Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Decreet tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies

Kort samengevat

Dit decreet regelt het hoger onderwijs in de Franse Gemeenschap, inclusief de academische organisatie van studies, en definieert de instellingen die dit onderwijs mogen aanbieden. Het stelt de missies, doelstellingen en kwaliteitsvereisten vast voor universiteiten, hogescholen en hogere kunstscholen.

Wat het regelt

  • De algemene structuur en organisatie van het hoger onderwijs met volledig leerplan in de Franse Gemeenschap.
  • De opdrachten van instellingen voor hoger onderwijs, waaronder onderwijs, onderzoek en dienstverlening aan de samenleving.
  • De doelstellingen en finaliteiten van het hoger onderwijs, zoals het opleiden van verantwoordelijke burgers en het bevorderen van zelfstandigheid.
  • De typen hoger onderwijs (kort, lang en doctoraat) en de bijbehorende kwalificatieniveaus (5 tot 8 van het Franstalige kwalificatiekader).

Wie het aanbelangt

  • Instellingen voor hoger onderwijs in de Franse Gemeenschap, waaronder universiteiten, hogescholen en hogere kunstscholen.
  • Studenten en personeel van deze instellingen, alsook onderzoekers die betrokken zijn bij fundamenteel, toegepast of kunstonderzoek.

Kernpunten

  • Alleen de in dit decreet bedoelde instellingen mogen academische bekwaamheidsbewijzen en graden toekennen en diploma's uitreiken.
  • Het hoger onderwijs heeft drie aanvullende opdrachten: onderwijs, onderzoek/innovatie/creatie en dienstverlening aan de samenleving.
  • Instellingen moeten zorgen voor de kwaliteit van al hun activiteiten en een interne zelfevaluatie uitvoeren.
  • Het hoger onderwijs kent kwalificatieniveaus van 5 tot 8, waarbij doctoraten (niveau 8) uitsluitend door universiteiten worden uitgereikt.
Wettekst
Wettekst

7 NOVEMBER 2013. - Decreet tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies (1) Het Parlement van de Franse Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekr

§ 1

, 2°, op de voordracht van deze;2° een ondervoorzitter,

§ 1

, 3°, op de voordracht van deze;3° een ondervoorzitter,

§ 1

, 4°, op de voordracht van deze;4° een ondervoorzitter, uit de leden bedoeld in § 1, 5°, op de voordracht van deze. Hun mandaat bedraagt één jaar en is hernieuwbaar. Bij verhindering van de voorzitter of als de functie vacant is, wordt de functie voorlopig uitgeoefend door een ondervoorzitter die door hen collegiaal wordt gekozen, of, bij gebreke van die, door de oudste onder hen. Art. 29.De raad van bestuur van de ARES vergadert ten minste zes keer per academiejaar, als de voorzitter de bijeenroeping organiseert, of op aanvraag van ten minste één vijfde van zijn leden. Zijn beslissingen worden met een quorum van 50 % van de aanwezige werkende of plaatsvervangende leden genomen, met uitzondering van de aangelegenheden bedoeld in artikel 21, 1°, 2°, 3°, 4°, 13°, 14°, 15° en 16°, waarvoor een gekwalificeerde tweederdemeerderheid vereist is; zijn huishoudelijk reglement kan andere regels vaststellen inzake quorum van de aanwezige leden en versterkte meerderheden dan deze bepaling. De beraadslagingen verlopen achter gesloten deuren, maar de beslissingen worden bekendgemaakt. De leden van de raad van bestuur zijn ertoe gehouden die vertrouwelijkheid in acht te nemen, te zorgen voor de collegialiteit van de beslissingen van die Raad en zich te onthouden van elke actie die in strijd zou zijn met de opdrachten van de ARES, op straffe van ontslagverlening of schorsing door de Regering. De raad kan iedere persoon horen die hij wenst te horen over een punt van zijn agenda; deze woont de beraadslaging niet bij. Hij nodigt zo de voorzitter van zijn commissies voor de punten waarvoor ze werden geraadpleegd, voor. Art. 30.De raad van bestuur van de ARES stelt zijn huishoudelijk reglement op, dat het de Regering ter goedkeuring voorlegt. Art. 31.De raad van bestuur van de ARES brengt, uiterlijk op 1 december, een verslag uit over zijn activiteiten van het verlopen academiejaar aan de Regering, die het vervolgens aan het Parlement van de Franse Gemeenschap overzendt. Art. 32.Het uitvoerend bureau van de ARES wordt door de raad van bestuur aangesteld; het is uit 9 leden samengesteld : de voorzitter, de vier ondervoorzitters en twee leden van elk van de categorieën 6° en 7°, voorgedragen door dezen. Hun mandaat duurt één jaar en is hernieuwbaar. Ieder lid van het bureau kan een plaatsvervanger hebben, aangewezen volgens de door de raad van bestuur nader te bepalen regels. Het uitvoerend bureau neemt alle dringende maatregelen, op voorwaarde dat ze door de raad van bestuur bij de eerstvolgende vergadering worden goedgekeurd. Het uitvoerend bureau neemt ook alle maatregelen inzake beheer van het personeel die hem door de Regering bij toepassing van artikel 24 worden toevertrouwd. Het stelt, in overleg met de Administrateur, de agenda van de vergaderingen van de raad van bestuur vast. Een punt wordt op de agenda van de volgende vergadering gezet op aanvraag van ten minste één vijfde van de leden van de raad van bestuur. Art. 33.De Administrateur woont de vergadering bij van de raad van bestuur, het uitvoerend bureau, de thematische kamers, de vaste commissies en de raad van bestuur van de ARES. Hij kan zich daar laten vertegenwoordigen door een personeelslid van de ARES. Hij maakt de notulen van die vergaderingen op en, zodra ze goedgekeurd zijn, zendt hij die aan de Regering voor informatie over. Hij zorgt voor de publiciteit van de raad en het bureau, alsook van de adviezen die worden uitgebracht door de thematische kamers, de vaste commissies en de oriëntatieraad. Art. 34.De volgende personen wonen de vergaderingen van de raad van bestuur met raadgevende stem bij : 1° de voorzitter van de oriëntatieraad van de ARES;2° de voorzitter van de sturingscommissie van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs, opgericht bij het decreet van 27 maart 2002Relevante gevonden documenten type decreet prom. 27/03/2002 pub. 17/05/2002 numac 2002029247 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de begeleiding van het onderwijssysteem van de Franse Gemeenschap sluiten betreffende de sturing van het onderwijssysteem van de Franse Gemeenschap;3° de directeur-generaal van het niet-verplicht onderwijs en van het wetenschappelijk onderzoek van het Ministerie van de Franse Gemeenschap of de vertegenwoordiger ervan;4° de secretaris-generaal van het FRS-FNRS of diens vertegenwoordiger;5° de voorzitter van de raad voor het wetenschapsbeleid in het Waalse Gewest;6° de voorzitter van de raad voor het wetenschapsbeleid van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Afdeling IV. - Controle Art. 35.De Regering wijst een commissaris bij de ARES aan. Deze woont, met raadgevende stem, de vergaderingen van de raad van bestuur en het uitvoerend bureau bij; hij kan eveneens de vergaderingen van de thematische kamers en de vaste commissies van de ARES bijwonen. Art. 36.De commissaris van de Regering beschikt over een termijn van één week om een beroep in te dienen tegen de uitvoering van elke beslissing die hij strijdig acht met de wetten, decreten of besluiten en verordeningen, genomen krachtens die wetten en decreten of het algemeen belang. Het beroep is opschortend. Dat beroep loopt vanaf de dag van de vergadering waarop de beslissing werd genomen, voor zover de commissaris van de Regering daarvoor regelmatig werd opgeroepen, en, zo niet, vanaf de dag waarop hij daarvan in kennis werd gesteld. De commissaris dient zijn beroepen bij de Regering in. Indien de Minister bij wie het beroep aanhangig werd gemaakt niet binnen een termijn van één maand die op dezelfde dag als de in het eerste lid bedoelde termijn begint, de intrekking heeft uitgesproken, wordt de beslissing definitief. De intrekking van de beslissing wordt aan de raad van bestuur meegedeeld door de Minister die ze heeft uitsproken. Afdeling V. - Kamers en commissies Art. 37.Om te beslissen over de aangelegenheden in verband met onderzoek, inhoud van de studies en opleidingen en studieaanbod, met inbegrip van de machtigingen, neemt de raad van bestuur het advies in van één of meer thematische kamers, naargelang van hun bevoegdheden. Dat advies wordt door de ARES meegedeeld of gevoegd bij het advies van de ARES. De ARES geeft een bijzondere motivatie voor haar beslissing, wanneer deze afwijkt van het advies van haar thematische kamers. De volgende thematische kamers worden opgericht, met als uitsluitende bevoegdheden : 1° voor de kamer van de universiteiten : de materies in verband met het fundamenteel of toegepast wetenschappelijk onderzoek, verricht binnen de universiteiten, met inbegrip van de interacties met het FRS-FNRS, met de studies van de 3e cyclus (niveau 8), waaronder de regeling van de doctoraatsopleidingen en de organisatie van de thematische doctoraatsscholen en de gezamenlijke onderzoeksactiviteiten, en de master specialisatie, alsook deze die verband houden met de studies van het lange type (niveaus 6 en 7), uitsluitend georganiseerd aan de universiteit vóór de inwerkingtreding van dit decreet;2° voor de kamer van de hogescholen en het hoger onderwijs voor sociale promotie : de materies in verband met het toegepast wetenschappelijk onderzoek, verricht binnen de hogescholen, de studies in één cyclus of minder (niveaus 5 en 6), specialisatie van niveau 6, alsook deze die verband houden met de studies van het lange type (niveaus 6 en 7), uitsluitend in hogescholen georganiseerd of als onderwijs voor sociale promotie vóór de inwerkingtreding van dit decreet;3° voor de kamer van de hogere kunstscholen : de materies in verband met het kunstonderzoek, de kunststudies van de eerste cyclus en van de tweede cyclus (niveaus 6 en 7). De andere materies in verband met de studies en de opleiding, inzonderheid de evolutie van het aanbod van niet artistieke studies van het lange type (niveaus 6 en 7), behoren tot de gedeelde bevoegdheid van twee of de drie kamers die vergaderen en zich gezamenlijk uitspreken. Dit geldt ook voor de doctoraatsopleiding kunst en kunstwetenschap die tot de gemeenschappelijke bevoegdheid van de kamer van de universiteiten en de kamer van de hogere kunstscholen behoort. Overeenkomstig artikel 42, kunnen die kamers ook elke specifieke gemeenschappelijke commissie oprichten, inzonderheid om de transversale doelstelling van het onderwijsaanbod te bereiken. Art. 38.De leden van het bureau van de ARES zijn van rechtswege lid van de thematische kamers, en iedere ondervoorzitter, afkomstig uit de categorieën 2°, 3° en 4° bedoeld in artikel 28, § 1, zit de thematische kamer voor die specifiek is voor zijn type instelling. Ze roepen die, in overleg met de Administrateur, bijeen en maken de agenda op, waarbij ze zorgen voor de globale samenhang van de werkzaamheden tussen de verschillende kamers. Op aanvraag van minstens één vijfde van de leden van een thematische kamer, wordt een punt op de agenda van de volgende vergadering gezet. Om die samenhang te waarborgen, kan een verhinderd lid van het bureau van de ARES zich door zijn plaatsvervanger laten vervangen op het uitvoerend bureau van de ARES. Ze brengen systematisch verslag over de vergaderingen van de thematische kamers uit aan de raad van bestuur van de ARES. Art. 39.De thematische kamers zijn, naast uit de leden van het bureau van de ARES, samengesteld uit de volgende leden : 1° voor de kamer van de universiteiten : de rectoren van de universiteiten;2° voor de kamer van de hogescholen en het hoger onderwijs voor sociale promotie : de directeurs-voorzitters van de hogescholen en een vertegenwoordiger, afkomstig uit de instellingen voor hoger onderwijs voor sociale promotie van elke academische pool, door deze voorgedragen;3° voor de kamer van de hogere kunstscholen : de directeurs van de hogere kunstscholen. Aan die leden worden personeelsleden en studenten toegevoegd, afkomstig uit de instellingen waarop elke thematische kamer betrekking heeft, zodat ze in totaal uit minstens 20 % vertegenwoordigers van het personeel en 20 % studenten zou bestaan, onder wie, voor de kamer van de hogescholen en het hoger onderwijs voor sociale promotie, minstens één personeelslid en één student, afkomstig uit een instelling voor sociale promotie, voorgedragen door de leden van de raad van bestuur van de ARES respectievelijk bedoeld bij 6° en 7°. Een lid van een thematische kamer die verhinderd is, kan zich laten vertegenwoordigen door een plaatsvervanger, die volgens de in artikel 28 nader bepaalde regels wordt aangewezen. De leden van het bureau van de ARES die niet afkomstig zijn uit de instellingen waarop de thematische kamer betrekking heeft, hebben daar alleen met raadgevend stem zitting. In de kamer van de hogescholen en het hoger onderwijs voor sociale promotie, voor alle materies betreffende de overeenstemming of de gelijkwaardigheid van bekwaamheidsbewijzen tussen beide vormen van onderwijs, zorgt de weging van de stemmen voor een gelijk aantal leden afkomstig uit de hogescholen en deze die afkomstig zijn uit de instellingen voor sociale promotie. De raad van bestuur van de ARES wijst de leden van de thematische kamers aan. De mandaten van de leden van de kamers worden in overeenstemming gebracht met die van de raad van bestuur van de ARES, volgens dezelfde nadere regels. De ARES zendt de Regering de samenstelling van de thematische kamers over. Art. 40.De ARES stelt de volgende vaste commissies samen, die, op haar aanvraag, worden belast met het voorbereiden van haar beraadslagingen en beslissingen : 1° de « Commission de la Mobilité des étudiants et du personnel (CoM) » (Commissie voor de mobiliteit van studenten en personeel);2° de « Commission de l'Information sur les Etudes (CIE) » (Commissie voor de informatie over de studies) ;3° de « Commission de l'aide à la réussite (CAR) » (Commissie voor de verbetering van de slaagkansen);4° de « Commission de la Coopération au Développement (CCD) »(Commissie voor ontwikkelingssamenwerking);5° de « Commission des Relations internationales « (CRI)(Commissie voor internationale betrekkingen);6° de « Commission de la Vie étudiante, Démocratisation et Affaires sociales (CoVEDAS) »(Commissie voor studentenleven, democratisering en sociale zaken);7° de « Commission Développement Durable (CDD) » (Commissie voor duurzame ontwikkeling);8° de « Commission pour la Qualité de l'Enseignement et de la Recherche (CoQER) »(Commissie voor de kwaliteit van onderwijs en onderzoek);9° de « Commission de la Valorisation de la Recherche et de la Recherche interuniversitaire (CoVRI) »(Commissie voor herwaardering van onderzoek en interuniversitair onderzoek);10° de « Commission Observatoire et Statistiques (COS) »(Commissie waarnemingscentrum en statistiek);11° de « Commission des Bibliothèques et Services académiques collectifs (CBS) »(Commissie bibliotheken en collectieve academische dienstverlening);12° de « Commission de la Formation continue et de l'Apprentissage tout au long de la Vie (CoFoC)(Commissie voortgezette opleiding en leven lang leren). De ARES omvat ook de commissie belast met het ontvangen van de klachten van de studenten betreffende de weigering van een inschrijving, bedoeld in artikel 97, waarvan ze de griffie waarneemt. Art. 41.De raad van bestuur van de ARES bepaalt de samenstelling van die vaste commissies en benoemt er de leden van, die worden gekozen voor hun bijzondere bekwaamheid in verband met het doel van de commissie. De « Commission de l'aide à la réussite (CAR) » (Commissie voor de verbetering van de slaagkansen) en de « Commission de la Vie étudiante, Démocratisation et Affaires sociales (CoVEDAS) »(Commissie voor studentenleven, democratisering en sociale zaken) tellen 50 % studenten; de « Commission de la Formation continue et de l'Apprentissage tout au long de la Vie (CoFoC) » (Commissie voortgezette opleiding en leven lang leren) telt ten minste een vertegenwoordiger en een student afkomstig uit een instelling voor sociale promotie. De raad van bestuur van de ARES stelt een voorzitter voor elke vaste commissie aan. De mandaten van de leden van de vaste commissie worden in overeenstemming gebracht met die van de raad van bestuur van de ARES. Ze zijn hernieuwbaar. Art. 42.De raad van bestuur van de ARES en de thematische kamers kunnen andere commissies samenstellen die worden belast met een bijzonder vraagstuk voor een beperkte duur. De leden worden gekozen voor hun bijzondere bekwaamheid in rechtstreeks verband met het onderwerp van het vraagstuk. Art. 43.Het huishoudelijk reglement van de ARES bepaalt de werkwijze van de thematische kamers en de commissies van de ARES. Afdeling VI. - Oriëntatieraad Art. 44.De Oriëntatieraad van de ARES wordt belast met het uitbrengen van adviezen aan de Raad van bestuur van de ARES met als doel het bijdragen tot een betere organisatie van het hogeronderwijssysteem in de Franse Gemeenschap en een aanbod aan studies dat best in overeenstemming is met de algemene opdrachten van het hoger onderwijs, in functie van de socio-economische en sociaal-culturele werkelijkheden en de behoeften op lange termijn inzake intellectuele, wetenschappelijke, artistieke en technische competenties. Hij kan beraadslagen over alle onderwerpen die de toekomst kunnen beïnvloeden van het Hoger onderwijs en het Wetenschappelijk onderzoek in de Franse Gemeenschap. Art. 45.De Oriëntatieraad van de ARES wordt samengesteld uit 33 leden, die allemaal stemgerechtigd zijn, en die door de Regering aangewezen worden, met de volgende verdeling: 1° acht vertegenwoordigers van de profit and non-profit socio-economische sectoren vertegenwoordigd door de interprofessionele syndicale verenigingen en de werkgeversorganisaties;2° twee vertegenwoordigers van de culturele wereld gekozen om hun internationale faam;3° twee wetenschappers gekozen wegens hun internationale faam;4° twee personen gekozen om hun bekwaamheden in verband met het hoger onderwijs, voorgedragen door de Raad van bestuur van de ARES buiten zijn leden;5° zes vertegenwoordigers van de politieke wereld, verdeeld in functie van de samenstelling van het Parlement van de Franse Gemeenschap en voorgedragen door hem;6° vier vertegenwoordigers van de inrichtende machten van het leerplichtonderwijs;7° vier vertegenwoordigers van de inrichtende machten van het hoger onderwijs;8° twee vertegenwoordigers van de verenigingen die de studenten vertegenwoordigen en die op gemeenschapsniveau erkend zijn;9° één vertegenwoordiger van het FRS-FNRS;10° één vertegenwoordiger van het Agence pour l'Evaluation de la Qualité de l'enseignement supérieur organisé ou subventionné par la Communauté française (Agentschap voor de Evaluatie van de Kwaliteit van het hoger onderwijs ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap (AEQES));11° de Voorzitter van de Sturingscommissie van het Onderwijs ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap. Ieder lid kan een plaatsvervanger hebben. Het plaatsvervangend lid zetelt enkel bij afwezigheid van het werkend lid. De leden van de Oriëntatieraad van de ARES worden voor een periode van vijf jaar aangewezen. Hun mandaat kan vernieuwd worden. Elk lid dat de hoedanigheid heeft verloren wegens welke het aangewezen werd, wordt als ontslagnemend geacht. Wanneer een lid zijn ontslag indient of tijdens zijn mandaat overlijdt, wordt het volgens dezelfde nadere regels vervangen om zijn mandaat te voleindigen. De Directeur-generaal van het niet-verplicht onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek van het Ministerie van de Franse Gemeenschap of diens vertegenwoordiger woont de Oriëntatieraad met raadgevende stem bij. Art. 46.De Leden van het Uitvoerend bureau van de ARES alsook zijn Administrateur of zijn vertegenwoordiger wonen de vergaderingen van de Oriëntatieraad met raadgevende stem bij. De Administrateur stelt de notulen van deze vergaderingen op en zendt ze, zodra ze goedgekeurd worden, ter informatie aan de Raad van bestuur van de ARES over. Art. 47.De Oriëntatieraad verkiest in zijn midden een Voorzitter, onder de werkende leden van de Oriëntatieraad van de categorieën 1° tot 3° van artikel

  1. Zijn mandaat bedraagt vijf jaar en kan vernieuwd worden. Indien hij zijn hoedanigheid als lid van de Oriëntatieraad verliest of als hij zijn ontslag indient, wordt hij vervangen voor het voleindigen van zijn mandaat volgens dezelfde nadere regels. In afwezigheid van de Voorzitter van de Oriëntatieraad, verkiezen de aanwezigen leden een vergaderingsvoorzitter. Art. 48.De Oriëntatieraad van de ARES vergadert minstens één keer om het jaar, en op elk verzoek van de raad van bestuur van de ARES, de Regering of minstens één vijfde van de leden. De agenda van de vergaderingen wordt door de Voorzitter vastgesteld, in overleg met de Administrateur en het Uitvoerend bureau van de ARES. Een punt komt voor op de agenda van de eerstvolgende vergadering op aanvraag van minstens één vijfde van de leden van de Oriëntatieraad. De adviezen van de Oriëntatieraad worden publiek gemaakt. Ze worden gevoegd bij het jaarverslag van de ARES. Art. 49.De Oriëntatieraad van de ARES stelt zijn eigen huishoudelijk reglement op dat hij aan de goedkeuring van de Regering voorlegt. Art. 50.Overeenkomstig artikel 42 kan de Oriëntatieraad aan de ARES de samenstelling van commissies voorstellen die belast zouden zijn met bijzondere kwesties, voor een bepaalde duur en waarvan de leden gekozen worden wegens hun specifieke competentie in rechtstreeks verband met het doel van de Commissie. Art. 51.De Orientatieraad van de ARES brengt elk jaar voor de Raad van bestuur van de ARES, ten laatste op 1 november, een advies uit over het aanbod inzake studies en voortgezette opleiding. Binnen de maand voegt de ARES, eventueel met commentaar, dit advies bij zijn jaarverslag. HOOFDSTUK III. - Academische pool Afdeling I. - Definities en opdrachten Art. 52.Een academische pool is een vereniging zonder winstoogmerk waarvan de leden instellingen voor hoger onderwijs zijn, waaronder minstens een Universiteit, vereniging die op de geografische nabijheid van hun vestigingen steunt. Elke instelling voor hoger onderwijs behoort tot een of meerdere Academische polen, naargelang de plaats van de vestigingen. Het behoren tot een pool wordt door de lijst van de machtigingen om initiële studies van de eerste en de tweede cyclussen in te richten bedoeld bij artikel 88, § 1, bepaald. Art. 53.Een Academische pool is een overleg- of dialoogplaats tussen instellingen voor hoger onderwijs. Hij heeft tot hoofdopdracht de promotie van alle vormen van samenwerking tussen de leden en het steunen ervan alsook het bevorderen van de samenwerking om de studenten kwaliteitsdiensten aan te bieden. Dus, onverminderd de opdrachten van de ARES en de academische zones, zorgt een Academische pool voor: 1° de promotie en de begeleiding van de mobiliteit van de studenten en de leden van het personeel, mits inachtneming van hun statuut en op vrijwillige basis, tussen de verschillende vestigingen en de instellingen, met inbegrip van de nadere praktische en financiële regels;2° het aanbod van collectieve diensten bestemd voor het personeel en de studenten van zijn leden, inzonderheid van de bibliotheken en studiezalen, de restaurants en leefvriendelijke plaatsen, medische, sociale diensten en diensten voor psychologische begeleiding, sport- en culturele activiteiten, en het beheren van de ermee gepaard gaande ontvangsten en uitgaven;3° het federeren en inrichten van de raadgeving en begeleiding voor persoonlijke studiegangen alsook de pedagogische steun voor de leerkrachten;4° de coördinatie van het informeren en het oriënteren van de toekomstige studenten omtrent de verschillende ingerichte studies en de vertegenwoordiging van zijn leden bij elke informatieactiviteit in verband met de hogere studies of in verband met het leerplichtonderwijs;5° de coördinatie van de opleidingen die op de hogere studies voorbereiden en elke andere activiteit die de overgang tussen het leerplichtonderwijs en het hoger onderwijs kan bevorderen;6° het behartigen van de relaties tussen alle lidinstellingen, hun personeel en hun studenten met de plaatselijke actoren, of ze privé of openbaar zijn;7° het bevorderen van de creatie op zijn niveau van gefedereerde centra betreffende de disciplines voor onderzoek, onderwijs of diensten, die de competenties en teams van lidinstellingen van de Pool samenbrengen;8° het behartigen van een gedeeld gebruik van de infrastructuren, uitrustingen en roerende en onroerende goederen prioritair bestemd voor de opdrachten inzake onderwijs, onderzoek en dienst ten bate van de collectiviteit;9° en, meer algemeen, het aanbieden van een bevoorrechte plaats voor dialoog en reflectie onder leden. De statuten van elke Academische pool vermelden hoe deze opdrachten verwezenlijkt moeten worden. Art. 54.Voor de uitoefening van zijn opdrachten kan een Academische pool of een instelling voor hoger onderwijs partnerschapsbanden leggen met andere Academische polen of instellingen voor hoger onderwijs in de Franse Gemeenschap of groepen van instellingen voor hoger onderwijs buiten de Franse Gemeenschap. Deze maken het voorwerp uit van een overeenkomst. Art. 55.Voor de verwezenlijking van zijn opdrachten en in functie van de beschikbare middelen kan de Regering menselijke, materiële en financiële middelen ter beschikking stellen van de Pool, indien nodig. De lidinstellingen van een Pool kunnen hem ook menselijke, materiële en financiële middelen ter beschikking stellen. Het betrokken personeel behoudt integraal zijn statuut, zijn rechten en zijn voordelen. De lidinstellingen van een Academische pool kunnen, indien gewenst, alle nodige geldoverdrachten maken die noodzakelijk zijn voor hun verplichtingen in het kader van de Pool of van de verschillende ermee gepaard gaande samenwerkingsverplichtingen. Art. 56.Onverminderd de vorige artikelen, kent de Franse Gemeenschap aan iedere Pool een jaarlijkse subsidie toe van 250,000 euro bestemd voor het dekken van zijn behoeften inzake eigen personeel en werking. Elk jaar wordt dit bedrag aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer voor de consumptieprijzen door dit bedrag te vermenigvuldigen met de coëfficiënt: Indexcijfer gezondheid van december van het betrokken begrotingsjaar gedeeld door het indexcijfer van december
  2. Afdeling II. - Organisatie Art. 57.Een Academische pool wordt beheerd door een Raad van bestuur samengesteld uit 30 leden maximum komend uit de lidinstellingen. Hij is bevoegd voor alle aangelegenheden, met uitzondering van deze die uitdrukkelijk onder de bevoegdheid vallen van zijn Algemene vergadering, krachtens artikel
  3. Hij wordt voorgezeten door de Rectoren van Universiteiten die hun maatschappelijke zetel hebben op het grondgebied van de Pool en door een Directeur-Voorzitter van een hogeschool die haar maatschappelijke zetel heeft op het grondgebied van de Pool, als die bestaat. Deze laatste wordt beurtelings door de Raad van bestuur van de Pool aangewezen onder de Directeurs-Voorzitters van één van de bedoelde hogescholen. De Raad stelt ook twee Ondervoorziters aan: één onder de Directeurs van de Hogere kunstscholen die hun maatschappelijke zetel hebben op het grondgebied van de Pool, één ander onder de Directeurs van de Instellingen voor sociale promotie die hun maatschappelijke zetel hebben op het grondgebied van de Pool. De samenstelling van de Raad van bestuur van een Academische pool is een weerspiegeling van de relatieve omvang van de instellingen inzake aantal gediplomeerden van de initiële BES-opleiding, bachelor en master voortkomend uit studies gevolgd op het grondgebied van de Pool krachtens een machtiging verkregen door de instelling op dat grondgebied, met een minimale vertegenwoordiging, mogelijk onrechtstreeks, van de instellingen met gereduceerde omvang. Ze zorgt voor de aanwezigheid van elke vorm van onderwijs en van de verscheidene categorieën van de academische gemeenschap ervan, waaronder minstens 20% van vertegenwoordigers van het personeel en minstens 20% van studenten. Met uitsluiting van de leden ex officio, moet minstens een derde, afgerond naar de hogere eenheid, van de leden van de Raad van bestuur personen zijn van het ander geslacht, behoudens met redenen omklede onmogelijkheid. Binnen deze raad, voor de aangelegenheden die betrekking hebben op het onderwijsaanbod op het grondgebied van de Pool, zijn de vertegenwoordigers van de instellingen die over geen machtiging beschikken in een vestiging van de Pool voor studies van de eerste of tweede cyclus van het studiegebied niet stemgerechtigd. Art. 58.De Algemene vergadering van de lidinstellingen van een Academische pool stelt de statuten ervan vast. Ze is ook als enige bevoegd voor elke wijziging van deze. Binnen de Algemene vergadering, beschikt elke instelling over een aantal stemmen dat evenredig is met het aantal gediplomeerden van de initiële BES-opleiding, bachelor en master voortkomend uit studies gevolgd op het grondgebied van de Pool krachtens een machtiging verkregen door de instelling op dit grondgebied. De Algemene vergadering beslist bij de eenvoudige meerderheid, met een eenvoudige meerderheid onder de vertegenwoordigers van respectief de Universiteiten, de hogescholen, de Hogere kunstscholen en de Instellingen voor sociale promotie. De statuten alsook elke wijziging in verband ermee worden zonder verwijl ter goedkeuring aan de Regering overgezonden. De Regering bepaalt de statuten van de Academische pool bij gebreke aan beslissing van de Algemene vergadering binnen de zes maanden van de inwerkingtreding van dit decreet. Deze statuten bepalen inzonderheid: 1° het implementeren van de opdrachten bepaald bij artikel 53, tweede lid, alsook de bijzondere opdrachten toevertrouwd aan de Pool door zijn leden;2° de werkwijze van de Pool;3° de maatschappelijke zetel ervan;4° de competenties, de samenstelling, de mode voor de aanwijzing van de leden en de werkwijze van zijn Raad van bestuur, alsook van de andere beheers- of adviesorganen bestaande binnen de Pool om de opdrachten ervan te verwezenlijken. Art. 59.Met doeltreffendheid als doel, inzonderheid om zijn opdrachten bedoeld bij artikel 53, 2° en 8°, te vervullen, kan een Academische pool organen oprichten meer specifiek belast met een deel van zijn grondgebied. Wanneer de Algemene vergadering van een Academische pool de statuten ervan vaststelt, zoals bepaald bij artikel 58, brengt ze een advies uit over de oprichting ervan. De beslissing om er al dan niet één op te richten wordt bij consensus genomen. De samenstelling en de opdrachten van deze organen worden ook tijdens een beraadslaging met consensusprocedure vastgelegd. Bij gebreke aan een consensus onder de leden, kan de Academische pool de zaak bij de Regering aanhangig maken, die dan definitief de statuten van deze organen bepaalt. Art. 60.De Regering wijst een Regeringscommissaris aan bij elke Academische pool, gekozen onder deze die bij een lidinstelling aangesteld worden. Het ambt van Regeringscommissaris bij een Academische pool wordt overeenkomstig het decreet van 12 juli 1990 op de controle van de universitaire instellingen, uitgeoefend. Art. 61.Voor het financiële beheer van de Academische polen wordt gezorgd overeenkomstig de bepalingen betreffende de instellingen van openbaar nut van categorie B van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut en de uitvoeringsbesluiten ervan. In zijn financiële beheer wordt een Academische pool ertoe gemachtigd elk mogelijk saldo van zijn rekeningen naar het volgende begrotingsjaar over te dragen. Art. 62.Er worden vijf Academische polen opgericht, verdeeld als volgt: 1° de Pool Luik-Luxemburg, op het grondgebied van de Provincies Luik en Luxemburg;2° de Pool « Louvain », op het grondgebied van de Provincie Waals Brabant;3° de Pool Brussel, op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;4° de Pool Henegouwen, op het grondgebied van de Provincie Henegouwen;5° de Pool Namen, op het grondgebied van de Provincie Namen. HOOFDSTUK IV. - Academische zones Art. 63.Een academische zone tussen verscheidene polen is een adviesinstantie bestaande uit de leden van de Raden van bestuur van de Academische polen ervan. Een academische zone tussen verscheidene polen heeft enkel als opdrachten de ARES een evolutie van het aanbod aan hoger onderwijs van het korte type voor te stellen en projecten aan te moedigen of te coördineren inzake steun tot het slagen van studenten. Art. 64.De beslissingen van een academische zone tussen verscheidene polen worden bij de tweederde meerderheid en bij de eenvoudige meerderheid binnen elke Raad van bestuur van de Academische polen waaruit ze bestaat, genomen. De Regering kan nadere regels bepalen voor de werking van de academische zones tussen verscheidene polen. Art. 65.Er bestaan drie academische zones tussen verscheidene polen, verdeeld als volgt: 1° de zone Luik-Luxemburg- Namen die de Academische polen samenbrengt bedoeld bij artikel 62, 1° en 5° ;2° de zone Brussel-Waals Brabant die de Academische polen bedoeld bij artikel 62, 3° en 2°, bijeenbrengt;3° de zone Henegouwen die met de Academische pool bedoeld bij artikel 62, 4°, overeenstemt. TITEL III. - Organisatie van de studies en statuut van de student HOOFDSTUK I. - Structuur en minimale inhoud van de studies Art. 66.§
  4. De hogere studies worden in drie cyclussen ingericht. De initiële cursussen bevatten één of twee studiecyclussen, naargelang het onderwijstype. De specialisatiestudies vervolledigen de initiële opleiding van een gediplomeerde van de eerste of tweede cyclus en behoren tot datzelfde niveau, inzonderheid wanneer de bijzondere voorwaarden voor de toegang tot het beroep het vergen. Meer specifiek, de studies die tot de graad van geaggregeerde van het hoger secundair onderwijs (GHSO) leiden zijn toegankelijk voor de houders van een academische graad van master en worden in aanmerking genomen als 30 studiepunten van niveau
  5. De studies van de derde cyclus omvatten de doctorale opleidingen en de werkzaamheden in verband met de voorbereiding van een doctoraatsthesis. De diploma's en getuigschriften die aanleiding geven tot de toekenning van studiepunten uitgereikt overeenkomstig dit decreet zijn de enige erkende kwalificaties voor de niveaus 5 tot 8 van het Franstalige kwalificatiekader. §
  6. De studies van voortgezette opleiding bieden aan de gediplomeerden van het hoger onderwijs en de personen die de verworven kennis en vaardigheden op professioneel of persoonlijk niveau in aanmerking kunnen laten nemen of gelijkwaardig personeel, op het einde van hun initiële opleiding of levenslang en met een persoonlijk, maatschappelijk of beroepsdoel, gestructureerde gehelen van leeractiviteiten met als doel het vervolledigen, uitbreiden, verbeteren, actualiseren of de vervolmaking van hun kennis, knowhow, vaardigheden en kwalificaties, verworven zowel tijdens hun vorige studies als door hun persoonlijke of beroepservaring. Deze studies kunnen tot de uitreiking leiden van diploma's, bekwaamheidsbewijzen, getuigschriften of attesten, naargelang hun inhoud en hun statuut. Het gaat om studies van de eerste of tweede cyclus naargelang van het niveau van de leeractiviteiten die ze bevatten. §
  7. De instellingen voor hoger onderwijs kunnen ook andere activiteiten inrichten of opleidingen die tot geen van deze categorieën behoren; deze worden niet door een bekwaamheidsbewijs of een academische graad bekrachtigd en leiden niet tot de uitreiking van een diploma of een getuigschrift. §
  8. Voor de studies en de opleidingen bedoeld bij de paragrafen 2 en 3, dragen het inschrijvingsgeld gevergd van de studenten, de mogelijke specifieke financiering en de eigen vermogensmiddelen bestemd door de instelling bij tot de dekking van de kosten die gepaard gaan met de organisatie van dit onderwijs. Deze bepaling is niet van toepassing op de opleiding van het CAPAES noch op de opleidingen ingericht door de Instellingen voor sociale promotie. Art. 67.Het studiepunt is een meetinstrument voor het geheel van de werkzaamheden van een student voor één of meerdere leeractiviteiten, binnen een studieprogramma, ervan uitgaande dat de werkzaamheden van een student die zich voltijds aan zijn studies besteedt gedurende een academiejaar voor hem een last van 60 studiepunten vertegenwoordigen. Een studiepunt stemt forfaitair overeen met 30 uren leeractiviteiten. Deze tijdopdracht is enkel gedeeltelijk besteed aan onderwijs rechtstreeks ingericht door de instelling en bevat andere geassocieerde activiteiten, zoals de werkzaamheden, de persoonlijke oefeningen, voorbereidingen, studies, projecten, documentaire opzoekingen, toetsen of sociaalprofessionele onderdompeling. De studiepunten die geassocieerd worden met een leereenheid binnen een studieprogramma worden in hele getallen uitgedrukt, zonder dat een onderwijseenheid tot meer dan dertig studiepunten aanleiding kan geven. Bij uitzondering daarop, in de studies van de tweede cyclus van de kunstsector, kan een onderwijseenheid aanleiding geven tot meer dan dertig studiepunten indien de toekenning van deze het resultaat is van meerdere evaluaties van aparte leeractiviteiten, waarbij elke activiteit voor minder dan dertig studiepunten in aanmerking wordt genomen. De activiteiten van opniveaustelling, remediëring, zelfopleiding en persoonlijke verrijking maken niet het voorwerp uit van een berekening in studiepunten in een studieprogramma en worden dus niet in deze definitie van de opdracht van een student in aanmerking genomen. Nochtans, op de voorwaarden vastgelegd door de academische autoriteiten, kunnen dergelijke activiteiten in aanmerking worden genomen door de examencommissie in de context van een procedure van toelating tot de studies, van heroriëntatie of van een persoonlijk remediëringsprogramma. Art. 68.Geen enkele student kan aan de leeractiviteiten deelnemen, noch zich aanbieden bij de evaluaties en examens ingericht door een instelling voor onderwijs, noch de overeenstemmende studiepunten toegekend krijgen, als hij voor dit onderwijs niet werkelijk ingeschreven is. Art. 69.§
  9. De initiële cursussen van het korte type worden in één studiecyclus ingericht. Ze omvatten 180 studiepunten. Deze cursussen worden met de academische graad van bachelor bekrachtigd. Bij uitzondering daarop, kunnen sommige initiële cursussen van het korte type 240 studiepunten bevatten. §
  10. De hogere studies kunnen tot het verkrijgen leiden van het BES (Brevet Hoger Onderwijs) indien ze studies van minstens 120 studiepunten bekrachtigen van beroepsgerichte aard en toegang verlenen tot een duidelijk geïdentificeerd beroep. Deze studies kunnen daarna in een studiecyclus van het korte type geïntegreerd of in aanmerking genomen worden. Art. 70.§
  11. De initiële cursussen van het lange type worden in twee studiecyclussen ingericht: 1° een eerste cyclus bekrachtigd met de graad van bachelor die 180 studiepunten telt;2° een tweede cyclus bekrachtigd met de graad van master die 60 studiepunten bevat of, als het een bijzondere finaliteit heeft, 120 studiepunten. Sommige studiecyclussen kunnen deel uitmaken van meerdere verschillende cursussen van het lange type. Bij uitzondering daarop, omvatten de tweede cyclussen in de geneeskunde en de diergeneeskunde 180 studiepunten. De tweede studiecyclus in de geneeskunde wordt bekrachtigd met de graad van arts; de tweede studiecyclus in de diergeneeskunde wordt bekrachtigd met de graad van dierenarts. §
  12. De studies van master in minstens 120 studiepunten kunnen één of meerdere keuzen bevatten van 30 specifieke studiepunten die aan deze studies één van de volgende finaliteiten geven: 1° De didactische finaliteit die de specifieke pedagogische opleiding omvat met toepassing van het decreet van 8 februari 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/02/2001 pub. 22/02/2001 numac 2001029120 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet tot vaststelling van de initiële opleiding van de geaggregeerden voor het hoger secundair onderwijs sluiten tot vaststelling van de initiële opleiding van de geaggregeerden voor het hoger secundair onderwijs of van het decreet van 17 mei 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 17/05/1999 pub. 15/06/1999 numac 1999029327 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende het administratief statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het onderwijzend hulppersoneel van de inrichtingen voor het onderwijs voor sociale promotie van de Franse Gemeenschap type decreet prom. 17/05/1999 pub. 29/10/1999 numac 1999029643 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende het hoger kunstonderwijs sluiten betreffende het kunsthoger onderwijs;ze wordt enkel voor de academische graden ingericht die overeenstemmen met de vereiste bekwaamheidsbewijzen in het onderwijs ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap. De Regering bepaalt deze overeenstemming. 2° De grondige finaliteit die tot wetenschappelijk of artistiek onderzoek leidt.Ze bevat tezelfdertijd grondig onderwijs in een bijzonder vak en een algemene opleiding voor het beroep navorser. Ze wordt exclusief in de universiteit of, voor kunststudies, in Hogere Kunstscholen in medeorganisatie met een gemeenschappelijk programma ingericht met een universiteit die deel neemt aan een overeenstemmende thematische doctorale school. 3° Een gespecialiseerde finaliteit in een bijzonder vak van het gebied waartoe de cursus die bijzondere beroepscompetenties of bijzondere artistieke competenties beoogt, behoort.De instellingen voor hoger onderwijs kunnen één of meerdere verschillende gespecialiseerde finaliteiten inrichten voor eenzelfde master. De ARES zorgt voor de coherentie van het aanbod aan dergelijke finaliteiten en vermijdt elke onverantwoorde overbodige herhaling. §
  13. De studies van master die reeds bestonden vóór de inwerkingtreding van dit decreet mogen enkel 60 studiepunten bevatten binnen een cursus van het lange type van 240 studiepunten. Ze bevatten geen finaliteit. De lijst van deze studies wordt als bijlage III bij dit decreet opgenomen. Om de twee jaar brengt de ARES voor de Regering een evaluatie uit over deze cursussen. Art. 71.§
  14. De cursussen van de derde cyclus omvatten de doctorale opleiding en de werkzaamheden in verband met de voorbereiding van een doctoraatsthesis. §
  15. De doctorale opleidingen worden begeleid door teams die geassocieerd worden in een thematische doctoraatsschool erkend door de ARES op advies van de Universitaire thematische raad. Ze worden verbonden met de specifieke competenties van de onderzoeksteams en geven aan de gediplomeerde een hoge wetenschappelijke en professionele kwalificatie. Ze kunnen tot de uitreiking leiden van een getuigschrift van opleiding tot het onderzoek dat forfaitair 60 opleidingsstudiepunten bekrachtigt. Ze bestaan essentieel uit specifieke activiteiten in verband met het beroep navorser en mogen dus niet meer dan 30 studiepunten van leeractiviteiten van het type bedoeld bij 1° van artikel 76, bevatten. De houders van een bekwaamheidsbewijs van master met een grondige finaliteit van hetzelfde studiegebied genieten een automatische inaanmerkingneming van maximum 30 studiepunten in verband met deze leeractiviteiten. §
  16. De academische graad van doctor wordt toegekend na de verdediging van een thesis die getuigt van de vaardigheden tot creativiteit, wetenschappelijk onderzoek en verspreiding van zijn resultaten door de doctorandus. De doctorale proef bestaat uit: 1° het opstellen van een persoonlijk en origineel werk dat de vorm kan aannemen van een dissertatie in het vak, van een proefwerk van de kandidaat dat de coherentie laat uitkomen van een geheel van publicaties van wetenschappelijke aard met de doctorandus als auteur of medeauteur, of een dissertatie in verband met een werk, een project of verwezenlijkingen met de doctorandus als auteur of medeauteur;2° de publieke voordracht van dat werk waarbij wordt aangetoond dat dit werk van kwaliteit is, origineel en dat de kandidaat het vermogen heeft dat werk wetenschappelijk te verspreiden. De werkzaamheden in verband met de voorbereiding van een doctoraatsproefschrift stemmen forfaitair overeen met 180 studiepunten verworven na een initiële opleiding bekrachtigd door een academische graad van master of gelijkwaardig niveau. Art. 72.Op het einde van een initiële opleiding bekrachtigd door een academische graad van bachelor, kunnen specialisatiestudies van de eerste cyclus tot een andere academische graad van bachelor leiden, na het slagen, volgens het studieprogramma, voor minstens 60 bijkomende studiepunten. Deze studies hebben tot doel een gespecialiseerde beroepskwalificatie te verlenen die inzonderheid toegang verlenen tot sommige beroepen. Art. 73.Op het einde van een initiële opleiding bekrachtigd door een academische graad van master in minstens 120 studiepunten of van gelijkwaardig niveau, kunnen specialisatiestudies van de tweede cyclus tot een andere academische graad van master leiden, na het slagen, volgens het studieprogramma, voor minstens 60 bijkomende studiepunten. Deze studies hebben tot doel een gespecialiseerde beroepskwalificatie te verlenen die overeenstemt met minstens één van de volgende doelstellingen: 1° de uitoefening van sommige beroepen toe te laten, met inachtneming van de overeenstemmende wetsbepalingen, inzonderheid in de gezondheidssector;2° een antwoord te geven aan de behoeften inzake specifieke opleidingen in het kader van programma's voor ontwikkelingssamenwerking;3° toegang te verlenen tot de bijzondere bekwaamheidsbewijzen en graden vereist door de wet of tot de bijzondere competenties erkend door de onderzoeks- en onderwijsteams, die gericht zijn op originaliteit, uniciteit en wetenschappelijke of artistieke specificiteit in de Franse Gemeenschap. De ARES zorgt voor de coherentie van deze studies en waarborgt er de overeenstemming van in verband met deze criteria. Art. 74.De instellingen voor hoger onderwijs kunnen studies van voortgezette opleiding inrichten ter bestemming van gediplomeerden van het hoger onderwijs of houders van gelijkwaardige bekwaamheidsbewijzen. Deze studies hebben één of meerdere doelstellingen: 1° het actualiseren van de kennis van de gediplomeerden, inzonderheid in functie van het bijzondere beroepsprofiel van de studenten;2° het perfectioneren of specialiseren van hun kennis en competenties in een of ander bijzonder vak, in hetzelfde studiegebied als hun initiële diploma of in een verschillend gebied.Tot deze categorie behoren inzonderheid de opleiding van wederinschakeling in het arbeidsproces of heroriëntatie; 3° het aanvullen en perfectioneren van hun opleiding, in rechtstreeks verband met hun huidige of komende beroepsactiviteit, met als doel de continuïteit van hun beroepstraject;4° het uitbreiden en verrijken van hun persoonlijke opleiding, als actieve burger met kritische zin. Voor deze studies van voortgezette opleiding, is uit essentie de professionele en persoonlijke inaanmerkingneming van toepassing en kadert in het levenslange leerproces. De ARES, op advies van de Academische polen, zorgt voor de coherentie van het aanbod aan dergelijke studies en de voorwaarden voor de toegang ertoe en voor het vermijden van elke concurrentie. Het slagen voor deze studies wordt niet met een academische graad bekrachtigd. Ze kunnen het uitreiken toelaten van sommige getuigschriften en de toekenning van studiepunten aan de studenten die overeenstemmen met de met succes gevolgde studies, indien ze minstens betrekking hebben op 10 studiepunten en dezelfde criteria in acht nemen inzake organisatie, toegang, inhoud en kwaliteit als de studies die tot academische graden leiden. Deze overeenstemming wordt door de ARES bevestigd. Deze studies van voortgezette opleiding komen niet in aanmerking voor het algemene systeem van financiering van de hogere studies, met uitzondering van de studies ingericht door de Instellingen voor sociale promotie. Nochtans kan de Regering specifieke regels bepalen voor de financiering van sommige onder hen, na advies van de ARES. HOOFDSTUK II. - Organisatie van het onderwijs Art. 75.§
  17. De administratieve taal van de instellingen voor hoger onderwijs is de Franse taal. §
  18. De onderwijs- en evaluatietaal van de leeractiviteiten is het Frans. Nochtans kunnen activiteiten in een andere taal ingericht en geëvalueerd worden: 1° in de eerste studiecyclus, naar rata van ten hoogste een vierde van de studiepunten;2° voor de studies die leiden tot de academische graad van master, behoudens voor de studiepunten die specifiek zijn voor de didactische finaliteit, naar rata van de helft van de studiepunten;3° voor de studies die gezamenlijk ingericht worden door meerdere instellingen voor hoger onderwijs overeenkomstig artikel 82, waaronder minstens één instelling buiten de Franse Gemeenschap;4° voor de specialisatiestudies;5° voor de studies van de derde cyclus;6° voor de studies van voortgezette opleiding en andere opleidingen. In het algemeen kan elke leeractiviteit van een cursus van de eerste of tweede cyclus gegeven of geëvalueerd worden in een andere taal indien ze ook in het Frans wordt ingericht; aan deze verplichting wordt voldaan voor de opties of de activiteiten op individuele keuze van de student, in de zin van artikel 127, als er minstens een andere keuze bestaat inzake optie of activiteit in het Frans. Voor de toepassing van paragraaf 2 van het tweede lid, 1° en 2°, komen het onderwijs in vreemde talen, het eindstudiewerk, de activiteiten inzake beroepsintegratie alsook de leeractiviteiten die gezamenlijk ingericht worden door instellingen buiten de Franse Gemeenschap die erkend zijn door hun bevoegde overheid inzake hoger onderwijs, niet in aanmerking. Voor de studies van de tweede cyclus, kan bovendien de Regering aan de instellingen voor hoger onderwijs afwijkingen toestaan wanneer de beoogde studies een internationale aard hebben voortvloeiend uit de excellentie van het wetenschappelijke of artistieke gebied, of van zijn bijzondere aard. De afwijkingen worden op de voordracht van de ARES toegestaan. Art. 76.De leeractiviteiten omvatten: 1° lessen ingericht door de instelling, inzonderheid meesterlessen, begeleide oefeningen, praktische werkzaamheden, laboratoriumwerkzaamheden, seminaries, creatieoefeningen en onderzoek in ateliers, uitstapjes, bezoekuitstapjes en stages;2° individuele of groepsactiviteiten, inzonderheid voorbereidingsessies, werkzaamheden, informatieopzoeking, eindstudiewerk, projecten en activiteiten ter beroepsinschakeling;3° studie, zelfopleidingsactiviteiten en activiteiten voor de persoonlijke verrijking. Al deze activiteiten kunnen het voorwerp uitmaken van een evaluatie of een inaanmerkingneming als studiepunten. Art. 77.Iedere onderwijseenheid binnen een studieprogramma omvat één of meerdere leeractiviteiten. Een eenheid wordt gekenmerkt door de volgende elementen: 1° haar identificatie, haar benaming, haar vak;2° het aantal ermee gepaard gaande studiepunten;3° haar bijdrage tot het onderwijsprofiel van het programma, alsook de specifieke leerresultaten bekrachtigd door de evaluatie;4° de beschrijving van de doelstellingen, de inhoud en de bronnen, referenties en mogelijke steun, met vermelding van deze die onontbeerlijk zijn voor het verwerven van de vereiste competenties;5° de cyclus en het niveau van het Franstalige Kwalificatiekader waartoe ze behoort en, indien relevant, de chronologische plaats in het cyclusprogramma;6° haar verplichte aard of haar individuele keuzeoptie voor de student binnen het programma of de opties;7° de lijst van de voorvereiste en medevereiste onderwijseenheden binnen het programma en als andere bijzondere kennis en competenties voorvereist zijn;8° de gegevens betreffende de dienst van de leerkracht(-en) die verantwoordelijk is (zijn) voor de organisatie en de evaluatie ervan;9° haar organisatie, inzonderheid de uuromvang, de vestiging en de periode van het academiejaar;10° de beschrijving van de verscheidene leeractiviteiten waaruit ze bestaat, de onderwijs- en leermethodes;11° de evaluatiewijze en, desgevallend, de relatieve weging van de verschillende leeractiviteiten;12° de onderwijs- en evaluatietaal (-talen). Binnen een studieprogramma kan de evaluatie van een onderwijseenheid het voorwerp uitmaken van een weging met als doel de beraadslagingen van een examencommissie bij de berekening van het gemiddelde bedoeld bij artikel 139 en artikel
  19. Deze weging wordt tevens vermeld. Bij gebreke daaraan wordt een gelijk gewicht gegeven aan de evaluatie van elke onderwijseenheid. Deze beschrijving van de onderwijseenheden kan niet gewijzigd worden gedurende het academiejaar waarop ze betrekking heeft, behoudens overmacht ten opzichte van de verantwoordelijke leerkrachten. Art. 78.Iedere Universiteit, hogeschool en Hogere Kunstschool ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap wordt ertoe gehouden ter beschikking van de regelmatig ingeschreven studenten te stellen, op een intranetsite, de lesdragers waarvan de lijst, voor de Universiteit, bepaald wordt door het orgaan bedoeld bij artikel 17 van het decreet van 21 september 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/12/2000 pub. 19/01/2001 numac 2001029005 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet tot vastlegging van de initiële opleiding van onderwijzers en regenten sluiten0 betreffende de deelneming en de vertegenwoordiging van de studenten in het hoger onderwijs, voor de hoge scholen, door de Pedagogische raad en, voor de Hogere Kunstscholen, door de Pedagogische beheersraad. Deze terbeschikkingstelling van de lesdragers bedoeld bij het vorige lid wordt effectief ten laatste één maand na het begin van de beoogde leeractiviteiten. Deze lesdragers kunnen gewijzigd worden volgens de evolutie van de precieze inhoud en de vorm van de leeractiviteiten. Nochtans moeten ze ten laatste zes weken vóór de overeenstemmende evaluatieproef online worden gesteld. De student die een studiesubsidie geniet die het aanvraagt, kan ten laste van de sociale begrotingen van de Universiteit, hogeschool of Hogere Kunstschool, gratis een papierexemplaar krijgen van de lesdragers voor de cursus waarvoor hij ingeschreven is en die bedoeld zijn in de lijst bepaald bij het eerste lid? In de instellingen voor hoger onderwijs die, anderzijds, de lesdragers via een drukexemplaar de lesdragers ter beschikking stellen van hun studenten, wordt de kosten van deze druk ter advies van de overlegcommissie voorgelegd, die belast is met het uitbrengen van een advies over de kosten op de reële waarde geraamd met betrekking tot de goederen en diensten verleend aan de studenten. HOOFDSTUK III. - Studieritme Art. 79.Het geheel van de leeractiviteiten van elke onderwijseenheid van de cursussen die leiden tot een academische graad van de eerste of tweede cyclus wordt verdeeld over één van de eerste twee kwadrimesters van het academiejaar, met uitzondering van sommige evaluaties, stages, projecten of activiteiten voor de beroepsinschakeling. Bij wijze van uitzondering en om met redenen omklede pedagogische redenen, kunnen sommige onderwijseenheden van de eerste cyclus verdeeld worden over de eerste twee kwadrimesters van het academiejaar; in dat geval, wordt een gedeeltelijke proef ingericht op het einde van het eerste kwadrimester, overeenkomstig de bepalingen van artikel 150, § 1er. Het eerste kwadrimester begint op 14 september; het tweede op één februari; het derde op één juli. De eerste twee kwadrimesters bevatten minstens 12 weken leeractiviteiten. De leeractiviteiten beginnen op de eerste maandag van het kwadrimester. Op het einde van ieder van deze kwadrimesters wordt een evaluatieperiode ingericht dat de verwerving van studiepunten toelaat. Deze heeft minimum betrekking op het geheel van de leeractiviteiten ingericht gedurende het kwadrimester. Een derde kwadrimester omvat evaluatieperiodes, alsook activiteiten voor de beroepsinschakeling of persoonlijke werkzaamheden. §
  20. Bij uitzondering op de vorige paragraaf, kunnen, de autoriteiten van de instelling voor hoger onderwijs, wegens degelijk met redenen omklede overmacht, een evaluatieperiode van een student verlengen tot het volgende kwadrimester, zonder nochtans een periode van twee maand en half na het einde van het kwadrimester te mogen overschrijden. §
  21. De leeractiviteiten van de studies van de derde cyclus, van de studies van voortgezette opleiding en van de andere opleidingen kunnen over de drie kwadrimesters verdeeld worden. Art. 80.De leeractiviteiten bedoeld bij artikel 76, 1°, en de evaluaties, met uitzondering van de activiteiten voor beroepsinschakeling, tochten, bezoekuitstapjes en stages, kunnen door de instellingen noch op zondag, noch op feestdagen, noch op 27 september ingericht worden. De autoriteiten van deze instellingen voor hoger onderwijs kunnen andere dagen voor het ophouden van de activiteiten bepalen die eigen zijn aan hun instelling. HOOFDSTUK IV. - Mobiliteit, samenwerking en gezamenlijke diplomering Art. 81.Studenten ingeschreven in een instelling voor hoger onderwijs met als doel het behalen van een academische graad, volgen de leeractiviteiten en voeren de werkzaamheden uit die in hun studieprogramma voorkomen en die door de instelling worden ingericht. Ze leggen er de proeven en examens af in verband met hun studieprogramma. Overeenkomsten gesloten met andere Belgische of buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs, in de Franse Gemeenschap of buiten deze laatste, kunnen echter bepalen dat sommige van deze cursussen en werkzaamheden door deze andere instellingen ingericht zullen worden en dat de examens over deze leerstof eveneens in deze instellingen zullen worden afgelegd, overeenkomstig de geldende regels. Ze kunnen ook in het uitwisselen van personeelsleden voorzien. De instellingen buiten de Franse Gemeenschap waarmee deze overeenkomsten kunnen worden afgesloten, moeten erkend zijn door hun bevoegde autoriteiten inzake hoger onderwijs, moeten lessen inrichten of aan de organisatie deelnemen van cursussen en moeten graden uitreiken die gelijkwaardig zijn met minstens een graad van de eerste cyclus zoals bedoeld bij dit decreet. Art. 82.§
  22. In het kader van hun opdrachten ontwikkelen de instellingen voor hoger onderwijs partnerschappen onderling, alsook met andere instellingen of rechtspersonen uit de wereld van de wetenschappen, het onderwijs, uit het beroepsleven en de cultuur. De gekozen partners kunnen Belgisch zijn of uit het buitenland komen. Ze kunnen samenwerkingsovereenkomsten met deze partners sluiten. Voor de overeenkomsten inzake onderwijs, moeten de partnerinstellingen door hun bevoegde overheid erkend worden inzake hoger onderwijs. §
  23. Twee of meerdere instellingen voor hoger onderwijs, in de Franse Gemeenschap of buiten de Franse Gemeenschap, kunnen onderling samenwerkingsovereenkomsten in de zin van de vorige paragraaf sluiten voor de gezamenlijke administratieve en academische organisatie van leeractiviteiten van een opleiding of een gezamenlijk studieprogramma waartoe minstens één van ze gemachtigd is. Een dergelijke overeenkomst kan betrekking hebben op het aanbod en de organisatie van onderwijs, het uitwisselen van personeelsleden of het delen van infrastructuren. De overeenkomst wijst, onder de instellingen die ertoe gemachtigd worden voor de bedoelde studies, de referentie-instelling aan die belast is met de centralisatie van het administratieve en academische beheer van het programma en de studenten. De Regering kan de minimale inhoud van een dergelijke overeenkomst aanvullen. §
  24. Een gezamenlijk studieprogramma kan tot een gezamenlijke diploma-uitreiking leiden wanneer het gezamenlijk ingericht wordt in de zin van de vorige paragraaf, alle partners in de Franse Gemeenschap ertoe gemachtigd zijn of gezamenlijk gemachtigd zijn voor deze studies, de leeractiviteiten gezamenlijk ingericht, beheerd en verstrekt worden en het slagen daarvoor collegiaal bekrachtigd wordt en wanneer het leidt tot de gezamenlijke uitreiking van een enkel diploma, ondertekend door alle partners, ofwel diploma's uitgereikt door iedere instelling krachtens hun eigen machtiging en wetgeving. Om een programma voor de gezamenlijke diplomering voor te dragen, moeten de partnerinstellingen in de Franse Gemeenschap, elk, in het kader van de overeenkomst, minstens 15% ten laste nemen van de leeractiviteiten van het programma van de betrokken studiecyclus. Daarenboven, zal elke student effectief leeractiviteiten hebben gevolgd ingericht door minstens twee verschillende partners. Dit laatste lid is niet van toepassing op de studies die aanleiding geven tot een gezamenlijke diplomering en die ingericht worden in het kader van de bijzondere programma's bepaald door de Europese Unie. De overeenkomst inzake gezamenlijke diplomering bepaalt inzonderheid: 1° de bijzondere voorwaarden voor de toegang tot de studies;2° de nadere regels voor de inschrijving;3° de organisatie van leeractiviteiten;4°

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.