentrum oefent de volgende taken uit bij een stage als vermeld in artikel 35, 2° : 1° samen met het voorstel van vormingsplan een lijst van vaste stagebedrijven in verschillende sectoren indienen waarop tijdens het werkingsjaar een beroep gedaan zal worden;2° een stagebedrijf toewijzen aan de stagiair;3° de wettelijke voorschriften voor de verzekeringen van de stagiair en de verplichtingen inzake sociale zekerheid naleven;4° zorgen voor een adequate opvang en begeleiding van de stagiair, en daarvoor een stagebegeleider aanstellen;5° een stageovereenkomst met het stagebedrijf opmaken, uiterlijk op het moment van de aanvang van de stage, vermeld in artikel 35, 2° ;6° een logboek van de stage, vermeld in artikel 35, 2°, opmaken. In uitzonderlijke gevallen kan het algemeen vormingscentrum in de loop van het jaar aan de bevoegde entiteit verzoeken om een stagebedrijf te laten toevoegen op de lijst van vaste stagebedrijven, vermeld in het eerste lid, 1°, op voorwaarde dat het algemeen vormingscentrum die toevoeging voldoende motiveert. De bevoegde entiteit beslist daarover en maakt die beslissing bekend aan het algemeen vormingscentrum. De minister bepaalt de gegevens die in de lijst van vaste stagebedrijven, vermeld in het eerste lid, 1°, in de stageovereenkomst, vermeld in het eerste lid, 5°, en in het logboek van de stage, vermeld in het eerste lid, 6°, opgenomen moeten worden. Het algemeen vormingscentrum is ervoor verantwoordelijk dat het stagebedrijf de voorwaarden en de engagementen, vermeld in artikel 67, naleeft. Art. 66.De stagebegeleider, vermeld in artikel 43, eerste lid, 3°, voldoet aan de volgende voorwaarden: 1° als lesgever geregistreerd zijn bij de bevoegde entiteit;2° competent zijn in de materie van de stage;3° aan de stagiair minstens tien uren per stageperiode besteden, waarvan vier uren op het stagebedrijf;4° een evaluatieverslag van de stage, vermeld in artikel 35, 2°, opmaken;5° als het stagebedrijf een actieve landbouwer is, de bedrijfseconomische resultaten en de technische kengetallen van het stagebedrijf bespreken met de stagiair. De minister kan de voorwaarden voor de stagebegeleider nader bepalen. Art. 67.Een actieve landbouwer die of een praktijkcentrum dat aan de volgende voorwaarden voldoet, komt in aanmerking als stagebedrijf als vermeld in artikel 43, eerste lid, 4°, van dit besluit: 1° de actieve landbouwer heeft op basis van de controleresultaten van de recentst beschikbare campagne geen ernstige inbreuken begaan op de conditionaliteit, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 29/05/2001 pub. 08/06/2001 numac 2001003263 bron ministerie van financien Ministerieel besluit tot goedkeuring van de marktregels van Euronext Brussels [en tot opheffing van het ministerieel besluit van 16 april 1996 tot goedkeuring van het marktreglement van de Beurs van Brussel] type ministerieel besluit prom. 29/05/2001 pub. 31/05/2001 numac 2001022350 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Ministerieel besluit tot wijziging van de lijst gevoegd bij het koninklijk besluit van 2 september 1980 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering tegemoetkomt in de kosten van de farmaceutische specialiteiten en daarmee gelijkgestelde producten sluiten1 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;2° het praktijkcentrum is een praktijkcentrum als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 februari 2021Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 29/05/2001 pub. 08/06/2001 numac 2001003263 bron ministerie van financien Ministerieel besluit tot goedkeuring van de marktregels van Euronext Brussels [en tot opheffing van het ministerieel besluit van 16 april 1996 tot goedkeuring van het marktreglement van de Beurs van Brussel] type ministerieel besluit prom. 29/05/2001 pub. 31/05/2001 numac 2001022350 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Ministerieel besluit tot wijziging van de lijst gevoegd bij het koninklijk besluit van 2 september 1980 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering tegemoetkomt in de kosten van de farmaceutische specialiteiten en daarmee gelijkgestelde producten sluiten0 tot subsidiëring van praktijkcentra die actief zijn in het onderzoek, de voorlichting en de ontwikkeling van de plantaardige productie, gedurende maximaal een stageperiode per deelnemer. De bedrijfsleider van het stagebedrijf maakt een evaluatieverslag op van de stage, vermeld in artikel 35, 2°. Het stagebedrijf neemt in het kader van de uitvoering van de stage, vermeld in artikel 35, 2°, de volgende engagementen op: 1° het stagebedrijf biedt een veilige werkplaats met een infrastructuur die up-to-date is;2° het stagebedrijf maakt voldoende tijd, ruimte en middelen vrij voor het goede verloop van de stage;3° het stagebedrijf laat de stagiair uitgebreid kennismaken met het vakgebied, zodat de stagiair de kans krijgt om bij te leren en kennis en vaardigheden op te doen;4° het stagebedrijf betrekt de stagiair bij de landbouwactiviteiten en laat de stagiair zelf opdrachten uitvoeren die zo goed mogelijk aansluiten bij de inhoud van de starterscursussen;5° de tijd die de stagiair doorbrengt op het stagebedrijf is gevuld met leerzame activiteiten in het perspectief van het toekomstige bedrijfsleven, met maar in beperkte mate ruimte voor routinematige activiteiten;6° het stagebedrijf geeft goede en eerlijke feedback over de competenties van de stagiair, zodat de stagiair zijn kwaliteiten en aandachtspunten kan ontdekken.De voormelde feedback maakt deel uit van het evaluatieverslag, vermeld in het tweede lid; 7° het stagebedrijf bespreekt zijn bedrijfseconomische resultaten en technische kengetallen met de stagiair. De minister kan de voorwaarden voor en de engagementen van een stagebedrijf, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, nader bepalen. Art. 68.Wijzigingen van gemelde vormingsactiviteiten zijn alleen toegestaan als ze op voorhand of onmiddellijk als ze zich voordoen, via het e-loket meegedeeld worden, als ze degelijk gemotiveerd worden en de organisatie van controles niet bemoeilijken. Als door onvoorziene omstandigheden een activiteit verplaatst wordt, worden de nodige aanwijzingen aangebracht om het de controleur van de bevoegde entiteit mogelijk te maken de nieuwe locatie te vinden. Tijdens elke vormingsactiviteit moet een algemene verantwoordelijke ter plaatse zijn of telefonisch te bereiken zijn. Art. 69.Voor de vormingen via een vormingsprogramma worden lokalen gebruikt die geschikt zijn voor de uitvoering van de activiteiten. Het algemeen vormingscentrum of het vormingscentrum voor bijenteelt dekt zijn burgerlijke aansprakelijkheid met een verzekering. HOOFDSTUK 4. - Installatieproeven en fytolicentieproeven Afdeling 1. - Installatieproeven Art. 70.De bevoegde entiteit organiseert installatieproeven die bestaan uit een schriftelijke en een mondelinge cursustest, om de noodzakelijke vakbekwaamheid te toetsen. De bevoegde entiteit stelt een huishoudelijk reglement op over de praktische organisatie van de schriftelijke cursustest. De mondelinge cursustest, vermeld in het eerste lid, worden voor al de kandidaten van de verschillende vormingscentra samen georganiseerd, in aanwezigheid van een jury en maximaal één vertegenwoordiger per algemeen vormingscentrum als waarnemer. De voormelde vertegenwoordiger is geregistreerd als lesgever bij de bevoegde entiteit. De jury, vermeld in het derde lid, is samengesteld uit minimaal twee personeelsleden van de bevoegde entiteit, waaronder een voorzitter. De bevoegde entiteit kan bij de samenstelling van de jury, vermeld in het derde lid, een beroep doen op experten naargelang van de behoefte aan expertise in bepaalde thema's. De minister bepaalt de nadere toelatingsvoorwaarden voor het examen en kan een examenreglement opstellen. Art. 71.De minister kan bepalen voor welke diploma's een vrijstelling van de toelatingsvoorwaarden bij de installatieproeven verleend kan worden voor bepaalde modules van een starterscursus type A en type B als vermeld in artikel 35, 1°,
- a)en b). Afdeling 2. - Fytolicentieproeven Art. 72.De bevoegde entiteit organiseert fytolicentieproeven om de basisopleidingen fytolicentie P1, P2 en P3 af te sluiten. Art. 73.De fytolicentieproeven, vermeld in artikel 72, bestaan uit een schriftelijke cursustest, waarvan de vragen opgesteld worden door de bevoegde entiteit. De bevoegde entiteit stelt een huishoudelijk reglement op over de praktische organisatie van de schriftelijke cursustest. De minister kan bepalen voor welke basisopleidingen fytolicentie er een bijkomende mondelinge test georganiseerd moet worden, en legt de praktische organisatie van die mondelinge test vast. Art. 74.De deelnemers aan de fytolicentieproeven, vermeld in artikel 72, hebben voorafgaand een basisopleiding fytolicentie gevolgd. De minister kan bepalen in welke gevallen een vrijstelling verleend kan worden van de voorwaarde, vermeld in het eerste lid. HOOFDSTUK 5. - Subsidiëring van een waarnemings- en waarschuwingsdienst Afdeling 1. -
Art. 75
.Binnen de grenzen van de begrotingskredieten die daarvoor bestemd zijn, kan de minister, volgens de bepalingen die zijn vastgesteld in dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan, een subsidie verlenen om een waarnemings- en waarschuwingsdienst te organiseren en uit te voeren. Afdeling 2. - Waarnemings- en waarschuwingsdienst die in aanmerking komt voor een subsidie Art. 76.Een waarnemings- en waarschuwingsdienst komt in aanmerking voor een subsidie als vermeld in artikel 75 van dit besluit, als hij voldoet aan al de volgende voorwaarden: 1° de waarnemings- en waarschuwingsdienst draagt bij tot een of meer van de doelstellingen, vermeld in artikel 6, lid 1, a), e),
- f)en i), van verordening (EU) 2021/2115;2° de waarnemings- en waarschuwingsdienst verwittigt op basis van veldwaarnemingen en modellen op welk tijdstip een ziekte of plaag in een bepaalde teelt kan optreden, op welke wijze die waargenomen kan worden, en wat mogelijke geïntegreerde bestrijdingsmethoden zijn;3° de waarnemings- en waarschuwingsdienst is toegankelijk voor alle professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen en andere actoren die interesse hebben in de waarnemings- en waarschuwingsdienst of die de waarnemings- en waarschuwingsdienst willen gebruiken;4° lidmaatschap van de kennisinstelling voor waarnemings- en waarschuwingssystemen of van een andere organisatie kan geen voorwaarde zijn om toegang tot de waarnemings- en waarschuwingsdienst te krijgen.Eventuele bijdragen van niet-leden in de kosten van de betrokken kennisinstelling zijn beperkt tot de kosten van de waarnemings- en waarschuwingsdienst; 5° de waarnemings- en waarschuwingsdienst bestrijkt de teelten of teeltgroepen en ziekten en plagen, vermeld in de oproep, vermeld in artikel 79 van dit besluit;6° de waarnemings- en waarschuwingsdienst komt de duurzame landbouw in het Vlaamse Gewest ten goede. Afdeling 3. - Subsidiebedrag Art. 77.De subsidie, vermeld in artikel 75, bedraagt maximaal 60% van de totale aanvaarde kosten. De maximale subsidie voor een waarnemings- en waarschuwingsdienst wordt in de oproep, vermeld in artikel 79, bepaald. Art. 78.De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie, vermeld in artikel 75: 1° personeelskosten;2° overheadkosten voor maximaal 15% van de aanvaarde personeelskosten;3° werkingskosten;4° investeringskosten als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
- a)het gaat om de volgende investeringen: 1) investeringen in onroerende goederen;2) investeringen in installaties, machines en uitrusting;3) investeringen in software en sturingsprogramma's;
- b)het gaat om investeringen om het project efficiënter uit te voeren;
- c)de investering wordt gerealiseerd in het Vlaamse Gewest;
- d)er is een omgevingsvergunning verleend als de investering dat vereist;
- e)tot vijf jaar nadat de subsidie, vermeld in artikel 75, is uitbetaald, blijft het goed verbonden aan het bedrijf dat de voormelde subsidie heeft verkregen, of aan de overnemer van dat bedrijf.Het goed wordt niet doorverkocht en blijft in gebruik; 5° kosten voor externe prestaties. De belasting over de toegevoegde waarde komt niet in aanmerking voor subsidiëring, behalve als ze niet terugvorderbaar is. De minister kan per oproep, vermeld in artikel 79, afwijken van het percentage, vermeld in het eerste lid, 2°. De volgende investeringen komen niet voor de subsidie, vermeld in artikel 75 van dit besluit, in aanmerking: 1° de investeringskosten, vermeld in artikel 73, lid 3, van verordening (EU) 2021/2115;2° de aankoop van grond. De subsidie, vermeld in artikel 75, wordt herrekend en in verhouding teruggevorderd voor de periode waarin de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 4°, e), niet meer vervuld zijn, vanaf de eerste dag die volgt op de uitbetaling van de voormelde subsidie. De voormelde voorwaarden zijn minstens één jaar vervuld nadat de voormelde subsidie is uitbetaald. Afdeling 4. - De indiening van een steunaanvraag Art. 79.De minister kan een oproep lanceren voor de subsidiëring van een waarnemings- en waarschuwingsdienst. Naast de elementen, vermeld in 77, tweede lid, artikel 78, derde lid, artikel 82, derde lid, artikel 84, zesde lid, en artikel 91, tweede lid, kan de minister bij elke oproep de volgende elementen bepalen: 1° voor welke teelten of teelgroepen en welke ziekten en plagen er een waarnemings- en waarschuwingsdienst georganiseerd en uitgevoerd moet worden;2° de projectperiode;3° de termijn waarin en de wijze waarop de steunaanvragen ingediend worden;4° de ontvankelijkheidscriteria waaraan steunaanvragen getoetst worden. De bevoegde entiteit maakt de oproep bekend. Art. 80.De kennisinstellingen voor waarnemings- en waarschuwingssystemen die in aanmerking willen komen voor de subsidie, vermeld in artikel 75, vormen een partnerschap en maken een gezamenlijke steunaanvraag op. De kennisinstellingen voor waarnemings- en waarschuwingssystemen kunnen samenwerken met andere partners om de waarnemings- en waarschuwingsdienst te organiseren en uit te voeren. De voormelde partners hoeven geen kennisinstellingen voor waarnemings- en waarschuwingssystemen te zijn. De samenwerking tussen de kennisinstellingen voor waarnemings- en waarschuwingssystemen en, in voorkomend geval, andere partners, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt geformaliseerd met een samenwerkingsovereenkomst tussen alle partners. De promotor bezorgt de samenwerkingsovereenkomst, vermeld in het derde lid, samen met de steunaanvraag aan de bevoegde entiteit. Art. 81.Uitsluitend kennisinstellingen voor waarnemings- en waarschuwingssystemen die geregistreerd zijn conform hoofdstuk 6, kunnen een steunaanvraag als vermeld in artikel 80, eerste lid, indienen. De promotor is de eindverantwoordelijke voor de uitvoering van het hele project en is het aanspreekpunt voor de subsidiërende overheid. Conform artikel 73 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019 kan de promotor hoofdelijk en onverdeeld aansprakelijk worden gesteld bij alle betwistingen over of terugvorderingen van de toegekende subsidie. Art. 82.De gezamenlijke steunaanvraag, vermeld in artikel 80, eerste lid, bevat al de volgende elementen: 1° de volgende gegevens van de promotor:
- a)de naam, het adres, de rechtsvorm, het telefoonnummer, het e-mailadres en het rekeningnummer;
- b)het btw-statuut en het btw-nummer;
- c)de naam, de functie, het telefoonnummer en het e-mailadres van een contactpersoon;
- d)de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres van de budgettair verantwoordelijke en van de verantwoordelijke voor de praktische uitvoering van het project;2° de volgende gegevens van elke partner:
- a)de naam en het adres;
- b)het btw-statuut en het btw-nummer;
- c)de naam, de functie, het telefoonnummer en het e-mailadres van een contactpersoon;3° de situering en de doelstellingen;4° het doelpubliek en het bereik;5° een werkplan;6° de verwachte resultaten;7° een kostenopgave;8° de samenstelling van de stuur- en projectgroep, vermeld in artikel 86. Bij de gezamenlijke steunaanvraag, vermeld in artikel 80, eerste lid, verbindt de promotor zich ertoe: 1° de waarnemings- en waarschuwingsdienst, zoals omschreven in de steunaanvraag, uit te voeren en wijzigingen die betrekking hebben op de gegevens van die steunaanvraag, aan de bevoegde entiteit ter goedkeuring voor te leggen;2° een aparte projectboekhouding en administratie te voeren tijdens de looptijd van het project en op verzoek van de bevoegde entiteit alle inlichtingen te verstrekken;3° tijdens en na afloop van het project de nodige schikkingen te treffen om controle en toezicht op de uitvoering van het project mogelijk te maken;4° op eenvoudig verzoek van de bevoegde entiteit medewerking te verlenen aan onderzoeken in het kader van de evaluatie van de waarnemings- en waarschuwingsdienst;5° de verantwoordingsstukken, vermeld in artikel 88, 89 en 90, in te dienen;6° als dat van toepassing is, de regelgeving over overheidsopdrachten na te leven;7° de communicatieverplichtingen, vermeld in artikel 112, na te leven;8° de waarschuwingen te bezorgen aan de bevoegde entiteit. De minister kan per oproep, vermeld in artikel 79, bepalen dat de gezamenlijke steunaanvraag, vermeld in artikel 80, eerste lid, bijkomende elementen of stukken moet bevatten. Afdeling 5. - De beoordeling van de steunaanvragen Art. 83.De bevoegde entiteit onderzoekt of de gezamenlijke steunaanvragen, vermeld in artikel 80, eerste lid, ontvankelijk zijn conform de ontvankelijkheidscriteria, vermeld in artikel 79, tweede lid, 4°, en stelt een projectenlijst op met alle ontvankelijke steunaanvragen. Art. 84.De ontvankelijke steunaanvragen, vermeld in artikel 83 van dit besluit, worden beoordeeld door een beoordelingscommissie die de bevoegde entiteit samenstelt en die minimaal uit de volgende leden bestaat: 1° drie personeelsleden van het beleidsdomein Landbouw en Visserij, vermeld in artikel 26, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 16/04/2013 numac 2013024124 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 27/03/2013 numac 2013201636 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 03/10/2014 numac 2014022494 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen. - Addendum type koninklijk besluit prom. 19/03/2013 pub. 03/04/2013 numac 2013012107 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 november 2012, gesloten in het Paritair Comité voor de bewakings- en/of toezichtsdiensten, betreffende de overname van personeel ingevolge de overgang van een commercieel contract sluiten6 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;2° één vertegenwoordiger van het beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie, vermeld in artikel 21, § 1, van het voormelde besluit. De bevoegde entiteit kan bij de samenstelling van de beoordelingscommissie een beroep doen op externe experten naargelang van de behoefte aan expertise in een bepaalde teelt, teeltgroep, ziekte of plaag. De beoordelingscommissie beoordeelt de ontvankelijke steunaanvragen, vermeld in artikel 83, aan de hand van een evaluatierooster, dat de bevoegde entiteit ter beschikking stelt, en op basis van al de volgende selectiecriteria: 1° de kwaliteit van het projectplan;2° het verwachte bereik;3° de redelijkheid van de kosten: de verhouding tussen de kostprijs en het resultaat;4° de geschiktheid van de projectuitvoerders en het samenwerkingsverband. De beoordelingscommissie rangschikt de ontvankelijke steunaanvragen volgens de rangorde van beoordeling. Voor ieder beoordeeld project wordt een beknopte motivatie gegeven op basis van de selectiecriteria, vermeld in het derde lid. De bevoegde entiteit maakt het verslag van de beoordeling en bezorgt het aan de minister. De minister kan de selectiecriteria, vermeld in het derde lid, per oproep, vermeld in artikel 79, nader bepalen. Art. 85.De minister beslist welk project geselecteerd wordt en kent de subsidie, vermeld in artikel 75, toe, rekening houdend met: 1° de beschikbare begrotingskredieten;2° de selectiecriteria, vermeld in artikel 84, derde lid;3° het verslag van de bevoegde entiteit, vermeld in artikel 84, vijfde lid. In het toekenningsbesluit, vermeld in het eerste lid, kan de minister binnen de grenzen van de bepalingen van dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan, de volgende elementen bepalen: 1° de activiteiten waarvoor de subsidie wordt toegekend;2° het maximale subsidiebedrag dat voor die activiteiten kan worden toegekend;3° de kosten die al dan niet in rekening kunnen worden gebracht bij de verantwoording van de subsidie, vermeld in artikel 75;4° specifieke voorwaarden voor de uitvoering van de waarnemings- en waarschuwingsdienst;5° de termijn waarin de schuldvordering, de tussentijdse, de functionele en de financiële verantwoording, vermeld in artikel 91, eerste lid, 1° en 2°, ingediend moeten worden. De bevoegde entiteit brengt de promotor op de hoogte van het toekenningsbesluit, vermeld in het eerste lid. Afdeling 6. - Opvolging Art. 86.De promotor nodigt altijd een personeelslid van de bevoegde entiteit uit om de vergaderingen van een projectgroep en van een stuurgroep bij te wonen. De projectgroep, vermeld in het eerste lid, bestaat uit de projectuitvoerders. De stuurgroep, vermeld in het eerste lid, bestaat minimaal uit de volgende leden: 1° de projectuitvoerders;2° de landbouworganisaties;3° de organisaties die een financiële bijdrage leveren voor de waarnemings- en waarschuwingsdienst. De stuurgroep, vermeld in het eerste lid, vervult de volgende taken: 1° de voortgang van het project opvolgen;2° op regelmatige basis de projectresultaten beoordelen;3° de kwalitatieve levering van de producten ondersteunen;4° adviezen geven over eventuele bijsturingen van het project;5° tussenkomen en ondersteuning bieden om knelpunten op te lossen. Art. 87.De promotor en de partners voeren de waarnemings- en waarschuwingsdienst uit zoals die goedgekeurd is in het toekenningsbesluit, vermeld in artikel 85. Eventuele wijzigingen zijn alleen mogelijk nadat de promotor een gemotiveerde aanvraag heeft ingediend bij de bevoegde entiteit en nadat de bevoegde entiteit de aanvraag heeft goedgekeurd. Afdeling 7. - Verantwoording en uitbetaling van de subsidie Art. 88.De promotor dient een tussentijdse verantwoording in van de subsidie, vermeld in artikel 75, die bestaat uit al de volgende elementen: 1° een overzicht van de gerealiseerde activiteiten ten opzichte van de voorziene activiteiten;2° een bondig verslag van de uitgevoerde acties;3° een tussentijdse financiële afrekening waarin alle kosten en opbrengsten van de gesubsidieerde activiteiten zijn opgenomen, en de bewijstukken. De promotor en de partners maken het overzicht en het verslag, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, op in onderling overleg. Elke partner bezorgt aan de promotor al de stukken, vermeld in het eerste lid, 3°. Art. 89.De promotor dient een functionele verantwoording in van de subsidie, vermeld in artikel 75. In de voormelde functionele verantwoording wordt aangetoond dat, of in welke de mate, de activiteiten waarvoor de voormelde subsidie is toegekend, gerealiseerd zijn. De functionele verantwoording bestaat uit de volgende elementen: 1° een activiteitenverslag met een overzicht van de gerealiseerde waarnemings- en waarschuwingsdiensten;2° een evaluatie van het project;3° in voorkomend geval de omgevingsvergunning voor de gerealiseerde investeringen als het project investeringskosten omvat en de investering een vergunning vereist. De promotor en de partners maken de functionele verantwoording, vermeld in het eerste lid, op in onderling overleg. Art. 90.De promotor dient een financiële verantwoording in van de subsidie, vermeld in artikel 75. In de financiële verantwoording wordt aangetoond welke kosten zijn gemaakt om de activiteiten waarvoor de subsidie is toegekend, te realiseren en welke opbrengsten in het kader van die activiteiten zijn verworven, uit de activiteiten zelf of uit andere bronnen. De voormelde financiële verantwoording bestaat uit al de volgende elementen: 1° een verzamelstaat met een globaal overzicht van alle kosten en opbrengsten voor de gesubsidieerde periode voor de gesubsidieerde activiteiten van de promotor en van elke partner;2° een resultatenrekening van de promotor en van elke partner waarin alle kosten en opbrengsten voor de gesubsidieerde periode zijn opgenomen voor de gesubsidieerde activiteiten.Eventuele