← België

Koninklijk besluit betreffende de bestrijding van mond- en klauwzeer

Kort samengevat

Dit besluit stelt de minimale maatregelen vast die moeten worden toegepast bij een uitbraak van mond- en klauwzeer, inclusief preventieve maatregelen en een vergoedingsregeling voor afgemaakte dieren. Het doel is de verspreiding van deze zeer besmettelijke virale aandoening bij evenhoevigen te bestrijden.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
10 OKTOBER 2005. - Koninklijk besluit betreffende de bestrijding van mond- en klauwzeer ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, gewijzigd bij de wetten van 29 december 1990, 20 juli 1991, 6 augustus 1993, 21 december 1994, 20 december 1995, 23 maart 1998, 5 februari 1999, het koninklijk besluit van 22 februari 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/02/2001 pub. 28/02/2001 numac 2001022136 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen sluiten en de wet van 28 maart 2003, inzonderheid op hoofdstuk III; Gelet op het koninklijk besluit van 3 april 1965 betreffende de bestrijding van mond- en klauwzeer, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 21 februari 1972, 3 april 1989, 18 maart 1991 en 31 oktober 1996; Gelet op het koninklijk besluit van 25 april 1988 tot aanwijzing van de dierenziekten die vallen onder de toepassing van hoofdstuk III van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 18 september 1990, 22 maart 1991, 2 september 1992, 7 december 1999, 21 oktober 2004 et 22 mei 2005; Gelet op het koninklijk besluit van 17 maart 1994 betreffende de productie van melk en tot instelling van een officiële controle van melk geleverd aan kopers, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 11 juli 1996 en 3 september 2000; Gelet op de Richtlijn 92/46/EEG van de Raad van 16 juni 1992 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de produktie en het in de handel brengen van rauwe melk, warmtebehandelde melk en produkten op basis van melk; Gelet op de Richtlijn 92/65/EEG van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma, eicellen en embryo's waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van Richtlijn 90/425/EEG geldt; Gelet op de Richtlijn 2003/85/EG van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van mond- en klauwzeer, tot intrekking van Richtlijn 85/511/EEG en van de Beschikkingen 89/531/EEG en 91/665/EEG en tot wijziging van Richtlijn 92/46/EEG; Gelet op het advies 02-2005 van het Wetenschappelijk Comité van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen van 14 januari 2005; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën gegeven op 22 november 2004; Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting gegeven op 1 april 2005; Gelet op het overleg tussen de Gewestregeringen en de Federale Overheid op 22 februari 2005 en 23 september 2005; Gelet op het advies 38.368/3 van de Raad Van State, gegeven op 27 mei 2005 in toepassing van artikel 84, paragraaf 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat mond- en klauwzeer een zeer besmettelijke virale aandoening is bij evenhoevigen. Mond- en klauwzeer heeft geen enkel belang voor de volksgezondheid. Wegens de buitengewoon ernstige economische consequenties, staat de ziekte bovenaan op de voormalige lijst A van het Internationaal Bureau voor Besmettelijke Veeziekten (OIE); Overwegende dat de in sommige lidstaten in 2001 uitgebroken epizoötie van mond- en klauwzeer heeft aangetoond dat, wegens het intensieve verkeer van en handel in voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren, een uitbraak snel tot een epizoötie kan uitgroeien, met zodanige consequenties dat de rentabiliteit in de sectoren die zich bezighouden met het houden van ziektegevoelige dieren en in andere delen van de plattelandseconomie ernstig kan dalen, en dat aanzienlijke financiële middelen vereist zijn om de veehouders te vergoeden en om bestrijdingsmaatregelen uit te voeren; Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Onderwerp, werkingssfeer en definities Artikel 1.Dit besluit stelt de minimumbestrijdingsmaatregelen vast die bij het uitbreken van mond- en klauwzeer moeten worden toegepast, ongeacht het betrokken virustype. Het besluit voorziet tevens in preventieve maatregelen en in de vergoedingsregeling van dieren die op bevel worden afgemaakt. Art. 2.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1. Ziektegevoelig dier : huisdier of wild dier van de orde Artiodactyla, onderordes Ruminantia, Suina en Tylopoda (familie camelidae). Voor sommige specifieke maatregelen, met name ter uitvoering van artikel 15 en artikel 75, paragraaf 2, kunnen ook andere dieren, zoals van de orde Rodentia en Proboscidae, beschouwd worden als zijnde gevoelig voor mond- en klauwzeer, voor zover daarvoor wetenschappelijk bewijs bestaat; 2. Bedrijf : elk landbouwbedrijf of ander bedrijf, met inbegrip van een circus, dat gelegen is op het grondgebied van een lidstaat en waar permanent of tijdelijk ziektegevoelige dieren worden gefokt of gehouden, erin begrepen de erbij horende terreinen. Voor de toepassing van artikel 10, paragraaf 1, omvat deze definitie evenwel niet de voor mensen bestemde leefruimte op dergelijke bedrijven, behalve wanneer ziektegevoelige dieren, met inbegrip van de in artikel 75, paragraaf 2, bedoelde dieren, permanent of tijdelijk in die ruimte worden gehouden, slachthuizen, vervoermiddelen, grensinspectieposten, noch omheinde gebieden waar ziektegevoelige dieren worden gehouden en kunnen worden bejaagd, wanneer die omheinde gebieden zo uitgestrekt zijn dat de in artikel 10 vastgestelde maatregelen er niet kunnen worden toegepast; 3. Beslag : alle dieren gehouden in een geografische entiteit en die een duidelijk omschreven eenheid vormen op basis van epidemiologische banden vastgesteld door de officiële dierenarts.De lokalisatie van het beslag wordt bepaald op basis van het adres en de coördinaten van de geografische entiteit; 4. Eigenaar : natuurlijke persoon of rechtspersoon die een of meer ziektegevoelige dieren bezit of die belast is met het houden van dergelijke dieren, al dan niet tegen financiële vergoeding;5. Verantwoordelijke : ieder natuurlijk persoon die permanent of tijdelijk één of meer dieren onder zijn onmiddellijk beheer en toezicht heeft, hetzij als eigenaar, hetzij als hoeder, toezichter, aangestelde, beheerder, zaakvoerder of tijdelijke of permanente werkkracht van het bedrijf;6. Agentschap : Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen opgericht door de wet van 4 februari 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/02/2000 pub. 18/02/2000 numac 2000022108 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen sluiten;7. PCE : de Provinciale Controle-eenheid van het Agentschap;8. Officiële dierenarts : dierenarts van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen;9. Bedrijfsdierenarts : de erkende dierenarts, aangewezen door de verantwoordelijke in toepassing van : - artikel 2 van het koninklijk besluit van 15 februari 1995 houdende bijzondere maatregelen van epidemiologisch toezicht op en preventie van aangifteplichtige varkensziekten, om regelmatige controles uit te voeren in de geografische entiteit en profylactische handelingen uit te voeren bij de varkens van het beslag, - artikel 2 van het koninklijk besluit van 28 februari 1999 houdende maatregelen van epidemiologisch toezicht op en preventie van aangifteplichtige runderziekten, om in de geografische entiteit de reglementaire controles en profylactische ingrepen op de runderen van het beslag uit te voeren, - artikel 2, 8° van het koninklijk besluit van 17 maart 1997 houdende organisatie van het epidemiologisch toezicht op overdraagbare spongiforme encephalopathies bij herkauwers, om in de geografische entiteit de reglementaire controles en profylactische ingrepen op de herkauwers van het veebeslag uit te voeren;10. Minister : de Minister bevoegd voor Volksgezondheid;11. FOD : Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu;12. Erkend laboratorium : laboratorium erkend door de Minister voor de diagnostiek van mond- en klauwzeer;13. CODA : Centrum voor Onderzoek in Diergeneeskunde en Agrochemie van de Federale Overheidsdienst (FOD) Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu;14. Communautair referentielaboratorium : het diagnoselaboratorium aangewezen door de Commissie als referentielaboratorium voor de diagnose van mond- en klauwzeer op het grondgebied van de Europese Unie;15. Fonds : het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten;16. Commissie : de Commissie van de Europese Unie;17. Lid-Staat : staat die lid is van de Europese Unie;18. OIE : Internationaal Bureau voor Besmettelijke Veeziekten;19. Incubatietijd : periode tussen de besmetting en het verschijnen van klinische symptomen van de ziekte.In het kader van dit besluit is dit 14 dagen bij runderen en varkens en 21 dagen bij schapen en geiten en andere ziektegevoelige dieren; 20. Vermoedelijk besmet dier : ziektegevoelig dier dat zodanige klinische symptomen, postmortem laesies of reacties op een laboratoriumtest vertoont dat met recht de aanwezigheid van mond- en klauwzeer mag worden vermoed;21. Van verontreiniging verdacht dier : ziektegevoelig dier dat, volgens de beschikbare epizoötiologische gegevens, direct of indirect kan zijn blootgesteld aan het mond- en klauwzeervirus;22. Geval van mond- en klauwzeer of met mond- en klauwzeer besmet dier : ziektegevoelig dier of karkas daarvan waarbij mond- en klauwzeer, gelet op de definities in bijlage I, officieel is bevestigd : - hetzij op basis van officieel bevestigde klinische symptomen of postmortem laesies van mond- en klauwzeer, - hetzij op basis van een overeenkomstig bijlage XIII uitgevoerd laboratoriumonderzoek;23. Uitbraak van mond- en klauwzeer : bedrijf waar ziektegevoelige dieren worden gehouden en dat aan een of meer van de in bijlage I vastgestelde criteria voldoet;24. Primaire uitbraak : een haard die epizoötiologisch los staat van een vroeger geconstateerde haard in hetzelfde gebied of het voor de eerste maal uitbreken van de ziekte in een ander gebied van het nationale grondgebied;25. Verborgen haard : bedrijf waar zich één of meer met mond- en klauwzeer besmette dieren bevinden waarvan de verantwoordelijke de toestand verbergt door de ziekte niet zo snel mogelijk aan te geven of door de dieren niet zo snel mogelijk te laten onderzoeken wanneer zij symptomen van mond- en klauwzeer vertonen;26. Wild dier : dier van een ziektegevoelige soort dat buiten een bedrijf als gedefinieerd in punt 2 van dit artikel of buiten een voorziening als bedoeld in de artikelen 15 en 16, leeft;27. Primair geval van mond- en klauwzeer bij wilde dieren : geval van mond- en klauwzeer dat wordt vastgesteld bij een wild dier in een gebied waar geen maatregelen als bedoeld in artikel 75, paragraaf 3 of 4, zijn getroffen;28. Doden : het doden van dieren als bedoeld in artikel 2, punt 6°, van het koninklijk besluit van 16 januari 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 16/01/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998016020 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit inzake de bescherming van dieren bij het slachten of doden sluiten inzake de bescherming van dieren bij het slachten of doden;29. Noodslachting : het slachten in noodsituaties als bedoeld in artikel 2, punt 7°, van het koninklijk besluit van 16 januari 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 16/01/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998016020 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit inzake de bescherming van dieren bij het slachten of doden sluiten inzake de bescherming van dieren bij het slachten of doden van dieren die op basis van de epizoötiologische gegevens, de klinische diagnose of de resultaten van laboratoriumtests niet als besmet of verontreinigd met mond- en klauwzeervirus worden beschouwd, met inbegrip van het slachten om redenen van het dierenwelzijn;30. Verwerking : een behandeling van bijproducten zoals bepaald in Verordening (EG) nr.1774/2002, alsmede wetgeving ter uitvoering van die verordening en op zodanige wijze toegepast dat elk risico van verspreiding van het mond- en klauwzeervirus wordt voorkomen; 31. Regionalisering : het afbakenen van een ingesloten gebied waar beperkende maatregelen gelden voor verplaatsingen van of handel in bepaalde dieren of dierlijke producten, overeenkomstig artikel 47, teneinde te voorkomen dat mond- en klauwzeer wordt verspreid naar het gebied waar geen beperkende maatregelen gelden overeenkomstig dit besluit;32. Gebied : een deel van het nationale grondgebied dat onder controle staat van één Provinciale Controle-eenheid van het Agentschap;33. Subgebied : in de bijlage van Beschikking 2000/807/EG genoemd gebied;34. Noodvaccinatie : vaccinatie overeenkomstig artikel 52, paragraaf 1;35. Preventieve of beschermende vaccinatie : noodvaccinatie op bedrijven in een bepaald gebied met de bedoeling ziektegevoelige dieren in dit gebied te beschermen tegen verspreiding van het mond- en klauwzeervirus via de lucht of via levenloze smetstofdragers, waarbij het de bedoeling is dat de dieren na de vaccinatie in leven blijven;36. Onderdrukkende vaccinatie : noodvaccinatie die uitsluitend in combinatie met het ruimen wordt uitgevoerd in een bedrijf of gebied waar zowel de hoeveelheid circulerend mond- en klauwzeervirus als het risico van verspreiding van het virus buiten het bedrijf of het gebied dringend moet worden verminderd, waarbij het de bedoeling is dat de dieren na vaccinatie worden vernietigd;37. Vergunning : door het Agentschap afgeleverde schriftelijke vergunning, waarvan de nodige kopieën beschikbaar moeten zijn voor de latere controles overeenkomstig de ter zake geldende wetgeving. HOOFDSTUK II. - Bestrijding van uitbraken van mond en klauwzeer Afdeling I. - Aangifte Art. 3.§ 1. De eigenaar of de verantwoordelijke van dieren en al wie dieren verzorgt of dieren tijdens het transport begeleidt, is ertoe verplicht de aanwezigheid of de vermoedelijke aanwezigheid van mond- en klauwzeer volgens de modaliteiten vastgesteld door de Minister bij het Agentschap of aan de officiële dierenarts te melden en alle met mond- en klauwzeer besmette of vermoedelijk besmette dieren weg te houden van plaatsen waar andere ziektegevoelige dieren het risico lopen te worden besmet of te worden verontreinigd met het mond- en klauwzeervirus. § 2. Onverminderd de bepalingen op de meldingsplicht, bedoeld in artikel 8 van het koninklijk besluit van 14 november 2003Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 14/11/2003 pub. 12/12/2003 numac 2003023054 bron federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Koninklijk besluit betreffende autocontrole, meldingsplicht en traceerbaarheid in de voedselketen sluiten betreffende autocontrole, meldingsplicht en traceerbaarheid in de voedselketen, zijn de dierenartsen, de officiële dierenartsen, de privé laboratoria, het kaderpersoneel van de laboratoria van de « Association Régionale de Santé et d'Identification Animales a.s.b.l. », hierna « ARSIA » genoemd, van « Dierengezondheidszorg Vlaanderen v.z.w. », hierna « DGZ Vlaanderen » genoemd, het CODA en al wie beroepshalve te maken krijgt met ziektegevoelige dieren of van dergelijke dieren verkregen producten, verplicht de aanwezigheid of vermoedelijke aanwezigheid van mond- en klauwzeer waarvan zij kennis hebben gekregen vóór het tijdstip waarop maatregelen worden getroffen in het kader van dit besluit, onverwijld en via de snelste weg te melden bij het Agentschap. § 3. Een bevestigde uitbraak van mond- en klauwzeer of een primair geval van mond- en klauwzeer bij wilde dieren wordt door het Agentschap aan de Commissie en de andere lidstaten gemeld overeenkomstig de bepalingen van bijlage II. Afdeling II. - Maatregelen ingeval van verdenking van mond- en klauwzeer Art. 4.§ 1. Wanneer zich op een bedrijf één of meer dieren bevinden waarvan vermoed wordt dat ze besmet of verontreinigd zijn met het mond- en klauwzeervirus treft het Agentschap de maatregelen vastgesteld in de paragrafen 2 en 3 van dit artikel. § 2. De officiële dierenarts brengt, in nauwe samenwerking met de bedrijfsdierenarts, onmiddellijk een onderzoek op gang dat onder zijn toezicht wordt uitgevoerd om de aanwezigheid van mond- en klauwzeer te bevestigen dan wel uit te sluiten en zorgt er in het bijzonder voor dat de nodige monsters worden genomen voor de laboratoriumonderzoeken die nodig zijn om het bestaan van een uitbraak in de zin van de in bijlage I vastgestelde definitie van uitbraak te bevestigen. § 3. Zodra de vermoedelijke besmetting is gemeld plaatst de officiële dierenarts het verdachte bedrijf onder officieel toezicht en ziet er met name op toe dat : 1°) alle dieren van alle categorieën op het bedrijf worden geteld en dat voor elke categorie ziektegevoelige dieren het aantal dieren wordt geregistreerd dat reeds is gestorven, en dat vermoedelijk is besmet of verontreinigd; 2°) de onder 1°) bedoelde telling wordt bijgewerkt om rekening te houden met de ziektegevoelige dieren die tijdens de periode van verdenking zijn geboren of gestorven, en deze gegevens door de eigenaar op verzoek van de officiële dierenarts worden voorgelegd en bij elk bezoek door hem worden gecontroleerd; 3°) alle op het bedrijf aanwezige voorraden melk, melkproducten, vlees, vleesproducten, karkassen, huiden, wol, sperma, embryo's, eicellen, gier, mest, diervoeders en strooisel worden geregistreerd en dat deze gegevens worden bijgewerkt; 4°) geen ziektegevoelige dieren het bedrijf binnenkomen of verlaten tenzij het gaat om bedrijven met verschillende epidemiologische productie-eenheden als bedoeld in artikel 21, en dat alle ziektegevoelige dieren op het bedrijf in hun stal worden gehouden of worden ondergebracht op andere plaatsen waar zij kunnen worden geïsoleerd; 5°) huisslachtingen van tweehoevigen verboden zijn; 6°) de toegang tot het bedrijf wordt afgesloten met een rood-witte ketting met een waarschuwingsbord waarop duidelijk leesbaar de vermelding « TOEGANG VERBODEN » staat; 7°) honden, katten en loslopend pluimvee aanwezig op het bedrijf, worden opgesloten; 8°) door het Agentschap toegestane ontsmettingsmiddelen worden gebruikt bij de in- en uitgangen van de stallen, van de andere plaatsen waar ziektegevoelige dieren zijn ondergebracht, en van het bedrijf zelf; 9°) een epidemiologisch onderzoek wordt verricht overeenkomstig artikel 13; 10°) ter vergemakkelijking van het epidemiologisch onderzoek de nodige monsters worden genomen voor laboratoriumtests als bedoeld in bijlage III, punt 2.1.1.1.; 11°) de burgemeester van de gemeente waar het bedrijf gelegen is wordt verwittigd van de verdenking. Art. 5.Verplaatsingen vanuit of naar een bedrijf waar een uitbraak van mond- en klauwzeer wordt vermoed. § 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 4, zijn alle verplaatsingen van en naar een bedrijf waar mond- en klauwzeer wordt vermoed, verboden. Het verbod geldt met name voor : 1°) verplaatsingen waarbij vlees, karkassen, vleesproducten, melk en melkproducten, sperma, eicellen en embryo's van ziektegevoelige dieren, diervoeders, gereedschap, voorwerpen of andere stoffen zoals wol, leder en huiden, varkenshaar, dierlijke afvallen, gier, mest, en alles wat mond- en klauwzeer kan overbrengen, buiten het bedrijf worden gebracht; 2°) verplaatsingen van niet voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren; 3°) het verkeer van personen van en naar het bedrijf; 4°) het verkeer van voertuigen van en naar het bedrijf. § 2. In afwijking van het bepaalde in paragraaf 1, onder 1°), kan het Agentschap, wanneer zich problemen voordoen om de melk op het bedrijf op te slaan, besluiten dat de melk op het bedrijf moet worden vernietigd, dan wel toestaan dat de melk onder officieel toezicht en uitsluitend in transportmiddelen die zo zijn uitgerust dat er geen risico van verspreiding van mond- en klauwzeer bestaat, naar de dichtstbijzijnde of de door het Agentschap aangeduide inrichting wordt gebracht om daar te worden vernietigd of een hittebehandeling te ondergaan die het mond- en klauwzeervirus gegarandeerd vernietigt. § 3. In afwijking van de verbodsbepalingen in paragraaf 1, onder 2°), 3°) en 4°), kan het Agentschap verplaatsingen naar en vanuit het bedrijf toestaan voor zover wordt voldaan aan alle voorwaarden die nodig worden geacht om verspreiding van het mond- en klauwzeervirus te voorkomen. Art. 6.Uitbreiding van de maatregelen tot andere bedrijven. § 1. Het Agentschap breidt de in de artikelen 4 en 5 bedoelde maatregelen uit tot andere bedrijven wanneer in verband met de ligging, de constructie en de indeling van die bedrijven of de contacten met dieren van een bedrijf als bedoeld in artikel 4, voor een mogelijke verontreiniging moet worden gevreesd. § 2. Het Agentschap past ten minste de in artikel 4 en in artikel 5, paragraaf 1, voorziene maatregelen toe op voorzieningen of vervoermiddelen als bedoeld in artikel 16, indien de aanwezigheid van ziektegevoelige dieren aanleiding geeft tot het vermoeden van besmetting of verontreiniging met het mond- en klauwzeervirus. Art. 7.Tijdelijk bestrijdingsgebied § 1. Het Agentschap kan een tijdelijk bestrijdingsgebied instellen wanneer zulks op grond van de epidemiologische situatie vereist is, met name wanneer er sprake is van een hoge dichtheid van ziektegevoelige dieren, veelvuldige verplaatsingen van dieren of personen die in aanraking komen met ziektegevoelige dieren, vertragingen bij het melden van een vermoedelijke besmetting, of onvoldoende informatie over de mogelijke herkomst van het virus en over de manier waarop het kan zijn ingesleept. § 2. Op alle bedrijven in het tijdelijke bestrijdingsgebied waar ziektegevoelige dieren worden gehouden, worden ten minste de in artikel 4, paragraaf 2, artikel 4, paragraaf 3, onder 1°), 2°) en 4°), en in artikel 5, paragraaf 1, vastgestelde maatregelen toegepast. § 3. De in het tijdelijk bestrijdingsgebied toegepaste maatregelen kunnen worden aangevuld met een voor een groter gebied of het hele nationale grondgebied geldend tijdelijk verbod op het verplaatsen van alle dieren. Het verbod op het verplaatsen van niet voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren mag evenwel niet langer dan 72 uur duren, tenzij zulks in uitzonderlijke omstandigheden gerechtvaardigd is. Art. 8.Preventief uitroeiingsprogramma § 1. Het Agentschap kan, als dat op grond van de epidemiologische gegevens of van andere informatie nodig blijkt, een preventief uitroeiingsprogramma uitvoeren, waarbij met name alle waarschijnlijk met het virus verontreinigde ziektegevoelige dieren en, indien nodig, dieren van productie-eenheden die uit epidemiologisch oogpunt met het verdachte bedrijf zijn verbonden, alsmede dieren op nabijgelegen bedrijven preventief worden geslacht. § 2. In dat geval worden de ziektegevoelige dieren bemonsterd en klinisch onderzocht waarbij ten minste de in bijlage III, punt 2.1.1.1., vastgestelde procedures in acht worden genomen. § 3. Het Agentschap stelt de Commissie vooraf in kennis van de uitvoering van de in dit artikel bedoelde maatregelen. Art. 9.Handhaving van de maatregelen Het Agentschap trekt de in de artikelen 4 tot en met 7 vastgestelde maatregelen niet in zolang het vermoeden van besmetting met mond- en klauwzeer niet officieel is weerlegd. Afdeling III. - Maatregelen ingeval van bevestiging Art. 10.Maatregelen ingeval een uitbraak van mond- en klauwzeer wordt bevestigd § 1. Zodra een uitbraak van mond- en klauwzeer is bevestigd, verklaart de officiële dierenarts het bedrijf tot haard en bepaalt er de grenzen van. Hij meldt de verklaring aan de verantwoordelijke en aan de burgemeester. Onverminderd de maatregelen vastgesteld in de artikelen 4 tot 6, worden de hiernavolgende maatregelen onmiddellijk in het betrokken bedrijf toegepast : 1°) Alle ziektegevoelige dieren op het bedrijf worden ter plaatse gedood. In uitzonderlijke omstandigheden kunnen de ziektegevoelige dieren op de dichtstbijzijnde daarvoor geschikte plaats worden gedood, onder officieel toezicht van het Agentschap en op zodanige wijze dat wordt voorkomen dat het mond- en klauwzeervirus zich tijdens het transport en tijdens het doden van de dieren verspreidt. Het Agentschap informeert de Commissie over het bestaan van deze uitzonderlijke omstandigheden en over de genomen maatregelen; 2°) De officiële dierenarts ziet erop toe dat, vóór of tijdens het doden van de ziektegevoelige dieren, overeenkomstig punt 2.1.1.1. van bijlage III de nodige monsters worden genomen voor het in artikel 13 bedoelde epidemiologisch onderzoek. Het Agentschap kan besluiten dat artikel 4, paragraaf 2, niet van toepassing is wanneer het gaat om een secundaire haard die uit epidemiologisch oogpunt verbonden is met een primaire haard waarvoor al monsters zijn genomen overeenkomstig dat artikel, op voorwaarde dat de nodige monsters zijn genomen voor het in artikel 13 bedoelde epidemiologisch onderzoek; 3°) De karkassen van op het bedrijf gestorven ziektegevoelige dieren en de karkassen van overeenkomstig het bepaalde onder 1°) gedode dieren worden onverwijld onder officieel toezicht van het Agentschap verwerkt op zodanige wijze dat er geen risico bestaat voor verspreiding van het mond- en klauwzeervirus. Wanneer, in verband met bijzondere omstandigheden, de karkassen, ter plaatse of elders, moeten worden begraven of verbrand, moet dat plaatsvinden overeenkomstig de instructies die daarvoor vooraf zijn vastgesteld in het kader van de in artikel 67 bedoelde rampenplannen; 4°) de in artikel 4, paragraaf 3, onder 3°), bedoelde stoffen en producten worden hetzij geïsoleerd totdat verontreiniging kan worden uitgesloten, hetzij overeenkomstig de instructies van de officiële dierenarts op zodanige wijze behandeld dat eventueel aanwezig mond- en klauwzeervirus gegarandeerd wordt vernietigd, hetzij verwerkt. § 2. Het Agentschap ziet erop toe dat, nadat de ziektegevoelige dieren zijn gedood en verwerkt en de in paragraaf 1, onder 4°), bedoelde maatregelen volledig ten uitvoer zijn gebracht : 1°) de stallen waarin de ziektegevoelige dieren waren ondergebracht, de omgeving daarvan, de voertuigen waarmee de dieren zijn vervoerd, en alle andere gebouwen en uitrusting die kunnen zijn verontreinigd, worden gereinigd en ontsmet overeenkomstig artikel 11; 2°) bovendien, wanneer er redelijke gronden zijn om te vermoeden dat de woonruimte voor mensen of de kantoorruimte van het bedrijf met het mond- en klauwzeervirus zijn verontreinigd, ook deze ruimten op passende wijze worden ontsmet; 3°) de herbevolking van het bedrijf plaatsvindt overeenkomstig bijlage V. Art. 11.Reiniging en ontsmetting § 1. Het Agentschap ziet erop toe dat alle reinigings- en ontsmettingswerkzaamheden, als integrerend deel van de bij dit besluit vastgestelde maatregelen, naar behoren worden geregistreerd en onder toezicht van het Agentschap worden uitgevoerd volgens de instructies van de officiële dierenarts en met gebruikmaking van ontsmettingsmiddelen en concentraties daarvan waarvoor door het Agentschap overeenkomstig het koninklijk besluit van 22 mei 2003Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden, een toelating is afgegeven alsook een registratie voor het op de markt brengen als biocide voor veterinaire hygiënedoeleinden, teneinde de vernietiging van het mond- en klauwzeervirus te garanderen. § 2. De reinigings- en ontsmettingswerkzaamheden, die tevens bestrijding van schadelijke organismen omvatten, worden op zodanige wijze uitgevoerd dat eventuele daaruit voortvloeiende schadelijke effecten voor het milieu zoveel mogelijk worden beperkt. § 3. Het Agentschap stelt alles in het werk om te garanderen dat alle gebruikte ontsmettingsmiddelen niet alleen een doeltreffende ontsmettende werking hebben, maar ook zo weinig mogelijk schade berokkenen aan het milieu en de volksgezondheid wanneer zij worden toegepast overeenkomstig de best beschikbare technologie. § 4. Het Agentschap ziet erop toe dat de reinigings- en ontsmettingswerkzaamheden worden uitgevoerd overeenkomstig bijlage IV. Art. 12.Tracering en behandeling van stoffen en producten die zijn verkregen van dieren aanwezig in een haard van mond- en klauwzeer of in contact zijn geweest met zulke dieren. Het Agentschap ziet erop toe dat de in artikel 4, paragraaf 3, onder 3°), bedoelde stoffen en producten van ziektegevoelige dieren, die op een bedrijf waar een uitbraak van mond- en klauwzeer is bevestigd, zijn opgehaald of verkregen in de periode tussen de waarschijnlijke insleep van de ziekte op het bedrijf en de tenuitvoerbrenging van de officiële maatregelen, alsmede sperma, eicellen en embryo's die van op dat bedrijf aanwezige ziektegevoelige dieren zijn verkregen in diezelfde periode, worden opgespoord en verwerkt of, indien het gaat om andere stoffen en producten dan sperma, eicellen en embryo's, onder toezicht van het Agentschap worden behandeld op zodanige wijze dat het mond- en klauwzeervirus gegarandeerd wordt vernietigd en dat elk risico van verdere verspreiding wordt vermeden. Art. 13.Epidemiologisch onderzoek § 1. Het Agentschap ziet erop toe dat het epidemiologisch onderzoek in verband met uitbraken van mond- en klauwzeer wordt uitgevoerd door speciaal opgeleide dierenartsen op basis van vragenlijsten die zijn opgesteld in het kader van de rampenplannen als bedoeld in artikel 67, en ten minste betrekking heeft op : 1°) de duur van de periode waarin mond- en klauwzeer op het bedrijf aanwezig kan zijn geweest voordat de ziekte werd vermoed of gemeld; 2°) de mogelijke oorsprong van het mond- en klauwzeervirus op het bedrijf en de identificatie van andere bedrijven waar zich ziektegevoelige dieren bevinden die uit dezelfde bron kunnen zijn besmet of verontreinigd; 3°) de mate waarin andere ziektegevoelige dieren dan runderen en varkens kunnen zijn besmet of verontreinigd; 4°) het verkeer van dieren, personen, voertuigen en de in artikel 4, paragraaf 3, onder 3°), bedoelde stoffen en producten waarmee het mond- en klauwzeervirus van en naar het betrokken bedrijf kan zijn versleept. § 2. Het Agentschap stelt de Commissie en de andere lidstaten in kennis van de laatste gegevens betreffende de epidemiologie en de verspreiding van het mond- en klauwzeervirus en houdt hen regelmatig op de hoogte van de evolutie van de situatie. Art. 14.Aanvullende maatregelen ingeval een uitbraak van mond- en klauwzeer wordt bevestigd § 1. Het Agentschap kan opdracht geven om, behalve de ziektegevoelige dieren, ook niet voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren op het bedrijf waar een uitbraak van mond- en klauwzeer is bevestigd, te doden en te verwerken op zodanige wijze dat elk risico van verspreiding van het mond- en klauwzeervirus wordt voorkomen. Het bepaalde in het eerste lid is evenwel niet van toepassing op niet voor mond- en klauwzeergevoelige dieren die mogen worden geïsoleerd en doelmatig gereinigd en ontsmet, en op voorwaarde dat zij individueel zijn geïdentificeerd, overeenkomstig de communautaire regelgeving wanneer het gaat om paardachtigen, zodat alle verplaatsingen kunnen worden gecontroleerd. § 2. Het Agentschap kan de in artikel 10, paragraaf 1, onder 1°), vastgestelde maatregelen toepassen op uit epidemiologisch oogpunt met elkaar verbonden productie-eenheden of nabijgelegen bedrijven, wanneer op grond van epidemiologische gegevens of andere informatie voor een mogelijke verontreiniging van deze bedrijven moet worden gevreesd. Als het voornemen bestaat om deze bepalingen toe te passen, moet dit, indien mogelijk van tevoren, bij de Commissie worden gemeld. In dat geval worden ten minste de in bijlage III, punt 2.1.1.1., vastgestelde maatregelen inzake bemonstering en klinisch onderzoek van dieren uitgevoerd. § 3. Zodra de eerste uitbraak van mond- en klauwzeer is bevestigd, treft het Agentschap alle regelingen die nodig worden geacht met het oog op noodvaccinatie in een gebied dat ten minste de omvang heeft van het overeenkomstig artikel 23 ingestelde toezichtsgebied. Afdeling IV. - In speciale gevallen toe te passen maatregelen Art. 15.Maatregelen bij een uitbraak van mond- en klauwzeer in of in de nabijheid van bepaalde specifieke voorzieningen waar tijdelijk of permanent ziektegevoelige dieren worden gehouden. § 1. Wanneer een uitbraak van mond- en klauwzeer dreigt te resulteren in besmetting van ziektegevoelige dieren in een laboratorium, een dierentuin, een wildpark of een omheind gebied, in overeenkomstig artikel 13, paragraaf 2, van Richtlijn 92/65/EEG erkende instellingen, instituten of centra, dan wel op plaatsen waar dieren worden gehouden voor wetenschappelijke doeleinden of met het oog op de bescherming van de soort of van genetische hulpbronnen van landbouwhuisdieren, ziet het Agentschap erop toe dat de nodige maatregelen op het gebied van de bioveiligheid worden genomen om die dieren te beschermen tegen besmetting. Deze maatregelen kunnen met name inhouden dat de toegang tot openbare instellingen wordt beperkt of dat bijzondere toegangsvoorwaarden worden vastgesteld. § 2. Wanneer een uitbraak van mond- en klauwzeer wordt bevestigd in een van de in paragraaf 1 bedoelde voorzieningen, kan het Agentschap besluiten af te wijken van het bepaalde in artikel 10, paragraaf 1, onder 1°), op voorwaarde dat de fundamentele belangen van de Europese Gemeenschap, en met name de dierengezondheidsstatus van andere lidstaten, niet in gevaar komt en dat de nodige maatregelen getroffen zijn om elk risico van verspreiding van het mond- en klauwzeervirus te voorkomen. § 3. Het in paragraaf 2 bedoelde besluit wordt onverwijld aan de Commissie gemeld. Voor genetische hulpbronnen van landbouwhuisdieren wordt in de kennisgeving verwezen naar de overeenkomstig artikel 72, paragraaf 2, onder 6°), opgestelde lijst van bedrijven op grond waarvan het Agentschap beschikt over de gegevens van de plaatsen die door de bevoegde gewestelijke overheid zijn aangemerkt als fokgroep van ziektegevoelige dieren die absoluut noodzakelijk is voor het voortbestaan van een ras. Art. 16.In slachthuizen, grensinspectieposten en vervoermiddelen toe te passen maatregelen : § 1. Wanneer een geval van mond- en klauwzeer wordt bevestigd in een slachthuis, een grensinspectiepost erkend overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 31 december 1992Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 31/12/1992 pub. 28/09/2015 numac 2015000506 bron federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Koninklijk besluit betreffende de veterinaire controles voor dieren en bepaalde produkten van dierlijke oorsprong, ingevoerd uit derde landen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de veterinaire controles voor dieren en bepaalde produkten van dierlijke oorsprong, ingevoerd uit derde landen, of een vervoermiddel, ziet het Agentschap erop toe dat de onderstaande maatregelen worden uitgevoerd ten aanzien van de betrokken voorzieningen of de betrokken vervoermiddelen : 1°) alle ziektegevoelige dieren in de betrokken voorzieningen of vervoermiddelen worden onverwijld gedood; 2°) de karkassen van de onder 1°) bedoelde dieren worden onder officieel toezicht verwerkt, en wel op zodanige wijze dat elk risico van verspreiding van het mond- en klauwzeervirus wordt voorkomen; 3°) andere dierlijke afvallen, inclusief slachtafvallen, van besmette of vermoedelijk besmette dieren en van verontreinigde dieren worden onder officieel toezicht verwerkt, en wel op zodanige wijze dat elk risico van verspreiding van het mond- en klauwzeervirus wordt voorkomen; 4°) aal, mest en gier worden ontsmet en worden slechts verwijderd met het oog op een behandeling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002, bijlage VIII, hoofdstuk III, afdeling II, deel A, punt 5; 5°) het reinigen en ontsmetten van gebouwen en uitrusting, inclusief voertuigen of vervoermiddelen, vindt plaats overeenkomstig artikel 11 onder toezicht van de officiële dierenarts en volgens de officiële instructies; 6°) een epidemiologisch onderzoek wordt verricht overeenkomstig artikel 13. § 2. De in artikel 22 vastgestelde maatregelen worden toegepast op de contactbedrijven. § 3. Het Agentschap ziet erop toe dat op zijn vroegst 24 uur na voltooiing van de in paragraaf 1, onder 5°), bedoelde reinigings- en ontsmettingswerkzaamheden weer dieren in de in paragraaf 1 bedoelde voorzieningen of vervoermiddelen worden binnengebracht om te worden geslacht, gecontroleerd of vervoerd. § 4. Wanneer zulks op grond van de epidemiologische situatie nodig is, met name wanneer vermoed wordt dat ziektegevoelige dieren besmet zijn in bedrijven die grenzen aan de voorzieningen of vervoermiddelen, bedoeld in paragraaf 1, ziet het Agentschap erop toe dat in afwijking van artikel 2, punt 2°), tweede zin, verklaard wordt dat zich in de in paragraaf 1 bedoelde voorzieningen of vervoermiddelen een uitbraak voordoet, en dat de in de artikelen 10 en 23 vastgestelde maatregelen worden toegepast. Afdeling V. - Afmaking op bevel Art. 17.In het geval van een afmaking op bevel zoals bedoeld in artikel 10, paragraaf 1, 1°, betekent de officiële dierenarts het afmakingsbevel aan de verantwoordelijke. Hij zendt een afschrift ervan aan de burgemeester. Art. 18.Onmiddellijk na betekening van het afmakingsbevel overeenkomstig de bepalingen van artikel 17, verwittigt de officiële dierenarts telefonisch de deskundige bedoeld in artikel 77 van dit besluit. Hij duidt de juiste ligging aan van de haard en de naam en het adres van de verantwoordelijke en vermeldt het aantal er gehouden dieren. Hij bevestigt dit per fax of per brief. Art. 19.De officiële dierenarts kan, indien nodig, beroep doen op de burgemeester voor het treffen van maatregelen die voor de uitvoering van het afmakingsbevel noodzakelijk zijn. Art. 20.§ 1. De dieren waarop het afmakingsbevel betrekking heeft, worden onder toezicht van het Agentschap op zodanige wijze afgemaakt dat alle gevaar voor verspreiding van het causaal agens zowel tijdens het afmaken van de dieren als tijdens het transport van de kadavers naar het destructiebedrijf voorkomen wordt. § 2. De in de haard aanwezige krengen van dieren, alsmede het vlees van dieren die in het tijdvak tussen de vermoedelijke insleep van de ziekte in het bedrijf en de toepassing van de maatregelen bedoeld in hoofdstuk III geslacht werden, worden eveneens onder toezicht van het Agentschap weggehaald. § 3. De krengen van de overeenkomstig paragraaf 1 afgemaakte dieren en van de in de haard gestorven dieren bedoeld bij paragraaf 2, alsmede het bij paragraaf 2 bedoelde vlees, worden onder toezicht van het Agentschap op zodanige wijze vernietigd dat alle gevaar voor verspreiding van het causaal agens voorkomen wordt. § 4. Nadat alle dieren uit de haard werden verwijderd, wordt onder toezicht van het Agentschap een eerste ontsmetting uitgevoerd van het bedrijf. De reiniging en de verdere ontsmetting van vervoermiddelen gebruikt voor transport van dieren of hun karkassen, de behandeling of vernietiging van materiaal, strooisel, mest en gier gebeuren volgens de voorschriften van de officiële dierenarts. Afdeling VI. - Bedrijven met verschillende epidemiologische productie-eenheden en contactbedrijven Art. 21.Bedrijven met verschillende epidemiologische productie-eenheden § 1. Met betrekking tot bedrijven die uit twee of meer afzonderlijke productie-eenheden bestaan, kan het Agentschap in uitzonderlijke gevallen en na afweging van de risico's, besluiten om ten aanzien van de niet door mond- en klauwzeer getroffen productie-eenheden van een besmet bedrijf een afwijking van artikel 10, paragraaf 1, onder 1°), toe te staan. § 2. De in paragraaf 1 bedoelde afwijking wordt alleen toegestaan indien de officiële dierenarts bij het in artikel 4, paragraaf 2, bedoelde officiële onderzoek heeft bevestigd dat op de datum waarop de uitbraak van mond- en klauwzeer op het bedrijf werd geconstateerd, aan de onderstaande voorwaarden om verspreiding van het mond- en klauwzeervirus tussen de in paragraaf 1 bedoelde productie-eenheden te voorkomen, was voldaan gedurende een periode die overeenkomt met ten minste tweemaal de incubatietijd : 1°) de structuur, met inbegrip van de administratieve structuur, en de omvang van de lokalen laten op het vlak van huisvesting en verzorging van de verschillende beslagen van ziektegevoelige dieren een volledige scheiding toe, een atmosferische scheiding inbegrepen; 2°) de activiteiten in de verschillende productie-eenheden, met name stal- en graslandbeheer, voedering en mest- of aalverwijdering van het bedrijf, zijn volledig gescheiden en worden door afzonderlijk personeel uitgevoerd; 3°) elke productie-eenheid beschikt over eigen machines, niet voor mond- en klauwzeer gevoelige werkdieren, uitrusting, installaties, instrumenten en ontsmettingsvoorzieningen. § 3. Met betrekking tot melk kan aan een melkproducerend bedrijf een afwijking van artikel 10, paragraaf 1, punt 4°), worden toegestaan op voorwaarde dat : 1°) het bedrijf voldoet aan de in paragraaf 2 vastgestelde voorwaarden; 2°) het melken in de diverse eenheden volledig gescheiden plaatsvindt, en 3°) de melk ten minste een van de in van bijlage IX, deel A of deel B, beschreven behandelingen ondergaat, naar gelang van de bestemming van de melk. § 4. Het Agentschap stelt vooraf uitvoeringsbepalingen vast voor de toepassing van de in paragraaf 1 bedoelde afwijking. Zij stelt de Commissie in kennis hiervan en levert de gegevens betreffende de getroffen maatregelen. Art. 22.Contactbedrijven § 1. Een bedrijf wordt als contactbedrijf aangemerkt wanneer de officiële dierenarts constateert, of op basis van bevestigde gegevens van oordeel is, dat het mond- en klauwzeervirus als gevolg van het verkeer van personen, dieren, producten van dierlijke oorsprong en voertuigen of op enigerlei andere wijze kan zijn ingesleept van andere bedrijven naar een bedrijf als bedoeld in artikel 4, paragraaf 1, of artikel 10, paragraaf 1, dan wel van een bedrijf als bedoeld in artikel 4, paragraaf 1, of artikel 10, paragraaf 1, naar andere bedrijven. § 2. Op contactbedrijven zijn de in artikel 4, paragraaf 3, en artikel 5 vastgestelde maatregelen van toepassing, en die maatregelen worden pas opgeheven wanneer het vermoeden van de aanwezigheid van mond- en klauwzeervirus op het contactbedrijf officieel is weerlegd overeenkomstig de definitie in bijlage I en de in bijlage III, punt 2.1.1.1., vastgestelde voorschriften met betrekking tot het onderzoek. § 3. De officiële dierenarts verbiedt het afvoeren van alle dieren van een contactbedrijf gedurende een periode die overeenkomt met de voor de betrokken soort in artikel 2, onder 19°), aangegeven incubatietijd. In afwijking van artikel 4, paragraaf 3, punt 4°), kan hij evenwel toestaan dat ziektegevoelige dieren onder officieel toezicht rechtstreeks naar het dichtstbijzijnde aangewezen slachthuis worden gebracht voor een noodslachting. Voordat de bovenbedoelde afwijking wordt toegestaan, moet hij ten minste de in bijlage III, punt 1, voorziene klinische onderzoeken hebben uitgevoerd. § 4. Wanneer het Agentschap van oordeel is dat de epidemiologische situatie zulks toelaat, kan zij de in paragraaf 1 vastgestelde aanmerking als contactbedrijf beperken tot één geïdentificeerde epidemiologische productie-eenheid van het bedrijf en tot de daar aanwezige dieren, voorzover de epidemiologische productie-eenheid voldoet aan het bepaalde in artikel 21. § 5. Indien een epidemiologische verband tussen een uitbraak van mond- en klauwzeer en voorzieningen of vervoermiddelen als bedoeld in respectievelijk artikel 15 en artikel 16 niet kan worden uitgesloten, ziet het Agentschap erop toe dat de in artikel 4, paragrafen 2 en 3, en artikel 5 vastgestelde maatregelen van toepassing zijn op die voorzieningen en vervoermiddelen. Het Agentschap kan besluiten de in artikel 8 vastgestelde maatregelen toe te passen. Afdeling VII. - Beschermingsgebieden en toezichtsgebieden Art. 23.Instelling van beschermingsgebieden en van toezichtsgebieden § 1. Onverminderd de maatregelen vastgesteld in artikel 7, ziet het Agentschap erop toe dat, zodra een uitbraak van mond- en klauwzeer officieel is bevestigd, ten minste de in de onderstaande paragrafen 2, 3 en 4 vastgestelde maatregelen worden getroffen. § 2. Het Agentschap stelt een beschermingsgebied in met een straal van ten minste 3 km en een toezichtsgebied met een straal van ten minste 10 km rond de in paragraaf 1 bedoelde uitbraak van mond- en klauwzeer. Bij de geografische omschrijving van deze gebieden wordt rekening gehouden met de administratieve grenzen, de natuurlijke barrières en de aanwezige controlevoorzieningen, en met de technologische vooruitgang waardoor de waarschijnlijke verspreiding van het mond- en klauwzeervirus door de lucht of anderszins kan worden voorspeld. Indien nodig wordt deze omschrijving in het licht van deze factoren opnieuw bezien. § 3. De beschermingsgebieden en de toezichtsgebieden worden aan de toegangswegen gemarkeerd met borden van voldoende groot formaat. § 4. Teneinde te zorgen voor een volledige coördinatie van alle maatregelen die nodig zijn om mond- en klauwzeer zo snel mogelijk uit te roeien, worden nationale en lokale ziektebestrijdingscentra opgericht als bedoeld in de artikelen 69 en 71. Voor de uitvoering van het epidemiologisch onderzoek, bedoeld in artikel 13, worden die centra bijgestaan door een groep van deskundigen als bedoeld in artikel 73. § 5. Het Agentschap traceert onverwijld de dieren die vanuit de gebieden verzonden zijn gedurende een tijdvak van ten minste 21 dagen voordat de eerste besmetting in een bedrijf in het beschermingsgebied zich vermoedelijk heeft voorgedaan, en brengt de bevoegde autoriteiten in de andere lidstaten en de Commissie op de hoogte van de resultaten van de tracering van de dieren. § 6. Het Agentschap verleent zijn medewerking aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten voor het traceren van vers vlees, vleesproducten, rauwe melk en rauwmelkse producten, verkregen van ziektegevoelige dieren uit het beschermingsgebied en geproduceerd tussen de datum waarop het mond- en klauwzeervirus waarschijnlijk is ingesleept en de datum waarop in paragraaf 2 genoemde maatregelen in werking treden. Het vers vlees, de vleesproducten, de rauwe melk en de rauwmelkse producten worden behandeld overeenkomstig respectievelijk de artikelen 27, 28 en 29 of worden voor nadere keuring aangehouden totdat een mogelijke verontreiniging met het mond- en klauwzeervirus officieel is uitgesloten. Art. 24.Maatregelen toe te passen op bedrijven gelegen in het beschermingsgebied In het beschermingsgebied worden onverwijld de volgende maatregelen toegepast : 1°) alle bedrijven waar ziektegevoelige dieren verblijven, worden zo spoedig mogelijk geregistreerd en alle op die bedrijven aanwezige dieren worden zo spoedig mogelijk geteld; de registratie en de inventarisatie worden regelmatig bijgewerkt; 2°) op alle bedrijven waar ziektegevoelige dieren worden gehouden, wordt op gezette tijden een veterinaire inspectie verricht die op zodanige wijze wordt uitgevoerd dat verspreiding van eventueel op het bedrijf aanwezig mond- en klauwzeervirus wordt voorkomen; in het kader van die inspectie worden met name de relevante documenten gecontroleerd, waaronder de onder 1°) bedoelde gegevens, alsook de maatregelen die worden toegepast om in- of uitsleep van het mond- en klauwzeervirus te voorkomen, waarbij ziektegevoelige dieren overeenkomstig bijlage III, punt 2.1.1.1., kunnen worden bemonsterd of overeenkomstig bijlage III, punt 1, klinisch worden onderzocht; 3°) ziektegevoelige dieren mogen het bedrijf waar zij worden gehouden, niet verlaten. Art. 25.Verplaatsing en vervoer van dieren en dierlijke producten in het beschermingsgebied. In het beschermingsgebied zijn volgende activiteiten verboden : 1°) verplaatsing tussen bedrijven en vervoer van ziektegevoelige dieren; 2°) jaarmarkten, markten, tentoonstellingen of andere gelegenheden waarbij ziektegevoelige dieren worden bijeengebracht, met inbegrip van het ophalen en afleveren van dieren; 3°) ambulante dekdienst voor ziektegevoelige dieren; 4°) kunstmatige inseminatie van en het winnen van eicellen en embryo's bij ziektegevoelige dieren. Art. 26.Aanvullende maatregelen en afwijkingen § 1. De in artikel 25 vastgestelde verbodsbepalingen kunnen door het Agentschap worden uitgebreid tot : 1°) het verplaatsen of vervoeren van andere dan ziektegevoelige dieren tussen bedrijven in het beschermingsgebied of uit of naar het beschermingsgebied; 2°) de doorvoer van alle soorten dieren door het beschermingsgebied; 3°) evenementen waar personen bijeenkomen die mogelijk in aanraking komen met ziektegevoelige dieren, voorzover er een risico bestaat voor verspreiding van het mond- en klauwzeervirus; 4°) kunstmatige inseminatie van of het winnen van eicellen en embryo's bij niet voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren; 5°) het verplaatsen van voor het vervoer van dieren bestemde vervoermiddelen; 6°) het slachten van ziektegevoelige dieren op het bedrijf voor particuliere consumptie; 7°) het vervoeren van goederen genoemd in artikel 35 naar bedrijven waar ziektegevoelige dieren worden gehouden. § 2. Het Agentschap kan het volgende toestaan : 1°) de doorvoer van alle soorten dieren door het beschermingsgebied, uitsluitend via de hoofdverkeerswegen of de hoofdlijnen van het spoorwegnet; 2°) het vervoer van ziektegevoelige dieren ten aanzien waarvan door de officiële dierenarts wordt verklaard dat zij afkomstig zijn van bedrijven buiten de beschermingsgebieden en die via een vooraf bepaalde route rechtstreeks naar een aangewezen slachthuis worden vervoerd om daar onverwijld te worden geslacht, op voorwaarde dat het vervoermiddel, nadat de dieren zijn afgeladen, in het slachthuis onder toezicht van het Agentschap wordt gereinigd en ontsmet en dat deze decontaminatie wordt opgenomen in het register van de vervoeder bedoeld in artikel 16 van het koninklijk besluit van 9 juli 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 09/07/1999 pub. 02/09/1999 numac 1999016266 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit betreffende de erkenningsvoorwaarden van vervoerders, handelaars, stopplaatsen en verzamelcentra sluiten betreffende de bescherming van dieren tijdens het vervoer en de erkenningsvoorwaarden van vervoerders, handelaars, halteplaatsen en verzamelcentra; 3°) de kunstmatige inseminatie van dieren in een bedrijf uitgevoerd door personeel van dat bedrijf met sperma dat ofwel is gewonnen bij dieren van dat bedrijf, ofwel is opgeslagen in dat bedrijf, ofwel van een erkend spermacentrum, een erkend sperma-opslagcentrum of een erkend spermaverdeelcentrum naar de grens van het terrein van dat bedrijf wordt gebracht; 4°) het verplaatsen en vervoeren van paardachtingen, met inachtneming van de in bijlage VI vastgestelde voorwaarden; 5°) het vervoer, onder bepaalde voorwaarden, van goederen genoemd in artikel 35 naar bedrijven waar ziektegevoelige dieren worden gehouden. Art. 27.Maatregelen betreffende in een beschermingsgebied geproduceerd vers vlees § 1. Het in de handel brengen van vers vlees, gehakt vlees en vleesbereidingen, verkregen van ziektegevoelige dieren uit het beschermingsgebied is verboden. § 2. Het in de handel brengen van vers vlees, gehakt vlees en vleesbereidingen, verkregen van ziektegevoelige dieren en geproduceerd in inrichtingen in het beschermingsgebied is verboden. § 3. Vers vlees, gehakt vlees en vleesbereidingen als bedoeld in paragraaf 1 worden gemerkt overeenkomstig Richtlijn 2002/99/EG en vervolgens in verzegelde containers naar een door het Agentschap aangewezen inrichting vervoerd om te worden verwerkt tot vleesproducten die zijn behandeld overeenkomstig bijlage VII, deel A, punt 1, van dit besluit. § 4. Bij wijze van uitzondering is het in paragraaf 1 vastgestelde verbod niet van toepassing op vers vlees, gehakt vlees en vleesbereidingen die ten minste 21 dagen vóór de waarschijnlijke datum van de eerste besmetting van een bedrijf in het beschermingsgebied zijn geproduceerd en sedertdien niet zijn vervoerd en opgeslagen samen met vlees dat na die datum is geproduceerd. Dat vlees moet aan de hand van een duidelijk merkteken dat overeenkomstig de communautaire regelgeving is vastgesteld, gemakkelijk kunnen worden onderscheiden van vlees dat niet mag worden verzonden naar een bestemming buiten het beschermingsgebied. § 5. Bij wijze van uitzondering is het in paragraaf 2 vastgestelde verbod niet van toepassing op vers vlees, gehakt vlees en vleesbereidingen die onder de onderstaande voorwaarden zijn verkregen in inrichtingen in het beschermingsgebied : 1°) de inrichting staat onder stringente veterinaire controle; 2°) in de inrichting worden alleen vers vlees, gehakt vlees of vleesbereidingen als omschreven in paragraaf 4, dan wel vers vlees, gehakt vlees of vleesbereidingen verwerkt die zijn verkregen van buiten het beschermingsgebied gehouden en geslachte dieren, of van dieren die naar de inrichting vervoerd en daar geslacht zijn overeenkomstig artikel 26, paragraaf 2, punt 2°); 3°) op al het vers vlees, het gehakte vlees en de vleesbereidingen is hetzij het in Richtlijn 64/433/EEG, bijlage I, hoofdstuk XI, vastgestelde keurmerk, hetzij, voor vlees van andere evenhoevigen, het in Richtlijn 91/495/EEG, bijlage I, hoofdstuk III, vastgestelde keurmerk, hetzij, voor gehakt vlees en vleesbereidingen, het in Richtlijn 94/65/EG, bijlage I, hoofdstuk VI, vastgestelde keurmerk aangebracht; 4°) al het vers vlees, het gehakt vlees of de vleesbereidingen als omschreven in paragraaf 4 moeten tijdens het productieproces duidelijk worden geïdentificeerd en tijdens het vervoer en de opslag gescheiden worden gehouden van vers vlees, gehakt vlees en vleesbereidingen die krachtens dit besluit niet naar een bestemming buiten het beschermingsgebied mogen worden verzonden. § 6. Wanneer vers vlees, gehakt vlees en vleesbereidingen bestemd zijn voor het intracommunautaire handelsverkeer, certificeert het Agentschap dat aan het bepaalde in paragraaf 5 is voldaan. Wanneer het gaat om intracommunautair handelsverkeer, stelt het Agentschap de andere lidstaten en de Commissie in het bezit van een lijst van de inrichtingen die zij heeft erkend met het oog op certificering. Art. 28.Maatregelen met betrekking tot in een beschermingsgebied vervaardigde vleesproducten § 1. Het Agentschap verbiedt het in de handel brengen van vleesproducten die zijn vervaardigd met vlees van ziektegevoelige dieren uit een beschermingsgebied. § 2. Bij wijze van uitzondering is het in paragraaf 1 bedoelde verbod niet van toepassing op vleesproducten die hetzij één van de in bijlage VII, deel A, punt 1, vastgestelde behandelingen hebben ondergaan, hetzij geproduceerd zijn met vlees als bedoeld in artikel 27, paragraaf 4. Art. 29.Maatregelen met betrekking tot in een beschermingsgebied geproduceerde melk en melkproducten § 1. Het ophalen van melk in het beschermingsgebied is verboden, tenzij zulks toegestaan is door het Agentschap. Het in de handel brengen van melk van ziektegevoelige dieren uit het beschermingsgebied en van met dergelijke melk vervaardigde melkproducten, is verboden. § 2. Het in de handel brengen van in een inrichting in het beschermingsgebied geproduceerde melk en melkproducten van ziektegevoelige dieren, is verboden. § 3. Bij wijze van uitzondering is het in paragraaf 1 vastgestelde verbod niet van toepassing op melk en melkproducten van ziektegevoelige dieren uit het beschermingsgebied die ten minste 21 dagen vóór de waarschijnlijke datum van de eerste besmetting van een bedrijf in het beschermingsgebied zijn geproduceerd en sedertdien niet zijn vervoerd en opgeslagen samen met melk en melkproducten die na die datum zijn geproduceerd. § 4. Bij wijze van uitzondering is het in paragraaf 1 vastgestelde verbod niet van toepassing op melk van ziektegevoelige dieren uit het beschermingsgebied en met dergelijke melk vervaardigde melkproducten, die één van de in deel A of deel B van bijlage IX vastgestelde behandelingen hebben ondergaan naargelang van de bestemming van de melk of de melkproducten. De behandeling wordt uitgevoerd onder de in paragraaf 6 vastgestelde voorwaarden in inrichtingen als bedoeld in paragraaf 5 of, indien geen dergelijke inrichting in het beschermingsgebied ligt, in inrichtingen buiten het beschermingsgebied volgens de in paragraaf 8 van dit artikel vastgestelde voorwaarden. § 5. Bij wijze van uitzondering is het in paragraaf 2 vastgestelde verbod niet van toepassing op melk en melkproducten die met inachtneming van de in paragraaf 6 van dit artikel vastgestelde voorwaarden zijn vervaardigd in inrichtingen in het beschermingsgebied. § 6. De in de paragrafen 4 en 5 van dit artikel bedoelde inrichtingen moeten aan de volgende voorwaarden voldoen : 1°) de inrichting staat onder permanente en versterkte officiële controle; 2°) alle in de inrichting gebruikte melk voldoet aan het bepaalde in paragrafen 3 en 4 van dit artikel of de rauwe melk is verkregen van dieren buiten het beschermingsgebied; 3°) de melk wordt tijdens het gehele productieproces steeds duidelijk geïdentificeerd en wordt bij vervoer en opslag gescheiden gehouden van rauwe melk en rauwmelkse producten die niet bestemd zijn om buiten het beschermingsgebied te worden gebracht; 4°) het vervoer van rauwe melk van bedrijven buiten het beschermingsgebied naar de inrichtingen wordt verricht met voertuigen die vóór het vervoer zijn gereinigd en ontsmet en die vervolgens geen contact hebben gehad met bedrijven in het beschermingsgebied waar ziektegevoelige dieren worden gehouden. § 7. Wanneer de melk bestemd is voor het intracommunautaire handelsverkeer, certificeert het Agentschap dat aan de in paragraaf 6 van dit artikel vastgestelde voorwaarden is voldaan. Wanneer het gaat om intracommunautair handelsverkeer, stelt het Agentschap de andere lidstaten en de Commissie in het bezit van een lijst van de inrichtingen die werden erkend met het oog op certificering. § 8. Aan vervoer van rauwe melk van bedrijven in het beschermingsgebied naar inrichtingen buiten het beschermingsgebied en het verwerken van die melk zijn de volgende voorwaarden verbonden : 1°) het Agentschap verleent toestemming voor het verwerken van rauwe melk van in het beschermingsgebied gehouden ziektegevoelige dieren in inrichtingen buiten het beschermingsgebied; 2°) in de toestemming wordt de vervoersroute naar de aangewezen inrichting vermeld en worden ter zake instructies gegeven; 3°) de melk wordt vervoerd in voertuigen die voor het vervoer gereinigd en ontsmet zijn, die zodanig gebouwd zijn en onderhouden worden dat er tijdens het vervoer geen melk weglekt en die de nodige uitrusting hebben om aërosolvorming tijdens het laden en lossen van de melk te voorkomen; 4°) voordat het voertuig het bedrijf waar melk van ziektegevoelige dieren is opgehaald, verlaat, worden de melkslangen, de banden, de wielkasten, de onderste delen van het voertuig en eventueel weggelekte melk gereinigd en ontsmet, en, na de laatste ontsmetting en vóór het verlaten van het beschermingsgebied, komt het voertuig niet …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.